59
+ + + + + +
– – – – – –
geen stroom
wel stroom
Om een stroom te hebben tussen 2 punten, moet er aan 2 voorwaarden voldaan zijn: 1) er moet een potentiaalverschil (spanning) zijn tussen die 2 punten. Dat wordt hier veroorzaakt door de verschillende lading op de elektroscopen. Om de stroom in stand te houden, moet de spanning tussen de punten onderhouden worden en kun je bv. een bron gebruiken. 2) in de ruimte tussen de 2 punten moeten er vrije ladingen zijn. Hier zijn dat de vrije elektronen in de geleider.
☞
DEFINITIE
De stroomsterkte (of kortweg de stroom) I in een geleider met een doorsnede A is de absolute waarde van de nettolading die door A stroomt per s:
In feite is de ampère (en niet de coulomb) de basiseenheid in het SI. In deel 2 zul je de definitie van de ampère zien.
I=
Q ∆t
Stroom wordt uitgedrukt in C/s. De eenheid C/s noemt men de ampère (A) naar André-Marie Ampère (1775-1836): 1 C/s = 1 A Hoe meer lading er in een tijdsinterval ∆t door de geleider stroomt, hoe groter de stroomsterkte I. Uit de definitie volgt ook dat de stroomsterkte altijd positief is. Tabel: typische grootte van enkele stromen (in A) gloeilamp
0,1 – 0,5
strijkijzer
5
wasmachine
10
startmotor auto
60 – 150
elektrische kraan
150
elektrische trein
400
André-Marie Ampère
E LE K TR IC ITE IT
Waarom … globaal …? In een geleider bewegen de vrije elektronen voortdurend in alle richtingen. Als er geen stroom in de geleider loopt, gaan er door een doorsnede A per seconde evenveel elektronen van links naar rechts als omgekeerd. Als er wel stroom door de geleider loopt, gaan er per seconde meer elektronen van de ene kant naar de andere dan omgekeerd.