Issuu on Google+

Verslag Veldexcursie NAEB: Ruimtelijke ontwikkeling en archeologie 10 juni schaapskooi Garderen (Barneveld) In de bossen van de Veluwe, tussen de grafheuvels en historische grenswallen, ligt de opgeknapte schaapskooi van Garderen (gemeente Barneveld, Gelderse Vallei). Een passende plek voor een bijeenkomst over ruimtelijke ontwikkeling en archeologie. In drie casussen wordt vandaag uitgelegd hoe ruimtelijke ontwikkeling, óók met voldoende oog voor archeologie, sneller kan gaan.

Casus 1. Barneveld: de regioarcheoloog Wie er oog voor of interesse in heeft, ziet: Barneveld ademt archeologie en cultuurhistorie. Resten van rendierjagers zijn gevonden bij Stroe. Her en der verspreid in het gebied liggen grafheuvels tot wel 2500 jaar oud. Er is een klokbeker opgegraven van 4200 jaar oud. Het Kootwijkerzand dankt zijn bestaan aan een middeleeuwse natuurramp, toen in de 10e eeuw de te droge akkers gingen stuiven. Maar evengoed geldt: het landschap verandert. Vroeger was hier allemaal heide, sinds goedkope wol en kunstmest hun intrede deden zien we alleen nog bos. Ook van alle boerderijen in de Gelders Vallei zal straks nog maar een fractie overblijven. Hoe om te gaan met wat vroeger was en nu niet meer? Gemeentelijke zorg, maar wel vrijheid Tegenwoordig is archeologische monumentenzorg de verantwoordelijkheid van de gemeente. Maar niet alle gemeenten hebben eigen kennis in huis. Maar liefst de helft heeft maar weinig kennis, durft regioarcheoloog van de Gelderse Vallei, Peter Schut, te stellen. Maar het is wel belangrijk. Cultuurhistorie betekent identiteit, en dat zorgt voor veel betrokkenheid. En toeristen vinden het ook leuk. Gemeenten ‘moeten’ dus wat. Maar hebben daarbij wel vrijheid, weet Schut. Die vrijheid heeft men in de gemeente Barneveld ook genomen. Volgens de Monumentenwet geldt: omvat de ruimtelijke ontwikkeling meer dan 100 m2, dan is een archeologisch onderzoek verplicht. De gemeenteraad kan hiervan afwijken. Durf te kiezen In Barneveld heeft men ervoor gekozen in een aantal gevallen strenger op te treden, als het gaat om historische kernen bijvoorbeeld. In andere gevallen stelt de gemeente zich juist soepeler op. Maar hoe? Door van een globale naar specifieke aardkundige kaart te gaan, en zo de pareltjes eruit te halen. Schut geeft een voorbeeld: het buitengebied van Barneveld heeft 2400 bouwblokken. Welke zijn daarvan historisch? 500. En welke zijn middeleeuws? 200. Van welke van die 200 kunnen we verwachten dat de historie in de grond nog grotendeels intact is, een groot verhaal heeft? 90. De boodschap van het verhaal: je mist er vast een paar, maar durf te kiezen!


Meerwaarde regioarcheoloog Schut vindt dat je eerst moet zoeken naar redenen om geen onderzoek te doen. Selectiever omgaan met de onderzoeksplicht bespaart. Maar soepel omgaan met regels kan alleen met kennis. Een regioarcheoloog kan hierin van grote meerwaarde zijn. Hij of zij is onafhankelijk, zorgt voor continuïteit en kwaliteit. Dat leidt weer tot betere kostenbeheersing en draagvlak.

Casus 2. Brainwierde Weiwerd: het kavelpaspoort Wierdedorp (‘Friese terp’) Weiwerd, gemeente Delfzijl, kent een roerige geschiedenis. De negatieve spiraal werd in gang gezet na de Tweede Wereldoorlog. Door verschillende ontwikkelingen, zoals het verdwijnen van de spoorlijn, gingen veel voorzieningen verloren en nam het inwoneraantal af. Door de uitbreiding van de haven van Delfzijl, werd in de jaren zestig een aantal dorpen in de omgeving opgekocht. Weiwerd werd in eerste instantie gespaard, maar was in 1970 toch de klos. Zonder dat daarbij rekening werd gehouden met de emotie van mensen. In 1985 werd de Stichting Behoud Weiwerd opgericht, die er bij het havenbedrijf op aandrong om het dorp toch te behouden. De vraag was alleen: hoe? Een woonbestemming was vanwege veiligheid niet meer mogelijk, en ook zware industrie viel af (de wierde was rijksmonument). Belangen verenigd De oplossing kwam uiteindelijk van ontwerpbureau West 8, vertelt Saskia Koers, van Groningen Seaports, beheerder van de haven van Delfzijl. In ‘Brainwierde Weiwerd’ zou het dorp een kantoorfunctie krijgen. (Dat is wel toegestaan m.b.t. veiligeheid: werkenden zijn minder kwetsbaar t.o.v. bewoners.) Doelgroep: kennisintensieve MKB met directe relatie omliggende industrie. Bestaande gebouwen zouden in het plan worden hergebruikt, op vroegere bouwblokken mocht nieuwbouw plaatsvinden. Voor de precieze invulling werd een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Bijzonder was: partijen met verschillende belangen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Groningen Seaports, de stichting, gemeenten) zaten met elkaar aan tafel. ‘Ik wil niet dat er wordt gegraven’ werd: ‘Ik wil de schatten in de bodem bewaren’. Het verbinden van belangen is het sleutelwoord, zegt Koers. In een vroeg stadium alle betrokkenen aan tafel, weten van elkaar wat de ander belangrijk vindt, dat leren waarderen. Met kavelpaspoorten is voorwerk gedaan Een proces als dit vraagt wel vertrouwen, weet Koers. Maar had uiteindelijk resultaat: een overeenkomst in 2012. Centraal in het plan staan kavelpaspoorten. Die kavelpaspoorten geven duidelijke spelregels en oplossingen. Er staat iets in over de kenmerken van de oorspronkelijke bebouwing (boerderij, schuur of huis), en er wordt richting gegeven aan bijvoorbeeld materiaalgebruik. Daarmee is het voorwerk gedaan: de welstand, de wens van de RCE en het bestemmingsplan. Ondernemers weten van te voren waar ze zich aan moeten houden. Daardoor gaat de vergunningverlening sneller. De kavelpaspoorten gaan uit van het principe ‘ja, mits’ in plaats van ‘nee, tenzij’. Dat vraagt wederom vertrouwen, en je kunt niet alles vastleggen, stelt Koers. Bovendien zorgt de komst van ondernemers uiteindelijk voor behoud van het dorp. Nu is het wachten op de eerste klanten, maar er is in ieder geval al een aantal bedrijven geïnteresseerd.

Casus 3. BOORIS: toets met GIS-systeem verlaagt aantal onderzoeken Rotterdam is een speciaal geval als het gaat om archeologie. Het bombardement dat een groot deel van de stad wegvaagde, heeft zijn sporen nagelaten. Mensen in Rotterdam hechten aan oude dingen. Het tweede opvallende feit: het hele grondgebied van de stad heeft een archeologische dubbelbestemming. Dat betekent dat je bij een ruimtelijke ontwikkeling altijd verder moet kijken naar archeologie. Maar betekent dat dat je altijd een onderzoek moet uitvoeren?


Toets of vooronderzoek nodig is Niet als het ligt aan BOOR (Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam), de eerste gemeentelijke archeologische dienst in Nederland. Hoofd Arnold Carmiggelt stelt: minder opgravingen is eigenlijk goed, dan blijft alles netjes in de grond en zijn er minder kosten. Maar het betekent niet dat vooronderzoek overbodig is, wanneer dit niet leidt tot een opgraving. Vooronderzoek is nuttig, maar je kunt wel kritischer kijken of het altijd noodzakelijk is. BOOR probeert dat te doen op een efficiÍnte en kwalitatief goede manier. En wel als volgt: De eerste signalering is de Archeologische waarden- en beleidskaart (AWK) Rotterdam uit 2005, en gedetailleerder: het bestemmingsplan. Het AWK zegt wanneer het nodig is een toets uit te voeren op de noodzaak van een archeologisch onderzoek. Het bestemmingsplan geeft daarvoor de criteria. Op basis van de verwachting van wat in de bodem zit, wordt gesteld: als de ontwikkeling groter is dan x en dieper gaat dan y, dan moet het bouwplan worden getoetst. BOORIS zeeft Moet een initiatiefnemer inderdaad een toets uit laten voeren, dan stuurt hij zijn bouwplan door naar BOOR. Die toetst het bouwplan met BOORIS, een GIS-informatiesysteem. BOORIS bevat allerlei informatie op het niveau van individuele grondboringen, over hoogte en meer. Ook ligt in BOORIS vastgelegd wat er de afgelopen 50 jaar over andere zaken is gezegd. Zo kan BOOR kijken wat de situatie is, welk eerder onderzoek in de omgeving is gedaan en welke adviezen eerder zijn gegeven. BOOR komt vervolgens niet met een rapport, maar met een concreet besluit. BOORIS is een globaal bureauonderzoek en werkt als zeef. Dankzij de toets blijkt in 20% van de gevallen archeologisch vooronderzoek niet nodig. Maar er zijn grotere meerwaarden, gelooft Carmiggelt. BOOR kan met BOORIS snel werken en maatwerk leveren, gratis. Door gebruik te maken van veel data uit een lange periode, kan BOOR transparant en consequent zijn. Keuzes moet je goed kunnen onderbouwen. Veel gevallen zijn niet zwart-wit, en dat vraagt kennis. Medewerkers van BOOR kunnen in een groot bedrijf als dit sparren, en dat is eveneens een voordeel. Uiteindelijk is archeologiebeleid maatwerk, meent Carmiggelt: dan kun je scherpere keuzes maken en is kostenreductie mogelijk. Om het goed te kunnen onderbouwen, is kennis op lokaal niveau essentieel. Regio’s zouden daarin nog meer samen kunnen optrekken en kennis delen, en goed informatiebeheer is onontbeerlijk.

Uit de discussie Als de gemeente er meer moeite voor doet om te bekijken of onderzoek echt nodig is, komen de lasten bij de gemeente terecht en de baten bij de burgers en bedrijven die een ruimtelijke ontwikkeling op gang willen brengen. Dat leidt er toe dat gemeenten die zelf geen voorwerk doen en alle onderzoeksplichten doorschuiven naar bedrijven uiteindelijk goedkoper uit zijn, maar wel bedrijfs-onvriendelijk opereren. Hoe kun je deze houding tegengaan?


Verslag bijeenkomst Ruimtelijke ontwikkeling en archeologie