Issuu on Google+


14


15


18


19


plattegrond Slachthuis uit 1910

22


23


32


Oorlogstransport “In ’44 werden de wagens van mijn vader in beslag genomen,” vertelt mijnheer Kossen (1940). “Mijn vader Simon en ome Sjors moesten met een wagen rantsoenbonnen naar Friesland vervoeren. Ze namen ook kinderen van de Katholieke school mee, om ze een paar weken in Friesland te laten aansterken. Er was daar minder controle dan in Noord-Holland, en zo ­waren die kinderen even uit de running. Daar hadden ze trouwens gewoon een vergunning voor gekregen. De Duitsers waren gek op stempels, vergunningen en controles. De hele route lag vast – met meerdere controleposten. Vóór en na de afsluitdijk werd de wagen van onder en boven gecontroleerd. Mijn vader en mijn oom namen natuurlijk ook wel eens onderduikers mee en spullen om te overleven. Dat verstopten ze dan achter de hooibalen. Waren ze betrapt – dan zouden ze zeker zijn gefusilleerd.”

33


50


Het Hofje “Mijn grootvader was ketelmaker bij de NS,” zegt mijnheer Bergman (1941). “Mijn zoon is machinist geworden.” De werkplaats van de ­Nederlandse Spoorwegen werd ook wel Het Hofje genoemd. “Want er werd flink geouwehoerd. Als je bijvoorbeeld een scharrel had, dan wist iedereen het,” lacht mijnheer Westerman (1946). De werkplaats was een soort uitgebreide familie, waarin iedereen van alles van elkaar wist. ­Binnen veel gezinnen was werken bij het spoor een familietraditie.

51


54


De vijftiende

Elke vijftiende van de maand werd het loon uitbetaald – contant – in een geldzakje. “Dan zag je een hele rij vrouwen aan de poort staan,” herinnert mijnheer Bergman (1941) zich. “Om hun mannen te onderscheppen zodat die niet ­gelijk de kroeg ingingen.” “In de oude tijd kreeg je het loon niet in een zakje, maar in een kolenkitje,” weet mijnheer Bout (1937) nog. “Dat waren kleine gelaste metalen bakjes. Je kon het geld erin horen rinkelen.”

55


a n i g a p Titel


68


Trut 1 en Trut 2 “Vroeger hadden we natuurlijk veel inloop en contacten dankzij de winkel,” vertelt mevrouw Van Tiel (1926). “We kenden de meeste mensen van gezicht. Als mensen op de pof kochten kenden we ook hun naam. Soms gaven mijn man en ik ze een bijnaam: zo hadden we een Trut 1 en Trut 2. Als een van de twee binnen kwam, gaf ik mijn man een schop tegen zijn scheen. Dan wist hij precies wie ik bedoelde. Hij heeft in de loop der jaren veel trappen ­tegen zijn benen ­gekregen.”

69


Meehelpen

“Ik kom uit een katholiek gezin met negen kinderen,” zegt mijnheer Klaver (1947). “Mijn vader had een melkzaak en alle ­kinderen moesten meehelpen. Vaak waren het simpele klusjes zoals schoonmaken. Je kreeg in die tijd geen kinderbijslag als je een eigen zaak had. Toen de boekhouder de zaak geduveld had, nam mijn broer de administratie over. Onze kamer stonden altijd vol met dozen koek en dat soort rotzooi. Als de leveranciers kwamen afrekenen was er soms té weinig geld. Dan werden ook onze spaar­ potjes geleegd.”

Rooie Vlaggen en Katholieken

“In principe was het zo dat katholieken alleen bij andere katholieken kochten. Maar onze geloofs­ genoten zagen we nooit bij ons in de winkel!,” zegt mijnheer Klaver (1947). De Slachthuisbuurt was een Rooie wijk. Overal zag je rode vlaggen hangen. Maar ik moet zeggen, die PvdA-ers waren geschikte, loyale klanten hoor! “Ik ken mensen die katholiek zijn geworden voor de klandizie,” lacht mijnheer Brussee (1935).

76


77


84


85


88


Gouden jaren

“De jaren ’60 was de tijd van de nieuwe producten,” zegt mijnheer ­Leenders (1935). “Dierenvoer, afwasmiddel, chips, frisdank – noem maar op, en allemaal in verschillende merken.” “Ik weet nog goed toen er een vrouw in winkel kwam en die vroeg om champignons, want haar zoon mocht geen vlees eten,” zegt mijnheer Brussee (1933). “Dat had ik voor die tijd nog nooit in mijn winkel ­gehad. De spullen die niet verkocht werden aten we zelf: stekkies noemden we dat.” “Op het laatst hadden we 102 soorten brood in ons assortiment,” zegt mijnheer Hart (1938). “Dat moest je allemaal maken. Dat werd elke nacht gebakken. Begin ‘70-er jaren had iedereen geld te besteden. Dan verkochten we op een zaterdag soms wel vijfduizend gebakjes.” “Gouden Jaren? Die waren er niet,” zegt mijnheer Bakel (1943). “Je moest een enorme omzet maken om rond te kunnen komen. Je maakte dagen van zes tot tien. Elke dag heel hard werken. Toen ­kwamen de ­supermarkten en die hebben alles kapotgemaakt.”

89


Winkelwagen

“Ik had eerst een melkzaak in Amsterdam,” zegt mijnheer Van Bakel (1943). “Maar daar zat ik op de wip, want het pand waarin ik zat werd verkocht.” Samen met zijn vrouw had hij een kruidenierszaak en winkelwagen, waarmee ze door de wijk trokken om hun waren aan de man te brengen. “Ik heb het tien jaar volgehouden -van ’75 tot ’85- 100 uur per week werken. Ik ben gestopt toen mijn eigen kinderen groot genoeg waren om mee te kunnen helpen. Ik heb het ze kunnen ­besparen.”

94


95


106


Fluitje van de meester “De lesdag van de Bruchschool begon altijd vijf minuten eerder dan die van de Thielschool,” vertelt mijnheer Brandt (1931). “Als ik het fluitje van de meester van de Bruchschool hoorde – dat was het signaal om in rijen te gaan staan om naar binnen te kunnen lopen – wist ik dat ik van huis moest gaan. De klassen moesten in rijen, klas voor klas, door de poort naar binnen want die was nogal smal.”

107


108


109


128


Lapjeskat

“Ik heb zelf geen leuke schooltijd gehad,” zegt mevrouw Stuit-Lap (1944). “Ik was nooit zo’n studiehoofd en ik moest helemaal vooraan zitten want ik had slechte ogen. De meester maakte me het leven zuur; daarnaast werd ik vaak gepest vanwege mijn naam. ‘Poes! Poes! Kom hier, lapjeskat!’ riepen de anderen vaak. Daar werd ik woest om. Wij kwamen uit een creatief gezin, en op een keer nam ik een breipatroon mee om op school te laten zien. Toen sloeg een van die rotjochies het zomaar kapot! Ik vertelde het meester Ten Broeke – dezelfde onderwijzer die vaak gemeen tegen me deed – en die wuifde het weg. Ik vond dat ik onredelijk was behandeld dus ik ging boos naar huis. Dat had ik afgesproken met mijn moeder en dat heb ik mijn eigen kinderen ook meegegeven – je hoeft niet alles maar te pikken.”

129


144


145


154


Kindervreugd versus Oosterkwartier

In 1928 werd de speeltuinvereniging Kindervreugd opgericht als ­katholieke speelvereniging. Voor de protestantse kinderen was er ­speeltuin Oosterkwartier. De speeltuinen vervulden een belangrijke rol in de buurt. John van Leeuwen weet nog veel van de twee speeltuinen uit zijn eigen jeugd in de jaren ’50. ”Toen heette het hier nog Bavodorp en dat was een katholieke buurt’’, herinnert hij zich. “Alleen de Godfried van Bouillonstraat was niet katholiek en daar ben ik geboren.’’ Van Leeuwen speelde dus bij de andere speeltuin, de protestantse, maar kwam ook graag bij Kindervreugd. John van Leeuwen: ”Ik mocht niet lid worden, maar alle kinderen uit de buurt wisten na sluitingstijd wel in de speeltuin te komen. We klommen stiekem over het hek. Ik kan me goed herinneren hoeveel er werd georganiseerd bij de speeltuin. Ik zie de­ optochten met palmpasen en Sint Maarten nog zo voor me, een ellenlange rij kinderen, heel indrukwekkend.’’

155


164


165


Bedelen en stelen

“Ergens is het ook een geluk geweest dat mijn moeder twee zoons had,” zegt mijnheer W. Hessels (1933). “Vader zat ondergedoken, dus die moest zich verschuilen. De laatste twee jaar van de oorlog ging ik met mijn oudere 166

broer de polder in om eten bij elkaar te bedelen en te stelen om te overleven. Dat lukte aardig. We gingen er samen iedere morgen op uit – de boeren langs. We scharrelden alles bij elkaar wat we konden vinden, maar vooral tarwe en brood. De Hongerwin-

ter was aangebroken dus we moesten soms ook wel wat stelen. De buit deelden we met de buren want hun zoon zat ook ondergedoken. Er zaten zelfs onderduikers in hetzelfde schoolgebouw waar de Duitsers kwartier hadden gemaakt. Soms wisten we

dat er een controle zou zijn op de weg terug naar huis. Dan verstopten we de spullen ergens langs de kant van de weg om later weer op te pikken. Je kreeg er echt handigheid in.” “Op mijn dertiende reed ik uren door de polder op een fiets zonder banden om een

halve mud aardappelen te halen. Hoe is het mogelijk,” zegt mijnheer J. Hessels (1931). “Het is gek, maar ondanks die Duitsers hadden we toch een leuke tijd,” zegt hij een beetje verontschuldigend. “We mochten alles doen wat we maar wilden.

Iedereen rekende op ons – we werden gewaardeerd. Mijn broer en ik namen ook andere kinderen op sleeptouw. Je leerde het snel. Een van hen – Pietje – was na een paar weken al linker dan wij. Direct na de oorlog hadden we het slechter dan in oorlogstijd.”

Mijnheer Schreuder (1930) knikt instemmend: “Ergens was het voor een jongen in de oorlog ook wel leuk. Het is natuurlijk tegennatuurlijk voor jonge mensen om met mooi weer binnen in een klaslokaal te zitten. Als er een luchtalarm was, of de wehrmacht nam de


school weer eens in – dan was je blij, want dan kon je doen wat je wilde.”

Bombardement van de Dyserinkfabriek

“De Engelsen wilden de oliefabriek aan de Schalkwijkerweg bombarderen om te voorkomen

dat de Duitsers de olie zouden gebruiken om hun tanks en wapens mee te smeren,” zegt Peter Schulte (1938). Toen hebben ze per ongeluk het kantoor gebombardeerd, niet de fabriek. Op het fabrieksterrein is later de Dekamarkt gekomen.”

De Bombardementen

“Ik heb in de oorlog nog een bombardement meegemaakt,” zegt mijnheer Rozen (1935). Ik weet nog dat ik op straat stond, omhoog keek, en allemaal vliegtuigen zag. Bakker Krol heeft me toen naar binnen getrokken en onder

de toonbank verstopt. Toen vielen de bommen. Het waren Engelse vliegtuigen. De bommen moesten waarschijnlijk op de NS werkplaats vallen om het spoor lam te kunnen leggen. Maar ze hebben zich kennelijk vergist, want er zijn in de buurt veel slachtof-

fers gevallen. Bij een aantal kleine kinderen waren zelfs de longen gesprongen door de luchtdruk van de ontploffingen.” “Na de bombardementen strompelden mensen te voet naar het ziekenhuis. Er waren geen ambulances. Dat was een lange stoet;

ik zie het nog voor me. Ik was zelf ook gewond geraakt door rondvliegende ­scherven; daar heb ik nog wel een tijd last van gehad. ’s Nachts kwamen hier altijd de gevechtsvliegtuigen overvliegen – honderden achter elkaar, heen en terug, de héle nacht door. ­

Als op de eerste van de maand het luchtalarm af gaat schrik ik nog altijd even.”

167


186


De Oorsprong van de Bloedkuil

Mijnheer Houtkamp (1936) heeft uitgezocht hoe de Bloedkuil aan zijn naam is gekomen: “Ik heb onlangs twee oude slachters gesproken over hoe dat nou zit met die naam. Ik ben er achter gekomen. Er werd namelijk wel eens een koe gepikt, en die kon dan niet in het slachthuis worden geslacht. De Bloedkuil heet zo omdat daar soms clandestien werd geslacht.�

187


Het geheugen van de Slachthuisbuurt