Page 1

Magazine Sociale geneeskunde heeft toekomst

Zorg voor mensen op zee

Acties in umc’s

Huisartsen in positie

Nummer 23 - September 2018 Kwartaalmagazine van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD)


Voorwoord

Neem ons serieus “Zit jij erop te wachten om met een spandoek door je eigen umc te lopen en om actie te voeren?” Het is misschien de meest gestelde vraag die ik afge­ lopen zomer kreeg. Om meteen maar met de deur in huis te vallen: nee. Ik vind actievoeren niet leuk en nee, ik doe het liever niet. Waarom ik dan toch bij de actie­bijeenkomsten in mijn eigen umc aanwezig was en de acties in de andere umc’s van harte ondersteund heb? Simpel: ik voelde me ertoe genoodzaakt, omdat de NFU, ondanks alle signalen van ontevredenheid, niet bereid was te investeren in de 67.000 werknemers in umc’s, waardoor er nog steeds geen nieuwe cao is. Los van de boosheid heb ik me vooral verbaasd over de opstelling van de NFU. Door niet te willen in­ves­ter­en, zei ze eigenlijk dat we niet moeten zeuren over hoge werkdruk of over structureel overwerken. Maar als ik op een rij zet wat wij vragen, is dat echt niet buiten­­sporig. We willen goede afspraken om de werk­ druk aan te pakken en willen salarisafspraken die ‘markt­­conform’ zijn. En ik denk dat ik namens al mijn col­lega’s in de umc’s spreek, als ik zeg dat we serieus willen worden genomen. Dat deze zomer ruim 7.000 werk­nemers meededen aan de acties, zegt genoeg. De ontevredenheid is hoog, zeker toen we met z’n allen in de krant konden lezen dat er geen geld is voor een goede cao, maar dat er wél umc’s zijn die pre­mies betalen om werknemers te behouden of aan te trek­ken. Dat is net zoiets als iemand eenmalig een dinertje in een sterrenrestaurant aanbieden, terwijl je de dagen erna tien uur per dag in de spoelkeuken mag ploeteren.

LAD magazine | 2

De signalen van ontevredenheid hebben ook de NFU bereikt. Zoals u wellicht weet, ontvingen we in augus­ tus een uitnodiging voor een informeel gesprek. We hebben die uitnodiging aangenomen, maar tijdens het gesprek wel duidelijk aangegeven dat we pas weer terug kunnen naar de cao-tafel als er een beter bod komt; alleen dan heeft onderhandelen zin. Op het moment dat dit LAD-magazine naar de persen ging, staan we aan de vooravond van een tweede infor­ meel verkennend gesprek. Het wordt erop of eronder. Als dit magazine bij u in de bus valt, is dus duidelijk wat het vervolg is: óf we gaan terug naar de cao-tafel óf er blijkt onvoldoende bereidheid aan werkgeverszijde om tot een goede cao te komen. In dat laatste scenario volgen verdergaande acties en gaan we over tot een zondagsdienst. Natuurlijk hoop ik dat het niet zover komt. Maar wat de uitkomst ook is: ik denk dat we er trots op kunnen zijn dat zoveel werknemers deze zomer in actie zijn ge­komen om een statement te maken. Als we iets heb­ ben laten zien, dan is het wel dat het helpt om zij aan zij te staan en samen de druk op te voeren. De NFU kan dat eensgezinde geluid niet negeren. Nu maar hopen dat ze goed kan luisteren … Christiaan Keijzer voorzitter LAD


Inhoud

7

Onjuiste uitkering: en dan?

Reconstructie

Wat als je gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent en ineens wordt gekort op je uitkering? Het over­ kwam kinderarts Marian van het Einde en zij vroeg de LAD om advies. Podium

8 Vergoeden op basis van resultaat?

Zorgverzekeraar Menzis kondigde onlangs aan behandelingen van depressies te willen betalen op grond van de behaalde resultaten in plaats van het aantal behandelingen. Goed idee?

10 Zorg op zee

4

Werk en privé

Arend Jansen werkt als arts bij de Radio Medische Dienst van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM). Zo’n tien keer per jaar heeft hij een week lang dienst en coördineert hij 24/7 de medische hulpvragen en zorg voor mensen op zee.

“Meer inspraak levert veel op” Bij de Zorggroep Almere werken meer dan 100 huisartsen. Zeven daarvan zitten sinds vorig jaar in het lokaal overleg huisartsen (LOH), en praten iedere maand met hun werkgever om afspraken te maken over de kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid van de zorg. Hoe is dat in z’n werk gegaan en wat levert het op? “Meer invloed hebben is niet alleen leuk, maar leidt vooral ook tot betere zorg”, aldus huis­artsen Eva Brandse en Jeske van Hoek.

12 Column

15 Verrassingselement

Columnist Anna Verhulst stelt haar collega’s de vraag wat voor beroep ze hadden gekozen als ze geen arts waren geworden. Het levert verrassende inzichten op …

16 Acties in umc’s

“Sociale geneeskunde heeft toekomst”

Nieuws

Deze zomer voerden duizenden werknemers in umc’s actie voor een goede Cao UMC.

18 Het bureau in beeld

Interview

Bureau in beeld

Zijn hart ligt bij de sociale geneeskunde en hij wil vanuit die hoek graag iets toevoegen aan het LAD-beleid. Jurriaan Penders, hoofd Arbodienst en bedrijfsarts in het Amsterdam UMC (locatie AMC), is deze zomer benoemd tot bestuurslid bij de LAD. Een goede samen­ werking tussen de sociale geneeskunde en curatieve zorg is een van zijn speerpunten, maar hij vindt het daarnaast van groot belang dat er meer oog komt voor de ‘secundaire kant’ van de arbeids­­voor­ waarden van het artsenvak.

September 2018 | 3


Tekst Marjolein Dekker

Meer inspraak, betere zorg

Huisartsen in gezondheidscentra willen graag meer inspraak hebben binnen hun instel­ling. Om dat te realiseren, is in de Arbeidsvoorwaardenregeling Huisartsen in Gezondheidscentra (AHG) vastgelegd dat er in ieder gezondheidscentrum een lokaal overleg huisartsen (LOH) komt: een overleg waarin de werkgever met een ver­tegen­ woordiging van huisartsen praat over de kwaliteit, continuïteit en doelmatigheid van de zorg. Hoe staat het anderhalf jaar na dato met de oprichting van LOH’s en wat levert meer inspraak op? “Meer invloed hebben is niet alleen leuk, maar leidt vooral ook tot betere zorg.” Jeske van Hoek (links) en Eva Brandse, beiden huisarts bij de Zorggroep Almere

LAD magazine | 4


Over de Cao Gezondheidscentra en de AHG Toen de LAD in 2016 startte met de onder­ handelingen voor een nieuwe AHG, hadden huisartsen één duidelijke wens: ze wilden meer invloed hebben op het beleid van hun gezondheidscentrum. “We kregen regel­ matig te horen dat beslissingen over bij­­voor­beeld de samenwerking met zieken­­­huizen of het leveren van 24-uurs­zorg buiten de huis­artsen om gingen. Er werd niet met hen, maar over hen beslist, en dat vonden we zorgelijk”, vertelt Lilian de Groot, onder­ handelaar arbeids­voor­waarden bij de LAD. “Huisartsen hebben in gezondheidscentra een medische eindverantwoordelijkheid en hebben dus kijk op dit soort zaken. Het is in het belang van de zorg dat ze bij belang­ rijke beslissingen worden betrokken.” Tijdens de onderhandelingen pleitte de LAD er daarom voor die inspraak structu­ reel te borgen. De Groot: “Dat ge­beurde in de vorm van LOH’s. Kort na de inwerking­ treding van de AHG op 1 januari 2017 kregen we echter al snel signalen dat LOH’s niet werden ingericht zoals we graag wilden: soms werd het overleg na twee keer al ge­­staakt of was de insteek van werkgevers niet op basis van gelijkwaardigheid.”

Knelpunten

De LAD besprak de signalen met werk­ge­vers­­vereniging InEen en deed een uitvraag onder huisartsen om in kaart te brengen waar ze precies tegenaan liepen. “Daaruit kwam naar voren dat sommige huisartsen kennis misten over financiële processen, waardoor ‘mee­­praten’ op bestuurlijk niveau lastig is. An­de­ren gaven aan zich niet com­fortabel genoeg te voelen om te onder­­han­delen met hu­n dire­c­tie/be­stuur. Verder bleek dat veel huis­artsen het onduidelijk vonden waar­­over je nou af­spraken kan én moet maken en hoe”, aldus De Groot. “Hoe be­paal je bijvoorbeeld welke praktijk­grootte rede­lijk is, gerela­teerd aan de praktijk­zwaar­­te? Hoe stel je een goede jaaragenda op? En, heel basic: wat moet er in de LOH-statuten komen te staan?”

Inspraak

Om huisartsen handvatten aan te reiken, ontwikkelde de LAD samen met VvAA een training (zie de kadertekst op pagina 6). De eerste lichting volgde die in mei dit jaar. Tijdens deze dag werd goed zicht­baar waar LOH’s ‘staan’: in sommige gezond­heids­ centra bevindt het overleg zich nog in de

Gezondheidscentra leveren wijkgerich­te, geïntegreerde zorg, die samen­wer­king vereist op alle facetten: lichamelijk, psy­ chisch en sociaal. Omdat dit om korte lijnen vraagt tussen zorgverleners onder­ ling, hebben veel gezond­heids­centra deze professionals letterlijk samen in één ge­ bouw ondergebracht. In Nederland zijn zo’n 60 gezondheids­ centra en 25 koepels van gezondheids­ centra (waaronder dan weer 150 centra vallen). In totaal werken er zo’n 4.500 werknemers, waaronder huisartsen, fysio­therapeuten, apothekers, verlos­ kun­digen en doktersassistenten. Op al deze werknemers is de Cao Gezond­­heids­centra van toepassing. Voor huis­­ artsen geldt aanvullend de Arbeids­­voor­waardenregeling Huisartsen in Gezond­­ heids­centra (AHG), omdat de bij­zondere positie van huisartsen om speci­fieke af­spraken vraagt, zoals over nachtdiensten,

verkenningsfase; in andere vindt er al maandelijks overleg plaats aan de hand van een jaaragenda.

“Als je het serieus wilt doen, heb je tijd nodig” Een van de gezondheidscentra die al ver is, is de Zorggroep Almere. Huisartsen Eva Brandse en Jeske van Hoek volgden de LAD-­ training en vormen samen met vijf andere huisartsen hun LOH: de Huisartsen­raad. Van Hoek: “De Zorggroep Almere is groot; er werken hier ruim 100 huisartsen verdeeld over 18 gezondheidscentra. Juist vanwege die grootte hadden wij al een vakgroep en een belangenvereniging, en het mooie is dat die twee in het LOH samenkomen: het LOH is er voor de hele huisartsendiscipline; dat is dus breder dan alleen de vakgroep huisartsen. Bovendien biedt het LOH ons meer inspraakmogelijkheden dan we via onze belangenvereniging hadden.” Onder de noemer Huisartsenraad ging het LOH in maart vorig jaar van start. “We had­­

werktijden en de sala­riër­­ing voor huis­artsen met en zonder op naam inge­ schreven patiënten. De toekomst van de cao en AHG is op dit moment ongewis: InEen, de cao-partij namens werkgevers, wil namelijk alle beroepsgroepen, voor zover moge­lijk, onder aanpalende cao’s onderbrengen, omdat op die manier in haar ogen beter wordt aangesloten op wat voor deze beroepsgroepen geldt in andersoortige instellingen. De LAD is daar geen voor­stander van, onder andere omdat het specifieke profiel van gezond­heids­centra om een eigen cao vraagt. InEen gaat toch verder met de door haar ingezette koers van ontmantelen/opheffen van de cao. De LAD zal daar waar mogelijk en noodzakelijk invloed uitoefenen op dit proces. Eind 2018 zal over de toekomst meer duidelijk zijn. De LAD zal haar leden goed aangehaakt houden tijdens dit proces.

den het geluk dat het initiatief vanuit het mana­gement kwam, dat vroeg wie zich ver­ kiesbaar wilde stellen”, vertelt Brandse. In totaal meldden zich zeven huisartsen aan: precies het aantal dat benodigd was.

Richten, inrichten, verrichten

Van Hoek en Brandse vonden het beiden een uitdaging om in het LOH te stappen. “Ik twijfelde aanvankelijk of ik wel de juiste kwaliteiten in huis had om bijvoor­beeld mee te praten over financiële beslis­singen”, vertelt Van Hoek. “Maar ik dacht ook: als ik meer invloed wil hebben, dan is dit het mo­ment. Samen met Eva ben ik een van de jongere collega’s, dus het leek me boven­­ dien goed om de stem van de jonge gene­ ratie te laten horen.” Brandse werd door een oudere collega uit de vakgroep benaderd met de vraag of ze interesse had. “Het leek me interessant, omdat ik graag meer betrokken wil zijn bij wat wij als zorggroep doen. Toen ik hier net kwam werken, bestond mijn wereld alleen uit de huisartsenpraktijk, maar we zijn na­­tuurlijk onderdeel van een groter geheel. September 2018 | 5


Training ‘Breng uw LOH in beeld’ Om huisartsen handvatten te geven om hun positie in het LOH in te vullen, heeft de LAD dit jaar samen met VvAA de training ‘Breng uw LOH in beeld’ ont­ wikkeld. De training bestaat uit twee delen: huisartsen krijgen enerzijds inzicht in de financiering van gezond­ heids­centra, en leren daarnaast onder­ handelings­technieken. Doel is dat ze effectiever invloed kunnen uitoefenen en als serieuze gesprekspartner worden gezien. In mei volgde de eerste lichting huisartsen de training, die met een 8,5 werd beoor­deeld. “De training is een goede plek om te leren wat je rechten en plichten conform de AHG zijn, waar

je het over kan hebben in je LOH en hoe je dat agendeert”, zegt huisarts Eva Brandse. Jeske van Hoek vond vooral ook de financiering interessant en de uitwisseling met andere deelnemers. “Het is fijn om van collega’s van andere centra te horen waar ze tegenaan lopen en hoe zij bepaalde dingen hebben aan­gepakt. Die uitwisseling heeft veel meer­ waarde.” Dit najaar organiseert de LAD de training voor de tweede keer. De datum wordt binnenkort bekendgemaakt via onze nieuwsbrief en website: www.lad.nl/ lad-voor-u/agenda.

Ik vind het belangrijk om te weten wat er in andere disciplines gebeurt en hoe we samen zo effectief mogelijk goede zorg kun­nen bieden.” In het begin was het even pionieren, vertel­ len ze. Van Hoek: “We waren geneigd om overal over mee te willen praten, zonder goed te weten wat we wilden. In oktober vorig jaar zijn we daarom een weekend met elkaar op pad gegaan, onder begeleiding van een coach. Die heeft ons geleerd dat het bij het besturen draait om richten, in­richten en verrichten. Als huisartsen hou­den we ons in het dagelijkse werk voor­al bezig met verrichten, terwijl we in ons in de Huisartsenraad moeten focussen op richten en inrichten – en dat zijn we niet gewend.”

Afspraken zwart op wit

Intussen is de Huisartsenraad goed op weg, meent Van Hoek. “We hebben voor 2018 een jaarplan gemaakt met drie onderwerpen: financiën (resul­taat, beloning en praktijk­ groot­te), gemotiveerde mede­werkers en kwaliteit. Eva en ik hebben samen het onder­werp gemotiveerde medewerkers in portefeuille. We zijn onder andere bezig met een medewerkers­tevreden­heids­onder­ zoek, bespreken met ons mana­gement de ziekte- en verzuimcijfers en bepalen samen met hen hoe we de werving organiseren.”

LAD magazine | 6

Brandse: “Als ik optel wat we de afgelopen maanden voor elkaar hebben gekregen, is dat best veel. Zo hebben we bijgedragen aan afspraken over het Eerstelijns Verblijf (ELV) in verpleeghuizen, omdat daar op de werkvloer veel onduidelijkheid over was: waar kun je bedden vandaan halen en wie regelt dat? We hebben dat nu zwart op wit gezet. Dat geeft houvast, waardoor we pa­tiën­ten ook beter en sneller kunnen helpen.”

“Het is leuk om breder te kijken dan je eigen spreekkamer” Een ander punt dat ze agendeerden, was de continuïteit van de zorg. “Onze prak­tijken willen 24/7 zorg verlenen, maar het is niet makkelijk om dat met veelal part­time werkende werknemers en waarnemers rond te krijgen”, vertelt Brandse. “Van onze patiënten hoorden we regelmatig dat ze het vervelend vinden om geen ‘vaste dokter’ te hebben. Daarom is ons uitgangspunt in ieder gezondheidscentrum nu dat elke pa­ tiënt twee vaste huisartsen heeft. Natuur­ lijk kan het in vakantietijd of bij ziekte ge­ beuren dat we dat niet kunnen waar­maken, maar onder ‘normale’ om­standig­heden moeten we het kunnen realiseren.”

Prestatiebeloning

Een actueel onderwerp waar de Huis­arts­en­raad momenteel mee bezig is, is pre­­statiebeloning. Van Hoek: “In de cao staat dat ons basissalaris met tien procent kan worden opge­plust. We zijn eerst gaan inven­ta­ri­se­ren hoeveel financiële ruimte er in onze orga­ni­­ sa­ties über­haupt was, en zijn toen in over­ leg gegaan met de werk­gever. We hebben nu geadvi­seerd dat de beloning ten goede komt van de hele huisartsendiscipline (dus ook praktijk­onder­steuners en dokters­as­si­stenten profiteren ervan) en hebben drie voor­lopige criteria afgesproken: winst­marge, patiënttevredenheid en het onder­scheid tussen gezondheidscentra die goed draaien en die zich hebben verbeterd. Daar­mee zijn we er echter nog niet, omdat deze crite­ria nogal financieel gedreven zijn. Ze zeggen dus niets over de inspanningen die een zorg­ verlener heeft geleverd en daar moet je ook naar kijken.”

Tijd is nodig

Zowel Van Hoek als Brandse is blij in de Huis­artsenraad te zijn gestapt. “Het is ont­­zet­tend leuk om breder dan alleen je eigen spreekkamer te kijken”, vindt Van Hoek. Brandse beaamt dat en voegt er als tip voor andere huisartsen aan toe dat het belang­ rijk is de randvoorwaarden goed te regelen. “Wij zijn een halve dag per week vrijge­maakt voor de Huisartsenraad. We rea­liseren ons dat dat heel riant is, maar het is belangrijk dat de werkgever zich rea­liseert dat je het er niet zomaar even bij doet. Als je het serieus wilt doen, heb je tijd nodig. Daarnaast vin­den wij het prettig dat we niet alleen met ons management, maar ook onderling over­leg hebben om onze koers te bepalen. Daarom hebben we iedere twee weken Huis­artsenraad, waarbij de manager Huis­ artsenzorg er de ene keer wel en de andere keer niet bij is. Verder is er altijd een LOHhuisarts bij de overleggen van andere disci­­plines aanwezig, zoals het POH- en het dok­ters­assistentenoverleg. Dat is belang­ rijk om ook hun belangen goed te kunnen vertegenwoordigen.”


Onjuiste uitkering bij arbeidsongeschiktheid: wat nu? Marian van het Einde* is kinderarts in een alge­meen ziekenhuis. Ze is al jaren gedeeltelijk arbeids­onge­schikt en werkt 20 uur per week. In 2016 verergeren de klachten van haar chronische ziekte, waardoor ze voor 16 uur per week arbeidsgeschikt wordt ver­klaard. Normaliter zou in zo’n geval de WAO-uitkering worden verhoogd, maar dat gebeurt niet. Van het Einde neemt contact op met het Kennis- en dienst­verleningscentrum van de LAD en Federatie Medisch Specialisten. Arbeidsjurist Fatima Madani hoort het ver-­­ haal van Van het Einde aan en is verrast over de gang van zaken. “Marian was al vóór­dat de WIA inging arbeidsongeschikt, en dus valt zij nog onder de oude WAOregeling. Dat betekent dat ze bovenop haar loon een uitkering krijgt om de gederfde in­komsten te compenseren. Die uitkering is gerelateerd aan het maatmanloon, oftewel: het loon dat ze verdiende vóórdat ze ziek werd. Omdat ze zich in 2016 (opnieuw) moest ziekmelden en toenemend arbeids­ on­geschikt raakte, is het UWV vermoede­lijk uitgegaan van het loon dat ze ver­dien­de toen ze 20 uur werkte. Maar dat uitgangs­ punt klopt niet: in feite is Marian nooit de WAO uit gegaan, en dus is het loon dat ze verdiende vóórdat ze voor de eerste keer uitviel, bepalend. Dat loon was op basis van een fulltime contract en dus veel hoger.”

sing in: Madani blijkt gelijk te hebben en Van het Einde krijgt alsnog haar uitkering én een nabetaling over de afgelopen maan­ den.

Verkeerde pensioengrondslag

Vervolgens krijgt de zaak een staartje, als Madani ontdekt dat ook de uitkering van­uit PFZW niet klopt. “Veel artsen zijn zich er niet van bewust, maar veel pensioen­fon­d­s­en hebben een aanvullings­regeling op de WAO-uitkering (arbeids­onge­schiktheids­ pensioen), omdat de WAO-uitkering gemaximeerd is tot het maximumdagloon

Veel extra stress

Bezwaar en in beroep

Tegen dit soort beslissingen van het UWV kan bezwaar worden aangetekend; dat doet Madani. Helaas maakt het UWV geen haast en het duurt vier maanden voor­­dat de zaak voorkomt bij een interne hoor­­zit­ tings­commissie. Daarna duurt het nog eens een paar maanden voordat de com­mis­sie een beslissing neemt. Als die beslis­sing valt, is dat slecht nieuws: het be­zwaar wordt afgewezen. “Na een bezwaren­pro­ cedure kun je beroep aan­tekenen bij de recht­bank. In overleg met Marian heb ik dat gedaan, omdat ik ervan overtuigd was dat ze een veel te lage uitkering kreeg.” Uiteindelijk trekt het UWV tijdens de dag van de zitting in de rechtbank zijn beslis­ * Namen van cliënten in deze rubriek zijn fictief i.v.m. de privacy van de cliënt.

en het loon van artsen vaak hoger ligt. PFZW had de uitkering weliswaar aange­ past naar aanleiding van de gewijzigde beslis­sing van het UWV, maar het bedrag klopte niet. Wat bleek: PFZW had met een veel te lage pensioengrondslag gerekend, doordat de oude werkgever van Marian een te laag pensioen­gevend inkomen had door­ gegeven. En dat al sinds 2003! Uiteindelijk heb ik ook daar beroep op aangetekend bij het pensioenfonds, waarna alles net­jes werd aangepast en Marian een nabe­taling kreeg. Daarnaast is ook haar pensioen­ op­bouw verhoogd, waardoor zij na haar pensionering een hoger pensioen krijgt.”

Tips van Fatima Madani • Als u langer ziek bent of arbeids-­ ongeschikt raakt, kan dat aan­zien­ lijke inkomensgevolgen hebben. Laat u dus goed informeren, zodat u eventueel aanvullende maat­ regelen kunt nemen. • De regelgeving voor arbeidsonge­schiktheid is complex en moeilijk te doorgronden als u er niet in thuis bent. Win dus gerust advies bij ons in.

Van het Einde is blij dat alles achter de rug is. “Als je verder arbeidsongeschikt raakt dan je al was, is dat emotioneel een klap. Het bezorgde mij veel extra stress toen ik daar­ naast ook nog in de financiële pro­ble­­men kwam, doordat het al met al zo’n tweeën­ half jaar geduurd heeft voordat alle proce­ dures waren afgerond. In de tussen­tijd moest mijn hypotheek wel gewoon worden doorbetaald. Ik ben heel blij dat Fatima mij ter­zijde stond, want als leek heb je geen ver­stand van alle juridische haken en ogen. Het was heel fijn om te worden bijgestaan door iemand die alles tot op de bodem heeft uitgezocht.” > LAD.NL Vragen over uw contract of over een arbeids­geschil? Neem contact op met de juristen van het Kennis- en dienstverleningscentrum. U kunt ons bereiken via 088 13 44 112 of kijk voor meer informatie op de website van de LAD: www.lad.nl.

September 2018 | 7


Podium

Resultaatgericht vergoeden van depressies: goed idee? 20%

Zorgverzekeraar Menzis kondigde onlangs aan behandelingen van depressies te gaan betalen op grond van de behaalde resultaten, in plaats van het aantal behandelingen. Is dat een goed idee? We vroegen het aan een psychiater en twee basisartsen.

Poll 20% Ja 75% Nee 5% Geen mening

De LAD wil graag weten wat haar leden vinden. Voor elke stelling die we in de rubriek ‘Podium’ poneren, zetten we vooraf een poll op de homepage van de LADwebsite.

LAD magazine | 8


Tekst Marjolein Dekker Illustratie Ronald Slabbers

JA NEE

JA NEE

JA NEE

Stef Linsen

Edwin Duijzer

Marthe Voswinkel

psychiater, psychotherapeut en auteur:

basisarts in de verslavingszorg:

basisarts en vanaf 1 oktober anios in de ggz:

Toen ik de aankondiging van Menzis las, kwam er maar één ding in me op: wat een bezopen idee. Al eerder waar­ schuwden acht kern­hoog­leraren psychia­ trie voor de grootschalige invoering van ROM (Routine Outcome Monitoring) om de kwaliteit van behandelingen te vergelijken. Daar is niet naar geluisterd, en het resul­ taat is dat selectie nu steeds meer wordt bepaald op basis van een risico­kosten-­ profiel. Ik las vorige week in Medisch Contact dat de levens­­verwachting van men­sen bij wie diabetes 1 al vóór het tiende levens­jaar is geconstateerd, gemiddeld 16 jaar korter is. Ik dacht meteen: laat Menzis dit alsje­ blieft niet lezen, want straks hebben in­ter­nisten een probleem met de ver­goe­ding en patiënten met het vinden van een behandelaar. Die kant dreigt het uit te gaan en ik maak me daar grote zorgen over. Punt is dat re­sul­taten zich in de ggz moeilijk laten kwantificeren. Op driekwart van de zaken die een rol spelen bij een depressie (zoals IQ, leef­stijl, sekse, opleiding, etc.) heb je geen invloed. Daar komt bij dat bij twee derde van de mensen met een depres­sie sprake is van comorbiditeit; die hebben ook andere aan­doeningen, zoals een angst­stoornis, ver­­slaving of hart- en vaatziekte. Hoe scheid je dat? En welk resultaat vormt dan de basis voor vergoeding? Dat is on­doen­lijk! Natuurlijk is er niks mis met het meten van kwaliteit. Maar dan wél op basis van data die ertoe doen en in een intelligent ICTsysteem, zodat bijvoorbeeld rekening kan worden gehouden met comorbiditeit. Ik zou zeggen: zorgverzekeraars, neem onze kritiek serieus en ga met ons om tafel om na te denken over een goed sy­steem. Het zou ons werk een stuk leuker maken en de zorg een stuk beter.”

Geld is een belangrijke drijfveer; ook in de zorg. Maar de vraag waar het hier eigenlijk om draait, is of je een zorg­verlener wil betalen voor gezond­ heids­­­winst of voor productie. Ik zou zeg­ gen voor allebei, en in die zin vind ik het voor­­stel niet zo gek. Voor de goede orde: Menzis zegt niet dat ze behandelingen niet meer aan de patiënt vergoedt als er geen resultaat wordt geboekt; ze zegt alleen dat een deel van de vergoeding zal af­han­gen van het resultaat. Ik merk dat veel men­sen schrikken zodra het gaat om meet­­­bare resul­taten in de psychiatrie. Natuurlijk is een gebroken been iets anders dan een de­ pres­sie, maar het is jam­mer dat er nu geen dis­cussie wordt gevoerd over welke zorg­ uitkomsten voor de psychiatrie rele­vant zijn. Dáár zouden we het over moeten heb­­ben. Genezing kan een uit­komst zijn, maar je kunt als doel ook definiëren dat een pa­tiënt weet hoe hij met zijn ziekte kan omgaan. In mijn optiek kan een herstelgerichte be­ na­dering in de ggz heel goed samen­gaan met een bekostigingssysteem dat uit­gaat van gezondheidswinst. Vergeet niet dat een resultaatgerichte bekostiging in veel andere zorgdomeinen allang wordt toege­ past, zoals in de orthopedie. Natuurlijk zijn er risico’s; tegenstanders roepen dat zorg­verleners straks alleen nog de kans­rijke gevallen zullen behandelen. Dat is een aan­dachtspunt voor Menzis, maar andere bekostigingssystemen brengen net zo goed risico’s met zich mee. Zo heeft bekostiging op basis van productie het risico tot over­be­handeling in zich. Waar het mij om gaat, is dat psychische aan­doeningen niet per se langs een andere meetlat hoeven te worden gelegd.”

Aanvankelijk leek me het idee best sympathiek. Vroeger kreeg je een maximum aantal behandelingen vergoed en moest je het maar uitzoeken als je er niet genoeg aan had. Naar resultaten kijken klinkt een stuk menselijker, omdat het dan niet uitmaakt hoeveel minuten de thera­pie kost. Maar helaas is de praktijk weer­bars-­ ti­g­er, en zitten er in mijn ogen de no­­dige haken en ogen aan het nieuwe be­leid van Menzis. Mijn belangrijkste be­­zwaar is dat ervan wordt uitgegaan dat ieder mens een depres­sie hetzelfde be­leeft en dat een be­hande­ling altijd tot één en hetzelfde resul­­taat leidt. Dat is natuur­­lijk niet zo. Voor iedere patiënt is een depressie an­ders, dus wat is dan het resultaat? Klachten­vrij zijn of gedeeltelijk herstel? En wat als een patiënt aan geen van de vast­­gestelde cri­teria voldoet? Daar komt bij dat 80 pro­cent van de mensen die een depressie heb­ben gehad, later een nieuwe zal ont­wik­kelen. Dat risico op recidief wordt onder andere be­paald door de mate van herstel dat iemand heeft bereikt bij de be­ëindi­ging van de be­handeling; het is moei­­lijk om dat in criteria te vangen. Ik ben niet tegen innovatie, laat dat duide­­lijk zijn, maar ik denk niet dat dit soort fi­­nan­­ciële prikkels de kwaliteit ver­­hogen; onder­­zoek naar uitkomsten van dit type be­leid toont wisselende resultaten. De ef­ fecti­­viteit is niet een­duidig aangetoond. Ik zou het toejuichen als verzekeraars psy­­­chiaters en psycho­the­ra­peuten uit­­no­digen om dit soort beleids­voor­ne­mens te toet­sen en dat samen wordt ge­keken wat wél werkt. Als je het hebt over kosten­be­heersing, zou­ den we in mijn optiek moeten inves­teren in het eerder signaleren en be­han­de­len van psychische klachten.”

September 2018 | 9


Werk/privé

“Geen dag is hetzelfde” De KNRM heeft een pool van vijf artsen voor de medische zorg van zeelieden. Eén keer in de vijf weken draait Arend Jansen dienst bij de Radio Medische Dienst (RMD). Een dienst begint op maandag 8.00 uur en eindigt op datzelfde tijdstip een week later. Gedurende die week coördineert hij 24/7 de medische hulpvragen en zorg voor mensen op zee. Dat kan zowel gaan om de internationale bemanning op vrachtschepen als om vakantiegangers op privéjachten. Per jaar wordt de RMD ruim 750 keer ingeschakeld. “Je maakt van alles mee.”

LAD magazine | 10


Tekst Corrie Kooijman Fotografie: Hans Tak

Arend Jansen werkt als RMD-arts bij de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij (KNRM). Hij doet dit naast zijn werk als huisarts. Hij werkt en woont in Amsterdam en heeft twee kinderen.

“We trekken niet zomaar alles uit de kast” Iedereen op zee kan contact opnemen met de RMD voor medische vragen. “Bij acute situaties of voor mogelijk medische evacu­a­ ties word ik door de kustwacht gebeld. Daar­ naast ben ik per e-mail bereikbaar – ik krijg dan tegelijk een signaal via een binnen­ komend sms’je – bij niet-urgente zaken”, vertelt Jansen.

Urgentie

Bij een telefoontje of mailtje is het aller­eerst zaak na te gaan hoe urgent de situ­a­tie is. “Is er sprake van een medisch pro­­bleem dat verantwoord is om op behande­ling te wachten totdat het schip de volgen­de haven aandoet? Of is er een levens­be­dreigende situatie? Het is niet altijd een­voudig een goed beeld te krijgen van de me­dische si­tu­a­tie omdat je die niet ter plek­ke kunt be­oordelen. We werken wel met vragen­ lijsten, maar die worden lang niet altijd even goed ingevuld.” Als voorbeeld laat Jansen op het beeld­ scherm een vraag van een kapitein zien over een Filipijns bemanningslid met een flink gezwollen rode kuit. In het bege­leid­en­de bericht staat wel dat de man een korte broek aanheeft, maar niet of hij koorts heeft of hoe snel de ontsteking zich heeft ontwik­keld. Jansen: “Op de mee­ge­stuurde foto geeft een luciferhoutje wel een indica­ tie van de omvang van de aangedane plek. Kortom, doorvragen is nodig om goed ad­­vies over de medische behandeling te kun­­nen geven.”

Geen arts aan boord

Stuurlieden van de koopvaardij en vracht­ schepen krijgen tijdens hun opleiding een medische basistraining. De kapitein is eind­­verantwoordelijk voor alles aan boord van een schip en delegeert de me­dische taken meestal aan de eerste stuurman. “Maar er is bijna nooit een arts op een schip. Het komt niet vaak voor, maar stel dat er gereanimeerd moet worden, dan ondersteun ik door de­ge­ne die dit op zich neemt, verbaal te bege­leiden bij de

noodzakelijke hande­lingen. Natuurlijk is dit geen optimale situ­a­tie voor het bieden van zorg. Iemand is beter af in een zieken­huis, waar alle me­dische zorg en voor­zieningen voor­han­den zijn. Maar de nood­­­­zake­­lijke in­ ter­ventie moet ook goed af­ge­­­­wogen worden. Je maakt van alles mee. Zo kreeg ik eens het ver­zoek van een groep­je sportvissers om een zieke van boord te halen. Ik heb hen toen geadviseerd om terug te varen. Dat be­tekende dat ze hun vis­avontuur niet kon­ den voortzetten. Helaas voor hen, maar we trekken niet zo­maar alles uit de kast als dat niet nodig is; de me­­dische zorg staat altijd centraal.”

Begeleiden naar de zorg

De RMD-arts bepaalt op basis van de me­ dische urgentie of een repatriëring nood­ zakelijk is, vervolgt Jansen. “Dan is het de vraag welk vervoermiddel het beste bij ie­man­ds medische situatie past. Ligt een schip niet al te ver van de kust, dan kan bij­­ voor­beeld een reddingsboot van de KNRM er­naartoe. Maar je moet ook weten welk zieken­­huis de bijbehorende spe­cifieke zorg kan leveren. Anders kan er in acute situaties alsnog te veel tijd over­heen gaan, als blijkt dat de patiënt bij een ander ziekenhuis wel aan het juiste adres is. Zo nodig moet de SAR (Search and Rescue) helikopter ingeschakeld worden, die speciaal is uitgerust voor taken op zee. Deze heeft een lier om een ver­pleeg­ kundige aan boord te zetten en om patiënten met een verpleegkundige weer aan boord te takelen. De SAR heli­kopter kan namelijk niet overal landen en soms is het nodig om aan­ vullend am­bulance­vervoer te organiseren om de patiënt op de juiste zorgbestemming te brengen. Er is dan zeer intensief overleg met alle betrokken hulpverlenende instanties om de patiënt zo snel mogelijk op de juiste plek te krijgen.”

Optelsom

Hoe is dit werk op zijn pad gekomen? “Dit werk is eigenlijk de ideale optelsom van eerdere werkervaring op zee en in de

tropen. Zo begon ik mijn loopbaan als arts bij de marine. Dat heb ik drie jaar gedaan. Vervolgens deed ik de huisartsenopleiding. Daarna werkte ik als tropenarts voor Artsen zonder Grenzen. Bij de medische alarm­ cen­trale International SOS in Papua Nieuw Guinea coördineerde ik de medische hulp voor medewerkers van een groot olie- en gasbedrijf en beoordeelde of iemand lokaal behandeld kon worden of zo snel mogelijk gerepatrieerd moest worden om de juiste medische zorg te krijgen. Dat zijn in veel opzichten vergelijkbare werkzaamheden met wat ik nu bij de KNRM doe. Dus toen ik gevraagd werd te solliciteren voor deze job, hoefde ik daar niet lang over na te denken.”

Perfecte combinatie

Jansen vindt het een perfecte combinatie met zijn werk in de huisartsenpraktijk en het Medical Centre for Seamen ‘de haven­ praktijk‘ in Amsterdam, waar naast de eer­ste­lijnszorg voor zeevarenden ook de bedrijfs­geneeskundige zorg een rol speelt. “We doen bijvoorbeeld de medische keu­ ring voor zeevarenden. En bij de zee­lieden die onze praktijk bezoeken, komt ook aan de orde in welke mate iemand zijn werk kan doen en of aangepaste arbeid is ver­ eist. Maar ook: is iemand voldoende ‘fit to travel’ of ‘fit to fly’?” Het werk voor de KNRM kan hij ook uitstekend combineren met het thuisfront. “Het draait immers om de mobiele bereikbaarheid per telefoon en lap­top. Ik kan dit werk dus ook heel goed vanaf huis doen. Ook al is normaal tele­fo­ nisch contact lang niet altijd zo van­­zelf­sprekend of technisch mogelijk. De pieper van het C2000 systeem werkt bij­­voor­beeld alleen binnen Nederland. Bij radio­verbin­ din­gen (VHF) tussen een schip en de kust­wacht is er vaak vertraging op de lijn en soms sprake van een enkele ver­binding. Dan spreek je om de beurt en komt er wat meer om de hoek kijken om een ge­sprek te voeren. Het is uniek om op deze manier bij te dragen aan de medische zorg.”

September 2018 | 11


Tekst Marjolein Dekker Fotografie: Ivar Pel

“Een hoge werkdruk is niet vanzelfsprekend” Zijn hart ligt bij de sociale geneeskunde en hij wil vanuit die hoek graag iets toevoegen aan het LAD-beleid. Jurriaan Penders, hoofd Arbodienst en bedrijfsarts in het Amsterdam UMC (locatie AMC), is deze zomer benoemd tot bestuurslid bij de LAD. Een goede samen­ werking tussen de sociale geneeskunde en curatieve zorg is een van zijn speerpunten, maar hij vindt het daarnaast van groot belang dat er meer oog komt voor de ‘secundaire kant’ van de arbeids­voor­ waarden van het artsenvak. “Een hoge werkdruk is nu iets te van­ zelfsprekend.” Penders is geen onbekende voor de LAD. Tussen 2012 en 2017 was hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Daarnaast was hij vijf jaar lang lid van het federatie­be­ stuur van de KNMG. Toen er af­gelopen voor­jaar een plek vrijkwam in het LAD-bestuur vanwege het ver­trek van Cisca Koning-van den Berg van Saparoea, was het dus geen onlogische stap dat hij zich kandidaat stelde. “De LAD wil graag een zo divers mogelijke vertegenwoordiging van haar leden in het bestuur, en was, na het vertrek van Cisca, opnieuw op zoek naar een so­ciaal geneeskundige. De functie leek me me­teen interessant, maar ik heb er wel even over moeten nadenken, omdat ik pas sinds begin dit jaar weer in loondienst werk. Zou ik artsen in dienstverband dan wel goed kun­nen ver­tegen­woordigen? Dat was een per­soon­­­lijke afweging die ik moest maken. Omdat ik de overstap naar loondienst heel wel­over­wogen heb gemaakt, besloot ik ervoor te gaan en me kandidaat te stellen.” LAD magazine | 12

Eén dag in de spreekkamer

Penders begon zijn loopbaan als bedrijfs­ arts bij KLM Health Services, en besloot tien jaar geleden om voor zichzelf te be­gin­nen. “Het leek me heel leuk om een keer mijn eigen winkel te hebben en ik heb die winkel jarenlang met veel plezier gerund. In sep­­­tem­­ber vorig jaar liep mijn be­stuurs­perio­­de bij de NVAB af, dus toen ben ik gaan na­­­denken wat ik wilde. Ik had altijd al in mijn achterhoofd om op termijn weer in loon­ dienst te gaan werken, omdat ik graag be­ trokken ben bij het beleid van een orga­nisa­ tie en ook mijn manage­ment­vaardigheden verder wilde ontwik­kelen. Sinds 1 januari werk ik daarom als hoofd van de Arbodienst in het AMC. Daarnaast zit ik nog één dag in de week in de spreekkamer; ik vind dat je niet kunt besturen zonder binding te houden met de werkvloer.”

Samenwerking

De bestuursfunctie bij de LAD trok hem, omdat hij graag op bestuursniveau bezig is met onderwerpen die ‘artsen-breed’ van

belang zijn. “Het interessante aan deze functie is dat de LAD alle artsendisciplines vertegenwoordigt en je dus heel veel kunt leren van elkaars werkveld. Ik vind het be­langrijk dat artsen daarvoor openstaan, omdat er in mijn optiek nog veel in de onder­­linge samenwerking is te winnen.” Hij haalt een voorbeeld aan van een vracht­ wagen­chauffeur die met depressie-klacht­en bij een psychiater terechtkomt en anti­de­pres­siva krijgt voorgeschreven. Met die medi­cijnen mag hij niet rijden en dus kan hij niet werken – met het risico dat hij in een sociaal isolement terechtkomt. “In dat soort situaties is het ontzettend belangrijk dat psy­chiater en bedrijfsarts met elkaar scha­ kelen; wij bekijken de situatie immers van­ uit een andere discipline. Als de chauffeur belang hecht aan zijn werk, is het zaak dat belang mee te wegen. Uiteindelijk is in dit geval die onderlinge samenwerking tussen psychiater en bedrijfsarts gezocht, waar­ door de chauffeur andere medicijnen kreeg voorgeschreven. Daardoor kon hij wél blijven werken en verliep zijn herstel uiteindelijk


Personalia aanzienlijk sneller.” Penders pauzeert even. “Het is een simpel voorbeeld, maar wat ik bedoel te zeggen is dat we veel vaker over onze heg heen moeten heen kijken. In de sa­menwerking tussen de sociale ge­nees­kun­ de en de curatieve zorg is nog veel te win­nen. Beide domeinen moeten zich er veel meer op instellen om de onderlinge af­­stem­ming te zoeken.”

zijn wij al veel meer gewend om volgens die filosofie te werken. We kijken welke factoren een rol spelen bij iemands ziekte of aan­doening, en focussen van nature op pre­ventie. Ons domein heeft alleen al om die reden toekomst. We dok­ter­en natuurlijk om iemands klachten te be­han­delen, maar uiteindelijk vooral om zijn of haar functio­ neren te helpen verbeteren.”

Toekomst

Werk is steeds belangrijker

Zelf begon hij ooit met geneeskunde vanuit het idee om in een ziekenhuis te gaan wer­ ken, maar hij merkte al snel dat hij zich meer thuis voelde binnen de sociale genees­kunde. “De sociale geneeskunde wordt nog wel eens als ondergeschoven kindje gezien, maar ik zie dat beeld wel langzaam kenteren. De visie van Machteld Huber over positieve gezond­ heid, waarbij gezondheid wordt gezien als het vermogen van mensen om om te gaan met fy­sieke, emotionele en sociale uitdagingen en zoveel mogelijk eigen regie te voeren, heb ik vanaf het begin omarmd. Waarom? Heel sim­pel: als sociaal geneeskundigen

Zijn eigen specialisme – bedrijfs­genees­kun­ de – wint in zijn optiek ook terrein. “Werk was vroeger een noodzakelijk kwaad: je moest het doen om brood op de plank te krijgen. Tegenwoordig heeft werk veel meer waarde. Natuurlijk doe je het om geld te ver­dienen, maar je doet ook vooral iets wat je leuk vindt, wat bijdraagt aan zingeving en waar je voor een belangrijk deel je identiteit aan ontleent. Als ik met iemand in gesprek raak die ik nog niet ken, gaat het al snel over de vraag: wat doe je voor werk? Dat zegt genoeg. Doordat het belang van werk steeds groter is geworden, verandert ook de manier

Jurriaan Penders (1976) is hoofd Arbodienst en bedrijfsarts in het Amsterdam UMC (loca­tie AMC). Hij is getrouwd en heeft twee dochters. Hij woont in Naarden en loopt in zijn vrije tijd graag hard. Omdat hij in zijn werk een sterk voorstander is van een goede balans tussen werk en privé, pro­beert hij dat in zijn eigen privéleven ook uit te dragen. “Mijn vrouw en ik werken beiden fulltime en proberen onze taken thuis eerlijk te verdelen. Doordeweeks heb­ben we allebei een heel drukke agenda, maar in het weekend is het ook echt week­ end. Ik vind dat ontzettend belangrijk. Ik zal op een zondagavond dus geen werk­mails versturen; niet alleen omdat ik dat richting mijn eigen gezin niet wil, maar ook omdat ik het een slecht signaal vind richting mijn collega’s. Als leidinggevende moet je het goede voorbeeld geven.”

September 2018 | 13


waarop we met arbeid en zorg omgaan. Als bedrijfsarts focussen wij steeds minder op de vraag hoe je re-integreert, en steeds meer op de vraag hoe je een werknemer faciliteert gezond en inzetbaar te blijven.”

Arts Maatschappij & Gezond­heid

Niet alleen het belang van bedrijfsgenees­ kunde, maar ook van dat van andere specia­ lismen binnen de sociale geneeskunde neemt toe, meent Penders. “Neem de spe­cia­lisa­tie Arts Maatschappij & Gezond­heid (M&G). Daar is veel vraag naar en ik vind dat niet gek. Artsen M&G leveren individuele pa­tiënten­ zorg, maar zijn ook altijd patiënt-overstij­gend bezig en focussen veelal op het zo effectief mogelijk organiseren van de gezond­heids­ zorg. Dat laatste wordt, met het oog op het beheersbaar houden van de zorg­uitgaven, steeds urgenter. Ik vind het daar­om een goede ontwikkeling dat er vanaf 2019 ver­ anderingen worden doorgevoerd om de arts M&G-opleiding aantrekkelijker te maken, want dat verdient het vak.”

LAD magazine | 14

Cultuur

Los van zijn ambassadeursfunctie voor de sociale geneeskunde heeft Penders nog een missie: hij wil meer aandacht voor de se­cun­­ daire kant van de arbeidsvoorwaarden van het artsenvak. “Toen ik nog bij de NVAB zat, pleitte ik er al voor dat dokters goed voor zichzelf moeten zorgen qua gezond en ar­ beids­omstandigheden, vanuit de ge­dach­te dat je alleen dan goede patiënten­zorg kunt leveren. Ik geloof daar heilig in, maar we ver­l­iezen het nog wel eens uit het oog. We vinden het heel ge­woon om structureel over te werken en om na een zware nacht­dienst ook overdag pas na zes­sen naar huis te gaan. Maar je bent geen slappe dokter als je om vijf uur de deur achter je dichttrekt. Het zou goed zijn als we die cultuur doorbreken.”

Durf te vragen

Grote vraag is natuurlijk: hoe? Hij zucht. “Werkdruk is een ontzettend lastig thema. Het is moeilijk te meten, en de beleving is vaak dat de enig werkende oplossing meer

handen aan het bed is. De realiteit is echter dat er niet altijd geld is voor meer handen. En daarnaast ben ik ervan over­tuigd dat er in de communicatie tussen werkgever en werknemer veel te winnen is. Veel werk­ druk­problemen kun je aanpakken door werk­­processen te veranderen en ver­ant­ woor­de­lijkheden goed te beleggen en ver­­delen. Maar het veranderen van zo’n oude cultuur gaat niet zomaar. Als je als co­as­ sistent binnenkomt en nog onderaan de lad­der staat, neem je die cultuur al snel over, waar­door we het met z’n allen in stand hou­den. Je kunt dat door­breken door een situa­tie te creëren waarbij je als werkgever, maar bijvoorbeeld ook als vakgroepleider of teammanager, uitvraagt waar werknemers tegenaan lopen: wat gaat goed, wat vind je lastig? Ik hoor nu vaak van coassistenten dat ze geen vragen durven te stellen omdat die ruimte niet wordt geboden, terwijl je de frisse inbreng van een nieuwe generatie juist nodig hebt.” In zijn ogen moeten werknemer en werk­ gever elkaar meer opzoeken. “Ik hoor ge­­ regeld dat roosters worden gemaakt zonder de inbreng of betrokkenheid van werk­ne­ mers, of dat werkdruk onbe­spreek­baar is. Het is zo jammer dat er geen gesprek plaats­ vindt over wat nu écht het probleem is: is dat inderdaad de werk­druk, of zit het ’m ook in het gebrek aan in­spraak of in de cultuur van ‘overwerken is de norm’? Dáár moeten werkgever en werknemers het met elkaar over hebben.”

Rolmodellen

Het helpt in zijn ogen als er rolmodellen komen die een ander soort leiderschap tonen. “De beste dokter is niet automatisch de beste manager. Je ziet dat als een vak­ groep­leider of teammanager zelf het goede voor­beeld geeft, dat heel bepalend kan zijn voor de cultuur.” Natuurlijk realiseert hij zich dat er meer nodig is dan alleen rolmodellen. “Niets is zo hard­­nekkig als het veranderen van een cul­tuur, maar ik denk dat we als LAD wel een rol kunnen spelen door een discussie te entameren, zodat er een beweging op gang komt. We zijn momenteel aan het bedenken hoe we dat kunnen doen. Gezond en veilig werken is een van onze speerpunten voor de lange termijn. Op dit moment onder­ zoeken we hoe we kunnen bijdragen aan een kante­ling. Dat is mijn persoonlijke am­ bitie waar ik me de komende tijd hard voor wil maken.”


Surprise question Zo af en toe stel ik collega’s graag een ‘surprise question’. Overigens: het betreft hier niet de vraag of je als zorgverlener verwacht dat de patiënt over een jaar nog in leven is. Het verrassingselement zit ’m in het plotseling stellen van de vraag: “Wat voor beroep had je gekozen als je geen arts was geworden?”

Anna Verhulst is aios interne genees­ kunde en voorzitter van de Stichting Dokters in Debat. In haar studenten­tijd was ze onder andere actief als be­stuurs­lid bij De Geneeskundestudent, als voor­ zitter van de werkgroep Studenten van het Platform Medisch Leiderschap en als lid van de redactie­raad van Arts in Spe. Daarnaast schreef ze wekelijks columns voor Observant, de universiteitskrant van Maastricht, waarvan een selectie verscheen in de bundel Het is wit en staat in de weg.

Coassistenten komen vaak vlot met hun ant­ woord. Wiskundige, bloemschikker of profvoet­ baller – lang hoeven ze er niet over na te denken. Mijn mede-arts-assistenten lijken er al wat meer moeite mee te hebben, maar met een beetje aan­­­dringen komen ook daar fotograaf, leerkracht of zeil­in­struc­teur uit. Bij medisch specialisten is door­­gaans de eerste reactie een meewarig “dat weet ik niet hoor” of een verontschuldigend “ik heb altijd al arts willen worden”. Een enkeling pro­beert zich er vanaf te maken door een ander medisch specialisme te noemen. Met wat aan­moe­diging hoor ik ook van hen tenslotte ant­­woorden als zelfstandig ondernemer, salsadanse­res en geoloog de revue passeren. Wat mij betreft is deze enigszins dwaze vraag een fundamenteel onderdeel van datgene dat elke arts zichzelf zou moeten afvragen: wie ben ik naast mijn professionele identiteit? De generatie die op dit moment medisch specialist is, is doorgaans nog opgeleid in de tijd waarin het algemeen geaccepteerd was om 60 uur per week te werken en in de avonduren je promotie­ onderzoek af te ronden. De artsen van mijn ge­ neratie zien hun carrière steeds vaak anders voor zich en zoeken bewust tijd en ruimte voor andere interesses. Die ruimte voor andere interesses is er binnen het huidige zorgsysteem nog lang niet altijd, en dat zorgt voor frictie. Jonge dokters raken overspannen en hun opleiders en leiding­ gevenden raken gefrustreerd. De oplossing daarvoor moeten we wat mij be­treft in twee richtingen zoeken: de manier waarop we

medisch-specialistische vervolg­op­­leidingen inrichten en de manier waarop we onze zieken­ huiszorg organiseren. Medisch-specialistische vervolgopleidingen moeten afstappen van de gedachte dat een gepromoveerde medisch specialist de enige goede medisch specialist is. Technologische en maatschappelijke ont­wik­ke­ lingen vragen juist óók om artsen die zich buiten hun medische vak in robotica, eHealth, manage­ ment of politiek verdiepen. Ziekenhuiszorg moet zo georganiseerd worden dat het tegemoetkomt aan de behoeften van de twee belangrijkste spelers in het systeem: de patiënt en de zorgverlener. Om maar eens een voorbeeld te noemen: parttime dagen zorgen nu vaak voor roosterproblemen. Ondertussen is het ziekenhuis twee dagen per week gesloten met uitzondering van de hoogstnoodzakelijke spoedzorg. Waarom roosteren we dokters niet zeven dagen per week in, maar dan wel in shifts van vier of vijf dagen? Niet alleen worden dan de faciliteiten van ziekenhuizen optimaler benut, maar ook worden wachtlijsten teruggedrongen en zal de ligduur van patiënten afnemen – wat allemaal weer tegemoetkomt aan de wensen van de patiënt. Terug naar de surprise question. Wat voor beroep ik zelf had gekozen als ik geen arts was geworden? Ik zou graag het Jeugdjournaal presenteren. Nu maar hopen dat de NOS meeleest.

September 2018 | 15


Tekst Marjolein Dekker

actie Umc’s in

Ruim 7.000 umc-werknemers kwamen afgelopen zomer in actie voor een goede Cao UMC. Waar liepen de onderhandelingen op vast, welke actie-initiatieven werden genomen en hoe gaat het traject nu verder? Een actiezomer nader belicht …

In februari startten de onderhandelingen voor een nieuwe Cao UMC, die geldt voor de circa 67.000 werknemers die in de acht umc’s werken. Al vóórdat het eerste gesprek plaatsvond, was achter de schermen duide­lijk dat het geen makkelijk onder­han­de­­lings­ traject zou worden. De vier werk­ne­mers­ organisaties (zie ook de kader­tekst) had­den een gezamenlijke inzet opgesteld, en die lag mijlenver af van de inzet van de NFU, die namens de werk­gevers onder­handelt. Ter illustratie: de werk­ne­mers­­organisaties vroegen om een salaris­verhoging van 3,5 procent vanaf 1 januari 2018; de NFU wilde aanvankelijk überhaupt geen percentage noemen en repte in haar voorstel alleen over ‘een verantwoorde loons­verhoging’. Daarnaast lagen de am­bities als het gaat om een duurzaam inzet­baarheidsbeleid en het terugdringen van de werkdruk ver uiteen.

Geen verbetering, maar verslechteringen Tijdens de eerste onderhandelingsronde op 8 februari wisten de werknemers­orga­ni­­sa­ ties de NFU ervan te overtuigen dat de werk­­

LAD magazine | 16

geversinzet te weinig ambitie uit­­straal­de. De NFU ging daarop terug naar de tekentafel en kwam in maart met een nieuw voorstel. “Toen we dat nieuwe voor­stel lazen, waren we nogal verbaasd”, vertelt Brigitte Sprokholt, onderhandelaar voor de LAD/Ambtenaren­ centrum/FBZ. “De voorstellen bevatten na­­me­­­­lijk nog steeds een behoorlijk aantal ver­ slechteringen in plaats van een ver­betering van de huidige cao-afspraken. Er was be­­ hoorlijk wat ge­wijzigd in de diverse per­cen­ tages voor toelagen voor diensten, maar per saldo zouden werknemers erop achter­uit­ gaan. De salaris­verhoging die de NFU wilde, was nog geen één procent voor 2018. We vonden het on­begrijpelijk.” De werknemersorganisaties organiseerden in april bijeenkomsten in de umc’s om de voorstellen van de NFU toe te lichten. Sprokholt: “Tijdens die bijeenkomsten werd duidelijk dat iedereen het erover eens was dat dit geen basis kon worden voor een goede cao. We zijn met die bood­schap terug naar de NFU gegaan. Na nog een aantal onder­ handelingsrondes werd duidelijk dat er aan werkgeverszijde te weinig be­reid­heid was om

aan onze voor­stellen tege­moet te komen. Daardoor liepen de onder­hande­lingen op 28 mei vast. De NFU dacht dat ze ons tege­ moetkwam door een aantal ver­slech­te­rings­ voorstellen in te trekken, maar daarmee heb je nog geen goede cao. Wij willen de cao daad­werkelijk verbeteren, zodat iedereen erop vooruitgaat. En dus waren we letterlijk uitgepraat.”

Uitgepraat betekent actie

‘Uitgepraat’ betekent in cao-land dat het tijd is voor stap twee: het voeren van actie. “Niet alle LAD-leden zaten daarop te wach­ ten”, vertelt Sprokholt, “en dat be­­grijpen wij natuurlijk heel goed. Maar actie­voeren is – helaas – wel de enige manier om de druk op werkgevers op te voeren, en dat is nodig. De werkdruk in umc’s is hoog. Het gaat om bevlogen mensen die de beste pa­ tiëntenzorg willen leveren, maar dan willen ze wel dat hun werk­gever ook oog heeft voor hun welzijn. Wat wij vroegen was bovendien echt niet zo gek. De salarisinzet is in lijn met wat we in andere cao’s in de zorg afspreken, en dat geldt ook voor ons wensenlijstje voor


Wie zitten er aan de cao-tafel? “We waren letterlijk uitgepraat”

Aan de cao-tafel voor de Cao UMC is de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) de werkgeversorganisatie die namens de acht umc’s (Amsterdam UMC locatie AMC, Amsterdam UMC locatie VUmc, Erasmus MC, LUMC, Maastricht UMC+, Rad­ boud­­umc, UMCG en UMCU) onderhandelt. Werknemers worden vertegenwoordigd door vier grote werknemersorganisaties: Ambtenarencentrum/FBZ, FNV Zorg & Welzijn (ACOP), CNV Zorg & Welzijn (CCOOP) en CMHF. De LAD-achterban is via twee van deze vier organisaties ver­ tegen­­woordigd: voor coassistenten, artsen niet zijnde medisch specia­listen (zoals: a(n)ios, bedrijfsartsen en SEH-artsen), zieken­ huisapothekers, klinisch chemici, klinisch fysici en technisch ge­neeskundigen is de LAD aangesloten bij AC/FBZ, die ook de be­­langen vertegenwoordigt van andere zorgprofessionals, zoals physician assistants, psychologen en diëtisten. Voor medisch spe­ cialisten trekt de LAD op met de Federatie Medisch Specialisten en is ze aangesloten bij CMHF, een koepel van 43 beroeps- en belangenverenigingen, die zijn ingedeeld in acht sectoren. De LAD neemt deel in de sector Zorg.

scholings­mogelijkheden, het terugdringen van werk­druk en een personeelsbeleid dat erop is gericht om werknemers vitaal tot aan hun pensioen te laten werken. Bovendien willen we nu eindelijk eens een stage­vergoeding voor de coassistenten af­ spreken.” Sprokholt benadrukt dat het niet alleen draaide om ‘meer salaris’. “We hadden het gevoel dat er niet serieus naar de wensen van werknemers werd geluisterd en dat de NFU onvoldoende oog had voor de werk­druk en de vraag hoe je werknemers met plezier naar hun werk laat gaan. Het was dus tijd om een statement te maken. Omdat we tot dusver samen met de andere werk­nemers­ partijen hadden opgetrokken, was het een logische vervolgstap om ook samen dit actie­­ traject in te gaan. Samen uit, samen thuis.”

Actiebijeenkomsten en stiptheidsacties

In alle umc’s werden lokale actiecomités ge­vormd, die in overleg met de vier werk­ nemersorganisaties in hun umc bedachten hoe ze het actietraject wilden opbouwen en welke actievormen daarvoor geschikt

waren. Voorop stond dat de patiëntenzorg er niet onder mocht lijden. Staken is voor werknemers in ziekenhuizen eigenlijk geen optie, want daar wordt, hoe je het ook wendt of keert, de patiënt de dupe van. En dus werd gekeken naar andere actie­vormen die meer passen in een zieken­huis­omgeving. Op 9 juli trapte het LUMC het actietraject af met stiptheidsacties; ook het UMCU startte daar al snel mee. In andere umc’s gaven de lokale actiecomités de voorkeur aan ‘lu­ dieke’ actie-initiatieven, zoals actie­bij­een­ komsten en stille tochten. Uiteindelijk zijn ook het Maastricht UMC+ en het Erasmus MC aangehaakt bij de stipt­heids­acties. Sprokholt geeft aan dat ruim 7.000 werk­ne­ mers afgelopen zomer hebben mee­ge­­daan aan de acties. “Een ongelooflijk aantal, zeker als je bedenkt dat de acties middenin de zomer­vakantie plaatsvonden. Dat zoveel werknemers bereid waren eraan mee te doen, zegt veel over de on­te­vreden­heid.”

Informeel gesprek

De actie-initiatieven zijn niet onopgemerkt gebleven. Ook niet bij de NFU. In augustus

ontvingen de werknemersorganisaties een uitnodiging voor een informeel gesprek. De werknemersorganisaties besloten samen om op die uitnodiging in te gaan, maar wel met een duidelijke boodschap: ze willen pas weer onderhandelen als de NFU met een beter bod komt. Is die bereidheid er niet, dan wordt de druk in het actietraject verder opgevoerd met zondagsdiensten.

Vervolg

Toen dit magazine naar de persen ging, had dat informele gesprek net plaatsgevonden en werd voor begin september een tweede gesprek gepland om te verkennen of er vol­ doende onderhandelingsruimte is om weer om tafel te gaan. Sprokholt durft niet te voor­spellen of ze eind september weer aan de onderhandelingstafel plaatsneemt of dat ze bij het verschijnen van dit magazine middenin de voorbereidingen voor een zon­dagsdienst zit. “Welk scenario het ook wordt, één ding is duidelijk: umc-werk­ne­ mers hebben laten zien dat er niet over, maar met hen moet worden beslist. De NFU kan niet zomaar om hen heen.”

September 2018 | 17


Bureau in beeld

Spreek elkaar aan Uit een onderzoek van De Genees­ kunde­student blijkt dat genees­kunde­ studenten elkaar beter durven aan te spreken dan vijf jaar geleden als het gaat om on­pro­fes­sioneel gedrag. Denk bijvoorbeeld aan een denigrerende opmerking over een collega of in de trein ervaringen uit­­wis­selen, waardoor derden (al dan niet per ongeluk) ver­ trouwelijke patiënt­informatie te horen krijgen.

meestal goed doet volgen. Maar helaas werken dit soort ‘rolmodellen’ nog niet over­al, en ik realiseer me heel goed dat het juist dan heel lastig wordt om iets te veranderen. Als LAD zien wij een rol voor onszelf weggelegd om een cultuur­ verandering aan te jagen (en ons nieuwe bestuurslid Jurriaan Penders heeft daar zelfs een persoonlijke ambitie van ge­ maakt; zie ook het interview op pagina Uit recente enquêtes blijkt – helaas – dat 12-14). In de eerste plaats willen we bij werk­gevers, bijvoorbeeld aan de caohet niet altijd makkelijk is om dit soort zaken bespreekbaar te maken. De cultuur tafel, problemen adresseren en inven­ vormt voor coassistenten vaak een drem- tariseren welke mogelijkheden er zijn om iets aan de cultuur te doen. Als u ergens ­­pel. En niet alleen voor de co’s. Ook van tegenaan loopt, deel dit dan gerust met aios en andere artsen krijgen we regel­ ons, want daar zijn we voor! Daarnaast matig te horen dat er lang niet in iedere zijn we bezig om te kijken of we trainingen instelling een open cultuur is waar je kun­nen ontwikkelen om managers en makkelijk dingen aan de orde stelt of vak­groep­leiders bewust te maken van het waarbij het gewoon is dat je je eigen grenzen aangeeft. Tekenend in dat kader creëren van een open cultuur. vond ik de reacties die LAD-leden gaven Een cultuurverandering kan je in mijn tijdens een bijeenkomst die we eerder op­tiek echter niet creëren zonder nieuw­ dit jaar organiseerden over ge­zond en komers, die fris tegen de zaken aan­kijken. veilig werken: niet zozeer de hoge werk­ Ik zou artsen in spe dus vooral willen op­ druk an sich vonden de aan­wezigen het probleem; het is meer de ‘uren over­schrij­ roepen om zich te blijven ver­bazen en die verbazing ook uit te spreken. En ik hoop den is de norm’-cultuur die hen nekt. dat de ‘gevestigde’ orde zich daar­voor wil Die cultuur is dus iets wat moet ver­an­de­ openstellen. Niets is zo ver­­fris­send als een jonge generatie die je scherp houdt. ren. Gelukkig horen we van leden ook positieve ervaringen, zoals een vak­groep­ leider die zelf het goede voor­beeld geeft Caroline van den Brekel en een feedbackcultuur stimuleert. Niets directeur is zo mooi als dat, omdat goed voorbeeld Ik vind het goed nieuws dat coassisten­ten elkaar hierop beter durven aan te spreken en hoop dat ze dat ook op andere ter­rein­­en én richting collega’s steeds meer dur­ ven te doen. Zoals bij het over­­schrij­den van hun uren tijdens co­schap­pen. Of als ze vinden dat ze niet goed worden begeleid. En, niet te vergeten, bij onge­ wenst gedrag.

LAD magazine | 18

Nieuwe cao’s Deze zomer bereikte de LAD diverse ak­ koorden voor nieuwe cao’s, waar­onder een nieuwe Cao SBOH (die geldt voor aios huisarts-, aios ouderen­genees­kunde en aios-AVG), Hidha, Neder­land­se Uni­­ver­si­teiten en Gezond­heids­centra. Daarnaast kwam er een geheel nieuwe cao tot stand: de Cao Zorg van de Zaak. Deze geldt voor werknemers die bij Zorg van de Zaak werkzaam zijn. Vanwege een aantal overnames in de afgelopen jaren waren er binnen deze instelling tot voor kort verschillende arbeids­voor­ waardenregelingen van toepassing. Met de komst van een cao gelden voor iedereen eenduidige afspraken, met als uitgangspunt dat iedere werknemer erop vooruitgaat. Wilt u weten wat er in uw cao staat als het gaat om salarisverhogingen, werk­ tijden of scholingsmogelijkheden? Ga dan naar www.lad.nl en klik op ‘LAD voor u’, en vervolgens op ‘Cao’s’.

LAD @LADactueel LAD @LADactueel De actiebereidheid in #umc’s is deze zomer groot: “Wij gaan pas weer stralen als de #NFU ons beter gaat betalen” Artsmg @artsmgnl De nieuwste uitgave van het magazine @LADactueel besteedt uitgebreid aandacht aan de opleiding tot en het vak van de arts M&G. #artsmg #artsmaatschappijengezondheid #middenindemaatschappij LAD @LADactueel Onze website is vandaag compleet vernieuwd en in een fris jasje gestoken. Nieuwsgierig? Bezoek de nieuwe #LAD-site: https://www.lad.nl Colofon Kwartaalblad van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) met nieuws, opinie en achtergrondinformatie. (oplage 34.250) Redactieadres Mercatorlaan 1200, Postbus 20058, 3502 LB Utrecht, Telefoon 088 13 44 100, E-mail: redactie@lad.nl Redactie Caroline van den Brekel, Marjolein Dekker en Corrie Kooijman Redactiecommissie Joeri Arkink (apotheker), Edwin Duijzer (anios), Fardou Heida (aios gynaecologie), Jelke Hagen (anios psychiatrie) en Anne Lisa Wolf (klinisch fysicus in opleiding) Columnist Anna Verhulst (aios interne geneeskunde) Illustraties Ronald Slabbers Fotografie Ivar Pel, Hans Tak Ontwerp Member Since Druk Centrum Drukwerk ISSN-nummer 2213-9923


Nog een paar plaatsen vrij …

Gezocht: nieuwe columnist én redactieleden

Er zijn nog een paar plaatsen vrij voor de LAD-training ‘Beter in onderhandelen’ op 1 of 14 november. Deze training hebben we vorig jaar samen met VvAA speciaal voor LAD-leden ontwikkeld, om hen te helpen om effectief te onderhandelen binnen hun instelling. Bijvoorbeeld als u de hoge werk­druk bespreekbaar wilt maken bij uw raad van bestuur. Of als u uw vakgroep wilt overtuigen van een voorstel om anders te gaan roosteren. Dit en vorig jaar hebben al heel wat aios, me­ disch specialisten, huisartsen, jeugd­artsen en andere zorgprofessionals de training gevolgd. Zij waardeerden deze met een 8,5 als rapportcijfer. De training duurt een dag, levert u 6 accreditatiepunten op en wordt tegen een gereduceerd tarief van 295 euro aangeboden. Interesse? Wees er snel bij! Aanmelden kan via www.lad.nl/lad-voor-u/agenda. Binnenkort gaan we ook de training ‘Beter in beeld’ weer inplannen voor 2019. Via onze nieuwsbrief en op onze website worden de nieuwe data bekendgemaakt.

Voor ons LAD-magazine zijn we vanaf 2019 op zoek naar een opvolger voor columnist en aios Anna Verhulst. Anna heeft twee jaar lang de column in ons magazine verzorgd, en vindt het tijd om het stokje over te geven. Bent u LAD-lid en heeft u een scherpe pen, een duidelijke visie op zorgactualiteiten die de LAD-speerpunten raken (zoals werkdruk, positionering, cultuur en de arbeidsmarkt) en bent u in staat dat op een geestige en doeltreffende manier voor het voetlicht te brengen? Aarzel dan niet om contact met ons op te nemen via redactie@lad.nl. We vertellen u er graag meer over! Naast een nieuwe columnist kunnen we ook nog wel wat enthousiaste leden gebruik­en voor onze redactiecommissie. Onze redactie­ commissie denkt mee over onderwerpen voor artikelen, kijkt mee met de concept-artikelen

en fungeert op die manier letterlijk als een klankbord om het blad zo goed mogelijk op uw informatiebehoefte af te stemmen. We vergaderen vier keer per jaar (op een avond) in Utrecht. Interesse? Mail ook dan naar redactie@lad.nl.

In getal In ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere zorginstellingen werken

121.000 zzp’ers

(bron: Kamer van Koophandel)

op de 10 7geneeskunde­studenten moeten na hun bachelor gemiddeld een halfjaar wachten voordat ze coschappen kunnen lopen

De helft van de verpleegkundigen en POH’s slaat koffie- en rustpauzes (zeer) vaak over vanwege drukte

Omdat de vraag naar verslavingszorg toeneemt, is het advies om vanaf 2020 per jaar

(bron: Nivel)

verslavingsarts

(bron: Ministerie van OCW)

De Federatie Medisch Specialisten wil de

administratielast terugbrengen van

2 dagen tot 1 dag (bron: Federatie Medisch Specialisten)

In de VVT werken

376.000

mensen, 24.000 minder dan in 2014 (bron: Platform Zó werkt de zorg)

16 à 18 mensen op te leiden tot (bron: Capaciteitsorgaan)

Bijna 1 op de 6 mensen maakte in 2017 ten minste

1 keer

gebruik van de

huisartsenpost (bron: Nivel)

September 2018 | 19


Maak werk van jezelf met GRIP De online zelfcoaching tool voor zorgprofessionals

GRIP biedt meer energie en balans, door:  persoonlijke ontwikkeling op basis van de positieve psychologie  direct inzicht in je eigen mentale batterij met de startmeting  het uitstippelen van je eigen ontwikkelpad  keuze en inspiratie uit relevante ontwikkelmodules  tussentijdse metingen van je energiebronnen en stressoren  wetenschappelijke onderbouwing vanuit het Job Demands - Resources (JD-R) model  de mogelijkheid samen met je team duurzaam inzetbaar te blijven

Ben jij toe aan GRIP? Test het zelf: vvaa.nl/grip

Profile for LAD-magazine

LAD-magazine, september 2018  

In het magazine van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) wordt o.a. ingegaan op de positionering van huisartsen in gez...

LAD-magazine, september 2018  

In het magazine van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) wordt o.a. ingegaan op de positionering van huisartsen in gez...

Advertisement