Issuu on Google+

4

Interview

medische innovatie en technologie - april 2011

“Ik wil dat medici van techniek leren houden” Interview met prof. dr. Ivo Broeders

Tekst: Jan Franke Foto’s: Job Schlingemann

Ivo Broeders is gastro-intestinaal chirurg aan het Meander Medisch Centrum Amersfoort en hoog­ leraar robotica en minimaalinvasieve interventies aan de Universiteit Twente. In 2000 werkte hij als eerste chirurg in Nederland met robottechnologie in de operatiekamer. Sindsdien is Broeders nauw betrokken bij de laatste ontwikkelingen in de robottechnologie als uitvoerend chirurg, ontwikkelaar, hoogleraar en pleitbezorger. Reden genoeg om eens bij Broeders op de koffie te gaan nabij zijn kantoor in het Meander MC. Nog voor ik de laatste zin van mijn eerste vraag heb afgemaakt moet Broeders zich excuseren: een dringend telefoontje dirigeert hem naar de operatiekamer. Niet veel later is hij terug en ontstaat een boeiend gesprek, waarin het enthousiasme en de ambitie aan alle kanten van de geïnterviewde afstraalt. Een interview met een chirurg én pionier die werkt op het snijvlak van de medische en technische wereld. Er bestaan veel misverstanden over de manier waarop robottechnologie door chirurgen wordt ingezet. Kunt u enkele van deze misverstanden uit de wereld helpen? ‘Aan de opleiding technische ge­ neeskunde van de Universiteit Twente houd ik mij bezig met ro­ botica, een algemene term die in dit verband verwijst naar com­ plexe elektromechanische ap­ paraten voor een nieuwe genera­ tie chirurgische toepassingen. In de kliniek van het Meander MC werk ik met de technologie zo­ als die nu beschikbaar is. Hoe­ wel de toepassingen die door mij worden gebruikt in de volksmond doorgaan voor ‘robotchirurgie’ en ik daarom soms ‘robotchirurg’ wordt genoemd, dekt deze term de lading niet afdoende. Mijn vakgebied is het inzetten van complexe endoscopische tech­ nologie bij kijkoperaties. Kijk­ operatie is een vervelend woord dat suggereert dat er slechts ge­ keken wordt. Je doet hetzelfde als bij normale operaties, maar tracht de schade aan de buiten­ zijde van het lichaam zoveel mo­ gelijk te beperken. Je brengt een camera het lichaam in, blaast de lichaamsholte op en maakt een paar kleine sneetjes. Daar breng je de buisjes in waardoor je ope­ reert. Dit is een heel breed toege­ paste techniek die wordt gebruikt door onder andere neurochirur­ gen, KNO-artsen, algemeen chi­ rurgen, gynaecologen, orthope­ den en urologen. Het woord ‘robot’ in ‘robotchi­ rurgie’ suggereert een mate van autonomie die niet bestaat. Wat wij robottechnologie noemen is in feite telemanipulatie: het uit­

voeren van bewegingen over af­ stand. Robottechnologie moet chirurgen helpen de tekortko­ mingen van de endoscopische techniek te overwinnen. Robot­ technologie laat endoscopische chirurgie ‘voelen’ als een gewone operatie, waarbij het brein en het lichaam van de chirurg volledig inzetbaar zijn. Je kan zien wat je doet met diepte én schaduwwer­ king. Dit geeft meer controle over het werkveld en maakt de chirurg onafhankelijk van een camera­ man die de beelden genereert. Het grote voordeel van de ro­ bot is dat je heel precies en vol­ ledig trillingvrij kan werken op een heel klein oppervlak. Door een computer te plaatsen tussen de chirurg en zijn instrumenten, worden de signalen verfijnd en verbeteren de prestaties. De be­ wegingen worden in fracties van seconden overgebracht. Het re­ sultaat van die bewegingen moet, met een maximale vertraging van 15 milliseconden, ook weer zicht­ baar zijn. Dit alles vindt binnen een gesloten circuit plaats. Verder is het belangrijk dat je tijdens de operatie alle gewrichten optimaal kunt inzetten om het werkveld te benaderen. Door het gebruik van de robot kan de chirurg op enige afstand van de operatietafel ope­ reren vanuit een optimale hoek en onder veel betere ergonomi­ sche omstandigheden.’ In 2006 sprak u in een interview met het tijdschrift Magma uw zorgen uit over de toekomst van de techniek die u in Nederland introduceerde. Wat is er de afgelopen jaren gebeurd, en hoe staat uw vakgebied er nu voor? ‘Ik bedoelde toen vooral dat de voordelen van de technologie wel werden ervaren door de chirur­ gen die ermee werkten, maar de superioriteit van de toepassing moeilijk wetenschappelijk aan­ getoond kon worden. Het was duidelijk dat de voordelen van de robot in getal uitgedrukt konden worden in laboratoriumopstel­ lingen; het was aangetoond dat mensen zonder veel ervaring ge­ compliceerde opdrachten met de robot veel sneller, beter, en pre­ ciezer uitvoerden dan wanneer ze een kijkoperatie zonder de tech­ niek uitvoerden. De moeilijkhe­ den zaten elders. Chirurgen kun­ nen bestaan bij de gratie van de vergeeflijkheid van het menselijk lichaam. Het menselijk lichaam heeft een enorm incasseringsver­ mogen en kan ontzettend goed herstellen, ook van chirurgische ingrepen. De verwachting was dat de robot de meeste kans had om door te breken in de hartchi­ rurgie. Dat je in het laboratorium kunt aantonen dat je knoopjes of hechtingen met de robot perfect kunt leggen, betekent niet auto­ matisch dat je een beter resultaat

boekt. Relevante vragen in ons vak zijn namelijk ook: is er min­ der pijn? Is het resultaat duurza­ mer? Is het eindresultaat beter? Gegeven die omstandigheden is het lastig om het verschil aan te tonen tussen ‘goed’ en ‘heel erg goed’. Daaruit volgt ook dat het lastig is de superioriteit van een nieuwe technologische toepassing we­ tenschappelijk te bewijzen. De Amerikaanse producent van de ‘Da Vinci-robot’, die tot op heden het alleenrecht op het produceren van de technologie heeft, liep te­ gen dit soort problemen aan toen ik het interview aan Magma gaf. De operatierobot is het enige pro­ duct dat zij maken. Volgens het typisch Amerikaanse investe­ ringsmodel dat deze producent hanteert, moesten ze in 2006 een break-even point bereiken. Daar­ na moesten ze snel naar de beurs om winstgevend te worden. Maar het zag er allemaal zeer somber uit omdat de superioriteit van de technologie niet wetenschappe­ lijk kon worden aangetoond. Rond 2006 kwam het omslag­ punt voor de leverancier van de Da Vinci-techniek. De markt voor robottechnologie verschoof van hartchirurgie naar urologie. In de urologie lag de superioriteits­ claim en het potentieel tot me­ disch en commercieel succes. De robot werkt zo precies dat bij het verwijderen van de prostaat van een patiënt met prostaatkanker minder urinelekkages en minder potentiestoornissen optreden. Toch bleef het probleem bestaan dat de bewijslast vanuit onder­ zoek niet voldeed aan de hoogste normen van het Oxford Centre for Evidence-based Medicine. De be­

Prof. dr. Ivo Broeders

tiënten die met prostaatkanker gediagnosticeerd worden, via in­ ternet op zoek gaan naar cen­ tra waar robottechniek aanwe­ zig is. Sterker, als een ziekenhuis

De medische markt is vrij traditioneel. De basistechniek van de huidige flexibele endoscopen is ontwikkeld in de jaren ’60

wijslast kwam slechts tot niveau 2 op deze schaal, zonder uitzicht op betere resultaten. Desalniettemin was het suc­ ces van de toepassing in de urolo­ gie vooral in de Verenigde Staten voldoende om de bal te laten rol­ len. Het werd opgetuigd met een fantastisch marketingprogram­ ma. Er gingen allerlei informa­ tiestromen naar patiënten, waar­ uit bleek dat prostaatkanker het beste kon worden behandeld met een robot. Het aantal verkopen en ingrepen steeg exponentieel. Nederland volgde die trend. Tus­ sen mijn eerste operatie in Ne­ derland met de techniek in 2000 tot aan 2007 veranderde weinig in de manier waarop de techno­ logie werd ingezet. Vrij plotseling kwamen drie Nederlandse cen­ tra in 2007 met robotsystemen. Nu zijn dat er elf. Tegenwoordig is het in Nederland al zo dat pa­

geen robottechnologie heeft ver­ liest het bepaalde behandelin­ gen, waaronder prostaatkanker, endeldarmkanker en bekkenbo­ demchirurgie. Kortom, qua im­ plementatie en acceptatie van ro­ botchirurgie in Nederland zit het tegenwoordig wel goed. De klinische bewijslast loopt hiermee nog steeds niet paral­ lel en is op het niveau van 2006 gebleven. Voor de prostaatbe­ handeling gaat het bewijs op het gewenste niveau nooit geleverd worden, omdat het niet meer mogelijk is om zo’n vergelijkend onderzoek te starten. Patiën­ ten willen direct geholpen wor­ den en zijn tegenwoordig nauwe­ lijks meer bereid om aan dit soort grootschalige onderzoeken mee te doen. Een ander, belangrijk probleem is dat de frequentie van de kwalen waarbij de robot inge­ zet kan worden, te laag is om een

groot vergelijkend onderzoek te laten uitvoeren.’ De Amerikaanse producent van de Da Vinci-robot voert een keihard commercieel beleid en maakt potentiële toetreders tot de markt het leven zuur. Is de markt voor robotchirurgie desondanks wel in beweging? ‘In de markt van de robot-endo­ scopische technologie doordrin­ gen is nog steeds vrijwel onmo­ gelijk. De producent heeft die markt volledig afgeschermd door patent op patent op patent te sta­ pelen. Toch gebeurt er geluk­ kig van alles. Ik ben samen met prof. Maarten Steinbuch van de Technische Universiteit Eindho­ ven eerste promotor van Linda van Beedem. Zij ontwikkelt het concept voor een robot die wordt vastgekoppeld aan de operatieta­ fel in plaats van een los model. In dit concept zitten een paar paten­ ten en het geheel wordt nu omge­ zet in een business case. Ik zie voor dit model zeker kan­ sen, vanwege specifieke eigen­ schappen die het geschikt maken voor niches als zintuigchirurgie en microchirurgie. Niches waar­ in de Da Vinci-robot zich niet be­ weegt. Andere partijen zijn be­ zig met vergelijkbare projecten.


5

Interview

april 2011 - medische innovatie en technologie

Incisie

Broeders discussieert met een collega

Qua implementatie en acceptatie van robotchirurgie in Nederland zit het tegenwoordig wel goed

Broeders bestuurt de robotarm op afstand

Onderzoek doen is niet het pro­ bleem, het in de markt zetten wel.’ Met welke technologische innovatie houdt u zich momenteel aan de Universiteit Twente bezig? ‘Concrete vorderingen in de me­ dische praktijk worden op dit moment vooral geboekt op het gebied van single incision surgery, een vorm van minimaalinva­ sieve chirurgie. Hierbij wordt de navel gekozen als veilig en lo­ gisch toegangspunt, en blijft het risicoprofiel gelijk aan dat van gewone kijkoperaties. In Twente houd ik mij bezig met een expe­ rimentele variant hierop: Natural Orifice Transluminal Endoscopic Surgery (NOTES). Bij NOTES worden littekens aan de buiten­ kant van het lichaam geheel ver­ meden, doordat de endoscopen via de natuurlijke lichaamsope­ ningen ingebracht worden. Deze ontwikkeling impliceert echter dat het design van het chirur­ gisch instrumentarium revoluti­ onair moet veranderen. Chirur­ gen werken nu met losse, starre instrumenten die vanuit meer­ dere hoeken ingebracht worden. Voor NOTES moeten we naar één instrument - een beweegbare slang met werkkanalen - waarin

parallel chirurgische instrumen­ ten ingebracht kunnen worden. Zowel de wijze waarop het opera­ tieterrein wordt behandeld als de aansturing is totaal verschillend. Het was duidelijk dat hightech nodig was om het concept prak­ tisch toepasbaar te maken. Tra­ ditionele kijkoperaties zijn ergo­ nomisch al lastig voor de chirurg, maar op die manier met de hui­ dige flexibele endoscopen ope­ reren is onbegonnen werk. Het NOTES-concept spreekt ons zeer aan, al denk ik niet dat het toe­ gepast zal worden bij echte ope­ raties aan de blindedarm of de galblaas. Bij deze operaties ga je namelijk de maag- en buikholte in. Je vermijdt dan weliswaar een paar kleine sneetjes bij de buik­ wand, maar je vergroot het risi­ coprofiel van de operatie ingrij­ pend. Een gat in de maag dient namelijk wel goed te genezen om het risico op buikvliesontsteking - een gevaarlijke complicatie - te vermijden. Wij denken dat NOTES ge­ bruikt zal worden voor operatieve ingrepen aan de binnenkant van holle organen zoals de slokdarm, maag en dikke darm. Ziektes ont­ staan meestal aan de binnenbe­ kleding, de mucosa. Daar ligt het snel delende weefsel waar ma­ ligniteiten ontstaan. Die ontdek­

ken we vaak pas in een gevorderd stadium. Dan moet je al een heel segment uit het orgaan wegha­ len, en dien je het probleem van de buitenkant te benaderen. Met vroege detectieprogram­ ma’s kunnen we veel kwalen tijdig behandelen. Hiervoor is technologie vereist die veel ver­ der gaat dan wat flexibele endo­ scopen nu kunnen. Ons Teleflexproject richt zich op het verder ontwikkelen van flexibele endo­ scopen met chirurgische werk­ kanalen. De endoscopen worden gemaakt door grote fabrikanten die de prototypen fabriceren. Wij ontwikkelen hiervoor het telema­ nipulatieconcept dat bestaat uit een cockpit waar vanuit de aan­ sturing plaatsvindt en een koppe­ lingseenheid waar de endoscoop als het ware in wordt geklikt. Hiermee slaan we twee vliegen in één klap. We maken een com­ plex chirurgisch instrument be­ stuurbaar én zorgen ervoor dat de chirurg vanuit die cockpit ver­ schillende diagnostische en the­ rapeutische mogelijkheden kan integreren. Denk hierbij aan en­ do-echografie, inzoomen door high magnification en allerlei vor­ men van licht en kleuringstech­ nieken die tegenwoordig gebruikt worden om maligniteiten te on­ derscheiden (zie ook het artikel

“Fluorescerende stof verhoogt zichtbaarheid tumoren” op pagi­ na 2). Het potentieel hiervan is zeer groot. Er komen zo veel tech­ nieken beschikbaar om aan de binnenkant van organen onder­ scheid te maken en aan weef­ seldetectie te doen. Ons streven is om vanuit een geavanceerde cockpit bijvoorbeeld een stukje weefsel uit de binnenkant van ie­ mands darm te kunnen snijden, terwijl we ook de diagnostische mogelijkheden benutten die we in de endoscoop willen integre­ ren. De chirurg moet over dit al­ les zelf de controle behouden. Nu zijn de activiteiten in de opera­ tiekamer vaak gefragmenteerd: “daar staat een zuster, daar een radioloog, en daar nog iemand die aan een paar knoppen staat te draaien”. Dat moet beter kunnen. Telemanipulatie werkt tweeledig: het maakt operatief ingrijpen met complexe flexibele instrumenten behapbaar, en het brengt ande­ re vormen van hightech binnen handbereik van de operateur. We zijn met dit project inmid­ dels halverwege. We werken nu aan het eerste prototype voor de aansturing van de endoscoop op basis van telemanipulatie. Nu willen we de instrumenten ook door de chirurgische werkka­ nalen gaan aansturen. Teleflex is een hoofdproject, gericht op de verre toekomst: op een nieu­ we manier van denken én op het werken met hightech. De weg naar het aantonen van de supe­ rioriteit is lang en nog niet door ons ingeslagen. Voorlopig valt er nog helemaal niets te vergelij­ ken, omdat het een totaal nieuwe tak van sport is. Eerst moeten we met Teleflex een langdurig traject van experimentele chirurgie in. Toch werken we niet alleen aan ontwikkelingen die – en dit be­ doel ik niet hoogdravend – aan bestaande paradigma’s morrelen. Terwijl we aan dit grote project werkten, vielen ons onvolkomen­ heden op aan de flexibele endo­ scopen die massaal in de dage­ lijkse praktijk worden gebruikt. Waarom zijn die dingen eigen­

lijk zo onhandig? Waarom zitten er twee parallelle draaiknoppen aan, terwijl je aan het uiteinde van de endoscoop het werk doet? Toen een logisch antwoord op deze vragen uitbleef startten we het Scope Support Project, ons eerste grote spin-off project. We ontwikkelen een robotje dat alle­ daagse endoscopen op een nieu­ we, elektromechanische manier aanstuurt waardoor de besturing veel intuïtiever is. We denken dat we basale flexibele endosco­ pie makkelijker, sneller en met minder pijn kunnen laten verlo­ pen. Dit project gaat heel goed. We hebben er veel plezier en hoge verwachtingen van.’ Verwacht u dat het eenvoudiger zal zijn om de superioriteit van het robotje uit uw Scope Support Project volgens de Oxford-normen aan te tonen? ‘Zeker. We richten ons met name op coloscopieën, relatief simpele onderzoeken voor de screening van darmkanker die twintig mi­ nuten tot een uur duren, en die op zeer grote schaal worden uit­ gevoerd. Door de hoge frequen­ tie van deze ingrepen kunnen we eenvoudiger aan de eisen voor vergelijkend onderzoek voldoen. Wij verwachten dat we in korte tijd de effectiviteit van dit sys­ teem op het hoogste niveau kun­ nen bewijzen. Dat moet ook wel, omdat we dit product echt voor de markt ontwikkelen. Volgens mij maken wij een se­ rieuze kans om met Scope Support de gangbare manier van werken ingrijpend te veranderen. Toch hebben wij niet iets heel briljants of ingewikkelds gebracht. De me­ dische markt is vrij traditioneel. De basistechniek van de huidige flexibele endoscopen is ontwik­ keld in de jaren ’60. Natuurlijk zijn deze in de loop der jaren wel verbeterd door het gebruik van bijvoorbeeld glasvezel en came­ ra’s. Maar de aansturingscock­ pit is niet veranderd, en daar zijn artsen aan gewend geraakt. Gewenning betekent alleen niet dat het een logisch concept is. Dat was in 1960 misschien


zo, maar met de kennis en tech­ nologie van 2011 zeker niet. Er moet iemand opstaan die zegt: “Je werkt al 50 jaar zo, het is tijd voor iets anders”. Met het Scope Support Project doen wij dat. Het is aan ons te bewijzen dat wij een model ontwikkelen dat de kos­ ten niet waanzinnig opdrijft, ter­ wijl de effectiviteit sterk verbe­ tert. In praktische zin gebeurt er veel: Demcal, oorspronkelijk een spin­off bedrijf van de Universi­ teit Twente, is onze partner in het subsidietraject en de bouwer van het prototype. Een endoscoop­ bouwer die 80% van de markt in handen heeft is zeer geïnteres­ seerd. De sterren staan gunstig. Om mee te werken in een bedrijf waar de toepassing echt gepro­ duceerd wordt, is voor mij een fantastische aanvulling op mijn werkzaamheden.’ In de oratie die u hield bij uw aantreden als hoogleraar in Twente merkte u op dat de technologische ontwikkelingen in de zorg zo snel gaan dat artsen ze niet meer kunnen bijhouden. Stelt het u teleur dat het in sommige gevallen zo lang duurt voor technologische innovaties doordringen in de medische wereld? ‘Medici zijn traditioneel sterk gericht op klinische parame­ ters: opnameduur, operatieduur, bloedverlies, complicaties, incon­ tinentie en in zijn algemeenheid meetbare functionele uitkomsten. De vraag met het inzetten van dit soort hightech is: moet we niet op een andere manier gaan kijken? Is de mogelijke aantoonbaarheid

van de superioriteit van dit soort technologie op zich al niet vol­ doende noodzaak om ertoe over te gaan? Ik stoei zelf ook nog met dit soort kwesties. Het is duide­ lijk dat de nieuwe technologische ontwikkelingen van artsen een andere manier van kijken naar uitkomsten, behandelresultaten en kosteneffectiviteit vragen. De crux zit hier: we maken de tech­ nologische slag wel op de werk­ vloer, maar nog niet in de manier waarop wij onderzoek bedrijven. Dit is een lastige kwestie waar ik het antwoord nog niet op heb ge­ vonden. Een ding is duidelijk: een nieuwe manier van kijken naar klinisch onderzoek is noodzake­ lijk om het overleven van dit soort technologische innovaties in de zorg mogelijk te blijven maken. In de huidige situatie is het voor een aantal grote klinieken niet alleen geaccepteerd, maar ook essentieel om de behandelingen met behulp van hightech die ze nu doen te blijven doen, terwijl ze op het gebied van wetenschap­ pelijk onderzoek de traditionele normen blijven hanteren. Een persoonlijke teleurstel­ ling is dat vooral chirurgen tech­ nologie te weinig omarmen. Een aantal jaar geleden hield ik mij in het Medisch Centrum Utrecht bezig met het neerzetten van een computergestuurde opera­ tiekamer voor kijkoperaties. Ik vind dat je daarmee de ideale we­ reld kan creëren voor endosco­ pische chirurgie omdat de chi­ rurg de controle krijgt over alle randapparatuur. Onderdeel van deze kamer was een touchscreen waar een steriel hoesje overheen

werd geplaatst zodat de chirurg niet meer afhankelijk was van de operatieassistenten die het tou­ chscreen moesten bedienen. Het proces wordt ­ vind ik ­ veel effi­ ciënter en veiliger zodra je con­ trole hebt over de spullen waar je mee werkt. Maar er was heel wei­ nig interesse voor dit idee. Als ik niet opereerde, klapten anderen dat scherm weg, waarna zij nog steeds de ‘omloop’ vroegen al die apparatuur te bedienen. In bredere zin merk ik nog steeds dat chirurgen in opleiding vooral gefocust zijn op de opera­ tie zelf, en niet op de hightech­ apparatuur waar ze mee werken. Het stelt me teleur dat de oplei­ ding en de affiniteit voor techniek van chirurgen in opleiding ach­ terblijft bij de waanzinnige tech­ nologische ontwikkelingen. Ik zou zeggen: “mensen, dit is jul­ lie toekomst. Zorg dat je het be­ grijpt, en dat jij degene bent die aan anderen kan uit leggen wat er gedaan moet worden om het proces vlot kan trekken als er iets niet werkt”. Dat is moeilijk, omdat er affiniteit voor techniek moet ontstaan in een zeer tra­ ditionele opleiding die sterk ge­ richt is op ziekte, anatomie en operatievolgordes en processen. Maar toch: iedereen kan zien in welk tempo technologie de maat­ schappij verandert. Het kost veel moeite om mensen te laten be­ grijpen dat ze van hightech moe­ ten hóuden in plaats van het te zien als een noodzakelijk kwaad. Misschien vinden mensen mij maar een rare “technofreak”, maar ik denk de mensen die suc­ cesvol gaan zijn als chirurg dege­

7

Interview

april 2011 - medische innovatie en technologie

nen zijn die technologische ont­ wikkelingen al vroeg omarmen. Dat probeer ik te benadrukken. En dat zal ik wel tot mijn pensi­ oen blijven doen.’

generatie afgestudeerden de ar­ beidsmarkt. We zien dat veel alumni blijven hangen bij de or­ ganisaties waar ze hun afstu­ deerstage hebben gelopen. Vaak belanden ze in promotietrajec­

De chirurgen die technologische ontwikkelingen al vroeg omarmen zijn de chirurgen die succesvol zullen worden

Hoe geeft u vorm aan deze ideeën tijdens uw onderwijstaken? ‘Het blijkt zeer moeilijk om de hightechontwikkelaar en eind­ gebruiker te verbinden. Daarom falen zoveel producten die inten­ tioneel en conceptueel heel goed zijn; ze zijn niet voldoende aan­ gepast aan de eindgebruiker. Aan de Universiteit Twente do­ ceer ik hoe wij in de dagelijkse praktijk van een ziekenhuis met veel hightech werken. Een deel van mijn taak is technisch onder­ wijs ­ voor zover ik dat als dok­ ter begrijp – het andere deel is begripsvorming. De filosofie is: om de inzet van hightech (of het ontbreken daarvan) te begrijpen, moeten we ons in de eindgebrui­ ker verplaatsen. Door studenten te leren begrijpen hoe wij werken in de operatiekamer leren ze ook hoe innovaties in de markt gezet moeten worden. Ik geef les aan het einde van het derde jaar van de opleiding technische geneeskunde; dat is de fase waarin we ze naar de praktijk proberen te tillen. Op dit moment betreedt de tweede

ten, sommigen krijgen een vas­ te aanstelling. Het is een pittige fase, want de markt in zijn geheel is nog aan het wennen aan het nieuwe concept waarbinnen wij onze studenten opleiden. Het be­ drijfsleven springt hier veel beter op in, maar we willen graag veel van onze alumni in het primaire zorgproces onderbrengen. De be­ hoefte is er wel, nu de vacatures nog. Promotietrajecten zijn ide­ aal, omdat hoog opgeleide maar nog jonge technisch geneeskun­ digen in de loop van vier jaar hun onmisbaarheid kunnen bewijzen, en ze creëren tijd om geld voor een vaste aanstelling te zoeken. Onze studenten zijn de eerste schapen die over de dam gaan en maken zich soms best zor­ gen. Ze vragen mij: “waar kan ik nu precies terecht?” Ik maak me hier weinig zorgen over. De markt voor medische innovaties is gigantisch aan het boomen, en ik ben ervan overtuigd dat mijn studenten hierop gaan meelif­ ten. Maar kom over vijf jaar eens terug. Dan vertel ik vermoedelijk weer een heel ander verhaal.’ ●


Interview Ivo Broeders