KopKrant editie maart 2018 los

Page 1

PO

KopKrant

Traumaverwerking bij NT2-leerlingen blijft complex

4

PO en VO hebben elkaar hard nodig

6

Dyslexie vraagt om duidelijke afspraken

VO

maart 2018

Thuiszitters in beeld, het begint met aandacht Onderzoek Kohnstamm instituut beschikbaar Nieuwe website online

‘Samen op de goede weg’

11

Elk kind een passende onderwijsplek


2

KopKrant, maart 2018

Inkopper

Partners

PO

Blosse De heer J. Spanbroek Postbus 279 1700 AG Heerhugowaard www.stichtingflore.nl (072) 566 02 00

Gereformeerd Primair Onderwijs West-Nederland De heer H. Eilander ’s-Molenaarsweg 1 2401 LL Alphen a/d Rijn www.gpown.nl (0172) 41 88 30

jeroen.spanbroek@blosse.nl

h.eilander@gpown.nl

Stichting Meerwerf De heer N. van Heijst Drs. F. Bijlweg 8a 1784 MC Den Helder www.meerwerf.nl (0223) 65 93 00

Stichting Schooltij De heer J. Deckers Postbus 444 1780 AK Den Helder www.schooltij.nl (06) 53 78 71 50

Stichting SARKON De heer G.J. Veeter Postbus 6040 1780 KA Den Helder www.sarkon.nl (0223) 67 21 50

info@meerwerf.nl

info@schooltij.nl

gjveeter@sarkon.nl

Stichting SURPLUS Mevrouw J. Vosbergen Postbus 394 1740 AJ Schagen www.stichtingsurplus.nl (0224) 27 45 55

Stichting Kopwerk De heer J. Bot Postbus 444 1780 AK Den Helder www.kopwerk.nl (085) 273 40 00

Stichting Comenius De heer Th. Gauw Postbus 6032 1780 KA Den Helder www.abscomenius.nl (0223) 61 38 64

J.vosbergen@stichtingsurplus.nl

info@kopwerk.nl

directie@abscomenius.nl

Losgekoppeld Ik zit op LinkedIn. Zit ja. Ik zat ook op voetbal, al was het niet de bedoeling dat je daar zat. En op school; daar bleek het juist wel de bedoeling dat je veel zat. Op Facebook, Instagram en Twitter zit ik niet. Het zijn allemaal fora om van alles en nog wat te delen, van ‘Kijk eens wat ik interessant vind, waar ik ben, hoe het eruit ziet’ tot ‘Nu zal je weten ook, dat ik een boze Nederlander ben’. Het zijn dé hedendaagse communicatiemiddelen, maar te veel communicatie hoeft nu ook weer niet. Dus ik heb zo’n vijftien jaar geleden de keuze gemaakt voor LinkedIn. WhatsAppen doe ik ook, daar zit je niet op, dat doe je. Het is een handig en goedkoop middel, waarbij je berichten kunt lezen op jouw moment. Tot de groeps-app kwam in ieder geval. Omdat LinkedIn een professioneel forum heet te zijn, trok het me wel aan. Er staan soms interessante berichten en artikelen op en uiteraard reacties. Daar doe ik zelf ook wel eens aan mee. Toch heeft ook LinkedIn iets met de andere middelen gemeen. Reacties worden soms losgekoppeld van de hele context. Er lijkt sprake van tendentiële apperceptie (selectieve waarneming kan ook, maar ik vond deze wel mooi ter verhoging van het decorum). Zo gaf een fanatiek voorstander van het EDI-model (eerst DI, toen ADI en nu dus Expliciet) onlangs af op gepersonaliseerd leren. Kinderen zouden daarbij volledig door computers begeleid en gestuurd worden. Ethicus en onderwijspedagoog Piet van de Ploeg (RUG), altijd goed voor een scherpe doordenker, repliceerde: ‘Dan is er juist sprake van gedepersonaliseerd leren.’ Ik kwam zelf niet verder dan gerobotiseerd leren.

www.swvkopvannoordholland.nl

Partners

PO VO

Stichting Samenwerkingsschool De heer T. Jong Drs. F. Bijlweg 8a 1784 MC Den Helder

Stichting Heliomare Onderwijs De heer J. Welmers Postbus 78 1940 AB Beverwijk www.heliomare.nl (088) 920 80 02

Stichting Aloysius De heer R. Prast Postbus 98 2215 ZH Voorhout www.aloysiusstichting.nl (0252) 43 40 00

bestuurssecretariaat@heliomare.nl

remco.prast@aloysiusstichting.nl

Stichting Clusius College De heer G.P. Oud Drechterwaard 10-A 1824 EX Alkmaar www.clusius.nl (072) 514 76 66

Stichting Regius College De heer A. Hoekstra Postbus 282 1740 AG Schagen www.regiuscollege.nl (0224) 29 78 41

Stichting Scholen aan Zee De heer R. de Voogd Sportlaan 38 1782 ND Den Helder www.scholenaanzee.nl (0223) 54 03 00

cvb@clusius.nl

directiesecretariaat@regiuscollege.nl

secretariaat@scholenaanzee.nl

Stichting Ronduit De heer J.M.M. Zijp Rubenslaan 2 1816 MB Alkmaar www.ronduitonderwijs.nl (071) 514 78 33

Stichting Texel Mevrouw M. Engbrenghof Haffelderweg 40 1791 AS Den Burg www.texel.nl (0222) 31 21 21

Stichting Openbaar VO NHN De heer R.A. Gase Arubastraat 4 1825 PV Alkmaar www.sovon.nu (0227) 51 38 30

bestuur@ronduitonderwijs.nl

secretariaat@dehogeberg.nl

ragase@sovon.nu

www.speciaalonderwijsdenhelder.nl

(06) 15 31 25 82

ton.jongspeciaalonderwijs@live.nl

In december jongstleden fulmineerde Paul A. Kirschner, bekend van Blogcollectief Onderzoek en Open Universiteit, nog maar eens over de onbewezen effecten van ‘Actief Leren’. Ik werd pas gelukkig, toen hij in een ander artikel op LinkedIn de context verbreedde tot: ‘Is actief leren beter? Verkeerde vraag’ en kwam met een betere: ‘Welke methode van actief leren, aangeboden door welke leraar in welke context en omstandigheden, leiden tot significant betere leerresultaten van welke leerlingen en zijn deze methoden echt beter dan de traditionele?’ Bij context en omstandigheden moest ik uiteraard denken aan de verschillende benaderingen, die kennis, inzicht en vaardigheden vragen. Nog één dan. ‘De luizenmoeder’ doet aanmelding PABO’s krimpen’ naast ‘Aantal mannen op de PABO neemt toe’. Zijn er minder mensen gaan studeren na Jiskefets ‘De Lullo’s’ of van kantoor weggebleven na ‘Debiteuren, Crediteuren…? Ruud Musman

Partners

VO


KopKrant, maart 2018

3

PO

Mijn belangrijkste ambitie:

‘Met elkaar de grenzen opzoeken’

Het lijkt de normaalste zaak van de wereld: Andrew Albers als coördinator van het Samenwerkingsverband Kop van Noord Holland. Maar ook aan normale dingen komt een eind: op 28 februari stopt Albers met zijn werk voor het samenwerkingsverband. Michiel van Lee neemt zijn taken dan over. Een gesprek met beiden.

Albers: ‘In 2005 waren er nog twee samenwerkingsverbanden in dit gebied, voor Schagen en Den Helder. Die zijn toen samengevoegd en dat scheelde enorm in 2014, toen er niet meer gefuseerd hoefde te worden voor de invoering van het passend onderwijs. De ontwikkeling van de samenwerkingsverbanden is eigenlijk gestart vanaf 2007, 2008. Langzamerhand werd de blik gericht op passend onderwijs: Wat is het? Wat moeten we doen? Vanaf 2009 was ik coördinator en dat heb

‘Ik vind het nog steeds een heel goede ontwikkeling dat het hele primaire onderwijs in één unit samenkomt’

ik negen jaar gedaan. Ik vind het nog steeds een heel goede ontwikkeling dat het hele primaire onderwijs in één unit samenkomt. Voorheen hadden we een scheiding tussen het reguliere en speciaal basisonderwijs en dan nog het speciaal onderwijs helemaal apart. Dat was geld weggooien en de tegenstellingen werden eerder groter dan kleiner. De afstand tussen de verschillende soorten onderwijs was groot. Het waren bastions.’ Wat is negen jaar later je erfenis naar Michiel van Lee? ‘Er staat een geheel van onderwijsvoorzieningen voor alle kinderen in de leeftijd van het primair onderwijs, die veel dichter op elkaar zijn komen te staan. Het is zaak cluster 1 - blinde en slechtziende kinderen - en cluster 2 - auditief en communicatief beperkte kinderen - ook nog dichterbij te brengen. Daarom is het goed dat Michiel van Lee daar nu zit, hij is afkomstig uit cluster 2 en kent die wereld. Hij ziet de mogelijkheden om verbindingen te leggen.

Er zijn geen duidelijke bastions meer, het onderwijs vormt één geheel, maar er zijn nog wel een paar slagen te maken. Ik geloof erg in IKC-constructies, Integraal Kind Centrum. Een centrum op school waar kinderen vanuit verschillende invalshoeken langer of korter op een speciale manier kunnen worden opgevangen.’ Hoe staat het nu met passend onderwijs? ‘Passend onderwijs had een ongelukkige start. Leerkrachten hebben het beeld gekregen dat ze alle kinderen moesten kunnen opvangen, terwijl dat absoluut niet klopte. Komt nog bij dat het speciaal onderwijs voelde dat er aan hun hekje werd gerammeld. Die beeldvorming heeft veel schade berokkend en het duurde even voordat duidelijk werd wat de voordelen waren. Toen kwam de kentering en het besef dat passend onderwijs geen bezuiniging was. De budgetten van de samenwerkingsverbanden zijn niet verkeerd en we kunnen scholen een aardige ondersteuning bieden.’

Michiel van Lee, uit welke hoek kom je precies? Van Lee: ‘Ik ben als dorpsonderwijzer begonnen op Wieringen in 1979, toen 1 van de 25 projectscholen in Nederland waar de lagere school en kleuterschool geïntegreerd werden. Dat gebeurde ook in het gebouw zelf. Daarna stroomde ik door naar het speciaal onderwijs, cluster 2. Daar heb ik als leerkracht gewerkt en kwam vervolgens in het management terecht. In Amsterdam werd ik directeur van een grote ZMLK-school voor SO en VSO met als ambitie het toewerken naar de arbeidsmarkt te stimuleren. Zeer interessant, want dan zie je echt waar je het voor doet. Het was ook de tijd van een kantelmoment. In plaats van deze jongeren ‘bezig te houden’ gingen we naar ‘integreren in de maatschappij met goede begeleiding’. We hebben ervoor moeten knokken ondersteuning te krijgen om de arbeidstoeleidingstrajecten op poten te krijgen. Het mooie was dat gedragsproblemen fors afnemen omdat de leerlingen een perspectief

hadden. Daarnaast ben ik leidinggevende in Haarlem en de regio Noord-Holland Noord geweest.’ Is dit een logische stap voor je? ‘Zeker. Dit loopt door in passend onderwijs: haal eruit wat erin zit en leg de verantwoordelijkheid zo laag mogelijk bij de verschillende partners in de maatschappij. Een logische stap omdat we vanuit deze bevlogenheid meer kunnen doen voor deze kinderen. Het is voor mij een uitdaging om dat nu vanuit de andere kant te stimuleren en met partners in het SBO en SO en uiteraard de basisscholen een extra slag te kunnen maken. Dat is mijn belangrijkste ambitie: met elkaar de grenzen opzoeken. En het samen dragen. Het IKC vind ik een prachtige oplossing om met verschillende schoolvormen dichter bij elkaar te komen in een meer hybride vorm. Het IKC is een landelijk succes en ik wil ernaar streven om de komende vier jaar minimaal één IKC te realiseren in deze regio.’


4

KopKrant, maart 2018

PO VO

Traumaverwerking bij NT2-leerlingen blijft complex

‘Realiseer je dat je een veilig eiland kan zijn’ Lesgeven aan getraumatiseerde kinderen is geen sinecure, zeker als ze de Nederlandse taal niet of niet goed beheersen. Kinderen uit oorlogsgebieden kampen vaak met een chronisch trauma, met alle gevolgen van dien. John de Jong van het Seminarium voor Orthopedagogiek van de Hogeschool Utrecht gaf leerkrachten die met deze problematiek te maken hebben een interactief college. Leerkrachten, IB’ers en directeuren van verschillende PO-scholen in de kop van Noord-Holland waren op 13 februari in Den Helder bijeen om met elkaar te praten over het lesgeven aan getraumatiseerde NT2-kinderen. De Jong leidde de bijeenkomst, gaf achtergrondinformatie en tips en tricks. Na zijn introductie en het matchen van de verwachtingen van de deelnemers, vertelde De Jong over de werkwijze van de bijeen-

komst. Verschillende video’s (onder meer over Adverse Childhood Experience (ACE)) maakten al het een en ander duidelijk. Bijvoorbeeld de relatie tussen de ACE-score en de levensloopverwachting. En dat het goed is om niet allereerst naar de stoornis van een kind te kijken, maar op zoek te gaan naar de bron en af te vragen of er wellicht sprake is van een trauma. Belangrijk was het uiteraard ook om te bekijken wanneer

sprake is van een trauma en wat een trauma eigenlijk is. De Jong gebruikt in de praktijk het boek ‘Lesgeven aan getraumatiseerde kinderen’ van Leony Coppens, Marthe Schneijderberg en Carina van Kregten (2016). Veilig voelen Belangrijk is het besef dat kinderen hun trauma’s mee naar school nemen. ‘Het is een plek waar ze zich veilig voelen’, vertelde De Jong. ‘Ook bij nieuwkomers zie je dat ze willen werken aan sociale competenties, maar ze hebben moeite om uit het overlevingsdenken te komen. Daar moeten wij ze bij helpen.’ Toch is het ook goed om wat afstand te creëren als dat nodig is, want de trauma’s van kinderen hebben ook invloed op onderwijzend

personeel. Een burn-out ligt mogelijk op de loer wanneer leerkrachten met te geringe tools, zich te verantwoordelijk voelen. Er is ook sprake van secundaire traumatische stress en uitputting van mededogen. ‘Maar laat ze wel hun verhaal vertellen, al is dat ook een kwestie van kunnen en durven.’ Schoolplaatsing Wat in Nederland nog moeizaam gaat, zijn de effecten van een trauma te koppelen aan een goede schoolplaatsing. Het is vooralsnog erg lastig om een getraumatiseerd kind qua cognitie op de juiste plek te zetten en tegelijkertijd voldoende ondersteuning te bieden. Ook haakt hulpverlening vaak af vanwege de taalbarrière, of ouders vinden het niet nodig. Ouders

zien de noodzaak niet of zijn zelf ook getraumatiseerd. De context van de ouders is nodig, maar: ‘Je krijgt ze niet altijd mee. Een tip: concentreer je op het kind als ouders onbereikbaar zijn’, vertelde De Jong. ‘Realiseer je dat je een veilig eiland kan zijn.’ Herkenbaar De blijken van herkenbaarheid gingen door de zaal bij het behandelen van zaken die lesgeven aan getraumatiseerde kinderen kan oproepen. Verwarring, frustratie, onderwaardering, boosheid en hulpeloosheid. De oplossing die De Jong aandroeg: traumasensitief lesgeven. Het gedrag van het kind begrijpen, kinderen veilig(er) laten voelen en een rol spelen bij het vergroten van de veerkracht, en steun zoeken en krijgen bij andere mensen die ook zo werken. Verder luisterde de zaal vooral naar wat de Jong te vertellen had, al werden er diverse praktijkvoorbeelden gedeeld. Dat alleen al was pure winst en werkte wellicht onbewust aan de verwerking van secundaire trauma’s.

‘Het Nederlandse onderwijssysteem is niet berekend op deze kinderen’ ‘Taal is een groot probleem. En veel getraumatiseerde kinderen hebben van hun ouders de instructie gekregen om niet over hun trauma te spreken’ (Isabel van ’t Spijker, leerkracht van de NT2-klas van De Peppel in Middenmeer)


KopKrant, maart 2018

5

PO VO

‘Nederlands leren is essentieel’

Jaap van Beekum is teamleider van Schakel aan Zee, onderdeel van Scholen aan Zee in Den Helder. Op Schakel aan Zee wordt NT2-onderwijs gegeven, veelal aan kinderen met een trauma. ‘Ze hebben allemaal een verhaal met uiteenlopende achtergronden.’

‘Het gaat in de meeste gevallen om leerlingen met een hartverscheurende geschiedenis’

Nee, een rode draad kan Van Beekum niet ontdekken in het leerlingenbestand van Schakel aan Zee. ‘Het varieert van analfabeten van 15 jaar tot goed opgeleide kinderen die alleen Nederlands moeten leren en dan zo door kunnen naar het havo of het vwo en alle niveaus die daar tussen liggen. Waar we veel waarde aan hechten en tijd aan besteden, is een goede intake. Essentieel is in alle gevallen om de leerlingen zo snel mogelijk Nederlands te leren.’ Voor het geven van kwalitatief goed NT2-onderwijs is het team van Schakel aan Zee vorig jaar geschoold door ITTA uit Amsterdam en dat wordt dit jaar herhaald voor nieuwe collega’s én voor collega’s van andere scholen in de omgeving. ‘Ook op andere scholen moet kennis zijn. Wij kunnen kinderen nooit afleveren met bijvoorbeeld niveau Nederlands mavo derde klas. Wel met een bepaald referentiekader, maar begeleiding blijft nodig’, aldus Van Beekum. Elke dag anders Het gaat in de meeste gevallen om leerlingen met een hartverscheurende geschiedenis, maar voor de een is de impact daarvan anders dan voor de ander. Van Beekum: ‘En bij de een merk je dat in de klas dus ook op een andere manier dan bij de ander. Ook daarin is sprake van onderwijs op maat. We weten hoe we met deze kinderen moeten omgaan. De docenten zijn geschoold, ook in het trauma sensitief lesgeven, maar in de praktijk blijkt elke dag weer anders te zijn. Het is een kwestie van ‘al doende leert men’.’

Jaap van Beekum Teamleider van Schakel aan Zee, onderdeel van Scholen aan Zee in Den Helder.

Het komt voor dat kinderen van de ene op de andere dag worden opgehaald door de immigratiedienst om te worden uitgezet. ‘Dan worden ze ’s nachts van hun bed gelicht en naar Ter Apel gebracht. Andere kinderen, die hier op school zitten, zijn daar vaak getuige van. Die zijn vervol-

gens dan ook een paar dagen van slag of verdwijnen naar een onbekende bestemming.’ Uitzettingen en de verhalen van de kinderen hakken er geregeld diep in bij het docententeam. Elke dag begint het team met een briefing. ‘We bespreken de bijzonderheden en nemen gezamenlijk de dag door. ’s Middags om kwart over drie drinken we samen een kop thee en delen we onze ervaringen, ook met een grap en grol. Wat we meer doen dan andere scholen: we gaan er als team vaak op uit, om onze successen te vieren of om onze zorgen met elkaar te delen.’ Er is meer dan gemiddeld oog voor de docenten en Van Beekum ziet en stelt dat het NT2-onderwijs een totaal andere tak van sport is. ‘Het is een heftige en tegelijkertijd mooie uitdaging’. Gepersonaliseerd leren Maar hoe gaat het team van Schakel aan Zee om met de trauma’s die deze kinderen hebben opgelopen? ‘Gepersonaliseerd leren’, geeft Van Beekum als antwoord. Dus: in hoge mate rekening houden met het kind. Zo hanteert

Schakel aan Zee weliswaar als regel “geen jas aan en geen capuchon op in de klas”, maar als iemand zich even wil terugtrekken en daar behoefte aan heeft, dan is het maar zo. ‘Geef ze de ruimte en speel in op hun behoeften’, geeft hij als tips.

tie doen. De uitdaging is om elk kind een mooie toekomst te geven, op welke plek in de wereld dan ook. Daar ligt de uitdaging voor Schakel aan Zee.’

Aan Schakel aan Zee zijn een tolk, een orthopedagoog en een vertrouwenspersoon verbonden. ‘We sturen op vertrouwen en vertellen. Daarom staan kunst en tekenen hier ook hoog in het vaandel omdat het een manier is om zich te uiten. En ze willen spelen, sporten en lekker voetballen. Dat is iets wat ze soms door de omstandigheden hebben overgeslagen in hun leven.’ Tegelijkertijd kent het team zijn plek. ‘We zijn geen psychologen of hulpverleners, maar kunnen wel kijken wat onze leerlingen nodig hebben om hen vervolgens soms door te verwijzen. Inmiddels is een groot aantal leerlingen doorgestroomd naar het reguliere onderwijs. In de nabije toekomst willen we ook stages voor onze leerlingen gaan organiseren en meer aan beroepsoriënta-

‘Het is een heftige en tegelijkertijd mooie uitdaging’


6

KopKrant, maart 2018

PO VO

De pedagogische gereedschapskist

‘PO en VO hebben elkaar hard nodig’

De introductie van Reinier de Voogd voor de PO/VO-middag op 15 november in De Kampanje in Den Helder vatte goed samen waarom een bijeenkomst als deze zo nuttig is. ‘We hebben elkaar hard nodig als we het beste voor kinderen willen’, zei hij. En: de samenhang verbeteren. Alleen al het feit dat vertegenwoordigers van PO en VO elkaar deze middag ontmoeten en in verschillende workshops samen praten over de samenwerking, was al een stap in de goede richting.

Reinier de Voogd Voorzitter College van Bestuur Scholen aan Zee

‘Hoe lukt het ons om onze leerlingen optimaal onderwijs te bieden?’, stelde Reinier de Voogd, voorzitter van het College van Bestuur van Scholen aan Zee, de retorische vraag. ‘Door het PO en VO optimaal met elkaar te verbinden en juist in de regio Den Helder kunnen we daarvoor een broedplaats creëren’, gaf hij zelf het antwoord. Directeuren, IB’ers en andere belangstellenden uit het primair en voortgezet onderwijs waren op 15 november in theater De Kampanje samengekomen om met elkaar in contact te komen en over de eigen grenzen te kijken. Na de introductie van De Voogd hielden Jessica Tissink (senior beleidsadviseur van de VOraad) en Bernard

Teunis (domeinregisseur en beleidsadviseur van de POraad) een presentatie. En over de grenzen kijken, dat is precies wat de vertegenwoordigers van de twee raden deden. ‘Ook wij hebben elkaar nodig’, vertelde Tissink. ‘Samen zijn we verantwoordelijk voor alle kinderen, met name vanaf groep 7 van het primair onderwijs tot en met klas 2 van het voortgezet onderwijs.’ Wet Eindtoetsing Samen gaven zij hun visie op verschillende ontwikkelingen op het snijvlak van PO en VO. De uitwerking van de Wet Eindtoetsing impliceert onder andere meer samenwerking tussen PO- en VO-scholen. De wet steekt verder in op een latere afname van toetsen; enerzijds is dit organisatorisch lastig voor de VO-scholen vanwege latere inschrijvingen, anderzijds zorgt het voor minder ‘toets-stress’ en wordt meer gekeken naar resultaten uit het leerlingvolgsysteem. Tissink stipte kritische punten aan, bijvoorbeeld over bijstelling van het advies naar boven. Met Teunis stelde ze vast dat erkende knelpunten bij toetsing en schooladvies

zijn: druk van de ouders, heroverweging en bijstelling van het schooladvies en onderbouwing en kwaliteit van het schooladvies. De samenwerking tussen PO en VO wordt eveneens genoemd als knelpunt, maar is in de overgang zeker niet het grootste obstakel. De verschillen tussen PO en VO komen volgens Tissink en Teunis vooral tot uiting in de inhoudelijke aansluiting (bijvoorbeeld Engels) en doordat leerlingen te maken krijgen met een andere leeromgeving. Het advies aan het publiek: ‘Denk erover na en neem je stappen ter afstemming.’ Regeren en thema’s Teunis ging daarna in op de rol van het nieuwe regeerakkoord. Belangrijke punten uit dit beleid zijn onder meer de brede of verlengde brugklassen, ruimte om te experimenteren met bijvoorbeeld 10-14 initiatieven en het vervroegen van de eindtoets en/of later uitbrengen van het advies. Voor de goede overgang van PO naar VO spelen daarnaast verschillende thema’s. ‘Het uitgangspunt is: we gunnen iedere leerling een plek op het juiste niveau’, vertelde Teunis.

‘Naast de uitslag van de eindtoets zelf nemen we wellicht teveel andere factoren mee in de afweging voor het schooladvies, die soms geen recht doen aan het niveau dat een kind zou kunnen halen.’ Ongewenste neveneffecten van de eindtoets, noemde hij het. ‘Vroegselectie is alleen desastreus als het systeem niet flexibel is. Dan fungeert het VO als een soort sjoelbak waarbij de eindtoets een selectiemoment is.

‘We gunnen iedere leerling een plek op het juiste niveau’


KopKrant, maart 2018

7

PO VO

PO en VO moeten echt met elkaar in gesprek om de overgang meer flexibel te maken en te houden, zodat de vroegselectie minder erg wordt. De maatschappelijke druk op de eindtoets en het schooladvies zal alleen maar toenemen als dat moment zó bepalend is voor het eindniveau en daarmee het startpunt in het VO’, hield hij zijn luisteraars voor.

Workshop 10-14 onderwijs Na afloop van de gezamenlijke bijeenkomst konden de deelnemers aan de themamiddag deelnemen aan een van de vier workshops. Eén van de workshops werd gegeven door René Leber, netwerkregisseur onderwijsroute 10-14 namens de Stichting Openbaar Onderwijs Zwolle en Regio (OOZ). Centraal in de workshop stond de vraag: ‘kunnen wij bij de overgang van PO naar VO uitstel van keuze, sociaal inclusief leren en rekening houden met de individuele leervraag van de leerling?’

Flexibiliteit gevraagd Als tweede thema: flexibiliteit is ook nodig in het systeem om doorstroommogelijkheden in het VO voor leerlingen zo optimaal mogelijk te maken. ‘Wat kunnen we voor leerlingen betekenen en hoe kunnen we flexibel zijn?’, stelde Tissink. ‘Moeten we de acht verschillende instroomniveaus handhaven in de onderbouw? Of juist minder, zodat het overzichtelijker wordt en switchen makkelijker wordt. Het gaat daarbij veel meer om inrichting van het onderwijssysteem, waarmee het voor leerlingen mogelijk wordt om hun eigen ontwikkeling te volgen.’ En het derde thema: ‘Waar gelden de grenzen van de wet en waar gaat het om regels die we zelf verzonnen hebben? Regels die helemaal niet nodig zijn. Soms is er meer ruimte dan we denken’, aldus Teunis.

Kinderwetje

Tenslotte: bij de overgang van PO naar VO worden ouders vaak gezien als de ‘pushende partij’, die graag ziet dat het kind zo hoog mogelijk komt. ‘Eigenlijk zou je ouders in alle fasen en thema’s een belangrijke rol moeten geven. Ouders willen ook het beste voor hun kind. Hoe kun je ouders zó betrekken dat het voor hen, voor de leerling en het onderwijs goed is?’, besprak Tissink het laatste thema. Belangrijke vragen, waar niet direct een antwoord op te geven viel. Maar wel vragen die gesteld moeten worden om de discussie op gang te brengen. En dat gebeurde, in de pauze en na afloop van de workshops, op uitgebreide schaal.

‘wie ben ik’ op. Binnen 10-14 bied je hen een veilige

OOZ probeert een antwoord te formuleren door bestaan-

basis en kunnen ze in alle rust ontdekken wat ze willen

de PO- en VO-scholen in een netwerk met elkaar te

en kunnen.’ De onderwijsroute richt zich vooral op de

verbinden, maar ook door de opzet van een experiment:

middengroep, van kader basis tot regulier atheneum.

het 10-14 route-onderwijs. Om met dat laatste te begin-

‘Het kan zijn dat de ontwikkeling van het kind in het

nen: Leber gaf aan dat slechts het beroemde ‘kinderwetje

regulier onderwijs stagneert. Kinderen waarvan je als

van Van Houten’ er tot op de dag van vandaag voor heeft

leerkracht het gevoel hebt dat er meer in zit dan eruit

gezorgd dat het basis- of primair onderwijs tot 12 jaar

komt. Maar: we zijn geen zorgschool’, benadrukte

is. ‘Er is geen enkel onderwijskundig motief voor.’ En dus

Leber. Een coach kijkt voor ieder individueel kind naar de

op zoek naar verandering. Leber en zijn collega Annelies

persoonlijke ontwikkeling en of hij of zij toe is aan een

Robben gingen langs bij VO-scholen met de vraag: ‘wat

volgende stap. Een scheiding op leeftijd gebeurt alleen

roept 10-14 onderwijs bij je op?’ ‘Velen waren nieuwsgie-

om onderwijskundige redenen, bijvoorbeeld bij gym of

rig’, vertelt Leber. ‘Maar ook kwam de vraag: ‘waarom?’

biologie. ‘Zo ontstaat gepersonaliseerd onderwijs.’ De

Het gaf de munitie om het idee verder uit de diepen en

nieuwe leerroute krijgt een eigen omgeving op het terrein

uitgangspunten te formuleren. Dat resulteerde tot het

van de Van der Capellen in Zwolle. De ruimtes worden

volgende lijstje:

speciaal ingericht voor het onderwijsconcept.

• Een uitgestelde keuze • Doorgaande leerlijnen passend bij het kind • Overstappen wanneer het kind er aan toe is • Sociale inclusie

Puberteit en schoolkeuze

Belemmeringen Belemmeringen zijn er ook en dat stak Leber niet onder stoelen of banken. ‘Hoe moeten we het onderwijsconcept inpassen in het huidige, reguliere onderwijs? Zijn 14-jarigen niet al verder in hun cognitieve ontwikkeling?

In het concept staan coaching, persoonsvorming en on-

Hoe pas je dat op elkaar aan? Het is een compleet ander

derzoekend vermogen centraal om de stap van PO naar

onderwijssysteem en dat moet je aan laten sluiten.’ Een

VO makkelijker te maken; het geeft kinderen de ruimte

uitdaging. Neemt niet weg dat meer en meer ouders en

om te leren en een basis om te groeien. ‘De leeftijd van

kinderen in 10-14 onderwijs geïnteresseerd zijn, en ook

tien tot veertien jaar is voor veel kinderen een periode

dat is een teken aan de wand. Komt nog bij dat het

waarin enorm veel gebeurt’, vertelde Leber. ‘Puberteit

concept kan dienen als oplossing voor scholen die te

en schoolkeuze, en dan spelen vragen als ‘wat kan ik’ en

maken hebben met krimp.


8

KopKrant, maart 2018

VO

Thuiszitters in Beeld

‘Het begint met aandacht’ In het voorjaar van 2017 is de projectgroep Thuiszitters in Beeld van het samenwerkingsverband VO aan de slag gegaan met het ophalen van het beeld van de ‘thuiszitters’ in de regio. De groep bestaat uit deelnemers vanuit het samenwerkingsverband, Heliomare en leerplicht (Den Helder). Ellen Frederiks, begeleider van het OSP van het Regius College, is een van hen. Ze vertelt over haar bevindingen. De opdracht aan de projectgroep was onder andere • Zicht krijgen op alle leerlingen (4 categorieën) die niet naar school gaan en sluitende afspraken over uitwisselen gegevens van gemeenten(leerplicht), SWV VO en VO-scholen. • Analyse van gegevens met betrekking tot redenen van thuiszitten. • Beeld krijgen van de ondersteuningsbehoefte van deze leerlingen en het huidige aanbod van scholen en samenwerkings verband. • De samenwerking tussen scholen, samenwerkingsverband en gemeente verstevigen. Allereerst maakte de projectgroep een analyse van de redenen van thuiszitten. Het eerste beeld is dat er veelal chronische, somatische en psychische klachten onderliggend zijn. Leden van de projectgroep hebben vervolgens alle ondersteuningscoördinatoren van de VO scholen in de regio benaderd om dit beeld te verifiëren. De interviews boden een rijk beeld

aan ervaringen, meningen, wensen en mogelijkheden op, beschreven in het eindverslag. ‘Het eindverslag wordt eind maart gepresenteerd’, vertelt Frederiks. Aanbevelingen De aanbevelingen zijn onderverdeeld in verschillende gebieden, zoals preventie, interventie en partnerschap met ouders. Een preventieve aanbeveling is bijvoorbeeld extra aandacht en gebruik van de checklist bij langdurig zieke leerlingen in het PO. Of de fysieke aanwezigheid van de leerplichtambtenaar op school, omdat het meerwaarde heeft voor school, ouders, leerlingen en leerplicht. Overigens wordt deze aanbeveling onder andere in Den Helder al in praktijk gebracht. Uitgangspunt is dat er een reden is voor het verzuim. Bijtijds delen en in gesprek gaan met ouders, leerplichtambtenaar, mentor en anderen die nodig zijn, is belangrijk. De mentor legt contact met het thuisfront. Het is zaak om in een zo vroeg mogelijk stadium te signaleren en in te grijpen.

Ouders Op het gebied van interventie doet de projectgroep de aanbeveling om een plan niet uitsluitend te richten op een inhaalprogramma voor toetsen, maar te richten op het behalen van een startkwalificatie. De ondersteuning start met het opstellen van een haalbaar plan en een andere aanbeveling is om bij het gesprek voor het opstellen van een haalbaar plan deskundigen in te schakelen om de juiste vragen te stellen. In het kader van het partnerschap met ouders: ouders zijn een onderdeel van het plan voor de leerling. Aanbeveling is om duidelijk te bespreken welke taken en verantwoordelijkheid ouders in het plan hebben en welke verwachtingen ouders en school over en weer hebben. Frederiks: ‘Denk ook aan meer vergaderen op casusniveau. Kortere lijnen met externe hulpverlening. Meer observeren in de klas om preventief te werken en de expertise van docenten verhogen. Belangrijk is ook om de overgang tussen PO en VO beter te begeleiden en eigen tussentijdse doelen te stellen. Tegelijkertijd is het waar dat het probleem lastig is op te lossen. Er moet eerder gesignaleerd worden; er wordt nu nog vaak te laat aan de bel getrokken.’ Wat kan nog wél Het contact met leerplicht zal een vervolg krijgen op casusniveau met als insteek: wat kan er nog wél voor een

leerling worden ondernomen? Het gaat dan om casuïstiek waarin alle mogelijkheden al benut lijken te zijn. Ook is het de bedoeling om met elkaar in overleg te gaan bij het verlenen van vrijstellingen door leerplicht, tevens een aandachtspunt voor de inspectie. Aan de aanbodkant is gekeken naar de (on)mogelijkheden van het gebruik van IVIO en extra inzet op arrangementen voor thuiszittende leerlingen. Dit laatste kan bijvoorbeeld in de vorm van “functioneel koffiedrinken” bij de leerling thuis en, indien mogelijk, gefaseerd instromen in een voorziening of school van herkomst. Ook worden regelmatig SWV VO-vertegenwoordigers betrokken bij het CTO over thuiszittende groep 8-leerlingen om de mogelijkheden in de PO-VO-overstap te verkennen. Depressiviteit Op het moment van schrijven telt het samenwerkingsverband 26 thuiszittende leerlingen, waarvan bijna een kwart uit de groep langdurig zieke leerlingen bestaat en ongeveer 20 procent te kampen heeft met psychische problematiek. ‘Met de projectgroep hebben we ontdekt dat veel van deze leerlingen psychosociale problemen hebben. Veel depressiviteit ook, en angststoornissen. Dat is een grote oorzaak. De achterliggende redenen kunnen natuurlijk

divers zijn’, vertelt Frederiks. In een scriptie diepte ze de relatie tussen depressieve stoornis en thuiszitten verder uit. Bij een depressieve stoornis is het functioneren in lichamelijk, affectief en motivationeel opzicht geremd en is er een onvermogen om te genieten. De stemming is somber, mat en afgevlakt. Verder komen er vaak cognitieve symptomen voor zoals school- en leerproblemen, schuldgevoelens of een slecht eigenbeeld. Jongeren met een depressieve stoornis kunnen last hebben van stemmingsschommelingen, angsten, antisociaal gedrag, zich terugtrekken en schoolangst. Het niet naar school gaan van een kind geeft een ouder veel zorgen. Het kind raakt cognitief en sociaal emotioneel achter. Voor de school vergt het een maximale inzet om het kind weer naar school te krijgen. Hiernaast moeten externe instanties mensen inzetten en dit kost de overheid geld. Het is daarom belangrijk om de signalen van een depressie te herkennen en kennis te hebben van de aanleg en omgeving van het kind. Herkennen en signaleren Signaleren en aangeven: dat zijn de belangrijkste taken van een leerkracht. Frederiks: ‘Om te onderzoeken welke maatregelen er nodig zijn om te voorkomen dat depressieve kinderen thuis


KopKrant, maart 2018

9

VO

Procedure toewijzing ondersteuning of toelaatbaarheidsbepaling speciaal onderwijs Procedure toewijzing ondersteuning of toelaatbaarheidsbepaling speciaal onderwijs

komen te zitten, is allereerst literatuuronderzoek gedaan. Uit dit onderzoek kwamen zeventien adviezen naar voren die gegeven kunnen worden.’ Hierna is er, aan de hand van praktijkonderzoek, bekeken welke maatregelen school momenteel al neemt om het probleem te voorkomen. Om dit te onderzoeken zijn er bij zorgcoördinatoren semigestructureerde interviews afgenomen. Door de uitslag van het praktijkonderzoek te vergelijken met de theorie zijn er elf maatregelen overgebleven die geadviseerd worden aan het Regius College. De schoolpsycholoog wordt direct ingeschakeld als er een vermoeden is van een (mogelijk) depressieve stoornis van een kind. Wanneer het blijkt dat er thuis problemen zijn, komt de schoolmaatschappelijk werker in beeld. Omdat het thuiszittersprobleem bij de depressieve stoornis actueel is en voor alle docenten en ouders speelt, is het van belang hier (blijvend) aandacht aan te besteden. ‘Ik zie wel resultaat van de genomen stappen en leerlingen druppelsgewijs of met een aangepast rooster terugkeren. Daar kunnen we vanuit het OSP ook ondersteuning bij bieden. Maar herkennen is en blijft essentieel’, aldus Frederiks. Ze is overtuigd van de kracht van het eindverslag en de aanbevelingen. Het plan is om de projectgroep intact te houden. De interviewronde heeft de aandacht voor de thuiszittende leerling weer verscherpt, en het is zeker de moeite waard dit eens per twee á drie jaar te herhalen. Er is hoe dan ook voldoende reden om hier aandacht aan te besteden, het begint tenslotte met aandacht.

Het eindverslag van de projectgroep Thuiszitters in Beeld is op de website swvkopvannoordholland.nl

in te zien.

Aanmelding vanuit groep 8 of gedurende de VO schoolloopbaan: signalering ondersteuningsbehoefte op basis van * Onderwijskundig rapport groep 8 * warme overdrachtsgesprekken *groeidocument Handelings Gericht Werken inclusief zienswijze ouders/leerling aanmelding bij intern loket VO school (Ondersteuningspunt = loket) vaststelling ondersteuningsbehoefte begeleiding op maat in het ondersteuningspunt handelingsplan in de les begeleiding in de thuissituatie indien gewenst

geen ondersteuning nodig buiten de les (mentortaak)

geen passende ondersteuning binnen het regulier onderwijs

Direct naar Commissie Toelaatbaarheid passend onderwijs VO

ondersteuning in de les (schil 1) voldoende effect ondersteuning in OSP vervolgen

evaluatie begeleiding in intern overleg

(schil 2)

onvoldoende effect

aanmelden bij de CTPaO voor plaatsing speciaal onderwijs of arrangement. (schil 3)

Invullen groeidocument De samenwerkingsverbanden PO en VO hebben hun eigen versie van het groeidocument ontwikkeld, beide gebaseerd op de uitgangspunten handelingsgericht werken. Bij de overstap van het PO naar het VO wordt het PO document overgedragen als dit voor de leerling al in gebruik is. Bij een “nieuwe” aanmelding is het meer voor de hand liggend om het VO document te gebruiken. Het groeidocument wordt gebruikt om, mét de leerling, de docenten en de ouders de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte ván de leerling en indien nodig van de docent en ouders zorgvuldig in kaart te brengen. Samen met de evaluatie van het plan van aanpak vormt dit de onderlegger voor een aanvraag voor een toelaatbaarheidsverklaring of arrangement bij de commissie toelaatbaarheid VO. Het groeidocument is sinds het gebruik in augustus 2014 meerdere malen geëvalueerd en bijgesteld. Op de website www.swvkopvannoordholland.nl is de meest recente versie van het VO document te vinden, alsmede een ingevuld voorbeeld en een toelichting met tips voor het invullen. Aanmelden Bij de aanmelding voor ondersteuning in het VO zijn meerdere functionarissen in het VO betrokken. De scholen vullen dit op hun eigen manier in; teamleiders, ondersteuningscoördinatoren en begeleiders in het ondersteuningspunt kunnen allemaal een rol vervullen. Het ondersteuningspunt fungeert als intern loket. PO en VO hebben afspraken over de mogelijkheid van het bijwonen van OT overleg of een overleg in de commissie toelaatbaarheid PO door VO vertegenwoordigers. Het kan dan gaan om vraagstukken als: “Is regulier of speciaal onderwijs de best

passende plek?” of: “Kan een leerling beter bij het Praktijkonderwijs worden aangemeld?”. Als tussenstap biedt het VO observaties in de lessen in het PO aan om een advies te verrijken. De laatste twee jaren weet men elkaar steeds beter te vinden en wordt er goed gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Arrangementen Het samenwerkingsverband VO kent geen aparte arrangementen toe die binnenschools worden uitgevoerd, zoals in het PO. De ondersteuning op de scholen wordt geboden zonder toewijzing door de commissie toelaatbaarheid, onder andere in het ondersteuningspunt (OSP). Deze toewijzing valt onder de verantwoordelijkheid van de betreffende VO school. Er kan bij de CTPaO een individueel arrangement worden aangevraagd voor de Rebound. Begeleiding vindt dan op een buitenschoolse locatie plaats voor een maximum van zes maanden. In dat geval is de jeugdhulpverlening nauw betrokken. Consultfunctie CTPaO Net als in het PO kent de Commissie Toelaatbaarheid VO de consultfunctie. Scholen, leerplicht en in een enkel geval ouders kunnen advies vragen met betrekking tot passende trajecten en “out of the box” oplossingen.

Gebruikte afkortingen: CTPaO : Commissie toelaatbaarheid Passend Onderwijs (VO) OT : Ondersteuningsteam (PO) OSP : Ondersteuningspunt (VO)


10

KopKrant, maart 2018

PO VO

Dyslexie vraagt om duidelijke afspraken

Tijdens de bijeenkomst van de werkgroep Doorgaande Lijnen van 21 februari gaven Petra de Waard en Daniëlle van der Werf een presentatie over het dyslexiebeleid. Beiden zijn onderwijsadviseur en verbonden aan OBD Noordwest. Met name de discussie tussen en met de werkgroep na de presentatie leverde interessante inzichten op. De Waard en Van der Werf gaven allereerst een presentatie over het dyslexiebeleid. In de routing staat (uiteraard) de leerling centraal en wordt gewerkt met verschillende ondersteuningsniveaus, 1 tot en met 4. Richting niveau 4 wordt de samenwerking tussen school en ouders steeds strakker. Vanaf niveau 2 is er sprake van extra instructie en begeleide oefening. Op niveau 3 is dat intensieve begeleiding door middel van specifieke interventie. Die interventies kunnen van verschillende methoden zijn. Bekend zijn Connect, Ralfi en Bouw!. Het zijn interventieprogramma’s om op school én thuis instructie te krijgen. Dit vraagt veel van de leerling en de organisatie. Criteria en vergoeding Belangrijkste criterium voor dyslexie is een hardnekkige achterstand: de leerling behoort op drie achtereenvolgende hoofdmetingen tot de 10 procent zwakst scorende leerlingen op technisch lezen op woordniveau. En tot de 16 procent zwakst scorende leerlingen op technisch lezen op woordniveau en de zwakste 10 procent scorende leerlingen op spelling. Vergoeding van de verschillende trajecten loopt binnen het basisonderwijs via de gemeente. Maar leerlingen waarbij pas in het voortgezet onderwijs dyslexie wordt vastgesteld, vallen buiten de regeling. Toch komen de meeste leerlingen met dyslexie met een dyslexieverklaring op het voortgezet onderwijs. Overigens hanteert niet iedere gemeente dezelfde regels als het gaat om toewijzing van vergoeding. Bij het vergoede behandeltraject wordt wel inzet van de ouders verwacht: zij moeten 5 à 6 keer per week met hun kind oefenen en het is dus belangrijk dat ze er wel achter staan. Binnen het samenwerkingsverband is gekeken naar een methode

om ondersteuning bovenschools in te zetten. Daarbij is gekozen voor de software van Kurzweil. Kurzweil en andere Dat deze keuze de meest logische was, stond niet voor iedereen in de projectgroep vast. Verschillende methodieken hebben uiteraard verschillende voor- en nadelen. De pluspunten van Kurzweil die door De Waard en Van der Werf werden gepresenteerd, zijn onder meer het bovenschoolse arrangement, de weblicentie voor school en thuis, en de mogelijkheid om extra licenties aan te vragen. Plein013 is een initiatief in Tilburg met een ingerichte bibliotheek met KES-bestanden. Dit zijn speciale bestanden voor de software van Kurzweil. Deze bestanden worden gedeeld en de bibliotheek wordt verder uitgebouwd. Dat is mooi, maar vanuit de zaal werden er toch wat vraagtekens geplaatst. Zo is de software van Kurzweil niet web-based, het is geen app. Dat betekent dat de software gedownload moet worden op een laptop en dan is het een idee om de laptops door school te laten financieren. Dat levert echter wel een stevige kostenpost op. Vooral in de overgang van primair naar voortgezet onderwijs zit de grootste te nemen hobbel in het begeleidingsproces. Alles bij elkaar is het zaak om de verschillende ontwikkelingen goed te monitoren, zeker omdat de ontwikkelingen in de technologie snel gaan. Doorgaande lijn De discussie spitste zich daarna toe op de doorgaande lijn. Zoals gezegd is vooral de overgang van primair naar voortgezet onderwijs een heikel moment voor deze doorgaande lijn in de begeleiding van dyslexie. ‘Naar de brugklas gaan is al spannend

op zich’ en ‘het VO is misschien te weinig meegenomen in de keuze voor Kurzweil’. Toch is de ervaring van Van der Werf en De Waard dat de overgang naar een ander systeem spannend is, maar over het algemeen wel goed gaat. ‘Het hoeft geen groot verschil te zijn. Wellicht voor de zware gevallen. Vaak is het een kwestie van even wennen.’ Een punt dat daar aan raakt, is de vraag of je dyslexie moet laten meewegen in het schooladvies. Leerlingen kunnen het misschien cognitief wel aan, maar zijn vaker gebaat bij een realistische keuze. Dat werkt ook meer motiverend. Mondeling toetsen komt zeker voor, maar dat geldt niet voor het eindexamen en het is

zaak rekening te houden met de exameneisen bij de keuze voor een school. Bij voorkeur kijken PO en VO sámen naar het schooladvies. Tegelijkertijd werd de vraag gesteld of een soepele overgang ooit gaat lukken zonder gepersonaliseerd onderwijs. Soepele driehoek Een soepele driehoek tussen leerling, ouders en school is essentieel. Voor het signaleren van problemen en het vaststellen van grenzen bijvoorbeeld. Ook om te bekijken wat buiten de school kan en wat docenten extra kunnen doen. Voor ouders is het belangrijk om te constateren dat er in ieder geval iets met het onderwerp gebeurt. Het is goed om met ouders

duidelijk af te spreken wat zíj kunnen betekenen. Vanuit het perspectief van de leerling is het goed om niet te werken met standaard lijstjes, maar om vragen te stellen als “wat heb je nodig om verder te komen”. En het is goed om te weten wat een leerling op eigen kracht kan.


KopKrant, maart 2018

11

PO

Groeien we door?

De deelname van leerlingen aan het speciaal (basis)onderwijs kent sinds de start van het passend onderwijs een gestage groei. Het totaal aantal leerlingen in de basisschoolleeftijd daalt jaarlijks met 2,5 à 3 procent, terwijl het aantal leerlingen dat een toelatingsverklaring krijgt voor het speciaal basisonderwijs (Sbao) of ZMOK stijgt. Doen we iets niet goed? Zijn er oorzaken aan te wijzen en wat kunnen we beter doen? We legden deze vragen voor aan het Kohnstamm-instituut, dat ook betrokken is bij de landelijke rapportage over de ontwikkelingen in het passend onderwijs. Het onderzoek betrof drie schooljaren (2014-2017).

Het volledige onderzoeksrapport is beschikbaar op de website van het samenwerkingsverband.

swvkopvannoordholland.nl

maakt niet uit! Het maakt evenmin uit of er veel “gewichtenleerlingen” op een school zitten. Ook voor die scholen geldt dat zij niet afwijken gezien het aantal verwijzingen. Tenslotte zijn er jaarlijks ongeveer vijf scholen die drie tot zes leerlingen verwijzen. Als dat telkens de zelfde scholen zouden zijn dan was er voor het samenwerkingsverband de mogelijkheid om samen met de betrokken schoolbesturen te kijken welke maatregelen getroffen kunnen worden om het tij te keren.’Helaas’ gaat het elk jaar om andere scholen.

Een veelvoud van factoren lijkt ten grondslag te liggen aan de toename van het aantal toelaatbaarheidsverklaringen in het samenwerkingsverband. Welke zijn dat? Eigenlijk is er geen peil te trekken op waar de leerlingen vandaan komen. Vanzelfsprekend komen de meeste uit het regulier basisonderwijs, waar jaarlijks ruim de helft van de scholen echter geen leerlingen verwijst.

‘Extra kennis is goed, breed en in voldoende mate bereikbaar’

Bij scholen die wel verwijzen gaat het doorgaans om één of twee leerlingen per jaar. Bovendien wisselen voor een groot deel de verwijzende scholen. Er lijkt dan ook geen aanleiding te zijn voor het samenwerkingsverband om opnieuw een brede investering te doen in bijvoorbeeld het omgaan met gedrag. De deskundigheid op scholen is volgens het voorzittersoverleg van de scholengroepen van een voldoende niveau en extra kennis is goed, breed en in voldoende mate bereikbaar.

Instroom uit voorschoolse voorzieningen Wat opvalt, is dat de instroom van jonge leerlingen uit de voorschoolse voorzieningen stijgt. Dat is een effect dat veroorzaakt is door scherpere afspraken met de voorschoolse instellingen, waardoor leerlingen niet eerst op een basisschool terecht komen waar ze onvoldoende uit de voeten kunnen. Beleid waar voorzittersoverleg en bestuur zich positief over hebben uitgesproken. We hopen dat een flink deel van deze vroeg-verwezen (onder-instroom) leerlingen na enkele jaren kan overstappen naar het regulier basisonderwijs. Nu is het nog te vroeg om dat met cijfers te kunnen aantonen. Rond 2020-2021 zou dat effect zichtbaar moeten worden. Groot of klein? In het onderzoek is verder geen samenhang geconstateerd tussen de grootte van een school en het aantal verwijzingen. Groot of klein

Vluchtelingen Een in het algemeen toenemende pittige gedragsproblematiek draagt volgens het rapport bij aan de geconstateerde stijging. Voor een deel komt dit voort uit een toename in de gezinsproblematiek en een groeiend aantal leerlingen met een vluchtelingenachtergrond, met name in het laatste onderzoeksjaar 16-17. Aan het beperken van de laatste oorzaak draagt het samenwerkingsverband bij, doordat het beschikt over drie Centrale Opvang Locaties (COK’s) in haar werkgebied. Dat laat onverlet dat ernstig getraumatiseerde kinderen uit recente oorlogsgebieden toch aangewezen blijven op een speciale vorm van onderwijs; een bovengemiddeld aantal gaat naar een school voor ZMOK of ZMLK. Niet één oorzaak Kortom, er is niet één oorzaak aan te wijzen voor de stijging in deelname aan speciaal (basis)onderwijs, daar waar het speciaal basisonderwijs constateert dat hun populatie eerder ‘zwaarder’ is geworden dan eerder het geval was. Dat wijst er op dat ook de procedure bij verwijzing van leerlingen goed in elkaar steekt

en er al meer leerlingen in het regulier onderwijs opgevangen kunnen worden. Op een aantal van de hierboven belangrijke geopperde oorzaken heeft het samenwerkingsverband nauwelijks tot geen invloed. Dat geldt ook voor zaken als klassengrootte en het aantal ondersteuningsvragen per groep (gemiddeld vijf). Daar wordt in de huidige begroting maximaal ruimte voor gemaakt en dat blijft ook het uitgangspunt. Bestuurlijk zijn daar duidelijke uitspraken over gedaan. In het ondersteuningsplan is al enkele jaren sprake van de optie om in te zetten op het werken met audits op het gebied van ondersteuning. Uit te voeren in de scholengroepen om de kwaliteit van de ondersteuning op een zo hoog mogelijk niveau te brengen en te houden. Misschien kan een dergelijke activiteit een bijdrage leveren. In ieder geval is door de rapportage duidelijk geworden dat de algemene basiskwaliteit op vrijwel alle scholen nu al wordt gerealiseerd. Welke scholengroep pakt deze groei-optie als eerste op?

Andrew Albers


12

KopKrant, maart 2018

PO

‘Route na signalering’

In de vorige editie van de KopKrant stond op de achterpagina een artikel over de Verwijsindex, één van de belangrijkste (landelijke) tools voor het vroegtijdig signaleren van problemen. Inmiddels is de route in een schema uitgewerkt:

Route na signalering

PO

School signaleert in OT

Schoolmaatschappelijk werk - max 5 gesprekken -

Leerplichtambtenaar Huisarts Sociaal wijkteam

Politie GGD Jeugdzorgaanbieders Samenwerkingsverband CTO Veilig Thuis/beschermingstraject

N.B. Alle betrokken personen kunnen, indien relevant en waarbij zij ouders/verzorgers daarover informeren, een melding doen bij de Verwijsindex.

1) L et op: indien er gedacht wordt aan het inschakelen van een jeugdzorgaanbieder, heeft de volgende route de voorkeur: OT – Schoolmaatschappelijk werk – Sociaal wijkteam – zorgaanbieder.

2) B ij dyslexie geldt de volgende route: school bouwt het dossier op waarna ouders rechtstreeks kunnen aanmelden bij het sociaal wijkteam voor een administratieve verwijzing voor dyslexiezorg.

3) T en aanzien van plaatsing Centrum voor Daghulp geldt dat het kind wordt aangemeld voor bespreking in de CTO. Indien de CTO van mening is dat CVD gewenst is, zorgt de CTO (via het sociaal wijkteam) voor een indicatie CVD.

Nieuwe website samenwerkingsverband online Sinds begin deze maand is de nieuwe website van het samenwerkingsverband online. Kom gerust een kijkje nemen!

www.swvkopvannoordholland.nl

Colofon KopKrant is een initiatief van Samenwerkingsverband Kop van Noord Holland Projectleiding: Andrew Albers Tekst, ontwerp en productie: Second Opinion, Leeuwarden Redactie: Jan Bot, Andrew Albers, Myrthe Scheltema de Heere en Anneke Bouma-de Vries Voor meer informatie over deze uitgave kunt u mailen naar: secretariaat@swvkopvannoordholland.nl De KopKrant staat ook op de website: www.swvkopvannoordholland.nl Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opname of enige ander manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.