Issuu on Google+

Biologie 2HV VERSIE EXP

Naam: …………………………............… Nummer:………………………………….


2HV

1

Workbooks4 Biologie


Workbooks4 Biologie

2HV

Inhoud H9 – Hoe werkt ons lichaam .................................................................................................. 3 H9.1 Je lijf werkt ................................................................................................................ 3 H9.2 Spijsvertering............................................................................................................. 6 H9.3 Ademhaling ..............................................................................................................12 H9.4 Bloedsomloop...........................................................................................................17 H9.5 Het lymfatisch systeem .............................................................................................24 H9.6 Ziek ..........................................................................................................................27 H10 - Bescherming .................................................................................................................. H10.3 Zorg voor je huid ....................................................................................................... H10.5 Afweer ....................................................................................................................... H10.6 Beschermen .............................................................................................................. H7 - Veranderingen ................................................................................................................. H7.1 Opgroeien ................................................................................................................... H7.2 Puberteit ...................................................................................................................... H7.5 Geslachtsziekten ......................................................................................................... H8 - Voortplanting ................................................................................................................... H8.1 Man en vrouw .............................................................................................................. H8.2 Bevruchting ................................................................................................................. H8.3 Zwangerschap ............................................................................................................. H8.4 Zwangerschap voorkomen .......................................................................................... H8.5 Erfelijkheid................................................................................................................... H8.6 Eigenschappen doorgeven .......................................................................................... H8.7 Erfelijke aandoeningen ................................................................................................ H11 – Ecologie ........................................................................................................................ H11.1 In leven blijven........................................................................................................... H11.3 Eten of gegeten worden ............................................................................................ H11.4 Gaswisseling en transport bij dieren .......................................................................... H11.5 Aanpassingen aan kou en hitte ................................................................................. H11.6 Evolutie ..................................................................................................................... H12 – Milieu en omgeving ....................................................................................................... H12.1 Invloed op je omgeving .............................................................................................. H12.2 Voedselproductie ....................................................................................................... H12.5 Milieubewust.............................................................................................................. H12.6 Opwarming van de aarde .......................................................................................... H13 - Practica ......................................................................................................................32

2


2HV

Workbooks4 Biologie

H9 – Hoe werkt ons lichaam H9.1 Je lijf werkt 1.

O60 De torso 2. Voer het practicum op blz. 99 uit en beantwoord de volgende vragen: a. De romp wordt door het __________________in borst- en buikholte verdeeld. b. De ___________________ komt zowel in borst- als buikholte voor. c. Verdeel de volgende organen over borstholte en buikholte: Galblaas – hart – long – maag – luchtpijp – slokdarm – lever – dikke darm – dunne darm – nier – blaas. Borstholte

Buikholte

2. Zet in de goede volgorde van klein naar groot: A Zenuw B Zenuwcel

C Zenuwweefsel D Mens

E Zenuwstelsel

De goede volgorde is: __________________________________________________

3


Workbooks4 Biologie

2HV

3. a. Welk orgaan hoort bij welk orgaanstelsel. Zet kruisjes op de goede plaats: Verteringsstelsel

Uitscheidingsstelsel

Zenuw stelsel

Ademhalingsstelsel

Bloedvaten Stelsel

Nier Long Slagader Ruggenmerg Hersenen Slokdarm Blaas Oogzenuw Middenrif

b. Je zou de longen ook bij het uitscheidingsstelsel kunnen laten behoren. Leg uit waarom dat zo is. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

4. Schrijf achter elk orgaanstelsel welke taak er bij hoort: Orgaanstelsel

Taak

Verteringsstelsel Vervoeren van stoffen Ademhalingsstelsel Zenuwstelsel Afvalstoffen kwijtraken Stevigheid geven

4


2HV

Workbooks4 Biologie

5. Vul in: Om organen te laten werken is ___________________ nodig. Dit komt vrij bij de ____________________ van ____________________ in de cellen. Om dit proces plaats te laten vinden is ook ____________________ nodig. Hierbij ontstaan twee afvalstoffen: ____________________, dat wordt uitgescheiden als urine via de ____________________, als ____________________ via de zweetklieren en door _________________________. De andere afvalstof is ____________________ en wordt uitgeademd.

6. De energie, die bij de verbranding vrij komt, wordt gebruikt voor een aantal dingen: 

B ____________________

D ____________________

W ____________________

En voor het ___________________ en ____________________ van stoffen.

7. Heel vaak wordt een scheikundige formule gebruikt in plaats van de naam van een stof. Zo is zuurstof O2, koolstofdioxide CO2, water H2O en glucose C6H12O6. Maak met deze afkortingen het schema van verbranding: ____________ +_____________  _____________ + _____________ + Energie

8. Als je van puzzelen houdt mag je deze opgave maken: Je ziet dat het aantal letters C – H en O links en rechts van de pijl niet gelijk is. Probeer door getallen voor de stoffen te zetten dit probleem op te lossen. Aanwijzing: Twee moleculen zwavelzuur wordt geschreven als 2H2SO4 en bevat 4 deeltjes H, 2 deeltjes S en 8 deeltjes O. Welk getal moet voor CO2, H2O en O2 worden gezet om de vergelijking kloppend te maken? A1 B2 C6 D 12

5


Workbooks4 Biologie

2HV

9. Je neemt zuurstof en voedsel op. Wat gebeurt er nu verder in het lichaam? Zet de volgende regels in de goede volgorde: A B C D E F

Er vindt verbranding in de spiercellen plaats. Er komt energie vrij en er ontstaan afvalstoffen. De afvalstoffen worden afgevoerd door het bloed en gaan het lichaam uit. In de longen en de dunne darm komt zuurstof en voedsel in het bloed. De spieren gaan aan het werk. Het bloed vervoert de zuurstof en het voedsel naar de cellen.

De goede volgorde is: D - ______________________________________________

H9.2 Spijsvertering 10. Wat is het verschil tussen een voedingsmiddel en een voedingsstof? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ 11. Streep de voedingsmiddelen door: Water – koolhydraten – brood – suiker – melk vitamine D – vet – appel – ei – eiwit – peper – paprika – mineralen.

12. In de afbeelding hieronder zie je een doorsnede van het hoofd. a. b. c.

Geef met een potlood de weg van het voedsel bij slikken en verslikken aan. Laat ook zien hoe de lucht gaat bij ademen. Teken daarbij de stand van de huig en het strotklepje.

Slikken

Verslikken

Ademen

6


2HV

Workbooks4 Biologie

13. Vul in: Verteren is ____________________ en ____________________ maken van voedsel. Dit moet gebeuren zodat de _________________________ door de darmwand heen in het _______________ kunnen worden opgenomen. Dit gebeurt in de _______________ darm.

14. O61

Vertering. Voer het practicum op blz. 100 uit en beantwoord de volgende

vraag: Het filtreerpapier in de proef kun je vergelijken met de ________________________. Zetmeel kan wel / niet door de darmwand omdat het niet ____________________ is. Suiker kan wel / niet door de darmwand omdat het wel ______________________ is.

15. Niet elke voedingsstof hoeft te worden verteerd, soms is een voedingsstof al direct opneembaar in het bloed. Geef in het schema met een kruisje aan welke voedingsstoffen altijd, welke soms en welke nooit hoeven te worden verteerd. Voedingsstof

Altijd verteren

Soms verteren

Nooit verteren

Koolhydraten Vetten Eiwitten Water Mineralen Vitaminen

16. SBB Spijs is voedsel, vertering en beantwoord de volgende vraag.

is klein maken. Bekijk de video

Welke beweringen over enzymen zijn waar? A B C D E F

7

Een enzym werkt bij elke voedingsstof. Een enzym werkt het best bij de optimumtemperatuur. Je kunt een enzym vergelijken met een schaar. In speeksel zit een enzym. Een enzym kan zijn werk maar ĂŠĂŠn keer doen. Hoe warmer het is, hoe beter een enzym werkt.


Workbooks4 Biologie

2HV

17. O37 De werking van speeksel. Voer het practicum op blz 101 uit en beantwoord de volgende vraag: Wat doet speeksel met zetmeel? _________________________________________ ____________________________________________________________________

18. V19 De optimumgrafiek. Voer het practicum op blz 102 uit en beantwoord daarna de volgende vraag: Maagsap is zuur. Je geeft de zuurgraad aan met de pH waarde. Een pH onder de 7 noem je zuur, pH 7 is neutraal en een pH boven de 7 noem je basisch. In het maagsap zit het enzym pepsine. Pepsine werkt het best bij een pH van 2 en werkt niet meer bij een pH boven de 6,5 en onder de 1,5 Gebruik de gegevens hierboven om de volgende vragen te beantwoorden: a. Wat is de minimumwaarde? pH = _____ b. Wat is de optimumwaarde? pH = _____ c. Wat is de maximumwaarde? pH = _____

19. Maak de bewering over de werking van het enzym kloppend, streep de foute alternatieven door. Een enzym werkt niet meer onder het minimum / bij het optimum / boven het maximum. Een enzym gaat kapot onder het minimum / bij het optimum / boven het maximum. Een enzym werkt het best bij het minimum / bij het optimum / bij het maximum.

20. Even rekenen: Stel je voor je hebt een stuk voedsel van 5 bij 5 bij 5 cm. Uit hoeveel vlakken bestaat het stuk voedsel? __________ De oppervlakte van 1 vlak is 5 x 5 = __________ cm² De totale oppervlakte van het stuk voedsel is dan __________ cm² Het gebit maakt van het stuk voedsel 125 stukjes van 1 bij 1 bij 1 cm. Wat wordt de totale oppervlakte van het hele stuk voedsel? __________ cm² Conclusie:

Als ik een groot stuk voedsel in kleine stukjes verdeel dan wordt de totale oppervlakte kleiner / hetzelfde / groter.

8


2HV

Workbooks4 Biologie

21. Leg met het antwoord op de vorige vraag uit waarom verteringssappen beter kunnen werken als het voedsel door het gebit kleiner is gemaakt. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

22. Een voedingsstof heeft de volgende vorm:

Door welk enzym wordt de voedingsstof afgebroken? _______ A

B

C

D

23. O14 Kringspieren en lengtespieren. Voer het practicum op blz. 104 uit en beantwoord de volgende vraag over het practicum: Als je knijpt doet je hand het werk van een kringspier / lengtespier. Op de plaats waar je knijpt is de kringspier gespannen / ontspannen. En de lengtespier is daar gespannen / ontspannen.

9


Workbooks4 Biologie

2HV

24. Geef in de afbeelding van het spijsverteringsstelsel de onderdelen aan: 1 = __________________________ 2 = __________________________ 3 = __________________________ 4 = __________________________ 5 = __________________________ 6 = __________________________ 7 = __________________________ 8 = __________________________ 9 = __________________________ 10 = _________________________ 11 = _________________________

25. Zet de volgende onderdelen van het spijsverteringskanaal in de goede volgorde: A B C D

12-vingerige darm Endeldarm Dunne darm Anus

E F G H

Dikke darm Maag Slokdarm Keelholte

De goede volgorde is: Mondholte - ________________________________________

26. Vul het volgende schema over spijsverteringssappen in: Spijsverteringsorgaan

Spijsverteringssap

Verteren van

Speekselklieren

Maag

Alvleesklier

Dunne darm

10


2HV

Workbooks4 Biologie

27. O81 Oppervlaktevergroting. Voer het practicum op blz. 105 uit en kijk daarna naar het volgende demonstratiepracticum.

28. D10 Emulgeren van vetten. Voer het practicum op blz. 106 uit en beantwoord de volgende vraag: Gal is geen verteringssap maar helpt wel bij de vertering. Vul in: Gal wordt gemaakt in de ____________________ en opgeslagen in de __________. Gal komt in de ____________________ darm bij het voedsel en helpt mee bij het verteren van ____________________. Dit gebeurt door het kleiner maken van het ____________________ in kleine ____________________.

29. Bekijk de afbeelding van de wand van een stukje dunne darm.

Leg uit waarom de plooien in de wand van de dunne darm voor een grotere en snellere voedselopname zorgen. _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________ _____________________________

30. Voedingsvezels zijn de celwanden van plantaardige cellen. Voedingsvezels verteren niet maar stimuleren de darmwerking (stoelgang). In welke voedingsmiddelen zijn voedingsvezels te vinden? A Melk B Spinazie C Rijst D Biefstuk E Sinaasappelsap F Kaas

11


Workbooks4 Biologie

2HV

Endeldarm

Dikke darm

Dunne darm

12-vingerige darm

Maag

Slokdarm

31. In het schema staan een aantal onderdelen van het spijsverteringskanaal. Zet kruisjes bij de goede omschrijving.

Hier vindt peristaltiek plaats Hier komt spijsverteringssap bij het voedsel Hier gaat het verteerde voedsel het bloed in Hier wordt water uit de voedselbrij gehaald Hier wordt de poep bewaard

Hier leeft de darmflora

De wand bevat veel bloedvaten

Wordt afgesloten door de anus

H9.3 Ademhaling 32. SBB

Ademhaling. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag:

Welke twee lichaamsdelen spelen een rol bij onze ademhaling? De r ____________________ en het m ____________________

12


2HV

Workbooks4 Biologie

33. Zet de stadia van inademen bij borstademhaling in de goede volgorde: A B C D

De longinhoud wordt groter Je ademt in De tussenribspieren trekken samen De ribben gaan omhoog

De goede volgorde is ____________________.

34. Wat gebeurt er achtereenvolgens als je uitademt? 1. ____________________________________ 2. ____________________________________ 3. ____________________________________ 4. ____________________________________

35. SBB door: a. b. c. d. e.

Ademhalingsproef. Bekijk de video en streep het foute alternatief

Je hebt hier te maken met borstademhaling / buikademhaling. Bij uitademen ontspant het middenrif zich / trekt het middenrif zich samen. Het middenrif gaat daardoor boller / holler staan. De longen worden omhoog / omlaag gedrukt. De lucht gaat naar binnen / buiten.

36. Geef in de afbeelding van het ademhalingsstelsel de gevraagde onderdelen aan:

2 = __________________________ 3 = __________________________ 6 = __________________________ 7 = __________________________ 10 = _________________________ 11 = _________________________

13


Workbooks4 Biologie

2HV

37. Je ziet in de afbeelding een longblaasje met een longhaarvat. a. Bij welk nummer zit zuurstofrijk bloed? Bij nummer _____ . b. Welk gas wordt bedoeld Bij 2? __________________ Bij 3? __________________

38. SBB Van zuurstof de volgende vraag.

naar koolzuurgas.

Bekijk de video en beantwoord

Via welke weg komt de zuurstof in het bloed? Mondholte / _________________________  ____________________________  _________________________  _________________________  Luchtpijptakjes  _______________________  Longhaarvaten.

39. O62 Verbranding. Voer het practicum op blz. 107 uit en vul de goede woorden in: Voor verbranding is _________________ nodig. Bij verbranding komt ____________ vrij. In ons lichaam vindt ook _________________________ plaats.

40. O63

De vitale capaciteit. Voer het practicum uit op blz. 108 uit

41. Noem twee redenen waarom het beter is door je neus te ademen? 1. _________________________________________________________________ 2. _________________________________________________________________

14


2HV

Workbooks4 Biologie

42. Als je stofdeeltjes in je luchtpijp of bronchiĂŤn krijgt gebeuren er een aantal dingen. Zet ze in de goede volgorde. A B C D E F

Je ademt de stofdeeltjes in De stofdeeltjes blijven plakken in het slijmvlies De stofdeeltjes gaan naar de luchtpijp en bronchiĂŤn De trilhaartjes vervoeren het slijm met de stofdeeltjes omhoog Je gaat hoesten of je slikt het slijm door Ziekteverwekkers worden door het maagzuur gedood

De goede volgorde is A - _______________________________________________

43. Zit er in uitgeademde lucht ook zuurstof? Geef een voorbeeld waar dat uit blijkt. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

44. Er zijn 3 stoffen die er voor zorgen dat roken erg ongezond is. Vul het schema in:

Stof

Wat doet het?

Wat is het gevolg?

Teer

Je wilt steeds weer en meer sigaretten.

45. SBB vraag:

De effecten van roken. Bekijk de video en beantwoord de volgende

Zeg in 4 stappen op welke manier teer er voor zorgt dat je een rokershoest krijgt.

15

1.

_______________________________________________________________

2.

_______________________________________________________________

3.

_______________________________________________________________

4.

_______________________________________________________________


Workbooks4 Biologie

2HV

De volgende vragen gaan over problemen die je kunt krijgen bij ademhaling. De theorie staat in het leerboek bij paragraaf 11.4. 46. SBB

Astma. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag.

Noem twee veranderingen in het lichaam waardoor de luchtwegen nauwer worden bij astma. 1. _________________________________________________________________ 2. _________________________________________________________________

47. O85 vraag:

Astma. Voer het practicum op blz. 109 uit en beantwoord de volgende

Iemand met astma krijgt vaak een medicijn (een ‘pufje’) voorgeschreven waardoor ze beter kunnen ademen. Waar zorgt het ‘pufje’ voor? ______________________________________________________________ ______________________________________________________________

48. Wat is het verschil tussen astma en chronische bronchitis? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

49. Wat is een chronische ziekte? ___________________________________________ ____________________________________________________________________

50. Welke beweringen over COPD zijn waar? A B C D E F

COPD is een chronische ziekte. Een voorbeeld van COPD is longkanker. COPD wordt meestal veroorzaakt door roken. Mensen met COPD krijgen te weinig koolstofdioxide binnen. Teer verstopt de longblaasjes. Mensen met COPD hebben moeite met inspanning.

16


2HV

Workbooks4 Biologie

H9.4 Bloedsomloop 51. SBB Samenstelling volgende vraag:

van het bloed. Bekijk de video en beantwoord de

Vul het schema over de samenstelling van het bloed in:

Bestanddeel

Omschrijving Vervoeren van o.a. voedingsstoffen, afvalstoffen en koolstofdioxide Vervoeren van zuurstof

Vernietigen van bacteriĂŤn en andere ziekteverwekkers Helpen bij het helen van wondjes

52. M14 Rode bloedcellen. Voer het practicum op blz. 110 uit en beantwoord de volgende vraag: Vul in: Zuurstof wordt vervoerd door de _______________ bloedcellen. In deze cellen zit de kleurstof ____________________, die de stof _____________________ bevat. Als je hier een tekort aan hebt, dan heb je last van _____________________.

53. Welke kenmerken hebben aders en slagaders? Schrijf het goede antwoord op:

Kenmerk Het bloed stroomt snel / langzaam De druk is laag / hoog De wand is dik / dun Je voelt het hart wel kloppen / niet kloppen Al deze bloedvaten bevatten wel / geen kleppen Het bloed stroomt naar het hart toe / van het hart af

17

Slagader

Ader


Workbooks4 Biologie

2HV

54. Bekijk de afbeelding van de verschillende bloedvaten.

A

B

A

B

a. Wat is de ader? ___________ b. Waar kun je dat aan zien?________________________________________ _______________________________________________________________ 55.

SBB Bloedvaten. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag: Welke kenmerken horen bij haarvaten? Streep het foute alternatief door. a.

Het bloed stroomt snel / langzaam

b.

De wand heeft gaatjes / geen gaatjes

c.

De wand is ĂŠĂŠn cellaag dik / twee cellagen dik

d.

Ze zitten in / buiten de organen

56. Sven heeft een heel schematische tekening van een hart gemaakt. Hij geeft de onderdelen met een nummer aan:

Linkerkamer is nummer _____ Rechterkamer is nummer _____ Linkerboezem is nummer _____ Rechterboezem is nummer _____ Holle ader is nummer _____ Aorta is nummer _____ Longslagader is nummer _____ Longader is nummer _____

18


2HV

Workbooks4 Biologie

57. Bloed stroomt in het hart in een bepaalde richting. Zet de nummers van de onderdelen uit de vorige vraag in de goede volgorde van stroomrichting. Begin bij 1. De goede volgorde is: 1 - ______________________________________________ 58. Vul in: Bloed dat van de longen af komt bevat (veel / weinig) _______________ zuurstof. Bloed dat naar de longen toe gaat bevat (veel / weinig) _______________ zuurstof. Daardoor is de linker harthelft (zuurstofrijk / zuurstofarm) ____________________ En de rechterharthelft (zuurstofrijk / zuurstofarm) ____________________.

59. Zeg bij de volgende onderdelen van het hart of er zuurstofrijk of zuurstofarm bloed in voorkomt: Onderdeel

Zuurstofrijk / zuurstofarm

Linkerboezem Linkerkamer Rechterboezem Rechterkamer Kransslagader Kransader 60. Hier zie je een minder schematische afbeelding van het hart. Geef ook hier de onderdelen aan: 1 =____________________ 2 = ____________________ 3 = ____________________ 4 = ____________________ 5 = ____________________ 6 = ____________________ 7 = ____________________ 8 = ____________________ 9 = ____________________ Kleur de zuurstofrijke harthelft met bloedvaten rood en de zuurstofarme harthelft met bloedvaten blauw.

19


Workbooks4 Biologie

2HV

61. De hartslag gaat in drie stappen. Zet de drie stappen in de goede volgorde: Eerst _____________________________________________________________ dan ______________________________________________________________ tenslotte __________________________________________________________

62. Wat gebeurt er met de kleppen tijdens de verschillende fases van de hartslag? Vul in: gaan open / gaan dicht. Hartkleppen

Slagaderkleppen

Samentrekken boezems Samentrekken kamers Hartpauze

63.

Lees het verhaal over bloeddruk in je leerboek en vul daarna de goede woorden in: De druk tegen de wanden van je bloedvaten noem je ___________________ De druk tijdens het samentrekken van de kamers noem je _________________. De onderdruk is de druk tijdens de ____________________. De bloedvaten waar de druk het hoogst is zijn de ____________________.

64.

Waardoor kun je een te hoge bloeddruk krijgen? ________________________________________________________________ ________________________________________________________________

65.

SBB Hart, long en lever. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag: Van welk dier lijkt de anatomie op de mens en zijn hier de organen te zien? A B C D

Schaap Varken Hond Koe

20


2HV

Workbooks4 Biologie

66.

D11 Het schapenhart. Bekijk het demonstratiepracticum op blz. 111, kijk samen met de docent naar het hart en beantwoord de volgende vragen: Welke beweringen zijn waar? A B C D

67.

De linkerkamer is gespierder dan de rechterkamer. De rechterkamer is gespierder dan de linkerkamer. De wand van de aders is steviger dan de wand van de slagaders. De wand van de slagaders is steviger dan de wand van de aders.

SBB Bloedsomloop. Bekijk de video en beantwoord de volgende vragen: Waar worden bouwstoffen en brandstoffen in het bloed opgenomen? _________ ________________________________________________________________ Waar neem je zuurstof op? __________________________________________ Waar geef je koolstofdioxide af? ______________________________________

68.

Het geven van namen aan de bloedvaten pakken we als volgt aan: Je let op de stroomrichting van het bloed en de naam van het orgaan. Een bloedvat met bloed dat naar de maag stroomt heet ____________________ Een bloedvat met bloed dat van de maag weg stroomt heet _________________ Bloedvaatjes in de maag heten _______________________________________ Uitzonderingen op deze regel zijn bijvoorbeeld ___________________________ ________________________________________________________________

69.

Zet de naam van het bloedvat achter de omschrijving. Omschrijving Bevat zuurstofrijk bloed dat van de longen naar het hart stroomt Bevat zuurstofarm bloed dat van de dunne darm naar de lever stroomt Bevat zuurstofrijk bloed dat uit de linkerkamer komt Bevat zuurstofarm bloed dat van de nier vandaan komt Bloedvat in de long

Bloedvat dat zuurstofarm bloed naar de rechterkamer vervoert

21

Naam bloedvat


Workbooks4 Biologie

2HV

70. Bekijk de schematische afbeelding van de bloedsomloop. a. b.

Geef de namen van de onderdelen aan. Geef met pijlen de stroomrichting van het bloed aan in de aorta, de longslagader, de poortader en de onderste holle ader. Laat je antwoord controleren door de docent!

1 = _____________________________

8 = __________________________

2 = _____________________________

9 = __________________________

3 = _____________________________

10 = __________________________

4 = _____________________________

11 = __________________________

5 = _____________________________

12 = __________________________

6 = _____________________________

13 = __________________________

7 = _____________________________

22


2HV

Workbooks4 Biologie

71. Zet de onderdelen van de kleine en grote bloedsomloop in de goede volgorde:

Kleine bloedsomloop

Grote bloedsomloop

Rechterkamer

Linkerkamer

72. Vul in: De functie van de kleine bloedsomloop is het opnemen van z _____________ en het afgeven van k ____________________ uit het bloed. De functie van de grote bloedsomloop is het afgeven van v___________________ en z _________________ aan de cellen en het opnemen van k __________________ en a ________________ in het bloed.

73. O64

Een bloedsomloop bouwen. Voer het practicum op blz. 112 uit.

74. Vul in: Afvalstoffen en giftige stoffen worden door het ___________________ stelsel uit ons lichaam verwijderd. Bij dit stelsel horen de volgende organen: 

De ___________________ verwijderen waterdamp en _________________.

De ___________________ zet giftige stoffen om in minder schadelijke stoffen. Eiwitten worden omgezet in ____________________. Ook worden oude ______________ bloedcellen afgebroken.

De ___________________ halen afvalstoffen uit het bloed, maken er urine van en slaan deze urine tijdelijk op in de ____________________.

23

Via de __________________ zweet je water en ____________________ uit.


Workbooks4 Biologie

75. SBB

2HV

Nieren. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag:

Hoe vaak gaat het bloed per dag door de nieren? A B C D

100x 200x 300x 400x

H9.5 Het lymfatisch systeem 76. Zet in het schema de naam van de vloeistof op de goede plaats:

Plaats

Naam van de vloeistof

In de bloedvaten Tussen de cellen In de lymfevaten

77. Bekijk de afbeelding. Welke beweringen zijn waar? A B C D E F

Bij A zit weefselvloeistof Bij B zit weefselvloeistof Bij A zit lymfe Bij B zit lymfe A is een bloedvat A is een lymfevat

24


2HV

Workbooks4 Biologie

78. Geef in de afbeelding van de lymfeknoop met pijlen aan in welke richting de lymfe stroomt. Let op de stand van de kleppen! Laat je antwoord controleren door de docent.

79. De lymfeknopen onder je kaak zijn opgezwollen. a. Hoe zou dat kunnen komen? ________________________________________ ________________________________________________________________ b. Wat is de functie van lymfeknopen? ________________________________________________________________ ________________________________________________________________

80. M15 Witte bloedcellen. Voer het practicum op blz. 113 uit en beantwoord de volgende vraag: Streep het foute alternatief door: Er zijn veel meer / veel minder witte bloedcellen dan rode bloedcellen.

81. Hoe komt zuurstof en glucose in de cellen? Vul het goede woord in: 

Zuurstof komt bij de ________________________ in het bloed, glucose wordt in de _________________darm opgenomen in het bloed.

Glucose wordt in het bloed vervoerd door het ____________________. De _____________________________ vervoeren zuurstof.

In de _______________________ laten de rode bloedcellen de zuurstof los.

Glucose en zuurstof gaan door gaatjes in de wand van de _______________ naar de _________________________ , die om de cellen heen stroomt.

25

Hier wordt de glucose en zuurstof door de __________________opgenomen.


Workbooks4 Biologie

2HV

82. Bekijk de afbeelding van het lymfevatenstelsel. a.

Waar vind je veel lymfeknopen? 1. _________________________ 2. _________________________ 3. _________________________

b.

Waarom is het logisch dat ze daar zitten? ____________________________ ____________________________ ____________________________

c.

In welk bloedvat komt de lymfe weer in het bloedvatenstelsel? _____________________________

83. Welke beweringen over het lymfesysteem zijn waar? A B C D E F

Alle weefselvloeistof komt via de lymfevaten weer terug in het bloed. In een blaar zit weefselvloeistof. Bij de liezen komt de lymfe weer in het bloed. Lymfeknopen bevatten veel witte bloedcellen. Lymfevaten bevatten net als slagaders kleppen. In de wand van lymfevaten zitten kleine openingen.

84. Geef met kruisjes aan welke eigenschappen van toepassing zijn:

slagader

Ader

haarvaten

lymfevaten

Dikke, stevige wand Slappe wand Dunne wand met openingen Bevat overal kleppen

26


2HV

Workbooks4 Biologie

85. Welke stoffen kun je allemaal in lymfe aantreffen? A B C D E F

Zuurstof Glucose Andere voedingsstoffen Koolstofdioxide Andere afvalstoffen Witte bloedcellen

86. SBB

Tatoeage. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag:

Welk hulpmiddel gebruikt Rob om de tattoo goed op de arm te krijgen? _________________________________________________________________ 87. Je ziet hieronder een schematische afbeelding van de huid.

a. Kleur de huidlaag waar de inkt bij de tatouage wordt aangebracht. b. Komt de inkt in de weefselvloeistof? ________ c. De persoon kreeg na verloop van tijd een donkere vlek onder de oksel. Hoe kan dat? _______________________ _______________________

H9.6 Ziek 88. Welke van de volgende zaken kunnen zorgen voor psychische klachten? A B C D E F

27

Buikpijn Stress Een loopneus Liefdesverdriet Eenzaamheid Met een geheim rondlopen


Workbooks4 Biologie

2HV

89. Vul in: Je bent gezond, als je geen last hebt van l ____________________ en p _____________________________ klachten. Er zijn drie factoren die je gezondheid beïnvloeden: Je l ______________________, je o ____________ en de g ______________________. Hier kun je zelf het een en ander aan doen. Er zijn ook zaken die je zelf niet in de hand hebt. Zo kun je een a ____________________ ziekte hebben of een i ____________________ ziekte oplopen.

90. O65 Hygiëne. Voer het practicum op blz. 114 uit en zeg welke conclusie je uit de proef hebt getrokken. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

91. Je gezondheid wordt op een aantal manieren beïnvloedt. Zet de volgende woorden in het goede rijtje: Stad – industrie – huisarts – roken – Afrika – ziekenhuis – ontspanning – psycholoog – vrienden. Leefstijl

Gezondheidszorg

Omgeving

92. Welke soorten ziekteverwekkers zijn er? 1. ________________________________ 2. ________________________________ 3. ________________________________

28


2HV

Workbooks4 Biologie

93. SBB Verschil volgende vraag:

bacterie en virus. Bekijk de video en beantwoord de

Geef aan of je te maken hebt met een virus of een bacterie: Virus

Bacterie

Bestaat uit 1 cel Bestaat uit erfelijk materiaal met een eiwitmantel Is met een schoolmicroscoop te bekijken Kan met antibiotica bestreden worden Veroorzaakt verkoudheid, griep, aids Veroorzaakt longontsteking, gonorroe, chlamydia

94. Zet de volgende begrippen die te maken hebben met gezondheid en gezondheidszorg in de goede volgorde: A Diagnose B Incubatietijd C Genezing

D Besmetting E Prognose F Symptomen

De goede volgorde is: D - _______________________________________________

95. Zet de volgende woorden in het goede rijtje (sommige woorden kunnen in meer kolommen geplaatst worden!) Hoesten – griep – koorts – na een week beter - door wondjes – dodelijk – AIDS – door aanraken – hoofdpijn – misselijkheid – verkoudheid - onvruchtbaarheid Diagnose

29

Prognose

Besmetting

Symptomen


Workbooks4 Biologie

96. V17 Een bijsluiter de volgende vraag:

2HV

lezen. Voer het practicum op blz. 115 uit en beantwoord

Op veel scholen houdt de conciĂŤrge bij hoeveel paracetamol hij heeft uitgedeeld en aan wie. Waarom is dat verstandig? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

97. Wat is een chronische ziekte? ___________________________________________ ___________________________________________________________________

98. Welke van de volgende ziekten zijn chronische ziekten? A B C D E F

Suikerziekte Griep Astma Migraine Reuma Verkoudheid

99. SBB

Diabetes. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag:

In welk orgaan wordt insuline gemaakt? A B C D

In de lever In de alvleesklier In de milt In de maag

100. Vul bij het verhaal over suikerziekte de goede woorden in: a.

Bij iemand met suikerziekte wordt geen _________________ aangemaakt.

b.

Hierdoor blijft er te veel ____________________ in het bloed zitten.

c.

De _______________ scheiden het overschot aan _______________ uit.

d.

Dit gebeurt via de _______________.

e.

Probeer uit te leggen waarom dit zo slecht is voor ons lichaam. ____________

_________________________________________________________________ _________________________________________________________________

30


2HV

Workbooks4 Biologie

101.

SBB Nierziekte. Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag: Zet de volgende zaken in de goede volgorde: A B C D E

Het afweersysteem gaat aan het werk De nier wordt getransplanteerd Je neemt medicijnen om de afweer te onderdrukken Het lichaam beschouwt de nier als lichaamsvreemd Het donororgaan blijft een tijd goed functioneren

De goede volgorde is: B - _______________________________________________

31


Workbooks4 Biologie

2HV

H13 - Practica O60 - De torso 2 Wat ga je onderzoeken? Welke organen zie je in een torso, waar zitten ze en hoe groot zijn ze? Wat heb je nodig?  Een torso  Een meetlint Wat moet je doen? o Bekijk de torso die voor je staat. o Voer de opdrachten uit en beantwoord de vragen over de torso. o Haal zo nodig de organen voorzichtig uit de torso. o Plaats de organen na afloop weer op de juiste plaats. Wat neem je waar? 1. Zoek de volgende organen op in de torso: Galblaas – hart – long – maag – luchtpijp – slokdarm – lever – dikke darm – dunne darm – nier – blaas. 2. Kijk naar de verschillende organen in de torso. Welke beweringen zijn waar? A B C D E F

Je slokdarm heeft een kronkelige vorm. Je luchtpijp vertakt zich in twee takken. De luchtpijp ligt voor de slokdarm. Als je eet komt het eten eerst in de darmen. De lever ligt gedeeltelijk voor de maag. De lever ligt van jezelf uit gezien aan de linkerkant van je lichaam.

3. Meet met behulp van het meetlint een aantal organen. Zet de gevonden gegevens in de tabel.

Doorsnede dunne darm in mm. Doorsnede dikke darm in mm. Lengte slokdarm in cm. Lengte 12-vingerige darm in cm. 4. Hoe komt de 12-vingerige darm aan zijn naam denk je? _______________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

32


2HV

Workbooks4 Biologie

O61 - Vertering Wat wil je onderzoeken? Welke stoffen kunnen worden opgenomen in het bloed? Wat heb je nodig?  4 bekerglazen  Een spuitfles met water  Een lepeltje  Suiker  Zetmeel  2 Trechters  Filtreerpapier  Druppelflesje jodium Wat moet je doen? o Doe een schepje suiker in een bekerglas, doe er 50 ml. water bij. o Doe hetzelfde met zetmeel. o Roer de beide oplossingen goed door, probeer de suiker en het zetmeel op te lossen. o Schrijf wat je ziet gebeuren in kolom A. o Doe het filtreerpapier in de trechters en zet ze in de twee andere bekerglazen. o Giet de oplossingen door het filtreerpapier. o Schrijf wat je ziet gebeuren in kolom B. o Doe een druppel jodium in de zetmeeloplossing en schrijf op wat je ziet gebeuren. o Proef de suikeroplossing en schrijf op wat je proeft. Wat zie je gebeuren? A

B

Zetmeeloplossing Suikeroplossing 1. Streep het foute alternatief door: Het zetmeel blijft achter / gaat door het filtreerpapier, de oplossing is helder / troebel. De suiker blijft achter / gaat door het filtreerpapier, de oplossing is helder / troebel. De zetmeeloplossing kleurt door het jodium wel / niet / een beetje geel / paars De suikeroplossing smaakt zoet / naar water Conclusie: Het filtreerpapier kun je vergelijken met de _______________________________________. Zetmeel kan wel / niet door de darmwand omdat het niet ____________________ is. Suiker kan wel / niet door de darmwand omdat het wel ______________________ is.

33


Workbooks4 Biologie

2HV

O37 - De werking van speeksel Wat wil je onderzoeken? Wat doet speeksel met zetmeel? Wat heb je nodig?  2 reageerbuizen met zetmeeloplossing  1 reageerbuisrekje  1 warmwaterbak van 37°C  1 druppelflesje met jodium  Viltstift Wat moet je doen? o Nummer de beide reageerbuizen 1 en 2 en zet er een teken op zodat je ze kunt herkennen. o Doe in reageerbuis 1 een hoeveelheid speeksel en schud goed. o Zet de beide reageerbuizen in de warmwaterbak. o Haal ze na 20 minuten er weer uit en voeg aan beide reageerbuizen een paar druppels jodium toe. Wat neem je waar? Reageerbuis 1

Reageerbuis 2

Kleur oplossing zonder jodium

Kleur oplossing met jodium

Conclusie: __________________________________________________________________________

Vragen: 1. Waarom is de temperatuur van het water 37°C? _____________________________ ____________________________________________________________________

2. Wat doet speeksel met zetmeel? _________________________________________ ____________________________________________________________________

34


2HV

Workbooks4 Biologie

V19 – De optimumgrafiek Een optimumgrafiek is een grafiek waarin aangegeven wordt onder welke omstandigheden een organisme het meest voorkomt of onder welke omstandigheden iets het best werkt. In een optimumgrafiek kun je drie waarden onderscheiden: Het minimum: De plaats waar iets gaat werken of begint voor te komen. Het optimum: De plaats waar iets het best werkt of het meest voorkomt. Het maximum: De plaats waar iets stopt met werken of niet meer voorkomt. Werking

Temperatuur in °C Een optimumgrafiek is een lijngrafiek of een staafdiagram. Hoe maak je een optimumgrafiek?  Kijk voor een algemene beschrijving naar de uitleg over het maken van een staafdiagram of lijngrafiek.  Geef op de verticale as de werking of de aantallen aan.  Geef op de horizontale as aan wat er verandert aan de omstandigheden.

Wat wil je onderzoeken? Wat is een goede hoeveelheid water om een zaadje te laten ontkiemen? Wat heb je nodig?  40 zaadjes van de tuinkers  4 petrischaaltjes met deksel  4 filtreerpapiertjes  Plastic injectiespuitjes  Bekerglas met water  Viltstift Wat moet je doen? o Leg het filtreerpapier op de bodem van de petrischaal. o Leg in elke petrischaal 10 zaadjes op het filtreerpapier. o Voeg met behulp van de injectiespuit respectievelijk 2ml, 4ml, 8ml en 16ml water aan de zaadjes toe. Probeer het water over het filtreerpapier en de zaadjes te verdelen. o Schrijf met de viltstift de hoeveelheid water en je naam op het deksel van de petrischaal.

35


Workbooks4 Biologie

o o

2HV

Doe het deksel op de petrischaal en zet de petrischalen weg. Kijk na een aantal dagen wat er is gebeurt. Vul het schema in en maak de grafiek.

Wat neem je waar?

Hoeveelheid water in ml.

Aantal zaadjes ontkiemd

2

4

8

16

Wat is je conclusie? __________________________________________________________________________

Vragen: 1. Wat zou je kunnen doen om de proef nauwkeuriger te maken? ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

2. Als je een vervolgproef zou doen, welke hoeveelheid water zou je dan niet meer nemen? Leg ook uit waarom. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

3. Wat is bij de proef het minimum en het maximum? Minimum: _____ ml.

Maximum _____ ml.

36


2HV

Workbooks4 Biologie

O14 – Kringspieren en lengtespieren Wat ga je onderzoeken? Op welke manier werken kringspieren en lengtespieren in de darm samen? Wat heb je nodig?  Een binnenband van een fiets  Een tafeltennisballetje Wat moet je doen? o Stop het tafeltennisballetje in de fietsband. o Je hebt nu een model van de darm gemaakt met een voedselbrok er in. o Beweeg door te knijpen de tennisbal naar het andere eind van de binnenband. o Kijk goed wat je ziet gebeuren met de binnenband. Wat neem je waar? 1. Als je knijpt doet je hand het werk van een kringspier / lengtespier. De kringspier is op de plaats waar je knijpt gespannen / ontspannen. De lengtespier is daar gespannen / ontspannen. Conclusie: 2. Vul in: Kringspieren en lengtespieren zijn ____________________ van elkaar. Als de kringspieren samentrekken ____________________ de lengtespieren en omgekeerd. In de darm wordt het voedsel daardoor ___________________ geduwd. o o o

Vraag of iemand uit de klas een handstand wil maken tegen de muur van het lokaal. Geef de proefpersoon een klein stukje brood om te eten. De proefpersoon probeert het stukje brood door te slikken.

3. Wat gebeurt er? ______________________________________________________ ____________________________________________________________________ 4. Waar gaat het stukje brood naar toe? ____________________________________________________________________ 5. Hoe kan dat? Gebruik in je antwoord de woorden ‘peristaltische bewegingen’ en ‘zwaartekracht’. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

37


Workbooks4 Biologie

2HV

O81 Oppervlaktevergroting Wat wil je onderzoeken? Wat gebeurt er als je voedsel kleiner maakt? Wat heb je nodig?  4 dubbele Duploblokken (evt legoblokken)  Een geodriehoek  Een rekenmachine Wat moet je doen? o Maak de 4 duploblokken zo aan elkaar vast dat je een kubus krijgt. o Meet de zijden van de kubus en bereken de totale oppervlakte. o Zet de gegevens in de tabel. o Haal de duploblokken uit elkaar. o Meet de zijden van 1 Duploblokje en bereken de totale oppervlakte. o Zet de gegevens in de tabel. Wat neem je waar?

Totaal aantal vlakken

Oppervlakte 1 vlak in cm2

Totale oppervlakte in cm2

Grote kubus

_____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____

Losse blokjes

_____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____

_____ x _____ = _____ ______________ TOTAAL

Conclusie: 1. Wat stelt de kubus van Duploblokken voor? _________________________________ 2. Wat stelt het uit elkaar halen van de Duploblokken voor? ______________________ 3. Het aantal vlakken wordt door het uit elkaar halen (groter / kleiner) _______________ 4. De totale oppervlakte wordt door het uit elkaar halen (groter / kleiner) ____________ 5. Leg in eigen woorden uit waarom de verteringssappen beter kunnen werken als het voedsel door het gebit kleiner is gemaakt. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________

38


2HV

Workbooks4 Biologie

D10 – Emulgeren van vetten Wat wil je onderzoeken? Op welke manier worden vetten verteerd? Wat heb je nodig?  2 petrischalen  Slaolie  Afwasmiddel Wat moet je doen? o Giet eerst wat water en daarna slaolie in petrischaal 1. o Doe hetzelfde bij petrischaal 2. o Doe bij petrischaal 1 wat afwasmiddel. o Vergelijk de twee petrischalen en schrijf op wat er is gebeurt. Wat neem je waar? __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Conclusie: Vet wordt __________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Vragen: 1.

Streep het foute alternatief door: Je ziet dat de totale oppervlakte van de vetdruppel gelijk is gebleven / kleiner is geworden / groter is geworden. Waarom is dat handig? _________________________________________________ ____________________________________________________________________

39

2.

Met welk verteringssap is het afwasmiddel te vergelijken? _____________________

3.

Wat is emulgeren? ____________________________________________________

4.

Is de vertering van het vet nu af? Ja / nee


Workbooks4 Biologie

2HV

O62 – Verbranding Wat wil je onderzoeken? Wat gebeurt er bij verbranding? Wat heb je nodig?  Een petrischaal of schoteltje  Een waxinelichtje  Lucifers  Een (beker)glas Wat moet je doen? o Zet het waxinelichtje in de petrischaal en steek het kaarsje aan. o Zet het bekerglas over het brandende waxinelichtje heen. o Schrijf op wat er met de kaars gebeurt. o Voel daarna aan de bodem van de jampot. o Bekijk wat er aan de binnenkant van het bekerglas zit. Voel eventueel. o Schrijf je waarnemingen hieronder op. Wat neem je waar? 1. De kaars gaat _______________ . 2. De bodem van het bekerglas voelt _______________ aan. 3. Aan de binnenkant van het bekerglas zit _______________ . Conclusie: 4. Voor verbranding is brandstof en zuurstof nodig. Er is nog wel __________________ maar geen ____________________ meer. 5. De brandstof is ____________________ . 6. Bekijk de antwoorden bij vraag 2 en 3: Bij verbranding ontstaat onder andere ____________________ en ____________________ .

40


2HV

Workbooks4 Biologie

O63 – De vitale capaciteit Wat wil je onderzoeken? Hoe groot is mijn vitale capaciteit? Wat heb je nodig?  Een spirometer  Een kartonnen mondstukje Wat moet je doen? o Plaats het mondstuk op de spirometer. o Zet de wijzer van de spirometer op 0. o Adem diep in en blaas alles wat je in je hebt in de spirometer. o Herhaal deze procedure 3x o Zet de gegevens in de tabel. o Gooi het mondstukje na afloop weg. o Onderzoek daarna het gemiddelde van de jongens en van de meisjes uit je klas. Wat neem je waar? Poging 1

Poging 2

Poging 3

Conclusie: Mijn vitale capaciteit _______________ Gemiddelde jongens: __________ liter

Gemiddelde meisjes: __________ liter

Vragen: 1. Waarom moet je uitgaan van de hoogst gemeten waarde en niet van het gemiddelde? __________________________________________________________________ __________________________________________________________________ 2. Bekijk de gegevens van de klas. Wie hebben gemiddeld een grotere vitale capaciteit, jongens of meisjes? Probeer je antwoord ook te verklaren. __________________________________________________________________ __________________________________________________________________ 3. Je moet een vervolgonderzoek maken. Welke nieuwe onderzoeksvraag zou je kunnen stellen? __________________________________________________________________ __________________________________________________________________

41


Workbooks4 Biologie

2HV

O85 - Astma Deze proef is niet geschikt voor mensen met astma of klachten die daarmee samenhangen! Wat ga je onderzoeken? Hoe voelt het om astma te hebben? Wat heb je nodig?  Een rietje Wat moet je doen? o Stop het rietje in je mond. o Houd de neus dicht. o Probeer in en uit te ademen. o Haal het rietje uit je mond. o Maak 10 diepe kniebuigingen. o Doe de proef met het rietje opnieuw. Wat neem je waar? __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ __________________________________________________________________________ Conclusie: 1. Ik begrijp nu (beter / niet beter) ______________ hoe het voelt om astma te hebben. 2. Maak de zin af: Na een inspanning ________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ Vraag: 3. Waar kun je het rietje mee vergelijken? ____________________________________ ____________________________________________________________________

42


2HV

Workbooks4 Biologie

M14 – Rode bloedcellen Wat wil je onderzoeken? Welke vorm hebben rode bloedcellen? Wat heb je nodig?  Kant en klaar preparaat van menselijk bloed  Microscoop  Tekenmateriaal Wat moet je doen? o Bekijk het preparaat achtereenvolgens bij 40x, 100x en 400x vergroting. o Let op, de rode bloedcellen kunnen door een kleuring een andere kleur hebben. o Maak een tekening van drie rode bloedcellen bij een vergroting van 400x Wat neem je waar?

Vragen: 1. Je kunt behalve het grote aantal rode bloedcellen ook een ander soort cellen zien. Hoe heten deze cellen? ________________________________________________ 2. De rode bloedcel is onder de microscoop in het midden lichter dan aan de randen. Hoe ziet een rode bloedcel er van de zijkant uit? Maak hieronder een schematische tekening.

43


Workbooks4 Biologie

2HV

D11 – Het hart Wat wil je onderzoeken? Welke onderdelen kan ik bij een hart herkennen? Wat heb je nodig?  Een varkens- of schapenhart  Een metalen of plastic sonde Wat moet je doen? o Bekijk samen met je docent het hart. o Probeer de onderdelen aan de binnen- en buitenkant van het hart te ontdekken. o Probeer met de sonde te ontdekken waar de bloedvaten het hart in gaan. o Kruis in het schema de aangetroffen onderdelen aan. o Voel (als je dat durft) het verschil tussen de wand van een ader en een slagader. o Was daarna je handen met water en zeep. Wat neem je waar? Onderdeel buitenkant Kransaders en kransslagaders Boezems Vet

Gezien?

Onderdeel binnenkant Linkerkamer Rechterkamer Hartkleppen Tussenschot

Gezien?

Bloedvaten Holle ader Longader Aorta

Gezien?

Vragen: 1. Welk verschil zie je tussen de linker en rechter hartkamer? ____________________________________________________________________ 2. Kun je dat verschil verklaren? ____________________________________________ ____________________________________________________________________ 3. Welk verschil voel je tussen een slagader en een ader? ____________________________________________________________________ 4. Kun je dat verschil verklaren? ____________________________________________ ____________________________________________________________________

44


2HV

Workbooks4 Biologie

O64 Een bloedsomloop bouwen Wat wil je onderzoeken? Hoe ziet de dubbele bloedsomloop van de mens er uit? Wat heb je nodig?  2 slangen 14 cm lang Ø 4 cm  4 slangen 8 cm lang Ø 2,2 cm  2 slangen 60 cm lang Ø 1 cm  2 slangen 30 cm lang Ø 1 cm  2 rubber stoppen 29/35 zonder gaten  2 rubber stoppen 29/35 met 2 gaten  8 rubber stoppen 14/20 met 1 gat  Gekleurd tape in rood en blauw  2 fietsventielen  Plexiglas buisjes Ø 7mm; 6 x 5cm lang, 1x 6,5cm lang, 1x 7,5cm lang.  2 terugslagkleppen voor een aquarium(lucht)pomp.  Bekerglas met rode vloeistof  Grote bak om het model in te testen. Wat moet je doen? o Werk in viertallen o Bedenk samen welke slangen de kamers, boezem, longen of het lichaam voorstellen. Leg het model zoals het moet worden voor je op tafel. o Verbindt ze met de aders en slagaders. Let er op dat de ventielen in de slangen ervoor zorgen dat de bloedstroom maar één kant op kan! o Omwikkel de zuurstofrijke bloedvaten met rode en de zuurstofarme met blauwe tape. o Vergelijk je model met de afbeelding van de dubbele bloedsomloop. o Hou je model boven de bak. Doe 100 ml rode vloeistof in elke hartkamer. Zet de grote stoppen er heel goed op. o Knijp voorzichtig in de kamers om het bloed rond te pompen. Knijp niet te hard! o Laat je model door de leraar controleren en aftekenen o Haal het model uit elkaar en ruim alles weer netjes op. Wat neem je waar? 1. Het is een model. Noem een aantal zaken waarin het verschilt van de werkelijkheid. ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ ____________________________________________________________________ Conclusie: Ik heb geleerd hoe een dubbele bloedsomloop in elkaar zit en kan de verschillende onderdelen benoemen. Paraaf docent: _____________

45


Workbooks4 Biologie

2HV

M15 – Witte bloedcellen Wat wil je onderzoeken? Welke verschillende witte bloedcellen kan ik herkennen? Wat heb je nodig?  Kant en klaar preparaat van menselijk bloed  Microscoop  Tekenmateriaal Wat moet je doen? o Leg het preparaat onder de microscoop o Bekijk het achtereenvolgens bij 40x, 100x en 400x vergroting. o Let op, de witte bloedcellen zijn door een kleuring meestal paars gekleurd. o Maak een tekening van twee verschillende witte bloedcellen bij een vergroting van 400x Wat neem je waar?

Vragen: 1. Probeer bij een vergroting van 400x aan te geven hoeveel witte bloedcellen en rode bloedcellen je in beeld hebt. Je moet het aantal rode bloedcellen waarschijnlijk schatten. Witte bloedcellen: _______________ Rode bloedcellen: _______________ Er zijn _______________ x zoveel rode bloedcellen.

46


2HV

Workbooks4 Biologie

O65 – Hygiëne Wat wil je onderzoeken? Op welke plek komen veel bacteriën voor? Wat verwacht je? (Hypothese) Ik denk dat ________________________________________________________________ Wat heb je nodig?  Een petrischaal met voedingsbodem  4 Wattenstaafjes  Een viltstift  Een broedstoof Wat moet je doen? o Verdeel de onderkant van de petrischaal met een viltstift in 4 gelijke vakken en nummer ze. o Zet een teken op de petrischaal zodat je hem later weer terug kunt vinden. o Zoek 4 plaatsen op, die volgens jou vol zitten met bacteriën. Denk bv aan de wc, deurknop, toetsenbord, tafel, muntstuk enz. o Wrijf met het wattenstaafje over de gekozen plaats o Strijk daarna heel zachtjes over één deel van de voedingsbodem. o Zorg dat je binnen een vak blijft en laat de deksel zo kort mogelijk van de petrischaal af. o Schrijf in het schema de plaatsen op die je onderzoekt. o Doe hetzelfde op 3 andere plaatsen. Gebruik steeds een ander wattenstaafje. o Zet de petrischaal in de broedstoof bij 40°C o Bekijk de volgende les hoeveel bacteriekolonies zijn ontstaan. Maak een tekening. Wat neem je waar? Vak Plaats

Bedekking %

1

2

3

4

Conclusie: __________________________________________________________________________

Klopte je hypothese? Ja / nee

47


Workbooks4 Biologie

2HV

48


2HV

Workbooks4 Biologie

Redactie Willy Stein Vormgeving Workbooks4 Roel Stein Illustraties Shutterstock

Š2015 Workbooks4 ’s-Heerenberg Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, in enige vorm of op enige wijze in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

49


Workbooks4 - Biologie - Uitgave Explora 2HV Demo