KopKrant - editie november 2019 - PO

Page 1

PO

KopKrant

Van thuiszitters tot schoolgangers: 2 praktijkcases

4

Leren van het buitenland: ‘met elkaar en van elkaar leren’

Leren van elkaar: De fases van groepsgedrag

6

10

november 2019

Praktijkklas en klusklassen in Noord-Groningen Nieuw instrument: ‘Perspectief op school’ Onderwijsinspectie beoordeelt samenwerkingsverband

‘Samenwerken en leren van elkaar’

Elk kind een passende onderwijsplek


2

KopKrant, november 2019

Kopstuk

Partners

PO

Blosse De heer J. Spanbroek Postbus 271 1700 AG Heerhugowaard www.blosse.nl (072) 566 02 00

Liefde en VertrouwenWest Nederland De heer H. Eilander ’s-Molenaarsweg 1 2401 LL Alphen a/d Rijn www.levwn.nl (0172) 41 88 30

welkom@blosse.nl

h.eilander@levwn.nl

Stichting Schooltij De heer J. Deckers De Verwachting 7 1761 VM Anna Paulowna Postbus 79 1760 AB Anna Paulowna www.schooltij.nl (0223) 20 30 00

Stichting SARKON De heer G.J. Veeter Drs. F. Bijlweg 8a 1784 MC Den Helder Postbus 6040 1780 KA Den Helder www.sarkon.nl (0223) 67 21 50

info@schooltij.nl

info@sarkon.nl

Stichting SURPLUS De heer P. Moltmaker De Verwachting 7 1761 VM Anna Paulowna Postbus 79 1760 AB Anna Paulowna www.stichtingsurplus.nl (0223) 20 30 00

Stichting Kopwerk De heer J. Bot De Verwachting 7 1761 VM Anna Paulowna Postbus 79 1760 AB Anna Paulowna www.kopwerk.nl (0223) 20 30 00

Stichting Comenius De heer Th. Gauw Postbus 6032 1780 KA Den Helder www.abscomenius.nl (0223) 61 38 64

info@stichtingsurplus.nl

info@kopwerk.nl

Stichting Samenwerkingsschool De heer T. Jong Drs. F. Bijlweg 8a 1784 MC Den Helder

Stichting Heliomare Onderwijs De heer J. Welmers Postbus 78 1940 AB Beverwijk www.heliomare.nl (088) 920 80 02

Stichting Aloysius De heer R. Prast Postbus 98 2215 ZH Voorhout www.aloysiusstichting.nl (0252) 43 40 00

bestuurssecretariaat@heliomare.nl

remco.prast@aloysiusstichting.nl

Beste lezer, In deze Kopkrant is reizen één van de thema’s. Onderstaand verhaal gaat over een heel bijzondere reiziger. We leren dat soms moet ‘inzoomen’ en soms moet ‘uitzoomen’ in het leven. ‘Ruimte scheppen’ Het was niet zomaar een bevlieging. De hele klas wist al jaren dat Tim astronaut zal worden. In de kleuterklassen kwam hij bij feestjes steevast in een astronautenpak. Daar had hij thuis weken om gezeurd. Zijn ouders hadden geen idee waar Tim zijn vroege fascinatie voor de ruimte vandaan kwam. Zij hadden in ieder geval niets met wetenschap. Vader deed iets in de assurantiën en moeder werkte bij de politie. Iedereen had die schattige kleuterastronaut geweldig gevonden. Vader en moeder gingen er vanuit dat het vanzelf over zou gaan. Dat gebeurde dus niet.

‘Het belangrijkste wat een astronaut moet leren is daarom vriendelijkheid’

Jan Bot, voorzitter samenwerkingsverband Kop van Noord Holland PO

Nu zit Tim in groep zeven en zijn kamer thuis hangt vol met posters over de ruimte. “Bij onze Tim heb je de ruimte, lacht moeder wel eens.” Bij zijn spreekbeurt over Andre Kuipers kon je in de klas een speld horen vallen. Dat krijg je wanneer een expert met passie aan het werk gaat. Juf ziet het met verwondering aan en denkt na over het verschil tussen passie en obsessie. Intussen leest Tim op internet alles wat hij lezen kan over zwarte gaten. Juf bespreekt haar Tim thuis bij het eten. Haar partner glimlacht en zegt: “Neem die jongen een keer mee naar Noordwijk. Ik ken de baas van Space Expo, die kan hem vast vertellen hoe je astronaut kan worden”. Op de grote dag loopt Tim stralend rond. Hij kijkt samen met zijn rondleider naar een film over ruimtevaart en hij mag zelfs samen met de baas van Space Expo in astronautenpak in de simulatiecapsule vliegen. “Kijk”, zegt de baas, die geniet van de jongen. “Zie je hoe klein deze ruimte is?” Het belangrijkste wat een astronaut moet leren is daarom vriendelijkheid. We zijn in de capsule volkomen van elkaar afhankelijk en als we niet goed samenwerken, loopt het al snel helemaal mis.” Maandag vraagt Tim aan juf of hij wel vriendelijk genoeg is en hoe je vriendelijkheid kan leren. Als juf doorvraagt en de vraag begrijpt moet ze glimlachen. “Laat juf daar nu toevallig expert in zijn”, vertrouwt ze Tim toe.

www.swvkopvannoordholland.nl

Stichting Meerwerf De heer N. van Heijst Drs. F. Bijlweg 8a 1784 MC Den Helder www.meerwerf.nl (0223) 65 93 00 info@meerwerf.nl

www.speciaalonderwijsdenhelder.nl

(06) 15 31 25 82

directie@abscomenius.nl

ton.jongspeciaalonderwijs@live.nl

Handige tool voor zoeken naar losse artikelen uit voorgaande KopKranten Op verzoek van het werkveld zijn nu ook alle losse artikelen uit de KopKrant (vanaf 2014) beschikbaar als pdf op de website van het samenwerkingsverband. U kunt zoeken op categorie: zorg/ jeugdhulp, indiceren & arrangeren, gedrag, uitdagend onderwijs, dyslexie, nieuwkomers, doorgaande lijn, bijeenkomsten, praktijkvoorbeelden en jonge kind/vve. U kunt verfijnen met een zoekwoord via zoekopdracht of alleen zoeken op een zoekwoord (bij categorie selecteert u dan ‘geen categorie’). U krijgt daarna een selectie die past bij uw zoekopdracht waarna u het artikel of de hele krant waar het artikel in heeft gestaan, kunt lezen. U vindt de tool onder Actueel - KopKrant - Artikelen


3

KopKrant, november 2019

PO

Kijken buiten de regio

Praktijkklas en klusklassen in Noord-Groningen

Binnen ons samenwerkingsverband wordt een voorzichtig begin gemaakt met zogenaamde klusklassen. In andere regio’s zijn sommige scholen al verder. De KopKrant sprak erover met Jannes de Vries, orthopedagoog en GZ psycholoog bij de Vereniging voor Christelijk Primair Onderwijs NoordGroningen, dat onderwijs biedt aan ruim 1500 kinderen op 15 scholen in de gemeenten Hogeland en Groningen. ‘Niet te veel over nadenken, gewoon mee beginnen.’

Jannes de Vries

In jullie vereniging hebben jullie een praktijkklas en ook klusklassen. Hoe zijn die ontstaan? ‘Er waren - vanuit de gedachte van het passend onderwijs - sinds 2014 al op verschillende scholen plusklassen voor de meerkunners, maar we hadden het gevoel dat we een groep kinderen vergaten - de meer praktisch ingestelde leerlingen, die in groep 7 en 8 zitten en zullen uitstromen naar het praktijkonderwijs. Hen wilden we ook graag iets bieden en voor hen de overgang makkelijker maken. We wilden ze vooral lessen bieden waarin zij kunnen ervaren: “Hé, daar ben ik goed in.” Deze leerlingen hebben vaak jarenlang het gevoel dat ze alleen maar dingen moeten doen die ze moeilijk vinden. Met meerdere besturen hebben we de krachten gebundeld. We vonden plek op Terra, school voor vmbo en praktijkonderwijs in Winsum, waar kinderen van meerdere scholen praktijklessen kunnen volgen. Ze kunnen daar bijvoorbeeld in de keuken aan het werk. Een aantal docenten van het vmbo maar ook van de basisschool helpt mee en een gepensioneerde vader was kok, hij wilde graag helpen. Zo is het ontstaan.’

En hoe zit het met de klusklassen? ‘We merkten dat het welbevinden van de kinderen die naar de praktijkklas gingen een enorme boost kreeg. Het gevoel van ook iets goed kunnen deed deze kinderen goed. Onze scholen zagen ook dat de praktijkklas aansloeg; van verschillende scholen deden daar kinderen aan mee. Dat werkte aanstekelijk, waardoor ook op scholen zelf het initiatief tot klusklassen aan het ontstaan is. Zoals op de Zoutkampperril in Zoutkamp. Door het succes van de praktijkklas wilde deze school naast hun torenklas voor de meerkunners, ook graag een klusklas. Hoe daarmee te beginnen? Nou, het is allemaal niet zo ingewikkeld, we kunnen het heel lang hebben over randvoorwaarden, maar je kunt ook gewoon beginnen door een middag in de week alle boeken en tafels aan de kant te schuiven en te gaan koken, tuinieren, met de klas een fietsband te gaan plakken, of te gaan knutselen, of ingewikkelde onderwerpen op een praktische manier aan te pakken. Er zijn heel veel praktische vaardigheden die kinderen goed kunnen leren en waar ze hun hele leven gebruik van kunnen maken.’

Wat vinden de kinderen er van? ‘Vorig jaar hebben we de kinderen zelf gevraagd waar ze behoefte aan hebben; van iedere school hebben we twee kinderen uit groep 7 gevraagd in een centrale setting mee te praten over hun onderwijs. Daar kwamen dingen uit waarvan ik van tevoren hoopte dat ze er mee kwamen. Ze wilden meer praktische onderwerpen aan de orde te laten komen, zoals EHBO, koken, dierenverzorging en techniek. Maar ook eerder Engels, groene scholen, meer gymnastiek en bewegen, meer aandacht voor creativiteit met muziek en drama. Dat was voor ons een extra stimulans om door te gaan met onze praktijkklas, en we hopen dat het idee van meer praktijkonderwijs zich door het succes van deze klas binnen onze scholen als een olievlek verspreidt.’ Meer weten? Lees ook https://www.dvhn.nl/ Meningen/Opinie/ Kinderen-willen-eenander-lespakket-24911893. html

‘We wilden ze vooral lessen bieden waarin zij kunnen ervaren: Hé, daar ben ik goed in’


4

KopKrant, november 2019

PO

Leren van elkaar

Van thuiszitters naar tevreden schoolgangers

We willen het niet, maar soms gebeurt het toch: een kind komt thuis te zitten. Hoe krijg je zo’n thuiszitter weer naar school en hoe zorg je ervoor dat het kind ook weer gemotiveerd naar school gaat? Twee voorbeelden van geslaagde trajecten.

Case 1: Koningin Julianaschool Den Helder

Ellis Swagerman

‘Inmiddels zien we dat Bram, voorheen een somber jongetje dat weinig contact maakte, vaker lacht, buiten met andere klasgenoten speelt en tevreden naar school gaat’

Het probleem Ellis Swagerman, directeur van de Koningin Julianaschool in Den Helder: ‘Robin, een jongen van 8 jaar, zat thuis en zijn moeder kreeg hem niet meer naar school. Hij was ongelukkig op zijn oude school. Ze was op zoek gegaan naar andere scholen, waarbij ze had aangegeven dat Robin meer in zijn mars leek te hebben dan hij liet zien en dat hij op zijn oude school volledig blokkeerde. Bij ons op school hebben we behoorlijk passend onderwijs, en ook goede signaleringsmogelijkheden voor meerkunners. Op zijn school van herkomst was het afscheid nemen lastig: dan ging hij weer de klas in, dan weer uit, moeder en kind kwamen niet los van elkaar. Wij hebben met moeder de afspraak gemaakt dat, om dit te doorbreken, het brengen cold turkey moet gaan: brengen, afscheid nemen, en gaan. Dat ging na twee keer goed. Deze jongen had een oudere broer, Bram van 10 jaar. Hij zat op de Eurekaschool maar was daar niet gelukkig en gleed af naar een thuiszitsituatie. Moeder wilde hem graag na de zomer naar het voortgezet onderwijs sturen, maar school vond hem daar nog niet klaar voor. Daarom wilde ze haar zoon graag overplaatsen naar onze school, maar ook wij waren niet overtuigd van het feit dat hij klaar was voor het voortgezet onderwijs en hebben gezegd: hij mag hier komen, maar alleen als gewone groep 8-leerling en met heel duidelijke afspraken, vastgelegd in een contract. Moeder is gaan nadenken en ging uiteindelijk akkoord. Die afspraken gingen er onder andere over dat Bram mee zou gaan op schoolkamp, zodat hij in het begin van het schooljaar meteen aansluiting

in de groep zou krijgen, over individuele begeleiding en over het conformeren aan hoe wij het hier op school doen. Inmiddels zien we dat Bram, voorheen een somber jongetje dat weinig contact maakte, vaker lacht, buiten met andere klasgenoten speelt en tevreden naar school gaat.’ Wat werkt volgens school? - Sterk pedagogisch klimaat - Duidelijkheid naar moeder - Veel kennis op school van zorg op alle niveaus - Kanjertraining en bijbehorende regels waar school continu strikt op let - Duidelijkheid naar kinde ren over gewenst en ongewenst gedrag - Korte lijntjes tussen school en moeder Moeder Marion de Boer: ‘Mijn oudste zoon Bram had op de basisschool al heel snel een voorsprong. Dat gaf eerst geen problemen, maar in groep 5 liep hij toch vast. Hij had uitdaging nodig, werkte vooruit, maar had weinig aansluiting en vereenzaamde daardoor. Na overplaatsing naar de Eurekaschool was hij ook daar niet gelukkig. Niets ten nadele van school, maar hij paste daar door zijn karakter, gevoeligheid en extreme

hoogbegaafdheid net niet goed. Ook waren school en ik het niet eens over doorstromen naar het vo. Thuis zag ik een andere Bram dan dat ze op school zagen; thuis zag ik al een echte puber. Na twee jaar kwam hij thuis te zitten; hij kreeg lichamelijke klachten en dat ging me te ver. Ondertussen ging zijn broertje Robin heel goed op de Julianaschool. Robin heb ik overgeplaatst omdat hij op zijn oude school heel ongelukkig was. Waar dat precies aan lag, hebben school noch ik ooit echt de vinger op kunnen leggen. Maar ook hij kreeg fysieke klachten. Ook is door de IB’er op de oude school gezegd dat sommige kinderen simpelweg niet zo goed in het huidige schoolsysteem passen, en ik denk dat dat voor Robin ook geldt. De orthopedagoog heeft zelfs gezegd dat hij een schooltrauma had. Maar op de Julianaschool gaat het goed met hem, door het veilige pedagogische klimaat. Dat zag mijn oudste zoon Bram ook. Als Bram dan nog een jaar in groep 8 zou moeten doorbrengen, dan het liefst op die school, vond ik. We zijn een paar maanden verder en inmiddels gaat het best goed. Het is moeilijk om

in een bestaande klas in te stromen, maar ik heb tegen hem gezegd dat het een mooie oefening is voor straks als hij naar het vo gaat. Hij moppert soms wel, maar ik hoef geen strijd meer aan te gaan om hem naar school te krijgen, zoals vroeger. Ik zie dat hij wat vrienden maakt en buiten school meedoet aan activiteiten; ik ben heel tevreden.’ Wat werkt volgens moeder? - Kind voelt zich op school erg gezien en gehoord - Geen voorkeursbehandeling, maar wel heel positieve benadering en daardoor afname van faalangst - Pedagogisch klimaat school


5

KopKrant, november 2019

PO

Case 2: Antoniusschool Den Helder Wat was het probleem? Rik zat in groep 4 op de Antoniusschool in Schagen. Helaas kwam hij na een aantal incidenten thuis te zitten. Dit kwam niet alleen doordat de ouders thuis een ander kind zagen dan op school, maar ook doordat niemand echt goed doorpakte. Rik is in de Commissie Toelating Onderwijsvoorzieningen (CTO) besproken, de leerplichtambtenaar is geïnformeerd en ook is hij onderzocht bij Triversum. Maar toch kreeg niemand de zaak vlot getrokken.

Hulpverlening In Schagen kon Rik niet meer naar school, maar dit schooljaar was er een plaats voor hem op de Antoniusschool de Pionier in Den Helder. Hier mocht hij starten als er hulp voor hem was. Vervolgens kwam de hulpverlening op gang. Iemand van het wijkteam pakte het meteen op en legde met toestemming van Riks ouders een hulpvraag neer bij de ambulante daghulp van Parlan. Suzanne van Dongen werkt als juf voor de Antoniusschool en is daarnaast jeugdzorgwerker bij Parlan. Vanwege haar dienstverband bij de Antoniusschool was het een logische keuze om Rik te gaan helpen op school. Werkplan Suzanne is twee keer per week ruim anderhalf uur aanwezig om Rik te ondersteunen bij zijn gewone schoolwerk. Ook praat ze met hem over hoe hij zijn gevoelens op een goede manier zou kunnen ui-

‘Het is voor hem fijn dat hij één op één aandacht krijgt’

ten en leert ze hem te vertellen waarom hij soms zo boos is. Daarnaast speelt ze spelletjes met hem en begeleidt ze spelletjes die hij speelt samen met de andere kinderen. Suzanne: ‘Als hij een les heeft afgemaakt, gaan we iets leuks doen, dat werkt vaak heel goed bij Rik. Ik help hem ook bij het interpreteren van andermans gedrag. Bijvoorbeeld: als een klasgenoot lacht, betekent dat dan dat hij je uitlacht, of kan het ook iets anders betekenen? Suzanne heeft samen met Rik en zijn ouders een werkplan opgesteld met daarin verschillende doelen. Ze vertelt: ‘Ik heb bijvoorbeeld gezien dat hij moeite heeft met schrijven; hij klaagt vaak over ‘moeie vingers’ en een warme hand. Daarop heb ik de ouders geadviseerd om hem te laten screenen door een fysiotherapeut die aan de Antoniusschool verbonden is. Een ander doel is hem leren zijn emoties op een andere manier te uiten. ”Kun je dit ook op een andere manier oplossen? En “Wat had je nog meer kunnen doen?”, vraag

ik hem dan. Het is belangrijk dat hij het gevoel heeft dat hij gehoord en gezien wordt; dat hij ook zijn kant van het verhaal mag vertellen als hij bijvoorbeeld ruzie heeft gehad met iemand.’ Rik gaat nu vijf dagen per week naar school en vindt het fijn als zijn begeleider komt. Suzanne: ‘Ik ben echt zíjn juf, zo voelt hij het. Het gaat goed met hem, hij is zelf tevreden, school is tevreden en zijn ouders zijn ook tevreden. Hij vindt het fijn dat hij elke dag naar school mag komen. ‘ Wat werkt volgens zijn begeleider? Suzanne: ‘Rik vindt het prettig dat ik er echt voor hem ben. Het is voor hem fijn dat hij één op één aandacht krijgt en de klas uit kan op de momenten die ik kom. Ook als het minder goed gaat met hem, kan ik hem afleiden met bijvoorbeeld een spelletje en daarna met hem in gesprek gaan over wat er gebeurd is of wat er anders had gekund.’

Daghulp op maat Op alle (speciale) basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen is daghulp op maat, zoals Rik krijgt, mogelijk als een kind dat nodig heeft. Daghulp ondersteunt het kind, de docent en de ouders. Die hulp kan op gang komen via het Wijkteam, de huisarts of Centrum Jeugd en Gezin. Deze hulp wordt betaald door de gemeente, die verantwoordelijk is voor jeugdzorg.

De namen van de kinderen en ouders zijn vanwege privacy gefingeerd.


6

KopKrant, november 2019

PO

Leren van het buitenland

Leren van elkaar kan op alle niveaus, maar ook op alle plekken. Een aantal collega’s toog naar het buitenland om daar naar het speciaal (basis)onderwijs te kijken, kennis te delen en te leren. Hoe gaan ze om met speciale behoeften in Suriname, Kenia en Amerika? Drie verhalen.

1 Amerika: steeds kijken wat er nodig is

Tekst is geschreven door Jan Bot en verscheen eerder in Onderstroom Magazine van Stichting Kopwerk, Stichting Schooltij en Stichting Onderstroom.

‘Door elkaar regelmatig te ontmoeten, een kijkje bij elkaar in de keuken te nemen, leer je elkaars werksoort kennen’

Niet lang na de oprichting van Kopwerk maakte een groep van zo’n 25 medewerkers de oversteek naar de Verenigde Staten, om te leren van de manier waarop daar het onderwijs werd vormgegeven. Meer verbindend zou het zijn, inclusiever. Tijdens een gesprek kwam de vraag op tafel hoe zij omgingen met kinderen die iets eigens nodig hebben. De bestuurder gaf het voorbeeld van een autistische jongen – Jeffrey – die ze de afgelopen jaren gewoon op school hadden weten te houden, terwijl dat best ingewikkeld was. Dat nu de volgende uitdaging was om die ook op het voortgezet onderwijs te laten functioneren en wat ze daaraan deden. En hoe iedereen rondom Jeffrey daarbij betrokken was. Dat willen we wel eens zien “Dat was een mooi verhaal. Maar dat zouden we natuurlijk wel eens in de praktijk willen zien” was ons antwoord. De bestuurder keek in haar agenda en zei: “Dat komt goed uit, want vanmiddag is er een gesprek over Jeffrey. Wil je mee?” Een paar uur later rijden we 60 kilometer naar het gesprek. Daar aangekomen zit een aantal mensen rondom een grote tafel met een prachtige schaal fruit en voor iedereen wat te drinken. De vraag van die middag was Hoe kunnen wij er samen voor zorgen dat Jeffrey ook op het vo gaat functioneren? Want vanzelf zal dat niet gaan.

Wekker Een van de aanwezigen was het jongere zusje van Jeffrey. Zij maakte meteen de geweldige opmerking “Nou, dan zal hij eerst maar eens moeten leren op tijd z’n bed uit te komen. Want dat is nogal een probleem!” Degene die het gesprek leidt, neemt het zusje serieus en vraagt door. “Nou, dan moet hij een wekker hebben,” zegt het zusje. “Heb jij een wekker?” vraagt hij. “Ja hoor,” zegt ze, “maar dat moeten we dan wel goed oefenen, want dat gaat niet vanzelf goedkomen…” “Nou, als jij nou je wekker geeft aan Jeffrey, en jullie gaan samen oefenen, dan gaan we kijken of dat lukt.” En op het whiteboard werd geschreven: Zusje levert wekker. 10 keer oefenen Het volgende probleem was dat Jeffrey zelf naar school zou moeten. Dat was een probleem, want als dingen anders gingen dat hij gewend was, raakte Jeffrey in opperste paniek. “Hoe kunnen we hem nou leren om naar de schoolbus te gaan, om mee te gaan, om op de goede plek uit te stappen en dan daadwerkelijk naar school te gaan. Als hij niet oefent, wordt dat niks.” “Nou,” zegt de sportcoach van zijn basketbalteam, die aanwezig was omdat Jeffrey hem vertrouwde en ze dachten als iemand wat bereiken kan met Jeffrey dan moet hij dat zijn “dan ga ik de komende weken 10 keer met Jeffrey die route oefenen, zodat hij het daarna zelf kan.”

Samen sterk En zo ging dat gesprek door. De basisschool die uitlegde wat de ‘Do’s and dont’s’ waren om ervoor te zorgen dat Jeffrey kon functioneren. De collega’s van het vo die dat meenamen als ‘gebruiksaanwijzing’ naar hun school. De moeder die gevraagd werd of ze hulp nodig had om ervoor te zorgen dat ze Jeffrey op tijd bij de bus te krijgen. En uiteindelijk zaten alle mensen om Jeffrey heen om ervoor te zorgen dat dat zou gaan lukken. Het was prachtig om mee te maken en de gedachte ging door ons heen: “Bij ons doet een externe een onderzoekje, en dan komt iemand vertellen wat er met het kind is en hoe het moet. Hier werd gewoon gedacht in oplossingen. Wat is er nou echt nodig om dat goed te laten gaan.” Een heel mooie manier van elkaar serieus nemen. Ouders, school, sociale omgeving. Dat heeft ons enorm geraakt, en gesterkt in de gedachte dat je samen veel kunt bereiken!

Reactie Jan Bot: ‘Dit is alweer een aantal jaren geleden, maar nog steeds inspirerend. Als je ziet hoe het anders kan, kun je beter reflecteren op hoe je het zelf doet. Uiteindelijk levert de manier zoals beschreven meer op. Iedereen neemt samen de verantwoordelijkheid rond deze jongen. Zusje, sportcoach, ouders; om het kind heen is het heel goed georganiseerd. Ze hebben een structuur gecreëerd waarin dingen niet vastliggen, en waarin je daardoor steeds kunt blijven vragen: ‘wat is er nu nodig voor dit kind’. De structuur maakt het mogelijk om die vraag te blijven stellen. Dat is heel anders dan: ‘Wij weten wat goed is voor uw kind’. Het kind is er normaal ook bij tijdens zo’n gesprek, maar in Jeffrey’s geval gaf dat te veel prikkels. Maar het is praten met, en niet praten over. Dat brengen ze in de praktijk en daar ben ik van gecharmeerd. Ik denk niet dat we alles na kunnen doen, maar goed kijken naar wat een kind nodig heeft en hoe we dat met zijn allen in de praktijk gaan regelen, daar draait het uiteindelijk wel om.’


7

KopKrant, november 2019

PO

Toen en nu

Leren van het buitenland

2 Suriname: werken aan je skills en wereldburgerschap

Vanuit Stichting Kopwerk/ Schooltij gaat jaarlijks een groep docenten en schoolleiders naar Suriname. Tijdens de reis staat collegiale ontmoeting en wederzijds leren centraal. Peter Poortman, beleidsmedewerker Onderwijs & Kwaliteit van Stichting Kopwerk/Schooltij, vertelt.

‘We hebben gekozen voor Suriname als land vanwege de binding die er tussen Nederland en Suriname is’, vertelt Peter Poortman. ‘Sinds 2016 doen we dit, via Edukans. Een groep leerkrachten, studenten, zorgcoördinatoren en schoolleiders gaat twee weken naar Suriname vanuit het programma World Teacher van Edukans. De laatste groep is in oktober teruggekomen uit Suriname.’ Poortman vervolgt: ‘Tijdens zo’n reis ga je heel praktisch met je collega aan de slag in de klas. Je observeert in de groep, houdt workshops over activerende didactiek of differentiatie. Schoolleiders coachen hun collega-schoolleider en organiseren workshops met elkaar. Voor vertrek naar Suriname doe je mee aan een aantal bijeenkomsten, formuleer je wat jij in Suriname wilt leren. Bijvoorbeeld: ‘Ik wil leren lesgeven voor een grote groep die ik niet ken, met weinig middelen’. Of: Hoe nemen ze in Suriname meerof minderkunners mee met de groep?’ Van elkaar en met elkaar leren, daar gaat het om en in die stand gaan de deelnemers op reis. Het gaat ook om je eigen leerdoelen: goed burgerschap, persoonlijke ontwikkeling. De deelnemers schrijven elke dag een

stuk in het reflectieverslag en het idee is dat je op je eigen school ook uit de voeten kunt met het geleerde.’ Boost De totale groep die meedoet aan een World Teacher-reis van Edukans bestaat uit zo’n 18 tot 20 mensen. Vanuit Kopwerk/Schooltij gaan er jaarlijks 3 tot 5 mensen mee. Poortman: ‘Zo’n reis geeft enorme boost aan je wereldburgerschap; de wereld is natuurlijk een stuk groter dan de kop van Noord-Holland. Dat weet iedereen wel, maar nu ervaar je het ook echt. Deelnemers vertellen me vaak dat de uitdagingen hier en daar eigenlijk hetzelfde zijn, maar dat de manier van oplossen verschillend is en dat de uitwisseling van die ervaringen verhelderend is. Elkaars problemen herkennen en praten met iemand aan de andere kant van de wereld die hetzelfde meemaakt, kan ook een heleboel lucht geven. Ik hoor ook vaak dat deelnemers zijn gegroeid in creativiteit en andere positieve vaardigheden. De reis draagt niet alleen bij aan goede verbindingen met Suriname, maar ook met de andere deelnemers uit de groep: pabostudenten, leerkrachten en directeuren uit heel Nederland.’

Geen vakantie In 2020 zal er weer een nieuwe Edukans World Teacher-reis worden georganiseerd. Poortman: ‘Wie mee wil, gaat door een selectieprocedure. De oud-deelnemers kijken ook mee met wie geschikt is om te gaan. We willen graag een goede balans tussen jong en oud, schoolleiders en IB’ers, en mensen uit de hele regio.

Meer weten over het World Teacher programma? Kijk op https://www.edukans. nl/programma/world-teacher/. Wil je mee? Neem contact op met Peter Poortman: p.poortman@kopwerk.nl.

Het vraagt best wel wat van je, je offert je vakantie op, je bent een week van school en moet in de weekends aan de slag met de voorbereidingen op het huiswerk dat je tijdens je reis moet doen. In Suriname ben je elke avond bezig met je eigen reflectie, maar ook met wat je morgen gaat doen samen met je collega. Zo’n vier maanden voor vertrek begin je al aan de voorbereiding. Het is beslist geen vakantie, maar wel ontzettend goed voor je.’

‘Zo’n reis geeft enorme boost aan je wereldburgerschap’


8

KopKrant, november 2019

PO

Leren van het buitenland

3 Kenia: ervaringen uitwisselen

Via de stichting Teachers4Teachers gingen Antoinette Nienkemper en Britta Kloos in september van dit jaar 10 dagen naar Kenia, met als doel kennis uitwisselen en meedenken over specifieke vragen vanuit Kenia.

Britta Kloos, ondersteuningscoördinator op het Linie College: ‘Van tevoren hebben we in Nederland in kleine groepen cases bekeken met vragen die vanuit Kenia gesteld werden. Het ging dan om cases van ‘lastig gedrag’. We hebben daarvoor tabellen gemaakt met bepaald gedrag en welke handelingen vanuit de leerkracht daarbij goed zouden kunnen werken. We hebben de tabellen zo concreet mogelijk gemaakt, om de leerkrachten echt handvatten te kunnen geven. In Kenia hebben we eerst twee kennismakingsdagen gehad, samen met 32 collega’s uit Kenia. De setting was heel fijn, en het idee was echt: van elkaar leren, dus niet: ‘Wij komen jullie wel even vertellen hoe het moet.’ Met de in het Engels vertaalde tabellen zijn we daarna in kleinere groepjes aan de slag gegaan, waarbij de leerkrachten uit Kenia een specifieke casus in gedachten moesten nemen en die in moesten vullen in de tabel. Daarna mochten we bij een aantal leerkrachten kijken, zodat we de leerlingen die waren ingebracht ook echt zagen, waarna we nog verder op de casus in konden gaan.

Voordat we naar Kenia vertrokken, is duidelijk vanuit Teachers4Teachers gezegd: kijk met nieuwe ogen, zet je Nederlandse bril af. Anders ga je te veel vergelijken. Ik heb heel verschillende scholen gezien. De eerste paar dagen schrok ik: op de scholen waar ik kwam werd geen onderwijs gegeven, het leek meer een soort dagbesteding. Later werd dat beter. Tussen SO-scholen is er een groot verschil in onderwijsaanbod. Op scholen speciaal voor dove leerlingen zag ik echt wel onderwijs. Ik kwam ook op scholen waar de ‘mentally challenged’ kinderen in een special needs unit zitten op het terrein waar ook een basisschool en school voor voortgezet onderwijs zitten. Ook dat zag er best oké uit, er was voor iedereen een plekje om te werken. Dan zijn er ook nog boarding schools met slaapzalen, waar de meiden en jongens intern zitten. Zij gaan alleen in de vakanties naar huis. Vanuit de Keniaanse cultuur wordt regelmatig gedacht dat een beperking het werk van de duivel is, en zo’n kind wordt dan uitgestoten door zijn gemeenschap. Maar de leerkrachten op de boarding school staan er anders in, zij vinden: deze kinderen moeten hier zijn, anders hebben ze geen toekomst. Voor de kinderen is het ook een veilige haven. Wat ik meeneem uit Kenia? Daar is het totaal geen issue dat moslimkindjes en christelijke kindjes samen in een klas zitten. De integratieproblemen die wij hebben, spelen daar niet. Zij accepteren elkaar totaal en hebben wederzijds respect. Daarnaast heb ik een enorme dankbaarheid ervaren, waar wij nog wat van kunnen leren. De leerkrachten waren zo dankbaar dat we wilden meedenken, en spraken dat ook uit. Wij leven in Nederland in zo’n hoog tempo en missen daardoor veel dingen waar we dankbaar voor mogen zijn, laat staan dat we dat uitspreken. Ik sta daar nu zeker meer bij stil.’

Antoinette Nienkemper, leerkracht op de Meerpaal: ‘Ik heb net als Britta eerst in Nederland nagedacht over verschillende vraagstukken vanuit Kenia. Wat me in Kenia opviel was de variatie aan speciaal onderwijs. Soms zitten kinderen met ‘special needs’ geïntegreerd in een klas, soms zitten ze juist allemaal bij elkaar. Ook zijn ze in Kenia totaal niet bezig met tijd. Het lastige daarvan is dat de dag niet goed te structureren is, dat is bij ons veel makkelijker omdat we zo op de klok leven. Als de les af is, is hij af, ongeacht hoe lang dat duurt. Ik kwam ook op een school met in de klas ook blinde kinderen. Zij kregen heel veel aandacht en ondertussen moest de rest van de kinderen wachten; zij hadden niks te doen. Wij gaven als tip dat je ze ondertussen ook iets zou kunnen aanbieden om te doen of leren; dat vonden de leerkrachten een goede suggestie. Het is geen onmacht of onwil dat het zo gebeurt, ze hebben het gewoon nooit zo geleerd. Als de leerkracht geen tijd voor je heeft, dan wacht je. En soms moet dat ook wel, want ik heb klassen met 90 leerlingen gezien. Dan kun je niet heel gedifferentieerd lesgeven. Het monitoren van kinderen is ook best een

probleem. Sommige kinderen hebben niet eens een schrift, de les wordt klassikaal gegeven en af en toe wordt er een leerling naar voren geroepen. In de gaten houden of iedereen het begrijpt in zo’n grote klas is dan best lastig. Maar ik ben ook op scholen geweest waar ze met iPads werkten, liedjes zongen, met bordtekeningen werkten, een werkboek gebruikten. Het is niet hetzelfde als in Nederland, maar er wordt echt wel wat aangeboden! Wat ik heel bijzonder vond, was een autistisch meisje waar niemand nog contact mee had kunnen krijgen. Aan ons werd gevraagd of wij daar iets mee zouden kunnen. Ik ging voor haar zitten, raakte haar alleen maar aan en ik kreeg direct contact met haar! Ze zijn in Kenia helemaal niet gewend om iets met sensorische integratie te doen, maar ik ging over haar arm strelen en ze keek naar mij, en gaf mij haar andere arm. Ik kon laten zien dat ze wel communiceert, maar op een andere manier dan de meeste mensen gewend zijn. Lijfelijk contact is in Kenia niet heel gebruikelijk. Teachers4Teachers heeft mij gevraagd of ik nog een keer mee wil, speciaal om mee te kijken naar autistische kinderen, dus ik mag nog een keer!

Een leuke uitdaging om mee aan de slag te gaan. Wat ik meeneem naar Nederland? Het is ook wel eens fijn om wat minder aan tijd vast te houden. Structuur is voor kinderen met autisme belangrijk, maar dat een beetje loslaten is ook wel eens prettig. Nederland heeft veel voorzieningen die erg goed zijn, maar ook in Kenia werken veel mensen die goed zijn in hun vak. En in Nederland zitten we erg bovenop de veiligheid van kinderen. In Kenia lopen ze gewoon op blote voeten over de zandvlakte. Dat is misschien het andere uiterste, maar kinderen wat meer zelf laten ontdekken en ervaren is goed.’

‘De leerkrachten waren zo dankbaar dat we wilden meedenken, en spraken dat ook uit’


9

KopKrant, november 2019

PO

Inzicht, vergelijken en analyseren

Perspectief op School

Perspectief op School is een nieuw instrument, waarmee de scholen binnen het samenwerkingsverband in kaart gaan brengen welke basisondersteuning hun school biedt. Een van de doelen is dat er een goed overzicht komt van alle ondersteuningsmogelijkheden binnen ons samenwerkingsverband, en op welke school die te vinden zijn. Emile Goossens, lid van de werkgroep en directeur van basisschool Sint Antonius in Nieuwe Niedorp, legt uit waarom we hiermee gaan werken, en hoe het samenwerkingsverband tot deze keuze is gekomen.

‘Binnen ons samenwerkingsverband is gebleken dat het verwijzingspercentage naar het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs stijgt’, vertelt Emile Goossens. Hij is lid van de projectgroep die als opdracht had om een objectief meetinstrument te vinden om de ondersteuningsmogelijkheden op alle scholen binnen het samenwerkingsverband in kaart te brengen. ‘Deze stijging is een probleem, omdat we van de overheid 2 procent vergoed krijgen. Alles daarboven moeten we zelf bekostigen, en dat gaat weer ten koste van andere leerlingen. Dat willen we niet. Het bestuur van het samenwerkingsverband is gaan zoeken wat de oorzaak van deze stijging is, maar vond helaas geen goed antwoord. Van daaruit ontstond bij hen de vraag om met behulp van een enquête-instrument zicht te krijgen op de basisondersteuning van onze scholen.’ Maatwerk De projectgroep, bestaande uit twee IB’ers, SWV-coördinator Michiel van Lee en twee schooldirecteuren waaronder Goossens, ging aan de slag

om een goed instrument uit te kiezen dat bij ons samenwerkingsverband past. ‘Na een selectietraject kwam daar uiteindelijk Perspectief op School uit’, vertelt Goossens. ‘Dit instrument sluit het beste aan bij de bestuurders van het samenwerkingsverband, maar ook bij de scholen die het moeten invullen. Met Perspectief op School kun je als school een schoolondersteuningsprofiel maken. Dit geeft aan wat jij aan onderwijsbehoefte op school aankunt. Je kunt het heel specifiek maken: bijvoorbeeld per klas 1 kind met autisme of hoogbegaafdheid. Maar, zoals altijd is het maatwerk. Het ene kind is het andere niet. Soms kun je zes kinderen met ondersteuningsbehoefte hebben in je klas zonder problemen, en soms is een al te veel. Het voordeel voor de scholen is dat je met een helder schoolondersteuningsprofiel goed duidelijk kunt maken aan ouders waarom jij wel of niet kunt voldoen aan de onderwijsbehoefte van hun kind. Het moet wel heel gek lopen als een ouder dan nog zegt: “We doen het toch.”’

Vergelijken Het idee van Perspectief op School is dat alle schooldirecteuren een vragenlijst invullen over hun school. De vragen gaan onder andere over de kwaliteit, het kennisniveau, de zorgstructuur, het aantal leerlingen en de besteding van de budgetten. ‘Daar rolt een overzicht uit op een of twee A4’tjes’, zegt Goossens. ‘Dit kan meteen gelden als je nieuwe schoolondersteuningsprofiel. De belangrijkste reden om voor Perspectief op School te kiezen, is dat scholengroepen op basis van de uitkomsten van de ingevulde vragenlijsten met elkaar in gesprek kunnen gaan. Ze kunnen van elkaar het ondersteuningsprofiel bekijken, en kunnen daardoor van elkaar leren. ‘Jullie school gaat hier goed mee om, hoe doen jullie dat?’ ‘Wij hebben een heel laag verwijzingspercentage, wat is daar de oorzaak van?’ ‘Onze scholengroep heeft 25.000 euro extra per jaar voor extra ondersteuning, maar daar wordt weinig gebruik van gemaakt, hoe kan dat?’ De vragenlijsten kun je op verschillende niveaus met elkaar vergelijken: op landelijk en

regionaal niveau, maar ook tussen twee scholen. Zo kun je zien of je goed bezig bent, hoe een andere school dingen aanpakt en waar verschillen vandaan komen.’ Kritisch Goossens erkent dat het instrument extra administratieve last met zich meebrengt. ‘Michiel van Lee heeft het bestuur mede daarom heel kritisch bevraagd over de noodzaak van dit instrument. Het besluit om met Perspectief op School te gaan werken is niet zonder slag of stoot genomen. Het is aan iedere school om er zo goed mogelijk mee om te gaan en aan iedere scholengroep om zoveel mogelijk uit het systeem en instrument te halen. Als je de lijst heel minimaal invult, doe je geen recht aan het instrument en heb je er niet zo veel aan. Ik heb de lijst als directeur zelf ook ingevuld en ben er anderhalf tot twee uur mee bezig geweest.’ Toekomstperspectief Dit jaar is het eerste jaar dat we binnen het samenwerkingsverband met Perspectief op School werken. Alle scholen gaan de lijst ieder jaar invullen. ‘De komende jaren gaan we dus de verschillen en ontwikkelingen zien’, zegt Goossens. ‘Het kan zijn dat we inzicht krijgen in hoe we binnen scholengroepen de uitdagingen kunnen oplossen. Wat ook kan, is dat we ontdekken dat we door ons verhoogde kennisniveau beter zicht hebben op de belemmeringen en behoeftes van leerlingen, waardoor we concluderen dat ze beter onderwijs kunnen krijgen in het speciaal onderwijs. En het kan ook zijn dat we heel goed

bezig zijn, dat het ministerie te hoge eisen stelt en te lage vergoedingen biedt voor overplaatsing naar het sbo en so. De tijd zal het leren. Wordt vervolgd.’

‘Het voordeel voor de scholen is dat je met een helder schoolondersteuningsprofiel goed duidelijk kunt maken aan ouders waarom jij wel of niet kunt voldoen aan de onderwijsbehoefte van hun kind’

Emile Goossens

Perspectief op School

Perspectief op School is een instrument om het onderwijs te ondersteunen met een online platform en begeleiding en advies op gebied van passend onderwijs. Het is een objectief meetinstrument dat overzicht verschaft en de mogelijkheid biedt tot vergelijken en analyseren op verschillende niveaus. Nieuwsgierig geworden? Kijk op https://www.perspectiefopschool.nl/


10

KopKrant, november 2019

PO

Leren van elkaar

De fases van groepsgedrag

Eind september en begin november organiseerden Bianca Leeuwerke en Esther Regtop, gedragsspecialisten bij het samenwerkingsverband, twee bijeenkomsten over groepsdynamiek en groepsgedrag voor 21 leerkrachten en IB’ers van 14 basisscholen. Doel: kennisoverdracht en daarmee de zelfredzaamheid op scholen vergroten.

‘Als je alleen nog maar politieagentje aan het spelen bent, dan is het tijd voor een reset’

‘Als gedragsspecialisten komen we op heel veel scholen van het samenwerkingsverband’, vertelt Esther Regtop. ‘We signaleerden dat er veel groepen waren met een lastige dynamiek en we kregen steeds meer aanvragen om met die groepen aan de slag te gaan, om ze weer in het gareel te krijgen. Dit was voor ons aanleiding om deze bijeenkomsten te organiseren: op die manier bereiken we veel meer mensen tegelijk, die hun kennis weer kunnen delen binnen hun school.’ De bijeenkomsten, twee ochtenden, draaiden om groepsgedrag en de vijf fases die een groep doorloopt. Bianca Leeuwerke: ‘De eerste ochtend hebben we de theoretische achtergrond (zie kader Fases, red.) behandeld en zijn we aan de slag gegaan met oefeningen passend bij de verschillende fases die je als groep doorloopt. Als je weet

in welke fase je groep zich bevindt, kun je daar de juiste interventies en activiteiten op inzetten.’ Orde van de dag Regtop: ‘In de praktijk zien we vaak dat leerkrachten snel over willen tot de orde van de dag en daardoor te weinig aandacht besteden aan de groepsvorming en het groepsproces. Maar als je te weinig aandacht besteedt aan de groepsdynamiek, dan kan negatief gedrag gaan opspelen en kun je in een negatieve spiraal terechtkomen met je groep.’ Leeuwerke: ‘Wij zien de hulpvragen op grond van gedrag aanzienlijk stijgen tegen de tijd dat de herfstvakantie eraan komt. Veel groepen zijn dan gaan ‘stormen’ en dan komen bepaalde gedragingen aan het daglicht. Het is zaak dat die storm weer gaat liggen. Als je stilstaat bij de verschillen-

de fases en je weet in welke fase je groep zich bevindt, dan kun je daar de juiste activiteit op inzetten. Tijdens de eerste ochtend hebben we veel oefeningen gedaan, die leerkrachten en IB’ers ook in de klas kunnen doen met hun leerlingen.’ Reset Tijdens de tweede bijeenkomst, die vijf weken na de eerste plaatsvond, wisselde de groep ervaringen uit over hun klassen en de activiteiten die ze hadden ingezet. Daarna werd het ‘resetten’ van de groep besproken. Leeuwerke: ‘Als je alleen nog maar politieagentje aan het spelen bent, dan is het tijd voor een reset. Wij hebben met de groep gedeeld hoe wij dat in de praktijk doen, waarbij we ook filmpjes hebben laten zien. Resetten gebeurt in vijf fases, waar je met de groep doorheen gaat. In het kort: de


11

KopKrant, november 2019

PO

intake, waarin je het groepsprobleem in kaart brengt en een nulmeting doet. De confrontatiefase, waarin de groep wordt geconfronteerd met het groepsprobleem en toewerkt naar de keuze om het anders te willen gaan doen. De inzetfase, waarin we bespreken wat de groep verdient bij goed gedrag, maar ook wat de sancties zijn bij ongewenst gedrag. De actiefase, waarin de groep het daadwerkelijk anders gaat doen en de evaluatiefase, waarin je opnieuw meet, de successen viert en toeschrijft aan de groep.’

Cijfer 8,5 De bijeenkomsten zelf werden ook geëvalueerd door de groep. Regtop: ‘De deelnemers waardeerden onze bijeenkomsten met een gemiddeld cijfer van een 8,5! Daar zijn we heel blij mee. Uit de evaluatie bleek ook dat de deelnemers het een fijne groep vonden, en er zijn onderlinge contacten gelegd. Ook gaan we in het voorjaar van 2020 weer twee bijeenkomsten organiseren, want we merkten dat de vraag groter was dan we aankonden; we hadden eigenlijk maar plek voor 20 mensen.’

Reacties Fases

Alle groepen, en dus ook schoolklassen, gaan globaal door 5 fases. De eerste is de oriëntatiefase. In een nieuwe groep (of na de zomervakantie met een nieuwe juf of meester) kijkt iedereen de kat uit de boom, leert iedereen elkaar kennen en wordt er gecheckt: hoe veilig is deze groep, wat zijn de normen, wat wordt er van me verwacht? Er wordt afgetast. De volgende fase is de normeringsfase. Hierin kijkt de groep: wat spreken we met elkaar af? Wie heeft welke rol, wat zijn onze regels? Denk aan respect en verantwoordelijkheid als positieve groepsnormen. Als het goed gaat, is de leerkracht hierin een soort gezagvoerder. Die bepaalt de normeringen, maar dan wel samen met de leerlingen. Bijvoorbeeld met discussie-oefeningen. Met die discussieoefeningen leren de leerlingen dat iemand een andere mening kan hebben, ze leren luisteren naar elkaar en ze leren elkaar laten uitspreken.

De deelnemende scholen waren Trimaran, St. Antonius, Hofstee, Aloysius, St. Barbara, Don Bosco, Driemaster, De Mient, Ark, Julianaschool, De Branding, De Kei, Jozefschool en Henricus. Een paar reacties: ● ‘Een zeer nuttige en praktische scholing die je direct in kunt zetten op je school/in de klas. Nieuwe tips en ideeën opgedaan, die ik zeker ga inzetten.’ ● ‘Direct toepasbaar… mooi!’ ● ‘Mooie training; graag nogmaals organiseren na schooltijd, zodat veel meer leerkrachten de training kunnen volgen.’ ● ‘Trainers barsten van de kennis en vaardigheden. Teveel voor 2 ochtenden. Heel fijn!’

De derde fase is de presentatie-fase. Leerlingen gaan zich op een bepaalde manier presenteren en tot elkaar verhouden. Dit kan positief zijn, maar ook negatief. Het kan een ontzettend rustige tijd zijn of juist een kippenhok vol ruzie als het niet goed gaat. In deze fase kun je oefeningen doen waarin je zoekt naar overeenkomsten tussen leerlingen die elkaar niet zo aardig vinden, bijvoorbeeld door ze elkaar complimenten te laten geven, of door een over-de-streepspel. Fase 4 is de prestatie-fase. De klas is een systeem geworden, waarin prestaties worden geleverd, samengewerkt wordt en er geen concurrentie is. Deze fase is geen statisch gegeven, als leerkracht moet je dit blijven onderhouden. De laatste fase is de evaluatie-fase; die treedt vaak op aan het eind van het schooljaar of in groep 8. Kinderen kunnen gaan ‘fitten’ of gaan ‘klitten’. Met fitten maken ze het afscheid makkelijker, met klitten stellen ze het uit. Belangrijk in deze fase is de afronding goed begeleiden, zodat die harmonieus verloopt. Onderdeel van de afronding zijn de eindmusical en een eindkamp. Als leerkracht vier je met je klas de successen.

Kracht van de Groep - ook deelnemen? • Twee (ochtend)bijeenkomsten door gedragsspecialisten Esther Regtop en Bianca Leeuwerke. • Over groepsdynamiek, de fases die alle groepen doorlopen en oefeningen en interventies om de groep in een positieve spiraal te krijgen. • Over hoe je een groep kan resetten als het niet (meer) lekker loopt! • In het voorjaar zijn er weer twee bijeenkomsten. Wil je daarbij zijn? Meld je aan bij Esther Regtop of Bianca Leeuwerke: Esther.Regtop@aloysiusstichting.nl of bianca.leeuwerke@aloysiusstichting.nl.


12

KopKrant, november 2019

PO

Onderwijsinspectie beoordeelt samenwerkingsverband De Inspectie van het Onderwijs bezoekt het bestuur van een samenwerkingsverband passend onderwijs minstens één keer in de vier jaar. Dit jaar was ons bestuur aan de beurt. In dit artikel een samenvatting van de conclusies van het conceptrapport van de inspectie en een reactie vanuit het samenwerkingsverband. Zodra het definitieve inspectierapport er is, verschijnt deze op https://www.swvkopvannoordholland.nl/. De inspectie heeft onderzocht of het bestuur een samenwerkingsverband realiseert van voldoende kwaliteit en of het bestuur financieel in staat is om ook in de toekomst goede samenwerking te blijven verzorgen rond passend onderwijs. Dit is noodzakelijk om iedere leerling die een extra ondersteuningsbehoefte heeft, een passend onderwijsaanbod te kunnen bieden. De belangrijkste conclusies van het conceptrapport van de onderwijsinspectie: Wat gaat goed: Het samenwerkingsverband Kop van Noord Holland PO legt veel taken bij de scholen. Een klein bureau van het samenwerkingsverband heeft daarbij de regie op de uitvoering van de plannen. Het is duidelijk wie welke taken en bevoegdheden heeft. Het samenwerkingsverband betrekt de scholen goed bij de ontwikkeling van het beleid. Het samenwerkingsverband Kop van Noord Holland PO heeft voor iedere leerling met extra ondersteuningsbehoefte een zo passend mogelijke

plek. Het bestuur zoekt naar mogelijkheden om meer leerlingen thuisnabij en op gewone basisscholen naar school te laten gaan. Wanneer leerlingen speciaal (basis)onderwijs nodig hebben, neemt het bestuur daar vlot en op een zorgvuldige manier besluiten over. Wat kan beter: Het bestuur zoekt naar manieren om de groei van het speciaal (basis)onderwijs terug te dringen. Het aantal leerlingen dat op een school voor speciaal (basis)onderwijs zit neemt toe. Terwijl het samenwerkingsverband als doel heeft dat dit afneemt. Het bestuur zoekt op verschillende manieren naar mogelijkheden om de groei te stoppen. Daarbij kan het bestuur meer sturen op een betere samenwerking binnen sommige scholengroepen. Dan kunnen meer leerlingen binnen de eigen scholengroep naar een passende school. Intern toezicht kan meer onafhankelijk worden ingericht.

Het bestuur van het samenwerkingsverband kan zich verbeteren door te regelen dat onafhankelijke personen (‘intern toezichthouders’) nagaan of het bestuur zijn werk goed doet. Wat moet beter We hebben binnen ons onderzoek geen punten gevonden die beter moeten. Het bestuur van het samenwerkingsverband voldoet aan alle onderzochte eisen van de wet.

Reactie samenwerkingsverband Michiel van Lee, coördinator van het samenwerkingsverband: “Het samenwerkingsverband Kop van Noord Holland PO herkent zich in de bovenstaande bevindingen. Inmiddels wordt de kwaliteit van de samenwerking in de scholengroepen, waar nodig, planmatig opgepakt. De inspectie heeft bevonden dat het samenwerkingsverband het toezicht meer onafhankelijk kan inrichten. Hier heeft het samenwerkingsverband in het voorjaar van 2019 actie op ondernomen door de ingezette wijziging van de structuur van de governance.

Michiel van Lee

Concluderend: de bevindingen van de onderwijsinspectie zijn een compliment voor alle betrokkenen bij het passend onderwijs in de Kop van Noord-Holland! Het geeft aan dat leerkrachten, de scholen en het bestuur van het samenwerkingsverband er goed in slagen uitvoering te geven aan het Ondersteuningsplan 2018-2022 en ook door de onderwijsinspectie gestimuleerd worden om op de ingeslagen weg passend onderwijs voor alle leerlingen nu en in de toekomst mogelijk te maken.”

Inkopper Koppie dicht, ogen, oren en hart open Het leek ons een goed idee om de eerste schoolleidersopleiding te bekronen met een studiereis naar Engeland. Via Plato konden we subsidie krijgen en het viel in de herfstvakantie, dus wat houdt ons tegen. Lump sum was bij ons aanstaande en in Engeland al ingevoerd. We keken onze ogen uit, leerden hoe je werk van de kinderen zorgvuldig kon tentoonstellen, hoe je werken op leerpleinen kan organiseren (het was 1996), we werden getrakteerd op een lunch met bier in de pub en zongen overmoedig onze eigen tekst ‘The day before we came’ (naar ABBA) ter afscheid. Lump sum geloofden we wel. We leerden heel andere dingen dan gedacht. Zo gaat dat in het onderwijs. Wie zijn oren, ogen en hart opent en zijn oordeel parkeert, leert het meest. Sindsdien heeft je licht opsteken in het buitenland letterlijk een behoorlijke vlucht genomen, vaak met concrete gevolgen voor ons eigen onderwijs. Michael Fullan in Amerika ontmoeten, Kunskapsskolan in Zweden bekijken en gepersonaliseerd onderwijs in Nederland uitrollen en soms ook alweer inrollen. Het Finse onderwijs scoort zo goed zonder al die toetsen en kijk eens wat Kiva daar tegen pesten kan uitrichten. Waarom ook niet hier? Suriname, waar in de binnenlanden ook zonder adequate gebouwen en meubilair onderwijs met passie wordt gegeven, evenals in Kenia. Bij al die bezoeken en indrukken wordt eens te meer het belang van de context duidelijk. Onze ideeën daar droppen of buitenlandse ideeën hier, dat gaat zomaar niet. Bergen cultuuraspecten spelen een rol. De ene keer realiseren we ons dat beter dan de andere. De hoge scores van Japan hebben bijvoorbeeld nooit geleid tot overname in Nederland. Hoe is het onderwijs georganiseerd? Hebben scholen vrijheden voor de invulling of is er een nationaal curriculum? Neem Kenia. Onlangs heeft de regering besloten tot een nieuw nationaal curriculum. Het onderwijs was te toetsgericht en de uitval te groot. Competentiegericht moest het worden, zodat kinderen er ook in hun directe omgeving iets aan zouden hebben. Dewey, Vygotski, Bruner, Piaget en Gardner werden als basis gebruikt en een zevental basiscompetenties vastgesteld. Als westerling denk je bij de genoemde pedagogen al gauw aan ontwikkelingsgericht onderwijs, portfolio’s, talentontwikkeling, meervoudige intelligenties e.d. Dat is ook wel degelijk de bedoeling, maar stap voor stap. Eerst moet ook daar de nodige weerstand tegen de top down-benadering overwonnen worden. En wat is het dan prachtig en leerzaam als Nederlandse leraren en directeuren samen met hun Keniaanse collega’s op zoek gaan naar hoe het in deze situatie kan en met andere ogen naar hun eigen onderwijs kijken. Ruud Musman

Colofon KopKrant is een initiatief van Samenwerkingsverband Kop van Noord Holland Projectleiding: Michiel van Lee Tekst, ontwerp en productie: Second Opinion, Leeuwarden Redactie: Jan Bot, Michiel van Lee Voor meer informatie over deze uitgave kunt u mailen naar: secretariaat@swvkopvannoordholland.nl De KopKrant staat ook op de website: www.swvkopvannoordholland.nl Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opname of enige ander manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.