Issuu on Google+

D OE MAAR

1


Mijn dank gaat uit naar Jantsje van der Veen die erg betrokken is geweest bij het samen stellen en redigeren van de methode. Ook Janneke Po elman en Grieke Blom wil ik bedanken voor hun inzet waaronder het maken van diverse tekenen. Emmy Spronk-Moolenaar wil ik bedanken voor het redigeren van d e lessen. Verder hebben meegewerkt aan h et tot stand komen van de methode: Mirjam Stienstra Margriet Huizinga Grieke Blom Berber Brouwer Margreet van Dijk Debbie Janga Bedankt voor jullie creatieve inbreng! Drachten, 2010 Corrie Tolsma

Copyright: Š Corrie Tolsma, 2000 - 2010, Drachten 1e druk 2010

A LLE RECHTEN VOORBEHOUDEN Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Corrie Tolsma. Doe maar is uitgegeven door Stichting Doe maar MichaĂŤlsberg 6 9202 CZ Drachten internet: www.stichtingdoemaar.nl e-mail: info@stichtingdoemaar.nl

D OE MAAR

2


D OE MAAR

3


Waarom deze onderwijsmethode? De onderwijsmethode die voor u ligt is uniek. Het brengt het evangelie op een manier die aansluit bij het kind van nu. De kinderen leren Gods heilsplan kennen en toe te passen in hun leven; ze leren een relatie met onze Heer Jezus Christus aan te gaan en te onderhouden. Gods heilsplan – van de schepping tot aan de toekomst – wordt zeer breed aan de orde gesteld. Zorgvuldig gekozen bijbelgedeelten zijn bij iedere les het uitgangspunt. De onderwijsmethode is uniek, omdat het de kinderen leert het evangelie in hun eigen leven te ervaren en het zich eigen te maken. Het is gelukt om – zonder concessies te doen aan de Boodschap – een programma te ontwikkelen dat aansluit bij de belevingswereld van het kind van de basisschoolleeftijd. De vorm waarin het evangelie wordt gebracht is op hen afgestemd. De leiders van christelijk kinderwerk zijn in een andere tijd opgegroeid dan het kind dat zij onderwijzen. De meeste onderwijsmethoden van christelijk kinderwerk sluiten aan bij de leerstijl van de leiders, maar niet bij die van het kind. Deze onderwijsmethode is daarin anders. Het uitgangspunt van deze methode is telkens dat het aan dient te sluiten bij het kind. Dit betekent wel dat de leiders af en toe zelf een omslag in hun denken moeten maken. Zij moeten leren de boodschap, die zij op een bepaalde manier hebben geleerd, op een andere manier aan de kinderen te presenteren. Als het de leiders lukt deze omslag te maken, zullen zij zien dat de kinderen de boodschap begrijpen en haar zich eigen weten te maken. Veranderingen in de maatschappij Welke zaken zijn er veranderd ten opzichte van enkele decennia geleden? Moeten wij in al die ontwikkelingen meegaan of vasthouden aan hoe wij het hebben geleerd? Hieronder behandelen wij puntsgewijs enkele belangrijke veranderingen en geven daarbij aan hoe wij daarmee omgaan in deze methode. A. De samenleving: een beeldcultuur De kinderen worden voortdurend geprikkeld door oneindig veel mogelijkheden op het gebied van multimedia. Voorbeelden van multimedia zijn: (spel)computer, televisie, iPod, mobiele telefoon. Kenmerkend is dat het snel en flitsend is. Daarom worden de programmaonderdelen in deze onderwijsmethode kort en flitsend aangeboden, waarbij gebruik wordt gemaakt van mediamiddelen.

D OE MAAR

4


B. Kinderen: een grotere rol De kinderen mogen mondi ger zijn. Ouderen passen zich aan omdat een kind iets zegt of doet. Dit zie je ook weer terug bij kinderprogramma’s op de televisie. De dialoog met het kind wordt vaker gezocht, kinderen beïnvloeden met wat zij doen en zeggen de loop van het programma. Daarom wordt er in alle onderdelen van het programma – vertelling, liederen, verwerking e.d. – de interactie met het kind gezocht. C. Leermethode: doen De manier van leren op scholen is gewijzigd. Eerst werd hoofdzakelijk kennis aangeboden. Het kind moest daarna leren deze informatie toe te passen in het dagelijkse leven. Tegenwoordig staat het aanleren van handelingen en het ervaren van het geleerde centraal. Hierin vindt ook kennisoverdracht plaats, maar dat dient het doel om een handeling aan te leren. Het gaat niet meer om wat een kind weet, maar wat het kan. Daarom is deze onderwijsmethode gericht op het aanleren van handelingen. In verschillende stappen werken de kinderen naar dat einddoel toe. D: Wereldbeeld: wat is waarheid? Een belangrijk aspect van een veranderd wereldbeeld is dat ‘waarheid’ niet meer zo vaststaat als decennia geleden. ‘Waarheid’ is pas waar als iemand het heeft ervaren. ‘Waarheid’ wordt bepaald door een individu of een groep mensen. Ook op het gebied van het geloof speelt dit verschijnsel een rol. Een individu bepaalt zelf hoe hij/zij wil leven en wat hij/zij wil geloven. Het geloof wordt door een persoon zelf samengesteld. In deze verandering gaan wij maar gedeeltelijk mee. De kinderen worden aan het denken gezet, door geloofselementen te ervaren, te doen en te reflecteren op hun handelingen. Door deze ervaringen en gedachten kunnen zij uiteindelijk zelf kiezen om God te geloven, de Heer Jezus Christus te aanvaarden i n hun leven en Hem te gaan dienen. Voor ons is echter de waarheid vaststaand. Wij geloven dat Christus De Waarheid is. Alles wat God zegt, is waarheid. Het evangelie, zoals ons dat in de Bijbel wordt geopenbaard, staat vast. In de onderwijsmethode wordt dan ook een zo volledig mogelijk beeld getoond van Gods heilsplan. De kinderen leren de basiselementen zo goed kennen.

D OE MAAR

5


Conclusie: de vorm moet v eranderen! In deze methode is de juiste balans gevonden tussen het aansluiten bij het kind en het recht doen aan de bijbelse boodschap. Bij het maken van de onderwijsmethode gebruiken wij een vorm die zoveel mogelijk aansluit bij het kind van vandaag. Er wordt gewerkt met multimedia, de dialoog met het kind wordt gezocht, het kind ervaart wat geloven is en het kind leert het geleerde toe te passen in zijn of haar eigen leven. De inhoud van Gods boodschap wordt echter op geen enkele wijze aangepast. Het verkondigt duidelijk de bijbelse boodschap van het heil dat wij aangeboden krijgen in de Heer Jezus Christus. De inhoud is het oeroude Evangelie. De vorm is eigentijds.

D OE MAAR

6


Doelen van de onderwijsmethode De doelen van de onderwijsmethode zijn handelings- en ervaringsgericht. Het doel is dat de kinderen veranderen in hun levensstijl en door de handelingen zo vaak te oefenen, ze er eigen mee raken en het een onderdeel van hun leven(sstijl) wordt. Wat er aangeleerd wordt, is verwoord in de vijf hieronder genoemde doelstellingen. Iedere doelstelling wordt verder gespecificeerd in de subdoelen. De kinderen kunnen: 1) hun leven aan Jezus Christus geven; 2) God verheerlijken; 3) groeien in het leven naar bijbelse normen (= gelijkvormigheid aan Christus); 4) zorg dragen voor elkaar en 5) op een plezierige wijze met elkaar spelen en omgaan. Subdoelen van het kinderwerk zijn: 1) De kinderen kunnen hun leven aan Jezus Christus geven. a) De kinderen w eten Wie God (d e Vader, d e Zoon en d e Heilige Geest) is. b) De kinderen kennen d e belangrijkste heilsfeiten. c) De kinderen b egrijpen wat het betekent ‘je leven te g even aan Jezus Christus’. d) De kinderen kunnen zich toevertrouwen aan Jezus Christus. 2) De kinderen kunnen God verheerlijken. a) De kinderen kunnen op verschillende manieren God verheerlijken. b) De kinderen kunnen ondersch eid maken in de verschillende innerlijke houdingen en uiterlijke vormen die je kunt hebben als je God verheerlijkt. c) De kinderen kunnen zelf kiez en welke houding zij willen hebben in het verheerlijken van God. 3) De kinderen kunnen groeien in het leven naar bijbelse normen (= gelijkvormigheid aan Christus). a) De kinderen kunnen onderscheid maken tussen bijbelse en andere normen. b) De kinderen kunnen de manier waarop God met bijbelse figuren aan de groei werkt vergelijken met hun eigen situatie. c) De kinderen kunnen God betrekken bij hun heiliging. d) De kinderen kunnen een st abiel christenleven ontwikkelen door een consist ente geloofsleer. e) De kinderen kunnen hun geloofsleer betrekken bij keuzes die zij in praktijksituaties maken.

D OE MAAR

7


4)

De kinderen kunnen zorg dragen voor elkaar. a) De kinderen kunnen sympathie opbrengen voor ander e kinderen uit de groep. b) De kinderen kennen d e bijbelse houding voor het omgaan met elkaar. c) De kinderen kunnen participeren in de zorg voor elkaar.

5)

De kinderen kunnen op een plezierige wijze met elkaar spelen en omgaan. a) De kinderen kunnen onderscheid maken tussen een plezierige en onplezierige manier van omgaan met elkaar. b) De kinderen kunnen, het onder leerdoel 3 geleerde, toep assen op het sp elen en omgaan met elkaar. c) De kinderen kunnen genieten van h et spelen en omgaan met elkaar.

Na het doorlopen van het hele achtjarige programma – voor alle groepen van de basisschool – heeft het kind een eigen geloofsleer kunnen ontwikkelen (zie doelstelling 3d en 3e). Zij weten waarom mensen wel of niet geloven in God en kunnen voor hun eigen leven bepalen of zij God willen volgen en dienen. Door het programma heen zijn belangrijke bouwstenen voor een geloofsleer verweven. Deze bouwstenen worden thematisch in blokken van enkele lessen aangeboden. Denk hierbij aan onderwerpen als: Wie is God?

(Zijn grootheid, goedhei d, nabijheid-afstand en de drieeenheid)

Wat doet God?

(Gods plan met de wereld en mens en wat Hij nog steeds doet)

De mensheid

(De mens die op God lijkt, zijn oorsprong en zijn blijvende natuur)

Zonde

(De natuur, de oorzaak en gevolgen van de zonde)

Persoon en werk van Jezus (Jezus’ godheid en mensheid en wat Hij voor ons heeft gedaan)

D OE MAAR

De Heilige Geest

(Wie de Heilige Geest is en wat Hij doet)

De Bijbel

(De geïnspireerdheid, betrouwbaarhei d en gezag van de Bijbel)

De kerk

(De natuur, rol en eenhei d van de kerk, avondmaal en doop)

De laatste dingen

(Onze toekomst die God belooft en onze uiteindelijke staat)

8


De opbouw van de onderwijsmethode (midden en bovenbouw) Hieronder worden de uitgangspunten besproken, die ervoor gezorgd hebben dat de onderwijsmethode zijn huidi ge vorm heeft gekregen. Handelings- en ervaringsgericht onderwijs Het kind moet het nut inzien van wat hij moet leren. Het moet relevant zijn voor zijn/haar leven. Als het kind de relevantie inziet en het leert er betekenis aan geven door het te ervaren en toe te passen in zijn leven, dan is het leerrendement hoog. Daarom is gekozen voor handelings- en ervaringsgericht onderwijs. Het sluit goed aan bij het onderwijs op de scholen. De leiders begeleiden het leerproces van het kind door onder andere de interesse te wekken (relevantie aan te tonen), het op tijd van kennis te voorzien, oefeningen aan te bieden, het te stimuleren en het in het grote kader te plaatsen. Chronologische en theologische themablokken De onderwijsmethode is opgebouwd uit zogenaamde themablokken. Een themabl ok heeft een eigen thema met een handelingsgericht (sub)doel. Een themablok bevat vier tot acht lessen. Zie voor een overzicht van de themablokken bladzijde 12 1 . Er zijn twee soorten themablokken te onderscheiden. Ten eerste de chronologische themablokken. In deze blokken worden, gedurende het hele onderwijsplan, bijbelverhalen chronologisch aan de orde gesteld. Ten tweede de theologische themablokken. In deze bl okken wordt een theologisch onderwerp aan de hand van verschillende bijbelverhalen behandeld. Dit zijn als het ware de bouwstenen van de geloofsleer, zoals hierboven is besproken. Driejarige cyclus De middenbouw (groep 3 tot en met 5 van de basisschool) en de bovenbouw (groep 6 tot en met 8 van de basisschool) doorlopen na drie jaar weer dezelfde themablokken. De middenbouw behandelt de themablokken tot een bepaald niveau. In de bovenbouw wordt elk onderwerp nogmaals behandeld, maar het doel gaat een stap verder en het onderwerp wordt verder uitgediept.

1

Het overzicht bevat de th emablo kken voor de middenbouw (groep 3 tot en met 5 van de b asisschool) en de bovenbouw (groep 6 tot en met 8 van de basisschool). De gele blokken zijn de chronologische themablokken. De groene blokken zi jn de th eologische themablokken. Per themablok is het th ema weergeg even. Ied ere r egel van het themablok staat voor een zondag. Er zijn drie kolommen. Iedere kolom staat voor een jaargang.

D OE MAAR

9


Het doel van dez e herhaling is: meer diepgang en het beter eigen maken van de h andeling. Op deze wijze gaan d e kinderen in zes jaar twee maal de Bijbel door. Kwaliteit op elk gebied De kwaliteit van alle onderdelen kan verhoogd worden door de med ewerker s gavengericht in te zetten. Daarmee wordt bedoeld dat de medewerkers daar (hoofdzakelijk) ingezet worden waar zij gaven en talenten voor hebben gekregen. De één doet bijvoorbeeld alleen de vertelling. Een ander doet het zanggedeelte en weer een ander neemt de verwerking voor zijn rekening. Kwaliteit, maar ook persoonlijke aandacht In de onderwijsmethode wordt ervan uitgegaan dat er een aparte voordienst is voor de onder-, midden- en bovenbouw. Hiervoor is gekozen, zodat de kinderwerkers gavengericht ingezet kunnen worden en d e kw aliteit daardoor hoger is. In deze voordiensten wordt met elkaar gezongen, gebed en, het verhaal wordt verteld en eventueel ondersteund door een dramastukje, filmpjes, PowerPoint presentaties e.d. Na deze drie voordiensten gaat iedere ‘bouw’ in kleine groepen uiteen. Deze groep en bevatten tien tot vijftien kinderen. Daardoor is het mogelijk voor de leiding om voor ieder kind aandacht te hebb en. In deze kleine groepen wordt aan het do el gewerkt door bijvoorbeeld: gesprekken, sp elvormen, drama, quizzen of een werkje. Onderbouw Het programma van de onderbouw is anders dan d at van de midden- en bovenbouw. Bij de onderbouw is de methode vooral gericht op kennisoverdracht. Er wordt een basis gelegd voor het verdere programma door diverse bijbelverhalen aan d e orde te stellen. Zie voor meer informatie de inleiding van de onderbouw.

D OE MAAR

10


Begrippenlijst Thema(blok): Er wordt gedurende enkele lessen gewerkt met hetzelfde thema. Er zijn twee soorten themabl okken te onderscheiden. Ten eerste de chronologische themablokken. In deze blokken worden, gedurende de hele onderwijsmethode, bijbelverhalen chronol ogisch aan de orde gesteld. Ten tweede de theol ogische themablokken. In deze blokken wordt aan de hand van een thema een theologisch onderwerp aan de hand van verschillende bijbelverhalen behandeld. Doelstelling: In iedere les wordt de doelstelling van die les, maar ook de doelstelling van het themablok genoemd. De doelstelling per les is een subdoel van de doelstelling van het themablok. Door alle doelstellingen per les te behalen, wordt de doelstelling van het themablok behaald. Kinderdienst: In de onderwijsmethode wordt ervan uitgegaan dat er een aparte voordienst is voor de verschillende leeftijdsgroepen: onder-, middenen bovenbouw. In deze voordiensten wordt met elkaar gezongen, gebeden, het verhaal wordt verteld en er wordt eventueel een dramastukje opgevoerd ter ondersteuning van het verhaal. In de voordienst wordt het thema behandeld. Alle onderdelen werken samen om de doelstelling te behalen. De voordienst duurt ongeveer 45 minuten. Kleine groep: Na de drie voordiensten gaat iedere ‘bouw’ in kleine groepen uiteen. Deze groepen bevatten tien tot vijftien kinderen. Daardoor is het mogelijk voor de leiding om voor ieder kind aandacht te hebben. In deze kleine groepen wordt aan het doel gewerkt door bijvoorbeeld: gesprekken, spelvormen, drama, quizzen of een werkje. De kleine groep duurt ongeveer 45 minuten.

D OE MAAR

11


Meerjaren overzicht In deze ringband is de vierde lessenserie van de tweede jaargang van de onderwijsmethode uitgewerkt.

Leef jij als christen?

Kies jij voor Gods gezin?

D OE MAAR

Meer dan mussen Matteüs 11: 25-30 Kerst Israël in Egypte Mozes’ roeping De plagen Uittocht Sinaï (murmureren) De wetgeving Eredienst Onderwerp 12-j. Jezus in t empel Aanvang arbeid roeping discipelen + bruiloft in Kana Tempelreiniging Zacheüs gered 10 Melaatsen De verloren schaap Pasen Leven 1e gemeente Alle leden 1 lichaam Spel: leden 1 lich. Doop: Kamerling Instelling Av ondmaal De rijke jongeling Pinksteren

Het v olk Israël Richter: Simson

Ruth Ruth Onderwerp Pesten Genesis 1-3 Kolossenzen 3: 5-10 + Romeinen 3: 23-24 Jozef en Pot ifars v rouw Petrus' verraadt+Judas Lucas 6: 27-38+ 43-45 Kerst Samuël Samuël Saul Saul David David Salomo

Leren omgaan Simeons profetische uitspraak over Jezus met wat Jezus Genezing verlamde

voor je gedaan Verzoeking woestijn heeft Sterven/ opstanding God belooft eeuwig leven Pasen Jerobeam/ Rehabeam: slechte koningen Achab: slechte koning Jehu: goede/ slechte Joas: goede koning Hizkia: goede koning Josia: goede koning Pinksteren

Ananias en Safira Stefanus

Johannes 14: 15-31

Petrus en Cornelius Paulus (1e zend.reis)

Job Elia Elia Jona Jesaja Daniël Daniël Onderwerp Pesten Psalm 8 + Gen. 1: 26-27

Vrij verhaal Betrouwbaarheid: Titus Maria en Martha

Salomo Onderwerp

Uitst orting H.G.

Filippus

Leven met God

Richter: Gideon

Esther

Ra, ra wie ben ik?

Het Onze Vader

Inname + bewoning

Esther

Een spannend boek

De verloren zoon

Jozua

Johannes 16: 5-15 Galaten 5:13-26 1 Korintiërs 3 : 16-17

Psalm 139: 1-16 De zondares Petrus, Zacheüs + Thomas Kerst

De zaaier Spel: de Bijbel Onderwerp 12-j. Jezus in tempel

Leven zoals Jezus

Wie is Jezus?

Wie oren heeft…

Wie is God?

Vrij verhaal

Jozua

Doop van Jezus Jezus roept Levi De hoofdman Het gebed Barmh. Samaritaan Lijden + sterven Pasen: Opstanding

Hoe lees je de Bijbel

Jozef Jozef Onderwerp Pesten

3e jaargang

Jouw toekomst!

Jakob

God heeft een plan met jou!

Isaak

Zonde

Abraham

God wil jou gebruiken!

Abraham

Superhero!

Noach

Goed en kwaad

Schepping

2e jaargang

Teamwork

Vertrouw maar op God!

1e jaargang

Petrus en Cornelius Rei zen: in gevangenis Paulus naar Rome Briev en: 1 Johannes 2 en 3 Briev en: Filemon Briev en: Titus 1-3 Pinksteren De Goede Herder Johannes 14: 1-3, Hebreeën 7: 25 Nieuwe stad De wijze/ dwaze maagden

12


Hoe omgaan met de onderdelen

Voor dat de lessenserie begint, wordt schematisch weergegeven wat het einddoel is van al die lessen. Dit is nodig om niet uit het oog te verliezen waar je uiteindelijk naartoe wilt werken. Ook worden de daarbij be horende doelen ge geven voor elk onder deel: drama, vertelling, en verwerking. Daarbij is het ook nodig om te weten wat het doel is van die onderdelen. Zo werken alle onder delen als een eenhei d naar het einddoel toe.

De eerste pagina van een les bevat de doelstellingen en een samenvatting van wat er in die les naar voren zal komen. Het is heel belangrijk om die doelstelling goed voor ogen te houde n als je met de onderdelen aan de slag gaat. Dat is namelijk wat je wilt bereiken met die les. Je zult dan je spreken en handele n daaraan aanpassen.

De daarop volgende pagina’s geven achtergrondinformatie, die nodig is voor het verhaal, maar ook voor een goede basiskennis bij de verwerking. Deze gegevens maken het mogelijk om het optimale uit een verhaal en uit een gesprek met de kinderen te halen.

Daarna wordt uitgewerkt wat er in de kinderdienst plaatsvindt. Deze pagina’s geven het verhaal weer en zijn handreikingen hoe je het best met het verhaal om kunt gaan. Hier staan ook meteen de liederen aangegeven. Er wordt gebruik gemaakt van video, drama en andere creatieve en beel dende werkvormen om zo aan te sluiten bij het kind van vandaag.

Daarna wordt uitgewerkt wat er in de kinderdienst plaatsvindt. Deze pagina’s geven het verhaal weer en zijn handreikingen hoe je het best met het verhaal om kunt gaan. Hier staan ook meteen de liederen aangegeven. Er wordt gebruik gemaakt van video, drama en andere creatieve en beel dende werkvormen om zo aan te sluiten bij het kind van vandaag.

D OE MAAR

13


Overzicht van de doelstellingen

Doel De kinderen besluiten wat ze doen met wat Jezus voor hen gedaan heeft.

Verhaal

Drama

Verwerking Kinderen helpen een

Vergelijken hoe de Bijbel leert wat Jezus voor ons gedaan heeft.

besluit te neme n wat ze

Het thema ‘wat Jezus voor ons gedaan heeft’ toepassen op deze tijd.

doen met wat Jezus voor hen ge daan heeft, door ze erover na te laten denken, het ze te laten zien en te laten ervaren.

Thema les 1:

Jezus is mens gewor den.

Jezus in de tempel

Doel les 1:

De kinderen zien dat Jezus me ns is gewor den.

Thema les 2:

Jezus is God.

Doel les 2:

De kinderen zien dat Jezus nog steeds God is.

Thema les 3:

Jezus is net als wij geworde n.

Doel les 3:

De kinderen zien dat Jezus ons kan be grijpen.

Thema les 4:

Jezus heeft ons verlost en de relatie met God hersteld.

Doel les 4:

De kinderen begrijpe n da t Jezus ons verlost heeft van onze zonden en de relatie

De verlamde man

Jezus verzocht

met God hersteld heeft.

Jezus’ sterven en opstanding

Thema les 5:

Jezus heeft ons eeuwig leven gegeven.

Eeuwig leven als j e in God gelooft

Doel les 5:

De kinderen besluiten wat ze doen met wat Jezus voor he n gedaan heeft.

D OE MAAR

14


Inhoud van de lessen Jezus speelt een centrale rol in het christelijke geloof. Daarom is het belangrijk voor de kinderen om te weten wat Jezus precies heeft gedaan, om te kunnen begrijpen waarom Zijn plaats in het geheel cr uciaal is. Allereerst behandelen we dat Jezus mens is geworden. God die boven alles staat en alle macht heeft, besluit mens te worden, zodat Hij op die manier de Messias kan worden van de wereld (Lucas 2: 2 6). God k oos ervoor om mens te worde n, be perkt, afhankelijk, om op die manier redding te bieden aan de mensen (Lucas 2: 30). Het is belangrijk dat de kinderen zien dat God mens werd, waardoor Hij zich gelijk stelde aan ons. Dan bespreken we dat Jezus God is. De kinderen moeten weten dat Jezus nog steeds God is en alle macht heeft. Als Hij helemaal is opgegaan in Zijn mensheid, dan zou Hij niet de redder van de mense n kunnen wor den, dan is Hij niet meer God. Alleen God is in staat om de mensen te redden van hun zonden. Daarom moet duidelijk zijn dat Jezus volledig G od was, maar ook volledig mens. Echt begrijpen kunnen ze dat niet en dat hoeft niet, als ze maar weten dat Jezus niet minder God is geworden omda t Hij mens is geworden. Dat is juist het bijzondere aan Jezus. Dat Hij mens kan worden en tegelijk God blijven. Daarom wordt er in he t tweede verhaal Hem ook verweten dat Hij God lastert (Marcus 2: 7), want wie kan zonden vergeven dan God alleen. Daarmee wil Jezus zeggen dat Hij dus God is. En dat bestaat niet volgens de schriftgeleerden. Daarom ‘bewijst’ Jezus dat het waar is wat Hij zegt door de verlamde man OOK te gene zen (Marcus 2: 10). Als ze aan de buitenka nt kunnen zien dat de man geneest op Jezus’ woor d, dan zal op Jezus’ woor d het OOK waar zijn dat Hij de zonde n van deze man heeft vergeven. Dan volgt het verhaal waarin we zien dat Jezus net als wij is geworden. Hij wil zich identificeren met de mens, zodat Hij onze moeite en strijd kan begrijpen. Vandaar het verhaal van de verzoeking (Matteüs 4: 1- 3). Jezus laat zich dope n, niet om dat Zijn zonden weggewassen moeten wor den, maar om dat Hij daarmee het voor beeld wil geven dat wij moeten volgen. En de verzoeking laat zien dat Hij ook verleidingen

kende in Zijn leven en moest leren daarmee om te gaan. Daarin heeft Hij he tzelfde meegemaakt als wij. In dit gedeelte laat Jezus zien hoe ook wij met verzoekingen en verleidingen om moeten gaan (Matteüs 4: 4, 7 e n 10). Hij kent onze zwakheden en strijd, Hij heeft ze zelf ook door gemaakt en dat helpt ons om er tegen te vechte n en te weten dat we het kunne n winnen, net als Jezus, met Gods kracht. Het meest bekende van wat Jezus voor ons heeft ge daan is te zien in Zijn lijden en

sterven. Hij geeft aan, de Zoon van God te zijn (Matteüs 26: 63-65, 27: 43, 46, 54, Johannes 20 : 17). Hij gaf Zijn leven voor ons om ons te kunne n redden van onze zon-

D OE MAAR

15


den. Dit wordt niet in dit gedeelte verder verwoord, maar heeft Jezus tijdens Zijn leven al gezegd en wordt in de EvangeliĂŤn verder verwoord. Door Zijn dood heeft Hij de weg naar God weer open gemaakt, zoda t wij weer een relatie met God kunnen hebbe n (Romeinen 3: 21-2 6 6 : 4- 14, Filippe nzen 2: 5- 11). En met Zijn sterven en opstanding he bben we ook het eeuwige leven ontvangen. Uit het verhaal van Nicodemus, laat Jezus zien, dat je niet een nieuw mens wordt door de wetten te hou den of goed te leven (de buitenkant), maar door wederge boren te worden (Johannes 3: 3, 5, 8, 16). Je moet uit de Geest gebore n worde n (binnenkant). Aannemen dat Jezus voor je zonde n gestorven is en in Hem geloven als de Zoon van God, dan krijg je het eeuwige leven. Jezus heeft ervoor gezorgd dat we verlost zijn van onze zonden, weer een relatie met God kunnen hebben en de belofte he bbe n, dat we later met Hem eeuwig bij God zullen zijn. Dit heeft Hij mogelijk gemaakt door me ns te willen worden en tegelijk God te blijven en gelijk te wor den aan de mens in zijn strijd, moeite en pijn.

D OE MAAR

16


Hoofddoel De kinderen besluiten wat ze doen met wat Jezus voor hen gedaan heeft.

Lesdoel 1 De kinderen zien dat Jezus mens is geworden.

Inhoud In deze les zien de kinderen dat God besluit om de gedaante van een mens aan te nemen. Alleen iemand die God is, kan zoiets doen.

Onderdelen van het programma Kinderdienst:

Jezus is mens geworden

Historische informatie over die tijd en tips om het verhaal beter te begrijpen en het

Achtergrond:

gesprek tijdens de kleine groe p zo optimaal mogelijk te kunne n begeleiden.

Bijbelverhaal:

Lucas 2: 22-39:

Jozef en Maria nemen Jezus mee naar de tempel en daar doet Simeon profetische uitspraken over Jezus’ identiteit.

Liederen:

Liederen gek ozen bij het thema ‘Jezus werd mens’.

Bijbeltekst:

Filippenzen 2: 5-6 wordt aangeleerd.

Kleine groep:

Jezus is mens geworden

Spel:

De kinderen raden wie de ba by is op de foto.

Gesprek:

Doorprate n over wat het betekent dat Jezus mens werd.

Spel:

De kinderen geven antwoord op stellingen.

Gebed:

De kinderen krijgen de kans om God te danken voor het feit dat Hij gekozen heeft om mens te worde n voor ons.

D OE MAAR

17


Achtergrondinformatie

Bij de Bron, Dr. P. ten Have, Deel 2, 9e druk, Voorburg 1973, Pag. 45-50.

Reiniging en voorstelling De geboorte van een kind, met name van een jongen, vooral van een eerstgeborene, vereist in Israël verschillende ceremoniën. Allereerst de besnijdenis, die gepaard gaat met het geven van de naam, op de achtste dag. Dan de reiniging van de m oeder, na elke bevalling. Al wat met he t seksuele leven samenhangt was voor Israël onrein en daarom moesten de vrouwen zich reinigen. De reiniging mocht niet eerder plaats hebbe n dan 40 dagen na de geboorte van een jongen en 8 0 na die van een meisje, wel later. Tot zo lang was zij onrein voor de eredienst, d.w.z. mocht zij niets heiligs, zoals bijvoorbeeld offerspijzen aa nraken, en ook niet het heiligdom ingaan. Soms stelden ze de reiniging wel uit tot een feestdag, als ze toch naar Jeruzalem moesten gaan. De moeder hoefde er trouwens zelf niet bij te zijn. Toch werd dat gewenst en werd dit door de er nstigste families dan ook gedaan en ook door degene n die betrekkelijk dicht bij de tempel woonden. Dat Maria dus zelf het reini gingsoffer in de tempel bracht, spreekt wel vanzelf, ook door dat dit samenviel met de loskoping van de eerstgebore ne. Het reinigingsoffer bestond (volgens Leviticus 12) uit een lam als brandoffer en een jonge duif of een tortelduif als zondoffer. W ie te arm was om een lam te kopen, mocht hiervoor in de plaats, als brandoffer, ook ee n jonge duif of een tortel duif ten offer brengen. Dit werd ‘het armenoffer’ genoem d. Dat Jozef en Maria hiervan gebruik maakten, laat wel zien hoe arm ze waren. Dan heb je ook nog de voorstelling in de tempel. Dit is een ander gebruik, hoewel het in dit geval, namelijk na de geboorte van een eerstgeboren zoon, er wel mee gepaard ging. Deze voorstelling is eigenlijk een eerstelingenoffer. Eigenlijk moest de eerstgeboren zoon gedood wor den, maar om dat God gee n mensenbl oed verlangt, kon en moest deze voor geld worde n losgekocht (vergelijk Exodus 13: 13). Voor vijf sikkel (Numeri 18: 16), misschien gelijk te stellen met ee n te genwoor dig bedrag van ongeveer € 12,-. Elke priester kon deze loskoop doen, zodat dit niet in de tem pel hoefde te ge beuren. Hier lag het voor de hand, dat Jozef en Maria het samen met de reiniging doe n. De loskoop was een eenvoudige plechtigheid. Het kind werd door zijn vader aan de priester voorgestel d, enkele zege nwensen werden over hem uitgesproken, het losgeld werd door de vader aan de priester betaald en daarmee was de plechtigheid afgelope n. Dit is een les over de Here Jezus. Hij is nog maar een kind. Hij tree dt nog niet zelfstandig, niet handelend op. Het gaat nu alleen nog over Hem, wat er over Hem wordt geze gd, en wat er met Hem wordt gedaan. Maar hierin zien we toch al wie Hij is en zal zijn, wat Zijn betekenis en Zijn werk zal zijn.

D OE MAAR

18


Hoofdgedachte van het verhaal is dus: W ie is dat kindje, dat daar, oge nschijnlijk als elk ander kind, de tempel ingedrage n wordt? Dat is de C hristus, de Heiland. Er is heil voor iedereen, die in Hem gelooft!

Karakter van het verhaal: het Kind in het midden (vergelijk Matteüs 18: 2) en daaromheen de ou ders. En de oude Simeon e n Anna, die de grootou ders ha dden kunnen zijn. Vooral deze ou de mensen zie n wie dat Kindje is. Jozef en Maria doen met Hem wat is voor geschreven, maar Simeon en Anna getuige n van Hem, wat hen is ingegeven. En de Enige, die niets doet, is de Hoofdpersoon, die later doen zal, wat geen mens heeft ku nnen doe n.

Vertelwijze van het verhaal: we kunnen dankbaar gebruik maken van de vele trekken, die dit verhaal geven. Als we maar niet vergeten wie dit kind is en de diepe betekenis van dit kind.

Puntverdeling:

Lucas 2: 22-39.

Inleiding: de besnijdenis

vers 21

1. Voorstelling

vers 21

a. De reis naar Jeruzalem b. Het reinigings offer voor Maria c. Het eerstelingenoffer ( de lossing) 2. Simeon

vers 25-35

a. Zijn ope nbaring b. Zijn lofzang c. Zijn zegeni ng e n voors pelling 3. Anna

vers 36-39

a. Haar leven b. Haar komst en l ofprijzing c. Haar verkondiging Slot: hun hee ngaan

vers 39

Hoogtepunt: Simeons lofzang Personen: Het kindje Jezus (hoofdpersoon), Jozef e n Maria, Simeon en Anna. Simeon kennen we van dit hoof dstuk. Hij wordt ons hier met enkele gegevens scher p helder getekend: rechtvaardig en godvrezend, d.w.z. een echte Israëliet, levend naar Gods W oord en wet en daarom ook naar Zijn belofte, verwachtende de vertroosting van Israël en nu ook begiftigd met Gods Heilige Geest, die hem leidt en bezielt in de profetische l ofzang. Anna, zeer oude vrouw, minder in he t oog vallend, maar net zo goed godvrezend en van Jezus getuigend. Maria en Jozef, die wel weten wie hun

D OE MAAR

19


kindje is, maar nog niet helder zie n, wat dat inhou dt en wat dat met zich mee zal brengen. Vooral Maria luistert aandachtig naar wat God, ook door Simeon, over Hem zegt.

Gezichtspunt: vanuit Jozef en Maria vertellen. Plaats: van Betlehem naar Jeruzalem, ongeveer 8 km. Door de Nicanor poor t (daar offeren) naar de vrouwenvoor hof (daar lossen, daar kome n ook Simeon en Anna bij hen) en vandaar weer terug naar huis.

Tijd: na de 40e dag na Jezus’ geboorte.

D OE MAAR

20


Het verhaal

‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan G od niet vast, maar deed er afstand van’. Filippenzen 2: 5-6 Benodigdheden: 8-10 kartonnen teksten. Schrijf op 8-10 kartonnen vellen, delen van de tekst. Leg ze bij verschillende kinderen onder de stoel.  Laat een aantal kinderen naar voren komen met h et karton dat onder hun stoel ligt.  Laat de kinderen d e tekst in de juiste volgorde zetten.  Zeg samen d e tekst op.  Laat steeds 1 kind zijn tekst weghalen.  Zeg samen opnieuw de tekst op. Herhaal dit tot alle tekstdel en weggehaald zijn.

Lucas 2: 22-39. Probeer de na druk te legge n op dit kindje, dat anders is da n andere kinderen. Pr obeer zonder veel woorden te gebruiken te vertellen, dat God mens is geworden, maar maak het niet te ingewikkeld.

Gebruik de achtergrondinformatie om een goed beeld van het verhaal te vormen. D eze informatie is ook belangrijk om in de kleine groep op een goede manier het gesprek te voeren.

Intro: Laat een baby zien aan de kinderen. Geef aan dat het nog niks kan, afhankelijk is van de moeder en nog alles moet leren. Jezus is ook een baby geweest. Hij was God en toch is Hij als een baby naar deze wereld gek omen.

Het verhaal: W at vieren wij met kerst? W ie weet dat? Ja, dat de Here Jezus is geboren. Het is een heel bijzonder kind, waarom? De Here Jezus zal als Hij groot is voor alle mensen sterven, omdat wij zonden doen. Maar nu is de Here Jezus nog maar een klein kindje. Hij is gebore n en na 8 dagen gaan zijn vader e n moe der met hem naar de tempel. W at zijn Jozef en Maria blij! Zij weten dat dit kindje heel bijzonder is. De lang verwachte, die verlossing brengen zal voor heel de wereld. Maar, hoe dat alles zijn zal, dat weten ze nog niet. Het is ook allemaal zo moeilijk te begrijpe n. Maar wel weten zij, dat, hoe

D OE MAAR

21


zij ook hu n best doe n om goed voor het kindje Jezus te zorge n, God in de hemel, de Vader van de Here Jezus, ook voor Hem zal zorgen. Maar nu moeten ze eerst naar de tempel gaan. Zij moeten zich namelijk houden aan de wetten van God. En die zeggen dat als het kind acht dagen oud is, ze naar de tempel m oeten gaan e n dan wor dt het besneden. Daarmee laat God zien dat Hij zich aan Zijn belofte zal houden en voor het kindje zal zorgen. Net zoals wij bij de grote mensen in de dienst voor de kleine baby’s bidden en ze zege nen, zo is dat ook in de tempel. We vragen dan of God zijn liefde en zorg aan het kind wil geven. En in de tempel geven ze hem dan ook meteen Zijn naam. Jullie snappen dus wel dat he t voor Jozef en Maria een heel speciale da g is. Zo gebeur de het met het kindje Jezus. Vrienden en buren, mogelijk ook familieleden, kwamen er bij. Het was een vrolijk, huiselijk feest, dat op de vroege m orgen werd gevierd. Na de besnijdenis ging een beker wijn rond met het gebed of God Hem zegenen wilde, zijn hele leven lang. Ruim een maand later wachtte hu n allemaal nog een a ndere plechti gheid i n de tempel van Jeruzalem. Jozef en Maria stonden vroe g op, maakten zich klaar en met hun kindje Jezus liepen ze de weg van Betlehem naar Jeruzalem. Een kleine twee uur later waren zij al bij de stad gekomen, en bij de oostelijke tempelpoort hielden zij stil. Er waren verschillende dingen die ze doen moesten. Maria ging met het kindje zitten, terwijl Jozef alleen naar binnen ging om daar het verplichte offer te bre ngen van een paar duiven. Toen dat was afgelopen, kwam hij Maria en het kindje Jezus halen, en samen ginge n ze de tempeltrappen op. N u moeste n ze gel d gaan be talen. Z o heeft God dat geze gd aan de IsraÍlieten. Als ze dat geld hebbe n betaald dan m ogen alle jongetjes die als eerste gebore n zijn bij hu n vader en moeder blijven. Zo bracht Jozef het Kindje Jezus naar de priester, om Hem te laten zien e n het gel d te betalen. Daarna zegende de priester het kindje Jezus. Nu hadden Jozef en Maria aan alle wettelijke verplichtingen voldaan en k onde n ze met hun jonge n weer naar huis gaan. Maar wat gebeurt er nu? W ie komt daar aa n? Een oude man komt naar he n toe. Het is Simeon, een vrome, godvrezende man. Iemand die heel veel van God hou dt. Hij ziet er heel blij uit. W at is er met hem aan de hand? Dan vertelt hij dat hij zijn hele leven al heeft uitgezien naar dit moment. Dat de Verlosser, de langverwachte Koning komen zou. En eindelijk, nu hij oud geworden is en bang was het kindje Jezus niet meer te kunnen zien, nu is toch ge beurd wat hij zo graag wilde zien. De Here God had tegen hem gezegd, dat hij niet sterven zou, voordat hij het kindje met eigen ogen had gezien. Hier had hij zolang op gewacht, vol spanning. En deze morge n wist hij dat hij naar de tempel moest gaa n! En nu hij die ou ders za g met hun kindje, nu wist hij het ineens: dat was de Verlosser, de langverwachte, de beloofde Vredevorst. God had het hem geze gd! En Simeon loopt naar Jozef en Maria toe, steekt zijn beide handen uit, en vraagt of hij het kindje Jezus mag zien e n vasthou den. En als Maria het hem gegeven heeft en hij

D OE MAAR

22


het in zijn armen draagt, da n jubelt hij zijn blijde lofzang uit tot eer van God, die hem nog deze dag van heil geschonken heeft: ‘N u is he t goed, Here, laat mij nu maar heengaan i n vrede, zoals U ge zegd he bt. W ant mijn oge n he bben nu zelf dit bijzondere kind gezien, Uw Zoon die een grote betekenis zal hebbe n voor alle volken. Hij zal een Licht zijn dat zal schijnen voor de mensen, maar ook voor uw volk Israël. Jozef en Maria staan stil en verbaasd te luisteren naar de heerlijke woorden, die Simeon over hu n kindje uitspreekt. W at be doelt die man toch? Het moe t wel erg belangrijk zijn, wat hij zegt. Ik moet ze maar goed onthou den, denkt Maria. En zwijgend neemt Maria Hem weer in haar armen. En dan s preidt de oude man zijn hande n uit over Jozef e n Maria en het kindje Jezus en zegent he n. Hij zegt: Jullie Zoon zal het niet makkelijk krijgen. De mensen zullen niet altijd aardig tegen Hem zijn, maar toch zal Hij redding geven voor veel mensen. Ze zullen Hem pijn doe n, maar ondanks dat alles zal iedereen weten dat al heel lang geleden voorspeld is, dat het zal gebeuren. En nu , nu is Hij geboren en is uitgekomen wat er al zolang gelede n geschreven is in de ou de boeken. Dan komt er ineens nog iemand aan. Een heel ou de vrouw. Ie dereen kent haar wel, want zij is altijd in de tempel. Het is Anna, die al heel lang geen man meer heeft en bij iedereen bekend staat om haar ee nvoudige, stille en oprechte vroom heid. Zij gaat ook bij Jozef en Maria en het kindje Jezus staan en ook zij begint Gods naam te prijzen. Ook zij heeft begrepe n wie dat kleine kindje is. En zo staan ze daar allemaal, de ou deren en de jongeren, als een groot ge zin. Allemaal wetend wie de Heiland is. Het is een heerlijk, heel bijzonder ogenblik, dat ze allemaal nooit zullen vergeten. En dan is het allemaal echt voorbij. Jozef en Maria gaan met hu n kindje naar huis. Maar nu met een hoofd vol heerlijke ge dachte n en het hart vol da nkbaarheid voor het heil, dat G od hu n schonk.

Toepassing: Zing het lied: ‘Heel gewoon’

Kinderopwekking 48

Liederen Bron:

D OE MAAR

 Nr. 46

‘Jezus is…’

 Nr. 54

‘Immanuël’

 Nr. 110

‘Er gingen twee men sen’

Tekstboek, Opwekkingsliederen voor kinderen, nr. 1-185, Stichting Opwekkingslectuur, Putten, 2002.

23


Verwerking in de kleine groep Spel

• •

Laat de kinderen een baby foto van zichzelf meenemen.

Wat je nodig hebt:

Hang alle foto’s door elkaar aan de muur of le g

 Van te vore n de

ze op tafel. Laat de kinderen in groepjes van twee opschrijven bij wie van de groep de babyfoto hoort.

kinderen laten weten dat ze een babyfoto mee moeten nemen

Bespreek dan welk kind bij welke foto hoort. Hoeveel hebbe n de kinderen goed geraden?

Praat met de kinderen nog door over hun geboorte:

o W eten ze hoe ee n kind ontstaat en geboren wordt? (eicel en zaadcel) o Zijn ze snel geboren, makkelijke bevalling, enz.?

Gesprek

W e weten allemaal dat Jezus een bijzondere ba by was. Hij was Gods Zoon. W e vinden dat heel gewoon, maar beseffen eigenlijk niet wat dat precies betekent. God is niet met ons te vergelijken. Hij heeft geen beperkt verstand, Hij is niet aan een lichaam ge bonden, Hij kan niet dood gemaakt worden, Hij kan dinge n doen

Bijbel verhaal

die een mens niet kan, zoals wonderen doen, opstijge n, verdwijnen, enz. W e lijken dat normaal te vinden omdat het in de Bijbel staat. Toch koos Hij ervoor om Jezus, die dezelfde eigenschappen ha d, een mens te laten worden. Hij is nog steeds God, maar Hij legt zichzelf be perkingen op om als een mens te worden. W onderlijk eigenlijk. W aarom zou je dat doen? Tenzij je wel heel veel hou dt van degene voor wie je dat doet, de me ns. Dat Jezus echt bijzonder is en echt de Zoon van God, ‘bewijst’ Hij door in het oude testament al aan te kondigen dat Hij gaat komen. Dus al vele eeuwen voordat het zover is, zorgt Hij ervoor dat er opgeschreven wordt dat Hij kome n gaat. Als Hij de waarheid spreekt dan moet Hij er ook voor zorgen dat Hij doet wat er staat. En zo gaat dat met de hele Bijbel. Hij laat dingen al opschrijven om daarmee aan te geven dat Hij te vertrouwen is en doet wat Hij ze gt. (Ook zijn ge boor te moet Hij zelf creëre n om te zor gen dat er niks van zijn Godheid verloren gaat, vandaar dat Jezus uit de Heilige Geest geboren is. De Heilige Geest zorgt voor de bevruchting.

D OE MAAR

24


Spel

Verdeel de groe p in groe pjes van 4.

Geef ze een bel of iets wat geluid maakt.

Geef de kinderen de volgende stellingen e n laat de kinderen antwoor den of dat goddelijk is of menselijk. W ie het eerst belt mag het eerst antwoor den. 1. Eten en drinken

menselijk

2. Buiten de tijd leven

goddelijk

3. Gebonden zijn aan de zwaartekracht

menselijk

4. W eten wat de ander denkt

goddelijk

5. Opgroeien/ groter worde n

menselijk

6. Kunnen ademen (het leven in je he bbe n)

menselijk en goddelijk

7. Geest/ verstand hebbe n

menselijk en goddelijk

8. Hersenen he bben

menselijk

9. Kunnen huilen

menselijk (traanzakje)

10. Contact hebben met God

goddelijk

Leg uit dat wat met een lichaam te maken heeft, de organen, de hui d, enz., bij deze wereld hoort en voorbij zal gaan. De mens is van stof gemaakt, het zal verdwijnen. Maar wat God als iets goddelijks aan ons gegeven heeft, zoals onze a dem, het leven en onze geest, die zullen voortleven als we bij God kome n. Dat is iets van G od zelf wat Hij in ons heeft gelegd en wat eeuwig is.

Geef de kindere n de pu zzel van werkblad 2. W ie kan het eerst zeggen wat er staat? (zie werkblad 1)

Wat je nodig hebt:  W erkblad 1 en 2 gekopieerd

Jezus die God was en alles kon, besloot om een menselijk lichaam te nemen en de beperkingen van de mens aan te nemen. En toch bleef Hij God. Is dat niet bijzonder?

Gebed

Geef de kinderen de kans om God te danken voor het feit da t Hij gekozen heeft om mens te willen worden voor ons.

D OE MAAR

25


A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

D OE MAAR

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =

α β χ δ ε φ γ η ι ϕ κ λ µ ν ο π θ ρ σ τ υ ϖ ω ξ ψ ζ

26


γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

D OE MAAR

γοδ ωερδ εεν µενσ

γοδ ωερδ εεν µενσ

27


D OE MAAR

28


Hoofddoel De kinderen besluiten wat ze doen met wat Jezus voor hen gedaan heeft.

Lesdoel 2 De kinderen zien dat Jezus nog steeds God is.

Inhoud In deze les zien de kinderen dat Jezus goddelijke macht en gezag heeft om mensen hun zonden te vergeven.

Onderdelen van het programma Kinderdienst:

Jezus is God

Historische informatie over die tijd en tips om het verhaal beter te begrijpen en het

Achtergrond:

gesprek tijdens de kleine groe p zo optimaal mogelijk te kunne n begeleiden.

Bijbelverhaal:

Marcus 2: 1-12:

Jezus vergeeft de verlamde man zijn zonden, waarop Hij commentaar krijgt van de Farizeeën. Om te bewijzen dat Hij macht heeft om dat te ze ggen geneest Jezus de man, waarmee Hij laat zien dat Hij inderdaad zonden kan vergeven.

Liederen:

Liederen gek ozen bij het thema ‘Jezus is God’.

Bijbeltekst:

Filippenzen 2: 7-8 wordt aangeleerd.

Kleine groep:

Jezus is God

Spel:

Hints: het uitbeelde n van beroepe n

Gesprek:

Jezus liet aan zijn dade n zien wie Hij was.

W erkje:

Een rebus maken over de naam van Jezus: Jezus is God.

Gebed:

De kinderen danken in tweetallen voor wie Jezus is.

D OE MAAR

29


Achtergrondinformatie

Bij de Bron, Dr. P. ten Have, Deel 2, 9e druk, Voorburg 1973, Pag. 114121.

De huizen De huizen dienden in het Oosten niet, zoals bij ons, om daarin te leven en steeds in te verblijven, maar alleen maar om er te slapen, om gebruiksvoorwerpen in op te bergen en om er bij zeer ongu nstig weer in terug te trekken. Het heerlijke klimaat zorgde ervoor dat men het liefst buiten verbleef. Daarom stelde men er geen hoge eisen aan en waren ze heel sober ingericht. De meèste huizen bestonde n alleen maar uit één vertrek en hadde n weinig deure n en ramen. Omdat bomen in Palestina zeer schaars waren, werd er zo weinig mogelijk hout gebruikt. Hoof dzakelijk werden de huizen gemaakt van natuursteen, aangevuld met leem of tichelstee n, d.w.z. bakstenen en tegels van leem, in de zon gedr oogd of i n het vuur gehar d. De daken waren meestal plat en gevormd door ruwe boomstammen op de muren te leggen. De tussenruimte vulde men dan aan met een vlechtwerk van takken en leem (‘want’) of tegels (tichelen). In Marcus 2 was blijkbaar het laatste het geval, zodat men, door zulke tegels (mogelijk bedekt met losse leem of steentjes) weg te breken, een opening kon maken van ruim een halve meter breed e n enige meters lang, dus gr oot genoeg om er een liggend persoon door neer te laten. In de regel was er aan de buitenkant een trap naar het dak.

Ziekte en zonde Ziekte en zonde worden door de Here Jezus overwonnen. Jezus heeft macht over de ziekte, omdat Hij macht heeft over de zonde. W ant de ziekte is het gevolg van de zonde . Het is niet zo, alsof elke ziekte de rechtstreekse straf zou zijn op een bepaalde zonde . Dat meenden de Jode n. Daarom was er misschien i n de verlamde ook een stille angst, dat zijn zonden zijn genezing zoude n belemmeren. Die angst verdween door dat Jezus leerde over vergeving van zijn zonden. W el kunnen we zeggen dat ziekte het gevolg is van de zonde. En het gevolg van de zonde is, dat er lijden en ellende op de wereld zijn gekome n. Als elke zonde met een ziekte werd gestraft, zou er geen ge zond mens meer op de wereld zijn (vergelijk Romeinen 3). Niemand krijgt meer dan hij verdient. Het is eerder zo da t iedereen minder krijgt en veel mensen zelfs zéér veel minder dan zij verdienen. Ook hierin zien we al Gods genade werkzaam. Vergeving van zonden is de diepste (waarschijnlijk niet helemaal een bewuste) behoefte van de verlamde. Daarom moet eerst de inwendige kwaal genezen worden, vóór de uitwendige. O p deze manier laat Jezus niet alleen Zijn macht zien, maar ook Zijn Goddelijk geza g. In om gekeerde volgorde (eerst gene zing, dan vergeving) zou alleen Zijn macht, niet Zijn ge zag gebleken zijn. N u laat Hij zien dat de vergeving de

D OE MAAR

30


hoofdzaak, het doel van Zijn zending is, die zich ook in het uitwendige openbaart. Jezus ziet de ijver van de vrienden om bij Jezus te komen. Ze laten zich door niets tegenhoude n om Hem te bereiken. Jezus ziet hun geloof, dat ze het van Hem verwachten. Dat ze een beroe p doen op Zijn macht, terwijl zij zwak zijn, dat ze vragen om Zijn hulp in hu n ellende .

De hoofdgedachte is de Here Jezus als de Heiland, de ware helper naar ziel en lichaam.

Karakter van het verhaal: een kort verhaal (maar 12 verzen), maar rijk aan afwisseling, aan feiten e n aan geestelijke inhoud.

Rijk aan afwisseling: Jezus werkt door woorden (vers 1v.) en daden (vers 3-12); er is nood (vers 3v) en uitkomst (vers 5-12), voor de ziel en voor het lichaam. Er zijn m okkende Farizeeën (vers 6v) en juichende vrienden e n omsta nders (vers 12).

Rijk aan feiten: Elk vers noemt er veel, iedere bijzin noemt nieuwe, en tussenin ligge n er nog allerlei verzwegen, maar waar we wel vanuit kunnen gaan, bijvoorbeeld: het lijden van de verlamde, zijn verlangen naar verlossing, zijn horen van Jezus, het overleg van zijn vrienden om hem bij Hem te brengen, en hoe dat te doen. Hun teleurstelling als ze Hem niet kunne n bereiken, hun zoeken om toch een middel hierop te vinden, het bedenken hiervan, het beklimmen van het dak met de zieke (geen gemakkelijk werk!), het vastbinden van de touwen aan het bedje, e nz.

En rijk aan geestelijke inhoud: Behalve wat al als hoofdgedachte is genoemd, kunnen we nog noemen: Jezus’ prediking (vergelijk 1: 22) en de mensen die daar op af kwamen (vers 1v.); de ijver van de Farizeeën voor Gods eer, op zichzelf oprecht, al was deze in dit geval door hun ongeloof in Jezus, misplaatst en dus juist averecht (vers 7); de openbaring van Jezus als de Zoon des Mensen, de Heiland, de Z oon van God (vers 10), waardoor God verheerlijkt werd (vers 12).

Puntverdeling:

Marcus 2: 1-12

1. Van Jezus ge hoord

vers 1

algemene inleiding tot vers 3-12

2. Jezus ge zocht

vers 3v

bijzondere inleiding tot vers 5-12, het naaste doel

3. Zonden vergeven

vers 5v

hoofdfeit, nog verborgen

4. Kwade gedachten

vers 6v

reactie hierop

5. Terechtwijzing

vers 8v

reactie hierop

6. Machts bewijs

vers 10-12a

punt 3 gerechtvaardigd, punt 4 in het ongelijk gesteld, het naaste doel bereikt

7. Godsverheerlijking

D OE MAAR

vers 12b

slot: het eigenlijke doel bereikt

31


Het naaste doel is de gene zing, wat de verlamde op het oog heeft, het einddoel Gods verheerlijking, wat Jezus op het oog heeft.

Hoogtepunt van het verhaal is, waar het hoofdfeit (dat is de vergeving van zonde, wat de voorwaarde van de genezing is) zichtbaar wor dt (door de genezing), vers 12a.

Personen zijn: Jezus (hoofdpersoon) met Zijn discipelen, de menigte, de zieke (middelpunt) met zijn vier vrienden en de FarizeeĂŤn. De hoofdaanda cht valt eerst op de verlamde (de lijder, de vraag), maar gaat van hem hoe langer hoe meer over op Jezus (de Helper, het antwoord).

Gezichtspunt: vanuit de vrienden van de verlamde vertellen. Plaats: in Kaperna Ăźm, in en bij een oosterse woning. Tijd: nadat Jezus al enige tijd i n Galilea heeft gewerkt.

D OE MAAR

32


Het verhaal ‘ Hij nam de gestalte van een slaaf en werd gelijk aan de mens. En als mens verschenen, heeft hij zich verne derd en werd gehoor zaam tot in de dood- de dood aan het kruis.’

Filippenzen 2: 7-8

Benodigdheden: 7 kartonnen met de woorden: slaaf, mens, vernederd, gehoorzaam, dood, kruis en Filippenzen 2: 7-8. Hang ze in de juiste volgorde voor in de zaal.  Zeg de tekst op en wijs het bord aan, wann eer dat in het tekstged eelte voor komt.  Laat de kinderen d e tekst alvast mee opzeggen.  Zeg de tekst nog een keer zelf op en laat de kinderen daarna h et ook opzeggen.  Pak dan alle woorden en deel ze uit aan 7 kinderen. Op jouw teken komen ze naar voren en zetten de woorden in de juiste volgorde.  Laat de kinderen h et weer opzegg en.  Laat dan de kinderen die de borden vast hebb en de tekst samen opnoemen.

De verzen 5 en 6 worden herhaald.

Marcus 2: 1-12.

Leg de nadruk op Jezus die God is en de macht heeft om zonde n te vergeven. Jezus vergeeft de zonde n. Om te bewijzen dat Hij daar de macht voor heeft, geneest Hij ook de verlamde, wat ze aan de buitenkant ku nnen zien.

Gebruik de achtergrondinformatie om een beter beeld te krijgen van het verhaal. Ook voor de kleine groep is deze informatie belangrijk.

Intro: Pak een doorzichtige pot/ fles met water. Laat het de kindere n zien. Le g het in een gekleurde zak. Bijvoorbeeld rood. De kindere n zie n nu de rode zak e n niet meer de pot. Terwijl je de pot met water in de zak doet, giet je er zonder dat de kinderen dat kunnen zien inkt bij, blauw bijvoorbeel d. Vraag de kinderen of ze geloven dat jij het water blauw kunt maken. Schud de pot ee n beetje e n vraag de kinderen of ze geloven dat het water nu e cht van kleur is verander d. Vraag dan de kindere n of ze geloven dat jij van die r ode zak een blauwe zak kan maken. Verander dan door een tr uc, de r ode zak in ee n blauwe. Je hebt de zak nu

D OE MAAR

33


veranderd van kleur. Geloven de kinderen nu dat het water ook veranderd is van kleur? W aarom wel, waarom niet?

Het verhaal: Heb je 't al gehoord? Heb je ’t al gehoor d? Een nieuwe pr ofeet is gekomen. Iemand zoals we nog nooit eerder hebben gehad. Jezus, de timmerman van Nazaret. Heb je al gehoord hoe Hij zieken geneest, mensen van de boze verlost en iedereen helpt? Heb je 't al gehoord, hoe Hij spreekt? Heel anders dan de schriftgeleerden met hun eindeloze redeneri ngen en bewijzen. Nee, Hij spreekt kort, heel duidelijk, maar krachtig, vol macht en majesteit! En heb je 't ook gehoor d, dat Hij nu hier, in Kapernaüm, is aangekomen, in ’t huis van een van Zijn vrienden aan het meer? Heb je 't gehoor d? Zo klonk het van mond tot mond, tot in het kleine huisje in een achterstraat, waar een man al jaren, jaren lag. Hij had een heupverlamming en kon niet lopen en moest maar op bed liggen, elke dag weer. Steeds maar liggen op zijn slaapmatje, zijn bed. Maar als hij hoort van Jezus, de Nazarener , die zieken kan genezen, da n verandert ineens zijn gezicht. Hij keek altijd bedroefd, vermoeid en verzwakt van jaren hopeloos wachten. Maar nu is er een flikkering te zien in zijn gezicht. Hij heeft weer nieuwe hoop! H oop dat er ook re dding, gezondheid, levenskracht voor hem is. Hoop om weer te kunnen lopen, zoals de anderen. Zoals hij als kleine jongen nog had k unnen doen, voordat zijn lichaam zwak en krachteloos geworden was. Oh, zou er ook voor hem nog redding zijn? Zijn vriend, die hem verteld had van die Jezus en Zijn wondere n, be greep wel wat er in zijn zieke kameraad moest omgaan. Zou het waar zijn? Zou hij de Here Jezus vragen ook bij zijn zieke vriend te komen, of, beter nog, zou hij hem bij de Here Jezus brengen? Als hij dat wilde doen dan moest hij dat metee n doen, voordat de Here Jezus weer naar een andere plaats zou gaan. Snel roe pt hij nog een paar vrienden uit de buurt. ‘Jongens, jullie moeten me hel pen. Jullie weten dat mijn vriend al heel lang niet meer kan lopen. En nu wil ik hem bij die Jezus brengen. Helpen jullie mij om hem te dragen?’ Maar één vroeg: ‘Zou je dat nu wel doen? Er zijn zoveel mensen die genezen willen worden. En wat zal die Jezus wel zeggen?’ ‘Ik kan het altijd proberen, als hij hier blijft geneest hij toch niet. Ik heb dus niets te verliezen.’ Dat was wel waar, dachten de andere vrienden. Oh, het zou toch fantastisch zijn als die Jezus hem weer beter kon maken! De vrienden werde n steeds enthousiaster en zage n het plan helemaal zitten. Voorzichtig legge n ze een paar sterke stangen onder de slaapmat, waarop de zieke man ligt e n tillen hem daarna op. Heel voorzi chtig, stap voor stap, gaan ze nu voort, het huisje uit, de straat door, op weg naar het huisje aan de zee, waar de Here Jezus is. Het was best wel zwaar, het dragen van dat bed. En dan zo’n heel eind nog… Maar dan kijken ze naar hun verlamde vriend. En in zijn oge n zien ze die smekende blik, het blijde verlangen om de Here Jezus te zien… En dan gaan ze weer stug door. Vol hou den, niet denken aan de moeite. Ze doen het voor hun vriend.

D OE MAAR

34


W at zou het heerlijk zijn, als er ook voor hèm nog re dding is! Ze hoeven niet te vragen aan de mensen waar de Here Jezus is. Dáár, waar al die mensen staan, die zich verdringen bij de ingang. Dáár m oet de Here Jezus zijn. En dan staan ze bij al die mensen. Maar hoe moete n ze nu bij de Here Jezus komen? ‘Mensen,’ vragen ze beleefd, ‘mogen wij er eens even langs? 't Is voor deze zieke, om hem bij Jezus te brengen!‘ ‘Och wat, wees toch stil’, zegt er iemand. ‘Ik kan Hem anders niet verstaan! W illen jullie erlangs? Dat kán toch niet! Hij heeft nu toch geen tijd om hulp te geven. W acht maar rustig tot de mensen weg zijn en de Here Jezus weer alleen is.’ Alleen? W anneer is de Here Jezus alleen? Toch nooit! Altijd zijn er mensen bij Hem om Hem hulp te vragen. En altijd helpt Hij hen. Degene die zegt dat ze moeten wachte n, weet niet hoe belangrijk het voor de verlamde is. Die weet niet hoe groot de nood is en hoe belangrijk de kans op re dding is. En daar staan ze dan. Alle mensen staan voor de ingang van het huis. Ze ku nnen er onmogelijk langs. De mensen willen hen ook niet langs laten. Een ogenblik blijven ze verslagen staan. Maar, als ze de teleurstelling zien op het ge zicht van hun zieke kameraad, ja, zijn angst, zijn wanhoop, zijn ellende, dan zeggen ze tegen elkaar: ‘W ij moeten bij de Here Jezus zien te komen, hoe dan ook! W ij kunne n onze makker toch niet weer ziek naar huis brengen? Dat gáát toch niet! Maar, hoe?’ ‘W acht’, zegt ee n van he n. ‘Ik weet wat! Als het niet door de mè nsen heen kan, dan maar door het dák. Dat kunnen we wel openbreken. Dan m óéten de mense n wel opzij, en laten we hem zó voor de Here Jezus neer’. Dat is een prachtig plan! Zo gaan ze naar de andere kant van het huis, waar geen mense n staan, die hen ku nnen tegenhoude n. Daar loopt, zoals bij haast elk huis, een trap van buite n naar het platte dak. Heel voor zichtig gaan ze nu, tree voor tree, naar boven. De bei de voorste vrienden dragen hem zo laag, de beide achterste zo hoog als 't kan. B oven aangekomen, legge n ze hem voorzichtig neer. Nu graven ze de losse steentjes van het dak opzij. Daar gaat er één opzij, en nog één, en nog een paar. Een lang gat is nu in 't dak gekomen. Zij kijken zo maar op de mensen in de kamer neer, die om de Here Jezus staan. De me nsen beginne n vreemd naar boven te kijken. W at ge beurt er nu? Snel laten ze hun zieke vriend aan lange touwen zakken. En de mensen gaan opzij. Ze moeten wel. Precies vóór Jezus' voeten komt de verlamde te liggen. W at zou de Here Jezus er wel van zeggen? Z ou Hij het hun misschien kwalijk nemen? Ze hebbe n Hem plotseling gestoor d in Zijn gesprekken. De vrienden kijken naar het gezicht van de Here Jezus. Maar nee, de Here Jezus kijkt juist vol ontferming in de ogen van de zieke man, de verlamde die vol hartstochtelijk verlangen naar de Here Jezus kijkt. ‘Here, help mij’, stamelt hij. ‘Ik zal je helpen’, spreekt de Here. ‘W ees blij want je zonden zijn je vergeven!’ Dan gaat er een kleur van blijdschap over het gezicht van de verlamde: nu hoeft hij niet meer bang te zijn, dat Jezus hem niet ge nezen zal. Zijn zonden, de din-

D OE MAAR

35


gen die hij verkeerd heeft gedaan, staan hem niet meer in de weg. De Here heeft hem vergeven. Nu kan de Here Jezus ook zijn lichaam, zijn verlamde voeten genezen. Maar dan horen de mensen achterin allemaal lawaai. Daar horen ze een dof gemompel. Ze kijken om: O, wat een onvriendelijke gezichten. Dat zijn de schriftgeleerden, de leraars van de Joodse wet, die horen tot de strenge partij van de Farizeeën. Hun wóór den kunnen ze niet verstaan, maar aan hu n barse gezichten kunnen ze wel zien, dat ze niet erg te spreken zijn over wat de Here Jezus tot de verlamde heeft geze gd. Ze vinden het zeker godslasterlijk, een belediging voor God als die Jezus zo praat. Dat de Here Jezus lijkt te spreken in de naam van God. Maar de Here Jezus heeft het wel begrepen. Hij kan de geheimste gedachten van de mensen lezen. Hij weet wat ze denken. Daarom zegt Hij: ‘W aaròm, waaròm denken jullie toch zulke verkeerde dingen van Mij? De nken jullie, dat het godslasterlijk is, dat Ik mensen hun zonden vergeef? Denken jullie dat Ik géén goddelijke macht, géén goddelijk gezag heb? Denken jullie dat Ik hem niet ge nézen kan en daarom ook niet hem de zonde n mag vergeven? Ik zal jullie laten zien dat Ik van God de macht heb gekregen. Daarom kan Ik deze man de zonden vergeven, maar hem ook weer beter maken. En de Here Jezus richt Zich tot de verlamde en ze gt: ‘Sta op, neem je matras op en ga naar huis!’ Het wordt helemaal stil in het huisje. Iederee n kijkt naar de verlamde. Zou hij echt beter gemaakt worden? Z ou het waar zijn wat de Here Jezus gezegd had? En dan pakt de Here Jezus de hand van de verlamde vast. De man komt omhoog, gaat op zijn voeten staan, rolt zijn slaapmat op en l oopt weg, tussen de mensen door naar huis. Net als ieder ander, loopt hij en hij looft God in de hemel, die hem geneze n heeft. Hij kan weer lopen, maar ook zijn zonden zijn hem vergeven. W at is hij blij!! Een oge nblik is alles stil. De Farizeeën mompelen niet meer. De mensen zwijgen. Maar dan klinkt opeens van alle kanten: ‘Geloofd zij God! Gelooft zij God! W at is Hij machtig, mild en goed! Hij stuur de ons Zijn Verlosser, de Heiland die wij zochten. W e hebben het allemaal zelf gezien, hoe de verlamde nu kan lopen. Nu mogen we zeker geloven, dat deze Jezus zonden vergeeft, ook die van ons. Gelooft zij G od!’

Toepassing: Pak het potje met de zak er weer bij. Jezus maakte eigenlijk de binnenkant beter van de verlamde, zoals ik de kleur van het water veranderde. Maar ja, dat konde n jullie niet zien. W ie zegt dat het dan ook echt in blauw veranderd is? W ie zegt dat Jezus ook echt de zonden k on vergeven? Om te bewijzen dat Jezus dat e cht kan, geneest Jezus de verlamde aan de buitenkant. Net zoals ik de zak van kleur veranderde . Nu weten jullie dat ik het kon. Dus als ik de buitenkant kan veranderen dan kan ik de binnenkant waarschijnlijk ook veranderen. Zo is he t met Jezus. Hij bewijst dat Hij God is, omdat Hij de zonden kan vergeven. Dat kan alleen God.

D OE MAAR

36


Liederen

D OE MAAR

 Nr. 10 4

‘Buig voor de Heer’

 Nr. 12 2

‘Hij is de Schepper van de aarde’

 Nr. 131

‘Uw naam, zo groot’

 Nr. 17 8  Nr. 149

‘U alleen’ ‘Ja is ja!’

Bron: Tekstboek, Opwekkingsliederen voor kinderen, nr. 1-185, Stichting Opwekkingslectuur, Putten, 2002.

37


Verwerking in de kleine groep Spel

Hints Speel hints. Er is telkens één kind dat een beroe p uitbeel dt en de anderen rade n om welk beroep het gaat. Het kind dat het goed raadt is vervolgens aan de beurt. Laat dit spel niet te lang duren.

Gesprek

Praat met de kinderen over het spel dat je zojuist hebt gespeeld. Hoe zag je om welk beroep het ging? W at deed degene die het uitbeeldde, zodat jij het antwoord wist?

W e konden zien welk ber oep hij/zij had, door wat hij/zij dee d.

Zo is he t ook met Jezus. Hij zei niet alleen da t Hij G ods Z oon is, Hij liet het zien door wat Hij dee d.

W aaraan kan je zien dat iemand God is? (Hij kan dingen doen die een mens niet

kan, zoals: wonderen doen, zonden vergeven, heilig leven, toekomst voorspellen, weten wat iemand denkt, enz.) •

Jezus was een mens, en toch kon hij dingen doe n die gee n mens kan doen. W at deed Jezus in dit verhaal, wat niemand anders zou k unnen doe n? (zonden

vergeven en de verlamde beter maken) •

Geloof jij dat Hij God is?

W at heeft Hij gedaan, waardoor je dat gelooft? (Laat de kinderen een

bijbelverhaal noemen dat hen heeft aangesproken. Verwonder je er met elkaar over, dat Jezus die dingen kon doen. Ja, Hij heeft echt laten zien dat Hij God is!)

Werkje

Creatief schrijven •

Jezus heeft allerlei namen.

Laat de kinderen de voorbeelden zie n van werkblad 1. W eten jullie welke namen er hier bedoeld worden? Jezus is…

Wat je nodig hebt:  W erkblad 1

o Jezus is de K oning der Koninge n o Jezus is de hoeksteen o Jezus is de ware wijnstok o Jezus is het (Levende) W oord •

De kinderen mogen nu zelf een rebus maken met: Jezus is God of Jezus is de zoon van God.

D OE MAAR

   

gekopieerd op gewoon papier Pennen/potloden Stiften/ kleurtjes Linialen W it papier

38


Gebed

Alle kinderen mogen in tweetallen God danken voor wie Jezus is. Dat Hij God is en alle macht heeft. Dat wij kindere n mogen zijn van die God.

D OE MAAR

39


D OE MAAR

40


Thema 'Superhero' voorbeeldles