Issuu on Google+


Cultuur onder vuur het Tropeninstituut in oorlogstijd


Denise Frank

Cultuur onder vuur het Tropeninstituut in oorlogstijd

KIT Publishers, 2012


Inhoud


6

Voorwoord Jan Donner

8

Verantwoording

10

Inleiding

12

Een oorlog dreigt Onvoorziene uitgaven; Zorg voor de museumcollectie; De meidagen van 1940

19

Bezetting van het Koloniaal Instituut Geschlossene Lagerung; Instituut in twee delen

29

Controle op cultuur De Departementen; Kultuurkamer; Het Bureau Tentoonstellingen

32

Tentoonstellingen in het Koloniaal Museum Een jubileum zonder jubelstemming; Een dynamisch jaar; De repressie neemt toe; Duitse toekomstplannen; Het Handelsmuseum

48

Andere activiteiten in het Koloniaal Instituut Lezingen en cursussen; Publicaties; Filmvertoningen; Gamelanvoorstellingen; Museumcursussen; Ter afleiding en vermaak; Censuur op boeken

68

De museumcollectie De koperaffaire; Werkcollectie vernietigd

72

De afdeling Tropische Hygiëne

74

De Duitse politie De Ordnungspolizei in het Koloniaal Instituut; Macaronisoep en stamppot; De Februaristaking; Duitse politieconcerten en voordrachten; Opleiding hulppolitie; Schijnproces in het Koloniaal Instituut; Tussen bevel en verzet

86

Personele perikelen Ariërverklaring; Voedselkwestie; Arbeidsinzet en krijgsgevangenschap; Hitlers Herrengefängnis; Verzet in het hol van de leeuw; Verraad

102

De laatste loodjes Stützpunkt Koloniaal Instituut; Ontgroening van het instituut

114

Epiloog: wanneer het tij verloopt, moet men de bakens verzetten

116 124 126

Noten Literatuur Archieven en overige bronnen


Voorwoord


De oorlogstijd was voor het Koninklijk Instituut voor de Tropen (kit) een bijzondere tijd. Dit boek beschrijft de ambiguïteit van de positie van het kit in deze periode; een voor de emancipatie van de koloniën bepalend tijdsbestek en daarmee van invloed op het functioneren van het kit nadien. Het gebouw zelf bleef behouden in de oorlog, het instituut kon deels blijven functioneren maar verschafte zowel Duitse politiediensten als Nederlandse onderduikers en het verzet een – naar achteraf bleek veilig – onderdak. Directie en bestuur van het kit hebben het instituut eigenlijk betrekkelijk goed door de jaren heen weten te loodsen. Verrassend veel activiteiten hebben doorgang kunnen vinden, deels onder condities die de bezettende overheid dicteerde. Maar dit alles laat niet onverlet dat men niet heeft weten te verhinderen dat enkele medewerkers van het instituut zijn afgevoerd naar gijzelaars- en concentratiekampen. Dit boek doet in detail verslag van de wederwaardigheden van het instituut en de medewerkers. Het beeldmateriaal onderstreept hoezeer het gebouw en het instituut nog steeds herkenbaar zijn. Plus ça change, plus c’est la même chose. Thema’s als voedselzekerheid, veiligheid, een eerlijke rechtsbedeling en duurzame economische ontwikkeling vragen nu de aandacht. We werken ook op de dag van vandaag in fragiele staten of zeer onveilige gebieden. Dit boek houdt de herinnering levend aan de oorlog in onze directe omgeving. Dat doet ons beseffen, dat omgaan met oorlogsomstandigheden een element is van ons werk, werk dat betekenisvol is voor een waardig bestaan. Ik hoop en verwacht dat dit boek aan dat besef een bijdrage levert.

Jan Donner Directeur Koninklijk Instituut voor de Tropen

7


Verantwoording


met veel plezier gebladerd door krantenartikelen over evenementen die het instituut destijds organiseerde. Voor de selectie van beeldmateriaal was de site BeeldbankWO2 heel belangrijk, en de online fotocollecties van onder meer het Stadsarchief Amsterdam, Spaarnestad Photo en uiteraard de fotocollectie van het Tropenmuseum zelf. Uniek fotomateriaal verkreeg ik via J. van der Maas van de Stichting War Photo Holland – Historical Research Center Second World War uit Amsterdam.

De voor u liggende publicatie is het resultaat van een onderzoek naar de wederwaardigheden van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (kit) en zijn personeel tijdens de oorlogsjaren 1940-1945. Mijn al lange tijd sluimerende interesse in dit onderwerp werd gevoed tijdens mijn stage in het Tropenmuseum in 2005, en later in het Verzetsmuseum Amsterdam. Daar hoorde ik uiteenlopende verhalen over het kit gedurende de Tweede Wereldoorlog. Mijn nieuwsgierigheid was definitief gewekt en leidde allereerst tot een afstudeeronderzoek voor mijn opleiding Museologie aan de Hochschule für Technik und Wirtschaft in Berlijn, die uitmondde in de scriptie ‘Kulturarbeit in Kriegszeit’ (cultuurwerk in oorlogstijd). Hierin concentreerde ik mij op de tentoonstellingen die tijdens de bezetting in twee Nederlandse volkenkundige musea (Tropenmuseum en Museum Volkenkunde Leiden) tot stand kwamen en de mate waarin de nationaalsocialisten hierop invloed hadden. Ik realiseerde mij dat over deze periode in het kit nog veel meer te onderzoeken en te vertellen viel. Het onderwerp liet me niet meer los, zodat ik opnieuw de archieven indook om me te concentreren op het kit in oorlogstijd.

Ik wil deze instellingen en hun medewerkers bedanken voor het toegankelijk maken van hun archiefmateriaal en voor hun hulp bij het zoeken naar de juiste stukken. Ik wil graag enkele personen in het bijzonder noemen, zonder wier ondersteuning en hulp ik dit onderzoek niet had kunnen doen. Veel dank gaat uit naar mijn geliefde redacteur Richard van Alphen. Het geduld waarmee hij naar mij luisterde, mijn teksten las en van aanmerkingen voorzag is voor mij bijzonder veel waard geweest. Ook wil ik hier Yvonne Teffer bedanken, die mij altijd geduldig en behulpzaam terzijde heeft gestaan gedurende de vele uren in de archieven van het kit. De heren H. Colijn, K. Kalmar, F. Reurekas en Th. Tichelman dank ik voor de boeiende gesprekken en verhalen. En natuurlijk ook mijn tweede lezers Daan van Dartel, Paul Faber en Liesbeth van der Horst: dank voor het lezen en de opmerkingen. Niet in de laatste plaats ben ik veel dank verschuldigd aan de (eind)redacteuren en kit Publishers.

Het instituutsarchief bevatte uiteraard de belangrijkste bronnen: stukken over de bezetting van het gebouw, over de medewerkers, verzetsactiviteiten, over tentoonstellingen en andere cultuurwetenschappelijke werkzaamheden, en over maatregelen en verboden van de bezetters. Algemene informatie over de oorlog in combinatie met de thema’s cultuur, musea en tentoonstellingen kon ik in het archief van het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (niod) raadplegen. De vakbibliotheek van het niod was een bron van aanvullende informatie. Voor gegevens over de Duitse Ordnungspolizei was het handboek van Stefan Klemp Nicht ermittelt zeer waardevol, alsmede de publicatie Deutsche und holländische Polizei in den besetzen niederländischen Gebieten uitgebracht door het documentatiecentrum Villa ten Hompel. Een bron van inspiratie was het in 1985 gepubliceerde tentoonstellingsboek Het Rijksmuseum in oorlogstijd van Jetje Baruch en Liesbeth van der Horst. Deze publicatie leverde interessante informatie over de cultuurpolitieke situatie in bezet Nederland. In het online krantenarchief van de Koninklijke Bibliotheek heb ik

Denise Frank mei 2012

9


Toen het Koninklijk Instituut voor de Tropen (kit) in 2010 zijn 100-jarig bestaan vierde, kon het terugkijken op een geschiedenis waarin het zich ontwikkelde van koloniaal naar mondiaal.1

Inleiding

Opgericht in 1910 als Vereeniging Koloniaal Instituut was de doelstelling van de vereniging het verzamelen en verspreiden van kennis over de Nederlandse koloniĂŤn. Met enige vertraging, onder andere opgelopen door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, werd in 1923 het gebouw aan de Mauritskade in Amsterdam-Oost opgeleverd waarin het instituut zich zou vestigen. Het Koloniaal Instituut was het belangrijkste centrum van kennis, onderzoek en voorlichting over de koloniĂŤn en met name over het toenmalige NederlandsIndiĂŤ. Deze ontwikkeling werd verstoord toen Duitse troepen in mei 1940 Nederland binnenvielen. Over wat er in het kit gebeurde tijdens de Tweede Wereldoorlog doen tot op de dag van vandaag opmerkelijke en soms sterke verhalen de ronde. Dat er Duitse politietroepen gevestigd waren in het gebouw is inmiddels wel bekend. Ook weten velen dat het museum desondanks open bleef voor publiek. Tot dusverre is er echter relatief weinig onderzoek gedaan naar wat zich nu daadwerkelijk binnen de muren van het instituut afspeelde gedurende de vijf bezettingsjaren. Deze publicatie geeft een beschrijving van de geschiedenis van het instituut in deze roerige periode. Verkend wordt wat op cultureel en wetenschappelijk gebied nog toelaatbaar was binnen de grenzen van het bezettingsregime, hoe het museum voor de bezoekers een oord voor vermaak en afleiding werd, en hoe de maatregelen van het Duitse bezettingsregime invloed hadden op het werk en de mensen van het instituut. Duidelijk wordt hoe ondanks de activiteiten van de Duitse politietroepen het cultureel en wetenschappelijk werk onder hetzelfde dak kon doorgaan. En hoe in de krochten van het gebouw het verzet groeide in het hol van de leeuw. De voorgeschiedenis van het instituut begint in Haarlem. Frederik Willem van Eeden, secretaris van de Maatschappij tot Bevordering van Nijverheid, bracht 10


dracht. Elke afdeling had een eigen directeur en medewerkers. Tevens bevonden zich in het Koloniaal Instituut een afdeling voor fysische antropologie en een fotoarchief. Met de Centrale Boekerij werd een vakbibliotheek in het instituut gevestigd. Wetenschappelijke instituten die zich op specifieke gebieden van de Nederlandse koloniën hadden gespecialiseerd waren hier ondergebracht. Ten slotte was er de afdeling Tropische Hygiëne, die gehuisvest was in een apart gebouw aan de Mauritskade 57, dat al in 1917 klaar was.2

vanaf 1860 een verzameling van tropische producten, mineralen, opgezette dieren en artefacten bijeen, afkomstig uit de Nederlandse koloniën. De verzameling breidde zich gestaag uit in Van Eedens privéwoning, die al snel te klein werd om de talloze voorwerpen te bevatten. Een museum werd gesticht om de collectie te kunnen bewaren, te presenteren en beter te kunnen bestuderen. Zo opende in 1871 het eerste koloniale museum ter wereld zijn deuren voor het publiek in het Haarlemse Paviljoen Welgelegen, het huidige provinciehuis van Noord-Holland. Zoals de naam al zegt, richtte het Koloniaal Museum zich op koloniale onderwerpen. De collectie bestond vooral uit tropische producten, met name uit het toenmalige Nederlands Oost-Indië. Onderzoek naar tropische grondstoffen en natuurproducten vond plaats met het oog op de exploitatie daarvan. De presentaties toonden de bezoekers de rijkdommen uit de koloniën. Volkenkundige voorwerpen, die ook de weg naar het museum vonden, waren aanvankelijk van minder belang.

Met ongeveer 160 medewerkers was het Koloniaal Instituut eind jaren dertig een belangrijke nationale instelling. In die tijd vonden in Europa economische en politieke ontwikkelingen plaats, die verstrekkende gevolgen zouden hebben voor grote delen van de wereldbevolking. Voor de tweede keer in korte tijd zag de wereld zich geconfronteerd met een oorlog op mondiale schaal.

Met de oprichting van het Koloniaal Instituut in Amsterdam, dat later het predicaat Koninklijk in zijn naam zou dragen, werd het einde van de Haarlemse periode ingeluid. Het oorspronkelijke Haarlemse Koloniaal Museum, met ervaring op het gebied van onderzoek naar economisch relevante producten, werd in 1913 onderdeel van het nieuwe instituut in Amsterdam. Het monumentale pand aan de Mauritskde, ontworpen door architect J.J. van Nieukerken, was bij voltooiing het grootste gebouw van Amsterdam. De collectie uit Haarlem vormt tot op de dag van vandaag het hoofdbestanddeel van de historische collectie van het Tropenmuseum, samen met de Artis-collectie, die in dezelfde periode werd verworven. Het museum werd in de nieuwe situatie in twee afdelingen opgesplitst: de afdeling Volkenkunde en de afdeling Handelsmuseum. Het Handelsmuseum was in wezen een voortzetting van het oude Koloniaal Museum en gericht op tropische producten. Met de afdeling Volkenkunde kreeg het instituut er een culturele dimensie bij. De scheiding tussen de museumafdelingen kwam niet alleen tot uiting in afzonderlijke presentatieruimten, maar ook in het verzamelbeleid en de onderzoeksop

11


Met de Duitse inval in Polen op 1 september 1939 loste nazi-Duitsland het startschot voor de Tweede Wereldoorlog. Nederland hoopte, net als tijdens de Eerste Wereldoorlog, neutraal te blijven in dit conflict. Duitsland verklaarde dit te respecteren, maar Nederland reageerde desondanks op de gespannen politieke situatie door op 28 augustus 1939 de algemene mobilisatie van de Nederlandse strijdkrachten af te kondigen. Niet alleen de grenzen met Duitsland, maar ook de kusten richting Engeland werden versterkt. Verdedigingslinies als de Maaslinie en de Grebbelinie werden verder uitgebouwd met bunkers en loopgraven. Het troepenaantal voor de verdediging van strategisch belangrijke plaatsen als luchthavens werd verhoogd. Maar de Nederlandse militairen waren slecht uitgerust en aangewezen op verouderd materiaal voor de verdediging van hun land.3 In deze periode bereidde ook het Koloniaal Instituut in Amsterdam zich voor op de dreigende oorlog.

Een oorlog dreigt

Onvoorziene uitgaven De situatie in Europa was uiterst explosief. Onder spanning vergaderde de Raad van Beheer van het Koloniaal Instituut4 over te nemen stappen om het instituut op een eventuele oorlog in Nederland voor te bereiden. Een klein budget moest voorzien in maatregelen om het gebouw met zijn kostbare inhoud tegen de gevolgen van mogelijke luchtaanvallen te beschermen. De inzet van al het personeel was daarbij nodig. Dat werd dan ook nauw bij de voorbereidingen betrokken. Allereerst werden de zwakke plekken van het gebouw geïnventariseerd. Het hoofdschakelbord, het elektronische hart van het instituut dat zich nog steeds links onder de hoofdingang bevindt, was zo’n zwakke plek. Van hieruit werd het gehele elektrische circuit van het instituut gestuurd en bewaakt en dat moest voor alles worden beschermd. De muren van deze ruimte werden met zandzakken verstevigd. Het meest gevreesd waren de mogelijk rampzalige gevolgen van brand door bominslagen in het gebouw zelf. Daarom werd een blusplan gemaakt. Een interne brandweermacht, samengesteld uit personeelsleden, kwam geregeld samen om brandoefeningen te doen, het materiaal te leren kennen en het gebruik ervan in de vingers te 12


krijgen. Ze leerden bijvoorbeeld de blusslangen, die in de instituutsgangen uitgerold klaar lagen, te hanteren en ze bereidden zich voor op de ontruiming van het gebouw en het in veiligheid brengen van de aanwezigen. In het instituut waren twee schuilkelders ingericht, vermoedelijk de kelderruimten onder het museum, die met de meest noodzakelijke materialen werden uitgerust, zoals verbandtrommels, elektrische zaklantarens en zitbanken. De aanschaf van gasmaskers kon om financiĂŤle redenen niet doorgaan. In de begroting werden al deze uitzonderlijke kosten geboekt onder de rubriek onvoorziene uitgaven.5

Amsterdam toestemming om de kelderruimten onder de afdeling Volkenkunde als openbare schuilplaats te gebruiken. De gemeente zou de kosten hiervoor op zich nemen.6/7

Zorg voor de museumcollectie Gedurende het interbellum dachten culturele en overheidsinstellingen al na over de bescherming van Nederlandse kunstschatten in geval van oorlog. De mogelijkheden voor opbergen en evacuatie werden onderzocht. In zogenaamde Rijksschuilplaatsen in de duinen bij Zandvoort en Heemskerk konden culturele rijkdommen worden ondergebracht.8 De collectie van het Koloniaal Instituut behoorde echter niet tot de

De bevolking van de Amsterdamse Dapperbuurt werd tijdens de oorlogsvoorbereidingen niet vergeten. De Raad van Beheer van het instituut gaf de Gemeente

De museumcollectie wordt in veiligheid gebracht. Onder de stukken bevond zich ook de beroemde pustaha, een Bataks wichelboek. Augustus 1939. Collectie Spaarnestad Photo

13


rijksmusea, zodat deze niet voor evacuatie naar deze schuilplaatsen in aanmerking kwam. Het instituut moest zelf voor een goed onderkomen van de museumcollectie zorgen.

gen op de woensdag- en zaterdagmiddagen vonden gewoon plaats. Totdat Nederland echt met oorlog werd geconfronteerd.

De collectie van het Koloniaal Museum was al in 1939 met meer dan 55.000 objecten een omvangrijke, uiterst gevarieerde en internationaal hoog aangeschreven verzameling. Er moesten keuzes worden gemaakt. Enkele waardevolle objecten die op zolder opgeslagen waren, werden naar de kelder verplaatst. Bij een eventuele bominslag waren de zolders immers het meest kwetsbaar. De bruiklenen die op dat moment in huis waren en de meest waardevolle museumstukken waren het best beschermd in een gepantserde kluis van de afdeling Volkenkunde binnen het instituut.9 Een tijdelijke expositie van Tibetaanse schilderijen uit de privécollectie van de Belgische verzamelaar Léon Verbert werd in september 1939 voortijdig gesloten.10 Er was kennelijk vertrouwen in de muren van het gebouw en het personeel van het Koloniaal Instituut, zoals onder andere blijkt uit het feit dat het Koloniaal Museum als schuilplaats diende voor een belangrijke privécollectie. In kisten verpakt werd de ruim 2.000 stukken tellende verzameling van de gepassioneerde verzamelaar Georg Tillmann onopvallend te midden van de eigen museumcollectie ondergebracht. Als anonieme collectie zou deze de bezettingstijd zonder schade doorstaan. Na de oorlog bleef de verzameling als bruikleen in het museum. In december 1994 werd de Tillmann Collectie door de erven aan het museum geschonken.11

De meidagen van 1940 Op 10 mei 1940, rond drie uur in de ochtend, werd de Nederlandse bevolking opgeschrikt door gebrul van vliegtuigmotoren en geschutvuur. De eerste Duitse troepen vielen Nederland binnen. Het openbare leven kwam op deze laatste vrijdag voor het pinksterweekend gedwongen tot stilstand. Scholen bleven gesloten, openbare activiteiten werden afgelast en dagelijkse bezigheden gestaakt. Luchtalarm waarschuwde voor luchtaanvallen en maande de bevolking schuilkelders op te zoeken. ’s Nachts moest de bevolking de huizen verduisteren. Ook Amsterdam moest in donker gehuld zijn.13 Terwijl het Nederlandse leger de Duitse inval probeerde te pareren, werden in het Koloniaal Instituut de laatste noodmaatregelen getroffen. Het museum ging dicht, de zondagmiddagvoorstelling van de gamelan werd afgelast en de kostbare objecten verhuisden zoals gepland naar de kluis en de kelderruimten. In de drukte lukte het niet de zolders helemaal te ontruimen. Wel probeerde het personeel zo veel mogelijk licht ontvlambare spullen weg te halen. Gordijnen die op zolder objecten afdekten werden haastig verwijderd om snelle verspreiding van een eventuele brand te voorkomen. Om indringers te weren, werden de meeste toegangsdeuren van het instituut afgesloten en waar nodig gebarricadeerd. De nachtbewaking en brandwachten van het gebouw werden versterkt.14 De fotograaf van het Fotografisch Bureau had zijn handen vol aan het vervaardigen van identiteitspapieren voor het personeel. Dit op advies van de politie. Een ieder moest zich kunnen legitimeren met die papieren, voorzien van een pasfoto en een officiële stempel van de politie.15

Niet lang nadat de belangrijkste museumobjecten waren opgeborgen, laaide intern de discussie op hoelang men het publiek dergelijke topstukken kon ontzeggen. Men had geen enkel idee hoelang deze uitzonderlijke situatie zou duren. Vrij spoedig viel dan ook het besluit de in veiligheid gebrachte objecten weer op hun vertrouwde plek in het museum terug te zetten, onder voorwaarde dat ze in geval van nood binnen enkele uren naar de kluis of kelder konden verhuizen.12

Naast de drukte in verband met de interne maatregelen, kwamen er verzoeken van de overheid binnen. Het archief van een niet nader genoemde Amsterdamse brandweerpost werd bij de afdeling Volkenkunde opgeborgen. Bovendien werd een slaapplek voor ongeveer zeventig helpsters van het Nederlandse

Gedurende deze periode handhaafde het Koloniaal Museum de gebruikelijke openingstijden. De vaste opstelling was publiek toegankelijk en de rondleidin14


Rode Kruis ingericht. Deze verpleegsters konden terecht in de Kleine Aula, nu bekend als de Mauritszaal.16 Op 14 mei debatteerde de Raad van Beheer over de toekomst van de medewerkers. Kennelijk vreesde men dat het Koloniaal Instituut voor langere tijd gesloten zou blijven. Tijdens de vergadering besloot de raad in allerijl om niet strikt noodzakelijk personeel dat in tij-

delijke dienst was te laten gaan, en de niet onmisbare vaste medewerkers op wachtgeld te zetten. Zo’n vaart zou het echter niet lopen. Wel werden enkele restaurantmedewerkers voorlopig geschorst omdat er ongunstige berichten waren ontvangen over de politieke gezindheid van deze werknemers. Daarom werkte daar tijdelijk nog maar één vaste medewerker.17 Later, na de oorlog, zou dit onderwerp, wie politiek gezien goed of fout was, opnieuw ter tafel komen. Identiteitsbewijs van een instituutsmedewerker. Uit: instituutskrant ‘Kortsluiting’, mei 1978


De afdeling Handelsmuseum had te kampen met een bijzonder probleem. Tijdens de voorbereidingen in 1939 was niet stilgestaan bij de aanzienlijke hoeveelheid specimens op sterk water. De vloeistof waarin deze natte collectie werd bewaard was uiterst brandbaar. Besloten werd alle alcoholoplossingen en andere brandbare stoffen te laten wegvloeien.18 De annalen vermelden niet of en hoeveel materiaal daardoor verloren is gegaan. Mogelijk is het besluit zelfs nooit uitgevoerd. Op de dag van het besluit, 15 mei, tekende Nederland de capitulatie en was de grootste dreiging voorbij.

Wel lag er op de zolder van het museum een afgezwaaide granaatkop, die dwars door het dak naar binnen was gekomen.22 De lichthal bleef onbeschadigd, net als de objecten die daar op dat moment stonden opgesteld. De eerste ledenvergadering van de Koninklijke Vereniging Koloniaal Instituut in bezettingstijd vond plaats op 20 mei 1940. De gewijzigde politieke toestand was bij deze vergadering uiteraard het hoofdonderwerp van gesprek. Voorzitter van de vergadering was mr. dr. A. baron Röell, tevens commissaris van de koningin van de provincie Noord-Holland. Deze probeerde de zorgen die tijdens de bijeenkomst geuit werden weg te nemen. Hij was van mening dat de Duitsers niets liever wilden dan meewerken aan het in stand houden van de normale gang van zaken. Tijdens conferenties met Duitse ambtenaren had Röell een ‘zeer goede indruk gekregen van de houding van de bezettingsoverheid’.23 De aanname dat de Duitsers het graag rustig aan wilden doen en het dagelijkse leven niet drastisch wilden ontwrichten bleek vooralsnog een juiste inschatting van de baron. Anderen waren echter sceptischer. Zij merkten op dat er nu nog niets te zeggen viel over hoe de toestand zich zou ontwikkelen. In deze context was ook de identiteit en missie van het instituut een punt van aandacht. Per slot van rekening wist men niet in hoeverre de Duitsers wellicht invloed wilden gaan uitoefenen op het werk van het Koloniaal Instituut. Voor ir. W.L. Utermark, algemeen conservator van de afdeling Handelsmuseum, bestonden er geen twijfels. Hij merkte al eerder, tijdens een vergadering van de Raad van Beheer op dat het Koloniaal Instituut ‘een zuiver wetenschappelijke taak heeft, welke internationaal bekend is en gewaardeerd wordt. Bij de besprekingen van de in de allernaaste toekomst op te dragen werkzaamheden kan men alleen hiervan uitgaan’.24 Of het Koloniaal Instituut ‘wetenschappelijk zuiver’ door de bezetting kwam, zal later blijken.

Nederland was door de Duitsers bezet. Voor velen kwam dit als een schok, ook voor menig instituutsmedewerker. Er heerste onzekerheid over hoe men zich nu tegenover de bezetter moest gedragen, en hoe het met het Koloniaal Instituut verder moest. De Nederlandse overheid in zijn oorspronkelijke vorm bestond immers niet meer. De Koninklijke familie en de Nederlandse regering met haar ministers weken nog tijdens de oorlogsdagen uit naar Londen. Volgens gedragsregels die de Nederlandse regering reeds in 1937 onder het overheidspersoneel verspreidde, moesten ambtenaren tijdens een oorlog- of bezettingssituatie in hun functies blijven, zolang dit in het belang was van de bevolking.19 Voor de Duitsers kwamen deze aanwijzingen goed van pas. Om chaos onder de bevolking te vermijden lieten de Duitsers de Nederlandse ambtenarij aanvankelijk haar gang gaan. Ook het personeel van het Koloniaal Instituut bleef op zijn post en ging zo spoedig mogelijk weer aan de slag. Gedurende de oorlogsdagen bombardeerden de Duitsers Schiphol en ook op het centrum van Amsterdam vielen bommen. Op de hoek van de Blauwburgwal met de Herengracht werd een woonhuis vol getroffen, waarbij tientallen doden en gewonden vielen.20 Maar anders dan in Rotterdam werd Amsterdam door de Duitse luchtmacht niet systematisch platgebombardeerd en de stad liep relatief gezien weinig materiële schade op. Een van de eerste taken waar het instituutspersoneel na de oorlogsdagen mee belast werd, was het opnemen van de schade aan het gebouw. Die bleek erg mee te vallen. Slechts enkele splinters en scherven waren op de daken van het instituut terechtgekomen.21

Daags erop, op 21 mei 1940, opende het museum zijn deuren weer voor publiek. De meest kostbare kunstschatten bleven nog een tijdje opgeborgen, maar in juni werden ook die weer tevoorschijn gehaald en geëxposeerd. In diezelfde maand vond in het museum een opmerkelijke rondleiding plaats. Hermann Göring, de 16


Hermann Gรถring, met stok, in de lichthal van het Koloniaal Museum, 25 juni 1940. Collectie Library of Congress

17


Hermann Göring tijdens een bezoek aan het Koloniaal Museum, 25 juni 1940. Collectie Library of Congress

tweede man van het nationaalsocialistische Duitsland, bracht samen met zijn gevolg een bezoek aan het Koloniaal Museum.

van korte duur en bleef, voor zover bekend, zonder gevolgen voor de collectie. Niet veel later kreeg het Koloniaal Instituut andermaal Duitsers op de stoep. Deze keer zou het niet bij een kort bezoekje blijven.

Van Göring is bekend dat hij een onstilbare honger had naar kunst. Hij ondernam reizen door de bezette gebieden, onder andere om zijn kunstcollectie te vergroten. In de loop van de oorlog is een aanzienlijk aantal kunstvoorwerpen geroofd en in de privéverzamelingen van diverse nazikopstukken terechtgekomen. Op de foto’s van zijn bezoek aan het Koloniaal Museum lijkt Göring belangstelling te hebben voor de collectie, hoewel volkenkundige objecten niet tot zijn verzamelprioriteit behoorden. Het bezoek van Göring en consorten in het Koloniaal Museum was dan ook

18


In het kielzog van de Duitse troepen kwamen Duitse bestuursinstanties Nederland binnen. Op bevel van Hitler werd in mei 1940, na een korte periode van militair bestuur, een burgerlijk bestuur ingesteld onder leiding van Arthur Seyss-Inquart. Deze Oostenrijker had zijn loyaliteit aan Hitler al bewezen als regeringsleider bij de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland: hij regelde de annexatie van het land en werd daar Reichsstatthalter. Later, in het bezette Polen, bekleedde Seyss-Inquart de positie van plaatsvervanger van gouverneur-generaal Hans Frank. Met de bezetting van Nederland wachtte hem een nieuwe taak. Als rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden zou Seyss-Inquart vijf jaar optreden als hoogste vertegenwoordiger van de Duitse bezettingsmacht in Nederland.25 Met behoud van het Nederlandse bestuurlijk apparaat werden naast het rijkscommissariaat nog vier zogenaamde Generalkommissariate geïnstalleerd. Onder dr. Hans Fischböck viel het Generalkommissariat für Finanz und Wirtschaft (financiën en economie); Fritz Schmidt was verantwoordelijk voor het Generalkommissariat zur besonderen Verwendung (bijzondere aangelegenheden); dr. Friedrich Wimmer voor het Generalkommisariat Verwaltung und Justiz (bestuur en justitie) en Hanns Albin Rauter had de leiding over het Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (openbare orde en veiligheid).26 Deze laatste, een landgenoot van Seyss-Inquart, bekleedde bovendien de functie van Höhere ss- und Polizeiführer (hogere ssen politieleider) – een ambt dat hem in een machtige positie bracht. Hij had het gezag over de Duitse politie die in Nederland gestationeerd was, maar ook over het Nederlandse politieapparaat.27 Voor al deze instellingen moesten geschikte verblijven worden gezocht. In Amsterdam lieten de Duitse instanties al snel hun oog vallen op het gebouwencomplex van het Koloniaal Instituut.

Bezetting van het Koloniaal Instituut

Geschlossene Lagerung Aanvankelijk werden de eerste Duitse politietroepen die in Amsterdam arriveerden over de stad verspreid en ondergebracht in vier verschillende scholen. Een verre van ideale situatie want het was belangrijk de ongeveer 700 man in zogenaamde geschlossene 19


pen zou kunnen zijn. Dit veroorzaakte direct flinke onrust binnen het Koloniaal Instituut. De mogelijkheid om de Duitsers iets te weigeren was immers beperkt en dat besef was alom aanwezig. De Raad van Beheer hield rekening met het ergste, en hoopte dat het instituut in geval van een bezetting door Duitse troepen ‘eenigszins doenlijk voor schade in taak en aanzien’ bewaard zou blijven.30 De hoop was gevestigd op een ander besluit van het gbi. Deze inspecteerde namelijk behalve het gebouw aan de Mauritskade ook de gebouwen van andere culturele instellingen in Amsterdam. Het Rijksmuseum en het Stedelijk Museum waren eveneens kandidaten. Vanzelfsprekend wilden ook deze instituten niet als herberg van de Duitse politie-eenheden fungeren. Het getouwtrek tussen de musea begon. Een verslag van een vergadering op 23 juli 1940 geeft enig inzicht in de onderlinge worsteling en de pogingen van de musea om een alternatieve oplossing te vinden. Vertegenwoordigers van de drie culturele instellingen, de Gemeente Amsterdam, een vertegenwoordiger van het bureau van generaalcommissaris Wimmer en een representant van het Departement Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, kwamen bijeen in de privéwoning van de directeur van het Rijksmuseum, dr. F. Schmidt-Degener, aan de Hobbemastraat in Amsterdam. Namens het Koloniaal Instituut waren algemeen secretaris P.J. Gerke en de directeuren van de museumafdelingen, B.J.O. Schrieke en L.Ph. Le Cosquino de Bussy aanwezig.31 Er kwamen meerdere alternatieven op tafel, een aantal gebaseerd op avontuurlijke ideeën. Een voorstel behelsde de verhuizing van het gehele Koloniaal Instituut naar het Rijksmuseum om vervolgens de Duitse politietroepen in het gebouw van het Koloniaal Instituut onder te brengen. Tegen dit voorstel maakte het Rijksmuseum ernstig bezwaar. Voor dr. F. SchmidtDegener was het uitgesloten dat het Koloniaal Instituut als ‘gast’ in het Rijksmuseum zou worden ondergebracht. Wel was het in zijn zienswijze denkbaar dat alleen de collectie in het depot van het Rijksmuseum zou worden opgeslagen. Zo’n verhuizing zagen de vertegenwoordigers van het Koloniaal Instituut niet zitten, omdat er dan geen tentoonstellingsruimte beschikbaar zou zijn. Maar dat was niet de enige reden. Een dergelijke grootschalige verhuizing zou een

Portret van algemeen secretaris P.J. Gerke, 1930-1940. Collectie Tropenmuseum: 10018712

Lagerung op één locatie in de stad te kunnen onderbrengen.28 Dat bleek in Amsterdam een moeilijke taak: in 1940 was het aantal grote gebouwen dat voor dat doel in aanmerking kwam beperkt. Het Gemeentelijke Bureau Inkwartiering (gbi) kreeg de taak een passende huisvesting voor de Duitse politietroepen te vinden. In juli 1940 werd het gebouwencomplex van het Koloniaal Instituut voor het eerst uitgebreid geïnspecteerd. Jonkheer ir. J.E. van Heemskerck van Beest, Amsterdams stadsingenieur en gbi-vertegenwoordiger, controleerde het gebouw van boven tot onder op bruikbaarheid voor de legering. Hij deed dit samen met de commandant van de in Amsterdam gelegerde Duitse politietroepen.29 Al snel kwamen ze tot het oordeel dat het Koloniaal Instituut een passende locatie voor de Duitse politietroe20


Verordening 144/1940. kit-archief 1644

21


De bezetting van het instituut is bevestigd. kitarchief 1645

22


opmerking van Van Poelje van het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ‘dat het psychologisch een groot bezwaar is om cultureele instellingen als het Koloniaal Instituut aan te tasten’, werd er geen goed alternatief gevonden.36 De meerderheid kwam tot de conclusie dat er eigenlijk maar één gebouw in aanmerking kwam voor de legering: het Koloniaal Instituut. Daarmee zou slechts één culturele instelling door vordering worden getroffen. Nadat Otto Schumann, bevelhebber van de Duitse Ordnungspolizei, op 5 augustus het instituut bezocht om zich met eigen ogen te vergewissen van de geschiktheid, was het lot van het Koloniaal Instituut voor de komende vijf jaar bezegeld. Schumann vond het gunstig in één gedeelte van het gebouw ‘alle officieren, administraties, geneeskundige dienst, casino, onderofficieren en een deel der politiemannen’ onder te brengen.37 De Raad van Beheer van het instituut kon zich met geen mogelijkheid aan dit besluit onttrekken. Medio augustus werd toestemming verleend om de beoogde ruimten tegen 1 oktober 1940 te betrekken.38 In oktober werden delen van het gebouw officieel gevorderd volgens de Verordening 144/1940.39 De bezetting van delen van het instituut was hiermee een feit.

grote investering vergen. Bovendien vreesde men dat de reputatie van het Koloniaal Instituut schade zou oplopen. Door de bezetting van het instituutsgebouw zouden buitenstaanders de indruk kunnen krijgen dat de ‘band, die het Koloniaal Instituut vormt tusschen ons land en Indië, zou zijn doorgesneden’.32 Al deze moeilijkheden en de kosten die ermee gemoeid waren hadden tot gevolg dat dit voorstel werd verworpen. Anderen suggereerden de ene helft van de troepen in het Koloniaal Instituut onder te brengen en de andere in het Stedelijk Museum Amsterdam. De laatste, vertegenwoordigd door directeur jhr. D.C. Roëll, zag echter geen mogelijkheid 300 man politie binnen zijn muren te huisvesten zonder een en ander te verbouwen. Ook hier waren de te hoge kosten het argument.33 Er volgden meer suggesties, waar telkens één of meerdere partijen onoverkomelijke bezwaren tegen hadden. Er kwam ook een niet-culturele instelling ter sprake, namelijk het gebouw van de Rijwiel- en Autoindustrie (rai). Deze was toen nog gevestigd aan de Ferdinand Bolstraat, en het vormde op het eerste gezicht een aantrekkelijk alternatief dat de culturele instellingen voor inkwartiering zou sparen. Het gebouw was voorzien van alle faciliteiten om grote aantallen mensen te kunnen onderbrengen. Er waren toiletruimten, douchemogelijkheden en zelfs een groot restaurant met keuken. Toch werd ervan afgezien. Volgens de stadsingenieur diende het raigebouw als parkeergarage voor de Duitse luchtmacht en stond het vol met autos van de luft.34 Hiermee doelde hij op de Luftgau, die sinds 15 juni 1940 aan de Ferdinand Bolstraat was ingekwartierd.35 Overigens bleek dit voorstel al eerder ter discussie te staan en door generaal-majoor Seltz te zijn verworpen. De zoektocht naar alternatieven – alles behalve het Koloniaal Instituut – ging verder. Toen De Bussy het St. Jacobsgesticht in de Plantagebuurt opperde, bleek dat daar nog circa 300 patiënten waren ondergebracht, die niet zonder meer ergens anders in Amsterdam een plek konden vinden. Afgezien daarvan lag het gesticht dicht bij de Joodse wijk – en dat wilden de Duitsers niet. De gebouwen van de Rijkspostspaarbank en de Kasvereeniging bleken evenmin geschikt, daar inbeslagname van deze gebouwen als te ingrijpend voor het sociaaleconomisch leven werd bevonden. Dit bezwaar gold kennelijk niet voor het gebouwencomplex van het Koloniaal Instituut. Ondanks de

Naderhand bleek dat het bestuur van het Koloniaal Instituut zeer teleurgesteld was over de rol die de Gemeente Amsterdam speelde in het hele proces. Algemeen secretaris Gerke uitte zijn frustraties in zijn memoires, die hij na de bezetting optekende. Hij verweet de Gemeente dat ‘niemand van het Gemeentebestuur ook maar een vinger heeft uitgestoken om ons van occupatie te vrijwaren […] [en er] niet het minste begrip voor onze positie bestond’. Gerke wijst ook op de vernedering om als ‘eenige centrale Indische instelling in Nederland, levend symbool van onze cultureele en economische banden met Indië, tot kazerne voor politiesoldaten in te richten, terwijl Indië en Nederland in de grootste moeilijkheden verkeerden, […]’.40

Instituut in twee delen ‘Cultureele belangen en wetenschappelijk onderricht’ mochten door de bezetting geen schade oplopen, zo werd met de Duitsers overeengekomen.41 Daarom 23


Fotograaf en cineast Alphons Hustinx maakte kleurenfoto’s van de vertrekken die voor de Duitsers ontruimd werden. Hier de Marmeren Hal, die vanaf 1 oktober 1940 alleen nog door de Duitsers gebruikt mocht worden, juli 1940. Foto: A. Hustinx. Beeldbank wo2/collectie niod-Dia Archief Mr. A. Hustinx

24


Instituut. Zo moesten de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij, het Nederlandsch Pacific Instituut en de Entomologische Vereeniging Amsterdam elders in de stad geschikte kantoorruimte zien te vinden.45

zagen de Duitsers af van de vordering van de lichthal van het museum, waar ze in eerste instantie wel interesse in hadden. De museumvleugel aan de Linnaeusstraat bleef zelfs in z’n geheel voor inbeslagname gespaard. Ook de afdeling Tropische Hygiëne, gevestigd in het gebouw aan de Mauritskade 57, werd niet bezet. Uiteindelijk werden alleen de bouwdelen aan Mauritskade 63 gevorderd en bezet, inclusief de hoofdingang met de prestigieuze Marmeren Hal. De Duitse politieafdeling die bezit zou nemen van het instituut was de zogenaamde Ordnungspolizei, in de volksmond vanwege hun groene uniformen ook wel ‘Grüne Polizei’ genoemd.

Al met al was de vordering een aangrijpende, dure en tijdrovende aangelegenheid. Het inrichten van de kamers gebeurde in september en kostte de Duitsers meer tijd dan verwacht. Na bijna een maand sjouwen en schuiven was alles gereed. De hoofdingang mocht vanaf 1 oktober 1940 alleen nog door de Duitse politie gebruikt worden, en niet meer door het publiek en de medewerkers van het Koloniaal Instituut.46 Het adres van het Algemeen Secretariaat schoof hierdoor een nummer op, van Mauritskade 63 naar 64 – de ingang van de afdeling Handelsmuseum.47 Op 15 oktober 1940 namen uiteindelijk circa 320 Duitse Ordnungspolizisten hun intrek.48 Omdat er echter 700 man politie was, overwoog men voor de overige manschappen barakken achter het museum te bouwen, in het Oosterpark. Door schaarste aan bouwmaterialen en hoge bouwkosten is hier weer van afgezien en de resterende manschappen werden in de naastgelegen gebouwen

Voordat de meer dan 300 man het gebouwencomplex zouden betrekken, werden voorbereidingen getroffen. De Technische Dienst van het instituut had er de handen meer dan vol aan. Onder andere de kamers van het Algemeen Secretariaat, de Raadszaal, de Bestuurskamer en de Voorzitterskamer moesten worden ontruimd. Ze behoorden, en behoren nog steeds, tot de rijkst gedecoreerde kamers van het instituut, voorzien van houtsnijwerk en linnen behang. De Raadszaal en de Bestuurskamer, gelegen aan de gang die tegenwoordig intern ‘Downingstreet’ wordt genoemd, werden als eetzaal gebruikt door de Duitse officieren en onderofficieren. De politiesoldaten gebruikten de personeelskantine onder de Marmeren Hal bij de hoofdingang als restaurant. Ook vorderden ze kamers van het Handelsmuseum en van het Bureau Pers en Propaganda, Onderwijszaken en de boekhouding; de medewerkers werden bij hun collega’s van de afdeling Volkenkunde ondergebracht.42/43 Het bleek al snel passen en meten om de collega’s fatsoenlijk in het niet-bezette bouwdeel onder te brengen. De bezetting trof vooral de instituutsbibliotheek zwaar. De verhuizing van de Centrale Boekerij was een enorme klus. Men moest de uitleenkamer met de openbare leeszaal, het boekenhuis en de kaartenzaal met zijn aangrenzende kamers ontruimen. De openbare leeszaal en de uitleenbalie werden naar de afdeling Volkenkunde aan de Linnaeusstraat verplaatst, en het boekenhuis in de kelder ondergebracht, in de ruimte die aanvankelijk aan de gemeente was afgestaan als schuilkelder.44 De vordering had ook gevolgen voor instellingen die ruimten huurden in het gebouw van het Koloniaal

De hoofdingang van het Koloniaal Instituut. Still uit Polygoon bioscoopjournaal, 22 april 1942. Collectie Beeld en Geluid

25


tandarts ingericht, compleet met wachtkamer.52 Wapens en munitie werden opgeslagen en volgens een dagboeknotitie van een oud-medewerker werden later twee speciale ruimten gebruikt voor de behandeling van gifgasslachtoffers.53

aan de Mauritskade, over de hele lengte van het Oosterpark tussen Linnaeusstraat en ’s-Gravezandestraat, ingekwartierd. Het Anatomisch laboratorium op nummer 61 en de hbs op nummer 58 vormden zo samen met het Koloniaal Instituut het bolwerk van de Duitse Ordnungspolizei.49 Van hieruit verordonneerden de nieuwe bevelhebbers hun repressieve beleid. De insignes van de nationaalsocialistische machthebber verschenen al snel. Vanaf toen wapperde de hakenkruisvlag voor de hoofdingang van het instituut.

Verschillende ruimten werden zowel door de politie als door het instituut gebruikt. De telefooncentrale kon niet zomaar verplaatst worden en bleef bij de hoofdingang. De toenmalige telefoniste van het Koloniaal Instituut, mevrouw Beckmann-Blancken, behield daardoor enkele jaren zicht op het gebeuren binnen de politiebataljons, zo blijkt uit een artikel in de kitkrant Kortsluiting uit 1978. Hierin vertelt de auteur dat de telefoniste met de bijnaam ‘the voice of the Institute’ getuige was van enkele treffende gebeurtenissen. Ze zou gezien hebben hoe mensen met grof geweld door de Duitsers uit de auto gesmeten werden en hoe Engelse piloten in de Marmeren Hal op transport wachtten, vermoedelijk op weg naar hun interneringsverblijf. Ook hoorde ze hoe verschillende politiemannen de ‘Führer’ naar de hel wensten.54

Gedurende de bezetting vorderden de Duitsers nog regelmatig extra kamers in het instituut. Uit een document blijkt dat de Duitsers in december 1942 78 kamers in gebruik hadden. Een aanzienlijk aantal als men bedenkt dat er nog 45 kamers voor het Koloniaal Instituut restten.50 De bataljons maakten het zich gemakkelijk in het instituut, waarbij de kamers niet altijd ongeschonden bleven. Muren werden doorgebroken, de ruimten naar behoefte vertimmerd en werkplekken heringericht. Boven in de linkertoren van de hoofdingang hadden de Duitsers hun eigen kleermakerij.51 Er werd zelfs een behandelkamer voor de In de loop van de bezetting werden steeds meer kamers door de Duitse politiebataljons gevorderd. kit-archief 1645

26


Duitse schakers in een van de gevorderde kamers, 1941-1945. Collectie War Photo Holland

Woon/slaapvertrek, 1941-1945. Collectie War Photo Holland

Wellicht hoorde Beckmann-Blancken te veel naar de zin van de Duitsers: op 1 mei 1943 vorderden ze nog eens 23 vierkante meter ruimte, zijnde de gehele telefooncentrale. De telefoniste van het instituut moest elders worden ondergebracht met behoud van doorverbindmogelijkheid.55 De Grote Aula, nu Grote Zaal genoemd, gelegen in de bezette vleugel, werd eveneens door beide partijen gebruikt, overdag door de politie en ’s avonds door het instituut. Deze indeling veroorzaakte wel eens moeilijkheden, waarover later meer.

berekening een schadeloosstelling van ƒ 41.704 per jaar vast.58 Van dit bedrag dienden de politiebataljons volgens de Duitse verordeningen slechts twee derde als schadeloosstelling te betalen, zodat er nog een bedrag van ƒ 27.802,67 per jaar overbleef. Dit bedrag betaalde de gemeente aan het instituut uit tot en met februari 1945, hoewel de Duitse bezetting van het gebouw nog tot 12 mei 1945 voortduurde. Na de oorlog zou de huurkwestie opnieuw ter discussie komen te staan. Voor het Koloniaal Instituut waren het na mei 1945 financieel nog steeds moeilijke tijden. Het tekende bij het Commissariaat voor Oorlogsschade in Den Haag dan ook bezwaar aan tegen de geleden bezettingsschade. Het instituut trachtte de schade aan het gebouw en de ondergane belemmeringen financieel gecompenseerd te krijgen. Het gesteggel wierp uiteindelijk in juli 1949 vruchten af. Alsnog kwam er een vergoeding van ƒ 171.576 voor de geleden bezettingsschade.59

De bezetting van het Koloniaal Instituut was voor de Duitsers niet helemaal gratis. Als schadeloosstelling betaalden zij huur voor de gevorderde ruimten. Daarvoor sloot het instituut een huurcontract met de Gemeente Amsterdam, en niet direct met de Duitse instanties. Via de gemeente kwam de huur van de Wehrmachtbezirksverwaltung binnen.56 Een eerste vastgesteld huurbedrag van ƒ 162.000 per jaar werd te hoog bevonden en afgewezen.57 Uiteindelijk was het de Wehrmachtbezirksverwaltung die de hoogte van het bedrag bepaalde. Zij stelden in hun

Tegen het einde van 1940 deed het gebouwencomplex van het Koloniaal Instituut dienst als hoofdbureau van 27


de Ordnungspolizei, als kazerne, gevangenis, en later zelf als gerechtszaal. Daardoor kreeg de locatie als ‘het hol van de leeuw’ vermoedelijk al snel een slechte reputatie bij de Amsterdamse bevolking. Maar het Koloniaal Instituut bleef voorlopig ook een culturele

en wetenschappelijke instelling. Het kon ondanks de bezetting nog steeds functioneren, ook al werd het culturele leven steeds strenger gecontroleerd.

Berekening van de huurvergoeding, december 1940. kitarchief 1645

28


Cultuur onder vuur