__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

schatkamers van zoetermeer

magazine OOGSTFESTIJN | 26.11 onderdeel van de zoektocht naar de ziel van zoetermeer

afronding van '150 weken Schatbewakers' BOEKPRESENTATIE

de nieuwe stad - een gebruiksaanwijzing

Ontwaken van de stadsmaquette BUYTENWEGH & DE LEYENS de laatste kraal gespeeld

DE STAD EN HAAR GEHEUGEN Kan het nieuwe Zoetermeer zich spiegelen voorjaar 2020

in het oude Istanbul?


INHOUDSOPGAVE 1 3 8 12 14 32 52 56 58 60 74 76

Inhoud Editorial Buytenwegh de Leyens Overzicht van de stad De stad en haar geheugen Oogstfestijn | 26.11 De nieuwe stad, een gebruiksaanwijzing Positieschema - Schatbewakers en hun werkveld Werkplaats Stadsmaquette Kan het nieuwe Zoetermeer zich spiegelen in het oude Istanbul? Bibliografie Nawoord

1


2


Editorial magazine 4 VOORJAAR 2020

foto: Chris Lans

Tijdens onze zoektocht verzamelen we continu materiaal uit de actualiteit en maken aantekeningen van ervaringen en zienswijzen. Met het verslag leggen in de vorm van een magazine delen we deze ervaringen en beogen we een toegevoegde waarde te creĂŤren

De laatste editing vindt plaats terwijl om verspreiding te voorkomen de maatregelen rond het COVID-19 virus ons dagelijks leven bepalen; sociale onthouding, thuis werken‌ Al het vertrouwde in de wereld is stilgevallen of moet ik juist zeggen in beweging? Immers er ontstaan ook geweldige initiatieven, prachtige mensen die opstaan en van betekenis zijn voor anderen. Dingen die niet mogelijk waren blijken in deze tijd met vereende krachten opeens wel te kunnen. Samen brengen we het tot een goed einde. In november markeerden wij het punt van de afronding van onze zoektocht door de wijken van Zoetermeer. In deze uitgave maken we de balans op en doen de verslaglegging. In de praktijk ervaren we het belang van het herinneren en het geheugen van de stad. Schatbewakers zijn niet van het conserveren, maar vinden het wel belangrijk om ons verleden te kennen. Ontwerpen is keuzes maken. Een gemaakte stad als Zoetermeer zit dus vol met bewust gemaakte keuzes. Daar zit een deel van de verborgen schat waar we aandacht voor vragen. Vanuit het verleden leven we in het heden naar de toekomst. Samen maken we de stad en jouw leefomgeving. De stadsmaquette vormt nog steeds een belangrijk onderdeel in onze agenda. Wekelijks wordt er in de foyer van het CKC gewerkt aan de restauratie door een enthousiaste groep vrijwilligers. Het artikel geeft de status weer van de Werkplaats. Aan tafel bij het Festijn | 26.11 werd het door verschillende sprekers aangehaald, dat wat we doen wordt gewaardeerd en moet steeds weer opnieuw opgevolgd worden. Er zit veel verborgen kennis in de stad, burgers hebben immers ook een beroep. Betrek, gebruik en spreek die kennis aan. Samen maken we de stad. De dialoog is een prachtige manier om van elkaar te weten te komen wat de ander belangrijk vindt. Op basis daarvan kan dan een weloverwogen keuze gemaakt worden. Wordt vervolgd. Alcuin Olthof - schatbewaker

.............................................................................................................................................................................................................. 3


Buytenwegh De Leyens door: Willem Hermans fotografie: Alcuin Olthof

4

2

In onze voorbereiding van het stadswijkgesprek over Buytenwegh de Leyens hebben we als Schatbewakers kraal 2 van het kralenspel aan deze wijk toebedeeld. In de serie van 10 kralen vertegenwoordigen de eerste vier kralen de feiten. Kraal 2 heeft het karakter van het ‘hittepuntʼ; waar schuurt het in deze wijk? Waar heeft de situatie tot een kwestie geleid? Broeit het in deze wijk en gaat dat gepaard met een andere vorm van ‘hitteʼ in Buytenwegh dan in De Leyens? Is er in beide delen sprake van een normale stedelijke spanning, die zich richt op de bestaande dan wel nieuw te ontwikkelen situaties? Bij de voorbereidingen zijn we ervan uit gegaan dat in een grote wijk heel verschillende zaken kunnen spelen. Hoewel de wijkdelen in dezelfde planfase vielen kwamen we er al gauw achter dat het niet over één consistente wijk gaat. Bij het vaststellen van het ontwikkelingsplan voor De Leyens in 2013 werd geconstateerd dat 95 % van de bewoners daar met grote tevredenheid woonden; slechts 5 % bleek ontevreden te zijn. Naast het rustige De Leyens staat Buytenwegh met een heel ander profiel: een sterk gevarieerde samenstelling van de bevolking, aanwezigheid van een aantal huishoudens waar problemen spelen, kinderen die zonder ontbijt op school komen, stille armoede en relatief veel klachten. In tegenstelling tot De Leyens is Buytenwegh de laatste jaren veranderd. De interne verschillen tussen welvarende bewoners en zij die moeite hebben het hoofd boven water te houden zijn toegenomen. Buytenwegh en De Leyens zijn dus verschillend en delen slechts samen het Binnenpark. In 2014 heeft de gemeenteraad dan ook besloten op basis van een ingediende motie om de wijk te splitsen.


Voor het in eerste instantie geagendeerde stadswijkgesprek lukte het niet om voldoende belangstelling te krijgen en sloot daarin achteraf gezien misschien goed aan op de feitelijke situatie. Deze feitelijke situatie heeft ons uiteindelijk doen besluiten om specifieker in gesprek te gaan met wijkbetrokkenen zoals: wijkmanagers, bewoners, de wijkwethouder en schoolkinderen. Doel van de gesprekken bleef meer duidelijkheid te krijgen over de twee delen en ‘daar waar het schuurtĘź. Dit moest volgens ons leiden naar twee karakteristieken. De situaties waar en wat schuurt in De Leyens is immers van een andere orde dan de kwesties die in Buytenwegh spelen. In stand houden vraagt om goed beheer in open communicatie met bewoners, ruimtelijke en sociale veranderingen vragen qua planvorming om een andere aanpak en leidt tot een ander vorm van dynamiek. En dan rest voor beide wijken de vraag hoe en wanneer ga je bewoners in deze processen erbij betrekken?

5


2

Buytenwegh De Leyens door: Willem Hermans fotografie: Alcuin Olthof

6

Karakteristieken van De Leyens

De bevolkingssamenstelling van deze wijk is tamelijk homogeen; er zijn voor Zoetermeer in deze wijk relatief weinig verschillende nationaliteiten en het opleidingsniveau is hoog. In trefwoorden: welvarend, zelfstandig, mondig en met een groot aantal actieve VvEʼs (Vereniging van Eigenaren). Burgers met af en toe een wat afstandelijke houding, maar wel met sociale cohesie. Bewoners houden van hun buurt en willen daarvoor in actie komen. In De Leyens zijn veel ouderen woonachtig, mede omdat er veel woonvoorzieningen voor hen in de wijk aanwezig zijn. De wijk oogt groen en is waterrijk, vooral in het noordelijk deel. Naast een mooie stadsrand aan de Zoetermeerse plas dringt het water via de Broekwegwetering ook diep de wijk in, tot aan het wijkwinkelcentrum. Kortom een rustig, sjiek suburbaan leefgebied, waar het voor velen prima wonen is. Natuurlijk speelt er wel eens iets achter de voordeur, maar dat lijkt incidenteel. Qua woonsector staan er veel dure koopwoningen in De Leyens en slechts een gering deel is sociale huur. Grote problemen kunnen gezien worden als ‘luxe-problemenʼ zoals het klagen over de parkeerdruk en het onderhoud van de openbare ruimte. Maar wie goed kijkt ziet dat na een 40- jarig bestaan onderhoud echt nodig is. Zo is het wijkwinkelcentrum ietwat sleets, gedateerd, een beetje verouderd, maar verbeteringsplannen stranden door de juridisch en ruimtelijke lastige opbouw van dit centrum. De winkelruimte zijn niet in één hand en ook de woningen boven de winkels kennen verschillende VvEʼs waardoor het lastig is om zaken te doen. Dwars door het centrum loopt een belangrijke fietsverbinding vanuit de stad naar de Noord-Aa. Slenterend winkelen en doorgaand fietsverkeer


leidt tot confrontatie in de openbare ruimte. Wanneer leren Hollanders dat flanerend fietsen op sommige stukken ook mogelijk is? Stedelijke voorzieningen zoals het ziekenhuis, het Alfrink-college en het Woonhart veroorzaken door hun eigen ontwikkeling van groei tot onrust in de aangrenzende buurten. Zo heeft de wijk met het Alfrink-college een liefde /haat verhouding; mooi om zoĘźn actieve voorziening hier te hebben, maar het leidt ook tot de nodige overlast. De stedelijke voorzieningen, die aan de rand van de woonwijk liggen worstelen met het parkeren van de gebruikers. Dat leidt tot problemen in de aangrenzende buurten. De ontsluiting van het ziekenhuis is sterk auto-gericht; de hoofdingang is gericht op het parkeerterrein. Vanaf de openbaar vervoer halte De Leyens is het omlopen om er te komen. Parkeren bij het ziekenhuis, ook in gebouwde vorm, blijft reacties uitlokken evenals de planvorming aan de zuidzijde van de wijk. De toekomst van het Woonhart, de plannen voor het Stadshart met verdichting door woningbouw leidt tot maatschappelijk rumoer over de toekomstige verkeersbewegingen en de benodigde ruimte voor het parkeren. Plannen maken verloopt nu anders dan vroeger. De maakbare ingenieursstad van toen is nu een geleefde woonstad geworden. De gebruikers van de stad hebben ervaring en bezitten (vak)kennis; maak als lokale overheid gebruik van dit kapitaal, niet zo af en toe, maar als een structurele bouwsteen van lokale planvorming. Hoewel de resultaten van burgerinitiatieven ook in deze wijk zijn te vinden zoals de wijktuin de Zoete Aarde, gelegen aan de Broekweg. Hier hebben buurtbewoners het beheer en onderhoud van een oude boomgaard op zich genomen en groeit een sociale ontmoetingsplek waar vele activiteiten plaatsvinden (woensdagmiddag soep eten). Maar ook de acties vanuit de buurt om wijkrestaurants en buurthuizen open te houden tonen dat bewoners voor het instant houden van woonbuurt-kwaliteit in actie willen komen.

7


8


Karakteristieken van Buytenwegh

Buytenwegh is een interessant wijk, met een bijzondere ruimtelijke opbouw door de woondekken en de dijkwoningen, maar ook met een heel gemengde bevolkingssamenstelling. In tegenstelling tot De Leyens is de wijk de laatste jaren veranderd. De interne verschillen tussen welvarend bewoners en zij die moeite hebben het hoofd boven water te houden zijn toegenomen. Dat leidt soms tot problemen, maar maakt ook deel uit van het Zoetermeerse perspectief voor de komende 10 jaar. Diversiteit zal toenemen. We moeten deze wijk niet laten wegzakken en meer investeren in de mensen dan in de stenen van hun huizen. De gevarieerde samenstelling van de bevolking geeft ook kleur aan de samenleving en aan de stad. Het blijkt lastig om mensen met een andere culturele achtergrond deel te laten nemen aan wijkactiviteiten. Dat is voor een technocratisch ontworpen en gebouwde stad als Zoetermeer extra lastig. Multi-culturaliteit zit nog niet echt in het DNA van deze groeistad, terwijl ruim 30% van de bevolking van niet-Nederlandse afkomst is. De wijk bestaat uit veel kleine eilandjes, waar het moeilijk is om verbindingen te leggen. Bewoners, die er al jarenlang wonen en actief zijn, zoals bij het organiseren van een sinterklaasfeest. Maar dat is niet representatief voor alle nationaliteiten die in deze wijk wonen. Het is lastig sturen tussen het signaleren van problemen en het vinden van mogelijkheden; uitdagingen genoeg, maar frustraties en onmacht doemen ook op. Niets doen is sowieso geen optie, dus onderzoek is nodig, maar ook bemoeienis vanuit andere disciplines. Denk bijvoorbeeld aan zoiets als een WijkSafari; een door Adelheid Roosen e.a. georganiseerde tour van theatermakers door de wijk Overvecht te Utrecht. Voor Buytenwegh kunnen we onze eigen lokale theatermakers inschakelen, kennis ophalen bij burgers, buurtverenigingen en bij organisaties zoals PiĂŤzo, maar ook bij eigen gemeentelijke bronnen (stadsmanagers, stedenbouwkundigen). Dus voor Buytenwegh geldt: niet om de hete brij heenlopen, maar actief en soms op onorthodoxe wijze aan de slag gaan. We moeten Buytenwegh op de stadsagenda houden omdat de wijk en haar bewoners zorg, aandacht, noem het liefde nodig heeft.

9


Gesprek met Abdel, Adil, Damian, Diyarı, Jasmijn, Malaa, Shondra en Tim

Met deze acht leerlingen van de leerlingenraad van OZB de Watersnip is gedurende een uur gesproken over de eigenaardigheden van hun wijk Buytenwegh. Bij de introductie bleek dat zes leerlingen in de wijk wonen, één soms in Buytenwegh woont en soms in Meerzicht en een leerling wel deze school bezoekt, maar in de wijk Oosterheem woonachtig is. En dat bijna alle leerlingen al een andere en soms bijzondere ‘woonloopbaanʼ achter de rug hebben. Onder leiding van juffrouw Jans is het gesprek voorbereid en daar kwamen vijf karakteristieken uit: 1 in Buytenwegh vind je veel verschillende culturen 2 in de wijk staan heel veel huizen bij elkaar 3 de meeste bewoners worden als gezellige mensen gezien 4 er zijn ook mooie en opvallende huizen in deze wijk 5 en er zijn veel voetbalveldjes… Tot de bijzondere huizen behoren volgens de leerlingen wel de dekwoningen. Daar kan je goed spelen, niet alleen bovenop het dek, maar ook bij de trappen en hellingbanen en natuurlijk ook onder dat dek! Navraag over het woonadres bracht het gesprek 10


op de wel wat rare namen (Smetena, Stravinsky; wie zijn dat dan?), de Muzieklaan als verklaring voor componisten en muzikanten en tenslotte de gekleurde blokken bij de entrees van woonerven om niet te verdwalen. Als je in deze wijk woont, vlak bij de school dan ga je lopen of neem je de fiets. Woon je verder weg, dan word je vaak met de auto gebracht. “Wij verdwalen bijna nooit en na een tijdje weet je ook wel de weg naar het winkelcentrum”. Opvallende plekken of gebouwen zijn Snowworld (een keer geweest, last van hoogtevrees en het is er hartstikke koud), het winkelcentrum en de nieuwe witte woningen. Dat de Zoetermeerse Meerpolder zo dichtbij hun school en/of woning lag hadden ze niet gedacht. Een plein waar je met elkaar kunt afspreken wordt niet echt gemist. In het winkelcentrum en dan bij de tramhalte; dat weet bijna iedereen wel te vinden. De tram wordt niet zo vaak gebruikt, meestal om naar het stadscentrum of naar Den Haag te gaan. Als we naar opa en oma op bezoek gaan, nemen we meestal de auto (Delft, Amsterdam, Den Bosch). En weet je dat de tram veel herrie maakt? Ja, dat hangt af waar je woont. Missen jullie nog wat in de wijk? Ja, wordt er geroepen en we willen meer speelwerktuigen (klimrekken, glijbanen) en een echt Johan Cruyff court; dat zou geweldig zijn! En mag er ook nog bijgebouwd worden in jullie wijk? Dan moet het groen wel blijven, roepen 7 van de 8 kinderen. Van jou niet? Ik ben allergisch, dus ik hou niet zo van groen… Tot slot komt de vraag of zij later in Zoetermeer willen blijven wonen. De antwoorden variëren van wellicht wel, maar dan in zoʼn mooi wit huis. En als ik dokter ben geworden, dan weet ik niet waar ik ga wonen; ik ga gewoon elders in Europa wonen en werken. Natuurlijk ging het gesprek ook over Ajax en Feijenoord, over wat doet een architect en wat is een stedenbouwkundige, over het wonen bij je vader hier en bij je moeder daar en wat wij met dit gesprek verder gaan doen. Wij gaan er een verhaal van maken en vullen het aan met andere verhalen over de wijk Buytenwegh. En we gaan erover praten en zullen de verhalen aan velen laten lezen. Dit is ook Buytenwegh, mei 2019 Willem Hermans | schatbewaker

11


12


13


14


Waarom een artikel over het geheugen van de stad? tekst: Alcuin Olthof

PREAMBULE "... alle nieuwe steden hebben gemeen dat zij op een gegeven moment veranderen van een blauwdruk in gelaagde, hybride, deels ongeplande oude steden. Dat vergt van deze steden, haar gebruikers, bewoners, bestuurders en bedenkers, een genuanceerde houding ten aanzien van hun eigen vorm: kan er worden afgebroken en overnieuw begonnen worden? Nieuwe ‘steden’ hebben de bijzondere verantwoordelijkheid zich te kunnen en moeten bezinnen op welke delen van hun ‘gemaakt’ stadslichaam ze willen behouden, welke ze willen veranderen en wat ze echt willen toevoegen. Dit betekent een reflectieve stedenbouw waarin architectuurgeschiedenis, architectuur, stedenbouw, landschap en planning naadloos in elkaar overlopen. Architectuurhistorici, maar ook betrokkenen bij het destijds maken van de stad dienen zich nuttig te maken. Dat kunnen wij doen door intelligentie, kennis en overzicht te injecteren en de transformatie van de stad op te laden met historische, sociale en culturele achtergronden en dus met ingrediënten voor toekomstige ontwikkelingen.”

Met dank aan het ar kel van de Crimsons ‘De New Town’ en de kri sche kan ekeningen van Erik Pool

In onze zoektocht naar ‘de ziel van Zoetermeerʼ verplaatsten wij onze focus van ‘de gemaakte stadʼ naar ‘de geleefde stadʼ. Tijdens die tocht werd duidelijk dat in de geleefde stad alleen fysieke stedenbouw niet toereikend is. Bij het praten over en het laden van historische, sociale en culturele achtergronden blijken er in de geleefde stad al waarden aanwezig te zijn. In het proces dat we doormaken met de stadsmaquette,

constateren wij iets als …van belang voor ʼeen collectief geheugenʼ. Veel Zoetermeerders kennen de maquette en hebben er herinneringen aan. Dat komt door de prominente plek die de maquette voorheen had. Bij een bezoek aan het gemeentehuis trof je de maquette. De ruimtelijke weergave van de stad nodigt daarbij uit tot puzzelen; waar wonen wij, waar woon jij, waar woon ik en is dat jouw school? Ook met de toenemende belangstelling voor het culturele erfgoed uit de periode 1965-1990, de groeifase van Zoetermeer, lijkt dat (collectief) geheugen van belang te zijn. Waar gaat de stad en haar (collectief) geheugen eigenlijk over? In het zoeken naar bronnen vind ik een essay van W.Th.M. Frijhoff, gepubliceerd in 1989 in het tijdschrift Oase no 24. We nemen contact op met de emeritus-hoogleraar, krijgen toestemming het artikel te gebruiken en ontvangen een update van het artikel met een versie die gebruikt is bij een studium-generale in Groningen. In de originele tekst wordt de case van de wederopbouw van een nieuw centrum van het gebombardeerde Rotterdam gebruikt om de verschillende theoretische kaders te illustreren. In de update is deze specifieke case opgerekt met Groningse referenties. Een poging om de case te bewerken door dat wat er in Zoetermeer speelt ten aanzien van het collectieve geheugen doet geen recht aan de waarde van het artikel. We weten er voor Zoetermeer als ‘new townʼ nog te weinig van. Om het thema te introduceren plaatsen wij daarom de Groningse update van het artikel van Willem Frijhoff. De Stad en haar geheugen wordt een onderwerp waarover ik gaarne de komende tijd met Zoetermeerders en andere deskundigen in gesprek wil komen. Over de resultaten… die zijn wellicht over enige tijd in Magazine 5 van Schatbewakers te lezen.

15


Collectief geheugen is een verzameling herinneringen die groepen mensen gemeenschappelijk hebben en die zij min of meer actief levend in hun geheugen houden, hetzij bewust, hetzij onbewust, vaak ook met behulp van externe informatiedragers van alle mogelijke vormen en soorten.

De Stad en haar geheugen tekst: Willem Frijhoff Erasmus Universiteit Rotterdam

16

Geheugen en identiteit

Steden bestaan niet, ze worden gemaakt. Elke stad is het steeds veranderende product van een specifiek tijd-ruimtelijk proces van stadsontwikkeling. Actoren van dit proces zijn niet alleen de daartoe gedelegeerde stadsontwikkelaars, maar ook, en zelfs op de eerste plaats, de bewoners en gebruikers van de stad. Bij de waarneming van dat proces krijgt de factor ruimte gewoonlijk de overhand, aangezien de stad zichzelf op de allereerste plaats als een actueel artefact, een structuur, een gebouwde ruimte vertoont. Maar de stad leeft in de tijd. Hoe kort de geschiedenis van een afzonderlijke stad ook moge zijn, iedere stad geeft vorm aan haar identiteit door de verschillende tijdlagen van haar geschiedenis tot één enkel, betekenisvol continuüm samen te voegen. Maar die betekenis ligt niet voor altijd vast. Met het verstrijken van de tijd schept nieuwe geschiedenis nieuwe zingeving, ook al blijven oude, in het levende geheugen van de stad opgeslagen betekenissen deel uitmaken van haar identiteit. Een voorbeeld. Middeleeuwse huizen in een hedendaagse stad verwijzen naar een middeleeuwse geschiedenislaag en ondersteunen daardoor de specifieke identiteit van zo'n stad. Zo behoort Groningen tot de reeks `middeleeuwse steden'. Kerken en huizen, voor de kenners ook het grondplan van de stadskern, vormen de duurzame bewijzen voor de juistheid van het lemma `middeleeuwse stad' dat een aantal oude Nederlandse steden trots voeren. Gebouwen en stratenpatroon vormen een steunpunt van het historisch geheugen van de stad (een lieu de mémoire, in de terminologie van Pierre Nora). Maar ze herscheppen de middeleeuwen niet. De huidige vorm en het huidig voorkomen van oude kerken en huizen is daarvoor te zeer doortrokken van de visies op oude tijden die latere restaurateurs hebben gehanteerd. Het ontbreekt ook aan de leefwereld die zo'n bouwwerk een specifiek middeleeuwse, tijdgebonden betekenis zou kunnen geven: in een middeleeuwse kerk werden de doden begraven en werd in het latijn gezongen, rij-, trek- en lastdieren bevuilden de middeleeuwse straten, in de schaarse haardsteden van middeleeuwse huizen werd turf gestookt. En al zou die leefwereld gesimuleerd worden met oude ambachten, middeleeuwse kleding en antieke ziekten, de spanning en de morsigheid van een alledaagse gebruikswereld blijft in zo'n gemusealiseerde cultuurstad heel ver te zoeken. Oude gebouwen, straten, ruimten en ordeningspatronen suggereren vooral dat er nog andere leefwerelden zijn geweest dan de onze. Ze reiken sleutels aan om


daarnaar op zoek te gaan teneinde de identiteit van de stad uit te diepen en haar identiteitsbesef te ontwikkelen, maar zelf herscheppen ze de geschiedenis niet. Die is onomkeerbaar. De identiteit van een stad is niet een louter mechanische functie van haar activiteiten en van de samenstelling van haar bevolking in het heden. Ze komt voort uit de spanning tussen wat is en wat is geweest. Tot de instrumenten die deze spanning levendig houden behoren uiteraard de monumentale relikten van het verleden, maar bovenal, en op een veel actievere manier, de met geschiedenis geïmpregneerde sociale praktijken van de bewoners, gebruikers en bezoekers van de stad, kortom al datgene wat thans tot het specifieke domein van de `stadsantropologie' wordt gerekend. Denken we bijvoorbeeld aan de symbolen die we gebruiken om de stad te identificeren: het profiel van de stad Groningen met de Martinitoren; de zo prominente skyline gezien vanuit het zuiden; stadswapen, vlag en stedelijke kleuren; de `academie'; en grote mannen zoals Ubbo Emmius, die we her en der in de naamgeving tegenkomen. Maar ook aan de wijze waarop de bevolking standbeelden, sculpturen en gebouwen met bij- of koosnamen in haar beleving van de stad inlijft en ze als ontmoetings- of herkenningspunten gebruikt; aan de kenmerken van de stadsplattegrond zoals de trits Grote MarktWaagplein-Vismarkt, die zo'n krachtig identificatiepunt van de stad vormen dat elke discussie daarover heftige emoties oproept; aan karakteristieke gebouwen die door hun onaanraakbaarheid een bijna sacrale betekenis krijgen, zoals het Goudkantoor van 1635; aan de rituelen van het alledaagse leven en van de zon- en feestdagen; aan de gebruikelijke trajecten van de bewoners tussen huis en werk, winkel en kerk, waardoor dag in dag uit de structuur van de stad in hun lichaam en hun geest wordt geprent, en routes, ritmen en routines worden geschapen die door de nieuwkomers snel als een automatisme worden overgenomen. In de stad waar ik zelf woon, Rotterdam, dat in de eerste dagen van de oorlog een aanzienlijk deel van zijn gebouwd geheugen heeft verloren, blijkt hoeveel duurzamer symbolen, praktijken en rituelen voor de identiteit van de stad kunnen zijn dan gebouwen. Het geheugen van de stad, gezien als de som - de onbewuste organisatievorm - van alle sociale praktijken uit verleden en heden en van de ideële of symbolische betekenissen die daaraan worden gehecht, brengt zoveel spanning in het zoeken van de stad naar een eigen identiteit dat zij daar nooit mee klaarkomt. Het krijgt als het ware ritueel gestalte in de steeds weer herhaalde discussies over de herordening van de stedelijke ruimte, over de

ideale stadsuitbreiding, of over de kenmerken van de stedelijke architectuur. Wie de publicaties daarover - zoals die rond het debat over de herschikking van Grote Markt en Waagstraat - leest met de ogen van wie in het geheugen en de identiteit van de stad is geïnteresseerd, ontdekt hoe de mensen in een stad nadenken over de veranderende functies van de stad, haar gebouwen en ruimte. Welke functies en waarden van heden en verleden thans als kenmerkend worden gezien. Hoe moeilijk het is de actuele en toekomstige identiteit van de stad te waarborgen zonder haar op te sluiten in een verstard en onleefbaar historisch geheugen maar ook zonder de historische dimensie van stedelijke identiteit te miskennen. Door geheugen en identiteit van de stad op elkaar te betrekken behoudt haar maatschappelijk leven de nodige dynamiek. Het historisch geheugen behoedt de stad ervoor toe te geven aan de prometheïsche verleiding om het verleden maar te vergeten en de stad van de grond af aan opnieuw op te bouwen. Zelfs als de gebouwde omgeving en de hele infrastructuur verdwenen zijn, blijven er nog mensen. Ze bewaren de identiteit van de stad in hun stijl van leven, hun gewoonten en hun herinnering. Maar verminkt, aangezien er geen harmonie meer bestaat tussen de stedelijke bebouwing en het historisch gegroeide gebruik van de stad. Vandaar een groot gevoel van heimwee in door de oorlog kapotgeslagen steden als Rotterdam, Coventry, Beauvais, Keulen, Dresden - waar veelal zelfs het oude stratenplan is verdwenen. Ritueel wordt de herinnering aan de oude functies en gebruiksvormen van de stad levend gehouden met debatten over wat wel en niet had mogen gebeuren, wie aan wat de schuld heeft, en hoe mooi en spannend het vroeger allemaal was; met eindeloze albums oude prentbriefkaarten van de stad in actie; door monumenten waarin het geheugen zich samenbalt, zoals in Zadkine's ‘Verwoeste Stad’ te Rotterdam, dat bij elke verplaatsing of verandering van de omgeving een heftige golf van emotionaliteit oproept. Wat is dat heimwee anders dan een diep in lichaam en geest van de mensen geëtste herinnering, die niet meer in staat is aansluiting te vinden bij de actuele praktijk van het maatschappelijk leven? Of die moeite heeft met de bewuste, georganiseerde geschiedvisie zoals die door de gezaghebbende stem van wetenschappers of stadsbestuurders wordt aangeboden en gewettigd? De identiteit van de stad is dus een synthese van haar verleden en haar heden. Tussen beide bestaat noodzakelijk een voortdurende spanning. Geen enkele stad blijft steeds aan zichzelf gelijk, maar al evenmin is een stad voortdurend aan verandering onderhevig. De functies, ervaringen en beelden van de stad ontwikkelen zich niet op hetzelfde ritme. 17


"Stedelijk ontwerp kan niet langer worden begrepen als uitsluitend een fysieke discipline". Martijn de Waal lector Play and Civic Media

Hogeschool van Amsterdam in een artikel uit Rijnbou Magazine #11 over Publieke Ruimte (2019)

18

Een goed voorbeeld is dat van de steden die in de vroege industrialisatiefase zijn opgekomen, in Nederland bijvoorbeeld de stad Tilburg. De ruimtelijke organisatie van Tilburgs stadsgebied weerspiegelt nog steeds in hoge mate de oude, pre-industriële structuur van het kerspel als een gedecentraliseerd netwerk van autonome woonkernen ("herdgangen"). De namen van die gehuchten worden thans gebruikt voor evenzoveel stadswijken met een verondersteld eigen karakter, dat onder andere wordt gezocht in eigen ritueel of verenigingsleven en uiteenlopende ruimtelijke oriëntaties. Aangezien de opkomende textielindustrie economisch baat vond bij die gedecentraliseerde structuur met haar strenge vormen van sociale controle, had zij er aanvankelijk geen belang bij hier iets in te veranderen. Maar de interne logica van de industriële samenleving leidde ertoe dat de stedelijke ruimte één geheel werd, gegroepeerd rond de centrale wijk die bestaat uit een lange winkelstraat waardoor de centrale twee gehuchten met elkaar worden verbonden. Een deel van de collectieve leefgewoonten werd daardoor aan het centrumgebied gekoppeld, maar in het geheugen van de stadsbewoners, met inbegrip van de nieuwkomers, bleef de wijkstructuur een krachtiger identificatiestelsel. De neergang van de textielindustrie bracht een wezenlijke verandering in Tilburgs maatschappelijk leven. Thans is er bijna niets meer van over. De stad zelf heeft haar functies echter gedifferentieerd door zowel een groot aantal instellingen van hoger onderwijs als nieuwe industriële sectoren binnen te halen. Maar het is verbazend te zien hoezeer die nieuwe activiteiten de preindustriële ruimtelijke structuur van de stad respecteren (met inbegrip van een universitaire campus op de plek van een oud gehucht), en hoe uitdrukkelijk het stedelijk geheugen aan het oude beeld van de textielstad blijft vasthouden. Bestanddelen van dit collectieve stedelijk geheugen zijn niet alleen de bewaard gebleven monumenten van industrieel-archeologische aard, een textielmuseum met een actief presentatiebeleid op het gebied van nieuwe ontwikkelingen in industriële vormgeving en design, de namen van de straten en (veelal bij mondelinge overlevering) zelfs van voormalige fabrieken, maar ook de sociale organisatie van het stadsleven met zijn ruimtelijke scheidingen, de traditionele rituelen van kermis en carnaval, en tenslotte de officiële of onofficiële symbolen van de stad zoals de plaatselijke jenever met haar legende, of de spotnaam van de inwoners: "kruikezeikers" (de textielarbeiders vingen hun urine in een kruik op ten behoeve van de wolfabricage). Het geheugen dat vormgeeft aan de identiteit van de stad hoeft dus niet noodzakelijk naar een lang verleden of een rijke geschiedenis te verwijzen. Al evenmin heeft het bij voorkeur te maken met monumentale bouwsels of schriftelijke documenten in archieven en bibliotheken. Het geheugen verwijst vóór alles naar de manier waarop de mensen die in een stad samenleven, of haar eenvoudig bezoeken, in hun dagelijkse levenspraktijk en in hun bewust vertoog over de stad twee sleutelelementen van de stedelijke werkelijkheid met elkaar vermengen: enerzijds de historische lagen van het verleden van de stad - in wisselwerking met de gebouwde omgeving en de historische beeldvorming over de stad en haar functies ontleent de stadsbevolking daar haar vormen van collectief gedrag en collectieve voorstellingen aan - en anderzijds het veranderende zelfbewustzijn en de concrete vormgeving van de stad in het heden.


Geheugen en geschiedenis

Plantekeningen voor een centraal park tussen de oude Dorpskern en het Stadshart. Ontwerp: Buro Sant & Co landschapsarchitectuur

Op Facebook plaatsen wij, Schatbewakers, de oproep 'Ga voor de realisatie van het Centraal Park!' Een creëren van een plek voor ontmoeting. En combineerde zo de vraagstelling van de PvdA Zoetermeer over het gebruiken van de Eneco-gelden met hun zienswijze op het creëren van ‘Een plek voor en van de stad’. Al vele jaren wordt gesproken over het verbinden van het oude Dorp met het nieuwe Stadshart. Beleidsmatig zijn de twee, de organisch gegroeide dorpskern en het planmatig bedachte centrum, met elkaar verbonden. Er wordt gesproken over ‘één binnenstad’. Maar het geheugen van de stad lijkt hier nog niet op aan te sluiten. De nieuwe toevoeging is een waardevolle toevoeging met respect voor 'het geheugen'.

Bij dit proces van identiteitsconstructie kan de geschiedenis zelf van zeer korte duur zijn. Onderzoek naar volksverhalen en oral history laten zien dat herinneringen zelden meer dan twee generaties lang worden overgeleverd. Dan verzinkt het geheugen in de nevelen van het verleden, in de ongedifferentieerde herinnering van het "er was eens" - tenzij er materiële objecten, sociale rituelen of literaire getuigenissen zijn die het geheugen ondersteunen en naar wens oproepbaar maken. Maar deze drie hoofdvormen van ondersteuning van het geheugen - objecten (in dit geval bijvoorbeeld gebouwen, beeldhouwwerk of de materiële infrastructuur), rituelen, en verhalen of liederen worden niet buiten een sociale praktijk om overgedragen. Vaste objecten kunnen in dienst staan van veranderende doelstellingen, die hetzij naar hun verleden hetzij naar een actuele waarde kunnen verwijzen. Rituelen worden pas zinvol als een ontvankelijke gemeenschap ze aanvaardt, en zelfs routines - de door het onderbewuste geïnternaliseerde, of de versleten vormen daarvan worden niet zonder een uitwendige prikkel voortgezet. Mondeling dan wel schriftelijk overgeleverde literatuur, muziek en zang zijn voor hun overleven normalerwijs van een actieve overdrachtspraktijk afhankelijk. Als er geen sprake is van receptie, gaan ze voor het geheugen verloren. Het geheugen reorganiseert de geschiedenis. Het gebruikt de elementen van het verleden die bewaard zijn en bewaard kunnen blijven. Dat is de reden waarom steden gewoonlijk hun oorsprong vergeten. In den beginne zijn de objecten broos; de rituelen met name de alledaagse routines die binnen de stedelijke ruimte betekenisvolle gebieden voor wandelen, werken, winkelen of sociaal contact markeren - moeten nog tot ontwikkeling komen of door de gemeenschap worden geïnternaliseerd. Bovendien geeft het snel veranderende gezicht van de stad er iets onzekers aan. Veel steden (of sociale groepen in die steden) scheppen dan ook een legende of mythe over hun oorsprong of over wezenlijke gebeurtenissen uit de stadsgeschiedenis. Zulke mythen dienen ertoe een bepaald zelfbeeld van de stad te verkondigen, te verklaren en te verheerlijken. Dit zelfbeeld komt tot stand door de selecterende activiteit van het collectief geheugen maar vormt tegelijk een krachtige steun voor toekomstige herinnering. Iedereen kent zulke mythen: Romulus en Remus als stichters van Rome, de beren van de stad Bern in Zwitserland, een wonderbaarlijke translatie van relieken als stichtingslegende van de stad Luik. In Groningen ging het niet anders. Hoewel ontstaan als een bisschoppelijk steunpunt, heeft de Groninger 19


stadsbevolking al in de hoge middeleeuwen een krachtig bewustzijn van stedelijke autonomie ontwikkeld dat zich door een ander oorsprongsverhaal probeerde te legitimeren: de Walburgkerk als een door haarzelf opgerichte burcht tegen de aanvallen van de Noormannen. En de dijkbouwer Walfried uit het nabije Bedum werd als heilige vereerd en tot symbool gemaakt van een stabiele samenleving waar orde en rust heerst: de legende van zijn leven en een bedevaart moesten de Groningers die waarden inprenten. Legenden en mythen scheppen op hun beurt geheugensteunen voor de stedelijke identiteit, onafhankelijk van de `historische' waarde daarvan (maar heeft die enige betekenis in deze context?). Amsterdam bijvoorbeeld stond in de middeleeuwen niet alleen als een handelsstad bekend, maar ook als de plaats waar zich blijkbaar in 1345 een sacramentswonder had afgespeeld. Voor de talrijke pelgrims was zelfs een weidse kapel gebouwd, de Nieuwezijdskapel. Na de Reformatie werd de religieuze legende door de resterende katholieke bevolking omgewerkt tot een steun voor haar eigen groepsgeheugen. Hun nieuwe mythe stelde dat de vroege economische groei van Amsterdam bovenal te danken was aan de weldaden van de bedevaart. Deze nieuwe mythe was niet zozeer bedoeld als verzet tegen andere, maar stelde de katholieken in staat het geheugen van de stad, waarin zij tweederangsburgers waren geworden, ten eigen nutte aan te wenden. Zo kon het tot een nieuwe rite komen: de stille omgang, een nachtelijke herdenkingsprocessie van katholieken door de stad langs een vaste route die zowel de Oude Zijde als de Nieuwe Zijde omsloot. Vanuit antropologisch gezichtspunt kan dit ritueel als een jaar in jaar uit herhaalde inbezitneming, toeĂŤigening van de totale stedelijke ruimte worden gezien. Zo'n herinneringspraktijk vormt een van de sterkst mogelijke steunpunten van het stedelijk geheugen. Ze brengt in de stad een zinvolle ruimtelijke ordening tot stand doordat de gewijde route bakens uitzet voor de duiding van de ruimte. Belangrijker nog, ze stelt een bepaalde gemeenschap in staat zich met de geschiedenis van de stad te identificeren en zich als drager van stedelijke identiteit te manifesteren. Het voortbestaan van zulke rituelen en mythen in het geheugen van de stad verklaart de uitzonderlijke kracht en taaiheid van minderheden en maakt hun historische identificatie met de stad in haar geheel mogelijk. Maar het verhaal van het Mirakel van Amsterdam heeft nog een andere dimensie. Aan de overkant van de voormalige Zuiderzee ligt het stadje Hasselt, ooit de haven waar reizigers uit Duitsland en andere oostelijke streken het beurtveer naar Amsterdam namen. Ongeveer tezelfdertijd als in Amsterdam had in Hasselt een soortgelijk wonder plaatsgevonden. Na de Reformatie was het katholicisme nagenoeg verdwenen uit Hasselt; het wonder leefde in het stedelijk, protestants geheugen slechts voort via een sociale praktijk, de jaarmarkt die de naam "Hasselter aflaat" bleef dragen en zo aan de verdwenen religieuze praktijk uit de middeleeuwen bleef herinneren. In de negentiende eeuw werd het plaatselijk wonder herontdekt door katholieke immigranten. Beginnend bij de oude banden met Amsterdam die door de veerdienst nog steeds in leven waren, herschreven zij daarop de geschiedenis van de stad vanuit het gezichtspunt van een dubbele wedijver, zowel religieus als economisch. Het (protestantse) stadsbestuur nam uiteindelijk een deel van die visie over en begon het stadje te promoten als oude 20


rivaal en architectonische kopie van grote broer; het legde er de nadruk op dat er grachten met dezelfde namen waren, huizen met dezelfde gevels, en een gemeenschappelijk historisch verleden. De constructie van het geheugen stond duidelijk in dienst van de verloren luister van het stadje. Ze bracht een historisch verklaringsmodel tot stand voor de samenhang tussen vroegere glorie en huidige stagnatie. Maar tezelfdertijd beriep ook de nieuwe katholieke bevolking van het stadje zich op die nieuwe mythe om een deel van de grond in een oude stadswijk op te kopen en van de rest van de bebouwing te isoleren. Een kerk en een bedevaartkapel werden gebouwd en een geregelde bedevaart werd georganiseerd. Zo vonden de leden van de gemeenschap elkaar in een gemeenschappelijke taak. De mythe verklaart in dit geval niet alleen de geschiedenis van de stad, maar ook een deel van haar huidig voorkomen.

Het geheugen uiteenrafelen

Middeleeuwen en nieuwe tijd zijn allang voorbij. Maar de werkwijzen van identiteit en geheugen zijn niet veranderd. Met voorbijgaan van het gegeven dat hij nauwelijks in zijn geboortestad heeft gewoond, heeft Rotterdam haar beroemde zoon Erasmus eeuwenlang als een typisch kind van die stad gepresenteerd, als het symbool van de tolerante stadscultuur, buiten alle religieuze verdeeldheid om. Al in 1557 kreeg Erasmus er als eerste niet-heilige een stenen standbeeld, voorganger van het huidige bronzen beeld uit 1622, door de kerkeraad als een bespotting van de ware vroomheid gebrandmerkt. Maar zoals Vondel al opmerkte heeft Erasmus, door de naam van zijn geboortestad aan te nemen, de stad zelf een naam gegeven. Erasmus' naam wordt nog dagelijks gebruikt voor stedelijke politiek, banden worden aangeknoopt met steden waar hij heeft geleefd. Erasmus is voor Rotterdam een wereldreiziger, een vrijdenker die veeleer naar vrij ondernemerschap dan naar wetenschap verwijst. Hij vormt een krachtig internationaal handelsmerk, een symbool van de metropool - ook al laten bandopnamen van een recent door leerlingen van het Gymnasium Erasmianum gehouden reeks interviews onmiskenbaar zien dat de modale Rotterdammer absoluut niet weet wie Erasmus in werkelijkheid was. Alleen een reeds oude legende bleek algemeen bekend: de hand van Erasmus' beeld zou klokke twaalf een bladzijde uit zijn boek omslaan. We zien hier in concreto wat onvermijdelijk met het geheugen van elke stad gebeurt: historisch en levend geheugen komen al gauw in een spanningsveld te staan. De historische gegevens blijven bewaard in de officiĂŤle bergplaatsen van het stedelijk geheugen (archief,

boeken, universiteit, wetenschap, musea, geleerde genootschappen, historische verenigingen), maar het levend geheugen van de stad speelt daarmee en kent zich daarbij een grote vrijheidsmarge toe. Het selecteert er stukjes en beetjes uit die tot legenden en rituelen worden herordend. Het enig doel van dat spel is de stad een specifieke identiteit te geven die de bewoners in hun geheugen kunnen prenten. Geheugen en geschiedenis zijn geen identieke bestanddelen van die identiteit maar ze vullen elkaar aan, al zijn ze ook nauw met elkaar verbonden en stellen ze zekere grenzen aan elkaars autonomie. Het is niet altijd gemakkelijk dat geheugen uiteen te rafelen en de bestanddelen van het proces te ontleden. Keren we nog een keer terug naar het voorbeeld van het verwoeste Rotterdam. Een van de meest intrigerende gevallen is het levend geheugen dat de stad Rotterdam koestert ten aanzien van wat haar in de Tweede Wereldoorlog is overkomen. De vernietiging van het stadscentrum in de eerste oorlogsdagen heeft alles overwoekerd, ook latere moorddadige bomaanvallen en de andere dimensies van het oorlogstrauma. Al heel spoedig is de verwoesting door legendevorming overwoekerd: legendes over een zo totale impact van bomaanvallen en branden dat uitsluitend een tabula-rasa-benadering van de herbouw mogelijk zou zijn. De wereld ingezonden door hen die een radicale verandering voorstonden, werden zulke

21


Wat het wordingsproces van de stad in tijd en ruimte betreft kan het geheugen worden ontraadseld en gelezen, niet alleen als een relict of een getuige van het verleden, maar bovenal als de verborgen agenda voor een harmonieuze ontwikkeling van de stad. foto: Alcuin Olthof 22


legenden ondersteund door suggestieve vogelvluchtfoto's van een absoluut naakt stadscentrum, genomen nadat de ruïnes waren opgeruimd en alles wat nog had kunnen worden gered was vernietigd. Die legenden konden steun vinden in het historisch geheugen: reeds vóór de oorlog waren er projecten gemaakt voor gedeeltelijke herbouw van de stad; ook toen werden ze reeds emotioneel bestreden, maar de belangrijkste resultaten daarvan (het stadhuis, het postkantoor, de beurs) waren in de oorlog ironisch genoeg voor vernietiging gespaard gebleven. Meer dan in andere door oorlogshandelingen verwoeste steden leeft onder de Rotterdamse bevolking een hevige nostalgie naar het vooroorlogse stadscentrum. Zelfs onder degenen die dat centrum persoonlijk nooit hebben gekend. Die nostalgie is kenmerkend voor een onevenwichtig geheugen en een onverwerkt verleden. Rotterdammers dragen de stad van voor de oorlog nog steeds in lichaam en geest met zich mee. Door de Hoogstraat slenterend zijn velen van hen onbewust op zoek naar een verdwenen stad. Het bestaan van die stad wordt gesuggereerd door de continuïteit van de straatnamen en door de werking van de geest, gevoed met propere beelden van voorbije situaties en gebouwde ruimten die nooit hebben bestaan in de romantische gedaante die het geheugen thans lijkt te hebben geïnternaliseerd. Het probleem is dat bij de materiële wederopbouw van de stad onvoldoende rekening is gehouden met de noodzaak ook het geheugen te reconstrueren van al diegenen die in de stad hebben te leven, ermee moeten leven, haar tot een echte, levende stad moeten maken. Geconfronteerd met totale verwoesting heeft het gestoorde geheugen een plaats nodig om zich te kunnen herinneren - een gewijde, onaanraakbare plaats waar het geheugen zich met emoties kan verzadigen en zich mentaal kan bevrijden van de oude identificatiepatronen van lichaam en geest met de structuur, de rituelen en de routines van de voorgoed verwoeste stad. Ook in Groningen laat de discussie over de wederopbouw van de Grote Markt de werking van dat herinneringsmechanisme zien. De grote schade toegebracht aan een aanzienlijk deel van de panden rond de Grote Markt en de afbraak van wat met een ander concept van historisch geheugen voor ogen nog gered had kunnen worden, maakte een uitbreiding van het stadhuis mogelijk en gaf het Goudkantoor door de contrastwerking niet alleen een unieke positie, maar vermoedelijk ook een beeld- en symboolwaarde in het stadsgezicht die het in de dicht aaneengesloten bebouwing van vroeger nooit had gehad. In de nieuwe plannen blijft het gebouwtje behouden, maar het valt de buitenstaander op dat, in tegenstelling tot de

keuzen van het Wederopbouwplan van 1949, thans wordt gestreefd naar fictief herstel van een oud stratenpatroon dat intussen vermoedelijk haar vroegere functie in het levend geheugen van de stad heeft verloren. Of is het juist dat levend stadsgeheugen dat die romantische terugkeer naar een functieloos historisch stratenweb vergt? Meer nog dan in Rotterdam zou daaruit blijken hoe krachtig het beeld van het historische Groningen is dat de bewoners in zich dragen. Enkele conclusies zijn nu al mogelijk. Voor de historicus is het geheugen van een stad het resultaat van een complexe wisselwerking tussen de historische, materiële structuur en infrastructuur van de stad, haar functies naar binnen en buiten, en de veelheid aan sociale praktijken van haar inwoners, met inbegrip van hun fysieke omgang met de stad en de zin die zij eraan geven. Net als de stad door schrijvers kan worden verteld als een plaats waar dingen gebeuren - dat wil zeggen een structuur die in wisselwerking staat met menselijke activiteit -, kan de stad ook worden gelezen als een tekst, of beter, als een textuur, een weefsel dat tot stand komt door de onophoudelijke verplaatsingen van haar bewoners die daar waar ze elkaar kruisen betekenisvolle plekken markeren en die, zo vaak als ze met elkaar spreken, zin geven aan hun stad, mythen creëren, geheugen scheppen. "Wisselwerking" is hier het sleutelwoord. Dat houdt in dat bij de interpretatie van de stad noch haar materiële structuur noch haar sociale en culturele constructie door de bewoners de enige of doorslaggevende factor mag zijn. Elke lezing van de stad dient daar rekening mee te houden. Het volstaat niet de stad horizontaal te lezen, als een gegeven structuur die hier en daar nog relikten uit het verleden bezit waarvan de sociale functie overigens naar willekeur zou kunnen worden veranderd. Het geheugen van de stad zou dan niets meer zijn dan een opslagplaats voor versleten functies en betekenissen, een louter antiquarische instelling, kortom, geschiedenis. We moeten de stad daarentegen tegelijk verticaal lezen, als een opeenvolging van historische lagen bouwsels, ruimten, praktijken en mythen, die elkaar over en weer beïnvloeden en verklaren, maar die elkaar ook vervangen, en die samen worden gehouden door het ingewikkeld selectiemechanisme dat het levend geheugen van de stad is.

Het geheugen als semantische investering

Dit soort benadering loopt het gevaar een al te organische visie op de ontwikkeling van de stad te huldigen, vanuit een verborgen vertoog of ideologie. Al is de stad een weefsel, ze vormt geen autonoom 23


weefsel met een puur interne samenhang waaruit elementen zonder functie of betekenis meedogenloos zouden worden verwijderd. Dat gold niet eens voor het hoogtij van de stedelijke autonomie, de middeleeuwse stad. De dynamiek van die vroege steden kwam juist voort uit de spanning tussen hun twee wezenskenmerken. Enerzijds hun conformiteit met een nauwkeurig in het stadsrecht vastgelegd organisatiemodel, bestaand in de regeling van vier belangrijke sociale praktijken: produceren binnen een gemeenschap, kopen en verkopen op de (jaar)markt, vrij recht spreken, beschermen tegen onheil door mens of natuur teweeggebracht. Anderzijds hun non-conformisme, de vrijheid van de stad, en haar bereidheid om toegang te verlenen tot haar gemeenschap aan vreemdelingen wier eigen sociale en culturele praktijken konden worden getolereerd zolang de vier hoofddoelen van de stadsgemeenschap maar geëerbiedigd bleven. Dat verklaart de typische organisatievorm van de middeleeuwse stad met haar spanning tussen het (bewuste dan wel onbewuste) model van de stad en de vrije ontwikkeling van sociale praktijken: de samenballing van ambachten, kooplieden of vreemdelingen; de verdeling van de stedelijke ruimte in formele of informele wijken of buurschappen ten dienste van de sociaal-culturele organisatie van het stadsleven (burgerwacht, conflictregeling, watervoorziening, feestviering, enz.); de bijna onmerkbare verschuivingen in sociale standing van straten, gebouwentypen en wijken, waardoor de centra van het maatschappelijk leven mee verschoven, ook al hebben in de stadscultuur die tot het eind van de Republiek de Nederlandse steden heeft gekenmerkt weinig gebouwen zo'n onwrikbare plaats gehad als het stadhuis. Pas toen Amsterdam de hoofdstad van het land werd en zich er een functie bijbedacht, begon daar de slepende stadhuisaffaire waarin tot en met de Stopera-oplossing nationale pretenties blijven doorklinken. Er staat nu dan weer een stadhuis - maar het symbool van wat eigenlijk? Het blijft desondanks gemakkelijker de georganiseerde centra van het maatschappelijk leven, zoals kerk, stadhuis, kroeg, gildehuis of marktplein te verplaatsen, dan het andere deel van het geheugen van de stad, dat zich uit in de praktijken van het lichaam en de voorstellingen van de geest, en dat van generatie op generatie en van de inwoners op de nieuwkomers wordt overgedragen. Is het niet verbazingwekkend dat, ondanks de grote ontwikkeling die de materiële organisatie van de verkoopcircuits en de uitwendige presentatie van winkels sinds de middeleeuwen heeft doorgemaakt, de belangrijkste winkelstraten in onze huidige steden nog steeds dezelfde zijn als in de verre middeleeuwen, ook al is er nogal wat veranderd in de sociale status en de functies van de zijstraten en de verdere omgeving: de Kalverstraat in Amsterdam, de Hoogstraat in Rotterdam, de Herestraat in Groningen, de Steenweg in Utrecht, en in mijn eigen geboortestad Zutphen de Beukerstraat, wat in het oude dialect dat nu volledig onbegrijpelijk is geworden ‘straat van de winkeliers’ betekent. Dit voorbeeld is uiterst belangrijk voor ons thema. Voordat de grote warenhuizen werden gebouwd bestond er immers geen wezenlijk bouwkundig onderscheid tussen de werkplaats van een ambachtsman, een woning en een winkel. Veel winkelstraten hebben eeuwenlang privéwoningen gekend tussen de winkels door, en soms is dat nog wel het geval. De ruimtelijke organisatie van de 24


stad werd toen dus niet bepaald door een bouwkundig ontwerp of een stedenbouwkundig plan, maar door een sociale praktijk, door de hele gemeenschap van stadsbewoners blijvend geïnternaliseerd. Wanneer de stedenbouwkundige nieuwe plannen maakt voor een verwoeste stad, moet hij rekening houden met deze vormen van onzichtbare en grotendeels onbewuste, maar uiterst reële toeeigening van de stad door haar bewoners zonder dat er een strikt verband ligt met de aard van de gebouwde omgeving. Zij bewaren de structuur van de stad en haar ruimtelijke organisatie in hun lichaam. Dit levend geheugen is veelmeer dan de geschreven geschiedenis het echte geheugen van de stad. De architect of stedenbouwkundige die deze andere, levende stad verwaarloost, vindt haar na afloop terug in de vorm van een fundamenteel onbehagen ten aanzien van zijn werk - in heimwee naar vroeger. Nog andere praktijken en rituelen - evenzoveel uitdrukkingen van de echte, levende stadscultuur scheppen orde in het leven en de structuur van de stad. Nemen we bijvoorbeeld de trajecten die de burgers in de stad afleggen. Al moet er nog heel wat onderzoek worden verricht, nu al is duidelijk dat stedelijke looproutes, zelfs als ze met ruime tussenpozen worden afgelegd, vaak beantwoorden aan eeuwenoude, duurzame vormen van sociale, ja symbolische toe-eigening van het stadsterritorium of, welsprekender nog, van de onmiddellijke omgeving ervan die als de echte stadsgrens kan worden beschouwd. "Le mur murant Paris rend Paris murmurant (De muur die Parijs ommuurt doet Parijs mopperen)": zei de boutade toen in de achttiende eeuw de nieuwe muur van de belastingpachters de omgeving van Parijs voor de stedelingen onbereikbaar maakte. Het gemopper gold niet alleen de accijnzen die in het vervolg voor het vervoer van goederen moesten worden betaald, maar ook het gevoel dat de omgeving van de stad niet meer als een vrije ruimte voor wandelen, spel en feest, uitstapjes en drinkgelagen kon worden beschouwd - alle activiteiten die bij wijze van contrast de identiteit benadrukten van de stad zelf, als een harde, sedentaire gemeenschap van leven en werken, kopen en bidden. Wanneer we de trajecten van het collectieve leven nauwkeuriger bekijken, blijkt onmiddellijk dat ze een constante wisselwerking waarborgen tussen de collectieve uitdrukkingen van het stedelijk geheugen, de dagelijkse lezing van de stad, en de elementen van de gebouwde omgeving: gebouwen, monumenten, symbolische of historische plaatsen. De collectieve trajecten van processies en optochten, van carnavalsstoeten en praalwagens, van oproeren en demonstraties, van feestelijkheden en

herdenkingen, maar ook de individuele trajecten van de vroegere belastinginners en de huidige weldadigheidscollecteurs, van de postbode en de schoorsteenveger, de glazenwasser, de melkman en de krantenjongen zijn evenzoveel semantische gedragspatronen die de organisatie van de stad een specifieke betekenis verlenen en in belangrijke gevallen invloed kunnen uitoefenen op de stedenbouwkundige vormgeving of de bouwactiviteit. Een duidelijk voorbeeld van zo'n semantische her duiding van de ruimte is de Rotterdamse Coolsingel. Van een vest, een wal aan de grens van de stad, is de Coolsingel door de demping van de gracht een centrale avenue in het stadscentrum geworden. Daarop is het de bevolking mogelijk geworden die ruimte te gebruiken voor een hele reeks activiteiten met een hoge betekenisgraad voor het collectieve leven: massale muziekuitvoeringen, de triomftocht van sporthelden of andere plaatselijke coryfeeën, het Antilliaanse carnaval, de kunstmarkt, enz. Die activiteiten hebben zich in het geheugen van de inwoners geprent, hun wijze van omgaan met de stedelijke ruimte geheroriënteerd en de functie van de avenue gewijzigd in die van een centraal stadsplein - ook al loopt de verkeerssituatie van de ruimte, nog steeds een verkeersader, daarbij achter. Het gevolg is dat de verkeersfunctie, zo vaak de avenue weer tot plein wordt, moet worden onderbroken, de avenue afgezet, het verkeer omgeleid. Elke ruimtelijke herordening van de Coolsingel zal rekening moeten houden met de resultaten van dit semantische werk van de inwoners van Rotterdam. In Groningen zien we hetzelfde. De zuidrand van Groningen, de Verbindingskanaalzone, was vooral een vestinggordel, in zekere zin de ‘achterkant’ van de stad. De markten en havens lagen in het centrum

25


en het westen, de nieuwe wijken vooral in het noorden. Zeventiende-eeuwse kaarten van Groningen werden - net als die van Amsterdam en Utrecht, Delft en Middelburg - dan ook nogal eens een kwartslag gedraaid, zodat de wijken waar de stad van leefde en trots op was beter in het oog vielen. De ontmanteling van de vesting na de Vestingwet van 1874 geeft Groningen net als Nijmegen (de singels) en Zutphen (het IJsselfront) de kans een nieuw, representatief front naar het zuiden aan te leggen. Er worden statige huizen gebouwd, een wandelboulevard aangelegd, groenvoorzieningen gepland. En, symbool dat er nooit om liegt, daar ligt ook het station. Gezien vanuit het zuiden legt Groningen zich nu het duidelijkst open, als `de' stad, trots maar stil, arrogant maar zonder concurrent, als het finis terrae dat het niet alleen voor de buitenstaander maar, lijkt het, ook voor de Groninger zelf is. Logisch gevolg van de ontwikkeling: de Verbindingskanaalzone is de aangewezen locatie geworden voor prestigeprojecten, zoals het hoofdkantoor van de PTT, het nieuwe Groninger Museum. In de felle discussie rond de locatie voor dat Museum valt de nietGroninger ĂŠĂŠn ding op: niemand betwist meer dat die zone thans de ingang van Groningen geworden is. De vraag is veeleer of een museum slechts als een product, of als een producent van zinvolle stedelijke ruimte moet worden gezien. Mag het alleen binnen de geijkte historische ruimte van de officiĂŤle geschiedschrijving worden geplaatst, dus in of op de rand van de binnenstad? Of kan elke stedelijke ruimte, hoever van het historische centrum ook verwijderd, als een zinvol deel van de totale stedelijke leefruimte worden gezien, en dus als een mogelijke locatie voor zo'n museum? Heel de agglomeratie wordt dan met nieuwe trajecten, functies, zingeving verrijkt.

Belemmerende factoren

Cover van de publicatie die als catalogus verscheen bij de tentoonstelling 'Het geheugen van de stad: cultuurhistorie en stedenbouwkundig ontwerp die van 11 oktober t/m 9 november 2006 te zien was op de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Boek en tentoonstelling maken deel uit van het meerjarige project "Dutch Urbanism Today'.

26

Natuurlijk dient een verantwoorde analyse van de wijze waarop de stad met haar geheugen speelt en haar geschiedenis ordent rekening te houden met het gegeven dat haar ontwikkeling geen autonoom proces vormt. In feite wordt de ontwikkeling van een stedelijke identiteit, door de wisselwerking tussen de gebouwde omgeving en het maatschappelijk leven van de inwoners, voortdurend bemoeilijkt, zo niet belemmerd, door verschillende interne en externe factoren. Onder de externe factoren verdient vooral de verhouding tussen stad en niet-stad volle aandacht. Onder niet-stad versta ik hier niet alleen het platteland, maar ook die voorstedelijke gebieden die slechts een afgeleid stedelijk karakter bezitten en door de bewoners niet met autonome stedelijkheid worden begiftigd. Van deze twee was de stad gewoonlijk de ontvangende partij. Maar net als de stad kan ook de niet-stedelijke ruimte door specifieke sociale groepen van rurale of zelfs stedelijke herkomst met belangen, waarden en betekenissen worden beladen. Denken we maar aan de landhuizen van de rijke kooplieden, de kastelen van de adel met hun parken, maar ook aan de opkomst van een authentieke boerencultuur in de achttiende eeuw en in contrast daarmee de geleidelijke verrijking van de stedelijke identiteit met stukjes platteland: tuinen en parken, speelvelden, voorsteden en zelfs fragmenten ruraal landschap, zoals tussen Groningen en Haren. Een tweede externe factor van belemmerende aard is de aard en kracht van het bestaande netwerk van steden. De identiteit van de


talrijke steden van Holland, een reeds sinds de late middeleeuwen in hoge mate verstedelijkte regio, is aan heel andere spanningen onderhevig dan die van de provincie Groningen, die geheel rondom één enkele volwaardige stad is gedrapeerd. Vanuit het gezichtspunt van de historicus die geïnteresseerd is in sociaal-culturele praktijken, is het opmerkelijk hoe snel de stedelijke identiteit zich weet aan te passen wanneer er een spanningsveld ontstaat tussen planning en werkelijkheid. Klaarblijkelijk is de bevolking van de nieuwe steden in Flevoland, gepland in een tijd van centrifugale verstedelijking maar op een veel te grote schaal, al drukdoende de stadstrajecten, de ruimtelijke organisatie en de zwaartepunten van de steden aan de behoeften van het dagelijks leven aan te passen. Maar wanneer het bestaande voorzieningenpatroon door de bevolking eenmaal is geïnternaliseerd, blijkt de mentale omwenteling die een nieuwe aanpassing zou vragen veel moeilijker te realiseren: oude stadscentra, en nieuwe die naar het model van de oude zijn ingericht, blijven een zeer groot zoniet een groeiend deel van de sociale, betekenisvolle trajecten van de stadsbevolking aantrekken. Niet dat buitenwijken geen zinvolle leefruimten zouden zijn, maar er ontstaat veelal een dubbel belevingsniveau, waarbij de oude binnenstad voor de waarde `stad' staat, met alle connotaties op recreatief en hoog-cultureel gebied die dat meebrengt, en de woonwijk met zijn winkelcentrum voor alledag de laag-culturele waarde ‘buurt' vertegenwoordigt. De derde externe factor is het stadsmodel dat in de betrokken samenleving overheerst. Elke samenleving heeft haar eigen globale stadsmodellen: de gesloten, compacte stad van de middeleeuwen, de open, gelede stad uit het industrieel tijdperk, de moderne grote stadsagglomeratie. Daarbinnen kunnen we weer onderscheiden tussen rechtlijnige, concentrische of labyrintische vormen. Een stad in ontwikkeling draagt haar vroegere modellen in haar levend geheugen met zich mee. Niet altijd het gehele model, soms slechts enkele trekken ervan, maar steeds blijft er een spanning bestaan tussen de overblijfselen van de achtereenvolgende stadsmodellen. We proeven die spanning, dat faseverschil, in de Groningse discussie over de plaats van het Groninger Museum: is de compacte binnenstad de `echte' stad, of de hele agglomeratie? Ook al geven we voor het comfort vaak de voorkeur aan recent gebouwde huizen, niettemin houden we van oude stadscentra omdat we het model ervan nog in ons bloed hebben zitten. De modellen overleven de stad. Ze geven richting aan waarneming en herkenning, aan verklaring en zingeving. Daarom

willen we ook niet in om het even welke oude stad leven. Een bezoek aan een kashba, een oosterse bazaar of een woestijnstadje in Nieuw Mexico geeft ons weliswaar het gevoel een interessante excursie te maken maar doet ons er nauwelijks naar verlangen daar ook werkelijk te gaan leven. De gebouwde omgeving van zulke steden is daarvoor te verschillend van de routines van onze visuele waarneming. En al evenmin herkennen we de wijze waarop de bewoners van die steden hun leven inrichten, hun sociale organisatie tot stand brengen, hun identiteit creëren. Wij delen niet in hun geheugen. Anderzijds kunnen oude, inheemse modellen, hoe sterk ze ooit ook in het levend geheugen van de gemeenschap geschreven konden staan, verslijten en onbruikbaar worden voor de veranderende sociale praktijken van een stad in ontwikkeling. De historicus moet daar rekening mee houden. Een antiquarische geest zal elk oud huis, elke oud stukje muur, elke oude steen van het grootst mogelijke belang vinden. Maar de historicus is niet een loutere verzamelaar. Vanuit zijn verantwoordelijkheidsgevoel voor het levend geheugen van de stad, zal hij voorzichtiger zijn. Natuurlijk, nooit zal hij de barbaarse stadssaneringen rechtvaardigen die de laatste decennia hebben plaatsgevonden. Integendeel, hij zal er de nadruk op leggen dat eerst de gebruikswijzen van de stad door bewoners en bezoekers moeten worden onderzocht, zowel op hun sociale verscheidenheid als op hun historische diepte, voordat er zelfs maar gedacht kan worden aan de afbraak of - wat uit het oogpunt van het geheugen van de stad meestal op hetzelfde neerkomt - de restauratie van specifieke stedelijke ruimten. Maar er zijn ook interne factoren die invloed uitoefenen op de kwaliteit van de wisselwerking tussen de gebouwde omgeving en de levensstijl van een stad. Een van de meest belangrijke is ongetwijfeld het vermogen van nieuwkomers om zich aan te passen, individueel maar meer nog als groep, aan bestaande patronen van sociale praktijken. Onderzoek naar dat aanpassingsproces zou een van de belangrijkste thema's van de stadsgeschiedenis moeten zijn, juist omdat migratie een van de meest beslissende kenmerken van het stedelijk leven is. Aanpassing vereist overigens wel het vermogen daartoe: het mentale vermogen om zich aan te sluiten bij de gevestigde sociale praktijken, zoals de culturele code die het gezin binnen en buiten het huishouden regeert; het sociaal vermogen om de specifieke, naar tijd en ruimte vastgelegde maatschappelijke gebruiken, het sociabiliteitspatroon, de heersende ethische code, de religieuze praktijk enz. te respecteren; maar ook het

27


28


juridisch vermogen van de sociale groep om zich bij die levensstijl aan te sluiten. Tot aan het eind van het Ancien Régime bleef de joodse bevolking van dat juridisch vermogen verstoken, zelfs in de zo tolerante steden van Holland. Daarom werden ze gedwongen in meer of mindere mate hun eigen sociale praktijken te handhaven, nog geheel afgezien van religieuze motivaties. De maatschappelijke en materiële organisatie van een oude stad als Amsterdam met haar grote joodse gemeenschap draagt hier de duidelijke sporen van, zij het niet in alle opzichten zo nadrukkelijk als dat in Midden- en Oost-Europa het geval is. Een van de gevolgen daarvan is dat de joodse bevolking en haar levensstijl thans een veel groter plaats in het levend geheugen van de stad inneemt dan de omvang van de groep zou doen verwachten; haar plaats binnen het geordende geschiedbeeld lijkt daarentegen verhoudingsgewijs te gering. Het gegeven dat de sociale praktijken sterk uiteenliepen vormt een verklaring voor deze divergentie: het veelvormig geheugen van de stad wordt erdoor geprikkeld, maar tegelijk wordt de vorming van één alomvattend geschiedbeeld erdoor bemoeilijkt. Na de joden kwamen andere groepen zich in de steden van Holland vestigen. De talrijke calvinistische vluchtelingen uit Wallonië en later de hugenoten uit Frankrijk bleven in de zestiende en zeventiende eeuw lange tijd als groep bijeen in steden als Amsterdam, Leiden en Middelburg: ze woonden in dezelfde wijken en straten, hielden vast aan hun eigen kerkelijke en liefdadige instellingen, spraken onderling Vlaams, Koeterwaals of Frans, trouwden onder elkaar en volgden hun eigen gebruiken. Een eeuw later namen de Duitsers de rol van herkenbare randgroep met een eigen subcultuur over. Talrijk in een stad als Rotterdam, bleven ze sociaal gesproken tweederangsburgers, zelfs binnen de plaatselijke kringen van dissenters zoals de luthersen en de katholieken, die op hun beurt om juridische redenen reeds als zodanig gedoodverfd waren. Als een geminachte groepering vormden ze een obligaat gespreksthema voor de koffiehuisroddel zoals we in een sprankelende beschrijving van Rotterdam (Physiologie van Rotterdam, Den Haag 1844) kunnen lezen. Maar tezelfdertijd bepaalde hun actieve tegenwoordigheid de aard van het stedelijk weefsel, en de kleur ervan. Onnodig nog verder op dit thema in te gaan en weer nieuwe minderheden van overzee of van de uiteinden van Europa op te roepen. Tot op de dag van heden zijn ze de officiële geschiedenis van de Nederlandse steden nog nauwelijks binnengetreden, ook al delen ze onbewust in haar geheugen en begint een moskee naar oosterse snit hier en daar het

stadsbeeld al te markeren, zoals in Waalwijk. Wie een harmonieuze ontwikkeling van de stad ter harte gaat, zal moeten onderzoeken hoe immigranten zich aan de gangbare sociale praktijken van de stadsbevolking aanpassen, maar tegelijk hoe hun eigen ontworteld en overgeplaatst geheugen met de organisatie van de stad speelt en nieuwe waarden, praktijken, trajecten schept die uiteindelijk zullen worden vertaald in ruimtelijke voorzieningen. We zullen ontdekken dat plaatsen, huizen, gebouwen, ruimten en tenslotte de stad zelf in een her-ordent geheugen wordt opgenomen, waarbinnen niet dan met de grootste moeite zal kunnen worden onderscheiden tussen wat van oudsher bestond en wat door de nieuwkomers is ingebracht, wie zij ook waren.

Naar een conclusie

Tot hier toe is dit korte essay een pleidooi geweest voor een intelligente lezing van het stedelijk weefsel als de matrix van een voortdurende, dubbele wisselwerking: enerzijds een wisselwerking tussen de ruimtelijke ordening van de stad en de sociale praktijken, beide in de geschiedenis tot stand gebracht en over en weer van invloed op elkaar; anderzijds de wisselwerking tussen de stad en de anderen, tussen binnen en buiten, de stad en haar rivalen, het beeld van de stad dat de stadsbewoners of de buitenstaanders zich vormen en de manier waarop nieuwkomers daarmee omgaan. Door dit dubbele interactieproces organiseert de stad haar identiteit op twee niveaus. Op het in hoge mate onbewuste niveau van de omgang van de burgers met de ruimte registreert de stad het resultaat van die omgang in haar geheugen. Dat geheugen is meer dan de som van de talrijke wegen waarlangs de mensen laten zien dat ze lichamelijk en geestelijk vertrouwd zijn met de bestaande structuur van de stad en haar mogelijkheden. Het geheugen van de stad blijft immers ook de reeds verdwenen, vergeten of verborgen mogelijkheden opslaan. Het geheugen is een depôt zowel als een werkplaats, het is een historisch zowel als een levend geheugen. Wat het wordingsproces van de stad in tijd en ruimte betreft, is het geheugen zelfs nog meer. Als opslagplaats en getuige van het verleden bevat het eveneens een stuk van de verborgen agenda voor een harmonieuze ontwikkeling van de stad, zoals elke nieuwe discussie over stadsplanning en stedenbouw weer laat zien. Op het tweede niveau organiseert de stad haar identiteit via de geschiedenis, dat wil zeggen door een bewuste selectie van gebeurtenissen, structuren en praktijken die juist in dit selectieproces een collectieve zin krijgen. De geschiedenis van de stad is de stad verteld door haarzelf of door anderen; 29


maar als een narratieve keuze uit de rijke schat van verleden en heden van de stad is geschiedenis nooit meer dan een bijzondere, zij het ook betekenisvolle selectie uit de vele mogelijkheden die in het geheugen van de stad verscholen liggen. Een stadsgeschiedenis is soms niet meer dan een materiaalselectie op basis van het verondersteld primaat van koophandel of ondernemerschap, van kerks geloof of elitecultuur. Evengoed is een stadsgeschiedenis van onderop mogelijk, vanuit het perspectief van de werker, de arme, de randgelovige, de cultuurconsument. Ook die geeft een eenzijdig beeld. Het geheugen van de stad is rijker, voller en, eerlijk gezegd, minder geremd door groepswaarden of taboes dan haar geschiedbeeld. Wie met zijn stad wil werken, kan beter het volle geheugen ervan gaan ontcijferen dan een stadsgeschiedenis lezen, die immers niet meer is dan een bewust en selectief geordend beeld daarvan. De stadsgeschiedenis kan hij niet missen, omdat die de identiteit van de stad verbeeldt - maar het levende geheugen zal hem laten zien hoe relatief dat beeld is, en dat andere beelden gelijktijdig mogelijk zijn.

Visie Schatbewakers:

"Het is moeilijk iets zinnigs te zeggen over toekomstige mogelijkheden zonder de eigen geschiedenis te kennen".

30

Originele tekst: Frijhoff, prof. dr. W.T.M., "De stad en haar geheugen", Ontwerp, onderzoek, onderwijs (Delft), OASE n° 24 (zomer 1989), pp. 14-21, ill. / Reprint in: Stad! Groningen 1050 jaar stedenbouw en architectuur (Groningen: Studium Generale, 1990), pp. 21-28. Willem Frijhoff ('42) studeerde geschiedenis aan de Sorbonne te Parijs. Hij promoveerde te Tilburg en is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de pre-industriÍle maatschappijen aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam.


Literatuursuggesties HET COLLECTIEF GEHEUGEN ALS SOCIAAL INSTRUMENT · Bartlett (Sir Frederic C.), Remembering: a study in experimental and social psychology (Cambridge, 1932; reprint 1961) · Connerton (Paul), How societies remember (Cambridge, 1989) · Frijhoff (Willem), "De pest van Barcelona, of de werking van het collectief geheugen", Raster 36 (1985) 122-131 · Halbwachs (Maurice), Les cadres sociaux de la mémoire (Parijs, 1925; herdr. 1935 en 1952) · Halbwachs (Maurice), La mémoire collective (Parijs, 1950; herdr. 1968); Engelse vertaling: The collective memory, introd. by Mary Douglas (New York, 1980) · Middleton (David) & Edwards (Derek), ed., Collective remembering (Londen enz., 1990) · Namer (Gérard), Mémoire et société (Parijs, 1987) · Neisser (U.) & E. Winograd, Remembering reconsidered: ecological and traditional approaches to the study of memory (Cambridge, 1988) · Nora (Pierre), ed., Les lieux de mémoire, 4 delen (Parijs, 1984-1986) · ‘Het geheugen', themanummer van Raster 36 (1985) · ‘Memory and counter-memory', themanummer van Representations 26 (Spring 1989) · ‘Social memory', themanummer van Communication 11/2 (1989) HOE DE STAD MET HAAR VERLEDEN OMGAAT · Brunt (Lodewijk), "Stadsstudies: antropologische en etnografische perspectieven", Sociologische Gids 32 (1985) 120-138 · Brunt (Lodewijk), De magie van de stad (Amsterdam, 1989) · Choay (Françoise), L'urbanisme. Utopies et réalités (Parijs, 1965) · Formsma (W.J.), M.G. Buist, W.R.H. Koops, e.a. (ed.), Historie van Groningen. Stad en land (Groningen, 1976) · François (Étienne), ed., Immigration et société urbaine en Europe occidentale (XVIe-XXe siècles) (Parijs, 1985) · Fraser (Derek) & Anthony Sutcliffe, ed., The pursuit of urban history (Londen, 1983), hierin met name het artikel van Peter Burke, "Urban history and urban anthropology of early urban Europe", 69-82. · Frijhoff (Willem), "Ritual acting and the city's history: Haarlem, Amsterdam, Hasselt", in: Mare (Heidi de) & Anna Vos, ed., Ritual spaces in Holland and Italy. Contrasts in the use of space, architecture and the urban environment (Assen/Maastricht, 1992) · Hannerz (Ulf), Exploring the city. Inquiries towards an urban anthropology (New York, 1980) · Hofland (Lyn H.), A world of strangers. Order and action in urban public space (New York, 1973) · Jansen (H.S.J.), "De worsteling met de engel. De problemen van stadshistorici met hun onderzoeksobject", Tijdschrift voor geschiedenis 104 (1991) 167-189 · Kooij (P.), Stadsgeschiedenis (Zutphen, 1989) Margry (P.J., Amsterdam en het Mirakel van het Heilig Sacrament. Van middeleeuwse devotie tot 20eeeuwse stille omgang (Amsterdam, 1988) Schaïk (Remi van), Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen, 1985) Swoboda (Hannes), ed., Identität und Stadtgestaltung (Wenen/Keulen, 1990) Taverne (E.R.M.), In 't land van belofte: in de nieuwe stadt,. Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680 (Maarssen, 1978) Taverne (E.), "De stad als substantie van de architectuur. Het recente stadsonderzoek in Frankrijk", Archis (1986), n° 9, 14-24 Wentholt (R.), De binnenstadsbeleving en Rotterdam (Rotterdam, 1968) Zijderveld (A.C.), Steden zonder stedelijkheid. Cultuur-sociologische verkenning van een beleidsprobleem (Deventer, 1983)

31


32


VERLEDEN

Wat voor een stad is Zoetermeer eigenlijk?

HEDEN

Welke vraagstukken, uitdagingen en opgave spelen er in de stad? Aan wat voor een stad wil je doorbouwen?

TOEKOMST

Aan wat voor een stad wil je doorbouwen?

BOEKPRESENTATIE TOEKOMST

BOEKPRESENTATIE De Nieuwe Stad een gebruiksaanwijzing

33


34


35


36

Laurens de Groot | De man met de koffer


door: Willem Hermans fotografie: Chris Lans

Waar zijn we nu? In de feestzaal van Class by Jofel gelegen in de Dorpsstraat van Zoetermeer. En waarom zijn we daar? Alcuin Olthof en Willem Hermans, Zoetermeerse Schatbewakers sluiten na 150 weken hun project in de zoektocht naar de ‘Ziel van Zoetermeer’ af. Hoe gaan ze dat doen? Op een feestelijke wijze, met veel gasten, waaronder een speciale en op een bijzondere wijze, want het einde nu is het begin van straks…. De muziek van Dick en Saskia stopt en daar klink de GONG. De tachtig aanwezigen zijn nog bezig een stoel te zoeken, als Laurens de Groot boven op de grote gesprekstafel springt. Binnen 10 seconde is het stil, op de luide stem van Laurens na. Hij vertelt over zijn jeugdervaringen op de bouwterreinen van het snelgroeiende Zoetermeer. Bouwmonsters zoals bulldozers, graafmachines en heistellingen bleken niet te stoppen te zijn; het vastleggen aan kettingen, het opwerpen van obstakels, niets kon het oprukkend bouwgeweld tegenhouden. Zo is Zoetermeer ontstaan en even later bleken de diverse tunneltjes prima plekken te zijn om met een meisje te zoenen. Laurens moet door naar een optreden in een andere groeikern, groet de zaal en Alexandra neemt het woord over. Zij is ingevlogen om vandaag onze moderator te zijn. Ze licht haar achtergronden toe (o.a. hoofd coaching TEDxDelft, story-teller) en ook het programma voor deze middag. Drie gesprekstafels zullen ons worden voorgeschoteld; een over het verleden, het DNA van Zoetermeer, de tweede over het heden, welke opgaven en vraagstukken spelen er en tot slot de derde tafel over de vraag…. Aan wat voor stad wil je doorbouwen? Alexandra introduceert de speciale gast voor deze bijeenkomst; Arnold Reijndorp, hoogleraar, auteur en onderzoeker, die hier vandaag zijn nieuwste boek publiceert. “Waarom een nieuw boek, je hebt er al een stuk of acht geschreven.” “Ik wilde niet, maar het bestuur van mijn stichting kwam met de vraag of ik als mijn laatste activiteit voor mijn leerstoel nog eens een essay zou kunnen schrijven met praktische oplossingen voor de problemen die in al die nieuwe steden spelen. En dat past goed in mijn oeuvre over de spanning tussen de geplande en de geleefde stad. Niet zozeer zijn het de deskundigen, die de stad maken, maar mensen maken de stad. Ik ben geïnteresseerd in het alledaagse gebruik en de wijze waarop de stad daar mogelijkheden voor biedt.“ Arnold vervolgt met de constatering dat er wel een plan aan een nieuwe stad ten grondslag ligt, maar dat een gebruiksaanwijzing ontbreekt. Dus was de titel voor de publicatie snel gevonden; geen receptenboek, maar een handleiding. En wat betreft de verwachtingen van bewoners… Hij hecht vooral veel waarde aan de wijze waarop mensen hun nieuwe stad nu al gebruiken. Hoogste tijd om aan het eerst tafelgesprek over ‘het DNA van Zoetermeer’ te beginnen. 37


VERLEDEN

38

Schatbewaker Willem licht aan de hand van tien dia’s het resultaat van de zoektocht naar die karakteristieken, die het verhaal van de stad dragen. “Het is een stad, die lekker ligt”. Niet aan een grote rivier, maar wel in het landschap van Holland en in het stedelijk veld van Rotterdam en Den Haag. Dat lijkt ook de onderliggende reden voor de grote distributiedozen aan de A12. Maar Zoetermeer heeft ook een eigen landschapspark aan de noordzijde en een zich ontwikkelend parksysteem aan de zuid- en westzijde. En het openbaar railvervoer, met name in de richting van Den Haag werkt prima. “Het is een stad waar je goed kan wonen, in eigen buurten”. Bewoners uiten zich bijna altijd in positieve zin over het wonen in deze stad. De stad bevat een scala aan sub-urbane woonmilieus, gebouwd in de afgelopen zestig jaar. “De stad is compact en goed befietsbaar”. Anno 2019 is de stad wel iets uitgestrekter dan de bedachte stad met vier woonwijken en een stadscentrum, maar binnen een kwartier fietsen kom je wel in een andere omgeving. “In de stad is het alledaagse is op veel fronten aanwezig”. De gewone dingen voor dagelijks gebruik zijn zowel qua voorzieningen (scholen, winkels), maar ook voor het maken van een ommetje beschikbaar. Het gemiddelde is vaak de maatstaf en dat geldt ook voor de ruimtelijke kwaliteit van openbare ruimte en architectuur. “Een stad waar groen de drager is van het woonlandschap”. In de buurten, in de openbare ruimte en aan de randen van de stad is het groen dominant aanwezig. Zowel in de hoogbouwensembles uit de jaren 70 als in de recente uitbreiding Oosterheem zorgen parken voor duurzame ruimtelijke kwaliteit. “Sport is in de stad Zoetermeer een positief en onderscheidend kenmerk”. Vanuit het begin als groeistad zijn veel sportmogelijkheden ontwikkeld. Er is een ruim aanbod aan voorzieningen, waarover veel bewoners een grote mate van tevredenheid uiten. Over de aanwezigheid van grootschalige recreatie zoals Snowworld wordt verschillend gedacht. “Zoetermeer is nog steeds een ingenieursstad”. De stad is in de groei van boterdorp tot ‘new town’ bedacht, als bouwplan ontworpen en zo uitgevoerd. En als het niet meer functioneert, breken we het af… Ondanks een aantal schaalsprongen en 120.000 burgers is het technisch-functioneel denken binnen het gemeentelijke systeem nog steeds leidend. En de gemeentelijke stad heeft een kort geheugen, is erg van het opruimen en weggooien; onderzoek afgesloten, resultaten in


1

de kast opbergen en op weg naar een volgende klus. Voor het eerste tafelgesprek vat Willem dit inzicht in het DNA in 7 punten samen: WAT VOOR STAD IS ZOETERMEER EIGENLIJK? · ligt lekker · goed om in te wonen · compact en befietsbaar · van het alledaagse, het gewone · is groen · en sportief · maar is en blijft een ingenieursstad. Onder het voorzitterschap van Karen van Vliet, stedenbouwkundige, maar ook bestuurslid van de stichting Schatbewakers, wordt het gesprek geopend met aan tafel Arnold Reijndorp, Arjen van der Burg |Historisch Genootschap Oud Soetermeer en Jeroen Niemans | Hiemstra en de Vries, adviseur van o.a. de omgevingswet. Karen vertelt haar fascinatie voor Zoetermeer, toen zij destijds als schoolmeisje in Leidschendam jongens en meisjes uit Zoetermeer trof en op bezoek in dat boterdorp geraakt werd door al die nieuwbouw. Ze is er nooit meer vanaf gekomen, is Bouwkunde in Delft gaan studeren, ging stagelopen in Zoetermeer en heeft van die geboeidheid haar beroep gemaakt. “Hoe gaan we de 7 punten in 12 minuten bespreken?” Arjen van der Burg neemt het woord. “Ze zijn allemaal waar, ook over het slopen en het zijn van een ingenieursstad. Voor veel gewone mensen is de stad zeer leefbaar. Daar draagt de ligging sterk aan bij, zelfs nu in het negatieve, omdat de distributieboeren Zoetermeer hebben ontdekt en met hun dozen het landschap verpesten.” Die goede bereikbaarheid leidt er ook toe, aldus Jeroen Niemans, dat je ook snel kunt vertrekken. Je behoeft niet zo honkvast te zijn, dus is de gehechtheid aan de stad geen constante factor. Zoetermeer functioneert in de Rotterdam-Den Haag metropool en daar is voor vele Zoetermeerders het nodige te halen. Maar vraagt Karen zich af, als Zoetermeer net als Hoogvliet voor het gewone staat, waar kunnen de Zoetermeerders dan trots op zijn? In de stad liggen een paar bijzonderheden zoals popcentrum de Boerderij en Snow-World, er is

veel relatief goedkope huisvesting beschikbaar en voor het wonen zijn groen en sport aantrekkelijke labels. Wat wil je meer; faciliteiten voor de jeugd? Maar gaan zij niet liever naar Delft, Den Haag, Leiden of Rotterdam? Arjen vindt dat het ooit in de markt zetten van Zoetermeer als een woonstad een historische fout is geweest. Zorg voor werkgelegenheid is en blijft een primaire taak van de overheid en leidt sowieso tot een ander klimaat, tot een andere nederzetting, wellicht tot een spannender stad. “Maar moet het wel spannender worden?”: roept Arnold. “Als het te spannend wordt in Zoetermeer, wil ik er dan nog wel blijven wonen? Wat is er mis met de kwalificatie van deze stad als een goede woonstad? Dat vraagt al veel inzet en het behalen van zo’n status als Amersfoort lukt je nooit. Nog iets over die lekkere ligging: dat is geen constante factor, want de metropool om je heen verandert. Oriëntaties wijzigen en dan komt opeens Rotterdam in het blikveld en in jouw dagelijkse woon-werkomgeving. Tijd om Randstadrail rechtstreeks op het Rotterdamse openbaar vervoersnetwerk aan te sluiten en een andere wereld komt voor een deel naar je toe. Maar toch nog even over het zijn van een goede woonstad: is dat voldoende? Hoe kan je excelleren als woonstad in relatie tot de komende bouwopgave?” Arjen blijft bij het pleidooi voor meer werkgelegenheid om meer stad te kunnen

39


40


HEDEN

2.1

zijn; dat is net als het houden van droge voeten een taak voor de lokale- overheid. Jeroen vraagt zich hardop af waarom de organisatie van werkgelegenheid nog zo belangrijk is als je met goed openbaar vervoer overal kunt komen. Blijf inzetten op de kwaliteit van het wonen, niet alleen bij het uit- of inbreiden, maar ook bij het beheer en onderhoud in de bestaande wijken, aldus Arnold. “De bevolking verandert qua samenstelling en daar word je ook stad van. Hoe handhaaf je cq versterk je de woonkwaliteit; niet alleen door huisjes erbij te bouwen, maar aandacht en zorg te besteden aan de gehele woonomgeving.” Dus is zijn advies… maak Zoetermeer niet te spannend! Hiermee eindigt het eerste tafelgesprek, worden de voorzitter en de gasten door Alexandra bedankt en breekt een korte pauze aan. Schatbewaker, Willem Hermans opent het tweede tafelgesprek over het heden in de stad Zoetermeer. Hij stelt dat het onderzoek naar de eigenheid van de stad ook leidt tot kwalificaties, die op het ontbreken van gewenste eigen-heden wijzen. Vandaar de vraag naar welke opgaven en problemen hier spelen. Zoetermeer is een ingenieursstad, waar maakbaarheid centraal stond. En nu komen we na de snelle groei en het ‘puberen’ in nieuwe fasen aan inclusief sloop van de eerste wijk. De verdere ontwikkeling moet gaan plaatsvinden binnen de ooit bedachte stad. Maar die stad is nu vol met kritische bewoners en met tal van burgerinitiatieven. Bovendien is na 40, 50 jaar intensief gebruik en slijtage ook onderhoud nodig. Op de werkagenda van een stad zoals Zoetermeer staan projecten zoals het entreegebied, maar ook thema’s die planvorming in de komende jaren mede zullen bepalen. Tot een algemene werkagenda van een stad behoren onderwerpen zoals: 1. klimaatadaptatie 2. energietransformatie van de stad 3. circulair bouwen cq. herontwikkelen 4. het cultureel erfgoed van de stad 5. een gezonde boekhouding, want de lokale economie moet op orde zijn. Van alle bouwstenen, die op de agenda voor de komende jaren kunnen worden geplaatst hebben we er een paar geselecteerd. We hebben als schatbewakers deze punten opgehaald als zijnde typisch Zoetermeers en willen de volgende drie in het tweede tafelgesprek bespreken. OVER VERDICHTEN EN VERGRIJZEN, VERBOUWEN EN/OF BESCHERMEN en hoe Zoetermeer ook intern verandert; zie de 0-opde-meter woningen in Palenstein. De komende schaalsprong leidt met de ambitie van het bouwen van circa 15.000 nieuwe woningen tot een verandering van de stad. Deze verbouw operaties vinden in de bestaande stad plaats en dat gaat ten koste van het bestaande stadsbeeld. Vandaar de aanbeveling om zorgvuldig om te gaan met wat er in de afgelopen jaren is ontwikkeld en door bewoners in gebruik is genomen. Grootschalige vernieuwing, met sloop van hele wijkdelen zoals in Palenstein is niet meer aan de orde. Het zijn niet alleen objecten, maar ook structuren, ensembles en 41


"... wat ik echt nog mis... voor grote kunstenaars die we kunnen uitnodigen om een tentoonstelling te hebben" 42


grote ruimtelijke composities, die waardevol zijn. Het bouwen van 15.000 woningen is niet alleen een huisvestingsvraagstuk, maar ook een middel om tot een betere en duurzamere stad te kunnen komen. Ook in de oudere woongebieden liggen mogelijkheden om door verbouw en nieuwbouw bestaande woonkwaliteiten op orde te houden dan wel te versterken. Vandaar de volgende aanbevelingen namens de deelnemers aan de stad- en wijkgesprekken: “Hou de grote ruimtelijke concepten, casco’s en structuren op orde”. “Richt je niet alleen op de grote projecten zoals het entreegebied, maar blijf aandacht besteden aan de mogelijkheden tot vernieuwing in de minder dynamische gebieden”. Aan tafel zitten nu Taco Kuiper, voorzitter stichting Schatbewakers en oud -wethouder wonen & architectuur en Arnold Reijndorp (nu wel bekend). Zij worden in dit eerste deel vergezeld door Tineke Lupi, socioloog en programmamanager vernieuwd wonen te Almere, Wieteke van der Burg, als socioloog betrokken bij het breed overleg armoedebestrijding sociaalmaatschappelijk Zoetermeer en Ferdinand Jongeling, projectontwikkelaar en regisseur bij woningbouwvereniging De Goede Woning. “Zijn er wel grote problemen in deze stad?”: vraagt Taco zich hardop af. In haar reactie roemt Wieteke Zoetermeer als een geweldige stad en zeker geen klaagstad. Maar er wonen hier mensen die in armoede verkeren en dat aantal groeit. En wat te denken van de woningnood; starters vinden heel moeilijk een betaalbaar huis. Wieteke draagt een creatieve mogelijkheid aan: “Veel winkels staan leeg, maak daar appartementen van. Je hebt alleen een toilet en een wasbak nodig en die zitten er vaak al in. Kom met creatieve oplossingen voor de leegstaande gebouwen”. Ferdinand illustreert de enorme vraag naar nieuwbouw; voor 21 nieuwbouwwoningen melden zich 1000 belangstellenden. “Daarnaast hebben we als woningbouwvereniging te maken met ‘scheef’ wonen; grote, betaalbare woningen waar nu twee ouderen in blijven wonen”: verduidelijkt Ferdinand de situatie waarin gewerkt moet worden. Wieteke heeft daar een creatieve oplossing voor. “Verplichte inwoning, als je bovenetage leeg is.” Zou zij dat zelf willen en

moet het door de overheid worden opgelegd? “Ja, als de situatie urgent is, zijn impopulaire maatregelen nodig.” Zo wordt het toch nog spannend in Zoetermeer, maar wat kunnen we er zelf aan doen? Goed kunnen wonen is een kenmerk van onze stad en wat hebben we daarvoor nu in huis? Krijgen we mensen uit de grote woningen door andere woonconcepten aan te bieden? Waar zijn de serviceflats in de woningwetsfeer gebleven en waar zijn de seniorenwoningen? Vergrijzing gaat door, er is te weinig aanbod en dat moet gecreëerd worden. Dus initiatieven moeten op een andere wijze worden georganiseerd en dat past wonderwel bij de innovatie-geschiedenis van een nieuwe stad. Taco vraagt of in Almere hetzelfde probleem speelt. Ja, in die stad spelen dezelfde problemen, maar wel vertraagd. Almere kent een bijzondere opbouw als middenklasse stad en woonzorg initiatieven zijn nu al lastig te honoreren, afgezien van een groot experiment waar mensen zelf hun huis kunnen bouwen, maar ook met elkaar verantwoordelijk zijn voor de aanleg van wegen en riolering. Het probleem waar we nu over spreken is niet alleen ruimtelijk, maar zeker sociaal. “Vergrijzing in een groeistad, daar kan je op wachten.”

2.2

Schatbewakers vervolgen met een korte introductie van het SOCIAAL-CULTURELE LEVEN IN MEER DIMENSIES. Het gaat niet over bouwen, verbouwen en stenen stapelen, maar over de opgave om tot een rijkere stad te komen. Het culturele leven in een nieuwe stad heeft tijd nodig om tot wasdom te komen. Om zo maar cultuur van buiten te halen, daar ontbreekt de voedingsbodem voor. Vandaar het advies uit de samenleving: Benut en koester wat in de stad groeit, laat dat groeien en geef het tijd, ruimte en wat geld om het onderdeel te laten worden van het ‘eigen’ profiel. “Jongeren zijn niet structureel betrokken bij het reilen en zeilen van de stad”. Ze zijn er niet, ze zijn elders, aan het werk, aan het studeren of aan het uitgaan? Besteden we in Zoetermeer wel aandacht aan de ‘platte’ cultuur van opgroeiende jongeren? Natuurlijk hebben we De Boerderij en ook een nieuw stadsmuseum, maar dat is niet genoeg… toch? 43


2.3

44

Zoetermeer kent net als andere new towns “een beperkt, zeg maar een te beperkte omvang van het culturele leven en haar dimensies”. Maar er zijn ook inspirerende initiatieven die goed passen in een sub-urbane stedelijke setting, zoals bijeenkomsten als Zondag in het Park, activiteiten van Terra Art Projects en een broedplaats zoals de BaZtille. Met Sven Ruggenberg, cultuurmakelaar, komt het cultureel leven op de discussietafel. Op de vraag van Taco of hij ook in Zoetermeer woont, antwoordt Sven ontkennend. Hij is geboren in 1988, heeft in Zoetermeer gewoond, maar geniet nu met vrienden van het cultureel leven in Den Haag. Trouwens die stad is niet ver weg en er zijn buiten Zoetermeer meer plekken om te wonen. Taco ziet dat aan zijn eigen kinderen; ze trekken weg, blijven weg, maar komen ook weer terug. Wordt de jeugd in voldoende mate betrokken bij het culturele leven? In Zoetermeer is dat institutioneel niet geregeld; we hebben geen jongerenraad. En zij die op dat gebied actief zijn, zoeken vaak hun heil elders. We hebben wel een basis in de stad met een theater, poptempel en een museum en zien veel losse initiatieven, die een plek willen. Zo bouwt de culturele wereld zich op. Wat hebben we nu en wat moet erbij? Zie hoe een organisatie als Piëzo zich ontwikkelt. Kunst en cultuur hebben we nodig om verbindingen te maken. “Ja, het mag best wat spannender.” Maar pas op om het niet te spannend te maken, licht Arnold toe. De helft van de inwoners wil het houden zo als het nu is; een beetje dorps en rustig. De anderen vragen zich af wanneer we er iets van gaan maken. Mensen in het publiek kijken op hun telefoon. Juist vandaag zijn er in Zoetermeer twee verdachten van terrorisme opgepakt. “Hoeveel spannender wil je het hebben?”: verzucht iemand uit de zaal. Een ander wil wel meer reuring, want alleen De Boerderij is nationaal bekend; “Waar blijven bekende kunstenaars?” Op verzoek van Alexandra vervolgen de Schatbewakers met de introductie van het laatste onderwerp van dit tweede tafelgesprek en dat gaat over … DE TOEKOMST VAN SAMENSPRAAK EN HET MOBILISEREN VAN COLLECTIEVE INTELLIGENTIE. Uit de stadswijkgesprekken is gebleken dat veel inwoners het jammer vinden, het als hinderlijk en als stom ervaren dat zij niet betrokken worden bij plannen die rechtstreeks te maken hebben met hun eigen woon- en leefomgeving. Vanuit hun dagelijkse ervaring kunnen en willen zij graag bijdragen aan een betere, duurzamere woonomgeving. Vandaar hun aanbeveling om: “Bij de planvorming niet over de mensen heen te gaan, maar het samen te doen, met elkaar...” De gemeente heeft het beste met ons voor, maar klopt dat wel? Soms zit dat gevoel vast aan een gebouw en door de gemeente zijn al veel gebouwen gesloopt. In deze stad speelt het ook bij het onderhoud van de publieke ruimte in de stad (bomen, bruggen en bestrating). Daarnaast is in 2000 de


stadsmaquette na 30 jaar aanwezigheid in het publieke domein moedwillig ondergronds geraakt. Ze wordt na politieke interventie nu door vrijwilligers schoongemaakt en gerepareerd. Dus gemeente… maak rijkere afwegingen dan alleen de combinatie functionaliteit en geld; denk ook aan betekenis, beleving en … emotie. Niet alleen in fysieke zin bestaat Zoetermeer uit heel veel kleinere eenheden (buurten als dorpjes), maar ook in sociaal-maatschappelijk opzicht ontbreekt het aan zinvolle overleg en samenwerkingsverbanden. Er is nog geen culturele, maatschappelijke ‘elite’ in de stad. Zoetermeerse regenten ontbreken en alternatieven zijn nog niet voorhanden. Ondertussen vinden wel samenspraakprocessen plaats, maar die zijn aan de tijdelijkheid van een project gekoppeld. Is Zoetermeer al toe aan experimenten als ‘right to challence’. ‘a community of practise’ of een voorstel voor het instellen van een burgerraad? Wat er moet gebeuren is werken aan het versterken en aan het leggen van verbindingen tussen al die eilandjes waaruit de stad is opgebouwd. Aan tafel hebben nu plaats genomen Taco Kuiper, Arnold Reijndorp, Tineke Lupi en Kees van der Riet. Kees is nu met pensioen, was ooit ambtenaar, maar nu al jarenlang actief in de Zoetermeerse samenleving onder andere als secretaris van DuurSamen Zoetermeer. Kees opent het gesprek met twee vragen: “Wat is de kwaliteit van 120.000 inwoners, die in jouw stad wonen?” en vervolgens de vraag: “Wat doe je daar mee?”. Als voorbeeld van de huidige gang van zake haalt hij het samenspraak/ inspraakproces aan over de schaalsprong van Zoetermeer. Gesprekken op stadsniveau zijn gevoerd, een rapport is opgesteld en vervolgens is het proces gestopt, terwijl het project gewoon verder loopt. Waarom zijn we niet doorgegaan? Ja, straks wordt op buurtniveau de inspraak op informatie-niveau georganiseerd. Als tweede voorbeeld haalt Kees de energie transitie aan, die voor de komende jaren op de stadsagenda staat. Zo’n proces gaat niet vanzelf, daar heb je de mensen voor nodig en die moet je bij dat proces betrekken. Er is sprake van een tegenstelling tussen het samen doen en vervolgens dat overleg proces gewoon stoppen. Vandaar dat we met DuurSamen aan de slag zijn gegaan door vervolggesprekken te organiseren.

Mijn motto luidt...”Project moet Proces worden.” Taco informeert bij Tineke hoe het met de samenspraak in Almere is gesteld. Zij noemt twee sterk van elkaar verschillende voorbeelden. Er worden stadsgesprekken over een speciaal thema gehouden zoals over senioren als stadsbewoners. Wat je met de uitkomsten kunt doen is en blijft ingewikkeld. Van heel andere schaal is het ‘zelf stad’ maken door bewoners. Stukjes grond worden uitgegeven en dan kan je met anderen aan de slag om je eigen woning en woonomgeving op te bouwen. Een groot experiment, dat nog jaren gaat duren en nu al veel reacties oproept. Arnold wil nog even doorgaan op het verhaal van Kees over dat enorme sociaal-kapitaal dat 120.000 mensen samen vertegenwoordigen. Bewoners hebben een beroep. Vanuit hun eigen werkervaring kunnen zij terecht uiten dat zij sommige zaken op een andere wijze zouden uitvoeren. Wat is er mis om uit te gaan van het bewoners-gezichtspunt? Nu wordt je als burger aangesproken, vroeger stond een beroep in je paspoort. Mensen dienen op hun vaardigheden te worden aangesproken. Dan kan je op een andere wijze werken aan sociale cohesie en niet op die onwerkbare topdown benadering. Zo’n proces moet veel fijnmaziger worden opgezet. In het bedrijfsleven heeft de werkvloer de oplossing al als de managers nog volop in discussie zijn. Zo weten bewoners het vaak ook al en is de gemeente nog in onderling overleg gewikkeld. Een vrouw uit de wijk Meerzicht vertelt hoe ze daar het probleem aanpakken. In de buurt waren drie mannen overleden en de weduwen zorgen voor elkaar. Ze vormden een wandelclubje, gaan met elkaar op cursus en letten op elkaar. En nu we het toch over Meerzicht hebben… “Waarom zijn de brievenbussen verplaatst?”

45


TOEKOMST

Alexandra opent na een korte pauze de laatste gesprekstafel over de toekomst van Zoetermeer met als thema: AAN WAT VOOR EEN STAD WIL JE DOORBOUWEN? Voor dit derde gesprek zitten aan tafel Richard Koek, stedenbouwkundige & landschapsarchitect, partner bij Rijnboutt bv maar ook bestuurslid van Stichting Schatbewakers, Arnold Reijndorp, die blijft gewoon zitten maar er is ook een nieuwe gast, Bert Dekkers, trekker van Groen erfgoed Zoetermeer en weer terug aan tafel Jeroen Niemans De Schatbewakers vervolgen met een presentatie over de mogelijke en wenselijke toekomsten van Zoetermeer. Deels parallel aan de stadswijkgesprekken van Schatbewakers liep het samenspraak project van de gemeente over de groei met minimaal 10.000 woningen. De stad wil groeien, maar waarheen? Die vraag is door de procesbegeleiders Fulco Treffers en Ronald Schepers op verschillende manieren voorgelegd aan de inwoners. Het project heet ‘Mijn stad, mijn toekomst 2030’ en het resultaat is een stad, waar je hardop mag meezingen en acht serieuze aanbevelingen: 1. Groei, maar met behoud wat de stad aantrekkelijk maakt: groen, bereikbaar en praktisch 2. Streef niet naar compleetheid. De regio biedt genoeg. 3. Stel kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen op voor groen 4. Investeer in kwaliteit van openbare ruimte, architectuur, groen en activiteiten 5. Meer dynamiek mag, maar in balans. Stadsevenementen in het centrum en buurtactiviteiten 6. Benut de kracht van de wijken, in sociaal opzicht, voorzieningen en mogelijkheden om elkaar te ontmoeten 7. Nieuwbouw is bespreekbaar, ook in de eigen wijk. Maar kijk vooral naar transformatie kantoor- en industriegebouwen 8. Inwoners moeten meepraten over de vertrekpunten van samenwerking en besluitvorming Met wat voor een ruimtelijk beeld gaat de nieuwe groei van de stad gepaard en sluit dat qua repertoire aan op de bestaande aangrenzende stadsgebieden? Er zijn in het recente verleden al de nodige ruimtelijke plandocumenten opgesteld. Of leidt het nieuwe specifiek woonprogramma in combinatie met commercieel grondbezit tot marktconforme stadsontwikkeling zoals elders? Zoetermeer is een beetje oud, maar in de stad is vooral heel veel nieuw uit de periode na 1960 aanwezig (zie ook de architectuurgids). Niet alleen gaat het over bebouwing maar ook oude en nieuwe landschappelijke structuren zoals de linten en de H-structuur; in wat voor stadsbeeld resulteert dit? In de stadswijkgesprekken is gebleken dat voor veel inwoners de stad als ervaarbare en herkenbare entiteit nauwelijks wordt (h)erkend. De trits huis, straat, buurt, wijk wordt al snel vervolgd met een verwijzing naar steden in de omgeving. Door de voorgenomen nieuwbouw krijgt een deel van de stad, zoals het

46


.................................................................................................................................................................................................... 47


3

48

entreegebied een nieuw beeld. Dat roept de vraag op of de voorgestelde ruimtelijke expressie wel de gewenste vorm van stedelijkheid voor Zoetermeer is. In de plannen voor het entreegebied wordt ingezet op ensembles waar hoogbouw in de vorm van torens deel van uitmaken. Tezamen met clusters en plinten, voorzien van een bijzonder programma, moet voorheen de Afrikaweg omgevormd worden tot een “echte stadsstraat”. Bezit Zoetermeer wel voldoende kritische massa om zo’n beeld tot leven te laten komen? Wat is er mis met de groene stedelijkheid van Apeldoorn of Amstelveen? Als je niet kunt concurreren met steden als Delft of Gouda, en dat eigenlijk ook niet wenst, welke vormen van stedelijkheid zijn dan voor Zoetermeer beschikbaar? Is een centraal binnenstad park daar ook een uiting van? En hoogbouw is niet het enige middel om stedelijke vormen van wonen en stad zijn tot uitdrukking te brengen. Er zijn veel bebouwingsvormen mogelijk, ook voor het bouwen in een hoge dichtheid. In meer steden hebben grote vernieuwingsprojecten gespeeld. Daar kan je veel van leren. Een belangrijk advies luidt: blijf uitgaan van de eigen kracht. Bij dergelijke grote opgaven speelt ook een actuele vakdiscussie; hoe breng je vakgebieden als stedenbouw, mobiliteit en architectuur tezamen? Het is in het verleden vaker gebeurd, zoals in Rotterdam het Maastunnel-tracé, of recent de Laan op de Kop van Zuid. In Den Haag is het herbouwplan van architect W.M. Dudok een mooi voorbeeld over het op een ontspannen wijze combineren van landschap, de Haagse Beek, infrastructuur, de Sportlaan/ Stadhoudersplein en bebouwing tot een groot ensemble. Typisch Haags door het gebruik van lange landschappelijke lijnen in de stad. Maak gebruik van de eigen karakteristieken, van de ritmes die in de stad leven, want er wordt wel aan een nieuwe omgevingsvisie gewerkt! In Amsterdam -Houthavensbouwen ze nu eenmaal op een andere wijze dan in Zoetermeer. En we zouden al veel over de eigenheid van de stad moet kennen, want er liggen mooie publicaties, op basis van gedegen onderzoek, mede dankzij de inzet van Arnold op tafel. En daar komt vanavond een nieuwe gebruiksaanwijzing bij. Richard Koek opent het gesprek over de toekomst met een aantal vragen. De toekomst van de stad, over welke toekomsten hebben we het dan? Met wie willen we daaraan werken? Hoe gaan we dat doen en waar willen we naar toe? We moeten meer doen dan problemen oplossen, een ideaal, een droom als een stip op de horizon plaatsen. Laten we het over onze dromen voor het Zoetermeer van straks hebben. Bert van het ‘groen’ vertelt over de droom om met een aantal vrijwilligers een oude perenboomgaard te laten uitgroeien tot betekenisvol centrum. De Hof van Zegwaard staat voor de spontane stad; het met burgers werken aan een vitale plek waar het sociale leven zich kan blijven ontwikkelen. Jeroen gelooft dat je een stad niet op één droom kunt bouwen, maar op de dromen van 120.000 Zoetermeerders. “In de pauze zag


ik iedereen met elkaar praten. Maak nu met elkaar eens een plannetje hoe we samen de toekomst van Zoetermeer mooier gaan maken en koppel dat aan de grote opgave van de stad zoals het omgaan met de klimaatverandering. Initiatieven bij elkaar brengen en zo stad maken; wie maakt eigenlijk de stad?” Arnold vertelt dat in den beginne de stad is gemaakt voor mensen die er nog niet waren. Maar nu met 100.000 Zoetermeerders moet het samen doen, bijvoorbeeld op basis van een agenda van de overheid. Daar staan meer doelen op dan dromen, maar je kunt dromen rondom groen, voor klimaatadaptatie wel verbinden aan de doelen van de gemeente. Dat is niet zo gemakkelijk, maar je moet er wel de wijken voor in gaan. “De opgaven van nu zijn zo groot en ingewikkeld dat je deze niet achter de tafel van ingenieurs kunt oplossen.” Vanuit zijn ervaring licht Bert toe hoe groen erfgoed is ontstaan. Vanuit tal van burgerinitiatieven is nu een samenwerkingsverband ontstaan, waarbij de kleinschaligheid en het geworteld zijn in de wijk is gebruikt om mensen te organiseren en de gemeente een faciliterende rol vervult. Groen is wel een mooi onderwerp, omdat het volgens Arnold hoort bij de anti-structuur van een stad. Stadsstructuur gaat over het wonen, het werken en over infrastructuur; groen is vaak wat is overgebleven toen de stad nog niet af was. Daarbij geven parken, maar ook een buurttuin een gevoel van vrijheid. Een gevoel, dat mensen kennelijk heel aantrekkelijk vinden en dat ook ingezet kan worden voor zoiets groots als klimaatverandering. Niet omdat het moet, maar omdat het ook iets leuks kan opleveren. Ruimte bieden voor iets nieuws, dat zie je ook in de echt oude steden. De plekken waar dat nu gebeurt zijn de oude industriegebieden, de havens, de rafelranden van de stad. “Is Zoetermeer al oud genoeg?” vraagt Richard zich af om een rafelrandje te hebben. Volgens Arnold zijn zulke ontwikkeling niet afhankelijk van de leeftijd van een stad. Moskeeën, boksscholen, partycentra verschijnen ook in werkgebieden van nieuwe steden als daar het oorspronkelijke programma vertrekt en het gebied in zgn. verval raakt. “Verval is vaak de opmaat voor vernieuwing”. Tijd is aangebroken om het over de nieuwe publicatie van Arnold te hebben en Foke de Jong wordt aan de gesprekstafel gevraagd. Zij werkt nu als stedenbouwkundige bij de gemeente Zoetermeer en heeft als een van de eerste het 49


50

"... als je niet gehoord wordt of niet de kans krijgt verdrinkt je in de discussie, zoals nu ook bijna gebeurde. "


boek gelezen. “Ja, de publicatie is een aanrader, maar omdat ik gevraagd kritisch te zijn, snap ik de titel toch niet. Een gebruiksaanwijzing behoort bij een product, vaak door ingenieurs gemaakt, een geeft aan hoe dat voorwerp te gebruiken, maar jij somt een hele waslijst problemen op.” “Die gebruiksaanwijzing is niet letterlijk te nemen, zoals je ook geen kat in een magnetron stopt. Het is beslist geen receptenboek, maar het gaat wel over een bedacht product. Dat maakt nieuwe steden zo bijzonder, want we weten helemaal niet hoe oude steden zijn bedacht. Ik vergelijk de nieuwe stad in mijn boekje met een basis-set van LEGO of een treinset van Märklin. Als kind droomde ik van een treinbaan. Bij mijn verjaardag kreeg ik de basisset; een locomotief, een paar wagons en rails om een rondje te maken. Leuk wordt het pas als je meer spullen erbij hebt, zoals wissels, een tunnel of een brug. Als het gaat groeien, zo ook bij een nieuwe stad en de bewoners zich ermee gaan bemoeien. Als dat maar goed gaat. Vandaar mijn gebruiksaanwijzing over de ooit geplande, maar nu geleefde stad.” Laatste vraag van Foke gaat over … wanneer Zoetermeer stadsrechten krijgt. Arnold gebruikt dat begrip als metafoor…”De stad hoeft niet de hele tijd gemaakt te worden. Het gaat immers over de toekomst van de stad en niet over hoe maken we daar nu eindelijk eens een keer stad van. Dus wat mij betreft zou ik Zoetermeer wel stadsrechten willen geven, net als veel andere nieuwe steden.” Tijd om over te gaan tot de officiële uitreiking van deze publicatie aan het bestuur van de stichting van Arnold en aan het bestuur van Schatbewakers. Hoe zijn we eigenlijk tot elkaar veroordeeld geraakt? “Wij -Alcuin, Willem en ikkwamen elkaar tegen en bleken een gezamenlijk probleem hebben. Deze schatbewakers hadden een project gestart, maar wanneer hou je daar nu mee op? Dat was hun probleem. Ik had een vraag gekregen vanuit mijn bestuur, was daarover aan het nadenken en wist dat er een boekje uit zou komen. De titel had ik al, maar geen deadline. Dus hebben we gezamenlijk afgesproken elkaar aan een-en-dezelfde deadline te helpen en dat is deze dag geworden.” Vervolgens biedt Arnold exemplaren van zijn laatste publicatie aan twee bestuursleden van de Han Lammersleerstoel, Hans Ouwerkerk, oud-burgemeester van Almere

en Caspar Swaan en aan Taco Kuiper, voorzitter van stichting Schatbewakers. “Ik heb mijn boekje nu af, maar jullie Schatbewakers zijn nog helemaal niet klaar. Zie het maar als een mooie tussenstand; hiermee mag het niet ophouden.” Nadat velen bedankt waren -goed gedaan Alexandra- de flesjes al rinkelden, bleef het nog lekker lang onrustig in Jofel by Class in de Dorpsstraat van Zoetermeer; het festijn huisje, boompje, feestje was geslaagd. NIET UITGESPROKEN door de Schatbewakers, maar wel met de bedoeling dat te doen……. Over onze werkagenda We gaan door……stoppen is geen optie en we beginnen met het samenstellen van magazine 4: een uitgebreid verslag van dit oogstfestijn. Ook om ons eigen verleden vast te leggen. We gaan ook meedoen in de begeleidingsgroep over het naoorlogse erfgoed van Zoetermeer. Voor wat betreft het heden -en de toekomst- blijven we deelnemen aan gesprekken en initiatieven over de opgaven van deze stad. En we gaan ons ook bezig houden met het leveren van bijdragen aan de discussies over de vernieuwing en groei van Zoetermeer. We hebben met een aantal vrijwilligers nog een stadsmaquette schoon te maken en te herstellen en daar tenminste een stadsgesprek over te organiseren. En we willen er ook nog even op uit… naar Istanbul. Tot slot……. Dank jullie allemaal, voor je aanwezigheid en het leveren van bijdragen aan dit festijn. Dank Arnold, dat jij op ons hebt gewacht, of was dat net andersom? Danken aan de sprekers en gasten, aan de muzikanten en aan Laurens voor de opening. Dank aan ons stichtingsbestuur voor hun actieve participatie en flexibele opstelling en grote dank aan Alexandra. Zij heeft ons op een bijzondere wijze geholpen (36 uur geleden kenden wij elkaar nog niet) en de avond voortreffelijk geleid. Laten we met elkaar blijven praten. Laat dit oogstfestijn het begin zijn van een inspirerend vervolg, samen met jullie. We sluiten af met een drankje.

51


De Nieuwe Stad - een gebruiksaanwijzing In de tweede helft van de vorige eeuw kwamen overal in Europa nieuwe steden tot ontwikkeling. Ook in Nederland, op het oude land en in de nieuwe polders. Voorbeelden zijn Zoetermeer, Lelystad, Nieuwegein, Spijkenisse, Almere en Houten. In vijftig jaar groeide ze uit tot dot middelgrote steden. Vergeleken met de oude steden van die omvang komen ze pas net kijken. Ze vormen nog steeds een nieuw en vrijwel ongekend fenomeen. Zijn het eigenlijk wel steden? Of een verzameling buurten en dorpen? Zijn ze stedelijk of eigenlijk meer suburbaan? Of allebei? Met wat voor problemen gaat de groei gepaard? En hoe ga je hiermee 0m? Wat willen ze worden? En wie wil dat, de inwoners, de gemeente, ontwikkelaars? Voor de nieuwe steden bestond wel een plan, maar een gebruiksaanwijzing ontbrak. Dit essay is een poging om daarin te voorzien. Door het verdiepen en samenbrengen van sociale en ruimtelijke ontwikkelingen is deze gebruiksaanwijzing niet alleen relevant voor de bestuurders en bewoners van de Nieuwe Stad, maar voor iedereen die zich bezighoudt met vormgeven aan het stedelijk leven, vanuit elk denkbaar perspectief. Arnold Reijndorp hield zich als bijzonder hoogleraar sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkelingen van nieuwe stedelijke gebieden ruim tien jaar lang en samen met medewerkers en studenten intensief bezig met de Nieuwe Stad. Met andere publiceerde hij eerder onder meer Buitenwijk, Stedelijkheid op afstand, De alledaagse en de geplande stad, Op zoek naar nieuwe publiek domein, Atlas Nieuwe Steden en Nieuw-West: parkstad of stadswijk. Stadsessays Trancity*valiz, over de stad, stedelijke ontwikkeling en het publiek domein

52


53


RECENSIE Tekst Foke de Jong- Noorman

Als digitale publicatie te downloaden op de site: www.trancity.nl 54


Arnold Reijndorp krijgt een simpele vraag. Na 10 jaar de Han Lammersleerstoel te hebben bekleed, komt het bestuur van de leerstoel met de vraag een essay te schrijven waarin een praktisch antwoord komt op de vragen en problemen van de Nieuwe stad. Met andere woorden een gebruiksaanwijzing. Arnold legt uit dat de Nieuwe stad een gebruiksaanwijzing mist. Hij gebruikt daarvoor de volgende metafoor: “De Nieuwe stad is bij aanvang natuurlijk geen stad. Steden zijn nooit nieuw en niet op bestelling leverbaar. Steden zijn alleen tweedehands of antiquarisch verkrijgbaar. De nieuwe stad is een basispakket. Zoals een beginset van Marklin geen complete modelbaan oplevert, maar slechts een ovaaltje rails, een trafo en een locomotiefje met twee wagentjes, en een beginset Lego net genoeg steentjes om een enkel huisje of autootje te bouwen, is de Nieuwe Stad bij lange na nog geen stad… Het basispakket bevat slechts een paar duizend woningen, wat wegen en straten, een basisschool, een paar winkels, een buurthuis en een enkele bushalte. Maar er zit nog meer in de doos: een plan en een catalogus. Dat plan laat zien hoe de Nieuwe Stad kan uitgroeien tot een complete echte stad althans in vlekken en hoofdlijnen…. Net als bij Marklin, Lego of Playmobil is er een catalogus van allerlei aanvullingen, accessoires, adaptaties en aanvullingen om die vlekken te vullen en in de loop het product uit te breiden te verrijken en te vernieuwen. De nieuwe stad is een belofte van een stad. Wat er trouwens niet in zit, is een gebruiksaanwijzing.” Toch blijkt dat de gebruiksaanwijzing niet zozeer gaat over de geplande, fysieke stad, maar juist over het andere deel namelijk de geleefde stad. De geleefde stad is de stad van de tactieken. Met andere woorden de mensen moeten de ontworpen stad veroveren, innemen, verinnerlijken, veranderen, dingen aan toevoegen of juist weghalen. Arnold probeert de vaak negatieve gevoelens die kleven aan een nieuwe stad te nuanceren door zijn ontspannen manier van de problemen analyseren om vervolgens een milde diagnose te stellen. Een voorbeeld hiervan zijn “de lijstjesʼ. Daar worden gemeenten onderling vergeleken met eendimensionale factoren. Hij legt uit dat door alleen te focussen op de plaats op het “lijstje”, dit vaak aanleiding geeft tot calimero-gedrag en uitingen van territoriale zelfstigmatisering. Hij prikt door een aantal mythes zoals homogeniteit/heterogeniteit, sociale cohesie, stedelijkheid, gelijkvormigheid, eenzaamheid, verwarde personen, et cetera. Hij fileert het probleem net zolang totdat de essentie overblijft en stelt in bijna alle gevallen een andere oplossing voor dan te doen gebruikelijk. Het is een erg prettig en leesbaar boek/essay en regelmatig een eyeopener. Het is in zijn compactheid rijk in de variatie van onderwerpen en door de toegankelijke theoretische verdieping. Aan te raden voor iedereen die te maken heeft met de Nieuwe stad. Dat kan professioneel maar zeker ook als inwoner van een Nieuwe stad. 55


Zoektocht naar 'de ziel van Zoetermeer

INHOUD 1 Editorial Vuurtorenschool… de polder voorbij Op weg naar een voorstel Stadsgesprekken # Stadsgesprek 1 Stedenbouw 19 maart 2015 Nieuw perspectief op de stad | Zoetermeer door de ogen van Willen Hermans Stadsgesprek 2 Kunst&Cultuur 2 april 2015 Van welke cultuur is mijn vader de drager? Stadsgesprek 3 Landschap & de stad 16 april 2015 Ontwikkeling Zoetermeerse stadsparken Stadsgesprek 4 Cultuurhistorie 29 oktober 2015 Stadsgesprek 5 De spelende mens 12 november 2015 Is Zoetermeer ‘geluktʼ? Mijn plek Zoetermeer Stadsgesprek Oogstfeest 14 januari 2016 Bijvangst Socrates, Plato en Kesselsʼ kralenspel Nawoord Colofon

56

INHOUD 2

INHOUD 3

Editorial 150 weken Schatbewakers Pilot Dorpsstraat Stadswijkgesprek Seghwaert [1] Perspectief van Willem Hermans op de stad (deel 2) Floriade 25 jaar geleden [7] Bijvangst Samen door de dingen heen kijken Meerpolder - preview Efteling in de stad Nawoord Colofon

Editorial Over de ziel Stadshart [6] Meerzicht [3] Stadsmaquette Meerpolder [4] Driemanspolder [9] Noordhove – Oosterheem [5] Palenstein [8] Bestuur Stichting Schatbewakers Dorp [10] revisted Reprise Oosterheem [5] Een plezierig gat in de lucht DorpsLab Nawoord Colofon

''Beoordeel de dag niet altijd op wat je hebt geoogst, maar ook eens op de zaden die je hebt geplant.'' Robert Louis Stevenson Schatbewakers hanteren bij de zoektocht naar 'de ziel van Zoetermeer' de methodiek van het kralenspel. Het kralenspel is een spel met betekenissen: opvattingen, waarden, meningen. Deze betekenissen zijn verdeeld over 10 kralen. Je speelt alle kralen om een samenhangend beeld van een kwestie te ontwikkelen. De cijfers tussen de haakjes in de inhoudsopgave staan voor de betreffende kraal, die in het gesprek onderzocht wordt (zie ook pg 12). Het spel is gebaseerd op de ideeënleer van Plato en doorontwikkeld door Jos Kessels.


57


'Werkplaats' Stadsmaquette De ‘Bob de Bouwers' zijn begonnen… en ik ben ontwaakt. door: Willem Hermans fotografie: Alcuin Olthof

58

Daar lag ik dan, in stukjes en beetjes, opgeslagen in het kunstdepot van de gemeente Zoetermeer. Was ik nu als stadsmaquette begonnen aan een winterslaap, zou ik ooit nog gewekt worden en wie zou dan mijn Prins zijn? Dagen werden weken, weken werden maanden en ik bleef rustig liggen. Keurig ingepakt in bubbeltjes plastic, in het gemeentelijke depot aan de Argonstraat, met een aangename temperatuur, doch met weinig aanloop. Maar buiten werd er wel over mij gesproken. Schatbewakers konden niet ophouden met het roemen van mijn afkomst; het is cultureel erfgoed en dat moet je behouden. Frank van Dʼ66 had als kind over de glazen vloer in het stadhuis gelopen en mij van bovenaf vaak gezien. Hij was ook bij op bezoek geweest toen ik weer ergens tijdelijk werd tentoongesteld. “Laten we eens op een rijtje zetten wat het kost om die maquette schoon te maken en te repareren. En het liefst met hulp vanuit de Zoetermeerse samenleving.” De schatbewakers maakten een plan om met behulp van vrijwilligers en bij het CKC aan de slag te kunnen gaan. Frank trok met het plan de politieke arena in en ja, op 1 juli 2019 nam de gemeenteraad een motie aan om 10.000,- euro te reserveren voor schoonmaken en reparatie. Dit voltrok zich geheel buiten mijn gezichtsveld om… de lente ging over in de zomer en in de opslag aan de Argonstraat bleef het rustig. Maar… op een dag in begin oktober 2019 kwamen schatbewakers binnen en namen heel voorzichtig een paar stukken met zich mee. Ik kwam weer gedeeltelijk in de


openbaarheid en werd met egards in het CKC neergelegd. Wat bleek… een zevental vrijwilligers had zich aangemeld om zich met mij te willen bemoeien. De pers en de politiek werd erbij gehaald, fotoʼs werden gemaakt en heel zachtjes werd ik van jarenlange stof en vervuiling ontdaan. Ik begon gewoonweg weer te glimmen, want die vrijwilligers wisten van wanten. Iedere week, op de vrijdagmiddag moest ik nu beetje bij beetje in een 'warm bad' behandeld worden; niet letterlijk met zeep en shampoo, maar heel liefdevol werd ik gepoetst, gekwast en af en toe weer even stevig recht gezet. Het beviel ons allen heel goed en steeds meer delen kwamen vanuit het depot naar het CKC toe. Er werd zelfs een aparte stellingwagen voor mij in elkaar gezet. Vreugdevol en heel ontspannen ging ik het nieuwe jaar in en een opgeruimde toekomst tegemoet. En ik bleef publieke belangstelling trekken. ‘Kunnen jullie de wijk Palenstein met voorrang behandelen, of is het entreegebied tussen Driemanspolder en Meerzicht al schoongemaakt?” Op zondag 19 januari 2020 werd ik door tientallen Zoetermeerders bekeken en besproken op de Open Dag in het CKC die aan de stad Zoetermeer was gewijd. Zoveel belangstelling en een jaar geleden lag ik nog te slapen in een gemeentelijk depot. Waar gaat dat naar toe? Het is nu februari 2020 en ik ben weg uit de gemeentelijke opslag. De gemeente Zoetermeer, mijn juridische vader & moeder, hebben besloten mij te laten verhuizen naar het IBM gebouw in Zoetermeer. In dat nu leegstaande kantoor wordt een gemeentelijke informatiebureau ingericht. Daar worden de plannen voor de nabije toekomst van Zoetermeer ontwikkeld en besproken. Tafels, fotopanelen, lampen en alle stukken die nog in het depot lagen zijn nu bij IBM ondergebracht. Ook de maquettedelen, die al schoongemaakt zijn, liggen nu in dat kantoorpand aan het Bredewater. Zo zal ik -wederom tijdelijk- daar opgebouwd worden. Maar ik ben ook nog aanwezig bij het CKC. Schatbewakers en vrijwilligers houden daar elke vrijdagmiddag de stadsmaquette-werkplaatsbijeenkomsten, want ik ben nog niet helemaal schoon en er ontbreken nog de nodige losse stukken. Met zoʼn LAT-relatie tussen IBM en CKC is wel te leven, maar het is wennen. En ik moet eens goed gaan nadenken wat de toekomst me kan brengen. Waar zou ik me graag voor een langere periode willen vestigen? Dat heb ik zelf niet voor het zeggen, maar gelukkig heb ik al veel volgers en een schare trouwe aanhangers. Ik heb nog even de tijd, maar de rust van de winterslaap is definitief voorbij. Jullie zullen van mij horen… februari 2020 59


Kan het nieuwe Zoetermeer zich spiegelen in het oude Istanbul?

door: Erik Pool fotografie: Alcuin Olthof

In het AD zullen we niet snel een kop aantreffen die meldt: ‘Het krankzinnige kanaal van Aptroot’. Precies deze headline stond begin dit jaar in de Volkskrant, maar dan met vermelding van Erdogan, de president van Turkije, die ten westen van Istanbul dwars door het land, inclusief grootscheeps grondonteigening en het doorsnijden van kwetsbare natuurgebieden, een kanaal wil aanleggen dat de Zwarte Zee in het noorden verbindt met de Zee van Marmara in het zuiden. Het is een ‘krankzinnig’ idee omdat pakweg 30 kilometer naar het oosten beide zeeën al verbonden zijn, via de Bosporus, een druk bevaren vaarroute, dwars door Istanbul. Wat haalt die Erdogan overhoop? En waarom? ‘Het is een gevecht om de ziel van Istanbul’, schrijft de Volkskrant. Hoe zou het gaan met de ziel van Zoetermeer als Aptroot de krantenkoppen haalt met een ‘krankzinnige’ ingreep in het landschap om een volkomen overbodig project te starten? De

6

rol van de overheid in Turkije is een totaal andere dan die in ons land, en Aptroot is Erdogan niet. Gelukkig niet. Maar zouden we er toch iets van kunnen leren, van deze parallel?

60

....................................................................................................................................................................................................


Bijvoorbeeld dit: de stad wordt gemaakt door de mensen die er wonen, de overheid kan dat niet van ze overnemen. Zou dit een goed inzicht kunnen zijn? Schatbewakers bekommeren zich om de ziel van Zoetermeer. In wijksessies waren ze de afgelopen jaren in gesprek met de mensen uit de stad om te horen hoe zij die ziel ‘zien’, en of ze haar ervaren, of ze haar herkennen, aangenaam vinden, haar willen veranderen of mede kunnen inkleuren. Zó doe je dat: samen, met de gemeenschap en de mensen die haar maken, zoeken naar en vormgeven van de Zoetermeer ziel. Er is een raar, maar wel een klein en fijn verband tussen dit Schatbewakers project in ‘new town’ Zoetermeer en de Turkse metropool Istanbul. Dat loopt via Alcuin Olthof en ook een beetje via ondergetekende. Want wat wil het geval? Hij en ik waren, met nog zes andere Nederlanders, in december op bezoek in Istanbul. We combineerden een studie- en werkbezoek met een uitnodiging van het Nederlandse consulaat in Istanbul om te komen helpen bij de

nakomt, zich een betrouwbare partner toont. Die ook bestuursrechtelijk netjes functioneert en rechtvaardige procedures heeft. Maar die toch ook vooral goed luistert naar en meewerkt met de plannen die bewoners, ondernemers, culturele organisaties en sociale netwerken zelf op eigen kracht ontwikkelen voor de buurten en straten waar ze dagelijks in verkeren. In een metropool kan een stadsbestuur al bijna niet anders: want wat kun je vanuit één kantoor voor twintig miljoen inwoners regelen? En dat is een vraag die zeker ook opgaat voor Istanbul: een moderne, veelzijdige, kleurrijke, ondernemende en eigenzinnig stad die zich van oudsher al niet zo veel laat gezeggen, en niet voor niets bij de laatste burgemeestersverkiezing in maart 2019 koos voor de liberale koers van Ekrem İmamoğlu, die het tegen president Recep Erdogan had opgenomen. De president heeft geprobeerd tot drie keer toe de uitslag naast zich neer te leggen, inclusief het uitschrijven van nieuwe verkiezingen. Maar die zijn zo mogelijk nog dramatischer voor hem afgelopen, waarna zelfs Erdogan zich moest neerleggen bij de maatschappelijke tegenkracht die van Istanbul zo’n uitzonderlijke stad maakt.

mobiliteitsproblemen in de wijk Kadiköy. Daar reserveerden we de vrijdag voor, om ’s morgens met een verkeersdeskundige van de betreffende deelgemeente de wijk te leren kennen en letterlijk te zien hoe daar de auto’s alles in beslag hadden genomen - pleinen, trottoirs, oversteekplaatsen, fietspaden - en om ’s middags met betrokkenen uit de wijk, deskundigen uit Istanbul en een team van het Nederlandse consulaat te werken aan een oplossingsrichting. Wat we leerden, niet alleen op die vrijdag maar eigenlijk tijdens ons gehele vijfdaagse werkbezoek aan de stad, is hoe cruciaal een participatieve overheid is. Eentje die wel zijn eigen taken goed uitvoert en afspraken 61


Het vijfdaagse programma dat we als groep in overleg met het Nederlands consulaat hadden samengesteld, gaf een bijzondere inkijk in de dynamiek van de stad. Toen ik het artikel in de Volkskrant las over dat krankzinnige project dat Erdogan zou willen gebruiken in het gevecht om ‘de ziel van Istanbul’, moest ik uiteraard onmiddellijk aan het ziel-zoek-project van Schatbewakers denken. En die associatie leverde een bijzondere gedachtesprong op. Namelijk deze: wat zou een groep uit Turkije in Zoetermeer ontdekken over ‘de ziel van deze new town’ als zij gedurende vijf dagen een vergelijkbaar programma doorlopen als wij deden in Istanbul? En dat begint natuurlijk al met de vraag: hoe zou zo’n programma in Zoetermeer vorm moeten krijgen als we dat spiegelen aan de opzet en de thema’s die wij in Istanbul verkenden? Waar moet de groep heen, wie moet ze spreken, wat moet ze zien? Ik zal daarom ons Istanbul-programma kort schetsen en daarbij telkens vragen oproepen of parallellen suggereren die op z’n minst interessant zijn om te benutten bij het zoeken naar de ziel van Zoetermeer. Of, wat ook mogelijk is: ze zijn wellicht te gebruiken in een debat over de verdere groei van de stad, in kwantitatieve zin met meer inwoners of in kwalitatieve zin met meer ‘ziel’. Zijn ze behulpzaam om ‘samen’ toe te groeien naar een gemeenschap met diverse kwaliteiten, verborgen gebreken, tekorten, talenten en grootse of kleinere plannen? Alles is onvergelijkbaar, vooral de omvang van de stad natuurlijk, en - overbodig te benadrukken - het politiek klimaat. Istanbul is Zoetermeer niet en Aptroot is al helemaal geen Erdogan. Maar de spannende vergelijkingen die ik als gedachte-experiment maak, kunnen hopelijk wel de creativiteit prikkelen. En misschien kan dat wat extra worden aangezwengeld door het ongemak vanwege het politieke klimaat in Turkije: lukt het om niet alleen in de weerstand te schieten maar eens een totaal anders perspectief te pakken om na te denken over het reilen en zeilen in Zoetermeer? De simpele vraag is dus: welke ‘constructieve’ spiegel kan het oude Istanbul voor het nieuwe Zoetermeer zijn? Dag 1: Vluchtelingen Op woensdag bezochten we een opvangcentrum voor vluchtelingen, voornamelijk afkomstig uit Syrië, in de wijk Sultan 62


Beyli. We waren zeer onder de indruk van het maatschappelijk organiserend vermogen waardoor, in samenwerking met de deelgemeente, vanaf dag één alle binnenkomende vluchtelingen kunnen worden voorzien van huisvesting, eten, medische zorg, onderwijs, kinderopvang en werkbemiddeling. Zo integraal als de opvang daar is, zo goed doen we dat in Nederland bepaald niet, omdat de nieuwkomers hier maar al te snel zelf hun weg moeten vinden in de papieren molens van onze voorzieningen, verplichtingen en regels. De taalproblemen zijn hier voor alle nieuwkomers vanaf dag één - en nog maanden daarna - een grote barrière. Hier in Sultan Beyli worden alle nieuwkomers systematisch gevolgd en begeleid, er worden maandelijks vier- tot vijfduizend asielzoekende vluchtelingen gebeld om te volgen hoe het met ze gaat, welke hulp en ondersteuning nodig is, of ze nog een dak boven hun hoofd hebben, hoe het de kinderen vergaat, of ze werk hebben en nog voldoende geld om voor zichzelf te zorgen. Veel van dit werk wordt gefinancierd via particuliere fondsen, ngo’s en internationale hulpprogramma’s. De helft van de inwoners van deze wijk zijn vluchtelingen. Ze wonen en leven door elkaar. Misschien móet je dan ook wel zorgen dat zij hun leven zo snel en volledig mogelijk weer op de rails krijgen omdat anders je deelstad volkomen onleefbaar zal worden. Maar wat overheerste in de verhalen is de motivatie om mensen te helpen die hulp nodig hebben. Waar in Zoetermeer zien we op dit niveau de solidariteit met mensen uit oorlogsgebieden? Hoe faciliterend is de gemeente zelf, binnen de beleidsruimte die de rijksregels een stad bieden? Worden nieuwkomers gezien als ‘gasten’ die hier tijdelijk mogen zijn, of worden ze getolereerd? Of is de basistoon: welkom in de stad, we gaan ook voor jou ‘en voor jouw ziel’ goed zorgen, omdat

‘de ziel van Zoetermeer’ niet gezond kan worden zonder de zielzorg voor iedereen die hier woont? Dag 2: Politiek en media Op donderdagochtend werden we ontvangen door het stadsbestuur van de gemeente Uskudar dat wordt geleid door de AKP-partij van Erdogan. We kregen een officiële, gladgestreken en glimmende presentatie over het leven in Uskudar en welke voorzieningen vanuit deze deelgemeente worden aangeboden. Het ziet er allemaal goed uit. Veel sociale voorzieningen die in Nederland geprivatiseerd zijn, zijn daar met publiek geld gefinancierd en vrijuit toegankelijk voor de bewoners, zoals onderwijs, kinderopvang, ziekenzorg, sociale wijkactiviteiten, ja zelfs boottochten op de Bosporus die vroeger voor de meesten een onbereikbare luxe waren. Erdgan heeft niet voor niets grote steun in de samenleving. In een mooie voorlichtingsfilm werden de voorzieningen ons getoond, en plots was daar zijn gezicht in beeld. We zagen hoe hij als vriendelijke vaderfiguur enkele kinderen hooghoudt en breed lachend zijn bestuurskracht mag laten zien. Ik moest onwillekeurig even aan mijn eigen Zoetermeerse werkverleden denken, toen ik in de jaren tachtig als voorlichter namens de gemeente allerlei groepen en ondernemers

63


64


ontving op het stadhuis. En hoe wij toen ook met

ontstonden tegen bouwplannen op dit ‘laatste’

glimmende brochures en gelikte presentaties

stukje groen in de stad. Deze groeiden uit tot een

probeerden onze gasten een goed gevoel over

massaal volksprotest in heel Turkije tegen het

Zoetermeer ‘aan te smeren’. En natuurlijk

gebrek aan dialoog en tegen de autoritaire

schroomden we destijds niet de groei en

bestuursstijl van Erdogan. En ook tegen

ontwikkeling van de stad te verklaren uit het

bijvoorbeeld zijn restrictief beleid tegen alcohol en

‘geweldige’ beleid van de gemeente en haar

zijn bekritiseerde rol in de Syrische oorlog. Dat

stadsbestuur, die we in zo’n ontvangstprogramma

had met het bebouwen van het Gezipark niets

ook graag even ‘live’ lieten optreden met een

meer te maken natuurlijk, maar dat werd dus wel

handdruk van burgemeester Luigi van Leeuwen of

de aanleiding voor het uitbarsten van een heftige

met een warm economisch pleidooi van Hanny

onderstroom in de Turkse samenleving. In enkele

van Leeuwen. Maar dit geheel terzijde, of toch

maanden ontstonden er in heel Turkije meer dan

niet: hoeveel gepolijste opsmuk zit er nog in de

5000 demonstraties waaraan zo’n 3,5 miljoen

presentatie van het stadsbestuur bij de ontvangst

mensen deelnamen. De protesten werden hard

van delegaties? Hoe reëel zijn de verhalen die

neergeslagen, met als gevolg: 22 doden, 8000

gedeeld worden? Hoeveel gepaste en ook

gewonden en 3000 arrestaties. Dit is allemaal

hoeveel misplaatste bestuurlijke trots zit er in de

onvergelijkbaar en ondenkbaar in het Nederland

verhalen over de bijdrage van de overheid aan

anno nu. Alhoewel: een vollopend Malieveld heeft

het functioneren van de stad? Gelukkig heb ik

vaak ook meer om het lijf dan een gericht protest

daar inmiddels helemaal geen zicht meer op en

tegen één Haags plan. Een demonstratie in

kan ik deze vragen vrijuit stellen, maar achteraf

Nederland staat vaak voor meer dan het

kan ik me nog wel eens generen voor de manier

spandoek waar men achter loopt. Dus interessant

waarop ‘we’ dat ooit deden.

is het wel om te verkennen of we in Zoetermeer

Die middag werden we door de wijk Uskudar

protesten kennen die klein begonnen en

rondgeleid door een stadsgids van het ‘Center

onverwacht groot en heftig werden? Kennen we

voor Spacial Justice’. Hij liet ons op een hele

een strijd om de publieke ruimte, ergens rondom

andere manier kennismaken met de politiek in

het kappen van bomen of het bebouwen van

deze wijk. We bezochten de plekken waar met ingrepen van het stadsbestuur sociale structuren kapot waren gemaakt, waar bouwprojecten nieuwe waterproblemen hadden veroorzaakt en waar verzetsgroepen hadden geprotesteerd tegen de politiek van Erdogan. Zoals in een klein parkje waar de gemeente uiteindelijk - om het protest de kop in te drukken - een soort buurtcafé had neergezet en daarmee de publieke ruimte in beslag had genomen. We eindigden, na een korte metrorit, deze bijzondere wandeling in het beroemde Gezipark waar in mei 2003 protesten

65


66


snippergroen bijvoorbeeld, wat uitgroeide in een

Haagsche Courant en het Rotterdams Dagblad.

breder debat over de sociale omgang, de

We waren in Delft met zeven, acht mensen

bestuursstijl, de visie op de toekomst van de

voltijds beschikbaar om alles in de stad te

lokale gemeenschap? Waar ontstond een

onderzoeken, te verslaan, te beschrijven. Van

zichtbaar verschil tussen de publieke opinie en de

politiek tot bedrijfsleven, van kunst en cultuur tot

lijn van het stadsbestuur, en werd dat verschil

sport en spel. We werkten er zes (bijna zeven)

‘ontkend’ of gebruikt voor een volwassen dialoog,

dagen per week met zeven of acht professionals

een maatschappelijk debat over een

aan. Deze lokale journalistiek, dat kritische

gemeenschappelijk doel dat zou kunnen

vermogen van de lokale pers, is bijna in geen

verbinden in plaats van verdelen? En wat leren

enkele stad in Nederland nog op dat niveau. Dat

we ervan?

betekent iets voor de lokale gemeenschapszin en

ook voor het functioneren van de lokale

Nog onder de indruk van deze protestverhalen,

democratie. Hoe zit dat nu in Zoetermeer met de

werden we ’s avonds ontvangen op het consulaat

pers? Wat zijn de platforms die op eigen kracht

voor een diner met vertegenwoordigers van

nog maatschappij-kritisch kunnen vertellen over

Nederlandse en Turkse media. Daar hadden we

wat er in de stad met de bedrijven,

om gevraagd omdat we het politieke klimaat ook

overheidsinstanties, instellingen en

graag door de ogen van journalisten beter wilden

burgerinitiatieven tot stand komt, hoe zij

leren kennen. Onze ervaringen van de dag

functioneren en hoe betrouwbaar, rechtschapen

konden we goed gebruiken in het diner-gesprek

en integer ze handelen? Waar zijn de kritische

met Nederlandse correspondenten en met media-

stemmen met maatschappelijke draagwijdte en

mensen van Turkse organisaties die bijvoorbeeld

impact? Wat betekent dit voor de stijl van

hadden geborgd dat de verkiezingsuitslagen door

besturen, voor de controle van de macht, voor de

Erdogans AKP-partij niet konden worden

politieke scherpte van het debat?

gemanipuleerd. We schrokken van de

onderkoelde manier waarop iedereen aan tafel uit

Dag 3: Duurzame mobiliteit

eigen ervaring kon vertellen hoe repressief het

Op vrijdagochtend werden we verrast door de

regime is voor andersdenkenden. En hoe gewoon

plaag die auto’s voor een stad kunnen zijn.

het is om tijdelijk - al dan niet met een proces -

Fietsen, lopen, winkelen, zelfs vervoer van zieken

achter de tralies te verdwijnen. Hoe gemakkelijk

en gehandicapten: het leek bijna onmogelijk te

een banning uit Turkije opgelegd kan worden.

worden in Kadiköy, een prachtige wijk aan de

Naarmate de avond vorderde werd ons meer en

rand van de stad, aan het water, in het Aziatische

meer duidelijk hoe cruciaal een vrije pers is voor

deel van Istanbul. De gemeenteman die ons

een rechtsstaat, voor het controleren van de

rondleidde stroomde over van de energie, kon bij

macht, voor het transparant houden van

elk knelpunt vertellen welke maatregel, welke

procedures en besluitvormingsprocessen. Ooit

oplossing, welk plan er ooit al was bedacht en

schreef ik zelf, als journalist in dienst bij Sijthof

uitgevoerd en hoe dat uiteindelijk toch niet had

Pers, voor de Delftsche Courant. Zoetermeer had

geleid tot een duurzame oplossing van de

toen nog zijn eigen ‘Zoetermeerse Courant’. Dat

autodrukte in zijn stadsdeel. We zagen de

waren stadsbijlagen bij de toen nog zelfstandige

kwaliteiten van de wijk goed: prima winkels, 67


68


restaurants, een mooi wegenplan, groene stroken

sprekend kwamen we die middag tot het gedeelde

en een aantrekkelijke sfeer in de publieke ruimte

inzicht dat in Kadiköy de genomen maatregelen en

met op verschillende plekken het schitterende

gevonden oplossingen veel te veel in de harde

uitzicht over de Bosporus en de uitlopers van de

infrastructuur zaten en te weinig van doen hadden

Zee van Marmara. Maar die vermaledijde auto’s

met de leefpatronen van de mensen zelf. De

maakten veel kapot, verstoorden een goed

wijkbewoners zouden meer betrokken kunnen en

functioneren van dit deel van de metropool. Dat

moeten worden bij het ontwikkelen van integrale

roept eenvoudig parallelvragen op: Kennen we in

oplossingen, inclusief het kleinschalig uitproberen

Zoetermeer ook plekken waar de auto’s te

van deelplannen en het benutten van

dominant zijn, waar ze de publieke ruimte

maatschappelijke initiatieven die zouden kunnen

domineren in plaats van te supporten, waar ze

bijdragen aan een integrale oplossing van de

andere maatschappelijke processen verstoren en

mobiliteitsknelpunten van de wijk. We schreven

waar maatregelen tot op heden nauwelijks soelaas

later onze ideeën netjes uit zodat de gevonden

hebben geboden?

oplossingsrichting aan het stadsbestuur

’s Middags werkten we op het consulaat met

aangeboden zou kunnen worden, want dat was

Turkse betrokkenen en deskundigen aan zowel

wat het Nederlandse consulaat wilde bereiken.

een gedeeld beeld van het probleem als een

Schaal en omvang van de problemen die we

gedeelde visie op een oplossingsrichting. We

onderzochten waren uniek, maar de aard van het

vertelden hoe we in Nederland inmiddels

onderliggende vraagstuk eigenlijk niet. De

fundamenteel anders zijn gaan kijken naar

parallelle vragen aan Zoetermeer liggen hier dan

mobiliteitsmaatregelen. Daarbij begonnen we

ook erg voor de hand: hoe vaak en waar en

vroeger begonnen te denken in investeringen in

waarom is de harde infrastructuur, de stenen

infrastructuur om uiteindelijk in de laatste stap van

investering, de structurele ‘systeem’-oplossing

het beleidsproces te bekijken hoe de automobilist

leidend voor de plannen? Gaat ‘bouwen’ vooraf

in dit plan zou kunnen passen. Inmiddels beginnen

aan ‘leven’? Wat betekent dit dan voor de mensen

we bij de gebruikers, bij de reizigers, en

die er mee moeten leven, en hoe vaak en waar en

verplaatsen we ons in hun leven, hun sociale

‘waarom niet?’ zou dit denkproces omgedraaid

patronen, hun werkprocessen, hun

kunnen of moeten worden? Waar lukt het om een

mobiliteitsbehoeften als onderdeel van het

participatieve overheid te zijn die werkelijk samen

moderne ‘vrije’ leven. En dan kijken we naar data-

optrekt met ‘de bevolking’ en hoe vaak is het toch

gestuurde kennissystemen om veel slimmer te

nog te veel ‘wij hebben een plan, u mag er iets van

worden in het gebruik van de infrastructuur, we

vinden, maar niet om het tegen te houden, want we

kijken naar de dienstverleningsmodellen en komen

gaan er hoe dan ook mee door…’?

dan pas uit bij investeringen in de infrastructuur.

We hebben de denkbeeldige piramide

Dag 4: Geloof

omgedraaid, met de brede laag van de gebruiker

De zaterdag stond in het teken van een

bovenaan en de smalle punt van de infrastructuur

verdiepende kennismaking met de islam, de

aan de onderkant. We lieten dat in beelden zien

bijbehorende cultuur en de invloed ervan op

die we van het ministerie van Infrastructuur en

samenleving en politiek. Behalve bezoeken aan de

Waterstaat hadden meegekregen. Daarover door

Blauwe Moskee en de Hagia Sofia, die in het oude 69


hart van Istanbul vooral toeristische trekpleisters zijn geworden, werden we voor een intensief en informatief ‘college’ ontvangen door twee professoren bij het Islamitisch Centrum ‘Ircica’. We werden hier ingewijd in de verschillen tussen Sjiisme en Soennisme en in de daaruit doorvloeiende, verschillende opvattingen over samenleven en politiek. De grote tolerantie van het overgrote deel van het islamitisch geloof en de maximale inzet op dialoog, communicatie en opbouw van de gemeenschapszin, werden de verrassende en inspirerende rode draden in het college van beide heren. Hun verhalen gebruikten we tijdens het eten met onze eigen groep, met zicht op de Blauwe Moskee en de Hagia Sofia, voor een intiem gesprek over onze eigen vooroordelen over kerk en christelijk geloof in het algemeen en over moskee en islamitisch geloof in het bijzonder. In onze eigen groep zaten moslims, christenen en atheïsten. En zo kwamen we al sprekend nader tot elkaar, vooral vanuit het besef dat we veel beter naar elkaars tradities en achtergronden moeten leren kijken voordat we zomaar zeggen ‘hoe de ander denkt’ en ‘wat dat ‘soort’ mensen willen’. Dergelijke gesprekken over wie ‘we’ zijn, wat ‘we’ belangrijk vinden en of we ‘elkaar’ wel goed begrijpen, zijn overal nodig: niet alleen tussen ‘godsdiensten’ en ‘culturen’, maar ook op stadsniveau tussen iedereen die de straat, de buurt, de sportvereniging, het park of de school deelt met andere mensen. Zijn er in Zoetermeer genoeg gesprekken met elkaar? Is ‘op zoek naar de ziel van Zoetermeer’ één van de weinige pogingen tot maatschappelijk gesprek, tot dialoog, tot het overbruggen van tegenstellingen en het vinden van gemeenschappelijke waarden, doelen en leefwijzen? Wat doen kerken hieraan, moskeeën, boeddhistische tempels, meditatiegroepen, filosofische cafés, politieke partijen? Wie is voor wie een voorbeeld? Dag 5: Kunst & cultuur De zondag gebruikten we voor een kennismaking met - wat we kunnen noemen - de formele ‘georganiseerde’ kunst & cultuur en de informele, ‘maatschappelijke’ kunst & cultuur. ’s Morgens bezochten we een particuliere galerie (‘Depo’) met kunst van kunstenaars die stem wilden geven aan hun diepe zorgen, twijfels en problemen met de huidige Turkse samenleving. 70


Vrouwenrechten, huiselijk geweld, armoede,

oppositie. Kunstenaars zijn er niet veilig, ook de

politiek protest, vrijheid: dit waren de thema’s

galeriehoudster zelf niet, die - net als de

waar we mee werden geconfronteerd.

journalisten op het consulaat - vertelde dat

Confronterend inderdaad en indrukwekkend. De

arrestaties en gevangenschappen onderdeel

galeriehoudster vertelde hoe zij avonden en

uitmaken van haar bestaan en dat van bevriende

bijeenkomsten organiseert voor en met de

kunstenaars. Osman Kavala is een ‘beroemde’

mensen uit de buurt, en hoe deze ontmoetingen

medestander en één van haar vrienden, een

soms worden verstoord door de politie of via

vermogende filantroop die zijn netwerk en geld

andere ‘druk’ onmogelijk worden gemaakt. Want

gebruikt om maatschappij-kritische kunstenaars te

het regime wil dit soort initiatieven – die worden

ondersteunen. Het zat zonder proces al twee jaar

gezien als haarden van maatschappelijke onrust -

vast toen wij de galeriehoudster in december

niet toelaten, bang als ze is voor een te stevige

2019 spraken. Hij was vastgehouden vanwege 71


72


zijn rol in de Gezi-protesten waar we op

Terug in Nederland

donderdag tijdens onze wandeling bij hadden

Op maandag vlogen we terug naar Nederland. We

stilgestaan. In februari van dit jaar werd hij

besloten dat het niet bij een eenmalige reis zou

onverwachts vrijgelaten maar enkele uren later

moeten blijven: we spraken af dat we op zoek

opnieuw gearresteerd, wegens zijn vermeende rol

zullen gaan naar vormen waarin en momenten

in de mislukte coupe tegen Erdogans regime in

waarop we onze ervaringen in Nederland zouden

2016.

kunnen delen. We denken dat er tussen culturen

’s Middags werden we rondgeleid in een

en landen bruggen geslagen moeten worden,

schitterend nieuw museum voor moderne kunst

misschien kunnen we daar een klein steentje aan

‘Arter’, dat op een ‘westerse’ manier de bezoekers

bijdragen. Zo was de reis begin 2019 als idee

laat kennismaken met kunstzinnige interpretaties

ontstaan, en dat idee zou nu ook een vervolg

van oude tradities en moderne maatschappelijke

moeten krijgen. In Istanbul zagen we daar meer

vragen. Het museum zou in Nederland kunnen

dan één aanleiding voor. We werken nu aan

staan, zo zag het eruit, zo gelikt was de

videomateriaal, presentaties, geschreven reflecties

architectuur en het design. Fotogeniek, chique en

en persoonlijke verhalen over onze belevenissen in

van internationale allure. We zagen in Istanbul

Istanbul, zodat we die kunnen delen met

goed hoe verschillend de rol van kunst in een

geïnteresseerden in Nederland. We willen graag in

samenleving kan zijn: versterker van de structuur

gesprek komen met mensen die meer willen

zoals die bestaat, zoals we in ‘Arter’ hadden

snappen van de wereld, van de verschillen tussen

gezien, of kritisch tegengeluid bieden zoals we in

mensen, culturen, geloven, die zichzelf kritisch

de galerie hoorden en ook zagen in de soms

willen bevragen over de eigen vooroordelen en hoe

hartverscheurende kunst. En ook dit kan weer een

deze een gezonde vorm van samen leven in de

spiegel zijn voor de Zoetermeerse kunst- en

weg kunnen staan. Dit artikel is een uiting van die

cultuurwereld. Welke mensen en welke

ambitie en kreeg hier vorm in een lange,

organisaties zijn hier de smaakmakers? En krijgt

gevarieerde maar hopelijk ook inspirerende vraag:

hun bijdrage aan de gemeenschapsvorming in

welke ‘constructieve’ spiegel kan het oude Istanbul

Zoetermeer vooral vorm: als onderdeel van de

voor het nieuwe Zoetermeer zijn? Wie één van de

bestaande structuren of vormen zij een

aangeboden schoenen past, voelt zich hopelijk vrij

tegengeluid, een tegenbeweging desnoods, om

en ook uitgedaagd dit schoeisel dan ook maar

het debat over hoe de dingen gaan en wat we

eens te passen. Wie weet kan dat dan het begin

‘allemaal’ als normaal beschouwen aan te

zijn van een mooie serie verhalen in de

zwengelen en van ongemakkelijke vragen te

Zoetermeerse media en op de particuliere

voorzien? Hoe braaf is ‘de’ kunst en cultuur in

platforms waar de vrijheid van meningsuiting wordt

Zoetermeer, of hoe recalcitrant en tegendraads?

gekoesterd en gebruikt kan worden om bij te

En ‘mag’ dit ook, wie wil dit wel en wie wil dit niet?

dragen aan een vitale ziel van de stad die zich

Wie heeft de grootste moeite met

Zoetermeer noemt.

maatschappelijke tegenwind, met protest en anders denken, en wat zijn de grenzen die ‘we’ daaraan willen of mogen stellen?

73


Bibliografie

SAMENVATTING Groeikernen hebben vrijwel allemaal een onstuimige groeiperiode meegemaakt in de periode 1960-1990. Toch heeft de ene kern zich anders ontwikkeld dan de andere. Middels een vergelijkend onderzoek op stedenbouwkundig en architectonisch gebied zijn de verschillende groeikernen in ons land op een rijtje gezet. Zoetermeer is trots op haar verleden als groeikern en heeft het initiatief voor dit onderzoek genomen. Er worden vijftien groeikernen kort getypeerd, gevolgd door nadere conclusies en het schetsen van een perspectief. Ook komt een drietal stedenbouwers uit de groeikernperiode aan het woord. Lelystad en Almere komen ook aan bod, maar dan als echte 'New Towns'. Interessante uitgave, mede door een toegankelijke schrijfstijl, voor eenieder die zich betrokken voelt bij het ontstaan en de toekomst van de groeikern. Bevat naast inhoudsopgave tevens nootverwijzingen, overzicht van gebruikte literatuur en persoonsnamenregister. Rijk geïllustreerd met foto's en tekeningen in kleur. Kleine druk. Ir. R.J. Wijntjes

74

SAMENVATTING Atlas nieuwe steden 1e druk is een boek van Arnold Reijndorp uitgegeven bij Trancity. ISBN 9789078088622 Ontspannen wonen in het groen, dichtbij stedelijke voorzieningen als ziekenhuizen, scholen, werkgelegenheid en culturele instellingen. Dat waren uitgangspunten voor nieuwe steden die vanaf 1970 werden gebouwd. rond oude dorpskernen of vanuit het niets. Voorbeelden zijn Zoetermeer, Lelystad, Almere, Purmerend, Nieuwegein, Houten, Capelle aan de IJssel, Spijkenisse en Haarlemmermeer. De rijk geïllustreerde Atlas Nieuwe Steden geeft een beeld van hun ontstaansgeschiedenis, van de huidige situatie en van de toekomstplannen. De Atlas beschrijft welke ideeën het debat indertijd bepaalden (de gedachte stad) en welke typologie n architecten ontwikkelden om hieraan vorm te geven (de ontworpen stad). Verder laat het boek zien tot wat voor steden ze zich hebben ontwikkeld (de gemaakte en geleefde stad) en wat hun toekomstplannen zijn (de toekomstige stad). De analyse en conclusies zijn relevant voor alle nieuwe steden in Nederland. Deze steden hebben het moeilijk, maar de publicatie laat zien dat er voor deze steden met zorgvuldig beleid en ontwerp een toekomstperspectief is.

Zoetermeer, Almere, Lelystad, Nieuwegein: noem deze plaatsnamen en mensen die er niet wonen hebben hun mening klaar. Kwalificaties als oppervlakkigheid, verveling, eenvormigheid, saaiheid en burgerlijke truttigheid liggen voor op de lippen. Toch hebben deze en andere New Towns in een paar decennia tijd honderdduizenden mensen verleid om er zich te vestigen.


Rooilijn, tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening, bestaat dit jaar 50 jaar (2017). Deze mijlpaal wordt gevierd door o.a. een jubileumnummer met als thema ʼ50 jaar toekomstʼ. Ruimtelijke wetenschappen en de ruimtelijke ordening in het bijzonder worden gekenmerkt door toekomstgerichtheid, vaak gestoeld op een kritisch blik op heden en verleden. Het Tuinstadmodel van pionier Howard en de decennialange zoektocht naar de sociale en economische waarde van een diverse stad getuigen hiervan. Ruimtelijke toekomstbeelden en ruimtelijk beleid worden steeds gevoed door inzichten uit verwante sociale en ruimtelijke wetenschappen; van sociale geografie tot demografie en van stadssociologie tot economische geografie. In het jubileumnummer ʼ50 jaar toekomstʼ wordt, vanuit verschillende disciplines, terugen vooruit gekeken. Terugkijken om te analyseren wat theorieën, dominante concepten en praktijken uit het verleden ons gebracht hebben. Vooruitkijken naar wat actuele ontwikkelingen kunnen betekenen voor de maatschappij en gebouwde omgeving, en de rol die de sociaal-ruimtelijke wetenschappen en praktijk daarin spelen hebben. Wat betekenen bijvoorbeeld de

toenemende ongelijkheid tussen en binnen regioʼs, de transitie naar hernieuwbare energie en de toepassing van nieuwe technologieën voor de inrichting en organisatie van stedelijke en landelijke gebieden? Zes brede themavelden of invalshoeken staan hierbij centraal: 1. Demografie; 2. Duurzaamheid; 3. Sociale ontwikkeling; 4. Economie; 5. Vervoer en mobiliteit; 6. Technologie.

Vinex-mensen wonen in Vinexwijken - meer dan honderd grootschalige, doorgaans prettige woonwijken die in de jaren negentig ontstonden als het resultaat van een geoliede planningsmachine en een onwrikbaar geloof in ruimtelijke ordening. Het zijn stadsuitbreidingen waar doorgaans met veel tevredenheid wordt gewoond. Maar hoe duurzaam is die tevredenheid? Ook Vinex-wijken zijn geen statisch gegeven. Als onderdeel van stedelijke netwerken worden ze beïnvloed door nieuwe ontwikkelingen en zienswijzen, veranderende bewonersprofielen en ideeën over gebruik. Dat maakt de vraag naar de status en toekomst van Vinex-wijken relevant. Het project 'De Vinexmensen' (georganiseerd door het International New Town Institute) heeft gedurende het Jaar van de Ruimte naar antwoorden gezocht. De resultaten van dit project, aangevuld met visies van diverse experts en bijdragen van het Planbureau voor de Leefomgeving en Het Kadaster, vormen de basis van Vinexmensen.

75


Nawoord In de editorial gaf ik het moment van uitkomen van dit magazine al aan, COVID19 ontwricht de wereld. Een tijd van beproeving, die ons bewust maakt van de dingen die echt belangrijk zijn. Het proces laat zich niet versnellen. We moeten ons overgeven, er doorheen moeten, uitzieken. Wat na de economische crisis van 2008 nog mogelijk was, lijkt nu anders. Dat was een crisis door een bubbel die we zelf bouwden, waarbij we de controle verloren over maakbaarheid. Nu is de balans echt zoek. COVID19 is confronterend, een natuurverschijnsel, dat we niet onder controle hebben en dat in de nasleep ook grote economische gevolgen zal hebben. Hierna zal het niet meer mogelijk zijn de oude draad weer op te pakken. Er zal een nieuwe ordening ontstaan. Tijdens het Festijn | 26.11 klonken er enthousiaste geluiden: Dit was een goede manier om met elkaar in gesprek te zijn en ideeĂŤn uit te wisselen. Onze gemaakte stad wordt geleefd en wint daardoor aan authenticiteit en identiteit. Het is een stad van zijn bewoners en gebruikers. Het maakproces is waardevol geweest en vormt aangevuld met de belevingswaarden van haar burgers de schat waar wij als Schatbewakers aandacht voor vragen. Zachte maatschappelijke en sociale waarden moeten een balans vinden met harde economische waarde. Hiermee lijkt ons werk aan te sluiten op de transformatie die COVID 19 afdwingt. Wij, bewoners, stad en bestuurders staan voor belangrijke keuzes. Daar hoort in alle openheid met elkaar over gesproken te worden. Samen spreken is geen project, maar een proces. Als Schatbewakers zullen we ons - gevraagd en ongevraagd - met dat proces blijven bemoeien. U hoort van ons! Website: www.schatbewakers.nl Een reactie kunt u ten alle tijden sturen naar: mail@schatbewakers.nl Sterkte in deze tijden en blijf gezond! Schatbewakers

76


COLOFON

Magazine 4 - voorjaar 2020 Uitgever Stichting Schatbewakers CC Creative Commons - Some rights reserved Eindredactie Alcuin Olthof Redactie Willem Hermans, Erik Pool, Willem Frijhoff, Foke de Jong, Alcuin Olthof Dit magazine is een productie van ArchitectuurNomaden Vormgeving Alcuin Olthof Met dank aan: Arnold Reijndorp Fotografie Chris Lans Alcuin Olthof Oplage en verspreiding Dit magazine wordt in een beperkte oplage fysiek verspreid en in digitale vorm via onze website. Meer informatie over stichting Schatbewakers www.schatbewakers.nl

Festijn | 26.11 en de uitgave van dit magazine is mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van:

llustratie achterkaft Els Bet Stedenbouwkundige COVER: Fragment van het kunstwerk ‘1979 liters naar het begin, 2010’ van ALICJA KWADE. Foto gemaakt 07 december 2019 in Arter - Istanbul Het werk bestaat uit twee barrels fijn geslagen champagne flessen. De glinsterende berg van groenwit poeder heeft als titel ‘1979 liters naar het begin, 2010’. Haar geboortejaar heeft de hoeveelheid materiaal bepaald. In de associatie verbindt ze de luxe van champagne allegorisch met de opstapeling van weelde en luxe op een poëtische manier met het verpulveren van glas.

Publicatie mede mogelijk gemaakt door: ArchitectuurNomaden

Disclaimer

Dit magazine is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Voor onjuistheden en onvolkomenheden met betrekking tot de inhoud kan Stichting Schatbewakers op geen enkele wijze verantwoordelijk of aansprakelijk worden gesteld. Aan de inhoud van dit magazine kunnen dan ook geen rechten worden ontleend.


www.schatbewakers.nl mail@schatbewakers.nl zoetermeer

Het project '150 weken Schatbewakers' was een vervolg in onze 'Zoektocht naar de Ziel van Zoetermeer'. In dit magazine de nog ontbrekende verslaglegging van de weg die we aegden. Het spel met de 10-kralen is nu gespeeld en afgerond met een spetterende slotmanifestatie. En... we spelen vervolgens natuurlijk gewoon verder.

Profile for Alcuin Olthof

Magazine 4 | Schatbewakers  

Het vierde magazine. Een weergave van onze tocht door de wijken van Zoetermeer met een samenvatten van de gevonden schatten op afrondende Fe...

Magazine 4 | Schatbewakers  

Het vierde magazine. Een weergave van onze tocht door de wijken van Zoetermeer met een samenvatten van de gevonden schatten op afrondende Fe...

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded