Page 1

Special

Duurzaam ontwerpen

Zoektocht naar ‘het goede’ Voor Witteveen+Bos betekent duurzaamheid: het goede doen in een omgeving die onderhevig is aan voortdurende maatschappelijke en natuurlijke veranderingen. Een blauwdruk voor duurzaam handelen bestaat niet. Daarom zijn wij al jaren geleden begonnen met het uitwerken van duurzame ontwerpprincipes die een denkrichting moeten geven aan onze ingenieurs. De zeven principes zijn inmiddels in de hele organisatie doorgevoerd en de toepassing ervan leidt tot mooie projecten en oplossingen. De set duurzame ontwerpprincipes is een ‘levende leidraad’, dat wil zeggen dat de principes kunnen worden aangescherpt als er nieuwe inzichten zijn. Integrale oplossingen De grote uitdagingen in de wereld van vandaag - het beschermen van de natuur, een einde maken aan armoede en het garanderen van een ieders welzijn - vragen om integrale oplossingen en creatief denken. Het wereldwijde streven naar duurzame ontwikkeling is een onomkeerbare maatschappelijke tendens waar ingenieurs mee te maken hebben bij hun taak van het zo goed mogelijk inrichten van de openbare ruimte. Door nieuw onderzoek, nieuwe inzichten of nieuwe ontwikkelingen kan daarbij de realiteit veranderen. Een ingenieur moet dan in staat zijn om de oplossingen aan te passen aan de veranderde situatie. De duurzame ontwerpprincipes helpen hierbij. Ze geven een denkrichting en geen kant-en-klare oplossing. Zo komen we in wisselende situaties tot integrale duurzame oplossingen. Instrumenten De afgelopen jaren zijn door verschillende partijen instrumenten ontwikkeld, die voor de ingenieursbranche relevant zijn en onderdelen van de duurzame ontwikkeling als onderwerp hebben. Denk aan de CO2-prestatieladder, DuboCalc, de Omgevingswijzer en het Ambitieweb. Geen van

deze instrumenten biedt echter een integrale handleiding voor duurzaam ontwerpen. Een instrument dat zich uitsluitend richt op de beperking van CO2, water, energie of materiaal, heeft als voordeel dat het concrete aanwijzingen geeft. Zo is het niet moeilijk om een ontwerp een kwantitatieve CO2-reductiedoelstelling mee te geven, zodat een ontwerper weet hoe lang hij of zij aan de knoppen moet draaien totdat de juiste CO2-balans is gevonden. Nadeel is echter dat veel duurzaamheidsaspecten onderbelicht blijven. Soms heeft dit onbedoelde negatieve neveneffecten tot gevolg. Het juiste abstractieniveau De duurzame ontwerpprincipes eisen van de ingenieur een ‘pas op de plaats’ op een hoger abstractieniveau: alle aspecten afwegende, kan men tot een gewogen oordeel en ontwerp komen. Projecten worden hierdoor soms ingewikkelder: er moet met meer aspecten rekening worden gehouden in het ontwerpproces en het kan langer duren voordat iedereen begrijpt hoe de praktische invulling er uit gaat zien. Het voordeel is echter groot: betere ontwerpen. En daarmee een betere oplossing voor de stakeholders van het project. Impact vergroten Via de duurzame ontwerpprincipes kunnen wij duurzaamheid concreet vormgeven in onze projecten en zo samen met opdrachtgevers, partners en kennisinstellingen onze bijdrage aan een sociaal, ecologisch en economisch duurzame wereld vergroten. Daarom zet Witteveen+Bos zich in om de toepassing van de duurzame ontwerpprincipes verder te versterken. Er zijn interne opleidingen te volgen en we organiseren diverse werksessies rondom de duurzame ontwerpprincipes. Deze speciale editie van het Witteveen+Bos Nieuws staat volledig in het teken van de zeven ontwerpprincipes en de ervaringen die we hiermee hebben opgedaan.


Ontwikkeling duurzame ontwerpprincipes Zo’n tien jaar geleden begon de Nederlandse ingenieursbranche met het ontwikkelen van instrumenten om duurzaamheid in uitvoering en ontwerpen te kunnen meten en meenemen. Duurzaamheid was voor velen een containerbegrip en de behoefte aan een heldere definiëring was groot. Het resulteerde in vele ‘wielen’ met duurzaamheidsthema’s, die een handvat boden om een integrale afweging te kunnen maken binnen bouwprojecten en ontwerpen. De thema’s kwamen in eerste instantie voornamelijk uit het fysieke domein, zoals water, bodem, lucht en natuur, en enkele uit het sociale domein, zoals veiligheid. Zoektocht naar de juiste aanpak Witteveen+Bos startte de zoektocht naar invulling van duurzaamheid samen met een aantal Europese partners in het programma Sustainable Cities, waarbinnen een kader voor duurzame stedelijke ontwikkeling werd ontwikkeld. Al gauw merkten de partners dat de verleiding tot versimpeling groot was - een instrument moet ook in de praktijk hanteerbaar zijn, zonder een onderzoeksproject op zich te worden - en het aantal thema’s schier oneindig. Tel daarbij op de natuurlijke neiging van een ingenieur om alle (potentiële) effecten nauwkeurig te meten en de kans op mislukking is groot. Gaandeweg besloot Witteveen+Bos haar mogelijke bijdrage aan het oplossen van grote globale uitdagingen niet in thema’s, maar in principes te vertalen: de duurzame ontwerpprincipes, ook omdat het maken van ontwerpen ‘core business’ van een ingenieursbureau is. De principes zelf baseerden we op de principes van duurzame ontwikkeling, zoals die in 1992 werden geformuleerd op de VN-conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling (ook wel Earth Summit genoemd). Voor de toepassing van de principes van Rio

werden de Millennium Development Goals en later de Sustainable Development Goals (SDGs) ontwikkeld, allebei van de Verenigde Naties. De link tussen de duurzame ontwerpprincipes en de werelddoelen is dus het streven naar duurzame ontwikkeling. De duurzame ontwerpprincipes dagen uit ontwerpen te maken die een zo groot mogelijke positieve impact hebben op het welzijn van mensen. Dat klinkt eenvoudig, maar de kunst voor ingenieurs is om zódanig te ontwerpen, dat niet in de marge van de positieve welzijnseffecten, onbedoelde negatieve effecten ontstaan. Dat gevaar ligt constant op de loer, omdat vaak de ontwerpopgave versimpeld wordt tot een enkelvoudige doelstelling, om het ontwerpproces behapbaar te houden. Het is dus zaak om scherp te blijven op alle thema’s, want het venijn van onbedoelde neveneffecten is dat we ze van te voren vaak niet aan zien komen. Ontwerpen is vooruitzien en kiezen Ontwerpen is met een vooruitziende blik keuzes maken. Tijdens het ontwerpproces worden maatregelen bedacht om een probleem op te lossen waardoor het welzijn toeneemt. Dit is een creatief, doch gestructureerd proces bestaande uit: - een probleemanalyse: wat is het probleem? wat staat ons welzijn in de weg? welke doelen willen we met een project bereiken? - een systeemanalyse: hoe ontstaat het probleem? aan welke knoppen kunnen we draaien om de oorzaak van het probleem weg te nemen? - een functieanalyse: welke functies moet het ontwerp vervullen om het probleem op te lossen? - een variantenstudie: op welke verschillende manieren kunnen de functies vervuld worden? welke fysieke objecten zijn daarbij nodig? wat zijn de dimensies van die objecten?

- e  en effectenstudie: wat zijn de positieve welzijnseffecten van alle varianten? hebben de varianten ook onbedoelde negatieve welzijnseffecten? en wat zijn de kosten van de varianten? Tijdens het ontwerpproces geldt: kiezen doen we op basis van verwachte welzijnseffecten. En maatregelen opsporen die gunstige effecten hebben: daarvoor hebben we onze zeven duurzame ontwerpprincipes. Elk principe heeft een eigen invalshoek. Elk principe voegt iets toe aan de andere zes principes. Welke principes relevant zijn, hangt af van het ontwerpvraagstuk. Geen kwaliteit zonder duurzaamheid De duurzame ontwerpprincipes zijn bij Witteveen+Bos onderdeel van het kwaliteitssysteem. Dat betekent dat iedere projectleider in zijn of haar projectplan moet aangeven hoe de principes zijn afgewogen en wat daarvan het resultaat is. Dit ‘comply-or-explain’-principe heeft ertoe geleid dat de duurzame ontwerpprincipes bij de meeste Witteveen+Bos-medewerkers bekend zijn (uit de laatste meting is gebleken dat 80 % van de medewerkers de principes kent en 40 % deze in 2017 heeft toegepast). In de praktijk betekent dit in eerste instantie een extra denkproces: voor alle principes moet beoordeeld worden of ze toepasbaar zijn in het uit te voeren project. Uiteindelijk zal dit denkproces een vanzelfsprekendheid of conditionering worden. Zo dwingen wij onszelf voortdurend om - samen met opdrachtgevers, partners en andere stakeholders - op zoek te gaan naar het beste, gewapend met de duurzame ontwerpprincipes als leidraad om het goede te doen. + communicatie@witteveenbos.com

DE ZEVEN ONTWERPPRINCIPES IN EEN NOTENDOP

Het principe ‘Ontwerp met de natuur’ (Building with Nature) houdt in dat je gebruik maakt van natuurlijke processen om het ontwerp te versterken. Werken met de natuur in plaats van tegen de natuur. Hierdoor kunnen onbedoelde negatieve neveneffecten worden voorkomen en extra baten, zoals natuurbaten, ontstaan. Ook is het mogelijk dat het ontwerp goedkoper wordt.

Het principe ‘Flexibel ontwerp’ betekent dat het ontwerp gemakkelijk is aan te passen aan andere omstandigheden in de toekomst. Het gaat hierbij om zowel andere klimatologische omstandigheden als andere behoeften en voorkeuren van mensen. Door het ontwerp flexibel te maken, wordt het creëren van toekomstige meerwaarde gemakkelijker en goedkoper.

Het principe ‘Circulair ontwerp’ gaat over het maken van keuzes voor de huidige en toekomstige levenscycli en het sluiten van ketens door in het ontwerp afval te benutten als grondstof. Circulair ontwerpen beperkt de uitputting van grondstoffen.

Bijdragen aan #globalgoals met duurzame ontwerpprincipes Scan de QR-code en bekijk de film op www.witteveenbos.nl/mvo

Witteveen+Bos Special maart 2018

Het principe ‘Multifunctioneel ontwerp’ stimuleert op zoek te gaan naar meerdere functies en een maximale combinatie van functies die je zo goed mogelijk bedient met het ontwerp. De crux is om de opdrachtgever te verrassen met een extra functie en dus extra grote maatschappelijke meerwaarde door een relatief kleine aanpassing van het ontwerp.

Het principe ‘Participatief ontwerp’ houdt in dat je niet ontwerpt vóór de omgeving, maar samen mét de omgeving. De uiteindelijke gebruikers van het ontwerp (de klant achter de klant) en de mensen die wellicht nadeel ondervinden van het ontwerp krijgen een actieve inbreng in het ontwerpproces. Daardoor ontstaat meer positieve impact en minder negatieve impact.

Het ontwerpprincipe ‘Trias’ houdt in dat het gebruik en dus de uitputting - van energie en grondstoffen wordt beperkt en geoptimaliseerd. Daardoor worden ook de kosten over de levensduur van het ontwerp lager.

Het principe ‘Maatschappelijk ontwerp’ betekent dat je als ingenieur nadenkt over het vergroten van de welvaartseffecten van een project. Centraal staat het creëren van (extra) maatschappelijke baten door aan de slag te gaan met maatschappelijke maatregelen die ingrijpen op het gedrag van mensen en/of hun sociaaleconomische omstandigheden. Hierdoor worden beoogde ontwerpdoelen in grotere mate bereikt.


Duurzame daadkracht Sinds maart 2017 is Peter Struik hoofdingenieur directeur Duurzaamheid en Leefomgeving bij Rijkswaterstaat (RWS). Zijn ambitie is om van RWS dé duurzame overheidsuitvoeringsorganisatie te maken. Uitdagingen en dilemma’s zijn er daarbij voldoende. Algemeen directeur Karin Sluis van Witteveen+Bos ging hierover in gesprek met Peter Struik.

veel aarzeling om kennis te delen’. Karin Sluis: ‘Een beetje concurrentie is nodig om druk op de vernieuwing te houden. En werken in de keten is ook soms lastig. Toch kan het wel. In EcoShape (Building with Nature) hebben we ervaring met dit soort samenwerking in de keten: het is een publiekprivate samenwerking met RWS en andere overheden, kennisinstellingen, ingenieursbureaus en aannemers’.

Allereerst is er de ‘kwestie’ integraliteit. Een duurzame inrichting van het land raakt vele beleidsterreinen: mobiliteit, water, energie, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en uiteraard ook economische vraagstukken. Peter Struik: ‘Wanneer je een duurzame leefomgeving wilt, moet je verschuiven van gesegmenteerd denken naar geïntegreerd en duurzaam doen. Bij RWS bekijken we elke opgave graag als gebiedsgerichte opgave: wat zijn de functies en waarden in het gebied, welke verbanden liggen er en wat kunnen we voor meerdere functies benutten? Hier geldt: hoe integraler de vraag aan ons, hoe integraler wij het kunnen uitvoeren. De bereidheid moet er dan wel zijn. Ook intern denken we nog niet altijd in functionaliteit, zijn we vaak nog te technisch gericht’. Karin Sluis herkent het dilemma: ‘Bij ingenieursbureaus speelt eenzelfde soort uitdaging. Soms krijgen we een vraag van RWS die we liever nét even anders zouden hebben. Daarom hebben wij bij Witteveen+Bos onszelf zeven duurzame ontwerpprincipes opgelegd. Die zijn onderdeel van ons kwaliteitshandboek en dwingen ons om integraal te denken en dit ook te bespreken met de opdrachtgever. Soms verandert dat iets aan de opdracht. En nog mooier: soms zijn zij reden om een opdracht aan ons te gunnen’.

Wat zou effectiever werken in onze branche: disruptief en radicaal vernieuwen of stap-voor-stap en geleidelijk? Peter Struik: ‘De opgaven waar onze sector voor staan zijn de meest uitdagende: energietransitie, circulaire economie, een nieuwe Omgevingswet. Maar de sector zelf beweegt langzaam. Het is tijd voor een upgrade: intelligenter en integraler, verbindt engineering aan financial engineering, kijk naar nieuwe arrangementen, andere contractvormen met meerdere partners van verschillend pluimage. Bij een programma als Smart Mobility 2030 kun je best gevoel krijgen als je het bijvoorbeeld bij de invulling van MIRT-projecten concreet maakt. We moeten investeren in een gezamenlijke visie en samen een integrale opgave formuleren die we kunnen opknippen in behapbare stukken. Wederom is goede en open samenwerking het antwoord. We hebben bij het waarmaken van onze ambities wel meer tempo nodig dan we nu genereren. Er is bijvoorbeeld een enorme bereidheid de energietransitie te realiseren, maar de directe kosten zijn vaak hoog. We zouden dingen snel beter kunnen doen, maar we hebben het geld niet’. Karin Sluis: ‘Duurzame beleggingen kunnen hier uitkomst bieden. Dit soort vraagstukken vragen om een gezamenlijke aanpak van niet alleen RWS en de bureaus, maar van veel meer sectoren in de maatschappij. Ondernemen behoort niet tot de kerntaken van RWS, dus daar kunnen de ingenieursbureaus juist de helpende hand bieden en de verbindende factor zijn. RWS en de bureaus delen de wens om ons deel van de wereld ten goede te veranderen. Het zou prachtig zijn als we verschillende ontwerpprincipes die gericht zijn op duurzaamheid en leefomgeving naast elkaar kunnen leggen en van daaruit een ingenieurscode kunnen ontwikkelen. Dat levert ons duurzame daadkracht op. De zeven duurzame ontwerpprincipes van Witteveen+Bos geven een goede aanzet tot verdere ontwikkeling van gezamenlijke principes’.

Peter Struik: ‘De ingenieursbureaus helpen om zaken als energieneutraliteit en circulariteit op de agenda te krijgen. We delen inmiddels het probleem, maar een gedeelde, gezamenlijke oplossing hebben we nog niet in beeld. Met andere woorden: ik ben zeer tevreden over de intenties, de kunst is nu om snel meters te maken. Samenwerking is daarbij het sleutelwoord. En dat is meteen een volgend dilemma. Vanuit RWS staan regels en contracten soms integraliteit in de weg. Integraliteit vraagt om het gezamenlijk - in de keten - formuleren van een opdracht. Maar hoe doe je dat: in een keten en met concurrentie opdrachten formuleren en tot oplossingen komen? Er is nog

+ communicatie@witteveenbos.com

Witteveen+Bos Special maart 2018


Ontwerp met de natuur

NATUURLIJKE PROCESSEN LEVEREN EXTRA BATEN Het principe ‘Ontwerp met de natuur’ eist van de ingenieur dat hij of zij natuurlijke processen in kaart brengt: fysisch, chemisch en/of biologisch. Vervolgens is het zaak om in het ontwerp aan de ene kant negatief ingrijpen in deze processen te voorkomen en aan de andere kant juist gebruik te maken van deze natuurlijke processen om extra baten te creëren. Het principe wordt ook wel ‘Building with Nature’ genoemd. Het wordt toegepast door een systeemanalyse uit te voeren, waarbij het project in ruimere context integraal wordt beschouwd. Bij een systeemanalyse breng je de dominante processen in beeld, vervolgens identificeer je de sleutelfactoren waarmee de processen kunnen worden beïnvloed en tot slot identificeer je effectieve maatregelen die ingrijpen op die sleutelfactoren.

Luisteren naar de natuur in Singapore Palawan Beach is een mooi wit strand met palmbomen en blauw water. Toch is er een probleem met de waterkwaliteit. Dat kan verschillende oorzaken hebben: is het water te voedselrijk, met veel algen, is er te veel zandtransport, of is het een combinatie? In het project Palawan Beach and Lagoon in Singapore is Witteveen+Bos gevraagd een second opinion te geven over een bestaand ontwerp, dat een oplossing bood voor het waterkwaliteitsprobleem in de Palawan baai. Verschillende oorzaken vragen om verschillende maatregelen. Het voorliggende ontwerp maakte van de baai een lagune, in een complex geheel van 14 maatregelen. Projectleider en ecoloog bij Witteveen+Bos Guus Kruitwagen: ‘Bij de second opinion viel

ons meteen op dat er een groot aantal maatregelen nodig was om tot een oplossing te komen. Er waren een hele hoop pleisters over elkaar geplakt om één wond te bedekken. Het was ook meteen duidelijk dat er vóóraf geen goede systeemanalyse was uitgevoerd, anders was er meteen een pleister van het juiste formaat geplakt. De voorgestelde afsluiting van de baai bracht een aanzienlijk risico op ecologische waterkwaliteitsproblemen met zich mee. Samen met een lokaal bureau heeft Witteveen+Bos de situatie een jaar lang gemonitord. Uiteindelijk bleek dat de waterkwaliteit verslechterde wanneer de golven op een bepaalde manier op het strand aanrolden. De golfaanval op het strand moest dus verminderd worden, zonder andere problemen te veroorzaken’. Witteveen+Bos bood de oplossing door de baai niet af te sluiten, maar de golven te dempen met

een drijvende brug. Hierdoor wordt het waterkwaliteitsprobleem opgelost maar blijft de uitwisseling met de zee onveranderd. Dankzij de systeemanalyse vooraf kunnen we een oplossing bieden zonder dat het ene probleem voor het andere wordt ingewisseld. Guus Kruitwagen: ‘Als ecologen denken we uiteraard altijd vanuit ontwerpen met de natuur. Vanuit andere disciplines denkt men soms nog onbewust met de oogkleppen van het eigen specialisme op en begint men te ontwerpen zonder het bredere kader te beschouwen. Eigenlijk zou iedere discipline een eigen systeemanalyse moeten doen. Want door te luisteren naar de natuur en naar andere sturende processen kun je veel meerwaarde creëren’. + guus.kruitwagen@witteveenbos.com

ROBUUST, AANPASBAAR EN VEERKRACHTIG Door flexibel te ontwerpen anticipeert Witteveen+Bos op ontwikkelingen en onzekerheden in de toekomst. We houden rekening met langetermijnscenario’s en -ontwikkelingen en beschouwen samen met onze klanten of op handen zijnde veranderingen en ontwikkelingen een rol kunnen spelen in het ontwerp. Het gaat dan om fysische veranderingen zoals klimaatverandering met als gevolg hitte, droogte, intense neerslag en zeespiegelstijging of bodemdaling. Maar ook om maatschappelijke veranderingen door beleids- of normveranderingen en trends zoals toename in gebruik van elektrische fietsen. En om nieuwe wetenschappelijke inzichten en technische ontwikkelingen zoals zelfrijdende auto’s. De ontwerpen van Witteveen+Bos behouden hierdoor tijdens hun levensduur hun functionaliteit en waarde bij verschillende toekomstscenario’s. Drie perspectieven op flexibel ontwerp Robuustheid, aanpasbaarheid en veerkrachtigheid zijn drie perspectieven voor een flexibel ontwerp. Een robuust ontwerp moet in één keer goed voor de gehele levensduur. Dit kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij een waterkering die voor 50 jaar wordt versterkt of een hoogspanningskabel met meer capaciteit die rekening houdt met de energietransitie. Een aanpasbaar ontwerp voldoet voor een deel van de levensduur en bij veranderende omstandigheden kan het eenvoudig worden aangepast. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn als software of installaties een grote rol spelen, zoals in bewegingswerken en/of besturingssystemen van infrastructuur. Een veerkrachtig ontwerp ten slotte zet niet in op de sterkte van een object, maar op de veerkracht van het systeem waarin het object zich bevindt. Dit betekent dat er niet altijd fysieke oplossingen worden gezocht, maar bijvoorbeeld verzekeringen voor overstromingen worden afgesloten, opties worden gekocht of wordt geïnvesteerd in reddings- en wederopbouwplannen in plaats van preventieplannen. Ook de oplossing van Share My City voor waterberging in de private ruimte is een goed voorbeeld van veerkracht.

Flexibel ontwerp

Witteveen+Bos Special maart 2018

Flexibel ontwerp in Westergouwe Witteveen+Bos heeft voor het gebiedsontwikkelingsproject Westergouwe in Gouda een klimaatstresstest uitgevoerd en een adaptatieplan opgesteld. Klimaatadaptatie is cruciaal voor de ontwikkeling gezien de ligging in een diepe en zettingsgevoelige polder. De stresstest ging in op kwetsbare en vitale functies, wateroverlast, hitte en waterkwaliteit (droogte). De stresstest heeft geleid tot het opstellen van een handboek voor het ontwerp klimaatbestendige openbare ruimte dat wordt gebruikt bij het ontwerp voor alle fasen van de ontwikkeling. Voorbeelden zijn meer extreme ontwerpbuien voor riolering, het hoog aanleggen van nutsvoorzieningen en inzetten op infiltratie van hemelwater. Om de waterkwaliteit op de lange termijn goed te houden is een waterconcept in ontwikkeling in overleg met het hoogheemraadschap. Daarnaast is er een initiatief opgestart om het vergroenen van tuinen in de nieuwe wijk te stimuleren. Leon Valkenburg, projectleider namens Witteveen+Bos: ‘Bij dit project speelt het duurzame ontwerpprincipe ‘Flexibel ontwerpen’ een grote rol. Ik noem het graag adaptief ontwerp. Het plan voor Westergouwe houdt rekening met de drie perspectieven robuustheid, aanpasbaarheid en veerkracht om te anticiperen op het klimaat van de toekomst in samenhang met de bodemopbouw en het watersysteem’. + leon.valkenburg@witteveenbos.com


Groene synergie tussen Amsterdam en Utrecht Voor de gemeente Stichtse Vecht schreef Witteveen+Bos een groenstructuurplan om groen en water in stedelijk en landelijk gebied in de gemeente te verbinden en versterken. Samen met een expert-team van de gemeente maakten we een inventarisatie van de verschillende functielagen van het groen. Vier groenlagen zijn over elkaar heen gelegd: verkeersgroen zoals bermen, cultuurhistorisch groen, bijvoorbeeld een historische bomenlaan van eiken die van oudsher de identiteit van de gemeente bepaalt, recreatief groen zoals parken en ecologisch of natuurlijk groen, waaronder ecologische verbindingen. Daarnaast is er gekeken naar de haalbaarheid: wat is de eigendomsstructuur en zijn er beperkingen vanuit vergunningen? Een analyse van kansen en bedreigingen resulteerde in een kaart met ‘urgentiespots’. Projectmedewerker Alexander Gaydadjiev: ‘Wanneer je alle lagen op elkaar legt, kun je zien waar de meeste functies gekoppeld zijn en je optimale waarde kunt creëren. Bijvoorbeeld: op verschillende plekken bevinden zich laanstructuren met beplanting waar hiaten inzitten. Wij adviseren dan om daar bomen terug te planten, daarmee herstel je de laanstructuur, wordt de weg weer goed begeleid en krijg je ook je oriëntatiefunctie terug (‘kijk, dáár is de weg!’). Het heeft een gunstige invloed op routes voor vleermuizen en vogels en je creëert ook nog een veel prettiger fietsroute in de luwte. Voor gemeenten leert zo’n functiebenadering hoe je een euro met dubbel effect kunt uitgeven

en dat het loont om afdelingoverstijgend te denken en werken’. In het project is er veel samengewerkt met ecologen. Ecoloog Tycho Muijen van Witteveen+Bos: ‘Een mooi voorbeeld van functiemenging is de waarde-toekenning van de houtwallen langs de Vogelweg in Maarssenbroek. Deze groene wallen werken enerzijds geleidend en afschermend voor het verkeer en anderzijds, door de lijnvormigheid en de relatief soortenrijke vegetatie, als zeer geschikt foerageer-, broed- en migratiegebied voor onder andere vogels. Het was gewoon groen, en nu heeft het een extra waarde gekregen en wordt daar rekening mee gehouden in beleid’. Projectleider en landschapsarchitect Harro Wieringa werkt graag volgens het principe ‘Multifunctioneel ontwerp’, met een open blik voor nieuwe kansen en extra baten. ‘In onze ontwerpopdrachten kunnen we technische oplossingen heel goed combineren met landschappelijke en ecologische waarden. Dat vraagt ook bij Witteveen+Bos om een andere manier van denken: niet te snel in de gegeven oplossingsrichting. Mijn uitdaging is om onze specialisten creatieve ideeën te laten inbrengen en nieuwe mogelijkheden te scheppen binnen een project. Als dat lukt, krijgt je zóveel kwaliteitsverbetering!’. + harro.wieringa@witteveenbos.com

MEER FUNCTIES, MEER BATEN Het principe ‘Multifunctioneel ontwerp’ zet de ingenieur aan tot nadenken over toevoeging van functies in het ontwerp. Vragen als: hoe benut ik de ruimte optimaal? en: hoeveel functies kan ik naast elkaar kwijt en hoe versterken deze elkaar? zijn daarbij belangrijk. Ook het optimaal benutten van bestaande waarden in een gebied, zoals cultuurhistorische, landschappelijke, recreatieve, sociale en natuurwaarden is van belang. Tot slot is het zaak bewust rekening te houden met de toekomstbestendigheid van het ontwerp, bijvoorbeeld door een helder stedenbouwkundig of landschappelijk patroon te hanteren, na te denken over de toekomstwaarde van gecreëerde ruimten en van materialen. Er is een raakvlak met het ontwerpprincipe ‘Flexibel ontwerp’.

Multifunctioneel ontwerp

Impulsprogramma Rijkswaterstaat stimuleert circulair werken Rijkswaterstaat heeft de doelstelling om in 2030 50 % minder grondstoffen te verbruiken en circulair te werken. In het Impulsprogramma Circulaire Economie (20172020) worden diensten en producten ontwikkeld om circulair werken te bevorderen. Witteveen+Bos heeft in opdracht van Rijkswaterstaat enkele projecten binnen dit Impulsprogramma uitgevoerd. Handleiding Circulair ontwerpen in het MIRT-proces In langdurige processen als het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) is er nú al een urgentie om circulaire ontwerpafwegingen te maken. 2030 en zeker 2050 lijken nog ver weg, maar de keuzes die op dit moment worden gemaakt werken zeker 10 jaar, en soms meer dan 50 jaar, door. De handleiding is geschreven vanuit twee invalshoeken en doelgroepen: 1. Het toepassen van circulaire ontwerpprincipes op objectniveau (ontwerpers en beheerders) 2. Het creëren van ruimte voor circulair ontwerpen in het MIRTproces (beleidsmakers en adviseurs). De belangrijkste principes preventie, waardebehoud (bestaande objecten) en waardecreatie (nieuwbouw) zijn vertaald naar acht circulaire ontwerpprincipes met praktische tips, vuistregels en voorbeelden. Een zo’n tip is om in een landschap- en beeldkwaliteitsplan, dat voorafgaat aan het technisch ontwerp, geen (esthetische) eisen op te nemen die het toepassen van gerecycled beton onmogelijk maken. Per MIRT-fase is beschreven wat men van initiatiefase tot en met aanbesteding kan doen om ruimte te creëren voor circulair ontwerpen. Het doel is om te voorkomen dat vroeg in het MIRT-proces (bewust of onbewust) keuzes worden gemaakt die het toepassen van circulaire ontwerpprincipes in een latere fase onmogelijk maken (lock-in). Parallel met het opstellen van deze handleiding werkte

Witteveen+Bos aan de verbreding van de A58 (InnovA58) waar met behulp van de handleiding ook een circulair ontwerp wordt gemaakt. Projectleider Rob Dijcker: ‘Onbewust gebeurt er al veel: we nemen levensduurverlenging mee in ontwerpen en er wordt niet zomaar iets gesloopt. Maar om voor meerdere levenscycli te ontwerpen moet je verwachtingen voor toekomstig gebruik aannemelijk maken. Als dat lukt, maak je als ontwerper wel ineens de slag van waardevernietiging naar waardebehoud en waardecreatie. Daarnaast is hergebruik van kunstwerken, levensduur verlengen of uitstellen niet iets waarmee je prijzen wint: iets nieuws ontwerpen en bouwen is gewoon gaaf en daar ben je ook voor opgeleid. Het wordt tijd dat de ‘hergebruiker’ de nieuwe held wordt’. Materialenpaspoort Beatrixsluis Een typische tool voor hergebruik van componenten of materialen is het materialenpaspoort. Voor de uitbreiding en renovatie van de Prinses Beatrixsluis onderzocht Witteveen+Bos samen met de aannemerscombinatie Sas van Vreeswijk welke (beslis)informatie nodig is voor hoogwaardig hergebruik van materialen en waar in de bouwketen deze informatie beschikbaar is. Door de juiste informatie over objecten vast te leggen in een materialenpaspoort, blijft deze informatie behouden en worden kansen voor hergebruik vergroot. Hergebruik Lekbrug Een ander Witteveen+Bos-project binnen het Impulsprogramma is het onderzoek naar hergebruik van de overbodig geraakte stalen boogbrug over de lek bij Vianen. In een onderzoek is de duurzaamheidswinst en financiële winst van hergebruik aangetoond. De aanbesteding voor traditionele sloop is ingetrokken, omdat de brug mogelijk kan worden hergebruikt. + rob.dijcker@witteveenbos.com

Circulair ontwerp

ONTWERPEN VOOR NU ÉN LATER Circulair ontwerpen is het maken van keuzes voor de huidige en toekomstige levenscycli in het gehele traject van initiatieffase, verkenning, uitvoeringontwerp, het beheer en onderhoud, tot de volgende levenscyclus. Het betekent vooruitdenken over ontwerp en materiaalgebruik op alle niveaus en in alle levensfasen van een object. Ontwerpers leren denken in functionele levensduur naast technische levensduur. Het gaat ook over het sluiten van ketens door in het ontwerp afval te benutten als grondstof.

Witteveen+Bos Special maart 2018


Waterkracht in Sierra Leone: Power to the people In Sierra Leone heeft 80 % van de mensen geen toegang tot elektriciteit. Wél is er een groot potentieel voor waterkracht. De vraag is: wie gaat dit ‘aanboren’ en wat is de mogelijke opbrengst? Een andere vraag is: hoe profiteert ook de lokale bevolking hier zoveel mogelijk van? Witteveen+Bos deed een haalbaarheidsstudie naar kleinschalige waterkracht op zeven locaties in Sierra Leone. Hierbij bleek dat de opbrengst in stroom kon worden gemaximaliseerd door op de geselecteerde plaatsen in de rivier stuwen te bouwen. Dit zou echter risico’s met zich meebrengen voor overstroming en verlies van landbouwgrond, inkomen uit zand- en goudwinning en biodiversiteit. Besloten werd een maximale stuwhoogte in te stellen om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken. Projectleider Marcel Wauben staat achter deze beslissing: ‘Klimaatverandering maakt een aantal zaken zeer onvoorspelbaar. Witteveen+Bos wil niet achteraf verantwoordelijk blijken te zijn voor gevaarlijke situaties waar mensen in de dorpen aan de rivier aan worden blootgesteld. Hier geldt: welzijn eerst, en dan pas opbrengst. Ook de mogelijke negatieve gevolgen voor inkomensverlies en biodiversiteit hebben wij serieus afgewogen. Dan kom je tot een maximale stuwhoogte waarbij er wel voldoende rendement is om een langetermijninvestering te rechtvaardigen’. Daarnaast adviseerde Witteveen+Bos om in de dorpen nabij de centrales een lokaal elektriciteitsnetwerk op

WERKEN MET DE OMGEVING Het principe ‘Participatief ontwerp’ betekent: niet ontwerpen vóór de omgeving, maar samen mét de omgeving. De gebruikers van het ontwerp en de mensen die nadeel kunnen ondervinden van het ontwerp krijgen een actieve inbreng in het ontwerpproces. Het draagvlak wordt groter en dit maakt de uitvoering doelmatiger. Om te weten hoe groot het draagvlak eigenlijk is, heeft Witteveen+Bos een eigen methode ontwikkeld voor evidence-based (statistisch getoetste) draagvlakmetingen. Omgevingsmanager Ehsan Nouzari: ‘We stellen voor elk project een participatie- en communicatieaanpak op en proberen belanghebbenden écht te laten meedoen. Hun gebiedskennis en ideeën maken het ontwerp gewoon beter’.

Participatief ontwerp

Witteveen+Bos Special maart 2018

te zetten. Zodat lokale bewoners ook profiteren van de investering en niet alleen hun rivier gebruikt zien worden door anderen. Watermanagementexpert Herman Mondeel ziet veel potentieel voor waterkracht in Afrika. ‘Witteveen+Bos onderzoekt alternatieve financieringsmogelijkheden om haalbaarheidsstudies zoals in Sierra Leone ook elders uit te voeren. Wanneer verschillende partijen meefinancieren, zoals publieke partijen met ontwikkelingsgeld en fondsen die willen investeren in de duurzame ontwikkelingsdoelen, wordt waterkracht in Afrika een stuk haalbaarder. Zo komt elektriciteit voor vele bewoners van Afrika dichterbij’. Elisabeth Ruijgrok, binnen Witteveen+Bos expert op het gebied van maatschappelijk ontwerpen, over de toepassing van het principe: ‘Het aanpassen van de stuwhoogte beperkt de schade, ik zie dat als een gedragsmaatregel bovenop de technische maatregel van een stuw. De bouw van een lokaal netwerk is een technische maatregel, genomen met een sociale intentie; ook mooi. Het allermooist zou zijn een heuse sociaaleconomische maatregel te nemen, bijvoorbeeld door een prijs per kuub rivierwater te berekenen. Dan betalen niet alleen de dorpelingen een bedrag per kilowattuur, maar betaalt de elektriciteitsproducent ook een bedrag per kuub rivierwater aan de dorpsbewoners langs de rivier, zodat zij ook een deel van de vruchten plukken. Dat verandert de verhoudingen. Dat soort maatregelen hebben we op het oog bij het principe ‘Maatschappelijk ontwerp’. + jacobiene.ritsema@witteveenbos.com

VERGROTEN VAN WELVAARTSEFFECTEN Het principe ‘Maatschappelijk ontwerp’ zet aan tot denken over andere genres maatregelen dan alleen technische. De vraag: ‘Hoe kan ik het welvaartseffect van mijn project vergroten?’ staat bij dit principe centraal. Dat kan soms door technische maatregelen en soms door gedragsmaatregelen. Soms door maatregelen die ingrijpen op de sociaaleconomische omstandigheden van mensen en soms door een combinatie van deze drie. Deze toevoeging verandert de sociaaleconomische omstandigheden van de lokale bevolking en zorgt er voor dat zij ook baat hebben bij het project. Een ander voorbeeld is het plaatsen van een verkeersbord met snelheidsbeperking, waardoor de aanleg van een extra rijstrook overbodig wordt. De snelheidsbeperking zorgt voor gedragsaanpassingen die op hun beurt het fileprobleem oplossen.

Maatschappelijk ontwerp

Share My City: participatie in waterbeheer Door klimaatverandering en urbanisatie komt het stedelijk gebied steeds meer onder druk te staan. Wateroverlast veroorzaakt veel schade. Overheden hebben beperkt ruimte voor maatregelen. Burgers moeten een steentje bijdragen aan een klimaatrobuuste stad. Daarom heeft Witteveen+Bos het concept Share My City ontwikkeld: een uniek platform waarop bewoners via een postcodecheck met één klik kunnen zien welke maatregelen om regenwater te infiltreren, bergen, of hergebruiken geschikt zijn voor hun woonsituatie. Voor gemeenten rekenen we uit wat het potentieel aan berging in de private ruimte is en adviseren we hoe burgers kunnen bijdragen aan de oplossing. Deze informatie geeft een gemeente een basis voor beleidskeuzes. Het platform is flexibel en kan worden aangepast of worden geïntegreerd in andere websites. Waterberging op privaat terrein wordt zo heel concreet en makkelijk uitvoerbaar. Share My City is uitgewerkt in een Impactproject van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (Ministerie van Infrastructuur

en Waterstaat). Er zijn pilots gaande in Breda en Witteveen+Bos is in gesprek met andere gemeenten. Adviseur stedelijk water Stephanie Gijsbers bedacht met een aantal collega’s van Witteveen+Bos het concept Share My City: ‘We hebben in Nederland niet veel ruimte, zeker niet in de stad. Van die beperkte ruimte is maar weinig in publiek bezit. Het ligt voor de hand om de niet-publieke ruimte óók in te zetten voor het beperken of voorkomen van wateroverlast en hittestress. De vraag is hoe je dat effectief doet. Share My City denkt een antwoord te hebben op die vraag’. Projectleider Jacobiene Ritsema: ‘Toen we begonnen met Share My City was participatief ontwerp het belangrijkste uitgangspunt. Participatie wordt vaak ingezet als instrument om mensen te informeren en wanneer het gaat om individuele belangen. Maar wat is er nu logischer om als burgers gemeenschappelijke doelen na te streven en écht mee te doen? Als huizenbezitters in een straat samen voldoende maatregelen nemen, staat deze straat na een flinke bui straks niet meer onder water en is de kans op hittestress danig verkleind. Er hoeven geen dure maatregelen genomen te worden die veel publieke ruimte in beslag nemen. Bovendien wordt de buurt er groener door en is er meer onderling contact en sociale cohesie. Tel uit je winst!’ Collega’s zien mogelijkheden voor uitbreiding van Share My City naar andere disciplines. ‘Bij ecologie zijn we enthousiast want ook voor biodiversiteit is de publieke ruimte beperkt. Stel je voor dat je een ecologische hoofdstructuur kunt aanleggen door een aantal achtertuinen aan elkaar te koppelen. Dat zou een doorbraak zijn’, aldus adviseur planvorming ecologie Rob Nieuwkamer. + stephanie.gijsbers@witteveenbos.com


Trias

BEPERK GEBRUIK VAN GRONDSTOFFEN Het ontwerpprincipe ‘Trias’ streeft naar een minimaal gebruik van eindige bronnen. Het is een driestappenstrategie om een energie- en grondstoffenzuinig ontwerp te maken. Daarmee is het ook een strategie om CO2-uitstoot te beperken. Het principe volgt de drie stappen van de Trias Energetica: - stap 1: verminder de vraag: beperk de vraag en voorkom onnodig gebruik of verspilling - stap 2: gebruik oneindige bronnen voor energie en afval voor grondstoffen - stap 3: gebruik eindige bronnen die je nodig hebt om in de resterende behoefte te voorzien efficiënt.

VAARWEGVERLICHTING VOLGENS TRIAS-PRINCIPE Rijkswaterstaat is eigenaar en beheerder van scheepvaartverlichting langs het Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal. Het grootste deel van de verlichting op dit tracé is toe aan vernieuwing. Witteveen+Bos maakt een stakeholderanalyse, een ontwerp en een prestatiecontract zodat de in totaal 90 km vaarwegverlichting uniform wordt en voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving. Om de Rijkswaterstaat duurzaamheidsdoelstellingen concreet te maken heeft Witteveen+Bos in een werksessie haar duurzame ontwerpprincipes toegelicht en is samen met een team van de opdrachtgever gekeken naar kansen. Die zijn gevonden in het Trias-principe. Technisch manager van Witteveen+Bos Paulien Hoogvorst: ‘We hebben verschillende opties afgewogen om energieverbruik en gebruik van materialen te verminderen. In de eerste plaats het verschil in verbruik tussen oude lampen en LED. Daar is snel duidelijk dat LED veel minder verbruikt en je hoeft er niet veel voor aan te passen. Maar ook: hoe breng je energie naar de lichtsystemen langs de vaarweg? Wil je dikke elektriciteitskabels met meerdere aftakkingen aanleggen of kies je voor een autonoom systeem met elektriciteitsopslag en een zonnepaneel? Als je een zonnepaneel plaatst, heb je een oneindige bron van energie, maar wel veel aanvullende materialen nodig vanwege de bredere fundering. Tegelijkertijd is het behoorlijk ingrijpend voor het landschap. We hebben ook gekeken naar mogelijk hergebruik van kabels en de gewenste eindsituatie: hoe lang wil je dat het hierna nog meegaat?’ Uiteindelijk is er materiaal bespaard door hergebruik van bestaande elektriciteitskabels en -masten, en energie bespaard door, naast LEDverlichting, de verbruikers dusdanig optimaal te ontwerpen dat de energievraag beperkt blijft. Ook wordt lokaal hernieuwbare energie opgewekt om aan de energievraag te voldoen. Het Trias-principe lijkt heel logisch, maar de toepassing vereist toch nog overredingskracht. Paulien Hoogvorst: ‘Je moet blijven strijden voor hergebruik, want ontwerpers en opdrachtgevers kiezen vaak liever voor zekerheid en vervanging van alle materialen, zodat je weet dat het lange tijd geen onderhoud vergt. Ik denk dat hergebruik een zeker risico oplevert, maar nieuw materiaal ook. Van elektrische kabels weten we vrij zeker wat de levensduur is, dus is het risico beheersbaar.’ + paulien.hoogvorst@witteveenbos.com

Trias Territoria voor EnergieRijk Den Haag In het programma ‘EnergieRijk Den Haag’ wordt gewerkt aan het volledig fossielvrij maken van zestien gebouwen in het centrum van Den Haag in 2040. Een consortium van Witteveen+Bos, DWA en Rebel - samen Motion2040 heeft de Trias Territoria ontwikkeld: een ontwerpfilosofie die een verduurzamingsopgave ordent in een sturende benaderingsvolgorde. De Trias Territoria verplicht de energietransitie als volgt te benaderen: 1. onderzoek eerst de lokale mogelijkheden voor energieopwekking en -reductie 2. benut de mogelijkheden die de omgeving biedt, bijvoorbeeld door opslag in de bodem 3. koop het restant van de behoefte aan duurzame energie in, bij voorkeur van een bron die zo dichtbij mogelijk ligt.

De Trias Territoria is ontwikkeld en toegepast in het ‘EnergieRijk Den Haag’-programma. Concreet betekent dit: eerst energiereductie en energie opwekken op gebouwniveau; dan opslag en uitwisseling van energie tussen de gebouwen van het programma in een warmte-koudeopslagnetwerk, aansluiting van de gebouwen op een verduurzaamd warmtenet; en ten slotte de inkoop van groene stroom. Vanuit deze basis zijn vervolgens varianten denkbaar bijvoorbeeld door meer ambitie te leggen in - al dan niet innovatieve - gebouwgebonden energiebesparingsmaatregelen. Het geschetste transitiepad biedt ook mogelijkheden tot flexibele bijsturing, indien tussentijds blijkt dat bepaalde maatregelen tot onvoldoende resultaat leiden. De ontwerpfilosofie Trias Territoria is effectief als er sprake is van schaarse ruimte en duurzame energie, zoals in steden. Hiermee wordt alle potentie van een gebied benut. + edgar.rijsdijk@witteveenbos.com

DOP-SESSIES Beleidsdoelen en ambities voor duurzaamheid hebben vaak een hoog abstractieniveau. Witteveen+Bos helpt haar opdrachtgevers deze ambities concreet te maken in projecten. Daarvoor hebben we een ‘DOP-sessie’ ontwikkeld die uit twee delen bestaat. Deel een is een toelichting op de zeven duurzame ontwerpprincipes (DOP’s) van Witteveen+Bos, met voorbeelden: waar hebben wij de DOP’s toegepast, waar heeft de opdrachtgever zélf DOP’s toegepast en eventueel: waar heeft Witteveen+Bos dat voor de opdrachtgever in een eerder project gedaan? In het tweede deel van de sessie behandelen we twee casussen waarbij het team van de opdrachtgever per DOP kijkt of die kan worden

toegepast op hun eigen casus. Dat kan een afgerond project zijn, een lopend project, of een die nog van start moet gaan. De centrale vraag is: hoe kun je de eigen casus duurzaam maken? Vaak leent een project zich goed voor de toepassing van een bepaalde DOP: de dominante DOP. Soms zijn er meer, wanneer het om grote of complexe projecten gaat. Een valkuil is om zoveel mogelijk DOP’s in een project te willen stoppen, terwijl dat niet per definitie meerwaarde oplevert. Daarnaast is het zaak om ook de andere projectdoelstellingen, zoals veiligheid, bereikbaarheid, budget, tijd en ruimte goed in het oog te houden.

Witteveen+Bos Special maart 2018


Bodem- en grondwatersaneringen in India In oktober 2017 sloot Witteveen+Bos een raamcontract met het Indiase bedrijf Kadam Environmental Consultants (Kadam). Het bedrijf is onderdeel van de Kadam Group en werd in 1981 opgericht door de heer Ashok P. Kadam. Kadam Group heeft inmiddels zo’n 350 werknemers. Het bedrijf wordt tegenwoordig geleid door de twee zonen: Sameer Ashok Kadam en Sangram Ashok Kadam. Sinds 2011 werken Kadam en Witteveen+Bos intensief samen aan bodem- en grondwatersaneringsprojecten in India. Systeemanalyse De eerste drie jaren van de samenwerking deden Witteveen+Bos en Kadam voornamelijk projecten gefinancierd door de Wereldbank en de Indiase overheid. Nabij het vliegveld van Hyderabad, in het zuiden van India, saneerden de twee bedrijven samen met Tauw en Cowi een sterk vervuild meer. Het meer was roodgekleurd door industriële vervuiling, afkomstig van verschillende fabrieken rond het meer, onder andere textielverfindustrie. Uit interviews met stakeholders werd al snel duidelijk dat eenvoudige sanering geen langdurig resultaat zou opleveren: de aanwezige industrie had geen beschikking over infrastructuur voor verwerking van afval, afvalwater en vervuilde grond en zou dus ook in de toekomst alles wederom in het meer moeten dumpen. Sangram Kadam: ‘We hebben toen de Wereldbank aangeraden het project te wijzigen: eerst de aanleg

van de infrastructuur voor de industrieën rond het meer realiseren, daarná pas de sanering zelf. Witteveen+Bos heeft toen een ontwerp gemaakt voor een zuiveringsinstallatie die ook industrieel afvalwater kan behandelen. Dus éérst een systeemanalyse, nadenken in de lokale context, dán een ontwerp. Ook is er veel actieve participatie door belanghebbenden geweest. We hebben een extra inspanning gedaan om de duurzame ontwerpprincipes in het project in te brengen’. Innovatie en wetgeving Een ander Wereldbank-saneringsproject voerden de twee bedrijven ook uit in samenwerking met Tauw en Cowi. Dit betrof de ontmanteling en sanering van een afvalstortplaats in Kadapa in Andhra Pradesh. Daarbij is organisch materiaal uit de stort zelf (her)gebruikt voor het aanbrengen van de leeflaag. Het project heeft daarmee in India een innovatieve ontwikkeling in gang gezet. Sangram Kadam: ‘Witteveen+Bos heeft de afgelopen zes tot zeven jaar veel geïnvesteerd in saneringsprojecten in India. We werken nu echt als een integraal team waarbij kennis van lokale omstandigheden en internationale ervaring elkaar perfect aanvullen. Dat is uniek in mijn werkervaring met internationale bedrijven. Kadam heeft van oudsher haar klanten vooral onder private partijen binnen de industriële sector: havens, olie- en gas, mijnbouw, cement, energie, (petro)chemische industrie en raffinaderijen. Samen met Witteveen+Bos hebben we veel moeite

gedaan om een goede positie op te bouwen voor bodem- en grondwatersaneringen in India. De tijd is gekomen om onze kennis en ervaring in de private sector toe te passen. Op dit moment adviseren wij de Indiase regering over wetgeving op het gebied van bodem- en grondwatersanering. Als deze wetgeving straks een feit is, zal het werk in deze sector enorm toenemen’. DOP’s in India De duurzame ontwerpprincipes van Witteveen+Bos worden, bewust of onbewust, ook in India toegepast. Sangram Kadam: ‘Kadam betrekt altijd belanghebbenden en omwonenden bij saneringen. Daarnaast kijken we naar de opties voor hernieuwbare energie in saneringsprojecten: er is immers meer dan genoeg zon in India! Wat betreft maatschappelijk ontwerp hebben we in het Kadapa-project voor een aantal waste pickers (mensen die leven op en van de vuilstortplaats) banen gecreëerd in onderhoud van de stortplaats. In opdrachten voor private partijen proberen we in-situ bodem- en grondwatersaneringen toe te passen. Dat bespaart de helft van de projectkosten. Een arm land als India kan zich geen dure saneringen veroorloven. De lijst van nu bekende verontreinigde terreinen telt 330 sites. Het is het topje van de ijsberg; voorlopig is er genoeg werk te verrichten in bodem- en grondwatersanering in India’. + communicatie@witteveenbos.com

Beter ontwerp door systeemanalyse Bij het toepassen van de duurzame ontwerpprincipes is systeemanalyse een broodnodige bondgenoot. Een watersysteem, een bodemsysteem, een financieel systeem, een computersysteem, of een sociaal systeem: pas als je snapt hoe het systeem werkt kun je effectieve maatregelen nemen die het systeem in de gewenste richting beïnvloeden. Bij een systeemanalyse bekijken we de toestand waarin het systeem zich bevindt in relatie tot processen die de toestand beïnvloeden. Ecoloog Sebastiaan Schep doet dit al dertien jaar. ’We analyseren bijvoorbeeld regelmatig watersystemen: we kijken nauwkeurig naar de aanwezige toestand (welke planten en dieren zijn er, hoe is de waterkwaliteit?) en bedenken welke (omgevings)processen op deze toestand van invloed zouden kunnen zijn. Vervolgens analyseren we deze processen - zoals de externe aanvoer van water, de fosfaatbelasting vanuit de landbouw - en kijken we of we daarmee de toestand waarin het watersysteem verkeert inderdaad kunnen verklaren. Deze ‘dialoog’ tussen toestandsanalyse en analyse van processen herhalen we net zo lang totdat we die processen hebben geïdentificeerd die de toestand optimaal verklaren. Dan hebben we ‘systeembegrip’ en kunnen we effectieve maatregelen identificeren. Maatregelen die aangrijpen op de relevante processen, maar ook maatregelen die direct ingrijpen op de toestand.’

Sebastiaan Schep is ervan overtuigd dat de methodische aanpak die hij met zijn groep hanteert breder inzetbaar is. Ook denkt hij veel te kunnen leren van de manier waarop andere disciplines met systeemanalyse bezig zijn. ‘Er zijn in de verschillende werkvelden binnen Witteveen+Bos methodisch veel overeenkomsten en kansen om van elkaar te leren. Zo bevatten onze ecologische modellen veel relaties die afkomstig zijn uit de economische wetenschap en worden waterbewegingsmodellen ook gebruikt voor brandveiligheidsberekeningen in stations. Als we er met elkaar voor zorgen dat we toppers zijn op het gebied van systeemanalyse, werkt dat positief door in de kwaliteit van alle geledingen van ons bedrijf en vergroten we onze impact!’ + sebastiaan.schep@witteveenbos.com

DIGITALE NIEUWSBRIEF ONTVANGEN? Het Witteveen+Bos Nieuws is ook digitaal beschikbaar. U kunt zich hiervoor aanmelden via onze website www.witteveenbos.nl/nieuwsbrief. Wilt u voortaan alleen de digitale nieuwsbrief ontvangen en uw abonnement op deze papieren editie opzeggen? Stuur dan een e-mail met uw naam en adres naar communicatie@witteveenbos.com.

Redactieadres Witteveen+Bos Nieuws

Postbus 233, 7400 AE Deventer, telefoon 0570 69 79 11

communicatie@witteveenbos.com, www.witteveenbos.com

Special Duurzaam ontwerpen  
Special Duurzaam ontwerpen