Page 1

Historisch Tijdschrift Overijssel

Droom en daad. De eerste vrouwen in de Deventer gemeenteraad En verder: De Overijsselse roots van Henkjan Smits • Romantische landschaps­ parken rondom Zwolle • Indianenzomer in Overijssel • Weerman Jan Pelleboer

JAARGANG 7 • NUMMER 4 • OKTOBER 2019

4


COLOFON Redactie Dinand Webbink (HCO), Susanne de Jong (Athenaeumbibliotheek Deventer), Marcel Mentink (Rijnbrink), Martin van der Linde (IJsselacademie)

Jaargang 7, nummer 4, oktober 2019

van de redactie Historisch Tijdschrift Overijssel

Correspondenten Erna Lammers, Willemieke Ottens, Els van der Laan-Meijer, Harrie Scholtmeijer en Ewout van der Horst (IJsselacademie), Siem van Eeten, Door Schokkenbroek (HCO), Girbe Buist Redactieadres info@mijnstadmijndorp.nl Vormgeving Frank de Wit Partners Historisch Centrum Overijssel IJsselacademie Rijnbrink Athenaeumbibliotheek Deventer

Tussen droom en daad … … staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Iedereen kent deze strofe van de grote schrijver Willem Elsschot. Iets minder bekend is het vervolg: … en ook weemoedigheid die niemand kan verklaren.

Historisch Tijdschrift Overijssel

Droom en daad. De eerste vrouwen in de Deventer gemeenteraad En verder: De Overijsselse roots van Henkjan Smits • Romantische landschaps­ parken rondom Zwolle • Indianenzomer in Overijssel • Weerman Jan Pelleboer

JAARGANG 7 • NUMMER 4 • OKTOBER 2019

4

Die weemoedigheid overviel mij bij het lezen van het artikel van Erna Lammers over de strijd die moedige vrouwen als Aletta Jacobs, Antjse Timmerman en Titia Goedhuis voerden voor het recht om te kiezen en gekozen te worden. Een strijd voor gelijkheid die vandaag de dag nog steeds gestreden wordt. Bij anderen zal wellicht frustratie of woede overheersen. Enige weemoedigheid past ook wel bij het verhaal over ‘konijn’ Lodewijk Napoleon en zijn aandoenlijke pogingen om verbeteringen aan te brengen in het land dat door zijn broer genadeloos werd uitgezogen. Maar er is veel meer. Girbe Buist vertelt over mysterieuze graancirkels, Susanne de Jong belicht het Nationaal Tinnen Figuren Museum, Marcel Mentink weet precies waar Henkjan Smits zijn wieg had staan, Ewout van der Horst neemt ons mee naar dorstige boerderijbouwers, terwijl Willemieke Ottens en Els van der Laan-Meijer de romantische dichter Rhijnvis Feith laten rondwandelen in zijn landschapspark van Boschwijk. Wellicht kunt u dit fraais nog in uw tuinstoel lezen, want de laatste jaren hebben we fraaie ‘krönnenzommers’. Mocht u dat begrip niet kennen: Harrie Scholtmeijer legt het uit. Dinand Webbink, hoofdredacteur


inhoud

4 Droom en daad. De eerste vrouwen in de Deventer gemeenteraad

8 Romantische landschapsparken rondom Zwolle

17 Een dorstig klusje. Boerderijbouw anno 1618

STREEKTAAL IN OVERIJSSEL 10

Indianenzomer in Overijssel

OVERIJSSEL IN BOEKEN 11

 elke boeken zijn er over W Overijssel verschenen

GEWORTELD IN OVERIJSSEL 13

 e Overijsselse roots van D Henkjan Smits

21 De reis van Lodewijk Napoleon door Oost-Nederland

OVERIJSSELSE TOPSTUKKEN 18

 ationaal Tinnen Figuren N Museum

OVERIJSSELAARS VAN TOEN 22

Jan Pelleboer

GESCHIEDENIS VAN ALLEDAG 24

Graancirkels in Overijssel


4

DOOR ERNA LAMMERS

Droom en daad,

de eerste vrouwen in de Deventer gemeenteraad Het is 2 september 1919, twee uur in de middag. De bode van het Deventer stadhuis opent de deuren van de raadzaal om • xxxxx de nieuwe gemeenteraad naar binnen te laten. In mei werden ze gekozen, vandaag beginnen ze echt. Voor negen raadsleden

is de raadszaal bekend terrein, maar voor twaalf leden is alles nieuw. Onder hen bevinden zich twee vrouwen: de socialiste Antsje Timmerman-Lenstra en de feministe dr. Titia Cornelia Goedhuis-van der Ploeg. Geen enkele vrouw ging hun voor.

→


OKTOBER 2019

5

I

n 1883 jaar meldt dr. Aletta Jacobs zich bij het gemeentebestuur van Amsterdam. Zij voldoet aan alle eisen die wettelijk vastlagen om te mogen stemmen; ze betaalt als zelfstandige arts genoeg belasting, dus waarom staat haar naam niet op de lijst van stemgerechtigden? Tot aan de Hoge Raad vecht ze het uit. Naar de letter van de wet heeft u gelijk, krijgt ze te horen. Nergens staat dat vrouwen niet mogen stemmen. Maar naar de geest niet. Het wordt zo onbestaanbaar geacht dat een vrouw dat zou willen, dat het niet benoemd is in de wet. Jacobs laat het er niet bij zitten. Net zomin als een groeiende groep burgervrouwen, die hun lege leven zat zijn, waarin hun vaders, broers en echtgenoten de dienst uitmaken. Zij willen zelf studeren. Een maatschappelijke rol spelen. Hun hersens gebruiken, in plaats van de tijd doorbrengen met handwerken op de canapé, met een soiree als hoogtepunt. Met hun opvattingen botsen de feministes op de heersende moraal: de belangrijkste taak van de vrouw ligt bij haar gezin, die haar zachte en zorgzame kwaliteiten zo nodig heeft. Gaat een vrouw studeren, dan ontwikkelt ze andere prioriteiten en zal ze haar inschikkelijkheid naar man en kinderen kunnen verliezen.

Titia van der Ploeg, feministe

Hoe sterk moet iemand in zichzelf geloven om hier tegenin te kunnen gaan? Titia van der Ploeg is zo’n meisje. Zij groeit op in Amsterdam. Haar vader geeft wiskunde op de HBS, hoogstwaarschijnlijk dezelfde HBS als waar Van der Ploeg in 1896 haar diploma haalt. Vervolgens schrijft ze zich in als studente medicijnen aan de universiteit van Amsterdam. In 1900 studeert zij af in de theoretische geneeskunde en mag ze zich als een van de weinige vrouwen arts noemen. Als ze al tegengewerkt wordt, dan trekt Van der Ploeg zich daar niets van aan. Ze doet waarin ze gelooft en ze gelooft in zichzelf. In 1902 trouwt ze met Johannes Goedhuis. Hij is ook arts. Sinds een half jaar werkt hij als chirurg bij het Elisabeths Gasthuis in Deventer en zo komt Titia Goedhuis-van der Ploeg in Deventer te wonen. → Deventer gemeenteraad, circa 1921. Antsje Timmerman zit uiterst rechts, Titia Goedhuis is iets verderop te vinden. De derde vrouw is de echtgenote van burgemeester Humalda van Eysinga. (J.J. Thuring, Fotobureaux Amsterdam)


6

Groepsfoto tijdens de zomervergadering van de VvVK op 15 juli 1914 in Deventer. In het midden voor (staand): Aletta Jacobs. Aan tafel met hoed op de heer H.P. Marchant, kamerlid voor Deventer en in 1919 indiener van het wetsvoorstel voor de invoering van algemeen kiesrecht. (collectie Atria, Amsterdam)

Titia Goedhuis-van der Ploeg 1877-1973. (collectie fam. Goedhuis)

DROOM EN DAAD, DE EERSTE VROUWEN IN DE DEVENTER GEMEENTERAAD

VvVK Deventer

Op dat moment heeft de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht nog geen afdeling in Deventer. Maar zodra dat in 1906 wel het geval is, neemt Goedhuis-van der Ploeg plaats in het bestuur. Het is niet de eerste openbare functie die zij bekleedt. In 1904 maakt ze zich druk om de grote groep arme arbeiderskinderen, waarvan de vaders na de grote staking in 1903 geen werk meer konden krijgen. Haar naam staat bovenaan in een actiecomité. Als in navolging van Den Haag en andere steden ook Deventer in 1910 een consultatiebureau voor zuigelingen krijgt is ze bij de oprichting daarvan betrokken en zal ze voorzitter blijven zolang ze in Deventer woont. Ze wil dus duidelijk zelf wat betekenen en bijdragen. Als de strijd om het vrouwenkiesrecht in haar eindfase komt, sluit ze zich aan bij de liberale Economische Bond. Eind 1917 is het zover: alle volwassen mannen mogen stemmen. Op mannen, maar ook op vrouwen, die zelf weliswaar nog niet mogen stemmen, maar wel gekozen kunnen worden. Van dat recht maakt de dan 42-jarige Titia Goedhuis-van der Ploeg gebruik. Zij stelt zich kandidaat.

Even lijkt ze buiten de boot te vallen. Twee mannelijke fractiegenoten trekken net iets meer stemmen. Maar één van hen kiest voor de Provinciale Staten, waardoor zijn zetel in de raad vrij komt. Zo stapt Goedhuis-van der Ploeg in september over de drempel van de raadszaal en neemt haar plaats in.

Antsje Timmerman-Lenstra, socialiste Dat doet ook een andere vrouw, Antsje Timmerman-Lenstra. Ook zij is getrouwd. Haar man is de in Deventer geboren en getogen Hein Timmerman, tapijtwever van beroep. Zeven kinderen kregen ze, maar vijf zijn daar nog maar van in leven. De jongste is nog geen jaar oud als ze op 36-jarige leeftijd haar plaats zoekt achter de vergadertafel.

Timmerman-Lenstra komt uit een rood nest. Ze werd geboren in Weststellingwerf, maar de familie verhuist naar Enschede. Haar vader Karste Lenstra is fabrieksarbeider. Ook Antsje werkt in een fabriek op het moment dat ze met Hein trouwt in 1905. Hoeveel schoolopleiding ze heeft gehad is onduidelijk, maar de kans is groot dat zij na de lagere school


OKTOBER 2019

Affiche van de Vereeniging voor

7

In het voorjaar van 2020 verschijnt bij de Walburg Pers een boek van Erna Lammers over de eerste vrouwen in de Deventer gemeenteraad. Daarin gaat ze dieper in op de feiten en achtergronden. Mede dankzij de herinneringen van de kleinkinderen van de beide vrouwen.

Vrouwenkiesrecht, 1918. (IISG Amsterdam)

direct aan het werk moest. Als oudste in een gezin met acht kinderen zal het geld wat zij verdiende broodnodig geweest zijn.

SDAP

Het leven van een arbeider is zwaar. Een werkdag van twaalf uur is eerder regel dan uitzondering. Tegen een hongerloontje. Men leeft in kleine krotten, dicht opeen gepakt in één- of tweekamerwoningen waar soms meer mensen huizen dan er bedden beschikbaar zijn. Dat moet anders. Binnen de arbeidersbewegingen krijgt de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) steeds meer aanhang. Hele families sluiten zich aan. Zo ook Antsje en Hein Timmerman. Het vrouwenkiesrecht is een handig instrument om nog meer arbeiders politieke invloed te geven dan alleen met mannen mogelijk is. Maar de klassenstrijd is voor de socialisten vele malen belangrijker dan de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Tegen deze achtergrond stapt Timmerman-Lenstra de arena in. Als voorzitster van de Sociaal Democratische Vrouwenbond is zij de belangrijkste vrouw binnen de SDAP in Deventer. Groot is het feest als in mei 1919 blijkt dat de SDAP

Werknemers van de Mechanische Tapijtweverij H.J. Peters, rond 1910. Hein Timmerman, tweede van links, was een van de eerste werknemers van dit bedrijf. (HCO, Stadsarchief Deventer).

met vijf zetels de grootste partij wordt binnen de Deventer gemeenteraad en dat Antsje als eerste arbeidersvrouw gekozen is.

Politieke periode

Voor Timmerman-Lenstra duurt het feest niet lang. Ze komt in de raad op voor de huisvesting en het inkomen van de arbeiders, en is fel tegen alcohol. Maar in de ogen van haar vier mannelijke fractiegenoten doet ze niet genoeg. En weet ze niet genoeg. De frictie escaleert en geschokt breekt Timmerman-Lenstra in het najaar van 1920 met de SDAP. Maar ze geeft haar stoel pas op als ze bij de volgende

verkiezingen in 1923 onvoldoende stemmen haalt om zelfstandig door te gaan. Titia Goedhuis-van der Ploeg wordt dan wel herkozen. Haar mening op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs wordt gerespecteerd. Echter, op het gebied van emancipatie is zij de anderen ver vooruit. Ze krijgt hen niet mee. Ook haar mannelijke fractiegenoten van de Vrijheidsbond niet. De invoering van de wet, die regelt dat onderwijzeressen hun baan moeten opzeggen als ze trouwen, vormt een belangrijk breekpunt met haar partij. Titia vertrekt uit de gemeentepolitiek, vlak voor de verkiezingen in 1927. ●


8

DOOR WILLEMIEKE OTTENS EN ELS VAN DER LAAN-MEIJER

D

eze ontwikkeling had alles te maken met de ongekende populariteit van het buitenleven, die terugvoerde op de nieuwe landschapsidealen en geĂŻnspireerd werd door achttiende-eeuwse ontwikkelingen in de literatuur, filosofie, schilderkunst en tuinkunst. Zoals op vele plekken in Nederland, begon ook de stedelijke elite van Zwolle aan het einde van de achttiende eeuw met het aankopen en bouwen van landhuizen, die functioneerden als landelijk onderkomen en een alternatief vormden voor de stadswoning tijdens de warme zomermaanden. Zo verrezen de buitenplaatsen Landwijk, Boschwijk, Veldwijk en Soeslo rondom de doorgaande weg naar Heino en zien we langs de IJssel onder andere IJsselvliet, Hertsenberg en Kortenberg ontstaan.

Romantische landschapsparken rondom Zwolle. Een nieuwe kijk op Boschwijk van Rhijnvis Feith

Wie negentiende-eeuwse kaarten van Zwolle bekijkt, ziet vele buitenplaatsen en landgoederen liggen langs uitvalswegen en waterverbindingen. Als een groene gordel ontwikkelde hier vanaf de late achttiende eeuw een parkachtig gebied met nieuwgebouwde of gemoderniseerde landhuizen met uitgestrekte parken en tuinen, aangelegd in de modieuze landschapsstijl.

Het parkachtige landschap, dat de historische stad met het omliggende platteland verbond, werd gekenmerkt door de nieuwe landschapsstijl. Uitgestrekte parken werden aangelegd met natuurlijk ogende waterpartijen, slingerende wandelpaden, aanzienlijke hoogteverschillen, bijzondere boomsoorten en kleine gebouwtjes als koepeltjes en theehuisjes. Deze tuinstijl was daarmee een verbeelding van het nieuwe landschapsideaal, waarin een arcadische droomwereld en het pittoreske Hollandse boerenlandschap gecombineerd werden.

Een romantisch ideaal op Boschwijk

In slechts enkele decennia tijd raakte de nieuwe tuinstijl wijdverspreid. Niet alleen tuinarchitecten, maar ook opdrachtgevers speelden hierin een belangrijke rol. Met het bezit van een landschapspark konden eigenaren aantonen dat zij op de hoogte waren van de laatste mode, beschikten over de correcte landschappelijke smaak, en - uiteraard - dat zij vermogend waren. Ook via literatuur en reisgidsen verspreidde de nieuwe tuinstijl en het landschapsideaal onder de gegoede laag van de bevolking. Hierin hadden onder andere de populaire, sentimentele romans van Rhijnvis Feith (1753-1824) een groot aandeel. In verschillende romans kunnen zijn ideeĂŤn over natuurbeleving en het ideale landschap worden teruggevonden. Bijzonder is dat hij dit niet alleen op papier beschreef,

Het huidige Boschwijk. (foto: Erwin Zijlstra)


OKTOBER 2019

9

Het landschap ten zuiden van Zwolle op de topografische Militaire Kaart 1850, met hierop weergegeven de buitenplaatsen: 1. Landwijk; 2. Boschwijk; 3. Veldwijk; 4. Soeslo; 5. Schelleberg; 6. Ittersum; 7. Oldeneel; 8. Zandhove.

maar het ook daadwerkelijk wist te creëren op zijn buitenplaats Boschwijk, ten zuiden van Zwolle. Via een erfenis werd Feith in 1781 eigenaar van deze buitenplaats. Hij transformeerde dit buiten tot een arcadisch landschap met een park aangelegd in de landschapsstijl, dat aansloot bij zijn ideeën over de natuurbeleving zoals hij die beschreef in zijn romans. Feiths beschrijvingen van natuurlijke decors geven informatie over zijn voorliefde voor het natuurlijke en zelfs over de daadwerkelijke uitvoering van onderdelen van het landschapspark van Boschwijk. Zo schreef hij in 1783 in Julia over een ‘begunstigde wandelpaats’, bestaande uit een ‘uitgebreid dennenbosch’ waar een ‘eeuwig duister heerschte’ en waar ‘ontelbaare beekjes van levendig water slingerden’. Al deze plekken waren daadwerkelijk op Boschwijk terug te vinden. De belangrijkste literaire bron is uiteraard Feiths Ode aan Boschwijk uit 1799. Hierin lezen we niet alleen over de fysieke plek

Boschwijk, maar vooral over de verhouding tussen Feith - die zich als schepper laat opvoeren - en zijn geliefde buitenverblijf. Voor hem belichaamde Boschwijk ‘de vrede van de Schepping’ en de ‘verheven Tempel van de natuur’. Het was een plek waar hij zich terugtrok, maar waar tegelijkertijd zijn (literaire) vrienden en kennissen welkom waren. Met hen wandelde hij rond langs alle onderdelen die hij in zijn Ode beschreef: ‘een zachtbewogen vliet’; ‘stille kalme dierbr dreven’; ‘een dwalend beekje’; ‘de velden, berg en dalen’; ‘koelen zodenbanken’; ‘een hutjen’; bomen als dennen, eiken, beuken, ‘digt kastanjeloof’ en ’t breede lindenloof’.

Boschwijk op oude en nieuwe kaarten

Hoewel Rhijnvis Feith zichzelf als schepper van de buitenplaats aanduidde, werkte hij samen met de Duitse tuinarchitect Georg Anton Blum (1765-1827), die in Overijssel veel parken in de landschapsstijl aanlegde. Feith moet gestart zijn met de

omvorming van de buitenplaats kort nadat hij eigenaar was geworden. Ondanks het ontbreken van een ontwerptekening, kan dankzij oud en nieuw kaartmateriaal een bijzondere reconstructie worden gemaakt van het parkontwerp. De kadasterkaart uit 1822 toont het landschapspark van Boschwijk, bestaande uit een aaneenschakeling van slingerpaden gelegen rondom enkele eveneens slingerende vijverpartijen. Zichtbaar is dat het parkterrein werd doorsneden door de Twentsche Weg. Ten oosten van deze weg lag het landhuis met hier omheen het landschapspark. Ten westen van de weg lagen hakhoutgronden, wei- en bouwland. Maar ook hier vinden we elementen van de landschapsstijl. Het zuidelijk perceel werd voorzien van een slingerend wandelpad dat twee bijzondere vijvervormen ontsloot en vervolgens aansloot op het parkterrein rondom het huis. Door deze oude kaart te combineren met de actuele hoogtekaart ontstaat er een prachtig beeld van de ruimtelijke structuur


10

ROMANTISCHE LANDSCHAPSPARKEN RONDOM ZWOLLE.

Een nieuw kaartbeeld van Boschwijk, de kadasterkaart gecombineerd met de reliëfkaart.

Boschwijk op het kadastraal minuutplan, opgetekend in 1822.

Het huidige Boschwijk, foto Erwin Zijlstra

die Feith en Blum op Boschwijk wisten te creëren en van de veranderingen die nadien hebben plaatsgevonden. Zichtbaar zijn de natuurlijk ogende vijvers, de verdiept gelegen, regelmatige slingerende wandelpaden, de opgeworpen oeverwallen en glooiingen, die circa tweehonderd jaar geleden naar ideeën van Feith en Blum werden geconstrueerd, nauwkeurig werden ingetekend op de kadasterkaart en in gedichten en romans werden vastgelegd. Het kaartbeeld toont daarnaast de omvangrijke ruimtelijke veranderingen die in tussentijd hebben plaatsgevonden:

het zuidelijk parkdeel is verdwenen en hiervoor in de plaats zien we nu het tracé van de N35 (de rode lijn). Als gevolg van uitbreidingen van de stad is de buitenplaats nu opgenomen in de stadsrand van Zwolle, ingeklemd tussen het bedrijventerrein Marslanden en een golfterrein. In de eeuwenoude relatie tussen stad en platteland is veel veranderd: historische parkachtige structuren zijn steeds meer verdrongen. Maar wat overblijft zijn waardevolle, groene eilandjes in het huidige landschap. ●

De aanleiding voor dit artikel is het boek Groene Parels in Overijssel. Wandelen door lommerrijke wandelparken 17801830 van Willemieke Ottens, Els van der Laan-Meijer en Karin Bevaart, dat in het voorjaar van 2019 verscheen bij uitgeverij Waanders.


Streektaal in Overijssel

DOOR HARRIE SCHOLTMEIJER

OKTOBER 2019

11

Indianenzomer in Overijssel

De herfst is begonnen. Modder op de weg, beukennootjes op het fietspad, bockbier in het café. Een mooie aanleiding om eens te kijken naar woorden die er in de dialecten van Overijssel in omloop zijn voor een mooie, zachte periode in het najaar, die aan de overkant van de Atlantische Oceaan (maar tegenwoordig allang niet alleen meer daar) aangeduid wordt met Indian summer. echt oud wijf iets is dat er nog eens achter aankomt als de echte zomer al geweest is. Zo’n overdrachtelijk gebruik van het woord old wief is in het dialect niet ongebruikelijk. Het wordt ook wel gebruikt om de (regionale) krant aan te duiden, die immers ook nieuws bevat waarvan iedereen allang op de hoogte is. Een andere verklaring wordt gevormd door de roggeschoven die op het land staan. In de vroeg-intredende schemering vertonen die wel enige gelijkenis met kromgebogen oude vrouwtjes. Ten slotte is er wel een verband verondersteld met de spinnenwebben, die immers in deze tijd van het jaar ook volop aanwezig zijn. In de Germaanse mythologie komen schikgodinnen voor, de Nornen, die de draad van het mensenleven spinnen. De spinnenwebben in de herfst zijn wellicht een verwijzing naar die schikgodinnen, die inderdaad, oneerbiedig gezegd, oude wijven waren. Twee mannen genieten van het uitzicht vanaf een bankje aan de Welle in Deventer. Links de Wilhelminabrug. (HCO Stadsarchief Deventer)

Krönnenzommer

Het woord krönnenzommer, dat in verschillende gedaanten kan voorkomen (krönzommer, kraonenzommer, kranenzommer etc.) is vooral aangetroffen in het oosten van de provincie. Het dankt zijn oorsprong aan de kraanvogel, die juist in deze tijd vertrekt of overvliegt naar warmere streken. Dat verklaart dan ook meteen de geografische beperking in de verspreiding, want als we in het Woordenboek van de Overijsselse Dialecten de kraanvogel opzoeken, zien we dat bijna alle opgaven uit Twente komen. Genemuiden heeft dan wel kräänvoegel opgegeven, maar de informantengroep voegt eraan toe: komt praktisch hier niet voor (deel 5, p. 161). Inderdaad zijn er in de IJsseldelta in de jaren 1927-1983 maar 330 kraanvogels waargenomen, gemiddeld nog geen 6 per jaar. Krönnenzommer kan overigens ook ‘nazomer’ in het algemeen aanduiden.

Eerpelzommer

Meer naar het westen, in Salland, zijn de woorden eerpelzommer en jappelzommer aangetroffen. Ook aan de overkant van de IJssel, op de Veluwe, is de eerpelzommer een bekend woord. Dit woord duidt wel specifiek een warme periode aan. Eerpels of jappel zijn aardappelen, de aardappeloogster is gebaat bij een droog en warm najaar, omdat er dan weinig aarde aan de knollen blijft kleven. Etymologisch is de aardappel trouwens toch al interessant: de plant is nog maar enkele eeuwen geleden uit Zuid-Amerika geïmporteerd, maar kent toch al een bonte verscheidenheid in de Noordwest-Europese talen: potato, Kartoffel, aardappel.

Oalewievenzommer

De herkomst van het woord oalewievenzommer is onduidelijker. De meest eenvoudige verklaring – die daarom nog niet juist hoeft te zijn – is dat het net als een

Een man, vrouw en twee kinderen genieten van de zon op een bankje achter hun huis in Deventer. (HCO Stadsarchief Deventer)

Bronnen • Woordenboek van de Overijsselse Dialecten, deel 4 (De Wereld-A), Kampen: IJsselacademie, 2006, p. 100-101. • Gerritsen, G.J. en J. Lok, Vogels in de IJsseldelta. (Kampen 1986)


12

Overijssel in boeken

Deventer historie Milly Westerhuis – Duvoort

De eerste Europese handelsmacht

Twickelboerderijen in Twente Annette Evertzen

Arnout van Cruyningen Voor wie er oog voor heeft zijn ze te vinden, in Deventer en ook in de dorpen die nu deel uitmaken van de gemeente: grote en kleine herdenkingsmonumenten, gedenkstenen en herinneringsplaquettes. Het zijn sporen uit een grijs verleden en ze hebben een verhaal. Om dat verhaal gaat het in dit boek. Ook nu nog worden er objecten geplaatst die een herinnering levend moeten houden. Toch is niet altijd duidelijk te zien wat deze monumenten vertellen over hun ontstaansgeschiedenis en wat de aanleiding is geweest om deze monumenten te plaatsen, waarom waren, of zijn ze, zo belangrijk. Wat is hun achtergrond? Vanuit haar bijzonder belangstelling voor deze materie heeft Milly Westerhuis alle genoemde monumenten verzameld en hun geschiedenis uitgediept. Samen met de tekst en de foto’s is het een mooie collectie geworden. Uitgever: eigen uitgave ISBN: 978 94 6328 253 6 |207 pag. | € 25,00

In 1161 stichtten Duitse koopmangildes de voorloper van de Hanze, gericht op de handel met de gebieden rond de Oostzee. Het bleef een officieus verbond, zonder oprichtingsdatum, statuten of bestuur. Vrije handel was hun doel, naast het minimaliseren van tol en belastingen. De Hanze breidde zich steeds verder uit. Ook de Noordzeekust en de steden aan de grote rivieren werden onderdeel van een grotere Europese gemeenschap. In de hoogtijdagen waren meer dan 200 steden aangesloten: van Bolsward tot Brugge en van Nijmegen tot Novgorod. In dit boek zoomt historicus Arnout van Cruyningen in op de invloed van de Lage Landen in de Hanze en op de rol van de Hollanders, die in de zeventiende eeuw de handelsmacht ten slotte de economische genadeslag toebrachten. In de afgelopen jaren is de belangstelling voor de Hanze alleen maar toegenomen, met nieuwe Hanzedagen en zelfs Hanzefietsroutes. Dit geïllustreerd boek, met afbeeldingen, kaarten en kaders is een aanrader voor iedereen die meer wil weten over dit unieke historische stedenverbond.

Het landgoed Twickel telt alleen al rond Delden 150 boerderijen. Wat is typerend aan deze erven? Hoe kwamen ze in Twickelbezit? Welke boerenerven hebben een bijzondere geschiedenis? Zijn er overeenkomsten met de boerderijen van het landgoed Weldam, dat ook lang bij Twickel hoorde? Hoe verging en vergaat het de pachters, de bewoners van de boerderijen? Wat gebeurde er als ze hun pacht niet konden betalen? Door literatuur- en archiefonderzoek, gesprekken met pachters en door veel boerderijen te bekijken vond Annette Evertzen een antwoord op deze vragen. Opmerkelijk is hoeveel verschil er is tussen de Twickel- en Weldamboerderijen, ook al zijn op landgoed Weldam enkele typische Twickelboerderijen te vinden. Uitgever: Stichting Hist. Archief Hengelo ISBN: 978 90 8301 220 9 | 192 pag. | € 24,50

Uitgever: Uitgeverij Omniboek ISBN: 978 94 0191 578 6 | 191 pag. | € 20,00

Overijssel in


APRIL 2019

Nedersaksisch in een notendop

Atlas van Twente

Henk Bloemhoff, Philomène Bloemhoff-de Bruijn e.a.

Dana Wiersma e.a.

Het Nedersaksisch kreeg in 2018 nationale erkenning als volwaardige en zelfstandige taal. In Nedersaksisch in een notendop beschrijven vijf kenners het Gronings, Drents, Stellingwerfs, Sallands, Twents, Achterhoeks en Veluws. Beknopt, maar wel in al hun facetten. Aan de orde komen: de klanken, woordvormen, zinsbouwkenmerken en de grote woordenboekprojecten. Daarnaast is er veel aandacht voor de maatschappelijke positie, de beheersing en het gebruik van het Nedersaksisch. Kennisontwikkeling, aanmoediging tot gebruik en ook de zorg voor de taal zijn zaken die vooral in de verschillende regio’s plaatsvinden. Daarover biedt dit boek eveneens de nodige informatie, evenals over instituten en organisaties die zich met het Nedersaksisch bezighouden. De Nedersaksische literatuur is overzichtelijk gepresenteerd naar periode en regio en de bronnenlijst nodigt de lezer uit zich verder in deze mooie, eeuwenoude taal te verdiepen. Nedersaksisch in een notendop is bedoeld voor mensen met een brede interesse in streektalen. Studenten Nederlands, Duits en Fries kunnen met dit boek hun kennis over het Nedersaksisch naar een hoger niveau tillen. Ook voor medewerkers van (regionale) taalinstituten kan dit boek een welkome aanvulling zijn op hun kennis over het Nedersaksisch.

Twente bulkt van de kennis over zichzelf. Maar die kennis over Twente als regio is erg versnipperd en is verdeeld over allerlei organisaties en instanties. Zoals bijvoorbeeld de gemeenten en de provincie Overijssel. Maar ook bij het waterschap Vechtstromen. Kennis die is opgeslagen in tal van databanken, maar ook in rapporten die in een la zijn beland. Op initiatief van de Regio Twente, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede is kennis die is opgeslagen in tal van databanken, maar ook in rapporten in de nieuwe Atlas Twente samengebracht. Er zijn kaarten opgenomen met betrekking tot de thema’s landschap en natuur, cultuur en erfgoed, bereikbaarheid en verbindingen, water, lucht, economie, voedsel en landbouw, energie, toerisme en recreatie etc. Het resultaat is een mooi naslagwerk met tal van kaarten die het verhaal van Twente vertellen. Zoals de kaart met waterstromen, die laat zien welke rivieren, kanalen en waterlopen er allemaal in Twente zijn. Maar ook waar het meeste water vandaan komt. De atlas in papieren versie is verspreid onder bestuurders en ambtenaren. Behoor je niet tot deze uitverkorenen, kun je de atlas digitaal bekijken.

boeken Uitgever: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum BV ISBN: 978 90 2325 667 0 | 184 pag. | € 22,95

13

Zie hier mijn karakter. Dagboek van Margaretha Isabella van Ittersum (1783-1809) Greddy Huisman “Als het niet gaat zoals ik wil ben ik snel zeer ontevreden en rust ik niet voor het naar mijn zin is. Ik spreek dikwijls kwaad van mensen. Vrijpostig en onbescheiden als ik mensen goed ken, maar heel verlegen als het om vreemden gaat, en onnadenkend, zonder goede manieren – pas heel laat heb ik dit kunnen corrigeren.” Dit is een citaat uit het boek dat een bewerking/hertaling is van een heel persoonlijk “journal’ dat een jong meisje eind achttiende, begin negentiende eeuw bijhield. Het geeft een mooi beeld van het adellijke leven rond 1800 in de stad (Leeuwarden) en op het platteland (de havezate Relaer bij Raalte). Belle schrijft heel openhartig over zaken als opgroeien, opvoeding, inwijding in het sociale leven van de hogere standen, hun standsbesef, huwelijksopvattingen, religieuze gevoelsleven en allerlei praktische kanten van het leven in stadshuizen en op buitenplaatsen, de politiek (Patriottentijd!) en, uiteraard, over het dagelijkse leven (in Overijssel). Uitgever: Philip Elchers Groningen ISBN: 978 90 5048 202 8 | 256 pag. | € 20,00


14

Geworteld in Overijssel

DOOR MARCEL MENTINK

Geworteld in Overijssel

De Overijsselse roots van Henkjan Smits Voor onze rubriek Geworteld in Overijssel reizen we dit keer af naar de Gooise matras waar de meeste BN-ers hun domicilie hebben. We gaan naar de oud-juryvoorzitter van Idols en de X-factor en later van POPster! Nu presenteert hij samen met Manuela Kemp het radioprogramma De Max! We hebben het natuurlijk over Henkjan Smits, telg uit de confectiefamilie van Smits & Co uit Almelo.

H

enkjan Smits is geboren op 9 oktober 1961 en woonde aan de Wierdensestraat in Almelo. Als hij met zijn ouders door de stad liep werd hij altijd netjes begroet, want hij was het zoontje van “meneer Theo”. Deze meneer Theo was één van de drie directeuren van confectiefabriek Smits & Co. Smits heeft hoofdzakelijk goede herinneringen aan Almelo. Hij leerde fietsen, met veel vallen en opstaan, ging naar de Sinterklaasintocht en had er zijn eerste vriendinnetje.

Tukker in het Gooi

Eind 1970 verhuisde de familie Smits, vanwege het werk van vader, naar Naarden. Met zijn onvervalste Twentse accent kon Henkjan daar bepaald niet aarden en hij verlangde hevig terug naar Almelo. Zijn liefde voor muziek was er al vroeg en in Naarden speelde hij als zanger/gitarist in de band ‘No holding Back’. Optreden was zijn echte passie, en om dat te kunnen, belde hij stad en land af om ergens te kunnen spelen. Dat lukte vrij aardig waarna andere bands hem ook inschakelden om voor hen boekingen te regelen. Daarmee was zijn eigen boekingskantoor een feit. Enkele jaren later kwam Smits in dienst bij een platenmaatschappij en werkte hij onder anderen samen met Herman Brood en André Rieu. En toen kwam Idols. Na het succes van dat programma werd hij gevraagd om medepresentator van RTL Boulevard te worden. Al die bekendheid leverde hem uiteindelijk veel werk op. Smits begon lezingen te geven voor bedrijven en leende zijn stem aan verschillende audioboeken. Hij trouwde met een Oldenzaalse en ze hebben twee dochters.

Meneer Theo

Theo, de vader van Henkjan, was de tweede zoon in het gezin van Hendrik Jan Smits en Iny Bello. De familie uit Almelo bestond in z’n geheel uit drie zoons en twee dochters. Na het overlijden van vader Smits in 1958 was Theo samen met zijn broers Herman en Jaap één van de directeuren van Smits & Co. Theo was verantwoordelijk voor de overhemden, die werden verkocht onder de naam Rexalco.

Henkjan Smits. (foto: Roy van Ingen)

Op 1 januari 1969 kwam het tot een fusie tussen Bendien en Smits & Co. De nieuwe onderneming werd al snel gekenschetst als een ongelukkige optelsom van twee familiebedrijven. Het gevolg was een verdieping vol directeuren, elke stoel was dubbel bezet. Het werd Theo al snel duidelijk dat er voor hem geen plek was binnen het vernieuwde bedrijf. Hij werd agent bij Nino en later bij Van Delden en Schumann. Probleem was dat zijn klanten veelal in het westen gevestigd waren en heen en weer reizen niet echt een optie was op de langere termijn. Vandaar dat het gezin eind 1970 naar Naarden verhuisde.


OKTOBER 2019

15

verkopen. Daarom werd in 1888 aan de Almelose Holtjesstraat het confectiebedrijf Bendien Smits opgericht door Isaac Bendien en Herman Smits. Maar de werkmanskleding verkocht aanvankelijk zo slecht dat de vennootschap al op 1 januari 1890 werd ontbonden. Bendien bouwt in 1913 een nieuwe fabriek en al eerder had Herman Smits aan de Parallelweg een moderne fabriek gebouwd waar in 1914 reeds 250 mensen werkzaam waren. Men werkte er graag, want meisjes werkten liever in de confectie dan in de textiel. Dat klonk namelijk chiquer! Nadat er eerst alleen boezeroens en werkmansbroeken geproduceerd werden, kwam er in 1906 ook een afdeling lingerie en in 1908 een afdeling herenoverHenkjan Smits met gezin bij de Europese première van Cirque du Soleil in Amsterdam. (foto: TWBA/Busted)

Opa Hendrik Jan

Hendrik Jan Smits werd geboren in Almelo op 25 augustus 1886. Hij ontving dezelfde naam als zijn oudere broer die een jaar eerder was overleden. Hij kreeg nog een jongere broer: Eltje Jacob. Hendrik Jan Smits trouwde in Utrecht op 32-jarige leeftijd met de veel jongere Catharina Ellerman uit Ede. Het huwelijk hield geen stand. Op 8 september 1927 scheidde het stel na beschuldigingen van overspel. Lang heeft Smits hier niet om getreurd, want op 21 november van datzelfde jaar trad hij in Lochem in het huwelijk met de 26-jarige Clasina Gerri Bello (Lochem, 1 augustus 1901). Tussen 1929 en 1940

kreeg het stel vijf kinderen. Onder Hendrik Jans leiding groeide het bedrijf Smits & Co naar 700 werknemers. In 1920 stopte het bedrijf met de productie van vakkleding en lingerie en ging zich richten op heren- en kinderkleding. De herenoverhemden van Smits & Co werden zo goed verkocht, dat deze afdeling in 1936 onder de naam Rexalco (semi-)zelfstandig verder ging. Hendrik Jan overleed in Montreal op 6 november 1958.

De oprichter

Waar textielindustrie is, is confectie-industrie. Aan arbeiders die een geregeld inkomen hadden, was het goed kleding

Een advertentie van Rexalco. Deze winkelier verkoopt zowel de producten van Smits & Co (Rexalco) Hendrik Jan Smits (5e van links) bij de opening van de fabriek in Enter, 1948. (Enterserfgoed.nl)

als van concurrent Bendien (Oxford).


16

DE OVERIJSSELSE ROOTS VAN HENKJAN SMITS

Jan Willem Smits

Huigenia de Knijff

Jan Smits

Geesken ten Brugge

* 1777 † 22/4/1849

* 1785 † 12/12/1833

Hendrik Jan Smits

Johanna Harmina Diderika Becking

* 19/11/1813 † 24/4/1899

* 14/5/1816 - † 30/7/1864

Herman Smits

Allagonda Geertruida Hemmes

* 12/8/1854 † 7/1/1920

* 22/1/1858 † 7/10/1937

Hendrik Jan Smits

Clasina Gerri (Iny) Bello

* 25/8/1886 † 6/11/1958

* 1/8/1901 † 19...

Marinus Theodoor (Theo) Smits

Lies

* 10/1929

Henkjan Smits * 9/10/1961

De naaizaal van Smits & Co omstreeks 1950.

Rexalco speldje. (Alf van Beem)

hemden. De oprichter van het bedrijf, Herman Smits, werd op 12 augustus 1854 in Haaksbergen geboren. Op 5 juni 1884 huwde hij in Amsterdam de daar geboren Alagonda Geertruida Hemmes (18581937). Herman Smits overleed op 7 januari 1920.

Koopman

Hermans vader, Hendrik Jan Smits (Haaksbergen, 9 november 1813) was kennelijk in goeden doen. Als koopman had hij enig aanzien, want op 21 april 1842 trouwde hij met de burgemeestersdochter Johanna Harmina Diderika Becking (14 mei 1816) uit Zelhem. Hij stierf op 24 april 1899 in Haaksbergen.

Vanuit Amsterdam

Stamvader Jan Smits kwam volgens een huwelijksdocument uit Amsterdam, maar woonde in Eibergen. Hij werd omstreeks 1777 geboren en trad op 4 augustus 1799 voor het eerst in het kerkelijk huwelijk met Johanna ter Horst. Blijkbaar overleed zij, want in 1810 trouwde hij met Geesken ten Brugge. Op 22 april 1849 overleed hij op 72-jarige leeftijd. Volgens de overlijdensakte was ook zijn beroep koopman. ●

Het pand van Smits & Co aan de Parallelweg 2 te Almelo.


DOOR EWOUT VAN DER HORST

OKTOBER 2019

17

Een dorstig klusje: boerderijbouw anno 1618

Een ton bier van 8 gulden voor de harde werkers! Als de gebinten van de boerderij overeind geplaatst zijn, mogen de kerels aan het bier. Vermoedelijk is bij die gelegenheid ook de ‘meyboom’ ter waarde van 6 gulden op het hoogste punt van de nieuwbouw geplaatst. Een dergelijk gedetailleerde afrekening van de bouw van een boerderij uit 1618 tref je niet alle dagen in de archieven aan. En het mooie is: de vermelde gebinten zijn 400 jaar na dato nog altijd te bewonderen!

overeind. De eigenaar van boerderij de Rankenberg, Baltasar Boedeker, was in 1617 overleden. Hij had zijn vermogen nagelaten aan de stad Deventer om er een katholieke universiteit van te stichten. Die wens was voor de beheerders van zijn nalatenschap in deze reformatorische tijden niet eenvoudig te realiseren. Verder dan een protestantse hogeschool, het Athenaeum Illustre, zou men het uiteindelijk niet brengen.

Het ‘huys gereet gemaect’

De beheerders van Boedekers goederen besloten spoedig na zijn overlijden om boerderij de Rankenberg te herbouwen, blijkt uit de afrekening in het Deventer stadsarchief. Mogelijk was het ‘olde huys’ beschadigd of vervallen geraakt door de oorlog. Het kostte timmerman Gosen Lucas met drie knechten in mei 1618 vier dagen om het pand af te breken. Naast

een vergoeding van 12 tot 16 stuivers per dag ontvingen de slopers ‘daarenboven vrij bier’. De opgave was om de boerderij datzelfde weideseizoen weer op te bouwen, zodat pachter Luuk Arentsen zijn beesten in het najaar weer kon opstallen. Rentmeester Herman van Bloijs had intussen een bouwcommissie de opdracht gegeven Inkopen voor de nieuwbouw te doen. Op de houtmarkt voor de Bergpoort van Deventer kochten zij diverse malen partijen hout op. Naast in totaal 123 ‘balcken’ kochten ze hout voor de gebintstijlen. Elk bezoek aan de houtmarkt sloten de heren af met een hapje, of minimaal een drankje. Bijzonder is de vermelding dat elf stukken hout ‘in ’t clooster’ gebracht zijn, waar het ‘huys gereet gemeact’ werd om een maand later naar de Rankenberg te → Boerderij de Rankenberg bij Wijhe.

>

F

ier ligt boerderij de Rankenberg even achter de IJsseldijk ten zuiden van Wijhe. Het is een uitzonderlijke IJsselhoeve, want achter het gebruikelijke voorhuis zit aan een kant nog een uitbouw aan de boerderij: het oorspronkelijke karnhuis. Het statige voorhuis is gebouwd rond 1840, in een periode dat veel meer boerderijen in de IJsselstreek hun huidige voorkomen kregen. De boerderij zelf is aanmerkelijk ouder. Een bordje op de achtergevel vermeldt het jaartal 1618. Met recht! Maar liefst 400 jaar geleden is op deze oude bewoningsplek een nieuwe boerderij gebouwd. De Nederlandse Republiek bevond zich indertijd in de nadagen van het Twaalfjarig Bestand tijdens de oorlog tegen Spanje. De IJsselstreek had aan het einde van de vorige eeuw zwaar geleden onder het oorlogsgeweld, maar krabbelde weer wat


18

EEN DORSTIG KLUSJE: BOERDERIJBOUW ANNO 1618

Boerderij in de omgeving van Zwolle door Gerard ter Borch, 1632. (collectie Rijksmuseum)

Schilderij van Baltasar Boedeker. (collectie Deventer Musea)

vervoeren. Blijkbaar ging het hier om de geprepareerde gebinten die op locatie in elkaar gezet werden. Het huis telde uiteindelijk ‘vijf gebont’ ofwel gebintvakken: zes onderling verbonden gebinten achter elkaar.

8.000 stenen en 180 ton kalk

Veel boerderijen waren indertijd goeddeels van hout en leem, zoals onder meer blijkt uit een serie prenten van de beroemde schilder Gerard ter Borch. Maar de Rankenberg werd gedeeltelijk uit steen opgetrokken. Eind mei bracht een schipper 8.000 stenen naar de IJsseldijk, enkele dagen later gevolgd door een partij van 180 ton kalk. De schippers en beide metselaars die hielpen bij het lossen moesten hun droge kelen uiteraard wel smeren met ‘3 groote biers’. Nu kon het metselen beginnen. Jan de

Steenmetselaar had met drie metselaars en twee knechten alleen al zes dagen nodig om het fundament te maken. Daarna bracht hij nog vele dagen voor metselwerk in rekening, onder meer voor een kelder onder het voorhuis. Mogelijk dat alleen het ‘voornste van ’t huys’ van steen gemaakt was, al dan niet met brandmuur. In de nazomer was timmerman Gosen Lucas met zijn knechten Herman en Marten in ieder geval vijf dagen bezig met het ‘beschieten van ’t huys’, dat wil zeggen het aanbrengen van planken. Nagelmaker Hendrik Tijmans deed daarbij goede zaken als leverancier van ijzerwerk. Glazenmaker Jan  Boedink bracht tenslotte een tiental glazen ramen aan.   Het strodak was al in juli gereed gekomen. Pachter Luuk Arendsen leverde zelf stro voor  dakbedekking van zijn nieuwe woon-

Achterzijde van boerderij de Rankenberg met vermelding van het bouwjaar 1618 op gevelbord.

huis. Riet als dakbedekking was in deze streken toen nog niet gebruikelijk. Peter Strodekker kreeg de opdracht het stro op het dak leggen. Een bijzonderheid is de vermelding van de betaling van ‘800 bandtgarden’. Bandgarden zijn twijgjes waarmee het stro op het dak werd vastgebonden.

Nog maar een glaasje!

De bouwcommissie kwam regelmatig met een koets naar de Rankenberg om de voortgang van het werk te inspecteren en bouwoverleg te voeren. Uiteraard maakte men van de gelegenheid gebruik een gezellig glaasje te drinken. Voor de hoge heren geen pullen bier, maar flessen wijn. Joost de voerman rijdt wel. Dus hup, nog maar een glaasje op kosten van wijlen Baltasar Boedeker! Op 15 november vond de afrekening plaats met pachter Arendsen voor door hem gemaakte kosten. De Rankenberg was weer bedrijfsklaar. Ruim 400 jaar later is van de noeste arbeid op de Rankenberg uit 1618 niet heel veel meer te zien. Het strodak is al lang en breed vergaan, de houten wanden vervangen door halfsteens muren, het dak opgehoogd en het voorhuis rond 1840 vervangen. Alleen de kelder zit vermoedelijk nog onder het voorhuis verstopt. En in het achterhuis zijn de eikenhouten gebinten te bewonderen, die timmerman Goosen Lucas hier heeft gericht, gemaakt van bomen gekocht op de Deventer houtmarkt en door monnikenarbeid kunstig met elkaar verbonden. ●


Topstukken

DOOR SUSANNE DE JONG

OKTOBER 2019

19

Gegoten in tin: de Slag bij Ane Tot enkele tientallen jaren geleden werden ze gebruikt om mee te spelen, maar nu bevinden vele zich ongetwijfeld tussen het stof in dozen op menig zolderkamer. Tinnen figuren, in alle vormen en maten, waren niet alleen geliefd speelgoed voor jong en oud, maar het waren ook verzamelaarsobjecten. En dat verzamelen gebeurt nog steeds. In het oude stadhuis van Ommen is sinds 1985 het Nationaal Tinnen Figuren Museum gehuisvest, waar een indrukwekkende collectie van meer dan 125.000 figuren te zien is: van middeleeuwse pelgrimsinsignes tot tinnen soldaatjes en moderne door miniatuurschilders beschilderde figuurtjes.

T

in is een van de oudst bekende metalen. Al in 3500 voor Christus werd tin in een legering met koper gebruikt om bronzen gereedschappen en wapens te maken. Lange tijd werd tin vooral voor praktische doeleinden gebruikt. Rond 1750 kwam daar verandering in, toen tinnen borden en andere gebruiksvoorwerpen plaatsmaakten voor geglazuurd aardewerk en porselein. Noodgedwongen gingen tingieters op zoek naar een andere manier om hun vak uit te kunnen blijven oefenen. Tinnen speelgoed bleek de uitkomst. Een breed scala aan platte en - vanaf ca. 1900 - drie-

dimensionale figuren kwam op de markt, variĂŤrend van drie tot ca. tien centimeter en in meer of mindere mate vakkundig beschilderd. Een tinnen figuurtje werd zo een ambachtelijk kunstwerkje: het was het resultaat van de samenwerking tussen een tekenaar, graveur, gieter en schilder.

Nationaal Tinnen Figuren Museum

Allerlei tinnen figuren, van middeleeuwse pelgrimsinsignes tot losse figuren en compleet gearrangeerde diorama’s over gebeurtenissen uit de Europese geschiedenis en streekhistorie, zijn in het Nationaal

Tinnen Figuren Museum te vinden. Sinds de oprichting van het museum in 1985 heeft een groep enthousiaste vrijwilligers de collectie in de loop der jaren uit weten →


20

te breiden met oude én nieuwe objecten. Nog altijd worden tinnen figuurtjes vervaardigd – op de traditionele manier! – die stuk voor stuk getuigen van vakmanschap. In 2005 heeft het museum vier diorama’s laten maken over de Slag bij Ane uit 1227.

De Slag bij Ane

De Slag bij Ane heeft grote invloed gehad op de economische en culturele ontwikkeling van Oost-Nederland, legt Henk Dooijes uit. Henk is sinds eind jaren 90 betrokken als bestuurslid en vrijwilliger bij het Nationaal Tinnen Figuren Museum. ‘Het is eigenlijk vreemd dat deze slag zo onbekend is, terwijl deze gebeurtenis een belangrijke rol heeft gespeeld in de (inter) nationale geschiedenis,’ vervolgt hij. Om die reden heeft het museum opdracht gegeven om de Slag bij Ane te reconstrueren. Honderden tinnen figuurtjes vertellen het verhaal over de veldslag die op 28 juli 1227 in de buurt van het dorpje Ane plaatsvond. Op een warme zomerdag kwam het tot een confrontatie tussen de het ridderleger van de bisschop van Utrecht, Otto II, en Roelof van Coevorden die gesteund werd door een groep opstandige Drentse boeren. Onder leiding van Roelof wisten zijn boerentroepen het zwaar uitgeruste ridderleger van de bisschop te verslaan door hen een moerassig gebied in te lokken. Op het moment dat het bisschoppelijke leger in hun zware harnassen in de drassige grond wegzakte, vielen de Drentse strijders aan. Met hooivorken, pijlen en speren versloegen ze het leger van de bisschop, waarbij ook de bisschop zelf omkwam.

GEGOTEN IN TIN: DE SLAG BIJ ANE

In de jaren die volgden bleven er spanningen bestaan en volgden verschillende opstanden, protesten en veldslagen. In 1230 besloot Roelof om naar kasteel Nijenstede (Hardenberg) te gaan om daar met bisschop Wilbrand van Oldenburg, de opvolger van Otto II, te onderhandelen over een vredesverdrag. Maar tot een vredesverdrag kwam het niet. Burchtsoldaten drongen het kasteel binnen en sleepten Roelof naar buiten, waarna hij werd geradbraakt en op palen werd gezet. Twee jaar later, in 1232, werden de gebeurtenissen rondom de Slag bij Ane opgetekend. Deze zogenoemde Narracio is het enig bekende verslag van deze strijd.

Een vak apart

Iemand die de diorama’s van dichtbij bekijkt, zal versteld staan van de vele in het oog springende details. De platte, tinnen figuurtjes – van de bisschoppe-

lijke soldaten en hun paarden tot aan de Drentse boeren met hun geïmproviseerde afweergeschut – zijn met de meest mogelijke precisie uitgevoerd en vakkundig beschilderd. Juist deze blijk van vakmanschap staat symbool voor de ontwikkeling die tinnen figuurtjes in de afgelopen eeuwen hebben doorgemaakt. Met een vleugje nostalgie merkt Henk op dat hij zich nog goed kan herinneren dat hij vroeger met tinnen soldaatjes oorlogje speelde. Het speelgoed waar hij tientallen jaren geleden mee speelde, fascineert hem jaren later nog steeds – weliswaar om een andere reden. ‘Het museum laat in grote lijnen de geschiedenis van tinnen figuren zien, van middeleeuwse insignes tot tinnen speelgoed. Maar de tijd waarin tinnen figuurtjes als speelgoed dienden, is voorbij. Het zijn nu typische voorbeelden van vakmanschap en fijnschilderkunst. En dat is prachtig om te zien.’ ●

In het kader van het 35-jarig bestaan van het museum zal volgend jaar een tentoonstelling aan tinnen fijnschilderkunst worden gewijd. Verder lezen: De “Narracio” is vertaald en becommentarieerd door Hans van Rij en is onder de titel ‘Een verhaal over Groningen, Drente, Coevorden en allerlei andere zaken onder verschillende Utrechtse bisschoppen’ door Uitgeverij Verloren uitgegeven (ISBN: 9789065500052, €19,-).

Nationaal Tinnen Figuren Museum Markt 1 | 7731 DB Ommen


DOOR SIEM VAN EETEN

OKTOBER 2019

21

De reis van Lodewijk Napoleon door Oost-Nederland

I

Lodewijk Napoleon, koning van Holland van 1806 tot 1810, is in de geschiedschrijving geruime tijd een ietwat lachwekkendheid figuur geweest: het ‘Konijn van Holland’ of ‘Lodewijk de Lamme’. De laatste jaren is dit beeld gekanteld. Tegenwoordig wordt hij gezien als degene die mede vormgegeven heeft aan het huidige Nederland en ons land heeft voorbereid op het koningschap. In 1809 reisde hij door Overijssel, Gelderland en Drenthe. n 1806 plaatste de Franse keizer Napoleon Bonaparte zijn jongere broer Lodewijk Napoleon op de troon van wat toen het Koninkrijk Holland ging heten. In tegenstelling tot de wens van zijn broer wilde Lodewijk van het begin af aan Nederlander zijn te midden van de Nederlanders. Hij wilde de nationale eenheid versterken en zo een einde maken aan de grote zelfstandigheid van gewesten en steden die ons land zo lang gekenmerkt had. Lodewijk begon Nederlands te leren bij David Jacob van Lennep, de vader van de latere schrijver, en bij Willem Bilderdijk. Daarnaast werkte hij aan wetboeken die voor het hele land moesten gelden en die zouden uitmonden in ons Burgerlijk Wetboek en Wetboek van Strafrecht. Belangrijk voor hem was ook dat alle godsdiensten, inclusief de Joodse, wettelijk gelijk waren. Een ander punt om het nationale bewustzijn te stimuleren is de oprichting van het Koninklijk Instituut van de Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum.

Gezicht op het Katerveer bij Zwolle, ca. 1880. (collectie HCO)

‘Vader der Ongelukkigen’

Een van de sterke punten van Lodewijk Napoleon was dat hij direct met het volk in contact wilde komen. Daartoe heeft hij verschillende bezoeken gebracht aan alle delen van ons land. Soms om de nood te lenigen, te getuigen van zijn betrokkenheid bij rampen en daadwerkelijk aan hulpacties deel te nemen. Zijn inzet bij de ramp door de ontploffing van het kruitschip in Leiden en zijn aanwezigheid bij de overstromingen in de Betuwe waren er mede de oorzaak van dat het ‘konijn’ nu betiteld werd als ‘Lodewijk de Goede’ en ‘de Vader der Ongelukkigen’. Verder wilde hij zich persoonlijk op de hoogte te stellen van hetgeen in zijn rijk leefde en plaatselijke netelige kwesties op lossen. Hij reisde naar Brabant

Napoleon neemt afscheid van zijn broer Lodewijk, 1806, anoniem, naar Karel Frederik Bombled, 1853 - 1861. (Rijksmuseum Amsterdam)


22

DE REIS VAN LODEWIJK NAPOLEON DOOR OOST-NEDERLAND

Boerenhuis met bomen te Delden, Jacob Ernst Marcus, 1810. (Rijksmuseum

Lodewijk Napoleon komt aan in Amsterdam, 1808. (Rijksmuseum Amsterdam

Amsterdam)

en Zeeland en naar Overijssel, Drenthe en Gelderland.

Overijssel, Drenthe en een deel van Gelderland.

Van 2 t/m 20 maart 1809 bezocht of passeerde Lodewijk Napoleon in sneltreinvaart zo’n 50 plaatsen in Overijssel, Drenthe en Gelderland, waarbij hij zich direct dan wel via zijn meegereisde ambtenaren op de hoogte liet stellen van de situatie ter plekke, knelpunten aanhoorde, moest genieten van de plaatselijke lekkernijen en kennis nemen van lokale deugden. Lodewijk liet aantekeningen maken over verbeterpunten en nam beslissingen die door zijn ministers uitgewerkt moesten worden.

Langs de IJssel

Nadat de koning op 2 maart 1809 bij het Katerveer voet op Overijsselse bodem zette, bezocht hij twee dagen Zwolle. Het stadsbestuur greep zijn kans om de aanleg van een vaarverbinding tussen de stad en de IJssel te bepleiten. Lodewijk Napoleon stond hier niet onwelwillend tegenover. Niet veel later viel het besluit om te beginnen met de aanleg van het kanaal, wat later de Willemsvaart zou worden. Na Zwolle reisde Lodewijk Napoleon via Wijhe en Olst naar Deventer, waar hij vond dat de katholieke Broederenkerk slecht gedecoreerd en slecht onderhouden was. De pastoor moest aangeven wat hij nodig

had om dit in orde te brengen, ‘dan zal ik dit geven’. Ook werden er decreten uitgevaardigd m.b.t. de bevaarbaarheid van de Schipbeek.

De Koningsk­ amer in de voormalige

Twente

Op 7 maart vertrok Lodewijk richting Twente. In Diepenheim constateerde hij dat het ontbreken van een goede vroedvrouw tot misstanden leidde. De koning gelastte aan de departementale Geneeskundige Commissie in Overijssel ‘ons ongenoegen te kennen te geven dat er te Diepenheim ene vroedvrouw is, die de Kraamvrouwen uit onkunde mishandelt’. In Enschede overnachtte Lodewijk Napoleon bij de heer Blijdenstein en bezocht hij enkele fabrieken. Voor de kleding van de marine en voor de voering van legeruniformen wilde hij voortaan gebruikmaken van bombazijn uit Enschede.

Terug in Overijssel

Via Almelo, Weerselo, Ootmarsum en Hardenberg kwam de koning op 12 maart aan in Drenthe, om drie dagen later bij Meppel terug te keren in de Overijssel. In Blokzijl loste hij vervolgens onenigheid in de Joodse gemeente op, in Vollenhove liet hij het havenhoofd repareren en overnachtte hij bij Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh. Een dag later in Kampen bezocht Lodewijk Napoleon het werkhuis voor de armen. Ook noteerde hij dat Raalte een vroedvrouw met één oog had om vervol-

havezate Oldruitenborgh in Vollenhove. In deze kamer overnachtte Lodewijk Napoleon. (foto: Jan Wester)

gens zijn reis te vervolgen naar Zutphen. Het zijn slechts enkele voorbeelden uit een lange reeks maatregelen en observeringen.

Koninklijk verslag

De herinneringen aan deze rondgang door onze provincie zijn vaak fragmentarisch bewaard gebleven, meestal plaatselijk, al dan niet historisch juist, of in overeenstemming gebracht met heersende overleveringen. In Parijs is het eigen verslag van Lodewijk Napoleon bewaard gebleven. De koning heeft met veel overgave het welzijn van zijn onderdanen willen bevorderen. Bij de plaatselijke aandachtspunten komt men dan ook veel petite histoire tegen. Ik nodig u graag uit om deze gegevens te toetsen aan hetgeen bij u plaatselijk bekend is. Zo komt er een afgerond geheel en krijgt de reis van de koning de historische waarde die het verdient. ●

Op basis van de bewaard gebleven koninklijke verslagen in de Archives nationales in Parijs (Pierrefitte), onder toegang AF IV inv. nr. 1788, maakte Siem van Eeten het verslag van de reis van Lodewijk Napoleon door onze provincie toegankelijk. De volledige reis staat weergegeven op een speciale themapagina op MijnStadMijnDorp. Klik hier om te zien of de koning ook uw plaats heeft aangedaan en schroom niet om de informatie aan te vullen en opmerkingen te plaatsen.


Overijsselaars van toen

DOOR SCHOKKENBROEK

OKTOBER 2019

23

‘Ik vond de lucht veel mooier dan het land.’

Weerman Jan Pelleboer (1924-1992) ‘Ie’j mut niet zo in de lucht kieken, ’t wark ligt op de grond’, zei zijn moeder om de haverklap tegen Jan (Hendrik) Pelleboer. ‘Daar had ze wel gelijk in, maar een boer heeft nooit in me gezeten. Toen ik veertien was maakte ik al een soort bulletin dat ik elke dag tegen de muur van de caféschuur hing en waarop mensen konden lezen hoeveel het die nacht had gevroren en wat de barometerstand was’, zegt hij in de Zwolse Courant van 8 april 1972. ‘De gekke Pelle’, zo werd hij in het dorp genoemd. een actueel weerbericht in, bij bijzondere weersomstandigheden vaker. Deze weerlijn werd een enorm succes. Een van zijn meest gevleugelde uitspraken was: ‘Kijk nooit langer dan je neus lang is... en je neus is maar drie dagen lang’. Pelleboer werd een nationale beroemdheid. Hij genoot van de roem, maar wilde niet altijd op straat herkend worden. Als hij zich buiten het dorp begaf, vermomde hij zich daarom nog weleens met zonnebril, pet en aanplaksnor.

Mastenbroeker polder Jan Pelleboer voor een weerkaart van Europa

P

elleboer werd als boerenzoon geboren in ’s Heerenbroek, gelegen tussen Kampen en Zwolle, en ging naar de lagere landbouwschool. In de oorlog zag hij vlekken op de zon en stuurde een brief naar het KNMI. Sindsdien had hij regelmatig contact met De Bilt en toen de Hongerwinter kwam ook persoonlijk contact. Pelleboer in 1972: ‘Ook meteorologen hadden honger en omdat ze wisten dat er een jochie in landelijk ’s Heerenbroek zat die misschien wel boter en spek had, fietsten ze naar mij toe. Tegen die tijd kende ik de internationale weercodes al en toen de Canadezen op de Zwolse Grote Markt stonden, nam ik contact op met het KNMI en even later was ik assistent-weerkundige.’

Vliegveld Eelde

Van 1946 tot 1954 was Pelleboer als weerobservator in dienst van Meteo Eelde, op het vliegveld Eelde, ondanks het feit dat hij niet over de juiste vooropleiding beschikte. Hij verhuisde naar Eelde-Paterswolde waar hij de rest van zijn leven bleef wonen.

De nieuwe leiding van het KNMI wilde niet langer verder met medewerkers die nog allerlei dingen naast hun baan deden. Pelleboer, die ook voor kranten werkte en lezingen over het weer gaf, hoorde daarbij. In 1954 begon hij voor zichzelf, als freelance weerman.

Weerpraatjes

In eerste instantie combineerde hij zijn meteorologische analyses met werk voor de sportredactie van het Nieuwblad van het Noorden. Later kon hij goed leven van zijn werk als weerman. Zeker toen de TROS hem in de jaren zeventig ontdekte. In eerste instantie dook Pelleboer met zijn weerpraatjes op in radioprogramma’s waaronder het populaire Vijftig Pop of een Envelop. In dat programma beoordeelde hij het weer altijd met een rapportcijfer van 1 tot 10. Daarna volgde het televisie-actualiteitenprogramma TROS Aktua, dat bij hem thuiskwam om zijn weerpraatjes op te nemen. Begin jaren tachtig begon Pelleboer een eigen telefonische weerlijn. Als je dat telefoonnummer belde, hoorde je Pelleboer met zijn opgenomen weerbericht. Drie keer per dag sprak hij

Op zijn 52ste verdiepte Pelleboer zich in zijn roots. Zijn ouders waren al overleden en broers of zusters bezat Jan niet. Bij gebrek aan naaste familieleden stuurde hij 42 Pelleboers uit het telefoonboek een brief. De Zwolse Courant deed op 8 januari 1977 verslag van deze zoektocht: ‘Jan de weerman herenigde meer dan 200 familieleden’.

Gevelsteen

De boerderij aan de Bisschopswetering nummer 36 heeft een gevelsteen in de muur van de schuur die herinnert aan de eerste echte Pelleboeren, de veehouder Hendrik Lubberts en zijn vrouw Harmpje Jans Riesebos. In 1811 werd de naam Pelleboer voor het eerst gebruikt, toen de weduwe Harmpje Jans Riesebos – op last van het Franse gezag - een achternaam aanschafte en daarvoor ‘Pelleboer’ uitkoos. In de Nederlands Hervormde kerk in Mastenbroek zijn in de loop de eeuwen honderden Pelleboeren gedoopt.

Drie dagen

Jan Pelleboer overleed op 68-jarige leeftijd aan een hartaanval. In Paterswolde is het ‘Jan Pelleboerplein’ naar hem genoemd en in zijn geboorteplaats ‘s-Heerenbroek draagt een nieuwbouwstraat zijn naam. ●


24

Geschiedenis van alledag

DOOR GIRBE BUIST

Graancirkels in Overijssel De Mandercirkels, een landschapskunstproject op de Noordelijke Manderheide. (Aerial Twente)

Graancirkels zijn vaak geometrisch complexe vormen in platgelegd graan of andere gewassen. De grootte kan variëren van circa één meter tot enkele honderden meters in diameter. Over het ontstaan van graancirkels bestaan verschillende opvattingen.

V

oor ca. twintig procent van de graancirkels is vastgesteld dat ze door mensen zijn gemaakt. Het kan dan gaan om grappenmakerij, maar ook willen sommigen hiermee aantonen dat graancirkels door mensenhanden kunnen worden gemaakt. Anderen zeggen dat het fenomeen graancirkels niet meer kan worden afgedaan

als slechts mensenwerk. Er is echter nog geen eenduidige verklaring. De visies voor het ontstaan van graancirkels lopen uiteen van bolbliksems, plasmadraaikolken, aard-energieën, de geestenwereld, buitenaards leven, tot parende egels. In Australië verschijnen de cirkels vaak in opiumvelden en zouden ze zijn veroorzaakt worden door wallaby’s. Zij zouden de opiumplanten


OKTOBER 2019

25

20 meter. Bij Enschede ontdekte een stel ballonvaarders zes cirkels. In 1997 vond men drie graancirkels in Overijssel. De eerste was een pictogram bij Rossum, in een maisveld. De totale lengte van het pictogram bedroeg maar liefst 86 meter met een maximale breedte van 50 centimeter. Het begon met twee sporen, die aanvankelijk 3,50 meter uit elkaar lagen. Na 9,50 meter kwamen ze bij elkaar. Ongeveer drie kilometer verderop lag bij Volthe een tweede graancirkel. Het betrof eveneens een Y-vormig pictogram dat in twee percelen was gelegen, gescheiden door een greppel, waarin twee soorten maïs werden verbouwd. Het gewaspatroon had een lengte van ongeveer 300 meter, waarmee het tot dusverre het langste pictogram van Nederland is.

Nepcirkel

De laatste cirkel bevond zich net buiten de bebouwde kom van Markelo. Bij navraag van de landeigenaar bleek dat de maïscirkel vrijwel zeker nep was,

Engels pamflet uit 1678 waarin wordt beweerd dat de duivel achter de graancirkels zou zitten.

De graancirkels van Mander. (foto: Marcel Mentink)

eten en vervolgens stoned ronddolen in de velden, waarbij cirkelvormige patronen achterblijven.

Klijnstra. In dit archief worden ook een aantal Overijsselse graancirkels genoemd.

Onderzoek in Nederland.

In 1986 werd in Overijssel voor het eerst melding gemaakt van een graancirkel. Het ging hier om een cirkel met een diameter van circa vijftien meter in een tarweveld onder aan de Usseler es, langs de weg Enschede-Haaksbergen. Vanaf de jaren negentig verschenen er steeds meer graancirkels in Nederland. In het recordjaar 1996 werden in totaal 98 graancirkels gevonden. Twee daarvan bevonden zich in Overijssel. Rond 10 augustus werd een cirkel bij Kampen gemeld met een doorsnede van

aangezien hij vertelde dat hij toestemming had gegeven om tijdens een dorpsfeest deze cirkel te laten maken. Vanaf 12 augustus, de aanvang van de festiviteiten zou elke dag een stukje in de pers verschijnen. Op de laatste dag van het feest zou de ontknoping volgen van het “Markelose graancirkelmysterie”. En zouden de makers zich bekend maken. De pers werkte echter niet mee, juist omdat het om een nepcirkel ging. Na 2000 zijn er geen meldingen van graancirkels in Overijssel meer binnen gekomen, maar dat kan ermee samenhangen dat vanaf dat jaar vondsten minder nauwkeurig werden bijgehouden. ●

De graancirkels, die sinds 1986 in Nederland zijn ontstaan, werden als eerste in kaart gebracht door I.O.N. (Integraal Onderzoek Natuurfenomen) dat zijn zetel had in het toenmalige Natuurmuseum in Enschede (nu onderdeel van Twentse Welle). Deze denktank had van 1994 tot 2000 een graancirkelmeldpunt. Het complete archief van het I.O.N. werd gepubliceerd in het boek In de Ban van de Cirkel, graancirkelvondsten in de Lage Landen van Rudi

Graancirkels in Overijssel


In het volgende nummer

Historisch Tijdschrift Overijssel

Jaargang 8, nummer 1, januari 2019

Uitgelicht: Het

oorlogsdagboek van Riet Hoogland uit Enschede

Riet Hoogland (derde van links) wordt bij haar vrijlating in Scheveningen ontvangen door een groep oud-gevangenen. 16 juni 1941. (Museum Oranjehotel)

Verder:

Geschiedenis van de taal in Overijssel

‘De schure van Appie’ toont een bijzondere verzameling uit het Land van Vollenhove

Recent verschenen Overijsselse boeken En nog veel meer…

Profile for MijnStadMijnDorp Historisch Tijdschrift Overijssel

MijnStadMijnDorp Historisch Tijdschrift Overijssel, oktober 2019