Kopkrant - editie april 2017

Page 1

PO VO

KopKrant

Marc Dullaert positief over samenwerking SWV Kop van Noord Holland

3

Spelen helpt jonge kinderen met een achterstand

6

Ondersteuning laaggeletterde ouders als prioriteit

april 2017

De snelste route van school naar wijkteam IKC Den Helder in de steigers Eerste introductiebijeenkomsten Kurzweil in de regio

‘Ieder kind is leerbaar’

10

Elk kind een passende onderwijsplek


2

KopKrant, april 2017

Kopstuk

Partners

PO

Stichting Flore Dhr. A. Groot Postbus 279 1700 AG Heerhugowaard www.stichtingflore.nl (072) 566 02 00

Gereformeerd Primair Onderwijs West-Nederland De heer H. Eilander ’s-Molenaarsweg 1 2401 LL Alphen a/d Rijn www.gpown.nl (0172) 41 88 30

a.groot@stichtingflore.nl

h.eilander@gpown.nl

Stichting Meerwerf De heer H. Uri Timorlaan 45a 1782 DK Den Helder www.meerwerf.nl (0223) 65 93 00

Stichting Schooltij De heer J. Deckers Postbus 61 1790 AB Den Burg www.schooltij.nl (0222) 31 65 16

Stichting SARKON De heer G.J. Veeter Postbus 6040 1780 KA Den Helder www.sarkon.nl (0223) 67 21 50

info@meerwerf.nl

info@schooltij.nl

gjveeter@sarkon.nl

Stichting SURPLUS Mevrouw J. Vosbergen Postbus 394 1740 AJ Schagen www.stichtingsurplus.nl (0224) 27 45 55

Stichting Kopwerk De heer J. Deckers Postbus 444 1780 AK Den Helder www.kopwerk.nl (085) 273 40 00

Stichting Comenius De heer Th. Gauw Postbus 6032 1780 KA Den Helder www.abscomenius.nl (0223) 61 38 64

J.vosbergen@stichtingsurplus.nl

info@kopwerk.nl

directie@abscomenius.nl

Passend onderwijs vandaag Periodiek verschijnen er evaluaties met betrekking tot de resultaten van passend onderwijs. Ik wil op deze plaats een aantal uitkomsten delen van het laatste evaluatieonderzoek door het Kohnstamm Instituut. De term passend onderwijs is goed ingeburgerd. De decentralisatie is een feit, nieuwe procedures zijn ontwikkeld en in praktijk gebracht en over de invulling wordt volop gediscussieerd. Een van de bedoelingen van de zorgplicht van schoolbesturen is dat ouders niet meer een ronde langs scholen hoeven te maken om een plek te vinden voor hun kind, als dat extra ondersteuning nodig heeft. Uit de evaluatie blijkt dat men nog niet weet in hoeveel gevallen dat nu goed gaat en of ouders inderdaad minder ‘van het kastje naar de muur’ worden gestuurd. Uit de evaluatie blijkt vervolgens dat het meest genoemde positieve gevolg van de invoering van passend onderwijs is dat de toewijzing van extra ondersteuning flexibeler is geworden en er meer hulp op maat mogelijk is. Er hoeft nu immers in het merendeel van de gevallen niet meer aangetoond te worden of een kind een beperking heeft om ondersteuning te kunnen regelen. De condities voor een meer passend aanbod zijn daarmee gecreëerd. Of dit ook betekent dat er in de praktijk daadwerkelijk betere/meer passende steun wordt geboden, kunnen we met de huidige gegevens nog niet zeggen.

Anne Hoekstra voorzitter samenwerkingsverband Kop van Noord Holland VO

Daarnaast zal er ook verder nagedacht moeten worden over de vraag wat criteria voor of kenmerken van ‘passende ondersteuning’ kunnen zijn. Een ander doel van de zorgplicht is er voor zorgen dat er geen kinderen meer zijn die thuiszitten. Ook de realisatie van dekkend aanbod moet hieraan bijdragen. Uit de eerste ronde gegevens blijkt dat niet in alle gevallen thuiszitten kan worden voorkomen. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat het onderwijs op sommige ondersteuningsbehoeften gewoon het antwoord niet heeft. Dit geldt bijvoorbeeld voor leerlingen bij wie eenop-een begeleiding nodig is; ook het speciaal onderwijs lijkt dat niet te kunnen bieden. Inmiddels is het thema ‘thuiszitten’ hoog op de agenda gezet van de samenwerkingsverbanden en komt daarmee ook prominent aan de orde in deze KopKrant. De invoering van passend onderwijs heeft dit probleem niet opgelost en zal dat ook de komende jaren niet doen waar er sprake blijft van knelpunten op het niveau van het onderwijssysteem. Deze knelpunten bestonden al vóór de invoering van passend onderwijs en verzuimd is deze essentiële hiaten in oude wet- en regelgeving aan te pakken. Anderzijds zijn er knelpunten die te maken hebben met de praktijk van de zorgplicht: hoe deze moet worden ingevuld door professionals en wat kinderen en ouders kunnen verwachten. Die knelpunten zullen voortbestaan zolang daar geen duidelijkheid over komt voor betrokkenen. De praktijk zal zich verder uitkristalliseren. Door de juiste randvoorwaarden te creëren kunnen de positieve ontwikkelingen van passend onderwijs doorgezet worden. De kinderen zijn immers onze toekomst en hun toekomst begint met passend onderwijs vandaag.

www.swvkopvannoordholland.nl

Partners

PO VO

Stichting Samenwerkingsschool regio Den Helder De heer T. Jong Postbus 6038 1780 KA Den Helder www.sodenhelder.nl (06) 15 31 25 82

Stichting Heliomare Onderwijs De heer S. Silvius Postbus 78 1940 AB Beverwijk www.heliomare.nl (088) 92 08 888

Stichting Aloysius De heer R. Prast Postbus 98 2215 ZH Voorhout www.aloysiusstichting.nl (0252) 43 40 00

MTonderwijs@heliomare.nl

sb.nh@aloysiusstichting.nl

Stichting Clusius College Mevouw A. Lugtig-Ouweltjes p/a Voltastraat 1 1817 DD Alkmaar www.clusius.nl (0224) 21 27 25

Stichting Regius College De heer A. Hoekstra Postbus 282 1740 AG Schagen www.regiuscollege.nl (0224) 29 78 41

Stichting Scholen aan Zee De heer R. de Voogd Sportlaan 38 1782 ND Den Helder www.scholenaanzee.nl (0223) 54 03 00

a.lugtig-ouweltjes@clusius.nl

directiesecretariaat@regiuscollege.nl

secretariaat@scholenaanzee.nl

Stichting Ronduit De heer J.M.M. Zijp Rubenslaan 2 1816 MB Alkmaar www.ronduitonderwijs.nl (071) 514 78 33

Stichting Texel Mevrouw F.C. Giskes Emmalaan 15 1791 GT Den Burg www.texel.nl (0222) 36 22 16

Stichting Openbaar VO NHN De heer R.A. Gase Arubastraat 4 1825 PV Alkmaar www.sovon.nu (0227) 51 38 30

bestuur@ronduitonderwijs.nl

bestuurlijkassistent@texel.nl

ragase@sovon.nu

speciaalonderwijs@live.nl

Partners

VO


KopKrant, april 2017

3

PO VO

Aanjager Thuiszitterspact Marc Dullaert bezoekt Den Helder

‘Samen naar nul thuiszitters’ Zijn G32-tour langs alle middelgrote steden heeft volgens Marc Dullaert maar één eindbestemming: dat in 2020 geen enkel kind meer langer dan 3 maanden thuiszit. Een flinke ambitie, maar zijn eerste stop in Den Helder heeft hem in ieder geval goede moed gegeven. ‘Natuurlijk moeten er nog stappen gemaakt worden, maar de basis voor een goede samenwerking tussen alle partijen is er in de Kop van Noord-Holland absoluut.’ Het bezoek van Marc Dullaert, aanjager van het Thuiszitterspact, vond plaats in het Wijkhuis in Den Helder en werd bijgewoond door een divers gezelschap van leerplichtambtenaren, zorgverleners, mensen van het samenwerkingsverband (CTO) en directeuren van PO en VO. Het ideale gezelschap om het onderwerp Thuiszitters mee te bespreken, vond Dullaert. ‘Wanneer je het hebt over kinderen die langere tijd niet naar school gaan, dan kun je onderwijs en zorg niet los van elkaar zien. Als daar geen klik tussen zit, krijg je die kinderen bijna niet naar school. Goede samenwerking is dus onmisbaar, maar helaas niet in alle regio’s vanzelfsprekend.’

Vergaderen op casusniveau Waar Dullaert ook blij van werd, waren de plannen om binnen de regio op casusniveau te gaan vergaderen. ‘Ik ben daar groot voorstander van. Wanneer je in complexe gevallen alle verantwoordelijken bij elkaar zet en sámen kijkt hoe je een kind weer zo snel mogelijk naar school krijgt, wordt een kind meer dan een dossier of een getal in de statistieken. Mensen zijn sneller geneigd hun verantwoordelijkheid te nemen wanneer ze dicht op een casus zitten.’ Want hoewel hij niet beweert dat mensen anders hun verantwoordelijkheid níet nemen, ziet hij vaak dat het afstemmen op afstand lastig is. Preventie Waar er volgens Dullaert nog slagen gemaakt kunnen worden, en veel aanwezigen sloten zich hierbij aan, is op het gebied van preventie. ‘Wanneer een kind langdurig thuis zit, ben je eigenlijk al te laat. Want alles begint met

het signaleren: het voorkomen aan de voorkant. En dat kan alleen wanneer je het verzuim én de achterliggende redenen goed vastlegt. Hier in de regio lijkt er op schoolniveau wel een redelijk beeld te zijn van het voorliggende traject, maar het wordt nog onvoldoende geregistreerd.’ Duidelijke doelstellingen ‘Daarnaast,’ vindt Dullaert, ‘moet iedere regio, ook de Kop van Noord-Holland, duidelijke doelstellingen durven te stellen. Landelijk is ons streven om in 2020 geen enkel kind meer langer dan 3 maanden thuis te hebben zitten. De regio’s moeten dat nu zelf gaan invullen met eigen, tussentijdse doelen. Met welk percentage moet in de Kop van Noord-Holland het aantal thuiszitters eind dit jaar verminderd zijn? In welke stappen wordt het aantal vrijstellingen afgebouwd? Als de samenwerking op orde is, is het tijd ambitieuze doelstellingen vast te leggen zodat iedereen weet waar we naar toe gaan.’

‘Want alles begint met het signaleren: het voorkomen aan de voorkant’


4

KopKrant, april 2017

PO VO

’ s r e t t i z ‘Thuis

‘Het is in het belang van het kind dat wij ze sneller als leerbaar beschouwen’

Samen kijken naar wat een kind aankan

Waarom zitten kinderen thuis?

Vanuit de zorg was onder meer GZ-psychologe Miriam Roemer aanwezig op de bijeenkomst met Marc Dullaert. ‘Als zorgverlener vind ik het belangrijk om hier bij te zijn. Wij zoeken dan vooral aansluiting bij het speciaal onderwijs, waar relatief veel kinderen met leermoeilijkheden zitten. Het is goed om zoveel mogelijk kennis uit te wisselen en sámen te kijken naar wat een kind aankan. Wat dat betreft zouden onderwijs, gemeente en zorg nóg beter met elkaar kunnen afstemmen en samenwerken.’

Weten waaróm kinderen thuis zitten, is een eerste stap in het terugdringen van langdurig verzuim. Uit onderzoek van Ingrado blijkt dat er meestal niet sprake is van één, maar van meerdere problemen. Door het verzuim goed te registreren en de redenen te achterhalen, kunnen al in een vroeg stadium de betrokken instanties bij elkaar worden gebracht. Risicoleerlingen kunnen zo sneller en beter begeleid worden, wat de kans op verzuim verlaagd. De meest voorkomende oorzaken van thuiszitten zijn: • Psychiatrische problemen: (vermoedens van) angsten, fobieën, psychische problematiek, psychiatrische stoornis

Risicomoment: van PO naar VO Cruciaal in het terugdringen van het aantal thuiszitters, is de overgang van PO naar VO. Door de verandering in structuur en toezicht blijken sommige kinderen de aansluiting te verliezen. Ook als er op het PO nog geen sprake van zichtbare problematiek was. Elders in deze KopKrant spreken 2 directeuren zich dan ook uit voor

meer aandacht voor het speciaal onderwijs bij de plaatsing van leerlingen. Soms kan (een tussenjaar op) het speciaal onderwijs kinderen meer houvast bieden. Om te voorkomen dat kinderen uitvallen door een “verkeerde” plaatsing na het PO, zijn een compleet groeidocument en een warme overdracht essentieel.

• Gedragsproblemen: problematisch gedrag naar anderen • Wachten op opvang: de opnemende instelling is niet in staat direct actie te ondernemen • Bureaucratie: regels en procedures, waarbij geen rekening gehouden wordt met de problematiek van de jongere • Thuisproblematiek: ontbreken van structuur, onvoldoende houvast, onrust, gebroken gezin, ouders met psychiatrische stoornis


KopKrant, april 2017

5

PO VO

Thuiszitterspact Marc Dullaert is aanjager van het Thuiszitterspact. In dit pact leggen OCW, VWS, VenJ, de PO-Raad, de VO-raad en de VNG maatregelen vast die het aantal thuiszitters moet terugdringen naar nul in 2020. 1. G emeenten en samenwerkingsverbanden moeten bepalen wie de doorzettingsmacht heeft wanneer een kind niet geplaatst dreigt te worden. 2. G emeenten en samenwerkingsverbanden worden opgeroepen samen een stappenplan op te stellen om thuiszitters tegen te gaan. Dit plan moet onder meer gebaseerd zijn op preventie, samenwerking met de zorg en maatwerk voor kinderen. 3. G emeenten en samenwerkingsverbanden moeten samen het aantal vrijstellingen van de leerplicht terugdringen. 4. O uders, en indien mogelijk de kinderen, moeten meer en beter worden betrokken bij het vinden van een passende onderwijsplek.

Aantal vrijstellingen omlaag

Doorzettingsmacht belegd

Het aantal vrijstellingen móet volgens Marc Dullaert de komende periode omlaag. Wanneer leerplichtige kinderen om bepaalde redenen echt niet naar school kunnen, kunnen zij een vrijstelling krijgen. Het gaat dan meestal om kinderen met ernstige lichamelijke of psychische beperkingen. ‘Bij ernstige gevallen sta ik achter een vrijstelling, maar ik denk dat in het verleden vrijstellingen te lichtvaardig zijn afgegeven. De beoordeling moet beter én vrijstellingen uit het verleden moeten worden herzien’, is de duidelijke overtuiging van Dullaert. ‘Het is in het belang van het kind dat wij ze sneller als leerbaar beschouwen.’

Om te voorkomen dat moeilijk plaatsbare kinderen tussen wal en schip vallen omdat niemand de eindverantwoordelijkheid voor hun plaatsing heeft, is in het Thuiszitterspact de doorzettingsmacht in het leven geroepen. Dit houdt in dat regio’s moeten vastleggen wie de knoop doorhakt wanneer een kind niet geplaatst dreigt te worden.

Een belangrijke stap in het terugdringen van het aantal vrijstellingen is de toetsing door de Commissie Toelating Onderwijsvoorziening. Iedere aanvraag voor een vrijstelling moet met het CTO worden overlegd. ‘Daarmee wordt de toewijzing maatwerk en wordt er beter gekeken of een kind niet tóch te plaatsen is’, denkt Dullaert. Landelijk zijn er op het moment ongeveer 5.500 vrijstellingen afgegeven op grond van artikel 5 onder A van de Leerplichtwet. Dat is een groei ten opzichte van vorig jaar. In onze regio ligt het aantal vrijstellingen rond de 30.

In de regio Kop van Noord-Holland ligt de doorzettingsmacht voor het PO bij de coördinator van het samenwerkingsverband en de voorzitter van de Commissie Toelating Onderwijsvoorziening. Tot nu toe hebben zij hun bevoegdheid nog niet hoeven te gebruiken, en dat zien ze als een goed teken. ‘Doel is natuurlijk om in goed overleg met alle betrokkenen de juiste plek voor een kind te vinden. Je wilt liever niet dat het nodig is een pressiemiddel als de doorzettingsmacht te gebruiken.’ Ook Marc Dullaert ziet de doorzettingsmacht als een laatste redmiddel. ‘Het is goed dat deze verantwoordelijkheid is belegd, maar ik hoop dat in de toekomst zal blijken dat hij weinig gebruikt wordt.’

‘Doel is natuurlijk om in goed overleg met alle betrokkenen de juiste plek voor een kind te vinden’


6

KopKrant, april 2017

PO

De speelotheek: spelenderwijs naar passend onderwijs

Goed speelgoed is, zeker in de lagere groepen, onmisbaar. Want al spelend ontwikkelen kinderen zich. Maar wil je voor ieder kind speelgoed aanschaffen dat bij zijn of haar leeftijd, niveau én interesse past, dan is de klas al snel te klein. Met behulp van de speelotheek kan het wel. De leukste manier van passend onderwijs. Els de Jong is een van de vele vrijwilligers van speelotheek het Stokpaardje in Julianadorp. Ondanks de goede contacten met diverse scholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, merkt zij dat de bekendheid van de speelotheek nog te wensen overlaat. ‘Dat is jammer,’ vindt de Jong, ‘want wij kunnen vooral bij passend onderwijs echt een uitkomst zijn.’ Jonge kinderen met een achterstand Als voorbeeld geeft de Jong de groep Jonge kinderen met een achterstand. ‘Wij hebben 10 themakisten die we, samen met een aantal pedagogisch medewerkers en onderbouwleerkrachten, samengesteld hebben om achterstanden bij jonge kinderen te signaleren. Thema’s zijn bijvoorbeeld “Ziek zijn”, “Reuzen en kabouters”

of “Knuffels”. Bij iedere kist zit een handleiding voor de leerkracht die vertelt hoe ze het speelgoed kunnen inzetten. Natuurlijk kunnen wij ook hierbij nog extra adviseren.’ De themakisten zijn geschikt voor kinderen tot 6 jaar en bevatten vooral themagericht speelgoed. Door het speelgoed in de themakisten te gebruiken, kan een eventuele achterstand al in de vroegschoolse opvang worden gesignaleerd. Daarnaast heeft de speelotheek ook taal- en denkspellen waarmee kinderen thuis spelenderwijs kunnen oefenen. Hoogbegaafde kinderen De afgelopen tijd heeft het Stokpaardje veel tijd en energie gestoken in het ontwikkelen van de themakisten voor jonge kinderen met een achterstand. ‘Maar voor de komende tijd staat dan weer

een project op stapel voor hoogbegaafde kinderen’, vertelt de Jong. ‘Zo hebben we voor ieder kind een goed en passend aanbod, maar in het bijzonder voor díe groepen kinderen die wat extra’s nodig hebben.’

Samenwerking Op het moment werkt het Stokpaardje veel samen met onderwijsinstellingen in en rond Den Helder. ‘Maar scholen uit de hele regio zijn bij ons welkom’, benadrukt de Jong. ‘Ze kunnen langs-

komen, of wij komen naar de school toe. Samen kijken we hoe we passend onderwijs letterlijk al spelenderwijs verder kunnen vormgeven.’

Wat is de speelotheek? De speelotheek leent hoogwaardig speelgoed uit aan opvoeders, scholen, peuterspeelzalen en kinderdagverblijven. Leners kunnen uit het bestaande assortiment kiezen, maar ze kunnen ook specifiek speelgoed aanvragen. Daarnaast adviseren de medewerkers van de speelotheek leners wanneer zij vragen hebben over de ontwikkeling van een kind en over hoe het gebruik van speelgoed daar aan bijdraagt. Els de Jong: ‘Scholen zijn vaak verrast over de hoeveelheid materiaal die wij aanbieden. Zelf speelgoed aanschaffen is duur. Bij ons kunnen scholen tegen lage kosten hun spelaanbod compleet maken en steeds weer vernieuwen. Bovendien kun je het iedere keer weer aanpassen aan de behoeften van de kinderen.’ Op scholen geeft de speelotheek gratis speelochtenden. De medewerkers van de speelotheek zoeken passend speelgoed uit en komen een ochtend lang spelen in de klas. Wil een school materiaal lenen, dan wordt een kleine bijdrage gevraagd. Meer informatie over de speelotheek: www.speelotheekstokpaardje.nl


KopKrant, april 2017

7

VO

‘Speciaal onderwijs is soms de beste start’

De drempel om leerlingen vanuit het basisonderwijs naar speciaal voortgezet onderwijs te laten doorstromen is, vooral voor ouders, vaak groot. Zeker wanneer het schooladvies boven het mavoniveau ligt. Toch zouden we ons bij het plaatsen van leerlingen minder moeten laten leiden door het IQ en meer door de totale leerbehoeften van een kind. ‘Soms past de structuur en de manier van werken van het regulier onderwijs gewoon niet bij een kind. Een start op het speciaal onderwijs, met eventueel een latere doorstroom naar regulier, werkt dan veel beter dan andersom’, vinden Sharon de Vries, Marianne Pot en Carin van de Weteringh. Van de Weteringh is directeur van de Spinaker, een openbare school voor voortgezet speciaal onderwijs in Den Helder. Pot is directeur van Lyceum aan Zee en de Vries is OSP-begeleider op datzelfde lyceum. Dat zij elkaar goed kennen, helpt bij een betere begeleiding van kinderen die tussen het regulier en speciaal onderwijs in ‘hangen’. We praten met hen vooral over de leerlingen die door gedragsproblemen uitvallen in het regulier onderwijs. Volgens de Vries zijn dat vaak kinderen die op de basisschool al moeite hadden met bijvoorbeeld hun sociale vaardigheden, maar die toch naar regulier onderwijs zijn doorgestroomd. ‘Het kunnen echter ook kinderen zijn die pas op het regulier onderwijs problemen ontwikkelen óf die plotseling gaan onderpresteren. De stap naar het voortgezet onderwijs is groot’, weten zij en haar twee gesprekspartners. ‘De structuur is anders, er zijn meer leerkrachten, ze moeten gaan plannen, er is minder toezicht in de vrije ruimte. Ongeacht het IQ; wanneer een kind niet genoeg zelfredzaam is, is het regulier onderwijs echt pittig.’

Samenwerking Om kinderen die vroeg in hun VO-carrière al problemen ontwikkelen goed te begeleiden, is samenwerking de belangrijkste sleutel. Als directeur van het lyceum weet Pot dat je als school niet altijd genoeg kunt doen. ‘Natuurlijk hebben wij onze ondersteuningstrajecten. Maar met leerlingen die bij ons niet op hun plek zitten, moet je meerdere kanten op kunnen.’ Daarom is Pot zo blij met de medewerkers van het Ondersteuningspunt die op de school aanwezig zijn. ‘Als onafhankelijk deskundigen kijken zij naar wat een kind nodig heeft. Op basis van een groeidocument bepalen ze samen met de leerling, ouders en de mentor wat de beste weg is voor het kind. Het groeidocument geeft precies aan wat het kind nodig

steuningscoördinatoren uit de regio. Door middel van overleg en het opzetten van pilots zoeken zij naar mogelijkheden om de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs te versterken.

heeft. Aan de hand daarvan kunnen we kijken of wij daar als school wel of niet op aan kunnen sluiten. Zo niet, dan moet de weg openstaan naar het speciaal onderwijs.’ Daar komt dan ook de samenwerking met van de Weteringh om de hoek kijken. De Vries: ‘Om de beste weg te bepalen, moeten álle deuren openstaan en de contacten goed zijn. Mocht speciaal onderwijs de beste keuze zijn, dan is een goede, warme overdracht essentieel.’

Daarvoor wordt onder meer gekeken hoe de doorstroom vanuit de basisschool beter kan. ‘Ouders hebben toch vaak een voorkeur voor regulier onderwijs. Dat heeft voor een groot deel met beeldvorming te maken’, weet van de Weteringh. ‘Ze hebben het idee dat hier alleen kinderen met een leerachterstand komen. Dat is niet zo. Wij zijn er voor kinderen die niet gedijen in de grootschalige, zelfstandige opzet van het regulier onderwijs. Door de kleine klassen kunnen wij meer aandacht geven, sommige kinderen hebben dat echt nodig.’

Werkgroep ‘Op weg naar havo’ Maar de overdracht is niet de enige reden waarom de drie dames hecht contact hebben. Zij zitten alle drie in de werkgroep ‘Op weg naar havo’. Deze werkgroep bestaat uit schooldirecteuren en onder-

‘Om leerlingen vanuit de basisschool een goede plek te geven, spelen de IB-ers een doorslaggevende rol. Die spreken de ouders en kunnen een spilfunctie vervullen bij het bepalen van de juiste plek voor het kind. Bovendien coördineren zij de overdracht.

‘Om de beste weg te bepalen, moeten álle deuren openstaan en de contacten goed zijn’

Vlnr. Carin van de Weteringh, Marianne Pot en Sharon de Vries

Dat die goed verloopt, is voor íeder kind belangrijk om soepel door te stromen.’ Opstromen motiveert In de werkgroep wordt ook besproken hoe we in de regio om kunnen gaan met leerlingen voor wie speciaal onderwijs een uitkomst zou zijn, maar die meer aankunnen dan mavo. ‘In Haarlem en Purmerend is er speciaal onderwijs op havoniveau’, weet van de Weteringh. ‘Maar bij ons is dat nog niet haalbaar vanwege het kleine aantal leerlingen dat daarvoor in aanmerking komt.’ In de wandelgangen wordt daarom wel gesproken over symbiosetrajecten waarbij leerlingen op het speciaal onderwijs deeltrajecten op het regulier onderwijs volgen. ‘Het zou voor ouders de stap naar speciaal onderwijs wellicht makkelijker maken als ze weten dat er extra mogelijkheden zijn. Idealiter zou een leerling bijvoorbeeld starten op het speciaal onderwijs om van daaruit te kijken wat er nog meer mogelijk is.’ Want over één ding zijn van de Weteringh, Pot en de Vries het eens: opstromen motiveert, afstromen demotiveert.


8

KopKrant, april 2017

PO

Overleg scholengroep Anna Paulowna en wijkteam Hollands Kroon

De beste route is de snelste weg

Iedereen lijkt het er over eens dat een hechte samenwerking tussen scholen en de wijkteams in de regio ten goede komt van het Passend Onderwijs. Om dat handen en voeten te geven, nodigde de scholengroep Anna Paulowna het wijkteam Hollands Kroon uit tijdens de scholengroepbijeenkomst half maart. De wil om samen te werken is er zonder enige twijfel. Scholen krijgen graag ondersteuning van het wijkteam. Zij hebben hun eigen zorgtrajecten, maar sluiten zich graag aan bij de bredere ondersteuning in complexe gevallen. Wijkteams op hun beurt, worden graag ingelicht door de scholen en hebben hun medewerking nodig bij een goede begeleiding van kinderen. Struikelblok in de praktijk blijkt vaak: waar vinden we elkaar, wat is de route en wie doet wat? Een half uurtje bij elkaar zitten bleek in Anna Paulowna al veel helderheid te scheppen. Schoolmaatschappelijk werk Al snel bleek dat op de scholen onduidelijkheid bestaat over de rol van schoolmaatschappelijk werk ten opzichte van het wijkteam. ‘Onze contacten met schoolmaatschappelijk werk zijn goed en de lijnen zijn kort. Het is onze gewoonte om daar met

‘Al snel bleek dat op de scholen onduidelijkheid bestaat over de rol van schoolmaatschappelijk werk ten opzichte van het wijkteam’

vragen heen te gaan. Maar klopt dat, of moeten we in bepaalde situaties direct contact opnemen met het wijkteam?’ werd gevraagd. Op de wedervraag van Ewout Heuvelman, coördinator van wijkteam Jeugd, ‘wat zou de school graag willen?’ was het heldere antwoord: ‘de snelste weg!’ De flexibiliteit van het wijkteam bleek binnen scholen toch voor onzekerheid te zorgen, waarna voor 1 route werd gekozen: die via schoolmaatschappelijk werk. Heuvelman:’De scholen en wij hebben allebei korte lijnen met schoolmaatschappelijk werk. Redelijk eenvoudige problemen kunnen vaak in maximaal vijf gesprekken worden opgelost door schoolmaatschappelijk werk. Mocht er meer nodig zijn, dan weten zij ons heel makkelijk te vinden. En als scholen ons toch direct willen benaderen; wij hebben dagelijks spreekuur van 9 tot 11.’

Overige vragen aan het wijkteam: Wanneer en waarover wordt een wijkteam ingeschakeld? ‘Dat is heel breed’, vertelde Suzanne Kuys, medewerker van het wijkteam Jeugd. ‘Wij hebben vier wijkteams waarin onder meer psychologen, jeugdwerkers en coaches zitten. Zo kunnen we zelf heel veel ondersteuning bieden, maar waar nodig schakelen we extra expertise in.

Over het algemeen gaat het wijkteam aan de slag als er sprake is van complexe zorg waarbij meerdere disciplines betrokken zijn.’ Wanneer doen we een beroep op een wijkteam, wanneer op een andere zorginstantie zoals GGD? Heuvelman: ‘In principe kun je altijd een beroep doen op het wijkteam. Als er zorginstanties zoals GGD betrokken moeten worden, dan zorgen wij daarvoor.’ Hoe werkt een wijkteam? Heuvelman: ‘Op het moment zijn wij nog volop in ontwikkeling. Voorheen werkten we intensief samen met Schagen maar dat zijn we aan het ontvlechten en daarbij wordt ook de toegangsfunctie herzien. De lijnen moeten nog korter worden. Het spreekuur draagt daar aan bij. Dat is nu van 9 tot 11, maar die tijden breiden we binnenkort uit zodat we nog toegankelijker worden.’ Kuys vult aan: ‘Nadat een casus bij ons is ingebracht, ligt de regie bij ons. Wij kijken wat wij zelf kunnen doen en waar we expertise bij moeten halen. Met wie en hoe we de begeleiding precies vormgeven, is altijd maatwerk.’

Kunnen de leden van wijkteams ook aansluiten bij een OT op een basisschool? Kuys: ‘Ja, zeker. Heel graag zelfs! Hoe eerder we betrokken zijn hoe beter. Alleen met toestemming van de ouders natuurlijk.’ Waar belemmeren privacywetten het doorpakken in gericht handelen? Heuvelman: ‘Natuurlijk zijn wij voorstander van zoveel mogelijk delen, maar wij nemen altijd de privacywetgeving in acht. Dat betekent soms dat informatie inderdaad niet gedeeld kan worden, met bijvoorbeeld een school, zonder toestemming van de ouders. Dat is soms lastig bij de terugkoppeling, maar we kunnen er helaas niet omheen.’


KopKrant, april 2017

‘Teken je gesprek’ maakt kinderen eigenaar van hun gedrag

9

PO

Door een gesprek op papier te visualiseren, geef je kinderen houvast en overzicht. Dit helpt ze zélf naar oplossingen te zoeken. Dat is kernachtig het idee achter de methode ‘Teken je gesprek’. Bianca Leeuwerke van Gedragspunt en de Aloysiusstichting gaf tijdens het overleg van scholengroep Anna Paulowna een korte maar inspirerende presentatie van deze methode. ‘Zorg dat je Teken je gesprek binnen je school haalt’, was haar heldere advies.

Teken je gesprek is een aansprekende techniek om kinderen vanaf 7 jaar op weg te helpen hun eigen moeilijkheden helder te krijgen. Leeuwerke begeleidde als gedragsspecialist al veel kinderen met behulp van deze techniek en ze weet uit ervaring dat hij goed werkt. ‘Het visualiseren helpt kinderen belemmerende gedachten om te zetten in positieve, helpende gedachten. Ze krijgen een beter eigen beeld en dat leidt vanzelf tot gedragsverandering.’

‘Het visualiseren helpt kinderen belemmerende gedachten om te zetten in positieve, helpende gedachten’

Nieuw gedrag aanleren De methode klinkt eenvoudig: samen met het kind schrijf je op wat volgens het kind goed gaat en wat minder goed gaat. Het eerste doe je met een groene stift, het tweede met een rode. Met pijlen, gedachtewolkjes en andere symbolen geef je bijvoorbeeld verbanden, oorzaak en gevolg aan. Resultaat is een document waarin een kind zichzelf weerspiegeld ziet. Bijvoorbeeld in een gebeurtenisketting die aangeeft: wat gebeurde er, wat zei je, wat dacht je, wat voelde je, wat en waar zou je het anders doen? Door daar acties aan te verbinden, geeft het kind zélf de eerste aanzet tot nieuw gedrag en krijgt het een tweede kans. Begeleiding De crux van Teken je gesprek zit hem in de basishouding van de begeleider. ‘Als begeleider moet je verhelderen, maar zo min mogelijk sturen’, weet Leeuwerke. ‘Het is belangrijk het kind de ruimte te geven, zijn of haar eigen woorden te gebruiken en nooit een oordeel te geven.

Stilte mag, sterker nog; het geeft een kind de gelegenheid over zichzelf na te denken. En, heel belangrijk: neem alles serieus en ga uit van de positieve intentie van het kind. Wanneer een kind zich erkent en gehoord voelt, staat het meer open voor verandering.’

In huis halen Leeuwerke pleit ervoor binnen iedere school minstens één of twee mensen de training Teken je gesprek te laten volgen. ‘Haal de methode in huis, het helpt je echt verder. Als er bijvoorbeeld iets op het plein gebeurt, dan heb je als school een tool in handen om de gebeurtenis op de juiste manier na te bespreken.’

Leeuwerke geeft in de regio trainingen en workshops en is persoonlijk opgeleid door Adinda de Vreede, die Teken je gesprek ontwikkelde. De Vreede schreef twee boeken: ‘Teken je gesprek - over gedrag’ en ‘Teken je gesprek - over faalangst’. Ook ontwikkelde ze cursussen en workshops waarin diverse bruikbare sjablonen aan bod komen.

Doe je het goed, dan helpt de techniek kinderen met het ontwikkelen van: • de eigen verantwoordelijkheid • oplossingsgerichtheid • bewustwording van het eigen gedrag • inzicht en begrip in gedrag • sociale en emotionele vaardigheden • reflecteren • empathisch vermogen

Meer informatie over Teken je gesprek is te vinden op www.tekenjegesprek.nl of via een e-mail naar bianca.tekenjegesprek@ outlook.com

Bianca Leeuwerke


10

KopKrant, april 2017

PO VO

Laaggeletterdheid bij ouders

Een taalachterstand van huis uit?

In Nederland tellen we maar liefst 2,5 miljoen laaggeletterden. Mensen die moeite hebben met het invullen van formulieren, het lezen van folders en het omgaan met computers. Maar ook met het voorlezen aan hun kind, het helpen met huiswerk en het lezen van belangrijke informatie van de school. Als scholen willen dat ouders hun kinderen helpen bij hun ontwikkeling, zou de ondersteuning van laaggeletterde ouders een belangrijke prioriteit moeten zijn.

hun eigen geletterdheid verbeteren. Maak de oplossing vervolgens laagdrempelig. Sommige ouders staan open voor een ROC training, maar andere gaan liever eerst naar bijvoorbeeld een inloopuur bij de bibliotheek of een adviesgesprek bij een Taalhuis.’ Structurele aanpak Scholen en leerkrachten kunnen met bovenstaande eenvoudige tips al aan de slag met laaggeletterdheid bij ouders, maar Paauwe en Sabel zijn voorstanders van een meer structurele aanpak bij scholen.

We weten allemaal hoe belangrijk voorlezen is voor kinderen. En dat het taalgebruik thuis, de taalontwikkeling van kinderen voor een groot deel bepaalt. Wanneer een ouder laaggeletterd is, kan dat betekenen dat het kind thuis onvoldoende wordt gestimuleerd in de taalontwikkeling. Diane Paauwe, opleidingsmanager bij het ROC Kop van Noord-Holland, denkt dat er op scholen nog niet genoeg structurele aandacht is voor deze groep. ‘Wij verzorgen veel opleidingen voor laaggeletterden. Zij komen vaak via de gemeente bij ons, maar ik denk dat scholen ook een belangrijke ‘vindplek’ zouden kunnen zijn. Scholen staan dicht bij de ouders. Bovendien is hun belang groot, zeker wanneer de laaggeletterdheid van een ouder invloed heeft op de taalontwikkeling van het kind.’ Signalen Hoe kom je er als leerkracht nu achter of een ouder laaggeletterd is? Er is een aantal signalen waaraan je kunt zien dat iemand misschien moeite

heeft met taal. Bijvoorbeeld als iemand: • moeite heeft met het formuleren van vragen, het duiden van klachten en het stellen van prioriteiten • vragen heeft over informatie die al eerder is uitgereikt • een uitgereikte folder niet bekijkt en zijn ogen niet over de tekst beweegt • afspraken niet noteert • regelmatig te laat komt of niet komt opdagen voor een afspraak Doorpakken Wie denkt dat laaggeletterdheid vooral onder allochtonen voorkomt, heeft het mis. Tweederde van de laaggeletterden is autochtoon. Zij zijn niet dyslectisch, maar hebben onvoldoende onderwijs gehad en/of hoeven in hun dagelijkse werk niet of nauwelijks te lezen of te schrijven. Hun niveau ligt onder het eindniveau vmbo of niveau mbo2/3. Paauwe: ‘Wanneer een school te maken heeft met een kind met een taalachterstand, is het belangrijk te

kijken of er bij de ouders ook een taalachterstand is. Het bespreekbaar maken tijdens bijvoorbeeld een 10-minutengesprek kan een goede eerste stap zijn.’ Aanspreken Eén van de grootste drempels voor leerkrachten is echter het aanspreken van de ouder. Vooral autochtone ouders schamen zich voor hun gebrekkige taalkennis en het kan lastig zijn ze daarmee te confronteren. Maria Sabel, projectleider Taal voor het Leven van Stichting Lezen en Schrijven, raadt dan bijvoorbeeld aan de digitale vaardigheden als ingang te nemen. ‘Mensen zijn makkelijker aan te spreken op hun problemen bij het gebruik van digitale middelen, vanuit daar kun je het onderwerp op lezen en schrijven brengen. Ook is het belangrijk het onderwerp te normaliseren. Vertel dat ze niet de enige zijn, dat er 2,5 miljoen mensen met hetzelfde probleem worstelen. En laat zien dat ze hun kind beter kunnen helpen wanneer ze

Paauwe: ‘Leerkrachten hebben natuurlijk al hun aandacht bij de leerlingen, ze vragen zich misschien af hoe ze ook nog tijd moeten maken voor de ouders. Maar juist als je de kinderen met een achterstand goed wil begeleiden, en dus Passend Onderwijs handen en voeten wil geven, is de ouderbetrokkenheid enorm belangrijk.’ Sabel vult aan: ‘Soms is de geletterdheid van de ouders de basis van het probleem bij een kind. Door je op de ouders te richten, kun je problemen sneller oplossen of zelfs voorkomen.’ Trajecten Stichting Lezen en Schrijven verzorgt uiteenlopende maatwerktrajecten voor scholen,

Meer over het aanbod van het ROC: www.rockopnh.nl. Contact: Diane Paauwe, e-mail: educatie@rockopnh.nl T: (0223) 61 12 00

Diana Paauw

zoals de training ‘Herkennen en doorverwijzen’ voor leerkrachten of een traject ‘Taal en ouderbetrokkenheid’ voor ouders. Ook bouwt de stichting samen met partners aan Taalhuizen in de regio. Scholen kunnen ouders doorverwijzen naar een Taalhuis, maar Sabel vertelt dat ook een taalspreekuur op school tot de mogelijkheden behoort. ‘Dat verlaagt de drempel voor de ouders enorm’, weet zij.

‘Wie denkt dat laaggeletterdheid vooral onder allochtonen voorkomt, heeft het mis’

Meer over de mogelijkheden van Stichting Lezen en Schrijven: www.lezenenschrijven.nl. Contact: Maria Sabel, e-mail: maria@lezenenschrijven.nl T: (06) 10 27 77 00

Maria Sabel


KopKrant, april 2017

11

PO

Uitrol Kurzweil van start

Brede regionale ondersteuning voor leerlingen met ernstige enkelvoudige dyslexie Na de positieve ervaringen op Texel met Sprint, een softwareprogramma voor kinderen met ernstige enkelvoudige dyslexie, besloot het samenwerkingsverband begin dit jaar ruim 400 Kurzweillicenties aan te schaffen en het programma uit te rollen over de hele regio. Kurzweil is net als Sprint software die scholen ondersteunt bij het onderwijs aan kinderen met dyslexie. Eind maart vonden de eerste introductie-bijeenkomsten plaats.

Hoewel scholen niet verplicht zijn met Kurzweil te werken, rekent het samenwerkingsverband op een brede interesse. Op Texel werken alle basisscholen én de middelbare school met hetzelfde dyslexieprogramma en daar is de ervaring dat de kracht ervan júist in de doorgaande lijn ligt. Kurzweil vergroot de zelfstandigheid en het eigenaarschap van de leerlingen en dat effect wordt versterkt wanneer op de basisschool én het voortgezet onderwijs met één dyslexieprogramma werken. ‘Wij hebben voor Kurzweil gekozen omdat dat het grootste programma met de meeste mogelijkheden is.’ vertelt Nel Kant van de stuurgroep die de implementatie begeleidt. Digitale boeken Kurzweil geeft kinderen met ernstige dyslexie de mogelijkheid om in de klas en thuis zelfstandiger te werken. Het omvat onder meer een voorleesfunctie, een woordenboek, tools die het schrijven en studeren ondersteunen en een groot aantal digitale boeken. ‘Vooral wat betreft die digitale boeken biedt Kurzweil veel voordelen’, vertelt Kant. ‘Bij Kurzweil is dat aantal groter dan bij andere programma’s. Bovendien weten we dat Kurzweil voortdurend doorontwikkeld wordt en dus de mogelijkheden en de beschikbare content alleen maar zullen groeien.’

Kant en Ramakers riepen dan ook op om vragen en verzoeken in te dienen via het e-mailadres kurzweil@swvkopvannoordholland.nl. Daar kunnen scholen ook terecht voor vragen over het werken met Kurzweil. Een uitgebreide handleiding van Kurzweil is te vinden op de website van het samenwerkingsverband www.swvkopvannoordholland.nl.

Introductie Om scholen te informeren over de mogelijkheden van Kurzweil organiseert het samenwerkingsverband een aantal introductiebijeenkomsten. Tijdens de eerste, op 21 maart in de prachtige Openbare Bibliotheek in Den Helder, was de opkomst groot. Kant vertelde de toegestroomde directeuren en IB-ers meer over de organisatie en implementatie rond Kurzweil. Suzan Ramakers van Lexima gaf een demonstratie van de mogelijkheden van het programma. Later dit jaar volgen er ook trainingen voor de scholen die met Kurzweil gaan werken. Stevige basis Hoewel niet alle scholen al bekend zijn met wat Kurzweil te bieden heeft, zijn ze blij met de aangeboden licenties. IB-er Rinka Schuijt van basisschool de Vlieberg: ‘Wij hebben er zeker behoefte aan dyslectische kinderen extra ondersteuning te bieden. Je wilt ze een stevige basis meegeven voor het VO. Dat kan alleen als ze op het PO goed mee kunnen komen en dat op het VO ook vast kunnen houden. Ik denk dat Kurzweil daar aan kan bijdragen zonder dat het teveel van de leerkracht vergt.’ Vragen en verzoeken Tijdens de introductiebijeenkomst bleken er nog wel wat vragen te zijn over de precieze inzet van Kurzweil: voor welke kinderen gebruik je het, zijn er genoeg licenties, vanaf wanneer is Kurzweil ook op een Chromeboek te gebruiken? Kant en Ramakers wisten de meeste vragen naar tevredenheid te beantwoorden. Zo is Kurzweil primair bedoeld voor kinderen vanaf groep 6 met EED. Daar zijn 406 licenties voor aangeschaft en Lexima, de uitgever van Kurzweil, is bezig het programma ook op de Chromeboek beschikbaar te maken. ‘Maar de omlijning van Kurzweil ligt nog niet muurvast’, benadrukt Kant. ‘Als blijkt dat de doelgroep breder moet of het aantal licenties omhoog, dan gaan we daar naar kijken.’

Nel Kant (l) en Suzan Ramakers (r)

‘Kurzweil geeft kinderen met ernstige dyslexie de mogelijkheid om in de klas en thuis zelfstandiger te werken’


12

KopKrant, april 2017

IKC’s in de kop van Noord-Holland

Integrale Kindcentra (IKC) zijn in opkomst in Nederland. In een IKC kunnen kinderen vanaf de peuterleeftijd tot en met 13 jaar terecht voor kinderopvang, speciaal en regulier onderwijs en zorg. In Den Helder wordt hard gewerkt aan de uitbreiding van het IKC, dat in de steigers staat. Op drie plekken in de Kop van Noord-Holland worden Integrale Kindcentra (IKC) gerealiseerd: in Schagen, Texel en Den Helder. Ton Jong is portefeuillehouder Dekkend Onderwijs en werkt bij de stichting Samenwerkingsschool Den Helder. Jong: ‘In een IKC is er veel meer verbinding tussen het regulier onderwijs en het speci-

‘Alle kinderen moeten in de omgeving waar ze wonen voor hen geschikt onderwijs kunnen volgen’

aal onderwijs. In het meest ideale geval komt een leerling binnen door één deur en in het gebouw daarachter kan hij alles krijgen wat aan zijn leer- en zorgbehoefte voldoet. In Den Helder werken op dit moment de Aloysiusstichting, Stichting Samenwerkingsschool en Parlan Jeugdhulp samen in een IKC aan de Annie Romein Verschoorlaan. Ze kijken samen naar wat een kind nodig heeft. Ze stemmen het onderwijs op elkaar af, waardoor elke leerling een pakket op maat krijgt waarmee hij of zij zich optimaal kan ontwikkelen.’ Het IKC in Den Helder heeft nu nog een bescheiden vorm. In augustus 2017 moet dit uitgebreid zijn met meer leerlingen en meer ruimte. Jong: ‘Vanuit het samenwerkingsverband is de opdracht geformuleerd om dit te realiseren. Er is een projectplan geschreven en de komende tijd gaan we afstemmen met de verschillende belanghebbenden.’

PO

Inkopper Koppen bij elkaar

Voor elk wat wils Niet alleen kinderen met gedragsproblemen, maar ook kinderen met een lichamelijke beperking volgen in het IKC zoveel mogelijk regulier onderwijs. Dat wordt aangevuld met speciaal onderwijs waar nodig. Zo wordt het steeds gewoner om naar een speciale school te gaan. ‘Terecht,’ zegt Jong, ‘want je wilt kinderen niet ergens wegstoppen. De visie achter het IKC sluit aan bij het passend onderwijs: alle kinderen moeten in de omgeving waar ze wonen voor hen geschikt onderwijs kunnen volgen. In een IKC is voor elk wat wils. Het ene kind leert beter lezen in een bepaalde klas, een ander kan zich uitleven in theaterlessen. Het IKC in Den Helder viert samen Sinterklaas en er kan samen worden gesport. Er is veel minder onderscheid tussen speciaal en regulier onderwijs. De kinderen horen er allemaal bij.’

Terwijl partijleiders waarschijnlijk langdurig de koppen bij elkaar steken om na een prettig oplopend begrotingsoverschot een regering te vormen die ongetwijfeld in onderwijs gaat investeren, loopt het lerarentekort gestaag op. De salarissen zullen beslist gaan stijgen om het beroep aantrekkelijker te maken. Dat is terecht, maar te laat om het oplopende tekort op te heffen en het zal maar een minimaal effect hebben. Voor het geld is nog nooit iemand het onderwijs ingegaan. Dat brengt me op een tropisch voorbeeld dat illustreert waar het uiteindelijk om gaat. Sinds een jaar of negen mag ik een rol spelen bij de onderwijstrajecten die Teachers4teachers in Kenia organiseert. Kansrijke trajecten waarin besturen en leraren uit heel Nederland investeren. Niet door geld, maar door leraren te sturen en kennis te delen. Elk van die negen jaren begon met een stakingsactie van een maand voor meer salaris, waaraan leraren op eigen kosten deelnamen. En al die jaren veranderde er niets aan het salaris. Tot dit jaar. Per juli gaan leraren er tussen de 40 en 60% op vooruit. Het lerarentekort wordt er niet mee opgelost en vertrouwen dat ze daardoor wel betere lessen zullen gaan geven, is er blijkbaar niet, want er is direct een beoordelingssysteem aan toegevoegd. Eind februari gingen zo’n 35 leraren uit PO en VO, waaronder veel uit de Kop van Noord-Holland, naar het achterland van Mombasa om daar in tweetallen workshops te geven aan Keniaanse seniorleraren. Omdat subsidie voor onderwijsprojecten onder het laatste kabinet is afgeschaft (geen economisch belang), droegen besturen en deelnemers zelf het nodige bij aan deze reis. Het leek Teacher4teachers een goed idee om aan te sluiten op een element uit het beoordelingssysteem, namelijk Interactief Leren uit de pijler Creativiteit en Innovatie. Na twee zaterdagen voorbereiding in gemengde samenstelling, waarbij PO- en VO-leraren al heel veel van elkaar opstaken, troffen de deelnemers in Kenia ontroerende taferelen aan van blije kinderen en bevlogen leraren. Het was spannend. Ze kenden elkaar nauwelijks, de omgeving en de omstandigheden niet, wie er zouden komen was onbekend en deze mensen kenden elkaar evenmin. Bovendien moest in de workshop vooral vanuit de visie meet-connect-learn gewerkt worden, waarin uitwisseling dus centraal stond. Wat hebben leraren dan veel gemeen. Het wederzijdse enthousiasme groeide met de dag. Veel koppen werden elke avond bij elkaar gestoken en na tien dagen was er sprake van volledige integratie PO-VO. Een onuitwisbare ervaring. Goed voor Kenia’s én ons onderwijs (educatief belang). Over geld is het niet gegaan. Ruud Musman

Colofon KopKrant is een initiatief van Samenwerkingsverband Kop van Noord Holland Projectleiding: Andrew Albers Tekst, ontwerp en productie: Second Opinion, Leeuwarden Redactie: Jan Bot, Andrew Albers en Anneke Bouma-de Vries Voor meer informatie over deze uitgave kunt u contact opnemen met: T (0229) 25 93 80 E secretariaat@swvkopvannoordholland.nl De KopKrant staat ook op de website: www.swvkopvannoordholland.nl Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opname of enige ander manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.