Issuu on Google+

D OE MAAR

1


Mijn dank gaat uit naar Jantsje van der Veen die erg betrokken is geweest bij het samen stellen en redigeren van de methode. Ook Jann eke Po elman en Grieke Blom wil ik bedanken voor hun inzet waaronder h et maken van diverse tekenen. Emmy Spronk-Moolenaar wil ik bedanken voor het redigeren van d e lessen. Verder hebben meegewerkt aan h et tot stand komen van de methode: Mirjam Stienstra Margriet Huizinga Grieke Blom Berber Brouwer Margreet van Dijk Debbie Janga Bedankt voor jullie creatieve inbreng! Drachten, 2010 Corrie Tolsma

Copyright: Š Corrie Tolsma, 2000 - 2010, Drachten 1e druk 2010

A LLE RECHTEN VOORBEHOUDEN Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar g emaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Corrie Tolsma. Doe maar is uitgegeven door Stichting Doe maar MichaĂŤlsberg 6 9202 CZ Drachten internet: www.stichtingdoemaar.nl e-mail: info@stichtingdoemaar.nl

D OE MAAR

2


D OE MAAR

3


Waarom deze onderwijsmethode? De onderwijsmethode die voor u ligt is uniek. Het brengt het evangelie op een manier die aansluit bij het kind van nu. De kinderen leren Gods heilsplan kennen en toe te passen in hun leven; ze leren een relatie met onze Heer Jezus Christus aan te gaan en te onderhouden. Gods heilsplan – van de schepping tot aan de toekomst – wordt zeer breed aan de orde gesteld. Zorgvuldig gekozen bijbelgedeelten zijn bij iedere les het uitgangspunt. De onderwijsmethode is uniek, omdat het de kinderen leert het evangelie in hun eigen leven te ervaren en het zich ei gen te maken. Het is gelukt om – zonder concessies te doen aan de Boodschap – een programma te ontwikkelen dat aansluit bij de belevingswereld van het kind van de basisschoolleeftijd. De vorm waarin het evangelie wordt gebracht is op hen afgestemd. Voor de kinderen van de onderbouw is gekozen om in tegenstelling tot de midden- en bovenbouw niet ervarings- en handelingsgericht te werken, maar meer door middel van kennisoverdracht. De gekozen bijbelverhalen leggen de basis om in de mi ddenen bovenbouw weer op verder te bouwen. Om de verhalen dicht bij de kinderen te brengen en hen voor te berei den op ervarings- en handelingsgericht onderwijs, wordt er veel gewerkt met interactie, bijvoorbeeld door ze mee te laten spelen i n het verhaal.

D OE MAAR

4


Doelen van de onderwijsmethode De doelen van de onderwijsmethode zijn handelings- en ervaringsgericht. Het doel is dat de kinderen veranderen in hun levensstijl en door de handelingen zo vaak te oefenen, ze er eigen mee raken en het een onderdeel van hun leven(sstijl) wordt. Wat er aangeleerd wordt, is verwoord in de vijf hieronder genoemde doelstellingen. Iedere doelstelling wordt verder gespecificeerd in de subdoelen. De kinderen kunnen: 1) hun leven aan Jezus Christus geven; 2) God verheerlijken; 3) groeien in het leven naar bijbelse normen (= gelijkvormigheid aan Christus); 4) zorg dragen voor elkaar en 5) op een plezierige wijze met elkaar spelen en omgaan. Subdoelen van het kinderwerk zijn: 1) De kinderen kunnen hun leven aan Jezus Christus geven. a) De kinderen w eten Wie God (d e Vader, d e Zoon en d e Heilige Geest) is. b) De kinderen kennen d e belangrijkste heilsfeiten. c) De kinderen b egrijpen wat het betekent ‘je leven te g even aan Jezus Christus’. d) De kinderen kunnen zich toevertrouwen aan Jezus Christus. 2) De kinderen kunnen God verheerlijken. a) De kinderen kunnen op verschillende manieren God verheerlijken. b) De kinderen kunnen ondersch eid maken in de verschillende innerlijke houdingen en uiterlijke vormen die je kunt hebben als je God verheerlijkt. c) De kinderen kunnen zelf kiez en welke houding zij willen hebben in het verheerlijken van God. 3) De kinderen kunnen groeien in het leven naar bijbelse normen (= gelijkvormigheid aan Christus). a) De kinderen kunnen onderscheid maken tussen bijbelse en andere normen. b) De kinderen kunnen d e manier waarop God met bijbelse figuren aan de groei werkt vergelijken met hun eigen situatie. c) De kinderen kunnen God betrekken bij hun heiliging. d) De kinderen kunnen een st abiel christenleven ontwikkelen door een consist ente geloofsleer. e) De kinderen kunnen hun geloofsleer betrekken bij keuzes die zij in praktijksituaties maken.

D OE MAAR

5


4)

De kinderen kunnen zorg dragen voor elkaar. a) De kinderen kunnen sympathie opbrengen voor ander e kinderen uit de groep. b) De kinderen kennen d e bijbelse houding voor het omgaan met elkaar. c) De kinderen kunnen participeren in de zorg voor elkaar.

5)

De kinderen kunnen op een plezierige wijze met elkaar spelen en omgaan. a) De kinderen kunnen onderscheid maken tussen een plezierige en onplezierige manier van omgaan met elkaar. b) De kinderen kunnen, het onder leerdoel 3 geleerde, toep assen op het sp elen en omgaan met elkaar. c) De kinderen kunnen genieten van h et spelen en omgaan met elkaar.

Na het doorlopen van het hele achtjarige programma – voor alle groepen van de basisschool – heeft het kind een ei gen geloofsleer kunnen ontwikkelen (zie doelstelling 3d en 3e). Zij weten waarom mensen wel of niet geloven in God en kunnen voor hun eigen leven bepalen of zij God willen volgen en dienen. Door het programma heen zijn belangrijke bouwstenen voor een geloofsleer verweven. Deze bouwstenen worden thematisch in blokken van enkele lessen aangeboden. Denk hierbij aan onderwerpen als: Wie is God?

(Zijn grootheid, goedhei d, nabijheid-afstand en de drieeenheid)

Wat doet God?

(Gods plan met de wereld en mens en wat Hij nog steeds doet)

De mensheid

(De mens die op God lijkt, zijn oorsprong en zijn

blijvende

natuur) Zonde

(De natuur, de oorzaak en gevolgen van de zonde)

Persoon en werk van Jezus (Jezus’ godheid en menshei d en wat Hij voor ons heeft gedaan)

D OE MAAR

De Heilige Geest

(Wie de Heilige Geest is en wat Hij doet)

De Bijbel

(De geïnspireerdheid, betrouwbaarhei d en gezag van de Bijbel)

De kerk

(De natuur, rol en eenhei d van de kerk, avondmaal en doop)

De laatste dingen

(Onze toekomst die God belooft en onze uiteindelijke staat)

6


De opbouw van de onderwijsmethode Hieronder worden de uitgangspunten besproken, die ervoor gezorgd hebben dat de onderwijsmethode zijn huidi ge vorm heeft gekregen. Onderbouw Het programma van de onderbouw is anders dan dat van de midden- en bovenbouw. Bij de onderbouw is de methode vooral gericht op kennisoverdracht. Er wordt een basis gelegd voor het verdere programma door meest bekende bijbelverhalen aan de orde te stellen. Twee jaar Het programma van de onderbouw heeft twee jaargangen (zie het schema op pagina 9). Een groot gedeelte van de verhalen is anders, maar er zijn ook overlappi ngen, zoals bij de feestdagen. Kwaliteit op elk gebied De kwaliteit van alle onderdelen kan verhoogd worden door de medewerkers gavengericht in te zetten. Daarmee wordt bedoeld dat de medewerkers daar (hoofdzakelijk) ingezet worden waar zij gaven en talenten voor hebben gekregen. De één doet bijvoorbeeld alleen de vertelling. Een ander doet het zanggedeelte en weer een ander neemt de verwerking voor zijn rekening. Kwaliteit, m aar ook persoonlijke aandacht In de onderwijsmethode wordt ervan uitgegaan dat er een aparte voordienst is voor de onder-, midden- en bovenbouw. Hiervoor is gekozen, zodat de kinderwerkers gavengericht i ngezet kunnen worden en de kwaliteit daardoor hoger is. In deze voordiensten wordt met elkaar gezongen, gebeden, het verhaal wordt verteld en er wordt eventueel een dramastukje opgevoerd ter ondersteuning van het verhaal. Na deze drie voordiensten gaat iedere ‘bouw’ in kleine groepen uiteen. Deze groepen bevatten tien tot vijftien kinderen of de kinderen krijgen extra aandacht door een leidster die onder zijn/ haar hoede valt. Daardoor is het mogelijk voor de leiding om voor ieder kind aandacht te hebben. In deze kleine groepen wordt aan het doel gewerkt door bijvoorbeeld: gesprekken, spelvormen, drama, quizzen of een werkje.

D OE MAAR

7


Begrippenlijst Doelstelling: In iedere les wordt de doelstelling van die les genoemd. Kinderdienst: In de onderwijsmethoden wordt ervan uitgegaan dat er een aparte voordienst is voor de verschillende leeftijdsgroepen: onder-, middenen bovenbouw. In deze voordiensten wordt met elkaar gezongen, gebeden, het verhaal wordt verteld en er wordt eventueel een dramastukje opgevoerd ter ondersteuning van het verhaal. In de voordienst wordt het thema behandeld. Alle onderdelen werken samen om de doelstelling te behalen. De voordienst duurt ongeveer 45 minuten. Kleine groep: Na de drie voordiensten gaat iedere ‘bouw’ in kleine groepen uiteen. Deze groepen bevatten tien tot vijftien kinderen of de hele groep is bij elkaar, maar de kinderen krijgen extra aandacht door een leidster die onder zijn/ haar hoede valt. Daardoor is het mogelijk voor de leiding om voor ieder kind aandacht te hebben. In deze kleine groepen wordt aan het doel gewerkt door bijvoorbeeld: gesprekken, spelvormen, drama, quizzen of een werkje. De kleine groep duurt ongeveer 45 minuten.

D OE MAAR

8


Meerjaren overzicht In deze ringband is het eerste kwartaal van de tweede jaargang van de onderbouw uitgewerkt.

D OE MAAR

eerste jaargang

tweede jaargang

start en kennismakingszondag (geen les)

start en kennismakingszondag (geen les)

Schepping

Jozef de dromer

Het paradijs, het kwaad, de zondeval

Jozef in Egypte

Kaïn en Abel

Jozef verhoogd

De zondvloed

Jozef en zijn broers

De torenbouw van Babel

Mozes’ jeugd

Het verbond met Abraham

Mozes geroepen

Lot

De eerste negen plagen

Isaäk beloofd

De tiende plaag en de Uittocht

Naar Mori a

Het gouden kalf

Isaäks huwelijk

De verspieders naar Jericho

Jacob en Esau

Door de Jordaan en Jericho ingenomen

Jacobs vlucht, door God getroost, ontmoeting met Rachel

Gideon

Bij Laban, de bedrieg er bedrogen, door God gezegend

Daniëls vrienden in de brandende oven

Jakobs terugkeer

Daniël in de leeuwenkuil

Zacharias (extra les als er meer zondagen zijn)

Jona

De wijzen uit het Oosten

De Verlosser voorzegd (extra les)

Kinderkerstf eest: D e geboorte van Jezus (geen les)

Kinderkerstf eest : De geboorte van Jezus (geen les)

Jezus in de tempel

Wandelen op zee

Johannes de Doper

De visvangst

Christus gedoopt Het begin van Jezus’ werk: Roeping discipelen+bruiloft in Kana

De storm gestild Opwekking bij Jaïrus

De Samaritaanse vrouw

De hoofdman

De verlamde

Het bidden

De spijziging

De zaai er

De zalving te Bethanië

De kinderen gez egend

Intocht en tempelreiniging

Zacheüs gered

De talenten (extra les) Het paasmaal, verraad en gevangenneming

De opwekking van Lazarus

Jezus veroordeeld, Judas’ en Jezus’ dood

Voor P., H. en aan het kruis (extra les)

Pasen: De opstanding (een les)

Pasen: Verschijning aan het meer (een les)

Naar Emmaüs

De barmhartig e Samaritaan

Thomas

De verloren penning

De blindgeborene

Het Bruiloftsmaal

Het verloren schaap

Spel: Het Bruiloftsmaal

Spel: Het verloren schaap

De gebogen vrouw

De farizeeër en de toll enaar

De verloren Zoon

De Hemelvaart

De Hemelvaart

Pinksteren

Pinksteren

De eerste gemeente

De kreupel e genezen

De parel en de schat

De rijke jongeling

De sabbat

De blinde Barti meüs

De wijze en dwaze maagd en

De tien melaatsen

Filippus

De Penning van de weduwe

Petrus

Paulus’ bekering

Paulus’ schipbreuk (extra les) Afsluiting en zegen meegeven (geen les)

Paulus en Silas in de gevangenis (extra les) Afsluiting en zegen meegeven (geen les)

Het paasmaal, de vo etwassing en Getsemané

9


Pagina

D OE MAAR

 Jozef de dromer

11

 Jozef in Egypte

25

 Jozef verhoogd

37

 Jozef en zijn broers

53

 Mozes’ jeugd

67

 Mozes geroepen

79

 De eerste negen plagen

89

 De tiende plaag en de uittocht

99

10


D OE MAAR

11


Lesdoel De kinderen zien dat God altijd bij je is.

Inhoud In deze les lijkt alles verkeerd te gaan en lijkt alles verkeerd af te lopen. Maar ondanks alles gaat God met Jozef mee. Hoe het verder ook zal gaan.

Onderdelen van het programma kinderdienst: •

Achtergrond:

Jozef de dromer Historische informatie over die tijd en tips om het verhaal beter te begrijpen en het gesprek tijdens de kleine groep zo optimaal mogelijk te kunnen begeleiden.

Bijbelverhaal:

Genesis 37: 1-36

Jozef vertelt zijn dromen en stuit op onbegrip. Jozef wordt dan verkocht en weet niet wat hem te wachten staat. Hij moet vertrouwen dat God voor hem zal zorgen en over hem zal waken.

Liederen:

Kleine groep:

Liederen gekozen bij de boodschap ‘God is altijd bij je’.

Jozef de dromer

Gesprek:

Praten over dat God altijd bij je is.

Werkje:

Groep 1: Mantel kleuren met wasco.

Gebed:

Groep 2: Stof op de mantel plakken of de dromen op wit-zwart papier plakken. Het zingen van een lied of een opzegversje.

D OE MAAR

12


Achtergrondinformatie

Bij de Bron, Dr. P. ten Have, Deel 1, 9e druk, Voorburg 1973, Pag. 139147.

In de heidense oudhei d werd i n het algemeen aan dromen grote betekenis toegekend. Men wilde maar al te graag slapen op een heilige plaats, om daar in de droom een openbaring van God te ontvangen. God gebruikt i n Israël dit volksgeloof en de droom om Zijn wil aan de mensen te openbaren en wel op verschillende manieren: a) Hij wekt het gewet en van de men sen, doordat in de droom onbewust zondige begeerten aan het woord komen. Dromen laten ons zien, hoe zondig we zijn (vergelijk Job 33: 15vv). b) In dromen voorspelt Hij de toekomst. Hiervoor is weer een verklaring nodig, die ook door God geschonken wordt (vergelijk de dromen van Joz ef, Farao en Nebukadnezar). In Jozefs dromen blijkt zowel (a) zijn zondige, hoogmoedige begeerte als (b) de toekomst. c) God spreekt ook w el rechtstreeks door de droom, zoals met Abimelech, Jakob, Salomo, met Jozef en met de Wijzen.

De Jozefgeschiedenissen (Genesis 37-50) vormen ook qua grondgedachte en strekking, samen één geheel. Hiervan vormt deze les het begin, de aanzet, de inleiding. Jozef is toch niet de vrome jongen, in de goede zi n van het woord, waarvoor hij wel eens is gehouden. Dit blijkt uit zijn klikken, zijn dromen, die hij met naïeve trots vertelt, waarover zelfs vader Jakob zijn lieveling berispt. Jozef is aanvankelijk de verwende jongen, erg ingenomen met zichzelf, die zijn oudere broers ver beneden zich acht en voor minderwaardig houdt en die zich ver boven hen verheft. Zij zijn goed genoeg om te werken, maar hij stapt in zijn pronkgewaad parmantig rond, maar uit een kleine verlegenheid weet hij zich niet te redden (vers 15). Jozef is Jakobs zoon, wel anders, maar niet beter. Het merkwaardige is nu, dat God juist zulke ongeschikte krachten uitzoekt voor Zijn werk. God leidt de eigenzinnige, onbekwame mens door Zijn kracht tot het vervullen van Zijn grootse, bovenmenselijke taak. Hiervoor gebruikt Hij alle omstandigheden, ook de kwade, ja, juist deze. Wat Jozef in zijn kinderlijke hoogmoed zich verbeel dt, blijkt waarheid, is zelfs volgens Gods plan. Jozef, de verwende lieveling van de aardse vader, blijkt tenslotte door God uitverkoren om zijn geslacht te redden. Zo roept, vormt en gebruikt Hij, om in menselijke zwakheid Zijn goddelijke kracht juist op het sterkst te openbaren. In deze les schijnt alles scheef: een jongen die zich veel verbeeldt, maar weinig kan. Een overheersing van de kwade elementen, die hem nog meer verstoten. Wij zien dit in de puntverdeling. Maar... aan het eind zal duidelijk worden waar alles goed voor was!

D OE MAAR

13


Hoofdgedachte: Hoofdgedachte van de reeks Jozef-lessen is God die overal voor zorgt. Die zelfs het kwaad van de mensen ten goede weet te leiden en alles gebruikt voor Zijn pland. Wat door de mensen bedorven wordt, wordt door God weer goed gemaakt. In deze les zien we het begin van wat door de mens bedorven wordt en, naar het schijnt, onherstelbaar bedorven. De hoofdgedachte lijkt zeer negatief. Het is daarom goed dit dan ook alleen als voorlopige vraag te geven, niet als een definitief antwoord. Hoogtepunt: Als Jozef in de put wordt gegooid en dan verkocht aan een karavaan van Ismaëlieten. Karakter van het verhaal: Terwijl we anders alleen de feiten zien, worden nu telkens de woorden, de gedachten, de gezindheden, vaak zelfs de beweeg redenen nadrukkelijk vermeld. Terwijl we ergens anders in de sfeer blijven van de aartsvaderlijke verhoudingen, komen we nu in het grootscheepse milieu van het Egyptische hof en daarmee aan de spits van een wereldrijk. We kunnen drie lijnen onderscheiden: a) de hoofdlijn, die vooral aan begin en eind opvalt, is Jozef als zoon van Jakob. Maar door de uitvoerige vertelling verliezen we deze hoofdlijn soms uit het oog voor een andere van kleinere afmeting: b) Jozef en zijn broeders. En ook deze raakt weer op de achtergrond voor de derde kleinere: c) die van Jozef. Maar dan komen de tweede en daarna ook de eerste vanzelf weer te voorschijn. Ook wat de zin, de betekenis betreft, hebben we wel één hoofdlijn, maar ook allerlei kleinere lijnen, die soms op de voorgrond komen. We vinden hierin niet alleen Gods voorzienigheid, Zijn leiding, maar ook andere gegevens: zelfs huiselijk-opvoedkundige, zoals verwenning en haar gevolgen, over het klikken, verhouding tussen broeders, e.d. O ok andere, met dieper, donkerder toon: de gevolgen van afgunst, nijd, haat: de angst voor wat komen moet, het gesust geweten. In dit hoofdstuk, in deze les, vinden we de inleiding tot de reeks Jozef-lessen, het begi n van de vernedering, die in de volgende les wordt voortgezet, waarop straks een onverwachte en ongekende verhoging volgt. Vertelwijze van het verhaal: Dit hoofdstuk kan zeer eenvoudi g en natuurlijk, zeer beeldend worden verteld. Het hoeft niet te worden uitgebreid met veel fantasieën, die altijd met een (té) zware bewijslast zijn belast om de kinderen te boeien en tot hen te spreken. Personen: Jakob met zijn zonen, onder wie Jozef zijn eigen plaats inneemt. Het belangrijkste is Jozef. Talrijk zijn de karakterbeschrijvingen van Jozef, op grond van de bijbelse gegevens opgemaakt, maar eenstemmig zijn ze lang niet. De Bijbel geeft ons geen modellen, noch van deugd en vroomheid, noch van booshei d en goddeloosheid. Maar wel mensen van vlees en bloed, met deugden en gebreken. De broeders zijn ruwe klanten, maar niet door en door gemeen: met heel veel fouten, zonden, schuld, maar ook met een geweten, dat nog

D OE MAAR

14


spreekt en dat ze niet straffeloos bezwaren met broederbloed. En Jozef is in heel andere condities ter wereld gekomen en heel anders door vader opgevoed, zodat juist andere karaktereigenschappen, andere deugden en vooral ook andere gebreken, zich bij hem openbaren. Maar door de misdaad van de broers, voltrekt zich in bei de levens een vonnis, dat hen geheel aangrijpt en hen na ontzaglijk veel wederwaardigheden, onder Gods leiding, tot God en daarmee tot elkander brengt. Gezichtspunt: het beste vanuit Jozef te vertellen. Puntverdeling:

D OE MAAR

1. De verwende jongen

vers 1-4

(inleiding)

Thuis.

2. De hoogmoedige dromer

vers 5-11

(vraag)

Thuis.

3. De verlegen knaap

vers 12-17

(overgang)

Onderweg.

4. Boze plannen

vers 18-22

(opklimming) Bij Dothan.

5. Boze daden

vers 23-28

(hoogtepunt) Bij Dothan.

6. Slechte tijding

vers 29-35

(slot)

7. Droevig lot

vers 36(slot)

Thuis. In Egypte.

15


Het verhaal

Genesis 37: 1-36.

Probeer de nadruk te leggen op het feit, dat ondanks het gedrag van Jozef dat haat oproept bij zijn broers en de gevolgen daarvan, God altijd bij Jozef zal blijven, wat er ook gaat gebeuren. Gebruik de achtergrondinformatie om een goed beeld te krijgen van het verhaal. Dit is ook belangrijk, zodat je in de kleine groep het op een goede manier kan bespreken.

Intro: Voel jij wel eens dat God dicht bij je is? Wanneer dan? (Geef eventueel een voorbeeld uit je eigen leven) Het verhaal: Jozef komt op met een gekleurde mantel om. ‘Kijk eens. Vinden jullie hem niet mooi? Heb ik van mijn vader gekregen! Ik ben er zo blij mee. Ik lijk wel een koning. Zoiets heeft niemand anders in deze streek. Hij zal wel erg duur zijn geweest. Hij is zo lekker zacht en zo mooi lang. Vinden jullie hem niet schitterend? Ik heb hem ook de knechten laten zien. Maar die leken er wel mee te spotten. En toen mijn broers thuiskwamen heb ik hem ook aan hen laten zien. Maar ze keken alleen maar boos. Ze vragen zich natuurlijk af, waarom ik zo’n mantel nodig heb. Ik heb er wel één en zij niet. Ze vinden natuurlijk dat ik voorgetrokken wordt. Ze vinden me ook hoogmoedig. Nee, die keken echt niet blij. Is er dan niemand die het ook fijn vindt dat ik zo’n mantel heb? Ja, mijn vader is natuurlijk erg trots op mij, maar als er verder niemand is die het fijn vindt, dan is er ook niet veel aan. Ach, ze zijn natuurlijk jaloers. Ze willen zelf ook wel zo’n mantel. Maar die hebben ze helemaal niet verdiend. Ik heb mijn broers al zo vaak betrapt op verkeerde dingen die ze deden. En steeds waren ze boos als ik het tegen vader zei. Maar dan moeten ze maar beter hun best doen en geen verkeerde dingen meer doen. Dan krijgen ze misschien ook een keer zo’n mantel. Maar weten jullie, elke dag als ik weer opsta en mijn mantel aantrek, lijkt het wel of mijn broers steeds bozer worden, mij steeds meer gaan haten. Maar waarom?

D OE MAAR

16


Oh, ja, en dan was er die keer dat ik gedroomd had. Ik was er zo vol van. Iedereen moest het horen. En iedereen die ik tegen kwam vertelde ik over de schoven op het veld. Toen ze de schoven aan het binden waren ging mijn schoof heel recht omhoog staan en gi ngen hun schoven er omheen staan en leunden voorover. Het leek wel of ze neerbogen voor mijn schoof. Was dat nou geen mooie droom? Hebben jullie ooit zoiets gedroomd? Maar ik had het beter niet kunnen vertellen, want ze waren woest. Wat denk je wel? Dat wij voor je zullen buigen? Dat jij koning wordt en wij je onderdanen. Vergeet het maar! Stel je voor, wij ons neerbuigen. In geen honderd jaar! Dat komt van al je aanstellerij. Omdat je zo’n mooie mantel hebt, denk je zeker dat je nu ook nog koning zult worden. Je hebt het te hoog in je bol. Nee, wij zullen er wel voor zorgen dat dat nooit gebeurt. Dat zeiden ze allemaal tegen me. Dat deed me erg veel pijn. Ik wilde helemaal niet zo doen. Ik wilde alleen maar mijn droom vertellen. En toen ik een paar dagen later weer een droom kreeg, nou, dan raden jullie het wel wat er toen gebeurde. De zon, de maan en de sterren bogen neer voor mij. Nou, ik had het beter niet kunnen zeggen, want meteen kwamen weer de scheldpartijen. Ze zouden me het dromen wel afleren. Zelfs mijn vader vond het welletjes worden en zei dat ik voortaan mijn mond maar dicht moest houden als er weer een droom was. Maar het was zo bijzonder, begrepen ze dat dan niet? Ik kon de dromen natuurlijk niet vergeten. En op een dag moest ik van vader mijn broers gaan zoeken. Ze waren al een tijdje weg met de kudde en ik moest van vader er naar toe, om te kijken of alles goed met ze was. En zo ging ik met mijn mantel aan op weg naar Sichem. Daar zouden ze ergens rondlopen, maar waar? Ik kon ze nergens vinden. Gelukkig kwam er iemand naar me toe en vroeg wat ik aan het doen was. Ik zei dat ik mijn broers zocht en gelukkig had hij ze gezien, maar ze waren naar Dothan gegaan. Nou, dat was nog een dag reizen, maar dat moest dan maar. En eindelijk zag ik ze daar in de verte. Ik begon met m’n handen te zwaaien, zodat ze zouden zien dat ik het was. Maar toen ik dichterbij kwam, zag ik al die boze gezichten. Dat zag er niet zo mooi uit. En nog erger, ze kwamen naar me toe en hielden me vast. Ik riep nog, dat ze van me af moesten blijven. Dat ze niet aan mijn mantel mochten komen, want dan zouden ze van vader wel een enorme uitbrander krijgen. Maar ze luisterden helemaal niet. Ze pakten m’n mantel af en duwden me mee. Ik hoorde ze nog zeggen, dat het nu afgelopen is met die dromen van mij en dat ze vader wel zouden vertellen dat een wild dier mij had verscheurd. Nou, jullie snappen, dat ik toen wel bang begon te worden. Wat waren ze met me van plan? Wat gingen ze doen? Ze gooi den me in een droge put. Ruben probeerde mijn broers nog tegen te houden, maar ook naar hem wilden ze niet luisteren. Ik

D OE MAAR

17


schreeuwde nog, dat ze me eruit moesten halen, maar niemand kwam terug en daar zat ik dan. Zouden ze me hier gewoon achterlaten? Nee, dat zouden mijn broers toch niet doen? Of wel soms? Zoveel zouden ze me toch niet haten? Nee, en vader dan? Ze zouden vaders hart breken. Dat zouden ze toch niet doen? Nee, vast niet! Maar daar zat ik dan. Het was helemaal stil om me heen, ik kon alleen maar wachten. Ik was overgeleverd aan mijn broers. Of zou Ruben nog komen om mij te redden? Vast wel! Maar er gebeurde helemaal niks. Tot ik op een morgen allemaal geluiden hoorde. Wat zou dat zijn? Het leek wel een karavaan? En ik hoorde voetstappen aankomen. Oh, zie je wel. Ze komen me eruit halen! Ik wist wel dat ze me niet in de steek zouden laten! Ruw trokken ze me omhoog en namen me mee naar een vreemde man. Die keek naar me. Hield mijn mond open, voelde aan mijn vel, hij praatte wat met mijn broers en toen zag ik dat hij mijn broers gel d gaf. Nee, dacht ik, dat zullen ze toch niet doen. Ze gaan me toch niet verkopen? Ik werd aan een touw vastgemaakt en zo werd ik achter de kar aan getrokken. Ik moest wel lopen. Ik keek nog achterom, maar mijn broers lachten alleen maar en keken naar het geld. Ik dacht, waar ga ik naar toe? Wat gaat er van mij worden? En wat zal vader wel niet denken? Had ik maar nooit die dromen verteld, misschien waren ze dan niet zo gemeen geweest. Nu is er niemand meer die voor mij zorgen zal. Ik ben helemaal alleen. Of, nee, vader heeft me altijd geleerd dat ik op God moet vertrouwen. Dat Hij er altijd zal zijn. Nou, dat is in ieder geval een troost. En daar liep ik, uren door dat hete woestijnzand. Ik had heel veel tijd om na te denken over wat er gebeurd was. Ik had nooit gedacht dat er zoiets met mij zou kunnen gebeuren. En ik was natuurlijk bang. Ik was weg van de bescherming van mijn vader, mijn thuis. En hier liep ik. Ze stopten niet even, zodat ik kon rusten. Ze gingen maar door en ik was zo moe. Ik zou het niet lang meer volhouden. Ik kon wel doodgaan. Maar wat was ik blij toen ik eindelijk een stad in de verte zag. Ik had het gehaald! Daar lag Egypte. En ik werd naar de slavenmarkt gebracht en verkocht aan Potifar. Daar werkte ik in zijn huis. Ik heb veel nagedacht. Ik miste thuis en ik merkte dat er veel van wat er gebeurd was, mijn schul d was. Ik voelde me altijd beter dan mijn broers. Ik dacht dat ik specialer was. Nou, ik weet nu wel beter. Ik ben maar een kleine jongen, die niks meer te zeggen heeft. Maar ik heb daar bij Potifar ook nog iets anders geleerd. Dat God bij me was. Hij heeft mij veilig in Egypte laten aankomen en Hij heeft over mij gewaakt en voor mij gezorgd. En ik deed mijn werk zo goed als ik maar kon, om God daarmee te dienen.

D OE MAAR

18


Toepassing: Zing met de kinderen het lied

‘Ik ben bij je’ (Kinderopwekking 45) OF

OF

‘Ik ben nooit alleen’ (Kinderopwekking 80)

OF OF

‘Ik ben veilig in Jezus’ armen’ (K.opw. 86) ‘Heer, U kent mij als geen ander’ (nr. 172)

Liederen

D OE MAAR

 Nr. 45

‘Ik ben bij je’

Bron:

 Nr. 80

‘Ik ben nooit alleen’

 Nr. 86

‘Ik ben veilig in Jezus’ armen’

 Nr. 172

‘Heer, U kent mij als geen ander’

Tekstboek, Opwekkingsliederen voor kinderen, nr. 1-185, Stichting Opwekkingslectuur, Putten, 2002.

19


Verwerking in de kleine groep Gesprek

Ben jij wel eens jaloers? Op wie? Waarom?

Is er wel eens iemand jaloers op jou geweest? Waarom? Wat deed je toen?

Jozefs broers waren ook jaloers op Jozef, omdat hij een mooie jas had gekregen. En toen vertelde Jozef ook nog over een droom waarin zijn broers voor hem moesten buigen! Ik kan me wel voorstellen dat de broers Jozef niet meer zo aardi g vonden. Ze waren zelfs zo boos op hem dat ze hem verkochten!

Maar God? Vond die Jozef nog wel aardig? (Voor God maakte het niet uit. Hij ging met Jozef mee, wat er ook zou gebeuren!)

Als jij ruzie met iemand hebt, ook al was het misschien wel een beetje je eigen schuld ... God is altijd bij je! Vergeet dat nooit!

Werkje

Groep 1 De mantel •

De kinderen krijgen werkblad 1 op pagina 6.

Ze mogen de mantel van Jozef inkleuren met wasco.

Geef aan dat het een heel mooie gekleurde mantel was. De kraag was geel, de eerste

Wat je nodig hebt:  Werkblad 1 gekopieerd op stevig papier  Wasco

vlakken blauw en daarna rood, enz. Laat ze de vlakken kleur voor kleur invullen om te voorkomen dat ze met één kleur de hele mantel meteen bekrassen.

Werkje

Groep 2 De kinderen mogen kiezen uit één van de volgende twee werkjes: OF ze maken de mantel •

De kinderen krijgen werkblad 2 op pagina 3.

Wat je nodig hebt:

Ze mogen stukjes stof uitkni ppen en deze

 Werkblad 1 gekopieerd op stevig papier  Stofjes

op de mantel plakken. •

Geef aan dat het een heel mooie gekleurde mantel was (zie voorbeeld op werkblad 3).

D OE MAAR

20


Werkje

OF ze mogen de dromen van Jozef op wit en zwart papier plakken •

De kinderen krijgen een A3 waarvan de ene helft zwart is (door leiding vooraf erop geplakt) en de andere helft wit.

De leiding heeft (ronde) manen getekend op een geel vel.

De kinderen mogen deze gele manen

Wat je nodig hebt:     

Kleurpotloden Stro/ korenstokjes Lijm Scharen Zwart en geel papier

uitknippen en op het zwarte gedeelte plakken. •

Ze tekenen met een geel of wit kleurpotlood er sterretjes bij (kruisjes

Jozef en zijn dromen

maken). •

Dan nemen ze de strootjes/ korenstokjes en plakken die op het witte gedeelte.

Gebed

Leer de kinderen het refrein van het liedje 'Niet bang zijn' van de CD Elly en de Wiebelwagen deel 2. Als je de muziek niet kent, kun je het ook als opzegversje aanleren met gebaren (in de komende weken zal dit opzegversje steeds herhaald worden). Niet bang zijn, niet bang zijn

(schudden met je hoofd)

nou ja, misschien een beetje

(bij 'beetje' een kleine opening tussen duim en wijsvinger maken)

Niet bang zijn, niet bang zijn

(schudden met je hoofd)

want 1 ding dat weet je

(bij '1 ding' een vinger opsteken, bij 'weet je' met j e wijsvinger tegen je slaap draaien)

Ben je bang voor mensen

(bij 'mensen' een gebaar naar jezelf maken, of je handen langs je lichaam laten gaan)

voor leeuwen of een slang

(bij 'leeuwen' boos kijken en je handen met j e vingers uitgespreid naast je hoofd houden, alsof je aanvalt) (bij 'slang' met je vinger een kronkelende beweging maken, alsof je een slang over de vloer volgt)

God is altijd bij je

(naar boven wijzen)

en die is nooit bang!

(je twee wijsvingers naar links en rechts opsteken, ze dan laten kruisen en terug)

Dank dat God altijd bij ons is, wat er ook gebeurt!

D OE MAAR

21


D OE MAAR

22


God is altijd bij je D OE MAAR

23


D OE MAAR

24


Onderbouw, 1e kwartaal, voorbeeldles