Kopkrant dec14 issuu

Page 1

december 2014

PO VO

KopKrant

De Spinaker: succesverhaal in Den Helder Voordelen van Transitie Jeugdzorg Het Ondersteuningspunt is er voor ieder kind

- dag 2014 Kijken naar behoeften van het kind

3

Discussie met de directeuren

7

Groep 7/8 in gesprek met leerkracht VO

11

‘Integratie van twee werelden’

Elk kind een passende onderwijsplek


2

KopKrant, december 2014

Kopstuk

Partners

PO

Voorwoord Anne Hoekstra, voorzitter samenwerkingsverband Kop van Noord Holland VO Stichting Flore De heer S. Konst Postbus 279 1700 AG Heerhugowaard www.stichtingflore.nl (072) 566 02 00

Gereformeerd Primair Onderwijs West-Nederland De heer H. Scheffer ’s-Molenaarsweg 1 2401 LL Alphen a/d Rijn www.gpown.nl (0172) 41 88 30

s.konst@stichtingflore.nl

h.scheffer@gpown.nl

Stichting Meerwerf De heer D. Scholte Timorlaan 45a 1782 DK Den Helder www.meerwerf.nl (0223) 65 93 00

Stichting Schooltij Mevrouw N. Kant Postbus 61 1790 AB Den Burg www.schooltij.nl (0222) 31 65 16

Stichting SARKON De heer G.J. Veeter Postbus 6040 1780 KA Den Helder www.sarkon.nl (0223) 67 21 50

ad@meerwerf.nl

info@schooltij.nl

gjveeter@sarkon.nl

Stichting SURPLUS Mevrouw J. Vosbergen Postbus 394 1740 AJ Schagen www.stichtingsurplus.nl (0224) 27 45 55

Stichting Kopwerk De heer J. Deckers Postbus 444 1780 AK Den Helder www.kopwerk.nl (085) 273 40 00

Stichting Comenius De heer Th. Gauw Postbus 6032 1780 KA Den Helder www.abscomenius.nl (0223) 61 38 64

J.vosbergen@stichtingsurplus.nl

info@kopwerk.nl

directie@abscomenius.nl

Afstemming POVO www.swvkopvannoordholland.nl

Ongeveer tweeduizend leerlingen in onze regio maken jaarlijks de overstap van het primair onderwijs (PO) naar het voortgezet onderwijs (VO). Voor leerlingen en hun ouders is dat een belangrijk en bijzonder moment. Om de overstap soepel te laten verlopen en te zorgen dat leerlingen een doorgaande leerlijn ervaren, besteden de basisscholen en het VO in onze regio veel aandacht aan de afstemming tussen beide onderwijssoorten. Die afstemming is met ingang van het schooljaar 2014-2015 nog meer van belang, omdat de regelgeving rond de overgang van PO naar VO verandert. Vanaf het huidige schooljaar maken de meeste schoolverlaters in het reguliere basisonderwijs een eindtoets, die hun taal- en rekenvaardigheid meet. Daarnaast krijgt het schooladvies van de basisschool meer gewicht: dit advies is leidend voor de toelating in het VO.

‘Afstemming is nu dus nog meer noodzakelijk dan het al was’

Anne Hoekstra voorzitter samenwerkingsverband Kop van Noord Holland VO

Afstemming is nu dus nog meer noodzakelijk dan het al was. In de regio pakken de samenwerkingsverbanden PO en VO die afstemming actief op. Eind oktober was er in onze regio op vier plaatsen een POVO-dag: Texel, Den Helder, Wieringerwerf en Schagen. Tijdens deze dag maakten docenten van het PO kennis met het VO en omgekeerd, door lessen te bezoeken en met elkaar in gesprek te gaan. Op deze wijze komen de docenten er soms achter dat lesmethoden verschillen, net als de wijze van begeleiding van de leerlingen. Het doel van de POVO-dag is om, met respect voor ieders context, te werken aan een optimale aansluiting. De betrokken docenten waren enthousiast. Er was sprake van herkenning en onderling respect. Wellicht is er volgend jaar weer een POVO-dag, in deze of in een andere vorm. Want we blijven gezamenlijk werken aan een zachte landing van de leerlingen in het VO. De overgang moet zo soepel mogelijk verlopen!

Partners

PO VO

Stichting Samenwerkingsschool regio Den Helder De heer T. Jong Postbus 6038 1780 KA Den Helder www.sodenhelder.nl (06) 15 31 25 82

Stichting Heliomare De heer S. Silvius Postbus 78 1949 EC Wijk aan Zee www.heliomare.nl (088) 920 82 55

Stichting Aloysius De heer P. Mol Postbus 98 2215 ZH Voorhout www.aloysiusstichting.nl (0252) 43 40 00

info-onderwijs@heliomare.nl

secretariaat@aloysiusstichting.nl

Stichting Clusius College Mevouw A. Lugtig-Ouweltjes p/a Voltastraat 1 1817 DD Alkmaar www.clusius.nl (0224) 21 27 25

Stichting Regius College De heer A. Hoekstra Postbus 282 1740 AG Schagen www.regiuscollege.nl (0224) 29 78 41

Stichting Scholen aan Zee Sportlaan 38 1782 ND Den Helder www.scholenaanzee.nl (0223) 54 03 00

a.lugtig-ouweltjes@clusius.nl

directiesecretariaat@regiuscollege.nl

Stichting Ronduit De heer J.M.M. Zijp Rubenslaan 2 1816 MB Alkmaar www.ronduitonderwijs.nl (071) 514 78 33

Stichting Texel Mevrouw F.C. Giskes Emmalaan 15 1791 GT Den Burg www.texel.nl (0222) 36 22 16

Stichting Openbaar VO NHN De heer H. Klaassen Arubastraat 4 1825 PV Alkmaar www.sovon.nu (0227) 51 38 30

bestuur@ronduitonderwijs.nl

bestuurlijkassistent@texel.nl

h.klaassen@wiringherlant.nl

speciaalonderwijs@live.nl

Partners

VO

secretariaat@scholenaanzee.nl


3

KopKrant, december 2014

Rekenen en taalonderwijs Geleide instructie: kijken naar de behoefte van het kind

PO

- dag 2014

‘Ze moeten jouw stem in hun hoofd horen, hoe zou juf het doen?’ Docenten van het Regius en het Clusius keerden op de Aloysiusschool in Schagen even terug in de schoolbanken. Ze volgden onder meer de lessen van Marieke Stam in groep 7 en die van Miranda Ottens in groep 8 om te kijken hoe er in het primair onderwijs wordt gewerkt. is dat ze het overnemen, dat ze jouw stem in hun hoofd horen. Hoe zou juf het doen? Je bent hun rolmodel.”

Marieke Stam

“Ze waren onder de indruk van onze manier van lesgeven”, vertelt Marieke Stam. De manier waarop zij de les Nieuwsbegrip (begrijpend lezen) gaf - met geleide instructie - sprak tot de verbeelding. ”Ze waren enthousiast over de structuur die wij aanbrengen. Van het werken in drie niveaus kunnen zij nog veel leren, zeiden ze.” Met die niveaus doelt Stam op de groep sterkere leerlingen, de basisgroep en de groep die ‘instructie-afhankelijk’ is. Vooral voor kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen is het belangrijk om structuur te hebben, om te weten hoe je een tekst aanpakt. Stam begint haar les klassikaal. De actualiteit van het onderwerp zorgt voor betrokkenheid. “Laatst ging het over drones; dat spreekt meteen tot de verbeelding.” Rolmodel Bij het zoeken naar een verwijswoord neemt Stam de leerlingen stapsgewijs en hardop mee in haar zoektocht naar het antwoord. Het voordoen moet ertoe leiden dat de kinderen het na gaan doen. “Voor een leerkracht is dat vaak nieuw. Het doel

De sterke groep gaat vervolgens de les zelf maken, de basisgroep gaat in tweetallen aan de slag. Met de speciale Nieuwsbegrip-stift (lachend: ‘gewoon een gele marker’) moeten ze alle verwijswoorden onderstrepen. Op die manier worden de kinderen gedwongen het antwoord in de tekst te zoeken. Ondertussen doet Stam de zwakkere groep nog een keer voor hoe zij aan het antwoord komt. “Door mijn eigen gedachten te verwoorden geef ik de kinderen een handvat. Dus ik zeg: ‘Eerst moet ik de vraag goed lezen. Ik moet kijken naar regel 12 en 13. Dan lees ik regel 11 nog een keer, want ik heb geleerd terug te lezen.’ Voor een volwassene klinkt dat raar, maar de kinderen vinden het prettig. En op deze manier krijg je zelfs de zwakste leerling mee.” Rekenen op eigen niveau Miranda Ottens gaf tijdens het werkbezoek van de VO-collega’s een rekenles aan haar groep 8 volgens het IGDI-model, oftewel Interactieve Gedifferentieerde Directe Instructie. Na een korte opdracht waarin eerder gegeven stof werd herhaald, volgde de nieuwe rekenles. Bij elk vak krijgen de leerlingen te horen wat het doel van de les is. Zo weten de kinderen wat zij die dag gaan leren. Kinderen in groep 8 houden die doelen ook bij in hun portfolio. Achteraf wordt bekeken of het doel is gehaald. Zo niet, dan komt de stof later in de week nog eens terug.

Kinderen aan het rekenen volgens IGDI-model

Na de uitleg volgt de opdeling in drie groepen; de instructieafhankelijke groep, de basisgroep en de onafhankelijke groep die na het maken van een rijtje sommen met het eigen pluswerk aan de slag gaat. “Het voordeel is dat alle kinderen op hun eigen niveau werken”, stelt Ottens. “Bij bijna alle vakken werken wij zo. We kijken naar de behoefte van het kind. Een kind dat bij rekenen onafhankelijk is, kan bij taal afhankelijk zijn. Uiteraard kunnen zij zich ook opwerken, de groepen staan niet vast.” Lovend Volgens Ottens waren de meekijkende VO-docenten lovend over de werkwijze. “Ze keken er erg van op dat wij zo goed met niveaus kunnen werken. Ze vonden dat zij daar ook iets mee moeten doen. Natuurlijk is het wel zo dat zij de leerlingen maar 40 minuten per keer zien en niet, zoals wij, de hele dag.” Op haar beurt pikte Ottens bij een tegenbezoek ook iets van haar collega’s op. “Een docent knipte bij begrijpend lezen een tekst op in verschillende

alinea’s. De kinderen moesten die stukjes vervolgens eerst in de juiste volgorde zetten. De volgende dag heb ik dat zelf ook toegepast.” Werkbezoeken nuttig Ottens vindt dan ook dat de werkbezoeken nuttig zijn. “Je kijkt niet veel bij elkaar. Je hebt toch een bepaald beeld van het voortgezet onderwijs en andersom hebben de docenten daar ook een bepaald beeld van ons. Maar als je echt gaat kijken hoe het er in de praktijk aan toe gaat, blijkt dat toch anders te zijn dan je in gedachten had.” “Van tevoren dacht ik: moet dat nou? Opeens heb je vier onbekenden in je klas zitten. Achteraf zeg ik: we hadden het veel eerder moeten doen. Ik had bijvoorbeeld geen beeld van hoe er wordt lesgegeven in het voortgezet onderwijs. Nu kan ik de kinderen van groep 8 beter voorbereiden.”

‘Het voordeel is dat alle kinderen op hun eigen niveau werken’

Miranda Ottens

Op de website www.swvkopvannoordholland.nl vindt u linkjes naar alle foto’s en alle filmpjes die zijn gemaakt tijdens de POVO-dag 2014.


4

KopKrant, december 2014

Onderwijsconcepten in de praktijk Onderzoekend leren in Accent

Waarom kiest een brugklasser voor onderzoekend leren? Leerlingen die naar het Regius College willen, staan voor een keuze: kies ik voor regulier onderwijs of ga ik voor het onderzoekend leren in de Accentstroom? PO-leerkrachten volgden een workshop op het Regius om de aankomende brugklassers beter te kunnen informeren. Biologie-docent Andries Toutenhoofd zette zijn toehoorders na een informatieve inleiding aan het werk met een practicum over de uitrekking van een veer. “Een simpel proefje om te leren hoe je verbanden aangeeft. Leerlingen van de brugklas Accent hielpen mee.” Bij Accent staan vaardigheden als samenwerken en onderzoeken centraal, zegt Toutenhoofd. Nadat de scholieren hebben geleerd wat onderzoek doen inhoudt, bedenken ze per thema een eigen onderzoek. Daarnaast krijgen ze klassikale practica - bijvoorbeeld het ontleden

van een kippenhartje - en een theoretische toets ter afsluiting. “Onderzoek doen is een belangrijke vaardigheid”, stelt Toutenhoofd. “Zowel in de bovenbouw als in de vervolgopleidingen.” Als ervaringsdeskundige - hij geeft les in beide stromen kent hij de verschillen. Ook in de reguliere stroom is aandacht voor onderzoekend leren, maar de rol ervan is in de Accent-stroom groter. Daarnaast werkt Accent in leergebieden en niet in losse vakken. Zo valt biologie samen met natuurkunde, scheikunde en techniek onder het leervak Bèta, de talen onder Alpha,

geschiedenis, aardrijkskunde en economie onder Gamma en vormen creatieve vakken als muziek en tekenen het leergebied Delta. Regulier of Accent Beide stromen zijn Toutenhoofd even lief. “Er wordt mij vaak gevraagd of ik een voorkeur heb. Beide stromen hebben plussen en minnen. In de reguliere stroom geef ik alleen biologie, bij Bèta neem ik ook natuurkundige en scheikundige dingen mee. Ik vind het leuk om in beide werkzaam te zijn.” Kinderen die naar het Regius College willen, moeten een

knoop doorhakken: regulier of Accent. De keuze voor een bepaalde stroom hangt van het kind af, zegt Toutenhoofd. “In Accent draait het vooral om samenwerken, onderzoeken, presenteren en reflecteren. Dat moet je wel liggen. Als je opdrachten liever alleen maakt, past Accent misschien minder goed bij je. Vind je het prettig om projectmatig en in groepjes te werken, dan ligt Accent voor de hand.” Overigens is het niet zo dat kinderen in de reguliere stroom alles individueel doen; samenwerken neemt alleen een minder prominente rol in. De keuze voor regulier of Accent is best moeilijk, erkent Toutenhoofd. De brugklassers worden bijgepraat op de Open Dag en tijdens speciale voorlichtingsavonden, ze horen verhalen van andere kinderen en krijgen natuurlijk ook voorlichting op de basisschool. Slagingskans Dit schooljaar zijn op de Regius-locatie Wilhelminalaan

VO

- dag 2014

Andries Toutenhoofd

vier van de elf brugklassen Accent-klassen. Tot en met het derde jaar blijven zij in deze stroom, daarna komen beide stromen tezamen omdat er bij het centraal eindexamen nog wordt gewerkt met losse vakken. Voor de slagingskans maakt de keuze volgens Toutenhoofd niet uit. “Als er al significante verschillen zijn, dan is dat slechts bij een paar vakken en gaat het om een paar tienden van een punt. Soms scoren oudAccentleerlingen beter, soms oud-regulierleerlingen.”

PO VO

Digitaal onderwijs Leerlingen uit groep 7 en 8 werken in dezelfde ELO als Scholen aan Zee

‘ICT draagt bij aan soepele overgang VO’ In de vorige Kopkrant berichtten we over de ICT-samenwerking tussen basisschool De Rank en Scholen aan Zee (VO). De pilot krijgt steeds meer gestalte. Frank van der Vaart, ICT-coördinator van De Rank: “Dit project is geslaagd als het binnen het samenwerkingsverband heeft bijgedragen aan een doorgaande lijn van PO naar VO.” De voortekenen zijn positief. Leerkrachten van het PO (groep 7 en 8) en eerstejaars VO-docenten kwamen onlangs bijeen om de invulling van de ELO (elektronische leeromgeving) te bespreken. “Docenten van Scholen aan Zee zetten binnenkort hun content in ons systeem”, vertelt Van

der Vaart. “Specifiek gaat het om de vakken Nederlands, Engels, Wiskunde/Rekenen en ICT.” Planningstools Momenteel krijgen de leerlingen van De Rank een weekplanning van Scholen aan Zee in hun ELO-programma. “Een

veelgehoorde klacht van het VO is dat nieuwe leerlingen geen flauw idee van planning hebben”, zegt Van der Vaart. “Maar tijdens ons gesprek gaven de docenten Wiskunde en Engels ook andere problemen aan. Dat is alleen maar goed. Geef ons die handvaten maar, dan houden wij daar in ons aanbod rekening mee. Dat helpt alleen maar om de stap naar het VO te verkleinen.” Naast hem knikt Tim Toornstra, de directeur van De Rank. “Plannen is echt een bottleneck bij de overgang. Dat is ook niet vreemd. Kinderen zijn op de basisschool niet gewend om een paar weken vooruit te kijken. De planningstools die we nu vanuit het VO krijgen, vind ik een heel goed voorbeeld van onze ICT-samenwerking.”

- dag 2014 Samenwerking “De kinderen ervaren het werken met ELO als prettig”, vult Van der Vaart aan. “Sommigen hebben een broer of zus op het VO. Deze kinderen herkennen direct hun nieuwe, digitale leeromgeving. Daar moeten we natuurlijk naartoe.” Een jaar geleden stelde Toornstra dat de verschillen tussen PO en VO te nemen hobbels zijn. Die gedachte wordt gesterkt door de huidige ontwikkelingen. “De samenwerking tussen ons en Bart Buddingh, de ICT-projectleider vanuit het VO, verloopt ontzettend goed. Steeds weer krijgen we allemaal de bevestiging: dit wérkt. Kinderen van De Rank zijn straks beter voorbereid op het VO. Nu moeten we deze pilot uitrollen naar de andere scholen.”

Ontwikkelingen op ICT-gebied De samenwerking tussen De Rank en Scholen aan Zee trekt de aandacht van Wolters Noordhoff en Malmberg. Beide uitgeverijen willen ICT-licenties van het VO ook aan PO-scholen verstrekken. Daarnaast onderhoudt De Rank contact met The Rent Company, een bedrijf dat laptops aan (de ouders van) middelbare scholieren verhuurt. “Kinderen maken op de basisschool al werkstukken en geven presentaties”, vertelt Toornstra. “Dan hebben ze dus eigenlijk een laptop nodig, maar voor sommige ouders is dat een behoorlijke investering. Daarom zou het mooi zijn dat kinderen tijdens hun basisschooltijd een laptop kunnen huren. Voor de jaarwisseling krijgen we vier laptops van The Rent Company, zodat we kunnen onderzoeken of deze ideeën kans van slagen hebben.”


5

KopKrant, december 2014

Omgaan met verschillen Rekenen in het VO – Mavo aan Zee, Den Helder

‘Veel leerlingen zitten nog op basisschoolniveau”

VO

- dag 2014

REACTIES VANUIT HET PO

Bijna de helft van de VO-leerlingen scoorde de afgelopen jaren een onvoldoende op de rekentoets. Met de aangescherpte slaag-zakregeling is het van groot belang dat hun rekenniveau wordt bijgespijkerd. Dit vraagt om een goede afstemming tussen PO en VO. Semyon Grotewal, rekencoördinator en docent wiskunde van het Mavo aan Zee: “Het gaat met vallen en opstaan.” Blijkt uit de resultaten dat iemand moeite met verhoudingen heeft, dan biedt Got-it?! deze leerling extra stof aan op dat onderdeel.”

Marianne Schellinger - docente groep 8 Prinses Margrietschool....

Zuivere instaptoets De insteek van Got-it?! is dat leerlingen intrinsiek gemotiveerd raken om de rekenopdrachten te maken. “Maar dan moet iemand wel zien dat hij progressie boekt”, weet Grotewal. “Zien ze in Got-it?! dat ze maar niet vooruitgaan, dan werkt dat natuurlijk demotiverend.

Marianne Schellinger, docente groep 8 aan de Prinses Margrietschool “De POVO-dag opent de dialoog tussen het basisonderwijs en het primair onderwijs, zodat de kloof tussen de beide instellingen kan worden verkleind. PO en VO kunnen nu namelijk de verwachtingen naar elkaar uitspreken, waarvan de leerlingen uiteindelijk profiteren. Ik merk bij alle docenten een grote bereidheid om als een team samen te werken. Mensen zijn zich er gelukkig van bewust dat de aansluiting van PO naar VO veel beter kan. Dat laten de cijfers wel zien.”

Veel problemen worden opgelost door een zuivere instaptoets. Dan weten we zeker dat iemand op zijn niveau werkt. Het PO moet dus zorgen voor een goede doorverwijzing naar het VO, maar daarin kan nog veel worden verbeterd. Alleen daarom is het dus goed dat we ons contact intensiveren.”

Bram de Groot, docent groep 8 aan De Rank “Het PO móet weten waar het VO mee bezig is - en andersom. Het doel is natuurlijk om de overgang van primairnaar voortgezet onderwijs goed te laten verlopen. De POVO-dagen passen uitstekend in deze filosofie. Naast deze POVO-dag hebben we bij De Rank een bespreking gehad met het VO. Daarbij hebben we ze gevraagd: ‘Vertel ons wat jullie doelen zijn. Welke stof moet een kind uit groep 8 volgens jullie beheersen?’ Op deze manier kunnen wij daar als basisschool naartoe werken. Zodat we onze leerlingen goed voorbereiden op het VO.”

Mavo aan Zee - kinderen aan de slag met Got-it

De VMBO-school in Den Helder stapte vlak voor de zomervakantie over op Got-it?!, om het rekenniveau van de scholieren te verbeteren. “Got-it?! is een interactief rekenprogramma, waar het niveau van de leerlingen met een instaptoets wordt bepaald”, legt Grotewal uit. “Ze werden op vier domeinen (zie kader) getoetst. Per domein rekent Got-it?! in procenten uit wat de score is.” Grotewal opent het rekenprogramma. Op het schoolbord worden verschillende grafieken en cirkeldiagrammen geprojecteerd. “Dit zijn de scores van een willekeurige eerste klas”, wijst hij aan. “Het blijkt dat bijna elke leerling slechts 40 tot 50% van de lesstof beheerst. Een

groot deel van de leerlingen zit dus nog steeds op basisschoolniveau. Van de vijftig eerstejaars leerlingen die ik laat zien, is er slechts één klaar voor niveau 2F.” Achterstanden “Dat is een groot probleem, zeker gezien de nieuwe de slaag-zakregeling”, vervolgt Grotewal. “En let wel: 55% is een 5.5, voor een goed cijfer is een hogere score nodig. VMBO-docenten moeten dus in een relatief korte periode de achterstanden wegwerken en hun scholieren klaarstomen voor de rekentoets.” De wiskundedocent hoopt dat het rekenprogramma daarbij helpt. “Got-it?! geeft ons een goed inzicht welke stof een leerling wel of niet beheerst.

Got-it?! Rekenen

Rekentoets

Got-it?! Rekenen wil dat kinderen alle rekenvaardigheden beheersen. Centraal staat dat ze stof behandelen waarop ze nog geen voldoende scoren. Het programma valt uiteen in vier rekendomeinen: getallen, meten en meetkunde, verbanden en verhoudingen. Got-it?! sluit aan op de referentieniveaus van de commissie Meijerink en is geschikt voor basis- en voortgezet onderwijs.

De rekentoets is in principe voor alle vierdejaars leerlingen. Zij moeten deze toets voldoende afleggen voor hun mavodiploma. De huidige derdejaars leerlingen zitten in een overgangsjaar en mogen dit jaar de toets al maken. Halen zij een voldoende, dan hoeven zij de toets in hun examenjaar niet af te leggen. Bij een onvoldoende volgt een herkansing in mavo 4.

www.got-it.nl

‘VMBO-docenten moeten dus in een relatief korte periode de achterstanden wegwerken en hun scholieren klaarstomen voor de rekentoets’


6

KopKrant, december 2014

PO

Vrije keuze

- dag 2014

Kinderen verwerken informatie beter en leren samenwerken door Brein Fijn Leren

REACTIES VANUIT HET VO

‘Het activeren van voorkennis’ Het is een illusie dat alle dertig kinderen continu geconcentreerd zijn in de klas. Velen zitten met hun gedachten ergens anders, in de stand by-stand bijvoorbeeld, als iemand een vraag van de docent beantwoordt. Brein Fijn Leren zorgt dat kinderen actief participeren, zodat ze de informatie beter onthouden. VO-leerkrachten kregen een kijkje in de keuken van basisschool De Peppel. “Wij kunnen hier veel van leren.”

Cultuurschok Toch wordt de methode op weinig scholen gebruikt. “Wij dragen Brein Fijn Leren uit, maar zijn daarmee een uitzondering”, weet Smit. Hij erkent dat sommige scholen bang zijn voor een cultuurschok. “Onze docenten waren eerst ook sceptisch. ‘Hoe moet ik de kinderen hierbij betrekken? Kan ik dit wel?’ Maar hun twijfels verdwenen toen ze ermee gingen werken.” “We geven namelijk niet heel anders les, maar houden meer rekening met hoe een brein informatie verwerkt”, vervolgt Smit. “Brein Fijn Leren is voor een groot deel bewustwording. De methode legt de nadruk op twee aspecten: de samenwerking tussen leerlingen en het activeren van voorkennis. Zonder voorkennis verdwijnt informatie snel omdat het niet gekoppeld wordt aan bestaande kennis.”

Placemat Smit wijst naar de groep 5leerlingen, die kleine groepjes formeren. Op hun tafel ligt een placemat met vier vakken. Elke leerling moet in zijn vak zoveel mogelijk woorden schrijven die met een ‘F’ beginnen. “Oh ja, Frankrijk!”, klinkt het opeens in de klas. “Daar ben ik vorig jaar op vakantie geweest!” De interactieve manier van lesgeven loopt als een rode draad door de school. Kinderen mogen bewegen in de klas, bijvoorbeeld als leerlingen tijdens de rekenles, alle-

maal met een eigen breuk op een papiertje, wordt gevraagd een rij te formeren van kleine naar grote breuk. Daarnaast wordt overal in kleine groepjes samengewerkt. “Docenten hebben dus meer tijd voor leerlingen die problemen met de stof hebben”, besluit Smit. “Kinderen leren van elkaar, maar ook dat ze niet alleen voor hun eigen werk verantwoordelijk zijn. Die doorlopende leerlijn begint in groep 1 en duurt tot en met groep 8.”

Kernwaarden van Brein Fijn Leren • Klimaat: een veilige situatie stimuleert participatie. Voldoende zuurstof en beweging zijn daarin belangrijk. • Vaardigheden: samenwerking activeert meer hersengebieden. Daardoor wordt de geleerde informatie beter onthouden. • Betekenisvolle situaties: informatie beklijft beter als het aan emotie wordt gekoppeld. Koppel nieuwe informatie daarom altijd aan voorkennis en geef daarbij altijd het lesdoel aan. • Reflectie en directe feedback: weet wat je eigen leerstijl en drijfveren zijn en zoek naar die van de kinderen.

Petra Kuiper ‘Basisschool is zo bepalend’

“De basisschool is zo vreselijk bepalend voor een onderwijsloopbaan. Ik vind het geweldig hoe deze school Brein Fijn Leren in het lesprogramma Petra Kuiper integreert. Ik ben dan ook van docente Engels en plan om sommige onderdelen schoolopleider in mijn lessen te gebruiken. (RSG Wiringherlant) Dan denk ik aan het creëren van een goede mindset, als introductie van de leerstof. Met name de leerlingen in de Kader- en Basisroute hebben daar baat bij.”

Kinderen aan het werk met de werkvorm ‘placemat’

De Peppel uit Middenmeer werkt voor het vierde jaar met Brein Fijn Leren. “Die periode is te kort om te concluderen dat we slimmere kinderen aan het VO afleveren”, weet directeur Peter Smit. “Maar we zien wél dat de informatie beter beklijft en daardoor de toetsen steeds beter worden gemaakt.”

Roos Gruwel ‘Stimuleren van de hersenhelften’

“Wat mij het meeste opviel aan Brein Fijn Leren? De oefeningen! Het was ontzettend leuk hoe docenten de beide hersenhelften van kinderen Roos Gruwel stimuleerden. Dat sprak me docente Nederlands enorm aan. Mensen worden (RSG Wiringherlant) namelijk creatiever door hun linker- en rechter hersenhelft te gebruiken. Beide helften activeer je ook als je schrijft, hetzelfde geldt voor muziek en beweging. Daar is deze school zich van bewust. Ik wil het ook proberen in mijn lessen, maar of het werkt? Ik weet het niet. Het verschil tussen PO en VO is groot, maar juist daarom is het goed dat we meer samenwerken.”

Jos Hendriks Genieten van de samenwerking tussen de kinderen’ “Ik geniet vooral van de Jos Hendriks samenwerking tussen de docent Nederlands en kinderen. Je merkt dat ze sociale vaardigheidselkaar activeren en daarbij training door de docenten worden (RSG Wiringherlant) uitgedaagd. Ik zie regelmatig dat deze uitdaging in het VO ontbreekt. Daarom geloof ik absoluut in een doorgaande leerlijn, want het PO en VO kunnen veel van elkaar leren. Met deze interactieve werkwijze van Brein Fijn Leren worden alle kinderen gedwongen om actief te participeren in de lessen. En dat is waar het om gaat. Onderwijs is immers geen eenrichtingsverkeer.”


KopKrant, december 2014

PO/VO - directeurendiscussie Hollands Kroon

‘Altijd streven naar verbetering’

7

PO VO

- dag 2014

Wat haar uit de discussie met de directeuren van de Regio Hollands Kroon het meest is bijgebleven? Lydia van Deelen hoeft niet lang na te denken: “De enorme wens om met elkaar verder te gaan. Het was heel coöperatief, heel open. Prachtig.” “In de discussie stonden twee grote vragen centraal: hoe kunnen we de advisering vanuit het PO en de plaatsing in het VO in het belang van de leerling nog beter vormgeven? En hoe kunnen we een doorlopende leerlijn maken voor de kernvakken taal en rekenen? Ging de discussie op RSG Wiringherlant óver de leerlingen, kort daarvoor - tijdens de lunch - sprak Lydia van Deelen met de leerlingen zelf. In interviewvorm hoorde zij de kinderen uit over de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs. Spannend en stoer “Ze vinden die overstap heel leuk, maar ook heel spannend”, zegt Van Deelen. “Het spannende is vooral de omvang van alles; die wijkt erg af van de basisschool. Daar heb je een of twee leerkrachten die de hele dag met je optrekken, in het voortgezet onderwijs heb je te maken met zeven, acht docenten per dag, met een grote omgeving en met segmentatie van vakken. Maar de meeste leerlingen vinden dat eigenlijk wel fijn; er is meer reuring. Pubers vinden het best prettig in zo’n grote gemeenschap.

Directeurendiscussie

Op de middelbare school ben je kwetsbaarder, maar ze vinden het ook stoer.” Wel is het zaak dat elk kind na de basisschool op de juiste plek terecht komt. En er moet speciale aandacht zijn voor de getalenteerde leerling, zo bleek uit de discussie. “Die groep moet niet worden vergeten. Er is passend onderwijs voor kinderen die dreigen uit te vallen en die aandacht is heel belangrijk, maar de groep getalenteerden wordt te vaak vergeten. Velen worden niet uitgedaagd en gaan daardoor soms middelmatig of zelfs ver onder hun niveau presteren. In de vervolgstappen willen we speciale aandacht besteden aan de talenten.” Samenwerking intensiveren Volgens Van Deelen zien de directeuren PO en VO nog veel mogelijkheden om de samenwerking te intensiveren en om meer afspraken te maken, ook regionaal. Daarbij gaat het vooral om de advisering vanuit het primair onderwijs. Van Deelen: “Dat heeft alles te maken met het feit dat de eindtoets in het PO, de Cito-toets, op een laat tijdstip plaatsvindt. Het advies vanuit het PO op basis

Lydia van Deelen schuift aan bij een groepsdiscussie

van het leerlingvolgsysteem en de NIO-toets zijn bepalend voor plaatsing. Het VO kan dus niet de Cito-toets als objectieve maat meenemen. Dat brengt de urgentie om de samenwerking en de afstemming te intensiveren en heel goede afspraken te maken.” Het merendeel van de leerlingen komt op de juiste plek terecht. En dan nog heb je geen zekerheid of het kind de eindstreep haalt. “Leerlingen ontwikkelen zich in de puberteit redelijk onvoorspelbaar, terwijl de scholen worden geadviseerd als de kinderen 11 of 12 zijn”, zegt Van Deelen. “Het kan zo zijn dat een kind opeens het licht ziet en doorbreekt. Of andersom: dat ze zo afgeleid en ongeconcentreerd zijn dat ze afstromen. Men gaat nu onderzoeken of er trends zijn te ontdekken in de profielen van de leerlingen om nog beter te kunnen adviseren bij plaatsing.” Doorlopende leerlijnen Vrij vertaald: het gaat goed, maar het kan altijd beter. “In het hele land, bij alle POVOoverleggen is men bezig om de afstemming te intensiveren”, stelt Van Deelen. “Je moet altijd streven naar verbetering. Een van de oplossingen - en daar gaat dit samenwerkingsverband heel erg aan werken - is daadwerkelijk ook doorlopende leerlijnen te maken op zowel pedagogisch als didactisch vlak.”

“In Nederland is er een referentieniveau voor de kernvakken. Daarin staat wat een leerling op een bepaald moment moet kennen en kunnen. Dat geldt zowel voor de basisschool, het voortgezet onderwijs en eigenlijk ook voor de universiteit. Dat zorgt ervoor dat je goede afspraken kunt maken. Welk niveau hoort bij welk schooltype? Hoe je dat doet, daarin kun je als school je eigen koers varen. Bij het afspreken waar je uit moet komen en hoe je de overgangen vormgeeft, daar valt nog veel winst te behalen.” Positieve flow Volgens Van Deelen leeft bij iedereen ook de wil om die winst te pakken. “De discussie was een vervolg op wat er al is: een mooie samenwerking in deze regio. En ik zag een zeer positieve flow om hier mee door te gaan. Wiringherlant gaat met een aantal PO-scholen een vervolgtraject doen in het kader van het landelijke School aan Zet-programma. Daar ben ik project-

leider van. Het is een groot project waar POVO-verbanden in heel Nederland aan mee kunnen doen. We hebben ook afspraken gemaakt over wat we gaan doen en hoe we het gaan doen. En vervolgens werken we samen toe naar de landelijke conferentie die hierover wordt gehouden in september 2015.”

‘Daadwerkelijk ook doorlopende leerlijnen maken op zowel pedagogisch als didactisch vlak’

Op de website www.swvkopvannoordholland.nl vindt u linkjes naar alle foto’s en alle filmpjes die zijn gemaakt tijdens de POVO-dag 2014.


8

KopKrant, december 2014

PO VO

PO/VO - directeurendiscussie Schagen/Den Helder

- dag 2014

REGIO SCHAGEN

‘Ontmoeting tussen beide schooltypes levert al winst op’ Ferd van den Eerenbeemt, dagvoorzitter van de directeurendialoog in de Regio Schagen, zette de deelnemers vooraf al aan het werk. Iedereen moest een pitch van twee minuten voorbereiden met als kernvraag: Hoe zorgen we ervoor dat de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs zo goed mogelijk verloopt? Enkele kernpunten die uit de pitches naar voren kwamen: PO en VO moeten elkaar ontmoeten en leren kennen. Respecteer het oordeel van het primair onderwijs. Alle partijen moeten de leerling kennen; die is veel meer dan cijfers. Ook moet iedereen beseffen dat de overgang een grote schok is voor een leerling. Bijeenkomsten als de directeurendiscussie vormen een belangrijk stap bij het verbeteren van de overdracht. “Het is belangrijk dat mensen zien hoeveel er te winnen valt als ze elkaar leren kennen”, zegt Van den Eerenbeemt. “Een ontmoeting tussen beide schooltypes levert al winst op. Als je elkaar niet kent, vorm je toch een beeld van de ander. Soms is die positief, soms negatief. Zo’n ontmoeting creëert meer begrip. ‘Hé, wat doen ze daar eigenlijk op die basisschool?’ Sommige VO-scholen zeiden ook dat het basisonderwijs bepaalde zaken beter aanpakt.” Middelbare scholen krijgen hun leerlingen overal vandaan. Dat vraagt om betere

‘Er hing een heel positieve sfeer tijdens de discussie’

samenwerking, stelt Van den Eerenbeemt. “Ik heb begrepen dat het Regius College kinderen van tientallen verschillende basisscholen krijgt. Moeten alle docenten wiskunde, godsdienst en noem maar op al die basisscholen bezoeken? Dat is niet te organiseren. Dus moet je naar wegen zoeken om elkaar te ontmoeten, om meer voeling en begrip te krijgen.” De Regio Schagen zit volgens Van den Eerenbeemt nog in de verkenningsfase. “Kinderen worden al met meer informatie overgedragen, maar nog niet alle scholen zijn er goed op ingericht. In een uurtje praten zoals wij dat nu hebben gedaan, vind je nog geen oplossing. Belangrijker is het grote besef: wat is de kwestie? Hoe kunnen we elkaar beter informeren? Moet het PO of het VO pushend zijn? Moeten we niet meer vertrouwen hebben in het oordeel van de basisschool? In de afgelopen jaren is er al veel gebeurd. Niet het systeem is leidend, maar de leerling. Wie is die leerling? Het leerlingvolgsysteem was vroeger een dossier op papier. Nu is het elektronisch. Dat zijn allemaal stapjes.” “Er hing een heel positieve sfeer tijdens de discussie. Allemaal betrokken mensen die het beter willen doen, die beseffen dat het onderwijs echt aandacht nodig heeft. De onderwijssector heeft de meest betrokken en gepassioneerde mensen. Er is heel veel goede wil om stappen te maken.”

Directeurendiscussie

REGIO DEN HELDER

‘Structurele afspraken over doorlopende leerlijnen noodzakelijk’ De directeurendiscussie in de Regio Den Helder mondde uit in concrete actiepunten. Niet verwonderlijk, aldus dagvoorzitter Joost Tijssen. “Deze club is vorig jaar ook al bijeen geweest en was al een stukje verder in het maken van afspraken over onderwerpen die met doorlopende leerlijnen te maken hebben. In groepjes is per thema gebrainstormd over belangrijke thema’s: rekenen en taal, dyslexie, gepersonaliseerd leren, digitaal onderwijs, onderwijsconcepten in de praktijk, omgaan met verschillen. “Daar kwamen enorm veel actiepunten uit”, stelt Tijssen. “Helaas hadden we maar een uur de tijd. Daardoor werd het lastig om te bepalen: welke punten gaan we oppakken? We hebben nu het totale resultaat meegegeven aan de organisatie. Yvonne Kapiteijn-Baltus en Els Swagerman, directeur van basisschool De Verrekijker, gaan ermee aan de slag en koppelen het terug naar de schooldirecteuren. Ook wordt de afsprakenlijst van de POVO-dag 2013 opnieuw bekeken en meegenomen in een volgende directeurendiscussie. Het plan is om hier niet mee te wachten tot de volgende POVO-dag.

Als onafhankelijk dagvoorzitter (‘mijn mening doet er niet toe’) heeft Tijssen gemerkt dat het individuele kind centraal staat in de discussies. “Het gaat om de persoonlijke ontwikkeling. Hoe zorg je ervoor dat het individuele kind met de juiste adviezen en de juiste middelen op de juiste plek terechtkomt? Mijn indruk is dat alle directeuren echt aan de slag zijn met de overstap van het basisonderwijs naar de middelbare school. Vorig jaar hebben ze gezegd: dit wordt een extra punt op de agenda; na de tweede POVO-dag in deze regio is het een blijvend punt op de agenda.” Tijssen somt een paar concrete actiepunten op: ieder kind met ouders en docent op bezoek bij de nieuwe school, onderling contact tussen POen VO-docent om te kijken wat voor het kind het beste gedaan kan worden en hoe

verbeter je de digitalisering? Het is slechts een greep uit het totaal. “Het is hartstikke goed dat ze dit oppakken, dat ze zo’n POVO-dag organiseren. De overstap van de basisschool naar de middelbare school is best heftig. Dat het blijvend op de agenda komt, en dat scholen van elkaars kennis gebruikmaken, is alleen maar goed voor de leerlingen.”

‘Hoe zorg je ervoor dat het individuele kind met de juiste adviezen en de juiste middelen op de juiste plek terechtkomt?’


KopKrant, december 2014

PO/VO - directeurendiscussie Texel

‘Op het eiland zijn de lijnen kort, dat biedt enorme kansen’ Het gebruikelijke voorstelrondje bleef achterwege. Op Texel kent iedereen elkaar. Discussieleidster Ria Brandt was gevraagd de dialoog ‘aan te vliegen’ vanuit haar expertise: rekenen. Dat mondde na een vruchtbaar overleg uit in een concrete afspraak over… taalverzorging. Brandt verdeelde de aanwezigen in vier groepen. Telkens als zij een onderwerp had toegelicht (bijvoorbeeld inspectie, overdracht PO-VO, verschil in manier van werken), lieten de deelnemers er een sterkte-zwakteanalyse (SWOT) op los. Daarbij nam elke groep een onderdeel onder de loep: wat zijn de sterke kanten (Strengths), waar liggen de zwaktes (Weaknesses) en de kansen (Opportunities), en wat zijn de bedreigingen (Threats)? Als de groepen daarmee klaar waren, pakten ze een ander SWOT-punt bij de kop.

“Mensen konden daardoor lezen wat hun voorgangers als sterke kant of bedreiging zagen en vervolgens raakten ze daarover in gesprek. De discussie had enkele doelen: zorgen dat de deelnemers voldoende toegerust zijn om de volgende stap te zetten bij de implementatie van de doorlopende leerlijnen voor rekenen, dat ze zich bewust zijn van de kansen voor verbetering van de overdracht én dat ze enkele afspraken maken. Al die doelen zijn bereikt.”

De Stelling

Texel is als eiland een afgebakend gebied. Dat biedt volgens Ria Brandt mogelijkheden. “In Amsterdam hebben ze veertig, vijftig scholen waar leerlingen vandaan komen, op Texel maar negen. Als ze iets moeten regelen, kunnen ze dat met elkaar doen. Korte lijnen, want ze kennen elkaar. Ik heb laten zien hoe zaken worden aangepakt in het PO en ze daarover laten praten. Ik heb geprobeerd iedereen bewust te maken van de verschillen in aanpak, want dat zijn ook de verschillen die de leerlingen zullen meemaken.”

Brandt deed met ‘haar’ directeuren nog een opmerkelijke ontdekking bij de bestudering van de VO-resultaten. “Wat mij opviel was dat het niveau van de taalverzorging in de eerste klassen te mager was, zowel bij vmbo als havo/ VWO. Dat gaat dus over hoe het basisonderwijs de gemiddelde leerling aflevert. Vervolgens zagen we in de grafiekjes dat de taalverzorging in het voortgezet onderwijs aan de lage kant blééf. Daarna is

Adrie Lugtig-Ouweltjes (directeur Clusius College Schagen): “Ik ben het niet met deze stelling eens. Natuurlijk is ICT in het onderwijs fantastisch. ICT scheelt papier en biedt meer inzicht, door bijvoorbeeld filmpjes te laten zien. Bovendien maakt ICT leren op eigen niveau mogelijk. Kortom: adaptieve digitale leermiddelen, die vanuit de zone van de naaste ontwikkeling oefeningen aanbieden, zorgen absoluut voor een versnelling van het leerproces.

- dag 2014 gezegd: we moeten streven naar gemeenschappelijk taalbeleid, want daarbinnen is taalverzorging heel belangrijk. Dat is een supermooie afspraak. Daar is een eigenaar aan gekoppeld, net als bij de andere afspraken. De eigenaren gaan er verder mee aan de slag.”

eren over ‘ICT zorgt ervoor dat kind gen per week tien jaar nog maar twee da ol gaan’ naar scho

Er kleeft echter één grote ‘maar’ aan dit verhaal. Het bespreken van een onderwerp, uitwisselen van informatie en de reflectie door de docent geeft volgens mij nog steeds het hoogste leerrendement in een groep en dus op school. Daarnaast zijn de pauzes in de kantine een prima voorbereiding op de maatschappij. Ik denk niet dat er de komende tien jaar een app wordt ontwikkeld die deze interactie nabootst.

‘Nog geen app die interactie nabootst’

PO VO

‘We moeten streven naar gemeenschappelijk taalbeleid, want daarbinnen is taalverzorging heel belangrijk’

ICT speelt een steeds grotere rol in het onderwijs. Leerkrachten erkennen de meerwaarde van een digitale leeromgeving, die bijdraagt aan beter geschoolde leerlingen. Maar hoe groot wordt de invloed van ICT op de lange termijn?

Adrie Lugtig-Ouweltjes

9

Ten slotte moet de ICT probleemloos en gebruiksvriendelijk werken en aansluiten op de schoolpraktijk. Voor dát zover is, hebben de aanbieders van deze programma’s nog veel werk te doen.”

‘Samenleving als praktijklokaal van het onderwijs’ Chris van Meurs (voorzitter College van Bestuur Scholen aan Zee): “Welke definitie kennen we toe aan het begrip ‘school’? Daar begint het mee. ICT zorgt voor plaats- en tijdonafhankelijk onderwijs. Toch houden leerlingen altijd behoefte aan het opereren in (wisselende) sociale verbanden, die we overigens

niet persé binnen de muren van de school hoeven te organiseren. Laat staan volgens de huidige ordeningsprincipes. Volgens mij wordt de samenleving het praktijklokaal van het onderwijs. Hierin is de school als gebouw minder bezet dan nu het geval is. Ik verwacht echter dat de school toeneemt als concept, waar het creëren van leersituaties centraal staat. Die laatste school vinden we natuurlijk in het gebouw zelf, maar ook bij de vereniging, in de schouwburg of binnen een bedrijf. Door ICT worden die leerervaringen nóg rijker en gevarieerder. Wij kunnen die vorderingen van de leerlingen monitoren. In samenspraak met docenten en studieloopbaanbegeleiders worden deze ervaringen vervolgens gereflecteerd. Mogelijk wordt door ICT het schoolgebouw dus verkleind, maar als concept voor het organiseren van leerervaringen juist vergroot!”

Chris van Meurs


10

KopKrant, december 2014

‘Winst dat de middelen nu regionaal inzetbaar zijn’

PO VO

VO

‘Goed onderwijs is je eerste zorg’

Per 1 januari 2015 wordt de jeugdzorg overgeheveld naar de gemeenten. Andrew Albers erkent dat Transitie Jeugdzorg voor onduidelijkheid zorgt. De manager Onderwijsadvies van OBD Noordwest ziet echter vooral kansen. “Met de nieuwe jeugdzorg maken we op regionaal gebied goede afspraken.” Albers noemt de dyslexiezorg als voorbeeld. “De gemeenten in de kop van Noord-Holland ondertekenen contracten met de zorgaanbieders van dyslexie. Met de gemeente als financier enerzijds en het samenwerkingsverband als onderwijsinhoudelijke partner anderzijds werken we dus samen voor een doorgaande dyslexielijn van PO naar VO.”

‘Veranderingen zijn nu eenmaal altijd onderhevig aan kritiek’

Andrew Albers

Van alle kinderen heeft 3,5 procent permanente dyslexie. Albers: “Deze kinderen verdienen alle ondersteuning die nodig is. Denk aan vragen als: hoe geven we die? En als de kinderen uitbehandeld zijn, welke hulp krijgen ze dan op school? En welke ondersteuning is nodig als een kind de stap van basis- naar voortgezet onderwijs maakt? Hierbij speelt het samenwerkingsverband vanzelfsprekend een grote rol.” Gigantische onderneming “Het is pure winst dat de middelen niet meer via zorgverzekeraars lopen, maar regionaal inzetbaar zijn”, vervolgt Albers. “Natuurlijk is Transitie Jeugdzorg een gigantische onderneming. Het kost tijd om dat goed te organiseren. En ja, ook ik hoor de verhalen van de sceptici. Maar dat was bij de invoering van Passend Onderwijs niet anders. Daar spreekt tegenwoordig niemand meer over.” Veranderingen zijn nu eenmaal altijd onderhevig aan kritiek, wil Albers er maar mee zeggen. “Ik merk gelukkig bij de betrokkenen een grote bereidheid om er samen iets moois te maken. Zowel het samenwerkingsverband als de gemeenten zoeken veel toenadering tot elkaar. De zorgvragen zijn in onze regio straks zo effectief mogelijk georganiseerd.”

Het leerlingenaantal van De Spinaker Den Helder, een school voor speciaal onderwijs REC4, is de afgelopen vijf jaar van 27 toegenomen naar 90 leerlingen. Vorig jaar had de school een slagingspercentage van honderd procent. Directeur Carin van de Weteringh over de succesformule van De Spinaker. “Je realiseert goed gedrag door uitdagend onderwijs te bieden.” En ja, voegt Van de Weteringh eraan toe, goed gedrag is allesbehalve vanzelfsprekend, zeker op een school met leerlingen die gedragsproblemen in de breedste zin van het woord hebben. “Op De Spinaker zitten veel leerlingen met ADHD”, vertelt ze. “Maar we hebben ook kinderen met autisme, depressiviteit en persoonlijkheids- of opstandige problematiek.” Lange weg De Spinaker heeft een lange weg afgelegd. Van de Weteringh neemt ons vijf jaar terug in de tijd, toen zij als schooldirecteur begon. “Deze school was een veredeld buurthuis voor kinderen met gedragsproblemen. Het onderwijs werd als onvoldoende beoordeeld door de inspectie.” “De kinderen kregen de hele dag van dezelfde leraar les”, vervolgt Van de Weteringh, die een verleden heeft als zorgcoördinator. “Meestal was dat een PABO-docent of een hulpverlener met extra vaardigheden. Wilden de kinderen niet werken? Dan hoefde dat niet. Er stonden bijvoorbeeld spelcomputers in de klassen. Verder waren de groepen niet op onderwijsbehoefte, maar op stoornis gesorteerd.” Slagingspercentage Van de Weteringh regelde echter dat docenten slechts één vak gaven. “We moeten doen waar we goed in zijn”,

beargumenteert ze. “Het is niet realistisch dat we elk vak goed lesgeven. En dus kun je ook niet verwachten dat elk kind zijn of haar diploma haalt.” Een paar docenten verlieten De Spinaker. “Ik ging vervolgens nieuwe leerkrachten werven. Mensen die ik bijvoorbeeld kende van Scholen aan Zee. Daardoor konden we de leerlingen een steeds breder aanbod geven.”

Inmiddels staat De Spinaker al jaren niet meer op de lijst van zwakke scholen. “We kregen onlangs een nieuwe beoordeling. De Spinaker werd weer als ‘goed’ gekwalificeerd. Vorig jaar hadden we een slagingspercentage van honderd procent. Met de moeilijkste doelgroep die er is. Welke school doet dat ons na?”

Diploma’s bij De Spinaker

Fouten in bepalen IQ

De Spinaker werkt intensief samen met het ROC Horizon College in Heerhugowaard. “Daardoor kunnen onze leerlingen de school met een MBO 1-diploma verlaten. Het Mavo-diploma examineren we met staatsexamens”, zegt Van de Weteringh. “Verder proberen we om kinderen die bij ons in de eerste klassen instromen, terug te leiden naar het reguliere onderwijs. We hebben dus ook veel contact met Scholen aan Zee en het Regius College. Leerlingen die niet meer naar school willen, mogen alleen vertrekken als ze ergens een werkcontract voor minimaal twintig uur per week regelen.”

“De Spinaker krijgt veel kinderen die een beter basisschooladvies verdienen”, zegt Van de Weteringh. “Voor een goed advies met betrekking tot het IQ moet je namelijk zowel naar het verbale- als performale IQ kijken. We moeten dus beter op de deelscores letten, in plaats van een kind op basis van het puntentotaal een onderwijsplek toe te kennen. Helaas ben je in Nederland zo goed als je zwakste vak. Daardoor komen kinderen vaak op de verkeerde plaats terecht.”

Johan de Voogd


KopKrant, december 2014

‘Mag ik mijn tractor mee naar school?’

PO

VO

Nu zitten ze nog veilig in hun eigen lokaal bij meester Helmuth de Wit, maar over een krap jaartje ruilen ze hun vertrouwde schoolbanken in voor de gangen van ‘de Grote School’. Vandaag vertelt Eva Visser, docente Engels van het Clusius College de kinderen van groep 7/8 op de Ark in Schagen, hoe dat gaat.

11 PO

Pareltjes van Arrangeren

Hoe arrangementen ‘een gezicht’ kregen

‘Herkennen van mogelijkheden’ Jana zit in groep 4/5 en is een enthousiast, lief meisje. Ze is bovengemiddeld intelligent, maar haar leervorderingen blijven sterk achter. Bij Jana is namelijk ADHD geconstateerd. Ook is er een angststoornis vastgesteld. Hoewel ze van goede wil is, en ze zich op de leertaken wil richten, wordt Jana belemmerd door prikkelgevoeligheid en een hoge mate van impulsiviteit. Het gevolg: tijdens de instructie en het werken is ze bijna voortdurend afgeleid. Jana raakt op haar beurt gefrustreerd, omdat het haar niet lukt om te doen wat wordt gevraagd. Hierop reageert ze soms explosief, wat weer een negatief effect op haar aansluiting met andere kinderen heeft. De school ziet veel mogelijkheden met Jana, maar de leerkracht heeft wel behoefte aan extra zorg. De docent wil daarom meer tijd voor pre-teaching. Daarnaast concludeert de school, in samenwerking met de ambulante begeleider, dat Jana baat heeft bij een sova-training in een kleine groep. Om dit te realiseren wordt voor drie uren per week een assistent aangevraagd. Deze hulp wordt gecombineerd met vijftig uren ambulante begeleiding voor de sova-training en deskundigheidsbevordering.

Helmuth de Wit en Eva Visser voor groep 7/8

‘Het is natuurlijk heel spannend voor ze. Ik wil de kinderen het gevoel geven dat het allemaal niet zo eng is’

Er lijkt geen eind te komen aan de opgestoken vingers in de klas. Vragen als “Hoeveel konijnen zijn er op het Clusius?” en “Houdt u van vissen?” Opvallend veel vragen gaan over te laat komen en de consequenties daarvan. Maar ook willen de kinderen weten: “Welk beroep kunnen we kiezen?” en “Raak ik niet in de war, met al die verschillende leerkrachten en lokalen?” Want vooral dat lijkt de kinderen bezig te houden: al die vakken in al die lokalen, van al die verschillende leerkrachten. Er wordt dan ook de kritische vraag gesteld: “Is het niet makkelijker als we onze spullen gewoon in de klas kunnen laten liggen?” Maar het antwoord dat leerkrachten hun lokaal speciaal voor een vak inrichten en dus niet steeds kunnen verhuizen, kan op begrip rekenen. Nerveus Een leerling wil weten of ze het rooster ook kan uitprinten. Wanneer blijkt dat dit kan, maar niet handig is omdat het rooster wel eens kan veranderen, wordt de groep licht nerveus. Dat wordt ge-

lukkig goedgemaakt door het nieuws dat je ook zomaar ineens een uur vrij bent. Of dat je in plaats van naar Engels, een dagje naar Amsterdam gaat. Ook legt Visser uit dat ze allemaal een rondleiding krijgen. En een mentor voor als ze vragen hebben. Het vragenhalfuurtje van Visser stelt de kinderen gerust. “Het is natuurlijk heel spannend voor ze. Ik wil de kinderen het gevoel geven dat het allemaal niet zo eng is”, stelt Visser. En dan lijkt een vraag als “Mag ik op de tractor naar het Clusius?” misschien lachwekkend, maar door uit te leggen dat daarvoor de parkeergelegenheid ontbreekt, wordt het beeld van de Grote School toch een beetje realistischer.

‘Behoefte aan extra begeleiding’ Joris is bijna vier jaar. Hij start binnenkort op de basisschool. Zijn ouders maken zich zorgen of regulier basisonderwijs haalbaar is. Er is bij Joris namelijk sprake van een halfzijdige verlamming en incontinentie. Hij kan zich redden op het Kinderdagverblijf, maar dit kost hem veel energie. Hij raakt hierdoor snel vermoeid. Joris is erg gericht op andere kinderen, vrolijk en leergierig en beschikt over een gemiddelde intelligentie. De school denkt hem te kunnen opvangen. Maar omdat zij Joris nog niet goed kennen, hebben ze behoefte aan een sterk plan van aanpak. Daarom is Joris, voordat hij op school kwam, geobserveerd door een ambulant begeleider vanuit de mytylschool. Deze begeleider stelt met de school vast dat Joris bij de bewegingslessen, vrije situaties en verzorging behoefte heeft aan extra ondersteuning. Daarnaast moet de school meer kennis verkrijgen over hoe Joris met de motorische activiteiten kan worden geholpen. De school heeft vervolgens met succes een arrangement aangevraagd, waarin ondersteuning door een klassenassistent en een ambulant begeleider is opgenomen.


12

KopKrant, december 2014

‘Een kind mag er zijn, dát is onze boodschap’

VO

“Wij willen voor de leerlingen een vaste, veilige plek zijn waar ze altijd met hun vragen en problemen terechtkunnen”, vat Marja Zijp, begeleider van het Ondersteuningspunt (OSP) aan het Wiringherlant haar kerntaak samen. Met haar collega’s Danny Burger en Tanja van de Donk begeleidt ze leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte.

Danny Burger, Tanja van de Donk en Marja Zijp

Het is iets voor half 11 op het Wiringherlant, als een jongen van een jaar of veertien in de OSP-kamer neerploft op een felgroene zitzak. Zonder iets te zeggen, draait hij de dop van zijn pak drinken. Hij neemt een paar flinke slokken, terwijl hij voorzichtig een

‘De hulpvragen zijn heel divers’

blik werpt op de volle schoolgang, waar zijn lawaaierige klasgenoten passeren. “Mooi hè?”, glimlacht Marja Zijp even later, als zijn les weer is hervat. “Die jongen pakt hier elke dag zijn rustmoment. Hij voelt zich namelijk niet altijd prettig in een drukke ruimte. Daarom komt hij vaak even bij ons zitten. Na zijn time-out of pauzemoment vervolgt hij zijn schooldag weer.” Rugzakleerlingen Bij het OSP, dat bij het Wiringherlant Pluspunt wordt genoemd, komen onder andere de voormalige rugzakleerlingen. “De zorgvraag is heel divers”, stelt Marja Zijp. “We geven extra ondersteuning op het gebied van gedrag, maar begeleiden ook langdurig zieken, kinderen met een visuele handicap of scholieren met een diagnose. Anderen hebben moeite met plannen en organiseren, of raken van streek als hun les uitvalt. De hulpvragen zijn, kortom, ontzettend divers.” Ze vertelt over een leerling met Asperger. “Zijn klasge-

noten merken natuurlijk ook dat hij anders is. Mogelijk ontaardt dit in pesterijen, en dat moment wil ik voor zijn. Daarom heb ik onlangs met hem een presentatie gegeven over Asperger. Nu kent iedereen zijn verhaal. Dat zorgt voor begrip. Elk kind mag er namelijk zijn - dát is onze boodschap.” Intensief Volgens Marja Zijp is haar begeleiding met scholieren heel intensief. “Ik heb een leerlinge die al zeven jaar bij me komt. Ze begon hier op de HAVO en doet dit jaar haar vwo-examen. Haar ontwikkeling is prachtig om te zien: van een ADD-meisje in de brugklas die niet kon organiseren en daardoor snel in paniek raakte, tot de vwo-scholiere die zelf prachtige schema’s maakt om haar huiswerk te plannen.” “Dit is heel mooi en dankbaar werk”, besluit ze. “Wat ik het mooiste vind van de kinderen die wij begeleiden? Dat ze allemaal puur en echt zijn. De meesten kunnen niet anders.”

Inkopper Kop in de wind en gaan ervoor! Leraren van het PO en VO kijken bij elkaar om de doorgaande lijn te optimaliseren. Een boeiend en buitengewoon zinvol voornemen. En reken maar dat er opgekeken wordt van al die zelfstandigheid en differentiatie op de basisscholen en naar de actieve werkvormen in het VO. Dat is althans te hopen. Want wat mij betreft leidt de basisschool niet vooral op voor het VO. Met al zijn verschillende leerlingen en niveaus vormt de basisschool een minimaatschappij, al is het ‘ophokken’ van veel leerlingen in kleine ruimtes in dat kader een beetje onnatuurlijk. Ontwikkeling in de breedste zin van het woord is het echter wel. In het VO stopt dat uiteraard niet, maar van de ene op de andere dag gaan verschillende mensen over verschillende inhouden en ook nog eens op verschillende manieren. Dat komt nog dichter bij de echte wereld. Het is altijd even wennen, maar dat gaat meestal sneller dan menig ouder denkt. En wat zou het dan mooi zijn als je elk vak op je eigen niveau mag volgen, tot en met het eindexamen aan toe. Dat kan al in Amerika, in Engeland. Sinds kort is in Nederland echter een pilot, uiteraard op een VMBO-MAVO-HAVO-VWO-scholengemeenschap. Maar wat is het probleem? De inspectie weet niet goed welk diploma deze leerlingen straks moeten krijgen. Het is nu zaak om even ‘out of the box’ denken. Waarom zou het hier niet kunnen? Ooit had ik een leerling, Arthur. Briljant in rekenen en wiskunde, maar ontzettend dyslectisch. Het was in de tijd, dat nog maar één à twee leerlingen per klas dyslectisch waren en geen dertig procent, zoals tegenwoordig het geval is. Is het ons voedsel? Zit het in de lucht? Arthur kon met zijn beperking niet naar de MAVO, dus LBO werd zijn route. Stapelen behoorde toen nog tot de soepele mogelijkheden. Gelukkig was Arthur nogal praktisch en zeer handig, maar de echte intellectuele uitdaging ontbrak natuurlijk. Hij fietste vervolgens luchtig door de MTS, de HTS, studeerde af aan de TU Delft en promoveerde. Het werd een lange route, maar gelukkig was Arthur een geduldig type. Omdat de HTS en de TU kennelijk wel met zijn dyslexie uit de voeten konden, is dit uitzonderlijke talent niet verloren gegaan. Dat gun ik ook al die huidige talenten. Kom maar op met die diploma’s nieuwe stijl. Kop in de wind en gaan ervoor!

‘Kom maar op met die diploma’s nieuwe stijl’ Ruud Musman

Colofon KopKrant is een initiatief van Samenwerkingsverband Kop van Noord Holland Projectleiding: Andrew Albers Tekst, ontwerp en productie: Second Opinion, Leeuwarden Redactie: Jan Bot, Andrew Albers, Ruud Musman, Anneke Bouma-de Vries en Johan de Voogd Voor meer informatie over deze uitgave kunt u contact opnemen met: T (0229) 25 93 80 E info@swvkopvannoordholland.nl De KopKrant staat ook op de website: www.swvkopvannoordholland.nl Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opname of enige ander manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.