Issuu on Google+

DE TRIP

ROMAN

Armand Le Jaques

uitgeverij ORA Media products

Arman Le Jaques -

1


2

De TRIP


Inhoud pg. 4 pg. 5 pg. 6 pg. 7 pg. 11 pg. 19 pg. 26 pg. 27 pg. 31 pg. 35 pg. 42 pg. 45 pg. 48 pg. 49 pg. 51 pg. 55 pg. 57 pg. 60 pg. 64 pg. 66 pg. 68 pg. 69 pg. 71 pg. 73

proloog de WPC themanacht 23 april 26 april de kleren van de keizer 27 april 30 april keti koti 1 mei de gebruiksaanwijzing 4 mei verzet 5 mei 6 mei de inrichting 7 mei 8 mei vissen 9 mei 10 mei cultuur 21 mei 23 mei de themanacht tot slot

Arman Le Jaques -

3


Proloog De enigszins excentrieke schrijver Adri Zillens is uitgenodigd door de Woerdense Penclub om in één nacht zijn in boekvorm gegoten reisverhaal voor te dragen. Het bijna cinematografisch geregistreerd reisverslag is door hem opgetekend in Noord-Afrika waar hij met Esther Vrijman, zijn destijds prille liefde, geruime tijd in een geleende VW-bus doorheen reed. De voordracht uit eigen werk wordt in ‘De Trip’ afgewisseld met flashbacks van Zillen’s persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling. Deze korte, onderling sterk verschillende episodes, lijken in eerste instantie weinig verband te hebben met de door Adri voorgelezen reisfragmenten. Er valt echter een vorm van simultaneiteit te ontdekken waarbij beide verhaallijnen schijnbaar niets aan elkaar toevoegen maar desondanks een synergisch geheel creëren.

4

De TRIP


De WPC themanacht De progressieve Woerdense Pen Club WPC, is verantwoordelijk voor de organisatie van een jaarlijks terugkerende themanacht, waarbij alleen auteurs worden gevraagd die reisverhalen hebben geschreven. Het unieke van dit evenement is dat de auteur in één adem in één nacht in een lokaal etablissement het gehele boek voordraagt. Toen de literaire club van Woerden mij vroeg om uit eigen werk te komen voorlezen, hadden de leden van het organiserend comité nog geen enkele notie of er wel voldoende belangstelling voor mij als relatief onbekend auteur zou zijn. Het was mijn debuut en mijn uitgever meldde al in een vrij vroeg stadium onvoldoende budget te hebben voor promotie, zodat de opkomst sterk afhankelijk was van mond tot mond reclame. Ondanks het late tijdstip is het ellipsvormige met illegale rook doordesemde zaaltje van ‘De Waard van Woerden’ aardig gevuld. Op kleine rotantafeltjes staan brandende kaarsen en versnaperingen. Drank wordt doorgegeven door hen die het dichtst bij de bar zitten. Ik verken de hoeken van het ronde en redelijk intieme podium, met daarop een kandelaar met zeven kaarsen en een weinig flatteuze promotiefoto van mijzelf. Ik knoop mijn colbert los, haal diep adem, slik het laatste flintertje salmiak door, schraap mijn keel en steek van wal. Door enig geroezemoes heen vertel ik mijn toehoorders ter inleiding dat het boek is geïnspireerd op een trip die ik samen met mijn vriendin Esther door Noord-Afrika maakte. De eindbestemming was destijds in eerste instantie Israël, omdat Esther daar een jaar had gewoond en zij mij het land waar ze zo intens had genoten wilde laten zien. We vertrokken in een van een goede vriend geleende VW-bus en vernamen halverwege de trip dat president Ghadaffi de grenzen van zijn land had dichtgegooid. Een omweg via Niger en Tsjaad was vanwege een daar heersende oorlogssituatie niet opportuun. We hadden derhalve tijdens deze trip geen doel en ook geen haast meer.

Arman Le Jaques -

5


23 april - Er bestaan nu eenmaal plekken waar je met een nauwelijks te de-

finiëren kracht naar toe wordt getrokken, gezogen bijna. Van deze meer dan aardse territoria, gaat een aantrekkelijkheid uit die nogal moeilijk ter plekke in al haar hoedanigheid valt te verwoorden. Het is niet ‘zomaar even de auto ergens van de weg af neerzetten’, noch is het ‘turen naar een folderachtig uitziende inham’ en in geen geval kom je er door te vragen waar je ergens in de buurt een beetje leuk je auto kunt neerzetten om te overnachten. Het is anders.....! Wanneer ik mijn met blauw leren kaft gebonden aantekeningenboek dichtsla, hebben Esther en ik tot dan toe overnacht op twee plekken, die speciaal voor ons leken te zijn aangelegd. Op dit moment staan we op een kanjer van een plek, ruim twee kilometer voor de stad Onteniente, in de streek Valencia. Rijdend had ik al vastgesteld dat je hier zelfs midden in de nacht nog kunt zien dat het er stikt van de sinaasappelboomgaarden. In één van die boomgaarden - je komt er door één van de vele kleine zanderige zijweggetjes van de B-weg in te slaan - staan we nu met heel onze hoeveelheid. Het was al goed donker en ik reed de plek eigenlijk ‘per ongeluk’ voorbij toen mijn rechtervoet, alert zoals die behoort te zijn op een dergelijke trip, kordaat op het roestige rempedaal trapte. Het bleek terecht. We zijn net klaar met het gulzig verorberen van een kapucijnersmetrijstenkerriekip in zelfgemaakte wijnmarinade metlichtgesuikerdecayennepeperboterkliek, van de vorige avond, klaar gemaakt op twee prima werkende primi, of primussen, op de enige vrije vierkante meter in de VW-bus. Esther ligt ronkend op haar rode zondoorgloeide arm, half onder het dekbed op de verhoogde houten bekisting, als ik begerig haar halfvolle glas wijn leeg en besluit haar postfoetale houding op beneveld nederige wijze te imiteren.

6

De TRIP


26 april

- De vorige dag waren we toch nog even redelijk stressy bezig geweest voordat we goed en wel op de boot van Algecieras naar Ceuta terechtkwamen. Ook de klamme atmosfeer van de kleine havenplaats drukte tijdens de vallende schemering een nodeloze spanning op de communicatie. Voor alle duidelijkheid..., had ik, de rationalist uithangend, gevraagd, “Gaat deze boot nou wel, of niet naar Tanger..?” “Niet...?” “ Maar wat is dan...?” “Oh, toch Ceuta...!” “Hoe laat dan...?” “Maar, wacht even, op de kaart hier staat 8.00 uur ....!” Het ziet er naar uit dat we even moeten wachten. Enige tijd later rijdt Esther de VW-bus met een feminiene flexibiliteit het niet al te drukke ruim van het schip binnen, terwijl ik met een geleende 8 millimeter Eumig aan de kant klaar sta om haar met deze actie te vereeuwigen. Nog voordat ik het inzoomknopje van het lekker in de hand liggend filmapparaat heb gevonden, zie ik dat Esther al is ingeparkeerd en brom dat ze voor dergelijke acties anders zeeën van tijd nodig heeft. Nadat ik het rubber oogkapje, dat eigenlijk bij een andere camera hoort en dus niet op deze wil blijven zitten, onder een geparkeerde vrachtauto terugvind, lopen we beiden wat onwennig weg van ons busje. Haar achterlatend temidden van bijzonder grote, vier- en meerwielige, ervaren soortgenoten, zonder daarbij echter een zielige indruk te maken. Achteromkijkend overweeg ik nog om terug te lopen en te kijken of ik haar handrem niet iets te strak heb aangetrokken maar Esther trekt mij mee naar boven. Het is nog steeds donker buiten. Op het dek aangekomen, vinden we snel een tweezitsbank en volgen het advies op van de man waarvan we de boottickets kochten en besluiten dus zo snel mogelijk de resterende peseta’s op te maken. We bestellen koffie en brood. Vanaf dat moment lijkt het alsof half Portugal komt binnenvallen. Een gigantisch reisgezelschap. De één in een nog grotere vakantiestemming dan de ander. De man ‘van de boottickets’ had ons al gewaarschuwd. We zouden ons gelukkig mogen prijzen als er tussen deze horde nog een plekje over zou blijven. Links van waar Esther en ik zitten, bevindt zich een lange rij donkerkleurige driezitsbankjes. Achter en voor ons een aantal tweezitters. Rechts, achter een half glazen schutting, ligt de koffiebar, inmiddels volledig omsingeld door Portugezen. Als in een flits komt bij mij de mogelijkheid op onbedoeld Arman Le Jaques -

7


betrokken te zijn geraakt bij een hernieuwde kolonialistisch-imperialistisch politieke Portugese actie in Noord-Afrika. “Peut être Il y était déjà d’évidence que l’histoire se répète”, mompel ik en neem, om mijn aandacht niet te laten verslappen, een flinke slok krachtige, dampende koffie. “Op die van mij staat alleen de naam van de rederij” zegt Esther, haar kopje op ooghoogte van links naar rechts draaiend. Net wanneer ik bij Esther wil informeren of ze haar Frans nog in redelijke mate beheerst, hoor ik verderop een soort Portugees dat ik niet onmiddellijk kan plaatsen. Het wordt gesproken door een iets te lange, blonde, gebrilde vijftiger. Het type onderwijzer. Ikzelf houd het voorlopig op aardrijkskunde of geschiedenis. Een goede ondergrond voor een geestdriftig kolonialist stel ik vast, terwijl ik de gedragingen van de man nauwlettend volg. De man staat bijkans negentig graden voorovergebogen terwijl hij grapjes probeert te ventileren in het gezicht van een frivole Portugese. Haar schat ik ver achter in de achtenveertig. Beleefd, terughoudend en met een mistig glimlachje beantwoordt ze de uitlatingen van de man. Ze hoort vast en zeker bij het zelfde reisgezelschap. Door de dubbele ramen verandert de Spaanse kust verleidelijk vlot van heden naar verleden. De lange man wordt geroepen. Het is zijn vrouw. Ik por met mijn elleboog in Esther’s zij en fluister: “Het zijn Hollanders”. Esther, die op dat moment probeert op haar suikerzakje een franse tekst te ontdekken tuurt naar de groep waar mijn ogen op gefixeerd zijn en kaatst terug: “Noord-Hollanders”. Zonder op zijn vrouw te reageren loopt de lange man naar een volgende vergeelde driezitsbank waar hij na een eveneens onverstaanbare, en gelet op de verstikkende blik in de ogen van zijn slachtoffer, waarschijnlijk onbegrijpelijke mededeling, met een voldaan gezicht doorloopt. Zijn voorovergebogen manier van lopen lijkt een aangeleerde groeihouding, constant alert, voor het erg hypothetische geval, dat iemand onder hem zijn aandacht nodig mocht hebben. Met gevoel voor projectie stel ik vast dat de vrouw van de lange man van het type is dat het ‘Speciaal Onderwijs voor Kleuters met een Prenataal Vervormde Motoriek’ in Nederland zou kunnen hebben introduceren. Mogelijk een docente Ritmische Vorming. Zuinige Sandalen. Korte, nauwkeurig omgevouwen, sneeuwwitte sokjes. Een degelijke lange wijde rok. Een canvasleger schoudertas iets te strak voor haar borst gekruist. Een verwrongen-

8

De TRIP


haar-model-kapsel dat sterk doet denken aan dat van Mia Farrow in Polansky’s ‘Rosemary’s baby’. We hebben de haven nu voorgoed achter ons gelaten. Als geconditioneerd staat een twintigtal Portugezen op en loopt in een nette lange rij aan mij voorbij, richting open dek. Hoorbaar is het schelle geluid van een goedkope cassetterecorder met Spaanse muziek. Direct associeer ik deze muziek met ‘de aardrijkskundeleraar’. Overmoedig stel ik vast dat, mocht het zo zijn dat hij straks half Portugal gaat aanzetten tot samenzang, deze jongen dan dus wel terstond richting bar vertrekt. Terwijl ik dit zeg dringt zich aan mij spontaan maar overtuigd een intens begrip voor alcoholici op. Esther komt terug van het dek en zegt op mededeelzame toon “je kunt Marokko nog niet zien liggen”. “Ik hoop dat we de goede kant op gaan”, reageer ik gemeend. De ‘aardrijkskundeleraar’ moet met zijn vrouw mee naar het dek. Hij rookt een stevige pijp. Door het gangpad lopend kijkt hij winderig naar de Portugezen in de driezitters, hopend even te worden aangesproken. De Portugezen kijken massaal de Middellandse zee in. De Spaanse muziek blijft. Ik ontdek een kromgetrokken speakerbox in het plafond. OK, ‘De leraar’ mag blijven. Hij is al weg. Het is ongeveer negen uur in de ochtend als het manifest worden van het indringend daglicht mij de achterkant van mijn oogbollen doet voelen. De boot waggelt nu behoorlijk. Ik vraag aan Esther of zij aan dek ook reddingsboten heeft zien hangen? Esther is in slaap gevallen, maar alleen al het stellen van die vraag lucht op.

Arman Le Jaques -

9


De kleren van de keizer Volgens sommigen was ik altijd al een opmerkelijk en begaafd mens. Al op vrij jonge leeftijd was ik in een groot aantal landen geweest. Daar werd ik dan uitgenodigd in televisiepraatshows, om vaak in korte tijd een aantal van mijn eigenzinnige overpeinzingen te verwoorden. Altijd al in pak en onafscheidelijk samen met mijn moeder. Eigenlijk heette ik Adolf, maar met die last, vond men, kon je een naoorlogs kind niet blijvend opzadelen. Dus werd het in de praktijk Adri. Mijn moeder noemde mij vaak een typisch voorbeeld van een niet volgens bestaande en algemeen aanvaarde normen te behandelen kind. Een soort enfant terrible, maar dan liever en passiever ook. Aanvankelijk vond men het enigszins vreemd dat ik pas op mijn roepnaam reageerde toen ik oud genoeg was om naar de kleuterschool te gaan. Dat mijn ouders mij op dit voor mij angstaanjagend instituut plaatsten nam ik hen niet bepaald in dank af. Sterker nog, ik haatte hen er zelfs een tijdlang voor. Mijn bloedeigen moeder nog wel. De enige persoon waar ik met mijn abstracte probleemstellingen tot dan toe immer, maar dan ook altijd terecht kon. Ze had weliswaar dikwijls geen bevredigend antwoord op mijn niet alledaagse vragen, maar daarentegen een fascinerend soort engelengeduld, waarvan ik vond dat dit vandaag de dag alleen nog maar te zien was bij daarvoor dikbetaalde ‘babybillen’, ‘sinaspril met sinaasappelsmaak’ en ‘dan is het tijd voor echte koffie’-moeders. Ook werd zij op zeker moment voor mij een alomvattende representatie van dat wat te omschrijven is als geluk. Dit gevoel had ik eens proberen uit te drukken in een gedicht dat ik voor haar verjaardag imaginair in een aangetekende brief naar haar had gepost. Ik schreef daarin:

10

De TRIP

Ter plekke botweg vastgenageld zonder keus en altijd warm een eeuwig lang constant bewegen ledig vacuüm zonder spijt vermomd als aardigheid en niet bekend in stilte starend, uren lang Als je goed luistert vraagt traditie om weg te gaan een omweg makend zwevend ademend door glas achttien kleine witte vlokken stierven na streling van de zon


En weer is er nog veel te weinig, minder nog dan toen zij kwam verwachtingsvol trots binnen lopend of was het slechts haar bonte jas haar vastgeroeste blik van vroeger die toen nog in de mode was

De warmte brengt de kou tot leven het geld blijft waar het rusten kan moeheid geen excuus voor zwijgen zuchten als intens genot de mond gekruld en nauwelijks open vanuit een invalshoek gezien Alsof het eenmaal moest mislukken want oefenen duurt veel te lang staat zij naakter dan de waarheid, verdwijnt en laat haar schaduw staan veiliger dan mee te slepen zonder plicht en recht door zee waardoor ik mij nu blijf herinneren hoe het was en hoe het kon zonder met de tijd te leven duizend ouders voor één kind niemand hoorde door de stilte waar zij was toen het begon Behalve dat geluk, ze was ook nog ‘s een mooie moeder. Dat stond voor mij als een paal boven water. Het mooiste aan haar vond ik, dat zij dat zelf niet door had. Dit had ik ooit, ik moet een jaar of zes zijn geweest, uiterst secuur vastgesteld toen ik haar zacht zijdeachtig haar mocht kammen, iets wat overigens alleen mocht, wanneer mijn moeder er zeker van was dat ze niet meer over straat hoefde. Nou maakte ik me over een dergelijke aanval van agorafobie niet al te druk, hoewel ik niet begreep waarom zij juist nu niet naar buiten ging. Ik vond dat ik door mijn creaties haar authentieke schoonheid juist op bijzondere wijze tot uitdrukking wist te brengen. Dat kon ik overigens destijds absoluut niet zeggen van het kapsel van de gastvrouw die, in de met publiek gevulde televisiestudio, tegenover mij zat. Ik was een jaar of dertien en hoewel ik nu weer in eigen land was, had ik na al het reizen wel ervaren dat haardracht nu eenmaal cultureel kan verschillen. Het thema dat op dat moment in de rechtArman Le Jaques -

11


streekse uitzending werd aangesneden was, ‘de mogelijke weerstaand van de westerse beschaving tegen het dreigend opkomend neofascisme’. Hoewel ik de vraag die zojuist aan mij werd gesteld al weer vergeten was antwoordde ik: “Ik zie tevredenheid en afkeuring meer als een oneindige en ondeelbare dichotomie”. Op het moment dat de gastvrouw met gefronste wenkbrauwen haar vragenlijst en hoofd gelijktijdig naar elkaar toe bracht, wendde ik mij tot een rood lampje dat ineens begon te branden en zei dat men inderdaad recentelijk een verschuiving kan zien van paradigma’s, zeker waar het betreft de interpretatie van wijze lessen uit ogenschijnlijk simpele en gemakkelijk naar eigen ervaringen te transformeren gebeurtenissen, zoals die overigens al jaren, al dan niet gemanipuleerd, worden voorspeld. De subtiele goedkeurende knik van mijn moeder, die met haar handtas op schoot naast de gastvrouw gezeten was, gaf me het gevoel dat ik goed op dreef was. “Kortom”, - vervolgde ik wisselend naar de camera en naar de gastvrouw kijkend -, “een erg belangrijk gegeven verplaatst zich in een ander, zo niet beter waarneembaar daglicht, wanneer we stilstaan bij de tevredenheid van de inmiddels vermaarde keizer met zijn nieuwe kleren”. De gastvrouw keek overduidelijk gespeeld ontspannen en nam een houding aan alsof zij het gesprek inderdaad de ingeslagen richting uit wilde sturen. Met overtuiging maakte ik duidelijk dat ik daarbij voor het gemak voorbij zou willen gaan aan op zich niet onbelangrijke vragen als a. ‘hoe ver moet een als regent aangesteld persoon inspelen op de grieven van het volk c.q. de meerderheid daarvan’, b. ‘moet men een regent die blijk geeft van extreme naïviteit of manipuleerbaarheid zijn eerbiedwaardige functie ontnemen’ en c. ....”, Ik pakte een glas water van het tafeltje naast mij, nipte ervan alsof het zojuist tot kookpunt was gebracht, en zette het met een sierlijke beweging weer terug, vervolgend: “en c. .............. ‘in hoeverre moet de klederdracht van een regent een representatieve functie hebben’; vragen die naar ik meende het gegeven onterecht te zeer verengden en de kans creëerden verloren te geraken in zichzelf tegensprekende spelregels, ideologisch dogmatisch gebrabbel ..., kortom, politiek!” Op dat moment werd vanuit het studiopubliek door een vrouw een vraag gesteld. Het was een jong uitziende verlegen kijkende vrouw die mij deed terugdenken aan een aantal jaar daarvoor door mij met een zondagsschool bezocht vakantiekamp. Ik herinnerde me dat ik op dat vakantiekamp in de door de leiding georganiseerde spelletjes nauwelijks enige zingeving kon ontdekken. Al vanaf de eerste dag ging ik op zoek naar wat afleiding. Op zeker moment

12

De TRIP


kwam ik in een van de hoofdgebouwen terecht in een kleine, op een bibliotheek lijkende ruimte. Deze ruimte bleek de bedstee te zijn van de licht loensende intens introverte dochter van de boer, die zijn nog niet door ruilverkaveling en herverdeling aangetaste territorium regelmatig beschikbaar stelde aan een club godvrezenden. Gerrie heette ze! Ze had een groot aantal boeken over de wereld van insecten en was door dit onderwerp compleet geobsedeerd. Ik herinnerde me dat dit onderwerp Gerrie’s leven op een schrikbarende manier beheerste. Ze had ook constant jeuk over haar hele lichaam. Toen ik haar voor het eerst zag, vermoedde ik dat we even oud waren. Ze straalde echter een dusdanige chronologische onbestemdheid uit, zodat ik mogelijk informeren in die richting direct verdrong als totaal betekenisloos binnen onze prille en waarschijnlijk vruchtbare relatie. Ik wist nog goed dat toen ik later die dag in de naar mest riekende hooiberg van deze ontmoeting verslag deed aan het zoontje van een ouderling, die naast mij in een slaapzak lag, ik van deze te horen kreeg dat hij die skéle maar een raar wijf vond. De jonge vrouw uit het televisiepubliek stelde de ethische aspecten van wetenschappelijk onderzoek ter discussie. Als meest saillant voorbeeld noemde ze een experiment van jaren geleden, dat zij onlangs bij toeval op een gehuurde dvd had gezien. Ze vertelde dat tijdens het experiment mensen van een onderzoeker opdracht kregen een proefpersoon een steeds grotere elektrische schok toe te dienen, iedere keer als deze een fout antwoord op een vraag gaf. Hoewel de deelnemers aan dit experiment niet wisten dat er niet echt elektrische stroom op het apparaat stond, waren velen van hen bereid de proefpersoon, na een groot aantal foute antwoorden, uiteindelijk een dodelijke schok van zo’n 450 volt toe te dienen. De jonge vrouw was faliekant tegen dit soort onderzoek en was ervan overtuigd dat het een verschrikkelijke inbreuk deed op de geestelijke gemoedstoestand van dit soort onschuldige en nietsvermoedende proefpersonen. Ondanks dat ik de mening was toegedaan dat een door onderzoekers in ethische termen gestelde vraag als: ‘kan dit onderzoek eigenlijk wel?’ binnen menig wetenschappelijk instituut wordt vertaald als: ‘is er geld voor dit onderzoek te krijgen!’, vroeg ik mij een moment af over welk soort ethiek de jonge vrouw het in vredesnaam had. Ook hier moest ik me even cultureel oriënteren. Ik vond het een lastige situatie, want natuurlijk zouden de onderzoeks-financiers voor dit soort experimenten vandaag de dag geen stuiver meer willen uitgeven. Ik wilde me daarom ook niet tot deze discussie laten verleiden maar dat vandaag de dag het aantal mensen die in een soortgelijk experiment bereid zouden zijn hun medemens te verrassen op een dodelijke hoeveelheid stroom slechts een fractie lager zou liggen dan in de tijd dat het experiment werd gedaan, kwam wat mij betreft voornamelijk doordat Arman Le Jaques -

13


het op fascinerende wijze voor televisie in beeld wordt gebracht met de mogelijkheid om 50.000 dollar te winnen. Weer schoot mij op dat moment een situatie op het zondagsschoolkamp te binnen. De laatste dag waren alle kinderen bijeen gebracht in een grote zaal, om een laatste collectieve dankzegging van de leiding aan de Hogere macht aan te horen. Er werden diverse psalmen ingezet, op piano begeleid door de vader van het zoontje van de ouderling. Na een korte en enigszins onverstaanbare speech van één van de leiders, daalde deze van het katheder af om ruimte te maken voor de dominee. Deze gebood een ieder de handen te vouwen en de ogen te sluiten voor gebed. Na enkele minuten met kracht mijn ogen te hebben dichtgeknepen, besloot ik een moment de aangezichtsspieren te ontspannen. Ik keek recht voor mij uit en zag dat de dominee bij het uitspreken van zijn gebed op en neer verende bewegingen maakte, tegelijkertijd zijn lichaam schuin naar voren en naar achteren bewegend. Ik draaide mijn hoofd voorzichtig naar links en zag dat alle andere kinderen hun ogen stijf dicht hadden. Juist toen ik mijn ogen weer wilde sluiten, zag ik iets opmerkelijks bij de vader van het zoontje van de ouderling. Deze stond heel dicht achter de gymjuf.... op het gezicht van de gym juf was duidelijk een grote glimlach te zien, terwijl het gebed van de dominee inhoudelijk nou ook weer niet zo grappig was. Ik kon net niet zien of de vader van het zoontje van de ouderling ook netjes zijn handen had gevouwen. Sterker nog, ik kon diens handen helemaal niet zien. Nieuwsgierig boog ik mijn lichaam voorzichtig naar rechts. Heel duidelijk had ik toen kunnen waarnemen dat de vader van het zoontje van de ouderling met beide handen het forse achterwerk van de gymjuf omsloten. Haar onderlichaam maakte daarbij dezelfde ritmische bewegingen als toen ik haar eens een theatrale demonstratie met een paar knotsen had zien geven. Op dat moment kreeg ik een vileine klap in mijn gezicht van één van de leiders, die mij toesiste net als iedereen mijn ogen te sluiten. Direct perste ik mijn oogleden op elkaar en verbeet de pijn van mijn inmiddels gloeiende wang. Door het persen rolde er uit allebei mijn ogen twee dikke tranen. Zonder nog verder naar het gebed te luisteren werd ik me pijnlijk bewust van het feit dat deze handtastelijke leider alleen had kunnen zien dat ik mijn ogen niet gesloten had omdat hij zelf ook zijn ogen niet dicht had en dus daarmee de facto dezelfde overtreding beging als ikzelf. Hiermee werd tegelijkertijd mijn interesse en achterdocht ten aanzien van macht en leiderschap gevoed. “Ja,” zei ik ontnuchterend tegen het aandachtige publiek -

14

De TRIP


“Er lopen inmiddels een flink aantal mensen rond voor wie, in ieder geval wat dit experiment betreft, de lol er behoorlijk af is”. “Je bedoelt....?”, vroeg de gastvrouw die het hele experiment onbekend in haar oren klonk. “Nou,” - antwoordde ik, - “zal het niet onder druk van een autoriteit gebeurd zijn, dan is de poging tot doodslag toch te begrijpen vanuit een soort naïef conformerende instelling ten aanzien van eventuele schijnbaar rechtvaardige en wellicht zelfs goed bedoelde activiteiten van als respectabel genormeerde instituten, of eventueel de selectieve waarneming hiervan”. “Dus als ik het goed begrijp” - probeerde de gastvrouw samen te vatten - “is het zo dat de samenleving als geheel constant manieren zoekt om haar zwakheden goed te praten?”. “Alles is functioneel”, - antwoordde ik - “zelfs de treinmachinist die erachter komt dat zijn functie is uitgebreid met het op gezette tijden doodrijden van levensmoede of anderszins gedepriveerde medeburgers, voert actie om voor deze taakuitbreiding financieel gecompenseerd te worden. De woordvoerders van werkgevers en werknemers overtuigen ons er op zeker moment van dat binnen deze functie nu inderdaad sprake is van hulpverleningsaspecten en vinden de overheid bereid om te kijken of er op de begroting inzake euthanasie en stervensbegeleiding nog wat ruimte is. En deze bedrijfssector is met twee tientjes per jaar erbij al blij. Inzicht? Overpeinzing? Verandering? Nee, een kop zwarte koffie, een sigaret en rijden maar weer. Het liefst met een snelheid van 120 kilometer per uur op plekken waar je vanwege reëel gevaar in feite maar 60 kilometer per uur mag rijden, naarstig de strijd aanbindend met collega hulpverleners”. Uit het publiek staat een man met baard maar geen snor op die lijkt aan te voelen dat ik beschik over een vermogen waar hijzelf, ondanks een flink aantal gespreksgroepen, niet over beschikt en roept in de staande microfoon terwijl hij de jonge vrouw opzij duwt: “Maar waarom worden dit soort zaken niet vaker op deze manier aan de orde gesteld?”. Ik antwoord zonder mijn blik op de vraagsteller te richten, dat we zo langzamerhand in een situatie gemanoeuvreerd zijn geworden, waarbij de waarde van het wel of niet hebben van een mening aan elkaar is gelijkgesteld. “Zowel het geloofsinstituut als het wetenschappelijk bedrijf hebben zich in deze van een ongekend conformistische zijde getoond, waar zij haar bevindinArman Le Jaques -

15


gen en onderzoeksresultaten baseerde op een door haar zelf gecreëerd escapisme. Door mensen een gelijkwaardige keuze voor te stellen van het hebben van geen mening heeft zij een steeds groter wordend deel van de populatie toegang verschaft tot, of misschien zouden we moeten zeggen de richting uit geduwd, van legitieme non-respons en eliminatie van verantwoordelijkheid. Dit naar een ieders grote tevredenheid overigens. De vraagstelling ‘Vindt u dat het in Nederland goed leven is?’ met als mogelijke antwoordcategorieën: ‘Ja’, ‘Nee’, dan wel ‘Geen mening’ is een vorm van abjecte verleiding tot amorfe waanzin en stelt ons op termijn voor pijnlijke dilemma’s, zoals die waar wij het hier vanavond over hebben”. Mijn moeder liet spontaan haar tasje los en begon te applaudisseren. Dit werd spontaan opgevolgd door een halve koptelefoon dragende floormanager, waarop dit applaus terstond door het voltallig publiek nog eens adequaat werd aangedikt. De gastvrouw besloot een laatste poging te wagen om de draad van het gesprek op te zoeken en vroeg met kleine pareltjes zweet op haar voorhoofd: “maar hoe verhoudt zich dit alles nu met de nieuwe kleren van de keizer?”. Ik wachtte een klein moment tot het rode lampje op de camera recht voor me ging branden en zei toen, dat als een willekeurige burger op zeker moment tegen de keizer zou zeggen dat deze in zijn blote pielemuis loopt te flaneren, dit dan of een volmaakte tevredenheid zou verstoren, of deze mededeling deze man zijn kop zou kosten. “Een beetje respectabele keizer kiest in dergelijke situaties natuurlijk voor de laatste mogelijkheid, waardoor de burger zich realiseert dat hij zelf knap voor lul staat. Dus, bij een collectief of zelfs massaal afkeuren van eerder door mevrouw genoemd experiment, proef ik zelf een soort tevredenheid van ............”. Hier stokte mijn verhaal even. Het was me ontschoten wat de vrouw in feite afkeurde. Ik keek naar mijn moeder die mij op haar beurt streng aankeek. Hierna ging ik verzitten en zei op poëtische toon: “Het is verleidelijk. De tevredenheid is een momentopname, broos..., snijdend..., en bijna vertederend”. De gastvrouw die inmiddels het signaal opving dat de tijd voor het gesprek er bijna opzat, probeerde af te ronden met de vraag: “Maar wat is dan de oplossing?”. Ik zweer dat ik werkelijk niet door had dat deze vraag aan mij was gericht, maar toen het twintig seconden stil bleef reageerde ik spontaan met wat er op dat moment in me opkwam. “Volgens mij is het logisch dat de keizer niet zijn hele leven in dat pak zal blijven voortkabbelen, en dus op zeker moment wederom een nieuw pak zal aanschaffen. Dit pak, dat dan natuurlijk van een geheel andere snit zal zijn, wordt dan door één van zijn adviseurs op een onverwacht moment uit de garderobe gehaald, waarna de keizer op een massale bijeenkomst van het volk onder tevreden gejuich het oude pak demonstratief

16

De TRIP


aan stukken zal rijten. Vervolgens zal de keizer, terwijl diens kleermaker zijn nieuwe pak nog wat glad trekt, naakt en tevreden met een verrekijker naar zijn volk kijken, met zijn opvolger aan zijn voeten knielend. Want pak of geen pak, tussen afkeuring en tevredenheid heerst een hoog geladen spanning, een weg naar bevrediging, ... een gevoel, ... een sensatie, ....... een schok. Een schok die prettig en een schok die destructief blijkt te kunnen zijn. Welke is het prettigst en welke het meest dodelijk. Welke spanning hebben we nodig, welke kunnen we verdragen en welke is fataal. Welke spanning geeft de vraag om een loonsverhoging van 0,2 procent. Welke het thuis naakt rondlopen met de gordijnen dicht. Is het zien van opstijgende rook uit uw televisie onvoldoende reden om de stekker eruit te trekken. Of zijn we gewend onze verantwoordelijkheid door anderen te laten dragen. In dat geval hebben we geen eigen mening. In dat geval zijn we tevreden. In dat geval kan het nog spannend worden�. De gastvrouw bedankte mij en het publiek voor hun aanwezigheid, noemde het telefoonnummer van de omroep waar mensen de tekst van het programma konden opvragen en zich tevens als lid konden melden en wenste de kijkers thuis nog veel plezier met een herhaling van het laatste journaal voor doven en slechthorenden.

Arman Le Jaques -

17


27 april - Het plekje waar Esther en ik momenteel verkeren waren we de vorige nacht voorbij gereden.

‘s Morgens worden we wakker door het geluid van langslopende boerenfamilies. Meisjes met geiten. Koeien met jongetjes. Mannen op muilezels. In een elkaar ondersteunend tempo trekken ze gezamenlijk de omringende, wild begroeide heuvels in. Hun silhouetten lossen op in de glooiende veelheid van vormen. We stappen uit, gooien een halve jerrycan water over ons heen en sluiten na een gebakken ei het busje af om de streek te gaan verkennen. Honderd meter terug hebben we zo’n vijftig meter beneden de weg, in een soort dal, uitzicht op een wel heel bijzondere omgeving. Volgens Esther’s omschrijving zou het een rivierbedding moeten zijn. Later op de dag zullen de meiskes hier hun geitenvolk komen laten drinken. Als echter later blijkt dat alleen de geiten zich laten zien om zich vrij spontaan over te geven aan het door Esther en mijzelf vurig bekeken laven van hun dorst, berg ik mijn op statief klaargezet fototoestel weer op. De meiskes houden een voor hun verantwoorde afstand en vermaken zich met krijgerachtige verschuilspelletjes. De zon laat zich van een bijzonder flamboyante kant zien, en de warmte van zijn stralen geven het schor sluimerende geluid van de wind een diepe en onvermijdelijke intensiteit. Als hierdoor opgetild, bevind ik mij inmiddels zo’n negen meter van de oever op een grote vlakke schuine steen, midden in het water. Trots op mijn ontdekking, roep ik naar de kant tegen Esther dat het wel ‘een uit het water stekende maquette van de rots van Gibraltar’ lijkt, om er vervolgens een deken over uit te spreiden en mijzelf te gedragen als een generaal die door zijn moed en strategisch inzicht zojuist deze rots voor volk en vaderland heeft weten te veroveren. Het is het geluid van het hel blauwgroen stromend water om mij heen, veelstemmig en met een bijna mathematisch geordende structuur, die mijn geest activeert. “Afrikanen zijn het.... “ - had ik voor mijn komst naar het continent volgehouden - “Noordafrikanen voor mijn part”, erbij vertellend dat het mijn stelligste overtuiging is dat je feitelijk bent waar je leeft. Bij het uitspreken van deze stelling realiseerde ik me dat ik deze overtuiging niet alleen nog nooit eerder aan iemand kond had gedaan, maar ook nog niet eerder voor mijzelf had vastgesteld. Wel vroeg ik mij onzeker af of het tegelijkertijd ook niet klonk als een aangepaste versie van de meer populistische stelling ‘je bent wat je eet’......! In ieder geval, van dit soort ervaringsmomenten hield ik. Dus, niet alleen, je bent waar je leeft, filosofeerde ik op de rots door,

18

De TRIP


maar ook ben je natuurlijk in essentie datgene waar je leeft. Boven mij cirkelt een vlezige roofvogel. Tijdens deze tamelijk dreigende waarneming spreek ik de hoop uit dat ik niet op zijn vaste plek lig. Het vliegt over. De vorige dag hebben we door het stadje Tetouan gebanjerd. Wit gepleisterde huizen. Oude stadsmuren. Bijzonder veel mensen op straat. Nog geen minuut nadat we het centrum inreden, begon er links naast onze VW-camper een gebromfietste jongeman in het Engels naar ons te roepen dat hij Engelse literatuur studeert en of wij ook Engels spraken. Ik vind hem een weirdo, maar begin terwijl we een kruising oversteken, in het Engels terug te roepen. Ons busje laat ik sjokkend de weg naar het centrum aftasten. Een schuine bocht naar rechts. In de verte heerst een onduidelijke bedrijvigheid op straat. De jongen rijdt nog steeds links naast ons en jongleert met een aantal identificatiepapieren die hij in mijn richting beweegt. Zichtbaar is iets van een pasfoto maar niets van Tetouan. Voordat ik het in de gaten heb ben ik eveneens in gesprek geraakt met een tweede bromfietser die - hoe ze het klaarspelen mag Joost weten zich in tegenovergestelde richting van de andere bromfietser verplaatst. Ik stel Esther voor om te stoppen, zodat we in ieder geval de weg kunnen vragen naar een benzinestation. Ik heb gehoord dat de brandstof hier erg goedkoop schijnt te zijn zeg ik, terwijl ik de VW ruw tegen een trottoirband aanrijd. Uit het gebrabbel van de ‘literatuurstudent’ maak ik op dat er een feest in de stad gaande is. Het andere, meer verstaanbare individu schuift mij een foto van een ‘brother, Jim, Revolution, we all Africans, brother you my friend’ onder mijn neus. Het is een herinneringsfoto, met daarop een slecht belichte donkere vogel. Drie seconden later rijden Esther en ik achter ‘brother Jim’ aan, richting parkeergarage. Rechts naast Esther heeft de ‘student’ zich tot mijn verbazing een plaatsje in de VW verschaft. We rijden een steile en slechte weg op, in z’n drie. In de garage kunnen we volgens onze ‘begeleiders’ heel goedkoop parkeren. De oppasser van de garage is ‘a friend, we all brothers’ wist ‘brother Jim’ er nog bij te vermelden. Ik maak duidelijk dat ik eerst wil tanken. In dezelfde formatie verlaten we de garage weer. Hopelijk richting tankstation, werp ik lichtelijk gedesoriënteerd Esther toe. De ‘student’ naast ons preutelt iets over Zuid-Afrika. Na getankt te hebben constateer ik wrang dat de benzine zelfs iets duurder is dan in Nederland. Het door mij openbaar proclameren van deze teleurstellende constatering, verwoord met kernachtige zinnen met betrekking tot bewust ontspoorde economische verhoudingen, ten aanzien van collectieve voorzieningen, inzake de verkoop van door Afro-Arabische landen mijns inziens eenArman Le Jaques -

19


voudig laag te indiceren en vooral primair te leveren goederen, zoals brandstof, vindt noch bij de pompbediende noch bij de ‘begeleiders’ enig respons. Op naar het dorp dan maar. Het is erg warm. De gang door het dorp begint als een snelle trip door smalle muf ruikende straatjes, waar mensen - zittend aan beide kanten van de weg - etenswaren verkopen. Er bevinden zich veel piepkleine winkeltjes en romantisch aandoende arbeidsplekjes waar, in bedompt licht, flinke bedrijvigheid heerst. Zo ook bij onze ‘begeleiders’. ‘Brother Jim’, die vertelt dat hij Hassan heet, heeft inmiddels de leiding op zich genomen. Als een bijzonder bedreven soort gastheer houdt hij tijdens een klimatologisch onverantwoord snelle wandelgang halt bij muren, huisjes, arbeiders en deurknoppen. Omtrent deze profane zaken wordt aan ons in sneltreinvaart het soort informatie verstrekt, waarvan Esther en ikzelf zeker zijn dat we dat zonder hem ook wel te weten zouden zijn gekomen. Terwijl ik mij suf prakkiseer over het nut en achterliggend motief van onze ‘begeleiders’ neem ik een, inmiddels bijgekomen, derde ‘begeleider’ waar, die instemmend knikkend alle woorden van Hassan volgt, alsmede zijn bijna onnavolgbare tred door de bochtige en smalle keistraatjes. Ik hoor naast me de ‘student’ iets sijpelen over Zuid-Afrika. Op een hoogtepunt van deze zenuwslopende instant Neckerman-trip blijf ik abrupt staan en besluit ik mij te ontdoen van onze ‘begeleiders’. Ik vertel hen dat ik het zeer op prijs zou stellen, wanneer ik, als hen dit zou uitkomen, graag de gelegenheid geboden zou krijgen om in mijn eigen tempo, alleen met mijn vriendin, datgene in Tetouan, wat ons interessegebied betreft, te bekijken. Hassan is duidelijk verrast, maar besluit heel diplomatiek deze formele eis in te willigen. ‘Nummer drie’ knikt instemmend terwijl de ‘student’ iets knort over Zuid-Afrika. Om echt weg te kunnen komen, spreek ik met ze af dat ze ons om zes uur bij de garage zullen treffen. De ‘begeleiders’ laten ons met rust. Al wandelend zien Esther en ik nog af en toe tussen de rest van de locale bevolking het hoofd van de ‘student’ voorbij komen die ons glimlachend nog iets, over de hoofden van de overige straatbezoekers heen, toeroept .... Ik vermoed dat het iets met Zuid-Afrika te maken heeft en kijk opvallend weg. De bouw van de oude binnenstad van Tetouan komt ons voor als een sprookjesachtig lemen labyrint, met haar lage, vaak overdekte nauwe straatjes, met dwars daarop nog smallere straatjes, waarachter zich deuren naar meerdere huizen bevinden. “Een typisch Arabische bouwstijl”, stelt Esther op deductieve wijze vast, die dit eerder heeft gezien in de oude stadsdelen van Jeruzalem. In de, vaak uit een heel klein vertrek bestaande handwerkplaatsjes, hangt een

20

De TRIP


herfstachtige houtige hash-, en zweetlucht. Mannen bezigen er gevarieerde ambachten, zoals stenen kappen, schoenmaken, kaftanmaken, en instrumenten maken. De vrouwen bedekken vrijwel allen het hoofd, enkele zelfs hun mond en het grootste gedeelte van hun gezicht. Die vrouwen die geen eten verkopen, kopen eten. Langs een stadsmuur maak ik tussen wat voetballende jongetjes een paar clowneske Ruud Gullit-bewegingen en verdraai daarbij mijn linkerknie. De keeper ligt in een deuk, maar wordt daardoor gepasseerd door een fanatieke tegenstander. De jongens dragen allen gymschoenen zonder veters met daarop met zwart viltstift het Nike logo getekend. Vanaf de stadsmuur kunnen we een klein gedeelte van de stad bekijken. Intussen melden zich verschillende ‘brothers’, ‘students’ en ‘friends’ die wij dit maal als volleerde wereldreizigers menshaftig, met wisselend succes, weigeren. Op het randje van de muur filosoferen Esther en ik over hoe belangrijk geschiedenis al dan niet is, dan wel kan zijn, voor het leven c.q. het overleven of voor het ‘kennen’ van het individu of van een gehele natie. De rust keert langzaam terug. De paranoia verdwijnt snel. In de hete schaduw genieten we vooralsnog van de nadrukkelijke afwezigheid van onze begeleiders. Juist als Esther en ik op een cruciaal gesprekspunt zijn aangekomen, namelijk - of een geforceerde poging tot verificatie van onjuist, of tot dan toe ontkend historisch feitenmateriaal, een mogelijke éénwording van de mensheid in de weg zou kunnen staan of juist zou kunnen bewerkstelligen vraagt een klein jongetje met een hand in zijn zak, of wij kunnen breakdancen. Hij natuurlijk wel. Twee minuten later bedanken we de dansende jongen allervriendelijkst voor de demonstratie en besluiten de garage op te zoeken, geld te gaan wisselen en iets te gaan eten. Onderweg bedanken we minuten lang voor een uitnodiging couscous te komen eten en wat Kif te roken bij een drietalige potentiële ‘begeleider’. Steeds harder pratend ontdek ik een conflictueuze weerstand bij mezelf, om op zeker moment mensen erg direct, soms grof en hard, te moeten duidelijk maken, dat ik hun tamelijk zeurderig en geforceerde aanwezigheid niet op prijs stel. Tenslotte roep ik luidkeels dat ik het verdom om als een soort vruchtensapmachine behandelt te worden. Als door de bliksem getroffen begint de traiteur, die door Esther voor het gemak tot ‘Kief’ is herdoopt, ons prompt de weg naar de garage te wijzen. ‘Kief’ moet even later hard lachen want de garagehouder is een ‘friend’ van hem. Mij ontgaat geheel de humor van dit gegeven maar maak slinks gebruik van het moment om aan ‘Kief’ te vertellen dat ik niet van plan ben om al te veel geld aan stallingkosten te betalen. Ik hoef mij volgens hem geen zorgen te maken. Hij zal het woord wel doen. Arman Le Jaques -

21


Inderdaad neemt ‘Kief’, wanneer we in de garage aankomen, het voortouw en komt na enkele drukke gebaren samen met de garagehouder terug, en vertelt mij en Esther dat de kosten ‘slechts’ tachtig dirham bedragen. Wanneer ik besluit dit bij de garagehouder zelf te verifiëren, beaamt deze de prijs en voegt er aan toe dat ‘le guide’, onze ‘student’ dus, heeft laten weten dat wij hem voor het leiden naar de garage tevens twintig dirham verschuldigd zijn. Met de VW naar de bank rijden om geld te wisselen is vanzelfsprekend niet mogelijk. We vertrekken weer. ‘Kief’ loopt dan weer links van Esther, dan weer rechts van mij en een enkele keer tussen ons in. Mijn smoes dat ik uit Suriname kom en alleen maar Sranan Tongo versta houd ik niet lang genoeg vol. ‘Kief’ is af en toe zo’n idioot, dat ik mijn mond niet kan houden en een dwangmatige behoefte ervaar om hem het een en ander duidelijk te maken. “Hij wijst ons in ieder geval de weg naar de bank” sust Esther. “Zonder hem hadden we er zeker een paar uur over gedaan”. Het is tien over twee. De bank is tot drie uur gesloten. We besluiten een rustige plek aan de rand van de stad tot drie uur te gaan bezetten. We bedanken ‘Kief’ en vermijden verder contact met in het Engels roepende jongemannen. Wanneer we om kwart over drie met een tevergeefs afgepoeierde ‘begeleider’ bij de bank aankomen, treffen we daar Hassan en de ‘student’. Ik krijg direct zin om hem te overrompelen en begin mijn gal te spuwen over de ridicuul hoge prijzen van de garagehouder. Aan de ‘student’ vraag ik indringend of het waar is dat hij geld wil hebben, en voor welke prestatie dan wel. Tevreden over mijn behoorlijk assertieve optreden, luister ik maar half naar Hassan, die meent dat er een misverstand in het spel is en ons overdadig uitnodigt om dan in ieder geval wat bij hem thuis te komen eten. Esther en ik maken duidelijk dat hij niet meer moet verwachten dan hooguit een kopje thee en lopen even later murw achter hem aan de smalle straatjes door. De ‘student’ loopt naast mij. Hij laat me een persoonsbewijs zien en zegt dat alles OK is. Ik voel me wederom niet optimaal maar kan een bepaalde, bijna sensuele opwinding lastig verdringen. Het is nu een stuk rustiger in het labyrint. Het ruikt er nog steeds indringend. Door een grote massieve deur komen we terecht op een soort binnenplaatsje, waar zo’n acht meter recht boven onze hoofden de geelblauwe lucht zichtbaar is. Rondom bevinden zich achter kleine balustrades een aantal kleurrijke smalle, donkere kamertjes. Op het binnenplaatsje wordt op smeulend houtskool eten klaargemaakt. Aan de ene kant van de zwartgeblakerde pot hurkt een heel klein meisje, aan de andere kant waarschijnlijk haar moeder. We klimmen een asymmetrische, oude stenen wenteltrap op met aan weerszijden gepleisterde wanden.

22

De TRIP


Boven gekomen treffen we een agrarisch aandoend heerschap die, nadat Hassan ons op indifferente wijze heeft geïntroduceerd, ons heel vriendelijk een plaats wijst. We drinken nana-thee en praten over hun manier van leven. Mijn ambivalente weerstand tegen dit bezoek, resulteert in mijn poging een nuchtere en objectieve houding aan te nemen en op gemeenschappelijk bevredigend niveau te communiceren. Dit lukt tot mijn verbazing vrij aardig. Er komen inmiddels grote plakken zwarte hasjiesj op tafel en Hassan vertelt dat hun familie deze substantie in de bergen verbouwt. Ik proef en constateer een terecht aangeprezen kwaliteit. Esther proeft niets. We maken en passant duidelijk dat we niet naar Marokko zijn gekomen om de lokale Hash te bekijken, laat staan kopen. Dan hadden we net zo goed in Amsterdam kunnen blijven, concludeer ik meer naar Esther dan naar Hassan. Hassan moet deze laatste informatie even verwerken. Hiervan gebruik makend vraag ik of ik even vanaf het dak mag filmen en wacht het “of course my friend, we all brothers” van Hassan niet echt af. Wanneer ik boven op het dak goed en wel het rubber oogkapje heb bevestigd, dat ik door met mijn oog stevig tegen de camera te drukken redelijk op zijn plaats weet te houden, probeert de eveneens naar boven geklommen ‘agrariër’ mij duidelijk te maken dat ik met mijn hoeveelheid op het meest tere gedeelte van het huis sta te staan en helpt mij, nadat ik nog even snel een panorama film, behoedzaam naar beneden. We drinken lauwe cola en denken na over de vraag van Hassan of we geen handel voor hen hebben. Brillen, horloges, cassettes, wat dan ook. Hassan overhandigt mij een flink stuk hash. Na een stevige overpeinzing schiet mij de uit Amsterdam meegenomen krakende cassetterecorder van onze kennis Jimmy te binnen en stel voor om naar de VW te lopen en te kijken of dat wat voor hen is. In ieder geval een goed excuus om te vertrekken en de weg naar de garage te vinden. Met z’n vijven gaan we op pad. De garagehouder is dit maal nergens te bekennen. Er staan heel weinig auto’s. De VW staat al lonkend naar ons uit te kijken en ik rijd haar behendig naar buiten, waar het net verfrissend begint te regenen. Ik nodig de ‘begeleiders’ in de bus uit. Hassan, Esther en de ‘agrariër’ kruipen achterin. De ‘student’ schuift naast mij op de voorbank. Vanaf dit moment begint er, voornamelijk tussen Esther en Hassan, een gedeal over en weer. Ik roep tegen Esther dat het god betere het wel een veiling lijkt. Heftig op zoek naar een lege cassettehouder ketst Esther terug: “Denk je dat ik dit soort spelletjes leuk vind”. Ik draai me zuchtend om en zeg dat ze in ieder geval behoorlijk aan elkaar gewaagd zijn. Ineens heeft Esther er duidelijk niet langer zin in. Ik probeer de zaak kort te sluiten, waarop de ‘student’ mij verwijt ‘psychologie te bedrijven’. Arman Le Jaques -

23


Terwijl ik non-verbaal dit onbedoelde compliment van de ‘student’ accepteer, maken we de zaak rond. De ‘agrariër’ staat nu buiten de VW te luisteren naar het geluid van een te zacht opgenomen ‘Prince’ afkomstig uit de krakende cassette recorder. Als de ‘student’ ons nog wat geld vraagt, weiger ik, maar geef hem stroef mijn met nog een derde vloeibaar gas gevulde witte wegwerpaansteker. We nemen bourgeoisachtig afscheid. Esther vindt het een stomme deal en wil, waarschijnlijk om haar recalcitrantie kwijt te raken, direct achter het stuur van de VW. We vertrekken. Wanneer we die late namiddag Tetouan uitrijden, zien we in de verte de ‘breakdancer’ ons nog iets toeroepen. Ook de zon begint voldaan langzaam afscheid te nemen. Ik schuif een cassette van Wynton Marsalis in de recorder en zet de volumeknop goed open. Zwijgend vervolgen we onze weg. Op het moment dat ik zeg dat het prachtig en permeabel buiten is, draait Esther het raam naar beneden, en ruikt..….. “

24

De TRIP


30 april - Liggend op het hemelbed in de VW noteer ik in mijn aantekenin-

genboek: “Er zijn van die avonden waarop je maar niet aan schrijven toekomt. Derden blijken soms op de meest betekenisvolle momenten je existentie te moeten betrekken in hun materiele wereld. Esther heeft al dagen te kampen met een zware vorm van wat ik beschrijf als ‘accufobie’. Ze is bang dat, doordat ik ‘s nachts lig te schrijven op het hemelbed in de VW, het 12-volts campinglampje, dat ik bij deze bezigheid gebruik, de totale inhoud van de autoaccu zal leegslurpen. Ik noteer zorgvuldig dat het feit dat ik dit verschijnsel graag als syndroom beschouwd zou willen zien, teneinde deze te verheffen tot een wat meer overzichtelijke en werkbare casus, te maken heeft met Esther haar meest saillante gedrag (lees: symptomen); specifiek: angstzweet, verzwaarde respiratie, dwangmatig aanraken, hypermobiliteit, vormen van overdracht; algemeen: het praten over de angst begint vrijwel onmiddellijk na de stimulusvertoning (let wel: de stimulus brandt pas 2 á 3 minuten); het ene moment het uiten van kwetsende opmerkingen, al dan niet gepaard gaand met licht agressieve handelingen, het andere moment complimenteuze, dan wel komische opmerkingen, al dan niet gepaard gaand met tedere handelingen. Graag zou ik de algemene aspecten gerelateerd willen zien aan de volgende achtergrondinformatie: Esther heeft totaal geen benul van het principe accu, noch van enige vorm van wat voor stroomregulatortechniek dan ook; ook in het ge-, en verbruik van een 12-volt acculampje is zij een niet-ingewijde. Over mogelijke aanpak en behandelwijzen volgen wellicht nadere uiteenzettingen – zij blijft mijn eigen koningin”.

Arman Le Jaques -

25


Keti Koti Enkele weken nadat ik mijn tweeëntwintigste verjaardag had gevierd, verbrak ik een intensieve liefdesrelatie met Ellen, een emeritus hoogleraar astronomie. Ik was op weg naar mijn wekelijkse therapiesessie - waar ik onder deskundige leiding van Ben, voornamelijk werd geconfronteerd met een door mij subtiel ontwikkeld vermogen om mijn kwetsbare gevoelsgebieden te maskeren - toen de ketting van mijn fiets brak. Een gebeurtenis waar op zich geen fenomenale betekenis aan toegekend hoeft te worden; aan alle momenten vanaf dat gebeuren ogenschijnlijk wel degelijk. In de vaart laat ik een aantal situaties die mogelijk kunnen ontstaan de revue passeren. Zo zou ik straks wellicht moeten uitwijken omdat de trappers van de fiets ineens beduidend minder weerstand ondervinden. Door deze abrupte manoeuvre raakt het fietspedaal waarschijnlijk een gloednieuwe BMW die juist op dat moment passeert, waarop de met schadeformulieren zwaaiende eigenaar een beletsel zal vormen om op dat moment te kiezen voor het overstappen op een in de buurt rijdende tram. Een andere denkbare situatie die mij spontaan te binnen schiet is het amechtig zoeken naar de ontbrekende schakel in de vanzelfsprekend met olie besmeerde kettingkast, hetgeen mij als sociaal invoelend mens ervan zal weerhouden om als mislukt monteur onder de smeer een bomvolle tram binnen te stappen. Ik zie evenwel op vrij beheerste wijze kans met de fiets de trottoirband te bereiken om vervolgens, na een vluchtige blik te hebben geworpen op de schrijnende situatie in de kettingkast, de gehele fiets vast te leggen aan de dichtstbijzijnde lantaarnpaal. Deze handelingen maken het mij alleszins mogelijk, alsnog gebruik makend van het openbaar vervoer, mijn weg naar therapie voort te zetten. Eenmaal in de tram staand, schiet mij te binnen, dat het de vorige dag meer dan een eeuw geleden was, dat door de koloniale overheersers met de toenmalige negerslaven in Suriname een wettelijke regeling werd getroffen. Het kwam er op neer dat slaven vanaf die dag, namelijk 1 juli 1863, formeel slaaf-af zouden zijn en als vrije mensen verder door het leven zouden kunnen gaan. Deze dag is de geschiedenis ingegaan onder de niet slechts symbolische naam: “Keti-Koti”, hetgeen zoveel kan betekenen als.... ‘De ketting is gebroken’! Ik kom niet verder dan deze gedachte, want de bestuurder van de tram opent de tramdeuren en vertrouwt zijn passagiers wat onwennig toe dat als wij daar in de buurt moesten zijn, wij net zo goed nu konden uitstappen. Er was bij de volgende halte iets spectaculairs gebeurd, waardoor een aantal trams nu stond te wachten op betere tijden. Ook ik stap uit. Ik zie inderdaad één lange rij half volle en half lege trams als het ware, aaneengeketend. Ik vraag me af

26

De TRIP


of ik nu mijn preoccupatieve gedachten aan het voortzetten ben, of ....... een straffe wind slaat me om de oren. Ik word me gewaar van een strelend soort motregen, waarvan ik merk dat menig voorbijganger dit natuurverschijnsel ervaart als irritant. Verveeld verbeten scheefgetrokken gezichten, opgehaalde neuzen en schouders lijken reflexmatige reacties op het vileine hemelwater. Ik moet toegeven dat enige mate van rechtvaardiging voor dit gedrag mogelijk besloten ligt in de datum waarop dit alles gebeurt. Per slot van rekening was het al elf dagen geleden dat van de langste dag en tevens kortste nacht van het jaar kon worden genoten, hetgeen zou moeten betekenen dat men zo langzamerhand zonder jas op straat had moeten kunnen lopen. Ik vraag mij af in hoeverre in de 2e juli voldoende rechtvaardiging besloten ligt om mij op klaarlichte dag, ter hoogte van de Ceintuurbaan, door middel van deze symbolische keti-koti, bewust te doen geraken van deze unieke ervaring. Een ervaring die volgens mij samen moest hangen met een mondiaal relevant geschiedkundig feit dat zich aan mij manifesteerde op individueel microniveau. En nog wel binnen dat wonderbaarlijk kettingkastje waarvan ik nu al geruime tijd aannam dat het daarbinnen wel gesmeerd liep. Ik trapte wel. Inmiddels ben ik de gehele Ceintuurbaan afgewandeld en bij het Sarphatiepark aangekomen. Ondertussen is de motregenbui al drie keer opgehouden en weer opnieuw begonnen. De zon hangt al die tijd als een lichtheldere schaduw in de lucht. Ik geef de uitgefilterde zonnestralen de gelegenheid de ragfijne druppels die mijn gezicht beroeren langzaam te doen verdampen. Ik sluit mijn ogen, en hoor mijn zelf zeggen: ... het doorsnijden van kettingen, is absoluut. In werkelijkheid tot het uiterste door te voeren, de weg tot dan toe afgelegd echter blijft gegroefd. Zo vol als die weg is, zo herkenbaar is zij ook, de noodzaak zichzelf omvattend, met haar tot in de perfectie uitgewerkte getekendheid ..� Bijna glijd ik uit over een vers gedeponeerde vergeten op te rapen hondendrol. Als ik een krant in de goot zie liggen waar ik denk de fecale substantie onder mijn rechterschoen aan af te kunnen vegen, valt mijn oog op een gedeelte van het voorpaginanieuws onder mijn voet. Het slaat op de politieke discussie over Arman Le Jaques -

27


gezinshereniging bij vluchtelingen. Terwijl ik mijn schoen nog wat schoon laat dansen in een kleine plas gootwater, houd ik mijzelf voor dat tijdens de therapiesessie van die dag in ieder geval duidelijk zou worden dat de relatie met Ellen, aan wie ik me gebonden voelde, verbroken is. Ik zou wijzen op het belang voor betrokkenen in dit soort situaties om te kiezen welke weg vervolgens in te slaan. De tot dan toe gemeenschappelijk afgelegde weg bood, dacht ik, een vitale ervaring, waarvan door vaak uiterst geraffineerde informatieoverdracht relevante kennis kon worden opgedaan. Het logische gevolg was in mijn geval, stevig doorlopen, alleen op weg en proberen op signalen en aanwijzingen te letten, om uiteindelijk op de juiste plek uit te komen. Het moest één van die zijstraten zijn. Al lopend realiseer ik me dat het wandelen een inherent gedachteritme opwekt en bij mij een lichte mate van desoriëntatie teweegbrengt. En verdomd, ik was de goede straat al twee keer voorbij gelopen. Na de sessie van exact vijfenvijftig minuten sta ik weer buiten op straat. Ik trek mijn jas uit en begin te lopen. De therapeut en ik hebben deze keer wat vrijblijvend gepraat over onze vriendinnen. Dat wil zeggen, over Ben’s huidige vriendin, en over Ellen. Ellen had Ben een brief geschreven, waarin ze hem dringend verzocht mij te vragen of ik haar niet meer wilde bellen, haar niet meer wilde schrijven, kortom alle banden met haar te verbreken, omdat het minste voorwerp of contact dat mijn persoon zou symboliseren, haar emotioneel zou ontwrichten. Als ik van haar hield zou ik dat zeker kunnen opbrengen, had ze erbij gezegd. Ik noemde dit zojuist haar allerlaatste paradoxale opdracht. Als ik in de verte zie waar de door mij herkende false musette muziek vandaan komt, verstoor ik even later het spel van een blind aandoende accordeonist door deze een briefje van tien in diens rechterhand te stoppen. Hierbij fluister ik hem toe: “t’is 2 juli, ik heb alle banden met Ellen verbroken!”. Neuriënd weglopend nam ik mij voor in elk geval elk jaar haar verjaardag te blijven herinneren. De volgende dag op de plek waar ik de gehavende fiets achterliet, zie ik deze nergens. Ook zoekend een aantal maal de straat op en neer lopen biedt geen

28

De TRIP


soelaas. In de goot naast de lantaarnpaal waar ik de vorige dag de fiets aan had vastgeketend, zie ik ineens de helft van een fietsketting. Voorzichtig zak ik door de knieën en pak het met twee handen uit de goot. Verdoofd en even van de wereld loop ik er mee weg. Bij het koffiehuis waar de deur altijd open staat en het nooit echt druk is, bestel ik Turkse koffie. Als even later de koffie onder mijn neus wordt geschoven draai ik me om naar een zwaar besnorde bezoeker en zeg op dramatisch toon:

“ vanaf de eerste dag toen ik haar zag wist ik dat ze speciaal voor mij gebouwd was, drie jaar lang hebben we daarna elk verdriet en alle vreugde gedeeld, onafscheidelijk waren wij, altijd weer op weg “

De besnorde doet erg zijn best om de fijnbesnaarde toon in mijn woorden op zijn juiste waarde te schatten en steekt aandachtig één van mijn sigaretten op. Ik vervolg:

“ ze is verdwenen uit mijn leven en deze stad zegt mij voorgoed ! ik vraag mij af of zij mij zal missen, zelf verlang ik nu al naar haar trots soepele bewegen, haar doelgerichte nietsontziende snelheid welk ik immer mocht besturen naar onbekende en vaak voor haar gevaarlijk en woest gebied “

De snor wijst op de doorgeknipte ketting in mijn hand en vraagt of dat het enige is wat ik nog over heb. Als ik niet antwoord, maar vol bezinning naar de ketting staar, zegt de snor dat als mensen echt willen, er geen één ketting sterk genoeg is.

Arman Le Jaques -

29


1 mei - In het levend licht van twee kaarsen schrijf ik liggend. De verlichte hemelstee feodaal temidden van versgezette koffie, een doordringende geur van geitenmelk en een vergetenwegtegooien bruinbrodenschotel van twee dagen geleden...... mijn stapel kleren op de hare. Zonet stopte Mustapha mij een pasfoto toe. “Un cadeau” zei hij, en of ik ook een pasfoto van mijzelf bij me had. Mustapha, is de zeventienjarige zoon van een geitenboer. Hij woont met zijn familie vlak langs de verharde weg van de stad Tara naar Ouzda die wordt omringd door wijds woestijnachtig heuvelgebied. We hadden de VW net voor het donker, een stuk woestijnzand over in de richting van twee trotse oude eenzame bomen, van de weg af laten glijden en het busje precies tussen de beide houtreuzen gemikt. Zo’n vijfentwintig meter achter een kostgrondje zien we drie kleine barakken schuin naast een imposante bedoeïenentent. Links van het kostgrondje begint een langwerpige stenen drinkbak, die na een behoorlijke afstand uitmondt in een grotere verhoogde bak, waarin zich een waterleiding bevindt. Hiernaast ontdek ik Mustapha, die al een tijdje stond te kijken wat voor volk wij zouden zijn. Zoals gebruikelijk neem ik me voor deze onduidelijkheid weg te nemen, om vervolgens te vragen of we onder de bomen kunnen overnachten. Mustapha spreekt voortreffelijk Frans, waarbij hij zijn hoofd nauwelijks beweegt en zijn gepolijste stemklanken op mij een reine indruk maken. Binnen twee minuten heb ik het totale reisplan uitgelegd en heeft Mustapha verteld dat hij nog op school zit, eigenlijk niet hier, maar bij z’n tante in het stadje Querzef woont, vlakbij school. Op deze plek woont zijn vader met twee vrouwen en als ik het goed heb verstaan, ook nog veertien kinderen. Net wanneer ik weer naar de VW wil lopen, komt Esther zichzelf voorstellen. Ik leg haar uit dat hij nog op school zit, twee moeders heeft enzovoort, enzovoort. Een mechanisme van intermediëren dat ik gaandeweg de reis zal leren verdringen. We kunnen rustig op de door ons uitgekozen plek blijven overnachten. Zelfs langer dan één nacht. Totaal geen probleem. Mustapha vertoont een soort ingetogen blijheid over onze komst. Alsof hij wist dat we zouden komen, en hij ervoor zou zorgen dat het ons tijdens dit verblijf aan niets zou ontbreken. Vanaf dit moment zullen wij inderdaad nog het enige zijn, waar deze jongen zich mee bezig zal houden. Al spoedig worden we geroepen om thee te komen drinken en hierbij kennis te maken met de familie. We schudden handen met de twee vrouwen van de boer, die zelf niet aanwezig is, met een stuk of drie dochters, met nog een stuk

30

De TRIP


of vier broers, en met twee stuks te klein om echt handen mee te schudden. De kinderen gaan ons voor naar één van de barakken. Onderweg wijst Mustapha op een aantal infrastructurele zaken en expliceert aan mij hiervan niet alleen de reden, maar vooral ook de zin, exact dezelfde manier van redeneren hanterend bij zowel de kalkoenen als bij de dieselmotor in één van de barakken. De motor wekt water op uit een put, dat via een reservoir in de langwerpige drinkbak terechtkomt. We stappen een rechthoekige koele ruimte binnen, waarvan een kleine inham in de wand, met twee houten deurtjes, de dikte van de muren zichtbaar maakt. Het niet al te hoge plafond bestaat uit aan elkaar gebonden bamboelatten en balken. Er worden kussens gepakt voor onze ruggen. Van achter een gordijn wordt een groot aantal gevarieerde kussens en dekens zichtbaar. Inderdaad slapen ze met z’n allen in deze barak. Behalve de vader en de twee vrouwen. “Ha, de thee!” roep ik, mijzelf al helemaal thuisvoelend. De thee wordt door één van de twee vrouwen binnen gebracht. Ze is onder de witte doorzichtige drapeersels in het blauw gekleed, met hier en daar zichtbaar goud. Goud, ook in haar mond. Ze draagt een groot rond zilveren bord met daarop de karakteristieke zilveren theepot en een aantal smalle glaasjes. Ze is zichtbaar verheugd met de aanwezigheid van haar gasten en doet geen moeite dit voor ons te verhullen. Ik evalueer voor mezelf dat één van de meest attractieve facetten van haar primaire schoonheid die mij trof, haar ogenschijnlijk niet nader te duiden afkomst of etniciteit was, dan wel de mogelijkheid van een aantal afkomsten of een combinatie hiervan. Evenzogoed had ik deze vrouw ook kunnen treffen in het Westen van Bolivia, waarbij ze mij had kunnen vertellen dat haar grootvader, een Boeddhistische monnik, gevlucht uit Tibet, opgevangen door een Boliviaans gezin, de oudste dochter trouwde waarop hun dochter, haar moeder dus, ging samenwonen met een negroïde tweede generatie Arabier uit Portugese ouders. In dat geval was zijn vader waarschijnlijk aardrijkskundeleraar. Mustapha lijkt bijzonder veel op haar. Hij zit naast mij op de grond aan een rond tafeltje, vertelt en informeert heel onderhoudend. Op weg terug naar de bus, met een halve familie achter ons aan, komen we de vader tegen. Deze komt net met een volk geiten terug van zijn werk. Het is een grijs stoppelig mannetje. Kleine kraaloogjes patsen en vonken. De toon van zijn stem is sterk geitig, waar de fransachtige inhoud met vlagen doorkomt. Terwijl Esther vertaalt, dringt zich aan mij, wanneer ik naar de twee vrouwen voor de tent kijk, een vergelijking met de vermaarde beeldend kunstenaar Anton Heyboer op. Arman Le Jaques -

31


Als we ‘s avonds in de bus liggen, doet een vrij krachtige wind het voertuig schudden. Volgens Mustapha, die nog steeds op de rechtervoorbank zit, is dit de ‘lbrrrr’. Zo koud vond ik het echter niet. Nadat we met ons drieën besluiten dat we de volgende dag op deze plek blijven, nemen we uitvoerig afscheid van Mustapha. De volgende dag wordt er een hoop gelachen, gebabbeld en gegeten. Eén van de dochters heeft een betoverende lach en bezigt deze veelvuldig, hetgeen mij dwangmatige fantasieën bezorgt waarin ik met de boer onderhandel over het aantal geiten, als tegenprestatie voor het feit dat ik zijn dochter meeneem. Ik hoor Esther aan Mustapha vragen wat zijn zusters zoal de hele dag doen. Het blijkt voornamelijk het bewerken van het kostgrondje, eten voorbereiden en wassen te zijn. Esther, die al moe wordt bij de gedachte, vraagt licht missionair of Mustapha hen geen Frans wil leren spreken. Er ontstaat een wat vage discussie, waaruit ik opmaak dat de zusters niet kunnen lezen en schrijven en daardoor niet in staat zouden zijn een buitenlandse taal te leren. De vertaling van Esther luidt, dat “als Mustapha hen Frans zou leren, ze natuurlijk ook zouden willen leren lezen en schrijven”. Ik ben even de draad kwijt doordat de boer en ik het niet direct eens worden over het aantal geiten, en knijp tussen het gesprek uit met het excuus dat ik het eten ga voorbereiden. Neuriënd maak ik de in het dorp gekochte kalkoen schoon en was deze in het waterreservoir, aan het einde van de drinkbak. Samen met de bonen, rijst en de van het kostgrondje gekaapte uien, knoflook en selie, wordt het een goede hap. Alleen de kalkoen blijkt nogal taai. Informatie bij Mustapha wat betreft het soort kalkoen, kookduur of bouwjaar, levert niets op aan verklarend materiaal omtrent de weerbarstige taaiheid van het beest. Uren later schud ik Esther wakker met de oplossing: het reservoir waarin ik de kalkoen een tijdje heb laten onderdompelen, doet voornamelijk dienst als voetenbad van de familie. Als ik merk dat er een huivering over Esther’s lichaam rolt fluister ik troostend dat ik gelukkig iets te veel zout heb gebruikt. Toevallig heb ik nog een pasfotootje in de maand december van m’n agenda zitten. Op Mustapha’s vraag of ik dat ben, geef ik spontaan een bevestigend antwoord en vraag hem zijn naam er achter op te schrijven. Hoewel we elkaar waarschijnlijk nooit meer zullen zien, zijn we nu pas echte vrienden. De volgende morgen komt Mustapha ons, zoals afgesproken, om zeven uur wakker maken om afscheid te nemen. Hij moet weer naar school. Mijn roodkleurige zonneklep, die ik de vorige dag had opgezet, pronkt gestileerd schuin

32

De TRIP


boven zijn onbewogen zonne-ogen. Ik vertel hem dat ik de gemaakte foto’s zal opsturen. We nemen afscheid. Ik draai me nog even om�.

Arman Le Jaques -

33


De gebruiksaanwijzing Het was zoals werd verwacht een bijzonder broeierige en hete zomerochtend en kort na mijn scheiding met Ellen en de dood van mijn vader. Ik wist in die periode, na het afbreken van een studie westerse filosofie, absoluut niet waar ik mee bezig was toen ik, mijn auto stationair draaiend achterlatend naast de portiersloge, de fabriekspoort binnensnelde. Het was één van die, overigens sporadische, dagen dat ik, als omstreden opvolger van de directeur, het personeel van mijn fabriek kwam verblijden met een bezoek. Hoezeer dit soort acties representatief zou zijn voor perioden van hoogconjunctuur zou de geschiedenis nog moeten uitwijzen. Eggekamp, de oude heringetreden portier met de iets te korte nek, staat me met diepe rimpels in het voorhoofd en met zwaar voorovergebogen schouders op te wachten. De al menigmaal opgelapte hoornen bril schuin boven het eeuwig uit z’n mond stekend bandeloze sigaartje. Er bestaat een soort mensen die de wereld als één groot donker gat zien, slechts de negatieve kanten van het leven beschouwen en schijnbaar al het leed van de wereld op hun schouders torsen. Zelfs al zouden dit soort lui een ton in de loterij winnen, hun voornaamste opwinding zou hebben te maken met het feit, dat de belasting van het gewonnen bedrag een flink deel zou opeisen. Eggekamp behoort tot dit sterk in aantal toenemende mensentype. Zijn vader had ook zweetvoeten! “Nou m’neer”, knort Eggekamp zonder dat zijn sigaar een millimeter verschuift, “dat zal u ook niet lang meer kunnen doen” en wijst op de uitlaat van mijn cognackleurige Porsche, van waaruit grijsblauwe cirkeltjes met aritmische regelmaat hun destructieve pad kiezen. “De sjeiks zien het niet meer zo zitten met het Westen, en van dit nieuwe kabinet hoeven we niets te verwachten want die doen toch alleen maar wat de Amerikaan wil...” Zonder een pauze te nemen vervolgt hij: “... en ze hebben voorspeld dat bij een nucleaire ramp Europa ‘t eerst op z’n gat ligt”. “Verder niets te klagen, Eggekamp?”

34

De TRIP


reageer ik sarcastisch, terwijl ik in de spiegeling van het raam van de portiersloge de knop van mijn stropdas recht schuif. Ik kende deze verkondiger van het noodlot langer dan vandaag. Mijn vader had Eggekamp’s vader destijds van de afdeling weggesaneerd vanwege een ondraaglijke zweetvoetenlucht die in de fabriek werd geconstateerd. De lucht was dermate penetrant dat deze het koninklijk onderscheiden product bleek aan te tasten. Toen de luchtverspreider was geïdentificeerd kreeg deze de opdracht om buiten wat te gaan afkoelen. Eggekamp senior is toen voor de fabriekspoort gaan staan waarbij langskomende gasten in hem al vrij snel een portier zagen. Deze rol werd later, op aandringen van de consumentenbond, omgezet in een permanente functie met een passende CAO. Zoon Eggekamp nam pas op latere leeftijd de functie van zijn vader over. Een staaltje obscurant nepotisme waar ik zelf, als directeur, ook niet helemaal schoon van was en daarom met een amicale “Ach, kop op kerel, we hebben het zo slecht nog niet” de portier een nogal forse klap op diens schouder geef. Omdat er bij Eggekamp nauwelijks nek aanwezig is om deze schok op te vangen, kan hij nog net met vijf gekromde vingers zijn sigaartje opvangen maar echter niet voorkomen dat de opgelapte bril van zijn neus springt en met een opgelucht geknars, onder mijn voet, de laatste adem uitblaast. De fabriek al binnenlopend denk ik nog na over de houding van Eggekamp, Hoe konden mensen toch zo ontevreden zijn. Nee, dan die gastarbeiders, of buitenlandse werknemers moest je eigenlijk zeggen, die werkten tenminste keihard, voor niet veel geld, maakten lange dagen, vielen je niet lastig met politieke problemen en hadden nooit iets te klagen, althans, niet in het Nederlands tenminste. De fabriek vormde een kleine goed lopende onderneming. Het was gespecialiseerd in de vervaardiging van een chocolade-preparaat waarvan de reclameboodschappen vermeldden dat het niet in de hand zou smelten. Het feit dat het product überhaupt nauwelijks smolt, dan wel bij extreem hoge temperaturen, deed nochtans geen enkele afbreuk aan de populariteit ervan. Ook het kleine zwarte jongetje dat in het reclamefilmpje met een zwaar aangezette bilabiale W, drie maal achter elkaar de naam van het product scandeerde, was volgens gerenommeerde marketeers een daverend succes. Een luttel moment blijf ik staan en aanschouw de ijverige werkzaamheden van mijn personeel. Ik knijp mijn ogen tot fijne spleetjes, leg het hoofd in de nek en inhaleer de geur van het door mij geliefkoosd en koninklijk onderscheiden product in statu Arman Le Jaques -

35


nascendi, weldra deeluitmakend van die oneindige ecologische cyclus daarbuiten. Het opsnuiven van het aroma, in combinatie met het zien van de soepel werkende digitale hak, pomp en verpakmachines, bezorgt me een gelukzalige, machtige en bijna sensuele opwinding. Een soort gevoel dat ik als kind vaak had wanneer ik iemand in de touwen zag klimmen. Het was me bekend! Wellicht had het te maken met mijn voornemen voor deze dag, maar al snel sper ik mijn rechteroog wijd open en kijk over de machines heen naar mijn kantoor. Een kleine weinig opvallende ruimte aan de zijkant van de werkvloer. Het markante zichtbare onzichtbare zou kunnen zijn dat er in plaats van ruiten, in de wanden van het kantoor spiegels waren geplaatst. Het soort spiegels waarbij je vanuit het kantoor wel naar buiten kunt kijken maar omgekeerd, de werknemer slechts zichzelf ziet in werkende of werkeloze positie, wetende dat er door de directeur naar hem gekeken zou kunnen worden. Afgezien van de ongekende privacy dat dit spiegelfenomeen mij verschaft, blijkt dit idee ook nog eens productieverhogend te werken. En behalve Leo, de afdelingschef, en Hady, mijn secretaresse, is geen ander persoon op de hoogte van dit kostbaar vernuft. Met een gevoel van trots baan ik me een weg tussen de machines en goed lopende banden, richting kantoor. Jofel wordt ik begroet door mijn werknemers. “Mogge, m’neer”, “Een goedemorgen mannen!” “Gisteren mijnier!”. Sommige buitenlandse werknemers hadden een andere tijdsindeling, daar was ik van op de hoogte. Als ik na deze wandeling mijn kantoor binnenstap, hangt daar een rokerige atmosfeer vermengd met een prikkelende lucht van gekloonde eau de toilette. Hady is net bezig haar nagels te lakken en kijkt niet op of om bij mijn binnenkomst. Haar benen languit op het bureau van haar baas zijn zo slank en gaaf, dat kwaad worden wel het laatste is wat in mijn gedachte opkomt. Vandaag zou het er van komen. We waren al een keer eerder gestoord geworden maar vandaag zou ik het anders aanpakken. Nadat ik mijn bruinleren koffertje op mijn bureau schuif haal ik daar een wit vierkant plastic bordje uit met daarop in grote letters: ‘NIET STOREN’. Grijnzend knoop ik mijn colbert los en laat deze boodschap aan een kettinkje een aantal maal voor het gezicht van mijn nog steeds voorovergebogen zittende secretaresse heen en weer slingeren. De oogverblindende uitsnede in haar groene mantelpak doet één van mijn bretels onder mijn colbert langs mijn schouderblad omhoog schieten, hetgeen ik met een verbeten gezicht voor haar probeer te verbergen. “Eén goeiemogge meneer!”. Het is Leo, de al vijftien jaar bij het bedrijf werkzame afdelingschef. Ik reageer geschrokken maar informeer routinematig of alles goed verloopt, terwijl ik het bordje geforceerd achter mijn rug verberg op de plek waar de ene bretel hoort te zitten. “Alles gesmeerd meneer, totaal geen problemen, rien ne va plus”. Terwijl ik het bordje tussen rug en colbert tegenhoud door mijn jasje

36

De TRIP


weer dicht te knopen, informeer ik naar de nieuwe uitgeprocedeerde werknemers. “Als kindjes zo blij meneer”, antwoord Leo en haalt een pakje zware shag uit een borstzak van z’n overall. En terwijl zijn ogen door de spiegels heen de werkvloer aftasten vervolgt hij met: “Je moet ze gelijk laten zien wie je bent. Open stellen. Laten zien wat ze aan je hebben. En een portie humor speciaal d’r over heen”. Leo, wiens visie op het proces van interculturalisatie zich manifesteerde in het door hem éénzijdig uitwisselen van zijn geijkte humor, knikt met z’n hoofd richting lopende band en zegt: “Ik zal vandaag die nieuwe uit Eritrea even inwerken”, en terwijl hij de natgelikte sigaret tussen z’n lippen steekt, verlaat hij knikkend naar Hady en met een knipoog naar mij het kantoor. Net voordat de deur van het kantoor dichtvalt trek ik mijn rug recht, vang het bordje op en werp dit met een accurate worp om de buitenknop, waarna de deur met een gedwongen snerpend geluid in zijn rustpositie valt. Hady die onaangedaan door het gesprek haar handen voor een kleine bureauventilator laat bewegen, zegt terwijl ze met de zijkant van haar duim het ding uitzet op ongeloofwaardige toon: “Eigenlijk heb ik vandaag helemaal geen zin”. Ik leg op ongedwongen wijze uit dat ze lang genoeg naar dit moment heeft uitgekeken. Volgens mij heeft zij er wel degelijk zin in. Ik heb in ieder geval zin en over een uur trouwens een aandeelhoudersvergadering. Hady, die mij alleen maar wat kwaad wilde zien worden, ontdoet zich glimlachend van haar jasje en het toch al te strak zittend paarse topje en toont met grote overtuigingskracht het verboden aangebodene. Het aanschouwen van zoveel passief lichamelijk geweld doet mijn gehele lichaam sidderen. Zij het niet, dat vanuit het gebodene een ontnuchterende selectiviteit wordt opgedrongen, waardoor vooral de niet-geboden uitingsvorm voorlopig minder recht heeft van bestaan. Mede door de gretigheid, waarmee de aangewende soberheid wordt ingeluid, tot in de kernen van gedoogde en verduisterde intimiteit.

In laatste instantie rijper geacht voor een gedeelde uitwisselingsvorm, robuust en resoluut ontdaan, van wat voor ruimtelijke spanning dan ook. Arman Le Jaques -

37


Een verbredend, expanderend perspectief zou na het gebodene te zijn samengevloeid met het ontvankelijke niet-gebodene, een mogelijkheid tot exaltatie van objectief voelbare spanning creëren. Een realiteit, intensiteit, en herkenbare waarschijnlijkheid.

Cumulerend tot de mogelijkheid de ordening snel, precies en zakelijk te doen verwoorden.

Deze waargenomen en ervaren spanning door triangulaire ordening, als noodzakelijke voorwaarde en begin.

Als een bezetene werp ik mijn colbert van me af. Ik trek mijn stropdas los. Ruk mijn overhemd van mijn lijf en wip, terwijl ik met beide handen in de steekzakken mijn broek ophijs, met de linkervoet mijn rechterschoen uit. Het monotone geluid van de dof dreunende machines buiten het kantoor brengt me nog meer tot hypnotische extase. Mijn onderlip trilt terwijl ik met mijn tong probeer deze vochtig te maken. Mijn pupillen zijn als kogeltjes van een vooroorlogs fietswiel. Zweet gutst vanaf mijn schouders mijn bilnaad in. Bij de lopende band staat Fatu, een grote donkere veertiger, de cacao in goede banen te leiden richting hakmachine, waar de substantie verkleint dient te worden. “Ha, Fatu” roept Leo hem overdreven joviaal toe. “Je mag wel een paar handschoenen aantrekken, je handen worden helemaal bruin van dat spul”! Deze opmerking niet begrijpend telt Fatu het aantal missende tanden in de wijd opengesperde mond van Leo, waaruit een tamelijk dierlijk gebrul klinkt. Vervolgend met z’n gewoonlijke flair zegt Leo: “Nee, effe serieus ...!” Hij zou die anekdote vertellen, die hij een paar dagen eerder van een maat had

38

De TRIP


gehoord. “Weet jij Fatu, waarom negers nou zo’n grote neus hebben? Als Fatu niet blijkt te reageren zegt Leo “Nou, toen jullie met de bus mee wilden zeiden ze: ‘Sorry, de bus is vol’!” Leo’s vlakke hand raakt bij het uitspreken van deze zin nog net niet de overigens vrij spitse neus van Fatu. “En weet je waarom een neger zulke grote oren heeft?” Bij deze vraag pakt Leo één van Fatu’s oorlellen en terwijl hij deze met duim en wijsvinger langdurig naar beneden trekt spreekt hij tragikomisch “Ik heb je toch gezegd dat je niet met de bus mee mag!” Zichtbaar genietend van z’n eigen optreden vervolgt Leo: “Weet je waarom een neger krullend haar heeft?” Fatu die inmiddels wat achterover is gaan hangen ziet dat de clou ditmaal op Leo’s eigen hoofd wordt gevisualiseerd terwijl deze uitroept: “Mwuuh, mag ik alsjeblieft met de bus mee!” Als in vervoering spreekt Leo nu tegen Fatu, die op dat moment met zijn rechterhand een schakelaar omzet waardoor een rood lampje nerveus begint te knipperen. In de nietsontziende trance van z’n opvoering jaagt Leo zichzelf op naar de climax wanneer hij zegt: “En weet je waarom een neger witte handen heeft ...?” En alsof hij een stuk appeltaartdeeg tussen z’n handen aan het kneden is, besluit Leo de anekdote met “Zo, ben ik toch nog lekker met de bus meegegaan..!” Ik kijk nog éénmaal naar Hady’s navel, die aandoet als een opzwellende oerinstinctieve geiser die met door triviaal middelpuntzuigende kracht omgeven préfiguratieve symbolen mijn gedachten dichotomiseert .... toen voelde ik in mijn broekzak, .... een condoom!! Hoe kwam die nou in mijn zak terecht. En dat merk, dat kende ik al helemaal niet. Arman Le Jaques -

39


Als verstijfd blijf ik staan. Achter Hady, die op dat moment geraffineerd haar zwarte nylonkousen naar beneden rolt, zie ik door het grijsblauwe spiegelglas Leo, als een Beiers speenvarken, gebonden aan handen en voeten op z’n buik op de lopende band voorbijglijden. Richting hakmachine. “God allemachtig ...!” schreeuw ik. Hier stond ik, het moment van een piekervaring, waardoor een extreem en préambulair hoogtepunt van een versmolten en te doorleven emotief verdrukte bipolaire euforische bron in mij manifest diende te worden, en daar ging verdomme mijn afdelingschef een doelloos en macaber einde tegemoet. Vreemd genoeg heeft Leo, die inmiddels in kleine afgemeten stukken uit de hakmachine komt rollen, helemaal geen haatgevoelens jegens Fatu. Dit is af te lezen aan de blik in z’n ogen, die als begrijpend en invoelend zou kunnen worden geïnterpreteerd. De blik in z’n ene oog ten minste, want het andere oog lag ergens tussen de papie.. “Tduuuuuu tduuuuuu!!” Als versuft ontwaak ik uit mijn navelstaarderij en denk: “Ships, ook dat nog, koffiepauze! ... of was het een brandalarmoefening!?” Het signaal van de brandalarmoefening was namelijk dezelfde als het koffie, en sluitingstijdsignaal; hierover voerde de Arbo-dienst al jaren een verbeten strijd. “Verrek” - denk ik, - “had ik nou wel of niet thuis de video op tijd ingesteld voor de Teleac-cursus ‘Hedendaagse Islam, de aflevering: ritueel slachten en duurzaam invriezen’, want als er iemand de noodzakelijke informatie over alle mogelijke culturele minderheden zich eigen wilde maken, dan was ik het wel”. Mijn vader had ook altijd al een bijzondere interesse voor tropische vissen! De fabriek is inmiddels verandert in een complete chaos. Tientallen mensen lopen zenuwachtig zoekend rond met brandblusapparaten, waarvan ze de gebruiksaanwijzing niet kennen. Een aantal individuen staat massaal scheldend hard te trappen tegen twee koffieautomaten, waarvan ze de gebruiksaanwijzing niet kennen. Ook staat een flinke ploeg werknemers met hun jas aan, klaar om naar huis te gaan, geschaard rondom een nieuw geïntroduceerde prikklok, waarvan ze de gebruiksaanwijzing nog niet kennen. ... en ik staar met open mond en nog steeds op één schoen naar het condoom in mijn hand ..... en ontdek dat deze uit Japan komt. De verschillende geluiden en signalen rondom mij worden nu oorverdovend. Het lijkt alsof er een aantal alarmsystemen door elkaar heen bezig zijn elkaar te overtreffen. Ik weet nog dat ik op dat moment een vreemde koele windvlaag langs mijn oogleden voelde waaien.

40

De TRIP


4 mei - Deze ochtend sliep ik erg lang uit, ondanks de frisse korenwind die door de geopende zijdeur langs mijn gezicht streek. Ik strek me uit, draai me om en haal net de knop van de gasbrander. Ik draai deze een halve slag naar links en verwelkom het Dopplereffect waarmee het scherpe geluid van de fluitende ketel met grote snelheid in toonhoogte daalt. Ik kijk naar buiten en zie dat Esther iets zit te verstellen. Genietend van de serene kalmte leg ik mijzelf nog een keer in een foetale positie. De rust ervaar ik als bevrijdend, omdat ik me de vorige dag bij de Algerijnse grens danig heb lopen opwinden. Behalve dat het fanatieke gestempel en geblader in paspoorten al uren duurde, vond men het noodzakelijk onze VW-bus ook nog ‘s een keer apart te halen. Nadat ik de VW op verzoek boven een in de grond gegraven afdaling heb geparkeerd, wordt er kwijlend door drie, met grote schroevendraaiers bewapende geüniformeerde boys, op ingehakt. Inmiddels hebben we op verzoek, alle verplaatsbare spullen op een deken uitgespreid. Ik kan niet zeggen dat dit voorval me erg verraste maar door het geüniformeerd doelloze gedrag wordt mijn walging met de minuut intenser. Een kil soort afgrijzen probeert mijn ratio te benevelen. Het is geen verdriet maar..... het is alsof ik het ken, zoals het scheiden van eens hechte families, het is alsof ik het zie, de intimidatie, het machtsvertoon en indirect grof geweld, het is alsof ik het voel, slachtoffer te zijn van een eens beminde situatie. Waarom houd ik mijn mond? De lucht wordt uit het reservewiel gehaald. De gasbrander uitgeprobeerd. Ramen tientallen keren open en weer dicht gedraaid, en een geklop op ons busje, alsof het een pneumatische bejaarde betreft. De jongste douanier, die duidelijk de leiding op zich neemt, maar het niet heeft, is een lange slungelachtige figuur. Hij loopt als een circusclown en is qua uiterlijk een kruising tussen de Amerikaanse komieken Danny Kaye en vice-president Al Gore, maar dan met een licht soort acne. Beslist geen Algerijns type, maar we moeten de grens natuurlijk nog over. Na een tijdje blijkt dat de zoekactie vergeefse moeite is geweest. Dat dit feit, dat wij al ruimschoots eerder probeerden duidelijk te maken, al lang niet origineel meer is, lezen Esther en ik af aan de douanegezichten. Terwijl we aangeslagen, maar toch met een gevoel van overwinning, de spullen weer inladen, pratend over plekjes waar we mogelijk smokkelwaar hadden kunnen verstoppen, omdat daar niet eens gekeken werd, komt onze ‘Danny Arman Le Jaques -

41


Kaye’ met twee tinnetjes gekoeld Amstel bier en een evenzo koele en amicale glimlach aanzetten. Ik probeer hem uit te leggen dat er ook landen schijnen te bestaan waar, als de douane geen alcoholische dranken in je auto vindt, ze je voor het vervelende oponthoud, twee stukken hasj geven. Persoonlijk duwt hij voor ons de hefboom omhoog en vraagt of we enige rancune hebben. Enigszins beneveld door het koude bier in de hete zon, geef ik hem een hand en zeg dat het Zijn baan is, en laat met een bevrijd gevoel de koppeling opkomen. Esther vindt deze laatste opmerking nogal overbodig. Ze sneert “dat zeg je ook niet tegen een soldaat die net een aantal burgers heeft neergeknald”. Op mijn vraag of ze zich dan bezeerd heeft ontstaat een verhit gesprek, waarbij we beiden proberen onze opgekropte agressie ruim baan te geven. Dit proces wordt net op tijd gedoofd omdat we een fantastische plek in de gaten krijgen. We sprokkelen droge takkenbosjes, maken vuur, koken verse groente en bakken vlees. Het kristallijnen maanlicht accentueert de grootsheid in ons kleinzijn. Om ons heen massale oranje korenvelden, waarachter gigantische heuvels de horizon vertekenen. Er is vaak vergif, maar altijd ook een medicijn.

Altijd – dat is vaak als het je eigen wil is stilstaan in één oogopslag als langs een berg geworteld, verwijzend naar eens en straks als ik het ijkpunt van verschil mis.

Dat ik dan, al die tijd door kan gaan met mijn reis en langzaam achterlaten wat eens was een beeld van lichtend gelig gras een gouden vondst de middenweg als onontkoombaar en feitelijk bewijs

42

De TRIP

Altijd – was tot nu toe tekenend voor mijn zijn eindelijk toe aan wat signalen waarvan ik de verbanden zie, en zoals het ooit kon zijn bedoelt de pijn gebruik als medicijn.


Wanneer ik me nog een keer kreunend omdraai, zit Esther nog steeds te naaien en zie ik een halve meter naast het rechtervoorwiel, onder twee paarse distelachtigen, iets dons bewegen. Het blijkt een nest piepjonge vogeltjes. Op het moment dat Esther zich, eerder moederlijk dan nieuwsgierig, over het nest heen buigt, worden een aantal ver opengesperde vlezige bekjes zichtbaar. Mijn voorstel om daar wat vliegen of andere delicate insecten in te proppen, wordt door Esther, als zou dat biologisch gezien een criminele daad zijn, streng afgewezen. Volgens haar berekeningen zouden we nog precies een minuut of vijf hebben om ons zo onopvallend mogelijk van het nest te verwijderen. Zo niet, dan zou het proces van afstoting door de moeder een feit zijn en zal er voor ons niets anders opzitten dan het nest jongen te adopteren. Dus duw ik vervolgens met m’n slaperige hoofd, met blote voeten in vlijmscherpe stenen trappend, de bus geruisloos tien meter verder, alsnog een mogelijke adoptie overwegend�.

Arman Le Jaques -

43


Verzet Mijn enorme woede-uitbarsting tijdens een grote NAVO-oefening als gedrild en gewetenloos dienstplichtige kwam voort uit het feit dat ik, Adri Zillens, de 2e wereldoorlog voor een gedeelte zelf had meegemaakt. Met name het gedeelte waarin het verzet zich manifesteerde. Dit kwam mede door de verhalen van een dierbare oom die, toen ik nog jong was, mij 22 jaar na dato verhalen vertelde over verschillende acties van een verzetsorganisatie waar mijn oom deel van uitmaakte. Ik meende zelf in een vorig leven strategisch verzet te hebben gepleegd tegen een situatie waar, zoals ik het mij mocht herinneren, een gezond machtsevenwicht wreed werd verstoord. Deze periode openbaarde zich aan mij in beelden van een feodaal soort middeleeuwen, met pijnlijk voelbare scheidslijnen tussen arm en rijk, onderdrukkers en horigen, bewakers en gevangenen. Tijdens het luisteren naar de ervaringen van mijn oom, besefte ik eens te meer, dat verzet per definitie één van de meest onorthodoxe en creatieve vormen van organisatie impliceert. Hoe moet er worden samengewerkt, als er per definitie sprake is van de meest voorstelbare onveilige en oncomfortabele situatie. Als de gouden regel luidt ‘je kunt niemand vertrouwen’. Wat is de juiste wijze om problemen op te lossen, als kennis van de doelen iedereen een vergelijkbare hoeveelheid macht en mogelijkheden verschaft. De menselijke verhoudingen dusdanig zijn, dat niemand de kans krijgt ‘met elkaar op te schieten’ eerder het gevaar loopt om ‘op elkaar te schieten’ en persoonlijke kwaliteiten zich op onvoorspelbare wijze tonen. Bij mij had het idee postgevat, dat hierdoor mensen die in deze context een functionele rol spelen, slechts een onorthodox abstracte en kwetsbare relatie met elkaar zouden kunnen aangaan. Om maar te zwijgen over de betekenis van de niet-zichtbare aanwezigheid van coördinatie. Mijn oom was indrukwekkend introvert, had hoogtevrees en op gezette tijden zo zijn vaste programma’s op de radio waar hij steevast en geconcentreerd naar luisterde. Ik kon het me niet echt goed meer herinneren maar het waren naar alle waarschijnlijkheid programma’s die direct dan wel indirect een emotionele link hadden met de situatie van tweeëntwintig jaar daarvoor. Het was, vermoedde ik, in mijn geval, mijn dodelijke allergie voor liturgische muziek, die als een omkering van een vergelijkbare conditionering als die van mijn oom zou kunnen worden opgevat. Voor mij symboliseerde liturgische muziek de onderdrukking die ik nou juist daadwerkelijk had bevochten, weliswaar in een vorig leven - maar toch. Nu uitte zelfs de herinnering aan dit gevecht zich op bovennatuurlijke of incarnerende wijze in een allergie. Mijn dilemma was dat mijn huidig gevoel voor noodzakelijk verzet gepaard ging met een afkeer

44

De TRIP


van geweld en dus gepaard met de opgave om het gevecht op een ander niveau aan te gaan. Ik was daarbij de mening toegedaan, dat bestaande vormen van democratie wat dit betreft niet ver genoeg gingen, met name doordat deze zich onvoldoende bleken te ontwikkelen. Het streven zou erop gericht kunnen zijn het systeem te veranderen van het minst slechte, naar een veel beter systeem dan zoals het nu is. Ik haalde me situaties voor de geest, waarin verschillende contemporaine verzetsbewegingen inmiddels ‘on speaking terms’ zijn met machthebbers. Onderhandeling had daarbij niet langer meer de lading van incasseren en uitdelen maar veeleer ging het om visie op koers en middelen om overkoepelende doelen te bereiken. Ook kwam het mij voor dat door participatie aan het complexe systeem, met het delegeren van besluitvorming en macht en de controle hierop, de rollen van verzet of oppositie en regering of regerende partij niet alleen niet zonder elkaar kunnen bestaan maar ook de facto inwisselbaar zijn, zonder dat dit in daadwerkelijke veranderingen resulteert ten aanzien van de voorspelbaarheid van wat partijen zichzelf respectievelijk toewensen danwel toe-eigenen. Na een driedaagse tocht, vol onverwachte ontberingen, naar het oefengebied, waar de gemengde landenoefening zou beginnen, waren een flink aantal huzaren, waaronder ik zelf, het reeds spuugzat. Het was niet alleen het feit dat de verwarming van de tank het bij vier graden onder nul doodleuk begaf - waardoor ik in het stalen rupsvoertuig op zeker moment door het lange wachten, het gevoel kreeg dat ik de rest van mijn leven waarschijnlijk nooit meer een orgasme zou ervaren - het had ook te maken met de verwoestende zinloosheid waarmee bataljons tijdens de tocht naar het oefengebied de infrastructuur van dorpjes en uitgestrekte weilanden molesteerden. Ik was koud, hyper en kwaad. Het was echt oorlog. Niemand pleegde verzet. Nadat het sein van aanvang oefening was gegeven kwam er een grootscheepse beweging op gang van rennende Engelse soldaten naast Nederlandse tankpelotons, waarbij de meest uiteenlopende voertuigen en laag overvliegende Belgische snelheidsduivels de moorddadige organisatie completeerden. Ik was me ervan bewust dat door iedereen de topografische uitgangsposities zouden moeten worden ingenomen, totdat de daadwerkelijke aanval zou worden ingezet. Ineens schoot me te binnen, dat er vooraf geen logisch doel aan deze oorlog was gesteld. Er was niet alleen geen begrijpelijke reden, er was ook de jure geen logische vijand. De tankcommandant gaf mij als tankchauffeur de opdracht om langzaam een heuveltje op te rijden. Vanaf dat punt zouden we van hogerhand de opdracht krijgen om op objecten van de tegenpartij te schieten. Arman Le Jaques -

45


Het benauwde me steeds meer dat ik niet wist bij welk gevecht ik betrokken was geraakt en overigens ook of er voldoende capabele mensen aan boord waren om überhaupt een gevecht te leveren. Het waren aardige jongens, die goed konden zuipen maar, ..... flits!!! ...... Door mijn kijker zag ik in de verte een korte lichtflits, waarop ik de tankcommandant hoorde zeggen dat er een verplichte pauze was van vijfenveertig minuten. Toen ik met bijna bevroren neus vernam dat de tank zojuist was afgeschoten, knapte er iets in mij. De totale tankbemanning moest zich over mij ontfermen anders zou ik daadwerkelijk zijn geslaagd in mijn poging de tankcommandant met zijn hoofd door de loop van het kanon te duwen. Dit was geen alledaagse woede-uitbarsting. Dit was een krachtdadig verzet tegen de ervaring daadwerkelijk gedwongen betrokken te zijn bij een zinloze vorm van systematische suïcide. Met een flinke teug uit de, in een rechtopstaand luik boven op de tank verstopte fles captain Morgan rum, aangereikt door ‘Korsakoff’, de zwaar alcoholische schutter van de tank, verkreeg ik een begerenswaardig bevrijd gevoel en verslapte mijn lichaam. Ik voorkwam hiermee een pretentieus psychiatrisch rapport dat concluderend zou wijzen op een serieuze stabiliteitfactor vijf.

46

De TRIP


5 mei - Al rijdend door Algerije, stel ik een grotere materiële welvaart vast

dan in Marokko. Zo zijn er in de stadjes frappant veel kinderen die ijs eten. Bijna in elke straat een winkel, die zoetheden of taartachtigen tentoonstelt. Een aantal flinke olieraffinaderijen. Veel verschillende importauto’s en moderne landbouwwerktuigen. Ook de huizen zien er vaak meer solide en vooral gevarieerder uit, dan wat we tot nog toe hebben gezien. Pastelkleuren, in samenhang met een ruime architectonische vrijheid. De stem van de Imam die uit de luidsprekers van de moskeeën schalt, is echter net zo luid als in Marokko. Terwijl we ons al rijdend vergrijpen aan de meest lekkere en mierzoete baksels, zien we aan de haven van de stad Oran een aantal kisten met verschillende garnaalsoorten uitgestald. Esther en ik doen vrij lang over het maken van een keuze. De verkoper adviseert. Die avond staan we geparkeerd op een winderig open stuk veld met uitzicht op zee. Dat wil zeggen, heel in de verte, achter een klein stadje, maar toch....De garnalen zijn veel te snel op. Ik probeer op het veld een primaire behoefte te bevredigen, maar met een laagdraaiende ruk-, en zijwind, is dat een ieder af te raden. Ik constateer wel dat het bevrijdend gevoel van geen kramp te hebben, na een krampaanval, één van de meest waardevolle ervaringen van deze dag is. Leve de vrijheid. We slapen iets te vroeg in”. Een bundel binnenvallend licht doet het publiek enigszins opschrikken. Er komt nog een groepje mensen de ‘Waard van Woerden’ binnen. Het is even onduidelijk waar zij plaats zullen nemen. Er is nauwelijks nog plek. Er zal moeten worden ingeschikt. In het midden van het publiek proberen mensen wat ruimte te maken. Een paar mensen die zich languit hebben uitgestrekt op de voorste rij prakkiseren daar niet over. Terwijl ik een kaars opnieuw aansteek die door een trekkende wind van de geopende deur was uitgedoofd, vraag ik me af wat mensen beweegt die midden in een lezing als deze alsnog wensen te participeren, de eerste helft van het verhaal voor lief nemend. Waar zouden ze voor komen? Zouden ze iets bijzonders van mij willen? Misschien weten ze niet wat hen te wachten staat. Wellicht komen ze van ver. Hebben ze een lange reis achter de rug, om dit evenement mee te kunnen maken. Ze hebben allen recht om iets aangeboden te krijgen. Ze hebben een plek. Als ik ze van harte welkom heet, worden hen vanuit de derde rij glazen drank aangereikt. De meerderheid ontfermt zich over een minderheid, waardoor deze minderheid opgaat in de reeds aanwezige meerderheid en weldra nauwelijks meer te identificeren is als nieuwkomer, voor zolang ze ook netjes hun mond houden. Ik voel me op m’n gemak en ga door met mijn verhaal.

Arman Le Jaques -

47


6 mei - Er is totnogtoe geen dag in Noord-Afrika voorbij gegaan zonder dat, nadat we een plekje hadden gevonden om te overnachten, iemand ons kwam verwelkomen. De vorige avond was het een soort conciërge van een kinderkamp. We hadden boven op een bergpunt een potentiële plek gespot. Ruim en diep panorama, uitzicht op een gigantisch stuk zee, en rondom weelderig welriekende kruiden voor zover je maar kon ruiken. Ik constateer dat de voorraad vers water op is en neem me voor om af te dalen naar een aantal bruine barakken, die we vanaf de plek in de diepte langs een duinstrook zien liggen, om daar te vragen of er van hun voorraad iets af kan. Na aankomst blijkt het een kampement waar Algerijnse kinderen een paar dagen vakantie kunnen doorbrengen. Op dit moment wordt er door een paar volwassenen geklust en gerepareerd. Uit een immens vat krijgen we water. Over het algemeen wordt er onderscheid gemaakt tussen water en drinkwater. Het verschil wordt door ons dan ook met twee verschillende universele gebaren verduidelijkt. Terwijl hij met z’n ene oor luistert naar een dun draagbaar radiootje, zegt ‘de conciërge’ dat we rustig gebruik kunnen maken van het ‘kinderstrand’. We zouden er rond deze tijd immers niemand tegenkomen, hooguit een verdwaalde tuinder die daar in de buurt wat tomaten uit de grond probeert te stampen. Mogelijk dat we zelfs een mosselmaaltijd bij elkaar kunnen schrapen. Even later bekogelen we onszelf op het kilometers lange ‘kinderstrand’ met modder, en rollen met kleren en al de zee in om vervolgens, voor het eerst tijdens deze trip, naakt de bruisende golven grotesk en sacraal over ons heen te laten glijden. Op het moment dat ik me bij de VW weer sta af te drogen, komt ‘de conciërge’ vragen of alles naar wens verloopt. Hij vertelt dat we de mosselen vanwege de krachtige wind wel kunnen schudden, en als we nog iets nodig mochten hebben, wij hem zouden weten te vinden. ‘De conciërge’ vertrekt langs het duin in gezelschap van zijn radiootje en een kameraad die naar zijn zeggen huisschilder in de Sahara is. Een aanzet tot een mogelijk gesprek over het feit dat ‘huisschilder in de Sahara’ ook geen vetpot zal opleveren, of vragen als ‘... en wat doe je de rest van het jaar?’ laat ik, als gast, in mijn eindeloos onwetende nederigheid verzanden. Die avond zou de storm minstens even hevig zijn als ons rukken en trekken aan de dekens. Ik word meerdere malen wakker, omdat mijn knie ‘op slot’ zit. Dit euvel tergt mij al geruim een week, vooral ‘s nachts, wanneer ik net een derdegraads slaap te pakken heb. Een kwellende pijn in een niet exact te beschrijven plek onder of rondom de knieschijf. Wanneer zo’n aanval mij te grazen neemt,

48

De TRIP


verwacht ik evenwel dat de gehele wereld even plaats rust maakt en een ieder die zich in mijn omgeving bevindt, een zorgzame, eventueel Samaritaanse houding aanneemt. Niet alleen omdat ik vind dat men moet krijgen wat men verdient, maar eerder vanwege het zorgwekkende feit dat ik deze aanvallen veelal in een verregaande staat van luciditeit moet verwerken. De volgende ochtend verwijt Esther mij op zakelijke toon, dat ik haar de hele nacht heb wakker gehouden, haar moedwillig een aantal maal met mijn bronzen armband op haar hoofd heb geslagen en mijzelf in de drie dekens en het dekbed heb gerold, daarbij gebruik makend van krachttermen en vulgaire taal. Uit pure wanhoop en desperaatheid, heeft zij toen maar een half blikje haring in tomatensaus met verse knoflook leeg zitten eten, en een boek van de Beauvoir bijna uitgelezen. Ik werp een blik op ons verlaten ‘kinderstrand’. Een langwerpig geribbelde moederschoot, zo kalm en ontvankelijk, bereid en in staat om zich over ‘s lands kinderen te ontfermen. De storm is nog even hevig”.

Arman Le Jaques -

49


De inrichting De zomer was bijna ten einde en mijn verblijf in de door chirurgisch gesnoeid bos omgeven inrichting was niet van lange duur geweest. Het was kort, knus, intensief en leerrijk. Na het succesvolle open weekend, waarbij de deuren van de inrichting werden geopend voor alle geïnteresseerden uit de samenleving, besloot ik mijn plek af te staan aan hen die deze omgeving harder nodig hadden dan ikzelf. Ik was die dag scheidsrechter tijdens een georganiseerde zaalvoetbalwedstrijd op de afdeling ‘Neurosen’. Een team nagelbijters tegen een groep chronische bedplassers. Het feit dat er niet gescoord werd, dreef beide teams, gevoed door de toch al enigszins verhitte en nerveuze stemming, tot een irreversibele wederzijdse molestatie. “Geweldig” zei ik op krachtige toon in een voor mijn neus geduwde microfoon. “Een waar slagveld, wat een vuur”. Ik had besloten om als non-directief scheidsrechter, geen fluitje te gebruiken en niet in te grijpen en gaf na de wedstrijd aan een interviewster van de ziekenomroep een uitstekend interview, waarin ik met doeltreffende precisie de causale motieven van de spontane doch triviale knokpartij relateerde aan mijn eigen mondiale pragmatische levensbeschouwing, waarbij het kardinale punt van mijn ideologie was, dat het er niet zozeer om ging wie er zou winnen maar eerder om wat, hoe en waarom er gespeeld werd. “Nee echt” sprak ik mezelf herhalend, “ronduit geweldig”. Diezelfde avond nam ik, overigens met pijn in m’n hart, afscheid van een inmiddels overbezette inrichting. In een vertrouwde omgeving had ik samen met een wel zeer gemêleerd gezelschap gewerkt aan het completeren van het individuele beeld van de existentie. Alles was de revue gepasseerd. Mijn jeugd, mijn diensttijd, mijn verhouding met Ellen, mijn directeurschap. Nu bij het weggaan was mijn beeld van de mensheid completer dan ooit. Ik op mijn beurt had de mensen om mij heen geleerd dat ze niet zomaar klakkeloos dingen van mensen moesten overnemen. Existentie bleek immers meer dan alleen mensheid. Ondanks de dwangmatig kritische houding van de erg kort en erg kundig opgeleide verantwoordelijken, had ik in ieder geval besloten m’n eigen weg te gaan. “Was het eigenwijs om je eigen zin te volgen” had ik me afgevraagd “of was het eigenzinnig je eigen wijs je te laten leiden. Was het geleerde steeds je eigendom of is het dom om steeds maar door te leren. Voor mij geen boek of krantje meer. Ik heb mijn lesje wel geleerd” had ik de mensen voorgehouden. Het had er waarschijnlijk ook mee te maken, dat de doorgeleerde leiding niet in staat bleek een bestaande terminologie aan te wenden voor datgene wat zij

50

De TRIP


mij in ieder geval alvast voorhield als zijnde een storing. Mijn verwachtingen bleken op dit punt tamelijk overspannen. “Als je er geen woorden voor hebt dan zul je het ook niet snel zien” had ik opgemerkt. Ik had voor deze onverwachte demonstratie van bijkomende beperktheid te weinig geduld en had trouwens al eerder gesignaleerd dat belangrijke vormen van storingen door deze zielilogen niet werden waargenomen, laat staan werden beschreven. Naar de eikenhouten voordeur toe lopend, trok ik een door mij opgehangen papier van het prikbord. Ik had er een gewoonte van gemaakt om de dag via het prikbord de gemeenschap een aantal van mijn observaties kond te doen. Voor mezelf las ik de opsomming nog eens na. Er is storing bij de storingsdienst, de melkboer heeft geen melk, de dokter heeft malaria, de pater is een paria, de banken lenen geld, de rechter wordt steeds slechter, de slijter alcoholist, de metro niet mobiel, de hetero homofiel, de guru pessimist, de zon is aan het smelten, het gras is nauwelijks groen, muziek is om te huilen, de bulten vallen builen, geluk is te veel poen, voor vrede moet je vechten, voor vrijheid naar ’t gevang, de Koning is een schilder, de steden worden wilder, de kinderen zijn bang. Waardoor ik ook vond dat mijn tijd erop zat, was de bevestiging in mijn vermoeden dat naarmate de menselijke ervaring complexer wordt, de mogelijkheid om deze te beschrijven omgekeerd evenredig afneemt. Het lukte slechts een klein aantal bewoners. Maar meestal hadden die geen enkel ideaal meer. Ik haalde een viltstift uit m’n zak en schreef vlak boven een beeld van Descartes en diens fameuze uitspraak op de muur naast de ingang met grote letters: Arman Le Jaques -

51


zou je denken? Dat denk ik niet, ‘k denk niet dat dat zo is. Dat denk ik niet. Wat ik zelf denk, is denk ik zelf, te veel voor woorden. Te veel voorworden. Teveel verworden. Verweven met het ideaal, of hoe dat moge heten. Naar mijn onbescheiden mening waren de verschillen tussen buiten en binnen de inrichting gradueel en marginaal. Beiden locaties hadden zo hun extremen. Dat had ik de interviewster van de ziekenomroep nog toevertrouwd, toen zij mijn objectieve leiding tijdens het voetbalspel ter discussie stelde, ik zei: Nergens is niets, dat verbiedt dat wordt beweerd, dat alles zal verdwijnen. Verzanden in een wad op zee. Verzonken en vermolmd, door concessies voor een eigenschap. Een flinterdunne laag, een poly-teak karakter. VariĂŤrend en vraatzuchtig, door uniform gericht te zijn. Onhandig en ontuchtig. Overal is wat.

Als ik de zware houten deur achter me dicht trek, ervaar ik de essentie van mijn afscheid als een concrete ervaring van ontwikkeling naar een volgende fase. Voor een moment werd de schijnbare paradox van met afscheid gepaard gaand verdriet opgeheven. Voordat ik het grindpad oploop naar de gereedstaande taxi zie ik naast het tuinhuis aan de kant van het smalle slootje een vrouw een foto maken van een stokstijf staande man met een verrekijker. Ik kende hen goed. Sommige bewoners konden niet meer zonder elkaar en niet

52

De TRIP


meer zonder begeleiding. Van dit tweetal wist ik dat ze nooit geweten hebben wat ze in elkaar zagen. De man was al jaren tot over zijn oren verliefd op de koningin. De vrouw bleek haar hele jeugd te zijn onderdrukt en kwam daar op adolescente leeftijd tegen in opstand. Zij werd zelfs zo feministisch dat ze op jonge leeftijd al niet eens meer ongesteld kon worden. Hij besloot een postzegelverzameling te beginnen met slechts exemplaren met de afbeelding van zijn favoriete vrouw. Zij schreef met rode oortjes heftige brieven aan vrouwenbewegingen. Hij likte tot diep in de nacht hitsig de grote hoeveelheid zegels die daarvoor nodig was. Zij heeft nooit kinderen willen hebben, “veel te klein”. Hij eigenlijk alleen maar kleinkinderen. Laatst zijn ze gehuldigd als de langstverblijvende bewoners. Zij kreeg een fototoestel en hij een verrekijker cadeau. “Naar de zon!” zei ik, terwijl de chauffeur het portier voor mij geopend hield.

Arman Le Jaques -

53


7 mei - Deze dag dacht ik aan die mensen die vinden dat ik over het algemeen

te veel praat. Ik had ze vandaag graag willen uitnodigen om mee te rijden. Op momenten dat de logge schaduwen van de meer dan oeroude bergen elkaar speels en onschuldig uitproberen, de goedgeefse zon een timide poging doet een summier en onopvallend stuk land te verwarmen, de immer zichtbare zee een schakering van minimaal zeven verschillende kleuren blauw vertoont, van een ragfijne en fragiele tot de meest diepe en intense variant, de verspreide soorten palmen die met schoonheid gevoed op de evenwichtige zuidwesten wind als natuurlijke richtingaanwijzers hun takken eensgezind laten veren, die ik zonder me al te veel te bewegen, met half gesloten oogleden euforisch toelach, op die momenten, beste mensen, zouden jullie kunnen horen hoe ik zwijg. Als het graf. Tijdens een ongelooflijk bizar onweer zijn we genoodzaakt de VW aan de kant van de weg zetten. We staan in het dorpje .........x........ Ondanks het dreigend aandoend natuurverschijnsel verandert het aantal mensen op straat niet noemenswaardig. Allen staan echter stil, te schuilen onder luifels en afdaken, waar het hemelvocht in kleine watervalletjes vanaf plenst. Tevergeefs speur ik tussen de luid bewegende ruitenwissers naar een regenboog. Esther stapt uit en begeeft zich tussen de geluifelde menigte. Ik zie haar, door een transparant gordijn van regen, heftig gesticulerend met een groepje inwoners communiceren. Even later komt ze terug met melk, chocolade, koekjes en een stokbrood die ze van een politieman heeft gekregen, “omdat de bakker al dicht was”. Het onweer is opgehouden. Het regent nog steeds en het is donker. We besluiten een plek te zoeken. Als de schemer valt stoppen we aan de rand van het eerstvolgende dorpje. Schuin beneden van waar we staan, ligt een grasloos voetbalveldje, met daarop twee verroeste doelobjecten zonder net. Direct achter het rechterdoel bevindt zich een steile afdaling, waar het zeewater hoorbaar klotsend op een klein strandje valt. Ik constateer verontwaardigd, dat tijdens een wedstrijd ze daar wel een paar boy’s klaar mogen hebben staan, anders sta je toch al gauw een paar uur op een corner te wachten. Net wanneer ik mij voorneem om maar eens vroeg met Chancellor Williams’ “Destruction of Black Civilisation” onder de veren te kruipen, komen Mohammed en Mohammed ons verwelkomen. Ze willen de volgende dag ‘Langouste’ voor ons klaarmaken. Ik voel mij zeer vereerd, hoewel ik op dat moment bij God niet weet, wat ik me bij genoemd gerecht moet voorstellen. Een blik op de buik van Mohammed 1 werpend, geeft me het vermoeden dat dit gerecht in ieder geval wel eens zeer voedzaam zou kunnen zijn. Jolig wordt voorlopig afscheid genomen. We kruipen op het hemelbed, eten een half pak koekjes leeg en drinken een paar glazen aangelengde granaatappelsiroop. Het is te lekker

54

De TRIP


onder het dekbed. Een perfecte temperatuur. Het geluid van de aanhoudende regen op het dak van de VW is geladen met een opwindende tonaliteit. Esther vraagt verschrikt hoe lang het campinglampje al brand. Volgens mij pas een koekje of negen�.

Arman Le Jaques -

55


8 mei - De ‘langouste’ blijft vooralsnog toekomstmuziek. Wel duwt Mohammed 1, die door zijn omgeving Rogiér wordt genoemd, mij een kleurenfoto in handen waarop het beest in vol ornaat te zien is. Het is een bruingestreepte kreeftachtige, ten grootte van een flinke lobster, met twee gigantische voelsprieten aan de kop. Rogiér noemt het ‘la fruit de le mer’ en streelt bij het uitspreken hiervan met z’n tong zijn bovenlip. Rogiér is een visser en heeft ons in zijn zelfgebouwde sobere barak als volmaakt gastheer een forse salade voorgeschoteld. Daarnaast een soort kruidenbrood en een mierzoete frisdrank. De barak is een eenvoudig grof stenen bouwsel met kookmogelijkheid. Op de betonnen vloer ligt een schuimrubber matras. Als voortgeduwd door de zilte zanderige strandwind, komen de toppen van struiken uit openingen tussen de ruwe stenen wanden naar binnen. Aangezeten wordt met Rogiér, Mohammed 2 en een vriend. De eettafel bestaat uit het onderstel van een oude trapnaaimachine, met daar overheen wat planken, bedekt met kranten. De sfeer is ontspannen, exclusief en wat ons betreft hongerig. Zowel Rogiér als ‘Mo 2’ praten zeer goed Frans en vertellen ingehouden over het verband tussen de langdurige oorlog met de Fransen die duurde van ‘54 tot ‘62 en de series moorden gepleegd door geloofsfanaten. Met dezelfde reserves praat Rogiér over zijn vissersbestaan en klaagt over de sterke wind. Hierdoor heeft het geen zin om uit te varen. Na een enorme schranspartij lees ik door mijn glazen bord heen de strekking van een artikeltje in de El Moujahid: Tot aan het jaar 2005 wordt er een fikse bevolkingstoename verwacht. Over de hoofden van de gastheren naar buiten weg kijkend vraag ik mij af waar die mensen zich druk om maken, volgens mij is er nog plek zat. Of zou er worden geschoten op mensen die tegen een bevolkingstoename zijn. Op Rogiér z’n vraag, of we de Algerijnse wijn al hebben geproefd, antwoorden Esther en ik nieuwsgierig, ontkennend. Een paar uur later rijden we met de mannen in de VW naar de stad Cherchel, bijna dertig kilometer verderop en keren terug met zo’n twaalf flessen rode Medea en genoeg vlees voor de avondmaaltijd. Deze wordt door ons gebruikt in een naastgelegen barak, die voornamelijk dienst doet als vluchthaven voor de directeur van de dorpsschool. Deze onderwijzer, Hamid genaamd, is zelf erg duidelijk aanwezig. Een gebruinde snelle vijftiger met een iets te vlotte babbel, goed in het pak en naar eigen zeggen “toujours avec la cravate” die hij, als ware het een ridderorde, strak onder zijn gladgeschoren kin heeft gekneveld. Links en rechts flitst hij met foto’s van een vakantie in Joegoslavië en pasfoto’s van diverse correspondentievriendinnen. Eén van de in mijn handen gedrukte zwart-wit foto’s toont een twintigtal mensen, poserend voor de Ali-Pascha moskee. Over zijn

56

De TRIP


vraag of wij weten waar Hij op de foto staat, doen Esther en ik gespeeld lang, omdat er slechts één persoon op het zoekplaatje temidden van de rest, staat te baden in een stropdas. Na zijn aanwijzing “cherche la cravate” geven wij ons gewonnen met een veel te luide schreeuw van herkenning. Met een tevreden gezicht worden de foto’s weer opgeborgen. Ik staar over de betonnen balustrade naar het onrustige golvenspel van de zee en terwijl er een houtskoolvuur wordt geprepareerd, vul ik mijn pijp met een laatste beetje kruimeltabak. De zee is luidruchtig aanwezig. De langwerpige tafel waaraan we zitten vult bijna de gehele veranda. Ik onttrek mij een moment aan de bedrijvigheid, om het laatste restje zon in de zee te kunnen zien zakken. Mijn twee wollen truien volstaan maar net tegen de opkomende kou. Rogiér is zich genadeloos aan het vergrijpen aan de Medea. Kadér, die eigenlijk ook Mohammed heet, staat aan de lange tafel vlees te snijden. Hamid 2, niet te verwarren met onze onderwijzer, steekt uiterst professioneel de fik in het houtskool. Allen zijn visser. Hun gezichten gebruind door de zon en gehard door de eeuwig aanwezige zeewind. De leraar steekt zijn hoofd door het raam van de barak en reikt ons, over het hoofd van Kadér die net wat groente van de grond af raapt, een foto met daarop hijzelf en een blonde dame. Ik schat hem op deze foto een jaar of twintig. Dubrovnik. Zwart-wit. De camera hoefde destijds waarschijnlijk niet scherp gesteld te worden. In het midden van een brede wit gekartelde rand ligt het buitenissige duo vereeuwigd. Ik vraag me af hoeveel mensen deze herinnering nu met hem hebben gedeeld? Hoeveel mensen er na ons nog zullen duiken in deze pompeuze zweem van nostalgie? Welke reden deze man nodig heeft om deze chromatografische relikwieën voor eens en voor altijd diep onder de grond van zijn intieme barak te begraven? Er wordt uit het door Esther half verorberde blikje Haring in tomatensaus gegeten. Er is een algemene goedkeuring omtrent de kwaliteit van deze hors d’œuvre. De leraar vindt het ‘tres jolie’. Ik eet zelf niet mee, omdat het blikje eerder die avond met een venijnige ‘splesh’ op de grond kletterde, waarbij de saus met stevige uitlopers, de kuiten van Esther vettig rood kleurde. Esther weet inmiddels dat ik erg gevoelig voor dat soort dingen ben en bij dergelijke voorvallen vaak een spontane vorm van allergie voel opkomen. Door het gesmak om mij heen, ben ik echter snel overtuigd van de kwaliteit. Het eten is klaar. We verplaatsen de lange tafel naar binnen, waardoor mijn tweede wollen trui weer uit kan. We eten een verrukkelijke vleesmaaltijd die met hoge frequentie wordt onderbroken door het openen van een nieuwe fles Medea. Uit een transistorradio klinkt vaag klassieke barokmuziek, af en toe Arman Le Jaques -

57


geïnterfereerd door Arabische tonen, of andersom. De leraar en ik twijfelen tussen Vivaldi en Scarlatti. Een doffe knal van een nieuwe kurk verstoort onze concentratie. Kadér is in Esther’s schoot in slaap gevallen. Rogiér en ik maken met onze handen ritmische muziek op de tafel. Rogiér Afro-Arabisch, ik AfroSurinaams. Er wordt gezongen en gedanst en Rogiér knuffelt me broederlijk na ieder nummer in elkaar. Een smachtende rode vloeistof wordt verlost van zijn spanning en ik ben nu en dan gedistracteerd wanneer ik Esther’s gezicht in het kaarslicht zie schitteren. Ik ervaar de luminescentie als roodgloeiende straling op mijn wangen. We openen een laatste fles”.

58

De TRIP


Vissen Dat mijn sterrenbeeld vissen niet slechts het laatste teken van de dierenriem was, probeerde ik tijdens een gezamenlijk ‘long weekend’ aan ‘Ram’, mijn jarenlange boezemvriend, uit te leggen. Mijn overtuiging was dat de dierenriem lange tijd uit twaalf tekens had bestaan en het zogenaamde laatste teken van de dierenriem na een aantal eeuwen weloverwogen aan de uit twaalf tekens bestaande dierenriem was toegevoegd. Dat was nou eenmaal zo. In tegenstelling tot de aangetoonde ontdekkende en initiërende kracht van ‘Ram’, die ook op zijn beurt zijn sterrenbeeld eer aan deed, impliceerde mijn eigen sterrenbeeld een beschouwende kracht die vanwege de astrologische circulariteit de neiging had uit te monden in een predictieve kracht en verschafte dit dertiende sterrenbeeld in feite via abstracte inzichten toegang tot de determinanten van de voorafgaande twaalf sterrenbeelden en beschikte het over invoelende vermogens voor energetische waarden van zuiver existentiële acties. ‘Ram’ vertoonde een reflexmatige afkeer tegen momenten als deze. Hij wist dat hij in dergelijke situaties geen vat kon krijgen op zijn hersenspinsellende ‘partner in crime’. ‘Ram’ zelf verwoordde zijn inzichten met een grote mate van eenvoud en rechtlijnigheid, op een overwegend profaan niveau. Mijn logica daarentegen behelsde geen uitgesproken noodzakelijkheid om van punt A via een rechte lijn punt B te bereiken Ik vond de snelste weg vaak een omweg en ondanks mijn vaak provocerend cynisme, neigde mijn instelling naar het sacrale. Onze relatie kenmerkte zich door zowel intensieve perioden van samenwerken, waarbij het vrijwel niemand in onze nabijheid lukte een andere visie dan die van onszelf vorm te geven, als ook momenten waarbij wij elkaar, soms in abstracto maar soms ook letterlijk, naar het leven stonden. Al rijdend in de auto kwam de antagonistische relatie op typerende wijze tot uiting. Het oplopend conflict vloeide voort uit het feit dat ‘Ram’ een overtuigd carnivoor was en ik sinds enige tijd het verorberen van vlees variërend dan wel zinloos dan wel walgelijk vond. Het pijnlijke van dergelijke conflicten was dat, zoals nu het geval was ‘Ram’ met opklimmende agressie reageerde op mijn stelling, dat er een significant verband zou kunnen worden aangetoond tussen agressief gedrag en het eten van vlees. Kortom dat ‘Ram’ bezig was zijn eigen poging tot ontkrachten te ontkrachten. Ik erkende het belang en de waarde van de gedreven en initiërende kracht van ‘Ram’ en erkende deze als vele malen belangrijker dan de inhoudelijke zin, alsook de vorm van uiten die daarmee gepaard ging. Arman Le Jaques -

59


“Krachten zijn van jezelf en in principe neutraal” mompel ik en steek een lichte filtersigaret op, waarop ‘Ram’ mij zwaar gepikeerd gebiedt het autoraam te openen. Op weg naar de meest nabije Belgische badplaats ruik ik de zilte zeelucht en zie onder een zonloze en zacht bewolkte hemel relatief verlaten stranden. “Wat weerhoudt de mensheid ervan de wereld of in ieder geval grote delen ervan te vernietigen als reeds het bewijs op overtuigende wijze geleverd is dat zij daar toe in staat is” hervat ik de conversatie. ‘Ram’, die akkoord gaat met de onverwachte wending van het gesprek reageert meegaand dat het even goed zou kunnen dat het vernietingingsproces door de mensheid reeds systematisch in werking is gezet, gespeeld vriendelijk “maar kun je het raam nu weer dicht doen!?” Stug vervolg ik: “Essentieel voor deze ontwikkeling is dus de neiging van de mensheid om aan te tonen waartoe zij in staat is of in een meer obscure situatie waartoe zij in staat moet worden geacht”. “OK wereldburger” verzucht ‘Ram’ terwijl hij voor zich uit knikt, “als je Vlaams spreekt, dan kun je straks die agenten daar verderop even uitleggen dat wij geen asielzoekers maar toeristen zijn”. Ik reageer alert op het stopteken van de voor ons rijdende politie en maan ‘Ram’ vooral geen agressief gedrag te vertonen. Aan de kant van de weg kan ik een escalatie van ‘Ram’s woede voorkomen. In de slecht verlichte naar verschillende soorten alcohol ruikende Ostendense politiecel echter, ziet ‘Ram’ kans zijn opgekropte frustratie, over het feit dat hij in het Europa anno nu als Europees staatsburger wordt geconfronteerd met een fascistoide identificatieplicht, te uiten op een oude dronkaard die languit op zijn zij de ingang van de cel blokkeert. Met een flinke trap raakt ‘Ram’ de onverzorgd geklede grijsaard vol onder diens achterste. De man komt met een abrupte beweging en iets te luide schreeuw recht overeind, waarbij een goudkleurig blikje met een doffe plof uit de binnenzak van zijn groezelige colbert op de betonnen vloer valt. De man kijkt ‘Ram’ met grote glazige ogen aan, raapt het blikje op en overhandigt deze vervolgens aan mij. Hij maakt vragende gebaren om het te openen en nodigt mij uit er zelf ook wat uit te eten. Ik kantel het ovalen blikje een paar maal voor m’n ogen en haal een Zwitsers zakmes te voorschijn. “Het is werkelijk wonderbaarlijk”, briest ‘Ram’, “opgesloten door een stel mummies die hun loopbaan slechts inhoud kunnen geven door totale willekeur en jij gaat hier rustig vis zitten vreten”. Ik krijg met moeite het deksel van het blik voor minder dan de helft geopend. “Willen jullie er misschien een glas rode port bij” fijnst ‘Ram’

60

De TRIP


ontspannen. “Zal ik één van die gemummificeerde hondekoppen vragen of ze de wijnkaart even onder de deur door willen schuiven?” Als de oude man, die geen indruk maakt betrokken te zijn bij deze conversatie, een halfvolle fles rode wijn onder zijn jas vandaan trekt, zijgt ‘Ram’ moedeloos neer op de onderste spiraal van het schilferige stapelbed, legt z’n hoofd in z’n handen en accepteert even later nukkig het aanbod van een slok waterige wijn. “Ik plof zowat” kreunt ‘Ram’, nadat we gedrieën geruime tijd zwijgend het blikje en de fles hebben laten rondgaan en ons tegoed hebben gedaan aan de inhoud. ‘Ram’ geeft de fles weer door aan de oude man en recht zijn rug terwijl hij met beide handen over zijn buik wrijft. “Pittige wijn zeg, niet te kort, ik voel me zowaar een beetje draaierig worden” murmelt ‘Ram’ terwijl hij zich erover verbaast dat zowel ik als de oude man stug doorgaan met het verorberen van de vis, gebruik makend van het Zwitsers zakmes en het na elke hap spoelen van de smaakpapillen met de wijn. In feite had zowel de vis als de halve fles wijn al lang op moeten zijn. “Ik heb ’n idee hoe we hier uit kunnen komen” zegt ‘Ram’ terwijl hij opstaat en het Zwitsers zakmes uit de handen van de oude dronkaard rukt. De oude man en ik observeren ‘Ram’ die met behulp van het zakmes een verwoede poging onderneemt een groot vierkant rooster uit de ijzeren celdeur te demonteren. “Typisch ‘Ram’, deze actie” opper ik, “bij ‘Ram’ blijft geen één deur gesloten weet je wat”, vervolg ik, “als het rooster er af is rollen we de lege fles naar buiten met daarin een boodschap”. “Wat voor fucking boodschap!” briest ‘Ram’, als ik die deur open heb, zal ik die schoften eens laten zien wie ze voor zich hebben” en beweegt vervolgens met een nog grotere gedrevenheid het mes op en neer. Als ik klaar ben met schrijven steek ik het stompje potlood in m’n binnenzak, zuig het laatste beetje wijn naar binnen, laat de fles op z’n kop op de betonnen vloer uitdruppen, en vul de fles met grote accuratesse met de volgende boodschap: Arman Le Jaques -

61


Vrede is voor eeuwig nabij maar toch te ver te vaak vermoord verscherpt geluid als wind, na jaren pas gehoord door een vrij verlaten visser die zwijgend in de verte vaart voor eeuwig en tevreden “ Er ontstaat enig rumoer in ‘De Waard van Woerden’ omdat één van de aanwezige gasten in het publiek weigert een glas wijn aan een andere bezoeker door te geven. Ik maak gebruik van de gelegenheid om een sigaret op te steken, maan mijn gehoor vriendelijk tot kalmte en meld dat de organisatie mij heeft bezworen dat er voor een ieder voldoende te eten en drinken zou zijn. De recalcitrante gast neemt een flinke slok en geeft vervolgens het glas door. Een vette joint wordt hem als gebaar van vrede aangereikt. Een kort moment verdwijnt het gezicht van de man in een dikke rookwolk. Ik hef m’n hand en vervolg mijn verhaal.

62

De TRIP


9 mei - Vandaag heb ik bijna esoterisch en lang geslapen. Kadér, die alweer

druk aan z’n netten staat te bouwen, legt uit dat de wind minder is dan de dag ervoor maar nog te heftig om uit te varen. Esther zet thee. We voelen ons thuis. Rogiér is blij dat we eindelijk wakker zijn en stelt voor om weer naar Cherchel te rijden om een nieuwe voorraad Medea in te slaan. Twaalf flessen zijn inderdaad op voordat je er erg in hebt. Ik voel me in ieder geval prima; licht benevelt, maar prima, waarschijnlijk juist daardoor prima. Totaal geen last van hoofdpijn of andere vormen van malaise. Wel ben ik vannacht wakker geworden om een halve jerrycan drinkwater te legen. De Medea is van ‘83, appellation contrôlée, met een heldere rode kleur. Ze heeft een lichte, kruidige, iets te jonge afdronk met overeenkomstig haar leeftijd, behoorlijk veel body. Rogiér vertelt dat er een nog betere klasse Algerijnse wijn te vinden is, de Coteau de Mascara, deze is echter zelden in Cherchel te koop. De prijs van wijn en andere alcoholische dranken is in deze contreien afschrikwekkend hoog. De Medea kost zo’n achtien euro per fles en is behalve het enig leverbare merk in Cherchel, ook de goedkoopste. Die mensen die zich niet wensen te houden aan de stringente voorschriften van de Islam, moeten bereid zijn daar dus dik voor te betalen, stel ik vast nadat ik een sliert suiker uit een door Esther aangereikt pak in mijn kop thee heb laten stromen. En terwijl ik de wasem uit mijn kop wegblaas lijkt dit mij een bestaande mogelijkheid tot elitevorming, weliswaar gebaseerd op een dwarsdoorsnede van de bevolking, maar in ieder geval mensen met smaak. Ik ben benieuwd of deze waardevolle minderheid de komende jaren de kans zal krijgen in aantal toe te nemen. Net wanneer de zon besluit zich achter de zichtbare wereld te verkoelen, rijden Rogiér en ik het vissersdorpje weer binnen en parkeren de VW dicht langs de struiken, schuin tegenover de barakken. Esther komt ijzig naar me toegesneld, en vertelt geschrokken dat ze daarnet op het strand is bedreigd door een jongetje met een mes. Nadat ze met kleren en al de zee in was gerend en hard mijn naam had geroepen, was de knul er vandoor gegaan. De vissers zijn door dit verhaal terstond ook van de kaart, en ik leg uit dat ik wil weten wie de knaap is en waar we hem kunnen vinden. Naar aanleiding van de beschrijvingen van Esther, weet Hamid, niet te verwarren met de leraar, direct wie het geweest is. We springen in de VW en rijden wat cafés in het dorp af, waarna we terechtkomen bij het huis waar de vlegel woont. Het is inmiddels zonder lantaarnpalen vrij donker. Hijzelf is niet thuis. Zijn vader vertelt, na een samenvatting van het gebeuren te hebben aangehoord, mals dat het hem spijt. Het is de eerste keer dat hem iets dergelijks ter ore komt, en volgens hem hebben we natuurlijk het volste recht om aangifte bij de politie te doen. Ik probeer uit te leggen dat ik dat niet gewend ben, maar sta te popelen om het niet aanwezige gedrocht Arman Le Jaques -

63


een minuut of zeven met zijn hoofd in de zee te houden. De vissers denken er volgens mij net zo over. Wrang en onbevredigd nemen we afscheid en laten de man in het donker achter. Volgens Hamid is de man de vader van nog tweeëntwintig andere kinderen. Volgens mij, is dat er minimaal één te veel. Wanneer we bij de barakken terugkomen, is Kadér inmiddels bezig met een bemoedigende kipmaaltijd. Deze zal dit keer in de barak van Kadér worden gegeten. Een zedige en doorleefde ruimte van zo’n drie bij vier meter. Rondom hangen bundels bruine netten, drijvers en ander vissersmateriaal. Achter een stapelbed, een harpoen. Aan tafel zitten Esther, die alweer net doet alsof ze d’r hele leven lang al bedreigd wordt, Rogiér, met een glas Medea in z’n hand, Aisa, die een baan bij het ministerie opgaf, een andere onderwijzer van de dorpsschool en Hamid, niet te verwarren met de leraar. De leraar, bijgenaamd ‘le directeur’ komt net wanneer er wordt opgedist met veel geluid binnen lopen. Kadér vertelt dat er op drie verschillende manieren door hen wordt gevist. Met lijnen, met netten en met de harpoen. ‘le directeur’ nuanceert dit, en licht toe. Kadér schijnt een dikke twintig meter diep te kunnen duiken, tweeënhalve minuut onder te blijven om dan, vaak met het meest kostelijke voedsel, weer naar boven te komen. ‘le directeur’ bevestigt dit. Zuurstofflessen zijn bij de vissers inderdaad taboe. Kadér zet een raam open en bezweert dat het morgen in ieder geval goed visweer zal zijn. ‘le directeur’, niet te verwarren met Hamid, die tot nu toe de maaltijd staande heeft weten te nuttigen en de kip ‘tres joli’ vindt, beaamt dit”.

64

De TRIP


10 mei - Inderdaad gaan we deze dag eindelijk de zee op. We vertrekken in drie kleine houten bootjes met buitenboordmotor. Esther vaart met Aisa, aangedreven door een 9.9 pk. Ikzelf vaar met Rogiér, met behulp van een 7 pk motor. Kadér heeft de grootste boot met de zwaarste motor, hij vaart samen met Hamid en een kennis.

De zee is daadwerkelijk, zoals door de vissers was voorspeld, erg rustig en het kost ons weinig moeite om, geschat, zo’n vijf kilometer van de kust te komen. Aisa gooit als eerste zijn anker uit. Kadér besluit nog verder door te varen. Zodra de motor is stopgezet en het bootje met Rogiér en ik daarin geheel is overgeleverd aan de arytmische bewegingen van de zee, voel ik een ongelooflijk onwelkom gevoel in mijn maagstreek opkomen. Daar had ik nou net voor het vertrek Esther voor gewaarschuwd. Rogiér ligt half achterover en observeert mij. Hij neemt een slok uit z’n half volle Medea en vraagt ironisch of ik ‘last van m’n hoofd’ heb. Ik probeer te pretenderen dat het wel mee valt. Vervolgens steekt Rogiér een sigaret op, snijdt een gezouten sardien aan mootjes, die hij met snelle bewegingen aan vier haken rijgt. Hij overhandigt mij de lijn en zegt dat ik kan beginnen, waarna hij zelf een volledig liggende houding aanneemt, de sigaret in z’n mondhoek, de Medea bungelend in z’n linkerhand op de bodem van de boot, en een van Esther gekregen pet half over zijn ogen duwend. Ik trek de lijn voorzichtig naar me toe, om nieuwsgierig uit te vinden hoe de stukken sardien zijn bevestigd, maar zie alleen maar zwart en voel hoe een complete voorraad zuurstof langzaam afscheid neemt van mijn longen. In een reflex gooi ik de lijn met daaraan het aas krampachtig van me af en ontwentel de klos met nylon, zodat het lood in razend tempo z’n weg richting bodem kan afleggen. Al klossend probeer ik de opkomende zeeziekte te onderdrukken. Licht panisch overweeg ik een aantal mogelijkheden. Verderop zie ik Esther, voorovergebogen vanuit haar boot in het water turen, flink rukkend aan haar lijn. Ik neem me voor niet voor haar onder te doen. Ik haal een aantal keer diep adem en blaas weer langzaam uit, maak mijn gezicht met een paar handen koel zeewater nat, en concentreer me op de kust en de daarboven uit torsende bergen om een perceptuele afleiding te forceren. In het midden van de berg neem ik een aantal rode huisjes waar en voel mij direct een stuk beter. Ritmisch ademend merk ik dat het lood nog steeds niet op de bodem terecht is gekomen. Rogiér neemt een slok en draait zich nadrukkelijk ongemakkelijk in een andere relaxhouding, hetgeen het toch al moeilijk te volgen ritme van het bootje nog meer verstoort. Ik weet niet hoe snel ik weer bij de rode huisjes op Arman Le Jaques -

65


de berg moet komen. Een beklemmend gevoel overvalt mij wanneer ik merk dat er helemaal geen huisjes meer op de berg staan. Mij dringt zich inmiddels het vermoeden op dat het waarschijnlijk slopender is om, zoals ik doe, met alle moeite het misselijke gevoel te verdringen, dan mezelf er gewillig aan over te geven. Op dat moment stapt Rogiér ruw over in een aan de linkerkant aan komen varend bootje met daarin twee vissers, en aan de rechterkant laat ik aan de hand van mijn bescheiden rechtsdraaiende maaginhoud de zee zien, dat dit wervelende wateravontuur voor mij de absolute eerste keer is. Op het moment dat Rogiér de motor start en me naar de kust wil brengen, meld ik Rogiér een opgelucht gevoel en overtuig hem ervan nog een aantal uur tussen de golven te blijven hangen. Esther houdt in de verte een klein rood visje met stekeltjes omhoog. Die avond eten we een vis van een kilo of vijf en zeker tachtig centimeter, gevangen door de man in Kadér’s boot, die naar blijkt, een topfunctie heeft bij een aardoliemaatschappij, niet gewend waarschijnlijk om kleine visjes te vangen. De man woont een flink eind van het dorp vandaan en komt zo nu en dan mee-zee-vissen, waarna één van de dikste vissen als feestmaaltijd wordt opgediend. Terwijl hij een aantal flessen Medea uit de achterbak van zijn auto haalt, kruipt Kadér voorin, met in zijn handen een ovenplaat met daarop de geprepareerde vis, temidden van verse groenten en olijven. De bakker in het dorp zorgt ervoor dat even later een gloeiend hete dikke vis wordt opgediend, die voor mij op dat moment het enig afdoende middel tegen zeeziekte zal blijken te zijn”.

66

De TRIP


Cultuur “Wat ten grondslag ligt aan het succes van jouw optreden kan op veel manieren worden achterhaald” verkondigde de kunstcriticus terwijl ik mijn servet aandachtig over mijn knieën uitvouwde, “maar laten we ons beperken tot de muziek”. Het interview met mij vond na het optreden plaats in de rumoerige en iets te prijzige Bistro Rieu. Het was evident dat het die avond door mij uitgevoerde klassieke stuk reeds honderden malen door uiteenlopende musici ten gehore was gebracht. Ik had zojuist de criticus deelgenoot gemaakt van mijn jarenlange verbazing over de meest uiteenlopende recensies over uitvoeringen van werken waar toch keer op keer nauwelijks een noot anders werd gespeeld. De criticus schreef voor een bekend landelijk weekblad al jaren over klassieke muziek en impregneerde zijn artikelen met zijn onuitgesproken meningen en obscure smaak. Terwijl hij de laatste hap van de nep-krab-salade naar binnen werkte stelde hij “Klassieke werken klinken nu eenmaal nooit hetzelfde, vaak zijn de verschillen gradueel en soms nauwelijks hoorbaar”. Natuurlijk had ik niets tegen deze stelling in te brengen. Het probleem lag volgens mij eerder in de interpretaties en duiding van deze waargenomen verschillen, zeker door critici zoals hier nu voor me. Een fraai exemplaar van een besmuikte beroepscategorie die inmiddels de potentie had om de smaak van het publiek en een carrière van de artiest te beïnvloeden. In alle ernst probeerde ik, terwijl ik het glas van de man bijvulde, met hem op één lijn te komen. “Het meest spannend is de verschillen te ontdekken en deze te duiden op basis van reacties van de luisteraars. Zouden we niet kunnen stellen dat ik, als musicus, de magie bepaal en jij als criticus de amusementswaarde”.

Arman Le Jaques -

67


21 mei - Esther en ik liggen inmiddels op het Tunesische strand van Tabarka,

zo’n twintig meter verwijderd van de bruisende golven, tussen een aantal duinheuvels. De zon doet moeite om op te komen. De roterende wind wordt kalmer. In de verte ligt het Romeinse fort Nadur, strategisch gebouwd op een klein schiereiland. We worden vergezeld door Mic-Mac en zijn kameraad. Met Mic-Mac zijn we de vorige dag in contact gekomen, toen ik hem in de stad om uitleg vroeg, naar aanleiding van een verhitte discussie tussen een jongen op een bromfiets, een korte wat oudere man en een tiental omringenden. Het liep uit op een fikse ruzie, waarbij het niet tot een handgemeen kwam, maar de man de jongen ineens in het gezicht spuwde. Volgens Mic-Mac ging het om een tête-à-tête van een werknemer en zijn chef. De jongen had zich namelijk niet afgemeld, maar was gewoon van het werk weggebleven en vond het klaarblijkelijk leuker om op zijn bromfietsje door Tabarka te scheuren. Al pratend, houdt Mic-Mac een kameraad vast en streelt deze schijnbaar onnadenkend over zijn borst. Hij vertelt dat hij artiest is, en al lopend door het stadje concludeer ik dat dit tevens de dorpsgek moet zijn. Hij wijst ons de bakker en het postkantoor, en nodigt ons druk converserend uit, voor een kop koffie in het koffiehuis. Daar aangekomen, vertelt hij onomwonden over z’n opwindend artiestenbestaan, z’n televisieoptredens, z’n immense populariteit en klapt een paar keer in z’n handen om op gepaste wijze onze bestelling te kunnen doorgeven. Mic-Mac is een vierentwintigjarige, vlezige knul, met olijke varkensogen. Hij is niet alleen eenvoudig, maar ook vrij smakeloos gekleed en ziet er veel ouder uit dan hij is. Na een spontane declamatie van een van zijn gedichten, neemt hij ons op een mysterieuze manier mee naar een afgelegen vleugel van het koffiehuis, waar hij ons een verbluffende kaartentruc laat zien, waarop ik welgemeend reageer met een daverend applaus. Naast mij staat de ober en vraagt wat ik wil drinken. We nemen nog een ‘koffie verkeerd’, spelen Domino en besluiten wat uit te rusten van het rijden en het passeren van de grensovergang. Mic-Mac en co. wijzen ons een rustieke plek in de duinen en nemen afscheid. Er wordt afgesproken om halfzeven, in het koffiehuis, om daarna te gaan eten op de folkloristische bruiloft van de zuster van Mic-Mac. Om acht uur tikt Mic-Mac op de VW. We hebben ons verslapen. Volgens MicMac is nu niet alleen alle couscous al op, maar naar zijn stellige overtuiging is de gehele bruiloft zelfs al voorbij. Esther en ik kijken elkaar verbluft aan. In het centrum aangekomen, zijn alle winkels dicht. Morgen begint de Rama-

68

De TRIP


dan. We kopen bij een Afro-Berber Arabische zoetigheden en nuttigen dit in het koffiehuis tijdens het roken van de shisha, of waterpijp, en een spelletje Domino. Die avond lopen we door fluweelzachte regendruppels terug naar de VW-bus. Mic-Mac hangt z’n jas om Esther d’r hoofd. We schudden aan een tak van een boom, waar die middag nog heel veel braamachtige vruchten uit vielen, maar nu niet. De kleine, half verlichte straatjes zijn druk bevolkt door schichtige katten, die weinig moeite hebben om etenswaar te vinden. Mic-Mac schiet af en toe van de ene duinpan naar de andere. Bovenop de ene heuvel staat hij druk te converseren met een strandwacht, waarna hij deze op z’n rug springt. Op de andere heuvel maakt hij muziek op het steelpannetje die hij, na de conversatie met de strandwacht, naast Esther heeft weggeplukt. Dan weer staat hij naast mij karateoefeningen te doen, waarbij ik besluit voor mezelf een pauze in te lassen.

Arman Le Jaques -

69


23 mei - Het is wonderbaarlijk vredig wakker worden, verschillende soorten

vogels te horen die waarschijnlijk al veel langer wakker zijn. Een stromende beek, waarvan het geluid zich vermengt met het geluid van de lauwe wind, die door de takken van de hoge loofbomen mij van achteren bespiedt. Langs de beek, achter ontelbare verwilderde struiken waaruit dieproze bloesems omhoogklimmen staan grijsgroene sparren op glooiende bergen. Een paradijselijke plek. Het blijkt des te vrediger, te meer omdat er geen afspraken zijn gemaakt met Mic-Mac’s die, hoe aardig ook bedoeld, mijn gelukzalige energiestroom wreed doen fragmenteren en vervormen. Alsof de duvel er mee speelt, komt er in de verte een jongeman op me aflopen, die mij eerst vriendelijk groet, om vervolgens te vragen waar ik vandaan kom. Alsof ik het voor het eerst vertel, geef ik hem de informatie omtrent herkomst en initieel doel van de trip. Het stelt hem tevreden. Bij het aanbieden van een sigaret vergeet ik dat dit tijdens de Ramadan een bijna obsceen gebaar is. De jongeman neemt het me niet kwalijk. Ik het hem ook niet. Nadat hij nog een minuut of tien geruisloos op z’n zij naast me blijft liggen, neemt de jongeman vriendelijk afscheid. Ik zeg hem nog vriendelijker gedag en lees terug wat ik heb geschreven: doorgaans vertegenwoordigend, waarschuwt de afgewezen jager wild weggedoken in het gras waarvan de hoogte niet schijnt uit te maken waaraan je komen mag, dus denkt dat dieren dromen duidelijker dan zou kunnen, misschien ondanks een schraal contrast misdadig vaag door vunzigheid misbruikt door trots en droefenis meer zielen dwepen met gezag dan wie dan ook vermoedde

dement van doses dorre overvloed verzwegen in gezang vermeend onnodig blijvend zoeken vertaald tot in het edele schrift vernoemd naar dat wat schijnbaar is, de wereld ooit aanschouwd

doordrenkt verguld vergiffenis zeer velen hebben plaats

70

De TRIP


zelfs als er ooit gebogen is zo zuinig lang gezoogd ook is zorgvuldig wisselt duisternis, de zon net iets te laat

De dag ervoor namen we afscheid van Mic-Mac en co., van wie we in feite sinds de zogenaamde bruiloft van diens ‘zus’ al door hadden, dat zijn manier van communiceren in grote mate werd bepaald door zijn elastische fantasie, die behoorlijk rekbaar bleek te zijn. Kortom, Mic-Mac loog de boel toujours aan elkaar. Al snel hadden we voor elke zin van de artiest een flinke lading zout bij de hand, hetgeen onze kortstondige maar uiterst plezierige relatie nauwelijks in de weg stond. Op zeker moment leek onze meegaandheid en acceptatie van zijn kronkelige geest door hem bijzonder op prijs te worden gesteld. Wij vonden het leuk om af en toe samen met hem te dollen, en hij kon op een erg verdienstelijke manier z’n artiestenei kwijt. Want dat zijn gedrag vooral bedoeld was als vorm van entertainment, en dus rechtstreeks verband hield met z’n artiest-zijn, werd snel duidelijk. Entertainment, niet in laatste instantie voor ons, als zijnde zijn eregasten, zichzelf en zijn vriend deed hij daar ook een groot plezier mee. Hoewel Esther en ik af en toe nog gokken op een mogelijke waarheidsfactor, zoals bij beloften over het grote Ramadan feest, Mic-Mac’s folkloristisch optreden in een nachtclub, de Berbers bezoeken in de bergen, of zijn vermaarde exclusieve dans met een twee meter lange wurgslang, die hij elke dag voedert met twintig eigenhandig gevangen levende krabben, het blijkt uiteindelijk toch meer valse hoop, dan pure kansberekening. Desalniettemin is een ‘promenade’ door Tabarka met Mic-Mac en co. een waarlijke gebeurtenis. Volgens Mic-Mac hoeft hij zich vanwege zijn artiest-zijn niets aan te trekken van de Ramadanvoorschriften, maar houdt hij wel rekening met anderen wanneer hij zich, voor zonsondergang, tegoed wil doen aan iets lekkers. Ik moet toegeven, op een vrij artistieke manier. Zo staan Mic-Mac en ik ‘s middags een bestelling te doen bij een soort melkboer die ook postzegels verkoopt, met nog zo’n vijf wachtenden voor en achter ons. Nadat mijn tien bestelde stukjes scheef afgesneden worst zijn gewogen, vraagt Mic-Mac de melkboer, voordat de worst wordt ingepakt, hem twee stukjes te overhandigen. Zelf vind ik dat een bijzonder leuke gewoonte. Ik krijg van Mic-Mac het ene stukje, dat ik direct tussen mijn lippen duw. Mic-Mac kijkt op dat moment echter drie keer schichtig naar links en een paar keer naar rechts. Vier wachtenden staan nog steeds rustig te wachten. Terwijl ik mijn stukje langzaam doorslikt, knielt Mic-Mac als door een projectiel getroffen, op z’n hurken, Arman Le Jaques -

71


beweegt z’n hoofd tussen mijn navel en de glazen vitrine en manoeuvreert zijn stukje worst met gekromde hand in zijn mond op zo’n manier dat zijn hele gezicht wordt afgedekt. De melkboer is al een tijd klaar met het inpakken van de rest van de worst en wacht ingetogen op onze volgende bestelling. Er staan nu inmiddels zes wachtenden achter ons. Op het moment dat Mic-Mac, nog steeds gehurkt, met z’n hand voor zijn mond de melkboer tevergeefs probeert duidelijk te maken dat ik ook nog kaas moet hebben, neem ik het van hem over en bedank hem zwijgend voor z’n show. Wanneer Mic-Mac zijn energieke optimum bereikt, hetgeen vaker wel dan niet het geval is, dan is hij niet meer af te remmen. Over iedereen in het stadje weet hij wel een anekdote te vertellen. Als we langs een kapperszaak lopen, waar twee speakerboxen buiten staan die opgewonden Arabische klanken voortbrengen en ik een kijkje in de zaak probeer te nemen, zie ik Mic-Mac voor één van de kapperspiegels met een geleende kappersborstel zijn haar borstelen. Als Esther en ik in een lekkernijwinkeltje iets zoets staan uit te zoeken en tegelijkertijd een blik in de keuken werpen, zien we Mic-Mac ondertussen lekkernijen verkopen aan wat kinderen. Dit alles wordt omlijst door Mic-Mac’s kameraad, die constant om hem in een deuk ligt. Bij ons afscheid vertelt Mic-Mac me tussen de gebruikelijke vier zoenen door, dat hij blij is dat hij mijn pet mag houden. Ik word me er op dat moment van bewust dat hij deze inderdaad nog op heeft. Mijn ongenoegen over het feit dat hij niet eerst vraagt of hij de pet mag houden, sublimeer ik echter ter plekke en met volle overtuiging. Na de vierde zoen vertel ik Mic-Mac, dat ik er absoluut zeker van ben dat de pet in goede handen is. Wanneer Mic-mac opnieuw begint met een serie zoenen en ik me vertwijfeld afvraag of hij ook op een goed hoofd zit, vrij naar Marley’s “Who the cap fits, let him wear it”. In de beek zien we een aantal kleine waterslangen en ik vraag me af of ze giftig zijn. Nu, na een aantal weken, begint mijn huid eindelijk z’n natuurlijke kleur aan te nemen. Verderop ligt een hond, waar Esther zojuist een uitgebreid ontbijt voor heeft gemaakt, voor pampus. We zijn het er beiden over eens, dat we nog lang geen behoefte voelen om naar huis te rijden, maar zijn desondanks ontzettend benieuwd hoe onze eigen hond, Sato, het maakt. We zien twee kleine jongetjes zwemmen en besluiten ook een duik in het slangenmeer te nemen. Terwijl ik mijn Arabische slippers uitschiet zeg ik tegen Esther dat als de dogmatiek het van een ruzie om een verboden appel moet hebben, er bij ons op dit moment weinig eer te behalen valt. “Zeker niet op dit Islamitisch Afrikaanse continent” valt Esther me bij. Als ze mij ineens achterna rent schreeuw ik: “Salaaaaaaaaaaaaaam” en verdwijn met een natuurlijke duik onder water”.

72

De TRIP


De themanacht tot slot Het uitbundige publiek in ‘De Waard’ laat mij niet zomaar vertrekken. Een mobiele ringtone wordt hoorbaar. Dit geluid wordt op zeker moment overstemd door het applaus dat pas verstild als ik, op spontaan advies van mijn in de coulissen wachtende uitgever, lichtelijk uitgeput wederom het podium betreedt. “Zij hebben makkelijk praten” denk ik nog, “zij houden gewoon hun mond”.Ik bedank mijn toehoorders en spreek de hoop uit dat het publiek van mijn voordracht niet noodzakelijk iets onthoudt maar in ieder geval iets zou kunnen bewaren. Na een kort moment vervolg ik “Laten we dat bewaren voor het gemak maar benoemen als een vorm van geestelijke conservatie,

zonder driften, denken, delen voor een duizelend koppig publiek zonder schroom gekuist, geketend aan een appels etende slang

rondom een boek en zeven kaarsen één van ons is hier geweest om rond te neuzen, stof te blazen nederig en gewend aan God ons vertrouwen is ons lot

maar sneller gaat het dan voorheen zonder zoveel ruimte te laten voor een half vertraagde foto die, ook al viel hij matig tegen, nog steeds zijn oude functie heeft hoor eens al die actie, tussen die serene rust je hoeft al lang niet meer naar buiten of je in te laten sluiten geld omwisselen kan overal

een flinke slok is tegen wormen ’t zelfde hart maar vele vormen een doffe spiegel voor ’t gezicht keer dan uw andere wang toe werd eens contemporain gedicht Arman Le Jaques -

73


Voordat ik het ronde podium verlaat, kijk ik voor de laatste maal het inmiddels staande publiek in en dacht even Esther te zien staan. Even dacht ik aan die zinnen, die voor ons zo van toepassing waren geweest:

“ voor je het weet is het voorbij niets is van jou en niets meer van mij waarom het nooit is goed gegaan je bleef zo’n eind van mij vandaan “

Het was verbeelding. Het was tijd voor een nieuw boek.

74

De TRIP


Arman Le Jaques -

75


76

De TRIP


De Trip