Ruimte en Wonen 2020 #1

Scroll for more

Page 1

#1/2020

TH E MA

Rui voor n mte ieu energi we e

Voorheen 'Tijdschrift voor de Volkshuisvesting' en 'S+RO'


Ruimte en Wonen wordt mede mogelijk gemaakt door onze partners. Een partner van Ruimte en Wonen geniet van veel aantrekkelijke voordelen, waaronder een korting op het lidmaatschap en een profielpagina op deze website. Omdat het partnerschap in onderling overleg wordt ingevuld, sluiten de voordelen precies aan bij de behoeftes van de partner. Heb je ook interesse om partner te worden, neem dan contact op met Yvette Vierhout via telefoonnummer 073-2051028 of via e-mail y.vierhout@aeneas.nl

Meer informatie over deze bedrijven en het partnerschap staat op ruimteenwonen.nl/partners


Inhoud De transitie naar aardgasvrij Sterke sturing en ruimte voor maatwerk

THEMA  RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Rijksbeleid van iedereen Interview met Jos van Dalen

6 ARTIKELEN 16

Het energiesysteem van de toekomst Hoe zal het net eruitzien

18

Mag het ietsjes meer zijn Hoe we de energie­ transitie aan duurzame vernieuwing kunnen koppelen

34

De wijk als voedingsbron Voor de energietransitie

44

Aardgasvrij in Europa Nederland gaat van het aardgas af

68

Ringpark Utrecht: van droom naar daad Uitdagingen voor een landschappelijke stad in wording

28 80

Mismatch middenhuur Vijf knelpunten en tips voor gemeenten

INTERVIEWS 58

64

Aardgasvrij wonen in Rotterdam Puzzelen aan een rechtvaardige kostenverdeling

EN VERDER 4

Hoofdredactioneel Aardgasvrijblijvendheid?

78 Column Anne-Jo Visser

Interview Met Maarten van Poelgeest

90 Recensies Slimme streken en Deep future

Beeldessay Bijvangst van de energietransitie

COVER Aanleg aardgas in Lelystad. Foto Eric Koch Anefo

1

52


Auteurs Aan dit nummer werkten mee:

Anne-Jo Visser Gemeente Utrecht

Annemiek Rijckenberg Ruimte + Wonen

Arwin van Buuren Erasmus Universiteit Rotterdam

Bart Dopper Stec

Cees-Jan Pen Fontys

Derk Loorbach Erasmus Universiteit Rotterdam

Evamarije Smit Aeneas Media

Hans Dekker Landschapsarchitectuur

Hans Kars Mens, Merk & Ruimte

2


RUIMTE + WONEN NETWERK

Jurian Edelenbos Erasmus Universiteit Rotterdam

Katja Kruit CE Delft

Leo Pols PBL

Martijn Eskinasi Ministerie van BZK

Martijn van den Hurk Urban Futures Studio

Martijn van der Steen Erasmus Universiteit Rotterdam

Martin Jansen Mens, Merk & Ruimte

Petra Smulders Moved by Motion

Saskia Naafs Stadssocioloog

Suzanne Potjer Urban Futures Studio

3


Aardgas­ vrijblijvendheid? Aardgasvrije wijken, is dat nu de beste aanpak om de klimaatcrisis te bestrijden? Met deze vraag zijn we op pad gegaan, en we kwamen veel enthousiastelingen tegen, die heilig in deze aanpak geloven. Die laten we aan het woord, en we hebben ook informatie voor u verzameld over de energievoorziening van de toekomst en de alternatieven voor aardgas. Het is voor het eerst sinds de stadsvernieuwing in de jaren ’70 en verder, en het intermezzo van de Vogelaarwijken, dat wijken weer als de handelingsarena voor Rijksbeleid worden gezien. Het is dus verleidelijk om te gaan vergelijken, maar ook gevaarlijk. Want er is geen sprake van strijd

Het is verleidelijk om te gaan vergelijken, maar ook gevaarlijk” 4

voor behoud van woningen en buurten, van autonome bewonersorganisaties, van wettelijke kaders en subsidieregelingen om tekorten af te dekken. De klimaaturgentie geldt niet echt voor de gebouwde omgeving, want die hoeft tot 2030 maar 3,4 megaton CO₂-uitstoot te verminderen. Dat is niet veel, ten opzichte van het totaal van meer dan 10 megaton die de hele sector uitstoot. Maar niemand durft nog iets te zeggen over de periode na 2030. Rode draad in de meeste verhalen is dat we ons in een transitie bevinden, waarin we leren en onderzoeken. Ook het woord samenwerking valt vaak, en verantwoordelijkheid van de samenleving, en keuzes voor de burger. In het essay DE TRANSITIE NAAR AARDGASVRIJ: STERKE STURING EN RUIMTE VOOR MAATWERK beschrijven van Buren c.s. de dilemma’s van transitiesturing. “Als het Rijk het lokale niveau serieus neemt, dan betekent


HOOFDREDACTIONEEL

dat, dat het nationale niveau condities schept voor snelle verspreiding en opschaling van de nieuwe manieren van denken en werken die lokaal ontstaan.” Zover is het nog lang niet, want een aantal vragen zijn nog buiten de orde. Bijvoorbeeld over het eigenaarschap van de transitie, de noodzaak tot wettelijke posities voor maatschappelijke partners, het risico van aardgasvrijblijvendheid. Of de vraag naar de betaalbaarheid, voor netwerkbeheerders en corporaties die moeten gaan investeren, maar nu al vaststellen, dat er geen sluitende businesscases te formuleren zijn. Deze partijen hebben samen een Startmotorkader vastgesteld, en dat klinkt voor mij als een afspraak om ooit samen een auto op te gaan knappen. Deze partijen benoemen ook de noodzaak van een onafhankelijke toezichthouder, rijksverantwoordelijkheid, zou je denken. De vraag naar de betaalbaarheid voor huur-

ders en eigenaar-bewoners baart ook veel zorg, maar krijgt nog niet het begin van een antwoord. In Nederland is door het aardgas geen sprake van energie-armoede, in de kou zitten zoals in landen als Groot-Brittannië en Frankrijk. Maar het begrip energie-rechtvaardigheid dringt zich al op. Dit jaar wordt belangrijk voor het programma aardgasvrije wijken. Er komen verschillende onderzoeken los, over de echte kosten en maatregelen. De vraag naar de betaalbaarheid in de proefwijken moet blijken uit de business cases, en gemeenten en regio’s leveren hun transitiedocumenten in. Dus eigenlijk zijn we te vroeg met dit thema!

Beste lezer, Het eerste nummer van 2020, waar heel veel mensen hun tijd aan hebben gegeven, dank daarvoor. Eind 2019 is samen met de partners van R&W de nieuwe missie vastgesteld:

5

Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn terug van weggeweest, zijn urgenter dan ooit en vragen nieuwe ideeën die werken. Het is de missie van kennisnetwerk Ruimte en Wonen om met vakmensen en beleidmakers op basis van relevante en juiste informatie een integer en inspirerend vakdebat te voeren. Rechtvaardigheid en toekomstbestendigheid zijn onze kernwaarden, en daarvoor is samenhang tussen beleidsterreinen noodzakelijk. In het komende nummer van Ruimte en Wonen gaan we in op de crisis op de woningmarkt, en zoeken we naar onorthodoxe oplossingen. Andere onderwerpen dit jaar worden De NOVI, de publieke ruimte en de noodzaak van een zelfbewuste, handelende overheid, en de nieuwe bouwcultuur, cq niet-bouwcultuur in dierbaar landschap. Wij blijven benieuwd naar uw reacties en suggesties! Die kunt u sturen naar y.vierhout@aeneas.nl

Annemiek Rijckeberg Hoofdredacteur Ruimte en Wonen


Aardgasvrije wijk ’t Ven in Eindhoven FOTO KICK SMEETS

6


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

De ­transitie naar aard­ gasvrij Sterke sturing en ruimte voor maatwerk

Het besluit om de winning van aardgas uit Groningse gasvelden versneld af te bouwen en in te zetten op het uitfaseren van aardgas voor het verwarmen van ­gebouwen kwam pas tot stand na een aantal flinke aardbevingen en oplaaiend burgerprotest. Na twee jaar overleg over compensatieregelingen en het tijdpad pakte Minister Wiebes onverwacht snel door. Geschraagd door het Klimaatakkoord en het experimenteerprogramma Aardgasvrije wijken, wordt breed ingezet op 'Van Gas Los'. Arwin van Buuren, Jurian Edelenbos, Derk Loorbach, Martijn van der Steen

7


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

G

Dat is bezien vanuit de wetenschappelijke literatuur over transitie ook niet vreemd. Transitie is een complexe, schoksgewijze maatschappelijke systeemverandering die zich afspeelt op een termijn van decennia. Transities zijn het gevolg van allerlei op elkaar inwerkende krachten, waarbij technologische innovatie en vernieuwing maar een bescheiden rol speelt. Transities ontstaan niet ‘vanzelf’ zodra de technologie er klaar voor is en er maatschappelijke ‘push’ richting een nieuw systeem ontstaat. Veel dominanter in transities zijn stagnatie, inertie en tegenwerking vanuit het bestaande regime: dat verzet zich vanuit gevestigde routines, belangen en institutionele kaders tegen transformatieve verandering. De overheid is geen neutrale buitenstaander, maar is onderdeel van datzelfde regime. Zo is historisch gezien onze afhankelijkheid van aardgas het directe gevolg van de transitie die in de jaren zestig plaatsvond (van kolen naar gas) gestuurd vanuit de nauwe samenwerking tussen de Nederlandse overheid en onder andere Shell, Gasunie en de NAM. Zo ontstond in Den Haag niet alleen een financiële afhankelijkheid van de aardgasbaten, maar ook een set institutionele kaders om het gebruik van aardgas in de gebouwde omgeving te reguleren en daarvoor kennis en technologie te ontwikkelen. Vanuit dit perspectief is het niet verbazend dat er lang is getreuzeld met het afbouwen van aardgasafhankelijkheid. Dat roept meteen de vraag op of en hoe dezelfde overheid de leiding kan nemen in het proces om tot een alternatief regime te komen. Dat zien we terug in de manier waarop de overheid zich in het energiebeleid opstelt: enerzijds is er veel ambitie om transitie aan te jagen, anderzijds is er ook steeds terughoudendheid en met politieke vlagen zelfs een poging om de transitie te vertragen of tegen te houden.

emeenten verkennen welke wijken op welk tempo en op welke wijze ‘van het gas af’ kunnen gaan. De rijksoverheid ondersteunt met pilots en experimenten en ook andere overheden en netbeheerders zoeken naar positie in een gasvrije wijk. Zo is er veel aandacht en energie voor de transitie om ‘van gas los’ te komen, maar treden tegelijkertijd talrijke dilemma’s van transitiesturing op. Welke interventies van een overheid dragen bij aan succesvolle transities en is een transitie wel werkelijk te sturen? Over deze dilemma’s gaat deze bijdrage. Aan het einde reflecteren we op de vraag welke kenmerken sturing van de transitie naar aardgasvrij volgens ons zou moeten hebben en wat de begrenzingen van die rol zijn.

Aardgasvrij: wiens opgave? De energietransitie is een gevleugeld begrip in het maatschappelijk debat. De vraag lijkt niet meer te zijn of de transitie plaats moet vinden, maar hoe dat moet gebeuren. Dat is vreemd genoeg pas vrij recent zo. In 2001 werd in het vierde Milieubeleidsplan (NMP4) het idee van een transitie van energiebronnen geïntroduceerd, ingegeven vanuit het milieubeleid. Daarna was er een experimenteerprogramma en ontstonden platforms en transitieagenda’s, die overigens in 2010 door de toenmalige gedoogcoalitie weer werden stopgezet. De problematiek van fossiel afhankelijke en niet-duurzame energievoorziening verdween daarmee natuurlijk niet. Sterker nog, op lokaal niveau versnelden sindsdien de initiatieven, coöperaties en projecten. Het maatschappelijke proces van energietransitie kon in die fase best zonder centraal beleid. Ondanks een tijdelijk moratorium op transitiesturing ging de maatschappelijke transitie door.

8


“Transitie is een complexe systeemverandering”

ARWIN VAN BUUREN 9


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

onhelder is, waarin nog zoveel openligt en waarin elke concrete situatie anders is. Sturing is dan maatwerk en vereist het vermogen om in heel veel stapjes toe te werken naar onvoorspelbare uitkomsten. Ten derde ontstaat in het enthousiasme waarmee beleid zich op de energietransitie werpt een maatschappelijke discussie waarin de energietransitie welhaast een overheidsproject lijkt waar men voor of tegen kan zijn. Let wel, het is belangrijk en goed dat er politiek debat plaatsvindt over een dergelijke diepe maatschappelijke verandering. Maar tegelijkertijd gaat de maatschappelijke transitie wel door en is er een natuurlijk systeem dat kraakt onder niet-duurzame economische en maatschappelijke patronen. Te midden van deze problemen en valkuilen van transitiebeleid proberen overheden de energietransitie vooruit te helpen. Eén van de pogingen om dat te doen is het programma om wijken aardgasvrij te maken. Dit programma is een goed voorbeeld van het zoeken naar passende vormen van sturing, waarbij de werkelijkheid van beleid soms botst met de werkelijkheid van een zich voltrekkende maatschappelijke transitie. In die botsing spelen typische vraagstukken die we in de volgende paragrafen belichten. De eerste gaat over de positie van aardgasvrij wonen, als ‘single issue’ of als issue dat alleen met een integrale benadering kan worden opgepakt. Het tweede punt gaat over de vraag wiens mening telt, die van de professional of die van de bewoner? Het derde aandachtspunt betreft het organiseren van steun voor de transitie, bij wie doe je dat? De vierde puzzel gaat over de rolverdeling tussen burgers en overheid in het vormgeven van de energietransitie: wie is er in de lead?

Die ingewikkeldheid zien we op een aantal manieren terug. Allereerst is er de bredere maatschappelijke dynamiek van waaruit de energietransitie wordt voortgestuwd. Energietransitie is een maatschappelijke en economische dynamiek. De overheid ‘stuurt’ deze niet in de zin van dat het beleid de beweging initieert. Het is deels – en misschien wel grotendeels – een beweging die de overheid overkomt en waar beleid achteraanloopt. Tegelijkertijd geldt dat zonder overheidsbeleid veel transitietoepassingen niet rendabel of haalbaar zijn en dat actieve over-

“Wiens mening telt, die van de professional of die van de bewoner” heidsinzet nodig is om de transitie verder te brengen. De overheid is niet de grote initiator van de energietransitie, maar zonder actieve overheidssturing komt er van de maatschappelijke transitie ook niet veel terecht. Een tweede probleem bij de overheidsrol in de transitie is dat beleid in de kern incrementeel is. Beleid is doorgaans gebaseerd op probleemstructurering en op het vinden van consensus over overzienbare oplossingen op de korte termijn. Zorgvuldig en weloverwogen beleid begint vaak bij een heldere en gedeelde probleemdefinitie en een aantal geteste oplossingen. Voor transities geldt dat het probleem vaak onhelder is, moeilijk af te bakenen valt, zich over langere termijn pas zal manifesteren en dat oplossingen vaak onbekend of omstreden zijn. Transitiesturing vereist dus beleid voor een probleem dat nog

10


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Door Groningen wordt een netwerk van pijpleidingen voor het landelijk aardgasnet aangelegd. FOTO HARRY POT

Aardgasvrij: vliegwiel of meekoppelkans?

aandient om de transitie mee te laten liften op iets anders wat toch moet gebeuren. In beide frames staat integraliteit centraal, maar leidt dat in de uitvoering tot oneindig veel onduidelijkheden, afstemmingsbehoeften, overlegstructuren, en gezoek naar ‘de optimale schaal’. Dit zijn echter vooral conceptuele oefeningen die niets met de uitvoering te maken hebben. Die praktijk vereist het aanpakken van plekken, gebouwen en buurten. Door als partners gelijktijdig in de wijk aan de slag te gaan, door soms de eigen agenda te versnellen en soms juist te vertragen.

De eerste worsteling betreft de klassieke beleidsvraag waar de grenzen van de opgave te definiëren: is het een technische transitie of is dit een ‘vliegwiel’ om tal van andere opgaven in de wijk, zoals werkgelegenheid, sociale cohesie en leefbaarheid aan te pakken? Is de energietransitie zelf de opgave, of zijn er veel bredere doelen die via deze opgave óók in beeld komen? Door voortvarend met de energietransitie aan de slag te gaan kunnen tal van andere ambities ook verwezenlijkt worden en kunnen wijken op veel meer fronten toekomstbestendig worden gemaakt. Dit staat in sterk contrast met het “meekoppelperspectief” dat gehanteerd wordt door bestuurders die niet te hard van stapel willen lopen. De ene bestuurder pakt transitie voortvarend op als vliegwiel, de andere bestuurder wacht af tot zich een mogelijkheid

Aardgasvrij: expertise-gedreven of experience-gedreven? Een tweede worsteling is om verschillende werelden van bewoners, beleid en professionals productief bij elkaar te brengen. Bewoners komen op basis van hun ervaringen

11


nisontwikkeling zo worden georganiseerd dat deze bijdraagt aan gemeenschappelijke beeldvorming: een gedeeld begrip van het vraagstuk en van de (voor- en nadelen van de diverse) mogelijkheden om dit vraagstuk aan te pakken. Dat vraagt een doorgaande interactie tussen professionals en bewoners en een oprechte intentie om hun kennis die ongelijksoortig is maar daarmee niet ongelijkwaardig met elkaar te combineren.

en wat zij relevant achten (op lokale schaal) tot oplossingen waarvan experts zeggen dat ze niet doelmatig of haalbaar zijn. Of zelfs contraproductief. Omgekeerd komen experts op basis van abstracte noties over schaalvoordelen tot oplossingen die niet altijd aansluiten bij de concrete ambities en verlangens van bewoners. De ervaringskennis van bewoners en de formele kennis van experts verschillen in tal van opzichten en zijn niet eenvoudig te combineren. Beleidsmakers zoeken hierin een balans tussen technisch-economisch efficiÍnt en draagvlak en maatschappelijk initiatief. Wat weegt zwaarder? Uiteindelijk moeten die strijdige logica’s ergens bij elkaar worden gebracht. Dat gebeurt nu vaak op het niveau van gemeenten. Daar moet de ken-

Aardgasvrij: koplopers, middenmoters of achterblijvers? Een derde worsteling is de vraag hoe participatie in beleid vorm te geven. In veel transitieaanpakken wordt gesteld dat het belangrijk is om met koplopers te beginnen. Koplopers brengen transitie op gang. In

12


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

doen met de mensen die de kat uit de boom kijken: die duidelijkheid willen over financiële mogelijkheden of die voorlopig het ingewikkeld en lastig vinden. Het is onvermijdelijk dat de transitie hen gaat raken en dus is het links- of rechtsom zaak voorbij de pioniers te kijken. Koplopers zijn nodig om te beginnen, maar de weg naar de volgers loopt niet logischerwijs via de koplopers. Daarom is het cruciaal om te kijken naar diffusie en opschaling van proeftuinen, experimenten en initiatieven met aardgasvrij wonen. De kritische massa moet gevonden worden. De uitdaging is om de buurt- en wijkinitiatieven te verbreden naar andere plekken en op te schalen naar een hoger systeemniveau. Zo zijn enthousiaste bewoners nodig, die een ambassadeursrol spelen richting andere wijken en twijfelende bewoners over te streep kunnen trekken. Tezamen kunnen de vele initiatieven veel betekenen voor het realiseren van een energietransitie. Maar dan komt veel aan op de verbindende kracht van koplopers en het uitvinden van attractieve aanpakken die twijfelaars over de streep trekken. Kennis van wat juist hén motiveert, is daarbij van cruciaal belang.

Het resultaat van de aardgasvrije wijk ‘t Ven in Eindhoven. FOTO KICK SMEETS

transitiearena’s, living labs en andere omgevingen voor co-creatie wordt vaak gestuurd op het mobiliseren van enthousiastelingen. Deze koplopers kennen de weg in het woud van regelingen en loketten en zijn vaak de aanstichters van een lokaal verduurzamingsinitiatief. Als hun eigen huis duurzaam is, willen ze het liefst verder met het huis van de buurman, de buurt, de wijk en de stad. De sterke inzet op de koplopers helpt, maar kan ook contraproductief uitpakken. Enthousiastelingen versterken de argwaan bij sceptici, zeker als zij als ‘achterblijvers’ worden bestempeld. De gewenste gedragsverandering bij deze groep sceptici wordt daarmee eerder moeilijker dan eenvoudiger. In dit licht wordt de vraag urgenter wat te

Aardgasvrij: overheidsparticipatie of burgerparticipatie? De vierde worsteling betreft het eigenaarschap: wie participeert nu in wiens proces? Van wie is de energietransitie? De energietransitie als beleidsopgave kan duidelijk niet zonder een gedegen proces waarbij bewoners hun inbreng leveren en er gewerkt wordt aan draagvlak en legitimiteit voor de energietransitie. Het is nodig zorgen serieus te nemen, maar ook om te zoeken naar oplossingen die aansluiten bij de mogelijkheden en aspiraties. En dat de overheid de lead neemt in zo’n proces is niet meer dan

13


Congres Aardgasvrije Wijken 2020. FOTO KICK SMEETS

tieve burger die het goede voorbeeld geeft en de rest meetrekt. Juist de burger die zich afzijdig houdt, komt mogelijk in een kwetsbare positie als deze niet proactief mee kan in de veranderingen. Dat vraagt verschillende vormen van benaderen en betrekken met een scherp oog voor de variĂŤteit in leefstijlen en opvattingen, maar ook (on)mogelijkheden tot eigen bijdrage en initiatief. Dit alles vraagt van Rijk en gemeenten een nieuwe mengvorm van sterke sturing op de lange-termijn richting met een geraffineerd en divers palet aan sturingsvormen en co-creatieprocessen. Dat brengt ons bij enkele afsluitende opmerkingen.

logisch. Hier tegenover staan degenen die energietransitie zien als een maatschappelijk proces waarin eigen initiatief van burgers en bedrijven het uitganspunt voor sturing zou moeten zijn. Dit eigen initiatief van bewoners gaat verder dan de gebruikelijke participatie, zeker daar waar bewoners de handen ineenslaan en gezamenlijk collectieve oplossingen voor hun straat of buurt realiseren en bijvoorbeeld als energiecoĂśperatie zelf plannen maken voor aardgasvrij wonen. In een klassiek participatietraject neemt de overheid de lead en stelt de kaders, bij een bewonersinitiatief is dat juist andersom. Het daagt overheden uit om na te denken over nieuwe vormen van uitnodigend bestuur. Uitnodigend besturen vergt innovatie in participatieaanpakken maar ook een nieuwe visie op sturing in tijden van transitie. Men kan immers niet blindvaren op de ac-

Sterke sturing geeft ruimte De governance van de transitie naar aardgasvrij wonen kan niet met alleen beleid en sturing, maar ook niet zonder. In dit essay hebben we een viertal worstelingen van

14


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

ten. En van het vinden van de meest productieve - en dat betekent waarschijnlijk ook vaak spanningsvolle - verhouding tussen overheid, markt en samenleving. Een dergelijke synchronisatie vereist steeds werk aan beide kanten van het spectrum. De beweging van onderop vraagt dat het nationale niveau condities schept voor snelle verspreiding en opschaling van de nieuwe manieren van denken en werken die lokaal ontstaan. Dat betekent ook op rijksniveau het wegnemen en uitfaseren van belemmeringen die versnel-

transitiesturing benoemd. Deze puzzels laten zien dat de transitie naar een aardgasvrije werkelijkheid een zoektocht is waarin al doende geleerd wordt en waarin ruimte voor improvisatie moet zijn. Een weg waarin slim moet worden geschakeld tussen doorpakken en doorpraten, tussen daadkracht en draagvlak. Een weg waarbij eenzijdigheid fataal kan uitpakken. De governance van transities vraagt om het meebewegen met de bredere maatschappelijke transitiedynamiek die ook het beleid overkomt. Dat betekent dat de richting duidelijk is (van aardgas af), maar de weg daarheen uitproberend afgelegd wordt. En daarin is de overheid zelf óók onderwerp van transitie. Vanuit dit sturingsperspectief is er op lokaal niveau geen one-sizefits-all aanpak. Soms is het goed om via koplopers beweging op gang te brengen. Op andere plekken moet de aandacht gericht worden op achterblijvers. In sommige wijken moet een overheid ruimte maken, op andere plekken juist het voortouw nemen. Vaak is het slim om opgaven te verbinden, soms moet je knopen doorhakken. In het experimenteerprogramma Aardgasvrije wijken wordt dit exact gedaan: ruimte voor maatwerk en het opbouwen van nieuwe en diverse vormen van co-creatie en participatie; samen met de wijk, maar met oog voor de transitie van het bredere systeem en regime. Zo zal de energietransitie de komende jaren voortdurend om synchronisatie vragen, tussen centraal en decentrale niveaus, maar ook tussen overheid, markt en samenleving. Daarvoor voldoet een simpel dichotoom adagium van bottom-up als van top-down niet. Het gaat bij de synchronisatie om het bij elkaar en in verhouding brengen van meer centraal en meer decentraal ingestoken elemen-

“­Enthousiaste ­bewoners zijn nodig voor een a­ mbassadeursrol” ling van de transitie in de weg staan. Beweging onderop heeft soms dus dwingende interventies van ‘bovenaf’ nodig, in de vorm van regulering en normering. De transitie is geholpen met duidelijke kaders in combinatie met een gepaste inzet vanuit het Rijk, met de instrumenten (voor bijvoorbeeld beprijzen of reguleren) die zij ter beschikking heeft. Dit vraagt ook een kritische blik op de huidige institutionele arrangementen die vaak haaks op de transitie staan.

Dit artikel is deels gebaseerd op het essay “Aardgasvrij in de participatiemaatschappij” geschreven in opdracht van het ministerie van BZK / Programma Aardgasvrije wijken.

15


42

Het energiesysteem van de toekomst In de komende tientallen jaren schakelt Nederland van fossiele brandstoffen over op hernieuwbare energiebronnen, zoals wind, zon en biomassa. Dat heeft grote consequenties voor het energienet. Zo zal energie steeds meer lokaal worden opgewekt en opgeslagen. Ook moet het energienet ‘slimmer’ worden, om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen.

zonneparken windparken

afval

olie en kolen

biomassa

EK

TR

ve r

aardgas

IC

br an

IT E

di n

g

IT

elektriciteitscentrale

G

AS

ve r

gi

st

in

g

bi

og as

EL

verdwijnt geleidelijk

Opslag gas Buffervoorraden duurzaam gas kunnen worden opgeslagen in bovengrondse reservoirs of ondergronds, in diepe bodemlagen.

Gasnet verdwijnt niet Nederland stopt de komende decennia met het gebruik van aardgas. Maar het aardgasnet kan ook worden ingezet voor transport van duurzame gassen (biogas, waterstof). Biogas ontstaat bij vergisting van plantenresten. Als waterstof (H2 ) wordt gemaakt met elektriciteit van windmolens of zonnepanelen, is het klimaatneutraal en dus duurzaam.

Hoe zal het net eruitzien?

Slimme oplossingen

De ligging en dikte van toekomstige leidingen zijn afhankelijk van vele factoren en keuzes. Moet het net worden ingericht voor lokale opwekking en opslag, of voor grote, nationale windparken en centrale opslag? En hoeveel bio- en waterstofgas komt er? Ook eventuele Europese afspraken spelen mee, en of Nederlanders energiezuiniger gaan leven.

Het opladen van elektrische auto’s belast het elektriciteitsnet zwaar. Met name piekbelastingen zijn te voorkomen door ‘slim’ op te laden. Een app houdt bij waar en hoe laat een automobilist het best kan opladen. Eventueel levert de auto zelfs tijdelijk energie terug aan het net. Zo blijft het net beter in balans.

Gewoon laden met elektrische auto’s zonder elektrische auto’s 0 uur

6

Deze kaart uit de Bosatlas van de duurzaamheid illustreert de nu bekende energiebronnen voor de toekomst. Bedankt, uitgeverij 16Noordhoff.

Bronnen: CE Delft / Netbeheer Nederland / Net voor de toekomst

BRON: DE BOSATLAS VAN DE DUURZAAMHEID.

Slim laden

maximale netbelasting

12

18

0

0 uur

6

12

18

0


43

Verzwaring en opslag elektriciteit

Zon

Biomassa

In de toekomst verbruikt Nederland waarschijnlijk meer elektriciteit dan nu. Het is dus nodig het elektranetwerk te verzwaren. Ook moeten er accu’s komen om elektriciteit op te slaan, als buffer voor bewolkte en windstille dagen. De komende jaren moet blijken hoeveel verzwaring nodig is en of accu’s in de buurt komen te staan, of thuis.

Wind

Geothermie

Waterkracht

Kernenergie

Stroom uit het buitenland Energieopwekking uit wind en zon brengt weersafhankelijke tekorten en overschotten met zich mee. Om die op te vangen denken Europese landen na over een betere integratie van hun elektriciteitsnetten. Een mix van energiebronnen vergroot de leveringszekerheid.

M TE W AR

Restwarmte

geen wind veel zon

Warmte uit fabrieken en energiecentrales

ma 0

12

geen wind weinig zon

di 0

12

veel wind weinig zon

wo 0

12

0

veel wind veel zon

energieopwekking

Voorbeeld zo Op bewolkte en windstille dagen is er minder stroom 0 uur 12 uit zon en wind. Daarom zijn buffers noodzakelijk.

Aquathermie Warmte uit oppervlaktewater

thuisaccu

Geothermie

woningen

Warmte uit diepere lagen van de aardbodem

bedrijven/kantoren

buurtbatterij

transport industrie

opslag biogas

Energie in meer richtingen

land- en tuinbouw

17

In de toekomst vindt energieproductie plaats op heel verschillende plekken en manieren. Boeren produceren bijvoorbeeld biogas, fabrieken warmte en huizenbezitters stroom met zonnepanelen. Mensen ontvangen niet alleen energie, maar leveren ook terug aan het net en aan elkaar. Integratie van al deze systemen vergt slimme oplossingen en kleinschalige opslag.

© Noordhoff Uitgevers


Mag het ietsje meer zijn? Hoe we de energietransitie aan duurzame, sociale en economische vernieuwing kunnen koppelen

18


Wat kunnen de wijken Overvecht in Utrecht en Augustenborg in Malmรถ van elkaar leren over verduurzaming? Op uitnodiging van de Urban Futures Studio (Universiteit Utrecht) was Trevor Graham eind oktober in Nederland om over de transitie van Augustenborg van 'probleemwijk' tot 'ecocity' te vertellen. Saskia Naafs, Suzanne Potjer, Martijn van den Hurk

Gastvrij Thuis FOTO HILDE SEGOND VON BANCHET

19


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

O

Het is de wens van wethouder Van Hooijdonk om de energietransitie te koppelen aan de aanpak van andere problemen, vertelde ze op de Dag van de Stad, 28 oktober in Den Haag. Sociale problemen, gezondheidsproblemen, ondermijnende criminaliteit: “Kun je de energietransitie niet aangrijpen om criminaliteit terug te dringen, om banen te creëren en sociale verbetering in te zetten?”, vroeg de wethouder. “We wilden in Overvecht beginnen omdat er sowieso een grote renovatie aankomt. De gasleidingen en de rioolbuizen moeten vervangen worden, de drie corporaties in de wijk hebben een grote renovatieopgave, en er ligt deels al warmtenet.”

vervecht is een van de eerste wijken in Nederland die 'van het gas af gaat'. Een half jaar voordat minister Eric Wiebes aankondigde dat de gaskraan in Groningen dicht gaat, startte wethouder Lot van Hooijdonk in Overvecht-Noord al een aardgasvrije proeftuin. Het doel is om in 2030 compleet aardgasvrij te zijn. Inmiddels is de analysefase afgerond, vertelt programmamanager Mark Elbers tijdens een bijeenkomst in Gasvrij Thuis in Overvecht-Noord, eind oktober. Nu volgt een proces van afwegen en keuzes maken, zoveel mogelijk in afstemming met de buurt. Gasvrij Thuis is een modelwoning van corporatie Portaal, waarin bewoners een waaier aan aardgasvrije en duurzame oplossingen kunnen zien. Van een warmtepomp, inductiekookplaat en ventilatiesysteem tot een tuin die met gemak hevige regenbuien opvangt.

Voor inspiratie kijkt Overvecht naar de wijk Augustenborg in Malmö, een Zweedse stad die ongeveer even groot is als Utrecht. Wat kunnen de professionals in Overvecht van Augustenborg leren? “Twintig jaar geleden zat Augustenborg op een dieptepunt”, vertelt voormalig gebiedsmanager Trevor Graham, die op uitnodiging van de Urban Futures Studio (Universiteit Utrecht) twee dagen in Nederland is. Augustenborg stond ooit in de top tien van slechtste wijken in Zweden. De wijk is kort na de oorlog gebouwd voor de arbeiders uit de haven en de textielindustrie, en kende twintig jaar geleden een vergelijkbare bevolkingssamenstelling en problematiek als Overvecht. “Er was een grote instroom van vluchtelingen, eind jaren negentig. De huurwoningen waren verouderd, er was sprake van langdurig achterstallig onderhoud. Door slecht waterbeheer stond de wijk zo'n drie tot vier keer per jaar onder water, een situatie die niet langer houdbaar was. En met de reputatie van de wijk was het ook al niet al te best gesteld. Sommige bewoners lieten zich, uit schaamte

De grootste uitdaging van de energietransitie is volgens Mark Elbers hoe je de bewoners erbij betrekt. “Hoe beantwoord je de vraag: what’s in it for me? Aardgasvrij is voor de meeste mensen een ver-van-hunbedshow.” Er zijn particuliere eigenaren die hun eigen plannen maken voor verduurzaming: ze hebben zich verenigd in een buurtinitiatief voor nieuwe energie. Maar het merendeel van de bewoners huurt. De achtduizend woningen in Overvecht-Noord zijn voor driekwart in handen van corporaties. Mitros is, naast Portaal en Bo-Ex, een corporatie met veel bezit in Overvecht. Valentijn Nouwens van Mitros vraagt zich af wat het interessante vergezicht is voor de bewoners. Nouwens: “Gasvrij is geen doel voor bewoners, maar het sociaaleconomisch verbeteren van de buurt kan dat wel zijn.”

20


“Aardgasvrij is voor de meeste mensen een ver-vanhun-bedshow” MARK ELBERS 21


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

hebben te maken met een verkiezingscyclus, zijn bang om afgerekend te worden op impopulaire maatregelen. Maar dat langetermijnperspectief heb je wel nodig, volgens Graham. “Wees daar realistisch in. En pas je snelheid aan aan de bewoners. Neem ze mee in iedere stap.”

voor hun adres, liever net buiten de wijk afzetten door een taxi”, vertelt Graham. “Omdat de wijk op een dieptepunt zat was de weg naar boven de enige optie. Dat gaf politiek mandaat voor verandering.”

Les 1: Neem de tijd voor transitie

Les 2: Leer de wijk écht kennen

De gemeente en MKB, het gemeentelijk woningbouwbedrijf, sloegen eind jaren negentig de handen ineen, gesteund door financiering van de Zweedse nationale overheid. Augustenborg zou een Eco City worden, een lichtend voorbeeld op het gebied van duurzaamheid, met een focus op watermanagement, zonne-energie en groene daken. “Deze beslissing was behoorlijk topdown”, vertelt Graham. “Het moest binnen drie jaar gebeuren en met een strak budget. Alleen de weg ernaartoe stond nog niet vast.”

Dat brengt ons bij les twee. Trevor Graham dwong in Augustenborg eerst meer tijd af, maar het belangrijkste kenmerk van zijn werkwijze was het persoonlijk contact met mensen. Hij en zijn programmateam staken veel tijd in het leren kennen van de bewoners, met ze te praten, te vragen wat zij belangrijk vinden in hun wijk en wat ze graag verbeterd willen zien. Bovendien deed Graham dat op verschillende manieren. Ook in Zweden komen op bewonersavonden vooral de usual suspects af, vertelt hij: “Ik maakte wel eens de grap dat je slechts koffie en cake hoeft neer te zetten of je krijgt de Zweedse vijftig-plus-vrouwen over de vloer.” Dus moet je extra je best doen om bijvoorbeeld de jonge migrantenmannen te bereiken, of juist de jonge vrouwen.

Graham had zijn sporen als gemeenschapswerker verdiend in een oude mijnstreek in het noorden van Engeland. Hij werd naar Zweden gehaald om de bewoners van Augustenborg een stem te geven bij de verduurzaming. Het eerste wat hij deed, was de deadline opschuiven. “Zeker als je bewoners erbij wilt betrekken, heb je minimaal zeven jaar nodig”, zegt hij. Les één is dus: maak genoeg tijd vrij.

Graham ging vaak extra vroeg naar de bushalte, zodat hij alle tijd had om onderweg praatjes te maken. Zijn team had veel contact met allerlei initiatieven en verenigingen in de buurt, van een Bosnische mannenclub tot een gezelschapsclub voor senioren. Door aan te haken bij bestaande structuren, werd een veel bredere groep bewoners bereikt. De Canadese wetenschapper John Robinson noemt het ook wel meeliften of piggybacking.

Nu, twintig jaar later, is ecowijk Augustenborg formeel misschien 'af', maar zijn de ontwikkelingen eigenlijk nog steeds gaande. Zo lang kan het duren als je een wijk wilt verduurzamen én sociaal en economisch sterker wilt maken. Dat is uitdagend, zoals Mark Elbers in Overvecht ook aanstipt: “Het gebrek aan vertrouwen tussen bewoners en de overheid is een groot probleem. En de energietransitie is een proces waarmee we tot 2050 bezig zijn.” Politici

Graham geeft twee mooie voorbeelden van wat persoonlijk contact kan opleveren.

22


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

zijn het eigenlijk wel proeftuinen? De oplossing staat namelijk van tevoren al vast: 'van het gas af'. “Aardgasvrij is een heel strakke, duidelijke opdracht”, zegt ook bestuurskundige Arwin van Buuren van de Erasmus Universiteit Rotterdam, tijdens een bijeenkomst over aardgasvrije wijken op het Ministerie van Binnenlandse Zaken. “Is er eigenlijk wel ruimte om te experimenteren, mag je falen? We gaan nu proeftuinen inrichten, terwijl er een keiharde target ligt. Die spanning is enorm.”

Mensen zaten tijdens de vele overstromingen soms met opgerolde broekspijpen achter hun bureau. Een bewoner bleek in zijn kelder wat te hobbyen met waterloopsystemen. Graham noemt hem the water guy. Hij stelde hem voor aan ingenieurs, was bang dat ze hem niet serieus zouden nemen. Maar uiteindelijk werd het waterloopsysteem dat deze man in zijn kelder had bedacht, toegepast in de wijk, en later ook op andere plekken in de stad. Hij kon er zelfs een bedrijf mee opbouwen. Het tweede voorbeeld komt van een vrouw die in haar vrije tijd graag aan auto’s sleutelde. Zij bedacht samen met andere bewoners een carpoolsysteem voor de buurt, dat een tijd lang functioneerde voordat een commerciële aanbieder hun plaats in nam. Graham: “Ze stonden erop dat het elektrische auto's moesten zijn, want die hadden de toekomst, zeiden ze al eind jaren negentig. Ik geloofde ze niet”, zegt hij nu, lachend. “Het gaat om het begrijpen van de opvattingen, de ervaringen en de behoeften van de bewoners”, zegt Graham. Als dat lukt, kunnen er onverwacht heel mooie oplossingen ontstaan voor problemen die je van tevoren nog niet in beeld had. Door bewoners serieus te nemen, naar ze te luisteren en vertrouwen te geven, ontstaat er ruimte voor bewonersinitiatieven, creativiteit en ondernemerschap. Daarmee wordt de vernieuwing iets ván de buurt.

“Stel jezelf continu de vragen: Zijn we nog goed bezig? Wat moet er eventueel veranderen?” Het risico is dat lokale overheden zich blindstaren op één centrale oplossing, terwijl de kracht van experimenteren juist zit in het gezamenlijk onderzoeken van verschillende ideeën en oplossingen. De proeftuinen lenen zich bij uitstek voor een zoektocht naar hoe 'aardgasvrij' onderdeel kan zijn van een bredere vernieuwing, zodat het voor bewoners ook voelt als vooruitgang. En stel jezelf continu de vragen: “Zijn we nog goed bezig? Wat moet er eventueel veranderen?” Van Buurens advies sluit hierop aan: “Stel je meer ‘doelzoekend’ op. Dat kost in het begin meer tijd, maar kan betekenen dat je later veel snellere stappen kunt maken. Bouw het van onderaf op en durf onzekerheid te accepteren.”

Les 3: Overheid, verbreed de opdracht En daarmee komen we bij een relevante vraag voor de 27 proeftuinen aardgasvrije wijken die Nederland op dit moment kent:

23


Mark Elbers en Trevor Graham. FOTO HILDE SEGOND VON BANCHET

rest van de wijk zijn die niet omhoog gegaan, zegt Graham. “Het gemeentelijk woningbedrijf heeft de investering opgevat als achterstallig onderhoud, en die niet op de huurders verhaald.”

Zo is Augustenborg niet alleen verduurzaamd, maar is ook de openbare ruimte opgeknapt, is het imago van de wijk sterk verbeterd, zijn mensen aan een baan geholpen, en is het een plek geworden waar bewoners graag blijven wonen. Op de plek van de oude kolencentrale staat nu een groen en energie-opwekkend appartementencomplex. Hier zijn de huren hoger, maar in de

Les 4: Wees niet bang voor fouten Graham vertelt dat zijn rol als aanjager

24


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

“Klimaatverandering stimuleert ook economische ontwikkeling en sociale verbetering” in het proces. Ze stelde zich soms als ­partner op, soms volgend. Zijn tip: wees niet bang om fouten te maken en zoek de grenzen op. Zo kan aardgasvrij onderdeel worden van een veel bredere verbetering. “Verbind de klimaat­ uitdagingen aan sociaaleconomische verbetering, anders gaat het je nooit op tijd lukken”, aldus Graham. In Malmö verliep de transitie stapsgewijs, vertelt hij. “Ook Augustenborg begon topdown. Het doel om een ecowijk te worden was een idee van de overheid. Maar wat dat inhield stond nog niet vast.” Energie maakte aanvankelijk zelfs geen deel uit van de transitie. Pas na een paar jaar kwam het inzicht dat een ecowijk eigenlijk ook hernieuwbare energie nodig had, en kwamen er zonnepanelen. Een experiment met windenergie faalde: een van de twee windmolens waaide om, de andere werd preventief ontmanteld. De ecowijk ontstond zo, stapje voor stapje.

vaag was, maar dat was juist een zegen. “De burgemeester zei: als je iets doet waar we het niet mee eens zijn hoor je het vanzelf, dus ga gerust door met waar je mee bezig bent. Ik kreeg echt het mandaat om creatief te zijn, sterker nog: om co-creatief te zijn. Ik mocht fouten maken. Dat vond ik erg bevrijdend en het sterkte mij in mijn rol.” De gemeente was niet altijd leidend

Les 5: Werk samen, ook met minder voor de hand liggende partners Dat brengt ons bij het laatste advies van Graham: werk zoveel mogelijk samen. Net zoals in Overvecht, werkten in Augusten-

25


Overvecht straatbeeld. FOTO HILDE SEGOND VON BANCHET

26


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

lijkste plekken. “We moeten nog veel ambitieuzer zijn. Bij klimaatverandering hebben we niet de luxe om te wachten op verandering tot we het absolute dieptepunt bereikt hebben.”

borg de overheid, de woningcorporatie, de nutsbedrijven en de bewoners samen. Graham probeerde er ook het bedrijfsleven bij te betrekken, zoals IKEA en bouwbedrijf Skanska. Zij zagen kansen in verduurzaming en in het aanbieden van gestandaardiseerde oplossingen. Graham werkte tegelijkertijd ook mee aan Västra Hamnen, een nieuwe duurzame wijk aan de Sont, de zeestraat tussen Malmö en Kopenhagen. Die wijk is het uithangbord geworden van Malmö als duurzame stad. De twee wijken zijn erg verschillend, maar konden wel van elkaar leren. In Overvecht zijn er veel kansen voor kruisbestuiving tussen verschillende programma’s en plannen. Zo is er de transitie naar 'aardgasvrij', maar ook het programma Samen voor Overvecht, om de sociaaleconomische problemen aan te pakken. De drie corporaties en enkele projectontwikkelaars en beleggers hebben bovendien het initiatief genomen om een nieuw transformatieplan voor de wijk te maken onder de noemer Werkplaats Overvecht. Uitwisseling met het programmateam aardgasvrij Overvecht-Noord is er vooralsnog niet, zeggen de aanwezigen in Gasvrij Thuis. Nieuwe samenwerkingsvormen vergen tijd en inspanning en de plannen zijn nog pril.

Tot slot: beter leren Wat de ontmoeting tussen het Nederlandse Overvecht en het Zweedse Augustenborg bovenal laat zien, is hoe belangrijk het is om van elkaar te leren. In de aardgasvrije proeftuinen van Nederland zullen we er niet komen met enkel een grondige analyse en een gedegen plan. Een open zoektocht is nodig, waarin steeds nieuwe stappen worden gezet en waarin technische oplossingen en bewonersbehoeften voortdurend worden gewogen. Voor zo’n complexe opdracht bestaat geen stappenplan. Niemand heeft het antwoord, maar we kunnen wel leren van elkaars trials and errors. Augustenborg is in veel opzichten vergelijkbaar met Overvecht, maar de verduurzaming begon niet met een vastomlijnde opdracht als 'aardgasvrij'. De problematiek zat in de wijk zélf: actie kon niet langer uitblijven. Zo ontstond een uitvoerige en langdurige missie om de wijk te vernieuwen, met een duidelijke integrale aanpak en engagement met de buurt. Augustenborg plaatst het Nederlandse blindstaren op 'aardgasvrij' in een ander perspectief: ja, de energietransitie is een belangrijk doel, maar evenzeer zijn wijken toe aan sociale en economische transities. Augustenborg laat zien hoe je die opgaven kunt combineren.

In Zweden probeert de overheid nu iedereen bij de transitie naar een duurzame samenleving te betrekken. De retoriek is die van 'de klimaatvriendelijke verzorgingsstaat' volgens Graham. “Het betekent dat iedereen er deel van uitmaakt, en dat klimaatverandering ook economische ontwikkeling en sociale verbetering stimuleert.” Hij vindt dat de transitie ook in Zweden nog veel te langzaam gaat: project voor project, en lang niet altijd op de moei-

LEES MEER Lees dit artikel ook online

27


INTERVIEW JOS VAN DALEN Programmadirecteur Aardgasvrije Wijken

28


INTERVIEW

Rijksbeleid van iedereen In dit themanummer Ruimte voor nieuwe Energie mag Jos van Dalen (BZK), de enthousiaste programmadirecteur Aardgasvrije Wijken, niet ontbreken. Hij is een rasoptimist en kijkt uit naar de tweede ronde proeftuinen. De lessen uit de eerste ronde leveren verscherpte eisen op voor de tweede. Vooral ten aanzien van de businesscases, het betrekken van bewoners en het verbinden van de energietransitie met andere grote maatschappelijke opgaven in de wijk. Dáárop wil Jos van Dalen al zijn aandacht richten. Annemiek Rijckenberg, Evamarije Smit

Het interbestuurlijke Programma Aardgasvrije Wijken is een uitvloeisel van het Klimaatakkoord en richt zich op het onderdeel gebouwde omgeving. Het is een partnerschap van de ministeries van BZK en EZK, de VNG, het IPO en de Unie van waterschappen. Twee jaar geleden is gestart met 27 wijken. Deze zogenoemde “proeftuinen” geven ruimte aan experimenten en gaan tegelijkertijd van het aardgas af. Het doel van het programma is te leren van de praktijk en met de geleerde lessen vooruitgang te boeken. Dit wordt ondersteund met een kennis- en leerprogramma onder coördinatie van de VNG. Voor de onrendabele top verstrekt het Rijk een bijdrage, zodat de transitie in de proeftuinen op een betaalbare wijze uitgevoerd kan worden. Ook belemmeringen, bijvoorbeeld in wet- en regelgeving worden direct aangekaart en Jos van Dalen ervaart het als een zijn missie om te proberen ze uit de weg te helpen. Uit de analyse van de eerste twee jaar dat de proeftuinen nu “actief zijn” zijn er twee bijzonder relevante leerpunten gekomen in de ogen van Van Dalen. “Het is overduidelijk geworden dat een lokale overheid geen beleid of plannen over een wijk kan uitstorten. Bewoners van een wijk moeten vanaf het eerste moment be-

29


INTERVIEW

Overwhere-Zuid, Purmerend. FOTO KICK SMEETS

trokken worden en gevraagd naar hun eigen ideeën. Het tweede leerpunt is dat er meerdere opties moeten zijn zodat er wat te kiezen valt. Door middel van een selectieproces kan een wijk, of misschien beter nog een buurt, kiezen voor een bepaalde optie”. De analyse leert ook dat het goed zou zijn als een gemeente zich samen met haar bewoners verdiept in de mogelijkheden om aardgasvrij te verbinden met andere opgaven in de wijk, bijvoorbeeld op het gebied van leefbaarheid, veiligheid of werkgelegenheid.

Huis aan huis Op 1 april 2020 sluit de aanvraag voor de tweede ronde van nieuwe proeftuinen en de eisen rondom bewonersparticipatie zijn fors aangescherpt. Van Dalen blikt terug: “In Purmerend hebben huis aan huis gesprekken plaatsgevonden om eerst met alle bewoners echt kennis te maken. Om te horen wat er speelt en te begrijpen hoe hun leefwereld in elkaar steekt. Ook is gevraagd naar hun mening over het aardgasvrij maken van hun woningen. Op basis daarvan wordt er nu tamelijk succesvol gewerkt aan concrete plannen”. In de eerste ronde van aanvragen bleek dat veel gemeenten nog niet zover waren. Met de aangescherpte eisen voor de participatie van bewoners hoopt Van Dalen te bereiken dat gemeenten er echt werk van maken en bewoners goed betrekken. Het feit dat het Rijk de volgende ronde proeftuinen faciliteert wil niet zeggen dat zij in de lead is. De regie ligt heel nadrukkelijk bij de gemeenten, maar het Rijk wil hier graag partner bij zijn:

30


INTERVIEW

“Het Klimaatakkoord is het bouwwerk waarop alles is gestoeld. Het is ondertekend door inmiddels ruim 100 partijen die verantwoordelijkheid willen nemen voor de klimaatdoelen. Het is per definitie een partnerschap. Er is niet één rijksbeleid of nationaal programma”.

Definitieve business case Dat er nog veel te leren valt is een feit. Alles is nieuw en in de beleving van Van Dalen "begint het nu echt". Het jaar 2020 ziet hij als het jaar van de definitieve businesscases binnen veel van de eerste 27 proeftuinen. Hij kijkt uit naar de voorstellen en het aanbod aan de bewoners. “Bouwers en andere leveranciers willen graag zekerheid en een continue bouwstroom voor vele jaren. Dat beoogt kostenreductie op te leveren die, gecombineerd met fiscale maatregelen (verhoging belasting op aardgas) en de beschikbaarheid van subsidies en financiering, noodzakelijk is voor een betaalbare aanpak. Want de transitie gaat alleen vliegen als het betaalbaar is”, aldus Van Dalen. Hij geeft toe dat eigenaar-bewoners een doelgroep zijn waarvoor het lastig is dergelijke continuïteit te verschaffen. In de aangescherpte eisen voor de businesscase gaat het hier wel over: hoe kun je de markt zo organiseren dat er betere en goedkopere oplossingen beschikbaar komen en hoe organiseer je de betrokken partijen en de bewoners? Van Dalen: “Daar zitten we in de tweede ronde proeftuinen bovenop”.

“Je kunt geen beleid over wijken uitstorten”

Woningcorporatie als aanjager Woningcorporaties spelen een belangrijke rol bij de verduurzaming van de gebouwde omgeving. De branchevereniging voor corporaties, Aedes, is een belangrijke partner van het programma. Immers, in de meeste wijken is veel bezit van corporaties aanwezig. Zij kunnen ook een krachtige motor zijn voor de wijkgerichte aanpak. Van Dalen: “Corporaties werken aan een duurzame toekomstbestendige woningvoorraad. Van het aardgas af past daar wat mij betreft prima in”. Dat corporaties betaalbaarheid en beschikbaarheid voorop stellen begrijpt hij. De sector maakt op dit moment inzichtelijk welke opgaven er de komende jaren zijn en welke investeringen hiermee gemoeid zijn. Op basis hiervan kan de politiek bespreken op welke wijze eventuele knelpunten kunnen worden opgelost.

Verbinden met maatschappelijke opgaven Een ander punt uit de evaluatie van de eerste ronde proeftuinen betreft de verbinding van de energietransitie aan bredere maatschappelijke opgaven. Ge-

31


INTERVIEW

“2020 is het jaar van de ­definitieve business cases”

JOS VAN DALEN 32


INTERVIEW

meenten kozen bij het indienen van de eerste ronde aanvragen in meerderheid voor een relatief smalle invulling van de energietransitie. De belangen van de bewoner om in een veilige, toekomstbestendige woonwijk te wonen bleven nog onderbelicht. Eén van de aanscherpingen in deze tweede ronde gaat over deze zogenoemde “koppelkansen". Van Dalen vindt koppelen eigenlijk niet zo’n mooi woord: “Het gaat feitelijk over het verbinden van het fysieke en sociale domein. Dat gaat veel verder dan een paar kansen die je kunt grijpen. Het gaat echt over het verbinden van de energietransitie aan de vaak grote maatschappelijke opgaven van een wijk. Zodat een aardgasvrije wijk ook een betere wijk is. Ik heb goede hoop op de potentie die hier inzit!”. In de tweede ronde van de proeftuinwijken is ook nadrukkelijker naar de verbindingen gevraagd; ook op dit punt zijn de eisen verscherpt. Van Dalen: “Mijn taak is zogezegd het bij elkaar harken van CO2-reductie, maar dat kan niet zonder een integrale aanpak waardoor ook op andere terreinen het leven van burgers verbetert”. Van Dalen die de eerste jaren van zijn werkzame leven doorbracht bij Unilever, heeft geleerd dat een dergelijk grote vernieuwing goede marketing en communicatie nodig heeft en door mensen moet worden gedragen. “Er is een ongelooflijke positieve energie losgekomen. Op het congres Aardgasvrije wijken van 23 januari jongstleden was dat duidelijk voelbaar. Gemeenten zijn echt geïnteresseerd en veel (jonge) professionals willen het verschil maken”.

“Neem geen overhaaste beslissingen”

Geen haast Naast deze positieve energie is het Van Dalen niet ontgaan dat er mensen zijn de transitie als zeer complex ervaren. Zeker wanneer je ambieert om de energietransitie te verbinden aan het bieden van perspectief op allerlei terreinen zoals gezondheid, werkgelegenheid, leefbaarheid en bijvoorbeeld sociale cohesie. In die complexiteit schuilen mogelijk wel de oplossingen en om die reden adviseert Van Dalen toch niet overhaast te werk te gaan. Van Dalen: “Dat klinkt misschien tegenstrijdig met het programma maar ik meen het wel. Laten we eerst goed nadenken. Zoek elkaar op en maak alle mogelijke verbindingen aan de voorkant. Neem de tijd voor dit proces. Daar zijn de proeftuinen ook voor.”

LEES MEER Lees dit artikel ook online

33


De wijk als voedingsbron voor de energietransitie

34


De titel van dit themanummer luidt: Ruimte voor nieuwe energie. In dit artikel willen we dit belichten vanuit de invalshoek: de wijk als voedingsbron voor de energietransitie. Dit perspectief komt voort uit onze ervaring in het werken met bewoners, instellingen en onder­ nemers in wijken, vanuit ons bureau Mens, Merk & Ruimte. We ­beperken ons in dit artikel tot die duurzaamheidsactiviteiten die ­direct iets vragen van de bewoners in wijken. Hans Kars, Martin Jansen

Woningverbetering Zuiderzeewijk FOTO WILLEM MES PHOTOGRAPHY, UTRECHT

35


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

I

de aanpak. Samen opgevat als dat de samenwerking tussen partijen van groot belang was voor succes. We zijn nu zo’n dertig jaar verder. Er valt veel te zeggen over het succes en het falen van het gebiedsgerichte werken. De hierboven genoemde drie kenmerken blijven echter essentieel en betekenisvol, en ze zijn ook bruikbaar in de aanpak van de energietransitie.

n een aantal stappen bouwen we ons verhaal op. Allereerst staan we kort stil bij het gebiedsgerichte werken als antwoord op het traditionele beleidsdenken. Vervolgens gaan we in op het handelingsperspectief dat een gebiedsmerk biedt. Belangrijk voor ons betoog zijn de begrippen alledaagse en geplande duurzaamheid. Als derde beschrijven we de resultaten van het onderzoek dat we samen met Arnold Reijndorp deden naar het vakmanschap van bewoners op het gebied van klussen in Zuiderzee- en Atolwijk in Lelystad. Tenslotte trekken we een aantal conclusies waarvan we denken dat deze relevant zijn voor de aanpak van de energietransitie.

Het gebiedsmerk als handelingsperspectief Het gebiedsgerichte werken zorgde ervoor dat het aanbod van organisaties meer werd afgestemd op de wensen en behoeften van bewoners, gebruikers en ondernemers, althans dat was de bedoeling. Maar het gaf nog onvoldoende antwoord op de vraag wat het gezamenlijke aanbod van partijen zou moeten zijn om buurten te verbeteren, waarvan de fysieke en sociale kwaliteit achteruitging. Het antwoord op die vraag vond onder andere ons bureau in het begrip identiteit van de wijk. Die identiteit is het geheel van fysieke aspecten, sociaal-culturele geschiedenissen, het alledaagse wonen en leven van bewoners en werken van ondernemers in de buurten. De identiteit, die er al is, wordt door ons opgespoord en samengevat in het gebiedsmerk. Een van de belangrijkste kenmerken van identiteit c.q. gebiedsmerk van een buurt is dat de verschillen met andere buurten zichtbaar worden. Elke buurt is uniek. Het gebiedsmerk biedt bewoners en partijen die werkzaam zijn in de wijk handelingsperspectief. Een gebiedsmerk is ook goed bruikbaar in de aanpak van de energietransitie. Het gebiedsmerk van de wijk levert de context, het verhaal, de inkleuring van de energietransitie in een bepaalde buurt.

Gebiedsgericht werken versus traditioneel beleidsdenken Vanaf eind jaren tachtig ontstond in de steden het gebiedsgerichte werken als antwoord op het traditionele beleids- en ontwerp denken van onder andere gemeenten. Vanachter het bureau definieerden professionals en bestuurders de vraagstukken en bedachten daarbij de oplossingen. Dat kon niet goed blijven gaan, zeker gelet op de groeiende mondigheid van bewoners. In de stadsvernieuwing was al de ervaring opgedaan dat het betrekken van bewoners cruciaal was voor succes. Het gebiedsgerichte werken ging een stap verder dan de stadsvernieuwing. Het gebiedsgerichte werken werd vraaggericht, integraal en samen. Vraaggericht in de zin dat wensen en behoeften van bewoners, gebruikers en ondernemers belangrijke input werd voor activiteiten, projecten en beleid. Integraal in de zin dat gekeken werd hoe fysieke, sociale, en sociaaleconomische vraagstukken met elkaar samenhingen en wat dat betekende voor

36


“Praktijk­ onderzoek is nodig om ­kennis en ­ervaring van bewoners op te halen” HANS KARS 37


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE Alledaagse en geplande duurzaamheid

heid zijn de door de overheid ingezette maatschappelijke strategieën: subsidies op energiezuinige auto’s, introductie van zonnepanelen en warmtepompen, nul-op-demeter-woningen, van het gas-af, etc. Wij constateren dat de maatschappelijke strategieën gericht op verduurzaming regelmatig worden ingezet, zonder al te veel kennis over hoe bewoners in de alledaagse praktijk met duurzaamheid omgaan (sociaal en fysiek). Wat zijn de praktijken van bewoners en welke (nieuwe) oplossingen worden door hun bedacht? Het traditionele beleids- en ontwerp denken is daarmee weer terug, als het ooit is weg geweest. De maatschappelijke strategie met betrekking tot verduurzaming wordt echter pas effectief als dit wordt verbonden met inzicht in de praktijken van bewoners. Praktijkonderzoek in buurten is dus nodig om de kennis en ervaring van bewoners op te halen. Praktijkonderzoek kan zich richten op drie aspecten: opvattingen bewoners over duurzaamheid, hun gedragen gebruik van de woning en directe omgeving in verband met duurzaamheid en tenslotte de drijfveren en motieven van bewoners om al dan niet iets met duurzaamheid te doen. Naar ons idee moet het praktijkonderzoek zich vooral richten op het feitelijk handelen van bewoners en op de kansen en belemmeringen die ze tegenkomen.

In ons betoog maken we onderscheid tussen de begrippen alledaagse duurzaamheid en geplande duurzaamheid. Deze begrippen bouwen voort op de begrippen alledaagse en geplande stad die door Arnold Reijndorp en Leeke Reinders beschreven worden in het gelijknamige boek Alledaagse en geplande stad. De alledaagse stad gaat over dagelijkse praktijken van bewoners, gebruikers en ondernemers. Het gaat onder andere over routes, routines en rituelen. De geplande stad gaat over maatschappelijke strategieën die met name vanuit de overheid worden bedacht. Naast strategieën als participatie en zorg is verduurzaming, meer specifiek de energietransitie, een strategie die vanuit de overheid is ingezet. Duurzaamheid wordt dan vaak in een beperkte betekenis opgevat, namelijk de fysieke kant daarvan. Wij zien duurzaamheid in een bredere context, namelijk ook sociale duurzaamheid. Kern van ons betoog is dat maatschappelijke strategieën niet effectief zijn als zij niet mede zijn gebaseerd op kennis van hoe burgers, instellingen en bedrijven met het betreffende thema omgaan. Ook de maatschappelijke strategie van verduurzaming is niet effectief als er geen inzicht bestaat in hoe bewoners zelf in de alledaagse praktijk omgaan met verduurzaming. We maken daarbij onderscheid tussen alledaagse duurzaamheid en geplande duurzaamheid. Onder alledaagse duurzaamheid verstaan we de praktische maatregelen die veel mensen thuisnemen om energiekosten te verlagen en om duurzamer te leven: tochtstrippen aanbrengen, de verwarming een graadje lager, gebruik van ledlampen, afval scheiden, autogebruik verminderen, hergebruik van kleding en materialen. Geplande duurzaam-

Vakmanschap van bewoners in Zuiderzee- en Atolwijk Een voorbeeld van zo’n praktijkonderzoek, is het onderzoek dat we deden naar het vakmanschap van bewoners bij het verbeteren van hun woning in de wijken Zuiderzeewijk en Atolwijk in Lelystad in 2017. Wij richtten ons vooral op de eigenaar-bewoners. In het praktijkonderzoek hebben we bewoners niet in de eerste plaats aangesproken op

38


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

deels uitbesteed - hoe kwamen ze aan kennis en vaardigheden, materialen, gereedschap, geld? We geven hieronder kort de conclusies van het onderzoek weer. Er is nogal verschil in het soort vakmanschap. Er zijn bewoners die over bouwtechnische kennis en vaardigheden beschikken. Binnen deze groep kan onderscheid worden gemaakt tussen de professionals (het is hun vak) en doe-het-zelvers. Deze groep pakt de verbetering, al dan niet met hulp van anderen aan. Daarnaast is er de groep die min-

hun opvattingen, maar op wat zij kunnen en doen, op hun vakmanschap. Bewoners beschikken over kennis, vaardigheden en talenten die voortkomen uit opleiding, beroep, vrijetijdsbesteding. Naast (bouw) technische kennis en vaardigheden beschikken zij over nog ander vakmanschap, in de sfeer van management, financiën, onderwijs, beveiliging, catering, tuinieren, cultuur, grafisch ontwerp en nog veel meer. Door onderzoek te doen naar het vakmanschap wordt deze individuele vakkennis, collectief en zichtbaar gemaakt. Zuiderzee- en Atolwijk in Lelystad zijn gebouwd in de jaren zestig en zeventig. Beide wijken kennen veel eigenaar-bewoners. Een deel van hen heeft een woning gekocht van woningcorporatie Centrada, wat leidde tot gespikkeld bezit. Centrada verbeterde haar woningen, maar een flink deel van de eigenaar-bewoners niet, omdat zij over te weinig financiële middelen beschikten, mede als gevolg van de crisis in 2008 en later. In Zuiderzeewijk werd rond 2015 een modelwoning ‘0 op de meter’ opgeleverd, als voorbeeld van wat er mogelijk was. Voor eigenaar-bewoners met een laag inkomen was dit echter geen realistisch alternatief. Wij stelden aan de gemeente Lelystad voor een praktijkonderzoek te doen naar de manier waarop eigenaar-bewoners zelf bezig zijn met het verbeteren van hun woning. Het idee hierachter is dat het doorbreken van stagnaties in de verbetering van woningen (en wijken) sterk afhangt van de activiteiten van de bewoners zelf. De vraag was: hoe pakken bewoners het opknappen van hun woning in de praktijk aan? Wat hebben ze gedaan, hoe hebben ze het aangepakt – alleen, met hulp van anderen, geheel of

“De identiteit van de buurt geeft informatie over hoe je de kunt aanpakken” der of niet over bouwtechnische vaardigheden beschikt, maar wel over sociale en organisatorische vaardigheden. Deze groep schakelt de omgeving (buren, familie, vrienden) in bij de aanpak. Beiden soorten vakmanschap zijn belangrijk in de aanpak. Ze vullen elkaar aan. Wanneer bewoners samen met buren, vrienden en/of familie de woning aanpakken was er vaak sprake van wederkerigheid. De een kan dit, de ander dat. Maar ook: de een klust, de ander zorgt voor eten. De drijvende kracht voor alle verbouwingen was een mengeling van esthetiek met comfort en gebruiksgemak. Zo leidde het aanpakken van de puien tot een behaaglijk binnenklimaat. Opknappen van de douche loste schimmelproblemen op.

39


Samen klussen in Atolwijk. FOTO MARTIN JANSEN

over financieel voordeel en comfort, dan over duurzaamheid. Biobased materialen noemde geen van de respondenten. Weinig respondenten hadden zonnepanelen, en wie het overwoog twijfelde, gezien de lange terugverdientijd en het feit dat de huidige panelen nog niet uitontwikkeld zouden zijn. Een respondent die zelf in de bouw werkzaam is, onderscheidde drie cruciale aspec-

Door stuken, schilderen en nieuw laminaat zag alles er weer knap uit. Energiebesparing en duurzaamheid bleken zelden een motivator, comfort wel. Zo bleek bij één respondent na een totale renovatie de begane grondvloer niet geïsoleerd. Een ander die stelde duurzaamheid belangrijk te vinden, liet 40 jaar zijn puien intact, met daarin de originele, zeer dunne isolatie. De afwegingen gingen vaak meer

40


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

“Het betrekken van bewoners is cruciaal was voor succes� meen stap-voor-stap aan, vaak kamer voor kamer. In de aanpak wordt geprobeerd de kosten zo laag mogelijk te houden en zoveel mogelijk te spreiden. Het kennisniveau van de respondenten ten aanzien van klussen verschilde enorm. Er waren vier groepen te onderscheiden. Ten eerste: zij die zelf in de bouw werkten en die wisten hoe het eraan toe gaat. Ten tweede de handige doe-het-zelvers. Zelf doen bespaart veel geld, maar dan moest het wel stukje bij beetje gaan, want het kost tijd en mensen moesten ook werken en hadden een gezinsleven. Ten derde - de meerderheid - mensen die gewoon beginnen en zich het klussen gedurende de rit eigen maakten. Daarbij werden nogal wat fouten gemaakt; veel ging van trial and error. Ten vierde: mensen die (bijna) geheel afhankelijk waren van de hulp van collega’s, familie, vrienden, en/of professionals. Vooral de groep die zich het klussen nog eigen moest maken, zocht actief naar informatie over de aanpak van verbouwingen, materiaaleigenschappen, manieren van verwerken, en bedrijven met de juiste kwalificaties om een klus te klaren. Die zoektocht verliep via vrienden, bij de bouwmarkt, bij buren, op het web. Wie het klussen aan vaklui overliet, vergiste zich nogal eens in de organisatiekracht die daarbij nodig was, zeker wanneer er meerdere vaklieden rondliepen van

ten bij klussen: geld, kennis en organisatie. De financiering was veelal een mengeling van eigen spaargeld en een hypotheek. Vaak werden grote aanvangsklussen met de hypotheek mee gefinancierd, waarna diverse verbeterklussen in de loop der jaren stap voor stap met spaargeld werden aangepakt. Het kon wel tot twintig jaar duren voordat het gehele huis afgewerkt was. Bewoners pakken hun woning en tuin over het alge-

41


Vader en zoon klussen aan hun huis in de Altowijk. FOTO MARTIN JANSEN

42


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Onderzoek naar het vakmanschap in de buurt bij de verbetering van woningen geeft informatie over wat en hoe je samen met bewoners de energietransitie kunt aanpakken. Besef dat bewoners met innovatieve oplossingen kunnen komen, zowel inhoudelijk als procesmatig. Kortom, organiseer de energietransitie in de wijk samen met bewoners(organisaties). Maak samen met hen het plan van aanpak, zowel wat betreft inhoud, proces als planning. Onze stelling is dat een aanpak voor woning- en wijkverbetering - inclusief de mogelijkheden voor beperking van gebruik en de

wie het werk op elkaar moest worden afgestemd. Sommigen besteedden een jaar lang hun vakantiedagen aan de opzichterij. Opvallend was dat klussers inhuren vaak via etnische lijnen liep; mensen van Turkse komaf, werkten met Turkse klussers. Materialen werden vaak nieuw gekocht bij de consumentenbouwmarkt. Materialen met een hoge restwaarde, zoals keukens, werden ook wel tweedehands aangeschaft, en zelfs van ver gehaald; tot aan anderhalf uur rijden toe, bij de Duitse grens. De resultaten van ons onderzoek zijn in bouwkundige en financiële zin uitgewerkt door architectenbureau Doepel en Strijkers. In de loop van 2020 komen we met een publicatie met ideeën over de aanpak van de particuliere woningverbetering en de organisatie ervan.

“De een klust, de ander zorgt voor eten”

De wijk: voedingsbron voor de energietransitie opwekking van energie - alleen succesvol kan zijn, als deze voortbouwt op het in de wijk aanwezige vakmanschap en organisatietalent en door eigenaar-bewoners zelf kan worden uitgevoerd. Ondersteuning door gemeente en instellingen kan daaraan bijdragen, maar alleen als dat aansluit bij de manier waarop en het tempo waarin bewoners zelf aan de slag gaan. Zo wordt de wijk een voedingsbron voor de energietransitie, in plaats van een te nemen hindernis.

Wat zijn op basis van bovenstaande de aandachtspunten voor de energietransitie? Allereerst geeft een vraaggerichte aanpak informatie over hoe de energietransitie procesmatig en inhoudelijk kan worden aangepakt in een bepaald gebied. Het laat ook zien dat het niet alleen gaat om fysieke duurzaamheid, maar ook om sociale- en sociaaleconomische duurzaamheid. Een vraaggerichte aanpak doorbreekt het ideologische en beleids- en ontwerp denken dat nu (ook) bestaat. Elke buurt is verschillend. Kennis van de identiteit van de buurt geeft informatie over hoe je de energietransitie in de betreffende buurt kunt aanpakken. Kijk daarbij niet alleen naar de geplande duurzaamheid, maar juist ook naar de alledaagse duurzaamheid, die over het algemeen gesproken dichter bij de bewoner staat.

LEES MEER Lees dit artikel ook online

43


Industrie Polen FOTO MARCINJOZWIAK

Aardgasvrij in Europa

“Er is heldere informatie nodig over de werking en de kosten” 44


Nederland gaat van het aardgas af. Wijk voor wijk worden plannen gemaakt om de woningen voor 2050 te laten overstappen naar duurzame, COâ‚‚-vrije energie. Dit past binnen de Europese Green Deal die eind 2019 is gepresenteerd, die de emissies van alle gebouwen in Europa naar nul wil brengen. Hoe pakken onze Europese buren dat aan? En waarom gaan ze in Duitsland juist aan het aardgas? Katja Kruit

45


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

I

goed is het geïsoleerd? Is het een flat, een dichtbebouwde wijk of een vrijstaande boerderij? Welke warmtebronnen zijn er in de omgeving? Hoeveel kunnen en willen de eigenaren investeren? Wat zijn de verwarmingsgewoontes en comfortbehoefte van de bewoners? Nieuwbouw heeft een lage warmtebehoefte en is goed geïsoleerd, dus daar kan met lage temperatuur worden verwarmd, bijvoorbeeld met een elektrische warmtepomp. Ook in bestaande gebouwen waar goed geïsoleerd wordt, is dat een goede oplossing. De investering is weliswaar hoog (naast de isolatiemaatregelen kost een warmtepomp 3 tot 10 maal zoveel als een nieuwe hr-ketel), maar daarna neem het energiegebruik af en kan de energierekening flink omlaag. Een goed geïsoleerd huis is daarnaast comfortabel warm. In de straat is uiteindelijk de gasleiding niet meer nodig. In dichtbebouwde gebieden, bijvoorbeeld in steden en in flatwijken, zijn warmtenetten een alternatief. Dit zijn leidingen die warm water naar woningen transporteren, zodat in de woning geen ketel meer nodig is. Dit is mogelijk als er warmtebronnen in de omgeving zijn, zoals restwarmte van energiecentrales, industrie of afvalverbranding, of wanneer een duurzame warmtebron in de omgeving gebouwd kan worden. Om echter volledig te verduurzamen moet de warmtebron in 2050 geen CO₂-emissies meer hebben. Daarom worden ook hernieuwbare warmtebronnen gezocht zoals geothermie en aquathermie, waarbij warmte uit drinkwaterleidingen, riolering of oppervlaktewater wordt gebruikt. In sommige gebouwen zijn zowel warmtepompen als warmtenetten uitdagend. Bijvoorbeeld in historische binnensteden,

n 1959 werd aardgas ontdekt in Slochteren. In tien jaar tijd werd driekwart van de woningen in Nederland aangesloten op het Nederlandse aardgas. Zestig jaar later staan we voor de volgende warmtetransitie, van aardgas naar hernieuwbare energie in 2050. Aardgas zorgt voor CO₂-uitstoot en dus voor klimaatverandering, en daarnaast heeft de winning in Groningen ook geleid tot aardbevingen en schade. In Nederland wordt inmiddels meer dan 90% van de woningen verwarmd met aardgas. De rest van de woningen is aangesloten op warmtenetten - voornamelijk gevoed met restwarmte van elektriciteitscentrales of afvalcentrales - en een klein gedeelte wordt verwarmd met elektrische warmtepompen of houtpellets. Door het Groningse aardgas hebben we in Nederland last van de ‘wet van de remmende voorsprong’. Van alle fossiele brandstoffen heeft aardgas de minste CO₂-uitstoot en de schoonste verbranding en we hebben jarenlang tegen lage kosten kunnen stoken. We hebben een uitstekend aardgasnet en zijn gewend aan een lage energierekening en maximaal comfort. Maar daardoor zijn (hernieuwbare) alternatieven niet erg aantrekkelijk.

Alternatieven voor aardgas Wat zijn dan de alternatieven voor verwarmen met aardgas? Om de CO₂-uitstoot naar nul te brengen, is een combinatie nodig van besparen (isoleren) en overstappen op een andere energievoorziening. Dat kan hernieuwbare elektriciteit zijn, warmtenetten gevoed met geothermie of restwarmte, duurzaam groengas of waterstof, zonnewarmte of een hybride combinatie van technieken. Welke oplossing het beste is hangt af van veel factoren. Hoe oud is het gebouw, hoe

46


“We hebben in Nederland last van de 'wet van de remmende voorsprong'” KATJA KRUIT 47


Aanleg NEL gas pijplijding in Duitsland. FOTO NITESHIFT

Gemeentelijke warmtevisie

waar verregaande isolatie buitenproportioneel duur is en er geen warmteleidingen in de smalle straten meer bij passen. Of waar geen duurzame warmtebronnen zijn om een warmtenet te voeden. Daar zijn andere oplossingen misschien de uitkomst, zoals groengas of een combinatie van technieken.

In Nederland hebben alle gemeenten van het Rijk de opdracht gekregen om uiterlijk 2021 een transitievisie warmte te maken. Hierin moeten zij aangeven wanneer elke wijk van het aardgas afgaat en welke alternatieven voor verwarming er worden voorzien. De verschillende opties voor een

48


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Zowel voor het klimaat als de luchtkwaliteit wil Duitsland nu van oliestook af. Vanaf 2026 worden nieuwe oliebranders verboden, maar alleen als er een alternatief beschikbaar is. Duitsers kunnen aanspraak maken op een ‘sloopbonus’ om hun olieketel in te ruilen, een zogenaamde “Abwrackprämie”. Die varieert van 20% van de kosten bij vervanging met een aardgasketel tot 40% van de kosten van een warm-

gebouw of wijk kunnen worden afgewogen met technisch-economische modellen. Door veel gegevens over de gebouwen en infrastructuur te combineren, kunnen deze rekenmodellen een indicatie geven van de kosten van verschillende opties in een buurt. Natuurlijk kunnen innovaties zoals (groene) waterstof in de toekomst een rol gaan spelen. Deze gaan echter gepaard met onzekerheden en als daarop gewacht wordt, is het risico steeds groter dat de CO₂-reductiedoelen niet gehaald worden. De investeringen in woningen en infrastructuur hebben een technische en economische levensduur van meer dan 30 jaar. Dus als er een natuurlijk moment voorbij komt, denk aan de renovatie van een huurcomplex of het vervangen van verouderde aardgasleidingen, dan kan deze ‘window of opportunity’ het beste direct worden benut.

“Eigenlijk is ­Nederland een uitzondering in Europa” tepomp of biomassaketel. Maar soms komt daar dus een aardgas CV-ketel voor in de plaats. Die is weliswaar beter voor luchtkwaliteit en klimaat, maar wij gaan toch juist van het aardgas af? Ook Duitsland heeft zich gecommitteerd aan het EU doel in 2050 naar nul CO₂. Daar heet de warmtetransitie de ‘Wärmewende”. Duitse woningen moeten daarom op termijn ook van aardgas af. Net als in Nederland staan Duitse huiseigenaren nu nog voor een economische keuze: investeren in een HR-ketel van €3.000 (in Duitsland zijn ketels in het algemeen wel wat duurder dan in Nederland) of in een warmtepomp van het drievoudige en daarbovenop isolatiemaatregelen? Of een ketel op houtpellets, die wel duurzaam kunnen zijn, maar ook niet best voor de luchtkwaliteit. Soms is aardgas nu nog de enige betaalbare oplossing.

De Duitse Wärmewende Duitsland is niet zo’n aardgasland als Nederland. De helft van de Duitse woningen is verwarmd met aardgas, 5% elektrisch, 5% hout, 20% warmtenetten, en een kwart – 5,5 miljoen gebouwen – verwarmt met stookolie. Een klein gedeelte verwarmt zelfs nog met (bruin) kool. Olie en kolen zijn vervuilend, niet alleen voor het klimaat (uitstoot 50% meer dan aardgas) maar ook voor de luchtkwaliteit: Fijnstofemissies die slecht zijn voor de gezondheid. Veel van die olieketels zijn meer dan 20 jaar oud. Maar in het dunner bevolkte Duitsland ligt niet overal een aardgasnet of warmtenet, dus zijn de opties beperkt.

49


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE Green Deal van Timmermans

Het goede nieuws is dat een cv-ketel die nu wordt geïnstalleerd voor 2050 toch nog een keer vervangen moet worden. Het is zorgen dat er tegen die tijd goede alternatieven zijn.

In december 2019 presenteerde Frans Timmermans, vicevoorzitter van de Europese Commissie, de European Green Deal. De EU heeft als doel gesteld om in 2050 netto nul CO₂-uitstoot te hebben. Het energieverbruik van gebouwen beslaat 36% van de totale CO₂-uitstoot van de EU, dus is een belangrijke sector voor de EU om zich op te richten. In de Green Deal wil de EU dat alle landen naar klimaatneutrale gebouwen gaan door een combinatie van besparen en overstappen op klimaatneutrale energievoorziening. Besparing moet gaan gebeuren door het grootschalig stimuleren van isoleren en verbouwen, de ‘Renovation Wave’ genoemd. Er moet jaarlijks minstens tweemaal zoveel worden verbouwd ten opzichte van nu. Om dat op gang te brengen wordt een initiatief gestart waar stakeholders uit de bouwsector, architecten en lokale overheden de barrières gaan onderzoeken. In de plannen ligt de nadruk op het helpen van scholen, ziekenhuizen en sociale huurwoningen. In de Green Deal staat namelijk ook de “just transition” ofwel “eerlijke transitie” centraal, dus niet de lagere inkomensgroepen de dupe laten worden van het klimaatbeleid. Renoveren en besparen is maar één kant van de medaille. Aan de andere kant moet er worden overgestapt naar duurzame energiebronnen – bijvoorbeeld van het aardgas af. De EU gaat verkennen of de uitstoot van gebouwen betrokken kan worden bij het Europese emissiehandelssysteem (ETS). Daarmee moeten energiedragers zoals aardgas en elektriciteit een prijsprikkel krijgen: schone energie zoals groene elek-

Andere landen in Europa Eigenlijk is Nederland een uitzondering in Europa. Door de aardgasbel in Slochteren is Nederland het enige land waar meer dan 80% van de gebouwen een gasaansluiting heeft. In Polen wordt het merendeel van de woningen verwarmd met kolen, maar verbranden arme bewoners ook weleens ille-

“Wat zijn dan de alternatieven voor verwarmen met aardgas?” gaal afval in hun kachels, zoals MDF en plastic flessen. Luchtkwaliteit is daardoor een enorm probleem, waardoor jaarlijks tienduizenden inwoners eerder sterven door luchtvervuiling. In Scandinavische landen zoals Denemarken en Zweden wordt het merendeel van de woningen verwarmd met warmtenetten. Om die te verduurzamen hoeft niet iedere individuele bewoner actie te ondernemen, maar moeten de collectieve warmtevoorzieningen worden aangepakt, zoals overstappen van gascentrales naar geothermie, duurzame biomassa en restwarmte.

50


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

de werking en de kosten van isolatie- en verwarmingsmaatregelen. En ten slotte zijn er oplossingen nodig om te zorgen dat we genoeg mankracht hebben om elke woning één voor één aan te pakken, bijvoorbeeld het gezamenlijk aanpakken van hele straten en het omscholen en opleiden van

triciteit moet goedkoper en vervuilende/ uitstotende brandstoffen zoals kolen en aardgas worden duurder. Maar ook met deze maatregelen blijft de gebouwde omgeving een moeilijke sector om maatregelen te nemen door de lange levensduur van gebouwen en de veelheid aan soorten gebouwen, omstandigheden, geografische factoren, stakeholders, kosten en technieken.

Conclusie​

“Er is heldere informatie nodig over de werking en de kosten”

Duitsland moet dus wel degelijk, net als Nederland, de komende 30 jaar stoppen met het gebruiken van aardgas. Maar op korte termijn is daar, in sommige woningen, overstappen naar aardgas al een hele verbetering. Als er nu met stookolie verwarmd wordt, er nog geen warmtenet ligt of dat niet mogelijk is, als groengas en waterstof niet verkrijgbaar zijn en een warmtepomp niet betaalbaar is: dan is aardgas het beste alternatief voor stookolie. Zowel voor het klimaat als voor de luchtkwaliteit en gezondheid. Maar alleen als het echt het enige alternatief is, natuurlijk. Want zo’n gasketel gaat ook nog 15 jaar mee en het gasnet nog langer, dus liever meteen klimaatneutraal. Dit geeft ons in Nederland ook niet het excuus geeft om niks te doen. De transitie naar duurzaam verwarmen moet in een versnelling komen. Het gebruiken van fossiele energie moet worden ontmoedigd door bijvoorbeeld het verhogen van de prijs van aardgas via de energiebelasting. Daarnaast hebben we subsidies, duurzaamheidsleningen en schaalvoordelen nodig om de alternatieven betaalbaar te maken. Er is heldere informatie nodig over

installateurs. En dan kunnen aardgasketels overal verleden tijd worden. Want om aan de wereldwijde en Europese klimaatdoelen te voldoen moet in de komende 30 jaar elke woning naar een klimaatneutrale manier van verwarming die bij die woning past: van aardgas, kolen of stookolie naar een warmtepomp, warmtenetten of duurzaam gas.

LEES MEER Lees dit artikel ook online

51


Elektrisch koken FOTO JAN VAN DER PLOEG

52


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Aardgasvrij wonen in Rotterdam Puzzelen aan een rechtvaardige kostenverdeling

Over dertig jaar wonen alle Rotterdammers aardgasvrij. Zo stelt het Klimaatakkoord. Het aanleggen van een duurzaam energiesysteem is één ding, een eerlijke ­verdeling van de kosten een tweede. Hoe zorgen we dat iedereen meekan in de transitie? De gemeente staat voor een ingewikkelde opgave, vooral omdat duidelijke spelregels vanuit het Rijk nog ontbreken. Petra Smulders

R

otterdam heeft op dit moment nog ongeveer 263.000 aardgasaansluitingen, die voor 2050 vervangen moeten worden door iets anders. Dat betekent dat de gemeente al deze huishoudens en bedrijven op tijd moet benaderen met een alternatief voor aardgas. Het doel is alle bewoners een duurzaam, betrouwbaar, betaalbaar én rechtvaardig aanbod te doen. Maar de transitie naar

53


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

woning vereist. Voor bijna alle huizen die zijn gebouwd vóór 2000, betekent het een enorme investering om dit hoge isolatieniveau te bereiken en de warmte-installaties aan te passen. De gemeente Rotterdam ziet op dit moment dat die investering te hoog is om terug te verdienen. Een warmtenet in combinatie met kostenefficiënt isoleren is een goedkopere optie op wijkniveau en maakt gebruikt van de beschikbare schone energie in de regio. Tussen nu en 2050 moet Rotterdam gemiddeld per jaar ongeveer 8.000 woningen aansluiten op het warmtenet om aardgasvrij wonen te realiseren. Dat betekent de aanleg van 40 kilometer aan energie-infrastructuur per jaar.

aardgasvrij wonen moet óók uitvoerbaar zijn voor de gemeente. Een complexe puzzel, die samen met energieleveranciers, woningcorporaties, huiseigenaren en huurders moet worden opgelost.

Voorkeur voor stadsverwarming Rotterdam heeft veel havenwarmte. Uit het Regionaal Energieperspectief blijkt dat er in de toekomst een tekort is aan schone elektriciteit en een overschot aan schone warmte. Zelfs na de verduurzaming van de

“Investeren in de ­woning levert in de ­toekomst grote ­voor­delen op”

Flexibel energiesysteem Rotterdam wil het energiesysteem flexibel inrichten en niet op één paard wedden. Naast warmte en elektriciteit zijn groengas, waterstofgas en biogas duurzame alternatieven. Maar deze energiedragers zijn nog beperkt beschikbaar en wil de gemeente liever reserveren voor hoogwaardig gebruik. Bijvoorbeeld voor industriële processen waarbij zeer hoge temperaturen vereist zijn. Maar ook voor huizen die zo verspreid liggen dat een aansluiting op een warmtenet geen optie is en het elektrisch verwarmen (technisch en economisch) niet haalbaar is. Bovendien kan duurzaam gas gebruikt worden voor opslag en omvorming.

haven zal er restwarmte beschikbaar blijven, die kan worden ingezet voor stadsverwarming. Daarom kiest de gemeente ervoor de beschikbare bronnen in te zetten op de plekken waar ze nodig zijn. Elektriciteit gebruiken voor verlichting en (het opladen van) apparaten en elektrische auto’s, en het verwarmen van gebouwen zo veel mogelijk met (rest)warmte.

Oplossing op wijkniveau Onderzoek van de gemeente resulteerde in de WAT-kaart van Rotterdam, die per wijk de beste energieoplossing aangeeft. Voor veel Rotterdamse wijken blijkt aansluiting op het warmtenet een goedkoper alternatief dan een volledig elektrische oplossing. De reden is dat all electric een heel goed geïsoleerde

Inclusiviteit voorop Inclusiviteit is een speerpunt in Rotterdam: iedereen moet de kans krijgen om mee te gaan in de energietransitie. Dat houdt in dat de gemeente initiatieven van bewoners en bedrijven wil steunen en parallel ook regie

54


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

Zonnepanelen op het dak. FOTO ERIC FECKEN

Goede initiatieven, maar omdat de wet- en regelgeving nog in ontwikkeling is, biedt dit de gemeente vooralsnog weinig houvast.

voert om zo een betaalbare propositie neer te leggen bij bewoners. Aardgas is nu nog goedkoper en dat moedigt mensen niet aan om de overstap te maken. Bewoners moeten inzien dat als ze nú investeren in de woning, dat in de toekomst grote voordelen oplevert. Zowel voor het klimaat als voor hun eigen portemonnee: een lagere energierekening. Een probleem is dat niet alle bedrijven en particuliere huiseigenaren de middelen hebben om zelf te investeren in nieuwe installaties, zonnepanelen of isolatie van de woning en daardoor buiten de subsidieregelingen vallen. Deze groep blijft op termijn met een hogere energierekening zitten, terwijl anderen profiteren van hun investering. Het Rijk onderzoekt mogelijkheden voor bijvoorbeeld voorfinanciering tegen een relatief lage rente en met een lange looptijd. Daarnaast is er de wijkgerichte aanpak, waarbij vooraf rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht van een wijk.

Proeftuin Heindijk Rotterdam wacht niet af. In vijf wijken is een pilot gestart om de huizen aardgasvrij te maken. De wijk Heindijk in IJsselmonde is de eerste proeftuin waar de aanleg van het warmtenet de komende jaren wordt uitgevoerd. De gemeente deed de huiseigenaren in Heindijk het volgende aanbod: betaal zelf een aansluitbijdrage van 1.500 euro, dan dekt de gemeente de overige kosten. De ombouw zal per woning gemiddeld 14.000 euro gaan kosten. Er gaat dus veel geld in de pilot zitten en het spreekt voor zich dat de gemeente deze investering niet voor alle woningen in de stad kan gaan doen. Daar is simpelweg geen geld voor. De pilot is bedoeld om antwoord te vinden op vragen en te onderzoeken hoe

55


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

houden aan het ‘niet meer dan anders’-principe: de warmteklant betaalt niet meer dan de aardgasklant. In Rotterdam zijn afspraken gemaakt met de warmtebedrijven dat ze onder ‘niet meer dan anders’ blijven. Het manco van dit principe is dat het een gemiddelde is en ertoe kan leiden dat bewoners denken: maar onder de streep kost het mij wél meer dan anders. Daarnaast is er nog de hoogte van de aansluitbijdrage die wordt gevraagd bij de overstap van aardgas naar warmte. Deze wordt mede bepaald door de rendementspercentages die warmtebedrijven redelijk achten. Die aansluitbijdragen zijn fors. Als een bedrijf bijvoorbeeld een warmtenet aanlegt voor honderd aansluitvragen en het duurt dertig jaar voor alle huizen zijn aangesloten, is dat een behoorlijk volloop risico voor de businesscase. Logisch dat deze bedrijven niet op een laag rendement inzetten. Hoe hoger de aansluitkosten, hoe hoger het bedrag aan subsidie dat de gemeente moet bijleggen om een goed aanbod aan de bewoner te kunnen doen. De grote discussie is: wat is een redelijk rendement in relatie tot de risico’s die er zijn en wie dragen dan die risico’s? Op dit moment ziet de gemeente Rotterdam dat het rendements- en risicovraagstuk een marge van wel 20 tot 50 procent kan opleveren.

Windmolens. FOTO JOEP BOUTE

andere wijken zo efficiënt en betaalbaar mogelijk verduurzaamd kunnen worden.

Wie moet wat betalen? De energietransitie vraagt om een visie van het Rijk op wie wat moet betalen. De kosten voor de aansluiting op het warmtenet verschillen per woning. Rotterdam heeft er in de eerste gebiedsaanpak voor gekozen een vaste eigen bijdrage aan de eigenaar-bewoners te vragen en het verschil bij te leggen. Daardoor merkt de eigenaar niks van het verschil in kosten per gebouw. De vraag blijft: wat is eigenlijk de rol van de overheid in de aanleg van de warmte infrastructuur?

Publieke belangen De energietransitie van de gebouwde omgeving moet onder de streep aantrekkelijk zijn voor alle betrokken partijen: bewoners, marktpartijen en de gemeente die het publieke belang wil dienen. De markt reageert op de vraag, op wat aantrekkelijk is om winst te maken. Dat is terecht. Maar bij de energietransitie gaat het niet alleen om marktdenken, er staan grotere belangen op het spel, zoals de betaalbaarheid en

Niet meer dan anders Warmteleveranciers zijn verplicht zich te

56


RUIMTE VOOR NIEUWE ENERGIE

ze van de aanpak? En van de informatievoorziening? Waar lopen ze zelf tegenaan? De kennis die in Rotterdam wordt verzameld, wil de gemeente graag delen met andere gemeenten en met het Rijk.

rechtvaardigheid voor iedereen en ook de klimaatdoelstellingen. De gemeente onderzoekt momenteel hoe de kosten van de energietransitie ook voor lagere inkomensgroepen acceptabel blijven. En wat er nodig is om de volgende gebiedsaanpakken mogelijk te maken. De vraag dringt zich op: moeten we de koppeling aan de aardgasprijs niet loslaten als we aardgasvrij willen worden?

Leefbaarheid bewaken Stilzitten is geen optie: dan gaat Rotterdam het niet redden om in 2050 aardgasvrij te wonen. Bovendien moet de stad ook leefbaar en bereikbaar blijven. Momenteel vervangt Rotterdam 40 kilometer riool per jaar. Het combineren van dit soort werk-

Innovaties aanjagen Uiteindelijk zal het Rijk via wetgeving een aantal spelregels moeten vaststellen, die leiden tot een betaalbare transitie voor iedereen. De gemeente Rotterdam heeft de beweging alvast ingezet. Door wijken aan te wijzen die overgezet kunnen worden op warmte, maar ook door in gesprek te gaan met huiseigenaren - en bewoners. De investering in pilots, zoals in Heindijk, leveren de gemeente veel kennis op over de aard van de werkzaamheden en geven inzicht in wat er nodig is om de transformatie vorm te geven. Niet alleen technisch, maar ook financieel en communicatief. Elk huis en elke bewoner is anders. Een pijpleiding aanleggen is in de ene woning zo gebeurd, maar in een andere woning loop je tegen obstakels aan. Hoe kun je slim gebruik maken van leidingen die al aanwezig zijn? Kan een leiding via de dakgoot lopen? Hoe bereik je dat de installatie binnen één dag plaatsvindt, zodat de bewoners zo min mogelijk overlast hebben? Oefening baart kunst en de gemeente wil innovaties aanjagen die bij volgende gebiedsaanpakken de kosten kunnen verlagen. Daarnaast krijgt de gemeente meer inzicht in de ervaring en wensen van bewoners. Wat vinden

“Iedereen moet de kans krijgen om mee te gaan in de energietransitie” zaamheden met de infrastructuur voor het warmtenet, kan de overlast in de stad beperken en tegelijkertijd kostenvoordeel realiseren. Rotterdam wil voorkomen dat alles straks in korte tijd moet plaatsvinden, met als gevolg verkeersopstoppingen, en meer overlast voor bewoners en het bedrijfsleven.

LEES MEER Lees dit artikel ook online

57


INTERVIEW

MAARTEN VANPOELGEEST Partner bij Andersson Elffers Felix

58


INTERVIEW

Complexiteit als inspiratiebron Maarten van Poelgeest is na een lange carrière in en buiten GroenLinks partner geworden bij AEF, en is nu voorzitter van het uitvoeringsoverleg gebouwde omgeving. Zijn motivatie hiervoor is ontstaan tijdens zijn wethoudersperiode in Amsterdam, met de portefeuilles ruimtelijke ordening en energie en duurzaamheid. In zijn kennismakingsinterview in december 2019 spatte het ongeduld van de pagina's. Twee maanden later is de toon alweer diplomatieker lijkt het? Annemiek Rijckenberg

Hoever is de boot nu van de kant schat je? Er staan 155 zwaar onderhandelde actiepunten in het energieakkoord, en die schreeuwen om uitvoering. De uitvoering is behoorlijk ingewikkeld. Papier is geduldiger dan de praktijk. Het risico is groot dan men op zoek blijft naar meer kennis en er in de praktijk te weinig gebeurt. Bestuurders willen best een moeilijk verhaal vertellen, maar ze willen dan 100% zekerheid en zich niet in ongewisse avonturen storten. Alleen, nog meer onderzoek gaat dat niet oplossen. We moeten de praktijk induiken, en met de mensen om wie het gaat gaan spreken. Er zijn plekken, waar men al begonnen is met woningen isoleren en aardgas vrijmaken. Maar mensen vinden het lastig. Dus ja, de boot is van de kant, maar je kunt er nog van af springen!

Wat is het meest lastige om tot uitvoering te komen? Bij aardgasvrije wijken heb je het over de huizen en portemonnees van bewoners en verhuurders. Dat ligt gevoelig. Er is geen algemeen model dat uitsluitsel kan geven voor alle wijken in Nederland of er nu al sprake is van een sluitend verdienmodel. Het is de vraag of je maar door moet gaan met onderzoeken en rekenen op landelijk niveau. We bewandelen een onzeker pad. Hopelijk komen er

59


INTERVIEW

nieuwe technieken. Hopelijk wordt isoleren in de loop der tijd goedkoper. En waarschijnlijk moet de prijs van gas verder omhoog. Een andere discussie is die over de mate van zekerheid, die gemeenten aan bewoners en bedrijven willen bieden, met daaraan gekoppeld het ontzorgen van burgers bij de transitie. Overheden en bedrijven moeten uitdragen dat van het gas af onvermijdelijk is, maar dat eerst wordt geëxperimenteerd met de manier waarop.

Is dat overtuigend genoeg? Niet door er op te blijven kauwen. Ik zie een parallel met de stadsvernieuwing, ook daar stond veel op het spel, en zaten bewoners niet in een passieve en consumerende rol, maar bedachten nieuwe oplossingen en werkvormen. En ook dat was een proces van jaren. We bewandelen twee sporen. Ten eerste een individueel spoor, waarbij mensen zelf hun huis gaan isoleren, wellicht een warmtepomp aanschaffen of een andere warmteoplossing voor zichzelf weten te regelen. Voor hen is relevant te weten wat ‘spijtvrije’ stappen zijn. Wat deze stappen kosten en opleveren. Ze moeten daarbij ontzorgd worden. Het tweede spoor is het collectieve spoor. Hele wijken gaan van het gas af en gemeente voert de regie. De nieuwe warmtevoorziening moet per wijk worden geregeld. Dit moet uitdrukkelijk samen met bewoners gebeuren. Als een wijk aangepakt wordt, is het wellicht ook een goed moment om andere zaken op te pakken: leefbaarheid, gezondheid, openbare ruimte of inkomensverbetering. Het collectieve spoor kan wel eens leiden tot een revival van de wijkaanpak. Eentje waarbij bewoners veel in de melk te brokkelen hebben. Hierbij zie ik het samenwerken zoals bij Ruimte voor de Rivier is ontwikkeld als inspirerend voorbeeld.

Veiligheid tegen overstromingen is toch niet echt vergelijkbaar met het afscheid van aardgas? Dat klopt. Iedereen is met Hansje Brinker opgegroeid. Maar tegelijk zie ik dat steeds meer mensen snappen dat het net zo onvermijdelijk is om te stoppen met fossiel. En natuurlijk is dat ingewikkeld. Warmte is een schaars goed en nieuwe toepassingen zijn nog duur. Restwarmte is niet overal aanwezig, laat staan duurzaam opgewekt. Maar laat ons dat er niet van weerhouden te beginnen waar het kan! Op dit moment zijn er 27 proeftuinen, wijken die van het gas gaan. Dat gaat veel informatie en ervaringen opleveren. Over haalbaarheid, over betaalbaarheid, over opschalen.

Gaan we iedereen een alternatief voor gas opleggen? Nee, dat zou niet juist zijn. Verschillende alternatieven voor gas concurreren met elkaar. De kunst is om samen met bewoners te kijken wat het beste alternatief is voor hun wijk. In dichtbebouwde steden zal de oplossing vaak een warmtenet zijn, maar dan moeten er wel warmtebronnen beschikbaar zijn. In andere situaties ligt een all electric oplossing met een eigen warmtepomp meer voor de hand. En zo is er meer mogelijk. Het is de gemeente die hierin regie moet voeren.

60


INTERVIEW Kan je daar een voorbeeld van geven? Ik hoop dat de gemeente in de nieuwe warmtewet meer positie krijgt. Restwarmte wordt nu op hoge temperaturen geleverd, en afgerekend volgens het niet-meer-anders-principe, dus even duur als aardgas zonder een aantal van de voordelen en het comfort waaraan iedereen gewend is geraakt. In steden zullen we straks meer behoefte hebben warmtenetten die aangesloten zijn op duurzame bronnen. Hoe gaan we dat organiseren? Er zijn maar weinig partijen die een warmtenet willen en kunnen exploiteren. Het zou mooi zijn wanneer het de gemeente is die voortaan de concessies hiervoor uitgeeft. Tegelijk blijft het een monopolyde markt. Gemeenten moeten contracten gaan afsluiten met een klein aantal aanbieders van de warmte. Die contracten moeten voldoen aan de eisen van een level playing field. Ik denk dat gemeenten binnen hun grondgebied gelijke tarieven willen. Het warmtebedrijf zal op zijn beurt alleen die wijken willen aansluiten waar de business case sluit. Maar wie maakt dat uit? Wat betekent dat? Wat is een redelijk rendement voor een warmtebedrijf? Wat betreft de nieuwe en al bestaande vormen van warmtewinning en opslag, geothermie, aquathermie, waterstof, kan ik nu alleen zeggen, dat ze nog geen oplossing op grote schaal bieden, maar onderdeel zullen gaan worden van maatwerkoplossingen. Waterstof kent nu nog een verwerkingsverlies van 40 procent, maar is op termijn natuurlijk zeer geschikt voor grote gebruikers, industrie en vervoer. Waar we voor moeten oppassen is om de illusie te wekken dat zogenaamd groen gas naadloos in de plaats van het huidige aardgas kan komen. Het gaat vooral naar de industrie, en is niet onbeperkt “groen” te produceren. Het is zelfs schaars.

“Gemeenten moeten voldoende capaciteit krijgen om de regie te voeren”

Wat betekent dit alles voor de aardgasvrije wijken? Het stadium van de afweging is nu nog niet aan de orde. Meer dan de helft van de gemeentes is enthousiast en betrokken, met natuurlijk grote verschillen tussen de G4, de G40 en de kleine gemeentes. Gemeenten moeten voldoende capaciteit krijgen om de regie te voeren. Dat is ook logisch, het is een sociale interventie om wijken van het aardgas af te halen, en dat kost veel gesprekken en contacturen.

Maar de investeringskosten, om straks alle duizend wijken te ontkoppelen, wat is daar al over te zeggen? Er zijn allerlei rekensommen, maar de echte uitvoeringskosten worden pas con-

61


INTERVIEW

“Investeren ­betekent dat in de toekomst extra kosten vermeden ­worden” MAARTEN VAN POELGEEST 62


INTERVIEW

creet als je in de wijken aan de slag gaat. De kosten zullen deels betaald kunnen worden doordat we minder energie gaan gebruiken. Maar het is belangrijk je ook te realiseren dat investeren in bijvoorbeeld isoleren betekent dat in de toekomst extra kosten vermeden worden. Ook gas zal duurder worden. Dus die businessmodellen worden nog een hele kluif, dat is zeker. Ik denk dat de doorrekening van het PBL in oktober laat zien dat we het doel om voor 2030 1,5 miljoen woningen van het gas los te koppelen niet gaan halen. Is dat erg? In de gebouwde omgeving is de eerste tien jaar niet de meeste CO2-reductie te halen. Voor 2030 3,4 megaton. Belangrijker vind ik dat we leren hoe we meters maken. Er komen jaren aan, over 10 of 15 jaar, waarin er gemiddeld 300.000 woningen van het gas af moeten. Dat kunstje moeten we de komende jaren onder de knie krijgen.

En gaat dat lukken? Dat moet! Ik maak me wel zorgen over de gemeenten. Zij moeten voldoende capaciteit, kennis en bevoegdheden hebben willen ze inderdaad de regie kunnen voeren. Daarvoor is veel ondersteuning nodig. Bij het organiseren van die ondersteuning dreigt versplintering. Dat is niet goed. Voordat je het weet worden er tegenstrijdige adviezen gegeven. Dan wordt het wel heel moeilijk voor de gemeenten. Laat ik eindigen met een les uit de stadsvernieuwing: transparantie, open onderhandelen, ondersteuning voor bewonerscollectieven en kennis delen zijn sleutels voor succes. Maar het allerbelangrijkste is: aan de slag gaan, beginnen! 

LEES MEER Lees dit artikel ook online

63


BEELDESSAY

Bijvangst van de energietransitie

Tekst Leo Pols

64


BEELDESSAY

ALS WONINGEN WORDEN afgekoppeld van het gasnet dan zul je daar in de openbare ruimte niet veel van merken. Maar andere vormen van klimaatmitigatie en klimaatadaptatie zijn wel duidelijk zichtbaar in onze leefomgeving. In de stad worden gevels en overkappingen bedekt met planten: die leggen CO2 vast, houden in de winter de warmte binnen en zorgen in de zomer voor koelte. Dat bespaart energie en deze groene daken en wanden bieden leefruimte aan planten, insecten en vogels ĂŠn het biedt stedelingen een groen straatbeeld.

Stadskantoor Venlo FOTO NANDA SLUIJSMANS

65


Fruit onder zonnepanelen FOTO GROEN LEVEN

Busstation Heerlen FOTO NANDA SLUIJSMANS

66


BEELDESSAY

Zonnepanelen in de stad vallen nauwelijks op (ze liggen boven ooghoogte op daken) en ‘zonneparken’ in het landelijk gebied roepen weerstand op omdat zo weiden en akkers verdwijnen en de bodem onder de panelen sterft. De techniek voor het maken van zonnepanelen wat betreft vorm, invalshoek van zonlicht en doorlaatbaarheid van licht is inmiddels zo ver gevorderd dat je er nu veel meer mee kunt: er bestaan al zonnepanelen voor gevels en voor de ‘straat’, waar je overheen kunt lopen. De gedachte achter die innovaties is dat je gebruiksdoelen aan elkaar koppelt: dak, vloer- en gevelbedekkingen die tevens zonnepanelen zijn. Ook in het landelijk gebied is dat mogelijk. Daar zien we al voorbeelden van hooggeplaatste zonnepanelen waaronder vee beschutting zoekt tegen felle zon en regen. Of zonnepanelen die zo zijn geplaatst en vormgegeven dat ze juist bijdragen aan de groeiomstandigheden voor vruchtbomen en druiven – in plaats van dat de panelen alleen maar ten koste gaan van land- tuinbouwgrond.

67

Energy Floor Croeselaan FOTO DURA VERMEER


Regio van Ringparken advieskaart BRON IMOSS & VAN DE WITTE

68


Ringpark Utrecht: van droom naar daad Uitdagingen voor een landschappelijke stad in wording

De landschapsplanning in de randstad toont verfrissende ambities door een aanpak op regionale schaal. Die biedt kansen voor nieuwe natuur, recreatie en voedselproductie bij de stad, een gezond landschap en verstedelijking. Het zou vitalisering van de gemeenschappen in de regio kunnen opleveren. Maar dat alles vereist een brede, sociaal-ruimtelijke visie voor stad en land, die mens en natuur centraal stelt. Hans Dekker is landschapsarchitect. Hij schreef dit stuk op persoonlijke titel, uit enthousiasme voor het nieuwe elan in de regionale planontwikkeling. Hans Dekker

69


D

Regionale samenwerking: de metropoolregio’s

e landschapsplanning in de randstad weerspiegelde heel lang de doelen van de ruimtelijke ordening. Het tegenhouden van ongebreidelde groei van de stad, afzwakken van de ongewenste tegenstelling tussen het ‘volle’ westen en de periferie van Nederland, voorkomen van congestie, en de angst voor de metropool waren de hoofdoverwegingen voor het nationale beleid. Spreidingsbeleid en bufferzones moesten ervoor zorgen dat de steden beperkt in omvang bleven en niet aan elkaar groeiden en dat het Groene Hart onaangetast bleef. Een actief inrichtingsbeleid nabij de grote steden moest ruimte bieden voor recreatievoorzieningen aan de stadsranden. De gebiedsinrichting in Spaarnwoude, Midden Delfland, Amstelland bij Amsterdam en ‘groene sterren’ als Hoge en Lage Bergse bos staan bij professionals en bewoners goed op het netvlies. Het Ringpark rond Utrecht en de groeikernen vormt samen met vergelijkbare grote plannen in Amsterdam (MRA) en Den Haag /Rotterdam (MRDH) het voorlopig laatste hoofdstuk van de landschapsplanning in de randstad.

Het geloof in het belang van de regionale schaal lijkt groter dan ooit. Uit interviews die recent door Ruimte en Wonen zijn gehouden met de drie regiodirecteuren komt een overeenkomstig beeld naar voren. In alle drie de regio’s heerst het besef dat vraagstukken alleen goed kunnen worden aangepakt als regionaal wordt samengewerkt én dat opgaven in onderlinge samenhang moeten worden aangepakt. Het gevoel van urgentie wordt gevoed door een gedeeld inzicht in het belang van landschap en nieuwe, regionale kwesties als de klimaatopgave, energietransitie en ook integraal sociaaleconomisch denken op de regionale schaal: wonen, werken, mobiliteit en ruimte in onderlinge wisselwerking.

een attractief landschap. Kennisintensieve bedrijven stemmen hun vestigingskeuze af op dit voorkeursgedrag. Investeren in een hoogwaardig metropolitaan landschap in ons land (lees: randstad) is daarom cruciaal volgens Blind Spot. Een indicatie voor die noodzaak is dat Nederland in het aandeel internationale kenniswerkers flink lager scoort ten opzichte van andere Europese landen. Omdat de ‘financiële kaarten’ in de EU gelijk geschakeld zijn, is bijvoorbeeld met belastingvoordelen op dit punt volgens Blind Spot geen voordeel te behalen.

Economische factor Het Utrechtse Ringpark is een uitvloeisel van de samenwerking tussen de provincie Utrecht en de Vereniging Deltametropool in het studieproject ‘landschap als vestigingsvoorwaarde’. In de studie Blind Spot wordt geconstateerd dat bij economische succesfactoren voor een regio de invloed van landschap en leefomgeving vaak ontbreekt. Blind Spot beargumenteert het belang hiervan voor het vasthouden en aantrekken van hoogopgeleide kenniswerkers. Die kiezen hun woonplaats op basis van onder andere

Ringpark Utrecht De handschoen wordt nu opgepakt door de provincies en de metropoolregio’s, waaronder Utrecht. De planvisie voor het Utrechtse Ringpark anticipeert op een groei naar 1

70


“Planvorming biedt kansen voor sociale en democratische vernieuwing” HANS DEKKER 71


Landschapsplanning in de metropoolregio’s

miljoen inwoners in 2050, dat is bijna 40% meer dan de huidige prognoses. Daarnaast is voorzien in ruimte voor klimaat, biodiversiteit, regionale energieopwekking en -stedelijke- voedselnetwerken. Om ruimte te bieden aan dit omvangrijke programma zijn de contouren van het landschapspark veel ruimer gedefinieerd dan het voormalige stadsgewest. Naast Utrecht, Houten, Nieuwegein en Maarssen wordt een regionaal verband voorzien waarin Amersfoort en Hilversum aan de noordoostkant en Culemborg, Lopik, Wijk bij Duurstede en Woudenberg aan de zuidoostflank zijn opgenomen. In de Ringparkvisie wordt die ruime jas ook gelegitimeerd op basis van ‘schaalvoordelen en systeemsprongen’ die vanaf 500.000 inwoners in zicht komen. Een grote(re) stad-landregio biedt schaalvoordelen voor het organiseren van energie- en grondstofbesparing, vermindering van reistijden, verhoging van biodiversiteit, welzijn, zingeving en gezondheid.

In de drie metropoolregio’s van de randstad wordt gelijktijdig gewerkt aan regionale planvorming. De stand van zaken van de landschapsplannen verschilt per regio. De metropoolregio Rotterdam-Den Haag (MRDH) lijkt voorop te lopen. De vrij lange planhistorie van regionale landschapsplannen, met Midden Delfland als ijk- en vertrekpunt, lijkt hier zijn vruchten af te werpen. In de MRDH zijn al concrete kaartbeelden getekend. En er is een duidelijk beeld over het samenspel met bewoners en marktpartijen. De Amsterdamse regio (MRA) kampt met een ingewikkelder ruimtelijke context: veenweidegebieden, complex infrastructureel landschap (relatie met Schiphol), havengebied en een complex water annex ecologisch systeem (IJmeer/Markermeer). Mogelijk ingegeven door hobbels in de regionale samenwerking in het recente verleden (havengebied/Haarlemmerliede; Schiphol/Haarlemmermeer; dubbelstad Amsterdam-Almere) lijkt regiovorming in trager vaarwater te zitten. Samenwerking in de regio geschiedt hier op basis van vrijwilligheid. De planvorming verkeert in het stadium van verkenningen en landschapstafels. In de regio Utrecht lijkt de aandacht primair gericht op het verkrijgen van consensus over een gezamenlijke aanpak en opgaven. De regio zet in op een gemeenschappelijke visie en missie (gezond stedelijk leven) en probeert de strategische plannen op regioniveau met elkaar te stroomlijnen. Doel is om de regiopartners én de bevolking gelijktijdig mee te nemen en enthousiast te maken voor een gezamenlijke aanpak. De landschapsplanning is hiermee in lijn.

Nieuw landschap Een kwaliteitsimpuls voor natuur en landschappelijke inrichting is in ons land extra urgent geworden met de stikstofcrisis en ook door de resultaten van recent ruimtelijk onderzoek. Het Planbureau voor de Leefomgeving signaleert dat de natuur, met name rond de steden, afneemt terwijl de bebouwing en andere vormen van verstedelijking sterk zijn toegenomen. Die aanspraak op de ruimte door stedelijke functies zal alleen maar toenemen. Dat signaal wordt concreet door de toename van grote anonieme bedrijfshallen rond de steden en langs de grote infrastructuur, de zichtlocaties. Het College van Rijksadviseurs luidt hierover in een recent advies de noodklok. Beide rijkscolleges vertrouwen sterk op sturing door de lokale overheden. In het licht van de lokale be-

72


Kaart prognose bevolkingsontwikkeling BRON KINGA BACHEM, RINGPARK MAGAZINE OP BASIS VAN CBS PROGNOSE 2016-2040

nog steeds verlaten op sectorale planning; zie bijvoorbeeld het Utrechtse energieplan verderop in dit artikel. De ingebouwde eis in de wet dat burgers via participatie actief worden betrokken bij visies en plannen is ook al geen garantie voor een evenwichtig natuur- en landschapsbeleid. Meer zeggenschap van burgers over hun omgeving en van gemeenten via normstelling, kan ook leiden tot meer conflicten over die omgeving. De spanning tussen meer zeggenschap, van burgers en gemeenten, en de noodzaak van regionale regie en sturing wordt steeds meer voelbaar. Misschien een open deur maar volgens mij kan niet vaak genoeg worden gewezen op de enorme kwaliteit van ons historische ontginningslandschap. Het vlakke, groene land is kwetsbaar voor fragmentatie en verlies aan beeldkwaliteit, zoals ook de adviescolleges aangeven. En de ruimte in ons kleine landje

stuurspraktijk komt dit nogal krachteloos over. In een pas bekend geworden rapportage van de Inspectie Leefomgeving en Transport uit 2018 komt naar voren dat nationale ruimtelijke belangen, in de zesjarige periode van het betreffende onderzoek, vaak ‘in de knel komen’ door de decentralisatie van de ruimtelijke ordening. De inspectie signaleert dat gemeenten te weinig oog blijken te hebben voor onder meer het behoud van erfgoed, het verrommelen van het landschap en natuurcompensatie bij grote infrastructurele projecten.

Omgevingswet biedt geen ­garanties Het Rijk lijkt vooralsnog niet van zins om de ruimtelijke regie naar zich toe te trekken. Integendeel zelfs. De omgevingswet geeft de lagere overheden veel (meer) ruimte om zelfstandig te opereren. Zij kunnen zich ook

73


“De aanspraak op de ruimte door stedelijke functies zal alleen maar toenemen�

Utrecht een besluit genomen voor een energielandschap. Het gaat om 8 windturbines en 230 ha zonnevelden. Een indicatie hiervan treffen we aan bij de her en der geplaatste windturbines langs de infrastructuur bijvoorbeeld de A12, A4 en N11. Wat het Utrechtse voorbeeld storend en in deze tijd eigenlijk niet meer verkoopbaar maakt, is het ontbreken van een ruimtelijk plankader. Het omvangrijke en diverse stedelijke programma voor de metropolitane stadsranden vraagt om een groot landschappelijk idee op regioniveau. En dat

raakt ook een keer op. Mogelijk biedt de lopende ontwerpprijsvraag aanknopingspunten voor een aanpak van de stadsrandproblematiek die resulteert in hogere kwaliteit.

Landschappelijk raamwerk In de polders Rijnenburg en Reijerscop, in de oksel van de A12/ A4, heeft de gemeente

74


Het gaat immers over een kwestie van nationaal belang; het zeker stellen van een toekomst met kwaliteit.

Naar een vitale samenleving De planvorming in de metropoolregio’s biedt ook grote kansen voor sociale en democratische vernieuwing. De transitie die gaande is in de samenleving vraagt om een andere manier van bejegening van de burgers. Wantrouwen en controle moeten plaats maken voor vertrouwen en vrijheid. Die beweging vindt al plaats in de bestuurlijke praktijk van de regio’s. In plaats van het leunen op vaak moeizaam lopende structuuroplossingen (WGR e.a.), gaan de metropoolregio’s alle drie uit van vertrouwen als cement voor regionale samenwerking. Het is een kwestie van common sense om die nieuwe bestuurscultuur ook zijn doorwerking te geven naar de relatie met de lokale gemeenschappen.

Waardenontwikkeling De crux voor een eigentijdse, democratischere relatie overheid-burger is het bezigen van eenzelfde en voor eenieder begrijpelijke taal. Die nieuwe taal gaat over meer dan economie of mobiliteit en de opgaven die voortvloeien uit de klimaatverandering en verminderde biodiversiteit. Bij bewoners spelen ook andere, sociale en culturele waarden, leefbaarheid en gezondheid, en zaken als zeggenschap over de eigen omgeving en kwesties rond de persoonlijke leefkwaliteit een rol. De verschuiving van (sociaal)economisch denken naar bredere waardenontwikkeling en waardengericht beleid is op nationaal niveau zichtbaar in bijvoorbeeld verkenningen van planbureaus. De beweging op nationaal niveau kan ook gestalte krijgen in de planning op regionaal en lokaal niveau. Zo kan beleidsmatig samenhang zichtbaar worden gemaakt tussen de individuele

Midden Delfland

moet ook niet alleen bij een idee blijven. Het is hoog tijd dat we weer gaan investeren in het landschap. Ditmaal niet omdat we last hebben van struikrovers in het moeras of productiegrond nodig hebben maar omdat de uitdijende stad en de stedeling daarom vragen. Een planvisie en een bijbehorend investeringsprogramma sluit naadloos aan bij het belang dat de regio’s zien in het ‘landschap als vestigingsfactor’. Maar dat vraagt lef en leiderschap. Het zou mooi zijn als het rijk en de regionale besturen samen met grote investeerders en beleggers zoals verzekeringsmaatschappijen en de ABP’s in onze wereld een coalition of the willing zou aangaan die zich deze opgave zou toe-eigenen.

75


Snuffelfiets Zeist FOTO CIVITY

binding (tussen mensen, natuur en landschap), natuurlijkheid, zelf lokaal voedsel produceren en bijdragen aan anderen. De -regionale- planvorming en zelforganisatie gaan hand in hand als doelen en belangen van bewoners en andere betrokkenen van meet af aan in de planvorming worden meegenomen. Oplossingen zitten in het combineren van belangen. Hier wordt al op kleine schaal mee geĂŤxperimenteerd. Zoals bijvoorbeeld de bouw van een (of meer) windmolens waar bewoners zelf de inkomsten of besparingen op hun energierekening krijgen.

dorpskern, woonwijk, bedrijventerrein of een deel van het buitengebied en de regio. Dat geldt dus ook voor deelsystemen zoals regionale landschapsplannen.

Zelforganisatie De regionale landschapsplanning biedt ook een kans om vormen van zelforganisatie in de samenleving te bevorderen. De overheid moet daartoe ruimte en geld beschikbaar stellen voor plannen en projecten van bewoners en lokale partijen. Vergelijkbaar met gemeentelijke wijkbudgetten voor revitalisatie van woongebieden. Logische aanknopingspunten bieden initiatieven en activiteiten die al plaats vinden in de wijk, zoals stadslandbouw, moestuinen, biodiversiteit, buurtondernemingen en energiecorporaties. Veel zaken die mensen hierin aanspreken verwijzen naar, wat wel wordt genoemd, de vitale samenleving. Daarin staan waarden centraal als gezond en actief zijn, vrijheid en verantwoordelijkheid, ver-

Slimme, betrokken burgers Misschien wel de grootste opgave is om de stadsbewoners enthousiast te maken voor landschapsplannen als het Utrechtse Ringpark. De plannen moeten in het ‘hart en de hoofden’ van de mensen komen. Hoe moeilijk dat is illustreert de communicatie rond het regionale landschapspark in Frankfurt.;

76


Regionale regie en lokale belangen vinden elkaar door ieders verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit te respecteren. Sleutels zijn het ontstijgen van de sectorale planning en met bewoners in gesprek gaan over de kwaliteit van de gehele leefomgeving en de leef kwaliteit. Opgave voor de governance is ook om buitengebied en stad op te vatten als samenhangende entiteiten. De overwegingen voor een gezond landschap, zoals gehanteerd in de Utrechtse regio, vormen een handig aanknopingspunt voor die wederkerige aanpak, top down en bottom up.

Van 340.000 verspreide formulieren onder bewoners om ideeën op te halen voor het park kwamen er slechts 130 (!) ingevuld terug. Wel inspiratie, maar geen voorbeeld voor het Utrechtse Ringpark! De smart city biedt enorme mogelijkheden om de communicatie naar en de betrokkenheid van bewoners een extra impuls te geven. Sensoren, apps en gedeelde data (via open sources) van overheid en burgers bieden tools voor een vruchtbare samenwerking. De ontwikkeling van smart citizenship draagt ook bij aan democratische vernieuwing. In verschillende steden, zoals Amersfoort en Amsterdam, zijn bewoners actief met het opzetten van eigen metingen en databanken. Een voorbeeld met landschappelijke doorwerking van dataplanning met burgers in de Utrechtse regio is de snuffelfiets die is uitgerust met een sensor om luchtkwaliteit te meten. Interessant aan dit project is dat hierin wordt samengewerkt tussen verschillende actoren. Met voordelen voor alle betrokkenen: dichter meetnet (RIVM), meer bewust kiezen voor bepaalde tijden of routes (bewoners), marktontwikkeling (bedrijven) en onderbouwing van beleidsmaatregelen (gemeente).

“De omgevingswet geeft ruimte om zelfstandig te opereren” Maar het gaat om meer dan nut. Het is een goed ding als we ook de schoonheid, het genieten, en op adem komen in de natuur gaan omarmen als kernwaarden in onze omgeving. En dat zijn waarden die uitstijgen boven het alomtegenwoordige rationele denken in geld, functies en nut. Dat voelt eenieder van ons op zijn klompen aan. Een erkenning van die notie zou ook beleidsmatig moeten doorwerken naar ons landschap.

Slot In de drie metropoolregio’s tekent zich een nieuw elan af in de ruimtelijke planvorming. Dat signaal kan optimaal te gelde worden gemaakt als de regionale landschapsplanning gelijktijdig inzet op vernieuwing van de ruimtelijke inrichting en vernieuwing van de dialoog met de samenleving. Voor beide doelen is een aanpak gericht op vertrouwen, betrokkenheid en zeggenschap van bewoners onontbeerlijk.

LEES MEER Lees dit artikel ook online

77


Duurzaamheid als kerntaak Mijn moeder maakte in de jaren zestig mee hoe Nederland massaal overstapte op het aardgas. Haar buurman die hielp bij deze megaoperatie, kon iedereen gebruiken. Dus ook zijn buurkinderen. Als vakantiebaantje ging mijn moeder aan de slag in het informatiecentrum waar je met vragen en klachten terecht kon. Want elke Nederlander moest compleet ontzorgd worden, was de gedachte. Zestig jaar later starten we als land weer zo’n grote operatie. Iedereen van het aardgas af. Dit keer geen Rijksoverheid in een sturende rol met een top down planning en strakke uitrol van de nieuwe warmtebron. Maar de gemeentelijke overheid als regisseur. Dit keer zonder de uitvoe-

Elke Nederlander moest compleet ontzorgd worden, was de gedachte 78

rende hand van gemeentelijke energiebedrijven zoals het wel het geval was in de jaren zestig. Bij het maken van films is de regisseur de baas over de acteurs en bepaalt hij of zij vaak met flair de loop van het verhaal. Gemeenten hebben beperkt eigen vastgoed en zijn dus afhankelijk van wat de acteurs, de vastgoedeigenaren (bewoners, bedrijven, corporaties) en netbeheerders, bereid zijn te gaan doen met de loop van het verhaal. Want zij beslissen over de manier waarop zij gaan investeren. Gemeenten hebben in het Klimaatakkoord in 2019 niet alleen een wettelijke taak als regisseur erbij gekregen, maar ontvangen ook geld van de Rijksoverheid om die taak in te vullen. Menig gemeentelijk bestuurder hoopt daarbij op een ruimhartigere rijksbijdrage. Want leuk zo’n nieuwe taak erbij, maar het besluit van gemeenteraden wat het duurzame alternatief voor aardgas wordt per wijk raakt elke Nederlander achter de voordeur. We


COLUMN

Anne-Jo Visser Opgavemanager Energietransitie GEMEENTE UTRECHT

gaan elektrisch koken en we krijgen andere warmtebronnen in huis, zoals elektrische warmtepomp, stadsverwarming of wellicht duurzaam gas. Een ingrijpend besluit dus van gemeenteraden. Voor het goed spelen van het spel, is het noodzakelijk dat de acteurs gaan handelen naar de nieuwe werkelijkheid, zoals vastgelegd in het Klimaatakkoord. Laat ik mij beperken tot twee grote spelers met een maatschappelijke rol in deze transitie: de netbeheerder en de corporatie. De netbeheerder heeft nu wettelijke beperkingen in de keuze tot het aan te leggen of verwijderen van energie infrastructuur en over het doen van grote voorinvesteringen. Ook bij corporaties heeft de ene corporatie meer financiële mogelijkheden of ambities dan de ander. Leg het je huurder ook maar eens uit: én zorgen voor een betaalbare woning zonder lange wachtlijsten én ook zorgen voor de nieuwe kwaliteitsstandaard. Toch heeft die

huurder er baat bij. Hij of zij krijgt een comfortabelere woning met een lagere energierekening onder meer door isoleren. Zou het niet logisch zijn om de rol van de grote spelers dan ook wettelijk vast te leggen? De corporatie krijgt er een kerntaak bij: noodzakelijke duurzaamheidsverbeteringen in sociale huurwoningen als bijdrage aan de nationale klimaatdoelstelling. Ook de netbeheerder krijgt de kerntaak erbij om bij zijn investeringen volwaardig rekening te houden met duurzaamheid, in alle energie infrastructuur van warmtebronnen. En ja, dat betekent dat ook deze partijen financieel daartoe in staat moeten zijn. Want een extra kerntaak is niet gratis. Het afschaffen van de verhuurdersheffing zou bijvoorbeeld veel ruimte scheppen voor deze nieuwe kerntaak van corporaties. En zijn we dan klaar als twee grote spelers het nieuwe spel op orde hebben? Nee, want in deze transitiefilm zijn er veel medespe-

79

lers: de bewoners. En zoals een goede regisseur weet: niet alleen de inzet van de hoofdrolspelers bepaalt de kwaliteit en het verloop van de film. De puzzelstukjes van het verhaal moeten voor de bewoners op goede plaats liggen. Dat betekent dat de overheid goed bewoners moet informeren over wat zij vandaag en morgen kunnen doen om deze overstap te kunnen maken, waar ze goede en betrouwbare informatie kunnen halen en waar ze terecht kunnen voor hulp bij aanpassingen in huis of financiële ondersteuning. Zij zijn immers dé dragers van deze grote transitie. Mijn moeder is inmiddels met pensioen. We zullen haar maar niet meer lastig vallen met een nieuw “vakantiebaantje”. Maar het is evident dat we weer voorlichters nodig gaan hebben. En dat zou zomaar eens de buurman of buurvrouw kunnen zijn, die je meeneemt naar de nieuwe wereld: zijn vernieuwde comfortabele huis met een lage energierekening.


Mismatch middenhuur Vijf knelpunten en tips voor gemeenten

De woningmarkt zit op slot en de sleutel is middenhuur. De achterblijvende bouwproductie is niet vandaag of morgen opgelost. De naar verwachting aanhoudende capaciteitstekorten, maken de kwalitatieve keuze over wรกt we bouwen des te belangrijker. Maximale inzet op doorstroming is hard nodig om de druk op de woningmarkt zo goed als mogelijk te verlichten. Meer middenhuur draagt daar in grote mate aan bij. Vijf knelpunten met tips voor gemeenten. Tekst Bart Dopper

80


V

vraag ook intrinsiek gemotiveerd, door flexibilisering van de maatschappij en een verschuiving van bezits- naar gebruiksdenken. De vraag komt daardoor niet alleen van middeninkomens, maar zeker ook van de hogere inkomensdoelgroepen. Vooral hoger opgeleide jongeren switchen steeds vaker van baan, werken (al dan niet noodgedwongen) met flexibele arbeidscontracten en settelen zich steeds later. Hun plaatsgebondenheid is voor een langere periode beperkt, terwijl hun inkomen relatief hoog is. Een middenhuurwoning op een stedelijke, multimodaal ontsloten plek, sluit goed aan bij hun leefsituatie. Wonen in een (midden)huurwoning wordt steeds meer een service. Ook onder

oor een gezonde balans op de woningmarkt moet acht à negen procent van de voorraad uit middenhuur bestaan. Dat blijkt uit de meest recente WoON-onderzoeken (2015 en 2018). De voorraadberekening is eenvoudig uit die tweejaarlijkse landelijke woonwensenenquête te filteren. De behoefteberekening is gecompliceerder. Om te komen tot een goede inschatting berekenen we hoeveel huishoudens naar tevredenheid (lees: zonder verhuiswens binnen twee jaar) in een middenhuurwoning wonen. Daarbij op tellen we het aantal huishoudens dat niet in een middenhuurwoning woont maar dit wel wenst (verhuiswens binnen twee jaar). De som van beiden geeft een indicatie van de intrinsieke behoefte aan middenhuur. Op dit moment zitten we op zeven procent. Dit betekent een tekort van zo’n 80.000 tot 100.000 middenhuurwoningen. Met de huidige productie­snelheid is dit tekort niet zomaar ingelopen. Veel huishoudens wonen daardoor niet in de woning van hun eerste keus. Dat zorgt voor proppen in de woningmarkt, die de doorstroming frustreren. Een deel van de doelgroep belandt daadwerkelijk tussen wal en schip omdat alternatieven in de sociale huur of koop (te) beperkt voorhanden zijn. De toenemende vraag naar middenhuurwoningen is evident en is drieledig. Allereerst komt de vraag voort uit het aanbod­ vacuüm dat ontstaat tussen sociale huur en koop: door de ingeperkte rol van corporaties kunnen vooral middeninkomens (vanaf € 38.035 tot circa € 60.000) niet meer terecht in de sociale woningbouw. Tegelijkertijd is een koopwoning onbetaalbaar geworden voor een groot deel van hen door de lage rentestand en jarenlange prijsopdrijving door de hypotheek­ renteaftrek. Daarnaast is de

Tip 1: Breng vraag en aanbod in beeld Onderzoek de mismatch in uw marktregio. Hoe groot is het gat tussen vraag en aanbod? Welke doelgroepen bedient u in de middenhuur? Wat zijn actuele prijs­ niveaus en in welke segmenten zit de grootste marktspanning? Hoe ziet het actuele aanbod er uit en wie zijn de grootste aanbieders? Staan beleggers op de stoep of moet u partijen verleiden om te investeren? Tips voor uw onderzoek: • Pak het regionaal aan. De woningmarkt overstijgt de gemeentegrenzen. • Leg dwarsverbanden met andere segmenten. Samenhang met de betaalbare koopmarkt is evident, net als bezetting van de sociale voorraad • Werk samen met uw corporatie(s). Zij zijn belanghebbende in de middenhuur. Wat is hun strategie?

81


Tip 2: passende sturingsfilosofie en instrumenten

ouderen wordt deze woonvorm steeds populairder. Zij wonen momenteel vaak in (te) grote, onderhoudsintensieve eengezinswoningen. Die woningen vertegenwoordigen een aanzienlijk vermogen, opgebouwd door aflossing van de hypotheek en waardestijging. De stap naar een comfortabel, onderhoudsvrij en gelijkvloers appartement kan aantrekkelijk zijn: het opgebouwde vermogen komt vrij en is inzetbaar als pensioenpotje. Bovendien sorteert deze doelgroep voor op een eventueel afnemende mobiliteit. En dat is geen overbodige luxe, want door extramuralisering van zorg zijn zorgbehoevenden steeds langer aangewezen op hun eigen huisvesting. De vraag naar middenhuur is dus divers naar doelgroep en soorten woningen. Bovendien verschilt de behoefte sterk regionaal. In de Randstedelijke hoge drukgebieden is middenhuur veelal een startersproduct, terwijl het buiten deze gebieden vaker gaat over doorstroomproducten.

Aan instrumenten geen gebrek en er kan meer dan vaak gedacht wordt. Succesvol beleid past bij de lokale/regionale marktsituatie: vinden excessen plaats op de markt? Hoe groot is het gat tussen vraag en aanbod? Willen marktpartijen graag investeren? Hoe staat de corporatie er in? Een goede afweging is nodig om strategie te bepalen en bijpassende instrumenten. Onderstaande figuur geeft handvatten voor een gegronde beslissing. Dat betekent: • Kies een sturingsfilosofie passend bij uw marktsituatie. Ook niks doen is een keuze, maar dan komt er geen middenhuur die recht doet aan de vraag van uw bewoners. • Hoe strakker u stuurt, hoe strakker het instrumentarium dat daarbij past. • Instrumentarium is volgordelijk. Zorg voor haakjes in beleid voordat u vergaand privaatrechtelijk instrumentarium inzet.

Strategie bepalen mentarium. Bijvoorbeeld in het bestemmingsplan of door middel van de anterieure overeenkomst (zie onderstaand kader). Toch zetten gemeenten hun instrumen-

Hoe vergroten we het aanbod van middenhuur? Gemeenten kunnen sturen op middenhuur in woningbouwplannen, via publiekrechtelijk en privaatrechtelijk instru-

De verhuisketen. Bron: ‘Data-analyse wijst uit: nu al te veel eengezinswoningen’, STADSZAKEN/SPRINGCO (2019)

82


“Middenhuur brengt de stokkende woningmarkt in beweging” BART DOPPER 83


cessen plaats op de huurmarkt. Woningen van matige kwaliteit worden aangeboden voor exorbitante bedragen. Voorbeelden zijn Amsterdam, Utrecht, maar ook Nijmegen of Leiden. Beleggers staan hier in de rij voor acquisities. Sturing op de markt is hier een logische gedachte. De Actieplannen van Utrecht, Amsterdam en Amersfoort zijn hier voorbeelden van. Maar ook de huisvestingsverodening in Den Haag (zie tekstkader). Buiten de kerngebieden van beleggers is het tegenovergestelde aan de gang. Voorbij

tarium nog beperkt in, blijkt uit onderzoek van Stec Groep (2018). De praktijk leert dat veel gemeenten huiverig zijn over de uitwerking van hun beleid: welke sturingsfilosofie past bij ons? Wat kan juridisch wel en niet? Welke voorwaarden zijn redelijk in de lokale markt? Schrikken regels marktpartijen af? En hoe werkt dit door in de grondprijs? Sturing is sterk afhankelijk van de lokale marktsituatie. Er is dus geen generieke manier van sturen die overal werkt. De praktijk is tweekoppig: in de grote steden vinden ex-

84


Belangrijkste instrumenten op een rij Het huidige instrumentarium van gemeenten dekt nagenoeg alle situaties – grond of geen grond – bij de sturing op middenhuur. De belangrijkste instrumenten op een rij: • Bestemmingsplan in combinatie met verordening. Middenhuur kan sinds 1 juli 2017 worden vastgelegd als woningbouwcategorie in het bestemmingsplan, net als koop en sociale huur. Voorwaarden ten aanzien van aanvangshuur, huurindexatie en uitpondtermijn moeten worden vastgelegd in een separate (generieke) verordening. Dit kan een doelgroepen- of specifieke middenhuurverordening zijn. • Anterieure overeenkomst. De anterieure overeenkomst is een privaatrechtelijke contractvorm die primair het kostenverhaal regelt voor een ruimtelijke ontwikkeling. Hierin kunnen ook afspraken worden gemaakt over middenhuur. Bijvoorbeeld over aanvangshuur, huurindexatie en de koppeling vierkante meters en huurprijs. Dit instrument is vooral interessant als gemeenten de grond niet bezitten en sprake is van transformatie. • Huisvestingsverordening maakt toewijzing middenhuur mogelijk. De wet maatregelen middenhuur maakt sinds 1 juli 2019 mogelijk dat ‘schaarse’ huurwoningen vergunningsplichtig zijn. Den Haag heeft sinds 1 juli 2019 een nieuwe huisvestingsverordening waarin middenhuurwoningen tot en met 185 WWS-punten vergunningsplichtig zijn en moeten worden toegewezen aan middeninkomens. • Gronduitgifte Erfpacht. Bij eigen grondbezit kunt u als gemeente kiezen voor uitgifte in erfpacht. Dit biedt u de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan middenhuurwoningen.

Zwolle, Arnhem en Eindhoven staan beleggers opeens niet meer in de rij voor acquisities. Maar ook hier is wel degelijk sprake van vraag naar middenhuur. Reguleren ligt hier minder voor de hand, dat schrikt investeerders af. Verleiden en samenwerken past beter bij de situatie op deze plekken. Voorbeelden hebben we gezien in Friesland, waar de grote vier Friese steden een gezamenlijk biedboek presenteerden aan beleggers. Of in Noordoost-Brabant, waar gemeenten beleggers uitnodigden voor een samenwerkingstafel.

85


“Het is zaak vertrouwen tussen gemeenten en beleggers te bevorderen”

De langste verhuisketens worden gemaakt door toevoeging van woningen aan het einde van de keten. De verhuisketen die een doorstromer op gang brengt is tot wel vijf keer zo lang als die van een starter (zie onderstaande voorbeeld in Nieuwegein). Er treedt een multipliereffect op: hoe langer de verhuisketen die wordt gecreëerd met één nieuwbouwwoning, hoe meer huishoudens kunnen verhuizen naar de woning die zij wensen. Zo haal je de proppen uit de woningmarkt. De kunst is dus om met nieuwbouw of transformatie doorstromers te verleiden om door te stromen, zodat zij bestaande woningen vrijspelen voor jonge gezinnen. Die jonge gezinnen maken op hun beurt weer woningen vrij voor starters. Het kan gaan om ouderenwoningen, zoals senio-

Middenhuur sleutel doorstroming Middenhuur brengt de stokkende woningmarkt in beweging. De woningmarkt zit muurvast, onder andere door achterblijvende bouwproductie. Door de huidige tekorten in de bouw, biedt versnelling op korte termijn onvoldoende soelaas om vraag en aanbod weer in evenwicht te brengen. Kiezen wát we bouwen in plaats van hoeveel we bouwen is steeds belangrijker. Middenhuur kan als smeermiddel dienen voor de woningmarkt, het brengt verhuisketens op gang komen.

Figuur 1: kansrijke corporatiestrategieën in de middenhuur. BRON: STEC GROEP (2019)

86


verleiden. Ze wonen voor relatief weinig geld in een vaak kwalitatief goede woning. Momenten waarop de huishoudenssamenstelling verandert zijn het meest kansrijk om in te spelen op een veranderende woonbehoefte. Bijvoorbeeld als stellen een kind krijgen of als kinderen uit huis gaan. Op dat moment staan huishoudens het meest open voor doorstroming.

renappartementen of patiowoningen: gelijkvloerse woningen, onderhoudsvrij en levensloopgeschikt. Bij voorkeur met (zorg)voorzieningen in de directe omgeving of zorg op afroep. Dit type woningen is kansrijk voor middenhuur. Door van een koopwoning naar een huurwoning te gaan, spelen zij vermogen vrij dat kan worden besteed aan andere dingen. Zoals het inkopen van zorg, een comfortabel pensioen of ondersteunen van kinderen bij de aankoop van een woning. Naast de doorstroom van ouderen is de doorstroom van scheefhuurders in de sociale voorraad belangrijk om woningmarktbreed huishoudens beter passend te huisvesten. Scheefhuurders zijn moeilijk om te

Leer de taal van beleggers ­spreken Circa de helft van de gemeenten vertrouwt beleggers niet, blijkt uit onderzoek van Stec Groep (Benchmark Middenhuur, 2018). Gemeenten zijn bang dat beleggers er met de poet vandoor gaan. Dat staat samenwerking in de weg. Gemeenten werken traditioneel samen met ontwikkelaars en hun lokale corporatie(s). Beleggers zijn onbekend terrein, en onbekend maakt onbemind. Beleggers en gemeenten weten elkaar daardoor nog steeds onvoldoende te vinden, waardoor geen sprake is van een natuurlijke vertrouwensrelatie. Bovendien heerst vaak een vertroebeld beeld van beleggers, waarbij institutionele partijen vaak over één kam worden geschoren met cowboypartijen die voor snelle winsten gaan. Het is dus zaak om het vertrouwen te bevorderen. Een ietwat lompe lobby voor minder regels werkt dan averechts. Vertrouwen bouw je op door elkaar te investeren in een lange-termijnrelatie. Het fundament ligt er al, net als gemeenten zijn de meeste beleggers partijen met een lange termijnhorizon. Bovendien hebben ze een maatschappelijk doel, namelijk het uitbetalen van pensioenen en verzekeringsgelden aan ons, de maatschappij. Er zijn vaak meer raakvlakken dan je denkt. Een goed voorbeeld hoe het kan is het Utrechts Biedboek Middenhuur. Een groep van beleggers en corporaties hebben daar

doorstroming ouderen Om de doorstroming van oudere huishoudens in Nieuwegein te bevorderen is in 2017 het appartementencomplex ‘Van Reeshof’ gerealiseerd. Het complex bestaat uit 40 appartementen in de vrijesectorhuur en is gelegen nabij het stadshart van Nieuwegein. De appartementen hebben een afmeting van 80 tot 90 m² en huurprijzen variërend van € 815 tot 975 per maand. De appartementen zijn met voorrang aangeboden aan ouderen uit de wijk en de stad. Voor pensioengerechtigden werd bovendien een lagere inkomensnorm toegepast. De verhuisketen bleek door toepassing van de voorrangsregeling 40% langer dan normaal. Circa 82,5% van de appartementen is uiteindelijk verhuurd aan bewoners van 55 jaar en ouder. Een zelfde soort project met voorrangsregeling voor doorstromende sociale huurders in IJsselstein. Door de voorrangsregeling breidde de totale verhuisketen met 36% uit.

87


Tip 3: faciliteer doorstroming

met steun van de Provincie een biedboek opgesteld voor gemeenten. Daarin doen zij een aanbod om te komen tot de realisatie van meer en betere middenhuur, waarbij lokaal maatwerk voor het passend huisvesten van middeninkomens centraal staat.

Realiseer middenhuurwoningen waarmee u doorstromers verleidt om te verhuizen. Dit is een uiterst effectief middel om de proppen in de (lokale) woningmarkt op te lossen. U voorziet bovendien in een lange termijnbehoefte: naarmate de Nederlandse bevolking vergrijst verlegt de woonbehoefte zich steeds meer naar nultredenwoningen in plaats van reguliere rijtjeswoningen. Concreet:

Rol van corporaties Corporaties kunnen een grotere rol spelen in de middenhuur. Middenhuur valt niet binnen de kerntaak van corporaties, die mede door het beleid van voormalig minister Blok is ingeperkt. Toch hebben corporaties belang bij een gezond middensegment: voldoende aanbod van middenhuurwoningen – mits goed geprijsd – brengt doorstroming van sociale (scheef)huurders op gang. Daardoor worden bezette sociale huurwoningen vrijgespeeld voor nieuwe aanwas van doelgroepen. Niet iedere corporatie staat te springen om doorstroming van scheefhuurders. Vaak zijn het huishoudens met een relatief sterke sociaaleconomische positie, die een sterke sociale structuur in de wijk borgen en zorgen voor een goede mix van doelgroepen. Doorstroming van juist deze doelgroepen laat een monotone, sociaal kwetsbare huishoudenssamenstelling achter in de sociale wijken, met alle gevolgen van dien. Een goede mix is dus wenselijk. Dit hoeft echter niet met sociale scheefhuurders, maar kan ook door toevoeging van (of herontwikkeling naar) middenhuur. Een goede mix van sociale huur en middenhuur (en koop) versterkt de sociaaleconomische structuur van wijken en bevordert doorstroming. Corporaties kunnen dit bevorderen door zelf een actieve rol te nemen en zelf te investeren in de middenhuur (zie figuur 1). Vooral als de marktdruk hoog is en beleggers onvoldoende middenhuur aanbieden is dit een passende strategie. Voorbeelden van corporaties die dit doen zijn de Alliantie en Eigen

• Werk samen met corporaties en beleggers om doorstroming van scheefhuurders te faciliteren. Bijvoorbeeld met een doorstroommakelaar of voorrangsregels voor scheefhuurders bij beleggershuurwoningen. Ook kunt u corporaties in positie brengen om te investeren in middenhuur – en daarmee doorstroming te bevorderen - door middel van de Markttoets. Zie tip 5. • Zet in uw woningbouwprogramma in op middenhuurwoningen die een lange verhuisketen teweeg brengen. Zoals seniorenappartementen in de middenhuur of patiowoningen.

Haard. Zo realiseerde Eigen Haard middenhuurwoningen in Amstelveen en wees die toe aan scheefhuurders uit de eigen sociale voorraad. Ruim 80 procent van de woningen werd verhuurd aan scheefhuurders. Eigen Haard ontwikkelde haar eigen ‘woonladder’ om de behoeften van scheefhuurders te matchen met passend aanbod. In theorie kunnen corporaties hun krachten ook bundelen in een gezamenlijke niet-DAEB-portefeuille (figuur 1, rechts boven). In de praktijk zien we hiervan nog geen voorbeelden.

88


Tip 4: werk aan ­­­ lange-termijnrelatie belegger/gemeente

corporaties die dit doen zijn Talis en Mitros. Zo ruilde Mitros grond in Overvecht uit met grond van BPD in de Merwedekanaalzone. Mitros krijgt zo de kans om sociale huur toe te voegen in de nieuwe wijk Merwedekanaalzone. Tegelijkertijd investeert BPD in middenhuur in sociale huurwijk Overvecht. Het voordeel van deze aanpak is dat een gezonde mix ontstaat in wijken en doorstroomkansen ontstaan binnen de wijk. Veel corporaties voeren vooralsnog geen actieve strategie op middenhuur (figuur 1, links onder). Door het beleid van minister Ollongren zien we wel een verschuiving ontstaan, waarbij steeds meer corporaties strategie vormen op middenhuur. Minister Ollongren geeft corporaties steeds meer ruimte om te investeren in middenhuur, bijvoorbeeld door de versoepeling van de Markttoets.

Investeer in de relatie tussen gemeenten en beleggers. Gemeenten en beleggers zijn beiden lange-termijnbetrokkene bij de woningmarkt. Gemeenten vanuit volkshuisvestelijke doelen, de belegger vanuit het belang van een stabiel rendement op pensioenpremies. Er ligt voldoende vruchtbare bodem voor samenwerking. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Dus heb geduld en investeer in de lange-termijnrelatie. Concrete acties die u kunt ondernemen: • Werk regionaal, daarmee vergroot u de zichtbaarheid van uw woningmarkt voor beleggers. • Leer de taal van beleggers. Ken hun rekenmethodiek, begrijp hun positie en kom goed beslagen te ijs als u met hen onderhandelt. • Organiseer een samenwerkingstafel met beleggers in uw gemeente of (het liefst) regio. Vertel over uw woningmarkt, lopende en aankomende projecten en vraag waar beleggers kansen zien. • Betrek beleggers bij uw lange termijn woningmarktstrategie.

Tip 5: actieve rol Corporaties Corporaties, pak uw rol in de middenhuur. Passend bij de lokale marktsituatie en de activiteit van beleggers. Het hoeft niet per definitie met een eigen middenhuurportefeuille, het kan ook in de vorm van samenwerking met beleggers of collega-corporaties. Een gezonde middenhuurvoorraad is belangrijk voor doorstroming (en daarmee) passende huisvesting van aanwas in de sociale doelgroep. Voorbeelden van strategische denkrichtingen leest u af uit figuur 1. Gemeenten kunnen corporaties ondersteunen bij het uitdenken en uitvoeren van hun strategie. Bijvoorbeeld door gezamenlijk onderzoek naar de marktsituatie in de gemeente of regio, het maken van prestatieafspraken of het verrichten van een markttoets.

Als corporaties geen actieve niet-DAEBstrategie ambiëren kunnen zij er ook voor kiezen samen te werken met beleggers. Deze strategie past goed in een situatie waarbij corporaties zich willen focussen op de sociale voorraad en beleggers willen samenwerken. Dit kan bijvoorbeeld door sociale huur en middenhuur te bouwen in nieuwe wijken, beleggers ruimte te geven op inbreidingsplekken binnen bestaande sociale wijken of grondruil. Voorbeelden van

89


Recensies Besproken door Martijn Eskinasi

Deep Future: the next 100,000 years of life on earth Curt Stager, Thomas Dunne Books, New York, 2011 ISBN 9780312 614638

DE PLANEET AARDE KOMT UITEINDELIJK WEER in een

nieuw evenwicht terecht, echter op termijnen van geologische proporties. Als het lukt serieus op de rem van de CO2-uitstoot te gaan staan, dan piekt die nog tot 2050 om vervolgens tot het jaar 2200 richting de nul te dalen. We komen dan op een pad van 2 tot 4 graden opwarming, trage geofysische processen zorgen dan bijvoorbeeld enkele millennia lang voor absorptie van de CO2 in de oceanen, die dan heel gradueel weer in de microskeletten van eencellige organismen en daarna in sedimenten op de oceaanbodem terecht komen. Over 12.000 jaar is

de boel dan weer in evenwicht en zitten we 1 graad boven het huidige niveau. Misschien slaat de aarde dan een ijstijd over, die normaal gesproken toch wel elke paar honderdduizend jaar langs­ komen. Lukt het niet om op de rem te gaan staan, en verstoken we de komende honderdvijftig jaar alle fossiele brandstoffen waar we bij kunnen, dan piekt de temperatuur ergens tussen het jaar 2500 en 3500 op circa 5 à 9 graden meer dan nu. Pas over honderdduizend tot een half miljoen jaar komt de CO2-concentratie weer enigszins in de buurt van het huidige niveau. Een vergelijkbaar scenario heeft zich eerder voorgedaan, toen Amerika en Europa uit elkaar dreven en heftig vulkanisme in de mid-Atlantische rug onder meer tot het ontstaan van IJsland leidde.

90

Kortom: Deep Future doet je de lange-termijnimpact van klimaatverandering realiseren. En er is volgens Stager ook geen scenario denkbaar dat er geen mensen meer zijn: geen enkele ziekte heeft ooit een hele soort uitgeroeid en voor een catastrofale inslag zijn er simpelweg onvoldoende grote meteorieten voorhanden. We zullen deze zelf veroorzaakte ellende dus vele millennia moeten uitzitten, hoewel een ijstijd minder misschien tegen die tijd wel weer gewaardeerd wordt.


Besproken door Cees-Jan Pen

Slimme streken De kracht van het platteland Gert-Jan Hospers, Uitgeverij: van Gorcum ISBN: 9789023255949

HELAAS IS HET BOEK VANWEGE het anekdoti-

sche karakter en algemene toekomstbeelden er niet helemaal in geslaagd om de lezer aan het denken te zetten. Hospers slaagt er echter wel in ‘om te denken’ wat betreft het cliché ‘het glas is half leeg’ over het platteland. Op een ‘het is zoals het is’ manier beschrijft hij de impact van vergrijzing, ontgroening en verlies van voorzieningen. Hospers is op zijn best als hij heilige huisjes benoemt. De crux ligt met betrekking tot een toekomstbestendige landbouw, respectievelijk landschap: ‘alleen als consumenten bereid zijn meer te betalen voor hun

eten. In de landbouw is de klant koning, maar het is hoog tijd dat de klant zich royaler gaat gedragen...... mensen die aan landschapspijn lijden, kunnen hun lol op... het platteland zal zich ontwikkelen tot een proeftuin voor de energietransitie’. Mooi is zijn aversie tegen gebrek aan regionaal denken, dorpsisme en kerktorenpolitiek. Grootste punt van kritiek is dat voorzieningen geen voorwaarde zijn voor leefbaarheid en de impliciete beschrijving dat de digitale snelweg net zo belangrijk is. Dit botst met het door hem bepleitte belang van ontmoetingen en samenleven. Je kan als dorpeling wel goed ontsloten zijn op het wereldwijde web en dichtbij een grotere kern wonen waar wel voorzieningen zijn. De vraag is of deze voortgaande mentale verstedelijking niet juist

91

bijdraagt aan het plattelandscliché van verlaten platteland met doodse dorpen. Hospers is er in geslaagd een boek te schrijven waar overheden veel profijt van kunnen hebben. Dit boek is gelet op het stikstof-, energietransitie en klimaatdebat actueler dan ooit en een aanrader om van onze doorgaans te metropolitane blik af te komen.


Colofon Ruimte en Wonen 101e jaargang, nummer 1, maart 2020. Ruimte en Wonen is een vakblad en kennisnetwerk voor ruimtelijke professionals en woning­marktexperts, ontstaan uit de vakbladen S+RO en TVV. Het vakblad verschijnt 4x per jaar en zijn gekoppeld aan kennissessies. Lees ook mee op Twitter: @ruimteenwonen. Uitgave Aeneas Media bv, Veemarktkade 8, ruimte 4121, 5222 AE ‘s-Hertogenbosch, 073- 2051010, www.aeneas.nl, ruimteenwonen@aeneas.nl Conceptmanager Evamarije Smit, e.smit@aeneas.nl, T 06-16192662 Redactie Marietta Haffner, Anne-Jo Visser, Like Bijlsma, Leo Pols, Rob van den Broeke, Bob Witjes, Frank Suurenbroek. Kernredactie Martijn Eskinasi, Paul Gerretsen, Evamarije Smit, Annemiek Rijckenberg (hoofdredacteur)

Content manager Yvette Vierhout Community Organisaties, bedrijven en instellingen kunnen partner worden van Ruimte en Wonen. Neem contact op met Yvette Vierhout, 073-2051028, y.vierhout@aeneas.nl. Richtlijnen voor auteurs De redactie ontvangt graag kopij, de richtlijnen voor auteurs zijn te downloaden via www.ruimteenwonen.nl Advertentieverkoop s.terpstra@aeneas.nl, T 073-2051015 Contact lezersservice@aeneas.nl, T 073-2051010 Lidmaatschappen 2019 Kijk voor informatie over onze lidmaatschappen op www.ruimteenwonen.nl of neem contact op met onze klantenservice via lezersservice@aeneas.nl of 073 2051010. Alle prijzen zijn op jaarbasis en exclusief btw. Ontwerp en vormgeving Joelle Geerts Twin Media bv

92

Voorwaarden Ruimte en Wonen wordt tevens elektronisch opgeslagen en geëxploiteerd. Alle auteurs van tekstbijdragen in de vorm van artikelen of ingezonden brieven en/of makers van beeldmateriaal worden geacht daarvan op de hoogte te zijn en daarmee in te stemmen, e.e.a. overeenkomstig de publicatie- en/of inkoop­ voorwaarden. Deze liggen bij de redactie ter inzage en zijn op te vragen. Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder toestemming van de uitgever. Hoewel de grootst mogelijke zorg wordt besteed aan de inhoud van het blad, zijn redactie en uitgever van Ruimte en Wonen niet aansprakelijk voor de gevolgen, van welke aard ook, van handelingen en/of beslissingen gebaseerd op de informatie in deze uitgave. Niet altijd kunnen rechthebbenden van gebruikt beeldmateriaal worden achterhaald. Belanghebbenden kunnen contact opnemen met de uitgever.


Ook de aandacht trekken van corporaties, bouwers, duurzaamheidstrategen en architecten? Kijk op www.ruimteenwonen.nl/adverteren voor de mogelijkheden of bel 073 205 10 23


DAG VAN DE CIRCULARITEIT

ROB VAN GIJZEL

Oud-burgemeester van Eindhoven Rob van Gijzel, die aan de wieg stond van Eindhovens ontwikkeling tot slimste regio ter wereld, stelt het overheidsbeleid rondom circulair bouwen ter discussie.

16 april 2020

renda.nl/dagvandecirculariteit