Page 1

Verslag bijeenkomst NAEB: ‘Wat is een goed ruimtelijk beleid voor schaalvergroting en stoppende bedrijven?’ 24 juni, Eemlandhoeve, Bunschoten Veel verandert in het landelijk gebied. Trends die dwars tegen elkaar ingaan: agrarische bedrijven die vergroten, bedrijven die stoppen, en boeren die gaan verbreden. In Bunschoten zien we het allemaal. We zijn te gast bij de Eemland Hoeve, het multifunctionele bedrijf van Jan Huijgen. De buurman is flink aan het opschalen. Hoe ga je met dergelijke ontwikkelingen om? Een scherp contrast: het knusse bedrijf van Jan Huijgen met zorgboerderij, moestuinen, streekwinkel en natuurontwikkeling; daarnaast in het open landschap de enorme stal van buurman Schaap, met een paar honderd koeien, een melk- en mestrobot en ander technisch vernuft. Huijgen is blij dat de gemeente ruimte geeft voor beide stromen: vergroting en vermaatschappelijking. Maar zegt wel: “Ik schrik van de ‘McDonalds-isering’. Het moet hier geen pretpark worden. Kwaliteit moet voorop staan: rust, biodiversiteit, zorg voor mens en vee. Elke ontwikkeling zou in dat kader moeten passen.” Beide ondernemers staan op goede voet met elkaar, maar Huijgen benadrukt ook dat hij niet voor niets nadrukkelijk een andere weg heeft gekozen. Dat het landelijk gebied verandert is een feit. Als gemeente kun je bepalen, sturen of loslaten. Vandaag zien we hoe zij daar mee omgaan. De visie van Jan Huijgen Twintig jaar geleden bedacht Jan Huijgen zich twee dingen: 1) de sector was geïsoleerd geraakt van de burger, en 2) waar blijft de toegevoegde waarde voor de boer? Wie zijn vlees niet via de keten maar direct aan de klant verkoopt als speciaal barbecue-vlees, houdt een factor drie meer over, ontdekte Huijgen. Het eerste zaadje voor de Eemlandhoeve was geplant. In 1993 ging de Eemlandhoeve van start. Vijf jaar later volgde de eerste uitbreiding. Ook voor de toekomst zijn plannen in de maak. Huijgen heeft crowdfunding opgezet om een restaurant te ontwikkelen. (Want: landschap is uit, maar voedsel is in! Dat moet je gebruiken als drager.) Voor de Eemlandhoeve 2.0 (natuurobservatorium, mogelijkheden voor overnachting, eventterrein) worden de plannen in juli in de gemeenteraad besproken. In zijn hoofd is Huijgen alweer druk met Eemlandhoeve 3.0. Huijgen is een slimme vogel met een flink portie zelfvertrouwen en lef. Hij opereert op het scherpst van de snede en gaat soms over de grens. “Soms weet je al dat je ‘nee’ gaat krijgen als je iets moet aanvragen, dan houd ik me dus van de domme,” legt hij uit. “Maar als ik dan word teruggefloten, dan accepteer ik dat ook.” En taal is belangrijk, weet hij. ‘Kapel’ viel niet zo goed in het protestantse Bunschoten, dus werd het natuurobservatorium. De visie van Bunschoten De ambtenaar is bepalend voor dit soort processen, vertelt Huijgen ook. Die ambtenaar is René Gmelig Meyling, coördinator milieu en landschap. René zit al een hele poos op zijn post, en beide mannen hebben de afgelopen jaren een goede vertrouwensband opgebouwd. Jan zet altijd nieuwe stappen voor de overheid de vorige stappen heeft bijgeplaatst. Vooral in het begin heeft dat tot wat spanning geleid, vertelt René. Maar als regio profiteren we ook van Jan en zijn contacten. De gemeente Bunschoten heeft voor haar Toekomstvisie 2025 als motto: de boer is de economische drager van het buitengebied. Binnen grenzen moet de gemeente die faciliteren. Daarbij worden drie


kernkwaliteiten in het oog gehouden: openheid, slagenlandschap en veenweidegebied. Daarnaast is oog voor de potentie van recreatie (als geldstroom) en duurzaamheid. Als basis voor het beleid in het buitengebied, is de gemeente met partners als LTO en gebiedscoöperatie O-gen bij de huidige ondernemers aan de keukentafel gaan zitten. Tijdens die inventarisatie werd boeren gevraagd naar hun wensen en problemen. Ook de potenties van het gebied, zoals natuur en recreatie, werden in kaart gebracht. Van de 61 volwaardig agrarische bedrijven blijken er voor 2020 al elf gestopt. Maar er zijn er ook 22 die willen uitbouwen, en een aantal ziet kansen voor onder andere natuur en duurzaamheid. Nu ligt er verschillend beleid klaar, waaronder een bestemmingsplan, een landschapsontwikkelingsvisie en een kernkwaliteitengids. Boeren krijgen de ruimte, mits de kernkwaliteiten overeind blijven. Kansen worden gezien in groene diensten: ze trekken mensen en het is maatschappelijk gewenst. Iemand uit het publiek noemt daarop een voorbeeld van Ark en Eemlandschap. Daar wordt gewerkt met een grondgebruikersbank: ondernemers die maatschappelijk bijdragen, worden gefaciliteerd met extra grond. De visie van Schouwen-Duiveland – economische vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit Schouwen-Duiveland is meer dan strand en kust alleen, vertelt Risto Louws van Rho adviseurs. Ook in het binnenland liggen kansen voor recreatie, landbouw, economie en ecologie. Toen de provincie ruimte gaf voor nieuwe economische dragers, wilde de gemeente nog wel een beetje meer ruimte bieden. Mits nieuwe ontwikkelingen ten dienste zouden staan van de ruimtelijke kwaliteit. Gemeente en ondernemers zouden bovendien niet tegenover elkaar staan, maar samen optrekken. De visie: ruimtelijke kwaliteit gaat hand in hand met economische vitaliteit. Deze visie leunt op het volgende: -

Economische vitaliteit betekent ‘passende’ economische ontwikkelingen toestaan. Dat zijn ontwikkelingen met een functionele meerwaarde die passen bij de locatie. Er zijn mogelijkheden voor grondgebonden landbouw zoals vergroten en verbreden, de gemeente is daarin niet sturend. Ook toerisme en recreatie zijn mogelijk (ook in het achterland), evenals wonen en bedrijfsfuncties (passend, en mits ze geen afbreuk doen aan het voorzieningenniveau in de kernen).

-

Ruimtelijke kwaliteit: functies moeten een meerwaarde hebben voor de plek, én andersom. Ook moet de ontwikkeling landschappelijk goed worden inpast en moet er ruimtelijke kwaliteitswinst zijn op gebied van bijvoorbeeld water, natuur en landschap (op locatie of elders / via een fonds).

-

Een laatste belangrijk punt is duurzaamheid: milieutechnisch, energetisch, maatschappelijk, ruimtelijk en economisch.

De gemeente Schouwen-Duiveland heeft verschillende instrumenten, zoals een landschappelijk raamwerk (waarin drie deelgebieden worden beschreven), een landschapsontwikkelingsplan (de vertaling van het raamwerk), een richtinggevende inspiratieatlas en een kwaliteitsteam (dat toetst en adviseert). We gaan van toetsingsplanologie naar ontwikkelingsplanologie naar uitnodigingsplanologie, vertelt Risto. Voor kwaliteit heb je echter ook een visie nodig. Kwaliteit kun je niet in regels vatten, maar je moet wel richting geven. Voor initiatiefnemers is een meerwaarde dat de gemeente laat zien dat er meer mogelijk is. De visie van Helmer Wieringa Adviseur ruimtelijke ordening Helmer Wieringa blikt terug op de eerste twee verhalen: Ambtelijke continuïteit is belangrijk. Maar het bestuur kan voor beweging zorgen: als het college iets wil, dan is er altijd een weg, en dan is de rest van de RO ‘eigenlijk flauwekul’. We moeten niet in de valkuilen van detail lopen. En beleid integreren, maar regels gescheiden houden; dat kan bij de nieuwe Omgevingswet nog wel eens fout gaan. Daarnaast is het belangrijk om het gesprek aan te gaan. Je moet mensen niet vragen of ze ideeën hebben, dan loop je vast op de structuurvisie. Je


begint met: welke ideeën denken we te gaan doen?, en dan: hoe gaan we dat doen? Taal is ook belangrijk. ‘Het past er niet in’ klopt niet bij ontwikkelingstaal. En je moet ook het woordje ‘geen’ niet gebruiken, maar zeggen wat je wél wilt. Tenslotte verwijst Helmer naar een uitspraak van Willem Bruil, hoogleraar Agrarisch Recht: we hebben de fout gemaakt om te zeggen dat alles in het buitengebied voor boeren is; alles wat we doen is een uitzondering daarop. Hoe vinden we een nieuw hoofdprincipe? De visie van Hardenberg – Landschapsidentiteitskaarten De gefuseerde gemeente Hardenberg bestaat voor 90% uit buitengebied en 80 % landbouw, en wordt gekenmerkt door een divers landschap. Tineke Bovenkamp en Alfred Gijlers vertellen hoe de gemeente afstapte van het traditionele bestemmingsplan en toeging naar een gebiedsgerichte benadering en ontwikkelingsplanologie. Het begint met een visie, vindt Hardenberg. In de Visienota buitengebied wordt eerst gekeken wat er is (identiteit), om van daaruit naar die visie te komen. Van grof naar fijn dus: van een gebiedsindeling naar gebiedskenmerken, en van daaruit naar een ontwikkelingsvisie Voor de visienota ging de gemeente met de plaatselijke belangen om tafel zitten: wat zijn de kenmerken, kansen etc. van dit gebied? Vervolgens lieten de plaatselijke belangen dit met een tour door het gebied ook aan de gemeente zien: wat leeft er? Deze inventarisatie kreeg vervolgens een vertaalslag in de Landschapsidentiteitskaart (LIK). Voor nieuwe ontwikkelingen is een ruimtelijke kwaliteitsplan nodig, met de LIK als uitgangspunt. Plannen worden besproken door het Ruimtelijk Kwaliteitsteam. Met deze werkwijze wordt op ruimtelijke kwaliteit gestuurd via een gebiedsgerichte benadering. Landschapsbestemmingen en –functies worden gekoppeld aan het landschapstype: die bepaalt de ontwikkelingsrichting. Er is veel draagvlak voor de werkwijze. Mensen herkennen zich in de landschapstypen: de nauwe samenwerking met belangengroeperingen is hierin de kracht geweest. Ook nu bij de uitvoering is er veel wederzijdse betrokkenheid: de gemeente gaat naar het erf om een plan te horen, initiatiefnemers en gemeente trekken daarna samen op. De visie van Gemert-Bakel Gemert-Bakel in de peel is een veedicht gebied. Hier betekent ruimtelijke kwaliteit meer dan een mooi landschap alleen, denk aan gezondheid en leefbaarheid. Ook de felste discussie, die over megastallen, is eigenlijk een maatschappelijke discussie en geen ruimtelijke. Emil Uriot vertelt hoe de gemeente daarmee omgaat. Wie geef je ruimte in het buitengebied, alleen boeren? Het is maar net hoe je erin staat: zie je het buitengebied als plek voor rust, ruimte en recreatie, of als plek voor productie? Feit is dat het agrarisch belang afneemt: de agrarische sector biedt momenteel minder arbeidsplaatsen dan de zorgof dienstensector. Ondertussen is de boer een echte ondernemer geworden: hij wil groeien, anders kan hij niet voldoen aan de technische kosten. Maar mensen zijn de schaalvergroting beu: actiegroepen als Knakdeworst zijn pas tevreden als de dieraantallen omlaag gaan. Bovendien voelt het landschap door de schaalvergroting niet meer van de mensen zelf, ook daar zit deels de onvrede. De provincie Noord-Brabant zet ondertussen haar eigen stappen, en stelt eisen waar de gemeente bevoegd gezag is. Voor agrariërs geldt een maximum van 1,5 hectare bouwblok en verschillende (milieu)eisen, en de sector is in principe op slot gezet. Wie wil uitbreiden, moet dit verdienen door punten te scoren op een maatlat (de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij). De gemeente probeert daar doorheen te laveren. Uitgangspunt is de Telos-driehoek: dat betekent een evenwicht zoeken tussen mensen, ruimte en economie. Dat is moeilijk, want de kant van mensen / leefbaarheid trekt momenteel hard. De gemeente hanteert nu een aanpak van ruimte maken en ruimte laten, dus gebieden waar de agrarische sector niet groeit vs. intensiveringsgebieden. Beleidsmatig is alles vastgelegd in onder andere een uitvoeringsprogramma plattelandsontwikkeling: een integraal programma waarin leefbaarheid toch een grote speler is, en ruimte wat is ingedikt. Gemert-Bakel kiest voor gebiedsgericht werken, omdat individuele vergunningverlening geen antwoord geeft op het maatschappelijke belang. Ontwikkelingsplanologie is het uitgangspunt: ja, mits. De voorwaarden zijn vastgesteld, maar wel transparant en democratisch. De gemeente blijft met mensen in gesprek, en probeert ook ruimte te bieden voor een alternatief. Met deze aanpak volgt de gemeente de Verordening ruimte, de ambitie gaat nog even niet verder.


De visie van Helmer Wieringa Hardenberg werkt met gebiedsgerichte pakketjes in plaats van met functies. De gemeente laat ook zien: overal maatwerk leveren werkt. De gemeente werkt van grof naar fijn. Het is belangrijk om ondernemers (en partners) in dat proces mee te nemen: een rond blokje past later immers niet in een vierkant gaatje. Mensen snappen het ook wanneer je ze meeneemt. Daarnaast werken de verschillende gemeenten met een systeem waarin het onderzoek vertaald wordt naar kwaliteiten, die naar beleid en dan naar toetsing. Dat is essentieel, omdat je bij toetsing niet altijd terug kunt naar de onderzoeken. Helmer sluit af met: “Ruimtelijke ordening is toegegroeid naar een instrument om negatieve effecten te voorkomen / beheersen. Ik hoop dat de Omgevingswet dit gaat doorbreken. Lokale, maatschappelijke discussie zijn winst. Trap niet in de valkuil van effectbeheersing, maar grijp de kans van ontwikkelingssturing.�

Verslag bijeenkomst Schaalvergroting en stoppende bedrijven  

Nu al Eenvoudig Beter, bijeenkomst 'Wat is een goed ruimtelijk beleid voor schaalvergroting en stoppende bedrijven?'

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you