Schoolfacilities februari 2026

Page 1


Platform voor huisvesting en facilitaire processen in het onderwijs

Word partner van Bouwstenen!

En doe mee met het netwerk voor onderwijshuisvesters.

Van de redactie

Veel op onze bordjes

Het is druk, ik hoor het overal. In 2025 was er genoeg te doen en nu het nieuwe jaar van start is gegaan, is dat niet anders.

Toch hebben schoolbestuurders, directeuren, adviseurs en andere professionals tijd vrijgemaakt om bij te dragen aan deze februari-editie. Het is een editie met uiteenlopende onderwerpen geworden. En dat past goed bij deze tijd, want er speelt veel.

De aandacht voor crises en noodsituaties neemt toe en roept vragen op over de rol van de school. Tegelijkertijd is er volop discussie over meervoudig ruimtegebruik, mede gevoed door de Nota Ruimte, waarin voorzieningen expliciet een plek hebben gekregen. Dat brengt uitdagingen met zich mee, maar laat ook zien wat er al mogelijk is.

In dit nummer is ruimte voor kleine en grote verhalen: van een kleine school die door het dorp overeind wordt gehouden tot een grote scholengroep die te maken heeft met sterke groei door internationalisering. Daarnaast hebben externe auteurs bijgedragen met een aantal waardevolle artikelen en columns.

Dank aan iedereen die aan deze editie heeft meegewerkt. Het is mijn eerste editie als redacteur en ik ben er trots op.

Veel leesplezier en de beste wensen voor 2026.

Willemijn van Bree

Colofon

Inhoud

De school als hart van het dorp

Hoe het dorp initiatief neemt als het schoolbestuur de deuren sluit

Van MFA naar mini-samenleving

Hoe kom je voorbij de MFA tot een thuis voor de buurt?

Uitdagingen in de Brainport-regio

SKPO is voorbereid op nieuwkomers 16

De praktijk van Artikel 23

“Speciale scholen halen sneller krenten uit de pap”

Rubrieken: Nieuw op de markt (20), Gezien & gelezen (30)

Columns: TK Advocaten (13), Chantal Broekhuis (25)

En verder: Van school- naar gemeenschapsgebouw (4), De school in tijden van nood (8), Onderwijs in een superdiverse samenleving (10), Praatplaat voor een gesprek (14), Flexibele ruimtes (18), Meer tijd voor dataveiligheid en privacy (26), Innovatiepartnerschap Schoolgebouwen Amsterdam (27), Kindcentrum passief gebouwd (28), Ontwerp Nota Ruimte biedt goede aanknopingspunten (34)

Schoolfacilities is een onafhankelijk magazine voor huisvesting en facilitaire processen in het onderwijs.

Oplage en bereik: Verschijnt 3 keer per jaar in een oplage van 3.000 exemplaren, bij het VO, BVE, HBO, Universiteiten, gemeenten en het bovenschools management van het PO.

Redactie: Willemijn van Bree

Eindredactie: Ingrid de Moel en Yara Hooglugt Hooglandseweg Zuid 34, 3813 TC Amersfoort Telefoon: 033 258 43 37 E: redactie@schoolfacilities.nl

Vormgeving: Charlot Luiting Ontwerp, Amersfoort

Uitgave van: Bouwstenen voor Sociaal

ISSN: 1383-6331

Aansprakelijkheid:

Uitgever en auteurs verklaren dat deze uitgave op zorgvuldige wijze en naar beste weten is samengesteld. Zij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor schade, van welke aard ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die zijn gebaseerd op bedoelde informatie.

wetboek
artikel 23
Onderwijs

Van school naar gemeenschaps gebouw

Door: Bouwstenen voor Sociaal

Eind 2025 opende het VMBO Trivium College in Amersfoort haar deuren voor de buurt. Een belangrijke ontwikkeling, die volgens wethouder Willem-Jan Stegeman navolging verdient.

Dat een school haar deuren voor de buurt opent, is geen vanzelfsprekendheid. Scholen kunnen dat zelf bepalen. Als ze hun gebouw open willen stellen voor de buurt, vraagt dat extra beheer. Voor een school wordt het dan al snel ingewikkeld.

Meer zorg voor elkaar

Pam van der Graaf, afdelingshoofd volwassenen Maatschappelijke Ontwikkeling bij gemeente ‘s-Hertogenbosch, vindt dat jammer. “We hebben hier wijken waar weinig ruimte is om elkaar te ontmoeten of samen iets te ondernemen. We willen dat wél bieden. Dat is van belang voor de zelfredzame samenleving. Als gemeenschappen elkaar ontmoeten en samenwerken, kunnen ze ook beter voor elkaar zorgen en is er minder vraag naar professionele hulp. Dat is ook van belang in verband

met het personeelstekort en de stijgende kosten van die hulp.”

Gaat niet vanzelf

Pam vervolgt: “Vorig jaar kwam er bij ons ineens een schoolgebouw vrij en dat bood de gemeente de kans de ruimte opnieuw in te delen. Zo ontstond het Huis van de Wijk: een gebouw in de wijk, voor de wijk en open voor de wijk; met een school erin. Het idee was dat gebruikers zouden samenwerken en elkaar versterken. De gemeente zorgde voor het dagelijks beheer. In de loop van de jaren hebben we gezien dat dat niet vanzelf gaat. Je kunt het als gemeente faciliteren, maar als er geen intrinsieke motivatie is, blijf je trekken aan een dood paard.”

Allemaal meebewegen

Nu werkt ‘s-Hertogenbosch wijkgericht, met welzijnswerkers uit de wijk zelf. Pam: “Zij gaan op zoek naar inwoners die wat willen. Met de wijkmanager proberen ze dat dan voor elkaar te krijgen. Het is wel constant meebewegen en soms ook kaderen, want je moet met de hele gemeenschap rekening houden. En soms werkt het ook niet. Het kan zijn dat over drie jaar blijkt dat het toch weer anders moet en dat een

school geen logische plek is voor de buurt om samen te komen. De naam van het gebouw kan ook het verschil maken. Noem een gebouw geen school als je wilt dat de buurt daar binnenkomt. Als je overal afgesloten ruimtes hebt of als er alleen ruimte is voor het normenkader van de school, creëer je afstand. Dat helpt niet om de gemeenschap binnen te krijgen.”

Wijkverbondenheid

Ook Utrecht zet in op meervoudig gebruik van ruimte in scholen. Floor Dil, opgavemanager onderwijshuisvesting bij deze gemeente: “Bij nieuwe scholen in uitbreidingswijken hebben we meer mogelijkheden om met schoolbesturen afspraken te maken. Maar ook in bestaande wijken willen we dat de gebouwen goed worden gebruikt. Over het algemeen gaat dat redelijk goed. Vooral bij scholen die met de wijk verbonden zijn. Zij stellen hun ruimte dan bijvoorbeeld ter beschikking aan activiteiten voor de wijk. Zo worden in verschillende wijken lege lokalen ingezet als ouderlokaal.”

Opening deuren Trivium, Tjitske spreekt
Trivium College Amersfoort

Pam van der Graaf, afdelingshoofd volwassenen Maatschappelijke Ontwikkeling, gemeente ‘s-Hertogenbosch

Herschikkingsgesprekken

Floor: “De snippers in de overmaat van ruimte laten we voor wat het is. Gaat het om grote delen van een gebouw of als we de ruimte voor iets anders nodig hebben, dan maken we er een punt van. We gebruiken de ruimtenorm als meetlat. Als er structureel meer ruimte in een wijk is, dan gaan we met de schoolbesturen gezamenlijk in gesprek. We noemen dat een herschikkingsgesprek. Dat hebben we ook zo opgenomen in ons Integraal Huisvestingsplan. Deze gesprekken lopen nu en er worden plannen gemaakt voor schuifbewegingen, bijvoorbeeld in Overvecht. Op deze manier proberen we in goed overleg met scholen de ruimte beter te benutten. Daarbij houden we ook de spreiding van de scholen goed in de gaten.”

Organisatorisch samen

“We hebben in Utrecht een Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor onderwijs en meerjarenprogramma’s (MSP’s) voor al het andere maatschappelijke vastgoed, waaronder sport, welzijn en cultuur”, vertelt Floor verder. “Onderwijs heeft een eigen IHP, omdat dat heel anders is geregeld en een eigen financiering en dynamiek heeft. Wel is het bij de vastgoedafdeling ondergebracht. En juist bij overkoepelende thema’s, zoals verduurzaming en meervoudig ruimtegebruik, werkt dat heel goed.”

Dil,

opgavemanager onderwijshuisvesting, gemeente Utrecht

Soms moet je wat huiver wegnemen

Niet zomaar samenvoegen

Floor: “Soms zijn kleine scholen echt onderdeel van een buurt. Die moet je niet zomaar samenvoegen met een andere school. Je moet kijken welke rol de school voor de buurt vervult. Soms moet je wat huiver wegnemen. Docenten vinden het soms lastig een ruimte anders terug te krijgen dan ze deze hebben achtergelaten. Dan staat de prullenbak bijvoorbeeld op een andere plek.”

Eigen initiatief

Schooldirecteur Tjitske Bergsma van het VMBO Trivium College in Amersfoort heeft daar geen last van. Ze wachtte ook niet tot de gemeente bij haar langskwam, maar nam zelf het initiatief om de deuren van haar school voor de buurt te openen. “We vinden het zonde als een gebouw zoveel leeg staat, maar hebben ook niet de capaciteit om dat dubbele gebruik te regelen. Daarom hebben we samen met partners een beheerstichting opgezet: Stichting De Koppeling, die buiten schooltijd het gebouw exploiteert, om te beginnen gratis. We hebben subsidie aangevraagd, stelden een kwartiermaker aan en zijn klein begonnen met diners, waarbij leerlingen en

buurtbewoners samenkomen en families kunnen sporten.”

“It takes a village to raise a child,” citeert Tjitske, “vooral bij kwetsbare groepen. We staan in een wijk die aandacht nodig heeft en het is voor zowel onze leerlingen als de buurt van betekenis als we ons met die wijk bezighouden.”

Ook voor de buurt openen

Dat het gebouw voor iedereen open staat, speelde al een rol in het ontwerp van het VMBO Trivium College. Tjitske: “We zijn begonnen met de vraag: ‘Wat wil je uitstralen als school?’ Je ziet bij oude schoolgebouwen vaak dat het allemaal kleine lokaaltjes zijn. Dat is niet heel uitnodigend. Ons gebouw is licht en open, wat uitnodigender oogt. Ook hebben we bij binnenkomst meteen de kantine. Dan hoef je niet eerst overal doorheen om ergens te komen. De buurtdiners zijn daar ook. Mensen die daar komen eten, kunnen ook zo het gebouw inlopen.”

Zonde als een gebouw zoveel leeg staat

Tjitske Bergsma, schooldirecteur VMBO Trivium College
Floor

De school als hart van het dorp

Hoe het dorp initiatief neemt als het schoolbestuur de deuren sluit

Door: Willemijn van Bree

In veel dorpen dreigen kleine scholen de deuren te moeten sluiten. Ook in Grootschermer leidde een dalend leerlingenaantal en andere uitdagingen tot een voornemen van het bestuur om basisschool De Driessen op te heffen, maar dat gebeurde niet.

In het dorp zorgde het besluit van het schoolbestuur niet voor berusting.

Vanuit de gemeenschap kwam het initiatief om de school over te nemen. Sinds dit schooljaar opereert de school onder een nieuw bestuur: Stichting Kindcentrum De Driessen.

Jan Wind, huidig schoolbestuurder, nam het initiatief tot het behoud van de school en bestuurt het kindcentrum vanaf 1 augustus 2025.

Niet eens met besluit

Jan: “Het vorige bestuur had achttien scholen onder zich, waarvan onze school de allerkleinste was. In 2023 had de school 42 leerlingen en ze werd steeds kleiner. Het was voor hen lastig om de school op afstand te managen. Ook speelde er een aantal problemen: het lerarentekort, financieel kwam het niet uit en er waren zorgen over de onderwijskwaliteit. Ze dachten

dat het sluiten van de school de beste oplossing was, maar daar verschilden wij van mening over.”

Doe-het-zelfmentaliteit

In de dorpsraad van Grootschermer werd al snel duidelijk: de school moest worden behouden. Stichting Hart voor De Driessen werd opgericht om de school (financieel) te ondersteunen. Jan: “Het kwam honderd procent van de ouders en andere dorpsbewoners. Iedereen dacht: potverdorie, die school mag niet verdwijnen.”

Het kwam 100% van ouders en dorpsbewoners

Het lukte de bewoners niet om het schoolbestuur te overtuigen de school te blijven runnen. Daarom richtte Jan, die ook deel uitmaakt van de dorpsraad, in januari 2025 Stichting Kindcentrum De Driessen op. Daarmee nam hij het initiatief om het bestuur volledig over te nemen.

We besparen veel kosten in het bestuur

Korte lijnen met het dorp “Met de verandering naar een nieuwe organisatie hebben we eigenlijk alle voormalige problemen kunnen oplossen,” zegt Jan. “We besparen veel kosten in het bestuur, aangezien dat enkel bestaat uit de directeur en mijzelf, en ik doe het onbezoldigd.” Taken zoals ICT en HR voert Jan zelf uit, en door de korte lijnen met het dorp kan ook op zaken als schoonmaak en onderhoud van het gebouw veel worden bespaard.

“Verder is de organisatie ‘gewoon’ ingericht zoals bij andere scholen”, zegt Jan. “We hebben een ouderraad, een medezeggenschapsraad (MR) en de stichting, waarin mensen zitten die allemaal bij de school betrokken zijn. Boven ons staat de Raad van Toezicht, waarin ook een dorpsvertegenwoordiger zit die de belangen van het dorp in de gaten houdt.”

Renovatie nodig

Hoewel het nieuwe bestuur veel oude problemen heeft weten op te lossen,

geldt dat niet automatisch voor de huisvesting. Jan: “We hebben een oude school overgedragen gekregen waar ook een verouderd dorpshuis naast staat. Daar moeten we iets mee. Daarom gaan we een revitalisatie aanvragen bij de gemeente Alkmaar.”

Of en wanneer de dorpsschool gerenoveerd kan worden, wordt nog besproken. “We hebben ook nagedacht over eventuele nieuwbouw,” zegt Jan, “maar dat zou dan in een nieuwbouwwijk buiten het dorp komen. Daar vonden veel dorpsbewoners wel iets van. Aan de ene kant zou het heel mooi zijn om iets te bouwen waarin je alle voorzieningen voor het dorp kunt onderbrengen, maar als die plek dan buiten het dorp ligt, is dat jammer.”

Veilig lopend naar school

Juist doordat een school dicht bij de buurt staat, vormt zij het hart van het dorp. Jan: “Het is een heel veilig milieu. Veel kinderen gaan lopend naar school. Als de school verder weg zou liggen, zouden kinderen over dijkweggetjes moeten fietsen waar ook tractoren rijden. Die wegen kunnen glibberig zijn en zijn niet altijd goed verlicht. Daar wil je je kinderen liever niet langs sturen.”

Meer bij elkaar betrokken

Een school stimuleert ook dorpsactiviteiten en betrokkenheid vanuit verschillende groepen. “Als er een keer een lokaal opgeknapt moet worden,” vertelt Jan, “kunnen we altijd wel wat 65-plussers vinden die het leuk vinden om daarbij te helpen. Als de school zou verdwijnen, komen er dan nog wel nieuwe gezinnen in het dorp wonen? Wie zorgt er dan voor wie? Nu maaien kinderen het gras in de voortuin van ouderen en zingen ze voor het dorp tijdens schoolevenementen.”

Nog geen netwerk

Het aantal kleine scholen (vestigingen) met minder dan honderd leerlingen is in de periode 2014-2024 afgenomen, van 19,5% naar 17,4%. Qua aantal zijn dat er ruim duizend. Jan kent geen platform

Kleine scholen

dat zich specifiek op kleine scholen richt en waar kleine schoolbesturen met elkaar in contact kunnen komen. Jan: “Wat sommigen zien als een platform voor kleine scholen, voelt voor mij nog niet als thuis. Ik zoek een platform voor scholen met minder dan honderd, of zelfs minder dan tachtig leerlingen.”

Voor nu vinden de kleinste scholen elkaar vooral ad hoc. Jan heeft contact met een aantal bestuurders van andere kleine dorpsscholen om ervaringen uit te wisselen en nieuwe initiatiefnemers te adviseren over hoe zij een doorstart voor hun school kunnen realiseren. Want het verhaal van Kindcentrum De Driessen staat niet op zichzelf. Er zijn nog veel meer dorpen die hun kleine school niet kwijt willen.

Oproep van Jan

Door ervaringen en kennis te bundelen, kunnen we elkaar verder helpen. Hoe mooi zou het zijn als we samen een platform kunnen opzetten voor kleine scholen?

Ben of ken jij initiatiefnemers en bestuurders van kleine scholen met minder dan honderd leerlingen? Laat het ons weten via de QR-code.

Jan Wind met directeur Sylvia Brouwer

De school in tijden van nood

Door: Willemijn van Bree

Plekken voor weerbaarheid en veiligheid van de samenleving worden steeds belangrijker. Bas Kohlmann, medeoprichter en huisvestingsregisseur van KWK, is binnen het bureau verantwoordelijk voor projecten en ontwikkelingen binnen het Veiligheidsdomein. De laatste tijd houdt hij zich veel bezig met paraatheid en opschaling bij crisissen. “Het gaat om een netwerk van publieke en maatschappelijke plekken waar mensen terechtkunnen als reguliere systemen uitvallen”, vertelt hij. “Dat kan een brandweerkazerne of gemeentehuis zijn, maar net zo goed een wijkcentrum, sporthal of school.”

Een divers netwerk

Bas: “In gesprekken over paraatheid en opschaling werken veel sectoren met elkaar samen. Het netwerk kan niet door één organisatie ingevuld worden. Ik werk samen met veiligheidsregio’s, politie, brandweer, gemeenten en onderwijsinstellingen. Alle disciplines zijn heel proactief. De laatste tijd zien we ook initiatieven vanuit bewoners en verenigingen.”

De ene regio bundelt

haar krachten lokaler dan de andere

Regionale verschillen

Communicatie is cruciaal

“In de basis hoeven gebouwen niet aan heel veel extra eisen te voldoen, maar het moet bekend zijn dat het een plek voor hulp is”, licht Bas toe. “Cruciaal daarbij is dat locaties met elkaar in verbinding staan en kunnen communiceren, zeker als reguliere netwerken uitvallen. Hoe die communicatie wordt georganiseerd, verschilt per regio en is volop in ontwikkeling. We gaan er vaak van uit dat onze mobiele telefoons het altijd doen, maar daar moet een back-up voor zijn. De ene regio kijkt naar een oud

“Hoe dit netwerk wordt ingericht, verschilt per regio”, zegt Bas. “De ketenpartners zijn grotendeels hetzelfde, maar de manier waarop regio’s het organiseren kan anders zijn. De ene regio bundelt haar krachten lokaler dan de andere. Dat hangt samen met de schaal van de regio, beschikbare voorzieningen en bijvoorbeeld de rol die vrijwilligers spelen.”

Paraatheid per locatie Bas: “De gebouwen die als noodsteunpunt dienen, zijn heel divers. Juist omdat zowel politiebureaus als brandweerkazernes, schoolgebouwen en sportaccommodaties kunnen worden ingezet. Ook maken we binnen dat netwerk onderscheid in gradaties van paraatheid. Een 112-meldkamer of een politiebureau moet altijd operationeel blijven. Bij scholen ligt dat anders: als de stroom uitvalt of er brand is, is onderwijs niet de eerste functie die door moet gaan.”

kopernetwerk, de andere naar radioamateurs. We moeten vaak terugvallen op oude systemen. Als ze een back-up hebben van andere systemen, zoals een coaxnetwerk, dan kan dat een hele goede optie zijn.”

Noodpakket nodig?

Qua noodpakketten zijn ook nog niet alle noodsteunpunten voorzien, maar dat hoeft ook niet per se, vertelt Bas. “In crisissituaties zie je dat voorzieningen snel geregeld kunnen worden. Bij de Oekraïneopvang stonden er binnen een dag honderden veldbedden. Het gaat erom dat organisaties elkaar weten te vinden en snel kunnen schakelen.”

Noodsteunpunten

Accupakket voor zekerheid

Sommige scholen worden indirect voorbereid op noodsituaties door verduurzamings- en moderniseringsmaatregelen. Bas noemt netcongestie als voorbeeld: “We gaan een groot accupakket neerzetten bij een school, zodat de school stroom zal hebben. De bijvangst is dat de bedrijfszekerheid van dit gebouw toeneemt. Ook al hoeft de school voor het onderwijs niet te allen tijde open te blijven, het is wel weer een gebouw dat in bedrijf blijft. Daardoor kan het gebouw mogelijk voor andere doeleinden en opschalingen worden ingezet.”

Mentale weerbaarheid als vaardigheid

Weet elkaar te vinden

Het belangrijkste in noodsituaties is dat mensen en organisaties elkaar weten te vinden, voorbereid zijn en elkaar helpen. Met de campagne ‘Denk vooruit’ benadrukt de overheid dat weerbaarheid al ver vóór een crisis begint. Ook ggz-deskundige dr. Jaap van der Stel wijst op het belang van mentale weerbaarheid als vaardigheid. Scholen kunnen daarin betekenisvol zijn door het gesprek aan te gaan en door leerlingen te helpen omgaan met onzekerheid.

Een veilige, stabiele plek

In tijden van nood kan een school opvang bieden, maar ook houvast. In Jaaps boek over mentale weerbaarheid laat de ggz-deskundige zien dat structuur en voorspelbaarheid erg belangrijk zijn bij langdurige crises.

Vertrouwde ritmes en vaste aanspreekpunten binnen de school dragen bij aan een gevoel van veiligheid. Een school die in bedrijf kan blijven tijdens een crisis kan zo stabiliteit bieden voor kinderen en jongeren.

Signaal uit het netwerk

Uit het Bouwstenen-netwerk komen signalen dat steeds meer scholen bezig zijn met hun rol als noodsteunpunt in bredere maatschappelijke crises, maar dat nog weinig het hebben uitgewerkt.

Veel scholen beschikken al over een bedrijfsnoodplan, met protocollen voor calamiteiten binnen de schoolcontext, zoals brand, ontruiming of incidenten met leerlingen. De stap naar bredere noodsituaties, bijvoorbeeld langdurige stroomuitval of oorlog, wordt nog beperkt gemaakt. Voor velen heeft het onderwerp tot nu toe vaak buiten de primaire focus gelegen.

De bereidheid om hier nu over na te denken is groot. Er zijn veel vragen en er is behoefte aan kennis en voorbeelden.

Heb jij als school al stappen gezet? Heb je kennis van dit onderwerp?

Deel het met ons! Zo kunnen we samen verder.

Stuur een mail naar info@bouwstenen.nl

Onderwijs in een superdiverse samenleving

Door:

De Transformatieve School wordt wel een nieuwe onderwijsbeweging genoemd, die leerlingen voorbereidt op een snel veranderende multiculturele samenleving. De kern van deze methode is, om in voetbaltermen te spreken, het stimuleren van succesbeleving en daarbij het collectief (de leerling, de docent, het bestuur) centraal stellen. Elke leerkracht moet rugdekking krijgen van het team. Opdat zoveel mogelijk zwartezwanenscholen ontstaan.

Integreren in superdiversiteit, dat is de uitdaging voor iedereen. In de samenleving, het zakenleven, het onderwijs. Wen er maar aan, aan die superdiversiteit, want er is geen weg terug. Dat stellen de sociologen Frans Lelie en Maurice Krul in hun eind november verschenen boek ‘Samenleving van minderheden, leven in superdiversiteit’. Mensen verschillen van elkaar: in leeftijd, seksuele geaardheid, afkomst, persoonlijke levensgeschiedenis. De uitdaging is niet om van elke cultuur die je tegenkomt iets te moeten weten, maar dat we een sensitiviteit ontwikkelen om met de verschillen om te gaan. Dat is volgens de wetenschappers, die beide verbonden zijn aan de Vrije Universiteit, een competentie waar we in de toekomst niet meer zonder kunnen als we nog willen functioneren in de samenleving.

Omgaan met verschillen

Een voorbeeld uit het onderwijs. Welgestelde ouders sturen hun kind naar een commerciële crèche en daarna naar een witte school, omdat ze denken dat daar het onderwijs beter is. Dan gaan ze naar de universiteit, bijvoorbeeld naar de VU,

waar de helft van de studenten een migratieachtergrond heeft. Ze voelen zich daar ongemakkelijk, beginnen verkeerde opmerkingen te maken en trekken zich terug in kleine groepjes. Later op de arbeidsmarkt wordt van hen gevraagd om te gaan met diverse teams, of met een leidinggevende met een migratieachtergrond. Wat je ziet, is dat die groep studenten niet goed is voorbereid op de toekomst. Lelie en Krul zien ze als verliezers. In hun visie zijn winnaars studenten die zich soepel weten te voegen naar de nieuwe realiteit van een superdiverse samenleving.

Botsende sociale codes

Scholen klaarstomen voor die superdiverse realiteit, daar is onderwijssocioloog Iliass el Hadioui al jaren mee bezig. Hij is de auteur van Hoe de straat de school binnendringt (2011), Switchen en Klimmen (2019), Grip op de minisamenleving (2022) en ontwikkelaar van het professionaliserings- en cultuurveranderingsprogramma De Transformatieve School. In zijn keynote speech op de Onderwijsconferentie Rotterdam, die in november 2025 plaatsvond, staat El Hadioui uitgebreid stil bij die nieuwe realiteit. Uiteraard, want Rotterdam is superdivers met inwoners uit liefst 206 geregistreerde herkomstlanden. Twee op de drie Rotterdamse leerlingen is direct afkomstig uit een gezin met een migratieachtergrond (via de ouders of grootouders).

El Hadioui: ‘Dat is een ongekende groei op cultureel vlak. Vanaf groep 5 en 6, met een climax in de puberteit, zie je dat die kinderen aan een zoektocht beginnen naar het ik: wie ben ik in relatie tot die superdiverse wereld om me heen? Ze ontwikkelen nieuwe talen, een talenmengsel in

elkaar geknipt en geplakt vanuit het Marokkaans, Surinaams en Engels. Ze ontwikkelen nieuwe smaken, nieuwe ideeën over wat respect is, nieuwe sociale codes. En dan sta je als school voor een dilemma. Want wat doe je als die sociale codes op sommige vlakken botsen met de codes die wij dominant willen maken binnen onze schoolcultuur? Wat als 18 van de 25 leerlingen in een mavo 2-klas voortdurend bezig zijn met de vraag: hoe gedraag ik me in deze klas ten opzichte van mijn gedrag in de kantine, het schoolplein, de wereld buiten?’

Goede scholen, zegt hij, zijn in staat het switchen tussen codes soepel te begeleiden. Volgens El Hadioui popt de discussie over wat een goede school is weer op. Die begon al in zijn geboortejaar, 1983. Toen wilde men de nationale ranking loslaten en op een alternatieve manier naar het begrip goede school kijken. Het niveau van de instroom op de basisschool moest worden vergeleken met het niveau van de uitstroom. Niet de prestaties aan het einde zijn belangrijk, maar de mate van groei die de leerlingen hebben doorgemaakt, bekeken vanuit hun startpositie.

Eindcijfer zegt niet alles

Nu groeit het besef weer dat eindcijfers alleen onvoldoende zeggen over de kwaliteit van een school. El Hadioui maakt onderscheid tussen zogenaamde witte-zwanenscholen en zwarte-zwanenscholen. In de zwanenwereld is slechts tien procent zwart, licht hij toe. In het onderwijs zie je dat de overgrote meerderheid

van de scholen voldoet aan de vooraf geschetste verwachtingen. Tien procent stijgt boven die verwachtingen uit. Die worden zwarte zwanenscholen genoemd. Hij geeft als voorbeelden basisschool Het Mozaïek in Arnhem-Oost, de armste wijk van Nederland, en basisschool El Habib in Maastricht. El Hadioui: ‘De meeste leerlingen op die scholen hebben een kapitaalarme achtergrond. Ons systeem heeft lage verwachtingen van hen, nog voordat de leerlingen aan hun eerste les zijn begonnen. Aan het einde van het schooltraject blijken de leerlingen hoger te presteren dan verwacht. De goede school heeft een schoolcultuur die de meeste impact weet te genereren op de ontwikkeling van leerlingen, ondanks hun achtergrond.’

Verontrustend vindt hij een sluimerend proces dat al zo’n vijf jaar gaande is. ‘Bij een groeiend aantal witte zwanenscholen blijven de prestaties achter. Hoe dat komt? Sommigen zeggen dat het aan de smartphone ligt; die leidt leerlingen te veel af. Maar op zwartezwanenscholen moeten ze ook dealen met smartphones. Anderen geven een cultuurpedagogische oorzaak aan. Hoogopgeleide ouders voeden hun kinderen op alsof ze het centrum van de wereld vormen. Dan is het moeilijk omschakelen als dat kind op school ineens niet meer het centrum van de wereld is.’

Juist vanuit het collectief

Belangrijk is dat sluimerend proces te stoppen. Meer geld is niet de oplossing hiervoor, zegt El Hadioui. ‘Het gaat erom op een dieper niveau te leren van de zwarte-zwanenscholen. Wat zijn de kenmerken van zwarte-zwanenscholen? Daar zien de leerkrachten hun leerlingen staan. Zij brengen hun leerlingen het geloof in eigen kunnen bij vanuit het intermenselijke contact, waarbij het altijd gaat om erkenning, waardering, succeservaringen en hoge verwachtingen. En dan niet vanuit de individuele professional

Superdiversiteit

alleen, maar juist vanuit het collectief, zodat het echt een cultuur van hoge verwachtingen wordt.’

Het luisterend oor

Enkele weken na El Hadioui’s keynote speech in Rotterdam spreekt Fred Grim, de interim-trainer van Ajax, in zijn tv-optredens ook voortdurend over succeservaringen en over het belang van het collectief. Na een paar gewonnen wedstrijden was het dwalende Ajax ineens in staat de Klassieker tegen Feyenoord te winnen. Maar met een paar succesjes ben je er niet. Succeservaringen moeten verder worden ontwikkeld. El Hadioui: ‘Daar wordt internationaal nu veel over geschreven en in de praktijk uitgeprobeerd. In steden als Detroit, Chicago en Londen. Cruciaal is het probleemoplossend vermogen van het collectief te verbeteren. Op vrijwel alle scholen kan je met elkaar spreken over ICT-problemen, over lesmethodes, maar als jij je professioneel schaamt over iets wat gebeurd is tijdens het lesgeven, wie biedt dan een luisterend oor? Op witte-zwanenscholen nul collega’s, hooguit één. Op zwarte-zwanenscholen twee tot zes collega’s, zo blijkt uit onderzoek.’

Wat bijvoorbeeld te doen als de culturele codes van buiten zich in het klaslokaal manifesteren? Als door een deel van de leerlingen een knip-en-plak-mengseltaal wordt gesproken? Ga je als docent inzetten op het zo goed mogelijk beheersen van het Nederlands en verwaarloos je de andere taalvaardigheden? Of neig je naar het andere uiterste: het bagatelliseren van het belang van het Nederlands met de opvatting dat het al goed is als de leerlingen het een beetje beheersen? El Hadioui: ‘En-en is beter dan of-of. Zwarte-zwanenscholen verwaarlozen de andere talen niet en erkennen, waarderen en stimuleren zelfs de meertaligheid. Maar het belang van het Nederlands wordt ook onderstreept. De ideeën daarover moeten door het schoolcollectief worden onderschreven.’

Normatief kader

Het solide collectief, dat is superbelangrijk, benadrukt El Hadioui keer op keer. In alle klassen moet een gemeenschappelijk normatief kader zijn. Dit betekent in de praktijk uiteindelijk minder regels, omdat een cultuur van hoog vertrouwen gestoeld is op ruimte geven, juist doordat hetgeen verboden wordt collectief plaatsvindt. We gaan hier van persoonlijk naar institutioneel gezag. Zo wordt ook het zelfcorrigerend vermogen van de leerlingen getraind. Wat doet de docent als het aan het begin van de les rumoerig is? Leerlingen maken grappen, chillen, reageren op allerlei prikkels. Vraagt de docent dan na tien minuten geïrriteerd of de les eindelijk kan beginnen? Of wordt vanaf dag één op school duidelijk gemaakt dat bij aanvang van de les iedereen stil is? Zo leren leerlingen te switchen naar de klascode. El Hadioui: ‘Er moet per school één sociale ladder zijn waarop de leerlingen naar boven klimmen, niet vijftien laddertjes van individuele leerkrachten.’

En-en is beter dan of-of

Maar, waarschuwt El Hadioui, stilte in de klas zegt niet alles. Het codeswitchen is dan wel gelukt, maar bij sommige leerlingen stagneert het leerproces. In zo’n stille klas kunnen de onderlinge verschillen enorm oplopen. Sommige leerlingen begrijpen alles en stijgen op de ladder. Anderen zitten stilletjes op hun stoel, maar snappen weinig van de leerstof. Hij vertelt over een recent bezoek aan een basisschool. De leerkracht van groep 8 vertelde hem dat iedereen bij de les is als zij instructies geeft over bijvoorbeeld rekenen. Maar zodra zij de klas verlaat, barst het buitenschoolse gedrag los; dan is er venijn, agressie, wordt er geduwd en getrokken. Wat ontbreekt in die klas is het collectieve gevoel erbij te horen en onderdeel van de groep te zijn. El Hadioui: ‘Uit onderzoek en onze observaties blijkt dat dan weer verschillen de kop opsteken tussen leerlingen met en zonder migratieachtergrond, tussen jongens en meisjes, arm en rijk. We zien dat als de klassenidentiteit sterk is, het leerproces effectiever is.’

Whita Sneep, Yes-directeur

Op naar de YES-les

Het Yes College in Den Haag is volop in beweging en werkt aan een duurzame transformatie. Het is een school met 550 leerlingen, gehuisvest in een nieuw, energieneutraal gebouw. Leerlingen met een vmbo-kader/TL-, TL-, TL/havo- en havo-advies kunnen daar terecht. Op haar vorige school, Scholengroep Leonardo da Vinci in Leiden, was Yes-directeur Whita Sneep al met de Transformatieve methode in aanraking gekomen. Ze was onder de indruk van de manier waarop schoolteams werden ondersteund in het omgaan met straatcultuur en superdiversiteit. Sneep: ‘Deze problematiek speelt in alle grote steden. In Den Haag op bijna alle scholen. Je wordt geconfronteerd met opstootjes, gevechten, verbale agressie. Belangrijk is dat docenten emotionele en professionele rugdekking krijgen van elkaar. Dat krijg je niet onder de knie met één specifieke mal. Het proces verschilt per school.’

De klas als podium

De kracht van de Transformatieve School? Monique Volman, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam, hoeft daar niet lang over na te denken. ‘Het sociologische begrippenkader op een heldere manier aanreiken, waarna schoolteams echt anders gaan handelen. Zodat de behoefte van elke leerling wordt gezien, maar bijvoorbeeld ook de eenzaamheid van de docent. De methode leidt tot een hele andere mindset.’ Ze verwijst naar het nieuwste boek van El Hadioui Grip op de mini-samenleving, waarin de methodiek in toneeltermen wordt beschreven. Volman: ‘Zo beeldend. De klas is het podium, de leraar treedt op. Aan de voorkant laat de leerkracht niet zien dat hij zich soms machteloos voelt. Achter de coulissen kan daarover worden gesproken. Vervolgens kan in de kleedkamer in overleg met het hele team een nieuwe cultuur ontstaan.’

Een andere term die aanslaat: professionele eenzaamheid. Volman: ‘Dan zie je een docent denken. Dat ervaar ik soms ook.’ Of de term

Sneep, die 2,5 jaar directeur is van Het Yes College, heeft best wel veel weerstand ondervonden. ‘Er zijn nogal wat docenten vertrokken. De veranderingen gingen te snel voor hen. Het vraagt ook wat van het collectief om hiermee verder te kunnen en je eigenbelang opzij te zetten. We hebben nieuwe mensen aangetrokken. Inmiddels zijn we bijna zover.’ In april 2026 moet het College het proces dat is ingezet door de Transformatieve School zelf vorm gaan geven. Sneep: ‘Wat we geleerd hebben? Onze schoolcultuur te bewaken. Een normatief kader stellen. We gaan met elkaar het gesprek aan over wat we als oranjegedrag beschouwen. En wanneer we gaan handelen en bepalen dat het gedrag rood is. We hebben geleerd bij elkaar op lesbezoek te gaan en dan te bespreken waar je tegenaan loopt. Echt bespreken, in plaats van: “Ik loop hier tegenaan” en dan als antwoord krijgen: “Nou, ik niet”. Zo ontstaat langzaam een gezamenlijke taal: de “YES-les”.’

rugdekking, ook vaak gebruikt in het voetbal. Volman: ‘Rugdekking geef je vanuit het hele team. Het samen doen is uitgangspunt. Heel belangrijk is dat wordt aangesloten bij de leefwereld van de leerlingen, maar dat daarin niet wordt meegegaan. Je zit op school om te leren. Of in de termen van El Hadioui: je bent er om te klimmen op de schoolladder. Geen enkele leerling mag worden onderschat.’

In de internationale literatuur stuit Volman vaak op de termen selfefficacy (geloof in eigen kunnen) en collective-efficacy (vertrouwen in het samen kunnen). Die vormen ook de kern van de Transformatieve School. Wellicht kan worden gesproken van een nieuwe onderwijsbeweging, zegt Volman. ‘Mensen die in het programma zitten, zijn superenthousiast. Vanuit Ontwikkelkracht (een 10-jarig landelijk programma dat loopt van 2022-2032 en gefinancierd wordt door het Nationaal Groeifonds) krijgen steeds meer scholen daarvoor subsidie. De beweging groeit.’ Volgens De Transformatieve School hebben afgelopen jaar 100 scholen meegedaan aan het programma en ongeveer 2500 leerkrachten.

Monique Volman, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam

AI als collega in het onderwijs: vriend of vijand?

De aanwezigheid van AI in het onderwijs ontwikkelt zich in hoog tempo. Waar digitale leermiddelen ooit vooral ondersteunend waren, maken adaptieve leersystemen, automatische nakijktools en generatieve AI inmiddels steeds meer onderdeel uit van het primaire proces. Deze ontwikkeling biedt kansen, maar vraagt ook om een zorgvuldige afweging van juridische, organisatorische en pedagogische aspecten. De vraag rijst daarom terecht: is AI een waardevolle collega, of brengt het meer risico’s dan voordelen met zich mee?

Privacy als fundament

Een verantwoord gebruik van AI begint bij het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens. De AVG verplicht onderwijsinstellingen om transparant te zijn over het verzamelen en verwerken van gegevens en om passende technische en organisatorische maatregelen te nemen. Daarbij geldt dat persoonsgegevens van leerlingen niet in generatieve AI-systemen worden ingevoerd en dat gegevens waar mogelijk worden geanonimiseerd. Even belangrijk zijn solide afspraken met leveranciers over beveiliging, opslagduur en dataverwijdering. Zonder deze basis is verantwoord AI-gebruik niet mogelijk.

Menselijke verantwoordelijkheid blijft leidend

Naast privacy speelt de vraag wie verantwoordelijk is wanneer AI fouten maakt. Denk aan een automatische beoordeling die onjuist blijkt, of een systeem dat een leerling onterecht als ‘risico’ classificeert. De juridische lijn is helder: beslissingen met impact op leerlingen mogen niet uitsluitend geautomatiseerd plaatsvinden. Er moet altijd een menselijke professional betrokken blijven bij beoordeling en besluitvorming. AI kan ondersteunen, maar niet zelfstandig beslissen. De eindverantwoordelijkheid blijft dus bij de docent en de schoolorganisatie.

Praktische aandachtspunten

• Behoud professionele regie: gebruik AI als hulpmiddel en niet als vervanging van pedagogische of didactische oordeelsvorming.

• Zorg voor transparantie: informeer leerlingen en ouders over de inzet van AI en de gegevens die daarbij worden gebruikt.

• Voorkom bias: toets AI-systemen op mogelijke vooringenomenheid en monitor regelmatig de kwaliteit van de uitkomsten.

• Kies uitlegbare systemen: selecteer tools waarvan de werking en adviezen inzichtelijk en navolgbaar zijn.

• Investeer in deskundigheid: zorg dat medewerkers beschikken over actuele kennis van AI, privacy en informatiebeveiliging.

Ondersteuning beschikbaar

Het Privacyhandboek Onderwijs van TK biedt daarbij praktische handvatten die aansluiten op het Normenkader Informatiebeveiliging en Privacy van Kennisnet. Het handboek helpt onderwijsinstellingen om hun processen rondom privacy en AI op een professionele en juridisch verantwoorde manier in te richten.

Vriend of vijand?

AI is geen vanzelfsprekende bondgenoot, maar evenmin een bedreiging. Het is een krachtig hulpmiddel dat alleen tot zijn recht komt binnen duidelijke kaders, met aandacht voor privacy, menselijke controle en professionele verantwoordelijkheid. Onder die voorwaarden kan AI een waardevolle collega zijn die het onderwijsproces ondersteunt — maar nooit vervangt.

Deze column is een bijdrage van TeekensKarstens advocaten notarissen.

Voor meer informatie ga je naar www.tk.nl of neem je contact op met Carina de Bruin.

Praatplaat voor een gesprek

Het schoolgebouw als communityhub

Door: Willemijn van Bree

“Er ontstaan allerlei nieuwe, nog onbenutte kansen voor kinderen én volwassenen wanneer schoolgebouwen meer als communityhub worden ingericht”, zegt Joris Dahmen, adviseur en partner bij Areaal Advies. “Daar moeten we echt werk van maken en het gesprek met elkaar over aangaan.”

Zelf ging Joris over dit onderwerp in gesprek met Tjitske Bergsma van het Trivium College, Pam van der Graaf van de gemeente ‘s-Hertogenbosch en Floor Dil van de gemeente Utrecht tijdens de Maatschappelijk Vastgoeddag op 13 november 2025. Joris had zich goed voorbereid. In 2025 had hij samen met zijn collega’s

van Areaal Advies en Bouwstenen voor Sociaal scholen en gemeenten gesproken en onderzoek gedaan naar de motieven en mogelijkheden om van een schoolgebouw een gemeenschapsgebouw te maken. Het resultaat heeft Areaal Advies verwerkt in een praatplaat.

Een heel ander gesprek Tijdens de Maatschappelijk Vastgoeddag werd die praatplaat uiteindelijk niet nadrukkelijk besproken, maar dat was ook niet nodig, vertelt Joris. “Het gesprek over de zoektocht en de dilemma’s die erbij horen was veel interessanter. De praktijkverhalen sloten ook naadloos aan bij de onderwerpen uit de praatplaat. Dat gaf mij de ruimte om duidelijk te maken hoe zo’n gesprek kan verlopen als je echt ruimte wilt

delen. Daarin kan je elkaar scherp houden. Vragen als ‘hoe moet ik…’, en ‘als mijn ruimte...’, worden dan ‘hoe moeten wij…’, en ‘als onze ruimte…’. Vanuit dat andere perspectief heb je een ander gesprek met elkaar en richt je het vervolgproces ook anders in.”

Elkaar scherp houden

Vanuit brede opgave

Joris: “In de praatplaat ligt de focus op het gesprek. In het eerste kwadrant staat niet de school centraal, maar de maatschappelijke opdracht, waarbij je elkaar steeds opnieuw moet overtuigen en meenemen en formele posities ondergeschikt zijn. Wat is nodig? Wat heeft het kind eraan? Wat is het belang van de gemeenschap? Zo kan de aanwezigheid van andere mensen of organisaties in een gebouw het curriculum verrijken. Bijvoorbeeld: een bibliotheek in het gebouw verlaagt de drempel tot lezen en kan een gezellige plek zijn voor kinderen én volwassenen. Een kunstatelier geeft de tent kleur en kan gastlessen verzorgen. Huiswerkbegeleiding of muziekles direct na schooltijd in een vertrouwde omgeving is een mooie bijbaan voor iemand uit de buurt en ideaal voor leerlingen die dat nodig hebben. Zo zijn er veel meer voorbeelden te noemen. Bij elkaar maak je wat de samenleving nodig heeft. Een onderwijsgebouw heet dan geen school, maar bijvoorbeeld een communityhub. Dat is echt iets anders dan ‘schoolruimte afstaan’. Dan maak je samen een andere reis.”

Meer mogelijk dan wordt gedacht

Drie andere perspectieven “Het gesprek verloopt heel anders als je uitgaat van het Nederlandse poldermodel,” licht Joris toe, “waarbij je in principe uitgaat van ieders

eigendoms- en machtspositie. Dat is een gesprek en proces van geven en nemen, waarin een school wat ruimte geeft, anderen laat meepraten en bijvoorbeeld start met een pilot. En dan hebben we ‘de wortel’, waarin je elkaar verleidt om ruimte te delen, en ‘de stok’, waarbij je dat afdwingt. Dat laatste is natuurlijk niet de bedoeling van de praatplaat, maar het kan in het gesprek wel werken om te weten hoe het feitelijk is geregeld. We hebben het dan over bijvoorbeeld het recht van scholen op ruimte en het recht van gemeenten om ruimte terug te claimen. Dat mag, maar doen gemeenten vaak niet. Er is meer mogelijk dan wordt gedacht.”

Concrete aanbiedingen

Joris: “‘De wortel’ kan bestaan uit het praktisch, organisatorisch en financieel ontzorgen. Daar horen concrete aanbiedingen bij. Denk bijvoorbeeld aan het uitvoeren van activiteiten, zoals wijkactiviteiten,

Uitdagingen in de Brainport-regio

SKPO is voorbereid op nieuwkomers

Door: Willemijn van Bree

De Brainportregio groeit explosief, met veel internationals. De verwachte schaalsprong in Eindhoven met 40.000 nieuwe woningen en mogelijk 22 extra basisscholen vraagt veel van het onderwijs in de regio. SKPO is hier goed op voorbereid. “We werken nauw samen met Brainport Development en de gemeente Eindhoven”, vertelt SKPO-bestuurder Peter Tijs.

Met 35 scholen, circa 50 gebouwen en ruim 11.000 leerlingen is SKPO een van de grootste schoolbesturen van Nederland. Peter: “Als groot schoolbestuur, met projecten in 21 gemeenten, hebben we een voortrekkersrol.”

Nauwe samenwerking

Peter: “In de afgelopen jaren zijn Brainport Development en SKPO dichter naar elkaar toe gegroeid. We trekken nauw met elkaar op als het gaat om onderwijsontwikkeling, met name de internationalisering van het onderwijs. Inmiddels is er een bestuurlijk netwerk van alle PO-bestuurders uit de 21 Brainportgemeenten dat twee keer per jaar bij elkaar komt om te overleggen. Ik mag daar voorzitter

van zijn. We zitten dan samen met de directeur van Brainport Development, Paul van Nunen, aan tafel om trends te bespreken.”

Als school moet je je omgeving bedienen

Nieuwbouw voor ambitie

Peter ziet ook dat de insteek van de gemeente Eindhoven sterk is veranderd door de ontwikkelingen in de Brainportregio: “Omdat sommige cijfers aangeven dat er door de schaalsprong mogelijk 22 basisscholen bij moeten komen in Eindhoven, hebben zij een omslag gemaakt. Wat eerst ‘niet bouwen voor leegstand’ was, heet nu ‘bouwen voor ambitie’. Dat betekent dat alle schoolgebouwen zijn bekeken op uitbreidingsmogelijkheden en dat nieuwbouwprojecten meestal bijna de helft groter worden gebouwd dan de huidige populatie vraagt. Vanwege de groeiende inwonersaantallen worden veel woontorens gebouwd, dus proberen we via de gemeente ook met projectontwikkelaars in gesprek te komen om daar scholen in te huisvesten.”

Iedereen is welkom

Peter: “De internationalisering in de regio heeft vooral de afgelopen vier jaar een enorme vlucht genomen. Bij SKPO zijn we daar al zo’n zes à zeven jaar geleden mee begonnen. Toen zijn we samen met alle directeuren begonnen met het ontwikkelen van een visie op het nieuwkomersonderwijs om onze scholen hierop voor te bereiden.”

“Veel internationals die hier komen, meestal om bij ASML of een van de toeleveranciers te werken, willen hier graag voor langere tijd blijven en zich met hun kinderen vestigen in de wijk”, vertelt Peter. “Daarin zien we een maatschappelijke opdracht. Als school moet je ervoor zorgen dat je je omgeving kunt bedienen. Een van de belangrijkste uitgangspunten voor ons en de directeuren was dat we niemand willen wegsturen. Na veel overleg kwamen we dan ook uit op een simpele visie: ‘iedereen is welkom’.”

Gemiddeld 44 nationaliteiten

Peter: “Op basis van die visie hebben we een aantal aanpassingen doorgevoerd: meer Engelstalige communicatie, waaronder Engelstalige rondleidingen en website, en het uitrollen van meer professionaliseringstrajecten. Grote scholen die voorlopers waren, hebben andere scholen daarin meegenomen. Naast de PO-scholen in de wijk hadden we al een centrale grote Nieuwkomerschool voor de regio, BS De Wereldwijzer, en waren er op enkele andere scholen aparte taalklassen met een wijkfunctie.”

“De gemiddelde SKPO-school telt 44 nationaliteiten en in totaal hebben we zo’n 88 nationaliteiten”, vertelt

Peter trots. “Op dit moment kunnen al onze scholen internationale kinderen aannemen en plaatsen in de reguliere groepen. Ook toen de Oekraïnecrisis uitbrak en ons land overspoeld werd, waren we hier grotendeels op voorbereid en lukte het samen met Silfo als VO-schoolbestuur om binnen drie weken een Oekraïneschool te starten voor 250 leerlingen.”

We leggen de verantwoordelijkheid heel laag

Brainport Development is een economische ontwikkelingsmaatschappij van Brainport Eindhoven. Het werkt samen met de overheid, bedrijven en kennisinstellingen om de Brainportregio te versterken en te ontwikkelen.

Leerkrachten in overvloed

Hij vertelt ook dat de directeuren van alle SKPO-scholen zelf verantwoordelijk zijn voor het implementeren van aanpassingen. “We leggen de verantwoordelijkheid heel laag. Onze directeuren voelen zich maximaal verantwoordelijk voor hun school en alles wat daar gebeurt. Daarbij gaan we aan het begin van hun aanstelling goed met ze in gesprek. We bespreken de ontwikkelingen die we willen zien en wat ieders bijdrage daaraan is.”

Deze organisatiefilosofie blijkt SKPO tot een aantrekkelijke werkgever te maken. Het bestuur heeft geen last van personeelstekorten, ondanks de enorme groei en het lerarentekort. Peter: “Ik denk ook dat deze groeiregio mensen uit het onderwijs aantrekt. Het onderwijs hier in de Brainportregio is echt een andere tak van sport, omdat het om een heel andere populatie gaat.”

Bouwheer onder de loep

Bij SKPO blijkt huisvesting complex, met name door de gesplitste verantwoordelijkheid voor investeringen en onderhoud. Bij een project enkele jaren geleden kreeg SKPO te maken met een fors tekort door stijgende bouwkosten vanwege de Oekraïnecrisis. De onduidelijkheid over bij wie deze kosten lagen, leidde tot stevige gesprekken met de gemeente en twee rechtszaken. Peter: “We hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt met de gemeente, mede dankzij onze collega’s van huisvesting. Maar het was voor ons wel een reden om nog eens goed na te denken over hoe we met het bouwheerschap om willen gaan. Als je ervoor kiest het bouwheerschap bij de gemeente te leggen, moet je duidelijke kwaliteitskaders opstellen. Je bent dan immers de regie zelf kwijt. Ben je als schoolbestuur zelf bouwheer, dan ben je vaak afhankelijk van projectleiders en externe adviesbureaus. Die kosten vaak veel geld en je loopt dan een groter financieel risico.”

Uitvinden door uitproberen

“We willen zelf toewerken naar een grotere eigen organisatie van

Groeiregio

onderwijshuisvesting. Hoe we dat precies gaan doen, gaan we in de komende fase uitzoeken. Voor de komende twee projecten hebben we het bouwheerschap bij de gemeente

gelegd, wat we vervolgens gaan evalueren. Daarna pakken we er zelf weer twee op. Zo kunnen we goed op een rij zetten wat voor de toekomst het handigste is.”

Flexibele ruimtes

Waarom scholen steeds vaker kiezen voor modulair bouwen

Extra leerlingen melden zich aan, een gebouw moet nodig gerenoveerd worden of een nieuw onderwijsconcept past niet meer binnen de bestaande muren. Voor scholen zijn het herkenbare momenten waarop de huisvesting knelt. De oplossing vinden ze steeds vaker in modulair bouwen. Niet als noodvoorziening, maar als volwaardig alternatief voor zowel tijdelijke als permanente schoolruimte.

Wanneer je met schoolbestuurders en facilitair managers spreekt over huisvesting, hoor je vaak drie redenen om op zoek te gaan naar nieuwe ruimte: groei van leerlingenaantallen, noodzakelijke renovatie of de introductie van nieuwe onderwijsmethoden.

In korte tijd volwaardige klaslokalen

Inspelen op snelle groei

De eerste aanleiding heeft te maken met leerlingenaantallen die bijvoorbeeld in nieuwbouwwijken in korte tijd fors stijgen of in krimpgebieden onverwacht

aantrekken. Dan heb je extra lokalen nodig, maar permanente nieuwbouw zet je niet zomaar even neer. Een nieuw gebouw neerzetten kost vaak veel tijd, iets wat je bij een snelgroeiende school niet hebt.

Modulaire bouw biedt dan een oplossing: in een paar maanden tijd beschik je over volwaardige klaslokalen of zelfs een volledig nieuwe school met alle faciliteiten die je van een modern schoolgebouw mag verwachten. Wanneer de groei van het aantal leerlingen stabiliseert of zich verplaatst naar een andere wijk, kunnen modulaire units weer worden afgeschaald of op een andere manier worden ingezet.

In Zuid-Holland is goed te zien hoe een modulaire oplossing voor langere

tijd voor verschillende scholen wordt ingezet. Hier realiseerde de gemeente Maassluis een wissellocatie die volledig modulair is. Dit gebouw zal de komende tien jaar meerdere basisscholen tijdelijk huisvesten. Hierdoor kunnen de bestaande scholen worden gerenoveerd of vervangen, terwijl het onderwijs gewoon doorgaat. Met 127 modulaire units en extra hoge plafonds biedt deze locatie ruimte, comfort én continuïteit voor het onderwijs.

Fasegewijs verduurzamen

De wissellocatie in Maassluis komt voort uit een andere, veelvoorkomende aanleiding voor nieuwe ruimte bij scholen: renovatie. Eind 2022 was bijna de helft van de basisscholen en middelbare scholen in Nederland aan renovatie

Door: Adapteo Benelux
Klaslokaal wissellocatie Richard Hollaan, Maassluis
De wissellocatie Richard Hollaan in Maassluis

toe. Nu, ruim drie jaar later, moet een groot deel van deze scholen nog aan de slag met het verder moderniseren van hun gebouwen.

Renovatie terwijl de school in gebruik blijft, is vaak complex en belastend voor leerlingen en leerkrachten. Daarom kiezen veel scholen ervoor om hun gebouwen fasegewijs te verduurzamen. Afdelingen worden dan tijdelijk verplaatst. Ook hier biedt modulaire huisvesting steeds vaker uitkomst, met tijdelijke lesruimten die op het schoolterrein of in de buurt worden geplaatst. De kwaliteit is hetzelfde of beter dan die van vaste lokalen. Na afronding van de renovatie worden de modules weer opgehaald en blijft er geen restinvestering achter op de balans.

De Bernadette school in Veghel paste vorig jaar deze aanpak toe. Haar monumentale pand mocht niet vervangen worden, daarom was een renovatie nodig. Verdi Onderwijs begeleidde de renovatie van het bestaande pand en nam de verantwoordelijkheid voor de tijdelijke huisvesting. Adapteo verzorgde het onderkomen voor de onderbouwgroepen op het bestaande schoolplein.

Voor de bovenbouwgroepen verzorgde de specialist in modulair bouwen de huisvesting op een braakliggend terrein in de buurt van de school. Hiermee had de Bernadette school in een paar maanden tijd een sleutelklare oplossing, waar ze na het verhuizen van de meubels direct aan de slag kon met het geven van onderwijs. Na een jaar haalde Adapteo de units weer op en was de renovatie gereed.

Ruimte voor experiment

Een derde aanleiding voor uitbreiding van huisvesting is inhoudelijk van aard. Het onderwijs verandert: projectmatig werken en gepersonaliseerd leren vragen om andere ruimten dan het traditionele klaslokaal met vaste opstelling. Scholen willen leerpleinen, stilteruimtes, instructielokalen en plekken voor

ontmoeting. In bestaande gebouwen is dat vaak lastig te realiseren.

De mbo-vakschool, het Hout- en Meubileringscollege in Rotterdam, wilde het praktijkgericht onderwijs versterken en had behoefte aan praktijkruimtes. In plaats van het hele gebouw te verbouwen, koos zij voor modulaire toevoegingen die specifiek voor deze functies zijn ontworpen. Zo ontstaat ruimte om te experimenteren met nieuwe onderwijsconcepten, zonder direct onomkeerbare bouwkundige keuzes te maken.

In al deze situaties speelt tijd een cruciale rol. Traditionele bouwtrajecten kennen lange doorlooptijden en veel onzekerheden. Modulaire bouw volgt een ander proces. De bouwcomponenten worden in de fabriek samengesteld tot complete modules, die op locatie in korte tijd worden geplaatst en gekoppeld. Dat maakt het mogelijk om binnen enkele maanden extra ruimte te realiseren, precies wanneer die nodig is.

Je

betaalt

voor gebruik, niet voor bezit

Space-as-a-Service

Welke huisvestingsvraag er ook is, modulair bouwen biedt scholen flexibiliteit in ruimte, maar ook in financiering. Scholen kunnen modules huren of kopen, afhankelijk van de verwachte gebruiksduur. Een tijdelijke oplossing hoeft niet te leiden tot een langdurige investering. Die flexibiliteit komt samen in het concept Space-as-a-Service. Hierbij benader je huisvesting als een dienst: je betaalt voor het gebruik van ruimte, niet voor het bezit ervan.

Voor scholen betekent dit minder financiële risico’s en meer focus op hun kerntaak. Het gebouw past zich aan het onderwijs aan, niet andersom. Scholen zijn gewend te investeren in eigendom, in gebouwen

Een klaslokaal met benodigde faciliteiten in het tijdelijke modulaire schoolgebouw van basisschool Bernadette in Veghel

Het tijdelijke modulaire gebouw op het schoolplein van de basisschool Bernadette

die decennialang meegaan. Maar wanneer leerlingaantallen fluctueren en onderwijsconcepten veranderen, is die benadering niet altijd logisch.

De vraag is dan ook of focussen op ‘vaste stenen’ de meest verstandige keuze is. Of dat wendbaarheid, hergebruik en flexibiliteit beter passen bij de realiteit van het onderwijs. Juist daarom verdient modulaire bouw een vaste plek in het denken over toekomstbestendige onderwijshuisvesting.

Dit artikel is een bijdrage van Adapteo Benelux. Voor meer informatie ga je naar de website adapteo.nl.

Nieuw op de markt

Inclusiviteit

Het magazine ‘Gewoon speciaal’ van HEVO geeft zicht op passende huisvesting voor speciaal en inclusief onderwijs.

Aan de hand van onderzoek, praktijkvoorbeelden en experts laat het magazine zien hoe je toekomstbestendige, inclusieve leeromgevingen creëert voor alle leerlingen. Je leest over leerlingenstromen, inclusieve samenwerking, passende huisvesting, verduurzaming en de rol van het IHP en het SHP in een toekomstbestendige onderwijsomgeving. Het magazine biedt bestuurders, schoolleiders en professionals inzichten in onderwijshuisvesting in het speciaal en inclusief onderwijs. Je kunt het magazine via de website downloaden.

www.hevo.nl

Slim scherm

Het nieuwe en geavanceerde touchscreen van i3CONNECT ‘Aspen 4’ is speciaal gemaakt voor gebruik in klaslokalen, vergaderruimtes en kantoren.

Het scherm heeft een QLED-display voor scherpe, levendige beelden en Dolby-gecertificeerde 80 W-luidsprekers voor krachtig geluid, wat zorgt voor een bioscoopachtige ervaring. Het draait op Android 15 en is goedgekeurd door Google, zodat je veilig apps kunt gebruiken via het Google Play-ecosysteem. Het toestel werkt samen met Windows, macOS, Linux en ChromeOS. Hij heeft handige functies voor energie- en milieubesparing, zoals local dimming, bewegings- en lichtsensoren en een widget die laat zien hoeveel energie je bespaart. Het Aspen 4-touchscreen heeft ook handige software zoals een digitaal whiteboard, draadloos presenteren en centraal beheer voor IT-teams. Een krachtig, duurzaam en gebruiksvriendelijk touchscreen voor modern onderwijs.

www.i3-connect.com

Beter leiderschap

Hoe bouw je als schoolleider een krachtige en positieve schoolcultuur waarin wordt geloofd dat iedere leerling kan groeien en leren? Daarover gaat het boek ‘Wat schoolleiders met hoge verwachtingen doen’ van Redwane Bouttaouane.

Het boek biedt concrete handvatten voor dingen die je elke dag kunt doen om het onderwijs te verbeteren. Je vindt praktische stappen, voorbeelden en onderbouwde inzichten om als schoolleider te werken aan sterke lessen, het ondersteunen van leraren en het stimuleren van professionele groei binnen je team. Het richt zich op wat mogelijk is, juist in een tijd waarin onderwijskwaliteit onder druk ligt door bijvoorbeeld kansenongelijkheid en lerarentekorten. De auteur deelt zijn ervaring in het onderwijs en combineert theorie met praktijkvoorbeelden. Al met al een interessant boek voor schoolleiders die een verschil willen maken voor hun school, team en leerlingen.

www.instondoboeken.nl

Check je werkplek

De WerkPlekCheck van KVLO biedt de mogelijkheid om goed inzicht te creëren in je lesruimte of sportaccommodaties als docent L.O.

Deze tool is een gratis online quickscan waarmee je snel kunt bekijken hoe goed jouw lesruimte of sportaccommodatie is ingericht voor jouw werk als docent L.O. Het is een meerkeuzevragenlijst die je invult over zaken zoals akoestiek, temperatuur, ventilatie, verlichting, sportvloer, hygiëne en kleedruimtes. Na het invullen krijg je meteen een terugkoppeling met informatie over de punten die je hebt ingevuld en welke zaken hierover geborgd zijn in bijvoorbeeld de Arbowetgeving. Je ziet wat goed is en waar mogelijk verbeteringen nodig zijn. De resultaten geven je handvatten om in gesprek te gaan met je werkgever over je werkplek, zodat je kunt bespreken wat er beter kan voor jouw gezondheid, veiligheid en comfort op school of in de gymzaal.

www.KVLO.nl

Goed bestuur IKC

Besturen die werken aan een integraal kindcentrum krijgen te maken met andere verantwoordelijkheden dan in het traditionele onderwijs of de kinderopvang. Het nieuwe boek ‘Goed bestuur voor kindcentra’, geschreven door Jeanette de Jong, Berry Hakkeling, Cynthia Roos-Kempers en Ad Vos, biedt bestuurders en toezichthouders handvatten voor die bestuurlijke transitie.

Wanneer kinderopvang en basisonderwijs samen optrekken in een kindcentrum, verschuift de aandacht vaak snel naar organisatie en praktijk. Minder zichtbaar, maar minstens zo bepalend, is de bestuurlijke laag. Dit nieuwe boek brengt juridische, financiële en governance-vraagstukken systematisch in beeld, afgestemd op verschillende ambitieniveaus van integratie. Op basis van ervaringen van drie VNK-besturen wordt onderscheid gemaakt tussen het ontwikkelproces (cultuur, structuur en operationalisatie) en thema’s als de ‘waarom-vraag’, governance en medezeggenschap. Daarmee vult het boek een duidelijke leemte in het ondersteuningsaanbod voor bestuurders van kindcentra.

www.swpbook.com

Groen onderwijs

Collectief Natuurinclusief heeft de gids ‘Bouwen aan natuurinclusieve onderwijsomgevingen’ gelanceerd voor scholen en schoolbesturen.

Dit collectief is een samenwerkingsverband van organisaties die werken aan een natuurinclusieve samenleving. In de gids staat beschreven hoe je een schoolomgeving kunt creëren die natuur, gezondheid en leren met elkaar verbindt. Zo tref je volop handvatten aan voor gemeenten en schoolbesturen om natuurinclusieve keuzes te maken en een wetenschappelijke onderbouwing die laat zien waarom natuur bijdraagt aan leren, gezondheid en welzijn. Ook geeft de gids inzicht in de wetten en regels en voorbeelden van gemeenten die al natuurinclusief werken. Daarnaast biedt de gids negen praktische bouwstenen: van groene daken, speelplekken, ecologische verbindingen en een stappenplan om ambities te vertalen naar ontwerp, tot aan inspirerende praktijkvoorbeelden van scholen en gemeenten.

www.collectiefnatuurinclusief.nl

Van MFA naar

mini-samenleving

Door: Renée Petiet

“Voor ons is een MFA bijna een scheldwoord”, zegt Jaap Rosema, voormalig schooldirecteur en medeinitiatiefnemer van de Tirrel. “We doen er dan ook alles aan om de visie van de Tirrel levend te houden. We willen absoluut niet naar een situatie waarin je alleen maar een dak deelt.”

Hoe kom je voorbij de MFA tot een echte mini-samenleving en een thuis voor de buurt? En hoe zorg je dat de geest erin blijft, zodat niet elke huurder zijn eigen voordeur gaat bestellen? Jaap deelt zijn tegenslagen en tips.

Van IHP naar unieke plus De oorsprong van de Tirrel ligt in het Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor onderwijs. Jaap: “Er waren vijf basisscholen aan vervanging toe. En ook de sporthal én het verzorgingshuis moesten worden vernieuwd. We konden opnieuw losse gebouwen maken. Maar we dachten: kunnen we niet groter denken? Iets unieks, iets moois maken, iets wat een forse plus is voor alle betrokkenen? We dachten ook aan onze ouderen als toekomstige bewoners, die hun hele leven op het platteland hebben gewoond. Je wilt niet dat zij in hun laatste levensfase in een flatje in een grote stad als Groningen terechtkomen. We zochten dus ‘een plus’ voor zowel de gebruikers als het dorp.”

Een turbulente start

In de eerste fase haakten drie scholen af — zij kozen voor een eigen plek en hoopten later op nieuwbouw. Naast een stuurgroep (met bestuurders) werd er een projectgroep gevormd, waar mensen van de gemeente, de zorg en scholen waren vertegenwoordigd. Ze kregen ondersteuning van een extern bureau. In eerste instantie was dat Weusthof en later Draaijer en Partners. Zij deden de procesbegeleiding en communicatie.

We zochten ‘een plus’ voor het dorp

Waarom, hoe en wat

“We hebben heel lang nagedacht over de visie vanuit de Golden Circle van Simon Sinek, over het wat, hoe en waarom. Hierdoor kwamen we op die kernwoorden: ontmoeten,

De Tirrel van bovenaf gezien

verbinden en verrijken. Door verschillende groepen gebruikers elkaar te laten ontmoeten, ontstaat er verbinding en dat levert een enorme verrijking voor iedereen op. Dat is de maatschappelijke meerwaarde waar we voor gaan”, zegt Jaap. “Van daaruit bedenk je pas wat voor gebouw daarbij past.”

“Tirrel” betekent levendig, bruisend en vol beweging in Gronings dialect. In de Tirrel in Winsum lopen de mensen binnen voor onder andere zorg, onderwijs, opvang, sport en cultuur. “Mensen ontmoeten elkaar, komen om te leren, te bewegen en samen te werken”, zegt Jaap. De naam zegt letterlijk wat het wil zijn: een levendig gebouw.

Het leven delen

Die gezamenlijke visie zie je terug in het ontwerp van het gebouw. De Tirrel heeft een stervorm, met in het midden een open, gedeeld hart.

“Dat centrale plein is van iedereen”, vertelt Jaap. “Kleuters hebben daar gym en kinderen oefenen hun schoolmusicals. Ouderen kijken graag mee, soms doen ze zelfs mee. Dat vinden beide groepen prachtig! Andersom zie je het ook gebeuren. Er sterven regelmatig bewoners en dan is er een uitgeleide. Dan blijven de kinderen even respectvol staan en zien dat dit ook bij het leven hoort.”

“De wanden zijn van glas, dat benadrukt het open karakter en zorgt ervoor dat ook mensen in een rolstoel kunnen meekijken bij bijvoorbeeld sportwedstrijden of voorstellingen. Laatst werd een nieuwe bewoner in zijn rolstoel rondgeleid. Hij legde een hand op het glas waarachter kinderen van de opvang spelen. Een kindje loopt naar het glas en legt zijn hand er precies tegenaan. Dat zijn de momenten die verrijken.”

Tegenslagen overwonnen

Jaap: “Het gebouw kostte ongeveer € 35 miljoen. Dat is heel veel voor een kleine gemeente. We organiseerden daarom oploopjes, zodat mensen konden zien wat ze ervoor terugkregen en welke meerwaarde

het had voor zowel het dorp als de regio. Maar door corona kon dat niet meer. Naderhand merkten we dat dat de lokale steun geen goed deed.”

“Toen de gemeente Winsum tegen het eind van het hele proces samenging met vier andere gemeenten, kwamen er met nieuwe ambtenaren ook andere inzichten en gedachten mee. Dat gaf enige vertraging en hobbels in het proces. Uiteindelijk duurde het 11 tot 12 jaar voordat het gebouw er stond.”

Mensen voelden: dit gebouw is van ons allemaal

“Er was vanwege de kosten bij de gemeente en in het dorp een tijdlang wat weerstand tegen de Tirrel. Maar toen er een grote uitvaart kwam voor het 17-jarige meisje uit het dorp, gebeurde er ook iets anders. Mensen voelden: dit gebouw is van en voor ons allemaal.”

Altijd kartrekkers nodig “Naast de passieve randvoorwaarden, zoals het gebouw, heb je ook activiteiten nodig die actief mensen tot ontmoeten aanzetten. Daarvoor heb je iemand nodig die de visie omarmt én uitdraagt: een directeur of facilitair manager”, benadrukt Jaap. “Er is nu een directeur die dat erg actief oppakt. Zo wordt er bijvoorbeeld maandelijks soep gegeten door gebruikers, is er een gezamenlijk volleybaltoernooi en de jaarlijkse kerstmarkt.”

Het belang van leidinggeven vanuit de visie werd duidelijk tijdens een periode met de eerste directeur. “Die verlegde de focus naar exploitatie en beheer. Heel begrijpelijk, maar je voelde dat de levendigheid te kort werd gedaan. Gelukkig is er nu weer een directeur die de visie ademt en er tijd voor vrijmaakt. Die zorgt dat de mini-samenleving in stand blijft en verder kan groeien.”

Jaap Rosema, voormalig schooldirecteur en mede-initiatiefnemer van de Tirrel

“In de jaren negentig hadden we in de stad Groningen de zogenaamde Vensterscholen. Het doel was samenwerken. Toen is door bezuinigingen de coördinator weggehaald. Vervolgens trok iedereen zich weer terug in zijn eigen hokje. De les is: zodra je stopt

met verbinden, word je weer gewoon een MFA”, waarschuwt Jaap. “En dat is precies wat wij níet willen.”

De visie levend houden

Jaap: “Er is een VVE opgericht met vertegenwoordigers van de gemeente Het Hogeland en zorgbestuur Stichting De Hoven. Er is een tweekoppig bestuur waar de directeur verantwoording aan aflegt. Naast beheer en exploitatie is er de opdracht om de visie levend te houden en zo mogelijk verdere invulling te geven. We hebben vorig jaar ook ‘Vrienden van De Tirrel’ opgericht. Daarmee willen we de directeur financieel en praktisch helpen om de visie te realiseren. We onderzoeken nu wat we precies kunnen doen.”

Tips uit de praktijk

Wat kunnen andere gemeenten en scholen hiervan leren?

Jaap geeft vier tips:

Begin bij de ‘why’

Waarom wil je (ver)bouwen; wat wil je betekenen? Pas daarna volgen ontwerp, exploitatie en inrichting.

Kies een faciliterende communitymanager

De leiding moet niet alleen kunnen beheren en exploiteren, maar ook een community kunnen bouwen en onderhouden.

Veranker de visie bestuurlijk

Zorg dat de visie niet afhankelijk is van één enthousiasteling. Veranker het in het bestuur, in de afspraken, in het gebouw. En betrek de wijk, altijd.

Blijf investeren in ontmoeting

Een gebouw is niet vanzelf een mini-samenleving. Het vraagt om samen sporten, eten en vieren – steeds opnieuw. En met steun van alle gebruikers, zowel commerciële als maatschappelijke.

Jaap verzorgt als bestuurslid van de Vrienden van de Tirrel presentaties over de visie en het proces en rondleidingen in het gebouw (jaap.rosema@detirrel.nl).

Werken vanuit visie

Christiaan de Gries, Adviseur Huisvesting en Facility Management bij Draaijer en Partners, onderschrijft het belang van de visievorming. “In het begin gaat het vaak wel, samen onder één dak, maar na een tijdje gaat het knellen. Dan heb je die visie nodig, omdat de afspraken vaak ineens onduidelijk worden gevonden. Daarom starten we altijd met ‘het samenwerkingshuis’, waarbij we alle partijen bij elkaar aan tafel zetten: gemeenten, juridisch/economisch eigenaren, huurders en gebruikers: Waarom wil je met elkaar in een gebouw zitten? Dan, hoe wil je dat doen? Dan kijk je naar de exploitatiemodellen die daarbij passen. Ook bij de Tirrel heeft de visie het plan door de moeilijke tijden heen geholpen. Vanuit een visie is het veel makkelijker om ruimtegebrek op te lossen door die te delen, bijvoorbeeld.” Draaijer ondersteunt gemeenten en schoolbesturen vanaf de planfase tot en met beheer en exploitatie van MFA’s.

Meer informatie en meedoen?

Op de website van Bouwstenen voor Sociaal is meer informatie over de Tirrel te vinden.

In het Bouwstenen-netwerk voor Facility- & Communitymanagers delen we kennis en ervaring over de invulling van deze rol. Zin om mee te doen? Scan de QR-code en neem contact op met de programmamanager of stuur een mail naar info@bouwstenen.nl

Mag een school ook klein zijn?

In Den Haag wordt gewerkt aan het ombouwen van de kleinescholentoeslag. De bedoeling daarachter is op het eerste oog begrijpelijk. De regeling moet beter aansluiten op demografische krimp, personeelstekorten en financiële druk. De kleinescholentoeslag maakt plaats voor een dunbevolktheidstoeslag.

De effecten hiervan blijven niet beperkt tot de schoolbegroting. In veel gemeentelijke integrale huisvestingsplannen wordt deze nu al zichtbaar. Gemeenten sturen steeds nadrukkelijker op schaalvergroting in bevolkte gebieden. Kleine scholen onder de opheffingsnorm komen niet langer in aanmerking voor vervanging van onderwijshuisvesting. Alleen in buitengebieden worden kleine scholen nog als noodzakelijk gezien, om onderwijs dicht bij huis bereikbaar te houden.

De omvang van een school wordt een bepalende factor in de inrichting van het onderwijs. Groot lijkt ook efficiënter, robuuster en beter organiseerbaar. Grote scholen kunnen vaak meer expertise bundelen, ondersteuning intern organiseren en zijn minder kwetsbaar bij ziekte of personeelswisselingen. Met een lerarentekort is dat een reëel voordeel. Ook is er meer ruimte voor specialisatie en een breder onderwijsaanbod.

Maar omvang heeft ook een keerzijde. Hoe groter de school, hoe lastiger het wordt om ieder kind echt te zien. Ouders geven in onderzoek aan dat zij juist waarde hechten aan kleinschaligheid, veiligheid en persoonlijke aandacht. Zij zoeken geen perfecte organisatie, maar een plek waar hun kind gekend wordt, waar lijnen kort zijn en waar vertrouwen vanzelfsprekend is. Dat gevoel van nabijheid laat zich moeilijk organiseren in grote structuren.

Dat spanningsveld zien we ook terug in de beweging richting inclusief onderwijs. De ambitie om het aantal kinderen in het gespecialiseerde onderwijs om te buigen naar regulier onderwijs vraagt om overzicht, rust en maatwerk. Dat lukt beter in kleinere, prikkelarme omgevingen dan in grootschalige settings waarin kinderen sneller opgaan in de massa. Tegelijkertijd hebben grotere scholen vaak juist meer ondersteunende expertise in huis. Inclusie vraagt om de juiste schaal op de juiste plek.

Op het gebied van onderwijshuisvesting wordt deze zoektocht steeds zichtbaarder. Er zijn gemeenten die terugkomen van grote multifunctionele accommodaties voor meer dan twee scholen. Niet alleen vanwege beheercomplexiteit, maar ook omdat is gebleken dat meer dan twee scholen onder één dak de vrijheid van onderwijs onder druk zet. Grote scholen domineren, kleinere verdwijnen. De keuzevrijheid voor ouders neemt hiermee af.

Het gesprek over de kleinescholentoeslag zou niet moeten blijven hangen in efficiëntie en schaalvergroting, maar zou moeten gaan over de schaal die goed en inclusief onderwijs mogelijk maakt dichtbij huis. Kwaliteit zit niet in aantallen, maar in balans, voldoende schaal om professionaliteit en ondersteuning te organiseren, en voldoende kleinschaligheid om kinderen echt te zien. Altijd vanuit wat kinderen nodig hebben, niet vanuit systeemdenken. Dus laat de kleinescholentoeslag bestaan voor scholen die het hiervoor nodig hebben. Want soms is klein, ook in stedelijk gebied, fijn.

Meer tijd voor dataveiligheid en privacy

Maar risicomanagement begint vandaag

Door: Bert van de Bovenkamp

In de wandelgangen ging het gerucht al langer rond, maar nu is het officieel: scholen in het funderend onderwijs krijgen meer tijd om hun dataveiligheid op orde te brengen. Ze hoeven pas begin 2027 te voldoen aan de eerste eisen uit het Normenkader Informatiebeveiliging en Privacy (IBP).

Dat normenkader is bedoeld om de digitale veiligheid op scholen te verbeteren. Het beschrijft de minimale eisen waaraan scholen moeten voldoen op het gebied van informatiebeveiliging en privacy. Staatssecretaris Koen Becking heeft in een Kamerbrief aangekondigd dat scholen uiterlijk op 1 januari 2027 twee dingen moeten hebben gedaan: ze moeten een nulmeting hebben uitgevoerd en een plan van aanpak hebben gemaakt.

Meer ruimte

De nieuwe termijn betekent uitstel. Eerder was besloten dat scholen op 1 januari 2027 volledig moesten voldoen aan het normenkader. Oftewel, het zogenoemde volwassenheidsniveau 3 hebben behaald. Dat niveau houdt in dat een school de digitale veiligheid aantoonbaar op orde heeft en deze borgt in beleid voor de langere termijn.

In de Kamerbrief staat niet letterlijk dat deze eis verschuift naar 2030, maar we kunnen ervan uitgaan dat dat het nieuwe richtpunt wordt.

Goede zaak?

De extra tijd geeft lucht, vooral aan eenpitters bijvoorbeeld. Tegelijk is

het de vraag of de doelen in 2030 wél haalbaar zijn tegen aanvaardbare kosten. Na een goede risicoafweging te hebben gedaan, lukt het in sommige gevallen wellicht alleen door af te wijken van de norm. Maar hoe toezichthouders dan straks met zulke afwijkingen omgaan, is onduidelijk.

Daarnaast moet er geen indruk worden gewekt dat iedereen nu rustig achterover kan leunen. De staatssecretaris stelt namelijk dat de risico’s op het gebied van cybersecurity alleen maar toenemen. Gelukkig zie ik in gesprekken met het veld ook geen tekenen van zo’n houding.

De risico’s op het gebied van cybersecurity nemen alleen maar toe

Risicogebaseerd

Juist nu is het belangrijk dat scholen risicomanagement goed organiseren. Dat is ook een onderdeel van het normenkader. Een goede risicoanalyse helpt bij het kiezen van de juiste maatregelen op het juiste moment.

De basismaatregelen uit het normenkader kunnen direct worden opgepakt. Daarna is het verstandig om een nulmeting te doen voor de overige maatregelen uit het normenkader. Door aan elk openstaand onderdeel een risicoscore toe te kennen (kans x impact), ontstaan duidelijke prioriteiten.

Daarmee ontstaat een gerichte aanpak, ook als die iets afwijkt van het officiële Groeipad. Het Groeipad is

een praktische leidraad die binnen het

Normenkader is opgesteld om scholen te ondersteunen in hun aanpak. Uiteindelijk is het doel om verantwoord te handelen en tegelijkertijd te voldoen aan de richtlijnen vanuit het ministerie.

Programma DVO

Samen met het uitstel wordt ook het programma Digitaal Veilig Onderwijs (DVO) verlengd tot 2030. Dat staat eveneens in de Kamerbrief. Naast het bestaande aanbod van onder andere handreikingen, verdiepende workshops en hulp bij incidenten en dreigingen (CERT), komen er drie extra speerpunten bij.

Ten eerste, gerichte ondersteuning voor scholen, met extra aandacht voor achterblijvers, maatwerk en regionale samenwerking. Bijvoorbeeld in de vorm van gezamenlijke inkoop of inhuur van IT-expertise. Ten tweede, het vergroten van inzicht in vooruitgang, zowel op het niveau van schoolbesturen als binnen de sector. Bijvoorbeeld via periodieke monitoring en zelfevaluatie. Tot slot gaat het programma zich ook richten op de verantwoording die scholen afleggen over hun digitale veiligheid. Digitale veiligheid is nu al onderdeel van het interne toezicht. Er wordt onderzocht of dit thema vanaf 2027 ook opgenomen wordt in het toetsingskader van de Onderwijsinspectie.

Goed nieuws

Voor de scholen die gebruikmaken van de dienst Veilig Internet van SIVON en Kennisnet is er goed nieuws. De subsidie wordt tot 2030 verlengd.

Innovatiepartnerschap Schoolgebouwen Amsterdam

Eerste school opgeleverd

Door: Bouwstenen voor Sociaal

Op vrijdag 9 januari 2026 opende basisschool Wisperweide haar deuren voor kinderen en ouders. “Dit is de eerste school die is ontwikkeld in het kader van het innovatiepartnerschap Amsterdam”, zegt Carli Hartgerink, regisseur onderwijshuisvesting bij de gemeente Amsterdam.

Goed op schema

Carli: “In de aanbesteding van het innovatiepartnerschap hebben we de markt beloofd dat we in de komende tien jaar minimaal negen en maximaal dertig scholen in opdracht geven binnen de raamovereenkomst. Sinds de start van die overeenkomst, in juni 2023, hebben we acht projecten in minicompetitie gebracht. Kortom: we liggen goed op schema om onze belofte waar te maken.”

Een gebouw dat meebeweegt

“Onze ambitie is om alle dertig locaties binnen de Metropoolregio Amsterdam te gebruiken die beschikbaar zijn”, zegt Carli. “Voor elk gebouw doen de consortia een voorstel, waarna het schoolbestuur het beste ontwerp kiest. De drie consortia zijn De Elementaire School, Het Schoolvoorbeeld en Schools by Circlewood. Hoe meer schoolgebouwen we via deze route realiseren, hoe verder de bouwconcepten van de consortia zich kunnen doorontwikkelen.”

Tempo maken kan écht

“Als we in Nederland vaart willen maken met het bouwen van goede en gezonde scholen, moet er nog veel gebeuren”, zegt Carli. “Met het Innovatiepartnerschap Schoolgebouwen (IPS) krijgen marktpartijen de ruimte om innovatieve bouwconcepten te ontwikkelen en circulaire

schoolgebouwen binnen budget te realiseren. Circulair bouwen kan daarmee de standaard worden voor schoolgebouwen; daar kunnen we ook echt tempo in maken. Dat vraagt wel iets van opdrachtgevers, zoals gemeenten en schoolbesturen. Zij moeten marktpartijen zo uitvragen dat deze met uitgewerkte bouwconcepten kunnen inschrijven voor ontwerp en realisatie.”

Wel belangstelling, geen handtekening

Carli: “Er is veel belangstelling vanuit gemeenten in de Metropoolregio Amsterdam om mee te doen; er zijn zelfs toezeggingen gedaan. Maar een daadwerkelijke handtekening voor een school in de Metropoolregio is er nog niet. Dat verbaast me, want meedoen betekent dat een gemeente of schoolbestuur geen afzonderlijke aanbesteding meer hoeft te organiseren. Partijen met beproefde concepten ontwerpen en realiseren het schoolgebouw. Het geld gaat dan naar het gebouw, in plaats van naar het proces.

Praktijk weerbarstig

“In de praktijk blijkt de samenwerking met gemeenten soms weerbarstig. Er zijn veel stakeholders betrokken en regelmatig willen ambtenaren intern nog zaken verder uitzoeken. Dat gebeurt met de beste intenties, maar het haalt wel de vaart eruit. Dat is jammer, want de samenwerking kan juist heel vlot verlopen. Tussen de afronding van de minicompetitie (de gunning) en de oplevering van een schoolgebouw zat bij Wisperweide maar twee jaar. Zeker in deze tijd, met grote vervangingsopgaven en personeelstekorten, is deze manier van werken een enorme kans.”

De Wisperweide

• een gebouw van 2.197 m2

• met 15 lokalen onderwijs en 2 groepen VVE

• volledige houtbouw, BENG

• investering van €8.080.263 (stichtingskosten)

Meer weten?

In een uitgebreid artikel op de website van Bouwstenen deelt Carli haar lessons learned tot nu toe.

Scan de QR-code voor het volledige artikel.

Carli Hartgerink, regisseur onderwijshuisvesting gemeente Amsterdam

Kindcentrum passief gebouwd

De Wijde Wereld kreeg een duurzaam nieuw jasje

Door: Willemijn van Bree

Het Montessori Kindcentrum De Wijde Wereld in Haarlem onderging een grondige renovatie, waarbij passief bouwen en duurzaamheid centraal stonden. In rap tempo werd het gebouw uit 1978 volledig vernieuwd.

“Alleen het houten geraamte van het gebouw is blijven staan, samen met de betonnen fundering. Hieromheen is een nieuw gebouw gezet,” zegt Rik Piters, adviseur huisvesting van onderwijsorganisatie Spaarnesant. Het gebouw is nu volledig gasloos én energieneutraal. Het bevat twaalf leslokalen en een kinderdagverblijf.

Het hoogst mogelijke rendement uit een natuurlijke energiebron

Passief gebouwd

Het energieverbruik van het gerenoveerde gebouw is beperkt, omdat het passief verbouwd is. Rik: “De gevel van het gebouw is opgebouwd uit vochtregulerende houten logs, een Finse houtbouwmethode. Hierdoor is er minder installatietechniek nodig en kan je een gezond binnenklimaat realiseren. Waar nodig zijn de gevels ook aan de binnenzijde geïsoleerd.”

Ook is veel aandacht besteed aan

de daglichttoetreding. Houten overstekken en lamellen reguleren de lichtinval en de binnentemperatuur. Architect Daan Josee van Maas Kristinsson Architecten: “Met de overstekken sturen we op het licht en de warmte die via de zon het gebouw binnenkomt. Zo halen we het hoogst mogelijke rendement uit een natuurlijke energiebron.”

Alle ruimtes zijn aangesloten op een modern ventilatiesysteem met warmteterugwinning (WTW). Samen met twee warmtepompen en PVT-panelen zorgt dit voor een volledig energieneutrale energievoorziening. Het gebouw voldoet nu aan de eisen van Frisse Scholen klasse B en BENG, en sluit aan op de nieuwe onderwijskundige inrichting van de school.

Veel hergebruikt

Hergebruik stond ook centraal in deze renovatie. Rik: “Er zijn binnendeurkozijnen gebruikt die bestaan uit gelamineerd hout waar sloophout voor is gebruikt. En het ontwerp is gebouwd op de footprint van het originele gebouw. De funderingspalen, funderingsbalken en betonvloer zijn behouden en waar nodig verstevigd. Daarbij is de houten draagstructuur met kolommen, liggers van gelamineerd hout uit 1978, behouden, hersteld en verbeterd. Verder zijn de gevels houten logs demontabel en dus volledig herbruikbaar. Het was niet altijd mogelijk om materialen van het originele gebouw te hergebruiken. De oorspronkelijk houten gevel leende zich hier niet voor, want die was te slecht of niet het juiste materiaal.”

In twee fases gerenoveerd

Superslimme planning

Tijdens de renovatie was het gebouw deels nog in gebruik.

Rik: “Het gebouw is in twee fasen gerenoveerd. Door in het voorjaar

Foto: KernBouw

Rik Piters, adviseur huisvesting bij Spaarnesant.

van 2022 eerst de eenlaags bebouwing te renoveren, vervielen er tijdelijk vier groepsruimtes. Dit is tijdelijk opgevangen binnen de resterende acht groepsruimtes en een naastliggend bouwdeel dat later geheel gesloopt zou worden. Na gereedkomen van fase één in december 2022 waren er acht nieuwe groepsruimtes beschikbaar en is de school hierin verhuisd. Zo konden de acht resterende groepsruimtes gerenoveerd worden. In de zomer van 2023 kon de school ook deze acht groepsruimtes weer betrekken. Vanaf dat moment waren er zestien groepsruimtes beschikbaar. Het kinderdagverblijf nam intrek in vier van de lokalen op de begane grond en het laatste bouwdeel kon definitief gesloopt worden, waarna de totale oplevering en bijkomende verhuizing plaatsvond in de zomer van 2023.”

Het financiële plaatje

Rik: “De totale renovatie kostte zo’n € 5,8 miljoen, waarvan circa € 4,5 miljoen bouwkosten zijn. Om dit te bekostigen stelde de gemeente Haarlem krediet beschikbaar en zijn er subsidies voor verduurzaming benut, zoals de SUVIS- en DUMAVAsubsidie. Ook heeft Spaarnesant financieel bijgedragen vanuit het meerjarenonderhoudsplan en voor de extra duurzaamheidsinvesteringen.”

Naast de uitgaven levert de renovatie ook financiële besparingen op. Rik: “Door de komst van PVT-panelen wekt de school circa 55% van zijn eigen energie op. Dit resulteert in een iets hoger energieverbruik, maar geen kosten meer voor gas.” Zo werd in 2021 16.149 m3 gas verbruikt, terwijl dat nu 0 m3 is. Zelfs nu het gebouw zo’n 25% groter is dan vóór de renovatie.”

Een geslaagde renovatie

Geen kosten meer voor gas

Over de uitkomst van de renovatie is Rik positief: “Naar mijn idee is dit zeker een geslaagde renovatie. De van origine houten Montessorischool heeft met de vernieuwing zijn karakter

en footprint behouden. Er is bewust gekozen voor behoud van de nog goede delen van het gebouw.” Ook over de timing is Rik tevreden: “Er wordt een groei van leerlingen verwacht in verband met ontwikkelingen in de wijk. Nu konden we dit nog doen op de plek zelf, zonder tijdelijke huisvesting. Inmiddels hebben we twaalf volledige groepsruimten beschikbaar, waarin we comfortabele omstandigheden voor de leerlingen hebben kunnen creëren.”

Meer weten over passief bouwen?

Scan de QR-code

Gezien &gelezen

Droomschoolplein

Het François Vatel vmbo in Den Haag betrekt leerlingen actief bij schoolontwikkelingen. Toen de herontwikkeling van het schoolplein op de planning kwam te staan, besloot de school de leerlingen een stem te geven. In georganiseerde ‘droomsessies’ kwamen twaalf leerlingen bij elkaar om creatieve ideeën uit te wisselen, van palmbomen tot graffiti. Daarna werkten ze samen aan een haalbare plattegrond. Het was voor de school belangrijk om duidelijke kaders te stellen en terugkoppeling te geven over wat er met de ideeën gebeurt. Zo ervaren leerlingen dat hun inbreng echt telt. De school wil leerlingparticipatie verder structureel inbedden, zodat meer leerlingen meedenken en meebeslissen over hun leeromgeving.

www.vo-raad.nl

Slim energiegebruik

De Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) laat zien hoe onderwijsinstellingen slim kunnen omgaan met een overbelast stroomnet. De universiteit wil de komende jaren uitbreiden en verduurzamen, maar stuit daarbij op capaciteitslimieten. Hoe kan de bestaande capaciteit zo efficiënt mogelijk worden benut? Om deze vraag te beantwoorden werd het GENIUS-project gestart. Samen met partners ontwikkelt de TU/e innovatieve oplossingen om elektriciteitsgebruik flexibel te organiseren binnen de bestaande netaansluiting. Zo wordt een groot accupakket ingezet om pieken af te vlakken en er wordt software getest die het energieverbruik van gebouwen en apparatuur kan voorspellen. Ook wordt onderzocht hoe laadpalen en warmtepompen flexibeler kunnen worden gebruikt en hoe gedragsaanpassingen bij gebruikers veel energie kunnen besparen.

www.enexis.nl

Lager ingeschat

Uit onderzoek van DUO blijkt dat meisjes vaker een lager schooladvies krijgen dan jongens, ondanks gelijke eindtoetsscores. Daardoor stromen zij vaker uit naar vmbo, terwijl ze havo of vwo aankunnen. In de loop van het voortgezet onderwijs maken veel meisjes deze valse start zelf goed, terwijl jongens juist soms lager uitkomen dan verwacht. De kloof tussen schooladvies en eindtoetsresultaten groeit sinds 2018: inmiddels ontvangen jaarlijks zo’n 2500 meisjes een lager advies dan passend zou zijn. Oorzaken zijn niet definitief vastgesteld, maar factoren zoals vroege puberteit, minder erkenning van prestaties en nadruk op rekenen kunnen een rol spelen. Scholen moeten sinds 2023/2024 het voorlopige advies heroverwegen bij betere toetsresultaten, maar DUO ziet nog weinig effect.

www.nos.nl

Foto: TU/e, Bart van Overbeeke
Foto: François Vatel vmbo

Advies vervoer

Ouders & Onderwijs en drie andere organisaties hebben het Adviesrapport Leerlingenvervoer aangeboden aan demissionair staatssecretaris Koen Becking van Onderwijs. Het rapport belicht de problemen in het huidige systeem: uitvallende ritten, lange reistijden, wisselende chauffeurs en gebrek aan begeleiding. Dit heeft negatieve gevolgen voor de vaak kwetsbare leerlingen die gebruikmaken van dit vervoer. De organisaties pleiten voor landelijke regie, gelijke normen en vervoer als integraal onderdeel van passend onderwijs. Ook moet er betere afstemming komen tussen scholen, gemeenten en vervoerders. Tijdens het gesprek met de staatssecretaris zijn afspraken gemaakt over onderzoek naar landelijke standaarden en mogelijke verbeteringen. Het doel is dat elk kind op een fijne, voorspelbare, veilige wijze naar school kan.

www.oudersenonderwijs.nl

Dit mbo groeit

Vakschool Nimeto in Utrecht groeit, terwijl veel mbo-vakscholen krimpen. In november 2025 opende de school haar deuren; niet met een open dag, maar een Open Huis. “De term ‘Open Huis’ voelt voor ons natuurlijker”, zegt Henk Vermeulen, bestuurder van Nimeto. “Het is een uitnodiging die past bij de betrokken sfeer van onze school.” Bij Nimeto ontstaan opleidingen vanuit de studenten en signalen uit het werkveld. De school biedt een creatieve, mensgerichte aanpak. Henk: “Ze voelen dat ze bij ons richting kunnen geven aan hun eigen toekomst.” Jaarlijks bezoeken zo’n 1800 mensen de Open Huizen, en het aantal studenten blijft groeien.

www.nationaleonderwijsgids.nl

Groene campus

In ’s-Hertogenbosch is Campus300 geopend, een nieuwe stedelijke onderwijs- en campuslocatie aan de Onderwijsboulevard. Twee jaar later dan gepland, maar de nieuwe onderwijslocatie is nu klaar voor gebruik. De locatie combineert een onderwijsgebouw van 20.000 m² voor Avans Hogeschool met 124 studentenwoningen van BrabantWonen boven een parkeergarage. Het gebouw vormt een levendige campus met groene binnenwereld, pleinen, terrassen en ontmoetingsruimtes. Door de locatie te clusteren nabij bestaande onderwijsgebouwen ontstaat een plek die ontmoeting en interactie tussen studenten en docenten stimuleert. Het ontwerp biedt flexibele, toekomstbestendige ruimtes. Door het open casco kan het gebouw opnieuw worden ingericht of zelfs omgebouwd. Avans kan wanden verplaatsen en ruimtes anders indelen.

www.dp6.nl

Foto: Nimeto Utrecht
Foto: DP6

De praktijk van Artikel 23

“Speciale scholen halen krenten uit de pap”

Door: Yara Hooglugt

Artikel 23 van de Grondwet wordt ook wel gezien als belemmerend voor onderwijsvernieuwing en als een artikel dat leidt tot segregatie en inefficiënt ruimtegebruik. Het dateert uit een tijd dat Nederland nog sterk verzuild was. Chris Vonk: “Die verzuilde samenleving bestaat nauwelijks meer, maar de gevolgen van dat artikel voelen we elke dag in de praktijk.”

Artikel 23 gaat over de vrijheid van onderwijs. Meer concreet staat er dat het “geven van onderwijs” vrij is, “behoudens het toezicht van de overheid” op wettelijke eisen rond kwaliteit en bekwaamheid. Ook regelt het artikel dat in elke gemeente voldoende openbaar basisonderwijs moet worden gegeven waarin “ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd”.

Discrimineren mag niet

Discriminatie is, ook op scholen, op basis van Artikel 1 van de Grondwet verboden. Maar of dit in de praktijk goed gaat, was de afgelopen maanden onderwerp van discussie.

VVD-Kamerlid Arend Kisteman diende in december 2025 een motie in die stelt dat Artikel 23 niet mag worden gebruikt om eventuele discriminatie te rechtvaardigen. De motie is met een kleine meerderheid aangenomen.

Chris Vonk, adviseur bij de Almeerse Scholen Groep, en de Almeerse Scholen Groep delen de kritiek op Artikel 23. Ze faciliteren het openbaar onderwijs en vinden het belangrijk dat onderwijs is losgekoppeld van levensbeschouwelijke overwegingen.

“Wij respecteren de wet, maar zouden tegelijkertijd graag zien dat er een

onafhankelijk onderwijsinhoudelijk statuut zou komen dat niet gekoppeld is aan religie.”

Het speelveld wordt kleiner, maar de verantwoordelijkheid groter

Ongelijke praktijk

Chris’ vrees is dat Artikel 23 scheefgroei veroorzaakt in het onderwijs. Concurrentie tussen onderwijsorganisaties is onvermijdelijk en vaak ook zelfs goed, zo stelt hij, maar dan moeten alle scholen wel gelijkwaardig zijn. Bijzonder onderwijs mag leerlingen weigeren, bijvoorbeeld op basis van levensovertuiging. Het openbaar onderwijs mag dat niet. Chris: “Dit zorgt ervoor dat speciale scholen sneller de krenten uit de pap kunnen halen. Wij zien in de praktijk in Almere dat sommige scholen zeggen dat ze iedereen aannemen, maar dan toch een wachtlijst hebben en tegen bepaalde leerlingen zeggen: ‘Ga het maar ergens anders proberen.’ Die leerlingen melden zich dan bij het openbaar onderwijs. Het speelveld voor het openbaar onderwijs wordt daardoor kleiner, maar de verantwoordelijkheid wordt groter. ‘Iedereen is gelijk, en iedereen is welkom’ is het leidende motto in het openbaar onderwijs. Dat is iets dat wij omarmen, maar in de praktijk is dat soms lastig uitvoerbaar. Je krijgt nogal eens wat rugzakjes binnen”, constateert Chris.

Chris Vonk, adviseur bij de Almeerse Scholen Groep

Worsteling rond locaties

Openbare scholen hebben ook te maken met praktische uitdagingen, zoals huisvesting en locatiekeuze, vervolgt Chris. “Een school binnen het bijzonder onderwijs kan gemakkelijker zeggen: ‘We zien op die locatie geen brood, dus we vertrekken.’ Scholen in het openbaar onderwijs kunnen dat niet zomaar doen.” Bovendien kan het ook voorkomen dat een nieuwe bijzondere school – mede door de Wet

Vrijheid van onderwijs

Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen –aanspraak kan maken op bestaande locaties van het openbaar onderwijs. “Wij worstelen nu bijvoorbeeld met een islamitisch schoolbestuur, dat toestemming heeft gekregen om een mavoschool te starten in Almere. Er was geen locatie beschikbaar, dus er wordt nu door de gemeente op aangestuurd dat wij een gedeelte van onze schoolgebouwen beschikbaar stellen. Ik vind dat niet passend als schoolbestuur van het openbaar onderwijs.”

De

overheid stelt kaders

Waarborgen kwaliteit

Ondanks de (subsidiërende) rol van de overheid in het funderend onderwijs, vreest Chris niet voor verlies van onafhankelijkheid als Artikel 23 wordt afgeschaft. “De staat heeft in algemene wetgevende zin invloed op het onderwijs, maar het is niet zo dat de staat dicteert wat er onderwezen moet worden. De overheid stelt kaders. In het onderwijs zijn allemaal losse stichtingen en verenigingen die hun eigen beleid maken.” Wel stelt Chris dat het waarborgen van kwaliteit door de overheid noodzakelijk blijft. “Het is goed als je een check krijgt op wat je doet.”

Artikel 23 nader beschouwd

Artikel 23 van de Grondwet gaat over onderwijsvrijheid. Het neveneffect is dat kinderen onderwijs krijgen in de eigen groep (bubbel). En afhankelijk van de bevolkingssamenstelling en de populariteit van een school moeten schoolgebouwen worden opgeschaald of afgeschaald. Dat zijn ongewenste gevolgen als je het beziet vanuit inclusie, leren samenleven, (sociale en fysieke) duurzaamheid en de doelmatigheid van het onderwijs.

Online bijeenkomst

Reden voor het netwerk van Bouwstenen voor Sociaal dit artikel onder de loep te nemen. Wat staat er precies in? Wat is wet en wat is de praktijk? Wat weten we van de relatie tussen de wet en de (ongewenste neven-) effecten? Welke ruimte is er binnen de wet om het onderwijs anders te organiseren, passend bij de doelen van deze tijd?

Zie hier

Artikel 23 in de grondwet

De online bijeenkomst

Artikel 23

Ontwerp Nota Ruimte biedt goede aanknopingspunten

Door: Bouwstenen voor Sociaal

De Ontwerp Nota Ruimte biedt goede aanknopingspunten voor de ruimtelijke planning van Nederland. Het bevat voor het eerst ook een paragraaf over maatschappelijke voorzieningen, waaronder scholen en sportaccommodaties.

De nota is opgesteld in twee kabinetsperioden. De opstellers verwachten dat het concept ook door een nieuw kabinet zal worden omarmd, omdat er robuuste keuzes zijn gemaakt.

Combineren is leidend principe

De nota geeft richting aan een beter gebruik van de schaarse ruimte in Nederland en bindt in eerste instantie het Rijk zelf. Het is gebaseerd op drie leidende principes: meervoudig ruimtegebruik, gebiedskenmerken centraal en voorkomen dat problemen worden afgewenteld. De nota benadrukt de noodzaak tot kiezen, combineren en intensiveren van het ruimtegebruik. Dit zijn herkenbare zaken voor het Bouwstenen-netwerk. Daar wordt niet

alleen vanwege het gebrek aan ruimte gekeken naar de mogelijkheden van meervoudig ruimtegebruik, maar ook in verband met de betaalbaarheid van de voorzieningen.

Goede kwaliteit, maar gebrek aan ruimte

Het gedeelte van de nota dat specifiek over voorzieningen gaat, is te vinden in paragraaf 10.13 ‘Wonen, wijken en voorzieningen’ (vanaf blz. 293). Daar wordt gesteld dat de kwaliteit en bereikbaarheid van de voorzieningen over het algemeen goed is, maar hier en daar wel afneemt als het gaat om de beschikbaarheid en bereikbaarheid. Verschillen in regio’s nemen daardoor toe. Ook ziet het Rijk dat bij nieuwbouw of verdichting niet altijd voldoende voorzieningen worden gepland. Dit wordt toegeschreven aan gebrek aan ruimte.

Aanbod past niet bij de vraag

Ook herkenbaar is dat in de nota wordt gesteld dat veel van de huidige voorzieningen nog steeds dezelfde vorm hebben als in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Dit sluit niet meer goed aan bij de demografische en maatschappelijke veranderingen. De sectorale inrichting van het stelsel is een probleem en daarom wil het Rijk dat er beter wordt samengewerkt tussen de fysieke en sociale departementen.

Graag dicht bij huis

Het Rijk ziet graag dat de maatschappelijke voorzieningen zich waar mogelijk dicht bij huis bevinden en lopend of met de fiets bereikbaar zijn. Voor voorzieningen met een groter verzorgingsgebied zet het Rijk in op goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer en de auto. Wat de ideale balans is, verschilt per voorziening en per gebied en is afhankelijk van het type leefomgeving en de behoeften van bewoners.

Elke regio telt

In de nota zijn gebieden aangewezen waar volgens het Rijk ruimte is voor grootschalige woningbouw en wat de inzet is voor de verschillende regio’s. Elke regio telt. En dat is niet omdat het moet, maar ook omdat iedere regio uniek is en vanuit die basis een bijdrage aan het totaal kan leveren, aldus een van de opstellers. Op een kaart van Nederland is aangegeven welke strategie voor de verschillende regio’s wordt gevolgd. Dat varieert van accommoderen (regio Amsterdam, Utrecht, Oost-Brabant), transformeren (zuidelijke Randstad), stimuleren (in een strook van Zwolle tot West-Brabant), initiëren (Groningen, Twente en Zuid-Limburg) tot versterken (rest van Nederland).

Voorzieningen

Onderwijsbestuurder

Het is voor onderwijshuisvesters van belang tijdig in gesprek te gaan over waar een school in het planologische plaatje past, schrijft onderwijsbestuurder Herman Soepenberg in een van zijn posts op LinkedIn. “Wie invloed wil hebben op de onderwijsinfrastructuur van morgen, moet vandaag meepraten.” Het is volgens hem ook belangrijk dat onderwijsbestuurders leren denken in voorzieningen. In de wereld van gebiedsontwikkeling is een school geen doel op zich, maar een voorziening, net als de huisarts, supermarkt, sporthal en het buurthuis. Voorzieningen maken een wijk leefbaar en aantrekkelijk. Denk in maatschappelijke waarde in plaats van alleen onderwijs, is zijn advies. “Wanneer je kunt aantonen dat jouw voorziening bijdraagt aan sociale cohesie, leefbaarheid en dus ook aan de brede maatschappelijke welvaart, word je een andere gesprekspartner dan wanneer je alleen praat over leerlingaantallen en bekostiging, gevolgd door een vraag naar een nieuw schoolgebouw. Multifunctionaliteit maakt gebouwen levensvatbaar, ook als leerlingaantallen fluctueren.”

Lees hier een van zijn columns over het onderwerp.

Strategisch adviseur

“Het is belangrijk om bij de omgevingsvisie aan tafel te komen, omdat daar de komende jaren wordt nagedacht hoe het leven van mensen eruit komt te zien”, zegt Remco Deelstra, strategisch adviseur gemeente Leeuwarden. “Daar wordt vastgelegd waar woningen, OV-punten en ook scholen komen. Het is belangrijk dat het maatschappelijk domein bij zijn collega’s van het fysieke domein aangeeft wat het nodig heeft. Je kunt geen duizend woningen bouwen en niet nadenken over de plek van onderwijs, waar mensen elkaar ontmoeten of waar een kind zich fijn voelt. Dat hoort bij elkaar. Een omgevingsvisie is eigenlijk niks anders dan een goed gesprek over wat je binnen een gemeente en met de samenleving hebt, wat je vervolgens op een kaart zet en in afspraken vastlegt.” Als we naar de komende jaren kijken, dan denkt Remco dat het haalbaar is dat we op een bredere manier naar de samenleving kijken; dat we de omgeving iets gezonder en iets prettiger maken; dat we mensen nieuw perspectief bieden.

In het netwerk van Bouwstenen voor Sociaal wordt positief gereageerd op de Ontwerp Nota Ruimte, vooral vanwege de aandacht voor voorzieningen. Ook de drie leidende principes passen als een jas. Wel zijn in een internetconsultatie enkele aanvullingen en suggesties aan het nieuwe kabinet meegegeven.

In het kort: de kwaliteit van veel schoolgebouwen laat te wensen over. Veel schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs lopen functioneel en bouwtechnisch achter. Onderwijsgebouwen vragen in de nota extra aandacht vanwege de verantwoordelijkheid van het Rijk. Het gaat daarbij ook over geld: lees de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de plek waar onderwijs wordt gegeven in relatie tot de haalbaarheid en betaalbaarheid van de plek. De kansen voor meervoudig grond- en ruimtegebruik en flexibel gebruik van ruimte worden niet optimaal benut. Routines en het stelsel rond onderwijshuisvesting zitten dat in de weg. Er zijn meer en andere voorbeelden en referenties nodig voor de ruimtelijke planning op landelijk, provinciaal en lokaal niveau en voor de herinrichting van het stelsel.

Bekijk hier zijn pleidooi.

Lees hier de reactie.

Bouwstenen voor Sociaal
Reacties op Nota Ruimte

INTROPROGRAMMA MAATSCHAPPELIJK VASTGOED

Het werkveld maatschappelijk vastgoed heeft frisse denkers en doeners nodig!

Daarom heeft Bouwstenen voor Sociaal een trainee-/introductieprogramma opgezet voor gemotiveerde mensen die écht maatschappelijke impact willen maken. Het is een praktijkgericht inhoudelijk programma, dat organisaties praktisch ondersteunt in de opleiding en begeleiding van de nieuwe medewerker.

In dit programma werken trainees en zij-instromers samen met koplopers uit het werkveld, krijgen ze de nieuwste inzichten mee en groeien ze razendsnel naar een sleutelpositie binnen hun organisatie. Het basisprogramma is één jaar en vraagt gemiddeld een halve dag in de week aan tijdsinspanning. De rest van de tijd zijn de deelnemers gewoon aan het werk bij een gemeente, school of bedrijf.

Honoré Schreurs, talentmanager bij Bouwstenen: “De inhoud van het programma staat als een huis, blijkt uit de evaluatie van de deelnemers uit 2025. We maken het programma op maat, zodat het optimaal aansluit op het aanwezige inwerk- of onboardingprogramma voor de trainee of de zij-instromer.”

Meer weten?

Stuur een mail naar trainees@bouwstenen.nl of bel 033-2584337.

‘Bijschrift van de foto’ ‘Bijschrift van de foto’

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook