LAD-magazine, december 2021

Page 1

Magazine

# 36 - December 2021 Kwartaalmagazine van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD)

Hoe vergroot je samen je werkplezier?

Mentor of buddy voor alle a(n)ios

Diversiteit in de spreekkamer

Verslavingsartsen in beeld


Voorwoord

­­­­

Perspectief

We zijn in mijn optiek op een punt gekomen waarop we drastische keuzes moeten maken. De zorgkosten zijn het afgelopen decennium flink gestegen en het aantal (extra) mensen dat nodig is om die zorg te kunnen blijven leveren, neemt verder toe. Er zit een plafond aan die groeicurve. Om de zorg in de toekomst goed, betaalbaar en toegankelijk te houden, is meer nodig dan werken in de zorg aantrekkelijk maken of de zorg steeds efficiënter organiseren. Natuurlijk is dat óók belangrijk, maar daarmee zijn we er simpelweg niet. Wat dan wel nodig is? Een fundamentele discussie over de toekomst van ons zorgstelsel. Geen populair onderwerp, dat realiseer ik me maar al te goed. Want het gaat over complexe vragen. Wanneer komt een patiënt op een leeftijd waarop het ‘redelijk’ is om te

LAD magazine | 2

zeggen dat je hem een knieoperatie of chemokuur ontzegt? Is het verantwoord alle zorg te blijven bieden bij een tekort aan zorgmedewerkers? Als dokter heb ik de plicht voor elke patiënt goed te zorgen, laat dat helder zijn, maar als maatschappij moeten we bepalen welke zorg we kunnen blijven leveren. En welke zorg we kunnen blijven vergoeden. Geen gemakkelijke discussie, maar we moeten het gesprek daar in mijn ogen over aangaan. Met ‘we’ bedoel ik dan overigens niet (alleen) de dokters, maar de samenleving als geheel, met de politiek als initiatiefnemer. Nu snap ik dat het voor politici in deze tijden gelijkstaat aan politieke zelfmoord om deze discussie aan te zwengelen, maar ik zou ze willen vragen het toch te doen. Want hoe langer we dit voor ons uitschuiven, hoe nijpender de situatie wordt. Focus dus op de lange termijn, spring over je eigen schaduw heen en zorg dat Nederland ook in de toe­ komst een van de beste zorgstelsels in de wereld blijft houden. Wie in de zorg werkt, weet dat het het mooiste vak is wat er bestaat. Als we willen dat dat zo blijft, zul je zorgmedewerkers én de mensen die zorg nodig hebben, perspectief moeten bieden. Suzanne Booij Voorzitter LAD

Colofon: Kwartaalblad van de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD) met nieuws, opinie en achtergrondinformatie. (oplage 35.950) Redactieadres Mercatorlaan 1200, Postbus 20058, 3502 LB Utrecht, Telefoon 088 13 44 100, E-mail: redactie@lad.nl Redactie Caroline van den Brekel, Marjolein Dekker, Julia Hamel en Corrie Kooijman Columnist Doa Shaikhani (coassistent) Illustraties Ronald Slabbers Fotografie Ivar Pel Ontwerp Member Since Druk Centrum Drukwerk - ISSN-nummer 2213-9923

Structureel overwerken, verzuimpercentages die ieder kwartaal een record lijken te breken en een nog altijd oplopend personeelstekort. Ik val maar meteen met de deur in huis, want ik kan het simpelweg niet mooier maken dan het is. Het piept en kraakt in de zorg. In alle sectoren: van de ziekenhuis- tot de ouderenzorg en van de huisartsen- tot de publieke gezondheidszorg. Dat is natuurlijk niet iets van de afgelopen anderhalf jaar; de COVID-19 pandemie heeft de problematiek alleen maar pijnlijk onder een vergrootglas gelegd.


4 Samen aan de slag voor meer werkplezier De LAD begeleidt groepen artsen in diverse instellingen bij het realiseren van een gezonder en veiliger werkklimaat. Opvallend is dat de betrokken artsen vaak tegen dezelfde dingen aanlopen, zoals een hoge werkdruk en het gevoel weinig inspraak te hebben. Artsen en andere zorg­profes­­sio­nals uit drie instellingen (GGD Hart voor Brabant, VieCuri en Koraal) vertellen hoe ze samenwerken aan meer werkplezier.

Werk/privé

Arts én topsporter Bij de Olympische Spelen in Tokio was hij COVIDofficer. Oud-Olympiër en waterpoloër Andy Hoepelman combineerde zijn werk als internist gedurende zijn hele loopbaan met topsport. “Ik kan iedereen aanbevelen energie te halen uit je passie.”

8 Diversiteit in de spreekkamer

10

Hoe ga je als dokter om met alle verschillende soorten mensen die je in je spreekkamer ziet? En ervaren artsen uit andere landen of met een handicap zelf vooroordelen? Drie artsen vertellen over het belang om je bewust te zijn van diversiteit.

12 Alle verslavingsartsen vanaf 2022 LAD-lid

16 Gun iedere arts een mentor of buddy

Verslavingsartsen en aios verslavingsgenees­kun­de die lid zijn van beroepsvereniging VVGN, worden vanaf 2022 ook lid van de LAD. “Een lo­gische stap gezien onze ambitie om ons beter te pro­fileren én te positioneren”, vindt Ineke de Noord, verslavings­­ arts KNMG en bestuurslid bij de VVGN.

Tien jonge artsen van Zin in Zorg organiseerden in november een campagne om te zorgen dat een mentor- en buddysysteem voor a(n)ios in alle zorg­instellingen gemeengoed wordt. “Het is fijn als je met iemand kan sparren.”

7

14

15

18

De laatste

LAD-lid in beeld

Ouder­schapsverlof

In ’t kort

Dr. Do schrijft in haar laatste column voor ons magazine over haar twijfels over het artsenvak. “Wil ik wel dokter worden?”

Bart Latten is forensisch patholoog. “Ik wil niet dat mensen begraven worden zonder dat we weten wat er is gebeurd.”

Anios Marieke Maas is zwan­ger en leest dat de Wet betaald ouderschapsverlof eraan komt. Kan ze daar een beroep op doen?

Lees de column van Caroline van den Brekel, het laatste nieuws over projecten, LAD-activiteiten en andere zaken.

December 2021 | 3


Tekst Marjolein Dekker

Samenwerken aan een betere werkcultuur De LAD begeleidt groepen artsen in diverse instellingen sinds eind vorig jaar bij het re­aliseren van een gezonder en veiliger werkklimaat. Opvallend is dat de betrokken artsen vaak tegen dezelfde dingen aanlopen, zoals een hoge werkdruk en het gevoel weinig inspraak te hebben in het instellings­beleid. “Precies met die twee dingen willen we ze verder helpen”, aldus projectleider Romy Steenbeek.

Gezond en veilig werken is een van de be­­­ langrijkste speerpunten van de LAD. Primair worden afspraken daarover geregeld aan cao-tafels. Maar wat als die afspraken onder druk komen te staan door een toe­nemende zorgvraag, terwijl er een per­so­­neels­tekort is? “We kregen regelmatig van vak­groepen of andere groepen artsen de vraag of we ze daarbij kunnen ondersteunen”, vertelt Steenbeek. “Daarom zijn we eind 2020 een pilot gestart bij GGD Hollands Midden. Sindsdien lopen er ook pilots bij GGD Hart voor Brabant, drie ge­handi­capten­zorg­­in­ stel­lingen en twee vak­groepen van zieken­­ huisapothekers. Daarnaast zijn we bij twee ggz-instellingen een nulmeting gestart.” De resultaten van de pilotgroepen zijn zo veelbelovend, dat de aanpak in 2022 wordt geborgd in het project Gezond en veilig wer­ken. “Doel is een procesinterventie te ontwikkelen die artsen van een afdeling of instelling helpt om de werkcultuur te ver­ beteren en de duurzame inzetbaarheid te vergroten”, aldus Steenbeek.

Nulmeting

Als een groep artsen zich aanmeldt voor het project, start eerst een nulmeting om te kijken hoe de artsen tegen hun werk aan­kijken: is er een ‘gezonde’ werkdruk, LAD magazine | 4

instelling. Het traject wordt afgesloten met een eind­meting. Steenbeek: “Hoe meer nul- en eindmetingen we doen, hoe beter we de resultaten kunnen vergelijken en ge­richte interventies kunnen aanreiken. We willen met het project wetenschappelijk bewijs verzamelen over wat wel en niet werkt.”

Denken in oplossingen “We willen de duurzame inzetbaarheid van artsen vergroten” Romy Steenbeek, LAD-projectleider

geeft het werk voldoende energie? Voelen artsen zich gewaardeerd en hoe is hun be­ trok­kenheid bij strategische vraag­­­­stukken geregeld? Op basis van de nul­meting be­palen de artsen zelf aan welke thema’s ze willen werken. Gedurende een tweejarig traject worden ze ver­volgens begeleid om knel­punten aan te pakken en wensen te realiseren, liefst in samenspraak met de raad van bestuur of directie van de zorg­

GGD Hart voor Brabant is een van de instel­ lingen die meedoet. Bij de GGD werken 128 artsen, onder wie Ireen Feenstra, jeugdarts en aios Maatschappij + Gezondheid. “We hebben te maken met een tekort aan artsen, terwijl we de zorgvraag zien toe­nemen. Deels vanwege corona, maar eigen­lijk zagen we de ontwikkeling al langer. Daar­­ naast is in relatief korte tijd in de orga­ni­­­sa­ tie veel veranderd. Alles bij elkaar op­­ge­teld voelt de werkbelasting daar­door hoog. We zijn gevoelsmatig on­voldoende structu­reel betrokken bij beleids­be­slis­sin­gen, terwijl we dat wel graag willen.” De nul­meting, die deze zomer werd ge­ houden, bevestigde dat gevoel. “We heb­­­ben de resultaten samen besproken en heb­­­­ben vijf werkgroepen ingesteld: werk­­­druk, po­ sitionering, interne communicatie, waar­­ dering en draagvlak.” Feenstra zit zelf in de


Plezieriger samenwerken

“Het is fijn om in oplossingen te denken” Ireen Feenstra, jeugdarts

werkgroep werkdruk en vindt het voor­al prettig dat de insteek van de pilot is om te denken in oplossingen. “Als de werk­druk hoog is, is de valkuil dat je blijft klagen over wat er niet goed gaat, zonder de tijd te nemen er iets aan te doen. Het is heel fijn dat we in deze pilot gestructureerd worden begeleid. Ik hoop dat we een ma­ nier vinden om goed in gesprek te blijven, zowel als artsen onderling als met de direc­ tie en het management. En dat we ons werk zo efficiënt mogelijk inrichten, rekening houdend met ieders sterke punten.”

Afgelopen zomer werd de nulmeting uitge­ voerd onder de apothekersgroep. Dittrich: “Daaruit bleek, en dat was natuurlijk niet verrassend, dat we heel hoog scoren op bevlogenheid, maar dat de cognitieve en emotionele belasting hoog is. Gemiddeld werken we een paar uur per week over en nemen we weinig tijd om elkaar bij te praten. Juist omdat ons team in zo’n korte tijd zo snel is gegroeid, liggen irritaties dan snel op de loer.” In drie werkgroepen worden de belang­ rijk­­ste knelpunten aangepakt: werkdruk, com­­municatie en groepsreflectie. Dittrich is voor­zitter van de werkgroep werkdruk. “We willen vooral effectiever en plezieriger met elkaar samenwerken. Ik hoop dat we in de toekomst open en eerlijk durven zijn in wat we belangrijk vinden en wat beter kan. Als de druk hoog is, wordt de een kribbig en treedt een ander juist meer naar binnen. Het is fijn als we dat beter bespreekbaar kun­ nen maken en als team de tijd nemen om te vragen: hoe gaat het eigenlijk met ons?”

Behapbaar

Net als bij GGD Hart voor Brabant was de hoge werkdruk, in combinatie met orga­ni­ satieveranderingen in korte tijd, ook voor de ziekenhuisapothekers in VieCuri reden om zich aan te melden voor het project. “In een paar jaar tijd is onze vakgroep ver­­­dubbeld naar elf medewerkers, en we be­ge­lei­ den ook aios en anios. We worden steeds meer ‘de apo­­theek van het zieken­huis’ in plaats van een zieken­huisapotheek en een poliklinische apotheek”, vertelt ziekenhuis­apotheker Suzanne Dittrich. “De taken in­tegreren daar­door ook. We zijn bin­­nen ons zieken­huis intussen bij veel proces­sen be­ trok­ken. Dat is hartstikke leuk, want eer­lijk is eerlijk: we willen allemaal graag mee­denken over het COVID-beleid, de imple­men­tatie van het EPD of de nieuw­bouw voor de OK. We zeggen daardoor niet snel nee, maar hoe verdelen we de taken zo dat het voor iedereen behapbaar blijft?”

“We zeggen niet snel nee, dus hoe blijft het behapbaar?” Suzanne Dittrich, ziekenhuisapotheker

Zelf aan zet

Wiesje Bressers, arts voor verstandelijk ge­handicapten (AVG) bij Koraal, een instel­ ling voor gehandicapten- en psychiatrische zorg, herkent die wens. “Wij zijn met tien artsen (zes AVG’s en daarnaast vier basis-, huisartsen en aios) en werken verdeeld over verschillende locaties. De werkdruk is bij ons hoog door een tekort aan AVG’s,

Oproep voor artsen in VVT, ziekenhuizen en huisartsenzorg De LAD wil ‘zorgbreed’ ervaring opdoen met het project Gezond en veilig werken (GVW), zodat ze alle artsen zo goed moge­lijk kan ondersteunen. De LAD is daarom nog op zoek naar groepen artsen in VVT-instel­lingen, ziekenhuizen en huis­artsen die ook aan het project willen meedoen. Interesse? Voor meer informatie kunt u contact opnemen met projectleider Romy Steenbeek via lad.gvw@lad.nl.

maar ook doordat ons werk de afgelopen jaren flink is veranderd. De AVG was vroeger vooral instellingsarts, maar tegenwoordig zijn we steeds meer een tweedelijnsdokter die ook buiten de muren van de zorgin­stel­ ling actief is. We doen diensten, draaien de AVG-poli in het ziekenhuis, be­geleiden coassistenten en aios, en willen onze ex­ pertise ook graag inzetten bij in­stellings­ brede vraagstukken.” Dat laatste gebeurt nu nog onvoldoende, vindt ze. “Bij de regiodirecteuren zijn we goed in beeld, maar bij overkoepelende besluiten vanuit Koraal niet. Zo is onlangs besloten om met een andere apotheek te gaan samenwerken. Ik vind het ontzettend jammer dat we niet bij de aanbesteding zijn betrokken, want juist daar kunnen wij vanuit onze medische expertise iets toe­ voegen.” Uit de nulmeting bij Koraal is naar voren ge­komen dat de artsen een duidelijke wens hebben om beter betrokken te zijn bij stra­te­gische be­­slissingen. “We willen op ter­mijn heel graag toe naar een medische staf.” Bressers rea­­­li­seert zich dat ze daar­ voor zelf aan zet zijn. “We zeggen niet snel nee, en komen niet goed voor onszelf op, dus we laten het ook gebeuren dat we nu niet op strategisch niveau worden aan ge­­­ haakt. Juist daarom ben ik blij dat we via deze pilot worden be­­­geleid om dat te ver­an­ deren. In drie werk­groepen (posi­tio­nering, werkdruk en waar­­dering) zijn we aan het nadenken over op­­los­sings­­richtingen.” December 2021 | 5


Handvatten

“We willen op termijn toe naar een medische staf” Wiesje Bressers, AVG

Dittrich (VieCuri) heeft niet de illusie dat alles na de pilot ineens anders is. “We zul­len moeten blijven werken aan een open samen­­­werking, dus ik hoop dat we ook ge­­richte handvatten krijgen hoe we straks verder kunnen. De samenstelling van onze vak­­ groep (en daarmee dus ook de samen­stel­ ling van de werkgroepen) wisselt regel­matig als anios en aios naar een andere werkplek vertrekken. Per januari be­ginnen weer een paar nieuwe mensen, dus ik vind het best lastig hoe we zorgen dat iedereen goed blijft aangehaakt en hoe we blijven vast­houden wat we de afgelopen maanden in gang heb­ ben gezet. Ik hoop dat de LAD ons daarbij kan helpen.” Het zijn allemaal punten die de LAD mee­ neemt om het project te optimaliseren,

benadrukt Steenbeek. “De uitdaging is iedere groep artsen op maat te kunnen begeleiden. Bij de ene groep ligt de wens veel meer in het beter samenwerken of het aanpakken van de werkdruk; bij andere artsen is juist de positioneringsbehoefte groot. Afhankelijk van de uitkomsten uit de nulmeting en de keuzes die de artsen op grond daarvan maken, worden zij begeleid om hun gestelde doelen te bereiken. Voor sommige artsen is een groepsreflectieprogramma een oplossing; voor anderen is het juist zaak zichzelf zichtbaarder te maken in de organisatie. Bij ieder doel hoort een andere aanpak. Maar welke in­ ter­ventie we ook bieden, uiteindelijk doel is het werkplezier en de betrokkenheid bij het werk te vergroten, vanuit het idee dat dat leidt tot betere patiëntenzorg.”

Advertentie

Moet ik een gespreksverslag over functioneren voor akkoord tekenen? Internist Vincent heeft geen prettig functioneringsgesprek. Na afloop krijgt hij hier een verslag van, met de vraag het voor akkoord te ondertekenen. Hij neemt contact met ons op omdat hij het niet eens is met de beoordeling van zijn functioneren. Onze jurist vertelt dat Vincent niet verplicht is om voor akkoord te tekenen; hij kan het ook tekenen voor ‘gezien’. De jurist adviseert Vincent bovendien zelf een reactie te schrijven zodat zijn visie ook in het personeelsdossier wordt opgenomen.

Juridische vragen? Bel:

088 - 134 41 12 Het Kennis- en dienstverleningscentrum is een samenwerking tussen de Federatie Medisch Specialisten en de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband. Wij geven juridisch advies bij onder andere arbeidsconflicten, opleidingsgeschillen en MSB-contracten.

Medisch Specialist ADV 2020 196x117 V1 BLAUW DEF.indd 3

LAD magazine | 6

18-11-2020 08:47


Komt een coassistent bij de dokter Doa Shaikhani is geboren in Irak. Op zevenjarige leeftijd is ze met haar twee broertjes en ouders naar Nederland ge­­ vlucht. Geneeskunde en schrij­ ven zijn haar grote passies. Doa startte daarom tijdens haar coschappen met de website ‘Dokter Do’, waar ze inmiddels 34.000 lezers heeft die haar avonturen in het zieken­huis mee­beleven. De blogs heeft ze, in eigen beheer, in twee delen ge­bun­deld. Naast geneeskunde studeert Doa filosofie en journalistiek.

Dit was de laatste column van Doa Shaikhani. In 2022 starten we met een nieuwe columnist.

“Vind u het goed als de coassistent er ook bij is?”, vroeg de arts me. Voor een seconde maakten de coassistent en ik oogcontact. Ik herkende hem niet van de studie, wat een opluchting was. “Tuurlijk, geen probleem.” Opeens hoorde ik mezelf zeggen: “Hij moet het ook leren.” De wel­bekende zin die ik patiënten vaker had horen zeg­gen. Dit keer was ik de patiënt en werd ik me daar pijnlijk bewust van, nadat ik plaatsnam aan de andere kant van de tafel. “Werk je hier ook?” vroeg de arts. Hij merkte mijn ziekenhuispas op. “Ja, ik werk hier gratis, net als hij”, grapte ik en wees naar de coassistent. “Ik ben bezig met mijn laatste twee weken coschappen in dit zieken­ huis.” Enthousiast reageerde de arts: “En? Wat ga je worden?” “Ik houd alle opties nog open”, besloot ik te antwoorden, maar eigenlijk was ik tijdens mijn gehele semistage bezig met de vraag: wil ik (nog) wel dokter worden? Hij stelde mij vervolgens een hoop vragen, die ik zelf ook meerdere malen gesteld had aan patiënten. Na het lichamelijk onderzoek kon ik al voor­spellen wat hij zou gaan zeggen. Een aantal mogelijke diagnoses, wat aanvullend onderzoek en twee weken later zou ik horen dat er niets te vinden was en ik niet hoef terug te komen tot er weer klachten zijn. Vroeger dacht ik dat dokters alles en iedereen beter konden maken. De ware superhelden, geen cartoonachtige fantasieën. Ooit vertelde iemand mij dat je je helden op afstand moet houden, want zodra je dichterbij komt en ze beter leert kennen, kijk je er heel anders naar. Had ik maar

geluisterd. Aan het eind van mijn coschappen werd ik namelijk geconfronteerd met de zoge­ naamde held in spe in mij, die zelf patiënt werd. Het geeft je een heel ander perspectief op het leven. Ik had verwacht dat ik mezelf écht een dokter zou voelen in mijn laatste coschap. Dat ik heel veel zou weten en er helemaal klaar voor was om mensenlevens te redden. De bub­bel waar ik in leefde, waarin we met elkaar concur­ reren en onszelf willen bewijzen naar de super­ visors, barste open en ik maakte een flinke smak op de grond. Als patiënt verwacht je namelijk heel andere dingen van je dokter. Was er nog tijd om dat te leren? De weg leek opeens nog langer ...

Wil ik (nog) wel dokter worden? De dokters van vroeger waar ik tegen opkeek, waren lopende encyclopedieën, hadden röntgen­ handen en MRI-ogen. Die dokters zijn er nog. Ik ben ze tegengekomen en ik wil ook zo’n dokter worden, maar het systeem laat het soms niet toe. Niet alleen de dokter is veranderd, maar ook de patiënt. En ik moet daar mijn plek nog in vinden. Daarom heb ik even een zijstap genomen naar de media en journalistiek. Met een voorkeur voor medische verhalen uiteraard. Ik ben benieuwd waar deze onbewandelde paden me brengen, maar het komt vast goed. Je kunt zoveel met het artsenvak en je kunt je rol op zoveel manieren invullen, dat ik vanzelf wel scherp krijg op welke manier ik een toegevoegde waarde wil leveren aan de zorg.

December 2021 | 7


Diversiteit in de spreekkamer: hoe ga je ermee om?

Verschillen in de samenleving zijn een hot topic, er komen steeds meer letters bij om groepen te duiden. Hoe ga je als dokter om met mensen met culturele verschillen of gender, en wat als je als arts zelf een specifieke achter­grond hebt? Drie artsen aan het woord over het belang om je bewust te zijn van di­ver­si­teit en inclusie.

LAD magazine | 8


Tekst Corrie Kooijman Illustratie Ronald Slabbers

Jamiu Busari

Annika van der Meer

Doreth Teunissen

kinderarts en hoofdocent Universiteit Maastricht:

paralympisch roeier en anios kindergeneeskunde:

huisarts en docent huisartsgeneeskunde:

Met een beurs op zak, jong en leergierig, kwam ik in Nederland terecht. Nog een beetje naïef had ik er niet zo bij stilgestaan dat mijn achtergrond ertoe zou doen bij het voortzetten van mijn carrière. Al doende merkte ik dat ongelijk­ heid op allerlei manieren verweven zit in ons ge­zond­heidssysteem. Studenten en artsen met een andere etnische achtergrond lopen tegen diverse vooroordelen aan. Zo is het voor hen extra moeilijk om aan de bak te komen of te promoveren. Omdat je in een hiërarchische omgeving zit, kun je je in de werkrelatie ook niet vrijuit uitspreken zonder gevolgen. Ik werkte al als arts-assistent toen ik hier in Neder­land opnieuw artsexamen moest doen. De toets met 100 vragen in het Neder­­ lands maakte ik met het Van Dale woor­­den­­­­boek Nederlands-Engels ernaast. Ik was blij glansrijk te zijn geslaagd; elke fout zou immers een volle punt kosten, maar ver­­volgens was ik geschokt door de reactie van de leden van de examencommissie. Ze hadden er niet op gerekend dat ik het zou halen. Niet bepaald een stimulans dus, terwijl de omstandigheden voor het examen verre van ideaal waren. Tegen wil en dank werd ik steeds meer beschouwd als expert. Mijn positieve instelling helpt om steeds te blijven bewegen binnen de kaders en me te houden aan mijn eigen profes­sio­nele maat­ staf. Ik heb niet de illusie dat dingen snel zullen veranderen. Het draait er niet zozeer om anderen te bekritiseren. Belangrijker is diegenen die in een bevoorrechte en besluit­ vormende positie verkeren bewust te laten zijn waar het knelt, zodat er een opening ontstaat om dat te kunnen veranderen.”

Ik ben overtuigd van het denken in mogelijkheden. Heel veel kan wel, ook al is een rolstoel lastig. Maar de rolstoel is niet het probleem, dat is juist een oplossing voor het feit dat ik niet kan lopen. Je moet dus niet focussen op wat allemaal niet kan. In het dagelijks leven kan ik alles doen wat een ander kan. Op safari gaan in Afrika was geen probleem, zelfs niet toen ik ging kamperen, al is wel duidelijk dat een strandwandeling en berg­ beklimmen geen echte opties zijn. De vooroordelen waarmee ik soms te maken krijg, zijn wel eens lastig. Tijdens de co­ schappen chirurgie had de opleider het idee dat ik geen voldoende zou kunnen halen. Ik vond het niet makkelijk het ge­ sprek hierover aan te gaan, maar dat was wel nodig. We hebben samen naar de leer­doelen gekeken en toen bleek alles niet zo zwart-wit. Dat is dus op te los­sen. Er kan veel als je bespreekbaar maakt wat je nodig hebt. Ik heb altijd full­time gewerkt. In die zin kan ik artsen dus ook bewustmaken van onbewuste voor­ oordelen. Dit jaar ben ik even gestopt met mijn werk als arts om me volledig te kunnen con­cen­­treren op de Paralympics in Tokio en er het maxi­male uit te halen. Daar ging een jaren­­­lange voor­bereiding aan vooraf. De combi­natie met geneeskunde was zeker pittig, maar ik ben er heel trots op dat het allemaal gelukt is. In 2019 ben ik afgestudeerd als arts en dit jaar kon ik een zilveren medaille mee naar huis nemen. Na een paar maanden ‘aftrainen’ geef ik vanaf januari een vervolg aan mijn artsencarrière.”

Ik wil graag een gender­sensitieve aanpak in de huisartsengenees­ kun­de stimuleren, omdat ik ervan over­ tuigd ben dat dat de huisartsenzorg ten goede komt. Als je de nuances inzichtelijk maakt, zie je waarom het nodig is gender­ sensitief te zijn. Het behoeft geen uitleg dat mannen en vrouwen van elkaar ver­­schil­len. Biologische verschillen en gender­­verschillen zijn beide van invloed op ziekte en gezondheid. Sommige aan­ doeningen presenteren zich anders, zoals hart- en vaatziekten. Bepaalde ziekten zoals auto-immuunstoornissen komen bij vrouwen veel vaker voor. Veel kennis in de geneeskunde is gebaseerd op onder­ zoek onder jonge gezonde mannen. Een vrouwenlichaam functioneert echter anders. Ook werken sommige medicijnen anders. Ik kwam tijdens mijn opleiding met dit boeien­de onderwerp in aanraking en heb me er gaan­de­weg verder in ver­diept. Ik ver­spreid kennis door les te geven aan de universiteit. Draait het bij sekse­ver­schillen vooral om de feiten, gen­der­ver­schil­len haal je vooral uit de context van de klachten. Waar vrouwen in de regel van­zelf zijdelingse infor­matie geven door te ver­­tellen over de achtergronden van de klachten, is bij man­ nen vaak juist het omge­­keerde het geval, waardoor soms waarde­volle infor­matie voor de anamnese ontbreekt. Als huis­arts kan je in het ge­sprek daarop inzoomen. Met emeritus hoogleraar Toine LagroJanssen heb ik een praktisch leerboek samen­gesteld over sekse en gender in de spreek­kamer. Het boek is voor huis­­­artsen (in opleiding), maar bijvoor­beeld ook interessant voor praktijk­onder­steuners.”

December 2021 | 9


Werk/privé

Tekst Corrie Kooijman Fotografie Ivar Pel

LAD magazine | 10


Andy Hoepelman (66) is sinds kort met pensioen en combineerde gedurende zijn hele loopbaan zijn passie voor topsport met zijn werk als hoogleraar interne geneeskunde en hoofd van de afdeling infectieziekten bij het UMC Utrecht. Hij maakte deel uit van het Nederlandse waterpoloteam dat in 1976 een Olympische bronzen medaille veroverde. Bij de Olympische Spelen in Tokio afgelopen zomer was hij COVID-officer en gedelegeerde bij het waterpolotoernooi. Hij woont samen in het midden van het land met Sibyl (kinderarts) en heeft drie zonen.

“Volg je passie” Gedurende zijn carrière combineert Andy Hoepelman topsport met zijn werk als internist. Als pensionado is zijn dubbelcarrière sinds kort gestopt, maar zijn waterpolotrainingen op landelijk niveau en de bestuursfuncties binnen de Europese en Wereldzwembond gaan gewoon door. “Ik kan iedereen aanbe­velen energie te halen uit je passie.” Het plannen van het interview (na een waterpolotraining) en de fotoshoot (vlak voor zijn vertrek naar Columbia voor een toernooi) is veelzeggend voor de agenda van Hoepelman. Waterpolo bepaalt nog altijd het werkschema van de oud-Olympiër. Het leidt meteen tot de vraag hoe het hem lukte een carrière als topsporter jarenlang met het artsenvak te combineren. “Als ik terugdenk, was het in het begin niet altijd makkelijk. Er werd gelukkig nog niet zo professioneel getraind als tegenwoordig, maar ik had wel te maken met exorbitant lange werkweken. Het is goed dat zowel de randvoorwaarden voor topsport als de werkomstandigheden voor artsen intussen in positieve zin zijn veranderd. Gelukkig heb ik altijd veel ener­gie gehad en ervaarde ik geen proble­men om werk te kunnen combineren met sport­activiteit­en. Werken en sporten zijn beide inspan­nend en geven voldoening. En het sporten zorgt natuurlijk ook voor een goede weerbaarheid en ontspanning.”

Hij vond onderzoek leuk en uitdagend, en koos voor het pad van interne geneeskunde en infectieziekten. “Daar is veel interessants op mijn pad gekomen, van de hiv-epidemie aan het begin van mijn loopbaan tot aan de COVID-pandemie nu. Het is een boeiend vakgebied dat continu in ontwikkeling is. Er zijn veel nieuwe ziekteverwekkers en in­ fec­tie­ziekten ontdekt, vele daarvan zijn gaan­deweg behandelbaar of chronisch en beheersbaar geworden. In zekere zin is COVID-19 te vergelijken met de influenza­ pandemie, maar de sociaaleconomische gevolgen zijn intens en niet in die mate te voorzien.” Zijn professionele sportcarrière kreeg een andere wending toen hij zich op zijn artsenloopbaan richtte. In ver­schil­len­de rollen is hij zeer actief voor de waterpolo­sport. Als actief speler in de Nederlandse competitie, als drijvende kracht van het masterteam, met de kern van het ’76 Montreal team waar­ mee jaarlijks het WK wordt gespeeld, maar ook als scheidsrechter en bestuurder.

Interessant vakgebied

Geen rocket science

Toch besloot Hoepelman tijdens de co­ schappen voorrang te geven aan de genees­ kundestudie, omdat de trainingen in het ge­ding kwamen. “Ik ben eerder gestopt dan mijn teamgenoten. Er was nog wel sprake van dat ik zou terugkeren en zou mee­­doen aan de Olympische Spelen van 1980 en 1984. Ik was immers actief blijven waterpoloën op eredivisieniveau, maar was inmiddels 29 jaar en vond topsport niet te verenigen met mijn loopbaanontwikkeling.”

Toch zijn beide carrières parallel blijven lopen. Sport en passie lijken met elkaar te zijn verweven. Dat zie je terug in zijn rol als COVID-officer bij de afgelopen Olympische Spelen in Tokio waar hij zijn expertise op het gebied van infectieziekten combineerde met zijn passie voor de zwemsporten. Zo was hij voor de internationale zwembond de expert van het anti-COVID protocol. Daarnaast is hij lid van de technische commissie waterpolo van de LEN (de Europese zwembond), lid

van de Wereldzwembond FINA en betrok­ken bij de medische taakgroep die moet toezien op het veilig verloop van wed­strijden zonder publiek tijdens de ‘corona­bubbel’. “Ik on­ der­steunde de internatio­nale bonden bij het opstellen van proto­collen voor de wed­ strijden. Zo benadrukte ik dat chloorwater een afbrekend effect heeft op het virus en gaf ik voorlichting in de media over de effecten van het toen nog vrijwel onbekende virus”, vervolgt Hoepelman. “Voor Tokio voorzag ik geen grote problemen, en die bleken er tijdens de Spelen ook niet te zijn.” Daar hield hij supervisie op het coronaproof verloop van het waterpolotoernooi en de lange­baanzwemwedstrijden. “Met voorwaarden als een hoge vaccinatie­graad, dagelijks testen en een beperkte deel­ne­ mers­bubbel, heb je grip op de situatie en kan je veel laten doorgaan. Dat was echt geen rocket science.”

Plaatsmaken

Tegen de achtergrond van het werkgelegen­ heidsprobleem van jonge artsen vond Hoepelman het met 66 jaar en 4 maanden tijd om te stoppen met zijn werk in het ziekenhuis. “Geen makkelijke keuze, want ik deed mijn werk met veel plezier en ik kon dit in goed overleg combineren met al mijn bestuurlijke bezigheden. Ik kan ge­lukkig nog steeds veel aan, maak lange dagen en heb volle weekenden. Ik blijf ook zelf actief in de zwemsport, doe mee aan het veteranen­toernooi en train dus veel. Daarnaast zet ik mijn nationale en inter­na­ tio­nale bestuurlijke activiteiten voort, dit weekend bijvoorbeeld in Colombia.” Op de vraag of een dubbelcarrière een aanrader is voor arts-collega’s antwoordt Hoepelman dat sporten veel oplevert voor je gezondheid. “Maar ik raad vooral aan je hart te volgen en te doen waar je passie ligt; of dat nu sport, theater of iets anders is.”

December 2021 | 11


Ineke de Noord:

“Verslaving heeft veel verschil­lende vormen en gezichten”

Verslavingsartsen voor het voetlicht Alle verslavingsartsen die lid zijn van de beroepsvereniging VVGN, worden per 1 januari 2022 ook lid van de LAD. “Een logische stap gezien de ambitie van de beroepsgroep om zich beter te profileren én te positioneren”, vindt Ineke de Noord, verslavingsarts KNMG en bestuurs­ lid bij de Vereniging voor Verslavingsgeneeskunde Nederland (VVGN).

LAD magazine | 12


Tekst Julia Hamel Foto Ed van Rijswijk

Combinatielidmaatschap Tijdens de Algemene Ledenver­gadering van de VVGN in maart 2020 hebben de leden ingestemd met een combinatielidmaatschap tussen de VVGN en de LAD. Dat betekent dat verslavingsartsen die lid zijn van de VVGN

De laatste jaren zijn verslavingsartsen in toenemende mate in (vak)media te zien, zo ook eerder dit jaar in het LAD-magazine. De Noord is blij met deze ont­wikkeling. “Dat is een van de redenen waarom ik actief ben bij de VVGN. Artsen en andere zorg­pro­­­­fes­sionals kunnen ons veel vaker in­­scha­­­­ke­len om te helpen bij – vaak lastige – patiënten met een verslaving.” Hoe­wel ver­­slavings­zorg al meer dan een eeuw bestaat, is de inzet van gespecia­li­­seer­de artsen pas later gestart. “Verslavingszorg was eerst jarenlang onder­­deel van het domein welzijn, en niet zorg. De consul­ta­tie­­bureaus voor alcohol en drugs werden steeds profes­sioneler en ver­sla­ vin­­gen wer­den meer en meer gezien als een me­disch probleem. Daarom werd steeds vaker een arts ingeschakeld. In 1985 heb­ ben deze artsen zich verenigd in de VVGN. Tegenwoordig zijn er in Nederland ongeveer 200 verslavings­artsen actief”, aldus De Noord.

Zichtbaarder

De eerste officiële opleiding tot verslavings­ arts ging in 2007 van start. De artsen die daar instroomden, kwamen vanuit alle hoeken in de zorg. De Noord: “Er zaten SEHartsen, medisch specialisten en jeugd­­arts­en bij; veelal artsen die begonnen aan een tweede carrière. De afgelopen jaren zien we gelukkig ook steeds meer jonge basisartsen de opleiding instromen. Het is echt een vakgebied dat groeit.” Die groei maakt ook dat de beroepsgroep de ambitie heeft zicht­baarder te worden. “We willen niet alleen bekender worden richting het publiek, maar zeker ook naar collega’s. Het zou fijn zijn als collega-zorgverleners en ook artsen ons beter weten te vinden en ons vaker om een consult vragen.”

De Noord verwacht dat de expertise van een verslavings­arts bij veel patiënten van andere artsen waardevol kan zijn. “Denk aan die ene patiënt die keer op keer op de SEH belandt, de pijnpatiënt die steeds vaker terugkomt voor een nieuw recept of een patiënt die voorafgaand aan een be­handeling moet stoppen met mid­ de­len­­­gebruik. Idealiter zouden we als ver­ sla­vings­­artsen dit soort zorg structureel in zie­ken­huizen willen aanbieden, maar dit is nu niet het geval.”

Verslaafd genoeg?

Dat er nog niet voldoende naar verslavings­ artsen wordt doorverwezen, heeft ook te maken met het klassieke beeld dat heerst over verslavingen. “Vaak denken mensen dat het gaat om iemand die zijn gebruik toe­geeft en hulp zoekt, of iemand die leeft onder erbarmelijke omstandigheden. Maar verslaving heeft zoveel verschillende vormen en gezichten. Wat we zien, is dat mensen met een verslaving vaak lang in een ontkenningsfase zitten en er alles aan doen om het verborgen of geheim te houden, zeker voor een arts. En ook al komt mid­de­­ l­engebruik in de spreekkamer ter sprake, er wordt veelal ondergerapporteerd door de patiënt. Dan zijn die vier borrels op een avond er ineens maar eentje.” Wanneer stuur je als arts iemand door naar een verslavingsarts? Oftewel, wanneer is iemand verslaafd genoeg? “Dat is heel inge­ wikkeld”, weet De Noord, “want uiteraard wil je iemand behandelen als het probleem nog behapbaar is, maar helaas werkt het in de praktijk niet zo. Patiënten moeten de juiste indicatie kunnen krijgen om in be­ handeling te kunnen, en vaak is dat pas als echt sprake is van disfunctioneren.”

vanaf 1 januari 2022 ook lid worden van de LAD (tenzij ze dat niet willen). Ook aios die voor september 2021 zijn gestart, worden aangesloten bij de LAD; aios die daarna zijn gestart, worden lid via hun werk­gever SBOH.

Stevig geluid

Collectieve aansluiting bij de LAD past volgens De Noord bij de wens van de VVGN om verslavingsartsen beter te positioneren. “We hebben aan de LAD een goede steun in de rug. Bij niet alle ggz-instellingen zitten de verslavingsartsen in de medische staf. Omdat de LAD nauw betrokken is bij de op­ richting hiervan, kan ze ons helpen hier wel aan tafel te komen. We realiseren ons dat dit niet allemaal vanzelf gaat, dus we zijn ook zelf aan zet.” De juridische dienstverlening van de LAD biedt volgens De Noord ook een groot voor­ deel voor VVGN-leden. “Ver­sla­vin­gs­artsen hebben door dit combinatielidmaat­schap recht op twintig uur juridische dienst­ver­ lening per jaar. Ze kunnen terecht bij het Kennis- en dienstverleningscentrum voor bijvoorbeeld advies bij onderhandelingen voor een nieuwe baan, maar ook in het geval van een conflict met de werkgever.”

Kip of ei

De Noord werkt al sinds 2009 als versla­­ vings­­arts. “Ik heb eerste lange tijd op een polikliniek gewerkt en sinds twee jaar werk ik klinisch op een afdeling met pa­tiën­­ten met een ernstige psychiatrische aan­­­­­doening.” Na ruim elf jaar ziet ze nog vol­op afwisseling in haar werk. “Ik vind het zo mooi dat ik zowel met somatische als psychische pro­ blemen te maken heb. Het is iedere keer weer een uitdaging erachter te komen wat er eerder was: de verslaving of andere aan­ doeningen. Bijvoorbeeld bij een de­­pres­­sie: heeft die ervoor gezorgd dat de patiënt ver­slaafd is? Of is het een gevolg van de ver­­slaving?”

December 2021 | 13


Tekst Julia Hamel Fotografie Ivar Pel

Huisartsen, aios, medisch specialisten en sociaal genees­kun­digen: de LAD heeft leden in alle disciplines. Wie zijn ze en wat drijft hen? In deze rubriek brengen we LAD-leden letterlijk in beeld.

Bart Latten Forensisch patholoog, Nederlands Forensisch Instituut (NFI) Waarom heb je voor dit vak gekozen?

“Toen ik een coschap forensische geneeskunde deed, was mijn interesse meteen gewekt en dus ging ik in opleiding tot forensisch arts. Een leuke, afwisselende baan waarbij je op veel verschillende plekken werkt – in de gevangenis, bij mensen thuis of op een plaats delict – maar ik vond het onder­zoek te beperkt. Je kijkt alleen naar de buitenkant, en daar­door mis je veel bevindingen (zoals doodsoorzaken) die je bij een sectie wel kunt vinden. Ik ben daarom de op­leiding klinische pathologie gaan doen. 99% wordt klinisch patho­loog, maar mijn interesse lag bij forensische pathologie. Gerechtelijke secties worden in Nederland alleen verricht bij het NFI. We werken er met drie forensisch pathologen en drie medisch specialisten in opleiding tot forensisch patholoog.”

Hoe haal je voldoening uit je werk?

“Net als voor veel andere artsen is iedere casus anders en vaak een medische puzzel. Bij mij komt daar ook een sterk rechtsvaardigheidsgevoel bij kijken. Ik wil namelijk niet dat mensen begraven worden zonder dat we weten wat er is gebeurd. Dit is in veel opzichten van belang, of het overlijden nu door iemand anders toedoen is veroorzaakt of niet. Wij ver­richten het laatste en meest uitgebreide onderzoek aan een stoffelijk overschot en vertellen wat een overledene zelf niet meer kan vertellen. Dat is belangrijk voor de waar­heids­vinding.”

Wat zijn misvattingen over jouw specialisme?

“Wij worden soms ‘gatentellers’ genoemd, alsof we alleen kogelgaten tellen. Dat is natuurlijk heel kort door de bocht. We doen een compleet uit- en inwendig onderzoek met integratie van veel aanvullende onderzoeken. Lichamen komen hier voor gerechtelijke sectie als een forensisch arts niet overtuigd is van een natuurlijk overlijden en de officier van justitie aan­ wijzingen heeft voor een strafbaar feit. Vergeleken met buur­ lan­den gebeurt dat hier relatief weinig. Persoonlijk denk ik dat we eerder en vaker van meerwaarde kunnen zijn.”

Wat is voor jou de toegevoegde waarde van de LAD?

“Als werknemer van het NFI vallen wij onder de Cao Rijks­over­ heid. Die cao is niet bepaald ingericht op ons werk, omdat wij ook in de avonden, nachten en weekenden werken. De LAD zit bij deze cao weliswaar niet aan tafel, maar het is fijn te weten dat ze voor ons klaarstaat als we advies nodig hebben om te kijken hoe we betere afspraken kunnen maken.”

LADLAD magazine magazine | 14 | 14


* Namen van cliënten in deze rubriek zijn fictief in verband met de privacy van de cliënt.

Marieke Maas* is anios in een ziekenhuis en leest in de krant dat de Wet betaald ouderschapsverlof is aangenomen in de Eerste Kamer. Ze is zwanger en in maart 2022 uitgerekend. Kan ze een beroep doen op de wet en mag de werkgever een verlofaanvraag weigeren vanuit een organisatorisch belang? Ze neemt contact op met het Kennis- en dienstverleningscentrum van de Federatie Medisch Specialisten en de LAD om te informeren hoe het zit.

De Wet betaald ouderschapsverlof komt eraan! Tips van Sandra Stalmeier Arbeidsjurist Sandra Stalmeier zet een en ander voor haar op een rij. Allereerst legt ze uit dat ouders op dit moment al aan­spraak hebben op 26 weken ouder­schaps­verlof voor kinderen tot 8 jaar. Dit ouderschaps­ verlof is onbetaald (tenzij het in de cao anders is geregeld). “Wat er met deze nieuwe wet verandert, is dat beide ouders in het eerste levensjaar van het kind gedurende 9 van de 26 weken ouderschapsverlof gedeeltelijk worden door­­­ betaald. De Wet betaald ouderschaps­­­verlof treedt op 2 augustus 2022 in werking en Marieke kan er straks een beroep op doen”, aldus Stalmeier (zie ook de kadertekst).

Niet weigeren

De werkgever kan een verzoek om ouder­ schapsverlof niet weigeren. Het enige wat de werkgever vanwege een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang van de werknemer kan vragen, is om het verlof anders in te roosteren. Maar als een werknemer dat wil, moet hij of zij het verlof in ieder geval in het eerste levensjaar van het kind kunnen opnemen. Volgens de nieuwe wet krijgen ouders straks van het UWV een uitkering ter hoogte van vijftig procent van hun loon, tot maxi­maal vijftig procent van het maxi­mum dag­loon (het maximum dagloon is momen­teel € 225,57 bruto per dag en € 4.906,14 bruto per maand). Belangrijk is dat de eerste

negen weken alleen worden betaald als deze in het eerste levensjaar van het kind worden opgenomen.

Hoe aanvragen?

Stalmeier adviseert Maas om, als ze van het ouderschapsverlof gebruik wil maken, dit tijdig te melden bij haar werkgever. “Dit moet schriftelijk gebeuren, ten minste twee maanden vóór de datum waarop het verlof ingaat. Daarbij moet je duidelijk aangeven in welke periode je verlof wilt opnemen, hoeveel uur en de spreiding daarvan over de week.” De uitkering van het UWV moet je via de werk­gever aanvragen. Het UWV zal hier­ voor een digitaal formulier ter beschik­king stellen. De uitkering voor het ouder­schaps­ verlof moet achteraf, dus na de opname, worden aangevraagd. Dit kan in de periode tussen de eerste betaalde verlof­dag en de drie maanden nadat het kind de leeftijd van één jaar heeft bereikt. Deze aanvraag kan betrekking hebben op de ge­hele verlof­ periode (achteraf na negen weken), maar ook op de eerste opgenomen week of een aantal opgenomen weken.

Ruim de tijd

Maas heeft in ieder geval nog ruim de tijd om haar ouderschapsverlof en de uit­kering van het UWV te regelen. Ze werkt op een afdeling waar de bezetting krap is en is blij

• Het betaald ouderschapsverlof kan ook gelden voor ouders die vóór de invoering van de wet een kind krijgen. Het kind moet op het moment dat de wet ingaat jonger dan één jaar zijn. Ook moeten ouders op dat moment werken (werknemer zijn). En nog niet het volledige recht (26 maal de arbeidsduur per week) op ouderschapsverlof hebben opgenomen. • De 9 weken gedeeltelijk betaald verlof komen bovenop de 16 weken zwangerschaps- en be­val­lings­ver­ lof voor de moeder en de 6 weken geboorteverlof voor de partner.

te weten wat haar rechten zijn. “Ik was be­ nieuwd of een werkgever een verzoek om ouderschapsverlof kan weigeren, bij­­voor­ beeld omdat we anders het rooster moeilijk rond kunnen krijgen. Als de corona­drukte verder toeneemt, kan ik me voorstellen dat een verzoek om ouderschapsverlof straks niet handig uitkomt. Het is fijn te weten dat ik in het eerste levensjaar van mijn baby in ieder geval ouderschapsverlof kán opnemen als ik wil.” December 2021 | 15


Tekst Marjolein Dekker

Gun jonge dokters een mentor of buddy als ze daar behoefte aan hebben: met die bood­schap voerden de jonge artsen die zijn aangesloten bij Zin in Zorg, een maand geleden campagne op social media met de hashtag #helpjongedoktersopweg. Hun ambitie­­niveau is hoog: ze willen dat een mentor- en buddy­systeem in alle zorg­in­ stellingen gemeengoed wordt.

#Helpjongedoktersopweg Eén op de vier jonge dokters heeft wel eens overwogen met zijn opleiding te stoppen vanwege de hoge werkdruk of het gevoel altijd ‘gehaast’ te moeten werken. Om jonge artsen voor het vak te behouden en een cultuurverandering voor jong én oud aan te jagen, namen de LAD, De Jonge Specialist, VvAA en de LOVAH in 2019 het initiatief voor Zin in Zorg: een beweging voor en door jonge artsen. Ruim 700 jonge artsen hebben zich intussen bij de be­ we­ging aangesloten. Tussen mei en eind november hebben vijf teams met elk tien a(n)ios verbetervoorstellen ontwikkeld, onder andere voor meer inspraak van jonge artsen, het faciliteren van persoonlijke ont­­­wikkeling, meer aandacht voor de mens achter de dokter en een werkcultuur zonder overwerk. De komende tijd inven­ta­riseren de LAD, DJS, VvAA en LOVAH hoe de voor­ stellen kunnen worden verder gebracht.

Je weg vinden

Zin in Zorg team 1 heeft zich onder andere hard gemaakt voor een mentor- en buddy­ systeem voor anios en aios. “Als je net start als arts loopt je tegen allerlei zaken aan”, vertelt Fokkedien Tummers, arts-onderzoeker LAD magazine | 16

(LUMC) en lid van Zin in Zorg team 1. “Hoe ‘werkt’ de wereld van het ziekenhuis, bij wie moet je waarvoor zijn en wat als je even met iemand wilt reflecteren op je loopbaan? Om te zorgen dat jonge artsen zo betrok­ken mogelijk zijn bij de organisatie en snel hun weg vinden binnen de muren van hun in­stel­ling, kan het enorm helpen hen te kop­pelen aan een buddy of mentor.” “Een buddy helpt je vooral op weg bij prak­­tische dingen”, benadrukt Zin in Zorgteam­genoot Eke van der Ploeg, anios op de Intensive Care (Diakonessenhuis Utrecht). “Het is meestal een ouderejaars aios die een anios of jongerejaars aios op weg helpt. Een mentor gaat een stapje verder en kan je helpen bij loopbaanvragen, bij­voor­beeld als je twijfels hebt over je op­ leiding of niet goed weet wat de volgen­de stap in je carrière moet worden.” Ingeborg van Dijk, aios Gynaecologie & Obstetrie (UMCG) en ook lid van team 1, benadrukt dat het belangrijk is dat je een klik hebt met je mentor. “Je moet niet bij binnenkomst direct iemand toegewezen krijgen, maar juist zelf kunnen kiezen bij wie je je veilig voelt. Daarom is het ook beter om pas na een aantal maanden een

mentor te kiezen, zodat je bewust kan kijken wie er bij jou past. Bij een buddy is het over­i-­ gens wel belangrijk dat je die meteen vanaf het begin hebt, zodat je bij hem of haar met al je opstartvragen terecht kan.”

“Het is heel fijn als je met iemand kan sparren” Faciliteren

Een buddy of mentor is in een aantal zorg­instellingen al vanzelfsprekend, maar nog lang niet overal. Dat willen de tien jonge dokters van het Zin in Zorg-team ver­anderen. “Als je behoefte hebt aan een men­tor of buddy, is het prettig als het op jouw werk­plek wordt gefaciliteerd en actief wordt aangeboden”, benadrukt Tummers. Om die boodschap uit te dragen, vroegen zij en haar team diverse artsen om zich in filmpjes uit te spreken over het belang van een mentor of buddy. De filmpjes werden breed ge­deeld op social media.

Niet alledaagse dingen

Aan de filmpjes werkten onder andere traumachirurgen Marijn Houwert (UMC


Zin in Zorg beweging

“Zonder mentoren had ik mijn werk niet met zoveel plezier gedaan als ik nu doe”, zegt traumachirurg Marijn Houwert. Hij gunt iedere jonge dokter een mentor en begeleidt zelf ook graag jonge artsen. Zo was hij.. meer weergeven

Zin in Zorg plaatste tijdens de campagneweek filmpjes van artsen die zich uitspraken over het belang van mentoren en buddy’s voor jonge artsen, waaronder Diederik Gommers, Sander de Hosson, Marijn Houwert, Frans Jasper Wijdicks en Moniek de Boer.

Utrecht) en Frans Jasper Wijdicks (OLVG) mee. Houwert was mentor van Wijdicks toen die nog in opleiding was, en vindt het mentorschap ontzettend belangrijk. “Op de werkvloer maak je soms niet alledaagse dingen mee of kom je in situaties terecht die je nog nooit eerder hebt meegemaakt. Dan is het fijn als je met iemand kan spar­ren die op een bepaald gebied meer erva­ ring heeft dan jij.” Houwert vindt het belangrijk dat een mentor jonge dokters helpt met loopbaan­ont­wik­ke­ling. “Toen ik mentor werd van Frans Jasper, merkte ik meteen dat hij heel so­ciaal vaar­dig is en gevoel heeft voor be­sturen. We hebben samen nagedacht hoe we die com­ petenties het beste konden ont­wikkelen en zo werd hij onder andere lid van de regio­nale Opleidingscommissie. Hij is in­ tussen zelf traumachirurg, maar met veel meer competenties dan dat hij alleen goed kan opereren. Ik ben er best trots op dat ik daar, weliswaar vanaf de zijlijn, aan heb mogen bijdragen.” Wijdicks geeft aan heel blij te zijn met de adviezen die Marijn hem heeft gegeven. “Het beste advies was om te solliciteren voor het fellowship dat aan het eind van

mijn opleiding op mijn pad kwam. Zelf twijfelde ik daarover, omdat mijn opleiding moest worden verkort en ik wist niet zeker of ik er klaar voor was. Marijn stimuleerde me het toch te doen en daar ben ik hem dankbaar voor. Ik ben heel blij op de plek waar ik nu zit.”

Laagdrempelig

Gynaecoloog en coach Moniek de Boer was een van de artsen die zich uitsprak voor het belang van een buddy. “Als je begint aan je eerste anios-baan of net met je opleiding start, komt er heel veel op je af. Niet alleen het medisch-inhoudelijke, maar ook vragen als hoe je je verhoudt op de afdeling en hoe je met alle verantwoordelijkheden omgaat. Het is heel fijn om dan een buddy te heb­ ben aan wie je alles kan vragen: hoe doe je aan dossiervoering, hoe ga je om met de organisatie van een poli? Omdat een buddy meer naast dan boven je staat, is een buddy bovendien heel laagdrempelig.” “De toegevoegde waarde van een mentor of buddy is niet in cijfers uit te druk­ken, maar vrijwel iedere arts die je het vraagt, onder­schrijft het belang ervan”, zegt aios Van Dijk uit Zin in Zorg team 1. “Daarom

willen wij zo graag dat het in alle zorg­in­stel­ lingen gemeengoed wordt. Dat begint bij bewust­zijn en ik denk dat we dat met deze cam­pagne­week hebben aangewakkerd. Stap 2 is dat zorginstellingen het breed gaan faciliteren.” De Boer is het daarmee eens, maar raadt anios en aios aan het heft ook in eigen hand te nemen. “Als er nog geen buddy­ systeem in je instelling is, creëer het dan met je arts-assistentengroep. Het hoeft niet ingewikkeld te zijn. Het feit dat je afspreekt met elkaar dat je iemand kunt opzoeken als je ergens mee zit, is al heel fijn. Als je het met elkaar vormgeeft, is het voor een ziekenhuis bovendien heel behulpzaam het verder te brengen.”

Meer weten over het mentorof buddyproject of over de activiteiten van de andere Zin in Zorg-teams? Kijk op www.zininzorg.nl.

December 2021 | 17


Column

Impact actietraject Met actievoeren win je vaak niet direct de populariteitsprijs. Als LAD proberen we daarom altijd de dialoog te blijven zoeken aan overlegtafels, maar als werk­ gevers écht niet willen bewegen, ontkom je er niet aan je poot stijf te houden. Dat gebeurde de afgelopen maanden bij de onderhandelingen voor een nieuwe Cao UMC. Na acht intensieve onderhandelrondes en het inschakelen van een bemiddelaar waren we vlak voor de zomer ‘uitonderhandeld’: werk­gevers­organi­ satie NFU bleef maar vasthouden aan het standpunt dat er geen ruimte was voor arbeidsvoorwaardelijke verbeteringen. Na het stellen van een ultimatum kwam er in september een eindbod. Verpleeg­ kundigenvakbond NU’91 stemde daarmee in; de LAD en vakbonden FBZ, FNV en CNV wezen het af, omdat niet alle umc-werknemers erop vooruitgingen en er bovendien nauwelijks iets werd gedaan om de werkdruk terug te dringen. Dat was in onze ogen onacceptabel. Om duidelijk te maken dat er écht iets moest gebeuren, startten we met z’n vieren een actietraject. Er kwam een zondags­ dienst op 28 september, een tweede op 26 oktober en nadat er nog steeds geen beweging kwam, kondigden we de derde actiedag aan op 25 november. En jawel: toen kwam er eindelijk reactie ...

Startalsarts.nl helpt jonge artsen op weg De artsenbul is binnen, maar dan? Welk specialisme past bij je? Is promoveren zin­ vol? En wat moet je allemaal regelen om als arts aan het werk te kunnen? Om antwoord te geven op deze en vele andere vragen, is Startalsarts.nl gelanceerd, een website die artsen op weg helpt aan het begin van hun loopbaan. De KNMG, LAD en De Jonge Specialist namen het initiatief voor de site, omdat ze merkten dat veel informatie op diverse web­sites is te vinden, maar nergens op één ge­zamen­ lijke plek. Een gemiste kans, want juist als genees­kunde­studenten net hun opleiding hebben afge­rond, staan ze voor tal van keuzes. Het aan­tal vervolgopleidingen en loop­baan­moge­lijk­heden is groot, maar hoe bepaal je nu bij welk specialisme je hart ligt en welk werk­gebied het beste bij je leven past? Daar willen de drie belangen­ organisaties jonge artsen bij helpen. Naast informatie bevat de site ook tips en adviezen van jonge artsen die al een stap verder zijn en die in vlogs vertellen welke keuzes zij hebben gemaakt.

Vervolgens was er nog ruim 13 uur onderhandelen nodig om in de nacht van 11 op 12 november tot een akkoord te komen. Er is me de afgelopen weken vaak gevraagd of het nou zin heeft gehad, die acties. Ik kan daar heel stellig in zijn: ja. Geen werkgever heeft baat bij ‘reuring’, en die reuring hebben umc-werk­nemers de afgelopen maanden samen georganiseerd. Door de actiedruk en de daar­mee gepaard gaande media-aandacht werd hun roep om waardering steeds duide­ lijker. Ook (of misschien wel juist) bij de NFU. Zijn alle umc-werknemers nu tevreden? Nee, helaas niet, en dat begrijp ik: de ge­differentieerde loonstijging die is afgesproken, is ook ons een doorn in het oog. Maar als ik zie waar we vandaan komen en welke punten we hebben kun­ nen realiseren ten opzichte van het eindbod van september, dan ligt er een akkoord waar alle umc-werknemers iets aan hebben. Ik durf dus wel te stellen dat actie­voeren loont. Maar het allerbelangrijkste in mijn ogen is dat er rust wordt gecreëerd met dit akkoord. En rust is precies waar de sector zo’n behoefte aan heeft. Caroline van den Brekel, directeur

8,4 Op iedere 100 medewerkers in de VVT zitten er 8,4 ziek thuis (bron: Vernet)

LAD magazine | 18


In het kort

Cao-inzet voor 2022 Na een roerig jaar in de zorg blikt de LAD alweer vooruit naar 2022. Juist in deze tijd, waarin door COVID-19 en de inhaalzorg veel gevraagd wordt van zorgprofessionals, zijn goede arbeidsvoorwaarden en -omstandig­ heden van groot belang. In het Arbeid­voor­ waardenbeleid heeft de LAD uiteengezet wat de speerpunten zijn voor de caoonderhandelingen die volgend jaar starten. Een paar highlights: • De LAD zet in op een loonsverhoging van ten minste 3,5%. • Verdere differentiatie in arbeidsvoor­ waardenverbetering op basis van inkomen is wat de LAD betreft uitgesloten. • We willen een vast contract voor alle werknemers die dat willen. • We willen een compensatie voor de stijgende pensioenpremie. • Er moet voldoende hersteltijd in roosters komen. • De ‘veelurencultuur’ moet worden aangepakt. • De werkdruk moet omlaag. Meer lezen? Bekijk het Arbeidsvoor­waar­den­ beleid op www.lad.nl/arbeids­voor­waarden­ beleid-2022

Intussen op Twitter … Wanda de Kanter @Wdekanter Als je net aan je loopbaan begint als arts, is het ontzettend fijn als iemand je op weg helpt. Daarom gun ik iedere jonge dokter een mentor of buddy. Jij ook? #zininzorg #helpjongedoktersopweg #artsensamensterker

Yara Dixon is ‘geneeskundestudent van het jaar’ Yara Dixon (Erasmus Universiteit) is eind november benoemd tot ‘Genees­kunde­ student van het jaar 2021’. Ze kreeg de KNMG Studentenprijs vanwege haar strijd tegen het taboe op hevig menstru­ eel bloedverlies (HMB).

Meer dan ‘cv-building’ Yara is de eerste student die de prijs (naast de titel een geldbedrag van 5.000 euro) overhandigd kreeg. De KNMG en De Genees­kundestudent namen het initia­ tief voor de prijs om de maat­­schap­­pe­­ lijke betrokkenheid van genees­kunde­ studenten te stimuleren en te laten zien Om HMB beter bespreekbaar te maken, dat de opleiding genees­kunde niet alleen maakte Yara een infographic (de HMBmaar draait om ‘cv-building’ en goede symptomenchecker) en vertaalde die naar het Engels, Turks en Arabisch. Artsen cijfers. gebruiken de infographic tijdens consulten Uit 32 inspireren­de initiatieven wees en vrouwen kunnen die ook gebruiken voor een jury drie finalisten aan. Yara kreeg de meeste stemmen. Op de tweede een zelftest. Daar­naast werkte Yara mee plaats eindigde Jeanne Arnold met het aan een inzamelings­actie voor vrouwen die niet genoeg geld hebben om tampons, initiatief GIDS (Genees­kundestudenten In De Samen­leving) en op de derde plaats maandverband en dergelijke te kopen (menstruatie-armoede). Ook zorgde ze op Coen Vulders, die de stichting Open Boek Nijmegen oprichtte om geestelijke haar me­dische facul­teit voor een kastje problemen bespreekbaar te maken. met gratis menstruatie­producten.

54,3 uur

1 op de 7

30%

Coassistenten zijn gemiddeld 54,3 uur per week kwijt aan hun coschap

1 op de 7 zorgmedewerkers voelt zich uitgeput, maar toch bruist 70% van energie op het werk

Bijna 1 op de 3 aios vindt het moeilijk problemen met de opleider te bespreken

(bron: De Geneeskundestudent)

(bron: De Jonge Specialist)

(bron: Stichting IZZ)

December 2021 | 19


In één klap goed verzekerd!

Ontvang 5% extra LAD-korting

Solliciteren, nieuwe baan, misschien wel verhuizen... Als starter in de zorg heb je het druk genoeg. Maar denk je ook aan je verzekeringen? Met het Verzekeringspakket Young Professionals heb je de drie belangrijkste verzekeringen in één keer goed geregeld. • Aansprakelijkheidsverzekering • Reisverzekering • Inboedelverzekering Vanaf €10,07 per maand en maandelijks opzegbaar. En ben je minder dan één jaar geleden afgestudeerd? Dan krijg je extra korting!

Vraag het 3-in-1 pakket nu aan via: vvaa.nl/starter

De stem en steun van zorgverleners