Page 1

opzet_def5_3006:schets a

01-07-2008

15:17

Pagina 1

UITGAVE ZOMER 2008

NUMMER 3 JAARGANG 3

VERSCHIJNT ONREGELMATIG

P2 P3 P4 P5 P6 P7

P8

Nieuwe leden: Roel Vollebregt (BAM Vastgoed) Vereniging versterkt met Algemeen Bestuur Plannen voor de Randstad Randstad Urgent tussenstand in kaart Schaalniveau Randstad opnieuw belangrijk Commissie voor de Milieu-effectrapportage ‘Randstad 2040’ Geert Teisman – Gestapelde uitdagingen vragen om een gestapelde aanpak Toekomstig Rijksadviseur voor het Landschap Yttje Feddes Christiaan van de Kamp – Een rendabel platteland is een stedelijk vraagstuk Deltanet opnieuw onderzocht Pieter Tordoir – HSL-Zuid geeft Rotterdam sterke economische impuls TNO Benchmark Randstad De stad als netwerk van activiteiten – tweegesprek Verena Balz en Renée Hoogendoorn over ‘De 9 steden’

Paul Gerretsen nieuwe agent Vereniging Deltametropool

Randstad na Urgent Conferentie over het tijdperk ná Randstad Urgent en vóór 2040 Gemeentemuseum Den Haag, 7 juli 2008, 13:00 – 18:00 uur

Olof Koekebakker

’Aansturen op een gezamenlijk gevoeld belang‘ Sinds 1 april 2008 beschikt de Vereniging Deltametropool weer over een agent: de architect Paul Gerretsen. Met zijn benoeming is de functie vervuld die na het vertrek van Donald van Dansik bijna anderhalf jaar vacant is geweest. Gerretsen hoopt de vereniging weer tot ideeënplatform te maken en aan bovensectorale oplossingen voor de Randstad te werken. Voor Gerretsen (1972), die voor één jaar is benoemd, is de Deltametropool geen onbekend terrein. Van 2005 tot eind 2007 gaf hij leiding aan het Atelier Zuidvleugel. In dit atelier, dat was opgezet door de provincie ZuidHolland, het ministerie van VROM en de gemeenten Rotterdam en Den

Haag, hield een groep ontwerpers zich intensief bezig met de ruimtelijke planning op de schaal van de Zuidvleugel van de Randstad. Daarnaast was Gerretsen tot voor kort verbonden aan het Rotterdamse bureau Maxwan Architects and Urbanists. Hij werkt ook als gastdocent aan de Technische Universiteit in München. Gerretsen ziet overeenkomsten tussen het Atelier Zuidvleugel en de

Redactioneel

Annemiek Rijckenberg

De vierde aflevering van het Hollandblad, ons onregelmatig verschijnende periodiek, heeft als thema: tussen Randstad Urgent en Randstad 2040. Voorjaar 2007 waren we gematigd optimistisch over het regeerakkoord, vooral over het aangekondigde Urgentieprogramma en de mogelijkheid van een structuurvisie voor de hele Randstad. En zie, het afgelopen jaar is door de ministers en ministeries oprecht geprobeerd tot afstemming, samenhang en nuttige programma’s te komen. Nadat we vier jaar hebben geroepen voor een dichte deur, is in den Haag het tij gekeerd. Dat geldt echter ook voor een deel van de achterban: in de boeggolf van de

Nota Ruimte zijn in de Noord- en Zuid-vleugel en het Groene Hart programma’s tot stand gekomen die niet zomaar tot relevante plannen op grotere schaal zijn om te bouwen. Rotterdam heeft zich teruggetrokken als lid van de vereniging, Utrecht kijkt de kat uit de boom. Gelukkig hebben Den Haag en Amsterdam nog steeds gepassioneerde wethouders, die ook op de grotere schaal denken dan hun vleugels. Dat geldt ook voor de provincies en voor vele nieuwe leden. In zijn voorlaatste column voor de Volkskrant schreef Kees Fens: ‘Regeren is hier stenen op de weg leggen en dan praten over wie ze moet weghalen. Niemand wil, het

Vereniging Deltametropool. ‘Allebei brengen ze partijen bij elkaar en voegen ze nieuwe kennis toe. Het Atelier Zuidvleugel was vooral inhoudelijk bezig met ruimtelijke, economische en sociale toekomstverkenningen, bijvoorbeeld de 9 scenario’s voor de steden van de Zuidvleugel. De Vereniging Deltametropool is er als netwerkorganisatie ook op uit een breed draagvlak te organiseren. Overigens vind ik voor veel inhoudelijke opgaven het schaalniveau van de Randstad relevanter dan dat van de Zuid- of Noordvleugel.’

Onder leiding van minister Eurlings wordt hard gewerkt aan Randstad Urgent –

Als opdracht kreeg Gerretsen mee, een nieuwe inhoudelijke basis voor de Vereniging Deltametropool te ontwikkelen en de leden actiever bij de vereniging te betrekken. “En er moeten ook leden bij komen. De Delta-

De Vereniging Deltametropool neemt met de conferentie Randstad na Urgent

> vervolg artikel op pagina 2

Voor meer informatie over programma en inschrijven: www.deltametropool.nl

probleem blijft. Er zal nooit iets gebeuren in dit land, waar de oplossing van de ene groep het probleem van de andere is.’ Het programma Randstad Urgent haalt al die groepen bij elkaar, met een duidelijk opdracht: weg met die stenen. Deze werkwijze lijkt succesvol. Alleen: de samenhang tussen projecten en het vervolg van de aanpak, daar maken we ons zorgen over. U kunt dit blad lezen als een pleidooi om meer samenhang aan te brengen en de grotere schaal en langere termijn te bewaken. Veel auteurs bepleiten een structuurvisie voor de Randstad als richtinggevend kader, zoals de Nota Toekomst van het

14 PROJECT MAINPORTONTWIKKELING ROTTERDAM / ONTSLUITING MAINPORT

het urgentieprogramma van drieëndertig prioritaire projecten dat van de Randstad een topregio moet maken. Minister Cramer richt zich met Randstad 2040 juist nadrukkelijk op het maken van een visie voor de verre toekomst. Onlangs hebben de SER en de VROM-raad in hun advies aan minister Cramer gepleit voor een samenhangende innovatie- en investeringsstrategie voor de Randstad als vervolg op Randstad Urgent. Kortom, een aansporing voor meer ambitie en samenhang. Tussen het Randstad Urgent en Randstad 2040 dreigt een hiaat te ontstaan. De Randstad heeft behoefte aan een vervolg op Randstad Urgent, dat fungeert als brug tussen de huidige projecten en de langetermijnvisie voor 2040, een programma met strategische projecten die zorgen voor meer kwaliteit en samenhang in de Randstad!

het initiatief de discussie hierover op gang te brengen. De coördinerend minister voor de Randstad, Camiel Eurlings, en verantwoordelijk minister voor Randstad 2040, Jacqueline Cramer, geven hun perspectief.

Westen des Lands dat jarenlang geweest is. Ondanks het verminderde belang van de ruimtelijke ordening als integratiekader en de meer economisch gedreven ruimtelijke sturing snakt iedereen naar ruimtelijke visies en grotere verhalen. De nieuwe generatie bestuurders en planners benadrukt het belang van zorgvuldige processen, maar is ook gefrustreerd over het gebrek aan gezaghebbend nee. U maakt kennis met onze nieuwe agent, Paul Gerretsen. Dat kan ook live bij de volgende oploop van de vereniging, op 7 juli of de nieuwe ledenvergadering in het najaar.

In dit blad geven we een overzicht van de projecten van Randstad Urgent. Die hebben vooral het karakter van achterstallig onderhoud en ingrepen in de infrastructuur; programma’s voor landschapsbehoud, recreatie of waterberging ontbreken nog. Deze vragen om een Urgentieprogramma II, met meer lange termijnperspectief dan de goedbedoelde inhaalslag die nu wordt gemaakt. De scenario’s voor 2040 leveren daarvoor al een keur aan nuttige en noodzakelijke perspectieven op, zoals ook zichtbaar wordt in dit Hollandblad. Het is een spannend jaar voor de Randstad en voor de Vereniging Deltametropool!


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 2

01-07-2008

15:17

Pagina 2

HB! ZOMER 2008

> vervolg artikel van pagina 1

metropool is tien jaar geleden begonnen met de vier grote steden, de waterschappen, de ANWB en de Kamers van Koophandel. Later hebben zich naast vele maatschappelijke organisaties ook middelgrote steden en de Provincies aangesloten. Maar er is bijvoorbeeld nog geen enkel ministerie lid, terwijl VROM, LNV en Verkeer en Waterstaat er wat mij betreft echt bij horen.” Het verbreden van de basis van de Vereniging Deltametropool heeft te maken met een veranderde kijk op de ruimtelijke planning. Paul Gerretsen: ‘Vanaf de Tweede Wereldoorlog heeft de ruimtelijke ordening jarenlang gediend als het kader waarbinnen uiteenlopende belangen – wonen, bedrijvigheid, landbouw, infrastructuur – werden geïntegreerd. Tegenwoordig voltrekt die integratie zich veel meer in economische zin, de ruimtelijke configuratie is dan een resultante. Dat roept de vraag op hoe je, onder deze veranderde omstandigheden, nog richting kunt geven aan de ruimtelijke ontwikkeling. Alleen op bepaalde segmenten, zoals grote infrastructuurprojecten, is die nog sterk in handen van de overheid. In

de meeste andere gevallen kan ze niet meer met regelgeving worden afgedwongen. Het komt er dan op aan dat je toewerkt naar een gezamenlijk gevoeld belang.’

Tot vorig jaar konden alleen overheden en maatschappelijke organisaties lid worden van de vereniging. Voor bedrijven was er de stichting Vrienden van de Deltametropool. In een tijd waarin het bedrijfsleven

‘Je ziet de laatste jaren ook dat de overheden er onderling niet uitkomen wat het beste programma is voor de Randstad. Zo ontstaat er maar geen helderheid over het bestuur van het gebied; die ene Randstadprovincie wil maar niet lukken. Dat is jammer, want de overheid zou veel meer slagkracht hebben als het bestuur eenvoudiger zou zijn georganiseerd. Het advies van de commissie Elverding over de infrastructuur wijst hier natuurlijk ook al op: te veel ineffectieve bestuurslagen, de juiste schaal ontbreekt. Het interessante is wel dat daardoor ook andere partijen zich met het proces gaan bemoeien.’ Zijn er al voorbeelden van zo’n breed gedragen benadering? ‘Bij de recente planontwikkeling rond het IJmeer waren alle belanghebbende partijen van het begin af aan betrokken, inclusief de milieubeweging. Zulke ontwikkelingen voltrekken zich nog niet op het schaalniveau van de Randstad. Dat is jammer’. Gerretsen wijst op de Stedenbaan – een plan voor het beter functioneren

een belangrijke actor in de ruimtelijke ontwikkeling is, is die situatie achterhaald. Daarom zijn eind 2007 vereniging en stichting samengevoegd tot één vereniging. In oktober moet het werk-programma klaar zijn waarin inhoudelijk en organisatorisch de grote lijnen voor de vernieuwing van de vereniging zijn vastgelegd. Dit Algemene Bestuur. In april volgend jaar zal het ter vaststelling aan de leden worden voorgelegd.

van het spoor in de Zuidvleugel. ‘Nu de hogesnelheidslijn gaat rijden, komt op het bestaande spoor ruimte voor een frequentere treindienst. Dat is een aanleiding om na te denken over meer dan alleen het vervoer. Er ligt nu een prachtig plan voor hoe je woningbouw en bedrijvenprogramma’s over de stations kunt verdelen. Waarom zouden we dat dan niet meteen op het niveau van de Randstad doen? Ook op het grotere schaalniveau zie je dat zich verschillende belangen manifesteren. Mensen maken steeds meer gebruik

Redactie

Roel Vollebregt, sinds enkele jaren voorzitter van de directie, licht de beslissing om lid te worden toe. ‘De Randstad stagneert en komt onvoldoende uit de verf als economische motor. Het grootste probleem voor ontwikkelaars zijn de vele procedures en vooral de manier waarop de verschillende overheden ermee omgaan.’ Vollebregt zelf heeft die problematiek in een werkgroep onderzocht en stelde vast dat het probleem niet de regelgeving zelf is, maar vooral de manier waarop deze wordt toegepast. De service en het management van het lokale bestuur laten te wensen over, vindt hij. ‘Je ziet in de professionaliteit van de omgang met regelgeving ook gigantische verschillen tussen gemeenten. Enkele goede voorbeelden bewijzen dat het wel efficiënt kan. Maar die verschillen hebben veel invloed op de ontwikkeling van het totale gebied.’

Ook de afnemende bereikbaarheid van en in de Randstad baart hem zorgen. ‘Het is een natuurlijk probleem van alle grote stedelijke regio’s’, stelt hij. ‘Ik weet niet zeker of het in de Randstad nu zo bijzonder slecht is ten opzichte van andere metropolen, maar het is wel slechter dan in andere delen van Nederland. Dat heeft tot gevolg dat de woningen in de Randstad nog méér in trek raken. Door het grote potentieel aan arbeidsplaatsen worden mensen die in eerste instantie de Randstad hebben verlaten voor een betere woonomgeving, gedwongen om terug te keren om op tijd op hun werk te kunnen zijn. Prijzen van vastgoed blijven daardoor hoog. Maar dat is puur uit schaarste en niet vanwege de kwaliteit.’ Ontwikkelaars, zo vervolgt Vollebregt, hebben daar op korte termijn voordeel bij maar de productie blijft achter en er is weinig aansporing vanuit de markt om betere woningen te bouwen of de kwaliteit van de leefomgeving te verhogen. ‘Dat is niet alleen voor de Randstad een probleem, maar uiteindelijk ook voor de projectontwikkelaars. Ook economisch gezien heeft verslechtering van

4 DISCONTINUÏTEITEN A4 EN A12 (ZOETERWOUDE-BURGERVEEN)

Volgens Gerretsen kunnen we ons laten inspireren door de manier waarop de regionale planning in New York is opgezet. ‘De Regional Planning Association is een onafhankelijke organisatie onder leiding van Robert Yaro, waarin ook bedrijven en maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd. Juist omdat ze zo’n breed draagvlak hebben, zijn ze erg succesvol met hun regionale plannen.’

wordt besproken in het nieuwe

Op het schaalniveau van de Randstad heeft niemand invloed Een van de nieuwe leden is BAM Vastgoed. Het bedrijf is een zelfstandig onderdeel van Koninklijke BAM Groep, gespecialiseerd in projectontwikkeling en heeft veel projecten in de Randstad. Een kennismaking.

van de hele Randstad, daar zou je nog veel sterker op kunnen sturen.’

bereikbaarheid een negatieve invloed. Dat is bijvoorbeeld te zien aan het stagneren van de kantorenmarkt.’ Voor BAM Vastgoed is de vereniging met name als platform van belang. ‘We zijn dan misschien een belangrijke ontwikkelaar, maar op het schaalniveau van de Randstad hebben we weinig invloed terwijl het gebied voor ons wel belangrijk is. De vereniging is voor ons een mogelijkheid om gezamenlijk op te trekken en invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van de Randstad.’ Een laatste oproep? ‘Minder overheid en een grotere kwaliteit van beleid en bestuur!’ Maar zijn de ontwikkelaars wel bereid om te investeren in kwaliteit, bijvoorbeeld als het gaat om de samenhang in een groter gebied? ‘Bij voldoende invloed wel. Hét voorbeeld daarvan is wat mij betreft de Blauwe Stad in Groningen: daar is ook door de ontwikkelaars geïnvesteerd in de kwaliteit van een heel groot gebied.’ Roel Vollebregt is gevraagd zitting te nemen in het Algemeen Bestuur van de Vereniging Deltametropool en heeft daarop enthousiast gereageerd.

Gerretsen beschouwt het als zijn belangrijkste taak om voor de Vereniging Deltametropool een nieuw programma en een nieuwe agenda te ontwikkelen. ‘Eerst moet er een inhoud zijn. Partijen krijgen de ruimte, ik wil ze uitdagen en inspireren tot eigen initiatief in de vereniging’. Over de positie van de vereniging zegt hij: ‘We zouden meer vanaf de zijlijn kunnen opereren en van daaruit vooral de discussies aanvoeren. Het andere uiterste zou zijn dat we zelf aan de slag gaan om een structuurplan voor de Randstad te maken. Ik ben en blijf een ontwerper en ik zou graag in die laatste richting wer-

ken. Het zou onder de huidige omstandigheden misschien een slimmer plan met veel duidelijker keuzes kunnen opleveren om zo’n structuurvisie te laten maken door de Vereniging Deltametropool dan door een ministerie. Maar de realiteit is dat daarvoor op dit moment de vereniging nog te klein is. Ik hoop dat we een tussenweg kunnen vinden, en dat we vervolgens kijken hoe ver we kunnen komen.’ Wat de concrete thema’s betreft, zijn er als het aan Gerretsen ligt, een paar onvermijdelijke onderwerpen voor de vereniging. ‘Het zal in ieder geval moeten gaan over mobiliteit en bereikbaarheid. Binnen de Randstad zullen we veel gedifferentieerder over mobiliteit moeten nadenken – in ieder geval niet meer uitsluitend vanuit de knelpunten, zoals zo vaak nog gebeurt. We weten, dat bij verschillende plekken verschillende typen bereikbaarheid horen. Vervolgens zou je moeten nadenken over welke programma’s daarbij horen. Een tweede daarmee verbonden thema is de sociaal-economische samenhang in de Randstad, het gebrek aan kennis over de structuur van de werkgelegenheid en de kansen voor de verschillende regio’s. Waar wonen de mensen, waar werken ze?’

Vereniging versterkt met Algemeen Bestuur De Vereniging Deltametropool heeft zich vernieuwd. Het lidmaatschap staat sinds begin dit jaar niet alleen open voor overheden en maatschappelijke organisaties maar ook voor personen en bedrijven die zich betrokken voelen bij de ambitie om de Randstad tot samenhangende metropool te ontwikkelen. De vereniging is daarmee niet alleen meer een ideeënfabriek en lobbygroep, maar vooral ook een netwerk van mensen en organisaties met een gezamenlijke ambitie. Naast het Dagelijks Bestuur is er nu ook een Algemeen Bestuur om de vereniging te steunen en te versterken. Algemeen Bestuur J. de Bondt dijkgraaf HHRS Amstel, Gooi en Vecht

drs E.Th.P. Staal algemeen directeur Vestia

drs G.J. Cerfontaine president-directeur Schiphol Group

mr J.H. Oosters dijkgraaf HHRS Schieland en Krimpenerwaard

drs Sjarel Ex directeur Boijmans van Beuningen

M. van Poelgeest wethouder Amsterdam

ir J.J. de Graeff algemeen directeur Vereniging Natuurmonumenten

drs C.P. van Oostrom * directeur OVG Projectontwikkeling

R. Klawer * voorzitter VNO-NCW West J.F. Koen * burgemeester Zederik

mr J.P.R.M. Steegh wethouder Leiden drs ing. R. Vollebregt * directievoorzitter BAM Vastgoed

dr S.J. Noorda voorzitter college van bestuur VSNU

ing. D. van Well voorzitter raad van bestuur Dura Vermeer

drs J.M. Norder wethouder Den Haag

mr G.H.N.L. van Woerkom directeur ANWB

*) Worden voorgedragen op de ledenvergadering van 7 juli 2008


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 3

01-07-2008

15:17

Pagina 3

HB! ZOMER 2008

Plannen voor de Randstad In 1958 wordt door de rijksoverheid een eerste Randstadplan gepresenteerd. Dit plan erkent het economische belang van de Randstad en wil bewoners, diensten en bedrijven zoveel mogelijk spreiden. Delen van de Randstad krijgen een agrarische functie, al staat dat platteland van meet af aan onder druk. De afgelopen vijftig jaar vond een enorme verstedelijking plaats, in geplande en niet-geplande patronen. Inmiddels verplaatsen de Randstadbewoners zich dagelijks massaal over een groot gebied. Het plan uit 1958 voldoet niet meer. In dit licht ontstaat Randstad Urgent. Het voegt urgente, lopende projecten samen in een uitvoeringsprogramma en richt zich met Randstad 2040 op de lange termijn. Daarbij focust het rijk op een goede, internationale concurrentiepositie, terwijl de Randstad als metropool nog veel meer te bieden heeft. Een metropool past niet bij Nederland In 2008 is het vijftig jaar geleden dat er voor het eerst een grootschalig ontwikkelingsplan voor de Randstad werd gepresenteerd. De nota Ontwikkeling van het westen des lands kwam onder druk tot stand en werd vrijwel direct vastgesteld door de Tweede Kamer. Het was een compact plan, waaraan zeven jaar was gewerkt door verschillende departementen, provincies en steden. Binnen Nederland werd de Randstad aangemerkt als economische groeipool, maar nadrukkelijk niet als metropool. Het middengebied werd vanwege de veengrond gereserveerd voor landbouw. De woningbouw werd verdeeld over grotere en kleinere kernen, gegroepeerd in vleugels. De inrichting was gebaseerd op de behoeftes van het gezin. Het Ministerie van Verkeer en Waterstaat nam een minderheidsstandpunt in door één functionele eenheid te prefereren. Vleugels zouden kosten opleveren door woon-werkverkeer en de spreiding zou de economische kracht van de Randstad ondermijnen. Het Ministerie van Landbouw meende dat de agrarische behoefte veel kleiner was dan het plan suggereerde, maar ging wel akkoord. De urgentie voor een aanpak op deze schaal was destijds groot, al bleek dit achteraf bezien overschat. Bijna de helft van de totale bevolking woonde in een vijfde van het land en er werd een bevolkingsgroei verwacht van dertig procent door de babyboom en binnenlandse migratie. Er werd bezorgdheid uitgesproken over de sociale ontworteling en het morele verval van de jonge migranten, die onervaren waren met het stadsleven. Zonder planning kon de Randstad wel eens een on-Nederlandse signatuur krijgen en gaan lijken op Londen of Parijs. Dit werd opgevat

Martine Bakker

als een bedreiging van de Nederlandse cultuur. Nederlanders zouden liever verspreid over kleine kernen wonen dan opeengepakt in een stedelijk centrum. In de Ontwikkeling van het westen des lands zorgen open steden in een open land dan ook voor spreiding van de welvaart, een eerlijke verdeling van kansen en bereikbare voorzieningen. Het resulteerde in een gedecentraliseerde Randstad,

makerijen vlakbij de steden kunnen worden benut voor de waterberging. De grondgebonden landbouw heeft geen behoefte aan romantiek, de boeren zouden juist flexibel moeten ondernemen. De schaarse natuursubsidies zouden moeten ingezet voor de bijzondere natuur van het veenweidegebied en het herstellen van de ecologische hoofdstructuur. Wanneer de opgave goed is gedefini-

schoon, heel, veilig en zuinig worden. De Randstad moet respect uitstralen. Ten behoeve van recreatiedoeleinden is een aantrekkelijke groen-blauwe structuur gewenst. Daarnaast zijn er betere verkeers- en vervoersnetwerken nodig: in infrastructureel opzicht kan de Randstad veel efficiënter worden georganiseerd. Woongebieden kunnen beter worden ontsloten en de kwaliteit van het openbaar vervoer

moeten worden in een hoofdwegennet en een onderliggende structuur. Het autoverkeer kan teruggedrongen worden met maatregelingen als de kilometerheffing en een ander parkeerbeleid. Er zouden investeringsbudgetten kunnen komen voor beheerders van de weg, projectontwikkelaars of corporaties, waarin de VROM-raad zou kunnen adviseren. Kortom, de lange termijn zou zich

waarin alles middelgroot is en de samenhang ontbreekt.

eerd, zouden regionale en lokale partijen vervolgens alle vrijheid kunnen krijgen. Een dergelijke aanpak vraagt om zelfbeheersing. We zijn het verplicht aan de Randstad en de unieke Nederlandse natuur om niet alleen een visie op te stellen, maar die, ondanks de typisch Nederlandse neiging om dat niet te doen, ook tot uitvoering te brengen.

kan omhoog.

moeten richten op een robuust ruimtelijk raamwerk, met ruimte voor flexibele arrangementen.

Het Groene Hart is geen Central Park De groengebieden waarover de Randstad nu nog beschikt kunnen worden gezien als een verdienste van de Ontwikkeling van het westen des lands. Maar zoals het Ministerie van Landbouw in 1958 al voorspelde, is de landbouw steeds meer teruggedrongen, waardoor het landschap verrommelde. Mede daardoor is er dringend behoefte aan een nieuwe langetermijnvisie, waarin de groengebieden integraal worden meegenomen en waarin wordt ingezet op meerdere functies tegelijk. Het Groene Hart is geen Central Park, maar een gebied waar ook wordt gewoond en gewerkt. De opgaven voor het landelijk gebied zijn evident. De ecologische hoofdstructuur is nog maar voor de helft gerealiseerd. Er is dringend behoefte aan recreatiegebied. De grote landschappen moeten worden beheerd als Nationaal Landschap – al is de betekenis daarvan nog onduidelijk – en het watersysteem moet door de klimaatveranderingen nodig worden aangepast. Dit vraagt om een grondig onderzoek naar de toekomst van de grondgebonden landbouw in het gebied. De plannen voor de agrarische sector waren vooralsnog niet grootschalig en niet realistisch genoeg. Het nieuwe elan in de landbouwsector schept nieuwe mogelijkheden. Het lage land van de Randstad is uniek, ook op mondiale schaal. Dit blijft teveel een verborgen identiteit. Een gedeelde identiteit zou kunnen bijdragen aan een eenduidige visie over de ruimtelijke ontwikkeling van de Randstad. Er zijn de laatste tijd wel mooie kaarten gemaakt, maar een samenhangend beeld van de ontwikkeling van stad en land, woningbouw en infrastructuur, natuur en landschap, op hoofdlijnen en in één richting, ontbreekt nog steeds. Bovendien is de bestuurlijke constellatie zwak. Er zijn teveel bestuurders, die te langzaam beslissen en geen aansturing van boven dulden. De langetermijnvisie voor de Randstad zou geen blauwdruk moeten zijn, maar richting moeten geven. De landbouwvisie moet worden gekoppeld aan stedelijke ontwikkelingen. Het landschap heeft baat bij compacte woningbouw. De droog-

4 DISCONTINUÏTEITEN A4 EN A12 (ZOETERWOUDE-BURGERVEEN)

Meer dan een topregio Ieder verstedelijkt gebied heeft een eigen, intrinsieke waarde. Dit uitgangspunt zou het debat over de Randstad en de verstedelijkingsopgave kunnen ondersteunen. De focus op het ontwikkelen van een duurzame, concurrerende, internationale topregio is te eenzijdig. Het is belangrijker om een intrinsieke dynamiek te bewerkstelligen. Daarbij spelen omvang, diversiteit, specialisatie, breedte, kruisbestuiving en innovatieklimaat een rol en zijn schaal- of locatievoordelen van ondergeschikt belang. Randstad 2040 zou niet alleen een economisch en ruimtelijk, maar ook een sociaal-maatschappelijk vraagstuk moeten zijn. De ingrediënten zijn al aanwezig en mogen niet verloren gaan tengevolge van het concurrentiedebat. Al in 1990 werd geconstateerd dat de Randstad weinig samenhang vertoont. Toch groeit de mobiliteit in het gebied nog aldoor. Toevoerwegen zijn doorlopend overvol en treinen zitten in beide richtingen eveneens vol. Mensen die in de Randstad werken, komen overal vandaan. De grenzen van de verstedelijking houden zelfs niet op bij de Randstad – er is sprake van een Eurodelta. De Europese en mondiale industrie is zich, sinds de grenzen in 1990 open zijn gesteld, ruimtelijk aan het herconfigureren en het is niet te overzien welke krachten dat los zal maken. Er komen steeds meer Europese richtlijnen waardoor het schaalniveau alsmaar groeit. De dynamiek betreft dus verschillende schaalniveaus tegelijk. Een langetermijnvisie zou rekening moeten houden met de dynamiek per schaalniveau. Randstad 2040 heeft behoefte aan een ruimtelijk raamwerk, dat alle stromen aankan en buffers heeft – voor water, goederen, mensen, flora en fauna. De stedelijke opgave bestaat uit het creëren van aantrekkelijke woonwerkmilieus en een goed onderwijssysteem. De Randstad moet

De ruimtelijke specificatie van verkeers- en vervoersnetwerken heeft prioriteit, want deze bepaalt wáár mensen kunnen komen. Dit wordt al toegepast in het project Stedenbaan en ook rond de andere grote steden wordt gewerkt aan metropolitane vervoerssysteem van hoge kwaliteit. Ontwikkelingen worden gepland op de knooppunten, het ruimtegebruik is hoogintensief en multifunctioneel en de gebieden worden mooi vormgegeven. Het wegennet zou verdeeld

Randstad Urgent tussenstand ‘Met Randstad Urgent zetten kabinet, provincies, gemeenten en stadsregio's samen de schouders eronder om de

1 februari 2008 organiseerde de Vereniging Deltametropool de werkconferentie ‘Holland: hotspot of hutspot?’ samengesteld door Dirk Frieling. De probleemstelling op deze dag werd geschetst door Hans van der Cammen (zelfstandig adviseur RO, hoogleraar ruimtelijke planning UvA), Jan Jaap de Graeff (directeur Vereniging Natuurmonumenten) en Wim Hafkamp (wetenschappelijk directeur Nicis Institute). Het bovenstaand artikel is hierop gebaseerd.

MAINPORTCORRIDOR ZUID (PMZ) OV SCHIPHOL-AMSTERDAM-ALMERE-LELYSTAD KORTE TERMIJN MAATREGELEN OV ÉÉN OV-AUTORITEIT CONTAINER TRANSFERIUM DEN HAAG INTERNATIONALE STAD WERKSTAD A4 STADSHAVENS ROTTERDAM LEIDEN BIOSCIENCE PARK VERKENNING 2E ONTSLUITING HAVEN ROTTERDAM CULTUUR EN KENNIS HAARLEMMERMEER ZUIDPLASPOLDER TOEKOMSTAGENDA IJMEER/MARKERMEER SCHAALSPRONG ALMERE 2030 GROOT MIJDRECHT NOORD COMPARTIMENTERING ‘CENTRAAL HOLLAND’ OUDE RIJNZONE (VENSTER BODEGRAVEN-WOERDEN)

5 7 9 10 15 17 18

problemen in de Randstad aan te pakken. Knopen doorhakken en

19 20 21

besluiten nemen, daar gaat het om.

22

Zo moet de Randstad weer internatio-

25

naal een economisch sterke regio

24

26 27

worden. Wat goed is voor de Rand-

30

stad, is goed voor Nederland stelt het

35

32

ministerie van V&W. In de Randstad Urgent kaart is gekeken naar:

2

financiering, besluitvorming en start

4

uitvoering. Het levert een sterk wisse-

8

6 11

lend beeld: met projecten die al con-

14

crete successen hebben geboekt en

16

projecten die nog nauwelijks in de

28

23 29

startblokken staan.

A4 DELFT-SCHIEDAM WEGUITBREIDING SCHIPHOL-AMSTERDAM-ALMERE FLESSENHALZEN A4 EN A12 A13/A16 UITBREIDING SPOOR DEN HAAG-ROTTERDAM

1

33

MOGELIJKHEDEN SCHIPHOL-LUCHTHAVEN LELYSTAD MAINPORTONTWIKKELING ROTTERDAM (PMR) TRANSITIE GREENPORTS DUURZAAM BOUWEN UTRECHTSE REGIO RUGGENGRAAT NATUUR EN RECREATIE (NATTE AS) MOOI EN VITAAL DELFLAND STARTNOTITIE RANDSTAD 2040

12 DRAAISCHIJF NEDERLAND 31 AANPAK ZWAKKE SCHAKELS 34 ONTSLUITING MAINPORT ROTTERDAM (A15 MAVA) 31

AANPAK ZWAKKE SCHAKELS

3 13

A4 SCHIPHOL HOEKSCHE WAARD OF ALTERNATIEVE LOCATIE

VOORTGANG PROGRAMMA RANDSTAD URGENT

Bron: Vereniging Deltametropool (op basis van kaart Randstad Urgent)

NIET GESTART GEFINANCIERD BESLUIT GENOMEN GESTART GEWIJZIGD


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 4

01-07-2008

15:17

Pagina 4

HB! ZOMER 2008

Schaalniveau Randstad opnieuw belangrijk

Lin Tabak

3 adviezen over toekomst Randstand vergeleken Vooruitlopend op de Verkenning Randstad 2040 hebben de Planbureaus en adviesraden het kabinet geadviseerd. Een samenvatting en bespreking. ‘Wát er met de Randstad moet gebeuren is nu zo ongeveer wel bekend’, zei VNONCW-voorzitter Elco Brinkman op 18 april bij de bespreking door de Sociaal-Economische Raad (SER) van het advies over de toekomstige Randstadstrategie. ‘Het gaat erom dát er wat gebeurt.’ Over dat laatste is iedereen het eens, maar over het wát verschillen de adviezen nogal. VROM-raad en de raden voor Verkeer en Waterstaat en het Landelijk Gebied tonen zich enthousiaste pleitbezorgers voor een integrale strategie voor het gebied. Maar het Ruimtelijk-, Milieu- en Natuur- en Centraal Planbureau zijn gereserveerder en de SER benadrukt vooral de noodzaak voor arbeidsmarktmaatregelen. Ook op de inrichting van het landelijk gebied heeft elk advies een andere kijk. Die adviezen, die tussen half maart en half mei verschenen, betreffen de strategische Randstadvisie van het kabinet die deze zomer wordt verwacht. Uitgangspunt vormt de Startnotitie Randstad 2040 die minister Cramer (VROM) vorig jaar juni uitbracht. Inzet daarvan is de negatieve spiraal om te buigen tot een positieve ontwikkeling. Van een regio die al jaren daalt op de ranglijst van meest concurrerende regio’s en waar wonen, werken, recreatie en groen elkaar toenemend in de weg zitten, moet de Randstad een ‘duurzame en concurrerende toplocatie’ worden. Opvallend positief zijn VROM-raad c.s. over de totaalbenadering. Ze adviseren het kabinet in hun advies ‘Verbinden en verknopen’, om het gebied als ‘open netwerk’ te beschouwen, met knopen waarin innovatie plaatsvindt en meerwaarde wordt gegenereerd. In die knopen onderscheiden ze internationale (Schiphol, congrescentra), nationale (Stopera, musea) en dagelijkse stedelijke (woon-, werk-) functies. De netwerkgedachte

moet tot uiting komen in een elkaar aanvullen van de centra die ‘onderling uitstekend zijn verbonden’. De langetermijnvisie moet niet alleen problemen

lopen decennium eerder méér op elkaar gaan lijken dan minder, in soorten bedrijven, samenstelling van beroepsbevolking en in winkelaanbod. En voor

oplossen maar vooral ook unique selling points uitbuiten. Zo dienen verbrede waterboezems niet alleen het extra water te bergen dat door de klimaatverandering binnenstroomt, maar zijn ze ook nieuwe watersportgebieden en versterken de identiteit van de Randstad.

zover steden zich specialiseren, stellen ze, gaat dat niet gepaard met een sterke integratie in het Randstadgeheel. In hun advies voor het plannen van verdere verstedelijking verbinden de planbureaus daar overigens weinig consequenties aan. Extra ruimte kan, vinden ze mét SER en VROM-raad, goed worden gevonden binnen het kader van de Randstad, met name door verdichting van het nu al bebouwde gebied. Planbureaus en SER denken daarbij vooral aan concentratie rond vervoersknooppunten, de VROM-raad c.s. aan concentratie rond de dubbelsteden Amsterdam-Almere en Den HaagRotterdam. De planbureaus willen vooral niet te veel vastleggen. Met het aanpassen van de natuur aan de gevolgen van klimaatverandering kun je nu al beginnen, stellen ze, omdat die redelijk voorspelbaar zijn. Maar in de woningmarkt verschillen de hoogste en laagste ramingen niet minder dan een miljoen woningen van elkaar.

Food and Nutrition Delta Dat juist de VROM-raad zich in de Startnotitie herkent, is verklaarbaar; de notitie is vooral vanuit ruimtelijke ordeningsperspectief gedacht. Het SERadvies voegt daaraan de arbeidsmarktdimensie toe. Het pleit voor ‘urgente actie’ op twee hoofdpunten. Het eerste: het verder ontwikkelen van de relatief weinig ruimte vragende kennisindustrie door het aantrekken van meer hoog opgeleiden en het versterken van al aanwezige specialisaties. Zo zou volgens de SER de sector Flowers & Food Nederland tot ‘food and nutrition’ delta van de wereld kunnen maken. Het tweede actiepunt: aanzienlijke extra inspanningen op onderwijs en toeleiding arbeidsmarkt, zodat ook ‘het groeiende aantal lager geschoolden’ weer kan meedoen. Dat is niet alleen noodzakelijk voor sociale cohesie en leefbaarheid, stelt de SER, maar ook vanwege de groeiende behoefte aan handen in dienstverlening en zorg. Zowel de SER als de Planbureaus plaatsen kanttekeningen bij het kabinetsstreven om de Randstad een internationale toppositie te geven. De SER vindt zo’n positie een middel in dienst van een welvaartsverhoging die ook ‘niet reproduceerbare waarden’ zoals natuur omvat. De planbureaus stellen het Randstadconcept zelf ter discussie: verschilt de problematiek wel genoeg van die van de rest van Nederland om een afzonderlijke visie te rechtvaardigen? Ze zijn sceptisch over het door de VROM-raad c.s. bepleite netwerkmodel: de steden van de Randstad fungeren nu niet op die manier. De stadsgewesten zijn het afge-

Wereld-erfgoedlijst Op bereikbaarheid en mobiliteit lopen de adviezen uiteen. SER en VROM-raad dringen aan op drastische maatregelen, zoals een veel betere aansluiting tussen weg-, spoor, lucht- en watervervoer, snelle invoering van een gedifferentieerd kilometertarief en frequentere treinen (SER) en zelfs het ‘opnieuw doordenken van het hele systeem’ vanuit een vraaggerichte optiek (VROM-raad c.s.). De planbureaus zien voor nieuwe inspanningen minder aanleiding. De Startnotitie, stellen ze, gaat er vanuit dat de mobiliteit ook op de lange termijn toeneemt, maar dat beeld wordt in lange termijn verkenningen over weg- en spoorvervoer niet bevestigd. De 1,5 tot 2,4 procent groei die tot 2020 wordt verwacht, kan ruimschoots worden opgevangen met het huidige investeringspakket. En voor ná 2020 is een duidelijke afvlakking voorzien.

Ook de visies op het landelijk gebied verschillen. De VROM-raad c.s. neigen tot het ‘metropolitane park’ uit de Startnotitie. Een sterke groen-blauwe structuur die zich doorzet in het IJmeer en een ‘integraal ontwikkelde kust’, dempt, stellen ze, ‘het gevoel van volte en geeft ruimte aan nieuwe verstedelijking’. SER en Planbureaus zien niets in zo’n park. Dat maakt, stellen de planbureaus, het landelijk gebied te veel tot uitvloeisel van verstedelijking. De SER pleit voor behoud van de veehouderij en een betere ontsluiting voor recreatie, de Planbureaus voor meer ruimte voor de natuur. Wil Nederland voldoen aan het Europese habitatbeleid, dan moet een aantal natuurgebieden uitgebreid worden en de milieudruk rondom die gebieden omlaag. Recreatie kan dan plaatsvinden langs stadsranden en, in de vorm van groene diensten, in het landbouwgebied. Minister Cramer had in haar adviesaanvraag om keuzesuggesties verzocht. Keuzes zijn inderdaad nodig, vinden de adviesorganen. Een gebied dat zowel een van de grootste stedelijke agglomeraties van Europa herbergt als de grootste haven, de vijfde luchthaven, een wereldwijd exporterende landbouwsector, het merendeel van de buitenlandse bedrijven van het land en landschappen die op de werelderfgoed lijst staan (SER) komt anders onvermijdelijk zichzelf tegen. Ze wijzen daarbij vooral op het groene hart. Maar hun suggesties zijn verschillend. De VROM-raad vraagt om een studie naar de vitaliteit van het groene hart als leverancier van voedsel en landschappelijke kwaliteit en suggereert een concentratie van de glastuinbouw onder de aanvliegroutes voor Schiphol die toch niet voor andere doelen bruikbaar zijn. De planbureaus daarentegen willen, om overdruk op het gebied te voorkomen, de glastuinbouw zonodig verplaatsen naar elders in het land. Bestuurlijke verbouwing Welke Randstadstrategie er ook komt, het welslagen achten de adviesorganen afhankelijk van een degelijke financiering

Commissie voor de Milieu-effectrapportage ‘Randstad 2040’ Nauwelijks méér dan een voortzetting van het lopend beleid Dat is het oordeel van de Commissie voor de Milieu-Effectrapportage over de kabinetsplannen met de Randstad zoals die in de Startnotitie van 2007 beschreven staan. Die weinig vleiende mening – die de hiernaast genoemde planbureaus overigens

delen – velt de commissie slechts terloops; haar was gevraagd om voorwaarden te formuleren op basis waarvan een goed milieueffectrapport mogelijk is. Behalve het ‘business-as-usual’ scenario, zou het kabinet op zijn minst enkele alternatieven moeten uitwerken zodat een afweging te maken valt. Bovendien zou het concretere doelen moeten aangeven dan de

2 PROJECT WEGUITBREIDING SCHIPHOL-AMSTERDAM-ALMERE

‘duurzame en concurrerende topregio’ waarop de Startnotitie mikt. Om het denken op gang te helpen, doet de commissie twee suggesties. Is klimaatbestendigheid tot het jaar 2100 het doel, dan dient veel ruimte voor water en natte natuur te worden gereserveerd en moet de woonbebouwing sterk worden verdicht. Is concurrentie door een stedelijk agglomeratievoordeel het streven, dan komt

alleen de noordflank in aanmerking en moeten Amsterdam, Almere, Haarlem en Hilversum aaneengroeien tot een agglomeratie van 4 miljoen inwoners, vergelijkbaar met groot Milaan en het gebied rond Berlijn – wat heel veel nieuwbouw vergt en Rotterdam tot een additionele rol degradeert. Verder zou de commissie voor een gedegen oordeel graag mondiale en

en een sterke regie. Wat financiering betreft pleiten SER en VROM-raad c.s. voor een investeringsstrategie die voor een lange reeks van jaren is veiliggesteld. De nu nog vooral papieren samenwerking moet veranderen in ‘geïntegreerde ruimtelijke actie’ (planbureaus), opdat ‘nieuwe coalities’ ontstaan tussen ministeries en overheden en tussen overheid en markt (VROM-raad c.s.). Maar hoe komt die vereende actie tot stand? De antwoorden zijn opvallend eensluidend: de structuurvisie uit de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening die op 1 juli inging, biedt goede mogelijkheden, met instrumenten als bestuurlijk overleg en convenanten tussen verschillende overheden. De planbureaus willen op rijksniveau een ‘afrekenbare uitvoeringsagenda’, de SER ziet voor met name de ministeries een coördinerende taak. Het ‘regionale gat’ denkt de SER te dichten door niet-vrijblijvende samenwerking tussen gemeenten en provincies die zonodig gebruik moeten maken van hun ‘doorzetmacht’. Of dat volstaat, moet blijken - geen van de adviezen rept over een nieuwe bestuurlijke structuur. SER-kroonlid Marco Wilke zei het tijdens de bespreking van het advies in april expliciet: “Een ‘grote bestuurlijke verbouwing’ zou alle energie vergen die juist voor actie nodig is. Bovendien ‘is de Randstad ook heel veel NIET, zoals een economisch, sociaal en cultureel geheel. En tot slot spelen de meeste maatregelen op arbeidsmarkt- en onderwijsgebied waarom de raad vraagt, niet op Randstedelijk maar op wijk- en stedelijk of juist landelijk niveau.” Besproken: SER: Zuinig op de Randstad, 18 april (advies 08/04). VROM-raad, Raad voor het Landelijk Gebied en de Raad voor Verkeer en Waterstaat: Verbinden en verknopen, 14 maart 2008. Ruimtelijk Planbureau, Milieu en Natuurplanbureau, Centraal Planbureau: Ex ante toets Startnotitie Randstad 2040. 8 mei 2008

Lin Tabak Europese scenario’s zien die van invloed kunnen zijn. Kortom: de betrokken ministers kunnen nog even vooruit.

Commissie voor de M.E.R. : ‘Randstad 2040. Advies over de reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectrapport’ 24 april 2008 / rapportnummer 2028-53


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 5

01-07-2008

15:17

Pagina 5

HB! ZOMER 2008

Gestapelde uitdagingen vragen om een gestapelde aanpak1 Geert Teisman

Randstad Urgent als rijksaanpak van metropolitaanse ontwikkeling Randstad Urgent is een poging om een samengestelde aanpak te ontwikkelen voor de grote opgaven die spelen in het gebied. Maar voor sommigen is Randstad Urgent vooral ‘een truc’ om projecten die er al zijn er sneller ‘doorheen te douwen’. Als Randstad Urgent niet meer wordt dan dat, zou mij dat om twee redenen teleurstellen. Ten eerste betwijfel ik of de voorliggende projecten een voldoende antwoord zijn op de ambities van concurrerend vermogen, leefbaarheid en klimaatbestendigheid. Veel projecten zijn bedacht vanuit een deeloplossing. Ze pakken een probleem aan, zonder recht te doen aan andere ambities. Sterk geldt dat voor wegenprojecten. Natuurlijk is het fileprobleem nijpend, ook voor mij als verstokte automobilist. Maar de aanleg van spitsstroken heeft negatieve effecten op de leefbaarheid. De bewoners van Diemen of Amsterdam dragen de lasten van het faciliteren van de bewoners van Almere. Dat brengt een klassieke spiraal op gang, waarbij Randstedelingen die langs spitsstroken wonen, gaan overwegen om naar Almere te verhuizen. Ten tweede veronderstel ik dat geen project in Randstad Urgent is bedacht vanuit het Randstadbelang: de ambitie om de Randstad economisch vitaal, leefbaar en klimaatbestendig te maken. Zulke projecten, die van een veel hogere

en gecombineerde kwaliteit dienen te zijn, moeten nog worden bedacht. Waarom zijn ze dan nog niet bedacht? Het antwoord daarop is even logisch als onthutsend: geen enkele organisatie in de Randstad ziet het formuleren van programma’s van eisen vanuit het Randstadbelang als kernopdracht. Sterker nog, projecten die zo’n gecombineerde kwaliteit in zich dragen en gezichtbepalende potenties hebben, krijgen in de huidige gefragmenteerde overheidsburelen geen kans. Een aanbieder van zulk een project zal door de verkokerde overheden van het kastje naar de muur gestuurd worden en zich uiteindelijk bij de feiten neerleggen: de overheden in de Randstad zijn niet op zoek naar echte kwaliteit, ze houden zich liever bij het bevredigen van hun deelbelang. Het spannende aan Randstad Urgent vind ik, dat het een projectenportefeuille zou kunnen ontwikkelen die de gestapelde problemen van de Randstad op passende wijze aanpakt. De programmatische aanpak onderscheidt zich van het traditionele lijnmanagement en het iets jongere projectmanagement². Bij een lijnaanpak geldt als uitgangspunt dat een organisatie een doel heeft en dat daaruit taken zijn af te leiden. Als deze taken worden uitgevoerd wordt het doel bereikt. Bij projectmanagement

wordt erkend dat lijnorganisaties te verkokerd zijn om de neteligere problemen te kunnen oplossen. Daarom is een team nodig dat bestaat uit mensen van verschillende organisaties die als gezamenlijk doel hebben het realiseren van een project. Een project is dan een gefixeerde combinatie van een probleem (file) en een oplossing (spitsstrook). De opdracht is, de oplossing binnen budget en tijd te realiseren. Uit implementatiestudies blijkt nu dat lijnorganisaties alleen hun eigen deelproblemen oplossen en integrale oplossingen bemoeilijken en dat in één fysieke ruimte zoveel projecten tegelijkertijd spelen dat ze elkaar in de weg zitten. Een programmatische aanpak kan een uitweg zijn uit deze malaise. Uitgangspunt is, dat geen enkele organisatie voldoende kennis en kunde heeft om op eigen kracht en gezag tot hoogwaardige investeringen in de Randstad te komen en dat geen enkel project voldoende kwaliteit heeft om als doorslaggevende kwaliteitsimpuls de geschiedenis in te gaan. De essentie van een programmatische aanpak is drieledig: • De opvattingen over wat de Randstad concurrerend, leefbaar en klimaatbestendig maakt, wordt voortdurend verder ontwikkeld in interactie met potentiële projecten die daarop zeggen een antwoord te hebben.³

• De synergie tussen projecten wordt een cruciaal aangrijpingspunt voor de sturing. Vooral projecten die positief op elkaar ingrijpen, verdienen de support van de programmaminister van de Randstad. Daarop moet dus geselecteerd worden. • Een vitale programma-aanpak durft projecten af te wijzen die de test van toegevoegde waarde aan de Randstad niet doorstaan en is ontvankelijk voor voorstellen van gecombineerde kwaliteit, ook als ze niet voldoen aan de eisen van verkokerde afweging. Ik hoop dat dit hoopvolle aspect van Randstad Urgent, als echt antwoord op de uitdagingen waarvoor de Randstad staat, de komende tijd nog beter uit de verf komt.

Geert Teisman is hoogleraar bestuurskunde, i.h.b. complexe besluitvorming en procesmanagement, aan de EUR 1) Titel mede ontleend aan lezing van Winsemius op congres over grotestedenbeleid van 12 juni 2008, waarin hij aangaf dat het in de steden gaat om gestapelde problemen, die volgens hem om een aanpak vragen die zich daartoe verhoudt. 2) Zie voor een uitgebreid betoog Teisman (2005) Publiek Management op de Grens van Chaos en Orde, Den Haag: Academic Service 3) Zie voor een uitgebreid betoog mijn Nijmeegse oratie uit 1997 over Creatieve Concurrentie.

Toekomstig Rijksadviseur voor het Landschap Feddes: Klimaatontwikkeling vraagt om grote ingrepen Yttje Feddes volgt binnenkort Dirk Sijmons op als Rijksadviseur voor het Landschap. Zij was met haar bureau Feddes/Olthof betrokken bij de ateliers 2040 van het ministerie van VROM. Wat ziet haar bureau als belangrijkste ruimtelijke ontwikkeling voor 2040? Het water, in al zijn aspecten. Tegen de zeespiegelrijzing in de huidige voorziene omvang kunnen we ons goed verdedigen, met zandsuppleties, misschien zandeilanden voor de kust en doorgaan met dijkverhoging. De zorgen liggen áchter die kust: opvang regenwater, versterken dijkring 14 (die de zuidvleugel van de Randstad beschermt), opvangcapaciteit rivieren, reserveren van gebieden voor noodberging. In de winter moet meer water geborgen worden voor droogtes tijdens de zomer en het IJsselmeer is

daarvoor niet voldoende op termijn. En natuurlijk de verzilting: de zoetwaterinlaat bij Gouda wordt zout! Wat hebben de ateliers aan nieuwe inzichten opgeleverd? De gedeelde analyse dat een aantal ingrepen volstrekt nuttig, logisch en noodzakelijk is. Verschillende scenario’s zijn op de kaart gezet. Wereldstad, kuststad en buitenstad, en ons bureau mocht ze uitwerken voor de groene en blauwe functies. Twee andere bureaus werkten aan infrastructuur en verstedelijking. Het inspirerende is dan, dat er voor bovengenoemde problemen heel veel oplossingen zijn die nog alle ruimte open laten voor de verschillende verstedelijkingsopties. Een nieuwe dijkring op afstand van dijkring 14 kan via de Diefdijk het tracé van de Hollandse Waterlinie ten zuiden van Utrecht volgen. De diepe droogma-

2 PROJECT WEGUITBREIDING SCHIPHOL-AMSTERDAM-ALMERE

Annemiek Rijckenberg kerijen lenen zich het beste voor de waterberging. De landbouw kan doorgaan in de veenweidegebieden met een dik veenpakket. Met een meer natuurlijk waterpeil kunnen de meest kwetsbare dunne veengebieden een prachtige natte as vormen. Meer plassen geeft meer ruimte voorrecreatie. Rondom Amsterdam en ten noorden van Rotterdam kunnen ringen van nieuwe Hollandse meren ontstaan, met kansen voor bebouwing en recreatie. Veel van deze ideeën zijn natuurlijk niet nieuw en werden ook al door jullie vereniging uitgewerkt. Maar dat er zoveel draagvlak voor was in de verschillende bijeenkomsten, was wel heel prettig. Wat vind je van het gecombineerde eindresultaat van de ateliers 2040? De afgelopen drie maanden hebben we in integratieateliers gewerkt aan het com-

bineren van de scenario’s voor infrastructuur, verstedelijkingsmodellen en groen en blauw. In alle mogelijke scenario’s (wereldstad, kuststad en buitenstad) bleek het verhaal van water en landschap nuttig en noodzakelijk. Maar ook werd duidelijk, dat ingrepen op een hogere schaal dan de vleugels of het Groene Hart noodzakelijk zijn. Stel dat je de kassen zou verplaatsen naar de hinderzones rond Schiphol, zoals de VROM-raad suggereert, dan kun je een kuststad maken én aantrekkelijke woongebieden voor de Zuidvleugel. Een ontdekking was ook, hoeveel parken en parkranden je zou kunnen aanleggen, ook bij e meer uitwaaierende modellen van buitenstad. Wezenlijk in alle scenario’s is de kwaliteit van de openbaarvervoerverbindingen. Jammer genoeg wordt nog steeds te veel gedacht vanuit de verknoping van regionale netwerken,

in plaats van het maken van echte verbindingen en het werken aan één systeem. Wat heeft volgens jou prioriteit en hoe borg je de resultaten? Morgen al moet begonnen worden met het verbeteren van de boezemcapaciteit en het vergroten van de ruimte voor waterberging. Daarmee staat ook het maken van meer recreatieve verbindingen op de agenda, voor wandelaars over de polderkades, voor fietsers en voor vaartuigen. De ontwikkelingsbeelden uit de ateliers zijn denkrichtingen. Maar ze laten wel zien waar de grote schaal nog aanwezig is en waar die moet worden versterkt. Het mooiste zou zijn, die grote schaal te bewaken en te verbeteren binnen een structuurvisie voor de Randstad.


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 6

01-07-2008

15:17

Pagina 6

HB! ZOMER 2008

Christiaan van der Kamp, wethouder Midden-Delfland:

‘Een rendabel platteland is een stedelijk vraagstuk’ Martine Bakker

Mooi en Vitaal Delfland is een van de weinige projecten van Randstad Urgent die zich richten op de langere termijn. Met het aankopen van gebieden, het stimuleren van de veehouderij en het verplaatsen van losse kassen willen de betrokken overheden samen met ‘boeren, burgers en buitenlui’ het landschap rond Schipluiden, de Oude Leede en de Ackerdijkse plassen zijn historische agrarische kracht teruggeven en beter toegankelijk maken voor recreatie. Christiaan van der Kamp, wethouder van MiddenDelfland en initiator van het project, over het belang van het urgentieprogramma daarbij. Omvat Randstad Urgent projecten die werkelijk vooruitlopen op de toekomst? Randstad Urgent legt vooral de bestuurlijke onmacht van de twintigste eeuw bloot. Het maakt duidelijk zichtbaar dat we niet hebben gedaan wat we met zijn allen hadden moeten doen en is tegelijk een onorthodoxe manier om dat toch nog voor elkaar krijgen. Alleen de projecten die een integrale gebiedsontwikkeling nastreven, passen bij de eenentwintigste eeuw. Is Mooi en Vitaal Delfland daar één van? Het kan het worden, we zijn pas net begonnen. Het project in de Haarlemmermeer, dat zich op water, natuur, woningbouw en Schiphol richt, is ook leuk en vernieuwend en heeft ook de potentie te laten zien dat we met ruimtelijke ordening meer kunnen dan we de afgelopen jaren hebben gedaan. Hangt vernieuwing samen met de keuze voor een bepaald schaalniveau? Nederland is een complex land geworden, of je het nou leuk vindt of niet. Laten we rekening houden met die complexiteit en er realistisch mee omgaan. Laten we nu maar eens doen wat we met zijn allen hebben afgesproken.

Dus we hebben Randstad Urgent eigenlijk helemaal niet nodig? De inhoud lijkt verdraaid veel op het regeringsbeleid uit de jaren tachtig. Toen is precies hetzelfde advies gevraagd en kwam men met exact dezelfde analyse. L’ histoire se répète. Hoe komt dat? Kennelijk zijn we niet bij machte om de ontwikkeling van de Randstad op te pakken. Dat is treurig. Ander leiderschap is echt dringend noodzakelijk. En we moeten ophouden met de middelmatigheidcultuur die nu de boventoon voert. Omdat er geen kracht in het openbaar bestuur zit, hebben we tot nu toe alles maar zo’n beetje verdeeld, waardoor nooit ergens echt kwaliteit en controle kwam. Dat maakt dat het allemaal van die middelmatige gebieden worden. Reageert Randstad Urgent niet juist op die cultuur van middelmatigheid? Ik vind het een moedige poging om die te doorbreken, Dat het kabinet heeft besloten om alle ingewikkelde vraagstukken van de Randstad in drieëndertig projecten te bundelen en zich op de uitvoering daarvan te richten, vind ik echt vooruitstrevend. Het programma neemt de achterliggende problemen niet weg, we hebben nog steeds te maken met dezelfde besturen in dezelfde structuren, met dezelfde middelen. Maar dat we erkennen dat er stappen nodig zijn en dat gevraagd wordt om duidelijkheid en slagvaardigheid, maakt een groot verschil. Mooi en Vitaal Delfland beslaat een gebied dat veel groter is dan je eigen gemeente. Terecht! We hebben het niet over een stedelijk park van een paar honderd vierkante meter, maar over een problematiek die op Randstadschaal speelt. Je moet dus op Randstadschaal opereren en scherpe keuzes maken. Omdat er geen kracht in het openbaar bestuur zit op die schaal, gaan we alles maar zo’n beetje verdelen. Waardoor er nooit ergens echt

kwaliteit zit, nooit ergens echte controle zit, niemand ooit echt ergens door gegrepen wordt. Wat zijn de vernieuwende elementen in het project? De manier waarop we naar de rol van het groen kijken en met zijn allen de verantwoordelijkheid nemen. Overheid, boeren, burgers en buitenlui kunnen zo’n landschap gezamenlijk ontwikkelen. Het gaat om kwaliteitsplanning - slow planning vind ik daar een mooie term voor, als pendant van de slow foodbeweging. Het mag even duren, maar het moet wel doelgericht gebeuren. Wat is de stand van zaken? Als je je beweegt tussen Rijk, provincie en een hele berg gemeentes schiet het allemaal niet echt op. Iedereen denkt vanuit de eigen posities, daar moeten we even doorheen. Heeft Randstad Urgent niet bijgedragen aan gezamenlijkheid? De focus is er, mensen werken mee en er ontstaan nieuwe samenwerkingsverbanden. En op hele concrete dossiers lukt het de betrokken overheden opeens om als eenduidig apparaat samen met burgers op te trekken. Er zit absoluut ambitie. Maar we moeten die nog omzetten in oplossingen. Is het wat de instrumenten betreft ook nieuwer en daardoor lastiger? Het is lastig omdat het gaat over het aansturen van het platteland, wat we in geen jaren meer hebben gedaan. Het platteland van de Randstad gaat achteruit omdat het niet zelf meer de kwaliteit in stand kan houden; een rendabel platteland in de Randstad is een stedelijk vraagstuk. Zien de omringende steden voldoende in dat zij in het omringende land moeten investeren? Den Haag en Rotterdam zien absoluut in dat het over de Randstad gaat. Dat zijn twee gemeentes met grote ambities: een internationale stad van recht, vrede en veiligheid en een internationale haven, top of the

world. Het kan toch niet bestaan dat daartussen één grote rommel ligt? Nederland heeft ongelooflijk veel te bieden, maar je moet het wel laten zien, benutten, in stand houden en verbeteren. Hoe gebeurt dat concreet? De uitvoering concentreert zich op twee hoofdopgaven. De ene betreft de bijna binnenstedelijke, groene verbindingspoten, die zijn verrommeld. Het gebruikelijke ruimtelijke-ordeningsinstrumentarium is hier onbruikbaar, want daarmee kun je alleen maar duurder gaan bouwen. Dus moet je die gebieden opkopen, slopen en inrichten voor een recreatieve functie. De andere hoofdopgave betreft de grote landschappen. Als de betrokken bestuurders het eens zijn, kun je vervolgens boeren, burgers en buitenlui betrekken in een integraal plan. Dat landschap hoef je dus niet aan te kopen. Geef die gebieden status als landschap, dan ben je al een heel eind.

opgave versterken. Met de reconstructiewet (die Midden-Delfland aanwees als groene bufferzone, MB) is dat ook gebeurd. Het gebied dat zich Midden-Delfland noemt en waarvan velen denken dat het van eeuwen her is, bestond veertig jaar geleden helemaal niet. Helpt het dat je rechtstreeks contact hebt met het ministerie van LNV? Dat is echt winst. Zonder het allemaal over te nemen, wat ook weer niet de bedoeling is, laat het Rijk zien dat daar een opgave ligt die we als regio moeten invullen. Kan Mooi en Vitaal Delfland een voorbeeld zijn voor andere grote landschappen met stedelijke verbindingen en functies? Als het slaagt, is het project kopieerbaar. En dan vind ik dat we niet voor een zesje moeten gaan, voor een gebied dat wel functioneert maar veel mooier had kunnen zijn, maar voor een acht of negen.

Wie gaat ze beheren? Je moet beheer en ontwikkeling niet uit elkaar halen, zoals vroeger gebeurde. De recreatieschappen zijn ideaal voor het beheer van de groene verbindingszones. Of andere direct belanghebbenden, zoals een stadsregio of de betreffende gemeentes. Maar maak dan wel afspraken over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en het in stand houden van dat stedelijk groen.

De vaandeldragers van Mooi en Vitaal Delfland zijn de lokale overheid en het Rijk. Ligt dat voor de hand? Het hangt vooral van de mensen af. Als we als betrokkenen het collectief bezit in ons hoofd hebben, komen commitment en aanpak vanzelf. Wat mij betreft had ook de provincie de vaandeldrager mogen zijn. Maar de Provincie Zuid-Holland vindt deze taak ingewikkeld.

Is de Delflandraad ingesteld om de uitvoering van Mooi en Vitaal Delfland te waarborgen? Dan heb je het over de structuur en ik ben een beetje benauwd om een structuurdiscussie te voeren. Commitment is veel belangrijker. Vervolgens moet je het eens worden over de inhoudsopgave en van daaruit verder praten over de organisatie.

Is het commitment al afleesbaar van de financiering? Nog niet echt. Dat we in een jaar tijd heel veel moeten doen, is voor iedereen wennen. De denkomslag bij gemeentes is ook al winst. De komende weken moet het rijk beslissen over de financiering. Het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zou geschikt zijn, maar ik ervaar dat dit overal anders wordt ingezet. Ik ben benieuwd hoe we dat gaan oplossen en of we echt bereid zijn met zijn allen door te pakken... Het urgentieprogramma is een kans, maar iedereen moet die wel grijpen.

Maar dat is toch juist waar het urgentieprogramma op aanstuurt: ruimte maken voor commitment door de structuur te veranderen? Inderdaad kan de structuur de

Voorbeelden uit het buitenland: het Emscher Landschaftspark en Parcs Naturels Régionaux. In de ontwikkeling van het Emscher Landschaftspark is men erin geslaagd in grote delen van het zwaar vervuilde Ruhrgebied een landschapspark aan te leggen. Dit parksysteem heeft zowel een lokaal gedragen

component met losse projecten als een overkoepelende visie waar uiteenlopende partijen zich achter hebben geschaard. Deze gelijktijdige aanpak was gebaseerd op de langzame ontwikkeling van gezamenlijk

1 PROJECT A4 DELFT SCHIEDAM (MIDDEN DELFLAND)

gevoelde algemene waarden en het waarborgen en versterken van kwaliteit in losse projecten. In Frankrijk zijn de Parcs Naturels Régionaux gebaseerd op een sterke status die van overheidswege aan gebieden

wordt toegekend. Het plaatst gebieden op een voetstuk maar dwingt ook duurzame ontwikkeling en samenwerking af van de in de gebieden aanwezige belanghebbenden.

www.rvr-online.de/elp2010 www.parcs-naturels-regionaux.fr


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 7

01-07-2008

15:17

Pagina 7

HB! ZOMER 2008

Deltanet opnieuw onderzocht

HSL-Zuid geeft Rotterdam sterke economische impuls

Redactie

Pieter Tordoir

Bereikbaarheidsproblemen komen steeds terug als belangrijke oorzaak van een verzwakkende internationale concurrentiepositie van de Randstad. Met Deltanet heeft de Vereniging Deltametropool een lange traditie in het ontwikkelen van concepten voor het verbeteren van de bereikbaarheid in de Randstad. Het doel is genoegzaam bekend: een oplossing vinden voor de groeiende bereikbaarheidsproblemen door het vervoerssysteem van de Randstad op een toekomstgerichte, integrale en internationaal georiënteerde wijze te onderzoeken, en bijdragen aan de ontwikkeling van de Randstad in economisch, ruimtelijk en internationaal perspectief. Al in 2003 is met een werkweek Deltanet een begin gemaakt met het project dat uiteindelijk in het voorjaar van 2006 leidde tot het uitbrengen van het rapport 'Deltaplan Bereikbaarheid'. Daarin zijn de principes voor het Deltanet benoemd: • De infrastructuur van spoor en weg als één systeem beschouwen • Het hoofdwegennet en het onderliggend netwerk in onderling verband bezien • Het naar elkaar toebrengen van metropolitane functies door reistijden te verkleinen • Verschil maken tussen stedelijke centra en hun vervoersbehoefte heeft gevolgen voor het gewenste niveau van bereikbaarheid • Niet alleen de infrastructuur, maar ook de vervoersdiensten zijn belangrijk • En het versterken van de internationale bereikbaarheid Met het voorstel tot het sluiten van grote aantallen afslagen op het hoofdwegennet en het propageren van een nieuwe laag in de hierarchie van wegsystemen door de introductie van ‘super-highways’ is in het verleden met Deltanet het

nieuws gehaald. De uitwerkingen waren echter vooral verkennend en inspirerend, het vertalen naar concrete voorstellen ontbrak. De hernieuwde aandacht voor de Randstad is een uitgelezen mogelijkheid ook meer oplossingsgerichte studies aan te pakken als bijdrage van de partijen die specifiek in de vereniging vertegenwoordigd zijn: bedrijfsleven, belangenorganisaties en lokale en regionale overheden. De rijksoverheid lijkt inmiddels op verschillende fronten met de bereikbaarheid van de Randstad bezig. En het besef dat de oplossing van bereikbaarheidsproblemen niet alleen daar, maar ook bij de mede-overheden van de Randstad, het bedrijfsleven en de wetenschappelijke wereld ligt wordt steeds sterker. Om de ambitieuze doelstellingen die voor de Randstad worden geformuleerd te kunnen bereiken zijn juist de kennis en ervaring van direct belanghebbenden onontbeerlijk. Zo worden bij universiteiten een veelheid van initiatieven genomen om tot betere analyses en prognoses te komen en van daaruit tot meer effectieve interventies. Voor Deltanet breekt een nieuwe fase aan met een werkvorm die het mogelijk maakt de ambitieuze doelstellingen voor het aanpakken van de bereikbaarheid in de Randstad te vertalen naar uitvoerbare strategieën, als aanvulling, versterking of alternatief voor het rijksbeleid. De organisatie van vraagstelling (vanuit bijvoorbeeld de steden) en antwoorden (bijvoorbeeld uit wetenschappelijk onderzoek) staat daarbij centraal. Begonnen is daarom de contacten aan te halen met partijen die actief willen participeren in het verder uitwerken van Deltanet.

Concurrerend, maar met wie?

Honderdduizenden vierkante meters kantoorruimte en duizenden extra banen: met de komst van de HogeSnelheidsLijn-Zuid kan het centrum van Rotterdam eindelijk aanhaken bij de economische boom van de noordelijke Randstad, stelt onderzoeker Pieter Tordoir in onderstaande bijdrage. Deze impuls wordt volgens Tordoir nog aanzienlijk versterkt bij het aanleggen van een HSL-Oost. Hopelijk wordt de HSL-Zuid binnenkort eindelijk operationeel. De nieuwe lijn is gefinancierd uit aardgasbaten en dus nadrukkelijk bedoeld voor het versterken van de economische structuur. Maar over wat deze lijn kan bijdragen aan de economische structuur en concurrentiepositie van de Randstad is verbazingwekkend weinig bekend. In opdracht van het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam heeft Ruimtelijk Economisch Atelier Tordoir in samenwerking met Jones Lang LaSalle Research & Consultancy onlangs de ontwikkelingsmogelijkheden en gebruikersmarkten in kaart gebracht voor het Rotterdamse Central District, het gebied rondom Rotterdam Centraal Station. Beide bureaus onderzochten, welke impuls de komst van de HSL kan geven aan de lokale, stedelijke en regionale economie. Zij maakten daarbij gebruik van het uitstekende proefschrift van Jasper Willigers (Universiteit Utrecht, 2006), een van de weinige bruikbare bronnen voor basisgegevens voor zo’n bepaling. Berekend werden de effecten op basis van te verwachten veranderingen in vestigingsvoorkeuren binnen relevante bedrijfssectoren bij het tot stand komen van een supersnelle (meer dan 200 km per uur) spoorverbinding, aan de hand van een enquête onder 400 grotere bedrijven. Noodzakelijk kannibalisme Uit het onderzoek blijkt dat de komst van de HSL-Zuid een fors effect zal hebben op de economische ontwikkeling van Rotterdam. Mede vanwege de hogesnel-

heidslijn kan in het Central District van de stad in tien jaar tijd tussen 200.000 en 350.000 m2 aan hoogwaardige kantoorruimte worden ontwikkeld, waardoor de werkgelegenheid een netto impuls krijgt van 7.000 tot 15.000 fulltime banen. De grote bandbreedte is een gevolg van verschillende macro-economische groeiscenario’s en verschillen in flankerend overheidsbeleid. Zo maakt het veel uit of de Stedenbaan, een belangrijke feeder voor het gebied en voor de HSL, een succes wordt of niet. Een gedeelte van de ontwikkeling betreft geografische verschuivingen binnen de stad en binnen de Zuidvleugel Ook de komst van de Zuidas in Amsterdam leidt tot zulke intraregionale verschuivingen. We kunnen dit zien als ‘kannibalisme’ maar ook als een noodzakelijke concentratie met die uit het oogpunt van duurzaamheid en bereikbaarheid meerwaarde heeft. De aantrekkingskracht van de HSL reikt echter verder dan de Zuidvleugel. De lijn gaat jaarlijks gemiddeld enkele honderden arbeidsplaatsen uit andere delen van de Randstad en vooral uit Utrecht en omstreken wegzuigen naar het Central District. Dergelijke effecten spelen ook in Amsterdam, op Schiphol en in Breda. We zullen daarom gaandeweg een steeds grotere concentratie van met name internationaal georiënteerde kantooractiviteiten zien rond de HSLstations. Door de geringe reistijd tussen de stations gaan de betreffende locaties min of meer als één Central Business District functioneren en worden ze, wat betreft karakter van activiteiten en huurprijzen, onderling complementair. Is nu nog sprake van forse concurrentie, met de Zuidas als winnaar, straks wordt synergie tussen de stationslocaties belangrijker. Netwerk geeft meeropbrengsten Het belangrijkste vanuit het belang van de Randstad is uiteraard de internationale aantrekkingskracht. Het Central District kan naar verwachting rekenen op een gemiddelde instroom van 100 tot 200 extra directe arbeidsplaatsen per jaar in hoogwaardige buitenlandse bedrijfsvestigingen die zonder de HSL niet naar

Nederland zouden zijn gekomen. Voor Schiphol, Amsterdam en ook Breda spelen naar verwachting vergelijkbare of grotere directe effecten. Maar doordat de HSL-Zuid met name Rotterdam een extra impuls geeft, kan de groei zich wat evenwichtiger verdelen over de Randstad. De HSL en vooral de synergie tussen HSL-stations versterken de internationale aantrekkingskracht. Maar het zelfstandige effect van de lijn is op zich niet dramatisch; de ontwikkeling van Schiphol, de arbeidsmarkt en de kennisinfrastructuur doen meer voor die positie dan de HSL alleen. Het effect van de HSL zal echter fors kunnen toenemen als ook een HSL-Oost operationeel wordt: dan ontstaat een netwerk met toenemende meeropbrengsten. Twee lijnen in netwerkverband tellen bij wijze van spreken voor vier losse lijnen. De HSL-Oost zal ook aan Utrecht een impuls geven maar dit stelt wel hoge eisen aan het regionale transportsysteem, met name aan het regionale openbaar vervoer. Katalysator Het versterken van de economische structuur is niet alleen een kwestie van meer internationale aantrekkingskracht. Duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit vertegenwoordigen ieder voor zich ook een groot belang. De HSL vormt één van de mogelijke katalysatoren voor een duurzamere ruimtelijke organisatie van de economie in de Randstad. Die katalysator verlangt echter ook een goede structuur van het onderliggende openbaar vervoer net en een afgestemde ontwikkeling van werkgelegenheidscentra in stadsregionaal en Randstedelijk verband. Met andere woorden: de HSL werkt alleen goed als onderdeel van een breed pakket. Bij de besluitvorming indertijd was nog geen sprake van zo’n pakket. Verder dan enkele sleutelprojecten kwamen we niet. Laten we hopen dat de nieuwe visie Randstad 2040 wel gaat leiden tot zo’n integraal pakket, een HSLOost incluis. Pieter Tordoir is zelfstandig onderzoeker en hoogleraar economische geografie en planografie aan de UvA.

Lin Tabak

Een concurrerende topregio wil het

kampen ze met de overgang van een

nemers wonen het verst – gemiddeld 17,1

Volgens TNO is dat minder een probleem

veel problemen vooral in de Zuidvleugel

kabinet van de Randstad maken. Maar

industriële naar een diensteneconomie en

kilometer – van hun werk en verplaatsen

voor werknemers – zij zijn relatief honk-

spelen, adviseert TNO daar een verschui-

concurrerend met wie en wat?

met spanningen op de woningmarkt.

zich door het beperkte aantal kilometers

vast - dan voor internationale bedrijven.

ving van industrie naar hoogwaardige

-Internationaal heeft de regio nogal wat in

Overal is het omliggende landschap een

wegbaan en rails nog het langzaamst ook.

Toch is het vestigingsklimaat van de

zakelijke dienstverlening. Andere aanbeve-

te halen, vooral in bereikbaarheid en

handelsmerk, al hoeven de Scandinaviërs

Genieten van hoogwaardig landschap is er

Randstad niet slecht, vanwege het inko-

lingen zijn de aanleg van meer wegen en

woningaanbod, blijkt uit een vergelijking

en Amerikanen daarvoor weinig moeite te

relatief moeilijk omdat het natuurgebied

mensniveau en de arbeidsproductiviteit

een geringere overheidsbemoeienis met de

van TNO.

doen.

slechts beperkt en het boerenland niet toe-

die alleen in San Francisco hoger zijn, en

woningmarkt. De veelheid van klimaat-

TNO onderzocht in opdracht van de

Opvallend hoogt scoort de Randstad op

gankelijk is. Het gebied heeft weinig lusten

het ruime dienstenaanbod. Maar er zijn

problemen ziet TNO als een plus: vindt de

ministeries van VROM en V&W vier regio-

klimaatvraagstukken: elke regio erkent het

van een grootstedelijk gebied: de interne

knelpunten: toplocaties voor wonen liggen

Randstad daar oplossingen voor, dan heeft

’s die voor soortgelijke opgaven staan,

risico van zware stormen, overstroming,

samenhang is laag en voorzieningen zijn

vanwege een restrictief overheidsbeleid

ze er een waardevol exportartikel bij.

Groot Milaan, de Rijn-Roermetropool,

droogte of zeespiegelstijging, maar in de

niet complementair, maar wel de lasten:

zelden dichtbij goede bedrijfslocaties en in

TNO: Benchmark Randstad. Leefomgeving, eco-

San Francisco Bay en de Zweedse en

Randstad spelen ze allemaal. De Randstad

ook vanwege de centrale ligging in Europa

het aanbod aan werknemers gaapt tussen

nomie en bereikbaarheid internationaal

Deense steden rond de Sont. Allemaal

scoort het laagst op bereikbaarheid: werk-

is de luchtvervuiling er hoog.

hoog- en laag opgeleiden een gat. Omdat

vergeleken.

6 PROJECTPLAN A13/A16


opzet_def5_3006:schets a

PAGINA 8

01-07-2008

15:17

Pagina 8

HB! ZOMER 2008

De stad als netwerk van activiteiten Verena Balz en Renée Hoogendoorn over ‘De 9 steden’ in de Zuidvleugel Joop de Boer

‘De Zuidvleugel van de Randstad heeft behoefte aan een nieuw sociaal en economisch perspectief (….) Hooggeschoold personeel trekt weg en het vestigingsbeleid van bedrijven kent geen onderlinge afstemming.’ Dit is een van de conclusies uit ‘De 9 steden’, een publicatie van het Atelier Zuidvleugel, waarin de netwerkstad Zuidvleugel wordt ontrafeld in negen sociaal-economische thema’s, ‘De 9 steden’. Hieronder ir. Verena Balz, architect en medeauteur van ‘De 9 steden’, en ir. Renée Hoogendoorn, directeur gebiedsontwikkeling bij AM, in een tweegesprek over de sociaal-economische samenhang in de netwerkstad. Inzet van het gesprek is een koppeling te maken tussen de praktijk van gebiedsontwikkeling en het onderzoek op regionale schaal. De titel ‘De 9 steden’ doet vermoeden dat de steden in Zuid-Holland centraal staan. Dat is niet zo. In feite laat deze publicatie juist de ruimtelijke configuratie van ‘de stad’ los. De studie geeft negen perspectieven op de Zuidvleugel, vanuit sociaaleconomische ‘belangenclusters’ als Havenstad, waarin alle activiteiten die samenhangen met de haveneconomie zijn vertegenwoordigd; Kennisstad, waarin kennisnetwerken centraal staan; en Stad als Land, met groene en recreatieve belangen. Het doen en laten van de mensen in de regio staat daarbij centraal. Van daaruit ontstaan nieuwe ideeën over inrichting, vestiging en bereikbaarheid. Deze methode maakt het afwegingskader tussen de verschillende belangen in de Zuidvleugel inzichtelijk.

en eventueel voor beleggers en corporaties (die hun bezit veel langer aanhouden), om de sociaal-economische mogelijkheden in de regio tot realisatie te brengen. En ontwikkelaars kunnen daar dan een passende bijdrage aan leveren.”

Netwerk van activiteiten Waarom is er behoefte aan een nieuwe manier van kijken naar de netwerkstad? Volgens Verena Balz ontstaat zo een ander zicht op de stad. De stad is niet meer in eerste instantie een geografische eenheid maar eerder een netwerk van activiteiten. ‘We zijn in ons onderzoek uitgegaan van de verschillende netwerken van activiteiten in de Zuidvleugel. Dat geeft inzicht in de verschillende belangen die in de Zuidvleugel spelen, maar ook in de samenhang die ontstaat. Niet het fysieke netwerk zelf staat centraal, zoals meestal, maar de sociaal-economische patronen. Het gaat er toch uiteindelijk om wat mensen doen en willen. Dit is een confrontatie met de traditionele manier van kijken naar de stad, waar alles vaak draait om de vorm. Mensen in de Zuidvleugel willen allemaal iets. Daarbij houden ze zich echt niet meer aan de grenzen van de stad. Alleen bestuurders geloven daar nog in. Wij hebben deze wensen in beeld gebracht en gekoppeld aan locaties die daardoor kansrijk of juist ongeschikt zijn voor bepaalde typen woon- of werkmilieus.’ Roept dit ook nieuwe inzichten op? Voor Renée Hoogendoorn is onderzoek naar het inzichtelijk maken van agglomeratievorming heel relevant. ‘Zelf roep ik altijd dat de groei van de stedelijke agglomeratie zal blijven doorgaan. Dan kunnen nóg zoveel mensen zeggen dat dit in ons kleine Nederland niet zal gebeuren en dat alles kleinschalig blijft, maar dat is gewoon niet zo. Je ziet het overal, dus ook bij ons. De kracht van de netwer-

De provincie aan zet

Verena Balz

Renée Hoogendoorn

ken is groot. Nieuwe ontwikkelingslocaties met potentie ontstaan daar waar netwerken verknoopt zijn. Het is goed om in beeld te hebben wat de krachten achter deze bestaande regionale patronen zijn, waar de kansen liggen en wat de opgave is. Dat is voor ontwikkelaars natuurlijk ook erg interessant.

plannen die er voor een gebied liggen. Zowel Rijk, provincie als gemeenten bepalen uiteindelijk wat feitelijk onze speelruimte is. Wij helpen, sturen en bepalen uiteraard graag méé. Maar wij zijn als ontwikkelaars gewone bedrijven. Dat betekent dat de marktkansen voorop staan. We moeten om te overleven gewoon winst maken. Inlichtingen vanuit een betrouwbaar netwerk leveren goede informatie op voor investeringsbeslissingen, maar alleen daarop kan je niet sturen. Het ruimtelijke ordeningskader moet uiteraard wel perspectief bieden voor feitelijke ontwikkelingen.’

De regio en de markt In ‘De 9 steden’ wordt de regio bekeken vanuit clusters van sociaaleconomische patronen. Daaruit ontstaan kansen en opgaven voor woonen werkmilieus. Hoe kijkt een projectontwikkelaar naar de regio? Renée Hoogendoorn: ‘Als AM doen wij zelf – net als alle grote ontwikkelaars trouwens - natuurlijk ook veel onderzoek naar nieuwe structurele ontwikkelingen. Dat is om gevoel te krijgen voor de ontwikkeling van de stedelijke omgeving in het algemeen en op lange termijn. Concrete investeringsbeslissingen nemen we uiteraard niet alléén op basis van sociaal-economische patronen die in de regio spelen. We zijn immers altijd afhankelijk van de beleidscontext die de overheid schetst; de structuurplannen en de bestemmings

Ontwikkelaars zetten hun producten (bv. woningen) af op basis van de op het moment van oplevering geldende markwaarden. Sociaal-economische perspectieven op langere termijn die ontstaan voor eigenaren c.q. bewoners en die waardecreatie zullen opleveren, zijn natuurlijk belangrijk; zij helpen het product goed neer te zetten. Maar de maatschappelijke spin-off van investeringen die bijdrage aan die sociaal-economische perspectieven komt niet bij de ontwikkelaars terecht. Daarom is het in het bijzonder een taak voor de overheid,

De provincie is aan zet. Daar zijn beiden het over eens. De provincie Zuid-Holland, die vanuit het bestuurlijk platform Zuidvleugel de hoofdopdrachtgever was voor dit onderzoek, zou er in eerste instantie iets mee moeten doen. Aan de andere kant kan de overheid het allemaal niet alleen. ‘En dat moeten ze vooral ook zèlf beseffen’, aldus Renée Hoogendoorn. ‘Juist met betrekking tot sociaal-economische relaties in de regio wordt telkens duidelijk dat verschillende ‘werelden’ onlosmakelijk met elkaar verbonden raken. Meer en meer beseffen we dat ‘publiek’ en ‘privaat’, maar ook ‘software’ (ondernemingen en instellingen) en ‘hardware’ (gebouwen) meer met elkaar moeten ondernemen. Vaker ‘voorpraten’ is goed om bruggen te slaan en de gezamenlijke problemen en kansen goed in zicht te krijgen.’ Zou de overheid - in dit geval de provincie - onderwijsinstellingen, corporaties, ontwikkelaars, werkgevers, vervoersbedrijven en andere regionale partijen moeten uitdagen om in een vroeg stadium samen over deze regionale verbanden na te denken en op basis daarvan een plan te maken? ‘Dat zou een zeer positieve ontwikkeling zijn’, antwoorden beiden enthousiast.

Verena Balz:

Renée Hoogendoorn:

‘Mensen houden zich echt niet meer aan de grenzen van de stad;

‘De overheid kan het allemaal niet alleen.

alleen bestuurders geloven daar nog in’

En dat moet ze vooral ook zèlf beseffen’

Reageren? Vereniging Deltametropool t.a.v. redactie Hollandblad Postbus 2885 2601 CW Delft e-mail: redactie@deltametropool.nl

6 PROJECTPLAN A13/A16

Colofon Hollandblad is een uitgave van Vereniging Deltametropool. Redactie Joop de Boer, Paul Gerretsen, Annemiek Rijckenberg, Lin Tabak, Jeffrey The Aan dit nummer werkten mee: Verena Balz, Martine Bakker, Yttje Feddes, Renée Hoogendoorn, Christiaan van der Kamp, Olof Koekebakker, Marita Meeuwes, Geert Teisman, Pieter Tordoir, Roel Vollebregt

Foto’s Asta Biezeman, Bert Nienhuis Vormgeving m/vg-ontwerpers Den Haag, Breda Druk Drukkerij Modern Oplage 1.500 ex.

Vereniging

Dagelijks Bestuur

Vereniging Deltametropool stelt zich ten doel om, gegeven het ontstaan van de Europese Unie, in WestNederland de in beginsel reeds aanwezige metropool tot ontwikkeling te brengen.

ir. B. Emmens (secretarispenningmeester) drs. H.J. Hamer ir. P.H.R. Langeweg drs. H.S.H. Mooren mw. drs. A.M.J. Rijckenberg drs. D.B. Stadig (voorzitter) mw. ing. P.J.H.D. Verkoelen

Agentschap Joop de Boer, onderzoeker Paul Gerretsen, agent Marita Meeuwes, communicatie-/ secretariaatsmedewerker Jeffrey The, coördinator

Hollandblad #4 - zomer 2008 | Vereniging Deltametropool  

De vierde aflevering van het Hollandblad heeft als thema: tussen Randstad Urgent en Randstad 2040. Voorjaar 2007 waren we gematigd nog opt...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you