Page 1

Sinds 1951 zijn amateurarcheologen verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

1

Westerheem

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

AWN-leden maken geschiedenis!

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

01-2013 omslag.indd 1

jaargang 62 - februari 2013

 DE VERDWENEN HUNEBEDDEN VAN DE EESE  TEXTIELLODEN  RONDOM DE STAD: AANZET TOT FASERING VAN DE HANDELSNEDERZETTING TIEL

04-02-13 14:33


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN – Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie

Inhoud

jaargang 62 no. 1, februari 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart. Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd.

Redactioneel .................................................................... 1 Wim Braakman De verdwenen hunebedden van de Eese ....................... 2 Jan van Oostveen Textielloden . ................................................................... 8 MIJN MOOISTE VONDsT . .......................................... 21 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN … tiel Jan-Willem Oudhof Aanzet tot fasering van de handelsnederzetting Tiel ..... 22 LITERATUURRUBRIEKEN ............................................. 32 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ....................................................... 34 Werk in Uitvoering ....................................................... 42 COLUMN ...................................................................... 47 Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen . ................... 48

Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen) © AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie. Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: BEK Grafische Producties, Veghel ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de ledenadministratie. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.

Adressenlijst hoofdbestuur, afdelingssecretariaten en coördinatoren van de AWN – Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie  Hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: J. (Joop) Bosch, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden, tel. 050-5011425, e-mail: bosch.joop@gmail.com. INGbank 577808 t.n.v. AWN Roden Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl • J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: S. (Suzanne) Klüver, Chopinplein 56, 3122 VM Schiedam, tel. 06 2371 0905, e-mail suzannekluver@hotmail.com • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda, tel. 0765600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com  Coördinatoren • Nederlandse Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG): Contactpersoon: H.J. (Harmen) Spreen, De Pauwentuin 19, 1181MP Amstelveen, tel.: 020-4537021, e-mail: hspreen@xs4all.nl • Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW). Voorzitter: J. (Jan) Venema, Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail: voorzitter@lwaow.nl. Secretariaat: A.F. (Albert) Zandstra, W. de Zwijgerstraat 20, 8331 GT Steenwijk, tel. 0521-517456, e-mail:secretariaat@lwaow.nl. Penningmeester: J (Jules) de Jagher, Tijnjeweg 11, 8457 EK Gersloot (Friesland), tel. 0513-571458, fax 0513-571458, e-mail: penningmeester@lwaow.nl. Website: www.lwaow.nl  Ereleden R. van Beek (†), A.J. van Bogaert-Wauters (†), H. Brunsting (†), H.J. Calkoen (ere-voorz., (†), A.E. van Giffen (†), P.J.R. Modder­man (†), S. Pos (†), H.J. van Rijn (†), P. Stuurman (†), E.H.P. Cordfunke, H.H.J. Lubberding, mw. E.T. VerhagenPettinga, P. Vons (†), P.K.J. van der Voorde.  Secretariaten/contactpersonen afdelingen 01. Noord-Nederland: I.L.C.C. van der Velde, Kortenaerstraat 9a, 9726 HJ Groningen, tel 06-22677596, e-mail isabelciaceres@gmail.com 02. Archeologie Land en Water Noord-Holland Noord - ALWH-AWN: J. R. Vet, Walakker 44, 1446 GJ Purmerend, tel. 06-26024556, e-mail: jrvet@xs4all.nl 03. Zaanstreek/Waterland: M.B. de Kort, Leeghwaterstraat 1, 1541 LS Koog aan de Zaan,

tel. 075- 7712363, e-mail maybritt.vd.scheer@chello.nl. 04. Kennemerland (Haarlem en omstreken): Mw. H.C. Vermast (secretaris), Bankenlaan 2, 1944 NM Beverwijk, tel. 0251-200897, e-mail: archeologiekennemerland@live.nl 05. Amsterdam en omstreken: W. ’t Hart, Helmholtzstraat 67-huis, 1098 LE Amsterdam, tel. 020-6936359, e-mail: w.hart@upcmail.nl 06. Rijnstreek: B. Zandbergen, Archeonlaan 1A, 2408 ZB Alphen aan den Rijn e-mail: awnrijnstreek@yahoo.com 07. Den Haag en omstreken: D.C. Bakkenes, A. Duykstraat 8, 2582 TK Den Haag, tel. 070-3507159, e-mail: dcbakkenes@gmail.com 08. Helinium (Waterweg Noord): H. van Wensveen, Westlandseweg 258, 3131 HX Vlaardingen, e-mail helinium@vanwensveen.nl 09. Noord-Holland Noord: J.W. van Rossum Nassauplein 58, 1815 GV Alkmaar, tel. 072- 5157122 – 0642853944, e-mail javaros@hetnet.nl 10. Zeeland: A.T. Dieleman-Hovinga, Terneuzensestraat 64, 4543 RR Zaamslag, tel. 0115-431547, e-mail: aukjetjitske@hotmail.com 11. Lek- en Merwestreek: C. Westra, Eigen Haard 22, 3312 EH Dordrecht, tel. 078-6350184, e-mail: corguzzi@yahoo.com 12. Utrecht en omstreken: K. Dijkstra, Waalstraat 27, 3522 SB Utrecht, e-mail: karliendijkstra@casema.nl 13. Naerdincklant - Archeologie Gooi- en Vechtstreek (Hilversum en omstreken): Mw. E.J. Wierenga, Theresiahof 28, 1216 MJ Hilversum, tel. 0356834875, e-mail: secretaris@naerdincklant.nl homepage: http://www.naerdincklant.nl 14. Vallei en Eemland (Amersfoort en omstreken): W.C. van Vliet, Hoochbeen 12, 3905 WJ Veenendaal, tel. 0318-784046, e-mail: awn.afd14@gmail.com 15. West- en Midden-Betuwe en Bommelerwaard: G.J. van der Laan, Thorbeckestraat 51, 5301 ND Zaltbommel, tel. 0418-518224, e-mail: hans.vander.laan@hetnet.nl 16. Nijmegen en omstreken: L.H.W. ten Hag, Lorkenstraat 14, 6523 DR Nijmegen, tel. 024-6776168, e-mail: lhwtenhag@planet.nl 17. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: B.A.F.M. Clabbers, Sweerts de Landasstraat 72, 6814 DJ Arnhem, e-mail: secretaris@archeologiemijnhobby.nl, homepage: http://www.archeologiemijnhobby.nl 18. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom: J. Kleinen, Stiggoor 58, 7241 LB Lochem, tel. 0573-253094, e-mail: j.kleinen@hetnet.nl 19. Twente: K. de Rooij, Acacialaan 24, 7611 AR Aadorp, e-mail: AWN-19twente@hotmail.nl 20. IJsseldelta-Vechtstreek: F. Spijk, Gen. Eisenhowerlaan 55, 7951 AW Staphorst, tel. 0522-461684. 21. Flevoland: Dhr. J. Boes, Normandieplein 6, 8303 HA Emmeloord, tel. 0527-699113, e-mail: janboes@online.nl 22. West-Brabant: Mw. A.M. Visser, Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635. http://gen-www.uia.­ac.be­/u/­overveld/archeology/ awn22.html,e-mail: jmvisser@planet.nl 23. Archeologische Vereniging Kempen en Peelland: W. van Vegchel, Deken van Somerenstraat 6, 5611 KX Eindhoven, tel. verenigingsruimte tel. 040-2386592, e-mail awnafdeling23@online.nl 24. Midden-Brabant: Deze afdeling is voorlopig aangehaakt aan afd. 23. Zie daar het contactadres.

Foto omslag: Textielloden uit Nederlandse productiecentra [Zie pag. 12]

01-2013 omslag.indd 2

04-02-13 14:33


Redactioneel

Helaas is voor mij de tijd gekomen om te stoppen met mijn redactiewerkzaamheden voor Westerheem. Bijna 3 jaar ben ik als eindredacteur verbonden geweest aan het tijdschrift. Als ik terugblader naar mijn eerste Redactioneel, dat ik schreef voor het aprilnummer van 2010, kan ik concluderen dat er sindsdien weinig is veranderd: nog steeds voert nieuws over de Griekse, Romeinse en Egyptische beschavingen de boventoon in de media. Zo zou de exacte locatie waar Julius Caesar zou zijn vermoord, zijn gevonden en onderzoek op de mummie van Ramses III zou hebben uitgewezen dat de keel van de Egyptische farao is doorgesneden, waardoor het aannemelijk is dat hij is vermoord tijdens de haremsamenzwering. Ook zorgelijk nieuws bereikte ons: een deel van een huis in Pompeï is ingestort na stevige regenstormen en in het najaar is tijdens de Syrische burgeroorlog de middeleeuwse markt van Aleppo in vlammen opgegaan. Uiteraard is er ook in Nederland het één en ander gebeurd. In het wrak van een schip in de Flevopolder, dat is vergaan in 1572, is afgelopen zomer een zilveren muntschat gevonden. In de gemeente Borger-Odoorn in Drenthe zijn spectaculaire archeologische vondsten gedaan dankzij een fout van de gemeente: daar werden vermoedelijk de resten van een hunebednederzetting gevonden. Zo af en toe bereikte ons ook nieuws over archeologie van recentere datum: archeologisch onderzoek heeft al veel opgeleverd bij Kamp Westerbork. Bij de graafwerkzaamheden zijn onder andere serviesgoed, sigarettenpijpjes, kammen en brilmonturen gevonden. Deze werkzaamheden hebben een stap gezet richting een nieuwe vorm van archeologie: conflictarcheologie. Binnenkort kunt u in Westerheem een artikel verwachten

over deze van archeologie, die ook in Nederland in opmars is. En daar, verscholen tussen allerlei artikelen over nieuws uit de Nederlandse archeologie, duikt een klein artikeltje op over twee studenten die bij Leidschendam-Voorburg een bronzen kokerbijltje hebben gevonden. Het voorwerp blijkt uit de Bronstijd te komen. U kunt meer lezen over het bijltje in de rubriek Mijn Mooiste Vondst in deze Westerheem. Verder kunt u in dit nummer een artikel vinden over de verdwenen hunebedden van de Eese, door Wim Braakman. Hij komt in zijn artikel tot een bijzondere conclusie over het al dan niet bestaan van de hunebedden van de Eese. Over textiel en zegelloden kunt u lezen in het artikel van Jan van Oostveen. Hij legt uit vanaf wanneer en waar textielloden werden gebruikt. Jan-Willem Oudhof vertelt in Rondom de stad u over het Odyssee-project Tiel, waar is geprobeerd om een beeld te vormen van vijf fasen uit de vroege geschiedenis van de stad. Met dit Redactioneel komt mijn redactietijd bij Westerheem ten einde. Ik hoop dat Westerheem u in de toekomst mag blijven boeien en dat het blad speciaal mag blijven, zoals ik dit al omschreef in mijn eerdere Redactioneel: een blad dat door de combinatie van artikelen een interessante blik werpt op de Nederlandse archeologie.

Diteke Ekema

Redactioneel |

01-2013 binnenwerk def.indd 1

1

04-02-13 14:31


De verdwenen hunebedden van de Eese W.A. Braakman1

Alle nog resterende Nederlandse hunebedden liggen in de provincie Drenthe, op één na. Dat ligt in Noordlaren, in de provincie Groningen, vlakbij de grens met Drenthe. Verder zijn er in Groningen een paar verdwenen hunebedden bekend en in de jaren ’80 van de vorige eeuw werd er nog één gevonden onder een dikke laag klei in Heveskesklooster. Om onbegrijpelijke redenen is dat geruimd en opgeborgen in het Zeeaquarium in Delfzijl. Friesland doet niet mee, want het hunebed van Rijs blijkt na enige bestudering een steenkist te zijn. Of? De literatuur spreekt over nog een hunebed in Friesland, om precies te zijn bij Vinkega (Finkega) in de Stellingwerven.

Afb. 1 Petrus Camper, 1722-1789. Schilderij: Tibout Regters, 1760. Bron: Collectie UvA.

2

|

’s Morgens op 11 augustus 1781 vertrekt een koets uit de Academie van Franeker met daarin de hoogleraar Camper om het hunebed van Finkega te bestuderen. (af b. 1). Ter plekke aangekomen maakt hij er een tekening van, schrijft er de namen Finkega, Eese en Fledder op en eronder een beschrijving van de tocht ernaartoe: “Men rijdt van Wolvega naar de Blesse, van daar over Peperga, Steggerd naar de Heide groot 1,5 uur; zie de groote kaart van Schotanus Stell. West Eynde.” (Afb. 2). Petrus Camper (geboren 1722) was in zijn tijd een groot geleerde. Al op jonge leeftijd blonk hij uit in de natuurwetenschappen en in de schilderkunst. Hij promoveerde in de geneeskunde en in de wijsbegeerte en was hoogleraar in Amsterdam, Groningen en Franeker, waar hij het landgoed Klein-Lankum bezat. Van daaruit vertrok hij naar het hunebed en – gelukkig voor ons – had hij zijn schetsboek bij zich, want zijn afbeel-

De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 2

04-02-13 14:31


ding is de enige die er is. De tekening kwam in zijn archief terecht en het hunebed verdween in de vergetelheid. Monumentenlijst In 1877 publiceerde Pleijte als eerste een lijst met Nederlandse monumenten. In zijn boek Nederlandsche Oudheden schrijft hij: “Ook de buurt van Finkega vereist onze aandacht, waarin de vorige eeuw nog een hunebed werd gevonden, afgebeeld in een schetstekening door prof. Camper van Leiden”.2 Pleijte maakt een kopie van de tekening en drukt die af in zijn boek.3 (Afb. 3) Het hunebed zelf was al verdwenen, gevallen door de slopershand. Twee hunebedden Tegenwoordig is er in de wijde omgeving van Vinkega geen hunebed meer te bekennen, dus de vraag is waar dat gestaan zou moeten hebben. Op zijn kaart met oudheden situeert Acker Stratingh het hunebed ten noorden van de Linde in de Stellingwerven, niet al te ver van Finkega (Vinkega). In zijn ‘Drentsche oudheden’ uit 1862 zegt Janssen dat er twee hunebedden op de Eese bij Steenwijk hebben gestaan: “Nog in onzen tijd werden er bij mijn weten, vier geheel gesloopt, gelegen te Eeze, te Exlo, te Ide, en op de heide van Steenwijk, nabij het Friesche Finkinga.”4 Hij noemt kortom twee verschillende locaties die niet ver van elkaar liggen: de Eese en de heide van Steenwijk bij Vinkega. Verdwenen In de 18e en 19e eeuw moesten alle houten palen die de Nederlandse dijken tegen afkalving beschermden, worden vervangen, omdat ze waren aangetast door de paalworm. Het hout werd vervangen door stenen, onder andere afkomstig van de hunebedden. Een andere ramp voor dit erfgoed was de geplande verbetering van de infrastructuur. Het rijdek van de Nederlandse wegen verkeerde in een erbarmelijke staat. Om de wegen te verbeteren werden

ze voortaan met steengruis verhard. Opnieuw werd een aantal hunebedden verkocht en vergruisd. De stad Steenwijk kreeg er een bloeiende economie door. In zijn Aardrijkskundig Woordenboek schrijft Van der Aa5 onder het kopje Steenwijk: “Veldsteenen, groote en kleine, worden er jaarlijks bij duizenden van lasten van hier vervoerd, de eersten ten dienste der zeeweringen, de laatste, na vooraf stuk geslagen te zijn om ze bij het aanleggen van kunstwegen te bezigen”.

Afb. 2 Tekening van Camper met tekstwimpel. Hunnenbedde van Drenthe: dagof reisboek van P. Camper/getekend door P. Camper. Handschrift UB Amsterdam, MS II.G.53 (ca. 17681781).

Van Giffen Als aan het begin van de 20e eeuw de archeoloog Van Giffen de Nederlandse hunebedden onderzoekt, doet hij ook het landgoed De Eese aan. De toenmalige eigenaar van deze heerlijkheid verzoekt hem een onderzoek te doen. Van Giffen voldoet graag aan dit verzoek en met dit eerste onderzoek zou hij een ongekende reeks starten. Bij dit onderzoek was hij echter nog een beginneling. Bovendien ging het om een verdwenen hunebed; de resten waren verstoord en als medeopgravers had hij vrijwilligers gevonden onder Belgische dienstweigeraars. Het onderzoek geschiedde dan ook niet bijster zorgvuldig (afb. 4). Twee tekeningen Van Giffen bestudeert eerst de literatuur en zegt er het volgende over: “… in de oudere literatuur wordt, voor zover mij De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 3

|

3

04-02-13 14:31


Afb. 3 Kopie van Pleijte zonder tekstwimpel, in het deel over Friesland: Pleijte, Vaderlandsche oudheden.

bekend, eigenlijk maar gesproken van twee hunebedden in Overijssel: een op de heide bij Steenwijk en een op de Eeze, terwijl daarnaast nog gerept wordt van een hunebed op de heide bij Finkega in Friesland”.6 In totaal worden er dus drie hunebedden genoemd. Van belang is te weten dat de heide bij Steenwijk, de Eese en de heide bij Finkega zo’n beetje hetzelfde gebied beslaan. Vlakbij de grenspaal no. 6 tussen Overijssel en Drenthe vindt Van Giffen op aanwijzing van jonkheer Onnes de resten van een hunebed. Hij verricht opgravingen, waarbij hij potscherven, beitels en koraal vindt. In zijn verslag stelt hij dat het hunebed op de Eese en het hunebed van Vinkega één en dezelfde zijn.7 Vanaf Steggerda zuidwaarts lopend kan men immers bij de plek van de opgraving komen. Bovendien zegt Van Giffen dat hij de tumulus die op de kaart met ‘C.’ is aangegeven, heeft gevonden en dat het aantal draagstenen dat hij bij het vernielde hunebed vaststelde, overeenkomt met het aantal zoals het op de tekening staat. Overeenkomstig zijn eigen indeling noemt hij het hunebed O1 (Overijssel 1).

4

|

Gretig Uit een latere opgraving in 1984 door Brindley en Lanting blijkt dat Van Giffen wel erg gretig was om de tekening van Camper op het door hem opgegraven hunebed te doen slaan. Met name de tumulus die Van Giffen meende te hebben opgegraven, was in feite een onderdeel van het hunebed zelf.8 Wat zegt dat over Van Giffens bewering dat het aantal door hem gevonden draagstenen overeenkomt met de hoeveelheid op de tekening van Camper? Het zegt dat het niet klopt. De onderzoekers kunnen de conclusie van Van Giffen dan ook niet overnemen. Wat levert de opgraving van 1984 op? De nieuwe opgravers baseren zich op het onderzoek van Van Giffen, maar moeten tot hun spijt constateren dat ze daar niet zoveel aan hebben. De opgraving kon de oplossing niet geven, teveel was er vernield.9 Wel ontdekte men de NO-oriëntatie die met het door Camper getekende hunebed overeenkomt. De oriëntatie ZW en NO geldt echter voor de helft van de bestaande hunebedden, dus dat zegt op zich nog niet zoveel.10 Vijf of zes draagstenen zouden in overeenstemming kunnen zijn met de vondsten.

De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 4

04-02-13 14:31


Nog een tekening Van Giffen geeft aan dat er nog een probleem is. In het boswachtershuisje vond hij een tekening van het hunebed (gekopieerd door hemzelf, zie afb. 5) waarop een onbeschadigd hunebed te zien is. Op basis van het watermerk is vast te stellen dat de tekening na 1790 is gemaakt. Dat is dus na de tekening van Camper, waarop een duidelijk beschadigd hunebed te zien is. Dit kan, als we de tekening serieus nemen, maar twee dingen betekenen. Óf er was naast het door Camper getekende een ander, minder beschadigd hunebed, of, en dat is Van Giffens oplossing, de tekening is een kopie van een oudere tekening.11 Om het allemaal nog ingewikkelder te maken noemt Bakker12 nog de zogeheten ‘Koe en Kalf’ op de Woldberg in de Eese, door de plaatselijke bevolking en toeristengidsen ook als plaats van een voormalig hunebed aangegeven. “Ook Overijssel heeft hunebedden gekend. Bij Steenwijk liggen er nog resten van: ‘Koe en Kalf’, een grote en een wat kleinere steen.”13 (Afb. 6). Volgens Bakker is daarvoor geen bewijs. Opgegraven is er nooit. Is nu het verdwenen hunebed van Finkega hetzelfde als het hunebed dat door Van Giffen op de Eese is opgegraven of liggen de resten nog ergens onder het zand? Zoals het meest recente overzichtsboek over de hunebedden al zegt: “Het is niet uitgesloten dat er in de toekomst nog meer locaties van verdwenen hunebedden worden ontdekt”.14

werk dat specifiek handelt over Friesland. Zodoende lijkt het of de tekening een hunebed in Friesland afbeeldt en wel in Vinkega. Dat was, blijkt uit de wimpel, niet de bedoeling van Camper. Mij lijkt dat juist de tekening van Pleijte een misverstand in het leven heeft geroepen, namelijk dat er zowel een hunebed op de Eese was als een in Friesland bij Vinkega. Het door hem getekende hunebed stond op de Eese in Overijssel. Als dat zo is, is het hunebed van Vinkega voorgoed verdwenen, omdat het nooit heeft bestaan. De kopie van Pleijte leidde mijns inziens nog tot een tweede misverstand, namelijk dat het totale aantal hunebedden op de Eese tot één teruggebracht kon worden. Dat nu lijkt mij niet het geval. De literatuur spreekt van twee hunebedden. Zie de opmerking van Janssen hierboven: “Nog in onzen tijd werden er bij mijn weten, vier geheel gesloopt, gelegen te

Afb. 4 Locatietekening. Van Giffen, ‘De hunebedden’.

Een nieuwe hypothese Als we de tekening van Camper vergelijken met de afdruk van Pleijte in zijn atlas dan valt één ding op. Op de tekening van Camper staat een vliegende wimpel afgebeeld met de tekst: “Hunebed op den hoek van Overijssel”. Dat maakt duidelijk dat de tekst “Finkega” in de tekening niet de vindplaats aanduidt, maar een oriëntatiepunt is, zoiets als noord of zuid. Deze wimpel nu is door Pleijte weggelaten. Het lijkt daarmee of ‘Finkega’ de titel van de tekening is. Bovendien heeft Pleijte de tekening laten afdrukken in dat deel van zijn De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 5

|

5

04-02-13 14:31


ressante zwerfstenen?

Afb. 5 Tekening van een intact hunebed uit het boswachtershuisje (na 1790). Kopie: Van Giffen, ‘De hunebedden’.

Afb. 6 Zogeheten ‘Koe en Kalf’ op de Eese aan de Duivenslaagte. Foto: Wim Braakman.

6

|

Eeze, te Exlo, te Ide, en op de heide van Steenwijk, nabij het Friesche Finkinga.” Van Giffen meldt in zijn verslag dat er twee tekeningen van hunebedden op de Eese zijn: één van Camper waarop een vernield hunebed te zien is en één van latere datum waarop een intact hunebed is te zien. Als er twee hunebedden zijn geweest, dan is de vraag waar die gestaan zouden hebben. Wel, er is een serieuze kandidaat: het zogeheten ‘Koe en Kalf’ dat in sommige reisgidsen en in de volksmond als hunebed wordt gezien. De laan waaraan het ligt, wordt door de lokale bewoners ook wel Duivelslaagte genoemd, dit in tegenstelling tot de officiële naam ‘Duivenslaagte’. Hunebedden werden in de 17e en 18e eeuw als woonplaatsen van de duivel gezien. Of zijn het alleen inte-

Conclusie Er zijn drie hunebedden verdwenen op de Eese bij Steenwijk. Eén is door een misverstand in de wereld geroepen. Een tweede is verwoest, maar door Van Giffen gelokaliseerd en opgegraven en voor het derde hunebed zijn er twee mogelijkheden: of het heeft ook nooit bestaan of het is er wel geweest en dan is er een kleine tekening van over en is het zogeheten ‘Koe en Kalf’ de beste kandidaat. Hoe dan ook, de hunebedden van de Eese zijn voorgoed verdwenen.15 Summary A scholar, famous in his days, Professor Camper, was not only a scientist, but also an artist. In 1781 he made a drawing of a megalithic grave near the village of Vinkega. In the 19th century many of the megalithic graves were destroyed and information about their original location in many cases was lost. On the Vinkega grave there have been various speculations. Literature and other drawings sug-

De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 6

04-02-13 14:31


gest that there were more megalithic graves, two, possibly three or four. In this article I formulate the hypothesis that a reason for the confusion was the copy and prints of the Camper drawing by Pleijte in 1877. The copy lacked vital information from the original; namely the text in a pennant in the drawing that made clear where the grave originally was found (hoek van Overijssel). As a consequence another name mentioned in the drawing (Finkega) was understood as an indication of its location. Therefore in literature

there appeared two megalithic graves: one, as indicated by Camper, in Overijssel and another, as suggested by Pleijte’s copy, in the vicinity of Vinkega. In fact these two were one and the same. Instead of three there were probably two graves. The second one, as mentioned in literature, could be the so-called ‘Koe en Kalf’ in the south of the Eese, Steenwijk. Broerstraat 4 9712 CP Groningen W.A.Braakman@rug.nl

Noten 1 Wim Braakman publiceerde eerder in Westerheem over het Meisje van Yde en het Castellum Flevum. Hij is werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen. 2 Pleijte, dl. I, p. 146. 3 Pleijte, dl. I, pl. XLIX. 4 Janssen, p. 9. 5 Van der Aa, p. 713. 6 Van Giffen, p. 314. 7 Van Giffen, p. 315. 8 Brindley, p. 101. ‘It is clear that Van Giffen’s reconstruction is not supported by the size of the mound, the length of the foundation pit and drawings and descriptions made by Camper. Other than this, the plans and section drawings of 1918 are not very informative’. 9 Idem. ‘The original ground level and the structure of the mound were no longer recognisable due to strong discoloration, which had occurred’. 10 Zie Van Ginkel, p. 162. 11 Van Giffen, p. 319. 12 Bakker. p. 70. 13 Berk, p. 7. 14 Van Ginkel, p. 88. 15 Met dank aan Wijnand van der Sanden en Jan Lanting voor hun aanwijzingen. Literatuur Aa, A.J. van der, 1851: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. Acker Stratingh, G., 1852: Kaart van Nederland, aanwijzende de oude bewoners en plaatsen, verdeeling in gouwen waar Germaansche en Romeinsche oudheden gevonden zijn enz. Bakker, J.A., 1988: A list of the extant and formal present Hunebedden in the Netherlands, ín: Palaeohistoria 30. Bakker, J.A., 1989: Petrus en Adriaan Camper en de Hunebedden, in: Schuller tot Peursum-Meijer, J., Koops, W.H.R. 1989: Petrus Camper (1722-1789) onderzoeker van nature. Berk, G. L. & A. Buter, 1986: Landschappen in Overijssel. Buter, A., 1981: Volksverhalen uit Overijssel. Brindley, A.I. & J.M.N. Lanting, 1991/92: A re-assessment of the hunebedden 01, D33 and D40: structure and finds, in: Palaeohistoria 33/34. Giffen, E. van, 1927: De Hunebedden. Ginkel, E. van, S. Jager & W. van der Sanden, 1999: Hunebedden. Monumenten van een steentijdcultuur. Janssen, L.J.F., 1862: Drentsche Oudheden. Janssen, L.J.F., C. Leemans. C.J.C. Reuvens, 1845: Kaart van de in Nederland, België en een gedeelte der aangrenzende landen gevonden Romeinsche, Germaansche of Gallische oudheden : benevens de Romeinsche en andere oude wegen. Pleijte, W., 1877: Nederlandsche oudheden van de vroegste tijden tot op Karel den Groote: afbeeldingen naar de oorspronkelijke voorwerpen naar photographien met begeleidende tekst en oudheidkundige kaart. De verdwenen hunebedden van de Eese

01-2013 binnenwerk def.indd 7

|

7

04-02-13 14:31


Textielloden Jan van Oostveen1

Sinds de opkomst van de metaaldetector is het aantal metaalvondsten dat bij opgravingen wordt gedaan sterk toegenomen. Naast onder andere munten worden vaak ook textielloden aangetroffen. Meestal worden deze vondsten als lakenlood benoemd. Feitelijk een onjuiste benaming aangezien laken (in de Middeleeuwen) voor een wollen stof stond en deze loden ook bij andere stoffen werden toegepast.

Afb. 1 Overzicht van de verschillende typen textiel- en zegelloden. Foto: Onbekend

8

|

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 8

04-02-13 14:31


Het aantal Nederlandse publicaties over textielloden is beperkt. Vooral medewerkers van de archeologische dienst van de gemeente Amsterdam2 hebben over textielloden gepubliceerd. Daarnaast mag de recente Bossche publicatie van de opgraving in het Tolbrugkwartier3 niet onvermeld blijven. Een samenvattend overzicht van Nederlandse textielloden en in Nederland 4 gevonden textielloden ontbreekt vooralsnog. Dit artikel probeert een aanzet tot het vullen van dit hiaat te geven. Hierbij is gebruik gemaakt van loden die zijn gepubliceerd in artikelen en boeken, en op websites en bodemvondstenfora. Allereerst zal de typologie van textielloden worden beschreven. Daarna worden de loden uit de textielnijverheid verder beschreven.

draden aangebracht. Vervolgens werd het buisje met een tang plat geknepen. Tijdens deze handeling werd door de tang tevens een afbeelding in het lood aangebracht. Op het afgebeelde exemplaar (afb. 1, type 1A) staat de herkomst van het lood, een staande leeuw met in de hand sleutels van de stad Leiden, en de lengte van de draden – 29 el lang – aangegeven. Daarnaast komen in de 16e/17e eeuw massief gegoten loden met een draagoog voor (afb. 1, type 1B). Meestal zijn deze loden aan één zijde voorzien van een adelaar en aan de andere zijde van een huismerk. Dit type lood wordt met de handel in (koper) draad in verband gebracht.5 Type 1C is het gangbare 19e/20e eeuwse zegellood dat in veel bedrijfstakken in en buiten Nederland maar ook daarbuiten, werd toegepast.

Typologie De loden kunnen ingedeeld worden in een viertal typen waarbij het verbindingsstuk tussen de afzonderlijke schijven als onderscheidend kenmerk wordt aangehouden. De verschillende typen worden in afbeelding 1 gepresenteerd. Binnen elk type kan weer een verdere onderverdeling worden gemaakt.

Bij type 2 en type 3 is wel een verbindingsstuk aanwezig. Dit type wordt als ‘penlood’ aangeduid. Met behulp van een tang6 word(t)en de pen(nen) samen geperst en wordt de afbeelding op het lood aangebracht. Zowel type 2 als type 3 is vanuit de textielnijverheid bekend. Type 2B en type 3A is alleen met een 17e/18e eeuwse Engelse herkomst bekend en werd gebruikt om informatie over het textiel (lengte, breedte, gewicht) aan te geven of als bewijs dat er accijns was betaald. In dat laatste geval is het lood vaak voorzien van een afbeelding van de op dat moment heersende Engelse vorst (afb. 1, type 3A). In de 19e en 20e eeuw worden zegello-

Bij type 1 is, evenals bij type 4, geen verbindingsstuk tussen de afzonderlijke schijven aangebracht. Type 1A is een zogenaamd pijplood, dat met de textielnijverheid in verband kan worden gebracht. Het van oorsprong holle loden buisje werd door wevers over de

Afb. 2 Datering van de afzonderlijke typen loden.

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 9

|

9

04-02-13 14:31


Afb. 3 Voorbeelden van loden die met het bleken (van linnen) in verband kunnen worden gebracht. De zon verwijst naar het bleekproces. Lood A is voorzien van een huismerk, terwijl lood B het cijfer 22 draagt. Dit nummer is een verwijzing naar de lengte van de stof die in dit geval vanwege het gebruikte nummer, mogelijk 22 yard heeft bedragen. Foto afbeelding 3b: Ton Wolf.

den toegepast. Type 4 is een karakteristiek Duits zegellood die door de Duitse spoorwegen werd toegepast.7 Incidenteel wordt type 4 in Nederland aangetroffen. (Afb. 2) Textielnijverheid Reeds in de 13e en 14e eeuw was de Vlaamse textielnijverheid dusdanig ontwikkeld dat zij op grote schaal textiel voor de export naar met name het Oostzeegebied, produceerde. Door stadsoproeren maar bovenal invoerverboden van de Duitse Hanze (1388-1392) ontstonden mogelijkheden voor andere steden. Terwijl de Vlamingen zich noodgedwongen gingen specialiseren in de kwalitatief beste producten, ontstond er een gat in de markt van wollen producten voor het Oostzeegebied. De Engelsen probeerden dit gat op te vullen door hun broadcloaths te exporteren. De kwaliteit van de veredeling (verf- en scheerdersproces) van deze lakens was echter dusdanig matig, dat er behoefte ontstond aan een laken uit het middensegment. Deze behoefte werd door wollen lakens uit steden als Schiedam, Leiden en Amsterdam ingevuld, die tot dat moment voornamelijk voor de lokale/regionale markt produceerden. De Hollandse lakens werden gemaakt van tweede kwaliteit Engelse wol. Vanaf het einde van de 14e eeuw werd deze Engelse wol via Calais aangevoerd. Door de exportmogelijkheden ging het de Hollandse lakennijverheid voor de wind. Het duurde tot circa 1430 alvorens de Hollandse lakennijverheid met tegenslag werd geconfronteerd. Zo had de sector in deze periode last van de Engelse exportheffing en de Bourgondische partijwisseling in de 100-jarige oorlog. Hierdoor kwam Holland tegenover Engeland te

10

|

staan waardoor de aanvoer van wol voor het Hollandse laken in gevaar kwam. De Hollandse lakennijverheid reageerde daarop door naar alternatieven voor de Engelse wol te zoeken. Deze werd in de vorm van Schotse en Spaanse wol gevonden. Het duurde tot het midden van de 15e eeuw alvorens de lakennijverheid zich hersteld had. Naarden en Den Haag hadden zich toen gespecialiseerd in de grove draperie. Leiden, Amsterdam en Delft maakten op dat moment gebruik van Engelse wol die via Calais werd aangevoerd. In Gouda en Haarlem waren rond het midden van de 15e eeuw gedifferentieerde draperieĂŤn ontstaan. Inmiddels hadden de Hollandse kooplieden naast het Oostzeegebied ook andere afzetgebieden gevonden. Vooral de Elzas, Middenen Zuid-Duitsland en Bohemen waren als exportgebied voor lakens ontdekt. Het is ook in deze periode dat de Haarlemse linnennijverheid tot ontwikkeling kwam. Rond 1470 bereikte de Hollandse textielnijverheid haar hoogtepunt. Vanaf dat moment ging het langzamerhand bergafwaarts. Interne conflicten en steeds verder opgeschroefde belastingen liggen aan deze teruggang ten grondslag. Net zoals in het tweede kwart van de 15e eeuw werd de oplossing opnieuw in productvernieuwing gezocht. Voor de Leidse lakennijverheid mocht dit niet meer baten, want ondanks productvernieuwing nam de Leidse productie in de loop van de 16e eeuw in kwantiteit af. Tegenover de kwantitatieve neergang van de Leidse productie staat een stabiele productie in de eerste helft van de 16e eeuw in plaatsen als Delft, Haarlem en Rotterdam. Naast de lokale/regionale markt produceerden deze plaatsen vooral voor de export naar het Iberisch schiereiland. Naarden toont tot het midden van de 16e eeuw evenmin verval terwijl de productiecentra Den Haag en Hoorn op dat moment al onbeduidend zijn geworden. In de tweede helft van de 16e eeuw nam de omvang van de textielnijverheid verder af. Hiervoor in de plaats werden Engelse halffabricaten geĂŻmporteerd. Deze halffabricaten werden in de Repu-

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 10

04-02-13 14:31


bliek veredeld, een niet onbelangrijke activiteit aangezien de prijs van het laken werd bepaald door de prijs van de wol en de kwaliteit van de veredeling. Op deze manier zijn vanaf de 16e eeuw vele Engelse lakens in de Republiek geverfd en vervolgens naar het Oosten geëxporteerd. Na een aanvankelijke terugloop van de textielnijverheid krijgt deze bedrijfstak aan het einde van de 16e eeuw een opleving. Veel Vlamingen verhuisden toen namelijk naar het noorden en continueerden hun oude professie in hun nieuwe woonplaats. Vanaf 1672 nam de Hollandse export van (veredeld) textiel snel af. Door protectionistische maatregelen werden de Engelse en de Franse markt afgeschermd. Inmiddels werd de Duitse markt voor textiel steeds minder vanuit de Republiek en steeds meer vanuit Verviers bediend. Het Oostzeegebied, Scandinavië, Pruisen en Archangelesk werden op het einde van de 17e eeuw nog steeds op grote schaal vanuit de Nederlanden van baai,8 (car)saai9 en laken voorzien. Greinen (kamelot)10 werd in deze periode vooral naar Spanje en Spaans Amerika geëxporteerd. Ook deze landen/gebieden namen in de loop van de 18e eeuw beschermende maatregelen waardoor de export van deze stof terugliep. Leiden was in deze periode nog de enige stad van importantie waar wollen stof werd geproduceerd. Andere steden speelden op dat moment binnen de textielnijverheid geen rol van betekenis meer. In de 17e en de 18e eeuw was Leiden gespecialiseerd in de productie van saai, fustein,11 greinen, laken, baai en warp. Baai en warp werden hoofdzakelijk voor de binnenlandse markt geproduceerd. Deze stoffen werden voornamelijk gebruikt voor de productie van schorten en rokken. Daarnaast werd in de Republiek zijde geproduceerd. Hierbij speelden steden als Amersfoort, Amsterdam, Haarlem,12 Naarden en Utrecht een rol van betekenis. De stad Amersfoort was bovenal bekend vanwege haar bombazijnproductie.13. Zijden weefsels werden in deze periode (als halffabricaat) geïm-

Afb. 4 IJzeren (weef )kam gevonden in de regio Rotterdam/ Dordrecht waarbij het houten handvat ontbreekt. Vergelijkbare textielkammen zijn uit Engeland bekend. Datering 1450-1700. porteerd uit Italië en Azië. Zijde werd vooral geëxporteerd naar Engeland, Frankrijk, Spanje, Pruisen, de Oostzeegebieden en Scandinavië. In het tweede decennium van de achttiende eeuw neemt de export van zijden weefsels snel af. Reden hiervoor zijn de protectionistische maatregelen14 die door de afzonderlijke landen worden opgeworpen. Daarnaast nam de populariteit van Franse zijde snel toe. Naast zijde en wol werd in de Republiek ook linnen in- en uitgevoerd. Ruw ongebleekt linnen werd in de 17e eeuw geïmporteerd vanuit Oost-Friesland, Westfalen, Gulik, Silezië, Vlaanderen en van plaatsen in het Oostzeegebied zoals Danzig, Koningsbergen en St. Petersburg. Binnen onze huidige landsgrenzen werd dit ongebleekte product vooral in Haarlem, de Meierij van Den Bosch, de Baronie van Breda, Twente, de Achterhoek, Kampen en Zwolle geproduceerd. Het ruwe linnen werd in de duinstreek rondom Haarlem gebleekt (afb. 3) en veredeld.15 Vervolgens was dit product gereed om verhandeld te worden. Belangrijke exportgebieden voor linnen waren Engeland, Spanje en in mindere mate Frankrijk, het Oostzeegebied en West-Afrika. Ook de export van linnen nam in de 18e eeuw sterk af. Weer liggen buitenlandse Afb. 5 Grijsbakkende spinsteen gevonden op de Torenstraat in Dordrecht. Datering 1200-1400.

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 11

|

11

04-02-13 14:31


beschermende maatregelen daaraan ten grondslag. Andere textiele producten die in de 17e en 18e eeuw in de Republiek werden geproduceerd zijn katoen en zeildoek. Katoenen weefsel werd geïmporteerd uit Azië terwijl de eindproducten naast gebruik voor de binnenlandse markt ook geëxporteerd werden naar het Oostzeegebied, Scandinavië en Rusland. Zeildoek is een product dat hoofdzakelijk in de Zaanstreek werd vervaardigd. Ook zeildoek werd geëxporteerd en dan vooral naar het Oostzeegebied. Textielloden Textielloden werden vanaf de 13e eeuw toegepast. Men hechtte ze als kwaliteitsaanduiding aan een (deel-)product. Hierdoor was het mogelijk om de verschillen-

12

|

de halfproducten te identificeren. Om de verschillende toepassingen binnen de textielsector te begrijpen is het noodzakelijk om kennis te hebben van de verschillende productiestadia binnen de textielnijverheid.16 Allereerst moest de wol gewassen worden. Vervolgens kon de kaardster de vezels met behulp van een (metalen) kam ontwarren en de laatste vuilresten verwijderen (afb. 4). Voor de fijnere producten werd de wol gekamd waarna de wol gesponnen werd (afb. 5). Hierna liep de nopster de gesponnen draad na op oneffenheden zoals knoopjes, losse draadjes en dergelijke. Meestal vonden deze handelingen plaats als huisvlijt onder (financiële) leiding van een koopman/ondernemer ook wel dra-

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 12

04-02-13 14:31


penier genoemd. Vervolgens kwam de wol in handen van de wever die de stof op zijn weefgetouw tot een weefsel verwerkte. Na het weven deed de voller de stof in een grote bak met heet water, urine en zogenaamde vollersaarde. Door het weefsel met de voeten aan te stampen verviltte de stof. Het zo ontstane wollen weefsel is stevig, waterdicht en minder gevoelig voor krimp. Vervolgens kon de stof geverfd worden alhoewel deze productiehandeling ook al in een eerder productiestadium kon zijn uitgevoerd. Voor het kleuren van de stof werden over het algemeen de planten wouw (geel), wede (indigo) en meekrap (rood) gebruikt. Na het verven konden de droogscheerders de uitstekende pluisjes met een grote schaar afknippen. Hierdoor ontstond

een glad oppervlak. De betere kwaliteit laken werd aan beide zijden behandeld (zogenoemd scharlaken17). Het weefsel was nu, nadat het gekeurd was, gereed om verhandeld te worden. Van vele van deze productiestappen, beginnend bij de wever, zijn textielloden overgeleverd. Zo bracht de wever na zijn werkzaamheden een zogenaamd pijplood aan. Een voorbeeld hiervan staat in afbeelding 1, type 1A, afgebeeld. Van het hier opvolgende proces, het vollen, zijn enkele loden bekend. Op deze loden zijn stampende voeten afgebeeld die onlosmakelijk met deze productiehandeling in verband kunnen worden gebracht. In tegenstelling tot het vollen en het weven komen loden die in verband kun-

Afb. 6 Overzicht van textielloden uit Nederlandse productiecentra: A. Amersfoort: gekroond wapen van Amersfoort met cijfers 5 6?/XX boven punt; XX moet geïnterpreteerd worden als de lengte van de stof: 20 el. Datering 1750-1760. B. Amsterdam: gekroond wapen van Amsterdam/ dubbelkoppige adelaar met randtekst AMSTERDAMS VERWE en monogram HE. Datering 1650-1750. C. Gouda: Gouds wapenschild onder naam GOVDA/ GOV DA binnen rechthoek en rechthoek tussen doornentakken. Datering 1600-1700. D. Haarlem: wapen van Haarlem met randtekst HAERLEMS GOET/40,5 binnen parelcirkel. 40,5 betreft de lengte van de stof en is voor Haarlemse begrippen lang waar meestal waarden rondom de 20 el gangbaar waren. Datering 1500-1700. E. Dordrecht: gevleugelde griffioen die het Dordtse wapenschild vasthoudt onder de tekst VOOR DE MILITIE/keerzijde ontbreekt bij dit exemplaar maar vergelijkbare exemplaren tonen de tekst BEVONDEN SOO GOET ALS DE LEGGER. F. Den Bosch: Johannes de Evangelist/keerzijde niet aanwezig maar vergelijkbare exemplaren tonen de Bossche boom. Datering: circa 1450-1550. G. Rotterdam: Waarschijnlijk het wapen van Rotterdam met randtekst ROTTERDAMMA/geen afbeelding. Datering 1400-1550. H. Amsterdam: gekroond wapen van Amsterdam

met randtekst AMSTERDAMS STAEL 1584/gekroond wapen van Amsterdam vastgehouden door twee leeuwen. Datering 1584. I. Delft: Wapen van Delft met een nog niet geïnterpreteerde gotische randtekst/in het centrum de randtekst DELF. Datering 1450-1550. J. Utrecht: BEST SUPER FYN LAKEN GEFABRICEERD EN SWART GEVERFT DOOR REMEES FLORIS ELIN A UTRECHT/huismerk met de initialen RFE en randtekst REMEES FLORIS ELIN A UTRECHT. Datering 1750-1800. K. Leiden: Staande leeuw met zwaard en wapenschild in de vorm van de gekruiste sleutels van Leiden/DROOG GEMEETEN 28. Datering 1650-1800. L. Leiden: Staande leeuw met zwaard en wapenschild in de vorm van de gekruiste sleutels van Leiden en randtekst LEYDEN IN HOLLANDT/WOLLE DEEKEN GEMAAKT BINNEN LEYDEN. Datering 16501800; originele stempel bevindt zich in de collectie van het Museum De Lakenhal in Leiden, inv. nr. 1555. M. Leiden: Voorzijde ontbreekt/WOLLE DEEKEN GEMAAKT BINNEN LEYDEN 1775. Datering 1775. N. Leiden: gekroonde gekruiste sleutels en randtekst LEYDEN IN HOLLANDT/11/8 B PVR TVRCX 40: moet worden gelezen als breed 11/8 el en lang 40 el. Materiaal puur Mohair (wol van de Angorageit). Datering 1650-1800. Foto’s lood 6C en 6M: Ton Wolf. Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 13

|

13

04-02-13 14:31


Afb. 7 Overzicht van bekende lengtematen op textielloden. De lengtematen zijn indien van toepassing naar beneden op gehele getallen afgerond.

14

|

nen worden gebracht met het verven van stoffen, met vrij grote regelmaat voor. Deze hoge vondstfrequentie zal zeker ook het gevolg zijn van het feit dat vanaf de tweede helft van de 16e eeuw vele veredelingswerkzaamheden op buitenlandse halffabricaten zoals het verven, in de Republiek werden uitgevoerd. Soms verwijzen de loden impliciet via de afbeelding van een dubbelkoppige adelaar (afb. 6B) naar dit verfproces.18 Andere keren is de verwijzing naar een geverfd product heel expliciet door op het lood toegepaste teksten zoals SWART GEBLAUWT19, SWART GEVERFT20, AMSTERDAMS SWART, AMSTERDAMS VERWE (afb. 6B), GOUDA VERWE21, DELFS VERWE en GAL SWART.22 Bij andere exemplaren moet men kennis hebben van de stoffen die bij het verven werden toegepast zoals bij een Bossche vondst LEYDEN GEBLAEU MIT WEED (OF PAST).23 Het woord WEED verwijst hier naar de plant wede die voor het ver-

ven van de stof werd gebruikt. Een zeldzaam maar niet afgebeeld Haarlems lood toont de tekst KRAMOSIJN. Een verwijzing naar de hoogrode kleur dat het geverfde weefsel zal hebben gehad. Van droogscheerders zijn vooralsnog maar enkele loden bekend. Deze loden laten een grote schaar zien die door deze beroepsgroep bij het uitvoeren van hun werkzaamheden werd gebruikt. Een vergelijkbare schaar is in Museum De Lakenhal in Leiden te bezichtigen en weegt circa 20 kg. Voordat het product verhandeld werd, werd het gekeurd. In de Middeleeuwen gebeurde dit door een lood met het wapen van de desbetreffende stad aan het weefsel te hechten. Vanaf de tweede helft van de 16e eeuw, de periode dat de veredeling van buitenlandse stoffen sterk in opkomst kwam, werden deelkeuringen ook geĂŤxpliciteerd. Tot deze deelkeuringen behoren de keuringen van de staalmeesters (afb. 6H). Inmiddels zijn staalloden bekend uit Alk-

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 14

04-02-13 14:31


maar, Amsterdam, Delft, Den Bosch, Dordrecht, mogelijk Enkhuizen,24 Gorinchem, Gouda, Haarlem, Hoorn, Leeuwarden, Leiden, Middelburg, Rotterdam en Utrecht. Bodemvondsten van staalloden die worden toegeschreven aan Antwerpen, Bremen, Hamburg, LĂźbeck en Danzig tonen aan dat dit gebruik ook buiten onze huidige landsgrenzen werd toegepast. Deelbewerkingsloden die kunnen worden toegeschreven aan een onafhankelijk aangewezen en bevoegd persoon voor het opmeten van de lengte van de stof,

zijn veel zeldzamer. Exemplaren uit Amsterdam25 maar bovenal uit Leiden (afb. 6K) zijn bekend. Dit gebruik is ook uit Engeland bekend en type 2B van afbeelding 1 is een karakteristiek lood dat hiervoor werd gebruikt. Naast lengte stond op dit type lood ook de breedte en het gewicht (LONG WAIGHT NARO) met op de andere zijde van het lood de naam of het huismerk van de keurder, vermeld. Algemeen zijn loden waarop de lengte van de stof staat aangegeven die niet door Afb. 8 Overzicht van de productiecentra in de Benelux waarvan textielloden bekend zijn en die tevens binnen onze huidige landsgrenzen zijn gevonden. Bron: Jan van Oostveen.

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 15

|

15

04-02-13 14:31


Afb. 9 Textielloden uit productiecentra in België en Duitsland die in Nederland zijn gevonden. A. Gent: G gekroond/hangend lam (gulden vlies). Datering 1600-1800. B. Ieper: Wapen van Ieper/Gothische letter gekroond. Datering 1400-1500. C. Augsburg. Kaardebo/A tussen cirkels. Datering 1600-1700. D.Hamburg. Wapen van Hamburg met randtekst HAMBURGER BOMSIDEN 4 EL/BB gekroond met datering 162? Datering 1620-1629. E. Neu Ruppin. Wapen van Neu Rupping met randtekst NEVRVPPIN/ onduidelijke tekst. Datering 1600-1750. F. Tangermünde. Roos met randschrift TANGERMÜNDE/Adelaarskop met randschrift TANGERMÜNDE. Datering 1600-1700. G.Stendal. Wapen van Stendal/niet aanwezig. Datering 1600-1800. Foto’s lood 9A, 9D en 9E: Ton Wolf. een officiële onafhankelijke lengtebepaler zijn gedaan (afb. 6A en 6D). Zowel met een tang als met de hand kunnen deze lengte-eenheden op het lood zijn aangebracht/ingekrast. Dit gebruik naast de toevoeging van eventuele administratieve nummers is pas vanaf de 17e eeuw bekend (afb. 7). Zoals in de inleiding is aangegeven is voor dit artikel gebruik gemaakt van zoveel mogelijk schriftelijke en digitale bronnen om een inzicht te krijgen uit welke plaatsen textielloden in ons land worden aangetroffen. Bij deze inventarisatie is verfijnd op textielloden: - die uit de desbetreffende stad bekend

16

|

zijn; - waarvan de herkomst door middel van een stadswapen en/of de vermelding van de plaatsnaam afgeleid kan worden; - waarop de naam van de (deel)bewerker staat vermeld; - met informatie over de soort stof, kwaliteit van de stof en/of de lengte van de stof; - met informatie over de deelbewerking die de stof heeft ondergaan zoals verven, onaf hankelijke door een keurmeester opmeten van de lengte van de stof en dergelijke. De zo verkregen gegevens zijn geprojecteerd op een kaart van de Benelux (afb. 8) en een kaart van Europa. Wat opvalt, is dat de textielloden die afkomstig zijn uit het Frans-Belgische grensgebied alleen informatie over de herkomst ervan verschaffen. De reden hiervan moet vooral in de datering van de producten worden gezocht. Aanvullende informatie bovenop de herkomst van het textiel op het lood werd daar pas vanaf de tweede helft van de 16e eeuw toegepast. Ook komen loden voor met daarop met de hand ingekraste telmerken en administratieve nummers. Van deze gegevens valt over het algemeen niet meer na te gaan waarom ze op het lood zijn aangebracht. Het gebruik van textielloden was in geheel West-Europa gangbaar. De herkomst van de producten die in Nederland zijn terug gevonden, zijn grofweg in een viertal regio’s in te delen: - Engeland; de regio vanwaar van oudsher vele wollen lakens werden aangevoerd al dan niet als halfproduct; in Nederland komen we vooral loden uit het midden van Engeland en van de Engelse zuid- en oostkust tegen. Binnen 18e eeuwse vondstcomplexen worden regelmatig loden uit Tiverton26 aangetroffen. Afhankelijk van de datering van het lood komen hier vaak het symbool van de handelaar Samuel Foote27 (voet met initialen SF) en de initialen GO (George Osmond 28) voor. Blijkbaar hadden het huismerk van

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 16

04-02-13 14:31


Foote en de initialen van Osmond een bepaalde handelswaarde, aangezien ze ook door andere handelaren – zoals bij het afgebeelde exemplaar van Thomas Were and Sons29 (afb. 10D) – werd toegepast. Daarbovenop is vaak ook nog de naam van de kleinzoon van Samuel Foot, Samuel Burridge (1768-1734), aangebracht. - Frankrijk; de regio van waar in de 17e en 18e eeuw Franse zijde werd geïmporteerd. Vooral de loden die kunnen worden toegeschreven aan de Zuid-Franse steden moeten met de zijdeproductie in verband worden gebracht. Loden uit Lyon en Nîmes worden met enige regelmaat in Nederland aangetroffen. - Zuid-Duitsland; de regio die vooral in relatie wordt gebracht met de aanvoer van linnen30 naar ons land. Regelmatig worden loden uit Augsburg (afb. 9C) in ons land aangetroffen. Minder algemeen voor ons land zijn vondsten van loden uit Menningen, Kempten en Sankt Gallen. - Met enige regelmaat worden ook textielloden aangetroffen, die op grond van het daarop afgebeelde wapenschild aan de steden Stendal (afb. 9G), Tangermünde (af b. 9F) en Neuruppin (afb. 9E) kunnen worden toegeschreven. Het betreft typisch postmiddeleeuwse loden. Het aantal internationale publicaties waarin textielloden worden behandeld is beperkt. Het is daarmee moeilijk om een beeld te krijgen van de Nederlandse textielloden die in het buitenland worden aangetroffen. Egan laat in zijn publicaties over textielloden gevonden in Londen en Salisbury31 enkele exemplaren zien die kunnen worden toegeschreven aan Leiden en Haarlem. Met de in 2008 gepubliceerde dissertatie van Hittinger32 wordt voor het eerst inzicht verkregen in de textielloden die in NoordDuitsland zijn aangetroffen. Hittinger maakt melding van textielloden uit Amsterdam, Deventer, Gouda, Harderwijk, Kampen, Leiden33 en Naarden. Met

Afb. 10 Textielloden uit Engeland die in Nederland zijn gevonden. A. Productiecentrum Norwich: Wapen van Norwich met tekst NORWICH VERIT/valhek met tekst NORWICH. Datering 1500-1700. B. Productiecentrum Sandwich. Lelie met randtekst SANDWICH/niet aanwezig. Datering 1500-1700. C. Productiecentrum Colchester. Wapen van Colchester met randtekst COLCHESTER CRONE BAY met datering 1571. Datering 1571. D.Productiecentrum Tiverton. Huismerk bestaande uit een voet met initialen SF en randtekst TIVERTON SAM BURRIDGE/22 GO met randtekst THO’s WERE & SONS. Producent Thomas Were & Sons. Datering 1770-1800. Foto’s lood 10B, 10C en 10D: Ton Wolf. deze studie van Hittinger is de aandacht voor deze productgroep ook in NoordDuitsland onder de aandacht gekomen. Een voorbeeld hiervan is de studie naar deze materiaalgroep in de Noord-Duitse stad Stralsund. In die stad zijn naast textielloden uit Amsterdam en Leiden ook textielloden uit minder bekende centra zoals Bergen op Zoom, Enkhuizen en Harderwijk aangetroffen.34 Deze laatstgenoemde centra zijn een aanvulling op de reeds bekende historische gegevens over handel met het Oostzeegebied. Tot slot Het hier gepresenteerde overzicht toont slechts een fractie van de bekende textielloden. Hierbij is er bewust voor gekozen om loden waarop alleen een huismerk is aangebracht niet te behandelen. Niet Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 17

|

17

04-02-13 14:31


omdat ze minder interessant zijn maar simpelweg omdat de kennis van deze afbeeldingen nog uitermate beperkt is. Hopelijk stimuleert dit artikel andere onderzoekers om verdere studie naar deze uitermate boeiende productgroep te verrichten. Zonnedauw 75 4007 VC Tiel kleipijp@xs4all.nl

Afb. 11 Textielloden uit Franse productiecentra: A. Lannoy: LANNOY/Wapen van Lannoy. Datering 1400-1550. B. Nîmes. Wapen van Nîmes met tekst COLNEM/niet leesbaar (naam producent). Datering 1650-1800. C. Parijs. Wapen van Parijs/FABRICATION PARIS. Datering 1600-1800. D. Rouen. Wapen van Rouen (Lam Gods)/24. Datering 1500-1700. Foto lood 12D: Ton Wolf.

Noten 1 Jan van Oostveen doet op vrijwillige basis specialistisch archeologisch onderzoek aan middeleeuwse en postmiddeleeuwse voorwerpen zoals tabakspijpen, textiel- en zegelloden. Voor een overzicht van de door hem uitgevoerde projecten / publicaties en voor verzoeken voor het uitvoeren van nieuwe onderzoeken wordt verwezen naar zijn website: http://kleipijp.home.xs4all.nl/kleipijp/. 2 Zo werd er op 29 november 1979 een textieldag gehouden in het Amsterdams Historisch Museum met als onderwerp archeologisch textiel. Zie tevens de publicaties van Baart, Gawronski, Kranendonk en Krook waarin textielloden worden behandeld. 3 Janssen en Thelen 2007. 4 Binnen het kader van dit artikel wordt met Nederland het gebied bedoeld dat op dit moment binnen onze huidige landsgrenzen ligt. 5 Egan 1995, 122 en het recent op Terschelling door Staatsbosbeheer aangetroffen koper in een scheepswrak http://www.staatsbosbeheer.nl/Nieuws%20en%20achtergronden/Nieuws/Koperschat%20uit%2018e%20 eeuw%20gevonden%20op%20Terschelling.aspx. 6 Een 14e-eeuwse tang waarmee loden op textiel konden worden aangebracht is bij recent archeologisch onderzoek in Amsterdam aangetroffen. Deze tang vertoont op één zijde een kaardenbol met de letters V en N en op de andere zijde driemaal het Amsterdamse wapen. Kranendonk 2007, 36 e.v. Daarnaast is recentelijk in Haarlem een vergelijkbare tang aangetroffen. In dit geval vertoont deze tang het wapen van Haarlem (vriendelijke mededeling Martin Veen, provinciaal depot voor archeologie van de Provincie Noord-Holland). 7 Spindler 2005. 8 Baai is een dik, grof wollen weefsel en werd toegepast voor borstrokken, onderjurken, hemden e.d. 9 Grove, gewoonlijk gekeperde wollen stof. 10 Greinen is een weefsel vervaardigd uit kamelen- of geitenhaar en later ook wel uit wol en zijde. 11 Een veel gebruikte stof voor huishoudlinnen. 12 Haarlem had als specialiteit de productie van fluweel en builgaas. 13 Bombazijn is een weefsel in kruiskeperbinding. Oorspronkelijk met een zijden ketting of schering en een kamgaren inslag. Later een linnen ketting met ongetwijnd katoenen inslag. Het weefsel wordt toegepast als voering en voor grove werkkleding en onderkleding. Bron: http://www.archiefeemland.nl/regiogeschiedenis/amersfoort/ encyclopedie/b/bombazijn. 14 Bijvoorbeeld de fabrieken van Krefeld en Elberfeld in Pruisen.

18

|

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 18

04-02-13 14:31


15 Baart 1977: Loden met hierop de afbeelding van een zon, worden aan deze deelbewerking toegewezen. 16 Ontleend aan Kaptein 1998, 43. 17 In Museum De Lakenhal in Leiden bevindt zich een stempel met het opschrift “schar laken”. Collectie museum De Lakenhal, inventarisatienummer 1500. 18 Baart 1977a, 114. 19 Betreft een Rotterdams lood waarop deze tekst staat. 20 Deze tekst is terug te vinden op een Utrechts lood. 21 Mijderwijk 2002, 156. 22 Gal verwijst naar de zwarte kleur die met behulp van galnoten (nootachtige groeisels op eikenbladen) werd verkregen. Vooralsnog is deze tekst alleen op Amsterdamse textielloden bekend. 23 Jansen 2007, 237. 24 Ansorge 2009. 25 Collectie Amsterdams Historisch Museum, inv. nr. PB 138. Dit lood draagt de naam van Jacobus Wisman. 26 Bekend is dat de stof “serge” vanuit Tiverton voornamelijk is geëxporteerd naar Amsterdam, Rotterdam, Hamburg, Cadiz, Lissabon en Oporto (Hoskins 1935). Het is dus niet verwonderlijk dat deze Tiverton loden met enige regelmaat in Nederland worden aangetroffen. 27 Foote is in 1691 overleden. Foote handelde in vele materialen waaronder ivoor. 28 De handelaar George Osmond is in 1745 overleden. Naast Oliver Peard behoorde hij in de eerste helft van de 18e eeuw tot een van de belangrijkste handelaars uit Tiverton. 29 Thomas Were wordt vanaf 1751 voor het eerst met de stof “serge” in verband gebracht. De eerste keer dat de naam Thomas Were and Sons in de archieven wordt genoemd gaat het over de import van Portugese wijn in Engeland. Thomas Were & Sons lijken voornamelijk in de jaren zeventig en tachtig van de 18e eeuw actief te zijn geweest. http://www.archive.org/stream/woollenmanufactu00foxjuoft/woollenmanufactu00foxjuoft_djvu.txt. 30 Baart 1977a, 114. 31 Zie Egan 1995 en Egan 2001. 32 Zie Hittinger 2008. 33 Niet alle door Hittinger aan Leiden toegeschreven loden lijken in Leiden geproduceerd te zijn. Daarnaast mag verwarring met steden die ook gekruiste sleutels in het wapenschild voerden zoals Riga, niet uitgesloten worden. 34 Zie Ansorge 2009 en mailwisseling (2011-2012) met Jörg Ansorge en Renate Samariter, Archeologie Stralsund Mecklenburg – Vorpommeren, Duitsland. Literatuur Ansorge, J., 2009: Die Ausgrabungen für das Stralsunder OZEANEUM – Einblicke in den Hafen einer Hansestadt, Meer und Museum, deel 22, 11-36. Arts. N., 1992: Het kasteel van Eindhoven; archeologie, ecologie en geschiedenis van een heerlijke woning 1420-1676. Eindhoven. Arts,N., 1996: Fulling-throughts, other artisanal remains and the present state of urban archaeology in medieval Eindhoven and Helmond (Southern Netherlands). In: M. Dewilde, A. Ervynck en A. Wielemans (redactie): Ypres and the Medieval Cloth Industrie in Flanders,177-185. Baart, J., e.a., 1977: Opgravingen in Amsterdam. Haarlem. Baart, J.M., 1981: Spin- en weefgereedschappen en loden afkomstig van het Amsterdamse stadskernonderzoek. In: Textiele bodemvondsten, verslag van de textieldag op 24 november 1979 in het Amsterdams Historisch Museum te Amsterdam over Archeologisch textiel, Textielcommissie Musea, Commissie tot Behoud van Museaal Textielbezit, 3-14. Baart, J., 1992: De opkomst van nijverheid en handel in Holland. In: A. Carmiggelt: Rotterdam Papers VII, 125-133. Rotterdam Biddle, M., 1990: Object and economy in Medieval Winchester. Part II. Winchester studies 7ii. Oxford. Brusse, P., 1995: De textielnijverheid in Amersfoort, Textielhistorische bijdragen, nr. 35, 82-100. Busch, A.J., 2004: Belangrijke archeologische vondst aan de Vissersdijk: een lakenlood, Tijdschrift van de historische vereniging “Oud-Gorcum”, 2004-2, 111-113. Carmiggelt, A, A.J. Guiran en M.C. van Trierum, 1997: BOOR Balans 3: Archeologisch onderzoek in het tracé van de Willemsspoortunnel te Rotterdam. Rotterdam. Das, J. den en D. Paalman, 2008: Uit de collectie van DIEP archeologie: Loodjes, DIEP magazine, nr. 8, 30-31. Egan, G., 1995: Lead Cloth Seals and Related Items in the British Museum. British museum occasional paper 93. Londen. Egan, G., 2001: Cloth Seals. In: P. Saunders: Salisbury & South Wiltshire museum; medieval catalogue: bone objects, enamels, glass vessels, pottery, jettons, cloth seals, bullae and other base metal objects. Salisbury. Egan, G., 2010: Medieval and later trade in textiles between Belgium and England. The picture form some finds of

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 19

|

19

04-02-13 14:31


cloth seals. In: K. De Groote, D. Tys en M. Pieters: Exchanging Medieval Material Culture: Studies on archaeology and history presented to Frans Verhaeghe. Relicta Monografieën 4, 55-63. Evans, J., 2008: Merchant’s trail medley – a personal note, Tiverton city society newsletter, nr. 68, 7-11. Gawronski, J., 1996: De equipage van de Hollandia en de Amsterdam; VOC-bedrijvigheid in 18de eeuws Amsterdam. Amsterdam. Gawronski, J. en R. Jayasena, 2011: Ophogingen en bedrijfsafval van de VOC-werf Oostenburg; archeologische begeleiding Oostenburg kavel 5, Amsterdam (2009). Amsterdamse Archeologische Rapporten 58. Gawronski, J. (ed), 2012: Amsterdam Ceramics; A city’s history and an archaeological ceramics catalogue 1175-2011. Amsterdam. Hendrikse, H., 1994: Voorwerpen van textielnijverheid (fase 4). In: R.M. van Heeringen: Geld uit de belt; archeologisch onderzoek in de bouwput van de gemeentelijke parkeerkelder en het belastingkantoor aan de Kousteensedijk te Middelburg. Middelburg, 50-55. Hittinger, D., 2007: Tuchplomben der Neuzeit. In: Archäologie der Frühen Neuzeit, Teil 18, 145-147. Hittinger, D., 2008: Tuchplomben. Warenzeichnen des späten Mittelalters und der Neuzeit aus dem norddeutschen Küstengebiet. Bamberg / Aachen. d’Hollosy, T., 2002: Een maand op zicht; 24 vondsten van de maand. Hoskins, W.G., 1935: Industry, trade and people in Exeter (South West studies). Manchester. Jacobs, E., 1995: Achter kerk en klooster; opgravingen aan de Nobelstraat en de Zuilingstraat. VOM-REEKS 1995-2. Janssen, H.L. en A.A.J. Thelen, 2007: Tekens van leven. Opgravingen en vondsten in het Tolburgkwartier in ’s-Hertogenbosch. Utrecht. Kaptein, H., 1998: De Hollandse textielnijverheid 1350-1600; conjunctuur & continuïteit. Hilversum. Kleij, P., 2010: Textielloodjes uit de Zaanstreek, Westerheem, 59e jrg., 61-68. Kranendonk, P. en W. Krook, A. van den Brand, 2007. Archeologie en de Noord/Zuidlijn; Een bijzondere merktang voor textielloden uit de veertiende eeuw. In: V. van Rossem, G. van Tussenbroek en J. Veerkamp: Monumenten & Archeologie 6, 36-45. Krook, W., 1993: Merkloden. In: J.J. Lenting, H. van Gangelen en H. van Westing (redactie): Schans op de Grens; Boertanger bodemvondsten 1580-1850, 489-496. Krook, W., 2002: Het Amsterdamse stadswapen; Afbeeldingen op opgegraven veertiende-eeuwse textielloden. In: J. Gawronski, F. Schmidt en M. – Th. van Thoor: Monumenten & Archeologie 1, 56-63. Krook, W., 2003: Afbeeldingen op opgegraven veertiende- en vijftiende-eeuwse Amsterdamse textielloden. In: J. Gawronski, F. Schmidt, en M.-Th. Van Thoor (redactie): Amsterdam Monumenten & Archeologie 2, 57-65. Land, A.H., 1984: Metalen voorwerpen uit de voormalige Dolhuisgracht te Leiden. In: Bodemonderzoek in Leiden; jaarverslag 1983, 63-97. Mijderwijk, L. en H. van der Kleij, 2002: Gevonden loden wegen het zwaarst. Het nut van het lakenlood als bron ten behoeve van de bestudering van de Goudse lakennijverheid in de Late Middeleeuwen en de Vroege Nieuwe Tijd, Westerheem, 51e jrg., 154-160. Mijderwijk, L.C., 2007: De geschiedenis van de Nederlandse textielnijverheid; een geschiedenis die nog moet worden geschreven, De Detector Amateur, nr. 91, 32-36. Schrickx, C., 2007: Hoogtepunten uit Hoornse bodem. Archeologie in Noord-Holland 1. Schrickx, C.P., 2007: Westerdijk en Westerpoort, Hoorn onder ons, nr. 3, mei 2007. Spindler, C., 2005: Bleiplomben aus Braunschweiger Funden. Braunschweig. Toebosch, T., 2011: De Nieuwzijds Kolk en de Nieuwendijk in dertiende-eeuws Amsterdam. Een archeologische speurtocht. Amsterdam. Veluwenkamp, J.W., 1994: De buitenlandse textielhandel van de Republiek in de achttiende eeuw, Textielhistorische bijdragen, nr. 34, 70-88. Van der Walle-van der Woude, T.Y. van, 2003: Karperkuil, een 17e-eeuwse scheepswerf uit Hoorn, Hoorn onder ons, nr.2, november 2003.

Geraadpleegde websites http://ahm.adlibsoft.com/search.aspx archeologiegorinchem.nl/ www.bodemvondstenwereld.nl http://collectie.lakenhal.nl/ collectie.museumrotterdam.nl/ www.ebay.nl http://www.erfgoedcentrumdiep.nl/ http://www.fibula.dk/ finds.org.uk/

20

|

http://www.foda.org.uk/freeholders/intro/introduction1.htm www.geschiedenisvanvlaardingen.nl home.vondsten.nl www.koolwaaij.nl/Loodjes/ www.marktplaats.nl www.muntenbodemvondsten.nl http://www.naerdincklant.nl/cms/pivot/entry.php?id=68 www.wf4.nl/

Textielloden

01-2013 binnenwerk def.indd 20

04-02-13 14:31


Mijn mooiste vondst Een uniek kokerbijltje uit LeidschendamVoorburg Robbert-Jan Boon1

Eind september 2012 besloten Jan Bakker en ik met de metaaldetector op pad te gaan naar een locatie die wij al een tijd op het oog hadden. Tijdens het reizen van en naar Leiden, waar wij allebei archeologie studeren, viel ons op dat er storthopen lagen, een gevolg van graafwerkzaamheden langs het spoor. Omdat bouwlocaties meestal zijn afgesloten en het niet wordt gewaardeerd als daar gezocht wordt, zoeken wij vooral op weilanden en akkers. Bij nadere inspectie bleek dit echter een openbaar terrein en daarom besloten wij de storthopen op het terrein aan een onderzoek te onderwerpen. Bovendien betreft het hier veengrond en dus een potentieel waardevolle locatie om echt oude vondsten aan te treffen. Na een tijd te hebben gezocht kwam Jan aangelopen en liet hij mij zijn vondst zien: een bronzen kokerbijltje. Hij herkende het zelf ook direct als zodanig en we probeerden daarna nog meer te vinden in de hoop dat we met een bronstijddepot hadden te maken. Helaas bleven verdere vondsten uit en moesten we het met ‘slechts’ één bijltje (en wat 17e-eeuwse scherven) doen. We hebben goed opgelet waar het bijltje precies gevonden is: bovenop een berg en in veengrond. Omdat de berg grond direct naast het gegraven gat lag, konden we goed zien hoe diep het bijltje ongeveer heeft gelegen, dit vanwege de laag veen die ook in het gegraven gat goed zichtbaar was. David Fontijn, deskundige op het gebied van de Bronstijd en hoofddocent aan de faculteit der archeologie van de Universiteit Leiden, sprong bijna van zijn stoel bij het zien van de vondst. Volgens Fontijn gaat het om een type kokerbijl dat in Nederland mogelijk nog niet eerder werd gevonden. Het bijltje doet denken aan het in Nederland bekende type ‘Wesseling’, maar dan veel kleiner en met een veel bredere snede. Bijltjes van dit type zijn wel uit Engeland bekend. Dit kan wijzen op contacten tussen Nederland en Engeland geduren-

de de Bronstijd. Het bijltje verkeert in goede staat en dr. Fontijn stelt dat de patinalaag die het bijltje vertoont, aansluit bij de zuurstofarme veengrond waarin het werd aangetroffen. Daardoor zou het bijltje zo goed bewaard kunnen zijn gebleven. Bovendien bevonden zich in de koker enkele houtresten die misschien een 14C-datering mogelijk maken. Net als wij had dr. Fontijn meer bronzen objecten verwacht op deze plaats. Daarom zijn we daar nogmaals geweest, ditmaal vergezeld van twee archeologen. Dit bezoek leverde geen nieuwe vondsten op. Nadat de grond op een andere locatie was uitgereden, is opnieuw met metaaldetectors gezocht naar vondsten, maar weer tevergeefs. Het gaat hier dus echt om één los bronzen voorwerp. Op dit moment wordt het bijltje deskundig geconserveerd en het is nog even afwachten wat er daarna mee gaat gebeuren. Wel is de vondst al aangemeld bij ARCHIS en de gemeente. We zijn van plan het bijltje na te maken, zodat er experimenten mee kunnen worden gedaan als bijvoorbeeld gebruikssporenanalyse en ander onderzoek naar een mogelijk gebruik van het bijltje. Wij zouden graag zien dat het bijltje in een museum terecht komt, zodat iedereen het kan bewonderen.

Afb. 1 Het bronzen bijltje vóór conservering. Foto: Jan Bakker.

Noot 1 Robbert-Jan Boon is Masterstudent Archeologie aan Universiteit Leiden.

Afb. 2 Het bijltje, 5 minuten na de vondst. Foto: Robbert-Jan Boon.

Mijn mooiste vondst

01-2013 binnenwerk def.indd 21

|

21

04-02-13 14:31


Rondom de stad

Gemeentelijke archeologie in... Tiel Aanzet tot fasering van de handelsnederzetting Tiel Jan-Willem Oudhof1

In 2010 en 2011 zijn in het kader van het NWO-project Odyssee vier oude, nooit uitgewerkte, opgravingen in de binnenstad van Tiel opnieuw tegen het licht gehouden.2 Op basis van archeologisch onderzoek dat de afgelopen decennia is uitgevoerd, is een zonering van de verschillende ‘wijken’ van Tiel gemaakt. In dit artikel wordt een poging ondernomen om, op basis van het uitgevoerde Odyssee-project, aan dit ruimtelijke beeld nu ook een fasering in tijd toe te voegen. Archeologisch onderzoek in historische steden biedt de mogelijkheid om ruimtelijke patronen uit de begindagen van de stad weer leesbaar te maken. De ruimtelijke samenhang van een stad kan echter pas worden verduidelijkt op het moment dat onderzoeksgegevens van jarenlang archeologisch onderzoek op een rijtje worden gezet (afb. 1). Het Odysseeproject ‘Tiel rond 1000’ stop-

22

|

te niet bij de basale uitwerking van vier oude opgravingen, maar ook wordt een aanzet gedaan om dit bredere verband te schetsen. Dit laatste is mogelijk geworden dankzij een aanvullende subsidie van de provincie Gelderland en de gemeente Tiel. Het onderzoek zal begin 2013 worden gepubliceerd in de Thematareeks van de Universiteit van Amsterdam.3 Ruimtelijke reconstructies van de nederzetting Tiel zijn in het verleden door verschillende auteurs gemaakt. 4 Hierbij is steeds een indeling gemaakt in zones of ‘wijken’ met daarbinnen specifieke en overlappende functies, welke gezamenlijk de handelsplaats Tiel vormden (zie afb. 2). In dit beeld ontbreekt echter de dynamiek van ontstaan, bloei en verval van de nederzetting. In dit artikel is een aantal gedachten over de fasering van de nederzetting verwoord, die het geschetste beeld enige tijdsdiepte zouden kunnen geven.

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 22

04-02-13 14:31


Afb. 1. Een overzicht van de verschillende opgravingslocaties waar sporen van de nederzetting Tiel rond 1000 zijn aangetroffen. Illustratie: M. Haans.

Fase 1: 850-900. Het ontstaan van middeleeuws Tiel, de prestedelijke fase Over het ontstaan van de middeleeuwse nederzetting Tiel is weinig bekend en concrete aanwijzingen voor middeleeuwse bewoning eerder dan het midden van de 9e eeuw ontbreken.5 De eerste historische vermelding van de nederzetting Tiel als ‘Dioli’ dateert van rond 855.6 De oudste middeleeuwse archeologische sporen dateren ook rond deze tijd. Hoewel de oudste historische vermelding van de St. Maartenskerk pas uit de 1317

stamt, is uit archeologische bronnen op te maken dat de eerste houtbouwfase van de zaalkerk vermoedelijk terug gaat tot de tweede helft van de 9e eeuw.7 De Achterweg, tegenover de St. Maartenskerk is de enige andere locatie met bewoningssporen uit het midden van de 9e eeuw. Hier is in 1994 een 14C-gedateerde, bootvormige boerderijplattegrond op een agrarisch erf aangetroffen van rond 850. Vergelijkbare boerderijplattegronden met eenzelfde noord-oost/zuid-west oriëntatie zijn in de directe omgeving aangeRondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 23

|

23

04-02-13 14:31


Afb.2: Hypothetische reconstructie van de bewoningsarealen in en rond Tiel in de Ottoonse tijd (900-1050 na Chr.). A Grafelijke burcht; B Koopliedenwijk; C Overige wijken; D Rivier de Linge; E Veronderstelde ligging eiland; F Kerk, zeer waarschijnlijk Ottoons (1: St. Maarten, 2: St. Walburg, 3: St. Vincent, 4: Kerk van Westeroyen); G Gereconstrueerde weg van kaart van J. van Deventer, 1557/1558; H Gereconstrueerde grachtvan kaart van J. van Deventer, 1557/1558; I Plangebied Tiel-Binnenheuvel. (Naar: Verhelst 2006). troffen bij de Betuweroute opgravingen Malburg8 en Linge - Stenen Kamer.9 Alle overige vindplaatsen in de binnenstad, inclusief de dendrochronologisch gedateerde havenwerken, zijn op zijn vroegst pas aan het einde van de 9e eeuw te dateren. Het lijkt erop dat de nederzetting Dioli is begonnen als een agrarische nederzetting, rond de St. Maartenskerk. Deze nederzetting lag niet direct langs de Linge. Kennelijk was de directe nabijheid van de rivier in eerste instantie minder belangrijk. Dat zou na 900 volledig veranderen. Aan het einde van de 10e eeuw ontwikkelt zich op het splitsingspunt van de Linge en de Waal immers een van de belangrijkste handelsplaatsen uit de Lage Landen.

24

|

Fase 2: 900-950. Opkomst van Tiel als handelsnederzetting De handelsnederzetting komt in eerste instantie tot ontwikkeling onder de hoede van de graven van Teisterbant. Zij weten tot in het tweede kwart van de 10e eeuw hun prestige flink te verhogen. Als teken van hun stijgende positie stichtten graaf Waltger en zijn vrouw Adelberta (vroegste vermelding 892) een eigenklooster in Tiel en laten zij relieken van St. Walburga hier naar toe brengen.10 Niet alleen zal het stichten van een eigenklooster goed zijn geweest voor het zielenheil van familie en voorouders. Het overbrengen van belangrijke relieken zal ook een goede ‘pull factor’ voor de ontwikkeling van de grafelijke handelsambities in Tiel zijn geweest. St. Walburga was geen willekeurig gekozen heilige; zij wordt gerekend tot de sleutelfiguren van de vroegchristelijke tijd in het Frankische rijk.11 Haar verering was verbonden met de naaste omgeving van de koning.12 Door het wijden van het klooster aan St. Walburga wordt de heilige verbonden met de belangrijkste machthebbers in de regio en ontstaat enig zicht op de relaties die gelegd werden tussen geloof, het houden van onvervreemdbare bezittingen en de zelfdefinitie van aristocratische groepen.13 Over het uiterlijk van het complex tasten we in het duister. De St. Walburgkerk in Tiel is in 1679 gesloopt en afbeeldingen van voor het einde van de 16e eeuw ontbreken. Vermoedelijk bestond het grafelijk bezit echter uit meer dan alleen het eigenklooster. In 950 wordt melding gemaakt van een nieuw opgetrokken stenen burcht.14 De aanleg van een dergelijke versterking was alleen maar denkbaar onder regie van het centrale gezag van de Duitse koning, waarvan de graaf van Teisterbant tot 950 de belangrijkste vertegenwoordiger was. Waarschijnlijk kwam de grafelijke burcht oorspronkelijk overeen met de eivormige configuratie van het Kalverbos in het noorden, de Binnenmolenstraat in het oosten en de stadsgracht in het zuiden en westen waarbinnen ook het eigenklooster was gelegen.15 Wientjes meent hierin,

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 24

04-02-13 14:31


op de oudste kadastrale minuutplan van 1830, de contouren van een vroegmiddeleeuwse ringwalburg te herkennen.16 De eerste resultaten van het archeologische onderzoek in het Dominicuskwartier lijken dit te bevestigen. Tijdens dit onderzoek zijn een meerfasig wallichaam met gracht en veel tufsteenresten gevonden, dat vermoedelijk in de 10e eeuw kan worden gedateerd.17 Wanneer de burcht precies is gebouwd en de wal is opgeworpen, blijft onduidelijk. De in de historische bron genoemde verstening heeft vermoedelijk bestaan uit een later toegevoegde ringmuur. Waarschijnlijk is dat pas na 939 gebeurd. In 939 deed graaf Hatto, de opvolger van Radbod (de zoon van graaf Waltger), mee aan de Lotharingse opstand tegen Otto I. In de jaren daarna heeft de koning hem belangrijke onderdelen van de rechten en goederen die de graaf van hem in leen hield, afgenomen en overgedragen aan de bisschop van Utrecht, waaronder het klooster en de nieuwe stenen burcht in Tiel.18 Naast de religieuze functie van het St. Walburgcomplex zal binnen de omwalling ook het bestuurlijke centrum gelegen zijn, van waaruit de graaf namens de koning tol mocht heffen19 en waar later in de 10e eeuw de palts heeft gelegen.20 Onderdeel van de ambitieuze plannen van graaf Waltger was het tot ontwikkeling brengen van een handelsplaats langs de Linge. Naast de burcht kwam in deze periode een handelsnederzetting met haven (portus) tot ontwikkeling, die onder de bescherming van de graaf als vertegenwoordiger van de koning stond. Sporen van de Lingehaven van Tiel zijn gevonden op de locaties Tol-Noord en TolZuid. De resten bestaan uit steigers en kades. Tussen havenfaciliteiten in de vorm van een strandhaven, steigerwerken en kadewerken zit een duidelijk functioneel verschil.21 Schepen met een geringe diepgang of een platte bodem kunnen eenvoudig op een oever worden getrokken om te lossen.22 Voor dit soort schepen is geen haven, maar een zandige zachte oever nodig. Het was echter de bedoeling

Afb. 3. Detail van steigerwerken aangetroffen op de Tol Zuid. foto: RCE.

om ook schepen met enige diepgang Tiel te laten aandoen. Hiervoor was ook de aanleg van steigerwerken nodig. Hierbij diende het uiteinde van de steiger zo diep in het water te worden geplaatst dat een schip aan de kopse kant voldoende water onder de kiel had om te kunnen aanmeren. Naarmate het aanbod van grote schepen toenam, moesten er meer steigerwerken naast elkaar worden geplaatst.23 Kadewerken vertegenwoordigen een ander soort aanlegplaats. Bij kadewerken wordt de gehele oever over een bepaalde breedte aangevuld, totdat de voorkant van de kade voldoende diepgang heeft om schepen te laten aanmeren. Door de steeds groter wordende diepgang van schepen, de accumulatie van afval en het langzaam dichtslibben of verzanden van een haven, moeten in de loop van de tijd steigerwerken en kades de rivier in verplaatst worden om voldoende diepgang te garanderen. In Tiel is een duidelijk dateringsverschil zichtbaar tussen de steigerwerken en de kadewerken. De oudste havenwerken zijn aangetroffen op de Tol-Zuid (zie afb. 3). De eiken palen van deze steigers zijn dendrochronolo-

Afb. 4. Gebouwsporen op de Koornmarkt. Gebouw 1, 2 en 3 fase 2, Gebouw 4 en 5. Naar: Dijkstra 1996.

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 25

|

25

04-02-13 14:31


perceelsgebonden havenwerken, met een breedte van ca. 5 m tot 8 m, aangetroffen.26 Deze vermoedelijk massieve steigers zijn rond 1000 te dateren.27

Afb. 5. Detailopname vlechtwerkwand gebouw 1 Koornmarkt. Foto: RCE.

gisch gedateerd tussen 890 en ca. 952/57 en vallen daarmee binnen de periode dat de graven van Teisterbant nog actief waren in Tiel. De begindatering 890 sluit aan bij de oorkonde van koning Zwentibold uit 896, waarin hij bevestigt dat de Utrechtse St. Maartenshandelaren niet alleen tolvrijheid in Dorestad genoten, maar nu ook in Deventer en Tiel. Deze oudste havenfase bestond uit losse steigers van meer dan 12m breed die haaks op de oever van de Linge waren gebouwd.24 Het feit dat in deze vroegste fase sprake is van losse steigers, doet vermoeden dat in deze periode wel behoefte was aan enkele aanlegplaatsen voor grotere schepen, maar dat het aanbod nog niet van dien aard was dat hiervoor een volledige kade aangelegd moest worden. Na een verbouwing van deze steigerfase (rond 925-955) volgt een verbreding van de steigerwerken tot buiten de contouren van de opgraving, die erop wijst dat het aandeel van grotere schepen toenam ten koste van de ruimte voor het aanlanden van schepen in een strandhaven. Op de Tol-Noord zijn geen sporen aangetroffen van deze steigerfase, waaruit opgemaakt kan worden dat de haven voor grotere schepen in deze vroege fase kleiner was dan in de hierop volgende fase. In vergelijkbare handelsplaatsen uit dezelfde periode is eveneens sprake van steigerwerken. In de IJsselstraat in Deventer werd langs de IJssel in de periode 900950 per perceel en per handelshuis een tweetal of drietal steigers aangelegd.25 Langs de Vecht in Utrecht zijn sporen van

26

|

Op de Koornmarkt zijn sporen van bebouwing gevonden, die bij de steigerfase 900950 horen (zie afb. 4, gebouw 1, 2 en 3). De in deze fase aan de rand van de haven aangetroffen bewoning, bestond uit drie of vier lichte, protostedelijke eenschepige huizen van ca. 4 m bij 10 m met vlechtwerkwanden, leemvloer en haardplaats (zie afb. 5). Bij één van de gebouwen waren de staken van het vlechtwerk in een liggende grondbalk geplaatst. De gebouwen lagen met de korte kant op de Linge georiënteerd, met daaromheen ruime erven die vermoedelijk aan de steigerwerken grensden. De erven waren van elkaar gescheiden met greppels en afrasteringen van vlechtwerk. Vergelijkbare gebouwresten uit deze periode zijn ook aan de westzijde van de Westluidensestraat en in de Koninginnestraat opgegraven. Buiten Tiel zijn vergelijkbare gebouwen aangetroffen in Deventer (gebouwtype Deventer 2)28, Utrecht29 en Antwerpen.30 Fase 3: 950-1050. De bloeiperiode van Tiel als handelsnederzetting Rond 950 vindt een aantal belangrijke historische veranderingen plaats, die ook in het archeologisch bodemarchief herkenbaar lijken te zijn. Zoals eerder beschreven verloor graaf Hatto zijn bezittingen en rechten in Tiel. Koning Otto I streefde naar een versterking van macht van de kerkelijke autoriteiten om een tegenwicht te kunnen vormen tegen de seculiere adel. Door middel van het investituurrecht oefende hij invloed uit op de aanstelling van bisschoppen en probeerde hij zijn invloed op de Kerk zeker te stellen. Waarschijnlijk moet de schenking door Otto I van het klooster en de nieuwe stenen burcht in Tiel aan bisschop Balderik van Utrecht in dit licht worden gezien.31 Deze bisschop was een trouwe vazal van de koning, die zelfs zorg heeft gedragen voor de opvoeding van Bruno, broer van Otto I en de latere aartsbisschop

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 26

04-02-13 14:31


van Keulen. Bisschop Balderik bracht in 920 de bisschopszetel weer terug naar Utrecht en herstelde daar de verwoestingen die waren aangericht door de Vikingen. Hij wist in de loop van de tijd de territoriale macht van het bisdom Utrecht steeds verder uit te breiden en kreeg van Otto I onder andere het muntrecht en tolrecht in Utrecht in leen.32 In dit licht moet ook de bloei van de handelsnederzetting Tiel vanaf het midden van de 10e eeuw gezien worden. Tiel viel nu onder de bloeiende territoriale macht van de bisschop, die een uitgebreid handelsnetwerk had en samen met de heersers van het Duitse Rijk de handelsnederzetting verder tot ontwikkeling bracht. Ook het St. Walburgcomplex, met klooster, bestuurscentrum en burcht, kwam in handen van de bisschop van Utrecht. Wientjes maakt aannemelijk dat de koninklijke palts, die in 972 opduikt in de historische bronnen, eveneens binnen het versterkte St. Walburgcomplex gelegen moet hebben.33 Uit de historische gegevens kunnen we opmaken dat Tiel in de tweede helft van de 10e eeuw een belangrijk centrum is geworden voor het Duitse Rijk. Ook de muntslag van Tiel begint in deze periode. De muntslag in Tiel is rond 980 gestart en loopt door tot ca. 1084. De oudste Tielse munt is geslagen in de koningstijd van Otto III (983-1002). Van zijn opvolgers Hendrik II (1002-1024), Koenraad II (1024-1039), maar vooral van Hendrik III (1039-1056) zijn veel munten bewaard gebleven, terwijl van Hendrik IV (10561106) slechts ĂŠĂŠn munt bekend is. De totale omvang van de muntproductie in Tiel moet enorm zijn geweest. Tiel was na Keulen het productiefste munthuis van de Duitse vorsten.

aangelegd. Hierbij werd het havenfront ruim 20 m de rivier in verschoven door beschoeiingen in de rivier te plaatsen. Vervolgens plempte men het gebied vanaf de oever tot aan de nieuwe kade perceelsgewijs vol. Het feit dat de kadewerken over de gehele breedte even lang waren, wijst erop dat de bouw van deze havenfase centraal werd aangestuurd.34 De kopse kant van de kade bestond uit aangepunte eikenhouten palen, waartegen aan de landzijde bij wijze van beschoeiing houten planken werden gezet. Men gebruikte hiervoor het hout van afgedankte schepen, met name van rivieraken. Eenzelfde ontwikkeling is zichtbaar in Deventer, hoewel de ontwikkeling van steigers naar kadewerken waarin scheepsresten waren verwerkt al vroeger in de 10e eeuw begon. In de periode 950-1050 maken de handelsnederzetting en daarmee de haven in Deventer een grote bloei door, waarbij de steigers mogelijk een aaneengesloten kade gingen vormen.35 In Utrecht worden aan het begin van de 11e eeuw eveneens beschoeiingen of kadewerken met behulp van scheepsresten aangelegd langs de Waterstraat.36 Ook in deze kadewerken is, net als in Tiel, scheepshout aangetroffen van rivieraken en een schip dat gebouwd is in de Scandinavische scheepsbouwtraditie.37 Net als de haven, groeit ook de bebouwing aan de Koornmarkt in deze periode flink. Na 950 vindt een verdichting en verzwaring van bebouwing plaats (zie afb. 4, gebouw 4 en 5). Dit wijst op ruimtegebrek

Afb .6. Overzicht van kadewerken aangetroffen op de Tol Zuid. Foto: RCE.

De bloei van de nederzetting laat zich ook aflezen in de haven. Was in de periode 900-950 nog sprake van enkele losse steigers op de Tol-Zuid, in de fase 950-1050 komt de ontwikkeling naar kadewerken op gang. Op basis van dendrochronologische dateringen is duidelijk dat tussen 983 en 1014 zowel op de Tol-Noord (zie afb. 6) als op de Tol-Zuid kadewerken zijn Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 27

|

27

04-02-13 14:31


Afb 7. Pingsdorf tuitpot uit de late 10e eeuw, aangetroffen op de Tol Noord. Foto: RCE.

den, die voor die tijd slechts extensief in gebruik waren geweest. Kennelijk hebben de minder zware gebouwconstructies, die vóór de periode 950-1000 op de Koornmarkt aanwezig waren, plaats moeten maken voor de grote handelshuizen. Het kleinere gebouwtype dat eerst aanwezig was op de Koornmarkt, wordt nu verderop in de nederzetting opgetrokken.

binnen de bestaande nederzetting. In fase 2 (900-950) was er nog sprake van ruime kavels met lichtere gebouwen en dakdragende vlechtwerkwanden op ruime kavels. In fase 3 gaat het om gebouwen met zware gebintconstructies van ca. 7 m breed en minimaal 13 m lengte. De vondst van een 5 m lange hoekbalk en de zware gebintconstructie van de huizen zijn aanwijzingen voor gebouwen met een verdieping. Gezien de zwaarte van de dragende constructie en de forse breedte, lijkt het hier te gaan om vroegstedelijke pakhuizen met een verdieping voor opslag van handelswaar.38 De gebouwen die tussen 950 en 1050 aan de Koornmarkt en de Tol-Noord worden gebouwd, vertonen sterke overeenkomsten met gebouwen aangetroffen in Deventer (Deventer type 6).39 Aan de Achterweg is in deze periode wederom sprake van agrarische bebouwing, vergelijkbaar met boerderijplattegronden uit de opgraving Huis Malburg bij Kerk-Avezaath.40 Over de omvang van het erf zijn geen uitspraken te doen. De erfindeling is wel vergelijkbaar met het plattelandsnederzettingen langs de Linge. Net als bij de opgraving Huis Malburg bestaat in de Achterstraat het zuidelijke deel van het erf uit een opslagzone met spiekers. Tussen deze zone en de gebouwen ligt de zone met waterputten. Opvallend is verder dat de Agnietenstraat, de Ambtmanstraat en de Agnietenhof pas vanaf de tweede helft van de 10e eeuw bebouwd raken. Het lijkt erop dat delen van de nederzetting na 950 bebouwd wer-

28

|

Fase 4: 1050-1150 Verval van de handelsnederzetting In de tweede helft van de 11e eeuw treedt het verval in van de handelsnederzetting. Hiervoor is een aantal redenen aan te dragen. Ten eerste kan het verzanden van de Linge worden genoemd. Het afdammen van de rivier in 1304 is het eindpunt geweest van een lang lopend verzandingsproces. In de tweede helft van de 11e eeuw is de Linge zover verzand dat de doorvaart naar het noorden onmogelijk wordt. 41 De haven raakt op zijn retour. Ten tweede worden schepen steeds groter, terwijl de mogelijkheden om grote schepen in Tiel af te meren steeds verder afnemen. Het overslagpunt voor zeeschepen verschuift bovendien naar het westen via Zaltbommel, dat in 999 muntrecht verkreeg, en in de late 12e eeuw naar de stapelplaats Dordrecht. Ten derde verworden in de 11e eeuw de Lage Landen steeds meer tot een perifeer gebied voor de heersers van het Duitse Rijk. Hendrik IV (1056-1106) is de laatste Duitse vorst die nog munten laat slaan in Tiel. Het centrale gezag wordt langzamerhand overgenomen door de hertog van Neder-Lotharingen en de lokale en regionale elite begint weer een grotere rol te spelen. Dit is ook zichtbaar in de muntslag. In deze periode gaat het (koninklijke) muntrecht over op regionale heersers. De keizerlijke tol van Tiel wordt in 1174 verplaatst naar Kaiserswerth. Kort daarna, in 1190, gaat de feitelijke politieke macht over naar Hendrik I van Brabant. De handelsnederzetting langs de Linge is dan al sterk op haar retour. De burcht en de stad worden in 1202 door de graven van Holland verwoest. Hierna vindt wel herbouw van de stad plaats, maar de

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 28

04-02-13 14:31


burcht wordt niet herbouwd. 42 Tiel verwordt van een internationale handelsplaats, tot een regionale stad en een speelbal tussen de Hertog van Brabant en de graaf van Gelre. De late 11e eeuw en de 12e eeuw zijn moeilijk te grijpen in de archeologische data. De bebouwing lijkt in deze periode af te nemen. Er zijn op de Tol-Zuid nog maar enkele paalsporen aangetroffen uit deze periode. Er zijn geen duidelijke gebouwen van te reconstrueren. Ook op andere locaties zijn nauwelijks gebouwsporen uit de 12e eeuw gevonden, maar wel vondstmateriaal, met name aardewerk. In Deventer en in Utrecht wordt de houtbouwfase in de 11e eeuw opgevolgd door gebouwen, vervaardigd uit tufsteen. Een natuurstenen bouwfase in Tiel lijkt tot op heden te ontbreken in de archeologische data. Bij het onderzoek naast de Caeciliakapel in 1950, wordt melding gemaakt van de funderingen van een tufstenen gebouw. Helaas geeft men hier geen duidelijke datering bij en is het ook niet duidelijk of het hier gaat om een religieus gebouw of woonhuis. Bij toekomstig onderzoek zal extra aandacht moeten worden besteed aan de periode late 11e tot 13e eeuw. Hier zit duidelijk een kennishiaat. Fase 5: 1150-1300. Transformatie van de handelsnederzetting In deze periode begint een nieuwe fase van de nederzetting Tiel, waarbij het economische zwaartepunt van riviertransport en overslag meer richting zee verschuift. De belangrijke handelsfunctie van Tiel wordt uiteindelijk door Dor­ drecht overgenomen. De handel verdwijnt niet volledig uit Tiel, maar krijgt vermoedelijk een steeds regionaler karakter. Na de verwoesting van 1202 wordt de stad herbouwd. Vermoedelijk is dit ook het moment dat de nederzetting van oriëntatie verandert. Na de afdamming van de Linge tussen 1268 en 1304 had deze rivier als oriënterend element afgedaan.43 Het zwaartepunt van de nederzetting komt steeds meer richting de Waal te liggen. De nederzetting kreeg hierdoor een drietal zeer opmerkelijke topografische

verschijnselen (zie afb. 9). Ten eerste ligt de stad met zijn korte zijde op de Waal georiënteerd. De meeste historische riviersteden zijn met een zo groot mogelijk oppervlak verbonden met de rivier. Op het moment dat de stad zich primair op de Waal gaat oriënteren, is de basis voor de stedelijke topografie al gelegd. Ten tweede heeft de St. Maartenskerk vermoedelijk ooit centraal in de agrarische nederzetting Dioli gelegen. Met het verschuiven van het zwaartepunt richting Waal is de kerk aan de rand van de laatmiddeleeuwse stad komen te liggen. Mogelijk gebeurt dit al na 1202, toen de eerste ommuring van Tiel werd aangelegd.44 De derde opmerkelijke verschuiving is de verschuiving van de burcht. De oude burcht ligt ter hoogte van het huidige Kalverbos en vormt samen met het St. Walburgklooster en de in 972 gebouwde palts het bestuurlijk centrum van Tiel, georiënteerd op de Lingehaven. Deze burcht wordt in 1202 door de graaf van Holland verwoest. Honderdvijftig jaar later wordt, kort na de overgang van Tiel naar Gelre, in 1356 een nieuwe burcht gebouwd, op een plek die op dat moment zo strategisch mogelijk ligt, namelijk georiënteerd op de Waal. Dit Nieuwe Tolhuis aan de kop van de Tolhuisstraat is een dwangburcht waar enerzijds de tolheffing wordt aangestuurd, maar waarmee anderzijds de bewoners van Tiel ook in de gaten kunnen worden gehouden. Het Tolhuis heeft daarom ook een eigen stadspoort.45 Bewoningssporen uit de 13e en 14e eeuw zijn schaars in het archeologische bodemarchief van Tiel. Uit deze periode zijn wel andere sporen, zoals egalisatie of ophogingslagen teruggevonden, maar duidelijke bewoningssporen ontbreken. Mogelijk zijn deze resten grotendeels verstoord geraakt door latere bebouwing. Bij toekomstig onderzoek zal aan deze periode extra aandacht moeten worden besteed. Conclusie Op basis van de beschikbare archeologische bronnen komt het beeld naar voren dat de nederzetting Tiel in de tweede Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 29

|

29

04-02-13 14:31


Afb 8. Muntschat uit het midden van de 10e eeuw, aangetroffen tussen de steigerwerken op de Tol Zuid. De schat bestaat uit 36 zilveren munten. Het opmerkelijkste exemplaar is een Engelse munt, geslagen tijdens de regeringsperiode van koning Eadwig, tussen 955 en 959. Foto: RCE.

helft van de 9e eeuw is ontstaan als primair agrarische nederzetting rond de St. Maartenskerk. Pas aan het einde van de 9e eeuw heeft de nederzetting een handelsfunctie gekregen. Deze handelsnederzetting lijkt in eerste instantie een gecombineerde inspanning te zijn geweest van de graven van Teisterbant en de Duitse koning. Na 950 lijkt onder de hoede van de bisschop van Utrecht en de Duitse vorsten de handelsnederzetting Noten 1 Jan-Willem Oudhof is vanuit Buro de Brug projectleider van het NWO Odysseeproject ‘Tiel rond 1000’. Het project is uitgevoerd in samenwerking met de gemeente Tiel, de Universiteit van Amsterdam en de provincie Gelderland. 2 Het gaat hierbij om de opgravingen Koninginnestraat 1983, Achterweg 1994, Tol Noord 1996 uitgevoerd door de toenmalige ROB en de opgraving Agnietenstraat 1999, uitgevoerd door ADC/JWS, (zie afbeelding 1). 3 Oudhof, Verhoeven en Schuuring in prep. 4 O.a. Dijkstra 1996, Sarfatij 2001, van Doesburg 2002, Verhelst 2006 en Bartels en Oudhof 2007. 5 Aanwijzingen voor Tiel als een stad met een laatmerovingische oorsprong (Bekius e.a. 2005, 63) ontbreken (zie ook Mutter 1955). Ook de datering van (mogelijk) scheepshout uit de 7e en 8e eeuw in de omgeving van de Westluidensestraat is verre van duidelijk. 6 Kunzel et.al. 1988, 347. Het gaat om een vermelding bewaard in kopievorm uit de periode 1170-1175.

30

|

tot grote bloei te komen. Deze bloeiperiode komt uiteindelijk in de tweede helft van de 11e eeuw ten einde. Hierna verandert de internationale handelsnederzetting langs de Linge tot een regionale havenstad langs de Waal. p/a Buro de Brug Donker Curtiusstraat 7-325 1051JL Amsterdam j.w.oudhof@burodebrug.nl

7 8 9 10 11 12 13 14

Van Doesburg 2002, 85. Oudhof 2000, 49. Botman en Kenemans 2001. Van Vliet 2002, 44. Holzbauer, 1972, 499. Boersma, 1990, 187. Theuws 2003, 16. OSU I, nr.118 Otto (936-962/973) Wientjes 2006. 15 Wientjes 2006, 7. 16 Wientjes 2006, 9 17 Van Renswoude et.al. 2011, 3. 18 Wientjes 2006, 5. 19 Smit en Kers 2001, 14. 20 Wientjes 2006, 6. 21 Kalmring 2010, 25. 22 Ellmers 1981, 89. 23 Kalmring 2010, 26. 24 Dijkstra 1996, 18. 25 Bartels en Slechte 2007, 45. 26 Van Rooijen 2010a, 20. 27 Helaas zijn de opgravingen rond de Vecht in Utrecht niet uitgewerkt, zodat scherpe dateringen nog ontbreken. 28 Mittendorff 2007, 251. 29 Van Rooijen 2010a, 24.

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 30

04-02-13 14:31


30 Van de Walle 1960. 31 Wientjes 2006, 10. 32 Van Vliet 1995, 20. 33 Wientjes 2006, 6. 34 Dijkstra 1998, 49. 35 Bartels en Slechte 2007, 45. 36 Van Rooijen 2010a, 19. 37 Van Rooijen 2010a, 22. 38 Dijkstra 1998, 26. 39 Mittendorff 2007, 261 40 Oudhof et al 2001, 52.

41 Smit/Kers 2001, 19. 42 Smit en Kers vermelden dat tot het einde van de 16e eeuw de ruïne van de oude burcht aan de Papesteeg te zien was, hierbij ontbreekt echter een duidelijke verwijzing. 43 Zie voor de discussie over de eerste afdamming van de Linge Boreel 2004, 4-5. 44 Wientjes 2005, 9. 45 Smit/Kers 2001, 34.

Literatuur Bartels, M.H. & J.W. Oudhof, 2007: Tiel, opkomst, bloei en ondergang van (het onderzoek naar) de vroeg-middeleeuwse handelsnederzetting, Westerheem 56 (6), 440-452. Bartels, M.H. & H. Slechte, 2007: Deventer, missiepost en handelsnederzetting aan de IJssel, Overijsselse Historische Berichten 122, 33-50. Bekius, D. et al., 2005: Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Tiel een inventariserend cultuurhistorisch onderzoek, Amsterdam (RAAP-rapport 1108). Boersma, J.W.,J.F.J. van den Broek & G.J.D. Offerman (red.), 1990: Groningen 1040. Archeologie en oudste geschiedenis van de stad Groningen, Bedum. Boreel, G., 2004: Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Tiel-Voorstad, Amsterdam (ZAN 14). Botman & A.E./M.C. Kenemans, 2001: Sporen en Structuren, in Verhoeven, A.A.A.& O. Brinkkemper, Archeologie in de Betuweroute. Twaalf eeuwen bewoning langs de Linge bij De Stenen Kamer in Kerk-Avezaath, Amersfoort (ROB rapportage archeologische monumentenzorg 85), 59-130. Dijkstra, J., 1996: Archeologisch onderzoek in de binnenstad van Tiel juni t/m september 1996: lokaties Koornmarkt en Tol-Zuid, Amersfoort (Rapport Archeologische Monumentenzorg 57). Doesburg, J. van, 2002: De elf gedaanten van de Sint Maartenskerk te Tiel, in P.J. Woltering/W.J.H. Verwers/G.H. Scheepstra (red.), Middeleeuwse toestanden. Archeologie, geschiedenis en monumentenzorg. Feestbundel aangeboden aan Herbert Sarfatij bij zijn 65ste verjaardag, Amersfoort, 77-92. Ellmers, D., 1981: Post-Roman waterfront installations on the Rhine, in G. Milne & B. Hobley (eds.), Waterfront archaeology in Britain and northern Europe, York (CBA Research report 41). Holzbauer, H., 1972: Mittelalterlichen Heiligenverehrung-Heilige Walpurgis (Eichstätter Studien, N.F. 5). Kalmring, S., 2010: Der Hafen von Haithabu, Neumünster (Wachholtz Verlag). Kunzel, R.E. & D.P. Blok & J.M. Verhoef, 1988: Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200, Amsterdam. Mittendorff, E., 2007: Huizen van heren. Archeologisch onderzoek naar het proces van verstedelijking en de vorming van een stedelijke elite in het Polstraatkwartier van Deventer, ca. 800 – 1250, Deventer (Rapportages Archeologie Deventer 20). Müter, H., 1955: Het ontstaan van de stad Tiel, Bijdrage voor de Geschiedenis der Nederlanden 9, 161-189. Oudhof, J.W., J. Dijkstra& A.A.A. Verhoeven, 2000: Archeologie in de Betuweroute. ‘Huis Malburg’ van spoor totspoor. Een middeleeuwse nederzetting in Kerk-Avezaath, Amersfoort (ROB rapportage archeologische monumentenzorg 82). Oudhof, J.W.M., A.A.A. Verhoeven en I. Schuuring in prep: Tiel rond 1000, analyse van enkele oude opgravingen in de binnenstad van Tiel. Themata 5. Renswoude, J. van, et.al., 2011: Evaluatierapport van het Definitief Archeologisch Onderzoek te Tiel-Dominicuskwartier, Amsterdam. Rooijen, C. van, 2010a: Utrecht in de periode 700-1200, Jaarboek Oud-Utrecht 2010, Utrecht (Oud-Utrecht), 5-46. Sarfatij, H., 2001: Tiel in de 10e en 11e eeuw. Opvolger van Dorestad in archeologie en historie, Bijdragen en mededelingen Gelre 92 (2001), 11-32. Smit, E.J.Th.A.M.A. & H.J. Kers, 2001: De geschiedenis van Tiel, Tiel. Theuws, F., 2003: De sleutel van Sint Servaas. Uitwisseling, religie, identiteit en centrale plaatsen in de Vroege Middeleeuwen, Amsterdam. Van de Walle, A.L.J., 1968: Het bodemonderzoek in de binnenstad van Antwerpen, in Rotterdam Papers. A Contribution to Medieval Archaeology, Rotterdam, 169-175. Verhelst, E.M.P., 2006: De nederzetting Zandwijk, door een rivier gescheiden van Tiel. Bewoningssporen uit de 10de en 11de eeuw na Chr. in het plangebied Tiel-Binnenheuvel, Amsterdam (Zuid-Nederlandse Archeologische Rapporten 27). Vliet, K. van, 2002: In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227, Zutphen (Walburg Pers). Wientjes, R.C.M., 2005: Palts, burcht en klooster van Tiel. Onderzoeksverslag Historisch Bureauonderzoek Plangebied «St. Walburgsingel» (Dominicuskwartier) gemeente Tiel, projectnr. 591.204, Tiel.

Rondom de Stad

01-2013 binnenwerk def.indd 31

|

31

04-02-13 14:31


Literatuurrubrieken

Recensies Adri van der Meulen en Paul Smeele, De pottenbakkers van Gouda 1570-1940 en hun betekenis voor de geschiedenis van de Nederlandse keramiek. Leiden 2012. ISBN 978-90-5997-129-5. Hardcover, geïll., 294 pag., € 39,40 Een groot deel van de Nederlandse bevolking associeert Gouda in de eerste plaats met kaas, vervolgens met tabakspijpjes en ten slotte met kaarsen, al worden de Goudse kaarsen al lang niet meer in Gouda gemaakt. Een bescheidener deel van de Nederlanders weet ook nog de link te leggen met het befaamde Goudse plateel, kunstaardewerk uit de eerste helft van de 20e eeuw. Gouds plateel geniet, zowel nationaal als internationaal, een enorme belangstelling. In 2009 verscheen over dat Goudse kunstaardewerk het standaardwerk The Gouda Pottery Book; plateelmakers in Holland. Dit werk, drie kloeke delen in een cassette, geeft een praktisch compleet overzicht van de fabrieken en werkplaatsen, productie, modellen, decoraties, ontwerpers, schilders, merktekens etc. van het kunstaardewerk uit en van buiten Gouda uit de 20e eeuw. Aan de basis van dat Goudse kunstaardewerk staat Adrianus Jonker Kzn. Hij introduceert in 1898 het plateel dat Gouda wereldwijd beroemd zou maken. Naast de firma Jonker Afb. 1 Rood, groen en geel Gouds aardewerk, bodemvondsten uit Rotterdam, Delft en Dordrecht. Uit: De pottenbakkers van Gouda 1570-1940.

32

hebben pijpenmakers Van der Want (Ivora, Regina, Zenith) en Goedewaagen het nieuwe kunstaardewerk vormgegeven. In hun kielzog verschenen vanaf 1920 tal van kleinere fabrieken, voor een groot deel opgericht door oud-werknemers van de pottenbakkerijen en de nieuwe plateelfabrieken. De faam van het Goudse plateel en de Goudse pijp heeft het belang van het gewone pottenbakkersgoed decennia lang overschaduwd. Maar aan het succes van het Goudse plateel gaat een 350 jaar lange traditie van productie van gewoon gebruiksaardewerk en van tabakspijpen vooraf. Zo was Adrianus Jonker mede-eigenaar van drie pottenbakkerijen. Die 350 jaar lange traditie van de productie van gebruiksaardewerk in Gouda wordt beschreven en afgebeeld in het onlangs verschenen boek van Adri van der Meulen en Paul Smeele. Eerder verschenen van hun hand een aantal grote en kleine publicaties over pottenbakkerijen en potten uit onder meer Friesland, Oosterhout, Doesburg, Delft, Hazerswoude en Gorinchem. Zij combineren steeds het resultaat van intensief en breed speurwerk in de archivalische bronnen met de studie van het veelal schaars beschikbare pottenbakkersafval en het vergelijkbare materiaal dat elders is aangetroffen. In de talrijke, vaak kleine bedrijven is de ambachtelijke kennis van generatie op generatie doorgegeven, zo constateren zij. Dat de Goudse industrie al die eeuwen heeft weten te overleven komt door een aantal factoren. Allereerst levert Gouda een kwaliteitsproduct met een breed vormenspectrum: kook- en bakgerei, kannen, vergieten, koppen, kommen, komforen, po’s, kinderspeelgoed en nog veel meer. Vooral de groen en geel geglazuurde kannen vinden veel aftrek, met name op de Amsterdamse markt. Verder zorgt de Goudse tabakspijpenindustrie voor een con-

| Literatuurrubrieken

01-2013 binnenwerk def.indd 32

04-02-13 14:31


stante financiële basis: met de pijpenindustrie zijn financiële afspraken gemaakt over het bakken van hun pijpen in de ovens van de pottenbakkers. De Goudse industrie weet zich ook aan te passen aan nieuwe vragen vanuit de markt. Wanneer vanaf 1760 massale hoeveelheden aardewerk tegen sterk concurrerende prijzen de Rijn afzakken en de Nederlandse aardewerkmarkt op zijn kop zet, schakelen de Goudse pottenbakkers massaal over op de namaak van deze zogenaamde Frankforter potten. Door vanuit de modellen van het Frankforter aardewerk, het Engelse serviesgoed en het eigen traditionele aardewerk tot een nieuwe vormgeving te komen, weet Gouda zich als belangrijke speler op de aardewerkmarkt te handhaven. Aan het einde van de 19e eeuw wordt Gouda zelfs het grootste productiecentrum van Nederland en worden Bergen op Zoom, Oosterhout en Friesland, de andere drie spelers op de Nederlandse aardewerkmarkt, voorbijgestreefd. Waarbij overigens Bergen op Zoom zich binnen Nederland weet te handhaven als het belangrijkste productiecentrum voor het grovere gebruiksaardewerk, aardewerk voor de zuivelbereiding en potten voor het bereiden van maaltijden op het vuur. De auteurs beperken zich overigens niet tot Gouda, maar beschouwen de positie van Gouda ook ten opzichte van de andere Hollandse steden. * * *

Han van der Stok (camera), Mart Pot (camera en productie) en Arend Boer (camera en montage), Graven in het verleden, DVD, AWN Zaanstreek, 2012, € 5,-- (incl. verzending € 7,50): onem@chello.nl of 06 4444 3784 De AWN afdeling Zaanstreek/Waterland e.o. heeft een 23 minuten documentaire op DVD uitgegeven. De film toont de uiteenlopende activiteiten van de in 1960 opgerichte afdeling, in het verenigingsgebouw en op locatie in het veld. Na een bijzondere intro met enkele traag roterende fraaie bodemvondsten volgen full-color filmbeelden over het inzamelen, scheiden en verwerken van de gemiddeld 515 kilo huisvuil die inwoners van de Zaanstreek heden ten dage per jaar produceren, gevolgd door een zwart-wit voorstelling van hoe in het verleden op het platteland een theekopje sneuvelt waarvan vervolgens de scherven eenvoudigweg in de achter het huis gelegen sloot worden gedumpt. Zo moet ter plaatse een afvallaag zijn ontstaan, die eeu-

wen later een dankbare bron vormt waarmee de afdeling aan de slag kan gaan. Op de DVD wordt speciaal aandacht besteed aan het onderzoek van zo’n sloot in Jisp, waarin men ooit afval heeft gedumpt. De sloot, die te voorschijn is gekomen bij de aanleg van een fundering, bevatte het gebruikelijke 17e-eeuws huishoudelijke afval zoals potscherven, glas, leer, botmateriaal, maar ook de fragmenten van een gebrandschilderd ruitje. Op het ruitje is tegen een achtergrond van (kerk)gebouwen een voorstelling te zien van personen die zich met iets onduidelijks bezig houden. Daaronder staat een tekst, een persoonsnaam en het jaartal 1688. Na droging dreigt de afbeelding los te komen van het glas, zodat deskundige restauratie noodzakelijk is. De film laat zien hoe de glasscherven zijn verzameld en hoe het ruitje wordt geconserveerd. Boeiend is de daarop volgende succesvolle speurtocht naar herkomst van tekst en afbeelding, waarbij de oplossing wordt gevonden in de verzameling van de bibliotheek van het Nederlands Bijbelgenootschap. De DVD eindigt zoals hij is begonnen, met langzaam ronddraaiende topstukken uit de bodem van Zaanstreek/Waterland. De DVD is uiteraard bij de afdeling verkrijgbaar, maar kan ook op YouTube worden bekeken: http://www.youtube.com/ watch?v=MeZ64gjsNvM.

Afb. 2 Gebrandschilderd ruitje uit Jisp, gedateerd 1688, met bijbelse voorstelling en dito tekst. Uit: Graven in het verleden, DVD AWNafdeling Zaanstreek/ Waterland Lüneburg, eerste helft 17e eeuw. Uit: Porzellan, Fayence, Majolika.

* * *

Jan J.B. Kuipers, Valkenisse. Geschiedenis, archeologie en topografie van een verdronken dorp op ZuidBeveland. AWN 2012. ISBN 978-909027100-2. Geïll., 192 pag., € 15,--. Het verdronken dorp Valkenisse is er één zoals er vele in Zeeland zijn geweest, gesticht in de 13e of vroege 14e eeuw, de kerk in het midden met de bijbehorende begraafplaats, enkele tientallen huisjes er omheen, de woonstee van de lokale ambachtsheer, een molen, een landbouwhaventje, misschien wat visserij, moernering en verder vooral kleinschalige landbouw en veeteelt. Voor Valkenisse, gelegen langs de noordelijke oever van de Westerschelde, kwam daaraan drastisch een einde in 1682: “ ‘t Water is soo hoog gecomen dat de wegen onderliepen omtrent 6, 8, 10 voet ende meer soo dat meest al de Beesten buijten het dorp zijnde, omgecomen zijn, ende oock vele in het dorp maar door Godes genade niet een mensche, niet tegenstaande dat (ver)scheijde Huijsen sijn wegh gespoelt maar dogh na dat de menschen

Literatuurrubrieken |

01-2013 binnenwerk def.indd 33

33

04-02-13 14:31


Afb. 3 Valkenisse. Cover van het besproken boek.

met een boot daar af waren gehaalt, daar was dien ganschen nacht sulcken droevigen geschreuw, gehuil, gekrijt ende gecrijsh van menschen en Beesten als met geen penne uijt gedruckt kan worden”. Aldus een ooggetuigeverslag. Het dorp wordt definitief aan de elementen prijs gegeven en vormt eeuwenlang een bron van bouwmaterialen voor de nabij binnendijks gelegen omgeving. De wapenspreuk Luctor et Emergo, ik worstel en kom boven, mag dan voor de inwoners van Zeeland in het algemeen gelden, maar niet voor hun woonplaatsen, die in veel gevallen nooit meer zijn herbouwd. De ene keer bedekt de Westerschelde de overblijfselen met een laag klei, dan weer verlegt de stroom zich en spoelen de fundamenten bloot. Dat geldt ook voor het verdronken Valkenisse, wanneer aan het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw dat blootspoelen zodanige vormen gaat aannemen dat de schedels van degenen die daar ooit ter aarde waren besteld als speelbal van wind en water over het slik rollen en, zoals op veel andere verdronken plaatsen in Zeeland, schatgravers er regelmatig hun bijdragen aan de antiekhandel gaan opdelven. Op dat moment besluit de AWN afdeling Zeeland, gesteund door het archeologische gezag, het verdronken dorp te adopteren. Hun werk

bestaat vooral uit het in kaart brengen van het dorp en het archeologisch begeleiden van het eroderende werk van de Westerschelde. Daarnaast zijn er tal van excursies naar de site georganiseerd en worden basisscholen verrijkt met educatieve projecten over Valkenisse en andere verdronken plaatsen. Inmiddels heeft Rijkswaterstaat strekdammen aangelegd met het gevolg dat het gebied langzamerhand weer stilletjes onder het slijk verdwijnt. Er is al veel gepubliceerd over het verdronken dorp Valkenisse en over het in de nabijheid ervan gelegen Fort Keizershoofd. Het nu in de AWNreeks verschenen sober uitgevoerde boek laat dit alles nog een keer zien, de geschiedenis van het dorp, de topografische situatie, de materiële cultuur van haar inwoners, de plattegrond, de ondergang, het onderzoek en de onderzoeksresultaten. Een vraag is nog niet opgelost, het boek gaat daaraan voorbij: de scherf van een merovingische knikwandpot die ik in het archeologische depot van Zeeland aantrof tussen het laatmiddeleeuwse afval van Valkenisse. Misschien iets voor een volgende generatie wanneer de stroomgeulen in de Westerschelde zich weer eens verlegd hebben. Gerrit Groeneweg

Signalementen Hemmy Clevis & Suzanne Wentink (red.), Overijssels Erfgoed. Archeologische en Bouwhistorische Kroniek 2011. SPA Uitgevers, Zwolle 2012. ISBN 978-908932-103-9. Geïll., 181 pag. De kroniek begint met een aantal korte samenvattingen van uitgevoerd archeologisch onderzoek in de gemeenten Deventer, Dinkelland, Kampen, Ommen, Zwartewaterland en Zwolle. Hierna gaat Ad Verlinde in op een urnenveld uit de Late Bronstijd bij Mander (gemeente Tubbergen) en in het bijzonder op de (rituele) structuur daarvan. Michael Klomp bespreekt een groep bijzondere textielloden, afkomstig van de Nieuwmarkt in Zwolle, waarvan er een rechtstreeks lijkt verbonden met het schilderij ‘De Staalmeesters’ van Rembrandt. Ivo Hermsen wist uit 36 scherven een, op de bodem na, archeologisch complete pot te reconstrueren uit de overgang van Vroege naar Midden-Bronstijd. Het handelt hier om

34

een Riesenbecher, 30 tot 55 cm hoge, dikwandige, met grof steengruis gemagerde potten, in Nederland vaak ‘bekerpot’ genoemd. Alexander Jager vult de helft van de kroniek met ‘De kerk in het midden’. In dit interessante overzichtsartikel over religieus erfgoed aan de monding van de IJssel vóór 1580 staat de gemeente Kampen centraal met de plaatsen Kampen (kerk in ±1200), IJsselmuiden (±1200), Wilsum (±1050), Zalk (11e-12e eeuw) en Kamperveen (eerste helft 14e eeuw). In Kampen, Wilsum, Zalk en IJsselmuiden verschenen romaanse kerken, waarvan die in Kampen in de eerste helft van de 14e eeuw door de gotische Bovenkerk is vervangen. Jager volstaat niet met een beschrijving van de vroegere en nu nog bestaande gebouwen, maar informeert ook over het religieuze leven in de Middeleeuwen. Suzanne Wentink besluit de kroniek met een overzicht van in 2011 uitgebrachte rapporten. Jan Coenraadts

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 34

04-02-13 14:31


De Vereniging Stuur uw berichten voor het Verenigingsnieuws en de agenda naar Marijn Lockefeer: heinlock@ziggo.nl

Verenigingsnieuws ALV 2013 Uitnodiging voor de Algemene Ledenvergadering op 13 april te Staphorst

Het hoofdbestuur van de AWN heeft het genoegen u uit te nodigen tot het bijwonen van de Algemene Ledenvergadering (ALV) op zaterdag 13 april 2013 in het in het educatief centrum voor natuur en historie ‘De Veldschuur’ in Rouveen bij Staphorst/Hasselt. De Veldschuur is de thuishaven van de stichting ‘Vrienden van de Oldematen’ (af b. 1), Staatsbosbeheer, AWN afd. 20 IJsseldeltaVechtstreek en de archeo-werkgroep SWARS. In de Veldschuur kunt u kennismaken met de geschiedenis van een speciaal stukje ‘Natuurlijk Nederland’. Na de ledenvergadering zullen lezingen worden gegeven over de archeologische en natuurlijke omgeving van Staphorst en de Beulaker Wiede. U zult in de middagtijd worden ingescheept in f luisterboten van Natuurmonumenten in Sint Jansklooster en varen we naar een archeo-vondstlocatie van het - nabij Giethoorn gelegen ‘verdronken dorp’ Beulake. Kortom het wordt weer een leerzame, boeiende en gezellige dag. U bent van harte welkom! Het programma Het voorlopige programma voor deze dag ziet er als volgt uit: 10.00 - 10.30 uur ontvangst van de deelnemers 10.30 - 10.35 uur opening voorzitter

10.35 - 10.45 uur welkomstwoord door gemeentebestuur 10.45 - 10.55 uur inleiding door Fre Spijk, voorzitter van AWN afd. 20 (SWARS) 11.00 - 12.15 uur ledenvergadering 12.15 - 13.15 uur lunch 13.15 - 16.30 uur middagprogramma – activiteiten in en rondom het informatiecentrum waaronder lezingen, presentaties van AWN afd. 20 (SWARS), varen met f luisterboten naar de locatie ‘verdronken dorp Beulake’, met aan boord Rint Massier de duiker naar het ‘verleden van het dorp Beulake’ 16.30 - 17.00 uur afsluiting met een hapje en een drankje.

Afb. 1. Een speciaal stukje Nederland. Foto: Fred van den Beemt.

Deelname Alle deelnemers, ook degenen die niet aan de lunch en het middagprogramma wensen deel te nemen, wordt verzocht zich vóór vrijdag 15 maart 2013 aan te melden bij de landelijk penningmeester van de AWN Joop Bosch, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden, of per e-mail: bosch.joop@gmail.com. Dieetwensen t.a.v. de lunch graag vermelden. N.B. Om te weten, voor hoeveel personen vanaf station Meppel vervoer moet worden geregeld, vragen wij u te vermelden of u komt met auto of trein. Reizigers met de trein worden bij station Meppel met een pendelbusje opgehaald en ‘s middags teruggebracht. Voor deelname aan de lunch en het middagprogramma (introducé(e) zijn welkom) dient men per persoon € 17,50 over te maken op bankrekening 577808 t.n.v. AWN te Roden. De jaarstukken, agenda en uitgebreid programma worden aan degenen, die zich hebben aangemeld, omstreeks 1 april toegezonden.

De Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 35

35

04-02-13 14:31


Interview met de nieuwe eindredacteur van Westerheem Saskia Appel (afb. 2) Afb. 2. Saskia Appel in haar kantoor. Foto: Riccardo Meloni.

Saskia, ik heb horen verluiden dat je alleen al bij het zién van de vacature voor eindredacteur ‘een gat in de lucht sprong’; als dát geen enthousiasme is! Ja, en ik ging er zelfs bijna aan voorbij dat ik nog moest solliciteren. Maar de functie bood exact waar mijn hart al zo lang naar uitgaat: bezig zijn met geschiedenis en bladen maken. Die liefde voor geschiedenis, was dat al iets dat je in je jeugd voelde? Nou en of: ik ben opgegroeid in het noordoosten van Friesland in een huis waarvan de keuken vroeger een molenaarshuisje was. Maar wat me echt heeft geïnspireerd is het verhaal dat dit de plek zou zijn waar Bonifatius is terechtgesteld! Daarom ben ik als kind in onze tuin ook aan het opgraven geslagen, met als resultaat allerlei potscherven en pijpenkoppen. Leverden je ouders ook een bijdrage aan jouw passie? Want zo mogen we, denk ik, jouw interesse toch wel noemen. Ik ging met mijn ouders vaak naar Frankrijk waar ze mij meenamen naar kastelen en grotten. Ik verzamelde er ook stenen en fossielen. Maar afgezien van mijn archeologische belangstelling was mijn grote droom toch: schrijver worden! Met dank aan Bonifatius, waarschijnlijk. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat je al vroeg met het bedenken en schrijven van verhalen bent begonnen. Ik herken namelijk zoveel van wat je vertelt bij mezelf. Daar heb je gelijk in. Op de basisschool ben ik al driftig aan het schrijven geweest en ik ben er nooit mee opgehouden. Gezien mijn voorgeschiedenis was het logisch dat ik geschiedenis ging studeren, maar ook dat ik via die studie de journalistiek in wilde. Tijdens mijn studie schreef ik al veel, voornamelijk politiek getint: over mensenrechten, tegen racisme. Misschien wel op grond van mijn artikelen kreeg ik een eigen televisieprogramma op een Amsterdamse lokale zender. Het gevolg was echter dat ik stopte met mijn studie; ik dacht,

36

naïef genoeg, dat ik het al ‘gemaakt’ had. Jammer (althans, dat vind ik)! En die mooie verhalen – misschien wel het echte schrijven – zijn die er helemaal bij ingeschoten? O nee; ik heb verschillende schrijfwedstrijden gewonnen met mijn korte verhalen en zelfs een eigen verhalenbundel gepubliceerd, genaamd ‘Verloren onschuld’. Een grote uitgeverij heeft me overigens nog niet ‘ontdekt’. Nu je het over een uitgeverij hebt: je andere passie, het maken van bladen verdient nog toelichting. Dat is waar: nou, ik heb voor diverse tijdschriften gewerkt, ben weleens een blad begonnen en heb mensen met een psychische problematiek begeleid met het maken van een krant. Mijn ambitie ging de laatste jaren in de richting van het uitgeven, maar een baan in die hoek zat er niet in, o.a. door een rigoureuze reorganisatie bij de uitgever van medisch-educatieve boeken waar ik werkte. Ik ben toen uit gesprekken met een coach erachter gekomen dat ik naast het uitgeven toch ook wel iets wilde doen met mijn ‘ondergesneeuwde’ jeugdliefde: archeologie en geschiedenis. The rest is (recent) history! Duidelijk! Waar ik nu nog erg nieuwsgierig naar ben is welke historische of archeologische periode je het meest trekt. Absoluut de Prehistorie; ik zou het zelfs mijn missie willen maken om kennis daarover in Nederland onder een breed publiek te verspreiden. Ons land heeft zoveel interessants op cultuurhistorisch gebied; ik zou ook best excursies door interessante landschappen willen organiseren. Ik ben begonnen met het verzamelen en publiceren van interessante activiteiten over Prehistorie (maar ook over de Middeleeuwen) op een eigen website (www.bonadea. nu). Ook ben ik actief op twitter (bonadeatweets). Heb je naast al die bezigheden ook nog tijd voor andere hobby’s (ik ben zo vrij geschiedenis, archeologie en schrijven als hobby’s te beschouwen)? Jazeker; ik wil me met een andere website www.fantastischverleden.nl gaan richten op mensen die zowel van geschiedenis als van Fantasy houden. Festivals die beide elementen combineren, zoals Archeon Midwinterfair en Castlefest, vind ik geweldig! Bedankt voor dit interview, Saskia. Met zo’n enthousiasme, knowhow en belangstelling zul je beslist een aanwinst voor de reactie van Westerheem zijn. Ik wens je veel plezier en succes. Marijn Lockefeer

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 36

04-02-13 14:31


Verslag Afgevaardigdendag 2012 Aanwezig waren op 3 november ca 50 AWN’ers die een interessante en nuttige dag beleefden. Van de redactie waren Akke de Vries (HB-lid), Ria Berkvens (lezinghouder) en ondergetekende aanwezig. Mededelingen - In september overleed erelid Pieter van der Voorde, jarenlang voorzitter van Afdeling Utrecht en oud-voorzitter van het Hoofdbestuur. We waren even stil voor Pieter (verderop in dit Verenigingsnieuws vindt u een In Memoriam). - Afd. 3 maakte een dvd over het werk van de AWN, te verkrijgen via voorzitter Menno de Boer. - Aangezien er hier en daar (o.m. als gevolg van gemeentelijke herindelingen) onduidelijkheid is over de juiste begrenzing van het werkgebied, kan daar later op de dag m.b.v. overzichtskaarten een oplossing voor worden gezocht. Verslag 19-11-2010 vorige Afgevaardigdendag Het 12 pagina’s lange verslag van de vorige Afgevaardigdendag werd met wat opmerkingen goedgekeurd. De opmerkingen hadden vooral betrekking op het hebben van overzicht over wie lid is en wie niet meer. Sommigen houden op met betalen en gaan er van uit dat het dan duidelijk is dat ze geen lid meer zijn. Nog pijnlijker is dat nu en dan een lid wordt gemaand tot betaling, terwijl die aantoonbaar al plaatsvond. Behalve het punt ‘verzekeringen’ lijken alle actiepunten van vorig jaar te zijn uitgevoerd.

naal netwerk. Een punt van doorslaggevende betekenis vindt Pierre goede contacten met historische verenigingen. Daar staat of valt vrijwel alles mee, vanwege hun grote kennis van plaatselijke zaken. Een en ander voorkomt niet dat er zich soms teleurstellende ervaringen voordoen, maar gelukkig blijkt er in veel gevallen veel goeds mogelijk. Pierre gebruikte herhaaldelijk de niet onaardige term ‘lousy booronderzoek’ en dan is meteen duidelijk dat het betreffende archeologische bedrijf een ondermaatse prestatie (lousy performance?) neerzette. Ria Berkvens vertelde ondertussen in de parallelsessie hoe het er in Oost-Brabant archeologisch toegaat. Door haar huidige functie als regio-archeoloog in 15 gemeenten en (voor die tijd) door haar jarenlange veldwerkleiderschap binnen Afd. 23, kent zij het gebied erg goed, heeft ze veel contacten en dat verruimt de mogelijkheden extra. Hier gaat dus veel goed, maar ook niet alles. In de Nieuwsbrief van de afdeling kom ik helaas ook geregeld Brabantse misstanden tegen. Netwerken met detectoramateurs Na de goed verzorgde lunch vertelde Gert Lugthart over hoe DDA’ers omgaan respectievelijk zouden moeten omgaan met archeologische belangen. Ondanks de 1600 leden van de DDA lopen er evenveel zoekers rond die vaak redelijk of volkomen lak hebben aan de hogere beginselen van de DDA, laat staan

Afb. 3. Uitleg over het correspondentensysteem. Foto: Fred van den Beemt.

Netwerken voor behoud en bescherming Chana Cohen Stuart maakte duidelijk hoe goed de samenwerking tot ieders voordeel verloopt in de West-Betuwe, maar dat is vooral te danken aan de vrijwilligers van de AWN die belangrijke zaken signaleerden die anders ongezien waren verdwenen. Pas in tweede instantie kwam er dan toch een onderzoek met (gratis) mankracht van de AWN, waarbij de gemeente een kraan betaalde en voor een bescheiden beroepsmatige begeleiding zorgde. Wanneer zo’n onderzoek in KesterenHogewoerd in drie weken tijd dan 20000 scherven en 10000 botfragmenten oplevert... Vervolgens verdeelden we ons in twee groepen: Pierre van Grinsven legde (ook aan mij) uit hoe het correspondentensysteem werkt binnen Afdeling Rijnstreek en waarop vooral moet worden gelet bij het opbouwen van een regioDe Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 37

37

04-02-13 14:31


aan die van de AWN. De vergadering is behoorlijk overtuigd van de goede wil van de DDA en het HB belegt binnenkort een bijeenkomst met het bestuur van de DDA. Nieuws - Wim Schennink stipte de jeugdeducatie aan onder meer de stagebegeleiding die zijn Afdeling 17 verzorgde voor studenten van Hogeschool Arnhem Nijmegen (HAN) en Ede (CHE). - Diverse andere afdelingen houden zich met (maatschappelijke) stage bezig: 1-20-21-8-17-23 - Devon de Jong verzorgt de website www. archeologieopschool.nl. - Verder onthulde Wim het bestaan van zoekkaarten en ander materiaal, alle goed te gebruiken op scholen en tijdens manifestaties. - De NJBG’ers ontvangen een brief van AWNNJBG, waarin hun wordt verteld onder welke AWN-afdeling hun woonplaats valt. Die afdeling zal hen dan verder op de hoogte houden van voor hen (hopelijk) interessante AWN-zaken. - In en om Barneveld verplichtten IVN en AWN zich contractueel om voor het onderhoud aan grafheuvels te zorgen. - Ruud Raats zoekt nog goede projecten voor de graafkampen. Niet zelden gaan voorgenomen projecten op het laatste moment niet door of worden ze uitgesteld. In beide gevallen wordt er niet gegraven en dus ook niet door AWN’ers. - Het HB wil graag dat alle afdelingen nu en dan een beginnerscursus hebben voor nieuwe leden. Nu zijn er maar enkele afdelingen die dat doen. - De structurele subsidie verdwijnt, maar wellicht kan een projectsubsidie worden verworven die activiteiten rond ledenwerving en ledenbehoud mogelijk maakt. - Het blijkt dat diverse zaken die eerder na overleg met de RCE bereikbaar waren (rapporten/Archis) voor AWN’ers nu weer zijn afgeschermd. Rapporten zijn soms pas verkrijgbaar na twee jaar of ook daarna niet, terwijl alles dat vergunningplichtig is als regel

openbaar dient te zijn. - Voor het penningmeesterschap meldden zich nog geen kandidaten. Joop maakt bekend dat het werk van de nieuwe penningmeester een stuk eenvoudiger wordt na het wegvallen van de structurele subsidie van het Fonds Cultuurparticipatie. Misschien dat dit lokkertje iemand over de streep trekt? Rondvraag - Henk Rebel (Afd. 12) spreekt zijn waardering uit voor de inzet van het HB. - Jan Boes (Afd. 21) informeert naar de vlag van de AWN. Deze gaat € 50 kosten, maar een spandoek is al klaar. - Een dame (Afd. 16) vraagt of er AWN-leden zijn die niet aan een afdeling zijn gekoppeld. Die zijn er niet, behoudens geassocieerde leden en leden in het buitenland. - Teus Koorevaar (Afd. 11) vindt dat het bijhouden van de aan de AWN-website gekoppelde afdelingswebsite niet meevalt. Volgens het HB komt er een nieuwe website, want de oude kan niet alles wat we willen. - Mia Corbeek (Afd. 17) vraagt hoe moet worden omgegaan met grensconflicten tussen afdelingen. Desgewenst wil het HB wel bemiddelen. Verder vraagt Mia zich af waarom niet alle lezingen e.d. in de agenda van Westerheem verschijnen. Akke zegt dat de beschikbare ruimte soms f luctueert. JC voegt daaraan toe alle informatie liefst rechtstreeks naar Marijn te sturen. - Akke (redactie Westerheem) vraagt om aardige, kleine bijdragen voor Westerheem, bijvoorbeeld Mooiste Vondsten. - Anton Cruysheer (Afd. 13) vertelt hoe zijn afdeling bezig is met de digitalisering en al een aardige slag heeft gemaakt. Anton was vandaag sowieso behoorlijk op dreef. Borrel Dan is er een borrel of wat anders voor de droge (en natte) kelen. Jan Coenraadts

Inventarisatie ‘LEO’-munten

Afb. 4. Voorbeeld van een LEO-munt.

38

Anton Cruysheer is ten behoeve van een artikel momenteel bezig met een numismatische inventarisatie van de zogenoemde ‘LEO’-munten van het graafschap Holland (af b. 4). Inmiddels heeft hij zo’n 25 exemplaren in beeld, maar ongetwijfeld zijn er nog aanvullingen vanuit oude veilinggidsen, via detectorzoekers, verzamelaars, archeologen, etc.

Graag neemt hij deze mee in de inventarisatie; ook twijfelgevallen zijn welkom. Exacte vindplaatsgegevens zijn overigens niet nodig, alleen globale aanduidingen ten behoeve van het maken van een verspreidingskaartje. Dank voor de reacties, Anton Cruysheer, cruysheer@gmail.com

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 38

04-02-13 14:31


In Memoriam Ton van Rooijen Op 7 december 2012 is Ton van Rooijen overleden. Ton van Bommel noemde hem tijdens de crematieplechtigheid van 13 december ‘ de archeoloog van de vrijwilligers’. Hij was de archeologie in het algemeen met hart en ziel toegedaan, maar met name de vrijwilligers hadden zijn aandacht en voor hun belang kwam hij op. Hij is degene die de AWN in Utrecht en omgeving heeft vlot getrokken, hij is het die zestien keer de contactdagen voor de vrijwilligers van de provincie Utrecht heeft georganiseerd; hij leidde vele werkgroepen en veldverkenningen. Ton was een aimabel mens met een warm hart; zo kende zijn gezin hem, zo kenden ook zijn vele vrienden en kennissen hem.

Tijdens de crematieplechtigheid haalde Ton van Bommel nog persoonlijke herinneringen aan Ton van Rooijen op; uit al die herinneringen bleek hoe toegedaan hij de archeologie, maar vooral de mensen in archeologie was: hij nam voor alles en iedereen de tijd, meevoelend en secuur. De dood van Ton van Rooijen is een groot verlies voor de archeologie, maar, laten we dát vooral niet vergeten, een immens verlies voor zijn familie. Namens de AWN en de redactie van Westerheem, Marijn Lockefeer

In memoriam Pieter van der Voorde

Erelid Pieter van der Voorde, een bevlogen AWNer (1924 - 2012)(afb. 5) Op 23 september 2012 overleed oud-AWN voorzitter en erelid Pieter van der Voorde op de leeftijd van 88 jaar. Pieter was van 1989 tot 2002 voorzitter van AWN-afdeling 12 Utrecht. In totaal dertien jaren! Daarbij was hij van 1992 tot 1998 voorzitter van het hoofdbestuur waarbij hij beide voorzitterschappen tegelijkertijd met volle inzet uitoefende. Pieter deed voor de AWN ontzettend veel en in stilte. Hij was er altijd en je kon op hem aan. Pieter cijferde zichzelf weg, maar kwam wel met zijn mening en een besluit als het nodig was. Hij was een bindende factor in het Hoofdbestuur, tussen de afdelingen en de mensen, waarbij hij iedereen in zijn waarde liet. Hij bracht samenwerking tot stand. Hij was een netwerker. Behalve deze kracht van Pieter van der Voorde heeft hij zich ook als een gewoon, maar actief AWN-lid ingezet. Dat wil zeggen, meegraven, vergaderingen bijwonen, een lezing houden, stukjes voor Westerheem schrijven, vondstmeldingen doen, deelnemen aan de AWN-graafweken. Een van deze activiteiten wil ik hier noemen. Sinds 24 september 1994 werd de AWN een werkgroep

rijker. Op die datum werd in Utrecht met veel enthousiasme van voorzitter Pieter van der Voorde, de Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW) opgericht. Het initiatief hiertoe was beslist bijzonder, want de leden van de AWN bestonden tot op dat moment uitsluitend uit op het land gerichte amateurarcheologen. Tijdens de Algemene landelijke ledenvergadering in 2005 te Leeuwarden, werd Pieter benoemd tot erelid van de AWN. De laatste keer dat Pieter aan een AWN-activiteit kon deelnemen was tijdens de landelijke ledenvergadering in 2011 te Wormer. Het ging toen al moeilijk met hem. Tussen zijn oren zat het allemaal nog wel goed. Maar zijn lijf en zijn ogen lieten hem in de steek. Met het heengaan van Pieter verliest de AWN een lid, een oud-voorzitter, een erelid én een vriendelijk man, die vele jaren actief betrokken was bij onze vereniging en een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Fijn dat velen Pieter hebben mogen kennen. Wij hebben de familie namens ons allen laten weten dat wij met hen meeleven en hen sterkte en kracht toewensen bij het verwerken van dit grote verlies.

Afb. 5. Pieter van der Voorde. Foto: Jan van der Voorde.

Fred van den Beemt

Pieter van der Voorde-fonds Na het overlijden van Pieter van der Voorde ontving het bestuur het bericht van de fami-

lie Van der Voorde dat het Pieter zijn wens is om € 10.000,- na te laten aan de vereniging De Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 39

39

04-02-13 14:31


AWN. Het bestuur heeft met instemming van de familie Van der Voorde besloten om het op te richten steunfonds van de AWN de naam te geven: ‘Pieter van der Voorde-fonds’. Het legaat van Pieter zal als startkapitaal voor het fonds dienen, dat de amateurarcheologie zal

ondersteunen en publicaties en educatieve projecten stimuleren. Met deze naamgeving zal Pieter van der Voorde blijvend in de vereniging voortleven. Fred van den Beemt

Tentoonstelling: ‘Topvondsten! 60 jaar amateurarcheologie in Kennemerland’ Afb. 6. Enkele topvondsten. Foto: Roel van Gulik.

Tentoonstelling van 30 november 2012 tot en met 21 april 2013. Archeologisch Museum Haarlem, Grote Markt 16k (kelder onder de Vleeshal), Haarlem. Geopend: woensdag t/m zondag van 13:0017:00 uur, behalve 25 en 26 december en 1 januari. De toegang is gratis.

De afdeling Kennemerland van de AWN heeft ter ere van haar 60-jarig jubileum een beknopte tentoonstelling (in drie vitrines) samengesteld van topvondsten uit de Archeologische Werkgroepen Beverwijk-Heemskerk, Haarlem, Velsen en de voormalige werkgroep Hoogovens. In vier tijdvakken tonen de werkgroepen wat voor hen topvondsten zijn (geweest). Kennemerland werd vanaf de prehistorie tot in de nieuwe tijd van noord tot zuid continu bewoond. De tentoonstelling geeft een indruk van het belang van 60 jaar amateurarcheologie. Te zien zijn o.a. de boemerang van het Hoogoventerrein uit 470 jaar voor Christus, diverse voorwerpen van het Romeinse castellum in Velsen, de voetstap van Heemskerk uit de Bronstijd, het snorrebot uit Beverwijk en de vondsten van de Vleeshal en Huis Ter Kleef in Haarlem. De vaste collectie toont de historie van Haarlem. Mocht u in de buurt zijn, loop dan even binnen in het ‘Leukste museum onder de grond’.

Archeologische uitwisseling Nederland – Duitsland

Op zoek naar de Trechterbekercultuur

Afb. 7. Een prachtig besneeuwd hunebed. Foto: Martin Vlaanderen (Dagblad van het Noorden).

40

In het kader van het project ‘Land van Ontdekkingen/Land der Entdeckungen’ heeft op 21 november 2012 in Groningen een tweede internationale ontmoeting plaatsgevonden. Leden van de AWN afd. 1 Noord-Nederland, de Drents Prehistorische Vereniging, Saxionstudenten, medewerkers van de Bezirksarchäologie en van de universiteiten uit Duitsland en Nederland (30 personen) kregen die dag een mooi programma aangeboden over de Trechterbekercultuur. Het programma werd met enthousiasme, zowel in het Duits als in het Nederlands, geleid door Henny Groenendijk, provinciaal archeoloog in Groningen, een van de initiatiefnemers van dit project en Jana Fries, Bezirksarchäologin van

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 40

04-02-13 14:31


de regio Weser-Ems. Het programma bestond uit twee delen: een bezoek aan het onderzoek van Trechterbekerscherven door het Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) van de Rijksuniversiteit Groningen en aan een aantal hunebedden op het noordelijkste deel van de Hondsrug (afb.7). Tijdens de ontmoeting zijn wederzijdse contacten gelegd en verstevigd. Henny Groenendijk en Jana Fries zijn van mening dat het einde van het project ‘Land van Ontdekkingen/Land der Entdeckungen’ niet het einde mag zijn van deze interessante internationale ontmoetingen en uitwisseling van kennis. Er zijn immers aan beide kanten van de grens organisaties en verenigingen die

excursies en gezamenlijk onderzoek heel goed zelf kunnen organiseren. Wij hebben elkaar door dit project leren kennen en begrijpen, we hebben ook gezien dat er veel meer overeenkomsten zijn dan we eerder beseften. Juist voor amateurs en vrijwilligers ligt in de eigen streek aan deze en gene zijde van de grens nog veel onderzoekswerk te doen, waar de beroepsarcheologie niet aan toekomt, maar waar ze wel graag gebruik wil maken van vrijwilligers in de archeologie. Meer lezen? Zie http://www.awn-archeologie. nl bij Afd1. Noord-Nederland. Jacqueline Habets

Agenda

Berichten voor Westerheem 2-2013 (aprilnummer) dienen voor 18 februari 2013 bij ons binnen te zijn en de activiteit dient na 20 april 2013 plaats te vinden. Afd. Utrecht e.o. 13 maart 2013 – lezing door Jeroen Flamman: ‘Aanleg Nieuwe Zuid-Willemsvaart werpt nieuw licht op geschiedenis’. In het Brabantse Berlicum zouden voor het beleg van Den Bosch in 1629 geen mensen hebben geleefd. Niets blijkt minder waar. Tijdens archeologisch onderzoek voorafgaand aan de aanleg van de Nieuwe Zuid-Willemsvaart zijn veel vondsten uit de 15e eeuw gedaan. Maar van de linie waarmee Frederik Hendrik in 1629 Den Bosch omsingelde om de Spanjaarden te verjagen, ontbreekt nog steeds elk archeologisch bewijs. Met dit onderzoek hoopt Jeroen Flamman van Bureau Vestigia daar verandering in te brengen. Plaats: Kapittelzaal van de Pieterskerk, Pieterskerkhof 5 te Utrecht. Aanvang: 20.00 uur. Entree: €3,00, leden en donateurs €1,50. Afd. Utrecht e.o. 10 april 2013 – lezing door Jan van Renswoude: ‘Bijzondere vondsten op het Castellumterrein in Houten’. In 2010 en 2011 is er op het archeologische monumententerrein Castellum in Houten archeologisch onderzoek uitgevoerd. Naast de vele bewoningssporen is ook een 2500 jaar oude boomstamkano aangetroffen, de eerste complete kano uit deze periode in Nederland. Jan van Renswoude van VUhbs Archeologie gaat tijdens de lezing in op de vele en bijzondere ontdekkingen die veel vertellen over het leven in de IJzertijd en de Romeinse tijd in Houten.

Plaats: Kapittelzaal van de Pieterskerk, Pieterskerkhof 5 te Utrecht. Aanvang: 20.00 uur. Entree: €3,00, leden en donateurs €1,50. Lustrum Limburgse Archeologie Dag 12-13 april 2013 – Tweedaags congres met als titel ‘Snippers en scherven’. Het congres heeft een grensoverschrijdend perspectief, zowel ruimtelijk als in tijd. Het thema is: ‘Archeologie en historische bronnen, conflict of consensus?’ Centraal staan vragen, maar natuurlijk ook antwoorden, zoals: hoe verhouden archeologie en historie zich tot elkaar, wat zijn de overeenkomsten in hun aanpak, wat voegt elk toe en waarin verschillen ze? Het congres vindt plaats op een bijzondere locatie, naast het 13e-eeuwse mikwe (Joods ritueel bad), dat onlangs is geplaatst in het Limburgs Museum. Elk van beide dagen heeft een meer specifieke invalshoek. Op de eerste dag ligt het accent op de historische component; de tweede dag is de focus meer op de archeologie gericht. Tijdens deze dagen wordt de Guillonpenning uitgereikt aan een persoon of instelling met grote verdiensten voor de Limburgse archeologie en natuurlijk ontbreekt ook de Grote Archeologie Quiz niet. Plaats: Limburgs Museum, Keulsepoort 5, Venlo Entree: € 20 per dag voor leden van de LGOG/ AVL en € 25 per dag voor niet-leden. Meer informatie: l.verhart@limburgsmuseum. nl of http://www.awn-archeologie.nl/Home/ LAD2103.aspx De Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 41

41

04-02-13 14:31


Werk in Uitvoering Deze WIU maakt gebruik van periodieken van de afdelingen 4 - 5 - 8 - 13 - 17 - 18 en 23. Afb. 8. De stand van Paul Hoogers en Ton van Bommel in Vinkeveen. Foto: Ton van Bommel (uit Het Profiel).

Nieuwsbrief Kennemerland, oktober 2012 (Afd. 4 - Kennemerland) Het bestuur van de afdeling bestaat uit Roel van Gulik (vz), Hilde Vermast (secr) en Sander van Berkel. Dat de N. de laatste tijd wat onregelmatig verschijnt, komt door de drukte rond het 60-jarig jubileum. Dit wordt gevierd door middel van de tentoonstelling Topvondsten, 60 jaar amateurarcheologie in Kennemerland in het Archeologisch Museum Haarlem en een afdelingsnummer van Westerheem. Roel van Gulik, Hilde Vermast en Erik Weber staken als jubileumredactie veel tijd in het dikke en gevarieerde afdelingsnummer (Westerheem 2012-6), waarin alle werkgroepen en alle tijdsperioden aanwezig zijn. Er is ook gelegenheid te assisteren bij archeologisch veldwerk. Er waren/zijn/komen werkzaamheden in Santpoort-Noord (Roos en Beeklaan), Beverwijk (Meerstraat, Meerplein), Heemskerk (nabij Oud-Haerlem) en in Haarlem (Wilsonplein). Tot en met november waren er tentoonstellingen over archeologische projecten in Beverwijk (Museum Kennemerland), Heemskerk (gemeentehuis) en Haarlem (AMH). De N. vestigt de aandacht op o.m. de websites archeologieopschool.nl en letopjeerfgoed.nl en op de samenwerkingsovereen-

42

komst die het Hoofdbestuur van de AWN sloot met de VoiA en de NVAO. Zoals binnen steeds meer afdelingen vinden ook in Afd. Kennemerland veel activiteiten plaats in de werkgroepen. De AW BeverwijkHeemskerk verzorgde ruim 20 gastlessen op basisscholen (awn-beverwijk-heemskerk.nl) en assisteerden bij onderzoek door Hollandia Arch. in Heemskerk. De AW begon met het invoeren van voorwerpen in het Zijper Collectie en Beheers Systeem, eveneens te zien op de genoemde website. De AW Haarlem zoekt nog steeds naar een nieuwe werkruimte, maar droeg wel bij aan een nieuwe uitgave van Haarlems Bodemonderzoek o.m. door een artikel van Erik Weber over een opgraving aan ’t Krom die de AWH uitvoerde in 1988. Van de middeleeuwse en postmiddeleeuwse keramiek- en glasvondsten van ’t Krom wordt een catalogus gemaakt volgens het Deventer systeem. Een andere ‘oude opgraving’ door de AWH op de Grote Markt in 1990-1991 wordt nu uitgewerkt. De AW Velsen nam deel aan overleg met de gemeente over de viering van ‘2000 jaar Romeinen’ in 2013. Tevens vroeg de AW huursubsidie aan voor de werkruimte. Samen met enkele leerkrachten en het Pieter Vermeulen Museum maakt de AW een

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 42

04-02-13 14:31


leskist Archeologie en Natuurhistorie voor groep 4 van de basisschool, waar in 2013 al mee gaat worden gewerkt. Er was in mei een project in Santpoort (Velsereijnd), samen met de AWH en Wim Bosman (oud-gemeentearcheoloog van Velsen). Van dit voormalige landhuis werden nog een kelder en fundamenten van de stal aangetroffen. Tijdens werkzaamheden op in Santpoort-Noord (het Spanjaardsbergje, in 1951 de bakermat van de AW(W)N) wil de AW het terrein onderzoeken op sporen uit de Prehistorie. Het Profiel, december 2012 (Afd. Amsterdam e.o.) Leden van de afdeling maakten een geslaagde excursie naar ’s-Hertogenbosch (stadswandelingen, Sint-Jan, Dieze). Twaalf AWN’ers werkten een week mee aan opgravingen in Trier. De week was georganiseerd door Afd. Utrecht en kenmerkte zich door ‘mooie vondsten, geen ongevallen, veel plezier en heel erg mooi weer’. In HP het programma van de Studiedag in Amstelveen met een verslag van de graafweek in Trier, een lezing over het Romeinse leger (lezinghouder nog een verrassing), bezichtiging van de collectie van de Ver. Historisch Amstelveen, archeologielessen op scholen in Mijdrecht (Wiesje Dijkxhoorn) en foto’s uit de oude opgravingsdoos. Op de goed bezochte Dag van de Geschiedenis was de AWN aanwezig in Vinkeveen (af b. 1). In 2011 namen leden van de AW Amstelveen deel aan graafwerkzaamheden door IDDS op het Dorpsplein. Naar aanleiding van dit

onderzoek kwam in oktober in goede samenwerking met de gemeente en IDDS een archeologische expositie tot stand in de Dorpskerk. Het onderzoek leverde 4000 vondsten op, een dijklichaam, beer- en waterputten, beschoeiingen, een takkenpad, funderingen en muurwerk, een greppel, kuilen en enkele oude straatniveaus. De oudste vondsten dateren uit de 13e eeuw en het bleek dat de Dorpsstraat diverse keren is opgehoogd, zodat een dijk ontstond. Een pollenmonster wees uit dat het veen in de Late Middeleeuwen werd omsloten door bos. Vermoedelijk was vanaf het begin van de 13e eeuw bewoning aanwezig, maar er was weinig te vinden van de middeleeuwse huizen. Wel waren er veel funderingen uit de 16e tot 20e eeuw: minimaal vijf baksteenlagen op een houten plank op een zandlaagje. Van de skeletten die werden gevonden was een groot deel van kinderen, waar de aanwezigheid van een weeshuis niet vreemd aan zal zijn. Ten slotte een verslag over de bijgewoonde Metaaldag in Zwolle, georganiseerd door de werkgroep Deskundigheidsbevordering van de AWN: ‘heel interessant’. Terra Nigra nr. 181, september 2012 Het bestuur is tevreden, want ‘alles loopt lekker’. Het activiteitenprogramma was en is goed gevuld met lezingen, werkavonden, de Helinium-zaterdagen en excursies naar Amsterdam (Allard Pierson), Sardinië (11 dagen), Assen (Drents Museum), Leiden (RMO) en Limburg (3 dagen met o.m. de vuursteenmijnen bij Rijckholt en Valkenburg, Thermenmuseum in Heerlen, Stein). Afb. 9. Een mooi resultaat. Foto: Ellen Groen (uit Terra Nigra).

De Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 43

43

04-02-13 14:31


Afb. 10. Frits Laarman. Foto: Ruud van Minnen (uit Naerdinclantnieuws).

Daarnaast waren er nog een Netwerkdag voor erfgoedvrijwilligers in Delft, een workshop vuursteenbewerking, een video-avond en een Helinium Kerstdiner. Stagiaire Wanja Engbersen had een leerzame en leuke tijd bij Helinium en vond grondboringen het interessantst. Eveneens in het kader van zijn stage schreef hij een artikel over de archeologie op de nieuwe Maasvlakte dat in TN. is opgenomen. Na de ‘ontelbare’ scherven van een experiment in 2009, werd de fabricage van zelfgemaakte potten drie jaar later herhaald. De elf Helinium-pottenbakkers en vijf gasten uit andere afdelingen vormden potten van rivierklei uit de winkel, maar in veel gevallen ook van klei die op diverse locaties werd opgegraven. Voortschrijdend inzicht zorgde dit keer voor veel mooie resultaten, waarvan TN. er diverse toont. De pottenbakkers hebben nog speciale wensen en stellen hogere eisen aan de nauwkeurigheid van het bakproces, zodat aan een vervolg wordt gedacht (af b. 9). In 2004 begon de afdeling aan de uitwerking van het materiaal uit de ‘askuil’ van de Korte Dijk in Vlaardingen. Nu en dan werd in TN. al verslag gedaan van de uitwerking van een bepaalde keramieksoort. Nu neemt men het materiaal nog eens onder de loep en wordt alles geclassificeerd volgens het Deventer systeem. Hilde van Wensveen legt uit waarom deze beslissing is genomen. Hoewel zeker niet volmaakt biedt dit systeem goede mogelijkheden om voorwerpen met eerdere vondsten (digitaal) te vergelijken, terwijl de strakke datering van 17431756 het materiaal van de askuil des te interessanter maakt om in het systeem te worden opgenomen. Maar ja, schoteltjes en pannenkoekborden zijn er nu niet meer, want dat zijn nu allemaal borden. Henny Warmendal en Ton Mersch geven een beeld van de activiteiten binnen de werkgroep Buiteneducatie. Als eerste was er een bezoek aan het fraaie stadje Elburg, waarna het terrein Hulshorsterzand werd verkend op algemene kenmerken. Bij de Olsthoornplas

44

(Vlaardingen) zette de werkgroep enkele geologische grondboringen, waarbij de eerste de respectabele diepte van 15,40 m bereikte, tot in het pleistoceen. Samen met de NAP-hoogte was dat zelfs zo’n 18 meter. De andere reikten tot 7-8 m. Van alle boringen werden de veranderingen in de bodem nauwkeurig met woord en grafiek vastgelegd. Rond boerderij Hoogstad werd geoefend in hoogte- en vlakmetingen. Na de bespreking van drie interessante boeken (Hist. Atlas Rotterdam/de wijk Holy en de opgraving De Vergulde Hand-West, beide in Vlaardingen) door Albert Lute besluiten de gebruikelijke krantenknipsels ook deze TN. Naerdincklant-nieuws oktober/ (Afd. 13 Naerdincklant) De afdeling werkt al enige tijd samen met Afd. Flevoland en daarom bevat de N. een opsomming van toekomstig veldwerk in Flevoland. Leden van Naerdincklant kunnen deelnemen aan deze en andere activiteiten van Flevoland. De gemeente Weesp vroeg de afdeling om mee te werken aan de archeologische beleidskaart. Het AWN Hoofdbestuur verzamelt d.m.v. een enquête gegevens over de mate van samenwerking met archeologische bedrijven. Er is iemand gevonden die belangstelling heeft voor de secretarisfunctie. Een themabijeenkomst over metaal in Hilversum trok 26 belangstellenden en leverde 5 nieuwe leden op. De afdeling was vertegenwoordigd bij de provinciale contactdag van de provincie Utrecht voor archeologische vrijwilligers te Oudewater. In september startte de cursus ‘Gooi-o-logie’, waar Sander Koopman en Anton Cruysheer beiden een les verzorgden voor 25 deelnemers. Er kwamen al positieve reacties binnen op de special ‘De middeleeuwse veenontginning’. Het bestuur is bezig met een nieuw beleidsplan en stelde al een conceptplan op. De N. geeft vooral nieuws en geen artikelen, want die verschijnen in de Naerdincklant Specials. Tips voor interessante sites, workshops enz. sluiten de N. af. Naerdincklant-nieuws nr.18, november 2012 (Afd. 13 - Naerdincklant) De komende Naerdincklant Special gaat over Tuinarcheologie van historische buitenplaatsen; men zoekt naar versterking van de redactie voor de special. Kon de vorige N. vijf nieuwe leden noemen, dit keer zijn het er twee. De AWN volgt diverse zaken in de regio: een nieuwe structuurvisie van de gemeente Hilversum (waarin de archeologie ontbreekt) en het archeologisch beleidsplan

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 44

04-02-13 14:31


van de gemeente Weesp. Ook komen er enkele grote projecten aan in Kortenhoef (Groenewoud), Eemnes (Zuidpolder) en Hilversum (Monnikenberg). Het nieuwe beleidsplan van de afdeling vordert en wordt voorgelegd tijdens de volgende algemene ledenvergadering. Het bestuur ging uit van drie hoofdlijnen: 1. alle interne zaken goed op orde, 2. ledenwerving, 3. externe zichtbaarheid en PR. Ruud van Minnen nam deel aan de workshop ‘Botten determineren’ in Museum Nieuw Land (Lelystad), gegeven door archeozoöloog Frits Laarman (RCE). Met de overige deelnemers genoot Van Minnen daar zeer van de heldere uitleg en de anekdotes en ziet hij uit naar een vervolg (af b. 10). Ik wil de lezer nog even herinneren aan het Cultureel Woordenboek (basisbegrippen uit archeologie en prehistorie) waarmee Anton Cruysheer bezig is. De sites, workshops enz. besluiten ook deze N., voorafgegaan door informatie over het project ‘Ongeland’ in de gemeente Almere, waaraan ook leden van Naerdincklant deelnamen. Convocaat, voorjaar 2013 (Afd. 17 - Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland) In september werd voor de tweede keer dit jaar de principia (stafgebouw) van het castellum in Meinerswijk zichtbaar gemaakt. Ondanks de informatie door Rinus Houkes en Thomas Mons (overgekomen uit de IJzertijd) was het aantal bezoekers niet groot: een hardloopwedstrijd sloot Meinerswijk een tijd af van de wereld. In het eerste halfjaar van 2013 wachten zes lezingen en een voorjaarsexcursie naar Woerden. Ook zullen ‘opgravingsexcursies’ plaatsvinden: bezoeken aan opgravingen die ad hoc via nieuwsbrief/website worden bekend gemaakt. In het afgelopen half jaar is meegewerkt aan een opgraving in Wehl en een aan de Oeverstraat in Arnhem. Daarnaast voerde de AWN een begeleiding uit in Oud-Reemst (gem. Ede). De vondstverwerkingsprojecten die nu op tafel liggen, vorderen gestaag. Het opzetten van een goede gidscollectie is nog steeds een belangrijk doel. Er formeerde zich een nieuwe tekenploeg en Lenie en Lammert proberen een workshop restaureren te verwezenlijken, om de kennis en de voortgang van het restaureren ook in de toekomst te waarborgen (af b. 11). Elke eerste woensdag van de maand is er een inloopavond waaraan op verschillende manieren invulling wordt gegeven. Op vier plaatsen zijn AWN-exposities: in Arnhem in de werkplaats (Nijhoffstraat 42) en in de His-

torische kelders (Oude Oeverstraat 4a), in Zelhem in Museum Smedekinck (Pluimersdijk 5) en in Zevenaar in het Liemers Museum (Kerkstraat 16). Ten slotte ontvangen pers, RTV-Arnhem en kabelkranten in het werkgebied regelmatig het laatste nieuws op archeologisch gebied. Nieuwsbrief, november 2012 (Afd. 18 - ZuidSalland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom) Het bestuur wil graag worden aangevuld en deels worden vervangen door jongere leden. De afdeling werkte mee aan een activiteitendag op het Etty Hillesum Lyceum (Deventer). In Voorst vond in januari een bijzondere archeologieavond plaats. Na een lezing door Miranda de Wit (ARC) over het grootschalige archeologisch nederzettingsonderzoek in ‘Achter ’t Holthuis’ in de periode 2000-2011 gaven regio-archeoloog Nathalie Vossen en Miriam Schneiders (gemeente) informatie over het archeologisch beleid in de gemeente Voorst. Het ARC-onderzoek was aan de westkant van het IJsseldal het eerste in zijn soort van zo’n grote omvang en zal als referentiekader voor toekomstig onderzoek in deze omgeving fungeren. De AW Apeldoorn hoopte tijdens ingrijpende werkzaamheden door Staatsbosbeheer voor ‘nieuwe natuur’ bij Assel op de vondst van houtskoolmeilers die helaas niet werden gezien. Wel met leem opgevulde kuilen waarvan de functie onduidelijk is. Op 19e-eeuwse topografische kaarten staat op het Orderveld ‘renbaan’ en dat vormde aanleiding voor archief- en krantenonderzoek en bezoeken aan deze locatie in het Kroondomein. Er blijken inderdaad nog een kunstmatige heuvel en een 350 meter lange greppel met wal aanwezig.

Afb. 11. De tekenploeg. Foto: Jan Coenraadts (Convocaat Afd. 17).

De Vereniging |

01-2013 binnenwerk def.indd 45

45

04-02-13 14:31


Afb. 12. Flint Oval bijl uit het ‘Beekbergerwoud’, 94/48/30 mm. Foto: Harry Schotman (uit Nieuwsbrief Afd. 18).

Rond 1870 verdween tussen Lieren en Klarenbeek het Beekbergerwoud, het laatste oerbos van Nederland. Natuurmonumenten is al een tijd bezig in dit gebied weer ‘natuur’ te laten ontstaan. Tijdens werkzaamheden werd niet alleen een mooie stenen bijl gevonden, maar ontdekte men ruim 40 plaatsen waar sprake was geweest van het branden van houtskool in eind 18e - begin 19e eeuw (af b. 12). In Raalte waren Giny Kogelman en Wim Winterman aanwezig op diverse plaatsen waar grondverzet plaatsvond o.a. in Luttenberg, Mariënheem en Raalte. Nergens was echter sprake van archeologisch interessante sporen of vondsten. AVKP-actueel nr. 47 (Afd. 23 - AV Kempen en Peelland) Na een waarschuwing om vooral niet zelf te peuteren aan gevonden explosieven (wat een politieagent in Asten overigens wel deed) lees ik dat in Bladel een terrein op het landgoed Ten Vorsel totaal werd vergraven. Dit ondanks de beperking vanuit het erfgoedbeleid en de bescherming vanuit het bestemmingsplan buitengebied. De voor handhaving verantwoordelijken werden op de hoogte gesteld. In het centrum van Oirschot vond men bij werkzaamheden aan het riool enkele ijzeren voorwerpen, waaronder een zwaard en twee gotische kastsloten van een soort die alleen in Frankrijk voorkomt. Het op zijn vroegst 15e-eeuwse slot komt overeen met dat op een antieke archief kast in het gemeentehuis, terwijl er ook een exemplaar aanwezig is in de sacristie van een Zutphense middeleeuwse kerk. De sloten en het zwaard zijn door Restaura gerestaureerd en te zien in het gemeentehuis. In Veghel reikte de burgemeester aan Sjaan van Dijk en Henk van der Voort een ‘lintje’ uit voor hun vrijwilligerswerk o.m. voor de Veghelse heemkundekring. Sjaan zette mede Veghel op de archeologische kaart. In Uden vond men bij werkzaamheden rond de Kruisherenkapel niet alleen een muur

46

van het Kruisherenklooster terug (ca. 1700), maar onder het plein ook resten van een in 1358 vermelde, maar wellicht uit 1272 stammende kapel die nog in goede staat waren. Dan waren er nog een (blus)waterput en stukken van de rupsband van een Britse Cromwell-tank. Op het plein repareerde men volgens getuigen in september 1944 legervoertuigen, vandaar. Over een van de stukken ontfermde zich met graagte de Heemkundekring. Omroep Brabant was op bezoek in het Archeologisch Centrum Eindhoven en maakte opnamen voor radio en tv. Willem van den Bosch, Anton van der Lee en de werkgroep Archeologie Heemkunde Uden zijn genomineerd voor de Knippenbergprijs, genoemd naar priester-classicushistoricus Willy Knippenberg (1910-2005) die erg belangrijk was voor de regionale geschiedbeoefening in Brabant. De uitslag lees ik ongetwijfeld in de volgende Actueel. Twintig wandelaars waren in oktober 4 uur lang bezig met de Archeoloop in Eindhoven, terwijl in november Erfgoed Brabant een basiscursus archeologie startte. In maart is er een vierdaagse ArcheoReis naar het Engelse Kent. Elders in A. staat nog een excursie naar Valkenswaard aangekondigd. Dus voor elk wat wils. Na enige wenken en mededelingen aangaande interessante literatuur, RMO-sieraden voor hightech-onderzoek op reis naar Parijs en archeologie in 3D kom ik bij de RO-Groep. De Raad van State verklaarde een beroep van de ZLTO tegen de verplichting om archeologisch onderzoek te doen bij bodemverstoring van meer dan 30 cm in archeologisch belangrijke gebieden ongegrond. In Veghel nam de gemeente de zienswijze over van de heemkundekring, waardoor in alle bestemmingsplannen geen verstoringsdiepte van 50 cm wordt aangehouden. De heemkundekringen van Asten-Someren en Deuren en de AVKP waren het niet eens met het geven van (te) veel verantwoordelijkheid aan vrijwilligers die inspecties uitvoeren. Die verantwoordelijkheid zou bij het archeologische bedrijf moeten liggen, vrijwilligers ondersteunen de werkzaamheden van het bedrijf. Er vond in deze zin een aanvulling plaats op het PvE en hierna trokken heemkundekringen en AVKP hun al ingediende bezwaarschrift in. Rest mij u op de hoogte stellen van het blijde feit dat de AVKP en de gemeente Eindhoven een nieuwe samenwerkingsovereenkomst sloten, waarover ze – naar ik aanneem – allebei tevreden zijn. Jan Coenraadts

| De Vereniging

01-2013 binnenwerk def.indd 46

04-02-13 14:31


Column

De deskundige Je zou toch zeggen dat na het optreden van dr. Clavan de deskundigen definitief van de televisie zijn geweerd. Het nietszeggende typetje van Kees van Kooten met zijn bruine jasje, vlinderdas en kort, stekelig haar, herhaalde – voor de jongeren onder ons – iedere vraag van de vragensteller en herformuleerde die tot een antwoord zonder enige verdere nieuwe informatie. Vraag na vraag werd zo afgehandeld, de vragensteller in een steeds grotere verbazing achterlatend. Vermoedelijk was het een reactie op de steeds maar terugkerende deskundigen die hun licht lieten schijnen over actuele, prangende of minder relevante onderwerpen. Inmiddels lijkt dit hilarische optreden van dr. Clavan in televisieland te zijn vergeten. Steeds meer deskundigen zie ik op het beeldscherm verschijnen. Natuurlijk de politieke duiders, de commentatoren die verstand hebben van Nederlandse, Europese of Amerikaanse politiek, specialisten die alles weten van terroristen, advocaten die de diepere achtergronden van gecompliceerde rechtszaken kunnen uitleggen en goed ingevoerde nobodies die ons opgewonden informeren over de wereld van de mode, huisinrichting en entertainment. De laatste die voor mij opvallend in beeld kwam, was een supermarktdeskundige. Volgens mij zag ik hem voor de derde keer. Ik weet niet waar hij ergens werkt, bij een universiteit, een belangenorganisatie of misschien wel bij een supermarkt zelf, maar hij informeerde ons over een

fusie in de supermarktwereld, over een prijzenoorlog en bleek ook al verstand te hebben over fraude bij één van de supermarktketens. Dat zette me aan het denken. Waarom zien of horen we nooit een archeologiedeskundige op de televisie, radio, in kranten of bladen? De complexe wereld van de archeologie kan hij in een handomdraai en in duidelijke bewoordingen uitleggen aan de wat perplexe kijker, luisteraar of lezer die net kennis heeft gemaakt met een vondst uit een vroege fase van het Preaboreaal, een opmerkelijke Plättbolzen, een nederzetting van de trechterbekercultuur, een bronzen situla, een vrijwel gave pilum, een mikwe, een opmerkelijke beerputvulling of de uitwerking en consequenties van de WAMZ binnen een gemeentelijk bestemmingsplan. Soms is er aan wat een archeoloog laat zien voor de camera of vertelt achter de microfoon geen touw vast te knopen. Vooral in de geschreven berichtgeving is dat vaak pijnlijk merkbaar. Dan lees je iets, fronst de wenkbrauwen, krabt je nog eens op het hoofd en ineens snap je dat iets heel anders bedoeld wordt. Door het jargon en jaartallen is het de journalist gaan duizelen. Misschien is het toch wel zo verstandig, een echte archeologiedeskundige op de televisie. De informatie wordt dan beter en begrijpelijker gebracht en dan wordt ons vak misschien ook serieuzer genomen, maar dan moet hij – een zij mag ook hoor – geen stekeltjeshaar hebben, of een vlinderdas en een bruin jasje dragen. Column |

01-2013 binnenwerk def.indd 47

47

04-02-13 14:31


AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap..................................................................................................................€ 50,00 studentlidmaatschap..............................................................................................................€ 30,00 jeugdlidmaatschap.................................................................................................................€ 27,50 geassocieerd lidmaatschap....................................................................................................€ 40,00 huisgenoot-lidmaatschap......................................................................................................€ 25,00 + eenmalig inschrijfgeld.........................................................................................................€ 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Alleen lidmaatschap A, B en C geven recht op toezending van het verenigingsblad ‘Westerheem’.

huisgenootlidmaatschap verbonden worden (wat wel mogelijk is bij het basislidmaatschap).

Het basislidmaatschap verleent de volgende rechten: - toezending Westerheem - AWN-verzekering op AWN-opgravingen - toegang tot excursies van de Afdelingen en het Hoofd-bestuur - toegang tot graafactiviteiten onder de vlag van de AWN - toegang tot de graafkampen van de AWN - stemrecht op de Algemene Ledenvergadering.

Het geassocieerde lidmaatschap staat open voor allen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische Kringen, Oudheidskamers, etc.) met een geldig basislidmaatschap.

De rechten van het basislidmaatschap zijn ook van toepassing op het studentenlidmaatschap en het jeugdlidmaatschap (14 t/m 18 jaar). Voor het huisgenootlidmaatschap geldt hetzelfde, maar zonder recht op Westerheem. Ten opzichte van het basislidmaatschap kent het geassocieerde lidmaatschap de volgende beperkingen: - geen toezending van Westerheem en - geen stemrecht op de Algemene Ledenvergadering - aan het geassocieerde lidmaatschap kan geen

Zij die zich voor het studentenlidmaatschap of ge­ associeerde lidmaatschap aanmelden, dienen bij hun aanmelding een kopie te voegen van hun geldige studentenkaart of het lidmaatschap van de aangesloten zusterorganisatie. Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI).

AWN-uitgaven Bij de AWN zijn de volgende uitgaven verkrijgbaar:

prijs in € (incl. porto) leden

niet-leden

AWN-reeks 1. Zusters tussen 2 beken. Graven naar klooster ter Hunnepe (138 pag.’s)

12,95

16,95

AWN-reeks 2. Vingerhoeden en naairingen, uit de Amsterdamse bodem (112 pag.’s)

11,75

16,75

AWN-reeks 3. Schervengericht. Inheems aardewerk derde en vierde eeuw in de Kop van Noord-Holland (167 pag.’s)

15,50

21,50

AWN-reeks 4. Poken en stoken, 100 ambachtelijke ovens (272 pag.’s)

12,50

15,00

Jubileumboek Archeologie in veelvoud. Vijftig jaar AWN (254 pag.’s)

22,95

22,95

CD-Rom met 50 jaar Westerheem (1952 -2002)

25,00

35,00

Naaldbanden voor archivering Westerheem

14,50

Losse nummers van Westerheem, voorzover voorradig en tot maximaal 5 jaar geleden, zijn na te bestellen voor € 5,00 en speciale uitgaven voor € 7,50. De uitgaven kunnen worden besteld door overmaking van het vermelde bedrag naar ING bank 577808 t.n.v. Penningmeester AWN, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden met vermelding van de gewenste titel.

01-2013 binnenwerk def.indd 48

04-02-13 14:31


Sinds 1951 zijn vrijwilligers in de archeologie verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

Westerheem

2

www.awn-archeologie.nl jaargang 62 - april 2013

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

AWN-leden maken geschiedenis!

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

w w w w

02-2013 omslag.indd 1

CONFLICTARCHEOLOGIE IN NEDERLAND INTRIGES IN VALKENBURG ONDERZOEK NAAR DRAAGVLAK BIJ PROJECTONTWIKKELAARS RONDOM DE STAD: MIDDELEEUWS MEDEMBLIK REVISITED

03-04-13 10:45


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN, vereniging van vrijwilligers in de archeologie.

Inhoud

jaargang 62 no. 2, april 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart. Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd. Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen)

Redactioneel ................................................................. 49 Kenny Brouwers Opkomst en toekomst van de conflictarcheologie . .... 50 Leo Verhart Een kleine verborgen geschiedenis: intriges in Valkenburg rond een delicate kwestie ........................... 59 Joëlla van Donkersgoed Archeologie; bron van inspiratie of bodemloze put? Onderzoek naar het draagvlak voor archeologisch onderzoek bij projectontwikkelaars ............................... 71 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN… Middeleeuws Medemblik revisited; vijftig jaar archeologisch onderzoek naar een vroegmiddeleeuwse handelsplaats van Friezen en Franken .............. 79 LITERATUURRUBRIEKEN ............................................. 91 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ...................................................... 101 Werk in Uitvoering ...................................................... 107 COLUMN ..................................................................... 112 Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen ......... binnenzijde omslag achter

© AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie. Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: BEK Grafische Producties, Veghel ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adreswijzigingen door te geven aan de ledenadministratie via: awn@vandinther.nl Foto omslag: Mogelijk slachtoffer slag bij Lafelt [zie pag. 51]

02-2013 omslag.indd 2

Adressenlijst hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: J. (Joop) Bosch, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden, tel. 050-5011425, e-mail: bosch.joop@gmail.com. INGbank 577808 t.n.v. AWN Roden Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl

Kijk op www.awn-archeologie.nl voor:

• J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: S. (Suzanne) Klüver, Chopinplein 56, 3122 VM Schiedam, tel. 06 2371 0905, e-mail suzannekluver@hotmail.com • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com

• de contactgegevens en het activiteitenoverzicht van de 24 regionale afdelingen van de AWN • nabestellen AWN-uitgaven

AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap............................ € 50,00 studentlidmaatschap........................ € 30,00 jeugdlidmaatschap............................ € 27,50 geassocieerd lidmaatschap.............. € 40,00 huisgenoot-lidmaatschap................. € 25,00 + eenmalig inschrijfgeld................... € 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Het lidmaatschap als basislid, studentenlid en jeugdlid geeft als rechten: • Toezending Westerheem • AWN-verzekering op AWN-opgravingen en bij AWN-activiteiten • Toegang tot de landelijke en afdelingsactiviteiten van de AWN • Stemrecht op de algemene leden vergadering.

als organisatie een basislidmaatschap van de AWN heeft. Geassocieerde leden ontvangen geen Westerheem en hebben geen stemrecht op de algemene leden vergadering. Na aanmelding wordt u ingedeeld bij de afdeling waar uw woonplaats onder valt. Wanneer u zich graag bij een andere afdeling wilt aansluiten kunt u dat bij uw aanmelding opgeven.

Huisgenoten hebben alle rechten met uitzondering van Westerheem. Een huisgenotenlidmaatschap kan alleen verbonden worden aan een basislidmaatschap. Het geassocieerde lidmaatschap staat alleen open voor hen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische kring, heemkundekring oudheidkamer, etc) die

Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI) 03-04-13 10:45


Sinds 1951 zijn door vrijwilligers in de archeologien verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

Westerheem

2

www.awn-archeologie.nl jaargang 62 - april 2013

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

AWN-leden maken geschiedenis!

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

w w w w

02-2013 omslag.indd 1

CONFLICTARCHEOLOGIE IN NEDERLAND INTRIGES IN VALKENBURG ONDERZOEK NAAR DRAAGVLAK BIJ PROJECTONTWIKKELAARS RONDOM DE STAD: MIDDELEEUWS MEDEMBLIK REVISITED

28-03-13 17:28


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN, vereniging van vrijwilligers in de archeologie.

Inhoud

jaargang 62 no. 2, april 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart. Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd. Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen)

Redactioneel ................................................................. 49 Kenny Brouwers Opkomst en toekomst van de conflictarcheologie . .... 50 Leo Verhart Een kleine verborgen geschiedenis: intriges in Valkenburg rond een delicate kwestie ........................... 59 Joëlla van Donkersgoed Archeologie; bron van inspiratie of bodemloze put? Onderzoek naar het draagvlak voor archeologisch onderzoek bij projectontwikkelaars ............................... 71 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN… Middeleeuws Medemblik revisited; vijftig jaar archeologisch onderzoek naar een vroegmiddeleeuwse handelsplaats van Friezen en Franken .............. 79 LITERATUURRUBRIEKEN ............................................. 91 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ...................................................... 101 Werk in Uitvoering ...................................................... 107 COLUMN ..................................................................... 112 Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen ......... binnenzijde omslag achter

© AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie. Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: BEK Grafische Producties, Veghel ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adreswijzigingen door te geven aan de ledenadministratie via: awn@vandinther.nl Foto omslag: Mogelijk slachtoffer slag bij Lafelt [zie pag. 51]

02-2013 omslag.indd 2

Adressenlijst hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: J. (Joop) Bosch, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden, tel. 050-5011425, e-mail: bosch.joop@gmail.com. INGbank 577808 t.n.v. AWN Roden Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl

Kijk op www.awn-archeologie.nl voor:

• J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: S. (Suzanne) Klüver, Chopinplein 56, 3122 VM Schiedam, tel. 06 2371 0905, e-mail suzannekluver@hotmail.com • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com

• de contactgegevens en het activiteitenoverzicht van de 24 regionale afdelingen van de AWN • nabestellen AWN-uitgaven

AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap............................ € 50,00 studentlidmaatschap........................ € 30,00 jeugdlidmaatschap............................ € 27,50 geassocieerd lidmaatschap.............. € 40,00 huisgenoot-lidmaatschap................. € 25,00 + eenmalig inschrijfgeld................... € 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Het lidmaatschap als basislid, studentenlid en jeugdlid geeft als rechten: • Toezending Westerheem • AWN-verzekering op AWN-opgravingen en bij AWN-activiteiten • Toegang tot de landelijke en afdelingsactiviteiten van de AWN • Stemrecht op de algemene leden vergadering.

als organisatie een basislidmaatschap van de AWN heeft. Geassocieerde leden ontvangen geen Westerheem en hebben geen stemrecht op de algemene leden vergadering. Na aanmelding wordt u ingedeeld bij de afdeling waar uw woonplaats onder valt. Wanneer u zich graag bij een andere afdeling wilt aansluiten kunt u dat bij uw aanmelding opgeven.

Huisgenoten hebben alle rechten met uitzondering van Westerheem. Een huisgenotenlidmaatschap kan alleen verbonden worden aan een basislidmaatschap. Het geassocieerde lidmaatschap staat alleen open voor hen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische kring, heemkundekring oudheidkamer, etc) die

Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI) 28-03-13 17:28


Sinds 1951 zijn vrijwilligers in de archeologie verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

Westerheem

3

www.awn-archeologie.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

03-2013 omslag.indd 1

jaargang 62 - juni 2013

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

AWN-leden maken geschiedenis!

w w w w w

INHEEMS-ROMEINSE POTTENSTAPELS IJMUIDEN VROEG-MIDDELEEUWSE MUNTEN UIT LIMMEN ARCHEO-ICHTYOLOGISCH ONDERZOEK VISRESTEN HAZERSWOUDE JUBILEUM AWN-AFDELING 14 VALLEI EN EEMLAND, AMERSFOORT RONDOM DE STAD: ELBURG

03-06-13 17:05


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN - Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie

Inhoud

jaargang 62 no. 3, juni 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com

Redactioneel ................................................................. 113

Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart.

RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN… Alle zegen komt van boven Een archeologisch onderzoek in Elburg ........................ 142

Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd. Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen) © AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie. Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: BEK Grafische Producties, Veghel ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adreswijzigingen door te geven aan de ledenadministratie via: awn@vandinther.nl Foto omslag: Vroeg-middeleeuwse munten [zie pag. 121]

03-2013 omslag.indd 2

Hilde Vermast De pottenstapels van Hoogovens ............................... 114 Mark Phlippeau Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen .................. 121 Franka Kerklaan Feestmaal of handelswaar? Archeo-ichtyologisch onderzoek aan visresten uit middeleeuws Hazerswoude ................................... 126

Adressenlijst hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: H.J. (Harmen) Spreen, De Pauwentuin 19, 1181 MP Amstelveen, tel. 020-4537021/020-3473457 (tijdens kantooruren), e-mail: h.j.spreen@sportbedrijfamstelveen.nl INGbank 577808 t.n.v. penningmeester AWN Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl

• J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: S. (Suzanne) Klüver, Chopinplein 56, 3122 VM Schiedam, tel. 06 2371 0905, e-mail suzannekluver@hotmail.com • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutseln 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com

WIE KENT DIT? ............................................................ 131 Emile Eimermann en Godfried de Vries Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort ................................................................... 132

LITERATUURRUBRIEKEN ........................................... 153 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ...................................................... 161 Werk in Uitvoering ...................................................... 167 COLUMN ..................................................................... 176 Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen ......... binnenzijde omslag achter

Kijk op www.awn-archeologie.nl voor:

• de contactgegevens en het activiteitenoverzicht van de 24 regionale afdelingen van de AWN •n  abestellen AWN-uitgaven

AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap............................ € 50,00 studentlidmaatschap........................ € 30,00 jeugdlidmaatschap............................ € 27,50 geassocieerd lidmaatschap.............. € 40,00 huisgenoot-lidmaatschap................. € 25,00 + eenmalig inschrijfgeld................... € 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Het lidmaatschap als basislid, studentenlid en jeugdlid geeft als rechten: • Toezending Westerheem • AWN-verzekering op AWN-opgravingen en bij AWN-activiteiten • Toegang tot de landelijke en afdelingsactiviteiten van de AWN • Stemrecht op de algemene leden vergadering.

als organisatie een basislidmaatschap van de AWN heeft. Geassocieerde leden ontvangen geen Westerheem en hebben geen stemrecht op de algemene leden vergadering. Na aanmelding wordt u ingedeeld bij de afdeling waar uw woonplaats onder valt. Wanneer u zich graag bij een andere afdeling wilt aansluiten kunt u dat bij uw aanmelding opgeven.

Huisgenoten hebben alle rechten met uitzondering van Westerheem. Een huisgenotenlidmaatschap kan alleen verbonden worden aan een basislidmaatschap. Het geassocieerde lidmaatschap staat alleen open voor hen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische kring, heemkundekring oudheidkamer, etc) die

Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI) 03-06-13 17:05


Redactioneel

Het zomernummer van Westerheem is er weer. Een mooie, volle uitgave met een interessante mix van thema’s en perio­ den, een echt vakantienummer dat in elke reiskoffer hoort! Reizen naar andere landen en het ontdek­ ken van nieuwe culturen; een activiteit waarvan we uit het verleden vele sporen tegenkomen, zij het dat de reden van deze reizen destijds niet altijd een ontspannen­ de was. Denk bijvoorbeeld aan het import­ aardewerk dat door handelaren langs wateren vervoerd werd, de (genoodzaak­ te) migratie van groepen mensen naar nieuw te ontdekken landen. Of veldtoch­ ten die soldaten naar de grenzen van een rijk brachten. Vakantie is nu een manier om te ontspan­ nen. Lekker met de voetjes in het zand met Westerheem in de hand, lezende over de platvissen, glimlachend vanwege een visser die even verderop zijn eeuwenoude activiteit beoefent. Fietsend over de Velu­ we naar de mooie vestingstad Elburg, struinend door de kleine oude straatjes. Vakantie is voor mij ook het bezoeken van mooie, historische plaatsen. Het verleden herbeleven door het zien van bekende, belangrijke gebouwen en het lopen door oude straten. Bezoeken aan historische musea horen daar natuurlijk bij! En wie weet vind ik daar wel een pot die gelijk is aan de ‘Wie Kent Dit’-pot. Een reis kan men ook zien als een meta­ foor. Alles maakt zijn eigen reis, dingen komen en gaan. Een mens wordt geboren, leeft en overlijdt. Ook Westerheem maakt een reis: redacteuren nemen het van elkaar over, rubrieken ontstaan... In deze

uitgave van Westerheem wordt het stokje voor de column doorgegeven. Na vele jaren van mooie, gepassioneerde columns van Leo Verhart is het nu de beurt aan Evert van Ginkel, die in zijn eerste column een mooi beeld geeft van het begin van zijn archeologische ‘reis’. In mijn redactioneel wil ik nog kort ingaan op het artikel over Afdeling 14, Vallei en Eemland, Amersfoort. Een mooi overzicht dat het enthousiasme en de lief­ de die vrijwilligers voor dit vak hebben, toont. Mooi om toch, na de stormen naar aanleiding van Tussen Kunst & Kitsch, ook positieve beelden te krijgen van de vrije­ tijdsarcheologen. Want dat zijn vaak de mensen die de tijd, het enthousiasme en de kennis hebben om archeologie in Nederland op de kaart te zetten en begrij­ pelijk te maken voor iedereen. Nu ik toch de kans krijg, wil ik in mijn laatste alinea de lezer lekker maken met de plannen voor de nieuwe AWN-website. Binnenkort zullen alle artikelen te raad­ plegen zijn als samenvatting (vanaf 2010) en/of geheel als pdf (artikelen van drie jaar en ouder). Als kers op de taart (of para­ pluutje in de cocktail) maken we een kaart van Nederland waarop verwijzingen naar artikelen geplaatst zijn. U kunt zo in één oogopslag zien welke artikelen over uw woonplaats (of vakantieadres) geschreven zijn. Ik hoop binnenkort de geweldig mooie, uitgebreide, nieuwe website van de AWN te mogen presenteren.

Jacobine Melis

Redactioneel |

03-2013 binnenwerk.indd 113

113

03-06-13 12:50


De pottenstapels van Hoogovens Hilde Vermast1

De inheems-Romeinse pottenstapels, die in de jaren 60 van de vorige eeuw werden gevonden op het terrein van de toenmalige Koninklijke Nederlandse Hoogovens en Staalfabrieken (KHNS) te IJmuiden (gemeente Velsen), zijn aan een nader onderzoek onderworpen. Het gaat om een fenomeen dat alleen bekend is uit West-Nederland en waarvan niet veel meer dan vondstmeldingen bestaan. Dit artikel beoogt de bestaande gegevens samen te vatten. De vondst is gedaan door de voormalige werkgroep Hoogovens, de eerste werkgroep van AWN Kennemerland. Afb. 1 Pottenstapeltje I, ROB-put 1964. Foto: archief werkgroep Hoogovens.

Op het terrein van Hoogovens, het tegen­ woordige Tata Steel, werden vier con­ structies van gestapelde potten zonder bodem gevonden. De potten waren inge­

114

|

graven in het duinzand, tot op de veen­ laag die rijk aan ijzeroer is. Twee van deze potten­stapels zijn binnen boerderijplatte­ gronden gevonden. De bijbehorende

De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 114

03-06-13 12:50


Afb. 2 Pottenstapel III, ROB -put 1968. Foto: archief werkgroep Hoogovens.

vondsten dateren uit de Late IJzertijdvroeg- Romeinse tijd en het type aarde­ werk van de pottenstapels uit de 1e eeuw na Chr. De eerste vondst werd in 1964 door de toenmalige Rijksdienst voor het Oud­ heidkundig Bodemonderzoek (ROB) gedaan. Het betreft een serie van drie klei­ ne, slanke potten die in elkaar waren gestapeld. De bodems van deze pottensta­ pel I waren er afgeslagen waardoor de sta­ peling een soort koker vormde (afb. 1). Deze stapel was circa 71 cm hoog.2 Pottenstapel II uit 1968 is ongeveer 1,20 m hoog en werd ook door de ROB opge­ graven. Het gaat om vier grote potten waarvan de bodems zijn afgeslagen. De onderste pot was ingegraven tot op een laagje ijzeroer onder het stuifzandpakket tot op 2,70 m +NAP. Beide pottenstapels werden door de toen­ malige werkgroep Hoogovens gerestau­ reerd en waren vanaf 1969 tot 1992 in het Bedrijfsmuseum Hoogovens tentoon­ gesteld. Tenslotte werden in juni 1969 daags na elkaar door de AWN nog twee pottensta­ pels opgegraven. Pottenstapel III bestond uit vijf zeer grote potten met veel aankoek­ sels van ijzeroer (afb. 2). Toen deze pot­ ten gerestaureerd werden, bleek dat ze vanwege het gewicht aan ijzeroer voor niet meer dan een kwart aan elkaar konden worden gelijmd. Pottenstapel IV werd pas eind 1978 geres­

taureerd. Deze was al die jaren in zand bewaard gebleven. Locaties De locatie waar de pottenstapels werden opgegraven is hetzelfde terrein als dat van de in een eerder Westerheemartikel beschreven en getoonde impressieteke­ ning in kleurpotlood van een Friese boer­ derij door H.J. Calkoen.3 De campagnes van 1962-1963 en 1964 van AWN en ROB leverden erf A op met drie huisplattegron­ den.4 De meest bijzondere vondst was de door de ROB gevonden plattegrond van huis 2. Deze lag ten noorden van en haaks op die van huis 1 en 3 (AWN-vindplaats 31). In huis 2 werd, behalve vier waterput­ ten, ook het pottenstapeltje I aangetrof­ fen, ongeveer in het midden tegen de wes­ telijke buitenwand. De waterputten waren ten tijde van huis 3 in gebruik. Bijzonder is dat het pottenstapeltje zich bevond in een aanbouw van het huis en hiermee gelijktijdig is (af b. 3). Deze aanbouw wordt opgevat als een voorraadkamer.5 Ongeveer 50 meter westelijk legde de ROB tussen 1965 en 1968 erf B bloot met nog drie boerderijplattegronden. Hier liggen drie huizen in elkaars verlengde, elkaar overlappend. Alleen van het kleinste huis 6 is de huisplattegrond volledig. De grote pottenstapel II bevindt zich tegen de west­ wand in huis 4, circa 1 meter verwijderd van de vlechtwerkwand tussen het huis en de aanbouw van 2 meter breed (afb. 4). De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 115

|

115

03-06-13 12:50


De pottenstapels III en IV van de AWN werden in 1969 ten noorden van de eer­ ste twee op hetzelfde terrein gevonden. Het betrof een noodopgraving waarbij ter plaatse geen huisplattegrond werd her­ kend. De aangetroffen paalsporen bevon­ den zich niet binnen 2 meter van de pot­ tenstapels en konden niet worden geïnterpreteerd. Deze pottenstapels wer­ den op minder dan 2 meter afstand van elkaar gevonden.

schraald is met schelpgruis. De klei waar­ van de potten zijn gemaakt is afkomstig uit een marien tot brak milieu, vermoe­ delijk het nabije Oer­IJ­estuarium. Waar­ schijnlijk kenden de makers de nadelen van magering met schelpgruis al. Dit leverde aardewerk van een brosse kwali­ teit en hoewel schelpen in ruime mate voorhanden waren, komt gebruik hiervan als magering rond het begin van de jaar­ telling steeds minder voor.

Beschrijving pottenstapels I en II Verhagen heeft de opgraving van erf A en erf B uitgewerkt, deed onderzoek naar de inheems­Romeinse bewoning in de dui­ nen van Velsen en onderzocht het feno­ meen pottenstapels in de duinstreek. Zij rapporteerde dat de stapels bestaan uit drie tot zes op elkaar gestapelde en inge­ graven grote potten van inheems­ Romeins aardewerk met een goede door­ laatbaarheid.6 Het aardewerk van de pottenstapels is niet apart beschreven. Het gevonden aardewerk is gemagerd met organisch materiaal (plantenresten), behalve een exemplaar van erf B dat ver­

De bodems van beide pottenstapels zijn met opzet afgebroken of verwijderd, wat volgens Verhagen wijst op secundair gebruik. Ook de onderste pot was zonder bodem. Er zijn geen oorspronkelijke bodemfragmenten aangetroffen, wat geldt voor alle tegenwoordig bekende pot­ tenstapels. Wel werd in de vulling in pot­ tenstapel II een bodemfragment van een kleine pot aangetroffen. De bovenste pot­ opening had een doorsnede van 27,5 cm. De grootste omtrek van de buik is 130 cm en de dikte van de wand bedraagt 1 cm. De randen van de bovenste drie potten van pottenstapel II hebben vingertopin­

Afb. 3 Erf A met in de aanbouw van huis 2 pottenstapel I. Tekening: M. Verhagen 1985, bewerkt door: Joost Vink.

116

|

De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 116

03-06-13 12:50


drukken en die van de onderste pot is glad (afb. 5). Bij pottenstapeltje I is de rand van de onderste pot glad en sterk naar buiten gebogen terwijl de bovenste twee potten een ‘gekartelde’ rand hebben. Cordfunke beschrijft in het kort een pot­ tenstapel van Castricum en vergelijkt deze met Hoogovens. Hij komt voor bei­ de vondstcomplexen uit op handgevormd, inheems Fries aardewerk uit de Romein­ se tijd. De potten zijn gebakken in open vuur op lage temperatuur, wat zacht aar­ dewerk opleverde. Langs de rand werd ver­ siering in de vorm van vingertopindruk­ ken aangebracht. Over de pottenstapels van Hoogovens merkt hij op dat het onduidelijk is of deze stapels binnen of buitenshuis werden gevonden.7 Beschrijving pottenstapels III en IV Schotman, leider van de werkgroep Hoog­ ovens, gaf in zijn correspondentie met Van Weenen, van de werkgroep Oud­Cas­ tricum, een summiere beschrijving zon­ der onderscheid tussen de beide potten­ stapels aan te geven.8 Schotman schrijft

dat de randen van de potten glad zijn of gekarteld en dat de dikte van de wand ongeveer 1 cm is. Over pottenstapel III is in het archief spe­ cifieke informatie gevonden. De bovenste vier potten hebben een gladde rand ter­ wijl de onderste pot een gekartelde rand heeft. Van pot 3 is alleen de rand, vlak onder pot 4, nog zichtbaar. Op de over­ gang tussen pot 2 en 3 werden kleiresten aangetroffen. Mogelijk zijn de potten hiermee aan elkaar ‘gehecht’. Tussen pot 1 (de onderste) en pot 2 werd een grote concentratie scherven aange­ troffen, die alle horizontaal lagen. Dit vormde gelijk een afscheiding tussen het gele en het donkere zand, aangegeven als ‘schervenplafond’. De randscherven van pot 3 bevonden zich in pot 4 in plaats van erbuiten (door druk van boven is pot 3 in scherven gebroken; de rand kwam in pot 4 terecht, de rest mogelijk in pot 2). Aan de pot­ scherven zaten flinke aankoeksels van ijzeroer. De onderste pot heeft een door­ snede van 48 cm.9 De bovenste twee pot­

Afb. 4 Erf B met in huis 4 pottenstapel II. Tekening: M. Verhagen 1985, bewerkt door: Joost Vink. De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 117

|

117

03-06-13 12:50


ten hebben een blos die door oxiderend bakken is ontstaan, de blos van de onder­ ste potten is nauwelijks zichtbaar. Over pottenstapel IV is alleen geadminis­ treerd dat er sprake is van ijzerafzetting. Schotman telt drie potten en Mooij ver­ meldt voor Hoogovens een stapel van drie potten en driemaal vier potten.10 Het is begrijpelijk dat de middelste van de vijf potten, pot 3, van pottenstapel III in eer­ ste instantie over het hoofd werd gezien. De latere restauratie en inventarisatie is ongepubliceerd.

Afb. 5 Pottenstapel II, AWN 1969. Schets: Jos Borgers, archief werkgroep Hoogovens.

De pottenstapels in het veld Tijdens het opgraven van de pottenstapels II, III en IV werd waargenomen dat ze dui­ delijk ingegraven zijn in het duinzand tot op een ijzeroerbandje. Van de zeer nauwe insteek van 40 tot 50 cm doorsnede is wei­ nig tot niets zichtbaar. Een verklaring hier­ voor zou kunnen zijn dat, na het graven van de put en het zorgvuldig plaatsen van de potten, het resterende gat met het uit­ gehaalde schone duinzand gevuld werd. Het regenwater werd in de grond door het ijzeroerbandje tegengehouden. De boven­ rand van de pottenstapel heeft zich waar­ schijnlijk bevonden op de looplaag. De drie potten van pottenstapel IV waren ingegraven tot 1 m diepte; de bovenste cir­ ca 20 cm bevond zich in een deels ‘ver­ ploegde’ cultuurlaag uit het begin van de jaartelling. De cultuurlaag bevond zich op 3 m +NAP. De bovenste twee potten waren sterk in elkaar gedrukt (afb. 6). Op de scheiding tussen twee potten werd klei of humeuze grond aangetroffen. Er werd relatief veel klei aangetroffen in de woon­ laag binnen een afstand van een halve meter tot de stapels. De brokjes klei leken geen lokale afzetting te zijn maar te zijn aangevoerd. De vulling van pot 1 van pottenstapel III bestond uit geel zand met spoelsporen eronder. De pot bevatte grote scherven en mogelijk scherven van pot 5. De vulling van pot 2 bestond uit zwart zand. Op de scherven waren vuursporen en ijzerafzet­ ting aanwezig. In deze pot werden bot en

118

|

houtskool aangetroffen, evenals veel scherven die mogelijk van pot 3 zijn. De vulling van alle bekende pottenstapels (Hoogovens en Castricum) bestond uit (schoon) zand met scherven die vrijwel allemaal passend waren aan de potten waaruit de stapel was opgebouwd. Er wer­ den ook wat botfragmenten aangetroffen. Het wekt de indruk dat de pottenstapels in de loop van de tijd zijn volgestoven met stuifzand uit de duinen. Het is niet dui­ delijk of dit proces zich voltrok na het ver­ laten van de nederzetting of dat het stui­ ven voor de Friese boeren een reden was om zich elders te vestigen. Duidelijk is dat de in het duingebied van Hoogovens aan­ getroffen akkers één of twee keer werden omgespit, overstoven raakten met een pakket zand, en later op dezelfde plaats opnieuw in cultuur gebracht werden. Zeven pottenstapels te Castricum Uit Castricum zijn zeven exemplaren bekend. In 1969 werden acht potten opge­ graven; bij steeds dieper graven, kwamen er meer potten in fragmenten tevoor­ schijn. Calkoen trekt direct de parallel met de Hoogovens-pottenstapels, terwijl Van Deelen in dezelfde Westerheem het heeft over een belangrijke concentratie scher­ ven.11 In latere publicaties is het alleen Schermer die deze vondst uit 1969 aan­ merkt als pottenstapel en wordt er verder geschreven over een schervenhoop in een afvalkuil waarbij geen duidelijke opbouw aanwezig was.12 In 1972 werd op hetzelf­ de terrein aan de Cieweg een stapeling van zes potten opgegraven, welke binnen een (gedeeltelijke) huisplattegrond lag. In 1993 werden bij uitbreidingsplan Alberts­ hoeve in dezelfde omgeving drie gestapel­ de potten gevonden – met in de vulling van de bovenste pot een gaaf gesteeld bekertje – gedateerd in de 2e-3e eeuw. In 1994 werden aan de Rietkamp drie gesta­ pelde potten gevonden met vondsten uit 2e-3e eeuw. Deze kleine pottenstapel was 75 cm hoog en vergelijkbaar met potten­ stapeltje I van Hoogovens. In 1969 en in 1970 werden in Castricum tevens twee, met de randen op elkaar

De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 118

03-06-13 12:50


gestapelde, bodemloze potten gevonden. Deze werden geïnterpreteerd als een vee­ drenkplaats of een eenvoudige waterput.13 In juni 2012 werd opnieuw een pottensta­ pel opgegraven aan de Cieweg in Castri­ cum. Op het terrein van wooncentrum ‘De Boogaert’.14 Op een filmpje zien we dat de bovenlaag nat is, deze lijkt nat gemaakt. De bovenste pot lijkt wijd en schotelvormig. Daaronder een kookpot met ronde buik, mogelijk met gladde rand. De onderste pot is recht en heeft de vorm van een emmer. Er zou - volgens publica­ tie in de Nieuwsbrief van het wooncen­ trum - sprake zijn van een stapel van vier bodemloze potten uit de Romeinse tijd.15 Mogelijk zijn veel scherven in de potten terechtgekomen, die zijn tijdens de ber­ ging dan niet zichtbaar. De kookpotten lij­ ken kleiner dan van de Hoogovens pot­ tenstapels II en IV. De schotelvorm en de emmervorm zijn niet eerder in Castricum of op Hoogovens gevonden. Mogelijke functies van de pottenstapels Over de functie van dit soort pottensta­ pels bestaan meerdere theorieën. Naar aanleiding van de in juni 1969 aangetrof­ fen pottenstapels in een damwand wordt volgens De Grijper, het personeelsblad van Hoogovens, het volgende gedacht: “Men neemt aan dat ze op één of andere wijze dienst hebben gedaan bij het pottenbak­ ken. In de naaste omgeving zijn namelijk betrekkelijk grote hoeveelheden ver­ schraalde klei gevonden die voor dat doel gebruikt zou kunnen worden.” Van Deelen meent dat een twee maanden later te Castricum gevonden pottenstapel een ‘binnenhuisreservoir voor water’ is geweest. Van Weenen liet onderzoeken of er sprake kon zijn van crematiepotten, maar er kon geen beenderas worden aan­ getoond. Evenmin werden graankorrels gevonden in de vulling, waarmee de hypothese van ‘graanopslagplaats’ werd verworpen. Verhagen komt tot de conclu­ sie dat een functie als voorraadpot uitge­ sloten moet worden, hoewel de vochtige en koele omgeving geschikt zou zijn voor

kortdurende opslag van bijvoorbeeld blad­ groenten. Volgens haar waren de potten gemakkelijk toegankelijk voor ongedier­ te. Bovendien meent zij dat er capillaire werking is opgetreden waardoor de pot­ ten, die tot op een waterkerende ijzeroer­ laag waren ingegraven, zijn volgelopen met grondwater. Bij het graven van de put moet het opkomende water hebben aan­ gegeven dat de juiste diepte voor water­ winning bereikt was. Mooij meldt op grond van een botanisch monster uit de humeuze bodem van de pottenstapel van 1994 dat een functie als waterput het meest aannemelijk is. De functie als wel­ put of waterreservoir is tegenwoordig algemeen geaccepteerd.16 De pottenstapel was makkelijk afsluitbaar en nam bin­ nenshuis weinig ruimte in. De duinen leverden veel stuifzand, wat afscherming noodzakelijk maakte. Het zal moeilijk zijn geweest om water te putten uit pot­ ten met een doorsnede van 27 tot 28 cm. Mogelijk is hierbij gebruik gemaakt van een gedroogde varkensblaas of een leren zak die geen gevaar opleverde voor bescha­ diging van de putwand.17

Afb. 6 Opgravingsfoto pottenstapel IV, AWN 1969. Foto: archief werkgroep Hoogovens.

Conclusie In de Late IJzertijd-Vroeg-Romeinse tijd heeft de Friese inheemse bevolking een innovatieve oplossing bedacht voor waterwinning. Grote voorraadpotten werden secundair gebruikt door er de bodems vanaf te slaan en de potten in elkaar gestapeld in te graven tot op het grondwaterniveau. Zowel op Hoogovens als in Castricum werden enkele ingegra­ ven pottenstapels aangetroffen die zich binnen een huisplattegrond bevonden. Dit kon niet voor alle pottenstapels wor­ den aangetoond. De inpandige potten­ stapels lijken een succesvolle oplossing tegen het stuivende zand te zijn geweest. Uiteindelijk zijn ook deze waterputten met duinzand volgestoven, maar of dit tijdens de periode van bewoning al het geval was, valt niet meer uit te maken. Bankenlaan 2 1944 NM Beverwijk h.vermast@live.nl De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 119

|

119

03-06-13 12:50


Noten 1 Hilde Vermast is sinds 1996 AWN-lid en ze is actief bij de Archeologische Werkgroep Velsen. De auteur is Hans Steeman erkentelijk voor het verstrekken van de Jaarboekjes van Oud-Castricum die betrekking hebben op de vondst van pottenstapels. Tevens is veel dank verschuldigd aan Sandra Comis – vanaf 1969 actief AWN-lid en vrijwilliger bij de voormalige werkgroep Hoogovens – voor haar hulp bij het verzamelen en interpreteren van de informatie en voor haar waardevolle commentaar op het conceptartikel. Rino Zonneveld van de Werkgroep Oud-Castricum wordt bedankt voor het kunnen raadplegen van het digitale archief van de WOC. 2 We nemen aan dat de tekening van dit pottenstapeltje uit het archief van de werkgroep Hoogovens op ware grootte is. 3 Westerheem 6 2012, 350-356 4 Zie ook afbeelding 5 bij Een zoektocht naar het verhaal achter een tekening van Calkoen. ‘Een Friese boerderij te Velsen-Noord’ van de auteur. Sporenkaart en huisplattegronden erf A en erf B. Tekening: M. Verhagen, 1985. Bewerkt door Joost Vink. 5 Verhagen 1985, 50-52. 6 Verhagen 1985, 74-76. 7 Cordfunke 2006, 58-60. Kennelijk wreekt zich hier het feit dat de doctoraalscriptie van Verhagen ongepubliceerd bleef. Pottenstapels I en II werden binnen een huisplattegrond gevonden, van pottenstapels III en IV kon dit inderdaad niet worden aangetoond. Ook op Den Burg op Texel zou een pottenstapeling buitenshuis zijn aangetroffen. Oorspronkelijke bronnen werden bij literatuuronderzoek door de auteur helaas niet gevonden. De vijf publicaties van P.J. Woltering over Texel in Berichten van de ROB leverden geen pottenstapel op, terwijl de KNOB-­publicatie van 1972 over een pottenstapel op Texel niet werd aan­ getroffen in de bibliotheken van de afdeling. 8 J.C. van Weenen van de werkgroep Oud-Castricum

correspondeerde in 1969-1970 met werkgroepleider A. Schotman van Hoogovens. Hij probeerde de ‘pottenstapel’ van Castricum te vergelijken met de vier pottenstapels van Hoogovens en liet scheikundig onderzoek naar de vulling en het zand uit de insteek uitvoeren. Het betreft vier brieven: 22 9 Het is verwonderlijk dat krantenartikelen uit de tijd van een opgraving ons soms de ontbrekende details verschaffen. De registratie van vondsten en vindplaatsen is regelmatig summier, terwijl de uitwerking van het onderzoek op zich liet wachten. Het is niet duidelijk of een lid van de werkgroep Hoogovens, bijvoorbeeld Schotman, het artikel schreef voor het personeelsblad De Grijper. Schotman werkte voor de PR-afdeling van Hoogovens. 10 Mooij 1979. 11 Westerheem 5 1969. 12 Schermer 1978; Mooij 1979 en 1997. 13 Van Deelen 1969; Mooij 1979, 1995, 1996 en 1997. 14 Een filmpje (3.28 min) van een opgraving van een Karolingische waterput aan de Zandzoom in Heiloo. Hierdoorheen lopen beelden van de gelijktijdige opgraving van pottenstapel 7 in Castricum, de Boogaert. De tekst over de potten heen luidt: ”kruiken als waterput”. Op naar het nieuwe Archeologisch Informatie Centrum (AIC). Karolingische waterput gevonden in Heiloo.youtube.com/watch?v=eNzecLG PltE&feature=player_detailpage 15 NN., juni 2012: Info project ‘de Boogaert’, Kennemer Wonen en Viva Zorggroep, 7. http://www.kennemerwonen.nl/uploads/Nieuwbouwprojecten/De%20 Boogaert/INFO%207.pdf 16 Mooij 1979; Verhagen 1985; Cordfunke 2006 en Bosman 2012 gaan uit van deze functie. 17 Dit is de auteur bekend uit ervaring met experimentele archeologie door het Historisch Openlucht Museum Eindhoven.

Literatuur Archief werkgroep Hoogovens: foto’s; museumobjectenregistratie; krantenknipsels; correspondentie; logboek; protocolboek; notities; inventarislijst; schets en tekening pottenstapels III en II; veldtekening; lijst inhoud naar depot Wormer afgevoerde dozen (2006). Bosman, A.V.A. J., 2012: “... castello cui nomen Flevum”, Romeinen en Velsen. Westerheem 61, 357-369 N.N., 1969: ‘Bij de Rooswijkhal twee pottenstapels opgegraven’, in: De Grijper, 1 augustus 1969. Calkoen, H.J., 1969: Het Bedrijfsmuseum van de Hoogovens te Velsen geopend, in: Westerheem 5, 226-227. Cordfunke, E.H.P., 2006: Castricum: een pottenstapel als welput, in: Kennemerland in Prehistorie en Middeleeuwen, Archeologische schetsen, 58-60, Utrecht. Deelen, D. van, 1969: ‘Binnenhuisreservoir voor water’, De pottenvondst aan de Cieweg in Castricum, (Krant N.N.), en hetzelfde artikel in een andere krant, zelfde auteur zonder vermelding, onder de titel: Cieweg-bodem verbergt rijke historie. Archeologische opgraving blijkt unieke waterput. Deelen, D. van, 1969: Inheemse pottenvondst in Castricum, in: Westerheem 5, 232-233. Graas. G. & Van Roon, C.J., (red.) 2012: Castricum. In: Grondspoor ,185, nieuwsbrief AWN afdeling Zaanstreek e.o., 6. Mooij, E., 1979: Pottenstapel als waterput in plan Molendijk. Opgraving op 25 juli 1972 van een pottenstapel uit het begin van de jaartelling door de werkgroep Oud-Castricum, in: Oud-Castricum, 2e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 16-19. Mooij, E., 1989: Tussen stuifzand en drassig land, in: Oud-Castricum, 12e jaarboekje Stichting Werkgroep OudCastricum, 3-11. Mooij, E., 1995: Castricum Rietkamp, in: Holland, Archeologische kroniek, 27, 331. Mooij, E., 1996: Bewoning aan de Rietkamp, in: Oud-Castricum, 19e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 20-24. Mooij, E., 1997: Overzicht van de archeologische opgravingen aan de Cieweg, in: Oud-Castricum, 20e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 16-21. Schermer, A., 1978 : Friese put in het plan Molendijk. Opgraving op 7 aug. 1971 van een oude waterput uit het begin van de jaartelling door de werkgroep Oud-Castricum, in: Oud-Castricum, 1e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 8-10. Verhagen, M., 1985: Velsen Hoogovens. Een inheems-Romeinse Nederzetting in het Duingebied. Doctoraal scriptie: Culturele prehistorie, Universiteit van Amsterdam. Ongepubliceerd. Vermast, H., 2012: Een zoektocht naar een verhaal achter een tekening van Calkoen. In: Westerheem 61, 350-356. Wiek, A., 1979: Afdeling Kennemerland. Overzicht van de veldactiviteiten in 1978. Werkgroep Hoogovens, in: Westerheem 2, 85.

120

|

De pottenstapels van Hoogovens

03-2013 binnenwerk.indd 120

03-06-13 12:50


Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen Mark Phlippeau1

Tijdens het proefsleufonderzoek door de voormalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in samenwerking met de AWN werkgroep Limmen zijn in 1995 bij Limmen de Krocht bijzondere vondsten gedaan. Het onderzoek leverde een dicht patroon van sporen op, waaronder waterputten en delen van huisplattegronden. De bewoning bleek te dateren vanaf de Vroege Middeleeuwen. 2 Het vervolgonderzoek in 1996 werd uitgevoerd door het Instituut voor Pre- en Protohistorie (I.P.P.); onder meer werd een Karolingisch graf ontdekt, dat gedateerd kon worden tussen ca. 720 en 860 na Christus. Na fysisch-antropologisch onderzoek bleek het graf van een 20-24 jaar oude man te zijn.3 In het graf zijn een aantal grafgiften aangetroffen, waaronder een mes en een gesp. De meest bijzondere vondst is echter een zevental zilveren munten. Toen de Romeinen naar de Lage Landen kwamen, introduceerden zij het geld als betaalmiddel. Het vertrek van de Romei­ nen en de uiteindelijke ondergang van het Romeinse Rijk betekende tenslotte dat de geldhandel stagneerde en zelfs verdween in de 5e eeuw. De ruilhandel

kwam weer terug en pas in de tweede helft van de 7e eeuw zal het geld in de vorm van Sceatta’s opkomen. Deze klei­ ne zilverstukjes circuleerden in de peri­ ode van circa 650 tot 755 en kwamen voor van Frankrijk en het Duitse Rijnland tot aan Denemarken. De Friezen waren

Afb. 1 De voorzijde en de keerzijde van het ‘runen’-type inv. nr. 5130-01. Foto: Provincie NoordHolland.

Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen

03-2013 binnenwerk.indd 121

|

121

03-06-13 12:50


Afb. 2 De voorzijde en de keerzijde van het ‘runen’-type inv. nr. 5130-02. Foto: Provincie NoordHolland.

degenen die handel dreven met deze munten. Uiteindelijk verdwenen de munten als gevolg van een toenemende muntslag van de Karolingen. 4 In het Europa van de 11e eeuw was de penning een vaak in omloop gaand betaalmiddel.5 Sceatta komt van het Germaanse woord ‘skeat’ dat staat voor ‘geld’ en ‘schat’.6 De sceatta is een raadselachtige munt omdat de beeldenaar niet duidelijk is, waardoor het onmogelijk is het exemplaar aan een koning te koppelen. Daarnaast zijn de motieven lastig te plaatsen. De Sceatta is een klein formaat munt met diameters tussen de 11 en 14 mm. Door­ dat de geldeconomie opnieuw geïntrodu­ ceerd moest worden, waren het kleine munten met een zilvergewicht van ca 1 gram. Pas tegen de 12e eeuw komen er meer en zwaardere munten van zilver en goud in de middeleeuwse economie in

omloop als gevolg van de opbloei van de handel in Italië, die zich van daaruit ver­ spreidde over West­Europa. De Sceatta is in te delen in een aantal typen op grond van stilistische motie­ ven. In totaal zijn er maar liefst meer dan honderd typen die allemaal zijn opgenomen in The British Museum Catalogue (BMC) uit 1890.7 De zeven Sceatta’s die in Limmen zijn gevonden, zijn van drie verschillende typen. Het eerst voorkomende type is ‘runen’. Dit zijn stilistisch gevormde motieven vari­ erend van punt­ en rondversieringen tot horizontale lijnen. Het tweede type, waar maar één munt voor representatief is, vormt de ‘vogel­op­kruis beeltenis’. Beide genoemde typen zijn van Angel­ saksische afkomst. Eén munt is van een derde type, het ‘stekelvarkenstandaard’­ type, en is geslagen in Frisia.

Afb. 3 De voorzijde en de keerzijde van het ‘runen’-type inv. nr. 5130-03. Foto: Provincie NoordHolland.

122

|

Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen

03-2013 binnenwerk.indd 122

03-06-13 12:50


Afb. 4 De voorzijde en de keerzijde van het ‘runen’-type inv. nr. 5130-04. Foto: Provincie NoordHolland.

De omschrijvingen van de munten In deze paragraaf zullen de zeven gevon­ den munten individueel per type beschre­ ven worden. Allereerst wordt het type ‘runen’ beschre­ ven met daarop volgend het type ‘vogel­ op­kruis’ en eindigend met het ‘stekel­ varkenstandaard’­type. Bij ieder beschre­ ven object wordt het objectnummer genoemd.8 Type ‘runen’/BMC type 2b Vijf Sceatta’s behoren tot dit type en heb­ ben allemaal verschillende, doch redelijk op elkaar lijkende afbeeldingen. De munt met objectcode 5130­01 (afb. 1) heeft op de voorzijde een kop met stralen­ kroon, die naar rechts kijkt. Deze kop is simpel vormgegeven door het plaatsen van onder meer punt­ en lijnversieringen. Op de keerzijde is een ‘standaard’ met de

tekens TTO te zien. De munt bestaat uit koper geplateerd met zilver en weegt slechts 0.56 gram, doordat deze aan de bovenkant ‘afgebeten’ is. De diameter is 14 mm en het exemplaar dateert uit omstreeks 700 na Chr. Het tweede muntje (5130­02; af b. 2) heeft op de voorzijde punt­ en rondjes­ versieringen. Daarnaast lopen er in het midden een tweetal lijnen horizontaal. Aan de onderzijde is een parelkrans te zien. Op de bovenzijde lijkt een kop afge­ beeld te zijn, maar doordat dit gedeelte afgesleten is, kan dit niet met zekerheid worden vastgesteld. De keerzijde is voor­ zien van een parelkrans en een stan­ daard met daarin de tekens die lijken op de letters T en I of het Romeinse getal I. De verdere betekenis van deze af beel­ ding blijft een raadsel. De munt is ver­ vaardigd uit zilver, weegt 1.20 gram en

Afb. 5 De voorzijde en de keerzijde van het ‘runen’-type inv. nr. 5130-05. Foto: Provincie NoordHolland.

Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen

03-2013 binnenwerk.indd 123

|

123

03-06-13 12:50


Afb. 6 De voorzijde en de keerzijde van het ‘stekelvarkenstandaard’-type inv. nr. 5130-06. Foto: Provincie NoordHolland.

heeft een diameter van 12 mm. De date­ ring ligt op circa 700 na Chr. Het derde muntje (5130­03; afb. 3) heeft op de voorzijde een kop die naar rechts kijkt en verder punt­ en rondversieringen en twee horizontale lijnen in het midden. De keerzijde is voorzien van een stan­ daard met daarin de tekens die lijken op TOTII. Buiten de standaard is een parel­ krans te zien en twee symbolen die op het Christelijk kruis lijken. Deze is vervaar­ digd uit zilver, weegt 1.25 gram en heeft een diameter van 12 mm. Ook deze munt is te dateren op circa 700 na Chr. Het vierde exemplaar (5130­04; afb. 4) heeft op de voorzijde een kop kijkend naar rechts met aan de onderzijde twee hori­ zontale lijnen met daartussen een punt­ versiering. De keerzijde heeft een stan­ daard met tekens die lijken op TOTII. Buiten de standaard is het christelijke kruis te zien en de letter T alsmede de let­ ter I of het Romeinse cijfer I. Net als voor­ gaande exemplaren is deze munt uit zil­ ver vervaardigd, weegt 1.13 gram en heeft een diameter van 12 mm. De datering komt uit op circa 700 na Chr. Het laatste exemplaar van het type ‘runen’ (5130­05; afb. 5) heeft op de voorzijde een kop die naar rechts kijkt met daaronder twee horizontale lijnen met daartussen een puntversiering. Op de keerzijde is een standaard te zien met de tekens TOTII. De munt is vervaardigd uit zilver, weegt 0.67 gram en heeft een diameter van 11 mm. De munt is gedateerd op circa 700 na Chr.

124

|

Type ‘stekelvarkenstandaard’/ BMC type 4-5 Slechts één exemplaar behoort tot dit type (5130­06; afb. 6). Op de voorzijde zijn acht schuinlopende lijnen te zien die op een stekelvarken lijken. Bij de laatste schuin­ lopende lijn is evenwijdig het christelijk kruis afgebeeld met daaronder een soort D­vorm met daarbinnen twee stippen. Op de keerzijde is een vierkant in puntlijnen, afgeleid van de standaard afgebeeld. In dit vierkant is in het midden een ronde cirkel of letter o met aan weerszijden twee letters of Romeinse cijfers I. Boven deze standaard is het christelijk kruis afge­ beeld. Dit exemplaar is vervaardigd uit zil­ ver, weegt 1.14 gram en heeft een diame­ ter van 11 mm. Deze munt is later te dateren dan het type ‘runen’ en is van cir­ ca 720 na Chr. Dit is vermoedelijk ook de datering van het graf, aangezien dit de jongste munt is. Type ‘vogel-op-kruis’/BMC type 27b Het zevende exemplaar (5130­07; afb. 7) valt onder dit type. Op de voorzijde is een parelrand te zien met daarbinnen een kop die naar rechts kijkt met diadeem en uit­ stralend haar. Op de keerzijde is binnen de parelrand een gestileerde vogel naar rechts te zien die op het christelijk kruis staat. Aan weerszijden van het kruis zijn ringetjes te zien. Buiten de parelrand zijn drie ringetjes te zien en het christelijk kruis. Dit type is vervaardigd uit zilver, weegt 1.18 gram en heeft een diameter

Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen

03-2013 binnenwerk.indd 124

03-06-13 12:50


Afb. 7 De voorzijde en de keerzijde van het ‘vogel-op-kruis’type inv.nr. 513007. Foto: Provincie Noord-Holland.

van 13 mm. Deze munt is net als het type runen gedateerd op circa 700 na Chr. Conclusie De in Limmen gevonden Sceatta’s vor­ men een bijzondere vondst en geven een blik in de tijd van de 8e eeuw na Chr. Juist doordat er weinig geschreven bronnen zijn uit de Vroege Middeleeuwen geven dit soort vondsten informatie over bijvoor­ beeld handelscontacten en het versprei­ dingsgebied van de munten. Zes van de zeven exemplaren zijn namelijk in Enge­ land geslagen en één exemplaar in Frisia. Mede door de chronologische indeling die door het British Museum is gemaakt in 1890 in de British Museum Catalogue kon­

den de munten door het Geldmuseum in Utrecht gedateerd en gedetermineerd worden. Met name in de Provincie Noord­Holland is de Sceatta een zeldzame vondst. Na een zoekopdracht te hebben gegeven in de zoekmachine van de collectiedatabase NUMIS van het Geldmuseum bleken er slechts dertien andere vondsten bekend uit Noord­Holland. Toekomstige munt­ vondsten zullen zeker bijdragen in de ken­ nis over de vroeg­middeleeuwse handel. Mark Phlippeau Van Ostadestraat 11 1506 LA Zaandam markphlippeau@hotmail.com

Noten 1 Mark Phlippeau is sinds 2008 werkzaam als depotmedewerker in het Provinciaal Depot voor Archeologie van de provincie Noord-Holland. 2 M. Dijkstra, J. de Koning en S. Lange, De opgraving van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in Kennemerland, AAC rapport 41 (juli 2006) 23 3 M. Dijkstra, J. de Koning en S. Lange, De opgraving van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in Kennemerland, AAC rapport 41 (juli 2006) 87 4 R.H.P. Proos, Fibelvaria te Katwijk-Zanderij. Uit: Van Solidus tot Euro (2004), 17 5 M. Hendriksen, Afgedamd en afgedankt, (Utrecht 2004) 113 6 E.P. Graafstal en A.Pol, Een schatvondst uit de tijd van Bonifatius, uit Detectormagazine 77(2004), blz. 14 7 http://en.wikipedia.org/wiki/Sceat (geraadpleegd op 5-1-2012). 8 De munten bevinden zich in de collectie van het Provinciaal Depot voor Archeologie van de provincie NoordHolland. Literatuur Dijkstra, M., J. de Koning & S. Lange, 2006: De opgraving van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in Kennemerland. AAC rapport 41, Amsterdam. Graafstal, E.P. & A. Pol, 2004, Een schatvondst uit de tijd van Bonifatius, Detectormagazine 77, 1-45. Hendriksen, M., 2004: Afgedamd en afgedankt. Metaalvondsten uit twee Middeleeuwse nederzettingen in Leidsche Rijn. Utrechtse materiaalcatalogus 1, Utrecht.

Vroeg-middeleeuwse munten uit Limmen

03-2013 binnenwerk.indd 125

|

125

03-06-13 12:50


Feestmaal of handelswaar? Archeo-ichtyologisch onderzoek aan visresten uit middeleeuws Hazerswoude Franka Kerklaan1

Tijdens archeologisch onderzoek door de AWN-afdeling Rijnstreek is aan de Dorpsstraat te Hazerswoude behuizing uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Op het achtererf van dit perceel bevonden zich enkele kuilen. Eén kuil, waarin veel schelpfragmenten en de resten van vis werden aangetroffen, is bemonsterd. De visresten bestonden uit platvisresten en dan voornamelijk bot en schol. Als mogelijk verband tussen de schelp- en visresten veronderstelde archeo-botanicus en molluskenspecialist Wim Kuijper (Archeologisch Centrum Universiteit Leiden) dat de schelpen uit de maag van de platvissen afkomstig zouden zijn. Deze situatie werd eerder geconstateerd bij een opgraving ter hoogte van het nieuwbouwproject Driehoekjes in Den Haag. Na ichthyo-archeologisch onderzoek bleek dat de vissen van zulk groot formaat waren dat ze met gemak de gevonden schelpen doorgeslikt zouden kunnen hebben. Hierbij konden de schelpen ver­ volgens een aanwijzing zijn voor de vangstlocatie van de vissen en mogelijk ook voor het vangstseizoen. Naar de reden waarom vooral resten van grote platvis­ sen in de kuil terecht zijn gekomen kan echter alleen maar worden gegist. Een combinatie van archeo-ichthyologisch onderzoek, raadpleging van moderne en vroeg 20e-eeuwse literatuur, aangevuld met een bezoek aan IMARES te IJmui­ den, leverde ons mogelijke antwoorden. Verband platvissen en mollusken Om te kijken of de vissen een natuurlijke dood stierven of als slachtafval in de kuil

126

|

terecht zijn gekomen, is met behulp van de vergelijkingscollectie van het AAC (Amsterdams Archeologisch Centrum, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam) het materiaal gedetermi­ neerd. Hierna zijn de elementen onder­ verdeeld in lichaamszones en is gekeken van welke zones het meeste materiaal aanwezig was. Er kwam duidelijk naar voren dat de kuil voornamelijk materiaal uit de kop bevat­ te. Skeletresten uit de rest van het lichaam waren maar sporadisch aanwezig. Tevens waren op zo’n veertigtal nekwervels snij­ sporen zichtbaar. Hierdoor was duidelijk dat het slachtafval betrof. De schoonge­ maakte vis, ontdaan van kop en ingewan­ den, was blijkbaar naar elders vervoerd. Van alle skeletelementen blijkt het cleithrum uit de linker lichaamshelft het

Feestmaal of handelswaar?

03-2013 binnenwerk.indd 126

03-06-13 12:50


meeste in de totale assemblage voor te komen. Het cleithrum is een onderdeel uit de schoudergordel waarmee de borst­ vin verbonden is. In totaal zijn er 64 lin­ kercleithra gevonden wat duidt op mini­ maal 64 individuen binnen de platvisfamilie. Van deze vissen was het soms mogelijk de lengte te reconstrueren. Ichthyo-archeololoog Dick Brinkhuizen heeft voor zijn promotieonderzoek for­ mules opgesteld waarmee aan de hand van de afmetingen van bepaalde elemen­ ten de totale lengte van de vis kan worden berekend.2 De uitkomst is een grafiek (afb. 2) waarbij het accent ligt op vissen met een lengte van 45 tot 50 cm. In een gesprek met Adriaan Rijnsdorp van IMA­ RES in IJmuiden kwam aan het licht dat dit een bijzondere situatie is. Tegenwoor­ dig zou vis een hele andere grafiek ople­ veren vanwege de huidige overbevissing. Vissen van zulk groot formaat als in de hier afgebeelde grafiek zijn tegenwoordig een zeldzaamheid. Uit de grafiek blijkt dat de platvissen blijk­ baar ongesorteerd op de lokale markt terecht zijngekomen; de afmeting van de vissen duidt erop dat het voornamelijk schol betrof. De vissen waren dermate groot dat het steeds waarschijnlijker leek dat de schelpen door de vis waren gege­ ten. Om hier meer zekerheid over te krij­ gen is gekeken naar de groottes van de gevonden schelpen. Het gaat hier om de halfgeknotte strandschelp, Spisula sub­ truncata. Dit is de meest algemeen voor­ komende schelp aan het Noordzeestrand. Er zijn 156 schelpen aangetroffen waar­ van de grootte gereconstrueerd of geme­ ten kon worden. De gemiddelde grootte is 16 bij 22 mm. Dat is een relatief gro­ te schelp, maar Franz toonde al aan dat er een voorkeur voor grotere schelpdie­ ren ontstaat naarmate de schol groter wordt.3 Het is daarbij echter ook mogelijk dat de schelp als geheel, en in sommige geval­ len zelfs als doublet, in de maag terecht komt. Bot en schol zijn zogenaamde che­ wing feeders. Dit houdt in dat ze met hun keeltanden de schelpen fijnmalen om zo bij het vlees te komen. 30% van de schel­

pen wordt echter ongebroken in de maag aangetroffen.4 Bovendien hebben grotere schelpen een dikkere schaal die moeilij­ ker te kraken zal zijn. In die zin is het dus niet verwonderlijk dat veel doubletten van grote, dikschalige Spisula subtruncata nog in goede staat zijn aangetroffen. Ze zijn minder goed te kraken dan de kleinere exemplaren en hebben dus een grotere kans om bijna geheel tot compleet in de maag terecht te komen.

Afb. 1 Schelpen (Spisula subtruncata) uit het visafval van Hazerswoude. Foto: R. Maliepaard, Universiteit van Amsterdam.

Vangstseizoen en -locatie Toen bekend was dat de mollusken uit de maag van de platvis kwamen, konden we aan de hand van het voedingspatroon van de vis een vangstseizoen aanwijzen. De voeding van de schol kent twee hoofd­ bestanddelen, namelijk schelpdieren (mollusken) en borstelwormen (polychae­ Feestmaal of handelswaar?

03-2013 binnenwerk.indd 127

|

127

03-06-13 12:50


Afb. 2 Opbouw platvispopulatie uit de afvalput te Hazerswoude naar lengte. Bron: auteur

ta). De borstelwormen worden vooral gegeten tussen november en februari. Gedurende de rest van het jaar ligt de nadruk op mollusken en dan vooral bij vis met een lengte vanaf 20 cm. De mollus­ kenconsumptie kent twee pieken: het voorjaar (april­mei) en het najaar (septem­ ber­oktober). Voor deze pieken worden verschillende verklaringen gegeven. Eén van die verklaring is dat de mollusken dan op hun top zijn. Ze hebben dan veel voe­ dingswaarde voor de vissen. Er is bovendien een aanwijsbaar verband tussen deze perioden van overvloed en de paaiperiode van de schol die loopt van december tot in het voorjaar. Tijdens de paaiperiode stopt de schol bijna geheel met eten. De vis eet dan alleen nog zach­ te borstelwormen. Mogelijk om beschadi­ ging van de voortplantingsorganen door scherp schelpengruis te vermijden. Na deze periode begint de schol in maart langzamerhand weer meer te eten.5 Dan eet de vis echter nog niet meteen mollus­ ken maar enkel zachte borstelwormen. Een reden daarvoor is mogelijk dat het maag/darmkanaal na de vastenperiode nog kwetsbaar is voor schelpgruis. Op basis van de maaginhoud van de vis­ sen kunnen voorjaar, zomer en winter dus als vangstperioden uitgesloten wor­ den. Om verder uitsluitsel te maken, is gekeken naar de grootte van de vis. Hier­ bij is belangrijk om te vermelden dat alle schollen, ongeacht hun leeftijd, in de herfst naar dieper water trekken. Oudere vissen blijven daar echter wel langer. In dit onderzoek gaat het voornamelijk om

128

|

grote exemplaren. Gezien het formaat van de genuttigde schelpdieren is het waar­ schijnlijk dat de vis uit Hazerswoude tegen het eind van de herfst is gevangen. Over de vangstlocatie hoopten wij uit­ spraak te kunnen doen aan de hand van een atlas waarin de verspreiding van Spi­ sula subtruncata in de Noordzee werd aan­ gegeven. In een gesprek met Adriaan Rijnsdorp van IMARES werd echter dui­ delijk dat de locatie van Spisula die in de literatuur wordt aangegeven niet direct van toepassing kan zijn op archeologisch onderzoek.6 In anderhalve eeuw zijn gro­ te veranderingen opgetreden in de ver­ spreiding, onder andere door (mollusken­) visserij. Mede hierdoor is in het literatuur­ onderzoek voor de vangstlocatie dan ook meer gekeken naar ‘oud’ onderzoek. Aan de hand van de vangstperiode wordt uitgegaan van visvangst in diep water en dus niet alleen voor de Nederlandse kust. Hierna is gekeken naar wat de mollusken verder voor informatie konden geven. In de literatuur werd onderzoek vermeld waarbij ook de Spisula subtruncata werd aangetroffen. Hierbij was echter wél de vangstlocatie bekend. Alleen de resulta­ ten uit de herfstperiode zijn in het onder­ zoek meegenomen aangezien dat waar­ schijnlijk de vangstperiode is geweest. Het bleek dat de Spisula langs de kust van­ af de Schelde tot Den Helder en op de Doggersbank werd aangetroffen.7 Wan­ neer gekeken wordt naar de diepere wate­ ren in combinatie met de aanwezigheid van Spisula subtruncata, kan gesteld wor­ den dat de platvis uit Hazerswoude nabij

Feestmaal of handelswaar?

03-2013 binnenwerk.indd 128

03-06-13 12:50


de Doggersbank moet zijn gevangen. Vishandel en visconsumptie Vanuit visplaatsen die in de Maasmonding lagen voer men uit richting Schotland en de Doggersbank. Men weet niet zeker of er vanuit kustplaatsen nabij Hazerswou­ de, zoals Scheveningen en Katwijk, ook naar de Doggersbank werd gevaren, maar onmogelijk is dat niet.8 Na aanlanding werd de vis geveild door een officieel aan­ gestelde visafslager, hieraan is goed te zien dat de verhandeling van vis na aanlanding gereglementeerd plaatsvond. Afhankelijk van de waarde van de vissen werden deze per mand (met soms allerlei soorten bij elkaar) of per stuk verkocht. Hierna werd de vis naar de markt of door visvrouwen naar het achterland gebracht.9 Als we kij­ ken naar de grootte van de vis van onze site zal de lading waarschijnlijk per wagen zijn aangekomen. Voor een platvis zou men graag een stevige vis willen, met een gewicht van 3 tot 4 ons. Exemplaren groter dan 40 cm wegen meer dan een pond. Nog grotere schollen zoals aangetroffen in Hazerswoude moeten dus een kostbare investering zijn geweest. Opmerkelijk is dat er in de kuil alleen maar platvissen zijn aangetroffen. Voor de inter­ pretatie van het assemblage hebben we een aantal mogelijkheden op een rij gezet die ons het meest waarschijnlijk leken: a. Hier heeft een visverkoper gewoond en gehandeld; b. Het betreft de levering voor een speci­ ale gelegenheid; c. We hebben te maken met een huishou­ den dat een grote voorliefde had voor platvis. Elk van deze opties wordt hierna besproken. Hier heeft een visverkoper gewoond en gehandeld De vis uit de kuil is vis die de vishande­ laar voor de verkoop al heeft schoonge­ maakt. Het feit dat er alleen maar resten van platvis in de kuil zitten zou kunnen worden verklaard vanuit de veronderstel­ ling dat het marktaanbod fluctueerde met het vangstseizoen van de diverse com­

Afb. 3 Visresten met snijsporen uit Hazerswoude. Foto: R. Maliepaard, Universiteit van Amsterdam.

Afb. 4 Schol. Foto: Gerrit Groeneweg. Feestmaal of handelswaar?

03-2013 binnenwerk.indd 129

|

129

03-06-13 12:50


merciële soorten en het nu misschien platvisseizoen was. Wanneer we echter naar bronnen uit die tijd kijken, zoals schilderijen, lijkt het onwaarschijnlijk dat de visverkoper alleen maar in platvis han­ delde. Op schilderijen is te zien hoe de kramen vaak vol liggen met een grote ver­ scheidenheid aan vissen. Overigens wer­ den zulke schilderijen vooral in opdracht gemaakt, waarbij de handelaar zijn maat­ schappelijke positie in volle omvang tonen, zodat de afbeelding niet altijd over­ eenkwam met de werkelijkheid. Het betreft hier een speciale levering van in dit geval platvis Gezien het grote aantal vissen moeten we

Noten 1 In 2008 is Franka Kerklaan begonnen met de studie Archeologie aan de Universiteit Leiden. Een stage bij archeo-ichthyoloog Bob Beerenhout maakte haar enthousiast over archeo-ichtyo­ logisch onderzoek, het onderzoeken van archeologische visresten. Ze hoopt dit onderzoek nog lang uit te mogen voeren en heeft in februari 2012 gekozen voor de Master Paleoecology waarmee zij zich verder specialiseert. 2 Brinkhuizen 1989. 3 Franz 1910, 205. 4 Try, I 2000, 45. 5 Todd 1914, 5. 6 Gesprek met Adriaan Rijnsdorp van IMARES in IJmuiden 19-082010. 7 Resultaten verkregen uit Todd 1914, Franz 1910 en Redeke 1906. 8 Beerenhout 2009, 43. 9 Beerenhout 2009, 54. Literatuur Berenhout, B., 2009: Onderzoek aan visresten van de Aalmarkt, gemeente Leiden. Vis, visconsumptie en vishandel van de 12e t/m de 16e eeuw. Rapport Archaeo-Zoo, Amsterdam Brinkhuizen, D.C., 1989: Ichthyo-archeologisch onderzoek: methoden en toepassing aan de hand van Romeins vismateriaal uit Velsen (Nederland). Groningen Franz, V. , 1910: Über die Ernährungsweise einiger Nordseefische, besonderes der Scholle. In: Arbeiten der Deutschen wissenschaftlichen Kommision für die Internationale Meeresforschung; B. Aus der Biologischen Anstalt auf Helgoland 14. Redeke, H.C., 1906: Verslag omtrent onderzoekingen over het voedsel van eenige visschen. In: Jaarboek Instituut voor het onderzoek der zee (1905), 88-111. Todd, A. , 1914: Report on the food of the plaice. In: Fishery Inverstigations, Series II, Vol. II. Try, I., 2000: Mollusc species in the diets of dab (Limanda liman­ da), flounder (Platichthys flesus) and plaice (Pleuronectes platessa) in Århus Bay, Denmark. In: Phuket Marine Biological Centre Special Publication 21 (2), 39-46.

130

|

dan wel aan een speciale gelegenheid den­ ken zoals een kerkelijke feestdag of een trouwerij waarbij men voor een grote groep mensen een feestmaal wilde bereiden. We hebben met de gedachte gespeeld dat het hier om een speciale levering betreft, omdat de vis al helemaal schoongemaakt werd. Op de markt werden meestal alleen de ingewanden uit de vis gehaald en liet men de vis verder intact zodat ze langer goed zou blijven. Bij een speciale levering zou de vis zonder kop aangeleverd kun­ nen worden zodat men meteen over kon gaan tot de bereiding. Voorliefde voor platvis De derde optie is dat we hier te maken heb­ ben met het afval van een huishouden dat een grote voorliefde had voor platvis. Deze optie leek ons echter zeer onwaarschijn­ lijk. De depositie in de kuil heeft het karak­ ter van een eenmalige of een reeks kort opeenvolgende gebeurtenissen. Ook is het aantal vissen zeer groot en moet het een dure aanschaf zijn geweest. Bovendien treffen we in de kuil alleen afgesneden koppen aan en geen ander keuken/of con­ sumptieafval. De koppen moeten op de markt een geringe waarde hebben gehad omdat er weinig vlees aan zat, je zou er hoogstens nog een bouillon van kunnen trekken. Maar dat is waarschijnlijk niet gebeurd omdat de koppen samen met de ingewanden in de kuil terecht zijn geko­ men. Hier is dus minstens sprake van wel­ stand en niet van een arm sociaal milieu. Een handelaar met een vaste clientèle in het dorp lijkt ons uiteindelijk het meest waarschijnlijk gezien de consumptie­ waarde van de vis. Die ligt tussen de 50 en 73 kilo en dat is wel wat veel voor een feest waarbij men waarschijnlijk ook nog andere dingen at naast vis. Het zou om een (kort) visseizoen kunnen gaan. Dat zou ook verklaren waarom de kuil niet direct is dichtgegooid.

Roomburgerlaan 71 2313 PR Leiden franka_89@hotmail.com

Feestmaal of handelswaar?

03-2013 binnenwerk.indd 130

03-06-13 12:50


Wie kent dit?

Wie kent deze bijzondere pot? R.C.A. Geerts1

Te Boxmeer – Sterckwijk heeft ADC Archeo­ Projecten vanaf 2007 gedurende enkele jaren grootschalig archeologisch onderzoek uitge­ voerd. Dit onderzoek heeft zowel nederzettin­ gen als grafvelden opgeleverd die van het Neo­ lithicum tot in de Volle Middeleeuwen te dateren zijn. Bij de uitwerking van het scherf­ materiaal uit de crematiegraven is een pot tevoorschijn gekomen waarvan in de litera­ tuur nog geen parallel gevonden is (afb. 1). De uiterlijke kenmerken van de pot doen vermoe­ den dat deze ofwel in de Late Bronstijd ofwel in de Vroege Middeleeuwen te dateren is. Het crematiegraf waarin deze pot gevonden is, bestaat uit een kuil waar verder geen ande­ re vondsten aangetroffen zijn. De kuil is gele­ gen te midden van het deel van het grafveld waar in de Midden en Late Bronstijd graven aangelegd zijn. Tevens zijn vlakbij deze kuil enkele sporen uit de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. In deze pot zijn de crematieresten van een vol­ wassen man geplaatst. De handgevormde pot is opgebouwd uit kleirollen, biconisch van vorm, heeft een platte bodem en de rand van de pot staat naar buiten toe en is afgerond. Aan de buitenkant is de pot gepolijst en aan de bin­ nenkant alleen geglad. De pot heeft een wand­ dikte van 9 mm op de buik en heeft een gerin­ ge hardheid. De gebruikte klei is gemagerd met kleine fragmenten potgruis. Op basis van de technologische kenmerken van de losse scherven zouden deze niet te onderscheiden zijn van ander midden­ijzertijdmateriaal van de opgraving, alleen de potvorm en versiering wijken af. Zowel op de wandknik als op de hals heeft de pot een versiering van horizontale

groeven met ribbels ertussen. Op de hals gaat het om een drietal groeven en op de wandknik een tweetal. De ribbel is ontstaan door aan de binnenzijde de klei naar buiten te duwen waar­ door een scherpe knik is gemaakt tussen de schouder en de buik.

Afb. 1 De pot uit het crematiegraf. Bron: ADC ArcheoProjecten.

Hoe de pot precies te dateren is, blijft open voor discussie. Zoals hierboven aangegeven blijft een tweetal perioden hierbij de boven­ toon voeren; de Late Bronstijd en de Vroege Middeleeuwen. ­ Voor een pot uit de Late Bronstijd is deze te scherp geknikt en de versiering met groeven en ribbels uit deze periode is normaliter veel smaller. Een versiering met banden van vin­ gertopindrukken is wel bekend, zowel om de hals en de grootste buikomvang. Ook een ver­ siering van groeven is eerder aangetroffen maar deze zijn meestal smaller en dichter op elkaar geplaatst dan bij dit exemplaar. ­ Qua versiering heeft deze pot wat weg van de Angelsaksische potten. De vorm van de pot is echter daarvoor te biconisch en scherp geknikt, de potten uit die periode zijn veel­ eer zakvorming. Tot nog toe is geen sluitend bewijs gevonden voor een definitieve datering van deze pot. Mocht iemand een vergelijkbare pot eerder hebben gezien, dan hoor ik dat graag. Ook idee­ en met betrekking tot de datering zijn welkom. Reacties graag naar: r.geerts@archeologie.nl Noot 1 Roderick Geerts is veldarcheoloog en aardewerkspecialist bij ADC ArcheoProjecten te Amersfoort.

Wie kent dit?

03-2013 binnenwerk.indd 131

|

131

03-06-13 12:50


Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort Emile Eimermann & Godfried de Vries1

AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland heeft tegenwoordig rond de 100 leden. Op de zolder van het Archeo­logisch Centrum van de gemeente Amersfoort waar de AWN-afdeling haar werkruimte heeft, komt i­edere vrijdagavond een kleine groep van maximaal tien actieve leden bijeen. Een aantal van hen is ook als vrijwilliger werkzaam bij de archeologische dienst van de gemeente Amersfoort. De werkgroepen van Rhenen, Harderwijk en Hoevelaken verrichten hun werkzaamheden grotendeels onafhankelijk van Amersfoort en doen onderzoek in o.a. Barneveld, Leusden, Harderwijk, Rhenen en Ermelo (afb. 1). Vijftig jaar geleden, aan het begin van de jaren 60, was de archeologische werk­ groep onderdeel van de Oudheidkundige Vereniging Flehite. Op 17 februari 1962 was de oprichting van een eigen AWNafdeling Vallei en Eemland naast die van Flehite een feit.2 Op 24 maart van dat jaar werd het eerste verenigingsblad uitgege­ ven door dr. W. de Boone. De Boone was voormalig secretaris en conservator van Flehite, alsmede lid van het hoofdbestuur van de AWN (afb. 2).3 De twee werkgroe­ pen hebben nog jaren naast elkaar bestaan, totdat in 1978 de archeologische werkgroep van Flehite werd opgeheven. De AWN-afdeling heeft verder geen bin­ ding met Flehite, maar ze zijn uit histo­ risch oogpunt wel met elkaar verbonden. De Vereniging Flehite werd al in 1878 opgericht vanuit een bovenmatige inte­ resse in grafheuvels.4 De oprichter van de vereniging en aanjager van het gravende

132

|

onderzoek was kapelaan en archivaris W. van Rootselaar, die in goed contact stond met dr. W. Pleyte, de toenmalige conser­ vator van het RMO. Dit ‘urnen delven’ resulteerde in een tentoonstelling over de vondsten en vormde de basis voor het twee jaar later opgerichte museum Flehi­ te. Opvallende 19e-eeuwse vondsten waren een midden-bronstijdurn (destijds genoemd de ‘pot der potten’) en een bron­ zen haarnaald. De ‘Amersfoortgroep’ hielp destijds ook mee met het urnen del­ ven rond Putten en hier werden onder andere een bronzen zwaard en een ‘pols­ beschermer’ gevonden. Niet veel later werd bij de Heiligenberg in Amersfoort een klein onderzoek naar het ‘klooster’ van Ansfried (gesticht rond het jaar 1000) uitgevoerd. Op een andere locatie, op de flank van de Amersfoortse Berg in de buurt van het Meanderziekenhuis Lichtenberg, werden bij de Zeven boom­

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 132

03-06-13 12:50


pjes (een waarschijnlijke graf heuvel­ groep) de fundamenten van de galg van Amersfoort blootgelegd. Na dit gravende begin kwam het zwaartepunt van Flehi­ te vooral bij het museum zelf te liggen en was het een bindende factor voor histori­ sche betrokkenheid in de stad.5 Gravend onderzoek kwam pas weer goed op gang na de oprichting van de AWN­afdeling (afb. 3). Hieronder volgt een chronologisch over­ zicht van kleine en soms wat grotere onderzoeken met vooral een nadruk op de Amersfoortse bezigheden (afb. 4). Het beoogt dan ook niet een totaaloverzicht te geven van het onderzoek in de gehele afdeling en regio, aangezien vanuit de ver­ schillende werkgroepen nog andere hier niet nader besproken onderzoeken zijn uitgevoerd. Dit ‘Amersfoortse verhaal’ leunt op de herinneringen van Godfried de Vries (lid vanaf 1961), Wilma van den Heuvel en Anneke van Leeuwen (beiden lid vanaf de jaren 80 en Wilma was tot voor kort voorzitter). Het vierde geheu­ gen, Co Mulder, is in mei 2011 helaas over­ leden. Zij hebben met nog enkele ande­ ren de afgelopen 30 jaar het veldwerk in en rond Amersfoort vormgegeven. Speci­ fiek noemen we hierbij Joop Hulst (tevens voormalig ROB­tekenaar, eveneens niet meer onder ons) en Auke de Boer. De eerste onderzoeken in de jaren 60 Het eerste bekende onderzoek van de AWN­afdeling stamt uit 1961 – feitelijk nog van vóór de oprichting – en betrof het leren interpreteren en vastleggen van een stuifzandprofiel in de Soesterduinen (afb.1, nr. 1) onder leiding van A. Bruijn (voormalig veldtechnicus bij de ROB). Verder werd in de binnenstad op enkele meters van de noordzijde van de St. Joris­ kerk een van de eerste middeleeuwse vondsten gedaan: een 13e­eeuwse kogel­ pot. In Westerheem van 1963 wordt hierbij gesproken van “enig aangetroffen balk­ werk en tufsteen op 2,5 m diepte.”6 Bui­ ten de stad Amersfoort werd in 1962 onderzoek gedaan naar de zogeheten Kruishaar in Appel (gem. Nijkerk, afb. 1, nr. 2). De Kruishaar (de naam verwijst

Afb. 1 Het gebied van de AWN-afdeling 14, grofweg de driehoek Harderwijk, Amersfoort, Rhenen. Bron: AWN-afdeling 14. In de tekst genoemde onderzoeken: 1 = Soesterduinen, 1961 2 = Kruishaar, Appel, 1962 3 = Utrechtsestraatweg, Rhenen, 1967 4 = Koedijkerweg/Esvelderbeek (= Klaarwaterbeek), Hoevelaken-Terschuur, 1968 5 = Huis ter Eem, Eembrugge, 1969 6 = grafheuvel, Ermelo, 1973 7 = kruising Hessenweg en Stoutenburgerlaan, Achterveld, begin 70-er jaren 8 = Zwanenburg, Leusden, 1974; vroegmiddeleeuwse grafvel bij A28, Leusden, 1983 9 = Groeistad Amersfoort: Nieuwland, Hoogland en Kattenbroek, jaren ‘80 en ‘90 10 = Roskam, Nijkerk, 1988; Holkerstraat-Brink, Nijkerk, 1997 11 = Nijkerkerweg, Bunschoten, Eemvallei, 1991; Nicolaashoogt, Bunschoten, 2000 12 = Hertenlaan, Aarendal, Maarn, 1993

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 133

|

133

03-06-13 12:50


Afb. 2 2 april 1963: Schervenavond te Flehite. Linkerzijde van onder naar boven: Mevr. Heyenga, dhr. J.C. De Groen, dhr. C. Schoemaker, dhr. Heyenga, dhr. G. de Vries (Godfried). Rechterzijde van boven naar onder: onbekend, dhr. H. van Aller , dr. De Boone (historicus, destijds conservator van Flehite), onbekend. Bron: archief AWN-afdeling 14.

naar een hoogte in de heide) is een nog zichtbare wal die oorspronkelijk deel uit zou hebben kunnen maken van een pre­ historisch ‘Celtic Field’-systeem, hoewel dit in het veld nooit hard gemaakt is. Het daaropvolgende onderzoek vond in 1965/’66 plaats, waarbij de restanten van het bastion van de voorpoort van de Kam­ perbuitenpoort uit 1400 (afb. 4, nr. 2) wer­ den teruggevonden, met hierbij 14e-eeuws aardewerk (afb. 5).7 Aanleiding was het rechttrekken van de stadsgracht voor de aanleg van een rotonde (met tegenwoor­ dig in het midden de ‘stier’) en recon­ structie van de stadsmuur. Naast het bas­ tion werden namelijk ook één van de torens en een gedeelte van de neergehaal­ de stadsmuur teruggevonden. Voorts trof men een gedeelte van de noordgevel van het portiersgebouw aan en een gewelf behorende bij de vroegere brug. In 1965 werd in de wijk Isselt (Amers­ foort) vlakbij de Eem een afvalkuil van een 18e-eeuwse glasblazerij, genaamd de

134

|

Glashut, onderzocht. Naast gekleurde glasresten werden delen van smeltpotten gevonden. In datzelfde jaar werd Het Wapen van Driebergen opgegraven, een voormalig hotel in Driebergen dat in de 17e eeuw met ‘Het Oude Rechthuis’ werd aangeduid (buiten de grenzen van de afdeling). Funderingen van een 17e- tot 18e-eeuwse kelder met kelderpot, alsme­ de de uitgeholde stenen traptreden, wer­ den hierbij blootgelegd. Tijdens het ont­ graven werd uit losse grond aardewerk tussen de 14e eeuw en 18e eeuw gebor­ gen. In 1966 is over dit onderzoek nog een expositie gehouden in Driebergen. In 1967 heeft een onderzoek plaatsgehad in Rhenen in een tuin aan de Utrechtse­ straatweg (afb. 1, nr. 3). De vondsten, frag­ menten van een terra-sigillatakom en handgevormd aardewerk, zijn in museum Flehite terechtgekomen. Prehistorische vondsten kwamen bij een veldverkenning in 1968 naar voren op de Koedijkerweg en langs de boorden van de Esvelderbeek (=

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 134

03-06-13 12:50


Afb. 3 Grafheuvel inmeting in 1974/1975: Laan1914 te Amersfoort. Van links naar rechts: dhr. F. Hofland, dhr. Van Ommen, dhr. P. van Tent (toenmalig Provinciaal Archeoloog van Utrecht), mevr. Gommers, mevr. T. Dupui (Flehite, tegenwoordig werkzaam in het gemeentearchief ), dhr. Bousema (leraar school in Leusden), dhr. G. de Vries (Godfried), dhr. J. Hulst (voormalig tekenaar ROB; ROB). Bron: archief AWN-afdeling 14.

Klaarwaterbeek) in Hoevelaken-Ter­ schuur (afb. 1, nr. 4). Hierbij werden laat­ neolithische klokbekerscherven en een vuurstenen pijlpunt gevonden (eveneens tentoongesteld bij Flehite).8 In 1969 is de mogelijke locatie van Huis Ter Eem (oos­ telijk van de Eemoever ter hoogte van Eem­ brugge) onderzocht, waarbij skeletten en 16e-eeuws aardewerk werden aangetrof­ fen (afb. 1, nr. 5). Verder is in dat jaar een veldverkenning uitgevoerd in de Gelderse Vallei, wat alweer prehistorische klokbe­ ker- en ijzertijdscherven opleverde. De 70-er jaren: van vuursteen tot Observantenklooster Na schijnbaar een onderbreking in de veldwerkzaamheden is een eerste onder­ zoek uit 1973 bekend, waarbij leden van de AWN onder leiding van E. Feenstra meehielpen bij onderzoek naar een weg­ gegraven/verploegde grafheuvel in Erme­ lo (afb. 1, nr. 6). Tijdens de opgraving wer­ den karresporen gevonden die op de

grafheuvel afliepen. Neolithisch vuur­ steen werd in het begin van de 70-er jaren opgeraapt in Achterveld op het terrein van garage De Vor (bij de kruising Hessenweg en Stoutenburgerlaan, afb. 1, nr. 7). In 1974 werd de 17e- en 18e-eeuwse buiten­ plaats Zwanenburg in Leusden opgegra­ ven onder leiding van F. Riem (afb. 1, nr. 8). Het vondstmateriaal bestond uit een grote hoeveelheid aardewerk, een treeft (onderzetter) en een faience schoteltje met de tekst ‘die tee is goet’. In de tweede helft van de zeventiger jaren van de vorige eeuw stond met name de Amersfoortse binnenstad centraal. Zo werd in 1975 het braakliggende terrein op de locatie van het voormalige St.Jans­ klooster (afb. 4, nr. 3) met bijbehorend kerkhof op de Beestenmarkt onderzocht (onder leiding van W. van Hoorn). Dit klooster was gesticht in 1388 en staat afge­ beeld op de stadsplattegronden van Blaeu. Hier stond vanaf 1881 de Willem IIIkazerne en deze is door de Duitsers in

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 135

|

135

03-06-13 12:50


Afb. 4 Uitgevoerde AWN-onderzoeken in de binnenstad van Amersfoort. Bron: archief AWN-afdeling 14. In de tekst genoemde onderzoeken: 1 = Sint Joriskerk, 1962/1963 2 = Kamperbuitenpoort, 1965/1966 3 = St. Janskerkhof, 1975 4 = Krommestraat 36-40, 1976 5 = Observantenklooster, 1977-1980 6 = Museum Flehite/Breestraat 78, 1978 7 = Breestraat 21, 1984 8 = Kerkstraat/voormalige ROB, 1985 9 = Bredesteeg 86, 1986 10 = De 3 Ringen, Kleine Spui, 1988 11 = Vijver 26, 1989 12 = De Flint, 1994 13 = Achter de Kamp 98, 1997

136

|

1944 uitgebreid. Voorafgaand aan deze uitbreiding werden enkele panden afge­ broken, onder andere het monumentale pand St. Janskerkhof nr. 17. De klooster­ fundering bleek hierdoor grondig ver­ stoord. Bij de latere aanleg van een onder­ grondse parkeergarage is het kerkhof afgegraven en op de stortplaatsen te Soes­ terberg zijn nog grote hoeveelheden sche­ dels en pijpbeenderen teruggevonden. Bij het noodonderzoek van de AWN werden de sleuven met de hand gegraven, waar­ bij een deel van de muurfunderingen van de kloosterkerk kon worden teruggevon­ den, alsook nog enkele begravingen. Een ingezonden brief naar de Amersfoortse krant (1 maart 1975) met de naam ‘Bees­ tenboel op de Beestenmarkt’ verwees ech­ ter niet naar de gevonden archeologische inhoud, maar naar vandalisme. In het

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 136

03-06-13 12:50


artikel staat dat “het terrein van de opgra­ ving doorploegd was, muurresten waren afgebroken en de gegraven sleuven waren volgestort met oude autobanden, kisten, afval en puin”. Tijdens de sloop van de Kazerne zelf werden op ‘de hoek van het plantsoen en de St. Andriesstraat’ restan­ ten van de stadsmuur aangetroffen die aansloot op de Monnikkendam. In 1976 werd een onderzoek ingesteld naar de bierbrouwerij De Kroon in de Krommestraat 36-40 (afb. 4, nr. 4), tegen­ woordig Dille en Kamille (afb. 6).9 In de kelder aan de zijde van de Krommestraat werden hierbij drie tonputten aangetrof­ fen. Uit de tonputten zelf kwam geen materiaal, maar wel werd in de laag erbo­ ven kogelpotaardewerk gevonden en dit wijst, evenals aangetroffen houten palen, op bewoning ter plekke rond 1200. In een andere kelderruimte, aan de kant van de Langegracht, werd zwaar muurwerk uit het begin van de 15e eeuw blootgelegd (75 cm dik met steunbeer en op het aanzet­ gedeelte een dikte van ca. 1,20 m). Gevon­ den muurresten in drie aangrenzende ruimten lagen in elkaars verlengde, had­ den hetzelfde steenformaat (19 x 19, 5 x 4,5 cm) en men leek hiermee van doen te hebben met een stuk kademuur. Tevens werd buiten de stad in 1976 een onderzoek naar de boerderij Vlooswijk in Oud-Leusden ondernomen. De huidige boerderij kent een 16e-/17e-eeuwse oor­ sprong en hiervan werden kelderresten blootgelegd. In 1977 werd de 17e-eeuwse stellingkorenmolen (meelmolen) De Windhond in Soest opgegraven en wer­ den gebroken molenstenen geborgen. Als afsluiting van het decennium lag eind jaren 70 het zwaartepunt van het onder­ zoek op de opgraving in het Observanten­ klooster (nu gemeentelijk archief en café De Observant, afb. 4, nr. 5).10 Het kloos­ ter werd toen gedeeltelijk gesloopt en gerestaureerd, zodat er gelegenheid was voor een gravend onderzoek. Vanaf juni 1977 tot eind januari 1980 werd door de afdeling één avond per week opgegraven. Op het veronderstelde deel van de voor­ malige kloosterhof werden in de proef­ sleuven enkele afvalkuilen met oester- en

mosselschelpen gevonden en zo werd dui­ delijk dat dit deel onbebouwd is gebleven. In een ander vertrek werd een vrij com­ pacte laag aangetroffen met gesmolten glasresten en in een aangrenzende ruim­ te kwam een geheel met puin gevulde kuil naar voren met stenen afkomstig van een afgebroken glasoven. Bij verder onder­ zoek werd de onderbouw van de glasoven teruggevonden, die stamde uit de perio­ de 1693-1733 (afb. 7). Een ringvormig gelegde klinkerbestrating bleek deze te omsluiten. De diameter bedroeg 3 m, zodat wordt verondersteld dat de ontbre­ kende bovenbouw en koepel ook mini­ maal 3 m hoog moeten zijn geweest. Van de stookruimte lag de vloer, bestraat met klinkers, 1,30 m beneden het niveau van de werkvloer. Deze stookruimte had een diameter van 1,60 m en was aan de bin­ nenzijde rondom van een opmetseling voorzien waarop één of meer smeltpotten konden staan. In de koepelvormige opbouw waren afsluitbare openingen aanwezig, waardoor de glasblazers met de blaaspijp wat van de vloeibare glasmassa uit de smeltpotten konden nemen. Tevens is de fundering van de klooster­ gang aangetroffen met aan de binnenzij­ de een vrij groot aantal begravingen. In het westelijke gedeelte van de klooster­ gang werd een beerput aangetroffen met

Afb. 5 1965: Opgraving Kamperbuitenpoort. Links ROB-tekenaar, in het midden mevr. M. Heyenga. Bron: archief AWN-afdeling 14.

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 137

|

137

03-06-13 12:50


Afb. 6 Reconstructie van gevonden leerfragmenten van een schoen uit ca. 1200 gevonden in de kelders van de voormalige bierbrouwerij De Kroon van het pand Krommestraat 36 t/m 40. Tekening: O. Goubitz.

Afb. 7 Tekening van de resten van de glasoven van het Observantenklooster. Bron: archief AWN-afdeling 14.

138

|

17e-eeuwse voorwerpen van dokter Peu­ tius, zoals destilleerhelmen, een urinaal en een aantal zalfpotjes. Aan de zijde van de Westsingel werd nog de complete over­ kluizing van een deel van een oude water­ loop aangetroffen. Dit grachtje staat al op de plattegrond van Jacob van Deventer (1560) en zou een overblijfsel kunnen zijn van de buitenste van de twee 13e-eeuwse stadsgrachten (het gaat hier om het zoge­ naamde ‘Hellegrachtje’). Onzeker is ech­ ter of Amersfoort werkelijk een volledig dubbele omgrachting heeft gekend. De Observant bracht toen niet de enige oven. Aardewerkscherven van rond 1400 werden in 1978 geborgen bij de restaura­ tiewerkzaamheden in de tuin en in de kel­ ders van het museum Flehite aan de Breestraat 78 (afb. 4, nr. 6). Onder het kel­ dergewelf/oude keuken kwam daarbij een vermoedelijke bakkersoven tevoorschijn. De jaren 80 en 90: Groeistad Amersfoort Begin jaren ’80 stonden de activiteiten op een laag pitje, omdat de afdeling zowel bij museum Flehite als bij de ROB geen gebruik kon maken van een ruimte voor de werkavonden. In 1983 werden wel nog middeleeuwse sporen aangetroffen in het nieuwe wegtracé van de A28 bij Leusden. Dit onderzoek is daarna overgenomen door de ROB, waarbij het vroegmiddel­ eeuwse grafveld van Leusden aan het licht kwam. In 1984 werden muurresten van kleine woningen en bestrating uit de 16e eeuw aan de Breestraat 21 (de markthallen) blootgelegd (afb. 4, nr. 7). Verder zijn nog­ al wat veldkarteringen uitgevoerd. Het boerenland van Nieuwland, Hoogland en Kattenbroek zou namelijk spoedig wor­ den volgebouwd en daarom is over de vel­ den gelopen op zoek naar vindplaatsen (afb. 1, nr. 9). Zo is er een melding van de vondst van ijzertijdscherven in de wijk Zielhorst (1985) en de aanwezigheid van 11e-eeuwse bewoning bij de voormalige boerderij Weerhorst (Pingsdorf, Paffrath en Andenne-aardewerk). In 1985 begon de AWN het onderzoek in de tuin van het seminarie in de Kerkstraat

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 138

03-06-13 12:50


(afb. 4, nr. 8). Het seminarie was namelijk gesloopt voor de bouw van het nieuwe onderkomen van de ROB. De opgraving voor deze (omstreden) nieuwbouw werd verder uitgevoerd door de in 1984 opgerich­ te archeologische stadsdienst. De AWN bleef in deze jaren na de oprichting van een eigen stadsdienst meestal het noodonder­ zoek bij sloop­ en bouwactiviteiten in de binnenstad uitvoeren, zoals in 1986 aan de Bredesteeg nr. 86 (afb. 4, nr. 9). In 1988 kon onderzoek gedaan worden op de locatie waar nu de historische bierbrou­ werij De 3 Ringen gelegen is aan het Klei­ ne Spui in Amersfoort met uitzicht op de unieke Koppelpoort (afb. 4, nr. 10). Deze bierbrouwerij stond oorspronkelijk aan de Drie Ringensteeg, een steegje van de Muurhuizen naar de Korte Gracht. Op de nieuwe locatie van De 3 Ringen werden 14e­eeuwse funderingen van een vrij groot pand vrijgelegd. In dit jaar vond tevens onderzoek plaats, onder leiding van Auke de Boer, op het terrein van de historische herberg De Ros­ kam in Nijkerk (afb. 1, nr. 10). Hierbij werd in een forse afvalkuil een grote hoe­ veelheid materiaal gevonden dat mogelijk wijst op een reeds laatmiddeleeuwse her­ berg. Onder het materiaal bevinden zich fragmenten van leren schoenen, een veel­ heid aan botmateriaal met snijsporen en een grote hoeveelheid aan bierpullen in

de vorm van Jacoba­kannen. Enkele deel­ onderzoeken zijn na afloop uitgevoerd door de ROB, zoals het leer door wijlen O. Goubitz en het botmateriaal door F. Laar­ man. Het aardewerk is nooit nauwkeurig onderzocht, maar sinds kort is dit project door de afdeling weer ter hand genomen. Afgezien van een beerput bij Vijver 26 in het centrum van Amersfoort (afb. 4, nr. 11), waarbij grote hoeveelheden 17e­ en 18e­eeuws aardewerk zijn gevonden, werd na 1989 weer flink gegraven buiten het historisch centrum. In 1989 kwamen 18e­eeuwse Rijnlandse borden uit een afvalkuil bij de historische boerderij Kat­ tenbroek tevoorschijn. In 1991 heeft de afdeling 14 meegeholpen aan een onder­ zoek uitgevoerd door de ROB langs de Nij­ kerkerweg (N68) bij Bunschoten (afb. 1, nr. 11). In de Eemvallei werd in dat jaar duidelijk dat een aantal steentijdvind­ plaatsen bewaard zijn gebleven.11 In de nazomeravonden en de weekenden van 1992 werd onderzoek verricht te Lan­ genoord (Hoogland, afb. 1, nr. 9). Frans van Daalen vond hier bij een omgewoeld terrein grenzend aan de manege van Hoogland tientallen stuks aardewerk en enkele vuurstenen afslagen. Na contact met toenmalig stadsarcheoloog Moniek Krauwer mocht de AWN een kleine opgra­ ving starten en werden twee werkputten aangelegd. Na afloop van de opgraving

Afb. 8 1990/1991: Graafcursus in Hoogland: Van Links naar rechts: dhr. L. de Niet, mevr. A. Heeregrave, dhr. J. van de Putte, mevr. W. van den Heuvel (tot vorig jaar voorzitter van de AWN afd. 14), onbekend, dhr. H. ter Schegget (voormalig hoofd veldafdeling ROB), mevr. A. van Leeuwen, mevr. Joke, dhr. R. Stuit, dhr. C. Mulder (vorig jaar overleden). Bron: archief AWN-afdeling 14.

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 139

|

139

03-06-13 12:50


werd geconstateerd dat maar een mini­ maal gedeelte van een woonerf met paal­ sporen en hutkom was blootgelegd. Helaas was de vindplaats bij aanvang al behoorlijk aangetast. Het aardewerk is onlangs opnieuw bekeken en lijkt te dui­ den op bewoning in de 2e eeuw n. Chr. Naast een enkel stukje Romeins import is vooral inheems aardewerk gevonden, waaronder een potdeel met typisch ‘Frie­ se oren’. Ook werd een behoorlijke hoe­ veelheid vuursteen gevonden. Het gaat hierbij om verbrande afslagen, kernver­ nieuwingsstukken, krabbers, een enkele kling en een aantal pijlspitsen. Marcel Niekus heeft op de Steentijddag onlangs het materiaal bekeken en dateerde de pijl­ spitsen in het Midden Mesolithicum.

- advertentie -

Toebosch’ Eigen Tijdschrift nieuw online tijdschrift • artikelen over archeologie, oudheid, erfgoed en geschiedenis door archeo-journalist en schrijver Theo Toebosch (bekend van onder meer NRC Handelsblad, Elsevier en Archeologie Magazine en zijn boeken ‘Grondwerk’ en ‘Uitverkoren Zondebokken’) • behandelt alle perioden, van prehistorie tot middeleeuwen en moderne tijd. • alleen eigen nieuws, op computer en tablet • meer dan alleen nieuwste vondsten en ontdekkingen; besteedt ook aandacht aan relevante politieke, maatschappelijke en economische ontwikkelingen.n eem nu ee abonnem n • € 20,- per jaar. ent

www.toeboscheigentijdschrift.nl 140

|

Ook de nieuwe wijk Nieuwland werd ont­ wikkeld, met aanleg van grootschalige nieuwbouw. In 1993 werden enkele proef­ sleuven op het erf van de voormalige boer­ derij ’t Haartje in Nieuwland aangelegd, aangezien deze boerderij diende te wijken voor de bouwactiviteiten. Naast wat vuur­ steen als oppervlaktevondsten waren nau­ welijks sporen aanwezig. Een ander uit­ stapje naar de Hertenlaan in Maarn, op het perceel van de afgebroken boerderij Aarendal, leverde enkele grondsporen van een schuur of opslagplaats op met daarbij 15e- tot 18e-eeuws aardewerk (afb. 1, nr. 12). Aarendal stond midden op de heide waar voor de oorlog grote gebieden waren ontgrond/ontzand en dit verklaart waarschijnlijk het ontbreken van oudere bewoningssporen. Bij de bouw van de par­ keergarage onder theater De Flint (afb. 4, nr. 12) kon in 1994 een klein noodonder­ zoek uitgevoerd worden, maar behalve twee 18e- tot 19e-eeuwse kuilen met veel aardewerk en glas werd helaas niets (meer) gevonden. In 1997 werden aan de Holkerstraat-Brink in Nijkerk een 14e-/15e-eeuwse bewoning en een voormalige waterloop, mogelijk een gracht met hierin 17e-eeuws afval, blootgelegd.12 De breedte van 6 m en een diepte van ca. 2,70 m onder het archeolo­ gisch vlak doet vermoeden dat het hier om de gracht van het naastgelegen huis De Brink ging, maar het kan ook een oude stadgracht zijn geweest. In de grachtvul­ ling werden majolica- en faienceborden, olielampjes, vetvangers, grapen en ander roodbakkend aardewerk gevonden. Onder het kookgerei bevonden zich daarbij enke­ le Jydepotten (Deense kookpotten). Daar­ naast waren enkele glazen drinkbekers aanwezig (‘a la façon de Venise’), en ook een aantal leren schoenen. Een concentra­ tie van veel kleine stukjes leerafval doet denken aan afval van een schoenmaker en ook was slachtafval aanwezig. De aan­ wezigheid van beer in de grachtvulling duidt waarschijnlijk op het legen van een beerput. Enkele perceelsloten en paalspo­ ren wezen op een oudere 14e tot 15e-eeuw­ se bewoning. In het vondstmateriaal zijn Siegburg en Langerwehe kannen en twee

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 140

03-06-13 12:51


delen van pelgrimshoorns, alles rond 1400 te dateren. Van de huizen werden naast paalgaten ook resten verbrand hut­ tenleem aangetroffen. De wirwar aan spo­ ren liet helaas geen nadere reconstructie toe, alleen dat een huis met waarschijnlijk enkele bijgebouwtjes haaks op de Hol­ kerstraat stond. Tevens was een zwarte vettige brandlaag met grote brokken houtskool aanwezig en hierboven een ver­ brande lemen vloer (met 15e-eeuwse scherven). Tientallen spijkers en metaal­ slakken doen vermoeden dat hier een smederij was gevestigd. Tijdens de daar­ opvolgende sloop en sanering zijn op het middenterrein nog een tonput en een ste­ nen waterput verwijderd. In 1997 werd bij een opgraving op Achter de Kamp (nr. 98, afb. 4, nr. 13) een laat­ middeleeuwse sloot en een akkerlaag met

kogelpotfragmenten uit de 12e/13e eeuw gevonden. In de jaren daarna ging het voor­ al om veldkarteringen in de omgeving van Amersfoort, zoals Het Nicolaashoogt (zandkop) in Bunschoten met 14e-eeuws materiaal. Helaas liep het zelfstandige onderzoek langzaam af en in 2006 werd alleen nog een begeleiding uitgevoerd bij de aanleg van paddenpoelen in Leusden (zonder noemenswaardige resultaten). Door de vele onderzoeken uit het verleden en de acties die voor volledige verslagleg­ ging nog nodig zijn, hoeven we ons bij Afdeling Vallei en Eemland voorlopig gelukkig niet te vervelen (afb. 8). AWN Afdeling Vallei en Eemland Langegracht 11 3811 BT Amersfoort emile_eimermann@yahoo.com

Noten 1 Beide auteurs zijn lid van AWN-afdeling nr. 14 2 De Boer 2001, 182. 3 Jaarverslag 1962-1963 van zowel de AWN-afdeling “Vallei en Eemland” als de Archeologische Werkgroep “Flehite”. 4 De gemeentelijke archeologische dienst van Amersfoort voert een hernieuwde inventarisatie uit ten behoeve van de exacte plaatsbepaling van de grafheuvels rond Amersfoort, alsmede van de vondsten (Van den Heuvel 2008). 5 Een uitgebreide geschiedenis van de vereniging en het museum is opgetekend ter ere van het 125-jarig bestaan in 2003: zie Elias 2005. Daarnaast is veel informatie terug te vinden in het werk van Brongers uit 1997. 6 Westerheem 1963 nr 4, p. 101. 7 Beschreven in Westerheem 1965, nr 4, p. 111. 8 Een verslag hiervan is geschreven in Westerheem 1968, nr 4, p. 154; door P. van Tent. 9 Van Hoorn 1978. 10 Van Hoorn 1982. 11 Zie de Archeologische Kroniek Provincie Utrecht 1994-1995, 52 e.v. 12 De Boer en Van den Heuvel 1999. Literatuur Boer, A.P., de, 2001: Vallei en Eemland, in: A.P. van den Band, E.H.P. Cordfunke (red.), Archeologie in veelvoud. Vijftig jaar Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland, p. 162-163, Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Boer, A.P., de/H.W.M. van den Heuvel-van Hardeveld, 1999: Opgraving Holkerstraat 57-59; Nijkerk archeologisch in beeld, AWN Afd. Vallei en Eemland (intern verslag). Brongers, A., 1997: Historische Encyclopedie van Amersfoort. Elias, B.G.J., 2005: Flehite 1878-2003. Geschiedenis van een Vereniging en een Museum, Amersfortia reeks deel 16, Uitgeverij Bekking Amersfoort. Heuvel, van den, W., 2008: Hernieuwde belangstelling voor Soester grafheuvels, Kroniek, tijdschrift historisch Amersfoort, jrg. 10, nr. 3, september, p. 6-9. Hoorn, W.J. Van, 1974: Verslag onderzoek Zwanenburg te Leusden, AWN afdeling Vallei en Eemland (intern verslag), Amersfoort. Hoorn, W.J. van, 1978: Onderzoek “De Kroon”. Verslag van een historisch- en archeologisch onderzoek, AWN afdeling Vallei en Eemland, Amersfoort. Hoorn, W.J. Van (red.; met bijdragen van J. Hovy/A. Medema/ H.F. Wijnman/P. Ritmeester/O. Goubitz/ G.F. IJzereef), 1982: Observantenklooster Amersfoort, AWN afdeling Vallei en Eemland, Amersfoort.

Onder de rook van de Onze Lieve Vrouw: 50 (51) jaar AWN-afdeling 14 Vallei en Eemland, Amersfoort

03-2013 binnenwerk.indd 141

|

141

03-06-13 12:51


Rondom de stad

Gemeentelijke archeologie in... Elburg Alle zegen komt van boven Een archeologisch onderzoek in Elburg Maarten Wispelwey1

Op de Veluwe, aan de voormalige Zuiderzee, liggen twee Hanzesteden: Harderwijk en Elburg. De vestingstad Elburg bleef het mooist bewaard. Duizenden toeristen vergapen zich jaarlijks aan dit pareltje van de Veluwe, met kleine straatjes en een prachtige kerk. In de 14e eeuw werd deze stad in één keer neergezet en lopend door de straatjes waan je je echt in de Middeleeuwen. De aanleg van een riool voor de afvoer van hemelwater in de Jufferenstraat zorgde ervoor dat de werkgroep archeologie van de Historische vereniging Arent thoe Boecop archeologische waarnemingen kon doen. Met hulp van de regioarcheoloog van de Regio NoordVeluwe werden een deel van de stadsmuur, een toegangspoort en de toegangsbrug in kaart gebracht. De gemeente kreeg zodoende een schat aan informatie in de schoot geworpen en voert sindsdien een afgewogen archeologiebeleid (afb. 1).

Jaren geleden is een werkgroep archeolo­ gie Elburg in het leven geroepen. Helaas kwam het niet tot echte projecten en ston­ den de scheppen na jaren nog fonkel­ nieuw op de zolder van de historische ver­ eniging; tot 2011. In dat jaar werd in Elburg een nieuwe riolering aangelegd, waarbij de gemeente het aspect archeolo­ gie niet had voorzien. Vanwege de bereik­ baarheid van het winkelgebied en de daar­

142

|

uit voortvloeiende tijdsdruk op het project, nam de Historische vereniging Arent thoe Boecop bij hoge uitzondering het onder­ zoek zelf ter hand. Zonder de inzet van de leden van de werkgroep had dit onder­ zoek niet uitgevoerd kunnen worden. Ook de medewerking van de gemeente was erg plezierig en daarnaast kregen we professionele hulp van Henk Hovenkamp van het Streekarchivariaat en verleende

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 142

03-06-13 12:51


de aannemer Van Gelder alle medewer­ king, ook al kwam daarmee wat extra druk op de planning. Alleen door deze gezamenlijke inspanning was het moge­ lijk hier een noodopgraving uit te voeren. Bij een volgend project zal dit niet meer noodzakelijk zijn en wordt archeologie gewoon, zoals het hoort, vanaf het begin in het project en de planning meegeno­ men (afb. 2). Opgraving, de stadsmuur Vanaf 12 september 2011 is gedurende vier weken een archeologische begelei­ ding van de werkzaamheden aan het hemelwaterriool uitgevoerd. Al de eerste dag werd haaks op de Jufferenstraat een muur blootgelegd. Direct onder de bestra­ ting werden bakstenen in verband aange­ troffen. De bovenkant van de bakstenen ligt op 1,9 m NAP. In eerste instantie leek de muur maar 40 cm breed te zijn. Langs de muur was een leiding aangelegd en het bleek al snel dat de leiding niet langs de muur was gelegd, maar midden op de muur. De muur was dus veel dikker: 1 meter breed. Staande op dit bakstenen fundament naar voren of naar achteren kijkend, was het niet moeilijk om de func­ tie van de muur vast te stellen. De aange­ troffen muur lag namelijk prachtig in het verlengde van de bestaande stadsmuur, waartegen de muurhuizen aan de Zuider­ walstraat gebouwd zijn (afb. 3). De huidige toegang in de stadsmuur van de Jufferenstraat en in het verlengde daar­ van de Zwolscheweg, bestaat eigenlijk nog niet zo lang. Hoewel het onbekend is of er hier voor 1600 een doorgang aanwe­ zig was, zouden bronnen er wel melding van hebben gemaakt dat op last van graaf Hendrik van den Bergh (1573-1638) rond 1632 een doorgang in de muur werd gemaakt. Het is goed om dit moment in context te plaatsen. Graaf Hendrik maak­ te een militaire carrière in Spaanse dienst tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Daarmee volgde hij het voorbeeld van zijn vader Willem IV, graaf van den Bergh die ove­ rigens eerst in Staatse dienst was. Willem had gaandeweg de oorlog het idee opge­ vat dat het misschien verstandiger was

Afb. 1 Uitsnede uit een kaart uit 1806. Topografische kaart van de Veluwe en Veluwe-zoom door M.J. de Man 18021812. Bron: herdruk Canaletto, 1984).

aan Spaanse zijde te vechten. Zo gedacht, zo gedaan. De politieke situatie wijzigde echter vaak en soms was het verstandig om de ‘andere’ kant te steunen. Zo koos ook Hendrik rond 1632 de zijde van de stadhouder en daarmee de Staatse kant. Behalve in zijn versterkte huizen in Bergh en Ulft, vertoefde hij ook dikwijls in Elburg. Hij bewoonde daar het verdedig­ bare Hoge Huis. In 1854 werd op de fun­ damenten van dit huis de Joodse synago­ ge gebouwd. Toch zal Hendrik zich niet altijd even zeker hebben gevoeld na zijn desertie uit het Spaanse leger. De drie poorten die Elburg destijds rijk was, boden hem te weinig vluchtroutes. Daar­ om gaf Hendrik opdracht om aan de oost­ zijde een doorgang in de stadsmuur te maken. Het was weliswaar een kleine doorgang, maar het stelde hem in ieder geval gerust (afb. 4). Het Kleine Poortje of Graaf Hendrikpoortje Deze doorgang werd ook wel Oostpoort genoemd en kreeg later ook de naam Zwolsche Poort. Deze oostelijke toegang naar de stad kreeg pas echt gestalte, toen de Zuiderzeestraatweg werd aangelegd tussen Amersfoort en Zwolle. Door de Zuidpoort (Goorpoort) ging de straatweg de stad in om er aan de oostzijde weer uit Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 143

|

143

03-06-13 12:51


Afb. 2 Overzicht vanuit het raadhuis van de opgraving. Foto: auteur.

Afb. 3 De eerste dag: de stadsmuur is gevonden. In het verlengde is de stadsmuur in de Zuiderwal te zien. Foto: auteur.

te komen. Tegenwoordig is de Oostpoort de hoofdingang van de stad. De kaart die Jacob van Deventer maakte in opdracht van keizer Karel V laat goed zien hoe de vestingstad er in 1545 uitzag. Er waren drie toegangspoorten met ieder een bolwerk voor de poort. Om de stad ligt een dubbele gracht waartussen zich een landtong bevindt. Opvallend is dat de westelijke poort niet direct toegang geeft tot de Zuiderzee. Men moet met de boot eerst ruim een kilometer naar het noor­ den varen om het ruime sop te kunnen kiezen (afb. 5). Hoewel de benamingen doen vermoeden dat het een kleine toegang betrof, toont een prachtige prent uit de 17e eeuw (toe­ geschreven aan Adam Frans van der Meulen, 1632-1690) een robuuste toren die zich boven de poort verhief. De prent laat op de hoek van de vestingstad nabij de kerk een gelijksoortige toren zien. Het lijkt alsof de toren als een theemuts over de muur is gezet. Opvallend is dat deze torens groter zijn uitgevoerd dan die bij de zuidelijke en westelijke poort (afb. 6). De resultaten uit de opgraving door de werkgroep archeologie van de Historische verenging Arent thoe Boecop bieden wel

144

|

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 144

03-06-13 12:51


enig houvast. Nagenoeg parallel aan de stadsmuur maar meer de stad in, werd een tweede muur waargenomen. Op het eerste oog leek ook deze muur maar 40 cm dik. Door alle verstoringen die door riool en leidingwerk waren veroorzaakt, waren wel delen van muurwerk te zien, hoewel deze wat uit het lood lagen. Later zou duidelijk worden dat deze muurres­ ten wel degelijk onderdeel van dezelfde muur uitmaakten. Op een diepte van ruim 1 meter beneden het maaiveld kon worden vastgesteld dat de muur ook hier een dikte van 1 m had. Er was een water­ leiding in een U-profiel in de lengte van de muur uitgehakt. Onder de waterleiding liep de muur echter over de volle breedte door (afb. 7). Al snel rees de gedachte dat deze muur onderdeel zou moeten uitma­ ken van het poortgebouw of toren. Te oor­ delen naar de richting van de muur moest het fundament onderdeel zijn van een vierkante of rechthoekige constructie. Om iets te kunnen zeggen over de omvang van het fundament, is met veel inspan­ ning getracht om de plek te vinden waar de muur de hoek om zou gaan. Er werd echter in eerste instantie een merkwaar­ dige bakstenen constructie aangetroffen. De doorsnede van de constructie had de vorm van een sleutelgat. Mogelijk betrof het hier een oude riolering. De bovenzij­ de van het gewelfde deel lag echter maar 20 cm onder straatniveau. De structuur lag wel in het verlengde van de stoeprand. Toch is het nog ongewis wat de functie daadwerkelijk is geweest. Belangrijk was dat de constructie boven op een bredere muur was aangebracht. Aan de straatzij­ de stond de muur hoger dan aan de trot­ toirzijde. Met behulp van de graafmachi­ ne is deze plek vervolgens verder ontgraven, waarna een belangrijke vondst werd gedaan. De muur waarop de vreem­ de constructie gebouwd was, bleek even dik te zijn als de westelijke muur van het poortgebouw en sterker nog, het bleek de zijmuur te zijn (afb. 8). Daar waar de twee muurdelen aan elkaar vast hadden geze­ ten in de hoek, was een grote kier aanwe­ zig. Het was duidelijk dat de muren door verzakking uit verband getrokken waren.

Nu was ook verklaard waarom delen van de westelijke muur uit het lood lagen. De hele westelijke muur (achterzijde) was klaarblijkelijk verzakt. Er wordt verteld dat een historische bron uit vermoedelijk de 18e eeuw stelt dat de toren in zo’n erbar­ melijke staat verkeerde, dat het een gevaar voor de inwoners van Elburg was gewor­ den. Daarom werd besloten om de toren c.q. het poortgebouw af te breken. Ver­ moed wordt dat na de afbraak van de toren er geen nieuwe imposante toren met toe­ gang is aangebracht. Mogelijk was de oor­ logsdreiging afgenomen en was een poort met verdedigbare toegang niet meer noodzakelijk (afb. 9). Helaas bleek het tot nu toe niet mogelijk om ook de noordelijke zijde van de toren te vinden. Daarom is er geen zekerheid of het poortgebouw een vierkant grondplan had of een rechthoekig. Wel zijn de res­ ten van de oostelijke muur gevonden. In het vlak is de muur niet waargenomen, maar wel in het profiel. Te midden van veel baksteenpuin, was in het profiel de muur zichtbaar, doordat alleen hier het

Afb. 4 Graaf Hendrik van den Bergh (1573-1638), geschilderd door Otto van Veen (1556-1629). Bron: collectie dr. J.H. van Heek, Stichting Huis Bergh ’s-Heerenberg.

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 145

|

145

03-06-13 12:51


baksteen in verband zat. Zodoende kon worden vastgesteld dat de afstand tussen de achter- en voorzijde van de poort 5,35 m bedroeg. De afstand tussen de beide buitenzijden van de muren bedroeg 7,35 m. De stadsmuur liep dwars door het poortgebouw heen. Het poortgebouw was zo geconstrueerd dat het een paar deci­ meter meer buiten de stadsmuur stond dan binnen de stadsmuur. Toegangsweg Aan de voet van de stadsmuur lag al sinds 1396 een smalle binnengracht. Vervol­ gens was er een wal aangelegd en daar buiten lag een brede gracht. Wie door de Oostpoort de stad wilde verlaten, moest over het water zien te komen. Ongeveer midden in de as van de huidige Jufferen­ straat kwam direct onder de bestrating een lange muur tevoorschijn. De muur

was 60 cm breed en 2,5 steens. Naarma­ te de graafwerkzaamheden vorderden, kon de muur steeds verder gevolgd wor­ den de stad uit. Meerdere malen werd ver­ ondersteld dat de muur geëindigd was. De muur was op sommige plaatsen namelijk verdwenen, doordat er haaks op de muur een diepe sleuf was gegraven voor één of andere leiding. Een dag of wat later, wanneer de aannemer weer wat ver­ der had gegraven, bleek de muur toch ver­ der door te lopen. De bovenkant van de muur bevond zich op 1,75 m NAP en lag dus ongeveer 15 cm lager dan de boven­ kant van de eerder aangetroffen stads­ muur. Ter hoogte van de voorgevel van Bas Backerlaan 13 bleek de muur onge­ veer 20 cm te zijn verzakt (afb. 10). Ver­ volgens klom de muur na ruim 2 m weer tot op het oude niveau. Op de plaats van de verzakking verbreedde de muur zich

Afb. 5 Uitsnede uit de kaart van Jacob van Deventer (1545). Bron: Biblioteca Digital Hispanica.

146

|

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 146

03-06-13 12:51


Afb. 6 Uitsnede van een foto van de ets ‘Gezicht op Elburg’ van A.F. van der Meulen, 1672 (frères Moreau 1900 - 1903, Rijksmuseum Amsterdam). Een kopie hangt in het Stadsmuseum te Elburg.

en was een soort poer aanwezig. Omdat ook de Bas Backerlaan zich op deze hoog­ te bevindt, werd verondersteld dat de muur hier zou eindigen. Waardoor de ver­ zakking is opgetreden, kon niet direct worden vastgesteld. Een brug Nadat de aannemer de bestrating tot aan de Bas Backerlaan had verwijderd, begon hij aan het uitgraven van de sleuf voor de rioolbuizen voor de afvoer van het hemel­ water. De bodem van de sleuf lag onge­ veer op een diepte van 2 m beneden straat­ niveau. Met wat voorzichtigheid lukte het om de sleuf te graven en ook de laatst genoemde muur heel te houden. Zo zou het mogelijk zijn om te zien hoe diep de muur gefundeerd was. Tot onze verras­ sing hebben we deze vraag niet kunnen beantwoorden. Bij het ontgraven van de sleuf werden we namelijk een boogcon­ structie gewaar onder de muur. De hier­ boven beschreven muur maakte zonder twijfel deel uit van een toegangsbrug en was de basis voor de brugleuning of balus­ trade van de brug. Na de vondst van de eerste boogconstructie volgde een tweede boog. De eerste boog die tegen de ooste­

lijke muur van het poortgebouw was aan­ gelegd, overbrugde een afstand van 3 m. Daar eindigde de boog in een dragende dwarsmuur (pijler). Deze muur had een dikte van ongeveer 1,4 m. De tweede boog begon aan de andere zijde van deze muur en overspande een afstand van 2,5 m (afb. 11). De boog liep hier over in een muur van 1 meter dik. Opvallend aan deze muur was, dat die een meter uitstak buiten de brugleuning. Deze muur had waarschijn­ lijk een belangrijke functie als tweede pij­ ler. De tweede boog was niet intact, want het hoogste punt was ingestort. Toch heeft dat weinig verzakking veroorzaakt. De grote verzakking in de muur erboven begint pas na de muur waartegen de twee­ de boog is gemetseld. Onder de verzak­ king is geen boogconstructie aangetrof­ fen. Zou met de twee bogen de binnen­ gracht overbrugd zijn? Het lijkt voor de hand te liggen. In dat geval zou de bin­ nengracht hier een breedte hebben gehad van tussen de 10 en 11 m (gerekend van­ af de stadsmuur). Oude kaarten geven daarentegen een binnengracht aan die aanzienlijk breder is. Een kaart uit 1649 geeft een breedte aan van ruim 18 m. De kaart van Jacob van Deventer toont een Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 147

|

147

03-06-13 12:51


Afb. 7 De westelijke muur van het poortgebouw. Foto: auteur.

148

|

binnengracht die een afstand overbrugt van maar liefst 24 m! Dan zouden er toch meer bogen te voorschijn moeten komen. Om dat te kunnen bewijzen, moesten we weer een paar dagen wachten. Na de muur waartegen de tweede boog was bevestigd, volgde de voornoemde verzak­ king. Hier was geen boogconstructie aan­ wezig en werd de onderzijde van de muur al op een diepte van 60 cm aangetroffen. Na ruim 3,5 m werd een volgende pijler aangetroffen die net als de muur na de tweede boog breed uitstak. Hoewel hier­ na de bodem flink verstoord was met lei­ dingen, kon een derde boogconstructie aangetoond worden. Deze boog overspan­ de een afstand van circa 2,25 m, waarna deze eindigde in de volgende pijler. Na de derde boog werd ook nog een vierde boog aangetroffen. De pijlers waartussen de bogen waren aangebracht hadden een dikte van 1 meter. De vierde boog was

weer breder dan de derde en overbrugde een afstand van 3 m. Zo bleken de eerste en vierde boog een grotere afstand te over­ bruggen dan de tweede en derde boog. Met de vondst van de derde en vierde boogconstructie werd de beoogde bin­ nengracht een stuk breder. Vanaf de stadsmuur gerekend tot en met de achter­ zijde van de laatste poer is een afstand gemoeid van 23 m. Hiermee zou de gracht nagenoeg even breed zijn als op de kaart van Jacob van Deventer uit 1545. Op zich is dat niet verwonderlijk als men bedenkt dat de vierde boog vlak voor de bestaande wal eindigt. De constructie van de brug zoals aangetroffen, ligt als zodanig nog in de grond en kan bij toekomstige ont­ gravingen opnieuw gedocumenteerd worden. Het is wel jammer dat we geen kans hebben gezien om de andere zijde van de brug te vinden. Hier waren geen graafwerkzaamheden gepland en een voorzichtige poging om met de hand een gaatje te graven, leverde niets op. De pijler, waar de tweede boog op uit­ kwam, stak een meter uit buiten de brug (zie afb. 11). Dat gold ook voor de pijler waaruit de derde boog begon. Hierboven was al even sprake van een mogelijke belangrijke functie van die muur. De muur tussen deze beide uitstekende pij­ lers was niet diep gefundeerd en was ver­ zakt. Het is heel goed mogelijk dat tussen de tweede en derde boog een ophaalbrug aanwezig was. Dat zou de reden kunnen zijn geweest om de muur wat breder en dus steviger uit te voeren. Op het moment dat de ophaalbrug niet meer functioneel was, heeft men deze verwijderd en een vaste brug aangelegd. Dit idee wordt ondersteund door de aanwezigheid van een aanzet van een vijfde boogconstructie die is aangetroffen tegen de pijler waar boog drie uit voortkomt. De constructie en de gebruikte bakstenen (waaronder gele ijsselsteentjes!) doen vermoeden dat deze boogconstructie later is toegevoegd. De overspanning van deze boog was de grootste en bedroeg ruim 3,5 m. Deze is later ingestort en buiten de genoemde aan­ zet van de boogconstructie in de uitsteken­ de pijler hebben we daar niets meer van

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 148

03-06-13 12:51


terug gevonden. Vervolgens heeft men de binnengracht gedempt. De bodem onder de voormalige ophaalbrug waar de boog­ constructie was ingestort, bood onvol­ doende steun, zodat later een verzakking van de vaste brug het gevolg was. Als aanvulling van deze theorie kan wor­ den aangevoerd dat het idee bestond dat de lange muur later op de boogconstruc­ tie was aangebracht en dus onderdeel uit­ maakt van een recentere fase. De gebruik­ te bakstenen weken af van de stenen die gebruikt waren in de boogconstructies en de pijlers. Tussen de wallen Hoe zette de toegangsweg zich voort? Tussen de wallen bevond zich vaste grond en een brugconstructie met bogen werd hier dan ook niet verwacht. De muur die we al over ruim 20 m hadden gedocu­ menteerd, werd ook tussen de wallen aan­ getroffen. Maar deze muur lag niet meer in lijn met het begin van de muur. De muur liep met een bocht in noordelijke richting. Daarbij werd geconstateerd dat tegen deze muur een tweede muur was gemetseld. Deze maakte aan de binnen­ zijde dezelfde bocht. Omdat midden door de straat een riool was gegraven, konden we een groot deel niet meer terugvinden. Met enig geluk werd aan de noordzijde van de weg het vervolg van de gebogen muur zichtbaar. Het grootste deel van de bakstenen bevond zich in het profiel van de laagte die ontstaan was na het verwij­ deren van de bestrating. Toch kon worden vastgesteld dat de muur in een bocht door­ liep in de richting van het wandelpad aan de buitenzijde van de wal. Nog gelukki­ ger was de vondst van muurwerk even­ eens aan de noordzijde van de straat (afb. 12), want een stukje terug in de richting van het centrum waren eveneens bakste­ nen in het profiel zichtbaar. Ook deze lagen in verband en waren gelijk aan de stenen van de muur aan de zuidzijde. Met enige zekerheid was de overzijde van de toegangsweg gevonden! Omdat de tegen­ hanger van de zuidelijke muur zich in de bocht van de weg bevond, was het lastig een precieze afstand te meten. Voorals­

nog wordt aangenomen dat de afstand tussen de beide muren 2,65 m bedroeg. Daarmee is de weg inderdaad relatief smal. Ter vergelijking: de breedte van de toegangsweg bij de Goorpoort was meer dan het dubbele! Er is dus echt sprake van een kleine poort of in ieder geval van een kleine toegang. Bronnen melden dan ook dat de kleine poort alleen aan voetgangers toegang bood tot de stad.

Afb. 8 De zuidelijke muur van het poortgebouw en de onbekende constructie. Foto: auteur.

Brug over de buitengracht De toegangsweg maakt tussen de wallen zogezegd een bocht en buigt naar de bui­ tengracht af. De uitgave van de kadastra­ le minuutplan door de stichting Werk­ groep Kadastrale Atlas Gelderland (1999) geeft hierover geen duidelijkheid. Hoe­ wel, net buiten de brede gracht staat op het kaartblad C het woord ‘brug’ aange­ geven. De locatie van dit woord leek wat willekeurig gekozen en zweefde zodoen­ Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 149

|

149

03-06-13 12:51


Afb. 9 De hoek van de zijmuur op de achtermuur van het poortgebouw. Deze is door verzakking uit verband geraakt. Foto: auteur.

Afb. 10 De verzakking in de toegangsweg. Foto: auteur.

Afb. 11 Boog twee. Foto: auteur.

150

|

de wat op de kaart. Bij het bekijken van het gekleurde origineel bleek dat er een fout was gemaakt bij het overtekenen van de originele kaart. Op de originele kaart stond namelijk prachtig de bocht in de weg aangegeven en na de bocht was de brug over de buitengracht getekend. Met de aanleg van de Zuiderzeestraatweg in die jaren (1832) moest de kadastrale opme­ ting opnieuw uitgevoerd worden. Er was immers veel veranderd. Gelukkig gaf de originele kaart de oude situatie nog in detail weer (afb. 13). De historische kaart van M.J. de Man (zie afb. 1) toont ook de brug over de buitenste gracht schuin ten opzichte van de toegangsweg. Een derge­ lijke scheve aanlooproute komt bij meer­ dere vestingsteden voor. Het was natuur­ lijk ongewenst dat de vijand met een kanon zo gemakkelijk de stad in kon schieten. Reconstructie Met de maat van de breedte van de toe­ gangsweg is het mogelijk om een recon­ structie te maken van de oorspronkelijke Zwolsche Poort. De zuidelijke muur van het poortgebouw steekt nagenoeg 4 m buiten de brug. Wanneer er sprake was van symmetrie is met een eenvoudig rekensommetje de omvang van de stads­ poort te bepalen. 4 m buiten de brug plus een wegbreedte van 2,65 m plus weer 4 m geeft een totaal van 10,65 m. Daarbij dient dan nog twee maal 0,60 m geteld te worden van de twee begeleidende brug­ muren en dan kom je op een lengte van 11,85 m. De breedte van de poort was al vastgesteld op 7,35 m. Zo rekenend, zou de toren een rechthoekig grondplan heb­ ben gehad (afb. 14). Gulden snede De bovenstaande reconstructie oogt wel­ licht vreemd. Dat komt misschien doordat we liever een vierkant zien of verwachten te zien. Nu is een rechthoekig grondplan van de toegangspoort met de huidige ver­ houding tussen lengte en breedte moge­ lijk op een andere manier te verklaren. Wanneer men de gulden snede, afkom­ stig uit de klassieke oudheid, als bereke­

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 150

03-06-13 12:51


ningsmodel hanteert, zou de verhouding tussen de breedte en de lengte gelijk staan aan de verhouding tussen de lengte en de som van de lengte met de breedte. Uitge­ schreven: 7,35 : 11,85 = 11,85 : (11,85 + 7,35). En dat gaat voor deze maten precies op. Het grondplan is dus volgens de regels van de gulden snede gebouwd. Deze verhou­ dingen zouden een goddelijke oorsprong hebben en werden vaak bij bouwwerken en in de kunst toegepast. Vrijmetselaars maakten daarom ook vaak gebruik van de gulden snede. In zijn boek De Da Vinci Code plaatst de auteur Dan Brown de gul­ den snede binnen een mysterieuze con­ text. Volgens deze schrijver zou ook Leo­ nardo Da Vinci de gulden snede als basis voor zijn werk hebben gebruikt (afb. 15). Details Tijdens de archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden vielen een paar details op. Het eerste detail betreft een gat in de stadsmuur precies daar waar de toegangsweg op de stadsmuur aan­ grijpt. Het gat is uitgesleten en heeft een diepte van circa 35 cm. Zou hier een pen van één van de poortdeuren in gehangen hebben? In het zuidoostelijke kwadrant tussen de stadsmuur en de voorgevel van het poort­ gebouw werd een vloertje van bakstenen blootgelegd. Mogelijk was tussen de stadsmuur en de voorgevel van het poort­ gebouw een verblijfsruimte aanwezig. De tussenruimte aan de buitenzijde van de stadsmuur had een omvang van 2,9 bij 2,2 m. Die aan de achterzijde zou een omvang hebben gehad van 2,9 bij 1,85 m. Dateringen Zonder historische bronnen met harde jaartallen is het lastig een goede datering van de diverse aangetroffen constructies te geven. Zeker ook omdat er nagenoeg geen vondsten zijn gedaan aan de hand waarvan we een datering zouden kunnen herleiden. De stadsmuur is ongetwijfeld het oudste dat bij de opgraving is gevon­ den. Dan is er de toegangspoort en het onderste deel van de toegangsbrug met

Afb. 12 De toegangsweg maakt een bocht naar het noorden. In het profiel is de overzijde van de oude toegangsweg zichtbaar. Foto: auteur.

vier bogen. Later is in het midden een vijf­ de boog toegevoegd die het op een zeker moment heeft begeven. Vervolgens heeft

Afb. 13 De kadastrale minuutplan uit 1832 (kadastrale atlas Gelderland 1832, uitgave Stichting Werkgroep Kadastrale Atlas Gelderland. Elburg 1999); links de kopie, rechts het origineel. Bron: www.watwaswaar.nl Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 151

|

151

03-06-13 12:51


Afb. 14 Reconstructie van de diverse bouwwerken uit de opgraving. In donkerblauw is het poortgebouw te zien, in rood de stadsmuur en in lichtblauw de contouren van de toegangsweg. Bron: auteur.

men de binnengracht hier gedempt en een vaste brug gerealiseerd.

Afb. 15 De Mens van Vitruvius door Leonardo Da Vinci, circa 1490.

Archiefonderzoek Er zijn ongetwijfeld veel voor dit onder­ zoek relevante historische bronnen in het archief aanwezig. Helaas is er vooralsnog weinig bekend over de aanleg van de toe­ gangspoort en de af braak ervan. Wel wordt in de wandelgangen verteld dat er een bron is, waarin wordt beschreven dat de poort in slechte staat verkeerde en fei­ telijk op instorten stond. Om ongelukken te voorkomen, zou er vervolgens opdracht zijn gegeven om de toren af te breken. Helaas is deze bron nog niet gevonden. Daarnaast moeten er archiefstukken zijn die melding maken van de bouw van deze toegangspoort. Er wordt aangenomen dat de toegang op last van graaf Hendrik is gebouwd. Omdat de Spanjaarden niet gelukkig zullen zijn geweest met het over­ lopen van graaf Hendrik naar de troepen van de stadhouder, zou de graaf uit angst voor Spaanse represailles deze opdracht

kunnen hebben gegeven. Dat zou dan moeten zijn gebeurd tussen 1632 en 1638. Uit de stadsrekeningen komt naar voren dat er in 1634 veel (tienduizenden!) Leid­ se stenen worden aangekocht. Het ont­ breekt vervolgens aan informatie waar­ voor die stenen gebruikt zijn. In hetzelfde jaar wordt melding gemaakt van de bouw van twee nieuwe huizen. Zouden de ste­ nen daarvoor gebruikt zijn? Geconcludeerd kan worden dat het van groot belang is de archieven nader te raad­ plegen en te bestuderen om zodoende de geschiedenis van de poort en toegangs­ brug beter te kunnen duiden. De resulta­ ten van het archeologische onderzoek hebben in ieder geval al een fikse bijdra­ ge geleverd aan het verhaal van de geschie­ denis van Elburg. Elburg, een prachtige stad vol geheimen. Oosteinde 17 3842 DR Harderwijk mwispelwey@regionoordveluwe.nl

Noot 1 Maarten Wispelwey is sinds 2009 werkzaam als regioarcheoloog voor de Regio Noord-Veluwe. In die hoedanigheid adviseert hij de gemeenten Putten, Ermelo, Harderwijk, Nunspeet, Elburg, Oldebroek en Heerde op het gebied van de archeologische monumentenzorg

152

|

Rondom de Stad

03-2013 binnenwerk.indd 152

03-06-13 12:51


Literatuurrubrieken

Recensies Theo Bottelier, Inktpot of vogeldrinkbakje? Onderzoek naar een bijzonder metalen voorwerp. Hoofddorp 2012. ISBN 978-94-6129-049-6. Zw./w.-ill., 118 pag., € 12,50. Wanneer de Stichting Archeologische Werk­ groep Haarlem in de jaren 1990-1994 de res­ tanten van het kasteel Huis ter Kleef in Haarlem-Noord onderzoekt, wordt in de gracht ervan het fragment gevonden van een metalen voorwerpje, versierd met driehoeken en een wapenschild. Dat fragment vormt het start­ punt van een jarenlange speurtocht van Theo Bottelier naar vergelijkbare voorwerpen in en buiten ons land en naar de functie ervan. Het gaat om uit een lood-tin legering gegoten bak­ jes, daterend uit de14-16e eeuw. Ze zijn meest­ al 4-5 cm hoog, met een diameter van circa 4-6 cm. Naar boven toe lopen de bakjes wat wijder uit, aan één zijde, de achterkant, is het bakje meestal afgeplat. De ronde, soms hoekig gebo­ gen voorzijde is meestal versierd. De decoratie varieert van enkele simpele lijntjes, al dan niet met een symbolische betekenis, tot fraaie gezichtsmaskers en wapenschilden. Het voor­ komen van deze voorwerpen concentreert zich in het zuidwestelijke kwadrant van ons land met inbegrip van het aangrenzende deel van Vlaanderen. Ook uit de wijde omgeving van Londen zijn enkele exemplaren bekend. Het enige voorbeeld uit Duitsland is een illustratie uit 1438, waarop de schrijvende broeder Johan­ nes is afgebeeld, die een dergelijk bakje in zijn hand lijkt te hebben. Die afbeelding siert ook de cover van het boek van Theo. Inmiddels is Theo er in geslaagd uit publicaties, musea, archeologische depots en particuliere collec­ ties ruim 100 exemplaren te achterhalen en ze stuk voor stuk te beschrijven. In 1998 is overwogen om zijn inventarisatie in de reeks monografieën van de AWN te publi­

Afb. 1 Schrijvende broeder Johannes. Cover van het besproken boek

ceren. In 2005 lag er al een manuscript gereed, maar knopen werden niet doorgehakt, perso­ nen kwamen en gingen, toezeggingen ver­ dampten, maar het manuscript bleef. Uitein­ delijk wint ook hier de aanhouder. Voor die vasthoudendheid is een compliment aan Theo op zijn plaats. De catalogus van ruim 100 pot­ jes biedt een uitstekende basis voor verder onderzoek: iconografisch en heraldisch naar de afbeeldingen, maar vooral ook naar de func­ tie van het potje en de sociaal-maatschappelij­ ke achtergrond van het gebruik ervan. Hoewel Theo er naar neigt om voor de functie van het bakje in de eerste plaats te denken aan het gebruik ervan als inktpotje, realiseert hij zich dat de mogelijkheid van bijvoorbeeld het gebruik als drinkbakje in een vogelkooi nog steeds niet is uitgesloten. De vraagstelling in de titel van het boek is feitelijk nog steeds niet eenduidig beantwoord, maar Theo draagt veel informatie aan, die van belang kan zijn bij een definitief antwoord op die vraag. Gerrit Groeneweg

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 153

|

153

03-06-13 12:51


Signalementen Joep Rozemeyer, De ontdekking van Dorestad. Of: hoe Dore-roosje na een duizendjarige slaap ontwaakt. Breda, Stichting Uitgeverij Papieren Tijger, 2012. ISBN 978-90-67282826. Geïll., 104 pag., € 15,--. Het is jammer dat men vroeger niet, net zoals nu, aan het begin van de bebouwde kom gewoon een bord plaatste waarop stond aan­ gegeven welke stad, welk dorp of zelfs welk gehucht men naderde. Helder kaartmateriaal zou evenmin een luxe geweest zijn. Helaas, of misschien wel gelukkig, biedt het verleden daardoor ook op dit punt nog voldoende stof tot discussie. Ook in het ooit zo befaamde Dorestad ontbrak zo’n aanduiding voor het publiek, het is althans nooit teruggevonden. Wellicht verdween een expliciete aanwijzing voor een stedelijke nederzetting in de Rijn ter hoogte van het huidige Wijk bij Duurstede. Misschien ook lag Dorestad helemaal niet aan de Rijn. Zo wist de Nederlandse archivaris Albert Delahaye (1915-1987) destijds gefun­ deerd aan te geven dat Dorestad in het huidi­ ge noordwestelijke deel van Frankrijk moet hebben gelegen, nabij Sint-Omaars (SaintOmer), ter hoogte van het huidige Ouderwijk (Audruicq). Joep Rozemeyer echter meent nu aan de hand van de historische bronnen Dore­ stad te hebben teruggevonden op de plaats van het huidige Doornik (Tournai) in de Belgische provincie Henegouwen. In zijn publicatie leidt hij de lezer op een heldere wijze, stap voor stap onderbouwd, naar die conclusie. * * *

Nieuwe Drentse Volksalmanak (Jaarboek voor geschiedenis en archeologie), Assen 2012. ISBN 978-90-232-5020-3. Geïll., 223 pag., € 15,95.

Afb.2 Levallois-achtige kern van Noordhorn, Midden-Paleolithicum. Uit: Paleoaktueel 23

154

|

De tweede helft van deze bundel besteedt, onder redactie van Wijnand van der Sanden en Vincent van Vilsteren, aandacht aan de archeologie in Drenthe. Hunebedden blijven daarbij een belangrijke rol spelen, ook wanneer die inmiddels zijn ver­ dwenen, zelfs wanneer de locatie ervan niet (meer) in Drenthe ligt, zoals het hunebed op het landgoed De Eese (gem. Steenwijkerland), bekend als de O1. Harry Bouwman vat de beschikbare beschrijvingen en afbeeldingen

van het verdwenen monument samen. De oudste schriftelijke verwijzing ernaar dateert uit 1627. In de 19e eeuw is het met behulp van buskruit gesloopt, Van Giffen deed in 1918 een opgraving op de plaats van het verdwenen hunebed. Veel gunstiger is de situatie van het hunebed van Westerveld (D2). Het reservaat waarin dat hunebed is gelegen is verruimd. Lukas Hoven, Wijnand van der Sanden en Ernst Taayke beschrijven de waarnemingen bij de werk­ zaamheden die daarmee verband hebben gehouden. De daarbij gedane vondsten stam­ men overigens allemaal uit de Midden-IJzertijd. Andere archeologische bijdragen in deze Volksalmanak: - Deel 4 over Archeologie en geschiedenis van Pesse: de bewoning in het Neolithicum en de Bronstijd (H.R. Reinders, H.T. Water­ bolk en E. Drenth); - Verslag van een archeologische begelei­ ding op de Binnenesch tussen Gieten en Eext (L. Hoven, W.A.B. van der Sanden en E. Taayke); - Een 9e-eeuwse wollen beurs uit EmmerErfscheidenveen (C.R. Brandenburgh); - Een bijzondere karolingische slijpsteen uit het veen bij Sleen (V.T. van Vilsteren); - Afbeeldingen uit 1856 van hunebedden in Schoonoord, Noord-Sleen en Rolde (J.A. Bakker). * * *

Paleo-aktueel 23, Rijksuniversiteit Groningen/Groninger Instituut voor Archeologie (GIA) & Barkhuis, Groningen 2012. ISBN 9789491431166 / ISSN 1572-6622. Full colour, paperback, 118 pag., € 17,50 Paleo-Aktueel opent met een artikel van Daan Raemaekers en Marie-France van Oorsouw over de manier waarop de Prehistorie in hedendaags speelgoed wordt verbeeld. Opval­ lend is dat de prehistorische mens voor de allerkleinsten vaak wordt uitgebeeld als een blank getinte holbewoner, nonchalant gehuld in een dierenvel, die gewapend met een knup­ pel met een dinosaurus wordt geconfronteerd. Maar ook voor de wat oudere leeftijdsgroep blijven de stereotypes in beeld, al ontbreekt daar de dinosaurus als huis- of roofdier. De auteurs wachten vol ongeduld op wat meer

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 154

03-06-13 12:51


getrouwe weergaven, zoals het meisje van Yde, kleine veenlijkjes, een hunebed of een brons­ tijdsmurf. In het daarna volgende artikel tonen Dick Sta­ pert e.a. aan de hand van een afslag met wind­ lak en een Levallois-achtige kern uit Noordhorn (Gr) aan, dat zich tussen de duizenden jongere vuurstenen artefacten van de keileem­ rug Noordhorn-Zuidhorn ook middenpaleoli­ thisch materiaal bevindt. Esther Scheele en Stijn Arnoldussen beschrij­ ven de resultaten van hun onderzoek van een Celtic field in Wekerom (Gld), daterend uit ver­ moedelijk de Midden- of Late IJzertijd. Opval­ lend is dat het materiaal voor het opwerpen van de wallen rondom de akkertjes van elders lijkt te zijn aangevoerd. Een andere lezenswaardige bijdrage is afkom­ stig van Wietske Prummel. Zij onderzocht walvisbotten uit Friese en Groningse terpen. Dat botmateriaal blijkt van niet minder dan zeven soorten walvissen afkomstig te zijn. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een actie­ ve walvisvangst. Op de Noordkaper na zijn het alle soorten die heden ten dage nog steeds regelmatig op de Nederlandse kust aanspoe­ len. De Noordkaper komt hier niet meer voor. Alleen de kleinere bruinvis is mogelijk als bij­ vangst bij de visserij langs de waddenkust gevangen. De terpbewoners hadden een voor­ keur voor de resten van juist de grotere soor­ ten. Daarna volgt een bijdrage van Adrie Ufkes over het binnenterrein van de Karolingische ringwalburg in Domburg (Zld.), waarvan nu een klein deel is onderzocht. De ruimtelijke indeling ervan en de bebouwing lijken op die van de goed onderzochte burg van Souburg (Zld.), met dat verschil dat daar de huizen uit plaggen waren opgebouwd, terwijl in Dom­ burg sprake was van houtbouw. Wellicht houdt dit verband met de nabij Domburg gelegen handelsnederzetting Walacria. De Domburg­ se (duin)burg is aangelegd voor 840 en is in het derde kwart van de 9e eeuw verlaten. Opvallende vondsten zijn een fraaie gesp van vermoedelijk Vikingherkomst en een deel van een 8e-eeuws schip uit Hamwic, de Engelse tegenhanger van Walacria (nu Southampton). Andere bijdragen in deze bijzonder lezens­ waardige bundel over de archeologie in Neder­ land zijn: - Hoe de Aa ooit langs de stad Groningen stroomde; - Oud akkerland onder een kloosterterrein in Essen (Haren, Gr.); - De bedreiging van kasteelcomplexen met een meervoudige ronde omgrachting; - Terug naar het Ballooërveld (Dr.), deel 2; - De verstoorde vindplaats van een scheeps­

wrak in de Noordoostpolder (Fl.); - Een ruimtelijke analyse van scheepsvind­ plaatsen in Flevoland; - Oost-Europese granen in 17e-eeuwse beer­ putten in Groningen; - Kevers en hun potentie voor onderzoek in het terpengebied. * * *

BOOR-nieuws (Nieuwsbrief van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam), nrs. 17 (najaar 2012) en 18 (winter 2013) De 17e af levering van BOOR-nieuws staat geheel in het teken van de grootschalige opgra­ vingen die in 2009 en 2010 zijn uitgevoerd in de bouwput van de markthal in het centrum van Rotterdam. Op deze locatie heeft in de 14e eeuw de eerste stadsuitbreiding plaatsgevon­ den. Het onderzoek heeft ook sporen opgele­ verd van de landelijke bewoning die daaraan is voorafgegaan, bestaand uit 10e en/of 14e-eeuwse huizen op terpverhogingen, zo’n 10 meter onder het huidige maaiveld. Inmiddels is de volgende grote opgraving in het stadshart van start gegaan. Deze vindt plaats op de nieuwbouwlocatie van het stads­ kantoor. Af levering 18 van BOOR-nieuws toont de eerste resultaten van het vooronder­ zoek en besteedt uitgebreid aandacht aan de geschiedenis van dit stadsdeel zoals dat uit kaartmateriaal en geschreven bronnen kan worden afgeleid.

Afb. 3 Gesp in “borre-stijl”, viking-cultuur, 9e eeuw, afkomstig van de ringwalburg Domburg. Uit: Paleo-aktueel 23

* * *

Archeologie Magazine. ISSN 1566-7553. Archeologie Magazine sluit het abonnements­ jaar 2012 wat merkwaardig af met een exem­ plaar dat geen nummer of datum kent en een volledig katern (8 pagina’s) dunner is dan de voorgaande nummers. Dit keer staat het archeologische onderzoek in Aken (D.) cen­ traal. Verder aandacht voor onder andere de 15e-eeuwse kogge, die destijds, vermoedelijk als maatregel in het kader van watermanage­ ment, in de IJssel nabij Kampen tot zinken is gebracht.

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 155

|

155

03-06-13 12:51


Jean-Louis Vaysettes et Lucy Vallauri, Montpellier. Terre de faïences, Potiers et Faïenciers entre moyen âge et XVIIIe siècle. Milan 2012. ISBN 9788836622641. Geïll., 552 pag., € 35,--.

Afb. 4 Albarello, ZuidFranse majolica. Uit: Montpellier, Terre de faïences

Bij de aanleg van twee tramlijnen in Montpel­ lier (F.) is men daar de afgelopen jaren op tal­ loze ateliers gestuit van pottenbakkers en van producenten van majolica en faience. De daar­ bij gedane waarnemingen, onderzoeksresul­ taten, vondsten van misbaksels en restanten van ovens, in combinatie met informatie uit de archiefbronnen, vormen de ingrediënten van een expositie die vorig jaar in Montpellier te zien was. Gelukkig is het daar niet bij geble­ ven, want al die informatie is terug te vinden in een kloek en zeer fraai verzorgd naslagwerk, waaraan veel specialisten hun bijdrage heb­ ben geleverd. Met bijzonder veel foto’s waarop de beschilderingen op het materiaal goed tot hun recht komen, maar ook met duidelijke lijntekeningen die de vormgeving van de uit­ eenlopende voorwerpen tonen, laat dit boek alle aspecten zien van de productie van tingla­ zuuraardewerk in Montpellier, beginnend met de befaamde ‘Hispano-Moresque’ goud­ lusterwaar uit lokale ateliers en eindigend met de opkomst van de faience-industrie. * * *

Archäologie in Westfalen-Lippe 2011 (Heraus­gegeben von der LWL-Archäologie für Westfalen und der Altertumskommission für Westfalen), Langenweißbach 2012. ISBN 978-3-941171-76-3/ISSN 21911207. Geïll., 284 pag., € 19,50. Voor de derde achtereenvolgende keer is het jaarboek Archäologie in Westfalen-Lippe ver­ schenen. De uitgave geeft een actueel over­ zicht van de archeologische bevindingen in het afgelopen jaar. In bijna 70 korte bijdragen geeft deze rijk geïllustreerde bundel een beeld van achtereenvolgens de interessantste opgra­ vingen, de belangrijkste onderzoeksresulta­ ten en tenslotte de grootste exposities. De 80 auteurs die hun medewerking aan het jaar­ boek hebben verleend bestaan uit medewer­ kers van de LWL-Archäologie/Altertums­ kommission Westfalen en de Westfaalse stadsarcheologen en universiteiten. De bijdragen over opgravingen en vondsten lopen uiteen van het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. In de rubriek over onderzoeksresultaten (methodes en projecten) komen natuurweten­ schappers, geofysici, archeozoölogen en –

156

|

botanici aan bod. Het derde aspect van het drieluik waarin het boek is opgebouwd, geeft een terugblik op de archeologische tentoonstellingen die in 2011 te zien zijn geweest in de musea van Herne, Haltern en Paderborn. Bijzonder vermeldenswaard is dat elke bijdra­ ge voorzien is van een Nederlandstalige samenvatting! Het jaarboek dat een unieke kans biedt om een blik te werpen op de archeo­ logie bij onze oosterburen, kan besteld wor­ den op www.archeologie-und-buecher.de. Voor de prijs (€ 19,50) hoef je het niet te laten. * * *

Torsten Capelle, Die Jansburg bei Coesfeld-Lette, Kreis Coesfeld (Frühe Burgen in Westfalen 34). Altertumskommission für Westfalen, Münster 2012. ISSN 0939-4745. Geill., 32 pag., kaart op uitvouwbare cover, € 3,50 De versterking die in het nu verschenen gids­ je in de reeks over Burchten in Westfalen wordt behandeld, heeft de bezoeker ervan nu niet veel meer te bieden dan wat bomen en een onaanzienlijk stukje wal van wat ooit de hele ringwalburg moet hebben omringd. In 1919 nog was de oorspronkelijke omwalling van de burg bij Coesfeld-Lette in het veld te herken­ nen. De burg lag toen als een eiland in een drassig veengebied. Inmiddels is de omgeving gedraineerd, in cultuur gebracht en zijn grote delen van de omwalling efficiënt geëgaliseerd. Veel meer dan een fraaie tekening van de wal­ len uit 1919 is niet bekend, vondsten zijn er nooit gedaan en de historische bronnen zwij­ gen erover. De constructie doet denken aan de volksburgen uit de 8e en 9e eeuw, maar die functie valt af, omdat de directe omgeving geheel of nagenoeg geheel onbewoonbaar was. De burg was wel strategisch gelegen langs het middeleeuwse wegennet. Vermoe­ delijk heeft het daarom een rol gespeeld als controle-, rust- of tolstation en wel in de peri­ ode globaal tussen 700 en 1200. * * *

National Geographic Nederland-België, oktober 2012. ISSN 1568-1718 Nieuwsbrief Monumentenzorg en Archeologie Alkmaar, nr. 36, 2012 “In Alkmaar begon de Victorie” zo leerden de ouderen onder ons op de Lagere School. Alk­ maar is namelijk in 1573 de eerste Nederland­

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 156

03-06-13 12:51


se stad die in de 80-jarige oorlog de Spanjaar­ den weet te weerstaan. Men veronderstelt dat dit niet geheel zonder slag of stoot is verlopen en een aantal menselijke resten met schot­ wonden onder een parkeerterrein in die stad roept die victorie onmiddellijk in herinne­ ring. De link met de slag om Alkmaar is snel gelegd. Maar de vraag is wie hier in dit mas­ sagraf liggen? Wat heeft zich hier afgespeeld? Een groot massagraf bevat vooral jonge man­ nen, terwijl in een kleiner graf twee vrouwen, verschillende mannen en een kind ter aarde zijn besteld. De slachtoffers zijn door schot­ wonden in het hoofd overleden. Het blijken de oudste slachtoffers van schotwonden te zijn die bij archeologisch onderzoek in Euro­ pa zijn gevonden. Naar aanleiding van de vondst is onlangs volop geëxperimenteerd met levensgevaarlijk 16e-eeuws wapentuig. Ook is een strontiumisotopenanalyse uitge­ voerd op de tanden van de slachtoffers. Daar­ aan is te zien waar iemand is opgegroeid. Uit­ eindelijk blijkt het toch te gaan om leden van een plaatselijke militie en van burgerslachtof­ fers. Raadselachtig blijft het overblijfsel van een ongeveer 12-jarig kind, dat ver buiten Alk­ maar moet zijn opgegroeid. Ook aan dat kind ging de victorie voorbij. * * *

Germania. Anzeiger der römisch Germanischen Kommission des deutschen archäologischen Instituts, Jahrgang 87, 2009, 2.Halbband. Frankfort a/M., 2012. ISBN 978-3-8053-3899-8 / ISSN 0016-8874. Zw./w.-ill., geb., 705 pag., kaartbijlage, € 15,40 Naast veel recensies bevat de bundel een zes­ tal artikelen: - Ausgrabung des frühbronzezeitlichen Grä­ berfeld der Aunjetitzer Kultur von PragMiskovice; - Ente, Entenmann und Heros in der situe­ lenkunst. Zur mythologischen Deutung eines Deckelfrieses mit Tierbildern ans Waisenberg (Kärnten); - Ein islamisches Schminckfläschchen im keltischen Grab; - Zum “Legatenhaus” und dem scannum tri­ bunorum im Hauptlager von Haltern am See; - De älterkaiserzeitliche Fürstengräberfund­ platz Lübsow-”Tunnenhult”; - Augustus und die Annexion des Alpenbo­ gens. Die Einrichtung der Provinzen Rae­ tia und Noricum.

A. van Benthem en J. Vandevelde (red.), Ganzenmarkt, Oldenzaal. Een archeologische begeleiding (rapport 1523). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2011. ISBN 978-90-6836-513-9. Geïll., 69 pag. Onder de Ganzenmarkt in het centrum van Oldenzaal zijn bij archeologisch onderzoek in 2008 de natuurstenen funderingen van een deel van een middeleeuws kanunnikenhuis aan het licht gekomen. Vondstmateriaal dateert de bouw van het huis aan het einde van de 12e of het begin van de 13e eeuw. Het ter­ rein van de kanunniken was door middel van een gracht van de rest van de stad gescheiden. Houten palen uit de vulling van die gracht blij­ ken afkomstig te zijn uit de 13e eeuw. In de loop van de 14e eeuw is de gracht opgevuld en bebouwd. Uit die periode zijn verschillende afval- en beerputten teruggevonden. Elders op de onderzochte locatie is een gracht aangesne­ den die zeker uit de 10e-13e eeuw dateert en mogelijk zelfs ouder is. * * *

E. Jacobs en J. Aangevoelde (red.), De Haven van Arnemuiden. Het archeologisch onderzoek aan de Clasinastraat (Rapport 1675). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2012. ISSN 1875-1067. Geïll., 148 pag., € 27,50. In verband met voorgenomen nieuwbouw heeft vanaf september 2008 in Arnemuiden archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de daarbij verkregen gegevens kan een gedetailleerd beeld worden geschetst van de opkomst en ondergang van Arnemuiden. De kern van het huidige Arnemuiden is in 1462 ontstaan, nadat haar middeleeuwse voor­ ganger in 1440 verdronk. Temeer omdat in Zeeland tot ver in de 19e eeuw nagenoeg alle transport van goederen en personen over water moet plaatsvinden, moet Arnemuiden, zoals elk dorp of stad in die provincie, per schip bereikbaar zijn. Zo is ook Arnemuiden rond­ om een haven tot ontwikkeling gekomen. De stad fungeert vanaf het einde van de 15e eeuw als voorhaven van Middelburg en dreigt die stad na verloop van tijd zelfs in belang te over­ treffen. Die eerste haven verliest omstreeks 1525 haar functie en wordt dan gedempt. Elders in Arnemuiden wordt een nieuwe havenfaciliteit ontwikkeld. In de loop van de 16e eeuw wordt de havenin­ frastructuur een aantal malen aanzienlijk uit­ gebreid, met een dip in 1572 wanneer de stad

Afb. 5 Bord uit Beauvais, Frankrijk. Witbakkende klei, slibdecoratie met ingekraste decoratie, 1525-1575. Bodemvondst Arnemuiden. Uit: ADC Rapport1675.

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 157

|

157

03-06-13 12:51


door de Spaanse troepen wordt verwoest. Na 1600 begint de toegang tot Arnemuiden te ver­ zanden en in het midden van de 17e eeuw is de haven in onbruik geraakt. Wat daarna nog resteert is de garnalenvisserij op de Zeeuwse stromen. De grond waarmee de oude haven is gedempt bevat een goede doorsnede van de materiële cultuur van de lokale bevolking met tal van voorbeelden van serviesgoed uit de uiteenlo­ pende havensteden waarmee de stad contact heeft gehad. De rapportage bevat een catalo­ gus waarin een deel van dat materiaal volgens het Deventer systeem wordt afgebeeld en beschreven. Sebastiaan Ostkamp en Jaap Kott­ man gaan in hun bijdrage uitgebreid in op het aardewerk en glas uit de opgraving Arnemui­ den binnen de context van Walcheren en in relatie tot het materiaal van elders uit de Neder­ landen. De publicatie gaat geheel voorbij aan de afge­ graven grond die elders wordt gedeponeerd en een bijzonder rijke verzameling aan klein metaal uit die periode 1462-1525 blijkt te bevat­ ten. Een groot deel van de daar door detectoramateurs gedane vondsten is nu in het muse­ um van Arnemuiden te zien. Verschillende onderzoekers zijn overigens nog met de uit­ werking van dat materiaal bezig. * * *

A. van Benthem (red.), De Vroonacker ontsloten. Een archeologische opgraving te Diessen, gemeente Hilvarenbeek (ADC Rapport 2406). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2012. ISSN 1875-1067. Geïll., 144 pag. De oudste sporen die in het plangebied te Diessen zijn aangetroffen dateren uit de overgang van Vroege IJzertijd naar de Midden-IJzertijd. Uit die periode dateert een vierkant crematie­ graf met daar omheen een zogenaamd lang­ bed. Nabij het graf is een kuil gevonden met daarin veel houtskool, een verpulverde kraal van blauw glas en crematieresten. Andere sporen uit de IJzertijd betreffen spie­ kers en een bijgebouw. Uit het midden van de 8e eeuw zijn in het onderzochte gebied gebouwplattegronden en waterputten aangetroffen. Het gaat om vijf clusters op 50 meter afstand van elkaar, die waarschijnlijk vijf erven vertegenwoordigen. De daarop volgende bewoningsperiode speelt zich af in de 11e of het begin van de 12e eeuw. Uit die periode zijn op de onderzochte locatie een bootvormig gebouw, een (hoofd)gebouw, een waterkuil, een spieker en verschillende

158

|

greppels in kaart gebracht. Vanaf het einde van de Late Middeleeuwenn wordt het gebied als landbouwareaal ingericht en gebruikt. * * *

L.M.B. van der Feijst en H.A.P. Veldman, Graven in het verleden. Een middenRomeins grafveld en bewoningssporen uit de Laat-Romeinse tijd te Molenzicht (Rapport 2519). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2011. ISBN 978-94-6064510-5. Geïll., 227 pag., € 32,95. In 2010 is door ADC ArcheoProjecten in het plangebied Molenzicht te Valburg (gemeente Overbetuwe) een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Naar verwachting zouden de voor­ genomen nieuwbouwplannen de archeologi­ sche waarden op de onderzochte locatie ern­ stig verstoren. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek beschreven. Bij de opgraving is een grafveld uit de Mid­ den Romeinse tijd onderzocht. Daarbij zijn crematiegraven, brandrestenkuilen, kring­ greppels en aardewerkconcentraties aange­ troffen. Het grafveld is gelegen op een flank van een rivierduin. Opvallend is dat op dit grafveld vooral vrouwen en kinderen begra­ ven zijn. Voor 27 van de 34 mogelijke graven is fysisch-antropologisch onderzoek uitge­ voerd. De determinaties van het geslacht resulteren in twaalf vrouwen, twee mannen en zeven volwassenen waarbij het geslacht niet determineerbaar is. In tegenstelling tot het onlangs gepubliceerde grafveld Zoelen en Zaltbommel zijn op het grafveld in Valburg, voor zover onderzocht, geen kinderen onder 1 jaar begraven. Omdat in het grafveld veel meer vrouwen en kinderen liggen begraven dan mannen, kan niet worden vastgesteld of er een verschil gemaakt is bij de grafgiften. Er lijken wel verschillen te bestaan ten opzich­ te van leeftijd. Jonge kinderen lijken in ieder geval een beker mee te krijgen in het graf. Tie­ ners krijgen veelal een bord en een kruik. In Valburg zijn ook nederzettingssporen aan­ getroffen, bestaande uit (restanten van) twee huisplattegronden, waterputten, enkele kui­ len en een paar greppels. Een klein deel hier­ van dateert ongeveer uit dezelfde periode als het grafveld. Een groot deel van de bewonings­ sporen is echter afkomstig uit de Laat-Romein­ se tijd. Die jongere sporen bevinden zich ver­ spreid over het onderzoeksgebied en dus ook op het grafveld.

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 158

03-06-13 12:51


Bonner Jahrbücher des LVRLandesmuseums Bonn und des LVR-Amtes für Bodendenkmalpflege im Rheinland sowie des Vereins von Altertumsfreunden im Rheinlande (Band 210-211). Darmstadt 2010-2011. ISBN 978-3-8053-4629-0. ISSN 0938-9334. Geb., zw./w.-ill., 790 pag. Naast vooral veel recensies onder andere de volgende bijdragen: - Markus Pavlovic, Die Rössener Phase des Mittelneolithikums in der Rheinischen Bucht.. Chronologie und Entwicklung; - Alexander Reis, Ein farbiger Weialtar aus dem Matronenheiligtum bei Pesch en - Peter Noelke (mit Beiträgen von Titus A.S.M. Panhuysen), Neufunde von Jupi­ tersäulen und –pfeilern in der Gemania inferior seit 1980 nebst Nachträgen zum früheren Bestand. In het artikel van Peter Noelke worden onge­ veer 130 nieuwe resten van Jupiterzuilen en –pijlers uit Germania Inferior gepresenteerd, die sinds de publicatie van Peter Noelke in 1981 bij archeologisch onderzoek te voor­ schijn zijn gekomen of na die tijd zijn her­ kend. Uit ons land zijn ze bekend van Grevenbicht, Groot Haasdal, Heel, Heerlen, Kerkrade, Kessel, Maastricht, Melick, Nijmegen, De Plasmolen, St.-Odiliënberg, Schijndel, Valkenburg Z.-H, Vechten en Wessem. Het aantal vindplaatsen is toegenomen en het verspreidingsgebied is groter geworden. Als bekroning van de zuil domineert het beeld van de zittende Jupiter, maar ook andere voor­ stellingen komen voor. Typisch voor NederGermanië is de geschubde zuil met enkele godenreliëfs boven elkaar. De variatie aan goden op de zuil blijkt groter dan tot dusverre bekend was. In de Jupiterzuil komen Romein­ se en inheemse religieuze voorstellingen samen. Ook wijzen de grote verbreiding van de Jupiter­ monumenten in gebieden van het Romeinse rijk met een Keltische inslag, de namen van de stichters en de opstelling van een aantal wijmo­ numenten in heiligdommen voor inheemse goden, op versmelting van religieuze ideeën. Behalve godenzuilen zijn er ook meer goden­ pijlers bekend geworden, waarbij eveneens de iconografische verscheidenheid van goden­ voorstellingen flink is toegenomen. Jupiterzuilen komen zeer frequent voor op vil­ laterreinen, soms verschillende tegelijkertijd, maar de meeste zijn opgericht in steden, vici en straatnederzettingen. * * *

A. van Benthem (red.), Haak om Leeuwarden Vindplaats 1, Marssum It Aldân (gemeente Menaldumadeel). Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (Rapport 2523). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2012. ISSN 1875-1067. Geïll., 28 pag. A. van Benthem en F.S. Zuidhoff, Haak om Leeuwarden, Vindplaats 3 (gemeente Leeuwarden). Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (Rapport 2524). ADC ArcheoProjecten Amersfoort 2011. ISBN 987-94-6094-515-0. Geïll., 26 pag. De Haak om Leeuwarden wordt uitgevoerd om de verkeersdoorstroming rondom de stad te bevorderen en om de ringweg rondom Leeu­ warden te ontlasten. Tijdens het proefsleuvenonderzoek waarvan rapport 2523 melding maakt, zijn sporen aan­ getroffen die dateren uit de Late IJzertijd/ Vroeg-Romeinse tijd, de Midden-Romeinse tijd, de Vroege Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Tijdens het onderzoek in Marssum zijn weliswaar een tweetal concentraties paalkui­ len aangetroffen, maar er zijn geen structu­ ren zoals gebouwplattegronden herkend. De concentraties paalkuilen worden aan de hand van het erin aangetroffen aardewerk in de Late IJzertijd/Vroeg-Romeinse tijd gedateerd. Uit dezelfde periode is een bijzondere kuil aange­ troffen. In die kuil zijn incomplete skeletten van een hond, schaap, paard en rund aange­ troffen. Omdat de botten geen snij- en hakspo­ ren vertonen wordt een rituele depositie, zoals een bouwoffer, niet uitgesloten. Het aantreffen van aardewerk uit de Midden en Late IJzertijd suggereert dat er ook in deze periode in het gebied mensen actief zijn geweest. Andere sporen uit deze periode zijn niet aangetroffen. Tegen de verwachting in zijn in geen van de proefsleuven terpophogingen gevonden. Toch zijn er wel enkele aanwijzingen voor de aan­ wezigheid van een terp (of wellicht twee ter­ pen). Zo is er aan de westzijde van het onder­ zoeksgebied een aantal sloten en greppels aangetroffen die een oriëntatie hebben alsof ze iets omsluiten. Wellicht betreft het terpslo­ ten, waarbinnen zich mogelijk een terp met bewoning, of de kern van nederzetting heeft bevonden. Ook gezien het feit dat de sporen zijn aangetroffen op het niveau van een lage kwelder en het gebied dus een groot deel van het jaar overstroomde, lijkt het echter aanne­ melijk dat hier sprake is van de periferie van een of meer terpen. Rapport 2524 heeft betrekking op het onder­ zoek te Wirdum. Bij dat onderzoek zijn geen

Afb. 6 Onversierd aardewerk uit de Late IJzertijd en begin Romeinse tijd van Marssum. Uit: ADC Rapport 2523.

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 159

|

159

03-06-13 12:51


resten van een terp of andere ophogingen aan­ getroffen. De sporen zoals greppels, kuilen, een sloot en een waterput, kunnen vrijwel alle in de 17e eeuw gedateerd worden. * * *

De Maasgouw, 132e jrg., nr. 1, 2013. ISSN 1380-4170. In 1863, nu honderdvijftig jaar geleden, is in Maastricht het Oudheidkundig (later Geschieden Oudheidkundig) Genootschap in het her­ togdom Limburg opgericht. Door samenvoe­ ging ervan in 1929 met het in Roermond gevestigde Provinciaal Genootschap voor Geschiedkundige Wetenschappen, Taal en Kunst, ontstaat in 1929 het huidige Limburg­ se Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. De “mijlpaal 150” nodigt uit tot reflectie en prospectie, zo schrijft de redactievoorzitter van De Maasgouw in zijn voorwoord. Die aspecten komen terug in bijdragen over de mensen die gedurende de lange bestaansgeschiedenis hun stempel op het genootschap hebben gedrukt. Een andere bijdrage belicht de rol van genoot­ schappen bij de vorming van museale collec­ ties. De derde bijdrage is van de hand van Titus Panhuysen. Hij gaat minder ver terug in de tijd en kijkt in zijn bijdrage terug op de Romeinse archeologie in Limburg vanaf 1960. * * *

Archeobrief, 17e jrg., nr. 1, maart 2013. ISSN 1386-2065. Archeobrief opent met een artikel over het onderzoek van de IJsselkogge, het goed bewaard gebleven wrak van een 15e-eeuws vrachtschip. Tot ieders verrassing zijn nabij de kogge inmiddels ook de wrakken van twee kleinere schepen aangetroffen. Het voorko­ men van drie scheepswrakken op deze locatie is zeer opmerkelijk. Men vermoedt dat de kog­ ge en wellicht ook de twee andere schepen, ooit opzettelijk tot zinken zijn gebracht als onderdeel van middeleeuws watermanage­ ment met het doel de bereikbaarheid van KamAfb. 7 Filipsdaalder, beeld- en keerzijde, 1557-1558, afkomstig uit scheepswrak Lelystad. Uit: Archeobrief maart 2013

160

|

pen over water te handhaven of te verbeteren. Onder de titel ‘Steentijdschatten opnieuw bekeken’ is het tweede artikel in Archeobrief gewijd aan de nalatenschap van de wat jonge­ re boerensamenlevingen van de enkelgrafcul­ tuur (circa 2900-2500 v.Chr.) bij Schagen en Aartswoud, als onderdeel van het vierjarige Odysseeproject ‘Het openen van de laatneoli­ tische schatkist van Noord-Holland’ dat in 2009 van start ging. Onlangs zag de eerste publicatie van dit project het daglicht: deel I van een trilogie: B.I. Smit, O. Brinkkemper, J.P. Kleijne, R.C.G.M. Lauwerier & E.M. Theu­ nissen (eds), A Kaleidoscope of Gathering at Keinsmerbrug (the Netherlands) Late Neolithic Behavioural Variability in a Dynamic Lands­ cape (Nederlandse Archeologische Rapporten 043), RCE 2012, € 34,50. Het derde artikel heeft betrekking op het reconstrueren van het grafritueel op twee inheems-Romeinse grafvelden te Zoelen en Zaltbommel. In het kader van het NWO-programma Odys­ see is het onderzoek opgepakt van een Romein­ se nederzetting, inclusief beschoeiingen en kadewerken bij Goedereede. Bij de herinrich­ ting van de polder bij Goedereede na de waters­ noodramp van 1953 stuitte men er op de spo­ ren van een Romeinse nederzetting, die in verschillende campagnes door de Zeeuwse archeoloog Jan Trimpe Burger met een veld­ team werd onderzocht. Van die opgravingen zijn nu alleen nog maar vondsten en veldteke­ ningen beschikbaar. Jan Trimpe Burger had na zijn pensionering lange tijd de wens om de documentatie uit te werken tot een mooie publicatie, maar zover is het nooit gekomen. Uit het nu door archeologen van de Universi­ teit Leiden en Hazenberg Archeologie gedane onderzoek naar vondstmateriaal en bijbeho­ rende documentatie blijkt dat de nederzetting ooit deel heeft uitgemaakt van een uitgebreid handelsnetwerk over water. Behalve een wetenschappelijke basisrapportage (online te lezen op http://www.sidestone.com/library/ goedereede-oude-oostdijk) en een tentoonstel­ ling, is over het onderzoek ook een publieks­ boek verschenen: Jacqui Bolt, Jasper de Bruin en Hans Siemons (red.), Goedereede, haven in het Romeinse rijk, Hazenberg Archeologie Lei­ den B.V. 2012, ISBN 978-90-818683-0-3, 44 pagina`s, gebonden, € 8,95). Verder in deze Archeobrief bijdragen over de kansen voor non-destructief onderzoek in de archeologische prospectie en over het wrak van een vrachtschip uit de Tachtigjarige oor­ log, dat nabij Lelystad is aangetroffen. Gerrit Groeneweg

Literatuurrubrieken

03-2013 binnenwerk.indd 160

03-06-13 12:51


De Vereniging Berichten voor deze rubriek naar Marijn Lockefeer: heinlock@ziggo.nl

Verenigingsnieuws

Interview met Evert van Ginkel (afb. 1), onze nieuwe columnist

Evert, ik heb, dacht ik, ergens gelezen dat je in Amerika geboren bent. Klopt, in Washington, op 4 juli, mooier kon het niet. Mijn geëmigreerde ouders hebben elkaar daar ontmoet. Maar ik ben opgegroeid in Den Haag en Voorburg. Veel mensen die bij de archeologie zijn betrok­ ken, blijken al vroeg geïnteresseerd te zijn geweest in die richting; was dat bij jou ook zo? Mijn moeder zegt van wel. Zelf ben ik er niet zo zeker van, ja, zoals een normaal gymnasi­ umjongetje, denk ik, gemiddeld geïnteres­ seerd. Ik heb nog de scherven die mijn oma uit Pompeii meebracht. Hoe kwam je er dan toch bij om archeologie te studeren? Dat heb je gedaan, toch? Jazeker! Die keuze was een impuls, vlak voor mijn eindexamen. Prehistorie was toen nog een postkandidaatsstudie. Ik ben eerst in Lei­ den begonnen aan Klassieke Talen. Bijzonder, dat is mijn vak! Ik heb het in Nijme­ gen gestudeerd. Ik ben natuurlijk benieuwd hoe dat je beviel. Nou, matig. Op het gymnasium was ik er best goed in, op de universiteit ging het minder. Ik heb uiteindelijk wel mijn kandidaats gehaald, natuurlijk. Intussen was ik al wel begonnen met Prehistorie op het toenmalige IPL bij Modderman en Verwers, als één van de tien hoofdvakstudenten. In 1982 ben ik afgestu­ deerd bij Jan Verwers, net tussen het vertrek van Modderman en de komst van Louwe Kooijmans in.

Wat trok je in het vak Prehistorie? In ieder geval niet het veldwerk. Ik vond de sfeer heel leuk maar ik heb er geen aanleg voor. Ik vond al tijdens mijn studie dat het belangrijk was dat de Prehistorie met veel meer kleur en fleur gepresenteerd zou moe­ ten worden in begrijpelijker boeken. ‘Verle­ den land’, in 1981 verschenen, is nog steeds de grootste eye-opener in dit opzicht.

Afb. 1 De nieuwe columnist in het RMO.

Geen echte graver dus? Nee, helaas. Ik deed ook geen Bodemkunde als bijvak, wat vrij gebruikelijk was, maar

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 161

161

03-06-13 12:51


Museologie. Dat stelde niet zoveel voor, maar omdat ik bij de tentoonstelling die ik voor mijn stage moest inrichten zoveel beginnersfouten maakte, kreeg ik vrij vlug de fijne kneepjes van het tentoonstellen in de vingers. Ongeveer in deze tijd is jouw kassucces ‘De onderkant van Nederland’ verschenen. Hoe is dat boek ontstaan? Vlak voordat ik afstudeerde kreeg het in de schoot geworpen door Louwe Kooymans. Ik heb van het schrijven van dat boek ongeloof­ lijk veel profijt gehad. Het was mijn visite­ kaartje in de archeologische wereld, die ik helemaal niet zo goed kende. Ik was immers geen wetenschappertje! Je zou denken dat carrière van toen af aan ge­ smeerd liep. Wat ben je na je afstuderen gaan doen? Gesmeerd? Nee, zeker niet! Het was in 1982 ook stevig crisis. Uiteindelijk ben ik met een vriend een zelfstandig tentoonstellingenbu­ reau begonnen, tegen alle adviezen van ande­ ren in. Die vriend bedacht zich al snel, maar ik ben het blijven doen. Eerst moeizaam, later met wat meer succes. Tentoonstellen is één ding, opdrachten krijgen is toch wat anders. Ging je dat goed af? Aanvankelijk niet zo, maar toen ik Renee Magendans ontmoette, die in Den Haag aller­ lei publieksplannen had, kreeg ik alle kansen om dingen uit te proberen. In die tijd heb ik ook een avondopleiding PR en Voorlichting gevolgd, die erg nuttig was als aanvulling op mijn inhoudelijke kennis. Ik correspondeer met jou via ‘tgvpresentaties’; wat is dat TGV? Iets met zeer snelle service? We doen ons best, maar nee, dat zit er niet achter. Soms wordt gedacht dat het staat voor Teksten en Grafische Vormgeving, maar het is simpel: het zijn de initialen van de oprich­ ters. Ik ben dus de G. Hoe heb je dit bedrijf opgebouwd? Vanaf 1986/1987 kreeg ik steeds meer opdrachten: bij de diensten van Den Haag en Rotterdam, bij de dienst Onderwaterarcheo­ logie van het ministerie van WVC en bij de ROB in Amersfoort. Ik heb mijn BTW-num­ mer sinds 1987 en ben daarmee een van de oudste officiële zelfstandigen in de Neder­ landse archeologie. Ik zocht er partners bij en in 1990 vormden we met z’n drieën ‘TGV tek­ sten en presentatie’. Sinds 1992 zitten we in Leiden, en TGV is nu vier personen sterk. Oké, dat is de naam, maar wat doe je zoal? Een grote verscheidenheid aan opdrachten:

162

tentoonstellingen, wandelroutes, brochures, boeken met of zonder co-auteurs, zoals Leo Verhart, die ik opvolg als columnist. Verder maken we videoproducties, lespakketten, orga­ niseren we evenementen, noem maar op. Ook adviseren we over dit soort zaken. Ons werk­ terrein ligt hoofdzakelijk in Nederland, heel soms in België of Duitsland. Ook nú, in crisis­ tijd, hebben we gelukkig nog voldoende werk. Gezien je werkzaamheden ontmoet je nu vast veel vakgenoten; hoe werkt dat? Je was toch een soort buitenbeentje. Ik ben er natuurlijk wel in gegroeid en heb geprobeerd bij te blijven in inhoudelijk opzicht. En dan: eigenlijk zijn alle archeolo­ gen een soort buitenbeentje. Een beetje groen, beetje links, beetje rommelig en, in principe, aardig. Een warm nest waarin ik me altijd erg heb thuisgevoeld. Ik leer elke dag wat bij door het omgaan met mijn collega’s van universiteiten, overheden en bedrijven. En daar zitten steeds meer (veel) jongere men­ sen bij, dat houdt je scherp. Wij bieden de laat­ ste jaren ook stageplaatsen aan studenten, daar leren wij minstens net zoveel van als zij. Je was, weet ik, voorzitter van de Stichting Archeologie en Publiek (SAP). Heb je in die zin nog meer gedaan om de archeologie te promoten? Ik ben mede-oprichter en voorzitter geweest van de voormalige Vereniging Archeologie en Publiek (VAP) en van de Vereniging Onder­ nemers in Archeologie (VOiA). Ik deed en doe al die dingen in de overtuiging dat de archeo­ logie met beide benen in de maatschappij moet staan en daar haar plaats moet leren kennen, zonder haar principes te verlooche­ nen trouwens. We moeten ook leren omgaan met de grote, anonieme groep waarbinnen weerstanden bestaan tegen ons vak. Hoe lang denk je dit stimulerende werk nog te gaan doen? Je bent, zei je, uit 1955. Nog zeker 10 jaar en liefst langer als de eco­ nomie dat toestaat en, natuurlijk (hier komt mijn eerste studie weer boven) ‘sanitate volen­ te’, als mijn gezondheid het toestaat. Het zit er dus niet in dat je voor de klas gaat staan als docent klassieke talen; jammer, we hebben een groot tekort. Maar, laten we wel wezen, je doet ontzettend belangrijk werk en daar gaat nu ook het schrijven van columns voor Westerheem deel van uitmaken. We ver­ heugen ons daar erg op! En, Evert, bedankt voor het interview. Marijn Lockefeer

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 162

03-06-13 12:51


In Memoriam An Osseweijer (afb. 2) Op 82 jarige leeftijd overleed 13 april 2013 mevr. An Osseweijer- Van Bueren. Zij is voor de afde­ ling Lek- en Merwestreek, met name binnen Dordrecht, van zeer grote betekenis geweest. Vanaf het midden van de jaren 60 deed An al mee met AWN-opgravingen in de historische binnenstad van Dordrecht, waarvan toen gro­ te delen op de schop gingen. Daar legde zij de basis voor een goed contact met het gemeen­ telijk ambtenarenapparaat. Vanaf 1982 tot 2002 was An bestuurslid van de vernieuwde afdeling. In die periode lobbyde zij bij de gemeente met succes voor huisvesting en gemeentelijke subsidie voor de AWN. An was betrokken bij diverse AWN opgravin­ gen in de binnenstad, maar verlegde haar inzet geleidelijk meer naar de uitwerking en restau­ ratie en de algehele leiding van de activiteiten in de werkruimte, haar tweede huis. Om de manier waarop zij leiding gaf aan mensen van zo verschillende pluimage en leeftijd, werd zij beschouwd als de moeder van de afdeling. Na haar aftreden ontving zij voor haar verdien­ sten in 2003 de Bronzen Legpenning, maar ze bleef daarna niet stilzitten. Zo publiceerde zij de verzamelde vondsten van het Huis te Merwede, die tussen 1949 en 1943 waren opgegraven door Prof. Dr. J.G.N. Renaud en in 1989 waren getekend door AWN-er Gerard Stam (Afdeling de Nieuwe Maas). Vanwege de intensieve zorg voor haar man

Afb. 2 An Osseweijer. Foto: Teus Korevaar.

Frans werden de laatste jaren moeilijker. Maar ook in die omstandigheden bleven de zaterda­ gen steevast gereserveerd voor de AWN ! Zelfs toen haar gezondheid dat de laatste maanden eigenlijk niet meer toeliet, bleef ze de AWN trouw bezoeken. Haar nalatenschap bestaat naast een leger aan gerestaureerd vaatwerk en een uitgebreid fotoen knipselarchief vooral uit de herinnering aan een krachtige opgewekte persoonlijkheid met een adellijke uitstraling, die oprecht geïn­ teresseerd was in mensen en die stond én streed voor de AWN. Een persoon waar we als afdeling heel veel aan te danken hebben! Teus Koorevaar Voorzitter AWN afd. Lek- en Merwestreek

Bouwhistorisch onderzoek - Abdij Ten Duinen (Koksijde, België) Een unieke archeologische activiteit met inter­ nationale allures. Op de abdijsite van Koksij­ de haalden eerdere opgravingen en grondige restauratiecampagnes het grondplan van de abdij onder het zand vandaan. Er bestaan momenteel echter geen documenten waarin duidelijk is aangegeven wat oorspronkelijk en wat nieuw is. Voor het derde jaar op rij werken we samen met JCW mee aan een bouwhisto­ risch onderzoek om deze abdij in te tekenen. Let op: dit kamp is geen archeologische opgra­

ving, maar een bouwhistorisch onderzoek: opmeten, intekenen, fotograferen… Je krijgt dus de kans om een nieuw facet van archeo logie te ontdekken. Praktische info Plaats activiteiten: Abdij Ten Duinen, Koksijde Plaats overnachting: Jeugdherberg De Peerdevis­ ser, Oostduinkerke Wanneer: 25-30 augustus 2013 Opgave via: ruud.raats@xs4all.nl

De ALV van 13 april 2013 in Rouveen Het weer was wat donker en druilerig in Dren­ the en Overijssel, de ontvangst daarentegen warm en vrolijk stemmend. De meeste AWNers kwamen met de auto, wij werden op stati­

on Meppel enthousiast naar een busje gediri­ geerd dat ons langs heel veel veen naar Rouveen vervoerde. Daar troffen we een groot aantal belangstellenden voor deze ALV aan De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 163

163

03-06-13 12:51


3

6

(een kleine 80!) in de geweldige Veldschuur. Wat een prachtig gebouw! Koffie en koek ston­ den klaar.

4

5

164

De vergadering Voorzitter Tonnie van de Rijdt gaf na enkele openingswoorden het woord aan burgemees­ ter Alssema van Staphorst (afb. 3), die een trots verhaal hield over zijn gemeente die hij kenschetste als een plek die vraagt om een mening en om commentaar vanwege de beeld­ vorming die rond Staphorst is ontstaan. Het woord ‘beeldvorming’ was voor hem een ‘bruggetje’ naar de archeologie waar immers beeldvorming ook een item is. In die beeldvor­ ming in en rond Staphorst speelt o.a. de archeo-werkgroep SWARS een belangrijke rol bij het monumentenbeleid en het landschaps­ ontwikkelingsplan. Fre Spijk, voorzitter van AWN-afdeling 20 (SWARS) (afb. 4), leidde, gedreven als altijd, de dag in met een kort archeologisch overzicht van het gebied, waarin de Prehistorie en de vondsten uit die periode een belangrijke rol speelden. Hij betreurde de geringe omvang van de archeologische werkgroep en hij nodig­ de de burgemeester en zijn echtgenote harte­ lijk uit om zich bij de archeologische vrijwilli­ gers te scharen. Hij deed deze uitnodiging vergezeld gaan van het aanbieden van twee archeologische boeken waaronder, uiteraard, het bekende ‘Handboek’. Hij wees ook nog op de stand van de detectoramateurs met wie de AWN steeds beter samenwerkt en de vitrines met vondsten in de Veldschuur. Die Veldschuur is een belangrijk gegeven geworden in de gemeenschap: naast de archeo­ logie is de schuur in gebruik voor cursussen als kaasmaken (voor kinderen), etsen, en bui­ ten de schuur is een veldoven gebouwd waar­ in brood wordt gebakken, nadat het graan op dec ouderwetse manier is gemaaid en gedorst. Zelfs huwelijken en begrafenissen vinden vanuit de Veldschuur plaats: veelzeggend!

7

Het archeologische werk werd door hem, door­ spekt met de nodige humor, uiteraard ook belicht: Bommen-Berend kwam langs in ver­ band met de gerestaureerde Bisschopsschans, de prehistorische collectie, naar boven geko­ men door een vijver die niet gegraven had mogen worden en de namen van degenen die een rol hebben gespeeld in het archeologische verleden van de SARS: Ad Verlinde, Ellen Vrenegoor en Kasper van den Berghe, bijvoor­ beeld, maar ook duikers uit de regio zoals Rint Massier en Teun Mur. Tenslotte stelde hij voornoemde Rint Massier voor aan de vergadering, onder wiens leiding een aantal AWN-ers naar het verzonken dorp Beulake zouden gaan varen in fluisterboten, en Hans Bruggeman die het binnenprogram­ ma zou verzorgen rondom de onderwaterar­ cheologie. Hans is lid van de LWAOW. Het financiële jaarverslag was gematigd opti­ mistisch van toon, hoewel de scheidende pen­ ningmeester Joop Bosch de vergadering waar­ schuwde alert te blijven en rekening te houden met een aantal moeilijke jaren. Om de kosten van uitgaven te beperken is een aantal maat­ regelen genomen: de kosten van het AWNbureau zijn substantieel gedaald, er is beslo­ ten geen eigen bibliotheek meer in stand te houden (de Atheneumbibliotheek in Deven­ ter neemt alles over), subsidiëring van bijzon­ dere uitgaven van Westerheem en publicaties in de AWN-reeks zal in de toekomst niet meer geschieden vanuit het reguliere budget van de vereniging. Hiervoor in de plaats zal een beroep gedaan kunnen worden op het ‘Pieter van der Voorde fonds’, een steunfonds dat uit een legaat van oud-erelid Pieter van der Voor­ de is opgericht. Er komt de eerste twee jaar echter geen con­ tributieverhoging. Er werd afscheid genomen van Joop Bosch, tien jaren lang penningmeester van de vereni­ ging (afb. 5). Hij werd geprezen als een zeer gedegen, betrouwbaar en betrokken be stuurs­

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 164

03-06-13 12:51


8

lid. Joop gaat nu echt archeologie doen in afde­ ling Noord. Hij is daar sinds kort al bestuurs­ lid. In zijn dankwoord zei Joop dat hij meer gekregen dan gegeven heeft. En hij vermeld­ de de toevalligheid dat hij tien jaar geleden in Dordrecht naar de AWN-vergadering liep en zich verbaasde over de grote groepen zwart in het pak geklede mannen die in dezelfde rich­ ting liepen; hij dacht: “Als dat de club is waar­ van ik in het bestuur ga zitten, weet ik het nog zo net niet!” Het bleken deelnemers te zijn aan een soort gereformeerde synode. “En nu”, zei hij, “tien jaar later neem ik in Staphorst afscheid!” Toeval? Joops opvolger Harmen Spreen werd aan de vergadering gepresenteerd (afb.6). Ruud Raats, statutair aftredend, stelde zich beschikbaar voor een volgende termijn. Ineke van de Scheur, zeer competente notulist, werd met bloemen bedankt (afb.7). De laatste mededelingen voor de lunch: de vol­ gende ALV is gepland op 12 april 2014 (waar, is nog niet bekend), het Archeologiefestival in Lelystad is op 5 en 6 oktober van dit jaar, op 12 oktober is de landelijke archeologiedag in Vol­ lenhove, het DPV (Drentse Historische Ver­ eniging), opgericht door Van Giffen, bestaat dit jaar 100 jaar en dit wordt gevierd met o.a. een symposium op 2 en 3 november en de Reu­ vensdagen vinden plaats op 15 en 16 novem­ ber. De Bronzen Legpenning wordt dit jaar niet uitgereikt. De lunch was geheel in overeenstemming met de hartelijkheid waarmee we voortdurend wer­ den omringd: royaal, gevarieerd en heerlijk! (Afb. 8.) ’s Middags werd het gezelschap verdeeld in twee groepen, degenen die in de Veldschuur door Hans Bruggeman over allerlei duikacti­ viteiten van de LWAOW zouden worden geïn­ formeerd met verhalen, films en tentoonge­ stelde voorwerpen, en zij die zouden gaan varen op De Wieden onder leiding van Rint Massier.

9

10

Hans Bruggeman (afb. 9) bleek een zeer aan­ genaam en bevlogen verteller (en duiker!). Hij schetste ons een beeld van een duikdag, een dag die de nodige voorbereiding vereist. Er zijn vaak maar 20 `a 30 minuten om echt goed resultaat te kunnen halen bij een duik in stromend water in verband met de kentering, op de overgang van eb naar vloed. In stilstaand water is het zicht vaak erg beperkt. In het alge­ meen krijgt men pas zicht op het te onderzoe­ ken object na het samenvoegen van bij ver­ schillende duiken gemaakte tekeningen. Een paar films (o.a. van het VOC-schip ‘Amsterdam’) lichtten zijn verhaal duidelijk toe. Jan Venema (LWAOW) steunde Hans af en toe bij zijn uitleg waardoor het een afwis­ selende en zeer interessante middag werd. De tweede groep ging naar het bezoekerscen­ trum De Wieden van Natuurmonumenten in Sint Jansklooster. Twee fluisterboten namen de AWN-ers mee op en tocht over de Beula­ kerwijde (afb. 10). Dit is een flink meer dat in de 18e eeuw ontstond ten gevolge van bodem­ daling door turfwinning gecombineerd met dijkdoorbraken. Het gebied lag toen pal ach­ ter de zeedijk, van de Zuiderzee welteverstaan, bij Blokzijl en Vollenhove. Enkele dorpen zijn toen verdwenen, waaronder het turfstekers­ dorp Beulake. Op de bodem van het meer kun­

11

Afb. 3 t/m 11 3: De burgemeester aan het woord. Foto: Marijn Lockefeer. 4: Fre Spijk, vleesgeworden enthousiasme. Foto: Marijn Lockefeer. 5: Joop terecht in de bloemetjes. Foto: Marijn Lockefeer. 6: De gaande en de komende penningmeester. Foto: Marijn Lockefeer. 7: Prima notulen verdienen ook een bloemetje. Foto: Marijn Lockefeer. 8: Oud-hoofdbestuursleden tijdens de lunch: links Wim van Horssen, rechts Jeroen ter Brugge. Foto: Marijn Lockefeer. 9: Rechts Hans Bruggeman met op de voorgrond opgedoken materiaal. Foto: Marijn Lockefeer. 10: AWN-ers op de Beulakerwijde. Foto: Akke de Vries-Oosterveen 11: Wat zou hij opgedoken hebben? Foto: Akke de Vries-Oosterveen

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 165

165

03-06-13 12:51


nen nog steeds de getuigenissen van de aan­ wezigheid van de dorpen worden gevonden. De tocht ging langs de duikplek van twee sportduikers (afb. 11) die met scherven en bot­ fragmenten naar boven kwamen. Uiteraard mochten de opvarenden de spullen nauwkeu­ rig bekijken. Op een rieteiland schijnen ook nog spullen aanwezig te zijn van het kerkhof van het dorp. In het gebied wordt riet gewon­ nen; de bijeengebonden schoven stonden klaar voor transport.

Het was een prachtige tocht, qua temperatuur zelfs aangenaam, dankzij de zon die af en toe flauwtjes doorbrak. Terug in de Veldschuur was nog een presentatie te zien over de vond­ sten en werd het boekje ‘ Verdronken dorp’ van Annelies Berends te koop aangeboden. Na een afsluitend drankje en hapje (zeg maar ‘hap’!) ging iedereen naar huis, onder de indruk van de genoten gastvrijheid.

Nee, geen schrik of vrees. Ik keer niet terug als Heintje Davids. Voor de jongeren onder ons: Heintje Davids (1988-1975) was een ster uit de voor- en naoorlogse revue en kon maar geen afscheid nemen. Iedere keer na een groots aangekondigd vertrek, keerde ze weer terug op de bühne voor de zoveelste laatste keer. Gezien de reacties op mijn afscheid als colum­ nist is het misschien toch verstandig mijn ver­ trek kort uit de doeken te doen. Bezorgde mail­ tjes, vragende telefoontjes en gesprekken met in het begin argwanende gezichten, waren mijn deel. Marijn Lockefeer had me gevraagd voor een kort interview, maar dat vond ik alle­ maal te veel aandacht voor het stoppen met het schrijven van stukjes. Dat was misschien toch wel praktisch geweest, want nu moet ik weer zelf aan de slag. De reden om er een punt achter te zetten is heel eenvoudig. Ik heb het jaren met veel ple­ zier gedaan en veel positieve reacties gekre­ gen. Toch het wordt tijd voor een nieuw geluid, een andere kijk op de archeologie in een gro­ tere wereld. Ik zat ook niet zonder onderwer­ pen, want die zijn er te over. Wat kwam er de

afgelopen weken weer allemaal niet voorbij? Een kunstjournalist die een krommetenen­ trekkend stukje schrijft over paleolithische kunst, een archeoloog die bijna een beroeps­ verbod krijgt opgelegd en natuurlijk de ‘geslaagde’ combinatie kunst en historische voorwerpen in het vernieuwde Rijksmuseum. Soms moest ik wel eens even opzoeken of ik al eens iets over het nieuwe thema had geschre­ ven, maar daar was ik meestal snel achter. Ook is er geen verschil van mening of ruzie met de redactie. Nee, gewoon stoppen, niet de verzuurde columnist worden die weer over dit of dat schrijft en een ander de kans geven over ons vak en passie te schrijven. Ziehier de verant­ woording. Ook heb ik geen opvolger aangewezen of voor­ gesteld en was dan ook blij verrast dat Evert van Ginkel door de redactie bereid was gevon­ den de komende tijd zijn licht op de archeolo­ gie te doen schijnen. Hebben we eerst samen Onder onze voeten geschreven en nu staan we voor een keer samen in Westerheem.

Marijn Lockefeer

Heintje Davids

Leo Verhart

De Werkgroep Experimentele Archeologie (WEA) Een archeoloog vindt wel voorwerpen, maar hoe weet je waarvoor ze dienden? En weet je vanuit je vondsten hoe de samenleving er heeft uitgezien? Hoe toon je vervolgens aan andere mensen hoe het leven er vroeger uit zag? Daar­ voor is experimentele archeologie en levende geschiedenis nodig. Eind 2011 sloot de AWN een samenwerkings­ overeenkomst met de Nederlandse Jeugdbond voor Geschiedenis (NJBG). Een onderdeel van

166

de NJBG is de Werkgroep Experimentele Archeologie (WEA). Deze werkgroep stel ik u nu en in de volgende Westerheem voor. De WEA richt zich op de IJzertijd, inheemsRomeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen en is onderverdeeld in twee leeftijdscategorieën: de medioren (12-15 jaar) en de 16+ (16-26 jaar). Wij voeren experimenten uit met betrekking tot archeologische vondsten en levende geschiedenis.

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 166

03-06-13 12:51


Levende Geschiedenis De WEA houdt zich met name bezig met levende geschiedenis. Dat wil zeggen dat wij zoveel mogelijk aspecten van het leven uit de IJzertijd (of een andere periode) proberen te benaderen. De mogelijkheden hiertoe worden begrensd door de beschikbare kennis over het leven toen, door onze eigen vaardigheden, de beschikbare tijd en de aanwezige gereconstru­ eerde spullen. We besteden veel tijd aan het leren beoefenen van oudtijdse ambachten, zoals het maken van kleding, smeden, klus­ sen aan de boerderijen en koken op vuur. Dit doen we in openluchtmusea, zoals het Eind­ hoven Museum, waar we bezoekers een beeld geven van onze bezigheden. Daarnaast komen we op het ijzertijdterrein Haps waar geen bezoekers komen. Dit geeft beginners de kans om rustig te leren en we kunnen wat minder ‘ijzertijd-verantwoord’ experimenteren. In een redelijk e moderne smidse, bijvoorbeeld, leren we het smeden en stappen daarna over naar het veel moeilijkere ‘ijzertijd-smeden’ (afb. 12). De kampen In de zomervakantie organiseren wij ‘ijzertijd­ kampen’ op het HAPS-terrein. De medioren duiken een week lang de Prehistorie in om kennis te maken met levende geschiedenis. We gaan aan de slag: eigen ijzertijdkleding en leren tasjes maken, houthakken voor het vuur en (een groot deel van de dag!) eten koken. Gelukkig is er ook tijd voor spelletjes in de natuur en gezelligheid rond het kampvuur. Een groot deel van onze leden komt via de NJBG- zomerkampen bij de WEA terecht. Naast het mediorenkamp is er een kamp voor de 16+ groep, in HAPS ook regelmatig in het

buitenland. De 16+ kampen in het buitenland zijn erop gericht om ervaring en kennis op te doen van experts in andere openluchtmusea. In 2011 waren we in Lejre in Denemarken (maken van ijzertijdkleding): http://www.sag­ nlandet.dk. In 2012 bezochten we Butser Ancient Farm in Engeland (dakdekken van een ijzertijdboerderij): http://www.butseran­ cientfarm.co.uk/.

Afb. 12 IJzertijdsmeden. Foto: David de Jong.

Ten slotte Hoewel de meeste AWN’ers buiten de NJBGleeftijd vallen, heeft u misschien (klein)kinde­ ren die onze kampen erg leuk zouden vinden. Kijk dan op www.njbg.nl of www.wea.njbg.nl. Wij zullen als WEA in Westerheem verslagen van onze experimenten of activiteiten plaat­ sen, om te beginnen dus in de volgende Wes­ terheem. Thomas Mons, lid van de WEA.

Agenda 24 augustus 2013 Afd. 8 Helinium – excursie Op reis door de tijd naar Groningen. Fietstocht door het oude landschap in het hart van de provincie Gro­ ningen. We volgen de cultuurhistorische rou­ te Ezinge. Naast de archeologie en de historie komt ook het prachtig ingepolderde kwelder­ landschap aan bod. Als er tijd over is, brengen we nog een bezoek aan de stad Groningen. Vertrek 8:00 uur bij Boerderij Hoogstad, Westlandseweg 258, 3131HX te Vlaardingen. Aanmelden: voor 12 augustus bij Jurrien Moree, 010-4604737.

28 september 2013 Afd. 10 Zeeland – bezoek aan Kortrijk: de Archeologische Vereniging Zuid-West-Vlaan­ deren, rondleiding door museum Kortrijk en een gegidste wandeling door middeleeuws Kortrijk. Uiterlijk twee weken van te voren opgeven. Informatie: Dicky de Koning (dickydekoning@zeelandnet.nl, 0628615255), of Aukje-Tjitske Dieleman-Hovinga (aukjetjitske@hotmail.com, 0640346168) of Arco Willeboordse (arcowilleboordse@live.nl, 0652571938).

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 167

167

03-06-13 12:51


Werk in Uitvoering Deze WIU maakt gebruik van periodieken van de afdelingen 3 – 6 – 7 – 10 – 11 – 12 – 13 – 17 – 18 en De Motte. Afb. 1 Nog niet thuis te brengen scherven uit Assendelft (l.) en Jisp (r.). Foto: Kees van Roon (uit Grondspoor).

168

Grondspoor nr. 187, maart 2013 (Afd. 3 – Zaanstreek-Waterland e.o.) Ook ditmaal aandacht voor prehistorische grotkunst, ditmaal gaat het over een documen­ taire over de grotten van Chauvet (3000032000 jaar oud) waar leden en donateurs van de afdeling van konden genieten. Een meningsverschil met de gemeente Zaanstad over te betalen servicekosten voor de werk­ ruimte legt druk op de afdeling. 2013 is een jaar om vooral naar ons zelf te kijken, naar het func­ tioneren en de uitstraling van onze afdeling, aldus voorzitter Menno de Boer. De afdeling heeft 62 leden en 56 donateurs en het bestuur bestaat uit: Menno de Boer (vz), Maybritt van der Scheer-de Kort (secr), Joop Stolp (pmr a.i.), Gerard Graas en René Lute (beiden coörd. veldwerk). In 2012 overleden Pieter Tromp en Kees Kool­ man, beiden zeer gewaardeerde leden. Een twee A4-tjes lange lijst van veldwerk­ zaamheden en waarnemingen leverde veel interessante informatie op, maar weinig graaf­ werk: Akersloot (Startingweg), Assendelft (molen De Pauw/Dorpsstraat/Omzoom/ Delft), Castricum (De Boogert), Heemskerk (kasteel Oud Haerlem), Koog a/d Zaan (Leeg­ hwaterstraat/Zuideinde), Krommenie (West­ dijk-Haansloot/Rosariumpark/Noorderhoofd­ straat/Burg. Provili sportpark/Forboterrein), Krommeniedijk (dijkje Stelling van Amster­ dam), Warder, Westzaan (Middel), Wormerveer (Noorderpark-Noorderveld/Marktplein/ Oversluispad), Zaandam (Bullekerk/Gedemp­ te Gracht), Zaandijk (Guisweg). Het bijzondere tegeltje van Ali Tromp is dit keer een tegel uit 1630-1650 met de afbeelding van een dier, maar welk dier? Gelet op de hou­ ding en de kop lijkt het inderdaad nog het meest op een beer. Oud-bestuurslid Walter Prinsze onderzocht in jonge jaren het terrein van kasteel Oud Haerlem te Heemskerk en bracht onlangs zijn vondsten (13e-15e eeuw) naar de afdeling. Het zijn oppervlaktevondsten, want er waren ver­ moedens dat het hier ging om een terrein met begravingen van paarden die waren gestorven aan miltvuur en daarom mocht je daar niet graven… Het steengoed potje uit de vorige G. blijkt een mosterdpotje uit het Belgische Nivelles (Nij­ vel) te zijn. Het laatste artikel in G. is van redac­

teur Kees van Roon en gaat over Weser-aarde­ werk, althans daar lijkt het veel op. Twee scherven uit Assendelft en Jisp zijn nog steeds niet goed thuis te brengen. Een eerdere sug­ gestie van Coppengrave lijkt niet juist. Een ander pottenbakkerscentrum in het Wesergebied is Völksen, waarover in een pas door Kees aangeschaft boek wordt geschreven. Ech­ ter ook daar passen de scherven niet naadloos in. Misschien kunnen lezers helpen. Kees: De beide scherven hebben een rechte streepversiering in een iets zachtere tint. De scherf is meer roze. De meest opvallende afwijking zijn de fijne parel­ randen aan de bovenkant (afb. 1). Nog meer aar­ dewerk: er komt steeds meer informatie beschikbaar over Zaanse pottenbakkers, tot nu toe van de jaren 1651-1687. We gaan daar zeker meer over horen en lezen. Renus, februari 2013 (Afd. 6 – Rijnstreek) In 2012 bestond het bestuur uit: Pierre van Grinsven (vz), Bert Zandbergen (secr), Els Koeneman (pmr) en Odile Hoogzaad. Voor mij ligt de laatste papieren Renus, want ook R. gaat over op digitale verzending vanwege de kosten van opmaken, drukken en rondstu­ ren. De afdeling wil in 2013 enkele RenusReeks-rapporten uitbrengen, daarbij gestimu­ leerd door een subsidie van de Alphense Rabobank die het mogelijk maakt deze rap­ porten zelf op te maken. Opgegraven wordt er niet veel, maar er is nog veel uit te werken aan de opgraving in Nieuwveen (zie hieronder) en ouder onderzoek en dan is er nog het digitali­ seren van opgravingsgegevens. Ook de inrich­ ting van de werkruimte in het Archeologie­

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 168

03-06-13 12:51


huis (hierna A-huis) in Alphen a/d Rijn vroeg de nodige tijd. De afdeling deelt het A-huis met de Provincie Zuid-Holland en het Erf­ goedhuis Zuid-Holland, terwijl Archeon de ‘huisbaas’ is. Er zijn archeologische exposities in het Katwijks Museum en de Oudheidka­ mer in Koudekerk, terwijl ook voorwerpen in de expositie in het A-huis zijn opgenomen. De afdeling en Tom Hazenberg namen het initi­ atief om de Romeinse schepen van Zwammer­ dam weer onder de aandacht te brengen. Het ledenaantal is 117, maar Renus gaat naar 230 personen en instanties. De vijf lezingen wer­ den alle gehouden in het A-huis. Het Arch. Jaarverslag meldt onderzoek in Katwijk (Wassenaarseweg), Koudekerk (Honds­ dijkse polder), Oegstgeest (Nieuw Rhijngeest), Voorschoten (Willibrordusstraat) en Aarlanderveen (naast de RK-kerk). Samen met de Hist. Kring Liemeer werd met toestemming van de eigenaar, de gemeente en de RCE op drie zater­ dagen een terrein onderzocht in Nieuwveen (Muggenlaan). Veel mensen namen deel aan het onderzoek en met succes: een ca. 3 m onder het maaiveld gelegen sloot leverde veel aarde­ werk op uit de 16e-19e eeuw, terwijl ook een fundering en wat muurwerk werden aangetrof­ fen (afb. 2). Hinderlijk was de aanwezigheid van veel kabels en leidingen, terwijl volgens de KLIC-kaart het hele terrein ‘leeg’ was. Begelei­ ding van graafwerkzaamheden t.b.v. de ver­ plaatsing van containers in Bodegraven (Oud Bodegraafseweg) leerde dat de bodem daar erg was verstoord. Het vondstmateriaal dateert van de Romeinse tijd tot recent. Nieuwsbrief AWLV nr. 34, februari 2013 (Afd. 7 – Den Haag e.o.) Kees van der Leer won ‘ Je beste vondst’, een door de Koninklijke Bibliotheek georganiseer­ de wedstrijd. Zijn inzending was een filmpje over zijn onderzoek naar prinses Marianne, dochter van koning Willem I. Een opvallende vondst is de benen Romeinse pop uit de 2e eeuw n.Chr., opgegraven in 1929 in Forum Hadriani (Voorburg-Arentsburg), ondergedoken in het depot van het RMO en weer gevonden door Annemarieke Willem­ sen. Tot nu toe was een ‘ afgekloven’ exem­ plaar uit Londen de meest noordelijk gevon­ den pop, maar nu is dat de pop uit Voorburg. De stadsbakens in Leidschendam-Voorburg zijn opgenomen in de inventarisatie van alle projecten die rond de limes bestaan. De Hist. Ver. Voorburg (HVV) gaf een themanummer uit over de middenstand in Voorburg-Noord en besteedde ook aandacht aan het pand waar­ in de AWLV de laatste 12 jaar is gehuisvest. Het is nog niet zo’n oud pand – begin jaren 30 – maar toch.

Wim van Horssen, oud-hoofdredacteur van Westerheem, blijft bezig met leuke vondsten van boerderij Noorthey. Ik mocht u er al diver­ se laten zien. Ditmaal gaat het om twee flin­ ke fragmenten van jydepotten, gemaakt op Jutland of een van de Deense eilanden. Het is handgevormd en reducerend gebakken aarde­ werk dat vooral in de 17e en 18e eeuw is inge­ voerd, maar het marktaandeel bleef altijd laag. Het maken van de potten was waarschijnlijk een zomeractiviteit van de Deense vrouwen en hier en daar werden ze nog tot 1900 gemaakt. Misschien kwamen de potten hier als ballast/bijlading van schepen die gedroog­ de vis aanvoerden (afb. 3). Ook de toen nog raadselachtige metalen pen­ ning in de vorige N. komt van Noorthey. Deze dateert uit de jaren 50 en kon door kinderen worden gemaakt in automaten die in sommi­ ge pretparken stonden, zoals in Duinrell. Hierna vestigt redacteur Joanneke Hees de aandacht nog op een paar interessante nieu­ we boeken en enkele lezingen.

Afb. 2 Archeologisch onderzoek door vrijwilligers aan de Muggenlaan te Nieuwveen. Foto: Pierre van Grinsven (uit Renus).

Zuidwesterheem nr. 75, maart 2013 (Afd. 10 – Zeeland) In Hulst werden de eerste stappen gezet om een platform Plaatselijk Vrijwilliger Archeo­ logie Zeeland te realiseren. Daartoe verdeelde men de gemeente Hulst in vier sectoren, waar­ bij per sector steeds twee vrijwilligers verant­ woordelijk zijn. Eerste meldpunt voor de vrij­ willigers is de SCEZ met daarnaast de betrokken gemeenteambtenaren. Na een jaar wordt deze pilot geëvalueerd en uitbreiding naar andere gemeenten overwogen. In 2012 bestond het bestuur van de afdeling uit: Ron Wielinga (vz), Aukje-Tjitske Diele­

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 169

169

03-06-13 12:51


Afb. 3 Fragment van een jydepot, boerderij Noorthey te Leidschendam. Foto: Joanneke Hees (uit Nieuwsbrief AWLV).

Afb. 4 Kartering in Grijpskerke. Foto: Robert van Dierendonck (Zuidwesterheem).

man-Hovinga (secr), Niek Beeke (pmr), Dicky de Koning en Arco Willeboordse. Gemiddeld drie à vier AWN’ers voerden regel­ matig werkzaamheden uit voor de SCEZ. De Wg SCEZ/Ravestein kwam in 2012 liefst 66 maal bij elkaar en rondde het project af. De Wg Hulst kwam zelfs 68 maal bij elkaar o.m. voor het registreren, verwerken en exposeren van de vondsten uit de haven. De Wg Zierik­ zee determineerde de archeologische collectie (men vond nog dozen en vuilniszakken vol scherven op de museumzolder) en richtte de vitrines met archeologica in het vernieuwde Stadsmuseum in. De afdeling organiseerde geslaagde excursies naar Hulst, Lelystad, Raeren, Kop van Schouwen, Biervliet en Zierik­ zee. In 1999 werd de Wg Metaalvondsten Zee­ land opgericht die ten doel had metaalvondsten in Zeeland te inventariseren. Eerst waren dat zegelstempels en zegelringen, waarover ook een boek verscheen. Later volgden inventari­ saties van stadsgewichten, vogeldrinkbakjes, Romeinse metalen voorwerpen, mestopjes, kinderspeelgoed en zilveren voorwerpen. Inmiddels weten vinders dat ze hun vondsten kunnen aanmelden en is de argwaan jegens de professionals grotendeels verdwenen. Omdat de werkgroep de laatste jaren een sla­

pend bestaan leidde, besloot de afdeling de werkgroep op te heffen m.i.v. 2013. Joyce van Dijk en Lisette Kootker verzorgden tijdens een workshop in januari een lezing over archeozoölogie en isotopen. In Z. geven zij een korte (wat heet kort: 7 pagina’s) en infor­ matieve beschrijving van deze lezing. In Oostkapelle werden na het scheuren van een wei­ land scherven en een deel van een benen kam gevonden. Na inspectie door de SCEZ bleek een forse verkleuring zichtbaar in de akker (Ø 30 meter), mogelijk resten van een motteheu­ vel. Het aardewerk dateerde vooral uit de 9e-13e eeuw. Omdat vinder Wouters intussen al 20 kg aan scherven verzamelde, achtten SCEZ en de Walcherse Arch. Dienst een kar­ tering van de hele akker noodzakelijk, waar­ bij de AWN werd ingeschakeld. De akker werd verdeeld in 256 vakken en o.l.v. Robert van Die­ rendonck begon de kartering waarvan door cineaste Inge van de Linde filmopnamen wer­ den gemaakt, te gebruiken in een film over de geschiedenis van Kloetinge. De vondsten en boorstaten moeten nog worden uitgewerkt (afb. 4). De ledenvergadering vond plaats in Ritthem, waar ook de kerk (toren ca. 1300), de vliedberg Berglust (10e-13e eeuw) en Fort Rammekens (oudste zeefort van West-Europa) werden bezocht. Tijdens de Zeeuwse AmateurAr­ cheologen Dag, georganiseerd door de SCEZ, werden de resultaten gepresenteerd van een studie die SCEZ en Hazenberg Archeologie uitvoerden naar oude opgravingen naar Romeins Aardenburg. In mei stond een excur­ sie naar Noord-Beveland (Kamperland en Colijnsplaat) op het programma en in juni een­ tje naar Breda (rondleiding in museum en stad). Z. eindigt met regels voor de aanleve­ ring van kopij voor Z. en dat ziet er redelijk bekend uit. Grondig Bekeken, maart 2013 (Afd. 11 – Lek- en Merwestreek) Een en al jaarverslagen, deze GB. Heel veel nieuws en dan ontbraken in mijn exemplaar van GB. ook nog vier pagina’s. AWN’ers heb­ ben hart voor archeologie of eigenlijk voor cultuur­ historie in het algemeen. Dat ‘hart voor’ uit zich in een verscheidenheid aan talenten, die we gerust ons kapitaal mogen noemen. Uw bestuur voelt het als haar taak om dit kapitaal zo goed moge­ lijk in te zetten in de hoop op een gunstig groeirendement. Aldus voorzitter Teus Koorevaar in zijn voorwoord. Het bestuur bestaat uit: Teus Koorevaar (vz), Jeroen Nipius (v-vz), Joan van Pelt (pmr), Cor Westra (secr) en Irmel Dol­ man. Het ledenaantal bleef gelijk: 92. Dan naar de vele werkgroepen die de afdeling telt. Wg Dordrecht: De werkruimte werd intensie­

170

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 170

03-06-13 12:51


ver gebruikt dan eerder. Behalve op woens­ dag en zondag was er dikwijls op alle dagen iets te doen: vaste werkavonden, open werk­ plaats en educatieve projecten met schoolklas­ sen. Er werd en wordt gewerkt aan diverse pro­ jecten: Crabbesteijn, Amstelwijk, Giessenburg (Neerpolderse weg), Zwijndrecht, vergelij­ kingscollectie aardewerk, materiaaldocu­ mentatie, vergelijkingscollectie botmateriaal, maatschappelijke stage, basisonderwijs… Wg Dordrecht-Buitengebied: verschijnt in de volgende GB. Wg Alblasserwaard-Vijfheerenlanden: De Wg nam deel aan diverse overlegstructuren en bracht tientallen adviezen uit over locaties en rapporten. Er zijn berichten uit Alblasserdam (Lange Steeg: 12e-14e eeuw waaronder een fraaie vuurdover of doofpotdeksel (afb. 5)), Bleskensgraaf (Kerkstraat), Alblasserpoort (landinrichting), Molenaarsgraaf (ontwerp voor een informatiepaneel over de opgravin­ gen bij Hazendonk, 1974-1976), Goudriaan (NH kerk), Hoornaar (Lage Giessen), luchtfo­ to’s en vondstkaarten uit de beginperiode van de afdeling, oude topografische kaarten Land van Heusden en Altena en Alblasserdam (pre­ sentatie archeologische verwachtingskaart). Alblasserwaardse LWAOW: Men dook vele malen in de Giessen en een paar keer in de Maas bij Cuijk. In de Maas trof men onder meer palen met een paalvoet aan, maar ook een rioolcamera. De duikers vragen zich af of er bij Zuilichem ook een Romeinse brug heeft gelegen, omdat daar in 1895 rijen paaljukken zijn aangetroffen (afb. 6). Wg Gorinchem: de Wg was bezig met het op Internet plaatsen van de archeologische col­ lectie en begon een speurtocht naar een 13e-eeuws doopvont uit het kasteel van Arkel dat na jarenlang gebruik als voederbak voor vee verdween. Alle rapporten van bureau-, boor- en veldonderzoeken in Gorinchem zijn online te raadplegen. De website trok vorig jaar 54980 bezoekers, veel meer dan in 2011. Wg Zwijndrechtse Waard: de archeologiezol­ der van de Hist. Ver. Zwijndrecht is opge­ ruimd. De dozen gingen naar het Prov. Depot in Alphen a/d Rijn of worden nog uitgewerkt. De arch. beleids- en waardenkaart van Zwijn­ drecht is klaar en het archeologiebeleid zal nu verder worden ‘uitgerold’ in samenwerking met de AWN. Wg Schoonhoven leverde een goede bijdrage aan de Nota Archeologiebeleid voor Schoon­ hoven, adviseerde en volgde grondverzet in De Nes, Molenstraat, Carmelietenstraat (funde­ ring kloosterkerk), Korte Dijk en Het Kloos­ ter. Wg Nederlek: Leden van de Wg verzamelden vondsten uit de 11e-19e eeuw, richtten een

Afb. 5 Vuurdover of doofpotdeksel, 12e-13e eeuw. Foto: Ad Geurts (uit Grondig Bekeken).

exposities in, waren bij de Open Monumen­ tendag en volgden werkzaamheden op een donk in Opperduit, alwaar na het officiële archeologisch onderzoek nog een belangrijk maar niet nader omschreven artefact werd gevonden dat nog door deskundigen wordt onderzocht. De Wg verhuisde van de aula aan de Opperduit naar een tijdelijk onderdak het Kruisgebouw naast de Oudheidkamer. Net voor de deadline van de kopij kwam het

Afb. 6 Duiker Ilse-Marieke met een te Cuijk gevonden paalpunt. Foto: Geert van der Velde (uit Grondig Bekeken).

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 171

171

03-06-13 12:51


verdrietige bericht van het overlijden van An Osseweijer (82). Zij was al een tijd ziek en zou niet meer beter worden. An was niet alleen gedurende tientallen jaren een steunpilaar voor haar eigen afdeling, maar ook veel AWN’ers van andere afdelingen kenden haar. Jaarverslag 2012, maart 2013 (Afd. 12 – Utrecht e.o.) Het bestuur bestond in 2012 uit Henk Rebel (vz), Karlien Dijkstra (secr), Pieter Gieszen (pmr), Marieke Arkema (lez) en Taco Groe­ neveld (lez & veldwerk). Voorzitter Henk Rebel kreeg een nieuwe voorzitterhamer van Taco Groeneveld. De hamer is gemaakt van hout uit ca. 740 n.Chr. dat is gevonden in Leidsche Rijn. Het waren kadepalen uit de Vroege Middeleeuwen niet ver van de sche­ pen Vleuten 1 en 2. Het hout zou niet wor­ den bewaard en daarom mocht het voor de hamer worden gebruikt. Een bevriende draaier gaf de hamer vorm: een echte archeo­ logische voorzittershamer (af b. 7). Natuur­ lijk is er aandacht voor het overlijden van Ton van Rooijen, de archeoloog van de vrijwilligers, aldus Ton van Bommel. In september werkten 11 AWN’ers mee aan een opgraving in Trier (Petrisberg) en een­ tje bij een sluis van de Moezel. Natuurlijk bezochten de opgravers enkele van de vele bezienswaardigheden in de omgeving. AWN’ers verleenden assistentie aan RAAP en BAAC bij het uitgraven van de coupe (doorgang naar het nieuwe bezoekerscen­ trum) in de wal in Fort Vechten. Later hiel­ pen AWN’ers nogmaals mee aarde uit het fort te verplaatsen, waar 19 vrijwilligers 343 uren aan besteedden. Het laatste karwei leverde vele honderden Romeinse munten op en een deel van een helm. Ton van Bommel leidde een workshop Mid­ deleeuws aardewerk in Houten. De inventa­ risatie van aardewerk uit een kluis in De Bilt, merendeels af komstig van het Vrouwen­ klooster, is klaar en overgebracht naar het Prov. Depot in Utrecht. In Zeist organiseerde de gemeente Zeist een archeologiedag voor kinderen, waarbij ook de AWN was betrokken De Houtense AW Leen de Keijzer spoorde 5 archeologische collecties op die uit het zicht dreigden te raken, kreeg ze in bezit en deter­ mineerde ze deels. In 2012 wijdden de 20 actieve leden van de AW ruim 3800 uur aan archeologische bezigheden. Er waren waar­ nemingen in Schalkwijk (Tetwijkseweg), op bedrijventerrein De Veste, in Houten (win­ kelcentrum Castellum) en onderzoek van boerderij Looyendaal (Beusichemseweg). De expositie Van top tot teen door de eeuwen heen

172

(lichaamsverzorging sinds de oudheid) trok 561 bezoekers plus kinderen van scholen, naschoolse opvang en bewonersgroepen. Op www.archeologiehouten.nl kunt u meer lezen over deze actieve werkgroep. Naerdincklant-nieuws januari-februari/ maart 2013 (Afd. 13 – Naerdincklant) Het bestuur zoekt naar een nieuwe redacteur voor Naerdincklant-nieuws, een algemeen bestuurslid en redactieleden voor de Naerdin­ cklant-special. De afdeling heeft nu een vast onderkomen, samen met andere vrijwilligers­ organisaties en het Goois Natuurreservaat. Het bestuur werkt steeds meer samen met omliggende afdelingen, zodat activiteiten kunnen worden gedeeld. Er meldden zich nog niet genoeg mensen aan voor de basiscursus archeologie die Afd. Utrecht wil organiseren en waaraan ook leden van Naerdincklant kun­ nen deelnemen. Er is een nieuwe Naer­ dincklant-special beschikbaar: Tuinarcheolo­ gie van historische buitenplaatsen. Op de Hoorneboegse Heide is een raatakker­ complex ontdekt door gebruik te maken van het AHN. De archeologische collectie van het vroegere Goois Museum en de bruiklenen van Muse­ um Hofland worden overgedragen aan het Prov. Arch. Depot van Noord-Holland. Het bestuur is hier blij mee, omdat de vondsten beter bereikbaar worden. In 2002 zijn bij grondwerkzaamheden in Vreeland (achter Vreedenhorst, Bergseweg) onder meer twee glazen dopjes gevonden. Het blijken doppen van met water gevulde flessen in een voliëre of een vogelkooi te zijn, eind 19e eeuw (afb. 8). In Naerdincklant-nieuws van maart 2013 nieuws over de opgraving die in Ankeveen plaatsvond, naast de kerk. Hier werden veel graven aangetroffen, daterend uit de tijd tus­ sen Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De skeletten zijn relatief goed geconserveerd, gelet op de veenomstandigheden. Aan de hand van het gevonden aardewerk wordt geprobeerd tot een nauwkeuriger datering te komen. Jaarverslag 2012, Afd. 17 – Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland) Voorzitter Mia Corbeek: De huidige crisis heeft mogelijk ook een positieve keerzijde voor de archeologie. Als er minder wordt gebouwd wordt er minder gegraven en blijft er dus meer archeo­ logie in situ in de bodem behouden. En dat is iets waar zelfs de verwoede opgraver enthousiast van moet worden: behoud in situ… Er is en wordt veel werk verzet op veel fronten. Binnen de afde­ ling worden stages begeleid, er was weer een beginnerscursus en er kon worden ‘gegraven’

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 172

03-06-13 12:51


in Arnhem, Zeddam, Wehl en Didam. Een bijzonder project was het weer zichtbaar maken van de Zevenaarse burcht. Veel AWN’ers droegen een steen of steentje bij aan dit project, maar Jan Verhagen was de drager van alles dat de laatste 30 jaar rond deze bij­ zonder zwaargebouwde burcht speelde. Komt u in Zevenaar dan loont het beslist de moeite in het centrum het Masiusplein en de parkeer­ garage te bezoeken. Het bestuur bestond in 2012 uit: Mia Corbeek (vz), Ben Clabbers (secr), Wessel Baptist (pmr), Dénes Beyer (veldwerk), Gerda van Raan (prexp-exc-website), Anneke Ruterink (exc) en Wouter Vos (lez). De meeste mogelijkheden om te assisteren bij veldwerk zijn doordeweeks, maar er waren ook activiteiten op zaterdagen. Ook in de Achter­ hoek is steeds meer te doen: de AW’s in Zel­ hem en Bergh waren zeer actief. Na 10 jaar stopte Dénes Beyer met de veldwerkcoördina­ tie: Nu is het tijd het stokje over te dragen. Geluk­ kig stopt het veldwerk niet. Het onderzoek Ede-Diedenweg vond plaats in 2004 en enkele leden werken de resultaten uit. Diverse andere projecten worden uitge­ werkt: het Batenburg-project, Groessen-de Aa, Wageningen-collectie Becking en in Bennekom de arch. collectie van het Kijk- en Luister­ museum. Van alle voorwerpen worden de Arch. Voor­ werp Kaarten gecontroleerd en waar nodig aangevuld en dat geldt ook voor de beschrij­ vingen volgens het Deventer systeem. Hieronder een zeer summier overzicht van de veldwerkactiviteiten in 2012: Arnhem: Schuytgraaf vindplaats 7 (vondsten uit paddenpoelen: vooral keramiek uit IJzertijd en Romeinse tijd)/Meinerswijk (tweemaal visualisatie van het castellum) (afb. 9)/Ulen­ paslaan (o.m. het verzamelen van, naar later bleek, eeuwenoude botten uit de stad), Barneveld: Achter Museum Nairac, Ede: OudReemst/Zandlaan. Assistentie werd verleend aan onderzoek in Arnhem: Oeverstraat/Hoog­ stedelaan, in Bergh: Kilder/Berghse Bos/ Beek/’s-Heerenberg: Stadsplein/Gertrudis/ Lengel/Zeddam/Didam/Braamt/Duiven: Huize Welleveld/Hummelo/Wehl: Weem­ straat/Zevenaar: grachtvondsten Masiusplein. Het Jaarverslag van Gemeentelijke Archeolo­ gie Arnhem meldt de volgende projecten: Arnhem: Hoogstedelaan-Klingelbeekseweg (afb. 10)/Klingelbeekseweg/Oeverstraat/Rui­ tenberglaan/Arnhem-Elden: Molenweg. Nieuws over de Historische Herberg Arnhem, archeologie op de radio, de Romeinse limes, het Romeinenfestival 2012, erfgoededucatie, lezingen, de basiscursus, exposities, excursies en de bibliotheek completeren het J.

De Hunnepers, december 2012 (Afd. 18 – Zuid-Salland – IJsselstreek – Oost-Veluwezoom) Een ruim gevulde DH, waaruit een stevige greep. Eind december was het ledenaantal 90. Het bestuur bestond in 2012 uit Aly DijkstraKruit (vz), Jan Kleinen (secr), Annemarie Brinkhorst (pmr), Chris Nieuwenhuize en Davy Kastelein. Veel natuurontwikkeling dit jaar in Apeldoorn, waarbij dikwijls de fosfaatrijke bouw­ voor werd verwijderd en dat is interessant voor archeologen. Bij Radio Kootwijk ontdekte men Grubenmeilers, in de grond gegraven kuilen, waarin het hout werd opgestapeld en afgedekt. Dit is het oudste type meiler dat teruggaat tot in de Romeinse tijd. Gehoopt wordt op een datering tussen de 8e en de 11e eeuw, want dat zou mooi passen bij de bekende vroegmiddel­ eeuwse ijzerwinning. Bij werkzaamheden om het rond 1869 verdwenen Beekbergerwoud te herstellen trof men Platz- en Langmeilers aan, die niet zijn ingegraven, maar op de bodem zijn opgestapeld en bedekt met plaggen. Deze zijn veel minder oud en op de Veluwe tot ver in de 20e eeuw gebruikt: in 1995 verdween de laatste houtskoolbranderij uit Uddel. De fraaie ‘duntoppige Fels Ovalbeil’ (Midden-Neolithi­ cum, waarschijnlijk pre-TRB) kon u al in de vorige WIU bewonderen, al heette die toen nog Flint Oval. Een bijzondere ontdekking was een oude paardenrenbaan in het Kroon­ domein, voor het eerst genoemd in 1843. De gegevens van het onderzoek zijn samenge­ voegd met verkregen historische gegevens en het verslag is aangeboden aan de Koninklijke Houtvesterij. Bij Lochem verwijzen de toponiemen ‘Span­ jaerds Schans’ en ‘Spaansenkamp’ naar de Tachtigjarige Oorlog. Oude verhalen dat hier een Spaanse schans was, lijken hierdoor aan geloofwaardigheid te winnen en de locatie lijkt gunstig gelegen. Onderzoek met de metaalde­ tector leverde echter geen vondsten op uit de Spaanse tijd. Bekend is dat de Spaanse leger­ leider Verdugo in 1582 tijdens een belegering van Lochem 16 of 17 schansen liet aanleggen om zijn leger te beschermen tegen aanvallen

Afb. 7 De ‘nieuwe’ voorzittershamer van Afd. Utrecht. Foto: Taco Groeneveld (Jaarverslag Utrecht).

Afb. 8 Glazen doppen van volièreflessen, eind 19e eeuw. Foto: Kees Beelaerts van Blokland (uit Naerdincklantnieuws).

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 173

173

03-06-13 12:51


Afb. 9 Romeinen in Castellum Meinerswijk. Foto: onbekend (uit Jaarverslag ZV en OG).

Afb. 10 Hoogstedelaan in Arnhem. Foto: Dénes Beyer (Jaarverslag ZV en OG).

174

vanuit de stad en van buitenaf. De AW Lochem bezocht Diederik Pomstra in Heveadorp die zich specialiseerde in experimentele archeo­ logie van de Steentijd en werkt voor musea en universiteiten. Diederik demonstreerde diver­ se zaken, waaronder het maken van een schrabbertje dat in een paar minuten klaar was (af b. 11). Hierna werden de Duno en museum Het Rondeel in Rhenen bezocht. De AW Raalte onderzocht diverse bouwkavels, maar zonder interessant resultaat. De AWR maakte afspraken met de gemeente Raalte over de inzet van AWN’ers bij grondwerk­ zaamheden. In Deventer staat aan de Sandrasteeg het oud­ ste stenen woonhuis van Nederland (12e eeuw). Het ligt voor de hand dat een Wg Bouw­ historie in deze oude stad nog veel kan ontdek­ ken. Zo stelde men vast dat een pand aan de Stromarkt vroeger deel uitmaakte van een gro­ ter pand dat in de 12e eeuw, samen met o.m. het huis in de Sandrasteeg, is gebouwd als proosdij van het Kapittel van Lebuïnus. Ondanks diverse verbouwingen blijken veel van de oorspronkelijke bouwelementen nog herkenbaar aanwezig. Tijdens de restauratie kon aanvullend bouwhistorisch onderzoek

worden verricht en in DH. vind ik een indruk­ wekkende foto van de met witte tegeltjes bekle­ de kelder onder dit pand met daarin een 15e/16e-eeuwse schouw (afb. 12). De Wg werkt nog aan rapporten over andere interessante gebouwen die zullen worden gepubliceerd, maar ook op www.deventerbouwhistorie.nl worden geplaatst. Ook in 2012 kregen leerlingen van middelba­ re scholen in Lochem en Deventer archeolo­ gielessen van Jan Kleinen met studenten van de Saxion Hogeschool in Deventer. De helft van DH. wordt ingenomen door de vele projecten van de archeologische diensten in Apeldoorn, Deventer en Zutphen. Hoewel erg interessant kan ik ze in deze rubriek alleen noemen, maar dat doe ik dan ook graag. Op de websites van de diensten vinden geïnteres­ seerden nadere informatie. Apeldoorn (Sectie Arch. Gem. Apeldoorn) Apeldoorn: Kostverloren 21-25/DommewegVan Isendoornlaan/Zuidbroek/Arbeidstraat 18a/Lan van Orden 318-Caretexterrein/Hob­ bemalaan/Sumatralaan-Koning Lode­ wijklaan/Methusalemlaan 59/Beekbergen: De Hoeven (naast nr. 7)/Schalterberg-Water­ berging Vitens/Hoenderloo: Nieuw Veld­ heim/Hoog Soeren-Radio Kootwijk: Achterste Steenberg/Alverschotenseweg 5-Camping Westerwolde/Hoog Soeren, Radio Kootwijk, Uddel: Munitiedepot/Klarenbeek: Traandijk natuurontwikkeling Beekbergerwoud/Uddel: Boshoek ’t Hof 12/Einderweg 11/Solsebergweg 10. Tussen Apeldoorn en Hoenderloo vond een particulier een bronzen ‘Wohlde-dolk’ (1800-11 0 v.Chr.). De archeologische beleids­ kaart van Apeldoorn wordt geactualiseerd. De resultaten van onderzoek van de (ijzertijd) tweelinggrafheuvels bij de Echoput mochten in Den Haag worden aangeboden aan konin­ gin Beatrix. Deventer (Arch. Dienst Deventer) Colmschate: Paderbornstraat 2/Deventer: Grote Kerkhof 7-9/Vuilcontainer Graaf van Burenstraat/Vuilcontainer Geert Grootestraat/ Landsherenkwartier/Lange Bisschopsstraat 24-26/Achter de Muren Duimpoort/Vuilcon­ tainer Molenstraat/Vuilcontainer Korte Noor­ derbergstraat/Waarneming Nieuwe MarktHofst ra at/L ok kersd ijk Zwolseweg/ Begeleiding restauratie vloer Hoogkoor Lebu­ ïnuskerk/Waarneming Grote Kerkhof/Vuil­ container kooromgang Lebuïnuskerk/Diepenveen: Uiterwaarden IJssel Natuurderij/ Midlijkerdijk// Sallandsweg 1/Nutsleidingen Natuurderij/Epse: Saxion Fieldschool Olthof Noord/Bedrijvenpark A1 grondwal OlthofZuid/Lettele: Kapelweide/Oxe: Oxersteeg 29-31/Schalkhaar: Proefsleuven en opgraving Brinkgreven.

| De Vereniging

03-2013 binnenwerk.indd 174

03-06-13 12:51


Zutphen (Arch. Dienst Zutphen) Warnsveld: Rijksstraatweg 57/Riolen/Zutphen: Bornhovestraat 45/Meier Groenpad Hoge West/Noorderhavengebied/Broederen­ kerkhof 2/Halvemaanstraat/Rozengracht 22/ Groenmarkt 28/Liander. De Ouwe Waerelt nr. 37, maart 2013 (Hist. Ver. De Motte – Goeree-Overflakkee) Het hele eiland Goeree-Overflakkee is sinds kort één gemeente die van Ouddorp tot Oolt­ gensplaat ongeveer 40 km lang is. Zoiets spreekt tot de – althans mijn – verbeelding: hemelsbreed ongeveer Haarlem-Utrecht, Zoe­ termeer-Amsterdam, Rotterdam-Nieuwe­ gein, Amersfoort-Apeldoorn… Het enige archeologische artikel is, zoals meestal, van de hand van Rias Olivier. Floor Volker bracht inmiddels heel wat metaal naar boven en heeft een indrukwekkende collectie metalen vondsten. Na enige noodzakelijke aandacht te hebben besteed aan de bestaande wetgeving betreffende het zoeken met de metaaldetector, komen we bij Floor Volker uit Melissant. In de tijd dat De Motte nog zelfstan­ dig archeologisch onderzoek uitvoerde was hij vaak van de partij ter aanvulling van het onder­ zoek. Verder is hij een ‘stortzoeker’ en zoekt hij bij slooppanden, maar altijd met toestem­ ming. Volker ging niet alleen af op de piepjes, maar keek ook goed rond. Daarom vond hij ook glas, bot en keramiek. Het vondstmateri­ aal van Volker is heel divers en Olivier zou wil­ len dat andere zoekers eveneens inzage gaven in hun collectie. De Motte wil graag het cultu­ reel erfgoed uit de bodem van GoereeOverflakkee catalogiseren en ontsluiten voor nadere studie. Wat vond Volker dan zoal? DOW toont de belangrijkste vondstgroepen en mooiste vondsten: knopgewichten (ca.

1820), munten (17e-19e eeuw), aardewerk en glas (16e-19e eeuw, hang- en sluitwerk, ges­ pen (17e-19e eeuw), een pepermuntdoosje (1867), een sleutelhanger (17e-19e eeuw?) kno­ pen (vooral 16e-17e eeuw) en textielloden / zegelloden (16e-20e eeuw). Textielloden lagen lange tijd in het verborgene, ook in de vondst­ depots, maar genieten de laatste tijd wat meer belangstelling, getuige ook het artikel van Jan van Oostveen in Westerheem 2013-1. Voor zover nog niet gedaan lijkt het nuttig contact op te nemen met Van Oostveen of een archeo­ logische dienst. Dat geldt overigens ook voor de overige voorwerpen en zeker wanneer – zoals bij veel van deze vondsten – de vindplaats vaststaat. Jan Coenraadts

Afb. 11 Wg Lochem bezoekt Diederik Pomstra. Foto: Jan Kleinen (uit De Hunnepers).

Aafb. 12 Stromarkt 19 (Deventer), de schouw in de keuken. Foto: Ferry ter Beek (uit De Hunnepers).

De Vereniging |

03-2013 binnenwerk.indd 175

175

03-06-13 12:51


Column

Mijn moeder had gelijk ‘Jij bent’, zei veertig jaar geleden de heer Roos, schooldecaan van mijn Haagse gymnasium, ‘de meest verschrikkelijke alfa die ooit deze test heeft gemaakt.’ Hij bedoelde de beroepskeuzetest die hij me net had afgenomen ten behoeve van mijn persoonlijk toekomstplan. Zo’n plan was hard nodig, want ik zou binnen twee maanden eindexamen doen en ik had nog geen enkel idee van wat ik daar­ na zou gaan beginnen. Ja, naar de uni­ versiteit ­ dat was nou net het doel geweest van die hele klassieke opleiding, en daar gingen bijna al mijn vrienden uit mijn klas heen. Dat was ook het advies geweest van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Daar had mijn moeder me naartoe gestuurd, gekweld door mijn gebrek aan motivatie ­ verder dan een gemompelde suggestie van ‘de Filmacademie misschien’ was ik nooit gekomen. Wat zei mej. J. Elenbaas van de Afdeling Beoepskeuzevoorlich­ ting van het GAB ervan? Die vond me een slim watje: veel te soft voor de harde wereld van de Nederland­ se cinema maar bij uitstek geschikt voor de universiteit.`Binnen het kader van zijn interessenstructuur lijkt het in over­ weging geven van de sociologie­studie het meest zinvol’, besloot ze haar advies. Dan maar niet filmen, dacht ik, overi­ gens zonder veel spijt. Maar sociologie ­ wat wás dat eigenlijk? ‘Dat lijkt me niks voor jou’, vond de heer Roos. ‘Hoe komen ze daarbij? Hier’­ hij wees een lijstje aan – ‘hier zou je het moeten zoeken.’ Geschiedenis. Kunstgeschiedenis. Een taal, levend of dood. Archeologie. Archeologie? Ik had nog nooit een schop

176

|

in het zand gestoken, was géén lid van de NJBG, had thuis alleen het Shell Journaal van de archeologie doorgebladerd en was maar éénmaal in mijn leven in het Rijks­ museum van Oudheden geweest, met mijn oma. Haar dochter, mijn moeder, die werkte op het toenmalige ministerie van CRM, pakte daar uit de bibliotheek wel eens een blaadje mee: een vaalgroen schriftje, voorzien van met een somber beeldmerk met een schep, een pot en een schelp tegen een achtergrond van herfst­ bladeren, en erboven het intrigerende woord Westerheem. De inhoud, moet ik bekennen, viel me niet mee. Ook het enthousiaste verslag van mijn moeder van een bezoek aan een opgraving vlak­ bij het ministerie, speciaal georganiseerd voor CRM­ambtenaren (Rijswijk ­ de Bult, weet ik nu), deed me weinig. Ik had wél oude scherven op mijn Toma­ do­boekenplank liggen, in Pompeii opge­ raapt door oma; daarnaast lagen de pij­ penkoppen die ik zelf recentelijk had verzameld in de volkstuintjes bij ons huis in Voorburg. In Voorburg had ook iets van de Romeinen gelegen, wist ik ­ er stond nog een enorm ruiterstandbeeld van een Romein bij het winkelcentrum. Dus...? ‘Ik denk dat ik archeologie ga studeren’, meldde ik die avond aan tafel. ‘Kind, wat een goed idee’, zei mijn moe­ der blij. ‘Dat wou je al worden toen je vier was: professor in de archeologie!’ Ik weet niet of dat waar is, en professor ben ik dus niet geworden. Maar ik weet wel dat ik heb geoogst, wat mijn moeder (samen met de hare) in mijn jeugd heeft gezaaid. Bedankt mam!

Column

03-2013 binnenwerk.indd 176

03-06-13 12:51


Sinds 1951 zijn amateurarcheologen verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

4 Westerheem

AWN-leden maken geschiedenis!

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

jaargang 61 - augustus 2012

maakt t mede mogelijk ge Westerheem word atie. or Cultuurparticip door het Fonds vo

   

04-2012 omslag.indd 1

ARCHIS 3.0 KOMT ER AAN HET TRIESTE LOT VAN DE AARDBEIENPOT DE SCHATVONDST LEKKERKERK RONDOM DE STAD: DRIE-OREN-KANNEN UIT HELMOND

01-08-12 09:30


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN)

Inhoud

jaargang 61 no. 4, augustus 2012

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • D.N. (Diteke) Ekema (eindredacteur), Westlandseweg 97, 2624 AD Delft. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • Ilse Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • Ria Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@upcmail.nl

LITERATUURRUBRIEKEN ........................................... 265

Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart.

DE VERENIGING Verenigingsnieuws ...................................................... 277 Werk in Uitvoering ..................................................... 280

Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd.

Redactioneel ................................................................ 241 Fred van den Beemt Archis 3.0 komt er aan . .............................................. 242 Marjan van den Berg Het trieste lot van de aardbeienpot ............................ 246 Jan Pelsdonk De schatvondst Lekkerkerk 2010: gehamsterd zilver uit de Eerste Wereldoorlog ............ 251 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN … HELMOND Theo de Jong Drie-oren-kannen: feestkruiken uit Helmond ............. 256

COLUMN .................................................................... 287 Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen . ................. 288

Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen) © AWN 2012. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie. Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: BEK Grafische Producties, Veghel ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adresveranderingen door te geven aan de ledenadministratie. Alleen zo bent u gegarandeerd van de toezending van Westerheem.

Adressenlijst hoofdbestuur, afdelingssecretariaten en coördinatoren van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland  Hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: J. (Joop) Bosch, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden, tel. 050-5011425, e-mail: bosch.joop@gmail.com. INGbank 577808 t.n.v. AWN Roden Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl • J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • S. (Suzanne) Klüver (PR en Communicatie), Chopinplein 56, 3122 VM Schiedam, tel. 06 2371 0905, e-mail suzannekluver@hotmail.com • A. (Akke) de Vries (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917 e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com  Coördinatoren • Nederlandse Jeugdbond ter Bestudering van de Geschiedenis (NJBG): Contactpersoon: H.J. (Harmen) Spreen, De Pauwentuin 19, 1181MP Amstelveen, tel.: 020-4537021, e-mail: hspreen@xs4all.nl • Landelijke Werkgroep Archeologie Onder Water (LWAOW). Voorzitter: J. (Jan) Venema, Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail: voorzitter@lwaow.nl. Secretariaat: A.F. (Albert) Zandstra, W. de Zwijgerstraat 20, 8331 GT Steenwijk, tel. 0521-517456, e-mail:secretariaat@lwaow.nl. Penningmeester: J (Jules) de Jagher, Tijnjeweg 11, 8457 EK Gersloot (Friesland), tel. 0513-571458, fax 0513-571458, e-mail: penningmeester@lwaow.nl. Website: www.lwaow.nl  Ereleden R. van Beek (†), A.J. van Bogaert-Wauters (†), H. Brunsting (†), H.J. Calkoen (ere-voorz., (†), A.E. van Giffen (†), P.J.R. Modder­man (†), S. Pos (†), H.J. van Rijn (†), P. Stuurman (†), E.H.P. Cordfunke, H.H.J. Lubberding, mw. E.T. VerhagenPettinga, P. Vons (†), P.K.J. van der Voorde.  Secretariaten/contactpersonen afdelingen 01. Noord-Nederland: I.L.C.C. van der Velde, Kortenaerstraat 9a, 9726 HJ Groningen, tel 06-22677596, e-mail isabelciaceres@gmail.com 02. Archeologie Land en Water Noord-Holland Noord - ALWH-AWN: J. R. Vet, Walakker 44, 1446 GJ Purmerend, tel. 06-26024556, e-mail: jrvet@xs4all.nl 03. Zaanstreek/Waterland: M.B. de Kort, Leeghwaterstraat 1, 1541 LS Koog aan de Zaan,

tel. 075- 7712363, e-mail maybritt.vd.scheer@chello.nl. 04. Kennemerland (Haarlem en omstreken): Mw. H.C. Vermast (secretaris), Bankenlaan 2, 1944 NM Beverwijk, tel. 0251-200897, e-mail: archeologiekennemerland@live.nl 05. Amsterdam en omstreken: W. ’t Hart, Helmholtzstraat 67-huis, 1098 LE Amsterdam, tel. 020-6936359, e-mail: w.hart@upcmail.nl 06. Rijnstreek: B. Zandbergen, Archeonlaan 1A, 2408 ZB Alphen aan den Rijn e-mail: awnrijnstreek@yahoo.com 07. Den Haag en omstreken: A.P. van den Band, Parelmoerhorst 126, 2592 SH Den Haag, tel. 070-3175534, e-mail: a.p.vanden.band@tele2.nl 08. Helinium (Waterweg Noord): H. van Wensveen, Westlandseweg 258, 3131 HX Vlaardingen, e-mail helinium@vanwensveen.nl 09. Noord-Holland Noord: J.W. van Rossum Nassauplein 58, 1815 GV Alkmaar, tel. 072- 5157122 – 0642853944, e-mail javaros@hetnet.nl 10. Zeeland: A.T. Dieleman-Hovinga, Terneuzensestraat 64, 4543 RR Zaamslag, tel. 0115-431547, e-mail: aukjetjitske@hotmail.com 11. Lek- en Merwestreek: C. Westra, Eigen Haard 22, 3312 EH Dordrecht, tel. 078-6350184, e-mail: corguzzi@yahoo.com 12. Utrecht en omstreken: K. Dijkstra, Waalstraat 27, 3522 SB Utrecht, e-mail: karliendijkstra@casema.nl 13. Naerdincklant - Archeologie Gooi- en Vechtstreek (Hilversum en omstreken): Mw. E.J. Wierenga, Theresiahof 28, 1216 MJ Hilversum, tel. 0356834875, e-mail: secretaris@naerdincklant.nl homepage: http://www.naerdincklant.nl 14. Vallei en Eemland (Amersfoort en omstreken): W.C. van Vliet, Hoochbeen 12, 3905 WJ Veenendaal, tel. 0318-784046, e-mail: awn.afd14@gmail.com 15. West- en Midden-Betuwe en Bommelerwaard: G.J. van der Laan, Thorbeckestraat 51, 5301 ND Zaltbommel, tel. 0418-518224, e-mail: hans.vander.laan@hetnet.nl 16. Nijmegen en omstreken: L.H.W. ten Hag, Lorkenstraat 14, 6523 DR Nijmegen, tel. 024-6776168, e-mail: lhwtenhag@planet.nl 17. Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland: B.A.F.M. Clabbers, Sweerts de Landasstraat 72, 6814 DJ Arnhem, e-mail: secretaris@archeologiemijnhobby.nl, homepage: http://www.archeologiemijnhobby.nl 18. Zuid-Salland - IJsselstreek - Oost-Veluwezoom: J. Kleinen, Stiggoor 58, 7241 LB Lochem, tel. 0573-253094, e-mail: j.kleinen@hetnet.nl 19. Twente: K. de Rooij, Acacialaan 24, 7611 AR Aadorp, e-mail: AWN-19twente@hotmail.nl 20. IJsseldelta-Vechtstreek: F. Spijk, Gen. Eisenhowerlaan 55, 7951 AW Staphorst, tel. 0522-461684. 21. Flevoland: Dhr. J. Boes, Normandieplein 6, 8303 HA Emmeloord, tel. 0527-699113, e-mail: janboes@online.nl 22. West-Brabant: Mw. A.M. Visser, Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635. http://gen-www.uia.­ac.be­/u/­overveld/archeology/ awn22.html,e-mail: jmvisser@planet.nl 23. Archeologische Vereniging Kempen en Peelland: W. van Vegchel, Deken van Somerenstraat 6, 5611 KX Eindhoven, tel. verenigingsruimte tel. 040-2386592, e-mail awnafdeling23@online.nl 24. Midden-Brabant: Deze afdeling is voorlopig aangehaakt aan afd. 23. Zie daar het contactadres.

Foto omslag: De schatvondst Lekkerkerk 2010. [Zie pag. 251]

04-2012 omslag.indd 2

01-08-12 09:30


Redactioneel

“Houd Erfgoed Levend”; zo kopt het protest van SCEZ in Zeeland tegen de bezuiniging op erfgoed. Dat motto wil ik graag meegeven aan de AWN. Jarenlang was archeologie booming business door de nieuwe wetgeving als gevolg van het Verdrag van Malta. Het aantal archeologische onderzoeken steeg en het aantal betaalde archeologen steeg van ruim 700 in 2007 tot ruim 1100 in 2011. In 2012 is aan deze stijging voor het eerst sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) een einde gekomen. Door de crisis en de bezuinigingen van de overheden zijn al veel archeologen op straat komen te staan. Archeologie studeren is geen garantie meer op een baan. Dat was ook zo in de tijd dat ikzelf afstudeerde (1995). Om betrokken te blijven met de archeologie, ging ik als vrijwilliger werken bij opgravingen en werd ik lid van de lokale heemkundekring en de net opgerichte Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland (AWN-afdeling 23). Bij de heemkundekring ging ik me bezig houden met belangenbehartiging, een tak van de archeologie die ik vanzelfsprekend vond, en die gelukkig nu ook door de AWN wordt uitgeoefend. Het maakte me bewust van het gevaar bij de invoer van de archeologiewetgeving, namelijk dat de verantwoordelijkheid voor ons bodemarchief bij de gemeente kwam te liggen. De politieke partijen in de gemeenteraad zouden bepalen wat van ons archeologisch erfgoed bewaard moest worden en wat niet. Groot is nog altijd mijn verbazing dat een gemeente dat kan beslissen zonder archeologische kennis in huis te hebben. Om ons archeologisch erfgoed te behouden, moeten we draagvlak creëren bij ons lokale bestuur en de bevolking. Archeologie moet meer bekendheid krijgen; onbekend maakt tot slot onbemind.

Mogelijk dat Archis III, waar Fred van de Beemt in dit nummer op ingaat, daaraan kan bijdragen. Ook de link naar ons hedendaagse leven werkt goed voor het draagvlak. Dat zien we terug in de artikelen over aardbeienpotjes van Marjan van den Berg en over drie-oren-kannen uit Helmond van Theo de Jong. Maar wat toch nog altijd het meeste scoort, ook in de krant, is toch wel een heuse schatvondst. Jan van Pelsdonk geeft in deze Westerheem uitleg bij een wel heel bijzondere vondst. Aangezien de AWN in Nederland eigenlijk nog de enige organisatie is die zich inzet voor de belangen van de archeologie, zou elke archeoloog in Nederland lid moeten zijn. Zeker in deze onzekere tijd is belangenbehartiging voor archeologie hard nodig; niet alleen vanuit de amateurs, maar juist ook door professionals. Het vraagt om een actieve betrokkenheid van archeologisch Nederland. We moeten als een front opboksen tegen de boerenlobby’s en de ontwikkelaars die de archeologie als struikelblok ervaren. De AWN voert vrijwel als enige actie (lees: rechtszaken) tegen foute beleidskeuzen en niet deugdelijke selectiebesluiten op het gebied van archeologie, en dit vaak met steun van professionals. Daarmee probeert de AWN te redden wat er te redden valt. Dat kan de AWN echter niet alleen. Zeker nu ook de landelijke subsidiekraan naar onze club dreigt dicht te gaan, roep ik alle archeologen in Nederland op om lid te worden. Als we niets doen, moeten we niet vreemd opkijken wanneer de archeologie binnen enkele jaren ter aarde wordt besteld en alleen ‘Europa/Brussel’ nog iets boven het maaiveld weet te houden door bovenstatelijke wetgeving en verplichtingen. Steun de AWN en houd ons erfgoed levend! Ria Berkvens Redactioneel |

04-2012 binnenwerk def.indd 241

241

01-08-12 09:16


Archis 3.0 komt er aan Fred van den Beemt

We leven in een informatiemaatschappij waarin bijna iedereen bezig is informatie te verzamelen, gegevens te verstrekken, gegevens met elkaar te delen en er in archeologisch opzicht onderzoek mee te doen. Hoewel de archeologie een wetenschap is die zich bezighoudt met het verleden, zien we dat geautomatiseerde gegevensbestanden onmisbaar zijn voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. In november 2010 is de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) een project gestart om te komen tot de vernieuwing van de archeologische informatievoorziening in Nederland (werktitel Archis 3.0). De vernieuwing is eerst en vooral gericht op een efficiënte invoer en duurzame opslag van archeologische gegevens en daarbij op een verbeterde zoekfunctie. In dat kader is er een klankbordgroep Archis 3.0 in het leven groepen waarin ook de AWN is vertegenwoordigd. In de klankbordgroep wordt gesproken over de samenwerking en wisselwerking met het archeologisch veld, onder andere de erfgoedinspectie, de gemeentelijk en provinciaal archeologen, de depotbeheerders, het (archeologisch) bedrijfsleven en de wetenschappers. De klankbordgroep heeft inmiddels al veel wensen en behoeften uit het veld geïnventariseerd en zo veel mogelijk vertaald om daarmee de nieuwe informatievoorziening (input en output) te stroomlijnen en te vereenvoudigen. Het is gebleken dat amateurarcheologen in dit kader een belangrijke partner zijn. Hoe het was Het Archeologisch informatiesysteem Archis heeft een verleden; in dit verleden wordt u in deze bijdrage meegenomen naar het jaar 1951, het jaar dat de AWN, de Archeologische Werkgemeenschap

242

|

voor (west) Nederland, is opgericht. In de tijd van het ontstaan van de AWN tot eind jaren ’90 was archeologie nog vooral een zaak van ‘liefhebbers’, van amateurarcheologen. We noemen ze nu ‘vrijwilligers in de archeologie’. Deze archeologen in de vrije tijd waren de lokale experts. Zij kenden in hun gebied alle voor de archeologie interessante locaties. Archeologisch onderzoek werd voor een groot deel door de amateurs uitgevoerd en daarnaast assisteerden zij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en de universiteiten bij opgravingen of veldverkenningen. Een aantal AWN-ers, verspreid over het land, was correspondent voor de ROB. Door deze correspondenten zijn talrijke en belangrijke archeologische vindplaatsen ontdekt, gemeld en door zowel amateurs als professionals gepubliceerd. Veel opgravingen met unieke archeologische vondsten zijn veelal het gevolg geweest van vondstmeldingen die zijn

Archis 3.0 komt eraan

04-2012 binnenwerk def.indd 242

01-08-12 09:16


gemeld door vrijwilligers, resultaten waar we trots op mogen zijn. Eind jaren ’70 werd archeologisch Nederland voor het eerst geconfronteerd met automatisering van archeologische vindplaatsen, monumenten en opgravingen. Voordien waren deze ontsloten door een papieren archief. De toenmalige ROB stuurde een ‘postiljon d’amour’ Nederland in om de afdelingen en werkgroepen van de AWN voor te lichten over het nieuwe, moderne melden en ontsluiten van vindplaatsen. De wereld en ook de archeologische wereld zag er toen anders uit: geen Maltawetgeving, geen zakelijke archeologie; het was de wereld van de ROB, de universiteiten, de provinciaal archeologen en de vrijwilligers. Via correspondenten onderhield de ROB de contacten met de vrijwilligers in het land. Er waren toen nog jaarlijkse correspondentendagen die later werden vervangen door dagen zoals de Reuvensdagen. Tot aan de invoering van de Maltawetgeving kwamen de meeste vondstmeldingen van lokale vrijwillige experts. Zij vulden het centraal archeologisch archief bij de ROB met vele duizenden vindplaatsen. Deze vindplaatsen zijn terug te vinden in het Archis van nu. Meer dan 30 jaar geleden werd door de ROB aan de vrijwilligers gevraagd mee te willen werken om het archeologisch datasysteem te helpen vullen met speciaal ontworpen vondstmeldingsformulieren en een speciaal gemaakte handleiding voor zowel de professional als de vrijwilligers. Daarmee legden vele AWN-ers de basis van het Archis van nu. De jaarverslagen van de ROB zijn er verrassend duidelijk over: Jaarverslag ROB 1967 “De bijdrage, die door amateurarcheo­ logen geleverd wordt, neemt van jaar tot jaar toe en dit verschijnsel mag met vreugde geconstateerd worden. Het is in de huidige situatie van groot belang dat gestreefd wordt naar een steeds grotere intensivering van de al reeds nauwe contacten tussen amateurs en professionals. De moeite die hieraan in dit jaar van beide zijden is besteed, is ruimschoots beloond geworden.”

Afb. 1 Mejuffouw G. Loeb van de ROB achter haar schrijfmachine waarop zij duizenden vondsmeldingen van AWN-ers verwerkte. Foto: RCE Amersfoort, 1955. Jaarverslag ROB 1994 “De ROB-correspondenten in Groningen fungeren in toenemende mate als spil bij vondstmeldingen in hun werkgebied of op het terrein van hun specialisatie. De diversiteit van hun bijdragen weerspiegelt de veelzijdigheid van de archeologiebeoefening op zand, veen en klei.” De jaren daarna wordt het stiller. In de jaarverslagen van de ROB zien we steeds minder geschreven over de vrijwilligers. In 2003 lezen we “Bij de amateurarcheologen leeft de vraag wat de gevolgen zullen zijn van de nieuwe regelgeving, onder meer de voorwaarden waaronder amateurarcheologen onderzoek mogen uitvoeren. De gevolgen van het Verdrag van Malta en de aanscherping van de wetgeving hebben bij de amateurarcheologen de relatie tussen de verschillende beroeps en amateur-organisaties beïnvloed.” In de geschiedenis van de AWN en het uitvoeren en melden van archeologisch onderzoek zijn we aangekomen omstreeks 2005: een belangrijk schakelmoment wat betreft de maatschappelijke betrokkenheid van de archeologie en het melden van vondsten. Aan de AWN is met de invoering van Archis in ca. 1990 gevraagd mee te willen werken aan het vullen van het systeem. De vraag ligt er nog steeds. Toch zien we dat vanaf de invoering van Archis het aantal vondstmeldingen is afgenomen. De reden waarom er geen vondsten meer in Archis werden gemeld lag niet zo zeer aan het niet willen melden, maar meer aan de Archis 3.0 komt eraan

04-2012 binnenwerk def.indd 243

|

243

01-08-12 09:16


Afb. 2 Door de afdelingen van de AWN werden archeologische vindplaatsen actief opgespoord en gemeld bij de ROB. Op deze foto van AWN afdeling 2 worden in 1955 de slootkanten verkend. Van links naar rechts G. Graas, T. van Horsen, mw. J. Broeze en C.J. van Roon.

zeggen als mocht blijken dat iemand hier niet zorgvuldig/ethisch mee om gaat. Gezien het beleid van de RCE wordt Archis 3.0 geheel opengesteld voor iedereen. Dat is lovenswaardig. De wijze van melden van vondsten zal sterk worden vergemakkelijkt. Daardoor zal het melden van een vondst veel laagdrempeliger gaan worden. wijze waarop de vondst gemeld moest worden. Daarnaast stond Archis voor vrijwilligers niet open voor raadpleging van de vondsten en opgravingsrapporten. De voorheen actieve amateurs namen de stelling in: “Als je geeft, wil je ook halen, maar als je niets krijgt, ga je ook niets geven.” Immers, Archis is tot nu toe in principe gesloten voor niet beroepsmatig werkende archeologen c.q. bedrijven. Wel is duidelijk dat een deel van de vondsten gedaan door amateurs wel zeker wordt gemeld bij stads-, streek- en provinciaal archeologen. Of deze in Archis worden geregistreerd is niet bekend. De melder kan dat niet controleren. Uit betrouwbare bron blijkt dat veel gemelde vondsten nimmer in Archis zijn opgenomen maar wel zijn gebruikt voor het samenstellen van archeologische verwachtingskaarten en in gemeentelijke bestemmingplannen. In de afgelopen jaren zijn vanuit de archeologische vrijwilligersorganisaties oproepen gedaan om Archis te liberaliseren en open te stellen voor alle (AWN-)vrijwilligers om zo meer betrokkenheid en communicatie over en weer te krijgen. Winst is dan onder meer dat lokaal/regionaal georiënteerde vrijwilligers in staat worden gesteld om een eigen, samenhangend onderzoek te (laten) doen en te publiceren. Het liberaliseren van Archis is voorwaarde voor het erbij betrekken van de vrijwilligers. Een pluspunt hierbij is dat dit een van de beleidsdoelen betreft van de RCE. Het toegang verlenen aan vrijwilligers zal moeten werken op basis van vertrouwen en verantwoordelijkheid. Dus: iedereen toegang verlenen en alleen toegang ont-

244

|

Archis en openbaarheid Aan de openbaarheid van Archis 3.0 kleven bezwaren vanuit zowel de archeologische vereniging als vanuit de beroepsmatige archeologie. Een deel van de amateurs verbonden aan de archeologische verenigingen in ons land heeft moeite om ‘hun’ vindplaatsen openbaar toegankelijk te maken. De angst is dat schatgravers en verzamelaars de nieuwe vondstplekken gaan bezoeken en de vindplaatsen zullen ‘plunderen’. De beroepsarcheologen willen de vindplaatsen niet prijsgeven om dezelfde reden. Ervaringen leren dat bij voorbeeld op de Romeinse villaterreinen in Limburg geen metaalvondsten meer zijn te vinden. Ook de Archis stuurgroep ziet voor- en nadelen in het volledig openbaar maken van afgerond onderzoek en van meldingen van amateurs. Als nadelen worden gezien: – Bij brede bekendheid van bijvoorbeeld vindplaatsen kunnen deze schade ondervinden van te veel of oneigenlijke belangstelling (verstoring/roof); – Vroegtijdig bekendmaken van vondsten en vindplaatsen zou ertoe kunnen leiden dat amateurarcheologen hun vondsten niet meer (of te laat) gaan melden. Als voordelen worden onder meer gezien: – Er zullen door het open Archis-systeem meer vondsten worden gemeld, dit wel onder voorwaarden dat een melder zelf kan bepalen of deze een locatie van een vindplaats wel of niet vrij wil geven. De coördinaten zullen dan wel zichtbaar zijn voor beroepsarcheologen en beleids­ makers;

Archis 3.0 komt eraan

04-2012 binnenwerk def.indd 244

01-08-12 09:16


– Versterken van de band met de amateur­ archeologen en hun verenigingen; – Meer informatie vergroot de betrokkenheid bij het archeologisch erfgoed. – Ervaringen in Denemarken ondersteunen deze gedachtegang: daar heeft openbaarmaking tot een groter omgevingsbesef geleid en dus grotere waakzaamheid wanneer onbevoegden erfgoedsites willen verstoren. ‘Gewone’ burgers en vrijwilligers in de archeologie weten waar de terreinen liggen waar vondsten zijn gedaan of zijn te verwachten en zullen met hun ogen en oren controle uitoefenen op vindplaatsen en monumenten. Schatgravers zullen eerder worden aangesproken; – Archeologische bedrijven en wetenschappers beschikken over meer gegevens die de kwaliteit van hun (bureau) onderzoek en wetenschappelijk onderzoek verhogen; – Veel informatie rond met name de belangrijkste archeologische monumenten (de rijksmonumenten) wordt al via KICH aangeboden en is dus al volledig openbaar; – Vrijwilligers kunnen behulpzaam zijn bij het opwaarderen van de (on)juiste vindplaatsgegevens; – De openbaarheid van vondstinformatie leidt tot een grotere maatschappelijke betrokkenheid en vergroot ook het maatschappelijk draagvlak om archeologie betaalbaar te houden; – De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om meer eigen onderzoek te doen en zal daardoor meer gaan publiceren; – De vrijwilliger zal een betere educatieve bijdrage kunnen leveren aan het uitdragen van de kennis naar het lokale onderwijs en naar lokaal georganiseerde maatschappelijke organisaties; – Lokaal werkende vrijwilligers kunnen vondsten van particuliere verzamelaars opsporen en beschrijven. Dat is relatiewerk en dat kost veel tijd en inspanning. Daarin kunnen vrijwilligers bemiddelen. In Engeland wordt al een jaar of 15 gewerkt met ‘liaison officers’, een soort archeologische consulenten die opereren vanuit de regionale musea en die bijvoor-

Afb. 3 De auteur van dit artikel raadpleegt in 1974 de vondstmeldingen in de kaartenbakjes bij de ROB. Foto: RCE Amersfoort.

beeld op huisbezoek gaan bij metaaldetectorzoekers en alle vondsten registreren. Een mooi voorbeeld om te volgen. Hoe verder Samen met de RCE, de beroepsarcheologie en de archeologische verenigingen wordt overleg gevoerd over de vormgeving, de inhoud en de openbaarheid van Archis 3.0. Net zoals in begin jaren ’70 zullen vrijwilligers worden gestimuleerd en gemotiveerd om de vondsten te melden. Tijdens de Afgevaardigdendag op zaterdag 19 november 2011 hebben de medewerkers van de RCE uitleg gegeven over wat Archis 3.0 zal brengen. Er zijn vanuit de besturen van AWN-afdelingen goede en bruikbare ideeën naar voren gebracht. Deze zullen door de RCE worden uitgewerkt en worden besproken in de klankbordgroep. Met het nieuwe, ruimer toegankelijke Archis dat op zijn vroegst eind 2012/ begin 2013 opgeleverd zal worden, wordt gehoopt dat de vrijwilligers in de archeologie zich nog meer dan nu in zullen zetten voor het bijdragen aan de kennis over het archeologisch erfgoed. Met dank aan Anton Cruysheer, afd. 13. Naerdincklant – Archeologie Gooi- en Vechtstreek, voor zijn visie en de adviezen die hij heeft gegeven.

Literatuur Besluit Archeologische gegevens openbaar. Notitie van de Stuurgroep Archis 3.0, 25 juli 2011. Handleiding voor het invullen van documenten voor de archeologische database, ROB, januari 1979, G. van den Beemt. Programma van Eisen, Modernisering Archeologische Informatievoorziening/Archis 3.0, Amersfoort RCE, augustus, 2011.

Archis 3.0 komt eraan

04-2012 binnenwerk def.indd 245

|

245

01-08-12 09:16


Het trieste lot van de aardbeienpot Marjan van den Berg1

In vondstcomplexen met materiaal uit de periode na 1600 worden in sommige gebieden geregeld (fragmenten van) aardewerken potjes gevonden met een gaatje in de bodem. In zulke potjes werd klein fruit, zoals aardbeien, verpakt en vervoerd. Eigenaren van een perceel aan de Meldijk in het NoordHollandse Uitgeest hebben daar in 2009 tijdens restauratiewerkzaamheden een grote hoeveelheid scherven van zulke potjes aangetroffen, plus één vrijwel gaaf exemplaar. Het aardewerk lag bij elkaar in een hoek onder een vloer.2 In dit artikel wordt onderzocht hoe de vondst zich, gezien de vindplaats, verhoudt tot de bestaande typologie. uit de periode dat Minke het pand in zijn bezit had, namelijk van 1804 tot 1845.3 Afgaande op alleen de bodems en bodemfragmenten (afb. 1) is er sprake van een minimum aantal individuen van 57 potjes, inclusief het gave exemplaar. Uit de grote hoeveelheid scherven hebben wij, AWN-afdeling Zaanstreek-Waterland, negen archeologisch complete exemplaren kunnen reconstrueren.

Afb. 1 De bodemfragmenten van de aardbeienpotjes uit Uitgeest. Foto: Kees van Roon.

246

|

Vondstlocatie en datering De vondst te Uitgeest is waarschijnlijk te dateren in de eerste helft van de 19e eeuw. De familie Zonjee, eigenaar van het perceel, meldt dat in het betreffende pand tot 1804 een bierstekerij gevestigd was van brouwerij ‘Het Scheepje’ uit Haarlem. Daarna kreeg het pand een nieuwe eigenaar: bloem- en fruitkweker Jan Minke. De aardbeienpotjes dateren vermoedelijk

Beschrijving en typologie Van de 17e tot het begin van de 20e eeuw was aardewerk een veelgebruikt verpakkingsmateriaal van aardbeien en ander zacht fruit, zoals frambozen en bessen. De potjes hebben aan één kant een oortje, waardoor zij op het eerste oog iets weg hebben van een (nogal groot) koffiekopje. De potjes zijn van binnen meestal geglazuurd. Het gaatje in de bodem zorgde ervoor dat er geen nattigheid in het potje bleef staan en dat er luchttoevoer was. De oudere modellen hebben vaak nog de vorm van een grape en zijn alleen als aard-

Het trieste lot van de aardbeienpot

04-2012 binnenwerk def.indd 246

01-08-12 09:16


beienpot te herkennen dankzij dat luchtgaatje in de bodem.4 Praktisch gezien lijkt zulk verpakkingsmateriaal misschien niet handig; bij het transport kunnen de potjes bijvoorbeeld omvallen. Toch hadden ze voordelen: ze waren redelijk stevig en eenvoudig schoon te maken. Daardoor konden ze vaker worden gebruikt. Bovendien was het aardewerk gemakkelijk te produceren en niet erg kostbaar.5 In Kennemerland, de streek waarvan Uitgeest deel uitmaakt, speelde tuin- en fruitbouw in de 18e en 19e eeuw een belangrijke rol. Vaak werden aardbeien gekweekt naast of onder fruitbomen. Andere belangrijke teeltgebieden waren het Westland, Aalsmeer, Boskoop en Friesland.6 Aardbeienpotjes konden per herkomstgebied sterk verschillen. Ook veranderden de modellen in de loop der tijd. Daardoor is het mogelijk om aan de hand van de vorm te bepalen in welke regio en in welke periode het potje is gemaakt. De archeologisch complete exemplaren uit Uitgeest lijken qua vorm en kleur niet volledig op elkaar, maar kunnen in de bestaande typologie goed worden geplaatst in de eerste helft van de 19e eeuw (dit stemt overeen met de informatie van de vinder). De typologie van De Graaf en Stam plaatst de potten in het herkomstgebied Aalsmeer.7 ‘Herkomstgebied’ slaat op de regio waar het fruit vandaan kwam. Waar de productiecentra van het aardewerk zich bevonden, is niet bekend.8 Voor aardbeienpotjes uit Kennemerland hanteren De Graaf en Stam geen aparte typologie. Amsterdam was voor aardbeien in dit model potten een belangrijk afzetgebied. Daarom staan zulke potjes ook wel bekend als ‘Amsterdamse koppen’.

Variaties en overeenkomsten Binnen het type hebben wij verschillende variaties en overeenkomsten vastgesteld. De variaties doen vermoeden dat de potjes afkomstig zijn van een aantal verschillende producenten. De door ons onderzochte fragmenten zijn allemaal gemaakt van roodbakkend aardewerk en meestal voorzien van loodglazuur aan de binnenkant. Geregeld zitten er ook klodders loodglazuur aan de buitenkant. De hoogte van de archeologisch complete potjes varieert van 6,5 tot 7,5 cm. De doorsnede varieert van 9,3 tot 11 cm. De potjes hebben allemaal een ringvormige standvoet, die in de meeste gevallen een doorsnede heeft van precies 5 cm, maar ook hier zijn soms variaties te zien (van 4,2 tot 5,5 cm). De inhoud van het gave exemplaar bedraagt 175 ml. Hiermee valt deze pot precies tussen de door De Graaf en Stam genoemde categorieën ‘groot model’ (185 ml) en ‘tussenmodel’ (160 ml).9 Niet bij alle archeologisch complete exemplaren hebben wij het oor of sporen daarvan kunnen terugvinden, maar we gaan er wel vanuit dat alle potten een oor zullen hebben gehad. Ook hebben veel potten, vermoedelijk alle, een subtiel schenktuutje/lipje tegenover het oor zitten. Het praktisch nut ervan viel door ons niet vast te stellen. Het gaatje in of nabij het midden van de bodem heeft meestal een doorsnede van ongeveer 0,5 cm, maar dit varieerde van 0,3 tot 1,1 cm. In één geval troffen wij een bodemfragment aan met 2 gaatjes van respectievelijk 0,5 en 0,6 cm doorsnede. Deze bevinden zich allebei niet in het midden. Kleiresten rond de gaatjes bevinden zich soms aan de binnenzijde van de pot en

Afb. 2 Aardbeienpot (MU06) met licht naar binnen hellende wand. Afmetingen: diameter 9,3 cm; hoogte 7,1 cm; diameter standring 5,5 cm. Tekening: Maybritt van der Scheer. Afb. 3 De nog intacte aardbeienpot (MU12). Afmetingen: diameter 9,6 cm; hoogte 7,2 cm; diameter standring 5,0 cm. Tekening: Menno de Boer.

Het trieste lot van de aardbeienpot

04-2012 binnenwerk def.indd 247

|

247

01-08-12 09:16


soms aan de onderzijde. Dit wekt de indruk dat de gaatjes door de ene pottenbakker van binnen naar buiten werden geprikt en door de andere pottenbakker van buiten naar binnen. Ook wat betreft de modellen zijn kleine verschillen zichtbaar, zoals de stand van de buitenrand (rechtop, licht naar buiten hellend, licht naar binnen hellend) en de mate van geribbeldheid aan de binnenkant (afb. 2 en 3). De inhoud Welke aardbeien er in de loop der eeuwen allemaal in Nederland werden geteeld, is niet precies bekend. Uit de 19e eeuw zijn wel wat namen van rassen bekend: Zoete en Zure Ruigsteel, Zuurtjes, Koninkies, Engelsen, Iersen, Victoria, Ananasaardbei.10 De aardbeien waarmee de potjes werden gevuld zullen over het algemeen kleiner zijn geweest dan de aardbeien die tegenwoordig te koop zijn. Volgens J. de Kleyn betrof het een soort verbeterde bosaardbei. Het waren maandbloeiers, die van ongeveer half juni tot half augustus regelmatig bloeiden en vruchten voortbrachten. De oogsttijd was daarmee veel langer dan tegenwoordig. Dit betekende dat het vervoer en het gebruik van het verpakkingsmateriaal, de potjes, zich over meerdere maanden uitstrekte.11 Uit oude foto’s en schriftelijke bronnen blijkt dat de aardbeien al tijdens de oogst direct in de potjes werden gedaan. De aardbeien werden ofwel door de kweker zelf direct uitgevent, ofwel per schuit naar steden vervoerd om daar op de markt te worden verhandeld. De koppen werden in dat geval naast elkaar gezet in manden of kisten om te kunnen worden vervoerd. In de mand lagen schelpen die hielpen voorkomen dat de potjes tijdens het vervoer omvielen.12

Afb. 4 ‘Opgemaakte’ aardbeienpot. Bron: Trap 1812, plaat 1.

248

|

Verspreiding Er moeten honderdduizenden potjes in omloop zijn geweest. Zo verscheepte de 164 leden tellende ‘Aardbeziëncompagnie’ te Boskoop in 1851 alleen al in totaal 168.000 potjes met aardbeien naar Den Haag, Rotterdam en Amsterdam. Daar kwam de afzet richting Leiden en Gouda

nog bovenop.13 Over de aardbeienoogst in Noord-Holland in datzelfde jaar schrijft het Algemeen Handelsblad: “Aardbeziën werden over een groot deel der provincie in vrij belangrijke hoeveelheid geteeld. Te Aalsmeer ruim 16 bunders, welke 224.000 kop of 14.000 per bunder leverden; zij werden verkocht voor ƒ 7,25 de 100 kop.”14 Ruim tien jaar later, in 1863, had Aalsmeer een aardbeienoogst van 275.540 koppen, die volgens de berichten tegenviel, als gevolg van “gebrek aan genoegzame warmte”.15 Uit deze aantallen blijkt wel de populariteit van aardbeien. De aardbei was volgens L. Burema, die de voeding in Nederland van de Middeleeuwen tot de 20e eeuw onderzocht, de meest voorkomende vrucht in de 19e eeuw. Het was in die tijd mode om fruit te eten als dessert. Van oudsher kende men aardbeien ook een genezende kracht toe. In de 18e eeuw meende men dat tering (tbc) alleen te genezen was door het eten van aardbeien.16 Aardbeien werden niet alleen in potjes vervoerd en verkocht; ze konden er ook in worden opgediend. Het was bij het opdienen de kunst om van de vruchten een heel bouwwerk te maken. Met het mooi ‘opleggen’ van aardbeien vielen zelfs prijzen te verdienen. Zo werden op de ‘Aardbeziëntentoonstelling’ in Aalsmeer in 1876 prijzen uitgereikt voor de grootste aardbeien, voor de mooiste aardbeien, voor verzamelingen met zoveel mogelijk soorten aardbeien en, inderdaad, voor potjes met mooi opgelegde aardbeien.17 Hoe zo’n netjes gevulde pot eruit zag, is bijvoorbeeld te zien op een afbeelding in het boek ‘Nuttig Tijdverdrijf voor Kinderen’ uit 1812 (afb. 4). De titel wekt misschien de suggestie dat het opleggen van aardbeien werd beschouwd als een bezigheid voor kinderen, maar dit is niet het geval. Het boek beschrijft simpelweg allerlei wetenswaardigheden. Het bijschrift van de afbeelding luidt: “Op plaat 1, in vak 1, zijn Aardbeziën afgebeeld, zoo als die op vele plaatsen, in potten, worden te koop gesteld”. Wij hebben zelf de volledig bewaard gebleven pot zo hoog mogelijk gevuld met frambozen, omdat die meer het toenma-

Het trieste lot van de aardbeienpot

04-2012 binnenwerk def.indd 248

01-08-12 09:16


lige aardbeienformaat benaderen dan de aardbeien die tegenwoordig in de winkel liggen. Zeventig frambozen vulden een pot tot de rand (ongeveer 150 gram). Met een flinke ‘kop’ erop (afb. 5) kregen wij circa honderd frambozen in de pot (ongeveer 200 gram), maar het resultaat haalt het niet bij de mooi opgelegde pot op de afbeelding uit 1812. Een geoefend ‘oplegger’ had er waarschijnlijk veel meer frambozen op gekregen. Merken Aardbeienpotjes werden in sommige gevallen gemerkt, meestal met de initialen van de kweker. Reden hiervoor is dat zij werden hergebruikt. Met behulp van de initialen konden zij worden herkend bij het inleveren. Ook de in Uitgeest gevonden potjes zullen waarschijnlijk meerdere keren zijn gebruikt. Dat is te zien aan lichte slijtage aan de uiteinden van de zijwanden, op de plek waar deze tijdens vervoer de zijwanden van andere potjes raakten. Tussen de vele fragmenten hebben wij maar weinig gemerkte exemplaren aangetroffen. Op één van de archeologisch complete potten is de vermoedelijke letter ‘M’ aangebracht in een witte sliblaag (afb. 6). Een verwijzing naar Minke misschien? Het blijft bij gissen. Een ander fragment bevat vermoedelijk restanten van een of meer zwarte letters. Welke letters het zouden kunnen zijn, blijft onduidelijk. Op het intacte exemplaar meent de vinder de letters ‘RV’ te herkennen, aangebracht in loodglazuur.18 Dit zou opvallend zijn, omdat in eerdere publicaties, voor zover mij bekend, geen sprake is van in loodglazuur aangebrachte merktekens. Ook bij het overige materiaal uit Uitgeest hebben wij geen vergelijkbare gevallen aangetroffen. Het zouden ook klodders glazuur kunnen zijn die per ongeluk op de buitenwand van de pot terecht zijn gekomen. Wij vonden niet dat zij onomstotelijk herkenbaar zijn als letters. Het merken van potjes gebeurde in de 19e eeuw overigens minder vaak dan in de 17e en 18e eeuw. Dit is mogelijk een gevolg van een wijziging in het systeem waarbinnen aardbeien werden verhan-

Afb. 5 Met frambozen gevulde aardbeienpot (MU12). Foto: Maybritt van der Scheer.

deld, meldt R. de Graaf in ‘Oud Nuus’, het blad van de Stichting Oud-Aalsmeer. Aardbeien werden vanaf de 19e eeuw afgezet via commissionairs. Deze commissionairs zorgden ervoor dat potjes na gebruik terugkeerden bij de fruittelers. Hierbij was het kennelijk niet meer nodig de potten van een merkteken te voorzien.19 Hoe potten vóór die tijd precies terugkeerden bij de telers, heb ik niet kunnen achterhalen. Besluit Vanaf het eind van de 19e eeuw werd aardewerk als verpakkingsmateriaal voor fruit geleidelijk vervangen door mandjes en sloffen. Volgens De Graaf en Stam gebeurde dat omdat de verhandelde aardbeien groter van stuk waren geworden. Hiervan pasten er veel minder in de potjes. Een andere reden was de opkomst van de veilingen. Hierbij bestond behoefte aan gelijkvormige verpakkingen. Aardbeienpotjes bleven in die tijd op markten nog in gebruik als maatschepje voor aardbeien en voor garnalen (!).20 Voor het bedrijf aan de Meldijk in Uitgeest deden deze veranderingen er op dat moment niet meer toe. In 1845 werd het pand verkocht aan Klaas Zonjee en werd er een stokkenmakerij in gevestigd, die tegenwoordig wordt gerund door zijn achter-achter-achterkleinzoon. WaarschijnHet trieste lot van de aardbeienpot

04-2012 binnenwerk def.indd 249

|

249

01-08-12 09:16


Afb. 6 Aardbeienpot (MU08) met letter in witte sliblaag. Afmetingen: diameter 11,0 cm; hoogte 7,5 cm; diameter standring 5 cm. Tekening: Jannie Mandemaker.

lijk zijn in 1845 de daar nog aanwezige potjes en restanten daarvan, gedumpt en onder de grond verdwenen. Conclusie De vondst in Uitgeest bestaat uit de restanten van vele tientallen aardbeienpot-

jes uit de eerste helft van de 19e eeuw, die in verband kunnen worden gebracht met plaatselijke aardbeienteelt. De potjes vertonen onderling weliswaar verschillen, maar kunnen waarschijnlijk allemaal worden getypeerd als ‘Amsterdamse koppen’. In de bestaande typologie van De Graaf en Stam worden Amsterdamse koppen verbonden aan het teeltgebied Aalsmeer. De omvangrijke vondst te Uitgeest toont aan dat Amsterdamse koppen in de typologie eveneens kunnen worden verbonden aan het teeltgebied Kennemerland. vandenberg_marjan@yahoo.com

Noten 1. Marjan van den Berg studeert archeologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en is vrijwilliger bij AWN-afdeling Zaanstreek-Waterland. 2. Zonjee 2009. 3. Persoonlijke mededeling Arie Zonjee. 4. De Graaf & Stam 1987, 39. 5. De Graaf & Stam 1987, 11. 6. De Graaf & Stam 1987, 16-17. 7. De Graaf & Stam 1987, 53. 8. De Graaf & Stam 1987, 37. 9. De Graaf & Stam 1987, 25. 10. De Graaf & Stam 1987, 16. 11. De Kleyn 1986, 156-157. 12. De Graaf & Stam 1987, 32-35; Zonjee 2009. 13. De Kleyn 1986, 156. 14. ‘Statistiek over 1851’, Algemeen Handelsblad: http://kranten.kb.nl/view/article/id/ddd%3A010073412%3Ampeg2 1%3Ap001%3Aa0001. 15. ‘Kort verslag van den toestand der Provincie Noord-Holland’, Algemeen Handelssblad, 1856: http://kranten. kb.nl/view/article/id/ddd%3A010137985%3Ampeg21%3Apo011%3Aa0063. 16. Burema 1953, 158-159, 235; Van Haaster 2006, 9. 17. Slob 1976. 18. Zonjee 2009. 19. De Graaf 1986. 20. De Graaf & Stam 1987, 50, 54: noot 3; De Kleyn 1986, 157, 160. Literatuur Burema, L. 1953: De voeding in Nederland van de Middeleeuwen tot de twintigste eeuw, Assen. Graaf, R. de 1986: Aardbeienkoppen, een reactie op opmerkingen, in: Oud Nuus (blad van de Stichting OudAalsmeer), jaargang 16, nummer 2, 38-39. Graaf, R. de & G. Stam, 1987: Aardbeipotjes. Vlaardingen. Haaster, H. van, 2006: ‘Tot yeders believen’, een botanisch onderzoek naar de voedingsgewoonten op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam tussen 1550 en 1900, in: BIAXiaal 263. Zaandam. Kleyn, J. de 1972: Over Amsterdamse en andere ordinaire koppen, in: Oud Nuus, jaargang 2, nummer 8, 5. Kleyn, J. de 1986: Volksaardewerk in Nederland sedert de late middeleeuwen. Zeist. Slob, W. 1976: Honderd jaar geleden (1876), in: Oud Nuus, jaargang 7, nummer 1, 19-21. Trap, P.H. 1812: Nuttig Tijdverdrijf voor Kinderen. Of verzameling van verschillende onderwerpen, tot leering en vermaak der jeugd. Leyden. Zonjee, A. 2009: Een kop boven de grond. Het verhaal van een in de grond gevonden kop, in: Hutgheest Jaarboek Historische Vereniging Oud Uitgeest 2009, 44-45.

250

|

Het trieste lot van de aardbeienpot

04-2012 binnenwerk def.indd 250

01-08-12 09:16


De schatvondst Lekkerkerk 2010: gehamsterd zilver uit de Eerste Wereldoorlog1 Jan Pelsdonk2

In de stad.

Afb. 1 De schatvondst Lekkerkerk 2010.

De schatvondst Lekkerkerk 2010 De schatvondst Lekkerkerk 2010 (afb. 1) bestaat uit guldens en rijksdaalders van het Koninkrijk der Nederlanden. De recent aangemelde vondst is in NUMIS geregistreerd onder nummer 1115072. Om precies te zijn gaat het om 146 munten waarvan de jongste exemplaren geslagen zijn in 1916. Dit is de enige grote zilvervondst die bij het Geldmuseum bekend is met een zo duidelijke verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog. Jongere vondsten dateren van 1919 en verder, terwijl oudere grote zilvervondsten een 19e eeuwse tpq (terminus post quem, het eerst mogelijke verbergingsjaar) hebben en in wezen niet passen bij een verberging tijdens de Eerste Wereldoorlog. De eerste oudere vondst is Mill 1979, bestaande uit een koperen pot met ongeveer 8 kg aan zilveren munten. Deze vondst is niet nader ontsloten bij het Geldmuseum en de tpq is bepaald op 1896. Een verberging

Ondanks den marktdag is het hedenmorgen veel minder druk in de straten dan de vorige dagen. Door het ontbreken van zeer belangrijk oorlogsnieuws ziet men nu ook geen opeenhooping van nieuwsgierigen bij de winkels, waar de bulletins te lezen zijn. Bij de postspaarbank blijft de drukte afnemen. Slechts enkelen moeten nu nog een poosje buiten wachten, voordat ze tot het bureel worden toegelaten. Bij de Bijbank der Nederlandsche Bank duurt de stormloop onverminderd voort. Wel was de file wachtenden tegen half twaalf niet zoo groot als gisterenmorgen, doch de laatstkomenden, bemerkende, dat hun hoop om heden nog te kunnen wisselen vervlogen is, verlaten zuchtend de Reederijstraat. Doordat gisteren de banken en de gemeente voorgingen, waren er van het publiek om ĂŠĂŠn uur, bij het sluiten der cassa, slechts een goede honderd geholpen. Vandaag zouden de honderden teleurgestelden het met meer kans op resultaat beproeven. En zoo werden vannacht om half een reeds de eerste plaatsen op het trottoir aan de Boompjes ingenomen. Om twee uur stonden er reeds meer dan driehonderd. Er waren personen, die reeds om half drie present waren en er aan wanhoopten, vandaag nog geholpen te worden. Als de mondvoorraad en de sigaren op zijn, dan bevinden zich buiten de touwen genoeg gedienstigen, om voor de hongerigen en dorstigen voor een kleinigheid het nodige in de buurt te halen. Ook heden zorgt de politie buiten en het personeel binnen de bank, dat alles voortreffelijk ordelijk geschiedt. Telkens worden tien personen tegelijk toegelaten. Het duurt betrekkelijk lang, voordat er weer een tiental aan de beurt is, want ofschoon met loffelijken ijver door de beambten van de bank wordt gewerkt, komen de meesten heel vaak specie weghalen.

in de periode 1914-1918 is onwaarschijnlijk omdat de guldens en rijksdaalders uit de periode 1896 tot en met 1914, die soms De schatvondst Lekkerkerk 2010

04-2012 binnenwerk def.indd 251

Afb. 2 De stormloop bij de banken. Nieuwe Rotterdamsche Courant, dinsdag 4-81914.

|

251

01-08-12 09:16


Afb. 3 Noodgeld ter waarde van 1 gulden (eenzijdig) van de Koninklijke Nederlandse Grofsmederij te Leiden, 8 augustus 1914. Het biljet was inwisselbaar bij de fabriek zodra er weer zilvergeld of zilverbons beschikbaar zouden zijn. Collectie Geldmuseum, Utrecht.

in grote aantallen zijn geslagen, ontbreken. Waarom is deze vondst speciaal, Nederland was immers niet in oorlog? Het antwoord wordt gegeven door het krantenbericht en het noodgeldbiljet (afb. 2, 3 en 4), waarover later meer. Inhoud van de schatvondst De vondst bestaat in zijn geheel uit 146 zilveren munten: 131 guldens en 15 rijksdaalders. Ze zijn allemaal van na de Belgische afscheiding in 1830 – dus geslagen in Utrecht – en ze dragen de beeltenissen van de koningen Willem II, Willem III en koningin Wilhelmina. De munten zijn gevonden tijdens graafwerkzaamheden voor een leiding. De vinder en melder – een fervente amateurarcheoloog in het bezit van een metaaldetector – trof ze in de zojuist gegraven gleuf aan. Hij was niet de enige vinder, want ook een passerende schooljongen

Afb. 4 Noodgeld ter waarde van 1 gulden (eenzijdig) van de gemeente Lekkerkerk, 17 augustus 1914. Bron: De Nederlandsche Postzegel- en Muntenveiling, veiling 11-2005, kavel 1660.

252

|

vond er één. Uiteindelijk heeft ook de machinist van de graafmachine een paar munten uit de vondst mee naar huis gekregen. Gelukkig zijn vóór het verspreid raken van de munten in ieder geval alle jaartallen opgeschreven, zodat ons beeld van deze schatvondst zo compleet als mogelijk is. Op één van de guldens zijn de verbrokkelde restanten van papier aangetroffen (zie rechtsonder op de overzichtsfoto, afb. 1). Helaas is het papier te fragmentarisch en te ver aangetast door het verblijf in de bodem om er nog informatie uit te kunnen halen. Het is waarschijnlijk dat het papier en de munten al vanaf het moment van verbergen bij elkaar hebben gezeten. Waren de munten oorspronkelijk vergezeld van papiergeld of zaten ze verpakt in een papieren zak? Het laatste is het meest aannemelijk omdat de verberger ongetwijfeld geweten zal hebben dat papiergeld in de grond slecht houdbaar is. Blijkbaar is de schat gevormd in of vlak na 1916 (afb. 5). Dit wordt onderbouwd door de munten zelf: de oudste exemplaren zijn flink gesleten door langdurig gebruik, terwijl de jongste vrijwel niet gecirculeerd hebben (afb. 6, 7 en 8). Verder toont de grafiek een herkenbaar beeld bij schatvondsten. Oudere munten komen in meer- of mindere mate voor, terwijl in de laatste jaren vóór verberging het aantal munten per jaar sterk toeneemt om direct vóór de verberging plotseling sterk af te nemen. Helaas is het interpreteren van vondstgegevens maar zelden eenvoudig. Als we de omgevingsfactoren uit het oog verliezen, worden er makkelijk verkeerde conclusies getrokken. De oplage van het aantal munten per jaar is één zo’n factor. De gegevens zijn in twee tabellen verzameld; de oplagecijfers zijn afgerond en afkomstig uit het handboek van Schulman. Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat er geen rijksdaalders in de vondst zitten die jonger zijn dan 1874, maar dat komt omdat er in de daaropvolgende decennia geen zijn geslagen (de redenen hiervoor

De schatvondst Lekkerkerk 2010

04-2012 binnenwerk def.indd 252

01-08-12 09:16


Afb. 5 De schatvondst Lekkerkerk 2010: aantallen munten per jaar.

vallen buiten de context van dit artikel). De enige uitzondering hierop is de rijksdaalder van het kroningstype met het jaartal 1898 (geslagen in 1901).3 Het is niet vreemd dat die munt niet in de schatvondst voorkomt, omdat er maar 100.000 van zijn geslagen. Bij de guldens verklaart de grafiek het gat tussen 1866 en 1892: er zijn in die periode geen munten voor het geldverkeer geslagen. Bij het bestuderen van de grafieken blijkt verder dat de in de schatvondst voorkomende rijksdaalders en guldens goed verspreid zijn over de periode en vrij aardig de blauwe lijn met slagaantallen volgen. Het valt wel op dat er in verhouding veel guldens van Willem II in de vondst aanwezig zijn, terwijl sommige jaartallen van de guldens uit het eerste decennium van de 20e eeuw amper of niet in de schat zijn vertegenwoordigd. Dit kan op toeval berusten. Het is echter wel opvallend dat er ook een aantal schaarse jaartallen tussen de guldens zitten: 1853, 1906 en 1911.

Afb. 6 Willem III, rijksdaalder 1869.

Ondanks de oplage van 2 miljoen wordt ook deze laatste gulden door de verzamelaarsmarkt als schaars aangemerkt. 4 Uit een overzicht van munten die geheel of deels voor Nederlands-Indië bestemd waren wordt duidelijk dat de hele oplage guldens van 1907 en 1910 naar Indië is verscheept, evenals het grootste deel van de exemplaren van 1912 en 1913.5 Ook de stukken met jaartal 1853 waren voor het grootste deel voor Indië bestemd; mogelijk behoorde het in Lekkerkerk 2010 gevonden exemplaar tot het ‘handjevol’ in Nederland achtergebleven stukken. Anders heeft deze munt een reis van duizenden kilometers naar en van Indië achter de rug. Verder blijkt uit de guldens in de vondst – meer dan uit het kleine aantal rijksdaalders – dat de munten met het portret van Willem II in verhouding meer voorkomen dan die van Willem III. De verschillen zijn te klein voor verregaande conclusies, maar er kan een verband bestaan met het feit dat de muntstukken van Wil-

Afb. 7 Willem II, gulden 1845, één van de oudste munten uit de schatvondst. De schatvondst Lekkerkerk 2010

04-2012 binnenwerk def.indd 253

|

253

01-08-12 09:16


lem II in Indië minder gewild waren. Het ‘boze oor’ zou ongeluk brengen en er gingen geruchten dat alle stukken vals waren.6 Zodra de kans daar was gebruikten de Indiërs liever muntstukken van Willem III (afb. 9, 10 en 11).

Afb. 8 Wilhelmina, gulden 1915, één van de jongste munten uit de schatvondst.

De jongste munten uit de vondst zijn vier guldens uit 1916. Deze munten bepalen het vroegst mogelijke jaar waarin de schat kan zijn begraven. Het is lastiger om te bepalen vóór welk jaar de vondst aan de grond is toevertrouwd. In 1914 en 1915 zijn grote hoeveelheden guldens geslagen, respectievelijk ruim 15 en 14 miljoen. De oplage is in de daaropvolgende jaren beduidend lager: in 1916 (5 miljoen) en 1917 (ruim 2 miljoen). Vervolgens valt de productie tot 1922 zelfs helemaal stil. Omdat de guldens uit de periode 1922 en verder ontbreken, mag met redelijke zekerheid aangenomen worden dat de schat verborgen is vóórdat de guldens met het jaartal 1922 in roulatie kwamen. Hieruit volgt dat de munten evengoed in 1921 kunnen zijn begraven. De guldens uit 1916 zijn weliswaar minder in de schat vertegenwoordigd, maar ze zijn in een kleinere oplage geslagen, evenals de guldens van 1917. Met andere woorden: de schatvondst Lekkerkerk 2010 is begraven ergens in de periode 1916-1921.

Afb. 9 Willem III, gulden 1853, één van de meest zeldzame munten uit de schatvondst.

Het is verklaarbaar dat de eigenaar alleen guldens en rijksdaalders verborg. De gouden tientjes werden door de banken in de kluizen gehouden en de halve guldens werden met name voor Nederlands Indië geproduceerd. Verder ligt het voor de hand dat kleiner zilver- en kopergeld als pasmunt te praktisch in het dagelijks gebruik was, zodat dit niet in aanmerking kwam om het voor langere tijd in de grond te verbergen. De schatvondst is prima te plaatsen tegen het decor van de Eerste Wereldoorlog. De oorlogsdreiging maakte juist het grote zilvergeld interessant om op te potten. De eerder getoonde tekst uit het krantenbe-

254

|

richt (afb. 2) beschrijft een lange rij wachtende mensen voor de bankgebouwen. Zij staan daar om hun spaartegoeden op te nemen en hun papiergeld om te wisselen, het liefst voor zilvergeld. Doordat dit zilver thuis werd opgepot ontstond er geldschaarste en kwamen er als noodoplossing papieren noodgeldbiljetten en zilverbons in omloop, respectievelijk uitgegeven door gemeentes en de regering (af b. 3 en 4). Ook sommige bedrijven gaven noodgeld uit, zoals het afgebeelde biljet toont. In een poging om zo veel mogelijk muntgeld in circulatie te houden werden er bij ’s Rijks Munt ondertussen grote hoeveelheden zilveren guldens extra geslagen, zoals eerder al uit de oplagecijfers blijkt. Ook deze nieuwe munten werden vastgehouden, waarna van verdere productie werd afgezien. De munten in de schatvondst hebben een totale waarde van ƒ168,50, wat overeenkomt met ruim twee maanden arbeid van een geschoold bouwvakker in WestNederland.7 Hieruit kunnen we opmaken dat het geld waarschijnlijk het eigendom zal zijn geweest van een winkelier of handelaar. Een losse arbeidskracht – die zijn geld per dag verdiende – had weinig mogelijkheden om te sparen.8 Tot slot De schatvondst Lekkerkerk 2010 sluit goed aan bij deze periode van geldschaarste door het hamsteren van zilvergeld. Het is de eerste grote bij het Geldmuseum bekende schatvondst uit de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Het is aannemelijk dat de schat al in 1914 is gevormd en dat er ook daarna – tot in 1916 – door de eigenaar nog (zo veel mogelijk?) munten aan zijn toegevoegd. Dat de hele partij in één keer in 1916 zou kunnen zijn verzameld is – door de dan inmiddels opgetreden zilverschaarste – veel minder aannemelijk. We kunnen er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vanuit gaan dat de schat in of vlak na 1916 is verborgen. JPelsdonk@teylersmuseum.nl

De schatvondst Lekkerkerk 2010

04-2012 binnenwerk def.indd 254

01-08-12 09:16


Afb. 10 Aantallen guldens uit de vondst in vergelijking met de oplagecijfers (in miljoenen).

Afb. 11 Aantallen rijksdaalders uit de vondst in vergelijking met de oplagecijfers (in miljoenen).

Noten 1. Deze tekst is een bewerking van de eerder verschenen artikelen Pelsdonk 2011a en Pelsdonk 2011b. 2. Jan Pelsdonk is onderzoeker van muntvondsten en beheerder van het landelijke muntvondstenbestand NUMIS en het collectiebestand bij het Geldmuseum. Daarnaast is hij conservator van het Numismatisch Kabinet van Teylers Museum. In zijn vrije tijd is hij secretaris van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde, de Stichting Nederlandse Penningkabinetten en de Nederlandse Museumvereniging (sectie Historische Musea) en is hij redactielid van De Beeldenaar. 3. Schulman 1975, 166. 4. Peters e.a. 2011, 72-73. 5. Van den Hoek en Pot 1985, 30. 6. Van den Hoek en Pot 1985, 28. 7. Lucassen 2001, 31. 8. Lucassen 2001, 29. Literatuur Nieuwe Rotterdamsche Courant, dinsdag 4-8-1914. Bron: Koninklijke Bibliotheek NBM Mfm MMK 0030. Hoek, Claire van den en Leo Pot, 1985: Onze ‘Indische Koninkrijksmunten’, in: Muntkoerier 9, 28-30. Lucassen, Jan, 2001: Loonbetaling en muntcirculatie in Nederland (1200-2000), in: Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 86, 1999. Leuven, 1-69. Peters, T., J. Scheper en J. Mevius, 2010: Muntalmanak 2011. Nieuwegein. Pelsdonk, J., 2011a: Hamsteren…! Lekkerkerk 2010: een schatvondst uit de Eerste Wereldoorlog, in: De Beeldenaar 35, 57-61. Jan Pelsdonk, 2011b: Schatvondst Lekkerkerk 2010: een aanvulling, De Beeldenaar 35, 138. Schulman, Jacques, 1975: Handboek van de Nederlandse munten van 1795 tot 1975. Amsterdam. De schatvondst Lekkerkerk 2010

04-2012 binnenwerk def.indd 255

|

255

01-08-12 09:16


Rondom de stad

Gemeentelijke archeologie in... Helmond Drie-oren-kannen: feestkruiken uit Helmond

Theo de Jong1

Inleiding Bij opgravingen in de binnenstad van Helmond worden vaak scherven van kannen van steengoed gevonden. Gewoonlijk hebben de kannen slechts ĂŠĂŠn oor, maar zo nu en dan worden scherven gevonden van kannen met drie oren. In deze bijdrage worden deze drie-oren-kannen uit Helmond nader beschouwd en wordt getracht deze in een cultuurhistorische context te plaatsen. De aanleiding is de introductie van het nieuwe lokale bier: De Vijfhoeck, getapt door Il Borgo in het vroegere huis De Swaen, het trotse monumentale Huis met de Luts aan de Markt. Het bier wordt op traditionele wijze en in navolging van een Helmondse verordening uit 1622 uitgeschonken in een drie-oren-kan. Drie-oren-kannen De karakteristieke drie-oren-kannen zijn vooral gedurende de 16e eeuw gemaakt door pottenbakkers in het Belgische Raeren, nabij het Duitse Aken. De op een

256

draaischijf gemaakte potten werden tot steengoed gebakken met een oventemperatuur van meer dan 1200 °C. In de hete oven werd zout gestrooid waar het verstoof en verdampte, waardoor de kannen met een laagje (zout-)glazuur werden bedekt. Door de hoge temperatuur versinterde de klei en werden de kruiken waterdicht. De kannen waren bijzonder geschikt om vloeistoffen in te bewaren en om uit te drinken. Omdat het handgedraaide producten zijn, bestaat er een grote variatie in formaat, vorm en model. Vanzelfsprekend varieert daarmee ook de inhoud. Tussen 1500 en 1575 waren de drie-orenkannen kleiner en stonden ze op een uitgeknepen voet. In het begin werd nog wel eens een gezicht met een puntig neusje ingekrast op de schouder van de pot. Vanaf 1550 stonden de drie-oren-kannen op een standvoet en enkele jaren later lopen de drie oren op de buik uit tot een spitse punt. Met name in het laatste kwart van

| Rondom de Stad

04-2012 binnenwerk def.indd 256

01-08-12 09:16


de 16e eeuw werden sommige kruiken fraai versierd met opgelegde kleistempels van familiewapens of portretten: zogenaamde appliques. Dunne plakjes klei werden in fijn gesneden matrijzen van hout of speksteen gedrukt en vervolgens vóór het bakken op de pot bevestigd. Na 1610 neemt de productie van de drieoren-kannen af en rond 1625 raken ze uit de mode. Door gedwongen omstandigheden gedurende de laatste dertig jaar van de 80-jarige oorlog (30-jarige oorlog: 1618-1648) vertrokken veel pottenbakkers omstreeks 1632 uit Raeren. In de loop van de 17e eeuw kwamen drinkglazen en steengoed pullen steeds meer in de mode en werd steeds minder uit kannen gedronken. Archeologische vondsten uit Helmond Tussen de duizenden scherven van aardewerk en steengoed die de afgelopen jaren in Helmond zijn opgegraven, werden tot nog toe tien drie-oren-kannen herkend. Drie-oren-kannen komen vooral uit het hartje van Helmond: de Veestraat, bij De Valck aan de Markt, bij de Librije aan de Markt, bij het Ketsegangske, achter de Vleeschhouwerij in de Kerkstraat, aan het Doorneind en aan de Kromme Steenweg. Omdat er tot nog toe nog maar een relatief kleine oppervlakte in de binnenstad is opgegraven, is het aannemelijk dat er nog vele exemplaren in de bodem onder de stad liggen. De meeste archeologische vondsten uit Helmond worden bewaard in het depot voor bodemvondsten bij het Archeologisch Centrum in Eindhoven en enkele drie-oren-kannen bevinden zich in de collectie van het gemeentemuseum Helmond. Het oudste exemplaar van een drie-orenkan is in Helmond aangetroffen bij de Valck, aan de Markt 1.2 Het betreft een steengoed kan met drie oren en een geknepen voet. De hoogte is 19 cm. De datering is, mede gebaseerd op andere vondsten in de afvalkuil, tussen 1500 en 1550 (afb. 1.1). Een vergelijkbaar exemplaar is in 1995 opgegraven met andere vormen van aar-

Afb. 1 Drie-oren-kannen uit Helmond. 1. Markt 1 de Valck, 1500-1550; 2. Doorneind, 1500-1550; 3. Kerkstraat 38 Vleeschhouwerij, 1550-1600; 4. Veestraat, 1550-1600; 5. Veestraat, 1550-1600; 6. Markt 32 Van Bree, 1575-1600; 7. Markt 49 Librije, 1575-1625. Foto’s: Laurens Mulkens, Theo de Jong. Tekeningen: Nico Arts, Dirk Vlasblom, Cindy Vijsma. dewerk en steengoed in een afvalkuil aan het Doorneind, voorafgaand aan de bouw van de parkeergarage. De hoogte van deze Rondom de Stad |

04-2012 binnenwerk def.indd 257

257

01-08-12 09:16


Afb. 2 Drie-oren-kannen met appliques uit Helmond. 1. Kromme Steenweg 22-26; 2. Centrum; 3. Centrum. Foto’s: Laurens Mulkens, Theo de Jong. Tekening: Cindy Vijsma.

kruik is 23,5 cm en de breedte is 16 cm (af b. 1.2).3 Op het achtererf van de Vleesch­houwerij aan de Kerkstraat 38 is in 1999 ook een drie-oren-kan gevonden. 4 Deze drie-oren-kan is 18 cm hoog en de buik heeft een diameter van 14,5 cm. De drie-oren-kan is, samen met andere aardewerk en steengoedvondsten, aangetroffen in een afvalkuil. De datering van dit relatief bolle exemplaar is tussen 1550 en 1600 (afb. 1.3). In de collectie van het Gemeentemuseum Helmond bevinden zich twee drie-orenkannen die in 1941 zijn geschonken door E. Swinkels. Ze zijn gevonden in de Veestraat. De oren van deze hoge kannen zijn puntig aangesmeerd op de buik. De hoogte van een kan is 30,5 cm en diameter 15 cm aan de buik (afb. 1.4). De andere kan is 31 cm hoog en heeft een buikdiameter van 14 cm. Bij deze kruik zijn de puntige uiteinden van de drie oren met vingerindrukken golvend versierd (afb. 1.5).5 Deze voor Raeren kenmerkende bruine kannen dateren tussen 1575 en 1600. Een kan van vergelijkbare afmeting is in 1986 gevonden in werkput 3 bij de opgra-

258

vingen van Van Bree aan de Markt 32.6 De hoogte van deze kan is 29 cm en de diameter van de buik is 13,5 cm. Deze kan heeft net onder de geprofileerde rand een doorboring die opgevuld is met een tinnen of loden druppel, die zowel aan de binnen- als buitenzijde is vastgeklonken aan de kruik. De kan is door een Helmondse keurmeester geijkt met een ‘pegel’, zodat steeds dezelfde inhoud werd getapt (afb. 1.6). Aan de andere kant is een beschadiging die wijst op een eerdere boorpoging, maar deze is niet voltooid. Die boring is hoger op de rand en daardoor mogelijk door de ijkmeester foutief aangezet. Volgens een Helmonds voorschrift uit 1622 (waarover later meer) moesten alle kannen in openbare gelegenheden door keurmeesters worden geijkt. De datering van deze kan is tussen 1575 en 1600. Bij opgravingen onder de Librije werden in 1985 ook fragmenten gevonden van een drie-oren-kan.7 Ook deze kan heeft een onvoltooide doorboring onder de rand. Mogelijk is de kan tijdens het ijken kapot gegaan. Op de schouder, ter hoogte van de aanzet van de drie oren, is een donkerbruine rand van ijzerengobeglazuur aangebracht (af b. 1.7). Daarmee behoort deze kruik tot één van de jongste exemplaren uit Helmond, gedateerd tussen 1575 en 1625.8 Aan de Kromme Steenweg 34 is in 2005 in een tonwaterput een bijna complete drie-oren-kan gevonden met op de buik een drietal appliques van een vrouwenhoofd met haarnet.9 Deze kan is 24 cm hoog en de buik is 14,5 cm breed (afb. 2.1). De datering van deze kan is tussen 1550 en 1610.10 Van een tweetal drie-oren-kannen in de collectie van het gemeentemuseum Helmond is de vindplaats niet nader te benoemen dan ‘binnenstad’. Eén kan met lichtbruine glazuur heeft drie appliques van een vrouwenhoofd, vergelijkbaar met die van de Kromme Steenweg. Van de kruik resteert nog een hoogte van 20 cm, de buik heeft een diameter van 16 cm (afb. 2.2).11 Een andere kan is van grijs geglazuurd

| Rondom de Stad

04-2012 binnenwerk def.indd 258

01-08-12 09:16


steengoed. Op de buik staan bij dit exemplaar drie fraaie appliques met het randschrift “Robert Thievin-cart(ouch)e maker” (afb. 2.3).12 Opmerkelijk is dat de drie appliques ondersteboven staan: de drie druiventrossen in het embleem hangen ondersteboven. Steengoed met dezelfde afdrukken zijn gevonden op onder andere een steengoed kan uit Eindhoven, een pispot uit Dordrecht en een bolle Westerwald kan uit Rotterdam.13 Opmerkelijk is dat de kan uit Rotterdam gedateerd wordt tussen 1675 en 1725, honderd jaar later dan de drie-oren-kan uit Helmond met dezelfde applique. De matrijs lijkt lange tijd in gebruikt te zijn geweest, niet alleen in Raeren maar later ook in Westerwald. Drie-oren-kannen in zuidelijke Nederlanden Niet alleen in Helmond, maar ook in Eindhoven zijn regelmatig drie-oren-kannen gevonden. In de grachten rond het kasteel van Eindhoven zijn er maar liefst zeven aangetroffen.14 Ook bij het klooster Ten Hage is er één gevonden. Echter, ook uit meer plattelandsomgevingen zoals Tongeren, Strijp en Leenderstrijp bij Leende kennen we deze bijzondere kruiken.15 Toch worden drie-oren-kannen in andere Nederlandse steden, met name boven de grote rivieren, slechts zelden gevonden.16 Karel de Vijfde in Helmond? Volgens een legende, opgetekend door Stephanus Hanewinckel in 1798, zou keizer Karel de Vijfde (1500-1558), tijdens een reis door Brabant, in Helmond bij Herberg de Wildeman aan de Markt, een pot bier hebben besteld.17 De herbergier brengt hem een volle kan, maar houdt deze aan het oor vast. De keizer beveelt hem het bier in een kan met twee oren te brengen. De waard houdt vervolgens de kan met beide handen aan de oren vast. De keizer kan de pot met bier niet aannemen. Vervolgens beveelt Karel de V dat in Helmond voortaan in de herbergen alleen nog maar bier geschonken mag worden in kannen met drie oren. Een vergelijkbaar voorval schijnt zich echter ook voor-

gedaan te hebben in het Belgische Olen. De hedendaagse herbergen in Olen maken nog steeds fraaie sier met dit volksverhaal.18 Vergist Hanewinckel zich in 1798 in stad, of zou hetzelfde verhaal in twee plaatsen zijn verteld? Wat is dan de historische relatie tussen Olen en Helmond?19 Wel boeiend is dat het verhaal twee eeuwen lang verteld werd (in Helmond?) voordat het werd opgetekend. De vertellers kenden waarschijnlijk niet eens meer de drieoren-kannen zelf, die waren al lang in onbruik. Dat Keizer Karel V Helmond persoonlijk kende, blijkt uit een oorkonde uit 1538. Daarin krijgen de Helmonders toestemming om de weekmarkt van dinsdag naar zaterdag te verplaatsen. Om concurrentie tegen te gaan kreeg Helmond als enige plaats in de omgeving dit marktrecht op zaterdag.20 Helmonds voorschrift uit 1622 Bier was – en is al – eeuwenlang een belangrijke volksdrank. De stadsbestuurders van Helmond wisten het drankgebruik uit te buiten door zowel bij de brouwers als bij de herbergiers accijnzen te heffen op de alcoholische dranken bier en wijn. Om deze belasting op bier en wijn te ontwijken is er heel wat strijd geleverd in Helmond. Er werd volop gesmokkeld en gedreigd. Herbergiers verzetten zich en dreigden onder andere in 1601 de schout “… den hals af te snijden…”. De schout op zijn beurt stak in 1663 van een

Afb. 3 Drie-oren-kannen uit het kasteel van Eindhoven, klooster Ten Hage en Tongeren. Foto: Laurens Mulkens.

Rondom de Stad |

04-2012 binnenwerk def.indd 259

259

01-08-12 09:16


Afb. 4 Pieter Breugel de Oude (?), 1566. De bruiloftsdans in de openlucht. Linksboven de doedelzakspeler wordt gedronken uit een drie-oren-kan; de persoon naast de drinker wacht op zijn beurt. Naar Ertz en Nitze-Ertz (red) 1998: 92.

Afb. 5 Pieter Breughel de Jonge, omstreeks 1630. Dans rond de meiboom. Naar: Ertz en Nitze-Ertz (red) 1998: 413.

smokkelende tapper de kar in brand en verdronk zijn paard.21 De herbergiers moesten zich in 1622 houden aan voorschriften over het serveren van de drank: “… Soo wie eenige drancken vercoopt [anders] dan met gebrande maten, gewichten oft potten, bij keurmeesters gebrandt ofte gepegelt volgens oude gewoonte…”. Elke overtreding werd beboet met 25 stuivers: 12,5 voor de Heer van Helmond en 12,5 voor de keurmeester. Het bier moest volgens het reglement uit 1622 getapt worden in “tinnen potten off aerden potten met drie oiren, bij den keurmeesters gepegeld”.22 Opmerkelijk is dat dit reglement is opgetekend toen steengoed drie-oren-kannen al nauwelijks meer werden gemaakt. Dat de kannen nadat de productie ervan is gestopt nog in omloop bleven, is begrijpelijk. De vraag is echter wat de gemiddelde gebruiksduur van het gebruiksgoed was. Na 1625 werden drie-oren-kannen steeds meer vervangen door drinkglazen en steengoed pullen met één oor.

Breughel als bron Drie-oren-kannen zijn echte feestkruiken! Afgaande op schilderijen uit de school van Pieter Breughel wordt er door grote gezelschappen gezamenlijk gedronken uit deze kannen, zowel door mannen als door vrouwen. Bij feestelijke gelegenheden zoals bruiloften, kermissen of meiboom-vieringen en in herbergen wordt door het gezelschap gedronken uit drie-oren-kannen. Ze worden ook wel eens ‘vriendenkroes’ genoemd, en staan als een symbool voor verbondenheid en broederschap. Als het ware kunnen de drie oren worden gezien als drie kroezen die bij het proosten zijn samengesmolten en zo symbool staan voor verbondenheid. Daarentegen is de schilderkunst in de 16e eeuw sterk moraliserend en zet de burgerij zich af tegen de zonden van losbandigheid, onmatigheid en onkuisheid, de zogenaamde burgermoraal. De moraal die uit de schilderijen moet blijken is van deugdzaam, beschaafd en hardwerkend.23 In de betekenis van verbondenheid waren de kostbare en soms rijkversierde steengoed kannen zeer geschikt als geschenk voor het bruidspaar. Op diverse schilderijen, door Breughel – en latere versies geïnspireerd op Breughel’s meesterwerken – worden drie-oren-kannen afgebeeld. Steeds is het thema een groot, feestvierend, dansend, zoenend en vrolijk gezelschap. Vaak betreft het een bruiloft van het gewone volk of boeren. Drie-orenkannen staan onder andere afgebeeld op: ‘De bruiloftsdans in de openlucht’ (1566) (afb. 4), ‘Boerenbruiloft’ (ca. 1568), ‘Het aanbieden van de bruiloftsgeschenken’ (1616) en ‘Groot dorpsfeest met toneelopvoering’, waar ook een kar met huwelijksgasten op staat.24 Niet alleen bij bruiloften, maar ook tijdens andere feesten wordt gedronken uit de drie-oren-kan, zoals het schilderij ‘De dans rond de meiboom’ (omstreeks 1630) (afb. 5) of in de herbergen zoals bij ‘Herberg St. Michiel’ (na 1616) en ‘De Joriskermis’, waar zowel buiten als binnen uit drie-oren-

260

| Rondom de Stad

04-2012 binnenwerk def.indd 260

01-08-12 09:16


kannen wordt gedronken (na 1616), en natuurlijk de beroemde ‘Boerendans bij een herberg’ (1567) (afb. 6).25 Op veel schilderijen lijkt er een verband tussen de drieoren-kan drinker en de doedelzakspeler: vind de doedelzakspeler en je hebt ook een drie-oren-kan in de nabijheid. Bij de schilderijen van Jan Metsys wordt de slappe doedelzak in verband gebracht met de hopeloosheid van het verliefde oudere stel, waarbij de vrouw een (lege?) drie-oren-kan vast houdt. De lege doedelzak staat symbool voor de impotentie van de oude man. De kan, waarvan de opening prominent door de vrouw wordt getoond, symboliseert het vrouwelijke geslachtsdeel.26 De drie-oren-kan staat voor gezamenlijk gebruik: zou het een oude prostituee zijn? Het vrolijke gezelschap lacht om de dwaze liefde. De moraal is het afkeuren van het gedrag zoals afgebeeld op de schilderijen (afb. 7).27 De schilderijen van de 16e-eeuwse meesters geven, ook al is het vaak lichtelijk overdreven vanwege de moraliserende boodschap, echter wel het leven weer van gewone mensen en de gangbare goederen. Symboliek van drie oren op de kan Hoewel de betekenis van de drie oren op de kan door de legende van Karel V op eenvoudige wijze wordt verklaard, kunnen we ook zoeken naar een diepere symbolische betekenis. Uit de schilderijen blijkt dat het kannen zijn die vooral bij feestelijke bijeenkomsten en grote gezelschappen worden gebruikt, zoals bij bruiloften, kermissen, meiboomfeesten en in herbergen. De drie-oren-kan wordt dan ingezet om verbondenheid en broederschap te benadrukken.

Afb. 6 Breugel, ca 1567. Boerendans. Naar: Vöhringer 1999: 114.

Ook staat het getal drie voor het universum: ten eerste de hemel boven ons, het rijk van de goden en de woonplaats van God, ten tweede het aardse als het rijk van de mensen, dieren en planten en ten derde de onderwereld, het rijk van de doden, de levenloze aarde. Het getal staat ook voor geloof, hoop en liefde. Op de derde dag van de schepping wordt het leven op aarde geschapen. Bij gebeurtenissen wordt drie als een Goddelijk teken beschouwd: de eerste keer is toeval, de tweede keer, als ‘duivels’ getal, een déja-

Afb. 7 Jan Metsys, omstreeks 1562. Vrolijk gezelschap met verliefd oud stel dat door de omstanders niet helemaal serieus wordt genomen. Eén van de gasten toont een lege drie-oren-kan: er valt niets meer te halen; de slappe doedelzak wijst op impotentie van de oude man. Bij een variant van dit schilderij heeft de vrouw een kandelaar vast met een bijna opgebrande kaars als symbool voor opgebrande liefde. Naar: Stolker 2008.

Het getal drie speelt echter ook een grote rol in plechtige uitspraken en op verheven of beslissende momenten (zoals een trouwerij). Het getal staat voor de heilige drieeenheid: God de Vader, zijn Zoon en de Heilige Geest. Vergelijk ook de drie wijzen uit het oosten, de haan die drie maal kraaide of de wederopstanding van Christus op de derde dag. Rondom de Stad |

04-2012 binnenwerk def.indd 261

261

01-08-12 09:16


Afb. 8 Zeven-oren-potten van Friese makelij zijn een geliefd huwelijksgeschenk. Datering 20e eeuw. Foto: Theo de Jong, particuliere collectie.

Afb. 9 Drie-oren-kan, in 1979 door Bavaria gemaakt ter gelegenheid van Helmond 800 jaar. Foto: Theo de Jong, particuliere collectie.

vu, en de derde keer als waar en zeker, een teken van God. Hedendaagse gezegden herinneren ons er nog aan: “drie maal is scheepsrecht, alle goede dingen in drieën”. Nog tot in recente tijden was het in het noorden van ons land (onder andere in Friesland) gewoonte om tijdens het huwelijk een pot met zeven oren te schenken aan het echtpaar (afb. 8).28 Ook het aantal van zeven oren staat symbool voor het verbond. In het Christendom is het een magisch getal: de zeven scheppingsdagen, de zeven dagen van de week, de zeven sacramenten, de zeven gaven van de Geest: wijsheid, verstand, raad, sterkte, godsvrucht, wetenschap en ontzag voor God. Daarnaast zijn er zeven hoofdzonden: hoogmoed, gierigheid, nijd, onkuisheid, onmatigheid, wrevel en traagheid; en er zijn de zeven deugden: geloof, hoop en liefde (als drie goddelijke deugden) en voorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid (de zogenaamde hoofddeugden). De levenscyclus bestaat uit zeven vette en zeven magere jaren. En als we ons bijzonder gelukkig voelen zijn we in de zevende hemel!

Nieuwe traditie Bij de gelegenheid van het 800-jarig bestaan van Helmond in 1979 werd door bierbrouwerij Bavaria een speciale editie uitgebracht van gepegelde drie-oren-kannen (afb. 9). Daarmee werd het gemeentelijk voorschrift van ‘gepegelde potten met drie oren’ uit 1622 nieuw leven ingeblazen. Na 1979 raakte dit voorschrift echter opnieuw in de vergetelheid. Totdat de uitbaters van Il Borgo, gevestigd in het Huis met de Luts, het vroegere huis De Swaen, een eigen biermerk presenteren en uitschenken in een drie-oren-kan. Het bier en de nieuwe kannen zijn op 2 juni 2012 voor het eerst in gebruik genomen door de Burgemeester van Helmond Fons Jacobs tijdens het Ridderfestijn ‘Helmond in Harnas’ (afb. 10 en 11). Conclusie In Helmond en Eindhoven worden bij opgravingen af en toe kannen van steengoed met drie oren gevonden. Deze kannen vormen gewoonlijk slechts een klein aandeel in het spectrum van archeologische vondsten. Drie-oren-kannen worden vooral in de zuidelijke Nederlanden terug gevonden. De gangbare en dagelijkse steengoed kannen hebben gewoonlijk slechts één oor. Soms fraai versierde steengoed kannen met drie oren lijken bijzonder en zullen met name bij speciale gelegenheden zijn gebruikt. Vanuit de burgerij in de steden werd een beetje minachtend gekeken naar het losbandige leven op het platteland. Volgens de 16e-eeuwse schilderkunst werden bij boerenfeesten veelvuldig drie-oren-kannen gebruikt. Breughel schildert de drieoren-kannen steeds bij feestende en losbandige gezelschappen waarbij f link wordt gedanst, gezoend, gegeten en gedronken. Het gezamenlijk drinken uit kannen wordt gezien als een onbeschaafde gewoonte; drie-oren-kannen worden dan ook beschouwd als ‘boerenkannen’. Drie-oren-kannen zijn echter vooral gevonden in ‘niet-boeren’ contexten, zoals in Eindhoven, op het kasteel en bij het

262

| Rondom de Stad

04-2012 binnenwerk def.indd 262

01-08-12 09:16


klooster; en in Helmond bij herbergen en aan de centraal gelegen Markt waar de ambachtslieden en handelaren woonden. Daaruit blijkt dat ze door allerlei lagen van de bevolking werden gebruikt, niet alleen – of juist niet – door boeren. Dat betekent wellicht eerder dat op die locaties meer onmatigheid en meer losbandigheid voorkwam, zoals moraliserend wordt getoond op de schilderijen. Dankzij de combinatie van de betekenis van de drie-oren-kan op iconografische bronnen, de symboliek van de getallen drie en zeven, de vergelijking met traditionele huwelijksgeschenken van zevenoren-potten en de fraai versierde kannen met familiewapens en afbeeldingen van personen, is aannemelijk gemaakt dat drie-oren-kannen bij uitstek gebruikt werden bij feestelijke gelegenheden, waarbij verbondenheid en broederschap gevierd werden. De drie-oren-kan blijkt een feestkan bij uitstek! Summary During excavations in Helmond and Eindhoven (the Netherlands) occasionally stoneware jugs with three handles are being found. Stoneware jugs usually have only one handle. Sometimes beautifully decorated jugs seem to have been used on special occasions. Three-handled stoneware jugs were produced in Raeren (Belgium) during the 16th century. Breughel painted these three-handled jugs in pictures of wedding parties and other festivities where feasting and riotous groups were exuberantly dancing, kissing, eating and drinking. The bourgois in the cities

looked a bit contemptuously at the dissolute life in the country (of country people). The joint drinking from these kind of jugs is seen as an uncivilized habit, three-handled jugs were considered as ‘peasant jugs’. However, three-handled jugs were mainly found in ‘non-farmers’ contexts, for example taverns and the market sites where artisans and traders lived (Helmond) or castle and monastery sites (Eindhoven). By combining of the meaning of three-handled jugs in iconographic sources, the symbolism of the numbers three and seven, comparison with traditional wedding gifts of sevenhandled pots in Northern Netherlands and the beautiful decoration of the jugs themselves it seem plausible that threehandled jugs were typically used on festive occasions, where solidarity and brotherhood were celebrated.

Afb. 10 Drie-oren-kan, samen met het nieuwe biermerk ‘de Vijfhoeck’ door Il Borgo op de Markt gebracht.

t.de.jong@eindhoven.nl of t.de.jong@helmond.nl Afb. 11 Herbergier Hugo Molleman overhandigt aan burgemeester Fons Jacobs, als Keizer Karel de Vijfde, op 2 juni 2012, de drie-oren-kan met Vijfhoeck bier.

Noten 1 Theo de Jong studeerde biologie in Tilburg en archeologie in Leiden. Hij is vanaf 1983 betrokken bij archeologisch onderzoek in Helmond, werkte tussen 1989 en 2000 bij archeologische diensten in diverse steden waaronder Eindhoven, Breda, Tilburg, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Venlo. Hij is sinds 2000 in dienst van de gemeente Eindhoven bij het Archeologisch Centrum Eindhoven en Helmond en hij is vanaf 2010 gemeentelijk archeoloog voor Helmond. 2 Registratienummer: HM-VA-90/91-117. 3 Registratienummer: HM-DO-95. 4 HM-MD-99-1-046. De Jong 2002, 83. 5 Gemeentemuseum Helmond. Registratie nrs. 80-121 en 80-122. 6 Registratienummer HM-VB-86-96-010-br. Beumer (2009): 36-37. 7 Registratienummer HM-LI-85-V-6-17(22).

Rondom de Stad |

04-2012 binnenwerk def.indd 263

263

01-08-12 09:16


8 Een vergelijkbare drie-oren-kan is afgebeeld in Von Bock 1986, 267 nr. 354, hoewel dit exemplaar een wat langere hals heeft. 9 Registratienummer HM-KR-05-2-165. 10 De Jong, Louvenberg en Beumer 2008: 42-43. 11 Gemeentemuseum Helmond Registratienummer 82-416. 12 Gemeentemuseum Helmond Registratienummer 82-433. 13 Dorst 2011: 49; http://collectie.museumrotterdam.nl/objecten/48013. 14 Kasteel van Eindhoven registratienummers EHV-RD-92-21/22; EHV-RD-92-21.1/22.1; EHV-RD-90-18-1-14 (=MKE1994 10-21); EHV-RD-90-92-18-20; EHV-RD-90-20-16-37; EHV-RD-90-20-1-28; EHV-RD-90-20-1-33 (Arts 1992: 133). 15 Klooster Ten Hage: EHV-TH-07-1-35 laag 2. Strijp: EHV-ST-95-1-1. Tongeren: EHV-TO-93-2-5; Leenderstrijp: Arts en Deeben 1982: 16. 16 Ostkamp 2007: 12; Arts, 2010. 17 Deze herberg stond aan Markt 25-27, waar in 1681 het Stadhuis werd gebouwd. Gruijters en Van Vlokhoven 1998: 144-146. 18 http://www.olen.be/product/512/default.aspx?_vs=0_n&id=493. 19 http://www.stephanushanewinckel.nl/2011/09/potten-uit-helmond-of-olen.html. 20 Frenken 1928: 82, GAH nr 21. 21 Frenken 1928: 331-335. 22 Frenken 1928: 335. 2 Zie onder andere Stolker 2008. 24 Vöhringer 1999: 112-114; Brown 1986: 81; Ertz en Nitze-Ertz (red) 1998: 92-93, 380-381, 382-383. 25 Ertz en Nitze-Ertz (red) 1998: 408-409, 404-405. 26 Koldeweij 2006: 60, 62; Stolker 2008: 43, 47-48. 27 Stolker 2008: 105; Koldewij 2006: 61-63. 28 De Kleyn 1986: 202; Klijn 1995: 252-253. Literatuur Arts, N., 2010. De Boeren van Eindhoven. Vondsten en verhalen deel 2. In: Weekblad Groot Eindhoven. Arts, N., en J. Deeben. 1982. Opgravingen in een 15e-16e eeuwse nederzetting te Leenderstrijp. Geldrop. Arts, N., en T. Huijbers.1993. Welgesteld 16e-eeuws afval uit het erf van ‘de Valck’. In: De Vlasbloem. Helmonds Historisch Jaarboek. Themanummer Het huis ‘De Valck’. 97-112. Beumer, S., 2009. Opgraving Van Bree, Markt 32 (gemeente Helmond). Nog ongepubliceerd concept rapport Archeologisch Centrum Eindhoven en Helmond. Bock, G.R. von, 1986. Steinzeug. Keulen. Brown, Christopher, 1986. Breugel. München. Dorst, M.C., 2011. Graven naar de Graaf. Archeologisch onderzoek naar het laatmiddeleeuwse, grafelijk leen Leeuwenburg/Mijnsherenherberg aan de Voorstraat 244. Dordrecht ondergronds 5. Gemeente Dordrecht. Ertz, Klaus, en Christa Nitze-Ertz (red) 1998. Pieter Breughel de Jonge (1564-1637/8) en Jan Brueghel de Oude (15681625). Een Vlaamse schildersfamilie rond 1600. Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Antwerpen-Lingen. Frenken, A.M., 1928 (heruitgave 1975). Helmond in het verleden Deel I en II. ’s-Hertogenbosch. p. 331-335. Gruijters, R. en C. van Vlokhoven. 1998. Het stadhuis. In: Huizenproject westzijde Markt. Helmonds Heem Heemkundekring Helmond-Peelland 24-2. 144-146. Jong, Th. de, 2002. De Vleeschhouwerij van boven tot onder. Een middeleeuws huis in Helmond. Utrecht. P. 83. Jong, Th. de, 2007. Een laatmiddeleeuwse bierbrouwerij aan de rivier de Aa in Helmond. In: Westerheem. jaargang 56, nummer 4, 235-245. Jong, Th. de, C. Louvenberg en S. Beumer, 2008. Archeologisch onderzoek Helmond-Kromme Steenweg. Voorstedelijke nederzetting van Helmond. Archeologisch Centrum Eindhoven en Helmond rapport 25. Eindhoven. Kleyn, J. de, 1986. Volksaardewerk in Nederland sedert de late middeleeuwen. Lochem-Gent. Klijn, E.M.Ch.F., 1995. Loodglazuuraardewerk in Nederland. De collectie van het Nederlands Openluchtmuseum. Arnhem. Koldewij, J., 2006. Geloof en geluk, sieraad en devotie in middeleeuws Vlaanderen. Arnhem. Stolker, Marlyne, 2008. De ondeugd verbeeld Antwerpse 16e-eeuwse moraliserende schilderkunst en literatuur vergeleken. Masterscriptie Kunstwetenschappen. Gent. http://lib.ugent.be/fulltxt/RUG01/001/414/217/RUG01001414217_2010_0001_AC.pdf Ostkamp, S., 2007. Puntneuzen en drieorenkruiken. Steengoed op 15e- en 16e-eeuwse schilderijen. In: Vormen uit vuur. Mededelingenblad Nederlandse Vereniging van vrienden van ceramiek en glas. Nr. 198. 10-17. Vöhringer , Christian. Pieter Breugel 1515/1530-1569. Meesters van de Lage Landen. Keulen. http://www.stephanushanewinckel.nl/2011/09/potten-uit-helmond-of-olen.html.

264

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 264

01-08-12 09:16


Literatuurrubrieken

Recensies C.R. Hermans (met een inleiding van Richard Jansen en Gérard de Laat), Noord-Brabantse Oudheden (Facsimileeditie van Noordbrabants Oudheden aangevuld met enkele Archeologische Mengelwerken), Leiden, Sidestone Press 2012. ISBN: 978-90-8890-086-0. 160 pag., € 34,95 (op CD-ROM € 12,50 en als e-book € 4,50). Hermans (1805-1869) is in Oss geboren als oudste zoon uit een kinderrijk huwelijk (achttien kinderen). Dankzij invloedrijke Bossche relaties solliciteert hij in 1833 met succes naar de functie van rector aan de Latijnse school te ’s-Hertogenbosch, waaraan hij tot zijn dood verbonden is geweest. Hermans ziet het als zijn levenstaak om af te rekenen met het negatieve imago van NoordBrabant door het bestuderen en ontsluiten van het in zijn ogen grootse verleden van dat gewest. In zijn dissertatie ontvouwt hij plannen om tot een alomvattende geschiedschrijving van elke provincie te komen. Op de eerste plaats zouden er provinciale bibliotheken moeten komen, maar er zijn te weinig mensen die daar daarin geïnteresseerd zijn. Om die belangstelling te wekken, pleit hij voor de oprichting van een literair genootschap ter bestudering van taal, geschiedenis en oudheden van NoordBrabant. In 1837 leidt dit streven tot de oprichting van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant. Als bibliothecaris wordt hij de spil van dat genootschap. Hermans was de eerste die zich op wetenschappelijke wijze is gaan bezig houden met de archeologie van Noord-Brabant. Vaak trekt hij er op uit om te graven naar de overblijfselen van het verleden. Zo traceert hij in Cuijk, na bestudering van verschillende historische bronnen, de resten van de Romeinse heirbaan die op de Peutinger kaart voor-

komt. In 1865 geeft het Genootschap Hermans’ publicatie Noordbrabants Oudheden uit. Het is daarmee het eerste overzicht van archeologische vondsten en vindplaatsen in de provincie Noord-Brabant. Deze publicatie vormt in feite de basis van de Brabantse archeologie waarin een schat aan gegevens is vastgelegd die anders verloren was gegaan. Ter viering van het 175-jarig bestaan van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noord-Brabant is deze publicatie nu opnieuw uitgebracht. Met de nu verschenen herdruk worden de gegevens opnieuw ontsloten en zijn ze weer eenvoudig te raadplegen. Bovendien geeft het boek een interessant beeld van het prille begin van de archeologiebeoefening in Brabant. De heruitgave bevat, naast een getrouw facsimile van het boek, een uitgebreide inleiding die ingaat op het leven van dr. Hermans, de betekenis van Noordbrabants Oudheden en de geschiedenis van het Noordbrabants Genootschap. Daarnaast zijn er enkele gerelateerde artikelen (zogenaamde ‘mengelwerken’) opgenomen, ook van de hand van Hermans. Deze bijzondere publicatie is tot stand gekomen in samenwerking tussen het jubilerende Genootschap, de provincie Noord-Brabant, de stichting Brabants Heem, de Monumentenfederatie Noord-Brabant, Erfgoed Brabant en Sidestone Press. Gerrit Groeneweg

Afb. 1 Noord-Brabantse Oudheden. Cover van het besproken boek.

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 265

265

01-08-12 09:16


Signalementen BOOR-nieuws. Special. Nieuwsbrief nr. 16 van Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam, winter 2012. Op de toppen van de zandduinen, nu 17 meter onder de waterspiegel van de Rotterdamse Yangtzehaven, leefden in de Prehistorie jagers en verzamelaars. De haven moet verder worden uitgediept. Daaraan voorafgaand worden met behulp van een kraan in putten van circa 2 x 5 meter de archeologische lagen uit de havenbodem boven water gebracht. Op een ponton-kraanschip vindt een eerste inspectie plaats, waarna het slijk in big bags wordt gestort. Inmiddels zijn meer dan driehonderd van die puinzakken onderzocht en hopen vuurstenen artefacten, verbrand en onverbrand bot, noten, pitten en notendoppen zich op. Afb. 2 “Een Italiaansch stilet, met eene gedamaquineerde scheede: de greep verbeeldt een jager met een musket bij den voet en een jagthond. Uit de XVIe eeuw, In 1839 op een akker te Schijndel gevonden”. Uit: Noord-Brabantse Oudheden.

** *

Archeologie Magazine 2012, nr. 1. ISSN 1566-7553. In Steenbergen (westelijk N.-Br.) is men bij het begeleiden van graafwerkzaamheden op een lugubere vondst gestuit. In een kuil heeft men de resten van menselijke skeletten aangetroffen, sommige incompleet, andere met delen van ijzeren kettingen rondom de hals. Het moet te maken hebben met een 18e-eeuwse executieplaats. De historische bronnen zwijgen over wat zich hier heeft afgespeeld. Verder in dit tijdschrift onder andere aandacht voor de tentoonstelling ‘100.000 uur archeologie – Verzamelen op de Veluwe’ in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden over het levenswerk van gepassioneerd amateurarcheoloog, verzamelaar en AWN-lid Eduard Zuurdeeg uit Ede. ** *

Archeobrief, 16e jrg., nr. 1, 2012. ISSN 1386-2065. € 29,95/jaar. Helaas heeft het bestuur van de AWN uit financiële overwegingen moeten besluiten de abonnementen op Archeobrief stop te zetten. Evenals Archeo-Magazine besteedt ook Archeobrief aandacht aan de geketende laat

266

18e-eeuwse skeletten die in Steenbergen tevoorschijn zijn gekomen en die verband lijken te houden met een niet uit de historische bronnen bekende executie. Andere bijdragen in deze editie hebben betrekking op het Odysseeproject Velsen 2, de conclusie uit een workshop over het onderzoek van complexe Romeinse vindplaatsen, een vroegMerovingisch grafveld te Lent (Gld.), de zeggingskracht van opgegraven ‘modern’ materiaal en het selectiebeleid van gemeenten. ** *

Bert Fermin en Michel Groothedde, Binnen bij de meester-smid. Archeologisch en historisch onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van Nieuwstad 57-61, Basseroord 18 en Norenburgerstraat 18-20 te Zutphen (Zutphense Archeologische Publicaties 55). Zutphen 2010. ISBN 978-90-7758765-2. Bert Fermin en Michel Groothedde, De Vispoortgracht. Baggervondsten van middeleeuwen tot Michael Jackson (Zutphense Archeologische Publicaties 68). Zutphen 2011. ISBN 978-90-7758778-2. Geïll., 116 pag., CD-ROM. Michel Groothedde en Jeroen Krijnen, Twee sloppengangen in de Hospitaalstraat. Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek op het perceel Spitttaalstraat 81 te Zutphen (Zutphense Archeologische Publicaties 69). Zutphen 2011. ISBN 978-90-7758779-9. Geïll., 67 pag. Twee jaar geleden is in de Zutphense Nieuwstad een groot bedrijfspand gesloopt om plaats te maken voor nieuwbouw. Naar aanleiding van de resultaten van vooronderzoek uit 2008 is besloten er archeologievriendelijk te gaan bouwen, waardoor niet alleen de diepere ondergrond, maar ook middeleeuwse kelders bewaard konden blijven. Zodoende kon het archeologische onderzoek beperkt blijven tot de bovenste decimeters. Dat was voldoende om de oorspronkelijke structuur van het hele bouwblok in kaart te brengen. Een grote kuil met huisraad uit de periode 1730-1760, dat als catalogus in het rapport (ZAP 55) is opgenomen, heeft men met behulp van archiefbron-

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 266

01-08-12 09:16


Afb. 3 Enkele patronen uit de gracht Vispoortgracht van Zutphen. Van links naar rechts: Krag, Moisin Nagant, Mauser (2x) en Hembrug (2x). Uit: Zutphense Archeologische Publicaties 68.

nen aan een 18e-eeuwse meestersmid kunnen toewijzen. Vorig jaar is in Zutphen de Vispoortgracht uitgebaggerd. Het opgezogen slib is elders gedeponeerd, inclusief al het materiaal dat in de loop der eeuwen naar de grachtbodem is gezonken. Onderzoek daarvan heeft duizenden vondsten opgeleverd, variërend van middeleeuwse kruisboogpunten, restanten van slachtoffers uit de 80-jarige oorlog tot en met een aansteker uit 1987 gewijd aan Michael Jackson. Tal van pikhaken uit de 17e en 18e eeuw herinneren aan het houttransport over water. Het gros van de vondsten dateert uit de 19e en 20e eeuw, wanneer de gracht haar defensieve functie heeft verloren en secundair als vuilstortplaats lijkt te zijn gebruikt. Opvallend is de grote hoeveelheid – vooral Canadese – munitie en ander materiaal uit de Tweede Wereldoorlog, als een hedendaagse variant op de wapendepots uit de Prehistorie. De zo bijeengebrachte verzameling van de meest uiteenlopende soorten voorwerpen, waarvan dit rapport (ZAP 68) een groot deel beschrijft en afbeeldt, geeft vanuit een heel andere hoek een aanvullende brede kijk op de materiële cultuur, het leven en werken in de

stad over een reeks van eeuwen. Twee particuliere families lieten tussen grofweg 1775 en 1840 hun erf volbouwen met eenkamerwoningen, waarin hele gezinnen op ongeveer 15 tot 18 vierkante meter woonden. Van vijf huisjes zijn de resten opgegraven. Het onderzoek, waarvan het resultaat is vastgelegd in ZAP 69, brengt niet alleen de bouwgeschiedenis van het onderzochte perceel in beeld, maar geeft ook een indruk van de erbarmelijke situatie waaronder de allerarmsten waren gehuisvest. ** *

R.H. Alma e.a., red., Hervonden Stad 2011. Zestiende jaarboek voor archeologie, bouwhistorie en restauratie in de gemeente Groningen. Groningen 2011. ISSN 1386-0208. Paperback, 176 pag., € 13,50. Het jaarboekje dat de Stichting Monument & Materiaal en de gemeente Groningen elk jaar laten verschijnen bevat naast de verslagen over archeologisch en bouwhistorisch onderzoek

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 267

267

01-08-12 09:16


Afb. 4 Voor- en achterzijde van hoogversierde tinnen lepel. Bodemvondst Hoge der A 4, Groningen. Datering 12e-13e eeuw. Tekening Henk Nieuwenhuizen. Uit: Hervonden Stad 2011.

en restauraties in het voorgaande jaar ook telkens een aantal interessante artikelen waarin dieper ingegaan wordt op de achtergronden van in de afgelopen jaren aangetroffen bijzondere vondsten. Zo besteden Stijn Arnoldussen en Jeroen Mendelts in deze uitgave aandacht aan de verspreidingspatronen van vuursteen, tevoorschijn gekomen bij opgravingen ten oosten van de stad Groningen waar een nieuwe woonwijk wordt ontwikkeld. De belangrijkste artefacten, daterend uit de Mesolithicum, betreffen pijlbewapening die waarschijnlijk gerelateerd kan worden aan een tijdelijk kampement, waar jagers hun vuurstenen jachtwapens hebben vervaardigd. Opvallend is de vondst van niet minder dan drie hoogversierde tinnen lepels uit die 12e-13e eeuw. Op de binnenbak van elk van die lepels zijn onder andere twee vissen uitgebeeld. Froukje Veenman en Hans van Gangelen zijn op zoek gegaan naar vergelijkbare lepels met dat motief en naar de iconografische achtergrond ervan. In ons land zijn ze vooral bekend uit de kustprovincies. Vooral Zeeland heeft nogal wat voorbeelden opgeleverd; daarbuiten zijn ze ondermeer ook uit Londen bekend. De combinatie wijst op een Engelse herkomst. Maar ook diep op het continent, in Magdenburg (D.) zijn ze vervaardigd. Op iconografische gronden wordt verondersteld dat dergelijke lepels een rol hebben gespeeld als huwelijksgeschenk. Dat vermoeden wordt ondersteund door de moderne ‘lovespoon’, een met vissen versierde houten lepel die jongemannen in Wales al minimaal vanaf de 17e

268

eeuw aan de dame van hun keuze aanbieden. Verder bijdragen over het maken van een replica van een (destijds bewust gebroken) 13e-eeuws zwaard uit de Groninger bodem en de identificatie van twee 18e-eeuwse skeletten van een man en een vrouw, die tezamen in een éénpersoons graf kist werden begraven en over 19e-eeuwse waterputpompen. Tot slot twee artikelen over 17e-eeuwse interieurafwerking, namelijk een partij diertegels en enkele restanten van een hergebruikt wandtapijt. Stilgestaan wordt onder meer bij de geschiedenis en productie ervan. De gerestaureerde textielrestanten zullen opgenomen worden in de collectie historische wandafwerkingen van het Groninger Museum. De diertegels wachten nog op een passende bestemming in het depot van de Stichting Monument & Materiaal. ** *

Ulrich Lehmann, Das ‘Germanenlager’ im Havixbrock bei Lippborg, Gemeinde Lippetal, Kreis Soest (Frühe Burgen in Westfalen 32). Alexandra Stiehl, Die ‘Hünenburg’ bei Gellinghausen, Gemeinde Borchen, Kreis Paderborn (Frühe Burgen in Westfalen 33). Münster/Westfalen 2011. ISSN 0939-4745. In de reeks ‘Frühe Burgen in Westfalen’ zijn weer twee nieuwe brochures verschenen. De

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 268

01-08-12 09:16


boekjes behandelen de ligging, de geschiedenis, de resultaten van oud en recent archeologisch en het historisch onderzoek van veelal middeleeuwse versterkingen. Van die versterkingen is, zoals hier het geval is, vaak niet meer terug te vinden dan een geaccidenteerd terrein in de bossen. De brochures gaan steeds gepaard met een routebeschrijving. De burg bij Lippborg dateert uit de 9e -11e eeuw. De oudste sporen van een versterking bij Gellinghausen eindigen in de 3e eeuw v.Chr., maar gedurende de 8e-13e eeuw is het burgterrein weer als versterking in gebruik geweest. ** *

Jürgen Pape, Angelika Speckmann u.a., EmscherZeitLäufe - 14.000 Jahre Mensch und Umwelt in Castrop-Rauxel. Darmstadt 2011. ISBN 978-3-8053-44661. Geïll., 144 pag., € 15,--. De rivier de Emscher, die ergens in de omgeving van Dortmund ontspringt, mondt in het Ruhrgebied uit in de Rijn. De vondst van enkele scherven bij de aanleg van waterbekkens Castrop-Rauxel (D.) in het stroomgebied van de Emscher is uitgegroeid tot één van de grootste opgravingsprojecten in Westfalen. Niet minder dan 120.000 vierkante meter opgravingsvlak heeft onder andere tal van woonstalhuizen uit de 1e tot de 4e eeuw opgeleverd. In dit populairwetenschappelijke boek worden de eerste resultaten van het onderzoeksproject gepubliceerd. Archeologen, archeobotanici, archeozoölogen en andere specialisten laten in dit publieksboek in een veertigtal bijdragen de 14.000 jaar continue bewoningsgeschiedenis van het gebied de revue laten passeren. ** *

W. Prummel, J.T. Zeiler and D.C. Brinkhuizen (eds.), Birds in archaeology. Proceedings of the 6th Meeting of the ICAZ Bird Working Group in Groningen 23.8 - 27.8.2008 (Groningen Archaeological Studies 12). Groningen 2010. ISBN 978-90-77922-77-4, 284 pag., € 53,--. Eens in de drie à vier jaar congresseert de Vogelwerkgroep van de International council for Archaeozoology. In 2008 vond de bijeenkomst in Groningen plaats; eind dit jaar is Roemenië aan de beurt. Ook in Groningen vertoonden de bijdragen weer in grote verscheidenheid van Pleistoceen tot 20e eeuw, van Nieuw-Zeeland en Patagonië in het zuiden tot de Hebriden in het noorden, met als onderwerp het gevogelte als voedselbron, vogelvangsttechnieken in een nabij en een ver verleden, vogels bij rituelen en symboliek, de verspreiding van vogels en het houden van kippen in laat-middeleeuwse stedelijke milieus in Portugal. Voor wat betreft ons land zijn er drie bijdragen die de aandacht trekken: - Hunting the hunters: owls and birds of prey as part of the falconers’ game bag (Zeiler); - Hunting gulls for feathers (E. Esser); - Vagrant vultures: archaeological evidence for the cinereous vulture (Aegypius monachus) in the Low Countries (M. Groot, A. Ervynck and F. Pigière). Het gaat hier om de resten van de zeer zeldzame monniksgier. Dat materiaal is uit Nederland en België uitsluitend bekend van enkele Romeinse contexten. Wie de imposante monniksgier in Europa nu nog in zijn natuurlijke omgeving wil zien moet naar centraal Spanje afreizen. Een bezoek aan de monniksgieren van de Extremadura valt overigens uitstekend te combineren met een bezoek aan de fraaie overblijfselen van

Afb. 5 Ierse schijffibula (ijzer, email, ivoor) van de ‘Hünenborg’, 8e-9e eeuw. Rechts: na restauratie. Uit: Frühe Burgen in Westfalen 33.

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 269

269

01-08-12 09:16


in het beekdal van de Papenvoortse Loop. Inventariserend veldonderzoek – proefsleuven (Rapport 68), 56 pag., kaartbijlage. ISSN 1570-5943. Afdeling Archeologie gemeente Eindhoven resp. 2010, 2011 en 2011.

Afb. 6 Bord met slibdecoratie, Nederrijn. Bodemvondst, Eindhoven. Uit: Het kasteel Gagelbosch.

Colonia Augusta Emerita (nu Mérida) in het vroegere Lusitania. ** *

Theo de Jong, Christianne Louvenberg en Kristel de Vos, Opgraving Eindhoven, Vijksteeg. Sporen van bewoning in de middeleeuwse stad (Rapport 28). Archeologisch Centrum Eindhoven 2011. ISSN 1570-5943. Geïll.,71 pag., CD-ROM. Sanne Beumer, Miriam Teeuwisse en Leonie Korthorst, Archeologisch onderzoek Eindhoven-Eckart. Nederzettingssporen uit de volle middeleeuwen. Rapportage van de opgraving (Rapport 37), 64 pag., CDROM. Jeanne-Marie Vroomans, Archeologisch onderzoek Eindhoven – Blixembosch Noordoost. Een omgreppeld terrein uit de late ijzertijd en leemkuilen uit de nieuwe tijd. Proefsleuvenonderzoek fase 1 (Rapport 53), 63 pag., kaartbijlage. Sem Peters (met bijdragen van Nico Arts, Sjoerd van Daalen, Henk van Haaster en Theo de Jong), Het kasteel Gagelbosch te Eindhoven. Archeologisch onderzoek van een omgrachte middeleeuwse woning in Gestel (Rapport 58). Archeologisch Centrum Eindhoven 2011. ISSN 1570-5943. Geïll.,136 pag., kaartbijlage en CD-ROM. Kristel de Vos en Liesbet Van den Bruel, Archeologisch onderzoek Helmond – Brandevoort II – fase 1. Neervoortse Dreef – De Voorst. Een onderzoek

270

In 2003, 2005 en 2006 hebben, voorafgaand aan bouwwerkzaamheden, vlakdekkende opgravingen plaatsgevonden op drie aan elkaar grenzende percelen aan de Vrijstraat/ Vijksteeg in de binnenstad van Eindhoven (Rapport 28). Er zijn daarbij sporen aangetroffen van paalkuilen, kelders, bijgebouwen, water- en tonputten, afvalkuilen en begraven dieren. Tot in de 15e eeuw is het terrein in gebruik geweest als (stads)akker. Van een rund van vermoedelijk omstreeks 1700 is de maaginhoud onderzocht, althans het materiaal dat zich bevond op de plaats waar ooit het maag- en darmstelsel moet hebben gezeten. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van eventuele darmparasieten, macroresten en pollen. Dorsafval heeft een belangrijke rol gespeeld in de voeding van dat rund, terwijl het dier vermoedelijk ook raapkoeken en afval uit een brouwerij/stokerij heeft genuttigd. Er zijn vrij sterke aanwijzingen dat men het venkelzaden heeft gevoerd als middel om de melkproductie op gang te brengen of peil te houden. De aanwezigheid van hopzaad en anijspollen wijst op het gebruik ervan tegen darmparasieten of longproblemen van het dier. Basilicumzaden kunnen af komstig zijn uit een zalf waarmee destijds uierproblemen, zoals opengebarsten zweren, werden behandeld. De aangetroffen resten van jeneverbessen tenslotte, kunnen eveneens wijzen op gebruik voor medicinale doeleinden (om ‘snot uit te drijven’). Jeneverbes, in combinatie met dille en bonenkruid, kan er ook op wijzen dat het dier werd vetgemest met het afval van een jeneverstokerij. In de zomer van 2007 is in Eindhoven-Eckart een vlakdekkende opgraving uitgevoerd (Rapport 37). Daarbij zijn een groot aantal sporen uit de Volle Middeleeuwen aangetroffen, waaronder die van één of twee bootvormige huizen met hun bijgebouwen. Behalve aardewerk zijn ook vier zeldzame fibula’s gevonden. Opvallend is de vondst van niet meer dan één scherf kogelpotaardewerk tussen al het handgevormde Zuid-Nederlandse aardewerk. Die ene scherf is vooral bijzonder omdat deze versierd is met een kruisvormige stempelafdruk. Daarvan bestaan twee parallellen: één fragment van sterk afwijkend Karolingisch aardewerk van elders uit Brabant en één exemplaar

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 270

01-08-12 09:16


uit Lent (Gld.) dat qua baksel en magering exact met de vondst uit Eindhoven-Eckart overeenstemt, daterend uit de 10e of vroege 11e eeuw. Een deel van de onderzochte bouwlocatie Blixembosch (Rapport 53) bevat sporen die vermoedelijk uit de IJzertijd dateren. Daarnaast is een aantal leemkuilen aangetroffen, waarvan het niet duidelijk is uit welke periode ze dateren en met welk doel men daar leem heeft gewonnen. Dergelijke kuilen zijn vaker aangetroffen, maar er is nooit onderzoek naar gedaan. Temeer omdat de ijzertijdsporen op deze locatie sterk degraderen wordt geadviseerd om een vlakdekkende opgraving uit te voeren. Van maart tot augustus 2008 hebben medewerkers van het Archeologisch Centrum Eindhoven en Helmond een onderzoek uitgevoerd op de plaats waar een bestaand zorgcentrum plaats gaat maken voor nieuwbouw (Rapport 58). Tot 1718 stond hier het kasteel Gagelbosch. Bij het uitwerken van de resultaten van de opgraving zijn ook de gegevens betrokken van opgravingen en waarnemingen in vroegere jaren. De oudste sporen zijn te dateren rond 1300 en horen bij een boerderij en erf. Vanaf de eerste helft van de 15e eeuw kan Gagelbosch als ‘moated site’ worden aangemerkt. De adellijke stenen woning, het ‘hooghuis’, wordt in 1718 afgebroken; de bijbehorende boerderij wordt in 1968 gesloopt. In de loop der jaren is heel wat materiaal verzameld, waaronder ook stukken vensterglas. Op een scherf is een deel van een gegraveerde tekst leesbaar: “… ende hasenot appele en perre en al den bras…”. Op een andere scherf staat: “…nen…(o)ver kop…”. De fragmenten

horen bij elkaar. Op dezelfde glasscherven zijn een drietal hoenderachtige vogels getekend. Waarschijnlijk worden hier kalkoenen afgebeeld en vermeldt de tekst het recept voor het bereiden van kalkoen, met hazelnoot, appel en peer als vulling. Behalve het gebruikelijke schervenmateriaal zijn bij de opgraving ook een brommer en een auto naar boven gekomen. Van de auto, een Volkswagen Kever, kon de eigenaar worden achterhaald. Het wrak is in de zomer van 2007 tentoongesteld geweest in de Beurs van Berlage in Amsterdam Aanleiding voor het onderzoek in Helmond (Rapport 68) is de aanleg van wegen en van een natuurcompensatieproject op een VINEXlocatie. Het onderzoek heeft niet meer opgeleverd dan twee zwaar verstoorde overblijfselen van mogelijk prehistorische putten en recente verstoringen en vondsten, waaronder kogelhulzen uit Tweede Wereldoorlog. Het terrein kan worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling. ** *

Relicta 8. Archeologie, monumenten- en landschapsonderzoek in Vlaanderen/ Heritage Research in Flanders. Onroerend Erfgoed, Brussel 2010. ISSN 1783-6425. Hardcover, 417 pag., € 40,--. Het achtste deel in deze reeks bevat een uitgebreid artikel over de geschoeide karmelieten, de restanten van hun klooster onder de Hopmarkt in Aalst (prov. O.-Vl.), hun begravingen aldaar en het fysisch-antropologisch onderzoek aan hun stoffelijke overschotten. De bundel schenkt ook aandacht aan het nood-

Afb. 7 Twee polychroom beschilderde tinglazuurtegels met de afbeelding van een zeemeermin, Rotterdam, circa 1610. Uit: Mythologische voorstellingen op Nederlandse tegels.

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 271

271

01-08-12 09:16


onderzoek naar een 15e-eeuws Hof in Dendermonde en het paleo-landschappelijk prospectief en evaluerend archeologisch onderzoek van toekomstige overstromingsgebieden in de gemeenten Berlare, Schellebelle en Wichelen (Oost-Vl.). Verder bijdragen over Jean-Baptiste Pisson (1763-1818), een architect, meestertimmerman en aannemer in Oost-Vlaanderen en het archivalische en bouwhistorische onderzoek van de legerbarakken uit de Eerste Wereldoorlog in Jabbeke (prov. West-Vl.). De artikelen uit Relicta 8 zijn te downloaden op www.vioe.be. ** *

Vormen uit Vuur nr. 217, 2012/2. ISSN 0927-748X.

Afb. 8 Dubbele krombeksteker, Hamburgcultuur. Kootwijkse Veld. Uit: Gevormd en omgevormd landschap.

Tot in de 20e eeuw wordt serviesgoed gerepareerd met behulp van metalen krammen. In dit nummer van het mededelingenblad van de Nederlandse vereniging van vrienden van ceramiek en glas beschrijft Isabelle Garachon (hoofd van het restauratieatelier ceramiek, glas en stenen van het Rijksmuseum Amsterdam) hoe dat krammen te werk gaat en wie daarbij betrokken zijn geweest. Voor de trouwe Westerheemlezer is er weinig nieuws onder de zon. Want onder De titel ‘Met zuinigheid en vlijt’ beschreven Michiel Groothedde, Harold Henkes en Arjen den Braven in 2005 al (Westerheem 2005, 121-123) gerepareerd porselein, blackware en glas uit een beerkuil in Zutphen. Hetzelfde jaar nog volgde daarop een reactie van Corrie Lugtenburg naar aanleiding van de vondst van gekramd industrieel wit en loodglazuur aardewerk uit Dordrecht (Westerheem 2005, 253-254) en een jaar later verscheen als reactie op de artikelen uit 2005 een bijdrage van Paul Smeele en Adri van der Meulen waarin zij uitleggen hoe dat krammen tewerk ging en door wie dat werd uitgevoerd (Westerheem 2006, 103104). ** *

Detector Magazine nr. 122, mei 2012. ISSN 1386-5935. Ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de vereniging De Detectoramateur is een extra dik jubileumnummer van Detector Magazine verschenen. Zoals gewoonlijk zijn in deze editie weer veel wetenswaardigheden over klein metaal te vinden. Ook bevat dit nummer interviews met Van Beuningen en

272

met Ruurd Kok. Van diens hand is ook een artikel over de Peruviaanse knotskop, waarmee we eerder in Westerheem kennis hebben gemaakt. Het slagwapen is samen met ZuidAmerikaanse guano naar ons land gekomen. Het artikel bevat ook informatie over de loodjes waarmee ooit de zakken vogelmest verzegeld zijn geweest. Detector Magazine bevat ook een overzicht van 74 van de 400 geregistreerde metaalvondsten uit de bodem van Friesland. ** *

Nieuwsbrief Monumentenzorg en Archeologie (gemeente Alkmaar), nr. 34, april 2012. Als gevolg van een onjuiste interpretatie door de toenmalige conservator van het openluchtmuseum te Bokrijk (B.) komen we in de literatuur nog steeds de naam ‘spinkruikje’ tegen voor het 16e-eeuwse twee-orige miniatuurpotje uit Raeren dat op tal van plaatsen in Nederland en Vlaanderen uit de bodem tevoorschijn is gekomen. In Westerheem is daaraan uitgebreid aandacht besteed (1999, 121-130; 2000, 260-263 en 2001, 73-80). Mede ook dankzij reacties van lezers kwamen we toen tot de vaststelling dat het kruikje mogelijk als inktpotje of als pelgrimsouvenir heeft gediend. Toeschrijving als inktpotje blijft vooralsnog onzeker omdat aanwijsbare sporen van ingedroogde inkt ontbreken, terwijl de talrijke afbeeldingen van schrijvende personen uit die tijd een geheel ander soort inktpotje laten zien. Een andere verklaring is het gebruik als souvenir, dat gevuld met wijwater uit Aken mee naar huis werd genomen, vergelijkbaar met hetzelfde type kruikje in Engeland en de hedendaagse plastic madonna’s uit Lourdes. Karin Beemster besteedt in deze nieuwsbrief aandacht aan het ‘spinkruikje’, maar gaat er helaas onvoldoende onderbouwd van uit dat het een inktpotje is. Zij verwijst naar de afbeelding van het potje op een schilderij van de Heilige Familie door Jan Mostaert, waarop zo’n kruikje aan een spijker in de wand is opgehangen. Het is tot nu toe de enige eigentijdse af beelding van het voorwerp. Overigens is het niet Sebastiaan Ostkamp die het kruikje op het schilderij ontdekte, zoals Karin schrijft, maar David Gaimster (German Stoneware 1200-1900, colorplate 2). Sinds ik ooit met een kroontjespen leerde schrijven herinner ik mij inktpotjes met ingedroogde inkt op de rand en tegen de wand. Inkt is een goed houdbaar product. Wanneer

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 272

01-08-12 09:16


het ‘spinkruikje’ werkelijk als inktpot is gebruikt, moeten er exemplaren bestaan waarbij aan de binnenzijde sporen van inkt kunnen worden aangetoond. Het wachten is nog steeds op degene die dat aantoont. ** *

Jan Pluis en Reinhard Stupperich, Mythologische voorstellingen op Nederlandse tegels. Methamorphosen van Ovidius. Herders-Cupido’sZeewezens. Leiden 2011. ISBN 978-905997-090-8. Hardcover, Geïll., 288 pag., € 39,50. Geïllustreerd met fraaie houtsneden worden in de 16e en 17e eeuw de verhalen van Ovidius over de Griekse en Romeinse godenwereld een populair alternatief voor de Bijbelse historiën en heiligenlevens. De veelvuldig afgebeelde halfontblote jongedames op dat illustratiemateriaal zal daaraan niet geheel vreemd zijn geweest. Scènes uit de Metamorphosen van Ovidius zijn terug te vinden in allerlei vormen van beeldende en toegepaste kunst. Er was echter nog niet eerder onderzoek gedaan naar de verbeelding van de Metamorphosen op de Nederlandse wandtegels. De fraaie houtsneden waarop de Metamorphosen zijn afgebeeld, staan op hun beurt model voor beschildering op blauwwitte en polychrome 17e en 18e-eeuwse tinglazuurtegels. Samen met de afbeeldingen van cupido’s en zeemonsters is een rijke en bonte verscheidenheid aan tegels onstaan die in dit boek de revue passeren. Wat het boek vooral zo boeiend maakt, is dat bij de afbeeldingen van taferelen van Ovidius steeds een becommentarieerd deel van zijn proza is vermeld. Het verhaal achter de tegel laat de tegel leven. In het eerste hoofdstuk presenteert Reinhard Stupperich, van het Archeologisch Instituut van de Universiteit van Heidelberg, de context van de Metamorphosen en de invloed van het werk in de westerse cultuur. In daaropvolgende hoofdstukken beschrijven Jan Pluis en Reinhard Stupperich de afzonderlijke voorstellingen en wordt de lezer geholpen deze te herkennen en te duiden. Behalve Ovidius’ verhalen komen ook andere mythologische thema’s aan bod, zoals cupido’s, zeewezens en arcadische taferelen. De auteurs hebben ernaar gestreefd bij iedere voorstelling ook de grafische bronnen af te beelden of te vermelden. ** *

Niekus, M.J.L.Th. (eindred.), S. van der Zee, T. Looijenga en F. Kiestra (red.), Gevormd en omgevormd landschap van prehistorie tot middeleeuwen. Z.p., 2011. Geen ISBN. Geïll., genaaid, gebroch., 144 pag., € 30,--. Ter gelegenheid van haar 95-jarig bestaan organiseerde de Drentse Prehistorische Vereniging (DPV) een themadag over de interactie tussen mens en landschap. Om de herinnering aan die dag levend te houden besloot het bestuur van de DPV om de lezingen te bundelen en in boekvorm uit te geven. Het boek is overigens ook kosteloos te downloaden. De meeste sprekers zijn bereid gevonden om hun bijdragen verder uit te werken en van de nodige illustraties te voorzien. Ook landschapsgerelateerde onderwerpen die vanwege tijdsgebrek op de themadag niet aan de orde zijn gekomen, hebben in het fraai uitgegeven boek een plaats gevonden. Hoewel de nadruk op Drenthe ligt, komen ook andere gebieden in Noord-Nederland aan bod, zoals de Veluwe en het Groninger kustlandschap: - Hamburgcultuur in het Kootwijksche Veld bij Stroe; - Laat-paleolithische en mesolithische vindplaatsen in het Pleistoceen Noordenveld (Dr.); - Een landschapsbenadering van de Trechterbekercultuur in Drenthe; - Het Neolithicum en de Vroege Bronstijd in het Drentsche Aa-gebied en hun relatie tot oppervlaktewater; - Een archeologische kijk op het Groninger kustlandschap; - Ontginning van de (klei-op-)veen-gebieden in Friesland gedurende de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen; - Het Drentse cultuurlandschap in de Vroege Middeleeuwen; - Het maritieme cultuurlandschap van Zuidwest-Drenthe in de Middeleeuwen tot slot gevolgd door een overzicht van 50 jaar landschapsarcheologie in Drenthe. ** *

Archäologische Berichte des Landkreises Rotenburg (Wümme), Band 16, Oldenburg 2010. ISSN 0946-8471/ISBN 978-3-89995-761-7. Geb., Geïll., 342 pag., € 21,--. Het eerste hoofdstuk in de bundel is het verslag van een pollenonderzoek naar de houtgewassen die gedurende de verschillende klimatologische perioden tussen het Laat-

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 273

273

01-08-12 09:16


Afb. 9 Steengoed miniatuurkruikje. Bodemvondst Hofplein Gouda. Uit: Nieuwsbrief Monumentenzorg en Archeologie.

Paleolithicum en het Mesolithicum in het gebied tussen Elbe en Weser hebben gegroeid. Aan de hand van de grootte van houtskooldeeltjes heeft men eveneens kunnen vaststellen of verkoold hout uit de verschillende bodemlagen af komstig was van door mensen aangelegde haardvuren of een natuurlijke oorzaak, bijvoorbeeld blikseminslag, hebben. In de regio Rotenburg zijn gedurende een lange reeks van jaren op niet minder dan 23 locaties veenlijken aangetroffen, daterend uit Prehistorie tot en met de 7e eeuw. Slechts enkele daarvan zijn behouden gebleven. Het tweede artikel beschrijft de vindplaatsen, het begeleidende vondstmateriaal (waaronder textiel) en de vondstomstandigheden. Niet alleen in ons land laat de vondstverwerking soms lang op zich wachten. Van een in 1938 opgegraven 7e-eeuwse hutkom beschrijft het derde artikel in deze bundel het aardewerk. Verder bijdragen over de waarschijnlijke locatie van de uit een schriftelijke bron bekende vroeg-8e-eeuwse handelsnederzetting Schez­ la, de beschrijving van een 16e-eeuws gietijzeren haardscherm en de mogelijkheden van stadskernonderzoek in de regio. Tot slot vondstmeldingen, jaarverslagen en boekbesprekingen ** *

Siedlungs- und Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet (Niedersächsisches Institut für historische Küstenforschung). Band 35. Rahden 2012. ISSN 1867-2744/ISBN 978-3-86757-853-0. Geïll., 351 pag., € 59,80. Onder de titel “Aus dem Dunkel eines Magazins ans Licht gebracht: Archäozoologische

274

Untersuchungen zu Hatzum-Boomborg, einer Siedlung der Vorrömischen Eisenzeit in Ostfriesland” wordt het resultaat gepubliceerd van het onderzoek aan niet minder dan 32.094 stuks bot, daterend uit de 6e-3e eeuw v.Chr., die 30 jaar geleden aan de benedenloop van de Ems zijn verzameld. Ruim 12.000 knoken konden tot op de soort worden gedetermineerd. De dieren die destijds deel hebben uitgemaakt van de veestapel zijn relatief klein. Zo bedraagt de schofshoogte van het rund, het paard, het schaap en het varken respectievelijk slechts 112, 135, 67 en 72 centimeter. Het meest belangrijk moet de teelt van runderen zijn geweest. Het gaat daarbij primair om het vlees en veel minder om de zuivel of om het gebruik van het rund als trekdier. Wat het vlees betreft staat ook het paard hoog in aanzien; meer dan 12% van de vleesconsumptie is van paarden afkomstig. Men slacht ze op vrij jonge leeftijd. Schapen en varkens komen in veel mindere mate voor; geiten zijn er evenmin populair. In de onderzochte periode wordt ook de eerste kip in het Duitse Noordzeegebied gesignaleerd. Opvallend is het voorkomen van resten van dolfijnachtigen. Even opmerkelijk is het nagenoeg ontbreken van wild gevogelte, vis en schelpdieren. Andere archeologische bijdragen in dit boek zijn: - Siedlung und Gräber der jüngeren Bronze- bis älteren Vorrömischen Eisenzeit bei Weener, Ldkr. Leer (Ostfriesland); - Interdisziplinäre Untersuchungen von kaiserzeitlichen Marschensiedlungen im Bereich der Huntemündung – Die Bedeutung der Paläotopographie für das Verständnis von Siedlungsgefügen; - Feinstratigraphische Untersuchungen an Eisenobjekten des frühmittelalterlichen Gräberfelds von Dunum, Ldkr. Wittmund (Ostfriesland) – Zur Funktion und Deutung organischer Funde und Befunde. ** *

L. van der Valk en F. Beekman (met bijdragen van J. van Dijk en G. Cook), Geologie en archeologie van de Kop van Schouwen, Gemeente SchouwenDuiveland. Verslag over de periode 20072011. Eigen beheer, 2011. Het duingebied op de kop van Schouwen is een landschap dat voortdurend verandert. De zee geeft en neemt er, het Holland-veen wordt door stuivend duinzand afgedekt, op hun beurt worden de oude duinen door nieuwe onder gestoven, terwijl op andere plaatsen duinpannen

| Literatuurrubrieken

04-2012 binnenwerk def.indd 274

01-08-12 09:16


ontstaan, waar het zand wordt weggeblazen en de oude bodemlagen weer tevoorschijn komen. Daarbij komt ook aardewerk en ander materiaal weer aan het daglicht dat vroegere bewoners daar ooit hebben achtergelaten. De oudste sporen gaan terug tot de Late Bronstijd. De talrijke sporen uit de Late IJzertijd wijzen onmiskenbaar op de aanwezigheid van een agrarische nederzetting. In de jaren 1911-1944 zocht en verzamelde een illustere schoolmeester er potscherven, munten, pijlpunten en fibulae. In de jaren 2007-2011 is diens werk voortgezet door de auteurs van het nu verschenen verslag. Samen met amateurarcheologen organiseren zij zoektochten. Zij weten het gebied en de ontwikkeling ervan ook geologisch in kaart te brengen. Op de jongste bijeenkomst van de Zeeuwse amateurarcheologen (ZAAD 2012) hebben zij verslag uitgebracht van hun bevindingen. Die bevindingen zijn de deze rapportage vastgelegd. ** *

Zutphense Pracht. Monumenten, bouwhistorie en archeologie. 1e jrg., nr. 1, 2012. De brochures Monument en MoNUmentaal, uitgegeven door respectievelijk de Stichting Wijnhuisfonds en de gemeente Zutphen zijn samengevoegd tot een nieuw, 42 pagina’s tellend full-color tijdschrift Zutphense Pracht. Elke historische stad wordt geconfronteerd met het probleem van leegstaande winkels, maar nog veel meer met leegstaande woningen boven de winkels. Bedrijfseconomisch zijn die woningen niet interessant, vooral omdat een afzonderlijke trapopgang kostbare winkelruimte vergt. Zutphen speelt nu met het idee om die bovenwoningen door middel van een centrale opgang en luchtbruggen met elkaar te verbinden. Andere bijdragen gaan over stadsgidsen, monumentale panden en bouwhistorie. De archeologie is vertegenwoordigd met een bijdrage van Bert Ferrmin waarin hij verslag doet over de archeologische projecten die gedurende 2011 in Zutphen zijn uitgevoerd. Eén daarvan betreft een hoeveelheid schapenpoten als afval van een 19e-eeuwse lijmerij. Die locatie is niet de enige plaats waar men ooit beenderlijm heeft geproduceerd. Naar aanleiding van die vondst uit 2011 wijdt Bert vervolgens een afzonderlijk artikel aan de lijmerij in het Zutphen van de 18e tot en met de 20e eeuw.

Monumentenzorg en archeologie (gemeente Gouda), nieuwsbrief 39, juni 2012. De gemeente Gouda gaat op 68 locaties een ondergrondse afvalcontainer plaatsen. Naar analogie van wat in andere steden is gebeurd, verwachtte men bij archeologische begeleiding van dat project een dito aantal doorkijkjes in de historische stadsbodem te verkrijgen. Helaas blijkt in Gouda de hoge grondwaterstand roet in het eten te gooien. Het alternatief, een ‘mega core’-booronderzoek op de 68 locaties, blijkt minstens zo doeltreffend te zijn. ** *

Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, Jaarboek 2011, deel 147. Limburgs geschied- en oudheidkundig genootschap, 2012. ISSN 0167-6652. Geïll., 378 pag., € 22,50. In dit 147e deel uit een respectabele reeks wordt een oude traditie opnieuw leven ingeblazen, namelijk de opname van de provinciale archeologische kroniek, de net als in bijvoorbeeld Noord-Brabant, met het verdwijnen van de provinciale archeoloog in 1994 een stille dood stierf. In de toekomst zullen in deze reeks weer regelmatig resultaten van belangrijk archeologisch onderzoek worden opgenomen, aldus de redactie van de Publications. Als voorproefje van de kroniek die feitelijk pas volgend jaar zijn beslag krijgt, zijn dit jaar, onder redactie van Henk Stoepker, een drietal korte bijdragen opgenomen: - Een rijk Keltisch vrouwengraf uit Koningsbosch (Leo Verhart); - De vicus van Venlo, een logistiek centrum in de Romeinse tijd (Béatrice de Fraiture); - Een blik op de ontwikkeling van middeleeuws Sittard (Marion Aarts). Gerrit Groeneweg

** *

Literatuurrubrieken |

04-2012 binnenwerk def.indd 275

275

01-08-12 09:16


- advertentie -

Vacature penningmeester AWN In verband met het verstrijken van de statutaire zittingsduur van de huidige penningmeester roept het bestuur van de AWN vrijwilligers op zich kandidaat te stellen voor de functie van algemeen penningmeester van de AWN. De algemeen penningmeester is lid van het dagelijks en algemeen bestuur en hij/zij geeft daarmee mede sturing aan de organisatie van ruim 2.000 leden. Hij/zij is de eerst verantwoordelijke voor: • contacten over de financiële administratie door het bureau AWN, waaronder het samenstellen van de jaarrekening; • zorg dragen voor alle betalingen namens de AWN; • overleg met de redactie van Westerheem over de financiële verantwoording van de uitgave van het ledenblad en de budgetafspraken met de drukker van het blad. Daarnaast is hij/zij aanwezig op de eenmaal per jaar te houden afgevaardigdendag voor afdelingsbestuurders, waar zaken over de algemene ontwikkeling van de AWN worden besproken, en is hij/zij verantwoordelijk voor de financiële verantwoording aan de leden op de algemene ledenvergadering. Nadere inlichtingen kunnen verkregen worden bij de huidige penningmeester Joop Bosch via telefoonnummer 050-5011425 en via zijn mailadres bosch.joop@gmail.com.

Booronderzoek door vrijwilligers In Westerheem nr. 1 van dit jaar is door Iepie Roorda (RCE) en Tonnie van de Rijdt (AWN) het beleid van de RCE uitgelegd voor booronderzoek door vrijwilligers. Daar zijn enkele reacties op gekomen van AWNleden die dat beleid te streng vinden. Er is opnieuw uitgebreid overlegd tussen RCE en AWN, met de conclusie vast te houden aan het eerder beschreven beleid. De essentie daarvan is: in principe geen booronderzoek door vrijwilligers op AMK-terreinen, een algemene vrijstelling voor gebieden zonder archeologische onderzoeksplicht en vrijgegeven gebieden, en voor de overige situaties in overleg met de RCE. Booronderzoek door vrijwilligers in gebieden met een archeologische verwachting is dus niet verboden; het wordt per situatie bekeken. Het AWN-bestuur steunt dit beleid. Het levert inzicht in het soort onderzoeken en de bijbehorende doelen en over enige tijd zullen we evalueren hoe dat in de praktijk werkt. De reacties op het artikel en een nadere uitleg zijn te vinden op de AWN-website, te vinden op http://www. awn-nederland.nl.. Daar kunt u ook uw reacties geven.

276

04-2012 binnenwerk def.indd 276

01-08-12 09:16


De Vereniging Stuur uw berichten voor het Verenigingsnieuws en de agenda naar Marijn Lockefeer (redacteur Verenigingsnieuws)

Verenigingsnieuws AWN-meetpracticum tijdens het Romeinenfestival

bouwde Romeinse schip (liburna), de replica van een reiswagen die vanuit Katwijk langs de limes naar Nijmegen was gereden en de demonstratie van diverse ambachten.

Op 2 en 3 juni werd in Nijmegen weer een Romeinenfestival georganiseerd op het Kops Plateau. De AWN was hier goed vertegenwoordigd met twee stands. Voor het meet- en tekenpracticum mochten we beschikken over een ruime tent. Gelukkig maar, want de weergoden waren ons niet twee dagen lang goed gezind. De zaterdag bracht volop zonneschijn, maar op zondag was het terrein doordrenkt van de regen. Dit had helaas ook gevolgen voor de bezoekersaantallen: er kwamen beduidend minder mensen dan waarop de organisatie had gehoopt. Maar de aanwezigen hebben enorm genoten van het gevarieerde aanbod. Enkele hoogtepunten: de shows van de Romeinse legionairs, het in Millingen nage-

Onze werkgroep deskundigheidsbevordering had een meet- en tekenpracticum georganiseerd. Voor het meetpracticum hadden zich zes cursisten gemeld. Onder de bezielende leiding van docent Eric Dullaart maakten zij kennis met enkele handmatige meettechnieken (afb. 1). Ook Romeinse meettechnieken kwamen aan de orde. Er was zelfs nagebouwde Romeinse meetapparatuur aanwezig op het festivalterrein! De groep voerde opdrachten uit over het hele terrein, daarbij gehuld in opvallend gele fluorescerende vestjes, geleend van de Universiteit Leiden. De mannen hadden daardoor ineens heel andere namen gekregen! Bezoekers volgden de verrichtingen van onze cursisten met volle aandacht. Het geheel werd wel bijzonder realistisch toen gemeten werd aan de rand van de opgravingsputten van ADC ArcheoProjecten (waar die dag ook Romeinse vondsten werden gedaan) (afb. 2). ’s Zondags was de situatie iets minder rooskleurig. Gelukkig was daar onze tent, zodat binnen instructie kon worden gegeven. Drie cursisten hadden zich aangemeld voor het ‘gevorderden programma’ van deze dag. De meegebrachte regenpakken kwamen uitstekend van pas bij het oefenen met het Total Station en een GPS. De cursisten keerden zeer tevreden huiswaarts.

Afb. 1 Meten en graven moet ook worden gedocumenteerd. Foto: Annemarie Visser.

De tekendemonstratie werd verzorgd door Hans Bruggeman. Hij liet zien hoe aarde-

De Vereniging |

04-2012 binnenwerk def.indd 277

277

01-08-12 09:16


Afb. 2 Ook de jeugd groef mee. Foto: Annemarie Visser. Afb. 3 Inderdaad, zeer interessant! Foto: Annemarie Visser.

werk wordt getekend. Met name op de scholendag van vrijdag 1 juni was daarvoor veel belangstelling. Wie het tekenen zelf ook eens wilde proberen, was van harte welkom. We hoorden helaas nogal vaak mensen zeggen: “Ik kan helemaal niet tekenen�. Jammer, een gemiste kans om het hier te leren. We hadden nog een educatief aanbod in de tent: dierenbotten determineren door Joyce van Dijk. Vooral kinderen vonden dit zeer interessant (afb. 3). En wat is leuker dan zelf

iets in je handen mogen houden en het verschil te zien tussen het gebit van een plantenetend hert of een vleesetende kat? Succes verzekerd! Al met al mogen we terugzien op een geslaagd festival dat zeker ook voor de activiteiten van de werkgroep deskundigheidsbevordering een vervolg verdient. Anne-Marie Visser

Commissie Deskundigheidsbevordering op bezoek bij onze zuiderburen

Afb. 4 Onze gastheer aan het woord. Foto: Annemarie Visser.

278

Het is alweer even geleden, maar we willen graag onze bevindingen met u delen. Op 21 april namen zo’n veertig belangstellenden deel aan een excursie, georganiseerd door de commissie Deskundigheidsbevordering, ditmaal in het kader van maritiem onderzoek. Op een nog wat koude en natte voorjaarsdag bezochten we het Waterloopkundig Laboratorium in Borgerhout, een voorstad van Antwerpen. Daar wordt sinds 2010 onderzoek gedaan naar de kogge, een laat-middeleeuws vrachtschip dat in het najaar van 2000 werd gevonden bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van het Deurganckdok bij Doel. Het schip was 22 meter lang en 7 meter breed en lag ondersteboven in een oude stroomgeul. Na de opgraving is het uiteengenomen. Het schip wordt nu op een andere locatie in delen bewaard in grote bakken, gevuld met

| De Vereniging

04-2012 binnenwerk def.indd 278

01-08-12 09:17


water. De genummerde delen worden voor documentatie, onderzoek en conservering naar het laboratorium overgebracht, waar ze uiteraard ook onder water worden bewaard om uitdroging van het hout te voorkomen. In het laboratorium wordt het hout getekend en voor zover mogelijk geconserveerd. Het tekenwerk gebeurt met behulp van een apparaat, bestaande uit twee digitale armen die aan een computer zijn gekoppeld. Op deze wijze is het mogelijk een driedimensionaal beeld samen te stellen. Dat kan dan weer worden ‘afgedrukt’ in een kunststof schaalmodel van het onderdeel. We kregen een uitgebreide demonstratie hoe dit in zijn werk gaat. Voorafgaand aan het laboratoriumbezoek werd elders in het gebouw een interessante uitleg verzorgd door onze gastheren (en -vrouw) (afb. 4).

genieten van een speciale kogge-lunch (afb. 5), voor ons samengesteld en gepresenteerd door Claudia Vandepoel van ‘De Historische Keuken’ (afb. 6). Iedereen liet zich deze maaltijd goed smaken (afb. 7). Aldus gesterkt vertrokken we daarna per tram naar het Museum aan de Stroom (MAS). Daar kon een ieder in eigen tempo en naar eigen keuze de diverse afdelingen bezoeken, ter afsluiting van dit geslaagde evenement. In het museum hebben we in de maritieme afdeling onder andere een klein scheepsmodel van een kogge gezien, een mooie aanvulling op dit interessante laboratoriumbezoek.

Afb. 5 Het speciale menu. Foto: Annemarie Visser. Afb. 6 Tafel vol heerlijkheden. Foto: Annemarie Visser.

Anne-Marie Visser

Inmiddels hongerig geworden na deze stortvloed van nieuwe informatie, mochten we

Interessant artikel op onze website:’ Glas en glaspasta’ Met regelmaat werd (en wordt!) er gepubliceerd over Romeins glas, maar noemde de auteur dit ‘glaspasta’. Deze vergissing heeft een lange traditie. Glas is bekend in verschillende hoedanigheden. Om een hanteerbaar overzicht te krijgen worden in een artikel van François van den Dries de hoofdvormen behandeld. Deze zijn onder te verdelen in twee hoedanighe-

den: natuurlijk glas en kunststof. Dit artikel probeert enige klaarheid te brengen in de materie en de terminologie waarbij, waar zinvol, ook de Engelse benamingen worden vermeld. Mocht u interesse hebben voor dit gedegen verhaal, ga dan naar http://www.awn-nederland.nl/GlasEnGlaspasta.aspx.

Afb. 7 Akke de Vries: “Zo’n groot stuk lust ik wel”. Kees Daleboudt kijkt lachend toe. Foto: Annemarie Visser.

De Vereniging |

04-2012 binnenwerk def.indd 279

279

01-08-12 09:17


Agenda Berichten voor Westerheem 5-2012 (het oktobernummer) dienen voor 20 augustus bij ons binnen te zijn en de activiteit moet na het verschijnen (dus na 20 oktober) plaatsvinden. 24 oktober 2012 Afd. AVKP (Archeologische Vereniging Kempen- en Peelland) – lezing door Gerard Rooijakkers: ‘Brabantse volksgebruiken tussen eer en schande’. Gerard Rooijakkers (1962) is oud-hoogleraar Nederlandse Etnologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1994 op een onderzoek naar de historische volkscultuur in Noord-Brabant. Rooijakkers publiceerde ook over religieuze volkscultuur, visuele cultuur, feest en ritueel, volksrechtpleging, materiële cultuur en museologie. Deze lezing is de laatste in een cyclus ‘Kelten, Romeinen en Brabanders’, die heemkundekring De Vonder Asten-Someren dit najaar organiseerde. Uitgebreide informatie over deze cyclus op www.heemkundekringdevonder.nl. Plaats: Hotel Centraal, Wilhelminaplein 3 te Someren.

16 november 2012 Afd. Zeeland – lezing over de geschiedenis van het fort Sint Martijn op Hoogerwerf (OostZuid-Beveland) door prof. Han Leune. Deze lezing is georganiseerd door heemkundekring De Bevelanden. Informatie: www.hkdebevelanden.nl. Plaats: Historisch Museum De Bevelanden, Singelstraat 13 te Goes. 17 november 2012 Afd. Zeeland – bezoek aan gerestaureerd Stadhuismuseum te Zierikzee met nieuwe inrichting en presentatie. De rondleiding begint om 13.30 uur. Voor deelname graag uiterlijk twee weken van te voren aanmelden bij: Aukje-Tjitske Dieleman, aukjetjitske@hotmail.com (06-40346168) of bij Dicky de Koning, tddekoning@zeelandnet.nl, (0628615255).

Werk in Uitvoering Deze WIU maakt gebruik van periodieken van de afdelingen 7 - 8 - 13 - 16 - 21 - 23.

Afb. 8 Kolfslof, opgegraven bij boerderij Noorthey. Foto: Joanneke Hees (uit: Nieuwsbrief AWLV).

280

Nieuwsbrief AWLV nr. 32, mei 2012 (Afd. 7 - AW Leidschendam-Voorburg) Voorzitter van de AWLV is Kees van der Brugge en secretaris is Robert Hirschel. In mei hield Jeroen van Zoolingen een lezing over in het kader van het Odyssee-project uitgewerkt oud onderzoek naar een Romeinse havenplaats bij

Goedereede. Tussen 85 tot 225 moet dit één van de grotere plaatsen in het huidige WestNederland zijn geweest en ‘links’ met Forum Hadrianum maken dit onderzoek extra interessant voor de AWLV. In januari werden in Leidschendam-Voorburg de laatste drie van negen ‘stadsbakens’ geplaatst, met onder meer aandacht voor de Vlaardingen-cultuur. Joanneke Hees organiseerde voor afdeling Den Haag e.o. een excursie naar Utrecht waar resten van het Romeinse en middeleeuwse resten werden bekeken. Zoals eerder gemeld beschrijft Joanneke de PUG-collectie, met ruim 10.000 objecten één van de belangrijkste Romeinse archeologische collecties. De problemen die het tweede brandje veroorzaakte, zijn vrijwel opgelost. Bram van den Band deed waarnemingen tijdens grondwerk aan de Damlaan, waaronder

| De Vereniging

04-2012 binnenwerk def.indd 280

01-08-12 09:17


een waarschijnlijk niet verstoorde laag met mariene schelpen. Wim van Horssen bespreekt weer een interessante vondst van boerderij Noorthey. De boer was wellicht verslingerd aan het kolfspel, want ditmaal gaat het om een loden kolfslof (afb 8). Zo’n slof bevond zich aan het verbrede uiteinde van de stok waarmee het spel werd gespeeld. Het kolfspel is een voorloper van golf, maar regionaal wordt ook nog wel gekolfd. Andere hier gevonden spelartikelen zijn: een bikkel, een speelgoedhorloge en een klappertjespistool. De N. besluit met een foto van een mooie maquette van een Romeinse stad, gemaakt door Luke Kramer. Terra Nigra nr. 180, april 2012 (Afd. 8 - Helinium) Het bestuur blijft ongewijzigd: Guus van de Poel (voorzitter), Rikkert Wijk (penningmeester), Hilde van Wensveen (secretaris) en Albert Luten. Gelet op het bezoek van de werkavonden en de lezingen en op de initiatieven waarmee diverse leden komen kan worden gesteld dat Helinium bloeit. Dat blijkt eveneens uit de jaarverslagen. Om nieuwe leden door een basiscursus veldwerk bekend te maken met het veldwerk is een werkgroep BuitenEducatie opgericht die dit gaat verwezenlijken. Er is intussen al geoefend.

Henny Warmerdam vertelt hoe dat ging op een weiland met schapen in Oudenhoorn, waar Roel de leerzame dag afsloot met een orgelconcert in de Oudenhoornse kerk. Carolien, één van de cursisten, vertelt hoe een oefenweekend in Vlaardingen verliep op een (vrijgegeven en met toestemming van de RCE) terrein waar een school was afgebroken. Het was erg leerzaam, maar het weer werkte niet steeds mee, wat het werk bemoeilijkte. Carolien constateert dat ze meer een mooi-weer-veldwerker is (afb. 9). Het activiteitenprogramma tot en met augustus toont een grote verscheidenheid aan activiteiten: werkavonden (woensdagavonden), Helinium-zaterdagen (eerste zaterdag van de maand), een lezing en proeverij rond Hildegard von Bingen (Historische Keuken), excursies (naar Zuid-België en Noord-Frankrijk, rond Winterswijk en naar Sardinië), een videoavond, een lezing over het Huys ter Nieuburch (Rijswijk), het Helinium-midzomerfeest en ten slotte experimentele archeologie (pottenbakken in een veldoven). Enkele leerlingen meldden zich op een stagemarkt in Vlaardingen aan voor een maatschappelijke stage bij Helinium en één van hen, Glenn Stoker, toont zich in zijn verslag tevreden over de stage. Het kerstdiner viel ook goed in de smaak en Addy Meeuwisse gaat in op de mispel die was

Afb. 9 Oefenweekend : zo meet je alles in en leg je het vast. Foto: Ellen Groen (uit: Terra Nigra).

De Vereniging |

04-2012 binnenwerk def.indd 281

281

01-08-12 09:17


Afb. 10 Duikers zitten klaar om het onderwaterteam af te lossen. Foto: nb (uit: Jaarverslag Afd. 13).

verwerkt in een gelei voor de cake. Jan van Oostveen onderzocht het pijpenmateriaal van de opgraving Hoog Lede, een 17e-eeuws herbergcomplex. In de herberg werd uit goedkope of iets beter afgewerkte pijpen gerookt, meegenomen naar de herberg of aldaar aangeschaft. Na circa 1650 worden steeds meer Goudse pijpen gebruikt. Jeroen ter Brugge verzorgde een presentatie over houtdeterminatie, waarna Helinium het hout van een opgraving in 2003 (Kandelaarweg) hoopt te kunnen determineren. Zoals altijd sluit TN af met onlangs verschenen boeken en krantenknipsels. Jaarverslag 2010 (Afd. 13 - Naerdincklant) In 2010 bestond het afdelingsbestuur uit John van der Sar (voorzitter), Liesbeth Wierenga (secretaris), Ton Kok (penningmeester), Anton Cruysheer (vondstcoördinator) en Marc Camfferman (veldcoördinator). De afdeling is blij met de bronzen legpenning die Jonny Offerman kreeg uitgereikt. Ruim 100 pagina’s telt dit Jaarverslag, waarvan Wim Schaap het grootste deel vult met een fascinerend verslag van de zoektocht naar een kerkklok uit Oud-

282

Loosdrecht. In het rampjaar 1672 beroofden de Fransen diverse kerktorens van hun klokken, ook die van Oud-Loosdrecht. Naar aanleiding van verhalen dat één van die klokken in de Vuntusplas zou zijn achtergebleven begint een onderzoek naar die klok. Saillant is dat er nu een Franse klok hangt in de Loosdrechtse toren, waarvan mag worden aangenomen dat die in 1674 door Nederlandse troepen onder leiding van Cornelis Tromp uit een kerk op het eilandje Nourmoutier (bij de monding van de Loire) is gehaald. Of Tromp er persoonlijk voor zorgde dat Loosdrecht met deze klok werd verblijd is minder zeker. Zeker is wel dat Andre Joubert, een uit Nourmoutier meegenomen Franse gegijzelde, tijdens zijn gevangenschap in Holland het bekende lied ‘Auprès de ma blonde’ componeerde. Duikteam ‘La Cloche’ zocht in 2007-2009 met geavanceerde middelen een deel van de Vuntusplas af, ontdekte ook diverse zaken op de bodem, maar helaas geen klok (afb. 10). Op verzoek en met steun van de RCE verbreedt het duikteam het onderzoek door onder meer de locaties van enkele aangetroffen wrakjes en die van een middeleeuws zwaard te onderzoeken. Dat is mooi en de kans

| De Vereniging

04-2012 binnenwerk def.indd 282

01-08-12 09:17


de diverse in gebruik zijnde coördinaatsystemen, daarbij mede geïnspireerd door de nieuwe en zeer nauwkeurige mogelijkheden van plaatsbepaling. Geen eenvoudige materie, maar wel interessant. Gelukkig hebben wij voorlopig voldoende aan het referentiesysteem ETRS89 dat op wereldschaal weliswaar wat ‘liegt’, maar in de praktijk op onze aardschol voldoet. Elders in het J. beschrijft Ruud een door hem op de Aardjesberg bij Hilversum gevonden neolithische boor en hoe hij een vuistbijl maakte van vuursteen uit de groeve ’t Rooth bij Cadier en Keer: misschien nog geen echte A-kwaliteit, maar hij ziet er aardig uit. Ook zijn ‘mes van Ötzi’ mag er overigens zijn. Al in 1974 vond Ellen van Galen-Last op het strand van Muiderberg een neanderthalerwerktuig dat door Niekus en Stapert is gedateerd in het Eemien en/of eerste deel van het Weichselien. De zwarte patina op de vuursteen wijst op een lang verblijf in stilstaand water. Het leven van de Neanderthalers speelde zich grotendeels af langs rivier- en meeroevers.

om hier diepgaand archeologisch onder waterte kunnen blijven, wordt dankbaar aangegrepen. Maar ja, die klok, wie weet... Laten we niet aan de rest van het J. voorbijgaan, want ook die is lezenswaardig. Zo bracht John van der Sar de archeologie in een Hilversumse basisschool en koos Anton Cruysheer als vondst van het jaar een oogstrelende riemhanger uit vermoedelijk 1575-1625, gevonden door Olaf Langendorff tussen Huizen en Naarden nabij het IJzerenveld (Bikbergen) (afb. 11). Overigens meldt Cruysheer in dit J. nog meer leuke vondsten: van een bij Hilversum gevonden vuursteen van Neanderthalers tot Naardense kanonskogels. In de serie Schatvondsten ditmaal een muntvondst uit de kerk van Eemnes, waar onder de vloer nog meer mag worden verwacht. Een veldverkenning op het eerder genoemde IJzerenveld leverde diverse metaalvondsten op: munten (1628 tot 1929) en knopen (18e eeuw), waarna Norbert Voorbach nog even aangeeft wat je vooral niet moet doen met gevonden metaal. Bij een andere gelegenheid hoopt hij te vertellen wat er wel kan en moet met dit soort vondsten. Ruud van Minnen geeft uitleg over

Jaarverslag 2011 (Afd. 16 - Nijmegen e.o.) Het bestuur bestaat nu uit Marijke Pennings (voorzitter), Leo ten Hag (secretaris), Miriam de Groot (penningmeester), Astrid van Eekeren en Mike den Hartog. Het aantal leden van de afdeling was op 1 januari jl. 152. In 2011 namen leden van de afdeling deel aan allerlei activiteiten en daarvan geeft het Jaarverslag diverse voorbeelden. Onderzoek onder water naar een Romeinse brug tussen Venlo en Blerick leverde van alles op: onder meer winkelwagens en auto’s, maar ook een blok natuursteen met ijzeren klampen van de 19e-eeuwse spoorbrug en een zware eikenhouten funderingspaal, ‘dendro’-gedateerd op 1574-1590. De laatste vondst zou te maken kunnen hebben met de belegering van Venlo door Parma in 1585. Resten van een Romeinse brug zijn echter niet gezien. Arjan de Haan vond in Groesbeek een bronzen sikkel van een type dat voorkomt in de Midden en Late Bronstijd (ca. 1800-800 v.C.). Van deze sikkels zijn er tot nu toe ongeveer dertig gevonden in Nederland, voor een groot deel in het rivierengebied, maar er waren ook depotvondsten in Drouwenerveld (Dr) en Heiloo (N-H). Bij die laatste vondst werden naast een bronzen sikkel ook vuurstenen sikkels aangetroffen. Het overzicht van de AW Cuijk noemt tal van interessante vondsten. Toen bij een café aan het kerkplein in Cuijk een bierkelder zou worden uitgegraven kreeg de AW toestemming van de eigenaar om dit archeologisch te begeleiden, hoewel dit vanwege de geringe oppervlakte (10 m2) formeel niet was verplicht. Gevonden werden een Romeins/middeleeuw-

De Vereniging |

04-2012 binnenwerk def.indd 283

283

01-08-12 09:17


bleek te zijn, een dag later door de EOD gecontroleerd tot ontploffing gebracht. De kraanmachinist en ouders van omwonende kinderen mogen en zullen Kusters dankbaar zijn voor zijn gepiep. De AW bracht enkele adviezen uit aan de gemeente Cuijk en rondde een rapportage af van de archeologische begeleiding van de sloop van een pand aan de Kerkstraat. Al vaker was sprake van vondsten van ’t Uiversnest in Deest. Bij de bouw van een schuur vond de fam. Litjens onder andere tien grote potten van grijsbakkend aardewerk uit de 14e-15e eeuw. Gedacht wordt aan een gebruik als muizenpot. Mike den Hartog en Piet Verweij bestudeerden Romeinse fibulae van het platteland (Betuwe, Land van Maas en Waal, Rijk van Nijmegen), waarbij in kort bestek gewone en minder gewone fibulae aan de orde komen. De AWN verleende ook assistentie aan archeologische opgravingen. Het BAM Nijmegen vond op de Scheidemakershof in Nijmegen resten van een Romeinse weg, sporen van Romeinse huizen, wellicht een badhuis en een stenen bouwwerk uit de 15e eeuw, vermoedelijk het Begijnenhuis uit 1433. Bij het Hertogplein vond men de fundering van een Romeins gebouw met kelder/afvalkuil en – voor het eerst in een burgerlijk gebouw – een met houten palen en schotten gemaakte wateraanvoer (afb. 12). In de Waalsprong waren er de voetafdrukken van een volwassene en een kind uit 2500-1000 v.C. met veel hoefafdrukken. Later waren er ook haksporen in de buurt van een cluster van paalgaten uit de 8e eeuw v.C. In Wijchen-Bijsterhuizen legde Hazenberg Archeologie sporen van huizen uit de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd bloot: zwervende erven.

Afb. 11 Riemhanger, gevonden tussen Naarden en Huizen, wsch. 1575-1625. Foto: Olaf Langendorff. (uit: Jaarverslag Afdeling 13).

se afvalkuil (aardewerk en bouwmateriaal) en een Romeins/middeleeuwse gracht of greppel met onder meer een geschuts- of slingerkogel van tufsteen. Jongere vondsten waren een zilveren muntje uit de tijd van Jan van Kuyc (13e eeuw), een Bleijensteinse duit (Frankfurter Judenpfennig) uit 1819, een medaillon Notre Dame de Liesse met een afbeelding van Maria Magdalena en Christus (circa 1650) en een muntgewicht voor een Engels pond van Jacobus I (1644). In een akker tussen Cuijk en Oeffelt vonden Ton van der Zanden en Jan Kusters een stukje van de Romeinse weg naar het zuiden. Elders kreeg Kusters tijdens de aanleg van een vijver bij een oud herenhuis een ‘breed’ signaal, dat na voorzichtig vrijmaken een brisantgranaat

284

Aardewerk, december 2011&maart 2012 (Afd. 21 - Flevoland) Deze A. is een gecombineerd nummer van december-maart met onder meer diverse jaarverslagen. Blijdschap alom omdat Dick Velthuizen de Grote Prijs der Nederlandse Veldarcheologie won. Voor veel mensen is hij ‘het gezicht van de archeologie in Flevoland’. Het bestuur bestond in januari 2012 uit Jan Boes (voorzitter), Jan Werschkull (penningmeester), Ellen van Galen-Last en Cees Groothoff. Ellen van Galen verlaat het bestuur en Wim Boxsem treedt toe. De functies van secretaris en promotie/educatie zijn vacant. Er werd in 2011 het nodige aan deskundigheidsbevordering gedaan: een voorbereidende tekencursus op de uitgebreide veldcursus, workshops over het herkennen van visresten (door Bob Beeren-

| De Vereniging

04-2012 binnenwerk def.indd 284

01-08-12 09:17


hout en Franka Kerklaan), een excursie naar Urk en de cursus veiligheid in archeologie. Er waren verkenningen rond Dronten: rond de Golfresidentie, aan de Garnaalweg en de Alikruikweg. Op al deze locaties waren de vondsten mager. Een verkenning in de Noordoostpolder leverde veel vuursteen op, terwijl een verkenning in Zeewolde vondsten opleverde van verschillende aard (Laakseslenk). De eerder genoemde excursie naar Urk voerde naar de pleistocene bottenverzameling van Albert Hoekman. Zijn botten zijn door vissers opgevist uit de Noordzee en door Hoekman opgekocht. Albert verzamelt de botten niet alleen maar weet er ook veel over te vertellen, zodat het voor de bezoekers een leerzame dag werd. In 2009 ging het project ‘Ongeland’ van start. Een komend boek zal zeventien vliegtuigwrakken beschrijven. In Almere vond in oktober een ‘Zuiderzeedag’ plaats om te vieren dat 11 van de 27 gevonden Almeerse scheepswrakken rijksmonument zijn geworden. Geen van deze wrakken is te zien; ze bevinden zich alle nog of weer in de bodem. De afdeling was hier aanwezig met een stand. Leden van de ‘vrijdagploeg’ zijn begonnen aan een catalogus van 1500 pijpenkoppen in een ladenkast op het Nieuwland Erfgoedcentrum. Zelfs de eerste van de tien laden (waarin veel materiaal van de oostkant van Schokland) zorgt al voor een verrassing: opvallend veel pijpenkoppen dateren uit de periode 1730-1780 met een top rond 1750-1760. Bij de afdeling is de dvd ‘De weerspiegeling van een ver verleden’ verkrijgbaar die uitleg geeft over de Prehistorie in de Flevopolders. De dvd is ook geschikt voor kinderen en ingesproken door Astrid Doppert. Een mevrouw uit Nieuwegein meldde zich bij het NLE met een mooie, vrijwel complete bijl, gemaakt uit een elandgewei en eind jaren ’80 van de vorige eeuw gevonden in Oostelijk Flevoland. De bijl dateert vermoedelijk uit 20001100 v.C., maar 14C-onderzoek zal zorgen voor een nauwkeuriger datering (afb. 13). Bij controle bleek in 1960 in dezelfde omgeving een vrijwel identiek exemplaar te zijn gevonden. Zoals gebruikelijk sluit Saskia Thijsse de A. af met een overzicht van tentoonstellingen, lezingen, symposia en wetenswaardigheden.

Na nieuws over cursussen, lezingen en excursies kom ik bij het veldwerk in en buiten de regio. In april startte in Eindhoven een opgraving op de plaats waar een onderkelderd winkelgebouw ‘Bubble’ komt, midden in de vroegere stadsgracht. Het overzicht van archeologisch onderzoek in de regio vermeldt veel projecten, maar nog veel vraagtekens wat betreft de uitvoerende instanties en de uitvoeringsperiodes. Het gaat om diverse soorten van onderzoek in Best, Bergeijk, Aalst, Geldrop, Hulsel, Nuenen, Knegsel, Valkenswaard, Eersel, Heeze, Waalre, Wintelre, Budel, Beek en Donk, Handel, Reusel en Bladel. Kinderen van groep 8 van een basisschool in Blixembosch Noordoost mochten straatnamen bedenken voor de nieuwe woonwijk. De namen worden gekozen uit de ruim honderd suggesties waar de kinderen mee kwamen. Ter inspiratie vertelden een stedenbouwkundige en de stadsarcheoloog vooraf over het archeologisch onderzoek dat daar plaatsvond en over de te bouwen wijk (afb. 14). In Meerhoven kon door de inzet van veel vrijwilligers de locatie van een toekomstig transferium volledig worden onderzocht. Dit leverde enkele huisplattegronden uit de Romeinse

Afb. 12 Het opgraven van de Romeinse waterleiding op de Scheidemakershof. Foto: Dick Roetman (uit: Jaarverslag Afdeling 16).

AVKP-actueel nr. 44, april 2012 (AV Kempenen Peelland) De AVKP wordt rechtspersoon, mogelijk door de statutenwijziging van de landelijke AWN. De SteunStichting AVKP wordt opgeheven en daardoor ontstaat een voor de leden duidelijker structuur.

De Vereniging |

04-2012 binnenwerk def.indd 285

285

01-08-12 09:17


Afb. 13 Bijl van elandgewei, waarschijnlijk Vroege/MiddenBronstijd. Foto: Dick Velthuizen (uit: Aardewerk).

Afb. 14 Hanneke van Alphen geeft uitleg aan schoolkinderen. Foto: Jeroen Appels/ van Assendelft - Brabants Dagblad (uit: AVKP-actueel).

tijd, middeleeuwse houtskoolmeilers en voorwerpen uit de Steentijd op. In Uden vindt er gelukkig toch archeologische begeleiding plaats bij werkzaamheden onder de vloer van de Kruisherenkapel, waardoor de AVKP een eerder ingediende ‘zienswijze’ kon intrekken. Een proefsleuvenonderzoek bij de Bitswijk basisschool trok – mede door voorlichting door de AVKP – veel belangstelling van de leerlingen, maar de resultaten beperkten zich tot enkele recente sloten. In Valkenswaard ontdekten archeologen van IDDS een ijzertijd-boerderij met bijgebouwen en begeleidende vondsten en nog twee middeleeuwse boerenerven. Later kwamen in aanwezigheid van regio-archeoloog (en collega-redactielid) Ria Berkvens nog negen potten uit de Vroege IJzertijd te voorschijn. Namens de AVKP is Bas Verbeek nu contactpersoon voor de gemeente Valkenswaard. Hij probeert ook de onderbelichte historie van de gemeente in kaart brengen.

In mei was er een contactdag rond Vessem die door lezingen (Karel Leenders, Liesbeth Theunissen) en een fietstocht een koppeling legde tussen archeologie en historisch landschap. Na de vreugdevolle melding dat actuele archeologische rapporten tegenwoordig online bereikbaar zijn bij de bibliotheek van de RCE lees ik dat in de Eindhovense Catharinakerk een tentoonstelling zal zijn te zien over het archeologisch onderzoek van de middeleeuwse voorganger. In het najaar zijn er bovendien enkele lezingen en verschijnt een uitgebreid onderzoeksrapport. Jacques Gerritse en Ellen van der Steen leggen uit wat de Activiteitencommissie doet en wie dat zijn. Het blijkt dan dat de AC eigenlijk voor alles zorgt binnen de vereniging, het veldwerk uitgezonderd: van AVKP-actueel tot Historische Kookclub. De laatste zorgde tijdens de Jaarvergadering voor een proeverij van historische gerechten van Romeinse tijd tot de Middeleeuwen. Vanwege de vele enthousiaste reacties geeft deze A. de recepten van gehakte paddenstoelen en notentaart. Na de aanwinsten voor de bibliotheek zoals gewoonlijk achterin nieuws van de RO-groep en het bestuur. De AVKP zond de vijf Kempengemeenten een brief waarin zorg wordt uitgesproken over het streven om in agrarische gebieden de verstoringsdiepte voor een archeologische onderzoeksplicht te vergroten van 30 naar 50 cm. Hierdoor zouden veel archeologische vindplaatsen ongezien kunnen verdwijnen. Zoals al eerder gemeld waren de inspanningen van de AVKP met betrekking tot archeologische begeleiding in Uden succesvol. Jan Coenraadts

286

| De Vereniging

04-2012 binnenwerk def.indd 286

01-08-12 09:17


Column

Blunder op blunder Ja hoor, de archeologie groot op de nationale zender. Eindelijk weer eens aandacht voor ons mooie vak met zijn spectaculaire vondsten en belangrijke wetenschappelijke gevolgtrekkingen, maar dat was in dit geval geheel anders. Een blunder van een lokale ambtenaar had grote archeologische gevolgen, meldde het toch wat opgewonden intro van het journaal. Nu komt een blunder niet zomaar op de televisie. Op zijn minst moet het om een politicus gaan, een ministerie, een groot, liefst internationaal bedrijf of de rechterlijke macht die toch wel heel erg over de schreef moeten zijn gegaan. Nee, nu was het een – overigens onbekende – gemeenteambtenaar van Borger. Met een wat vileine stem, waarin het leedvermaak overduidelijk doorklonk, legde de journaallezer uit dat dit de man was die toestemming had gegeven een terrein dat vlak naast een hunebed lag af te graven. Nu zijn er, met name in Borger, mensen die graag een hunebed willen opgraven en dit kwam er heel dichtbij. Er waren spectaculaire vondsten gedaan en de archeologen waren maar wat blij met de blunder van die ambtenaar. Hun ogen straalden en de mogelijkheid van nieuw verworven kennis en nog verdere vergezichten, lagen al op hun lippen. Daar hadden ze het dan ook over: het moesten sporen zijn van een nederzetting, nog nooit ontdekt in ons land. Ware schatten dus

voor archeologen. De journaalstem meldde nog dat de vindplaats geheim werd gehouden om schatgravers op een afstand te houden en dat natuurlijk alles grondig uitgewerkt moest worden. Op de achtergrond van de opgraving was een hunebed te zien die in de nieuwe hunebeddengids van Wijnand van der Sanden zo terug te vinden zou zijn. Geheim is dus, in dit verband, een uiterst relatief begrip. Nu willen ze bij de televisie altijd spannende beelden en die scherven, stukjes vuursteen, een fragment van een stenen bijl of een vaag grondspoor, heeft men liever niet. Die zien er niet uit en illustreren op geen enkele wijze de opwinding rond de bijzondere en unieke vindplaats. Geen nood voor een archeoloog die ook blij is eens het nieuws te halen. Scherven zijn fragmenten van ooit hele potten en zou het niet veel beter zijn voor de verwende kijker als hij nu eens een complete pot op zijn scherm zou zien? Een complete pot, een trechterbeker nog wel, de naamgever van de cultuur van de hunebedbouwers, een museumexemplaar, kwam dan ook groot in beeld. De pot lag in het zand en leek net te zijn gevonden. Dat hadden de archeologen heel goed gedaan. Het inventarisnummer was namelijk niet zichtbaar. Een echte kenner zag natuurlijk dat er losse grond omheen lag, maar helaas, ook voor de gewone niet archeologisch geschoolde kijker was heel goed te zien dat de pot was gerestaureerd! Column |

04-2012 binnenwerk def.indd 287

287

01-08-12 09:17


AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap..................................................................................................................€ 50,00 studentlidmaatschap..............................................................................................................€ 30,00 jeugdlidmaatschap.................................................................................................................€ 27,50 geassocieerd lidmaatschap....................................................................................................€ 40,00 huisgenoot-lidmaatschap......................................................................................................€ 25,00 + eenmalig inschrijfgeld.........................................................................................................€ 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Alleen lidmaatschap A, B en C geven recht op toezending van het verenigingsblad ‘Westerheem’.

huisgenootlidmaatschap verbonden worden (wat wel mogelijk is bij het basislidmaatschap).

Het basislidmaatschap verleent de volgende rechten: - toezending Westerheem - AWN-verzekering op AWN-opgravingen - toegang tot excursies van de Afdelingen en het Hoofd-bestuur - toegang tot graafactiviteiten onder de vlag van de AWN - toegang tot de graafkampen van de AWN - stemrecht op de Algemene Ledenvergadering.

Het geassocieerde lidmaatschap staat open voor allen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische Kringen, Oudheidskamers, etc.) met een geldig basislidmaatschap.

De rechten van het basislidmaatschap zijn ook van toepassing op het studentenlidmaatschap en het jeugdlidmaatschap (14 t/m 18 jaar). Voor het huisgenootlidmaatschap geldt hetzelfde, maar zonder recht op Westerheem. Ten opzichte van het basislidmaatschap kent het geassocieerde lidmaatschap de volgende beperkingen: - geen toezending van Westerheem en - geen stemrecht op de Algemene Ledenvergadering - aan het geassocieerde lidmaatschap kan geen

Zij die zich voor het studentenlidmaatschap of ge­ associeerde lidmaatschap aanmelden, dienen bij hun aanmelding een kopie te voegen van hun geldige studentenkaart of het lidmaatschap van de aangesloten zusterorganisatie. Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI).

AWN-uitgaven Bij de AWN zijn de volgende uitgaven verkrijgbaar:

prijs in € (incl. porto) leden

niet-leden

AWN-reeks 1. Zusters tussen 2 beken. Graven naar klooster ter Hunnepe (138 pag.’s)

12,95

16,95

AWN-reeks 2. Vingerhoeden en naairingen, uit de Amsterdamse bodem (112 pag.’s)

11,75

16,75

AWN-reeks 3. Schervengericht. Inheems aardewerk derde en vierde eeuw in de Kop van Noord-Holland (167 pag.’s)

15,50

21,50

AWN-reeks 4. Poken en stoken, 100 ambachtelijke ovens (272 pag.’s)

12,50

15,00

Jubileumboek Archeologie in veelvoud. Vijftig jaar AWN (254 pag.’s)

22,95

22,95

CD-Rom met 50 jaar Westerheem (1952 -2002)

25,00

35,00

Naaldbanden voor archivering Westerheem

14,50

Losse nummers van Westerheem, voorzover voorradig en tot maximaal 5 jaar geleden, zijn na te bestellen voor € 5,00 en speciale uitgaven voor € 7,50. De uitgaven kunnen worden besteld door overmaking van het vermelde bedrag naar ING bank 577808 t.n.v. Penningmeester AWN, Gravenmaat 13, 9302 GA Roden met vermelding van de gewenste titel.

04-2012 binnenwerk def.indd 288

01-08-12 09:17


Sinds 1951 zijn vrijwilligers in de archeologie verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

5

Westerheem

www.awn-archeologie.nl jaargang 62 - oktober 2013

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

AWN-leden maken geschiedenis!

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

THEMANUMMER:

ROMEINEN 05-2013 omslag.indd 1

30-09-13 17:26


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN - Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie

Inhoud

jaargang 62 no. 5, oktober 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart. Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd. Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen)

Redactioneel ................................................................ 225 Ton van Bommel De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers ..... 226 Jan-Willem de Kort Het Kanaal van Corbulo: onderzoek naar een Romeinse waterweg in de gemeente Leidschendam-Voorburg tussen 1989 en 2010 .................................................... 233 Wilco de Jonge Nieuw inzicht in de periode van Gnaeus Domitus Corbulo als de keizerlijke legaat voor Germania Inferior................................................. 244 Wilco de Jonge Rogge als 'gidsfossiel'?................................................ 246 Peter Seinen, Tessa de Groot en Harry van Enckevort Geheimen van het Wijchens Meer. Romeinse vondsten uit natte context .......................................................... 249 Joanneke Hees Archeologen aan het werk ........................................... 261 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN… Den Haag Haga post bellum: hoe de AWN het Romeinse platteland ontdekte ................................................... 268 LITERATUURRUBRIEKEN ........................................... 277 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ..................................................... 280 Werk in Uitvoering ..................................................... 284

© AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie.

COLUMN .................................................................... 288

Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: Bek, Veghel

Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen ......... binnenzijde omslag achter

ISSN 0166-4301 Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adreswijzigingen door te geven aan de ledenadministratie via: awn@vandinther.nl Foto omslag: Romeinse gouden broche met granaatjes, in 1893 door het PUG opgegraven in Vechten. Foto: PUG-collectie, Erfgoed gemeente Utrecht. [zie pag. 263]

05-2013 omslag.indd 2

Adressenlijst hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: H.J. (Harmen) Spreen, De Pauwentuin 19, 1181 MP Amstelveen, tel. 020-4537021/020-3473457 (tijdens kantooruren), e-mail: h.j.spreen@sportbedrijfamstelveen.nl INGbank 577808 t.n.v. penningmeester AWN Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl

Kijk op www.awn-archeologie.nl voor:

• J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: vacant • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutseln 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com

• de contactgegevens en het activiteitenoverzicht van de 24 regionale afdelingen van de AWN •n  abestellen AWN-uitgaven

AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap............................ € 50,00 studentlidmaatschap........................ € 30,00 jeugdlidmaatschap............................ € 27,50 geassocieerd lidmaatschap.............. € 40,00 huisgenoot-lidmaatschap................. € 25,00 + eenmalig inschrijfgeld................... € 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Het lidmaatschap als basislid, studentenlid en jeugdlid geeft als rechten: • Toezending Westerheem • AWN-verzekering op AWN-opgravingen en bij AWN-activiteiten • Toegang tot de landelijke en afdelingsactiviteiten van de AWN • Stemrecht op de algemene leden vergadering.

als organisatie een basislidmaatschap van de AWN heeft. Geassocieerde leden ontvangen geen Westerheem en hebben geen stemrecht op de algemene leden vergadering. Na aanmelding wordt u ingedeeld bij de afdeling waar uw woonplaats onder valt. Wanneer u zich graag bij een andere afdeling wilt aansluiten kunt u dat bij uw aanmelding opgeven.

Huisgenoten hebben alle rechten met uitzondering van Westerheem. Een huisgenotenlidmaatschap kan alleen verbonden worden aan een basislidmaatschap. Het geassocieerde lidmaatschap staat alleen open voor hen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische kring, heemkundekring oudheidkamer, etc) die

Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI) 30-09-13 17:26


Redactioneel

De Romeinen zijn zo’n twee millennia geleden spectaculair aanwezig geweest in Europa en omstreken, dus ook in de Lage Landen. Het zal inderdaad een spektakel zijn geweest voor onze voorouders: eerst dat militaire vertoon en later het bouwen van een castra en een aantal castella plus daarbij horende infrastructuur. Volgens de Romeinen zelf pasten al deze zaken in hun politiek van pacificatie (letterlijk ‘het stichten van vrede’), een mooi woord voor een niets en niemand ontziende machtspolitiek. Daarom heb ik eigenlijk, ook tijdens mijn studie Klassieke Talen en Cultuur, meer met de Grieken gehad (ook al had een stad als Athene zeker imperialistische trekken). Maar ja, jammer genoeg waren voor de Grieken onze contreien te ver, als je tenminste geen geloof hecht aan de auteur die, niet gehinderd door enige etymologische kennis, de Griekse held Odysseus hier heeft laten rondzwerven. De naam Vlissingen komt volgens hem van de Latijnse naam van Odysseus, Ulixes, en, nog sterker, al die Zeeuwse plaatsnamen op ‘–kerke’ hebben te maken met ‘Kirke’, de tovenares die Odysseus op zijn zwerftocht ontmoette!? Jammer; de hoofdpersoon van dat prachtige heldendicht van Homerus is hier echt niet geweest! Dus toch maar aandacht voor de Romeinse archeologie, want dat is wél een vreedzame bezigheid, waarvoor – terecht – veel interesse bestaat. Dat blijkt onder andere uit het grote aanbod aan kopij, dat wij als redactie onder ogen krijgen. In dit speciale Romeinennummer staan de forten bij Vechten weer in de belangstelling in een interessant artikel van Ton van Bommel, vullen Wilco de Jonge en Jan-Willem de Kort elkaar aan in nieuwe informatie die uit opgravingen aan het kanaal van Corbulo (bij Leid-

schendam) gehaald kon worden over de loop van het kanaal, de periode dat Corbulo legaat van Germania Inferior was en hoe het zat met het verbouwen van rogge in de laat-Romeinse periode. Peter Seinen beschrijft in een bijdrage met de intrigerende titel ‘Geheimen van het Wychens Meer’ een serie van drie onderzoeken waaruit men zou kunnen afleiden dat daar op de Maasoever veel grotere activiteiten hebben plaatsgevonden in de Romeinse tijd dan tot nu toe is gedacht, Joanneke Hees vertelt over de PUG-collectie (Provinciaal Utrechts Genootschap) die semipermanent in het Utrechtse Centraal Museum is tentoongesteld en Jeroen van Zoolingen verhaalt in ‘Haga post bellum’ over de ontdekking van het Romeinse platteland. In een aantal van deze artikelen (Ton van Bommel, Joanneke Hees en Jeroen van Zoolingen) is duidelijk dat de rol van amateurarcheologen cruciaal is geweest bij het archeologisch proces! Laten we dát in onze zak steken! Ten slotte: eigenlijk zou u na dit redactioneel eerst de column van Evert van Ginkel op de laatste bladzijde moeten lezen; onaf hankelijk van elkaar hebben wij classici (al dan niet ‘gesjeesd’) de Romeinen enigszins van romantiek ontdaan. Desalniettemin, veel genoegen met deze Romeinen-Westerheem, want de Romeinse archeologie is bijzonder interessant en, laten we wel wezen, de Romeinen hebben veel voor ons betekend. Marijn Lockefeer

Redactioneel |

05-2013 binnenwerk.indd 225

225

30-09-13 14:01


De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers Ton van Bommel1

In dit artikel wordt ingegaan op de archeologische activiteiten die in de afgelopen vier jaar hebben plaatsgevonden in en rond de forten in Vechten en de rol die (voornamelijk AWN-) vrijwilligers daarin hebben gehad. Die rol was aanzienlijk. Dat komt natuurlijk door de enthousiaste inzet van die vrijwilligers, maar ook door de goede samenwerking met de opdrachtgevers, de Dienst Landelijk Gebied van de Provincie Utrecht, archeologische bedrijven, het Landschap Erfgoed Utrecht en de AWN.

daarna volgt zwaar geboomte waar met enige moeite de contouren van een fort in te onderscheiden zijn. Onder de boomgaard liggen de resten van het Romeinse fort Fectio en tussen het geboomte ligt het 19e-eeuwse fort Vechten (afb. 1).

Afb. 1 Luchtfoto uit 1997. Onder het trapeziumvormig stuk land bovenaan de foto ligt het castellum. Rechts de A12 . Foto: Provincie Utrecht sector RRE. Wie over de snelweg A12 van Utrecht in de richting van Arnhem rijdt, ziet vlak voorbij het knooppunt Lunetten aan de rechterkant van de weg het restant van een enigszins vervallen boomgaard die wat hoger ligt dan de omgeving. Direct

226

|

Het Romeinse fort Fectio Het Romeinse fort is gesticht rond het begin van de jaartelling in de tijd van keizer Augustus en maakte later deel uit van de noordgrens van het Romeinse rijk; de limes. Deze limes was versterkt met een reeks forten en wachttorens. De forten waren verbonden door de limesweg. De nabijgelegen forten, Trajectum (Utrecht) en Levefanum (Maurik), waren via de limesweg binnen ĂŠĂŠn dagreis te bereiken.2 De naam Fectio is af komstig van een votiefsteen die in 1869 is gevonden bij de aanleg van fort Vechten. Op deze steen staat in het Latijn de volgende tekst: Deae Viradecdi cives Tungri et nautae qui

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 226

30-09-13 14:01


Fectione consistent votum solverunt libentes merito Vertaald staat er het volgende: Aan de godin Viradecdis hebben de burgers en schippers, de Tungri, die in Fectione gevestigd zijn, hun gelofte ingelost, gaarne en met reden Een kopie van deze votiefsteen staat niet ver van het fort aan de provinciale weg tussen Utrecht en Bunnik. Strikt genomen is de Latijnse tekst geen hard bewijs dat het fort inderdaad de naam Fectione droeg, want op de Peutingerkaart staat een fort aangegeven met de naam Fletione. Dit heeft in het verleden nogal voor discussies gezorgd, omdat sommigen aannamen dat hier Vleuten mee werd bedoeld.3 Maar algemeen wordt aangenomen dat het hier een verschrijving betreft en dat met Fectione of Fectio het Romeinse fort bij Vechten bedoeld wordt. 4 Er zijn op deze plek waarschijnlijk zeven opeenvolgende castella gebouwd, waarvan het laatste dateert uit het begin van de 3e eeuw. Dit laatste castellum werd in steen gebouwd. Net als de meeste andere forten, of castella, in het Nederlandse deel van de limes was het laatste castellum niet bijzonder groot; er was ruimte voor één cohors infanterie (ca. 500 man). Het is overigens aannemelijk dat sommige van de voorgaande forten groter waren.5 Strategisch gezien was dit fort goed gelegen: vlakbij de oever van de (Oude) Rijn en niet ver van de plek waar de Vecht zich afsplitste van de Rijn. Er was zeker een haven, waarvan ook resten zijn aangetroffen. In ca. 275 werd het fort verlaten, waarna het ongetwijfeld het lot heeft getroffen van de andere Romeinse forten: gebruikt te worden als steengroeve. Fort Vechten Het 19e eeuwse fort Vechten is gebouwd als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de jaren 1867-1869. Het is een kruising tussen een polygonaal en een gebastioneerd fort. De aanleg van dit

grote fort en het nabijgelegen nog grotere fort Rijnauwen was noodzakelijk om de Houtense Vlakte te beschermen. Deze vlakte kon namelijk niet geheel geïnundeerd worden zodat andere bescherming nodig was. De aanleg van het fort en het uitgraven van de grachten bracht grote grondverplaatsingen met zich mee waarbij veel Romeinse sporen zijn vernietigd; vermoedelijk een deel van de Romeinse vicus, een Romeinse weg en een grafveld. In 1885 werd de brisantgranaat uitgevonden waartegen de bakstenen daken van dit soort forten niet waren bestand. Een van de maatregelen die werden genomen, was de stenen forten te bedekken met een metersdikke laag grond.6 In geval van fort Vechten was deze grond grotendeels uit de directe omgeving afkomstig. Door al deze grondverplaatsingen kwam veel Romeins materiaal in het fort terecht, waardoor het oude en het nieuwe fort als het ware met elkaar versmolten zijn. Om hoeveel materiaal het ging, kwam voor het eerst pas aan het licht toen de daken van een aantal bunkers in het fort in 2010 gerepareerd moesten worden (zie verder in dit artikel). Tot 1996 was het fort in gebruik bij Defensie, daarna kwam het in handen van Staatsbosbeheer. Deze instantie gebruikt het fort voor feesten, evenementen en als kinderspeelfort. In het fort is een aantal vitrines aanwezig met Romeinse vondsten en wat uitleg. Het geheel maakt een nogal stoffige indruk. Aan de toegangsweg tot de forten staat een replica van een houten Romeinse wachttoren. Tot nu toe het enige duidelijke voorbeeld dat verwijst naar het Romeinse verleden. Beide forten en hun omgeving hebben in de afgelopen anderhalve eeuw een enorm aantal vondsten opgeleverd. Een groot verzamelaar was Hendrik Bosch van Drakestein die woonde op kasteel Amelisweerd vlakbij Vechten. Deze heer kocht vondsten op die tijdens graafwerkzaamheden waren aangetroffen op het terrein van de forten en in de omgeving van Vechten. Naar verluidt betaalde hij er ƒ2,50 per

Afb. 2 Romeinse olielamp uit de PUG collectie. Foto: PUGcollectie, Utrecht.

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 227

|

227

30-09-13 14:01


Afb. 3 De lanspunt. Foto: Norbert Voorbach.

stuk voor; een behoorlijk bedrag in die tijd.7 Het zou leiden tot de uitbreiding van de collectie van het Provinciaal Utrechts Genootschap (PUG). Deze collectie is nu in het bezit is van de stad Utrecht (afb. 2). Zie ook het artikel verderop in deze Westerheem. Tijdens de aanleg van het 19e-eeuwse fort werd ook het nodige gevonden; de leiding van de bouw was in handen van kapitein Marcella die veel vondsten liet verzamelen en overbrengen naar het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.8 Vechten en omgeving zijn ook de start geweest van menige particuliere verzameling. In 1977 werd de snelweg A12, die vlak langs de forten loopt, verbreed. Kennelijk liet het archeologisch onderzoek te wensen over, want door de verplaatsing van grond ontstonden er op enige afstand van de forten grote storthopen die vol zaten met Romeins materiaal en die van heinde en verre zoekers aantrokken (soms wel veertig op één dag). Onder andere was er een Utrechtse professor die met zijn studenten een kijkje kwam nemen op de storthopen. Afb. 4 Een gedeelte van de Saxionvondsten. Foto: auteur.

228

|

Gelukkig verdween niet alles in particuliere verzamelingen. AWN’ers uit die tijd wisten zo’n 10.000-12.000 vondsten veilig te stellen.9 Dit mag beschouwd worden als de eerste inzet van vrijwilligers in de archeologie van Vechten. C. Isings en C.A. Kalee hebben in Westerheem in de periode 1978 tot 1981 een reeks artikelen geschreven over een aantal van deze vondsten. Af en toe komen particuliere verzamelingen uit die tijd weer opduiken. In 2010 kwam uit zo’n verzameling een belangrijke vondst: een aantal Romeinse schrijfplankjes gevonden in 1977 en al die tijd zorgvuldig bewaard door een verzamelaar. Verder kreeg de archeologische werkgroep Leen de Keijzer uit Houten onlangs nog een groot aantal voorwerpen van een verzamelaar uit die tijd. Het is niet de bedoeling om in dit artikel alle lotgevallen van de forten en de opgravingen hier te beschrijven. Dat zou een kloek boekwerk vergen. Maar de afgelopen jaren zijn meerdere malen vrijwilligers actief geweest in Vechten. De onderzoeken waaraan ze deelnamen en de resultaten worden hier beschreven. De vrijwilligers konden overigens vooral ingezet worden door de goede samenwerking met de beheerder van het fort: de Dienst Landelijk Gebied. Metaalonderzoek door RAAP en Naerdincklant In februari en april 2009 werd in opdracht van de Provinciaal archeoloog van Utrecht een metaal-degradatieonderzoek rondom het Romeinse fort uitgevoerd door archeologisch adviesbureau RAAP. Ondersteuning werd verleend door vrijwilligers van Naerdincklant. Het onderzoek werd uitgevoerd met behulp van uitgezette raaien, waarbij niet dieper mocht worden gegraven dan maximaal 20 cm. De vondsten: onder andere een fraaie lanspunt (afb. 3), slingerkogels en delen van fibulae. Het rapport over dit onderzoek is nog niet verschenen, omdat er een samenhang is met een later onderzoek door de RCE.

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 228

30-09-13 14:01


Veldonderzoek door Saxion De veldkartering door studenten van de Saxion Hogeschool uit Deventer vond plaats in december 2009 en maart 2010. Onder leiding van docenten Pim Alders en Herman Ter Schegget voerden tientallen studenten een veldkartering uit op de braakliggende maïsakkers bij het Romeinse fort. Het was de bedoeling om het onderzoek in december 2009 af te ronden, maar de vorst zorgde voor een keihard bevroren grond. Om vondsten er uit te bikken was geen goed idee, dus werd het vervolg uitgesteld tot maart 2010. De rol van de vrijwilligers van afdeling 12 was gedeeltelijk het heen en weer rijden van de studenten en verder het als een soort stofzuiger achter hen aan lopen, want na een nachtelijk verblijf in een hostel was niet iedereen heel scherp aan het opletten. Er werd gezocht op twee maïsakkers in van tevoren uitgezette vakken van 20 meter waarbinnen alle vondsten geraapt werden. De meeste vondsten waren Romeins: aardewerk, bouwmateriaal, glas etc. De hoeveelheid was enorm; Er werd vierduizend kilo materiaal verzameld bestaande uit 140.000 voorwerpen. Op de foto een gedeelte van het materiaal (afb. 4). Dat materiaal is inmiddels deels uitgezocht en gepubliceerd door het archeologisch projectbureau Auxilia van de Radboud Universiteit te Nijmegen (Auxiliari 12). Proefsleuven door de RCE In maart 2010 werden op de maïsakker, gelegen aan de snelweg en vlakbij de boomgaard op het terrein van het Romeinse fort, een aantal proefsleuven aangelegd door de RCE. Het was een onderzoek naar de degradatie van het in de grond aanwezige metaal. Dat er tegelijkertijd ook Romeinse grondsporen aan het licht kwamen, was natuurlijk meegenomen. Het komt tegenwoordig niet veel meer voor dat spontaan vrijwilligers worden gevraagd om mee te doen aan een opgraving, maar de RCE deed dat wel en ze werden dan ook in de gelegenheid gesteld om een paar dagen mee te doen met een

Afb. 5 AWN-er Rob Wolfrat aan het werk bij de RCE opgraving. Op de achtergrond de boomgaard. Foto: auteur.

heel leuke opgraving die uit de vakwereld heel veel bekijks trok (afb. 5). Het rapport over deze opgraving zal mogelijk binnenkort verschijnen. Begeleiding grondverplaatsing Door inspanning van Ton van Rooijen van het Landschap Erfgoed Utrecht konden AWN-vrijwilligers in 2010 zelfstandig het verplaatsen van grond begeleiden in het 19e-eeuwse fort. Die verplaatsing was nodig omdat bij een aantal bunkers reparaties aan de daken noodzakelijk waren. Van tevoren was door M. Polak van bureau Auxilia een plan opgesteld hoe de archeologische begeleiding moest worden uitgevoerd. Dit hield niet alleen in het rapen van vondsten, maar ook metaaldetectie en het gedeeltelijk zeven van de uitgegraven grond. Dat laatste bleek het lastigste, want de grote, gehuurde zeefinstallatie functioneerde niet goed; zand viel er doorheen en klei werd omgevormd tot balletjes. Het meeste materiaal werd er uiteindelijk met de hand uitgehaald, waarbij ook assistentie werd verleend door kraanmachinist Wesley die regelmatig zijn vondsten bij ons afleverde. Alle verzamelde vondsten Afb. 6 De gezichtsurn. Foto: auteur.

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 229

|

229

30-09-13 14:01


Afb. 7 Beeldje van Servandus. Foto: Kees Hoogeveen.

gracht opnieuw geheel uit te graven, waarbij de Romeinse laag overigens onaangetast moest blijven. De archeologische begeleiding van het graafwerk werd opgedragen aan RAAP. Aan de AWN werd assistentie gevraagd bij het onderzoek met de detector. Ondanks enkele onderbrekingen wegens vervuilde grond, kon vrijwel iedere dag ondersteuning verleend worden; in totaal acht dagen. De gracht is weer zichtbaar ook al zit er maar een klein laagje water in. De vondsten vielen wat tegen, hoewel er door AWN’er Kees Hoogeveen een leuke vondst werd gedaan: een groot fragment van een beeldje van Servandus: een pottenbakker uit Keulen uit de 2e eeuw (afb. 7). Volgens het rapport van RAAP betreft het hier een topvondst. van aardewerk en bouwfragmenten werden schoongemaakt en overgedragen aan Auxilia in Nijmegen. Het metaal werd schoongemaakt en gedetermineerd door vrijwilliger Hans Stokmans. Helaas bleek dit metaal in een heel slechte conditie. Alle vondsten zijn beschreven in het rapport Auxiliaria10 door J. van den Berg en M. Polak. De leukste vondst: een fragment van een gezichtsurn (afb. 6). Uitgraven gracht rondom het reduit Dankzij onze goede contacten met de beheerder van het fort, de Dienst Landelijk Gebied, volgde in mei 2011 al snel een nieuwe opdracht. Het reduit van het 19eeeuwse fort was oorspronkelijk geheel omgracht geweest en besloten werd deze

Afb. 8 Fragment van een vuurbok. Foto: auteur.

230

|

Doorgraven wal voor nieuwe toegang Het 19e-eeuwse fort is in de afgelopen jaren geworden tot een recreatiefort met regelmatig grote en kleine evenementen. Bovendien wordt binnen het fort binnenkort het Waterliniecentum aangelegd. Alle bezoekers van het fort moeten nu nog via de erg smalle, en daardoor onveilige, Marsdijk naar de ingang van het fort of via een omweg door een weiland. Om de te verwachten grote aantallen bezoekers op te kunnen vangen, werd besloten een andere toegang tot het fort te maken in de vorm van een groot parkeerterrein aan de Achterdijk, een nieuwe weg, een brug over de gracht en een doorgang door de wal. Het uitgraven van die wal vond plaats in de zomer van 2012. RAAP deed de archeologische begeleiding en vroeg de AWN om assistentie. Het was de bedoeling dat één ervaren vrijwilliger gedurende de vier weken dat het project duurde zou assisteren. Dat lukte niet dus werden vier ervaren mensen aangeboden voor telkens één week. Dat voorstel werd aangenomen maar helaas ging het uitgraven zo snel dat de klus na anderhalve week al klaar was. Jammer voor de vrijwilligers. RAAP mocht overigens het uitgraven begeleiden tot een van te voren afgesproken diepte. Daarna ging de begeleiding over naar BAAC! Heel bijzonder.

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 230

30-09-13 14:01


En jammer was dat dit bedrijf geen vrijwilligers nodig had. Ze konden alleen hulp verlenen door het afzoeken van de stort met het oog en de detector. Dat leverde in het begin nog wel wat leuke vondsten op, maar naarmate er steeds dunnere lagen werden afgegraven, werd er vrijwel niets meer gevonden. BAAC mocht doorgraven tot de natuurlijke bodem en kwam daarbij ook een Romeinse laag tegen met sporen van wat waarschijnlijk een kreek met beschoeiing is geweest. Een gedeelte van de eerste stort kwam buiten het fort terecht en daar werd na afloop van de graafwerkzaamheden nog een leuke vondst gedaan: Henk Rebel vond een zeldzaam fragment van een Romeinse vuurbok (determinatie door Jeroen van Zoolingen) (afb. 8). De rapporten van RAAP en BAAC zullen nog wel even op zich laten wachten. Het uitgraven van de werkput voor het Waterliniecentrum Ook dit werk werd aan BAAC gegund, onder voorwaarde dat er vrijwilligers zouden worden ingezet en dat gebeurde ook op ruime schaal. Ze waren actief op drie gebieden: Assistentie bij het verzamelen van vondsten bij het uitgraven van de bouwput. Deze hulp werd ongeveer twee

weken verleend, totdat bleek dat de aanwezige medewerkers van BAAC het werk zelf aankonden met de beschikbare menskracht. Verder wassen, drogen en uitsplitsen van aardewerk, bot en bouwmateriaal. En het met de metaaldetector opsporen van vondsten op de stort buiten het fort (deze stort was meer dan 25.000 kuub). Het werk startte in november 2012. De bouwput moest ongeveer zes meter diep worden (afb. 9). De planning hiervoor was ca. vier weken maar het werden er negen. En al die tijd waren de vrijwilligers paraat. Ook de detectorzoekers onder hen,

Afb. 9 De bouwput. Foto: auteur.

Afb. 10 Een aantal van de vrijwilligers met medewerkers van BAAC. Foto: medewerker fort.

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 231

|

231

30-09-13 14:01


die vaak onder barre weersomstandigheden hun werk deden. Ongeveer twintig enthousiaste vrijwilligers hebben meer dan 1000 uur besteed aan dit project (afb. 10). Het aantal vondsten is enorm: zowel binnen het fort als in het depot zijn meer dan 1000 munten en andere metalen voorwerpen gevondenen, daarnaast ook duizenden stuks aardewerk en ander materiaal. Interessant om te vermelden is dat er op de bodem van de bouwput geen Romeinse laag werd aangetroffen,

maar een laatmiddeleeuwse en dat was een grote verrassing. Het afzoeken van de stort buiten het fort was op verzoek van de RCE met het doel om schatgravers vóór te zijn. Dit is grotendeels gelukt hoewel geconstateerd is dat er toch ’s avonds af en toe illegaal gegraven werd. Jammer. Het was een groot succes en natuurlijk wachten we nu al met spanning op het rapport. tonvanbommel@wxs.nl

Noten 1 Ton van Bommel is bestuurslid van afdeling 5 (Amsterdam e.o) en daarnaast vrijwilligerscoördinator van afdeling 12 (Utrecht e.o). 2 Van Es 1972, 85. 3 Joosten 1996. 4 Wynia 1997. 5 Zandstra 2012, 19. 6 Sneep (Akihary en Behagel), 88. 7 Brief van 27 juni 1865 van L.J.F. Janssen aan P.J. Vermeulen (de directeur van het Rijksmuseum van Oudheden) aan de conservator van het PUG. 8 Wynia 1991, 3. 9 Kalee 1978, 108. Literatuur Berg, J. van den, & M. Polak, 2011: Romeinse vondsten verzameld bij grondwerkzaamheden op Fort Vechten in 2010, Auxiliari 10. Berg, J. van den, & M. Polak & P.G. Alders, 2012: Oppervlaktevondsten van Vechten-Fectio. De veldkartering van 2009-2010, Auxiliari 12. Blijdenstein, R., 2005: Tastbare Tijd, Provincie Utrecht, 33-39. Brand, H. & J. Brand (redactie), 1986: De Hollandse Waterlinie, Veen uitgevers. Driel-Murray, C. van, 1980: Romeinse leervondsten uit Vechten, Westerheem 5, 1980, 349-356. Eekhout, M., 2011: Thesaurus Fectio, GM2 nr. 43, 2011, 16-19. Es, W.A. van, 1972: De Romeinen in Nederland, Fibula-van Dishoeck. Ginkel, E.J. van,1997: Utrecht anno 47, Verkenning van een donker tijdvak. In: 47.1997 1950 jaar Romeinen in Utrecht, Vereniging Oud-Utrecht, 7-34. Hessing, W., & R. Polak & W. Vos & S. Wynia, 1997: Romeinen langs de snelweg, Uniepers Abcoude. Ilson, P.J., 2012: Ontgraving van de reduitgracht bij Fort Vechten, Raap-rapport 2610. Isings, C. & C.A. Kalee, 1978: Een glazen kan met stempel FELIX FECIT uit Vechten, Westerheem 2, 1978, 108-109. Joosten, J.H.J., 1996: Op zoek naar Fletione, Historische vereniging Vleuten, De Meern, Haarzuilens jg. 16, nr. 3, 5969. Kalee, C.A., 1991: Vier eeuwen verzamelen in Vechten. In: Van speerpunt tot kanonschot. 40 jaar van de Poll-stichting Zeist, 12-19. Kalee, C.A., 1991: Afval in afbeeldingen. In: Van speerpunt tot kanonschot. 40 jaar van de Poll-stichting Zeist, 20-27. Lendering, J., & A. Bosman, 2010: De rand van het Rijk De Romeinen en de Lage Landen, Atheneum-Polaf & Van Gennep Amsterdam. Rooijen, T. van, 2010: De archeologie in het Malta-tijdperk, GM2 38, 2010, 4-8. Sneep, J., & H.A. Treu & H.A, Tydeman (redactie), 1982: Vesting, vier eeuwen vestingbouw in Nederland, Stichting Menno van Coehoorn, 83-109. Stuart, P., 1999: De Tabula Peutingeriana commentaar en kaart, Museumstukken ll, Vereniging van Vrienden van Museum Het Valkhof – Nijmegen. Voorbach, N., 2009: Verslag degradatie onderzoek Fort Vechten. Wynia, S.L., 1997: Diehards Fletione-Vleuten?, Westerheem 4, 1997, blz. 26. Wynia, S.L., 1991: In Vechten staat een fort. In: Van speerpunt tot kanonschot. 40 jaar van de Poll-stichting Zeist, 3-5. Zandstra, M.J.M., & M. Polak, 2012: De Romeinse versterkingen in Vechten-Fectio. Het archeologisch onderzoek in 1946-1947, Auxiliari 11.

232

|

De forten bij Vechten en de inzet van vrijwilligers

05-2013 binnenwerk.indd 232

30-09-13 14:01


Het Kanaal van Corbulo: onderzoek naar een Romeinse waterweg in de gemeente Leidschendam-Voorburg tussen 1989 en 2010 Jan-Willem de Kort1

De verrassende resultaten van het onderzoek in 2004 en 2006 naar het kanaal van Corbulo vormden aanleiding de historische bronnen en het eerder uitgevoerde onderzoek nog eens tegen het licht te houden. Hieruit is naar voren gekomen dat de datering van de aanleg van het kanaal zowel op basis van de historische bronnen als de archeologische gegevens herzien kan worden. Daarnaast is een reconstructie gemaakt van de loop van het kanaal op basis van de tot nu toe verzamelde gegevens.

De twee nog bestaande historische bronnen die de Fossa Corbulonis vermelden, zijn de Annales van Publius Cornelius Tacitus2 en de Romeinse Geschiedenis van Lucius Cassius Dio.3 Tacitus en Dio baseren zich vermoedelijk op de memoires van Corbulo en de Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen van Plinius de Oudere.4 Deze teksten zijn helaas verloren gegaan. In de Annales wordt beschreven hoe Corbulo in 47 n. Chr. de nieuwe legaat van Neder-GermaniĂŤ wordt en het gebied onder controle brengt. Op dat moment plunderden Chauken de Gallische kust en ook de Friezen roerden zich. Met de Rijnvloot versloeg Corbulo de Chauken. Hij nam daarnaast gijzelaars bij de Friezen, liet ze zich in andere gebieden vestigen, liet de piratenleider Gannascus (een Cananefaat) ombrengen en legde een nieuw fort in Fries gebied aan om zeker

te zijn van hun gehoorzaamheid (waarschijnlijk fort Flevum (Velsen)). Hierdoor liep de spanning zo hoog op dat oorlog dreigde. Corbulo kreeg vervolgens de order van keizer Claudius om zich terug te trekken tot de linkeroever van de Rijn. De reden hiervoor kan zijn dat Claudius zijn pijlen had gericht op de verovering van Brittannia en geen oorlog op twee fronten wilde riskeren of wellicht jaloers was op de succesvolle Corbulo. Corbulo blies de aftocht en besloot vervolgens om zijn manschappen bezig te houden met het graven van een 23.000 passen lang kanaal. Het kanaal diende de Maas met de Rijn te verbinden, zodat de gevaren van de Noordzee vermeden konden worden. Hoewel het Corbulo verboden was om oorlog te voeren, verleende Claudius hem later toch de onderscheiding van een triomf. Dio verhaalt in wezen hetzelfde, op ĂŠĂŠn cruciaal punt na: het kanaal wordt pas Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 233

|

233

30-09-13 14:01


gegraven nadat Claudius Corbulo onderscheiden heeft en hem opnieuw (!) het commando over het leger heeft gegeven.5 Daarnaast wordt door Dio als reden voor het graven van een kanaal het “voorkomen van het terugstromen van de rivieren en het veroorzaken van overstromingen door

de getijden van de oceaan� genoemd.6 Als datering voor het graven van het kanaal kan 47 n. Chr. of enkele jaren hierna aangehouden worden.7 In dat jaar sterft de legaat Quintus Sanguinius Maximus, die door Corbulo vervangen wordt.

Afb. 1 De in de tekst genoemde onderzoekslocaties: 1: 2004, put 1 (Vos 2007), 2: 1989, put 9 (Hessing 1990), 3: 2006, put 1 (De Kort & Raczynski-Henk 2007), 4: 1989, putten 1 t/m 7 (Hessing 1990), 5: 1992, proefsleuf en put 10 (Hessing 1993), 6: 1992, put 11 (Hessing 1993), 7: 1991, put 7 (Hessing 1992), 8: 1991, put 8 (Hessing 1992), 9: 1991, putten 4 t/m 6 (Hessing 1992), 10: 1993, waarneming waterpartij Schoorwijck, 11: 2009, putten 1 t/m 5 (Griffioen & Hoogendijk 2011), 12: 1996, put 1 (Van Heeringen 1997). Schaal 1:15.000. Bewerking: auteur.

234

|

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 234

30-09-13 14:01


Archeologisch onderzoek 1989-1999 in Leidschendam-Voorburg De exacte ligging van het kanaal is al eeuwen onderwerp van discussie. Zo is in het verleden de Lek8 geïdentificeerd als het kanaal, maar ook de Waal tussen Nijmegen en Rossem.9 Vanaf het begin van de 20e eeuw wordt echter algemeen geaccepteerd dat het kanaal van Corbulo twee vloedkreken met elkaar verbond: een afkomstig vanuit de Rijn en een vanuit de Maas, namelijk het Gantel systeem. Een alternatieve route voor het zuidelijk deel zou gegraven kunnen zijn door het Westland en zou gezocht moeten worden ter hoogte van de Middel Broekweg in Honselersdijk.10 De rest van deze verbinding zou zich dan moeten bevinden ter hoogte van wat nu bekend staat als de Vliet, grofweg tussen Voorschoten en Rijswijk. Hoewel onderzoek ter hoogte van het castellum Matilo in de polder Roomburg bij Leiden in de jaren zestig al aanleiding gaf tot de veronderstelling dat ook daar het kanaal van Corbulo was gevonden, liet het harde bewijs tot 1989 op zich wachten.11 In dat jaar is in de polder De Rietvink door leden van de Archeologische Werkgroep Leidschendam (AWL) en de Rijksdienst voor het Oudheidkundig bodemonderzoek (ROB) een aantal proefsleuven getrokken, waarin een 12 tot 13 m breed kanaal is aangetroffen. De eerste locatie aan de Rietvinklaan leverde een kanaal op met een breedte van 12 m en een vlakke bodem. Ten oosten hiervan ontdekte men de insteek van een natuurlijke geul (afb. 1: locatie 4 en afb. 4: profiel 2). In en naast het kanaal zijn scherven inheemsRomeins aardewerk en enkele scherven gedraaid Romeins aardewerk aangetroffen. 120 m noordelijker is door de AWL een tweede sleuf getrokken, ter hoogte van de huidige watergang achter de De Wick­ elaan. Hier trof men eveneens het kanaal aan, dat hier aan de oostzijde een beschoeiing kent.12 Daarnaast is in 1990 een weerstandsonderzoek uitgevoerd op verschillende locaties in Leidschendam. Het bleek echter moeilijk natuurlijke kreken en het kanaal van elkaar te onderscheiden.13 In 1991 is door de ROB door middel van

proefsleuven getracht het verloop van het kanaal verder in kaart te brengen en is geconstateerd dat het kanaal niet overal een rechte lijn aanhield. De onderzoeksomstandigheden waren vaak niet optimaal door wateroverlast en instortende profielen. Hierbij is voornamelijk de westelijke oever van het kanaal onderzocht (afb. 1: locaties 7, 8 en 9). Beschoeiingen werden ditmaal niet aangetroffen. Een overtoom? In 1992 is op een locatie ter hoogte van een huidig speelveldje aan de Landlustlaan door de ROB bij de aanleg van een proefsleuf een opmerkelijke versmalling waargenomen. Het kanaal heeft hier een breedte van slechts 4,5 m.14 Boven het smalle kanaal werd een dik pakket zand met kleilaagjes aangetroffen. Dit pakket is door de opgravers geïnterpreteerd als de restanten van een post-Romeinse kreek. Na het proefsleuvenonderzoek is het kanaal hier over een groter oppervlak blootgelegd (afb. 2, en afb. 4: profiel 3, 4 en 5). Het kanaal is hier volgens de ver-

Afb. 2 Vlaktekening van putten 10 en 11 in 1992. Schaal 1:500. Bewerking: auteur.

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 235

|

235

30-09-13 14:01


Hoewel vermoed werd dat het hier het kanaal van Corbulo of een hiervoor hergebruikte kreek betrof, wijzen de dateringen van het aangetroffen houtwerk op een datering in de Late IJzertijd. Het gravend onderzoek in 1999 van de AWLV op ongeveer dezelfde locatie lijken dit beeld te bevestigen.20

Afb. 3 Noordprofiel van put 1 van het onderzoek in 2006. Schaal 1:150. Bewerking: auteur.

236

|

slaglegging over een lengte van circa 30 m aan beide zijden beschoeid.15 De beschoeiing bestaat uit palen van es, els en eik. Een bij het proefsleuvenonderzoek geborgen paal kon dendrochronologisch gedateerd worden in 48 plus maximaal drie jaren n. Chr.16 Later zijn nog tien palen dendrochronologisch gedateerd.17 Deze konden alle gedateerd worden in het voorjaar van 50 n. Chr.18 Als gevolg van de aanwezigheid van een gronddepot kon de oostelijke oever slechts zeer ten dele onderzocht worden. In het zuidelijke deel van put 11, waar het kanaal niet meer is beschoeid, is het kanaal breder dan 6,5 m. De veronderstelde versmalling van het kanaal is geĂŻnterpreteerd als de toegang tot een overtoom, zoals in de Late Middeleeuwen in het centrum van Leidschendam aanwezig is geweest in de Vliet. Bij de aanleg van een waterpartij in 1993 bij het zorgcentrum Schoorwijck werd de westelijke oever van het kanaal waargenomen (afb. 1: locatie 10). Dit betreft de meest zuidelijke waarneming voordat het kanaal vermoedelijk afbuigt naar het Damplein en zijn weg vervolgt in een oudere kreek. De laatste waarnemingen werden gedaan in 1996 en 1999. Hierbij werd in 1996 door de ROB voor de aanleg van de Rijksweg 14 een tweetal sleuven aangelegd (afb. 1: locatie 12 en afb. 4: profiel 12).19

Resultaten van het onderzoek in 2004 en 2006 In 2004 is door de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg (AWLV) een onderzoek uitgevoerd aan de Veursestraatweg 118 in Leidschendam, waarbij het kanaal opnieuw is aangesneden.21 Samen met het in 2006 door RAAP Archeologisch Adviesbureau uitgevoerde onderzoek op de voormalige gemeentewerf van Leidschendam22 vormde dit de aanleiding om alle gegevens, die tot dat moment verzameld zijn, opnieuw tegen het licht te houden. Daarnaast is in de afgelopen jaren nieuw onderzoek geĂŻnitieerd, onder andere ter hoogte van het Damplein.23 Uit dit laatste onderzoek kan mogelijk worden afgeleid dat tussen de meest zuidelijke waarneming in de Rietvinkpolder (afb. 1: locatie 10) en de waarneming op het Damplein het kanaal de loop van een kreek gaat volgen. De opvulling van het kanaal De opvulling van het kanaal is in 2004 en 2006 minutieus bestudeerd. Hierbij is geconstateerd dat vooral op de bodem en in het middelste deel een fijne gelaagdheid van klei met zandlaagjes te zien is. Dit wijst op een continue opslibbing, zonder dat door de mens is ingegrepen in de vorm van baggeren. Deze opvulling kan binnen enkele tientallen jaren hebben plaatsgevonden.24 Het bovenste deel van de vulling bevat minder zandlagen en de aanwijzingen voor getijdeninvloed nemen naar boven toe af. Het laatste stadium van opvulling wordt gevormd door een pakket kleiig rietveen. Op dat moment was het kanaal zeker niet meer bevaarbaar. Hierin zijn tijdens het onderzoek in 2004 21 brokken tufsteen gevonden met een totaal gewicht van 16 kilo.

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 236

30-09-13 14:01


Nog steeds geen scherpe einddatering Een goede einddatering van het kanaal ontbreekt. De C14-datering van een fragment bot in de top van de kleivulling van het kanaal heeft een brede tijdrange van 39 v. Chr. tot 242 n. Chr.25 Het rietveen boven de vulling van het kanaal is gedateerd tussen 259 en 541 n. Chr., waardoor het vooralsnog onmogelijk is om een exacte datering van de laatste opslibbing van het kanaal te geven.26 De opvulling wijst echter op het geleidelijk dichtslibben van het kanaal na 50 n. Chr. Vermoedelijk is het kanaal tientallen jaren goed bevaarbaar geweest en ligt de einddatum tussen ongeveer 100 en 150 n. Chr.27 Voor de steenbouwfase van Forum Hadriani zal dit deel van het kanaal van Corbulo in dat geval van geen betekenis zijn geweest.28 Het is echter zeer waarschijnlijk dat het kanaal lang genoeg heeft opengelegen om van belang te zijn in de locatiekeuze en ontwikkeling van de hoofdplaats van de civitas in de tweede helft van de 1e eeuw. De aanwezigheid van talloze vindplaatsen langs het zuidelijke gedeelte van het tracé suggereert dat het deel ten zuiden van Forum Hadriani langer open gelegen kan hebben.29 Een ouder kanaal Aanwijzingen voor baggerwerkzaamheden of opnieuw ingraven zijn in 2004 niet gevonden. Het meest opvallende resultaat van het onderzoek in 2006 is de vondst van een tweede en, op basis van oversnijding, ouder kanaal. In de vulling van de oudste fase zijn enkele scherven van gladwandig gedraaid Romeins aardewerk aangetroffen. Nadat het oudste kanaal was dichtgeslibd, is direct ten oosten hiervan een nieuw kanaal gegraven (afb. 3). De jongste fase had een beschoeiing die gedateerd is in 50 n. Chr. De begin- en einddatering van de oudere fase zijn tijdens het onderzoek niet vastgesteld, maar het kanaal moet, getuige het aangetroffen gladwandig gedraaid aardewerk, in de Romeinse tijd hebben opengelegen. Daarnaast moet, op basis van de datering van de beschoeiing van de jongere fase en het feit dat dit kanaal de oudere fase oversnijdt,

de oudere fase van voor 50 n. Chr. dateren. Gezien de duidelijk waarneembare, natuurlijke dichtslibbing en de tijd die dit gekost zal hebben, lijkt het uitgesloten dat het hier om een ‘proef’ of een ‘vergissing’ van Corbulo’s manschappen gaat. Bovenop het oudere kanaal is op een bepaald moment een dun pakket plaggen aangebracht, waarnaast aan de westzijde een greppel is gegraven.30 Pakket en greppel zijn geïnterpreteerd als een jaagpad en een bermgreppel. De aangetroffen bermgreppel ligt ongeveer 6,5 m uit de westelijke oever van de jongere fase.31 Naast de plaggenophoging zijn geen aanwijzingen voor wegverharding (zoals grind of baksteenfragmenten) aangetroffen, met mogelijke uitzondering van een dunne laag duinzand.32 De mogelijkheid bestaat echter dat deze laag op de plaggen­ ophoging is gewaaid, in plaats van opzettelijk aangebracht. De dateringen van een liggend stuk hout uit de greppel en een liggend stuk hout op het pakket plaggen geven een datering tussen het eind van de 1e en het begin van de 3e eeuw.33 Een mogelijkheid is dat de oudere fase van het kanaal is gegraven ten tijde van keizer Caligula (regeerperiode 37 - 41 n. Chr.). Het ontbreken van gegevens in de historische bronnen over dit kanaal is niet verwonderlijk: nadat Caligula werd vermoord, is de nagedachtenis aan de keizer door de Romeinse aristocratie (waartoe ook schrijvers als Tacitus en Suetonius behoorden) aanzienlijk verwrongen. Een damnatio memoriae is vermoedelijk niet uitgesproken over Caligula.34 De beeltenissen van Caligula verwijderde men echter wel en munten van de vermoorde keizer smolt men om. Feit is dat steeds meer aanwijzingen gevonden worden voor activiteiten langs de Rijn tijdens zijn regeerperiode, die samenhangen met de wens Britannia te veroveren.35 De aanleg van een kanaal kan hierbij gehoord hebben. Dat dit niet terecht is gekomen in de historische bronnen en het latere kanaal wel, kan samenhangen met de latere smaadcampagne tegen Caligula.36 Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 237

|

237

30-09-13 14:01


basis kanaal in m t.o.v. NAP

minimale diepte

beschoeiing

Romeins oppervlak bewaard

bron

-3,5

2

ja, oost

nee

Vos 2007

nr

put

profiel

breedte (minimaal)

1

1

N

14,5

2

9

-

13

onbekend

onbekend

ja, oost

ja

Hessing 1990

3

1

N

10

-3,17 en 3,08

1,5

Ja, oost

ja

De Kort & Raczynski Henk 2008

4

4

N

12

-2,5

1,3

nee

ja

Hessing 1990

5

10

N

>2,75

onbekend

0,8

oost en west

nee

Hessing 1993

5

X

Z

4,6

-3,2

1

oost en west

nee

Hessing 1993

6

11-II

N

>5,5

onbekend

0,9

oost en west

nee

Hessing 1993

6

11-I

Z

>5,8

-2,81

1

nee

nee

Hessing 1993

7

7-I

N

14

-2,65

1,1

nee

nee

Hessing 1992

7

7-II

N

12,5

-2,9

1,3

nee

nee

Hessing 1992

9

5

N

12,5

-2,3

1,2

nee

nee

Hessing 1992

9

4

N

>9,5

-2,2

1,25

nee

nee

Hessing 1992

10

-

-

-

-

-

-

-

waarneming vijver Schoorwijck

11

3

N

8

-4,88

2,1

nee

vermoedelijk

Griffioen 2011

11

4

Z

8

-4,88

2,1

nee

vermoedelijk

Griffioen 2011

12

1

N

18

-3

0,75

nee

nee

Van Heeringen 1997

Tabel 1. Eigenschappen van het kanaal op de verschillende onderzoekslocaties (afbeelding 1), geordend van noord naar zuid.

De beschoeiing van het kanaal Aan de oostzijde is bij beide onderzoeken een beschoeiing aangetroffen van aangepunte eikenhouten palen. Op basis van de vorm van het hout is het waarschijnlijk dat gebruik is gemaakt van bomen die in de omgeving zijn gerooid.37 De enkele beschoeiingspaal die bij het onderzoek uit 2004 is aangetroffen, leverde een kapdatum op in het voorjaar of de zomer van 50 n. Chr.38 Het onderzoek uit 2006 leverde vier dateringen op, waarvan twee in het voorjaar of de zomer van 50 n. Chr. en twee in het voorjaar van 50 n. Chr.39 De scherpe oevers ter hoogte van aangetroffen beschoeiingen wijzen er op dat deze zijn aangebracht ten tijde van de aanleg en niet samenhangen met latere herstelwerkzaamheden. 40 Het omliggende landschap De verschillende specialistische onderzoeken die zijn uitgevoerd tijdens het onderzoek van 2004 en 2006 (waaronder geologisch, pollen, macroresten en diatomeeĂŤnonderzoek) schetsen een goed beeld van de ontwikkeling van het

238

|

landschap waarin het kanaal was gelegen.41 In de Late IJzertijd waren al smalle geultjes in het veenlandschap aanwezig en de aanwezigheid van kleiafzettingen op het veen wijzen op overspoeling van dit landschap. De vegetatie blijkt open geweest te zijn en raakte nu en dan overspoeld met brak water. DiatomeeĂŤn (kiezelwieren), foraminiferen (eencelligen met een kalkskelet) en aangetroffen pollen en zaden van diverse plantensoorten wijzen erop dat in het kanaal getijdenwerking vanuit de riviermondingen aanwezig was. In hoofdzaak was echter sprake van een zoetwatermilieu. Daarnaast zijn er aanwijzingen gevonden dat op de strandwal akkerbouw is bedreven.42 Interpretatie Eigenschappen van het kanaal Uit de resultaten van het onderzoek in Leidschendam tussen 1989 en 2006 kan worden afgeleid dat het kanaal van Corbulo is ingegraven in het veen en dat het parallel lag aan de enkele tientallen meters westelijker gelegen strandwal (afb. 1). De breedte van het kanaal vari-

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 238

30-09-13 14:01


eerde tussen ongeveer 12 en 15 m en de basis van het kanaal ligt op een diepte van ongeveer 2,2 tot 3,5 m onder NAP (tabel 1). De diepte ten opzichte van NAP neemt overigens toe naarmate de waarneming verder van de vermoede overtoom ligt. Op enkele plaatsen is het toenmalig maaiveld aangetroffen en hier kan worden afgeleid dat het kanaal hier circa 1,4 m diep moet zijn geweest. 43 De oevers van het kanaal zijn niet scherp, met uitzondering voor de plaatsen waar deze beschoeid is. Doorgaans is de bodem van het kanaal volkomen vlak. Nergens is het kanaal gegraven tot in het strandwalzand onder het veen. De geringe dikte van het veen tussen de kanaalvulling en het strandwalzand lijken er op te wijzen dat het graven tot in dit zand opzettelijk vermeden is. Het opwellen van zand in het kanaal kan hiermee voorkomen zijn. Daarnaast kan door het vermijden van het doorgraven van de veenlaag langer droog gewerkt worden, zoals de latere opgravers aan den lijve hebben kunnen ondervinden. Aan de westelijke zijde van het kanaal zijn eenmalig aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een mogelijk jaagpad met bijbehorende bermgreppel. Overtoom De veronderstelde overtoom ter hoogte van de Landlustlaan is een opmerkelijk verschijnsel. Door de aanleg van ĂŠĂŠn of meerdere dammen in het kanaal zou het verschil in waterpeil overbrugd kunnen worden en een constante waterstand worden gegarandeerd. Tevens zou het dichtslibben van het kanaal tegengegaan kunnen worden. Opvallend is dat juist hier een zandig pakket boven het kanaal is aangetroffen, terwijl op de andere onderzoekslocaties het kanaal een kleiige vulling kent. Mogelijk wijst dit er op dat de dam op een gegeven moment met kracht is doorgebroken. In 1991 is in put 11 geconstateerd dat de bodem van het kanaal op 2,81 m onder NAP ligt. In 1989 is in put 4 vastgesteld dat de bodem op 2,5 m onder NAP ligt. Deze waarnemingen liggen respectievelijk direct ten zui-

den en ten noorden van de veronderstelde dam. Meer naar het noorden neemt de diepte van het kanaal ten opzichte van NAP toe. De meest noordelijke waarneming betreft het onderzoek in 2004 en hier ligt de bodem van het kanaal op 3,5 m onder NAP. De meest zuidelijke waarneming in de Rietvinkpolder ligt in de in

Afb. 4. Legenda zie afb. 3. Vereenvoudigde noordprofielen van de onderzoekslocaties voor zover deze achterhaald konden worden.44 1: 2004, put 1 (Vos 2007), 2: 1989, put 4 (Hessing 1990), 3: 1992, put 10 (Hessing 1993), 4: 1992, put 11 noord, (Hessing 1993), 5: 1992, put 11 zuid (Hessing 1993), 6: 1991, put 7-I (Hessing 1992), 7: 1991, put 7-II (Hessing 1992), 8: 1991, put 5 (Hessing 1992), 9: 1991, put 4 (Hessing 1992), 10: 2009, put 3 (Griffioen & Hoogendijk 2011), 11: 2009, put 4 (Griffioen & Hoogendijk 2011, 12: 1996, put 2 (Van Heeringen 1997). Schaal 1: 250. Bewerking: auteur. Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 239

|

239

30-09-13 14:01


Afb. 5 Reconstructie van het tracĂŠ van het kanaal van Corbulo (ondergrond naar Vos e.a. 2011 en archeologische vindplaatsen naar Waasdorp 2006). Schaal 1:200.000. Bewerking: auteur.

1991 gegraven put 4. Hier ligt de bodem van het kanaal op 2,2 m onder NAP. Het lijkt er dus op dat er inderdaad een peilverschil overbrugd moest worden. De waarneming in 2009 op het Damplein heeft echter een diepte opgeleverd van 4,88 m onder NAP. Dit hangt mogelijk samen met het feit dat het kanaal hier ingegraven zou zijn in een bestaande kreek. 45 Om de aanwezigheid van een dam of overtoom vast te stellen zou tussen waarneming 4 en 5 op afbeelding 1 een booronderzoek uitgevoerd kunnen

240

|

worden. Ter hoogte van een dam zou per slot van rekening het veen nog aanwezig moeten zijn. Datering van het kanaal Op basis van de historische bronnen is tot op heden aangenomen dat het kanaal gegraven is in of vlak na 47 n. Chr. De dendrochronologische dateringen van de beschoeiingspalen liggen tussen 46 en 50 n. Chr. Deze dateringen mogen echter niet gelezen worden als kapdata, omdat de laatste spintringen tot de schors

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 240

30-09-13 14:01


soms ontbreken, waardoor de kapdatum later kan zijn. Bij nadere bestudering kunnen alle dateringen in het voorjaar van 50 n. Chr. geplaatst worden. 46 Na herlezing van de historische bronnen blijkt dit goed te passen. 47 Uit het onderzoek in 2006 is gebleken dat het kanaal van Corbulo niet in één keer is gegraven. Als gevolg van het snelle dichtslibben van het kanaal bleek het noodzakelijk om het kanaal (over een gedeelte van het tracé) opnieuw uit te graven. Deze tweede fase is gedateerd in 50 n. Chr. Bij eerdere onderzoeken zijn geen aanwijzingen gevonden voor een eerdere fase van het kanaal. 48 Ook het jaagpad en de bermgreppel waren nog niet eerder bij onderzoek naar het kanaal waargenomen. De reden hiervoor is vermoedelijk dat op de meeste plaatsen slechts gegraven is tot één of twee meter buiten de westelijke oever. Om de oudere fase te kunnen dateren is het noodzakelijk om bij toekomstig onderzoek materiaal te verzamelen daterend uit of samenhangend met deze eerdere fase van het kanaal. Gedacht kan worden aan beschoeiingspalen en houtwerk van een jaagpad dat dendrochronologisch gedateerd kan worden. De ligging van het kanaal Op basis van de bestaande waarnemingen kan een reconstructie gemaakt worden van de ligging van het kanaal (afb. 5). Vanuit Matilo loopt het kanaal het Rijn-Schiekanaal in om vervolgens de Vliet te volgen richting Leidschendam.49 Het is niet zeker Noten 1 Jan-Willem de Kort was projectleider bij RAAP ten tijde van het onderzoek naar het kanaal van Corbulo. Tegenwoordig is hij werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 2 Tacitus, Ann., 11, 18-20. 3 Dio, Hist. Rom., LXI, 61, 30, 4-6. 4 Mededeling Jona Lendering. 5 Zie het artikel van Wilco de Jonge over het gouverneurschap van Corbulo in Neder-Germanië in deze Westerheem. 6 De drie genoemde redenen voor het graven van het kanaal (1: soldaten bezighouden, 2: de gevaarlijke Noordzee vermijden, 3: ruimte voor de rivieren) zijn in het verleden eveneens onderwerp van stevig debat geweest. Hierin speelden met name de wijze van vertalen en mogelijk verkeerd kopiëren van de originele teksten een rol. Zie onder andere: Lichtenauer 1935; Hettema 1936 en Stolte 1943. 7 Het is onwaarschijnlijk dat de gevechtshandelingen en het graven van het kanaal in hetzelfde jaar plaatsvinden.

of de Vliet gegraven is op de locatie van het kanaal van Corbulo. Vermoedelijk is gebruik gemaakt van een bestaande kreek, wat de identificatie van het kanaal aanzienlijk bemoeilijkt. Ter hoogte van Leidschendam is vastgesteld dat geen gebruik is gemaakt van een bestaande kreek, maar dat het kanaal gegraven is in het veen tussen de kreek en de strandwal. Richting het zuiden verdwijnt het kanaal weer in een kreek. Hoe het kanaal naar de Maas liep is nog niet precies bekend. Voor het zuidelijk tracé komen twee varianten in aanmerking. Mogelijk vervolgt het kanaal zijn weg in het Gantel systeem, maar daarnaast bestaat het vermoeden dat het kanaal via Forum Hadriani en Wateringen via de Middelbroekweg in de richting van Naaldwijk loopt. Het aantreffen van een weg met bermgreppel langs een geul en vier mijlpalen bij het Wateringse Veld zijn hier goede aanwijzingen voor.50 Ook de vondst van een bronzen plaat in Naaldwijk, die wijst op de aanwezigheid van een vlootstation, is een goede indicatie dat het kanaal van Corbulo mogelijk dit tracé heeft gevolgd.51 Toekomstig onderzoek zal hier nog uitsluitsel over moeten geven. De auteur wil Tessa de Groot, Bram Janssen en Wilco de Jonge bedanken voor de discussie. Conclusies en interpretaties zijn echter grotendeels voor rekening van de auteur.

j.w.de.kort@cultureelerfgoed.nl 8 Bijvoorbeeld Ortelius’ kaart van Nederland in de Romeinse tijd in: Theatrum Orbis Terrarum 1584. 9 Hermans 1840, 161-162. 10 Zie onder andere: Beekman 1916; Holwerda 1923, 159; Van Liere 1948, 15-16 en de stellingen in het proefschrift van Pons 1957. 11 Bogaers 1962. 12 Zeven van de palen zijn door RING onderzocht: Jansma 1995, 129 (RINGrapportnummer 1990029). Slechts een paal leverde een exacte kapdatum op, namelijk het voorjaar van 50 n. Chr. 13 Van Veen & Lenselink 1990. 14 Hessing vermeld in 1993 een minimale breedte van 6 m, maar de opgravingsdocumentatie van zowel het profiel als het vlak geeft een breedte van 4,5 m aan. 15 Hessing 1993. 16 RINGrapportnummer 1992039. 17 RINGrapportnummer 1995028. 18 Visser 2006, 171. 19 Van Heeringen 1997. 20 De Jonge 2000. Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 241

|

241

30-09-13 14:01


21 Vos 2007. 22 De Kort & Raczynski-Henk 2008. 23 Griffioen & Hoogendijk 2011. 24 Mond. med. P. Vos en H. Weerts. Goed bewijs voor de snelheid waarmee de sedimentatie heeft plaatsgevonden ontbreekt echter. Het is goed mogelijk dat de opvulling in slechts 1 of 2 jaar heeft plaatsgevonden. De snelle sedimentatie hangt vermoedelijk samen met de locatie tussen de twee riviermonden waardoor bij getijdenwerking het meegevoerde sediment juist hier bezinkt. 25 UtC13890: 1900 ± 60 BP. Calibraties met 2-sigma nauwkeurigheidsmarge berekend met Oxcal 4.1, IntCal09curve. 26 UtC 13858: 1693 ± 50 BP. 27 Vos 2007, 20. 28 Het zuidelijk deel is wel open gehouden getuige het recente aantreffen van een insteekhaven in Forum Hadriani. Deze kent twee gedateerde constructiefasen: rond 159 en 218 n. Chr. 29 Waasdorp 2006, 128-130. 30 In 2004 is het vermoeden uitgesproken dat langs het kanaal een jaagpad zou hebben gelopen. Vos 2007, 19. 31 Een breedte van 6 m is ook geconstateerd bij het onderzoek bij het Wateringse Veld (Waasdorp 2003) en langs de Sir Winston Churchilllaan (Dorenbos, Holthausen & Koot 2009). 32 Grind wordt wel vermeld bij het onderzoek in 2006 ( Vos 2007, 5). Opmerkelijk genoeg ligt dit aan de oostzijde van het kanaal. 33 Hout bermgreppel: UtC 14713: 1833 ± 29 BP; hout wegdek: UtC 14674: 1876 ± 34 BP. 34 Winterling 2003, 218. 35 Naast het castellum van Valkenburg is ook het castellum van Alphen aan den Rijn en mogelijk dat van Woerden ten tijde van Caligula aangelegd. Ook hiervan bestaan geen historische bronnen. 36 Reden om het kanaal van Corbulo te hernoemen bestaat er niet: vermoedelijk bezocht Caligula namelijk samen met Corbulo Neder-Germanië (zie het artikel van Jona Lendering over Corbulo op www.livius.org). Eerste kandidaat blijft Corbulo; alleen de datering en ten tijde van welke keizer het kanaal gegraven is veranderen in dat geval. 37 Van Rijn 2006. 38 Hanraets 2004. 39 Hanraets 2006. 40 Dit in tegenstelling tot de opmerking in Brandenburgh & Hessing 2005, 12. Hier wordt opgemerkt dat na de aanleg in 47 n. Chr. het kanaal in 49 n. Chr. wordt gerepareerd door middel van een beschoeiing. 41 Vos 2007, 20-24 en De Kort & Raczynski-Henk, 2008, 27-30. 42 Vos 2007, 21. 43 Als gevolg van bodemdaling kan de oorspronkelijke diepte echter groter zijn geweest. 44 Op enkele plaatsen is een zuidprofiel getekend. De auteur is zo vrij geweest deze profielen te spiegelen, teneinde de vergelijking van de profielen te vereenvoudigen. 45 Griffioen & Hogendijk 2011, 29. 46 Visser, 2006, 171. RINGrapportnummers 1990029, 1992039, 1995028, 2004047 en 2006085. Het voorjaar is niet de meest voor de hand liggende periode om hout te kappen. Door Vitruvius wordt beschreven dat bij voorkeur hout gekapt wordt vanaf augustus en nooit in de lente (Vitruvius, de Architectura, Liber II, caput 9, 1). Dit zou kunnen betekenen dat tijdens de aanleg van het kanaal hout in de directe omgeving is gekapt. Het houtonderzoek van Van Rijn (2006) lijkt hier ook op te wijzen. 47 Wilco de Jonge in deze Westerheem. Cassius Dio maakt melding dat het kanaal gegraven wordt nadat Corbulo voor de tweede maal de leiding over het leger krijgt. Een gouverneurschap duurde zesendertig maanden, waarmee de datering van 47 plus 3 jaar precies klopt. 48 De beperkte lengte van de sleuven kan hieraan debet zijn. Daarnaast is al geconstateerd dat het kanaal niet overal een rechte lijn aanhield en er zijn dus tijdens het eerder onderzoek mogelijk verschillende fasen van het kanaal aangetroffen. 49 Hazenberg 2000, 48. 50 Waasdorp 2006, 128-130. 51 Derks 2008, 149-162. Literatuur Beekman, A.A., 1916: De “Fossa Corbulonis”. In : Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap 33 (tweede serie), 813-826. Bogaers, J.W., 1962: De Fossa Corbulonis, Amersfoort. Brandenburgh, C.R., & W.A.M. Hessing, 2005: Matilo-Rodenburg-Roomburg; De Roomburgerpolder: van Romeins castellum tot moderne woonwijk. (Bodemschatten en bouwgeheimen 1), Leiden.

242

|

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 242

30-09-13 14:01


Derks, T., 2008: Inscripties op Brons, in: L. van der Feijst, J. de Bruin & E. Blom, De nederzetting te Naaldwijk II; Terug naar de sporen van Holwerda, (ADC Monografie 4), Amersfoort. Dorenbos, O., O. Holthausen & J.M. Koot, 2009: Langs de Sir Winston Churchilllaan in Rijswijk; Archeologisch onderzoek naar aanleding van de toevallige vondst van een Romeinse mijlpaal. (Rijswijkse Archeologische Rapporten 22), Rijswijk. Griffioen, A., & T.Hoogendijk, (in voorbereiding): Archeologische begeleiding met aansluitende opgraving op het Damplein te Leidschendam. Hollandia reeks. Hanraets, A.E.M., 2004: Rapportage daterend onderzoek. Lokatie en object: Leidschendam, Voorburg, beschoeiing. (RING Rapport 2004 -047), Stichting RING, Amersfoort. Hanraets, A.E.M., 2006: Uitslag dateringsonderzoek Leidschendam-Voorburg, Rietvinklaan 5 (gracht van Corbulo. (RING Rapport 2006-085), Stichting RING, Amersfoort. Hazenberg, T., 2000: Leiden-Roomburg 1995-1997: archeologisch onderzoek naar het kanaal van Corbulo en de vicus van het castellum Matilo. (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 77), Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Heeringen, R.M. van, 1997: Leidschendam: Verlengde Landscheidingsweg. In: R.M. van Heeringen (red.). Archeologische kroniek van Holland over 1996, II Zuid-Holland. Holland 29/6, 406. Hessing, W.A.M., 1990: Leidschendam: Rietvink. In: W.A.M. Hessing (red.). Archeologische kroniek van Holland over 1989, II Zuid-Holland. Holland 22/6, 342-343. Hessing, W.A.M., 1991: Leidschendam: Rietvink. In: W.A.M. Hessing (red.). Archeologische kroniek van Holland over 1990, II Zuid-Holland. Holland 23/6, 344-345. Hessing, W.A.M., 1992: Leidschendam: Rietvinkpolder. In: W.A.M. Hessing (red.). Archeologische kroniek van Holland over 1991, II Zuid-Holland. Holland 24/6, 366-367. Hessing, W.A.M., 1993: Leidschendam: Rietvink. In: W.A.M. Hessing (red.). Archeologische kroniek van Holland over 1992, II Zuid-Holland. Holland 25/6, 336-338. Hettema, H., 1936: De gracht van Corbulo, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde VII, ’sGravenhage, 80-86. Holwerda, J.W., 1923: Arentsburg, een Romeinsch militair vlootstation bij Voorburg, Leiden. Jansma, E., 1995: RemembeRINGs: the development and application of local and regional tree-ring chronologies of oak for the purposes of archaeological and historical research in the Netherlands. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. (Nederlandse Archeologische Rapporten 19), Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Jonge, W. de, 2000: Leidschendam/Voorburg: Gracht van Corbulo. In: R. Proos (red.), Archeologische kroniek van Holland over 1999, II Zuid-Holland. Holland 32/6, p. 342-343. Kort, J.W. de, & Y. Raczynski-Henk, 2008: Plangebied Rietvinklaan 5, gemeente Leidschendam-Voorburg; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek proefsleuven. (RAAP-rapport 1428), RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Kort, J.W. de, 2009: Het kanaal van Corbulo, in: R.M. Hirschel (red.) Forum Hadriani; Romeinse stad achter de Limes (symposiumbundel), Voorburg. Lichtenauer, W.F., 1935: De gracht van Corbulo. In: Tijdschrift voor geschiedenis 50, Assen, 167-173. Liere, W.J. van, 1948: De Bodemgesteldheid van het Westland, in: De Bodemkartering van Nederland, no. 54.6, ’sGravenhage. Pons, L.J., 1957: De geologie, de bodemvorming en de waterstaatkundige ontwikkeling van het Land van Maas en Waal en een gedeelte van het Rijk van Nijmegen. ‘s Gravenhage: Verslagen van Landbouwkundige Onderzoekingen 63.11, Ph.D. Thesis, Bodemkundige Studies 3, Wageningen Rijn, P. van, 2006: Houtonderzoek aan zeven palen van de Gracht van Corbulo. (BIAX-rapport 178). BIAX Consult, Zaandam. Stolte, B.H., 1943: De Fossa Corbulonis, in: Tijdschrift voor Geschiedenis 58, Assen, p. 216-223. Veen, M.M.A. van, & G. Lenselink, 1990: Gracht van Corbulo. Intern rapport Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Vos, P.C., met bijdragen van C. Bakels & W. Kuijper, F. Bunnik, P. Deunhouwer, W. de Jonge & H. de Wolf, 2007: Geo-landschappelijk onderzoek bij het waarderend archeologische onderzoeksproject met betrekking tot de Corbulograchtafzettingen aan de Veursestraatweg 118 te Leidschendam (opgegraven in mei 2004). (TNO-rapport 2007-UR0199/B), Utrecht. Visser, R.M., 2006: De Romeinse houtvoorziening in het gebied van de Nedergermaanse Limes. Een historisch en dendrochronologisch perspectief. Doctoraalscriptie Archeologie en Prehistorie (Vrije Universiteit Amsterdam). Waasdorp, J.A., 2006: Romeinse infrastructuur. De ontsluiting van het Cananefaatse gebied. in: W. de Jonge, J.G.A. Bazelmans & D.H. de Jager (red.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument, Utrecht, 117-130. Winterling, A., 2003: Caligula – Een biografie, Amsterdam.

Het kanaal van Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 243

|

243

30-09-13 14:01


Nieuw inzicht in de periode van Gnaeus Domitius Corbulo als de keizerlijke legaat voor Germania Inferior Wilco de Jonge1 Een van de onverwachte resultaten van het in 2004 en 2006 in Leidschendam aan het Kanaal van Corbulo uitgevoerde onderzoek is een nieuw inzicht in de periode dat Corbulo de legaat voor Germania Inferior is geweest. De aanleiding is het beschikbaar komen van een eenduidige datering voor de aanleg van ‘zijn’ kanaal en de daarop aansluitend herlezen van de antieke bronnen.2 Over het eerste deel van de carrière en het leven van Gnaeus Domitius Corbulo is ons maar weinig bekend. We kunnen ons voornamelijk op Tacitus en Cassius Dio baseren. Corbulo moet omtrent 7 n. Chr. zijn geboren en werd in 39 n. Chr., door het huwelijk van zijn oudere halfzuster Milonia Caesonia, de zwager van keizer Caligula. In 39 was hij ook consul.3 Direct na de moord op Caligula en zijn halfzuster in 41, zal Corbulo’s carrière enige tijd in het ongerede zijn geraakt, maar in 47 zien we hem onder keizer Claudius toch verschijnen als diens legatus Augusti pro praetore voor Germania Inferior. In het spraakgebruik hebben we het dan meestal over de legaat of gouverneur. Dat jaar 47 is trouwens alleen maar contextueel aan de antieke

Afb. 1 Cnaeus Domitius Corbulo. In Voorburg herinnert onder meer nog dit ruiterstandbeeld aan hem (Albert Termote, 1962). Foto: auteur.  

bronnen te ontlenen en wel aan Tacitus’ Annalen.4 In het voorgaande jaar stierf namelijk zijn voorganger, dezelfde Quintus Sanguinius Maximus met wie hij in 39 samen consul was geweest.

De nieuw bekende datering van het kanaal

Tot op heden is op grond van Tacitus nogal eens aangenomen dat Corbulo ‘zijn’ kanaal heeft laten graven in of vlak na het jaar 47. Voor de twee in 2004 en 2006 onderzochte locaties blijken de beschoeingspalen nu echter te zijn gekapt in het voorjaar van 50 n. Chr. Achteraf bekeken tonen de bij het onderzoek in 19891993 uitgevoerde dateringen precies hetzelfde beeld.5 Althans dit kanaal (niet een eventueel vroegere versie ervan) is dan ook vrijwel zeker gegraven in het jaar 50.6 De van de getijdeninvloed te verwachten grote erosie maakt het zeer onwaarschijnlijk dat de beschoeingspalen pas een of meer jaren na de aanleg zouden zijn geplaatst. Het voorgaande is een eerste aanwijzing dat Corbulo nog in 50 de gouverneur van Germania Inferior is geweest.

Het gat in de biografie

In de secundaire bronnen noemt men veelal het jaar 52 of 53 waarin Corbulo als legaat in Klein-Azië verschijnt.7 We hebben echter pas zekerheid voor het jaar 54. Het gaat dan om Tacitus’ vermelding van Corbulo als de legaat voor keizer Nero in Galatia en Cappadocië, twee provincies ten westen van Armenië, met de opdracht om Armenië te heroveren op de Parthen.8 Met andere woorden, in de biografie van Corbulo zit dus (onder meer) een gat voor de periode 47-54.

Terug naar de antieke bronnen

Bij Tacitus vinden we eveneens de vermelding van de triomf voor Corbulo voor diens afrekenen met de overlast van de Chauken9: Toch heeft de keizer hem de onderscheiding van een triomf verleend, hoewel hij feitelijk geen oorlog had gevoerd.

244

|

Nieuw inzicht in de periode van Gnaeus Domitius Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 244

30-09-13 14:01


Voor de verlening van het eerbewijs vinden we hier plaats noch datum. De eer kan Corbulo in absentia zijn toegekend. We hoeven in elk geval geen rekening te houden met een triomftocht. Hij kreeg er alleen de eerbewijzen van, de ornamenta triumphalia, dat wil zeggen een speciale plaats in de Senaat, militaire onderscheidingstekens, een standbeeld etc. In deze tijd was het namelijk zo dat niemand anders dan de keizer nog een echte triomftocht mocht houden. Daarmee is het trouwens niet uitgesloten dat Corbulo voor het ontvangen van de eerbewijzen toch enige tijd in Rome was. Als we indachtig de datering voor het graven van het kanaal 50 n. Chr. nu echter ook Cassius Dio herlezen, dan vinden we daar een passage die begint met het door de keizer terugroepen van Corbulo10: “Desalniettemin ontving hij de eer van een overwinning. Nadat het leger opnieuw aan hem is toevertrouwd [...] laat hij hen een kanaal graven [...].” Het lijkt op het eerste gezicht vrijwel dezelfde informatie als die van Tacitus, maar dan met één nieuw element: de niet te missen suggestie is dat Corbulo zijn ornamenta triumphalia heeft ontvangen vóórdat hij een herbenoeming of herbevestiging als legaat voor Germania Inferior kreeg.

Kortom, de meest aannemelijke tijdlijn lijkt te zijn: hij werd legaat in 47; bestreed de Chauken en ontving daarvoor de triumphalia; kreeg opnieuw de leiding over het leger; en liet daarna – in 50 – het kanaal graven.

Conclusie

Het ziet er sterk naar uit dat Corbulo op zijn minst tot in het jaar 50 de keizerlijke legaat voor Germania Inferior is geweest. Drie jaren uit het gat in zijn biografie lijken daarmee verhelderd, te weten de jaren van 47 tot en met 50. De enige denkbare aarzeling betreft wellicht de kwaliteit van de hierboven aangehaalde passage van Cassius Dio.11 Met Gnaeus Domitius liep het later uiteindelijk niet goed af. In 62 bleek de met zijn oudste dochter gehuwde Lucius Annius Vinicianus betrokken bij een samenzwering tegen de keizer. Indachtig diens grote populariteit leidde dat uiteindelijk tot de door Nero verordonneerde zelfmoord van Corbulo in 67. Dat de status van de Domitii groot bleef, blijkt onder meer uit het huwelijk van Corbulo’s jongste dochter in 71 met Domitianus (keizer 81-96 n. Chr.). wil.dejonge@inter.nl.net

Noten 1 De auteur is historicus en econoom van opleiding en leidde als amateurarcheoloog een tiental jaren het veldwerk van de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg. Hij was daarbij een van de motoren achter het grote publicatieproject W. de Jonge, J.G.A. Bazelmans en D.H. de Jager (red.), 2006: Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument. Utrecht. In het dagelijkse leven leidt hij op dit moment een ambtelijke reorganisatie bij de Rijksdienst. Voor nadere informatie, in het bijzonder m.b.t. zijn voorgaande publicaties, zie: http://www.linkedin.com/pub/wilco-dejonge/12/1b/274. 2 Dit artikel en de er in vervatte afwegingen en conclusies kwamen vooral tot stand door een inspirerende gedachtewisseling met Jona Lendering. 3 Consul suffectus samen met Quintus Sanguinius Maximus, tot in september 39. Het jaartal is meteen ook de

aanwijzing dat Corbulo op zijn laatst moet zijn geboren rond 7 n. Chr.: om tot consul te worden verkozen moest men ten minste 31 zijn (in de republikeinse periode was die leeftijdsvereiste overigens nog 43). 4 Tacitus Ann. 11.18.1. 5 Jan-Willem de Kort, elders in deze Westerheem. 6 Getuige het in 2004-2005 uitgevoerde diatomeeënonderzoek stond het kanaal in een open verbinding met de zee (onderzoek door Hein de Wolf van TNO Bouw en Ondergrond. Vos 2007, 12-14). 7 Cancik, Schneider 1996-2003. 8 Tacitus Ann. 13.8; Syme 1970. 9 Tacitus Ann. 11.20.2. 10 Cassius Dio Hist. Rom. 60.30.4-6. 11 Pro memorie, het onderhavige deel van het manuscript is tot ons gekomen via een bewerking van de Byzantijnse historicus Joannes Xiphilinus in de tweede helft van de 11e eeuw.

Referenties Cancik, H. & H. Schneider (edd.), 1996-2003 (21 bdn.): Der Neue Pauly. Enzyklopädie der Antike, Stuttgart - Weimar. Dio Cassius, Historia Romana, ed. E. Cary and H.B. Foster, 1969 (9 vols), London and Cambridge Mass. (Loeb Classical Library 32, 37, 53, 66, 82, 83, 175, 176, 177). Vos, P.C., met bijdragen van C. Bakels & W. Kuijper, F. Bunnik, P. Deunhouwer, W. de Jonge & H. de Wolf, 2007: Geolandschappelijk onderzoek bij het waarderend archeologische onderzoeksproject met betrekking tot de Corbulograchtafzettingen aan de Veursestraatweg 118 te Leidschendam (opgegraven in mei 2004), Utrecht. TNO-rapport 2007-U-R0199/B. Syme, R., 1970: Domitius Corbulo. The Journal of Roman Studies 60, 27-39. Tacitus, Annales, ed. J. Jackson, 1979-1986 (3 vols), London and Cambridge Mass. (Loeb Classical Library 249, 312 en 322). Nieuw inzicht in de periode van Gnaeus Domitius Corbulo

05-2013 binnenwerk.indd 245

|

245

30-09-13 14:01


Rogge als ‘gidsfossiel’? Wilco de Jonge1

Paleobotanische bevindingen en aanvullende overwegingen bij de herkomst van de laat-Romeinse bewoners rond het voormalige Kanaal van Corbulo.

Afb. 1 Rogge aar Secale cereale. Bron: http:// nl.wikipedia.org/wiki/ Rogge_(graan).

246

|

Het onderzoek dat in 2004 aan het Kanaal van Corbulo in Leidschendam werd uitgevoerd was bijzonder, omdat dit het laatste project was dat daar onder leiding stond van de lokale amateurarcheologen, maar meer nog omdat het de vrijwillige medewerking mocht genieten van professionele onderzoekers van RAAP, TNO en de Leidse Universiteit.2 Het was voor het eerst dat er rond dit kanaal zoveel aandacht aan de geo-landschappelijke en paleobotanische aspecten kon worden besteed. Eén van de meer opmerkelijke bevindingen was het aantreffen van een sterke indicatie voor de verbouw van rogge in de laatRomeinse periode. Werd die rogge hier door nieuwe bevolkingsgroepen geïntroduceerd? In de van het Kanaal van Corbulo resterende bedding zijn tussen 1,85 en 1,55 –NAP zowel pollen van rogge (Secale cereale) (afb. 1) als die van schapenzuring (Rumex acetosella) gevonden. Schapenzuring komt nogal eens voor als onkruid tussen rogge.3 Het betreffende monster was af komstig uit een kleiige veenlaag direct bovenop de hier het laatst opgeslibde klei. 4 Die klei moet zijn neergelegd rond het midden van de 3e eeuw n. Chr. Het kleiige rietveen direct daar bovenop heeft namelijk een vroegst denkbare datering van ca. 230 n. Chr. of misschien ook 260 n. Chr. Voor een jongste datering hebben we 420 of uiterlijk 530 n. Chr.5 Omdat het monster met de pollen 10 cm lager werd genomen dan dat waaraan AMS6 werd gedateerd, en het daarom wat ouder zal zijn dan de AMS suggereert, hebben de pollen wellicht een laatst denkbare datering zo ‘tegen het eind van de 5e eeuw’. Uit het eveneens uitgevoerde diatomeeënonderzoek blijkt dat de onderliggende klei hier werd neergelegd in een milieu van afwisselend zout en brak water, deels ook onder invloed vanuit het brakke deel van het Rijnestuarium.7 Uit dat onderzoek komt verder naar voren dat in de restgeul vervolgens rietveen begon te groeien, hoewel het water er

soms nog zout kon zijn. Bij hoge waterstanden was het gebied toegankelijk voor het rivierwater. In latere jaren viel de van het kanaal resterende geul eigenlijk zo goed als droog, maar kwam hij in de winterperiode vaak langdurig onder water te staan. In de Late Middeleeuwen was dat nog steeds het geval, met dit verschil dat de omgeving toen sterk verzoet en voedselrijk geworden was. Op deze locatie zijn dus de pollen van de rogge en de schapenzuring aangetroffen in een restgeul van het Kanaal van Corbulo, in een bodemlaag die grosso modo is te dateren op ca. 260-500 n. Chr.

Rogge en ‘Romeinen’

In Nederlandse gebieden zouden aanwijzingen voor rogge zijn gevonden ten noorden van de Rijn, in de laatste fase van de raatakkers, c.q. de zogenoemde ‘celtic fields’. Het eerste bewijs voor de verbouw van rogge in Nederland ten zuiden van de grote rivieren zou dateren uit de Romeinse tijd.8 Rogge is daar regelmatig in vooral laat-Romeinse contexten gevonden.9 Rogge lijkt trouwens ook wel eens, hoewel zeldzamer, aanwezig in middenRomeinse contexten. Bijvoorbeeld in OostVlaanderen.10 Van Zeist11: “Charred rye grains .....indicate that in the Netherlands Secale cereale was grown by native farmers in the first centuries A.D. and probably already in the last centuries B.C.” Waarschijnlijk verbouwden de Romeinen – d.w.z. zij die zichzelf cultureel als zodanig identificeerden – echter niet of nauwelijks rogge. Verkoolde roggekorrels (dus geen pollen) duiken weliswaar regelmatig op in hun graan, maar toch altijd in zulke kleine hoeveelheden dat dit geen serieus voedselgewas geweest kan zijn.12 De Romeinse schrijver Plinius de Oudere beoordeelde rogge in elk geval negatief. Het zou een slecht soort voedsel zijn, alleen te gebruiken om niet te verhongeren, en er werd

Rogge als ‘gidsfossiel’

05-2013 binnenwerk.indd 246

30-09-13 14:01


spelt aan toegevoegd om de bittere smaak van het roggebrood of de roggepap te verdrijven.13

Rogge en ‘niet-Romeinse’ bevolkingsgroepen

In zuidelijk Nederland constateert men de eerste grotere hoeveelheden rogge vrijwel altijd aan de late kant in de Romeinse tijd, en dat in contexten die eigenlijk niet of nauwelijks als ‘Romeins’ zijn te duiden. In een door Corrie Bakels onderzocht complex uit Maastricht was dat het geval vanaf ca. 375, waarbij de allereerste vondst afkomstig was uit een hutkom.14 Vroege vondsten, daterend uit de periode 350450, zijn verder bekend uit Gennep, waar Frankische eenheden gelegerd waren.15 In het Duitse Rijnland duiken roggeresten van enige betekenis pas op met de komst van Frankische groepen. In Noord-Frankrijk is rogge laat-Romeins of vroeg-Merovingisch.16 In elk geval vanaf de Vroege Middeleeuwen tot in de 20e eeuw was rogge het belangrijkste gewas op de pleistocene zandgronden van Nederland.17 Het verbouwen en gebruiken van rogge in de laat-Romeinse en vroeg-middeleeuwse periode zou dus samen kunnen hangen met bevolkingsgroepen die aanvankelijk nog vooral op die zandgronden benoorden de Rijn woonden. Overigens is het wel zo verstandig om een al te etnische duiding in termen van ‘Franken’ of ‘Saksen’ daarbij achterwege te laten.

Nieuwe bevolkingsgroepen in de omgeving van het Kanaal van Corbulo

Zoals ook elders al wel opgemerkt18, valt het dus op dat de ‘Romeinse’ roggevondsten samen lijken te vallen met de aankomst van een nieuwe bevolking vanuit het noorden en noordoosten van het huidige Nederland. Deze groepen vestigden zich binnen het Romeinse Rijk en hielden daar – voor een deel – vast aan hun eigen gewoonten en tradities. Zulke immigranten arriveerden ook in het steeds dunner bevolkte West-Nederland van de 3e eeuw.19 De voornaamste onzekerheden zijn de datering van hun komst en hun aantallen. Verder is onduidelijk in hoeverre zij zich er vrijwillig vestigden. Voor het strandwallengebied rond het voormalige Forum Hadriani (Voorburg) en bij het Kanaal van Corbulo valt een eerste instroom te vermoeden ten tijde van de Gallische keizer Postumus en zijn opvolgers.20 Of zij zichzelf nu als Chauken, Friezen, Chamaven of Franken wilden zien, bij de pacificatie door Probus en andere keizers werden er in Vlaan-

deren en Zuid- en Midden-Nederland namelijk heel wat opgepakt en in andere gebieden aan het werk gezet. Zo schakelde de latere keizer Constantius Chlorus – onder het viermanschap van Diocletianus in de rol van juniorregent – in de jaren negentig van de 3e eeuw de rebel Carausius en zijn bondgenoten bij de Schelde en de Nederlandse rivieren uit. Rond het jaar 297 legde een verder onbekende redenaar hem de volgende, ronkende maar toch ook informatieve, bewoordingen in de mond: “En dus is het nu voor mij dat de Chamaaf en de Fries ploegen, en dat de vagebond en de plunderaar zwoegen op de cultuur van het verwaarloosde platteland en dat zij mijn markten bezoeken met vee voor de verkoop, en dat de barbaarse boer de voedselprijs verlaagt. Daarbij komt nog, dat hij, als hij wordt opgeroepen voor de legerdienst, hij komt aanrennen en onder de knoet van de discipline wordt gebracht; hij onderwerpt zich aan de zweep en feliciteert zichzelf dan met zijn dienstbaarheid door die het soldatenleven te noemen.”21 In de 4e eeuw werd het gemeengoed om zelfs hele bevolkingsgroepen uit te nodigen zich vrijwillig in ontvolkte gebieden te vestigen.

Voor nader onderzoek

Voor de omgeving van het voormalige Kanaal van Corbulo heeft de grotere aandacht voor het natuurwetenschappelijke onderzoek dus geleid tot de constatering dat daar op enige schaal rogge is verbouwd. De dateringen hadden hier weliswaar scherper mogen zijn, maar het ziet er toch naar uit dat deze verbouw niet lang na het midden van de 3e eeuw of toch in elk geval in de 4e eeuw is begonnen. Het is waarschijnlijk niet toevallig dat dit vrijwel samenvalt met het in deze omgeving arriveren van een nieuwe bevolking, cultuurdragers vanuit de verder naar het noordoosten liggende zandgebieden. De open vraag is dus: hebben we voldoende indicaties om de wat grootschaliger verbouw van rogge ook echt aan hen te koppelen?22 Kunnen we de (wat grootschaliger introductie van) rogge dan misschien als een ‘gidsfossiel’ gaan zien?

Afb. 2 Voorburg, mei 2004. Het omliggende veen en de hoge waterstand noopten tot voorzichtig werken. Getrapte profielen en niet teveel mensen tegelijk in de sleuf. Foto: Dick de Jager. Afb. 3 Voorburg, mei 2004. Een slechts tweedaags veldonderzoek met maar weinig fysieke ruimte, maar met des te meer betrokkenheid van amateurs én wetenschappelijk specialisten. Foto: auteur.

Ten slotte

Eén roggekorrel, althans een hoeveelheid pollen van een locatie, maakt natuurlijk nog geen zomer. Hopelijk ligt er hier echter wel een casus voor het vaker multidisciplinair benaderen van de uitkomsten van het natuurwetenschappelijke onderzoek. Het gaat om iets dat we niet in technische bijlagen moeten verstoppen. wil.dejonge@inter.nl.net

Rogge als ‘gidsfossiel’

05-2013 binnenwerk.indd 247

|

247

30-09-13 14:01


Noten 1 De auteur is historicus en econoom van opleiding en leidde als amateurarcheoloog een tiental jaren het veldwerk van de Archeologische Werkgroep Leidschendam-Voorburg. Hij was daarbij een van de motoren achter het grote publicatieproject W. de Jonge, J.G.A. Bazelmans en D.H. de Jager (red.), 2006: Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument, Utrecht. In het dagelijkse leven leidt hij op dit moment een ambtelijke reorganisatie bij de Rijksdienst. Voor nadere informatie, in het bijzonder m.b.t. zijn voorgaande publicaties, zie: http://www.linkedin.com/pub/wilco-dejonge/12/1b/274 2 TNO, Peter Vos, Frans Bunnik en Hein de Wolf. RAAP, Jan-Willem de Kort en Peter Deunhouwer. Van de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden, Corrie Bakels, Wim Kuijper en Freek Braadbaart. Voor het mobiliseren van deze expertise was vooral Jos Bazelmans van de toenmalige RACM verantwoordelijk. 3 Gouw en Kooistra 2006, 132, 145. 4 Onderzoek door Frans Bunnik van TNO. Zie Vos 2007, 9-12. 5 UtC 13858: 1693 ± 50 BP. Bij een nauwkeurigheidsmarge van 2 Sigma een datering op ca. 230-530 n. Chr., bij 1 Sigma op ca. 260-420 n. Chr. Voor de kalibraties is gebruik gemaakt van Oxcal 4.1 en de IntCal09-curve. 6 AMS (Accelerator Mass Spectrometry) is een manier om radiometrische dateringen (14C-dateringen) te verkrijgen uit monsters die veel kleiner zijn dan nodig waren voor de standaard radiometrische datering. Standaard 14C-datering heeft een hoeveelheid houtskool nodig tussen de 1 en 10 gram, terwijl AMS 1-2 gram gebruikt en onder speciale omstandigheden zelfs monster van maar 50-100 microgram. 7 Onderzoek door Hein de Wolf van TNO Bouw en Ondergrond. Het onderzoek is in meer technische termen beschreven en verantwoord bij Vos 2007, 12-14. 8 Meijlink en Lanzing 2006, 313, naar Van Zeist 1976. 9 Meijlink en Lanzing 2006, 313. 10 Tency 2004: de sites “Zele - Zuidelijke Omleiding” (datering “50-80 n.C.; midden 2de helft 2de eeuw; ook Middeleeuwen”) en Asper/Jolleveld (datering “1ste-3de eeuw; ook Vroege Middeleeuwen”). 11 Van Zeist 1976. 12 Mail van Corrie Bakels aan auteur 7-11-2006. 13 Naturalis historiae, hoofdstuk 18 paragraaf 40. 14 Mail van Corrie Bakels aan auteur 7-11-2006. Ook: Bakels en Dijkman 2000, 27, 50, 66. Het meest opvallende monster (Derlon 2-OK-25) heeft een datering IVd. 15 Bakels en Dijkman 2000, 11. 16 Mededeling van Corrie Bakels aan auteur. 17 Gouw en Kooistra 2006 voor bijvoorbeeld de omgeving van Breda (start roggeverbouw in de Vroege Middeleeuwen). 18 Meijlink en Lanzing 2006, 313, ook naar aanleiding van Kooistra 1996. 19 De Jonge 2006, Dijkstra 2011. 20 Deze en volgende passage, De Jonge 2006, 157. 21 Nixon and Rodgers 1994, 121-122: VII Panegyricus Constantius, 9 22 De auteur onthoudt zich hier welbewust van etnische duidingen in termen van ‘Saksen’, ‘Franken’ etc. Literatuur Bakels, C., & W. Dijkman, 2000: Maastricht in the First millennium AD, the botanical evidence, in: Archaeologica Mosana 2, Maastricht. Dijkstra, M., 2011: Rondom de mondingen van Rijn & Maas. Landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in ZuidHolland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek, Leiden. Gouw, M., & L.I. Kooistra, 2006: Geologie, bodem en vegetatie, in: P. Kranendonk, P. van der Kroft, J.J. Lanzing & B.H.F.M. Meijlink (red.), Witte vlekken ingekleurd. Archeologie in het tracé van de HSL-Zuid. Deel 1 – Tekst, Amersfoort, 113-164. Jonge, W. de, 2006: Ondergang. De crisis in het Rijk en de teloorgang van Romeins Voorburg, in: W. de Jonge, J.G.A. Bazelmans & D.H. de Jager (red.), Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot monument, Utrecht, 146-159. Meijlink, B.H.F.M., & J.J. Lanzing, 2006: Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, in: P. Kranendonk, P. van der Kroft, J.J. Lanzing & B.H.F.M. Meijlink (red.), Witte vlekken ingekleurd. Archeologie in het tracé van de HSL-Zuid. Deel 1 – Tekst, Amersfoort, 285-354. Nixon, C.E.V., & B.S. Rodgers, 1994: In praise of later Roman emperors: the Panegyrici Latini, Berkeley, Los Angeles, Oxford. Plinius, Naturalis Historiae. Tency, H., 2004: Oost-Vlaanderen op de korrel genomen ..., in: VOBOV-Info 59, 27-39. Vos, P.C., met bijdragen van C. Bakels, W. Kuijper, F. Bunnik, P. Deunhouwer, W. de Jonge & H. de Wolf, 2007: Geolandschappelijk onderzoek bij het waarderend archeologische onderzoeksproject met betrekking tot de Corbulograchtafzettingen aan de Veursestraatweg 118 te Leidschendam (opgegraven in mei 2004), Utrecht. TNO-rapport 2007-U-R0199/B. Zeist, W. van, 1976: Two Early Rye Finds from the Netherlands, Acta Botanica Neerlandica 25 (1), 71-79.

248

|

Rogge als ‘gidsfossiel’

05-2013 binnenwerk.indd 248

30-09-13 14:01


Geheimen van het Wijchens Meer. Romeinse vondsten uit natte context Peter Seinen, Tessa de Groot en Harry van Enckevort1

Vanaf 1978 zijn talrijke Romeinse vondsten geborgen uit het Wijchens Meer aan de zuidrand van de oude dorpskern van Wijchen. Zij leveren een glimp op van de activiteiten in die tijd op de oever van deze oude Maasarm. Een balans na bijna 30 jaar onderzoek.

Afb.1 Locatie en omvang van het onderzoeksgebied. Bron: Topografische Dienst/M. Haars, BCL-Archaeological Support.

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 249

|

249

30-09-13 14:01


meer inzicht kunnen verschaffen in wat zich in het verleden op en langs de oevers van het Wijchens Meer afspeelde. Het onderzoek duurde, met enkele onderbrekingen, tot 2008. Dit artikel bespreekt de resultaten van dertig jaar archeologisch onderzoek in het centrale gedeelte van het Wijchens Meer. 4

Afb. 2 Locatie van de in de tekst genoemde vindplaatsen op de noordoever van het Meer. Bron: M. Haars, BCLArchaeological Support.

250

|

Het Wijchens Meer is een nog watervoerend restant van een oude Maasarm (Wijchens Maasje) die de oude kern van Wijchen aan de zuidzijde begrenst (afb. 1). De oudste resten van menselijke aanwezigheid in het gebied direct ten noorden van het Wijchens Meer stammen uit het Laat Paleolithicum. Grondwerkzaamheden op de Tienakker op de noordoever van de fossiele restgeul brachten in 1971 sporen van een Romeinse villa aan het licht (afb. 2). Ruim 25 jaar later zijn de laatste resten van deze villa opgegraven.2 Toen in 1978 het centrale gedeelte van het Wijchens Meer ter hoogte van de Tienakker werd uitgebaggerd, zijn deze werkzaamheden op de voet gevolgd door lokale amateurarcheologen. In het baggerslib zijn naast vondsten uit oudere en jongere perioden veel Romeinse artefacten gevonden. Ook kwamen onderdelen van een houten constructie bovenwater. Na een periode van twintig jaar kreeg de stichting Mergor in Mosam3 in 1998 van de gemeente Wijchen toestemming om de bodem van het Wijchens Meer te verkennen. Het doel van de verkenning was het vinden van archeologische resten die

Het landschap rond het Wijchens Meer Het landschap ten noorden van het Wijchens Meer is ontstaan in het Weichselien (120.000 tot 12.000 jaar geleden), toen door activiteiten van Maas en Rijn een terrasniveau is gevormd, waarop rivierduinen zijn afgezet.5 In het daarop volgende Holoceen heeft de Maas in het gebied diverse meandergordels gevormd, waarvan die van het Wijchens Maasje tussen 4800 en 3000 jaar geleden is ontstaan. Het Wijchens Maasje maakt nog tot circa 1000 voor Chr. deel uit van de hoofdstroom van de Maas. Het bijzondere is dat een deel van de restgeul van het Wijchens Maasje, het Wijchens Meer, nu nog watervoerend is. Een verklaring hiervoor wordt gezocht in de winning van veen en/of klei in de Middeleeuwen, waardoor dichtslibben is voorkomen. Het Wijchens Meer is ongeveer 75 m breed en wordt aan beide zijden geflankeerd door een circa 200 m brede zone met oeverafzettingen. Ter hoogte van het onderzoeksgebied, het centrale gedeelte van het Wijchens Meer, ligt de restgeul nagenoeg tegen het Pleistocene terrassenlandschap aan. Archeologische vindplaatsen rond het Wijchens Meer Het Wijchens Maasje vormde door de aanwezigheid van water al vroeg een aantrekkelijke bewoningslocatie (afb. 2). De meandergordel heeft op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Wijchen dan ook een hoge verwachting gekregen.6 De meeste vondsten zijn gedaan direct ten noorden van het Wijchens Meer, in en bij de kern van Wijchen.7 De oudste sporen op de noord­ oever zijn onlangs bij proefsleuvenonder-

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 250

30-09-13 14:01


zoek aan de Oosterweg /Van Thielsporthal (2) ontdekt en behoren tot de Vlaardingencultuur.8 Over bewoning in de Bronstijd en IJzertijd is weinig bekend. Er zijn hoofdzakelijk losse vondsten uit deze periode verzameld. De periode Late IJzertijd-Vroeg-Romeinse tijd is iets beter gekend. In 2007 is op het Martensterrein (3) een nederzetting onderzocht die tussen circa 50 voor en 100 na Chr. bewoond is geweest.9 En ook op de Tienakker (1) zijn aanwijzingen voor bewoning in die tijd. In de midden- en laat-Romeinse tijd lijkt de noordoever van het Wijchens Meer intensief gebruikt te zijn geweest. Naast de resten van de villa op de Tienakker10 zijn onder meer sporen van een nederzetting aan de Herenstraat (4)11 en een grafveld aan de voet van de Molenberg (5)12 opgegraven. Willems ziet Wijchen in deze periode zelfs als een lokaal centrum of vicus.13 Een putgebouw van de villa op de Tienakker wordt in het begin van de 4e eeuw omgebouwd tot wachttoren en omgeven door een gracht. Aan het einde van de 4e eeuw ontstaat op korte afstand van de dan al verlaten wachttoren een Frankische nederzetting waar de productie van ‘Romeinse’ munten een van de activiteiten is geweest.14 Het is aannemelijk dat de bewoners na hun dood zijn bijgezet in het in de jaren negentig in het centrum (6) van Wijchen onderzocht grafveld. Meer dan 300 graven uit de Laat-Romeinse en Merovingische tijd zijn uitgewerkt in het kader van een Odyssee-project en gepubliceerd in een uitvoerige rapportage.15 De begraven personen woonden niet alleen op de Tienakker. Er zijn ook sporen van een vroegmiddeleeuwse nederzetting en een mogelijke pottenbakkerswerkplaats gevonden op de Westflank (7)16 en er wordt een nederzetting vermoed aan de Don Emanuelstraat (8).17 In het centrum van Wijchen, in en nabij het laat-Romeinse en Merovingische grafveld, lijken de meeste sporen vanaf de 12e-13e eeuw gedateerd te kunnen worden.18 Op de Tienakker zijn waterputten uit de periode 10e-14e eeuw onderzocht.19 En ook aan de Sterrebosweg (9), de Don Emanuelstraat en

rondom de Markt (10) zijn laatmiddeleeuwse resten aangetroffen.20 Aan de Kasteellaan (11) liggen de resten van een kasteel waarvan de eerste bouwfase waarschijnlijk uit het midden van de 14e eeuw stamt.21 Het eerste onderzoek (1978) In 1978 werd een deel van het in gronddepots verzamelde baggerslib, door leden van AWN-werkgroep Nijmegen en omstreken op vondsten doorzocht. 22 Hierbij zijn grote hoeveelheden keramiek, bouwmateriaal, metaal en dierlijk bot verzameld.23 Deze dateren uit de periode vanaf het Midden-Paleolithicum (vijf werktuigen)24 tot in de Late Middeleeuwen, met een zwaartepunt in de middenRomeinse periode. Naast deze vondsten zijn er ook ooggetuigenverslagen van het opduiken van tot de verbeelding sprekende houten planken en balken, die als onderdeel van een brug, kadewerk of schip werden gezien (afb. 3).25 Een verdere verkenning door duikers van de Nijmeegse duikvereniging De Kaaiman

Afb. 3 Kaart met de onderzoeksgebieden van 1998-2002 en 2006-2008 en de aangetroffen houten resten in het Meer. Bron: P. Seinen/M. Haars, BCL-Archaeological Support.

Afb. 4 Reconstructie van de bodem van het Meer, voorafgaande en na de baggeroperatie (op basis van boringen van de Grontmij). Bron: P. Seinen/ M. Haars, BCLArchaeological Support.

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 251

|

251

30-09-13 14:01


A.

B.

Afb. 5a en b De geborgen paal met detail van de kapsporen. Foto: P. Seinen.

Afb. 6 Overzicht van de vondstcategorieĂŤn uit het meer. Bron: P. Seinen.

252

|

leverde twee aangepunte houten palen op.26 Helaas is het hout verdwenen zonder documentatie en nadere bepaling van aard en ouderdom. Het vervolg in het westelijke deel (1998- 2002) De aandacht voor de archeologische betekenis van het Wijchens Meer verdween tot de gemeente Wijchen in 1998 de stichting Mergor in Mosam toestemming gaf het speurwerk naar de houten constructie te hervatten. Gestart werd met een globale verkenning van de bodem van het noordwestelijke deel van het meer, over een lengte van 300 m (afb. 3). De bodem bestaat vanaf de oever uit een breed, zwakglooiend talud van zand en grind,

dat na 15-20 m met een scherpe knik naar de diepte overgaat in een vlakke slibbodem. Afbeelding 4 vergelijkt (de geschematiseerde weergave van) het huidige bodemprofiel met dat van voor de baggerwerkzaamheden, zoals vastgesteld door de Grontmij.27 In 1978 is het centrale gedeelte van het Wijchens Meer tot een diepte van minstens 3,5 m onder de toenmalige waterbodem weggebaggerd. Hierna is een deel van het op het talud aanwezige slib, zand en grind in het baggergat weggezakt, waarschijnlijk samen met de eerder waargenomen houten constructie. Hierdoor is de door het baggeren ontstane geul weer gevuld met een 1,5 m dikke laag dunne slib. Op het grindige zandtalud zijn zeer veel resten aardewerk en bouwmateriaal gevonden, vooral ter hoogte van de Tienakker. Houtresten werden niet aangetroffen. Het onderzoek in het oostelijke deel (2006- 2008) Hoewel de oorspronkelijke waarnemingen van de houten constructiedelen meer westelijk richting de Tienakker lagen, is in 2006 besloten om ook het oostelijke deel van het Wijchens Meer te verkennen (afb. 3). Het talud waarop het doen van waarnemingen nog mogelijk was, bleek nog ruim 150 m in oostelijke richting door te lopen. Het bleek de moeite waard: ter hoogte van de Van Thielsporthal werden de eerste houtresten aangetroffen. Eerst kleine, niet nader determineerbare fragmenten, daarna slecht geconserveerde resten van twee planken of balken van respectievelijk 3 en 4,5 m lang, die half uit de bodem staken.28 Het is niet duidelijk of beide nog in situ lagen. Even verderop was het werkelijk raak: een nagenoeg rechte rij van drie paalresten, parallel aan de oever en met een onderlinge afstand van respectievelijk 1,1 en 3,1 m. Twee palen hadden nog een lengte van circa 0,75 m, waarvan nog 0,25 m in de bodem stak. Nadat de paalresten in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ingemeten zijn, is een van de palen geborgen (afb. 5a). Het deel dat nog in de bodem stak bleek puntgaaf. Afbeelding 5b laat de kap-

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 252

30-09-13 14:01


sporen in detail zien. De paal was zo zwaar aangetast dat een dendrochronologische datering niet meer mogelijk bleek. Een C14- datering komt op 230 +/- 35 na Chr. uit.29 De lengte van het aangetaste gedeelte van de paal correspondeerde goed met de dikte van het bodempakket dat door het baggeren verdwenen is. Dit wijst erop dat de paal sterk is aangetast nadat deze door de baggeractiviteiten vrij is komen te staan, zoals weergegeven in afbeelding 4. Het mag toch al een wonder heten dat deze palen de baggeractiviteiten overleefd hebben. Ook van deze tweede houten constructie is de functie niet duidelijk geworden. Een interpretatie als deel van een oeverbeschoeiing of kadewerken is het meest aannemelijk. Gezien de dikte van het destijds weggebaggerde pakket is het niet aannemelijk dat meer houtresten in situ gevonden zullen worden. Naast de houtresten zijn ook over de gehele lengte van dit deel van het meer fragmenten van aardewerk en bouwmateriaal gevonden. Aard en verspreiding van de vondsten uit het Meer In totaal zijn circa 1400 vondsten30 uit het Wijchens Meer geborgen, waarvan het merendeel uit aardewerkfragmenten bestaat (afb. 6).31 De overige vondstcategorieĂŤn zijn niet systematisch beschreven en gedetermineerd, met uitzondering van de grote verzameling vissersmateriaal, zoals visnetverzwaarders. Afbeelding 7 laat zien dat er kleine verschillen bestaan in de datering van het verzamelde aardewerk tussen de verzamelcampagnes (1978 en 1998- 2008). In 1978 is bijvoorbeeld meer neolithisch (neo) aardewerk verzameld dan tijdens de duikcampagnes. Tijdens de laatstgenoemde onderzoeken is weer meer vroegmiddeleeuws (vme) materiaal aangetroffen. Dit is waarschijnlijk verklaarbaar door de verschillende gehanteerde verzamelmethodes, respectievelijk het doorspitten van uitgebaggerd materiaal en het verzamelen van vondsten van de bodem van het Wijchens Meer. Met uitzondering van het laatste onderzoek (2006 - 2008) zijn de vondsten niet

nauwkeurig ingemeten, waardoor alleen enkele algemene indrukken over de vondstverspreiding gegeven kunnen worden. De vondsten van 1978 suggereren een concentratie ter hoogte van de Tienakker. De vondsten van 1998 - 2002 bevestigen deze indruk. De vondsten van 2006 - 2008 laten zien dat het vondstgebied zich op een bescheiden schaal ook doorzet over het oostelijke deel van het Wijchens Meer, met een mogelijke tweede concentratie ter hoogte van de aangetroffen paalrestanten (afb. 8). Het aardewerkspectrum weerspiegelt de eerder beschreven kennis over de bewoning op de noordoever van het Wijchens Meer (af b. 7). Alle perioden vanaf het Midden-Paleolithicum zijn in meer of mindere mate vertegenwoordigd, met een duidelijke piek in de Romeinse tijd. Wanneer specifiek naar de nabije locaties Tienakker en de Oosterweg wordt gekeken, zijn enkele overeenkomsten en verschillen te benoemen. De neolithische vondsten zijn vooral in de zone rond de Tienakker aangetroffen. De opgraving op de Tienakker heeft geen duidelijke sporen uit deze periode opge-

Afb. 7 Datering van het aardewerk uit het meer. Bron: P. Seinen.

Afb. 8 Verspreiding van het aardewerk en bouwmateriaal uit 2006-2008. Bron: P. Seinen.

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 253

|

253

30-09-13 14:01


bouwmateriaal worden gedaan.

Afb. 9 Het Romeinse aardewerk uit het meer. Bron: T. de Groot.

leverd, mogelijk vanwege de grootschalige recente verstoringen. De vondsten uit het Wijchens Meer doen vermoeden dat die wel aanwezig zijn geweest. Aan de Oosterweg is bewoning van de Vlaardingencultuur wel met zekerheid aangetoond. De Bronstijd (bro) en IJzertijd (ijz) zijn zowel op de oever als in het aardewerk uit het Wijchens Meer ondervertegenwoordigd. Vanaf het begin van de jaartelling is er een duidelijke stijging in het aardewerk uit het Wijchens Meer waarneembaar. Dit sluit aan bij de aangetoonde bewoning in de 1e eeuw op de Tienakker en directe omgeving. De vondsten uit de duikcampagnes geven daarnaast aan dat ook in het oostelijke deel van het onderzoeksgebied in deze periode sprake moet zijn geweest van activiteiten en waarschijnlijk zelfs bewoning. De bewoning op de Tienakker lijkt in de 6e eeuw te stoppen, terwijl de vondsten uit het Wijchens Meer, hoewel beperkt in aantal, wijzen op continuïteit in gebruik van de noordoever. Vondsten uit de Vroege Middeleeuwen zijn minder sterk vertegenwoordigd dan op grond van de opgravingen in het centrum van Wijchen verwacht mocht worden. De Romeinse vondsten uit het Meer Vondsten uit de Romeinse tijd zijn het beste vertegenwoordigd onder het materiaal uit het Wijchens Meer. Twee vondstcategorieën, het aardewerk en de vissersmaterialen, zijn volledig geïnventariseerd en beschreven en worden hierna gepresenteerd. Daarnaast kunnen enkele uitspraken over de metaalvondsten en het

254

|

Romeins aardewerk In totaal zijn 406 fragmenten Romeins aardewerk verzameld. Zeventien fragmenten zijn af komstig van handgevormd aardewerk, de overige zijn van gedraaid aardewerk (af b. 9). Bij het gedraaide aardewerk wordt de grootste groep gevormd door het ruwwandige aardewerk (33%), gevolgd door het terra sigillata (17%) en het gladwandige aardewerk (12%). Deze groepen worden nader beschreven. Afbeelding 7 geeft aan dat het meeste aardewerk gedateerd kan worden in de perioden 70-150 en 150-270 na Chr. Maar ook de perioden die daar direct aan voorafgaan en volgen zijn redelijk vertegenwoordigd. Tabel 1 geeft het vormenspectrum van het aardewerk weer 32 Van de 67 fragmenten terra sigillata zijn drie fragmenten afkomstig uit Zuid-Gallië, de overige hoofdzakelijk uit Middenen Oost-Gallië. Opvallend is het hoge aandeel borden Dragendorff 18/31. Op een bodemfragment van een van deze borden is het stempel ANISATVSF aanwezig, van Anisatus uit Trier of Heiligenberg.33 Een bakje van het type Dragendorff 27 bevat het stempel VITA[- van Vitalis uit La Graufesenque.34 Er is één fragment laat-Romeinse (lrom) terra sigillata verzameld, afkomstig van een kom Chenet 320. De grootste aardewerkcategrorie wordt gevormd door het ruwwandige aardewerk met 134 fragmenten. Hierin zijn 13 typen herkend. De meeste fragmenten zijn afkomstig van het deksel type Oelmann 120, dat in de eerste drie eeuwen van de jaartelling in gebruik was. Acht fragmenten zijn afkomstig van potten van het type Stuart 201. Dit type pot werd in de loop van de 2e eeuw langzamerhand verdrongen door potten van het type Oelmann 89, dat met negen fragmenten vertegenwoordigd is. Het ruwwandige aardewerk is vooral in de midden-Romeinse tijd (mrom) te dateren. Maar ook de laatRomeinse periode is met enkele fragmenten (Alzey-typen) vertegenwoordigd. Het gladwandige aardewerk vormt met

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 254

30-09-13 14:01


Tabel 1 Typen van het Romeinse aardewerk uit het meer, Bron: H. van de Enckevort. Soort

Type

Functie

Techniek

Terra sigillata

Dragendorff 15/17

Bak

Dragendorff 27

 

Aantal

Datering

1

40-100

Bak

1

30-120

Dragendorff 29

Drinkkan

1

30-120

Dragendorff 18/31

Bord

29

40-300

Dragendorff 33

Kom / bak

10

50-300

Dragendorff 37

Drinkkan / beker

7

90-300

Dragendorff 40

Kom

2

100-300

Dragendorff 45

Wrijfschaal

9

150-300

Dragendorff 31

Bord

1

150-300

Dragendorff 32

Bord

2

150-300

Chenet 320

Kruik

1

300-450 150-300

Terra nigra

Niederbieber 33

Beker

3

Holwerda 75

Pot

1

0-300

Geverfd

Stuart 10

Bord

1

100-300

Techniek A

Stuart 4

Beker

Techniek B

1

100-225

Niederbieber 32

Beker

Techniek B

4

150-300 150-300

Niederbieber 32

Beker

Techniek C

1

Niederbieber 30

Beker

Techniek B

1

175-300

Niederbieber 153

Onbekend

Pompejaans rood

1

100-300

Bataafs Grijs

Stuart 210

Kom

1

0-100

Stuart 210

Pot

1

100-200

Nistelrode 105

Onbekend

1

100-300

Nistelrode 106

Onbekend

2

150-300

Lowlands Ware

Holwerda 140-142

Pot

9

70-300

Holwerda 140-142

Pot

4

100-300

Holwerda 133

Kan

2

100-300

Ruwwandig

Stuart 201

Pot

8

0-200

Niederbieber 120

Deksel

10

0-300

Stuart 210

Pot / kom

6

40-300

Nistelrode 81

Bak

1

100-300

Niederbieber 90 / Brunsting 4

Pot

1

100-300

Stuart 211

Kan / pot

2

100-300

Niederbieber 89

Pot

9

125-300/500

Niederbieber 111

Bak

4

150-325

Niederbieber 104

Pot

7

150-350

Niederbieber 112

Bak

1

225-250

Alzey/opvolger Niederbieber 104

Onbekend

1

300-400

Alzey/opvolger Niederbieber 89

Deksel

1

300-500

Alzey 27

Pot

1

300-500

Gladwandig

Friedberg 30

Kruik

1

30-50

Stuart 109

Kruik

1

75-150

Niederbieber 62

Kruik

2

150-300

Brunsting 20

Kruik

1

150-300

Niederbieber 61

Kruik

1

200-300

Amforen

Dressel 20

Olijfolieamfoor

9

100-300

Dressel 25

Wijnamfoor

1

0-300

Dolia

Stuart 147

Dolium

19

0-300

Wrijfschalen

Stuart 149

Wrijfschaal

18

0-300

Gose 453

Wrijfschaal

2

150-300

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 255

|

255

30-09-13 14:01


47 scherven de derde groep binnen het Romeinse aardewerk. Behalve twee fragmenten van een wierookschaaltje zijn alle fragmenten afkomstig van kruiken. Een opvallende vondst is een fragment van een relatief vroege kruik van het type Friedberg 30, dat tussen 30 en 50 na Chr. gedateerd mag worden.

Afb. 10 De twee typen visnetverzwaarders. Foto: P. Seinen.

Afb. 11 Verdeling van het gewicht van visnetverzwaarders typen I en II. Bron: P. Seinen.

256

|

Vissersmaterialen De vissersmaterialen, waaronder visnetverzwaarders, vormen een aparte categorie onder de keramische vondsten. Hiervan zijn er opvallend veel in het Wijchens Meer gevonden, tweehonderd zijn verzameld in 1978 en nog eens vier tijdens de duikcampagnes. Ook tijdens de opgraving op de Tienakker zijn enkele exemplaren gevonden.35 Willems wijdt een aantal pagina’s aan deze vondstcategorie.36 Hierin beargumenteert hij ook de verschillen tussen visnetverzwaarders en de vaak daarop sterk gelijkende weefgewichten. Vooral het grote aantal in natte context gevonden exemplaren maakt een functie als visnetverzwaarder aannemelijk. Maar ook op grond van morfologische kenmerken ziet hij een duidelijk verschil tussen beide typen artefacten. Op grond van de vorm kunnen twee typen onderscheiden worden. Type I is ietwat langwerpig van vorm en heeft groeven, waaromheen een vislijn kan worden gebonden (afb. 10a). Hiervan zijn 54 exemplaren verzameld, waarvan 47

van baksteen en 7 van tufsteen. Type II is doorgaans recht- of driehoekig en heeft een gat ter bevestiging aan de sim van een vissersnet37 (afb. 10b). Type II is 150 maal aangetroffen, waarvan ca. 90% uit (hergebruikt) baksteen bestaat, de overige zijn gemaakt van tufsteen, tefriet of kwartsitische zandsteen. Eén exemplaar bevat de gedeeltelijke inscriptie MI[-. Daarnaast zijn veertig buisjes opgerold lood aangetroffen, die mogelijk ook als netverzwaarders geïnterpreteerd kunnen worden.38 Afbeelding 11 geeft een verdeling van het gewicht van de bakstenen exemplaren van beide typen. Het gemiddeld gewicht van type II is met ca. 270 gr zwaarder dan exemplaren van het type I die ca. 182 gr wegen. De exemplaren van natuursteen zijn uiteraard veel zwaarder. Hoewel een latere datering niet helemaal uitgesloten kan worden, is op grond van het gebruikte materiaal en de associatie met ander vondstmateriaal een datering in de Romeinse tijd voor het overgrote deel van de verzwaarders het meest waarschijnlijk. Metaalvondsten Uit het Wijchens Meer zijn voor zover bekend minimaal 59 Romeinse munten afkomstig (tabel 2). Het merendeel hiervan is opgenomen in de collectie van Museum het Valkhof te Nijmegen en gedetermineerd door W.J.A. de Jong uit Nijmegen.39 De meeste munten stammen uit de laat-Romeinse tijd en vooral uit de late vierde eeuw. Uit de middenRomeinse tijd zijn slechts enkele munten bekend. De datering van munten vertoont dus een andere piek dan het aardewerk. Dit is niet opmerkelijk omdat ook bij de opgravingen op de Tienakker het merendeel van de gevonden munten uit de 4e of begin 5e eeuw stamt. 40 Naast de munten zijn ook diverse andere metaalvondsten uit het baggerslib verzameld. Deze vondsten zijn deels in particulier, deels in museaal bezit en een overzicht ontbreekt. 41 Willems heeft enkele vondsten bekeken en beschreven. 42 Een aantal is ook in Archis opge-

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 256

30-09-13 14:01


nomen. Voor de Romeinse tijd worden ondermeer een bronzen puntbeschermer van een dolk of zwaard, een speerpunt, een bronzen vingerring, een bronzen bel, een fragment van een stilus en twee bronzen schotels van het type Den Boesterd 83/84 genoemd. 43 Noemenswaardig is daarnaast een ijzeren boothaak die in de Romeinse tijd of de Vroege Middeleeuwen is gebruikt. 44 Een zeer bijzondere baggervondst is een gouden Stützarmfibel (afb. 12) van Germaanse herkomst uit de laat-Romeinse tijd. 45 Misschien mag deze kledingspeld net als de drieknoppenfibulae met de rang van een officier in het Romeinse leger geassocieerd worden. 46

hypocaust, vloer- en wandtegels verzameld. Vermeldenswaard is de vondst van een dakpanfragment met het stempel VEX EX[- van een vexillatio exercitus Germanici inferioris. 47 Dergelijke stempels zijn veel aangetroffen in Nijmegen en langs de Nedergermaanse limes. Ze worden tussen ca. 180 tot 260 na Chr. gedateerd. 48 Het natuursteen uit het Wijchens Meer lijkt een duidelijke concentratie met een lengte van ca. 150 m ter hoogte van De Tienakker te kennen. Tufen zandsteen maken het grootste deel van het verzamelde materiaal uit, dat verder bestaat uit kalksteen, leisteen en basalt. Tot slot kunnen nog twee fragmenten vensterglas genoemd worden.

Bouwmateriaal Het in het Wijchens Meer aangetroffen bouwmateriaal komt overeen met het materiaal dat op de Tienakker is gevonden bij de opgraving en wat men bij een Romeinse villa mag verwachten. Tussen het vondstmateriaal zijn diverse fragmenten grofkeramisch bouwmateriaal aangetroffen. Het merendeel daarvan is afkomstig van Romeinse tegulae en in mindere mate tubuli en imbrices (respectievelijk 62, 25 en 14 fragmenten). Daarnaast zijn ook enkele fragmenten van

Wat speelde zich af langs de oever en op het Meer? De vondsten uit het Wijchens Meer zijn echo’s van activiteiten die zich in het verleden langs en op het water afspeelden. Het vondstmateriaal is niet zo talrijk als bijvoorbeeld het geval was in de restgeulen gelegen langs inheems-Romeinse nederzettingen als Geldermalsen-Hondsgemet 49 en Tiel-Passewaaij50 maar kent wel een bijzondere tijdsdiepte vanaf het Paleolithicum tot heden. En vooralsnog is het de enige onderzochte ‘natte context’

Munt

Keizer

Sestertius

Nerva

Aantal 1

96-98

Datering

Tabel 2 Romeinse munten uit het meer. Bron: T. de Groot.

Dupondius

Hadrianus

1

119-121

As

Hadrianus

1

117-138

Quadrans

Antoninus Pius

5

138-161

Sestertius

Marcus Aurelius

1

168-171

Nabootsing Antoninianus

Tetricus I/II

1

270-274

Antoninianus

Claudius II

1

268-270

Nabootsing Antoninianus

Claudius II

3

Laat 4e eeuw

Follis

Diocletianus

1

294

Follis

Constantinus I

1

310-312

Follis

Constantinus I

1

312-313

AE

Constantinus I

1

333-334

Centenionalis

Gratianus

1

367-383

AE

Theodosius I

1

Laat 4e eeuw

AE

Arcadius

1

Laat 4e eeuw/begin 5e eeuw

AE

Honorius

1

Laat 4e eeuw/begin 5e eeuw

AE

Theodosius

2

Laat 4e eeuw

35

Laat 4e eeuw

AE

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 257

|

257

30-09-13 14:01


Afb. 12 De gouden StĂźtzarmfibel. Foto: Museum het Valkhof, Nijmegen.

258

|

bij een Romeinse villa. Het grootste deel van het vondstmateriaal is in de Romeinse tijd gedateerd. De vondsten kennen een grote ruimtelijke verspreiding met twee concentraties, een ter hoogte van de Tienakker en een meer naar het oosten, ter hoogte van de Van Thielsporthal. Het merendeel van de vondsten kan waarschijnlijk als huishoudelijk en sloopafval worden gezien, dat in het Wijchens Meer is gedumpt. De vondsten ter hoogte van de Tienakker sluiten goed aan bij het beeld dat de opgravingen van de villa hebben opgeleverd. De vondsten, en dan vooral het aardewerk en het bouwmateriaal, stralen een behoorlijke welstand uit. De vondstconcentraties lijken samen te vallen met de locaties waar resten van houten structuren zijn aangetroffen. Helaas is de aard van deze structuren onbekend gebleven, maar een interpretatie als oeverbeschoeiing, steiger of kadewerk lijkt gezien de locatie het meest voor de hand te liggen. De rij palen in het oostelijk deel van het onderzoeksgebied is met zekerheid in de Romeinse tijd gedateerd en het is aannemelijk dat ook de houtresten ter hoogte van de Tienakker in deze periode gedateerd mogen worden. De villa op de Tienakker is op een strategische en mooie locatie langs het Meer aangelegd en zal zeker een aanlegsteiger hebben gehad. Het Wijchens Meer vormde waarschijnlijk een ideale aanvoerroute van het bouwmateriaal voor de villa en andere consumptiegoederen. Dit maakt tegelijkertijd aannemelijk dat het Wijchens Maasje in de Romeinse tijd nog een open verbinding

met de Maas moet hebben gehad, in ieder geval tijdens het hoogwater in het voorjaar. De vele vissersmaterialen geven tevens aan dat de oude Maasarm ook gebruikt is voor visvangst. Maar het Wijchens Meer heeft meer dan alleen een economische en recreatieve functie gehad. Van vondsten als wapens, munten en sieraden kan men zich afvragen of die met het afval in het water terecht zijn gekomen of per ongeluk verloren zijn. Ook de twee bronzen schotels zullen niet zomaar zijn in het water terecht zijn gekomen. De gouden fibula was zeldzaam en uiterst kostbaar en zal niet zomaar kwijtgeraakt zijn. Bij verlies zou men deze waarschijnlijk achterna zijn gedoken. Het is bekend dat rivieren en andere natte locaties in de prehistorie en Romeinse tijd gebruikt werden voor rituele deposities.51 Het is dan ook goed voorstelbaar dat het Wijchens Meer voor de bewoners ook een meer spirituele of religieuze connotatie heeft gehad. Het proefsleuvenonderzoek aan de Oosterweg /Van Thielsporthal (2) heeft geen sporen uit de Romeinse tijd opgeleverd.52 Het is op grond van het bovenstaande wel aannemelijk dat in de directe omgeving sporen van bewoning uit deze periode aanwezig zijn (geweest). Mogelijk kan het archeologisch onderzoek dat voorafgaand aan de ontwikkeling van het sporthalterrein zal plaatsvinden, hier meer duidelijkheid over geven. Misschien geeft ook het Wijchens Meer in de toekomst nog veel meer geheimen prijs‌.

Verver 71 5506BJ Veldhoven Seinen@iae.nl Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Smallepad 5 3811 MG Amersfoort T.de.Groot@cultureelerfgoed.nl Postbus 9105 6500 HG Nijmegen H.van.enckevort@nijmegen.nl

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 258

30-09-13 14:01


Noten 1 Peters Seinen is secretaris van de stichting Mergor in Mosam. Tessa de Groot is senior onderzoeker Romeinse tijd bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Harry van Enckevort is senior-archeoloog bij Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen. 2 Heirbaut & Van Enckevort 2011. 3 Een stichting van duikende amateur-archeologen. Voorheen Werkgroep Onderwaterarcheologie Oostelijk Rivierengebied. 4 Dit artikel is grotendeels gebaseerd op Seinen 2011. 5 Heunks 2002. 6 Heunks 2002. 7 Voor een overzicht van de archeologische waarnemingen en onderzoeken wordt verwezen naar Heunks 2002 en De Koning 2010. 8 Schriftelijke mededeling Stijn Heeren (Hazenberg Archeologie). 9 Het Martensterrein-een lange geschiedenis. Nieuwsbericht Gemeente Wijchen gepubliceerd op 26 juni 2009. Zie ook waarnemingsnr. 407116 (vooronderzoek). 10 Heirbaut & Van Enckevort 2011. 1 Van Enckevort & Wildenberg 2009. 2 Hendriks & Magnée-Nentjes 2008. 3 Willems 1984, 110. 4 Heirbaut & Van Enckevort 2011. 5 Heeren & Hazenberg 2010. 6 Diepenveen & van Enckevort 2008; Van Enckevort & Wildenberg 2009. 7 Flokstra 2008. 8 Heeren & Hazenberg 2010. 9 Heirbaut & Van Enckevort 2011. 20 Respectievelijk waarnemingsnr. 46367 en Flokstra 2008. 2 Archis-monumentnr. 13186. 22 Janssen 1979; Hulst 1979; Willems 1986, 119, cat.nr. 316. 23 Archis-waarnemingsnrs. 13532; 13533; 13535; 39212 en 47232. 24 Stapert 1986. 25 R.M. van Aalst, interview met Hent Jansen in 2002. 26 Eerder waren leden van De Kaaiman betrokken bij onderzoek naar archeologische resten in de Maas bij Cuijk onder leiding van de Nijmeegse hoogleraar Jules Bogaers. 27 Grontmij 1978. 28 Waarnemingsnr. 410766 en 410897. 29 1720 +/- 35 BP, Centrum voor Isotopenonderzoek Rijksuniversiteit Groningen GrA-45275.

30 De vondsten zijn verspreid over vijf locaties opgeslagen: de archeologische depots van de gemeente Nijmegen, de Provincie Gelderland, Museum Het Valkhof te Nijmegen, het Kasteelmuseum te Wijchen en Mergor in Mosam. 3 Het aardewerk is vrijwel geheel gedetermineerd door Peter van den Broeke (Prehistorie), Harry van Enckevort (Romeinse tijd) en Arjan den Braven (Middeleeuwen) van Bureau Archeologie en Monumenten, gemeente Nijmegen. 32 De determinaties zijn gebaseerd op Brunsting 1937; Chenet 1941; Dragendorff 1895; Dressel 1899; Van Enckevort 2007; Gose 1950/1976; Holwerda 1923; Holwerda 1941; Oelmann 1914; Schönberger & Simon 1976; Stuart 1977; Unverzagt 1916/1968. 33 Janssen 1979. 34 Janssen 1979. 35 Heirbaut & Van Enckevort 2011. 36 Enkele op de oever opgegraven exemplaren worden beschreven in Willems 1981, 197-201. Zie ook Meijers 1983 en Heirbaut & Van Enckevort 2011. 37 Met een sim wordt een touw bedoeld dat diende voor de versteviging van de randen van een visnet. 38 Waarnemingsnr. 13535; Modderman & Montforts 1991, 165. 39 Een uitzondering hierop zijn de vijf quandrantes van Antoninus Pius (Waarnemingsnr. 13535 en Willems 1981, 119). Het is niet duidelijk wie deze munten gedetermineerd heeft. 40 Reijnen 2011. 41 Van de vele verzamelde ijzervondsten (mondelinge mededeling Wim Tuijn) ontbreekt nagenoeg elk spoor. 42 Willems 1981, 119. 43 Waarnemingnr. 13535 en 39212; Modderman & Montforts 1991, 165; Koster 1993, 309.. 44 Waarnemingsnr. 13532. 45 Met dank aan Louis Swinkels van Museum het Valkhof. Willems 1984, 159, fig. 89. 46 Willems 1984, 153. 47 Willems 1981, 119. 48 Schmitz 2001, 361-364. 49 Van Renswoude & Van Kerckhove 2009. 50 Heeren 2006. 51 Een bekend voorbeeld zijn de deposities van vooral metaal en menselijk botmateriaal bij Kessel-Lith (Ter Schegget 1999). 52 Archis onderzoeksmeldingsnummer 41207.Eindrapportage uitgesteld tot 2013.

Literatuur Aalst, R.M. van, 2004: Verslag verkenning Wijchens Meer 2001- 2004. Bergharen. Brunsting, H., 1937: Het grafveld onder Hees bij Nijmegen. Amsterdam. Chenet, G., 1941: La céramique Gallo-Romaine d’Argonne du IVe siècle et la terre sigillée décorée a la molette. (Fouilles et Documents d’Archéologie Antique en France), Macon. Diepeveen, M. & H. van Enckevort, 2008: Archeologisch onderzoek aan de Touwslagersbaan 38 te Wijchen. (Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 30), Nijmegen.

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 259

|

259

30-09-13 14:01


Dragendorff, H., 1895: Terra sigillata, Bönner Jahrbücher 96/97, 18-155. Dressel, H., 1899: Inscriptiones Urbis Romae Latinae. Instrumentum Domesticum. (Corpus Inscriptionum Latinarum XV, 2), Berolini. Enckevort, H. van, 2007: Scherven van Romeins vaatwerk uit Nistelrode, in: R. Jansen (red.), Bewoningsdynamiek op de Maashorst. De bewoningsgeschiedenis van Nistelrode van laat-neolithicum tot volle middeleeuwen. (Archolrapport 48), Leiden, 245-378. Enckevort, H. van & J. Wildenberg, 2009: Waterputten onder de Herenstraat te Wijchen. (Archeologische Berichten Nijmegen – Briefrapport 47), Nijmegen. Flokstra, L.M., 2008: Plangebied Don Emanuelstraat te Wijchen; een bureau- en inventariserend veldonderzoek. (RAAP-notitie 2627), Amsterdam. Gose, E., 1950/1976: Gefässtypen der römischen Keramik im Rheinland. (Beihefte der Bonner Jahrbücher 1), Köln. Grontmij, 1978: Rapportage profielboringen, kaart van de boorprofielen. Z.pl. Heeren, S., 2006: Opgravingen bij Tiel-Passewaaij 1. De nederzetting aan de Passewaaijse Hogeweg. (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 29), Amsterdam. Heeren, S. & T. Hazenberg (red.), 2010: Voorname dames, stoere soldaten en eenvoudige lieden. Begravingen en nederzettingssporen uit het Neolithicum, de laat-Romeinse tijd en Middeleeuwen te Wijchen-Centrum. Leiden. Heirbaut, E.N.A. & H. Van Enckevort (red.), 2011: De verdwenen villa van de Tienakker. Archeologisch onderzoek naar het Romeinse verleden van Wijchen. (Archeologische Berichten Wijchen 4), Nijmegen. Hendriks, J. & M. Magnée-Nentjes, 2008: Graven aan de Molenberg. Archeologisch onderzoek van een grafveld uit de Romeinse tijd langs de Baron d’Osystraat te Wijchen. (Archeologische Berichten Wijchen 3), Nijmegen. Heunks, E., 2002: Gemeente Wijchen. Een archeologische beleidsadvieskaart. (RAAP-rapport 797), Amsterdam. Hulst, R.S. 1979: Wijchen, Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 78, 89. Holwerda, J.H., 1923: Arentsburg. Een militair vlootstation bij Voorburg. Leiden. Holwerda, J.H., 1941: De Belgische waar in Nijmegen. (Beschrijving van de verzameling van het museum G.M. Kam te Nijmegen, II), ’s Gravenhage. Janssen, A.J., 1979: De geheimen van het Wijchense Meer, Jaarverslag van de AWN afd. Nijmegen en omstreken 1978, 19-22. Koning, M. de, 2010: Onder de Rook van Wijchen. (Archeologische Berichten Wijchen 11), Nijmegen. Koster, A., 1993: Romeins brons uit het oostelijk rivierengebied, Westerheem 42, 299-312. Meijers, R., 1983: Nieuws van ‘De Tienakker’, Jaarverslag van de AWN afd. Nijmegen en omstreken 1982, 20-21. Modderman, P.J.R. & M.J.G.Th. Montforts, 1991: Archeologische kroniek van Gelderland 1970-1084. (Overdruk uit: Bijdragen en mededelingen van de Vereniging Gelre 82, 143-188), Amersfoort. Oelmann, F., 1914: Die Keramik des Kastells Niederbieber. (Materialen zur römisch-germanischen Keramik, 1), Bonn. Renswoude, J. van & J. van Kerckhove 2009: Opgravingen in Geldermalsen-Hondsgemet. Een inheemse nederzetting uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd. (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 35), Amsterdam. Reijnen, R., 2011: Munten en lokale muntproductie, in: Heirbaut & Van Enckevort, 89-108. Schegget, M. ter, 1999: Late Iron Age human skeletal remains from the river Meuse at Kessel. A river cult place?, in: F. Theuws & N. Roymans (red.), Land and ancestors. Cultural dynamics in the Urnfield Period and the Middle Ages in the Southern Netherlands. (Amsterdam Archaeological Studies 4) Amsterdam, 199-240. Schmitz, D., 2001: Militärische Ziegelproduktion in Niedergermanien während der römischen Kaiserzeit, Kölner Jahrbuch 35, 339-374. Schönberger, H. & H.-G. Simon, 1976: Das augusteische Römerlager Rödgen. Die Funde aus den frühkaiserzeitlichen Lagern Rödgen, Friedberg und Bad Nauheim. (Limesforschungen 15), Bad Homburg vor der Höhe. Seinen, P. 2011: Rapport Wijchense Meer. (MiM Rapport, 98-08-20), Mergor in Mosam, Veldhoven. Stapert, D., 1981: Middle Palaeolithic Finds from the Wijchens Meer (Province of Gelderland) and several other finds from Pleistocene Fluviatile Deposits in the surrounding region, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 31, 273-292. Stuart, P., 1977: Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de bijbehorende grafvelden te Nijmegen. (Beschrijving van de verzamelingen in het Rijksmuseum G.M. Kam te Nijmegen VI), Nijmegen. Unverzagt, W., 1916/1968: Die Keramik des Kastells Alzei. (Materialen zur römisch-germanischen Keramik, 2), Frankfurt am Main/Bonn. Verrijt, M., 1999: W.O.O.R. Werkgroep Onderwaterarcheologie Oostelijk Rivierengebied, Jaarverslag AWN afdeling Nijmegen en omstreken 1998, 38-39. Willems, W.J.H., 1981: Romans and Batavians. A regional study in the Dutch eastern river area I (Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 31), 7-218. Willems, W.J.H., 1984: Romans and Batavians. A regional study in the Dutch eastern river area II (Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 34), 39-333.

260

|

Geheimen van het Wijchense Meer

05-2013 binnenwerk.indd 260

30-09-13 14:01


Archeologen aan het Werk De collectie van het Provinciaal Utrechts Genootschap Joanneke Hees1

De telefoon gaat. Aan de lijn een meneer die een bodemvondst die hij heeft gekocht, wil laten determineren. Een bronzen bekertje (afb. 1) waarvan de herkomst onbekend, maar dat volgens de Amerikaanse verkoper uit ongeveer 200 v. Chr. zou dateren. Het is een dun bol bekertje met een vlakke bodem, waarvan de vorm me niet direct bekend voor komt. Ik beloof het te onderzoeken, hoewel ik zonder aanknopingspunt over de herkomst een lange zoektocht in de literatuur voorzie. Bij nadere bestudering samen met mijn collega blijkt echter dat er een heel slecht leesbaar stempel op de bodem staat. Dat ziet er toch niet erg antiek uit. Na een tijd verder puzzelen op de tekst komen we er uiteindelijk achter wat er staat: ‘Empire Craftsquadrupleplate’. Het blijkt een Engels suikerpotje te zijn uit circa 1930-1950. De oorspronkelijke zilverlaag en de twee oren ontbreken, waardoor het er veel ouder uitziet dan het is. Sinds het najaar van 2011 is in het Centraal Museum in Utrecht de semi-permanente tentoonstelling Archeologen aan het Werk te zien over de archeologische collectie van het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (PUG). Deze belangrijke oudheidkundige verzameling omvat zo’n 15.000 ‘museale’ objecten en daarbij nog een behoorlijk aantal dozen met opgravingsvondsten in het depot. De verzameling illustreert de vroegste bewoningsgeschiedenis van Utrecht met vondsten van onder andere het Domplein, het fort Vechten en De Meern, verzameld sinds 1841. De vondsten dateren van de Prehistorie tot de Vroege Middeleeuwen, maar het zwaartepunt ligt bij de Romeinse tijd. Sinds 1995 wordt de collectie beheerd door de gemeente Utrecht en het Cen-

Afb. 1 Dit ‘antieke’ bronzen bekertje bleek eigenlijk een 20e-eeuws Engels suikerpotje. Foto: PUG-collectie, Erfgoed gemeente Utrecht. Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 261

|

261

30-09-13 14:01


Afb. 2 De bekendste terra sigillata-scherf van Nederland: bodem van een bord met graffito van een schip (liburna), Vechten, 25-50 na Chr. Foto: PUGcollectie, Erfgoed gemeente Utrecht.

Afb. 3 Een deel van de tentoonstelling ‘Archeologen aan het Werk’. Foto: Ernst Moritz, Centraal Museum.

262

|

traal Museum heeft de taak om deze te huisvesten en tentoon te stellen (afb. 2). Omdat de collectie moeilijk toegankelijk was, er geen complete inventaris bestond en omdat veel waardevolle voorwerpen in verval dreigden te raken, is begin 2007 een reddingsplan opgesteld om de collectie beter te beheren en te ontsluiten. Dit plan werd extra urgent door de dreigende huuropzegging van de Fundatie van Wensouder - het fraaie 18e-eeuwse pand naast het Centraal Museum waarin de collectie sinds 1930 was gehuisvest waardoor een verhuizing noodzakelijk werd. Om de collectie - voorafgaand aan de verhuizing - goed in kaart te brengen werd een registrator aangesteld (aanvankelijk Pieter van Hilten, vanaf juni 2009 ondergetekende). Maarten van Deventer nam de zorg over het papieren archief van de PUG-collectie op zich en restaureerde ook diverse beschadigde objecten. Het voornaamste doel van het project is om de collectie goed te inventariseren en te fotograferen en uiteindelijk via internet te ontsluiten voor het grote publiek

en de wetenschap. Bovendien is het de bedoeling om een publieksboek te schrijven over de geschiedenis van de PUG-collectie, waaraan zoveel boeiende verhalen zijn verbonden. Om de fysieke conditie van de objecten te verbeteren, wordt het grootste deel van het metaal geconserveerd door metaalspecialist Michel Hendriksen. Ook enkele andere vondstcategorieën behoeven aandacht, zoals de nooit geconserveerde leervondsten (onder meer Romeinse schoenen). Het project bleek echter heel wat meer tijd te kosten dan van tevoren ingeschat. In september 2010 moest de collectie toch echt de Fundatie van Renswoude verlaten, aangezien die ruimte een hoognodige opknapbeurt zou krijgen en verbouwd zou worden tot chique vergaderkamer. De vondsten werden in dozen tijdelijk overgebracht naar het depot, maar dat was natuurlijk geen goede oplossing voor de langere termijn. In overleg met het Centraal Museum werd besloten een werkplaatstentoonstelling in het museum te maken, met als titel Archeologen aan het Werk. Het inventariseren en fotograferen van de collectie wordt voortgezet in een archeologische werkplaats in het museum, waar het publiek binnen kan lopen voor een kijkje achter de schermen en om vragen te stellen. De tentoonstelling De tentoonstelling begint met een lange rij rijk gevulde vitrines, die duidelijk maken dat de PUG-collectie een omvangrijke verzameling is. Niet alleen gaat het om veel verschillende vondstcategorieën, maar vrijwel alle categorieën omvatten ook nog eens veel objecten. Dat maakt de verzameling van groot belang voor wetenschappelijk onderzoek, maar het vraagt ook veel uitzoekwerk. Om een idee te geven: de collectie omvat zo’n 3.700 fragmenten aardewerk, waarvan 2.500 stuks terra sigillata, circa 3.000 metalen voorwerpen, 150 dakpanfragmenten met stempels, 250 benen voorwerpen, 130 leren schoenen, 800 kralen, 3.000 munten en 200 zegelstenen.

Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 262

30-09-13 14:01


Via de lange rij vitrines komt de bezoeker bij de werkplaats van de archeoloog, die afgegrensd wordt door metalen stellingen met glaswanden. Door de open deur is de archeoloog aan het werk te zien, bijvoorbeeld bezig met het fotograferen van objecten op de foto-opstelling of studerend aan de uitlegtafel met daarop naslagwerken en objecten die nog gedetermineerd moeten worden. Hier kan de bezoeker zoals gezegd het archeologische proces volgen en vragen stellen. In de werkruimte staan tevens enkele 19e-eeuwse kasten uit de oude opstelling in de Fundatie van Renswoude. De verhalenkast, een grote witte vakkenkast, vertelt op een bijzondere manier over de vele verhalen die aan de PUG-collectie zijn verbonden. De collectie is grotendeels aangelegd in de 19e eeuw, een periode waarin geïnteresseerde burgers begonnen met het verzamelen en bewaren van archeologisch erfgoed uit hun omgeving. De thema’s in de verhalenkast vertellen over het ontstaan en het beheer van de collectie en over de verschillende plaatsen waar de objecten geëxposeerd zijn geweest. Verhalen over verzamelaars en wetenschappers en natuurlijk over de belangrijkste vindplaatsen waar de vondsten vandaan komen. In de verhalenkast ontdekt het publiek niet alleen collectiestukken, maar ook kaartsystemen, labels, naambordjes, sigarendoosjes, oude catalogi, tekeningen van objecten, oude opgravingsfoto’s en correspondentie. Binnenin de kast is de documentaire Een bijzonder geluk te zien, waarin em. prof. dr. C.A. Isings - sinds 1961 conservator van de PUG-collectie - vol passie vertelt over het belang van de verzameling en haar rol daarin. Ook kan de bezoeker hier via de Gigapan, een 360°-panorama gemaakt door Marc Buma van Bumos Software engineering & consultancy, digitaal rondkijken in de oude PUGopstelling in de Fundatie van Renswoude met de mooie oude vitrinekasten. Met behulp van een Kinect (bekend van de Xbox) kan de computer lichaamsbewegingen herkennen waarmee de bezoeker rond kan kijken in het panorama.2

Afb. 4 Romeinse gouden broche met granaatjes, in 1893 door het PUG opgegraven in Vechten. Foto: PUG-collectie, Erfgoed gemeente Utrecht.

Alle voorwerpen uit de PUG-collectie vertellen een verhaal, waardoor ook kleine, eenvoudige vondsten opeens heel boeiend kunnen zijn. Maar er bevinden zich ook echte topstukken in de collectie, soms zelfs wereldberoemd, zoals een scherf met een tekening van een Romeinse galei of prachtige gouden sieraden. Deze zijn te zien in de topstukkenzaal. Dat vormgeving en design niet alleen van deze tijd zijn, wordt duidelijk als Romeinse voorwerpen naast hedendaagse ontwerpen uit de collectie van het Centraal Museum worden gezet. Oud en nieuw raken elkaar en nodigen de bezoeker uit om nog beter naar de vorm en toepassing van objecten te kijken (afb. 3). Geschiedenis van de PUG-collectie Het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen is opgericht in 1773 en is een van de oudste nog actieve genootschappen in ons land. Aanvankelijk wilde het PUG vooral de beoefening van kunsten en wetenschappen bevorderen door het verstrekken van subsidies en het uitschrijven van prijsvragen, maar in 1841 werd besloten ook actief oudheden te gaan onderzoeken en verzamelen. Zo ging het genootschap zelf archeologisch onderzoek doen. Ook werd er geld ter beschikking gesteld voor de aankoop van oudheidkundige vondsten Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 263

|

263

30-09-13 14:01


en verzamelingen. Tegelijkertijd werden de leden door de directie van het genootschap opgeroepen om oude voorwerpen uit de provincie Utrecht aan het PUG af te staan. Het zou het begin zijn van een indrukwekkende verzameling die, vooral door de vondsten uit Vechten, De Meern en het Domplein, veel vertelt over het Romeinse verleden van de provincie Utrecht. De oprichting van de archeologische verzameling van het PUG hangt nauw samen met de werkzaamheden van de ‘Provinciale Commissie tot het opsporen van Romeinsche Oudheden’, die in 1829 door de provincie Utrecht was ingesteld. De commissie verzamelde kennis over de Romeinse oudheden in de provincie en ondernam zelf opgravingen in Vechten en De Meern. Nadat de commissie na enkele jaren weer werd opgeheven, werden de archeologische activiteiten overgenomen door het PUG en de vondsten in de collectie opgenomen. Kopen, krijgen, graven… Al snel groeide de collectie flink: diverse grote particuliere collecties kwamen door schenking, aankoop of nalatenschap in de PUG-collectie terecht, zoals de verzameling van prof. dr. L.J.F. Janssen, die zijn archeologische verzameling na zijn aanstelling als conservator bij het Rijksmuseum van Oudheden in 1842 aan het PUG verkocht. De collectie bestond uit een groot aantal prehistoriAfb. 5 Ina Isings, de huidige conservator van de PUG-collectie, in de Fundatie van Renswoude. Foto: Amerens Hedwich.

264

|

sche en Romeinse vondsten die hij in 1831 in grafheuvels in de omgeving van Kleef (Duitsland) had opgegraven. Niet echt Utrechts natuurlijk, maar wel heel interessant en voor die tijd vrij goed gedocumenteerd materiaal. Een centrale plaats in de PUG-collectie wordt ingenomen door de verzameling van Jonkheer H.W. Bosch van Drakestein, die op landgoed Oud-Amelisweerd in Bunnik woonde. Hij verzamelde oudheden van het nabijgelegen Romeinse fort Vechten. Na zijn dood in 1883 liet hij zijn omvangrijke collectie na aan de gemeente Utrecht, die de vondsten in langdurig bruikleen gaf aan het PUG. Vechten bij Bunnik is een van de belangrijkste vindplaatsen van Romeinse oudheden in Nederland. Men vermoedde allang dat daar een Romeins castellum moest liggen, dus in 1892-1894 ondernam het PUG een uitgebreide opgraving om het fort te traceren. Hoewel ze er uiteindelijk net naast bleken te zitten, kwamen er wel veel Romeinse objecten uit de grond tevoorschijn. De PUG-collectie maakte daardoor een enorme groei door (afb. 4). Ook in de twee volgende castella langs de limes, de Romeinse rijksgrens, het Domplein in Utrecht en de Hoge Woerd in De Meern, werden in de jaren dertig en veertig van de 20e eeuw diverse wetenschappelijke opgravingen gedaan, bijvoorbeeld door prof. dr. A.E. van Giffen. Deze opgravingen werden (mede) gefinancierd door het PUG, waardoor de vondsten in deze collectie terechtkwamen. Beheer van de collectie De collectie werd vanaf het begin beheerd door een conservator, soms ondersteund door een assistent. De meeste conservatoren waren hoogleraar aan de universiteit en hadden het conservatorschap als onbetaalde bijbaan. Enkele belangrijke conservatoren waren P.J. Vermeulen (1848-1867), G.A. Hulsebos (1868-1904), C.W. Vollgraff (1905-1908), G. van Hoorn (1918-1956) en natuurlijk mevrouw C.A. Isings (1961-heden). Ieder van hen had zijn of haar eigen specialisme waarop in

Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 264

30-09-13 14:01


het onderzoek en aankoopbeleid de nadruk kwam te liggen (afb. 5). Om enig overzicht te houden in de groeiende archeologische collectie was al snel een registratiesysteem nodig. Rond 1850 kwam er een handgeschreven catalogus met bijbehorende etiketjes die op de objecten werden geplakt. In 1868 volgde de eerste gedrukte catalogus, gemaakt door P.J. Vermeulen. In 1905 begon toenmalig conservator C.W. Vollgraff aan een grootscheepse herinventarisatie op nummervolgorde, het systeem dat ook nu nog wordt gebruikt. De verschillende inventarisaties resulteerden in diverse kaartenbakken en catalogi. En in objecten met veel verschillende nummers en etiketjes erop. De PUG-collectie groeide in de loop van de 19e eeuw uit tot een belangrijke archeologische collectie, die ook buiten Utrecht de aandacht trok. De conservatoren schreven wetenschappelijke publicaties over hun onderzoek en begeleidden studenten die hun afstudeerscriptie schreven over een deel van de PUG-collectie. Diverse bekende binnen- en buitenlandse archeologen brachten een bezoek aan de PUG-collectie ten behoeve van hun onderzoek, zoals H. Dragendorff en J. Déchelette. Felix Oswald nam in zijn standaardwerk over versierde terra sigillata ook vondsten uit Vechten op. Tentoonstellingen De PUG-collectie heeft in haar bestaan heel wat omzwervingen gemaakt. In de eerste jaren na 1844 was de verzameling tentoongesteld in het voormalig paleis van Lodewijk Napoleon op de Drift. Daarna was ze decennialang te zien in het Utrechtse stadhuis, waar het Stedelijk Museum van Oudheden was gevestigd, de voorloper van het huidige Centraal Museum. In 1890 verhuisde de collectie naar het toenmalig museum op het Hooge Land, waarna ze in 1921 overging naar de kelder van het toen net geopende Centraal Museum. In 1930 werd het ‘Utrechtse schip’ - een scheepswrak uit omstreeks het jaar 1000 - gevonden bij de aanleg van de wijk Zuilen. Na conservering werd het tentoongesteld in de kel-

der van het Centraal Museum, waardoor de PUG-collectie moest verhuizen naar de Fundatie van Renswoude, waar ze tot 2010 zou blijven. Publieksbereik De eerste tijd was de PUG-collectie in de Fundatie van Renswoude nog te bezoeken door het publiek, onder begeleiding van een suppoost van het museum. Na verloop van tijd echter werd de beschikbare ruimte voor de archeologische vondsten verder ingekrompen en was de collectie feitelijk alleen nog op afspraak te bezichtigen. Hoewel een klein deel van de objecten altijd nog wel in de historische opstelling van het Centraal Museum heeft gestaan, waren de rijkdom en het belang van de PUG-collectie bij het begin van het project eigenlijk nauwelijks meer bekend bij publiek en archeologen. Met de verhuizing van de werkruimte naar het museum in 2011 werd dan ook besloten tot een nieuwe fase van het registratieproject, de ‘onderzoeker als educator’, ook in verband met het aanboren van nieuwe subsidiebronnen. Deze uitbreiding van de taken van de registrator is erop gericht om het publieksbereik te vergroten door geïnteresseerden meer bij de collectie te betrekken, zowel fysiek in het museum als digitaal via internet.

Afb. 6 Alle objecten worden gefotografeerd. Foto: PUGcollectie, Erfgoed gemeente Utrecht.

Werkplaats In het museum zelf wordt het publiek natuurlijk vooral bereikt door de tentoonstelling ‘Archeologen aan het Werk’, helemaal gewijd aan de geschiedenis en Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 265

|

265

30-09-13 14:02


Afb. 7 Kinderworkshop ‘Wat doet een archeoloog?’. Foto: PUG-collectie, Erfgoed gemeente Utrecht.

266

|

archeologische rijkdom van de PUG-collectie. Een belangrijk onderdeel is de in de tentoonstelling geĂŻntegreerde werkruimte van de archeoloog/registrator. Doordat het publiek de werkzaamheden kan zien die normaal afgeschermd in het depot of het kantoor plaatsvinden, komt de tentoonstelling meer tot leven. Mensen kunnen vragen stellen aan de archeoloog als ze meer willen weten over bepaalde voorwerpen. Dit betreft overigens niet alleen vragen over objecten in de opstelling, maar ook komen er regelmatig mensen met vragen (al dan niet per email) over eigen archeologische vondsten. Vanzelfsprekend worden er op verzoek ook groepsrondleidingen door de tentoonstelling gegeven. De afdeling wordt gedeeld met het informatiecentrum, dus bij afwezigheid van de archeoloog kunnen de vrijwilligers achter de balie bezoekers met praktische vragen verder helpen (afb. 6). Sinds enkele jaren is het gebruikelijk in het Centraal Museum om bij alle grote tentoonstellingen een werkplaats in te richten die inhoudelijk aansluit bij de tentoonstelling. Met de werkplaats wil het museum het publiek meer bij het onderwerp van de tentoonstelling betrekken en uitdagen om zelf de handen uit de mouwen te steken. Niet langer is het museum alleen een plek waar kunstvoorwerpen op gepaste afstand of achter glas bekeken mogen worden. In de werkplaats kan het publiek zelf aan de slag met de naaimachine, de verfkwast of een onderhandelingsspel. Hoewel de werkruimte in de tentoonstelling Archeologen aan het

Werk iets anders is van opzet, vormt ook deze duidelijk een toevoeging aan de beleving van het museum. Het streven om het publiek meer te laten zien van het werk achter de schermen is de laatste jaren in opkomst. Ook in bijvoorbeeld Naturalis en de Lakenhal in Leiden vinden en vonden grote collectieregistratieprojecten plaats voor de ogen van het publiek. Restauratie vindt eveneens vaker in de zaal plaats, zoals in de tentoonstelling Mummiekisten van de Amon-priesters in het Rijkmuseum van Oudheden. De registratie wordt deels ondersteund door vrijwilligers. Vorig jaar heeft een Maltese vrijwilliger enkele maanden geholpen met het uitzoeken en fotograferen van de metaalvondsten en momenteel is er iemand bezig met het determineren van de circa 400 historische penningen die tot de collectie behoren. Het publiek: van kinderen tot specialisten In de schoolvakanties vindt er een kinderworkshop Wat doet een archeoloog? plaats in de archeologische werkruimte, waarbij kinderen van 7 tot 12 jaar na een introductie over het werk van een archeoloog zelf aan de slag mogen met het onderzoeken van echte archeologische vondsten. Deze workshop is ook beschikbaar als museumles voor schoolklassen van het primair onderwijs.3 Momenteel worden de mogelijkheden bekeken voor een gecombineerd schoolbezoek aan de Schatkamer Domplein en het Centraal Museum. Bij de tentoonstelling is tevens een kinderkijkroute Help de archeoloog gemaakt voor individuele bezoekers (afb. 7). Doel van het project is echter niet alleen om het grote publiek kennis te laten maken met de Utrechtse bodemvondsten. Deze bijzondere verzameling vormt ook een zeer rijke bron voor wetenschappelijk onderzoek. Zoals gezegd wisten onderzoekers vroeger uitstekend de weg naar Utrecht te vinden, bijvoorbeeld als het ging om terra sigillata. Hoewel de gegevens over de vondstomstandigheden slechts zelden voldoen aan de eisen die tegenwoordig gesteld worden, kunnen de

Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 266

30-09-13 14:02


vondsten uit de PUG-collectie nog altijd veel toevoegen aan de moderne archeologische kennis. Gelukkig komt de collectie langzamerhand weer terug in beeld bij de vakgenoten en verschijnt er met enige regelmaat een specialist om bepaalde objecten te bestuderen. Nieuwe technieken Hoewel de rijke historie van de PUG-collectie een van de aspecten is die bijdragen aan het belang ervan, worden ook moderne communicatiemiddelen en nieuwe technieken volop ingezet voor het verspreiden en verdiepen van de kennis over de collectie. De PUG-collectie heeft een eigen Facebookpagina en een Twitteraccount 4, waarop regelmatig leuke ontdekkingen en nieuws over de collectie worden gepost. Zo nu en dan wordt de volgers ook om hulp gevraagd bij het determineren van een onbekend object. Er zijn plannen om de eerder genoemde Gigapan, het 360°-panorama van de oude PUG-opstelling, uit te breiden met nieuwe opties, zoals een automatische rondleiding die inzoomt op een aantal highlights en grappige details. Recent is al enkele keren geëxperimenteerd met verschillende technieken om 3D-scans van archeologische objecten te maken, die vervolgens ook geprint kunnen worden door een 3D-printer. Op wetenschappelijk gebied zijn enige collectiestukken onlangs onderzocht met de XRF-scanner van de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed, waarmee de precieze materiaalsamenstelling kan worden gemeten. Dit geeft bijvoorbeeld informatie over de mogelijke herkomst en ouderdom van een object (afb. 8). Conclusie Het moge duidelijk zijn dat het in 2007 uit nood geboren reddingsplan voor de PUG-collectie intussen leidde tot een aantal mooie ontwikkelingen. De zeer rijke verzameling oudheden is nieuw leven ingeblazen. Een verzameling met talloze mooie verhalen over Romeinse vondsten, 19e-eeuwse verzamelaars en 20e-eeuwse archeologen. Oude voorwerpen die

Afb. 8 Een Romeinse bronzen schaal uit de PUG-collectie wordt onderzocht met de XRFscanner van de RCE. Foto: PUGcollectie, Erfgoed gemeente Utrecht.

met moderne technieken steeds weer nieuwe informatie prijsgeven. En dat alles onder het toeziend oog van het publiek. Loop gerust eens binnen, al dan niet met een 20e-eeuws suikerpotje… Afdeling Erfgoed Gemeente Utrecht Zwaansteeg 11 3511 VG Utrecht Centraal Museum Postbus 2106 3500 GC Utrecht jhees@centraalmuseum.nl http://centraalmuseum.nl/bezoeken/tentoonstellingen/Archeologen-aan-het-werk/ Noten 1 Joanneke Hees werkt sinds 2009 als registrator/onderzoeker aan de ontsluiting en het beheer van de PUG-collectie. Zij studeerde Griekse en Latijnse Taal en Cultuur in Leiden met als afstudeerrichting provinciaal-Romeinse archeologie. Hiervoor werkte zij onder andere aan projecten bij het Rijksmuseum van Oudheden en het Stadsmuseum Leidschendam-Voorburg. 2 www.bumos.nl/pug 3 http://centraalmuseum.nl/onderwijs/primair/ 4 Facebook: www.facebook.com/pugcollectie. Twitter: @joannekehees.

Op het artikel over C14-datering door J. van der Plicht in Westerheem nr. 4, augustus 2013, kwam een lezersvraag bij de redactie binnen. De auteur heeft hierop een uitgebreide toelichting geschreven die te vinden is op http://www.awn-archeologie.nl/index.php/westerheem.

Archeologen aan het Werk

05-2013 binnenwerk.indd 267

|

267

30-09-13 14:02


Rondom de stad

Gemeentelijke archeologie in... Den Haag Haga post bellum: hoe de AWN het Romeinse platteland ontdekte Jeroen van Zoolingen1

In de naoorlogse jaren vijftig en zestig breidt Den Haag in rap tempo uit. Nieuwe wijken als Bouwlust en Vrederust worden aangelegd, en de stad groeit tot aan Poeldijk, Wateringen en Rijswijk. In de bouwputten verrichten de amateurarcheologen van de AWN belangrijke waarnemingen waardoor zij vele nieuwe vindplaatsen op de kaart zetten. In het bijzonder de Romeinse tijd blijkt veel beter vertegenwoordigd dan tot dan toe ooit iemand had durven denken. Onbedoeld gaven zij het startsein voor de ontdekking van het Romeinse platteland.

In oktober 2012 vierde de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag haar 30-jarig jubileum. Dit werd groots aangepakt met het door collega’s en vrienden druk bezochte symposium Bodem tot Draagvlak, in het Museon. Gedurende de dag stonden de geschiedenis en toekomst van de Haagse archeologie centraal. Naast het ophalen van herinneringen en anekdotes door de gemeentearcheologen van toen en nu, en een vogelvlucht langs de Haagse bewoning vanaf de Prehistorie tot aan het heden, stonden ook meer algemene thema’s op het programma zoals de geologie en het landschap van Den Haag, of de betekenis van de wet van Malta. Dat wij deze bijzondere dag met zoveel verha-

268

|

len konden vieren is natuurlijk niet alleen te danken aan wat er de laatste drie decennia in het Haagse speelde. De geschiedenis van de Haagse archeologie gaat immers verder terug; de eerste opgravingen zijn al uitgevoerd in 1770 (de Hofkapel) en in de jaren dertig van de vorige eeuw werd op Ockenburgh al wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door dr. Holwerda. Toch neemt onze kennis van de Haagse archeologie, in het bijzonder die van de Romeinse tijd, pas echt een vlucht na de Tweede Wereldoorlog. Om te weten hoe dit gebeurde, gaan we ruim een halve eeuw terug in de tijd. Mei 1945. Door de oorlog zijn grote delen

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 268

30-09-13 14:02


van Nederland verwoest. Zo ook in Den Haag, als regeringsstad een van de belangrijke strijdtonelen. Voor de wederopbouw van de stad formuleren de ambtenaren drie speerpunten: stadsuitbreiding, nieuwbouw en sanering. Verschillende plannen passeren de revue, onder andere van de beroemde architect Willem Dudok (afb. 1). Uiteindelijk start men in 1950 met het eerste grootschalige nieuwbouwproject, Morgenstond (afb. 2). In het tot dan toe nog onbebouwde zuidwesten van de stad maken de weilanden nu plaats voor woningen. In de jaren vijftig en zestig zullen er nog verschillende woonwijken en bedrijventerreinen volgen, met groot grondverzet als gevolg. Er is op dat moment nog geen sprake van een professionele archeologische organisatie in de stad. In feite ligt de taak van

het opgraven bij de in 1947 opgerichte Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), maar die heeft haar handen vol aan de rest van wederopbouwend Nederland. Bovendien zijn ook de aloude universiteiten nog actief in het binnenhalen van veldwerk, waardoor de organisatie lang niet altijd even soepel verloopt. Alleen aan de Hengelolaan voert de ROB in 1951 onder leiding van P.J.R. Modderman een kleinschalige opgraving uit, waarbij uit de profielen van wegcunetten enkele Romeinse vondsten worden verzameld.2 Voor wat betreft het Romeinse onderzoek in Den Haag blijft het daarbij.3 Gelukkig voor de archeologie zijn er ook de amateurarcheologen, in 1951 voor het eerst verenigd in de Archeologische Werkgemeenschap voor Westelijk Nederland (AWWN). De correspondenten van deze vereniging zijn in feite de oren en

Afb. 1 Plannen van de wederopbouw Dudok. Bron: Dienst REO Den Haag.

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 269

|

269

30-09-13 14:02


archeologica. In het bijzonder Stuurman en Mezger leggen daarbij een gedetailleerde documentatie vast. Vondsten worden systematisch verzameld, van profielen worden tekeningen en foto’s vervaardigd en soms zelfs is er een dagrapport avant la lettre geschreven. Al deze gegevens dienen tot op de dag van vandaag als waardevolle aanvulling op het archeologisch onderzoek van nu (we komen hierover verderop nog te spreken). We mogen dan ook stellen dat de AWN’ers (zeker gezien de tijd) een professionele aanpak hanteerden.

Afb. 2 Morgenstond in 1956. Bron: Aerophoto ‘Nederland’.

Afb. 3 Beroemde waarnemingen op De Bult. Vanaf links: Bonte, Stuurman, Postma. Foto: J. Mezger.

270

|

ogen van de professionele archeologen. In Den Haag wordt de amateurgroep vertegenwoordigd door een kleine, maar uiterst actieve club die in maart 1953 wordt opgericht: de afdeling Den Haag e.o. AWN’ers van het eerste uur Enkele van de eerste leden van de AWNafdeling zijn Paul Stuurman, Jan Mezger, Pieter Postma, Cees Keizer, Aad Meijer, Kees Kalmeijer en Wil Bonte. In kleine aantallen trekken de mannen erop uit om in de weekenden en avonden de bouwputten van de stadsuitbreiding na te lopen op

Ter gelegenheid van het negende lustrum van de AWN, werd in 1996 Een passie voor het verleden gepubliceerd, geschreven door Paul Stuurman. Hij haalt in het boekje herinneringen aan zijn vrienden van weleer op, op alleraardigste wijze beschreven in een aantal anekdotes. Om een goede indruk te krijgen van de tijd en de personen waarover we spreken, misstaat het niet om een van Stuurmans meest beeldende passages te citeren. Paul beschrijft hierin de waarnemingen op het Monsterse Geestje (1962-1964) ten westen van Den Haag: “Het is dikwijls afzien en kou lijden. Maar mijn goede vriend Aad Meijer heeft daar wat op gevonden. Hij brengt een petroleumstelletje en een zak frietjes mee. Lekker warm in de maag. Het keetje van het Hoogheemraadschap Delft, bij de Slaperdijk, waar we ons materiaal kwijt kunnen, is de aangewezen plek om, beschermd tegen de geselende wind, van de traktatie te genieten. Als de deur krakend opengaat, komt er een groot bewegen op gang. Muizen schieten naar alle kanten weg. Het stelletje ontwikkelt een penetrante walm, maar weinig warmte. Tegen de tijd dat de grootste kou van de frietjes af is, komen Aad en ik tot de conclusie dat langer wachten geen zin heeft. Met lange tanden, maar manmoedig, verorberen we wat van de doorwalmde frietjes. Dan gaat de deur knarsend open en gluren onze vrienden Jan Mezger en Kees Kalmeijer sardonisch lachend om de hoek naar onze vertrokken gezichten. Niet voor niets heb-

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 270

30-09-13 14:02


ben ze zich voordien zorgvuldig buiten de gevarenzone gehouden.”4 Hoewel het beeld romantisch aandoet, is de situatie in de archeologie alles behalve dat. Het onderzoek op het Geestje is hierin exemplarisch. De waarnemingen van de AWN maken al snel duidelijk hoe rijk het Geestje als vindplaats is. Maar correspondentie met de ROB levert maar weinig respons op, tot frustratie van Stuurman. Uiteindelijk resulteert het erin dat het IPP (Universiteit van Amsterdam) in 1963-1964 de locatie onder haar hoede neemt. Overigens is dit niet de enige locatie waar dit gebeurde. Ook aan de Laan van Meerdervoort kwam het IPP de AWN’ers al te hulp. De ROB was van dit alles op de hoogte, maar kon vooralsnog geen grote bijdrage leveren. Pas in 1967 komt de Rijksdienst weer naar de regio, om onderzoek te doen op een zekere locatie in Rijswijk… Het onbekende: Romeins platteland In november 1964 bevinden Stuurman, Mezger, Keizer en Postma zich in de Plas­ poelpolder in Rijswijk (afb. 3). Omdat de polder is aangewezen als locatie voor grootschalige nieuwbouw (afb. 4), zijn de heren op verkenning. Ze zijn al enige tijd geïntrigeerd door een terrein met de naam De Bult. Na enkele kleine proefputjes te hebben gegraven, blijkt waar de naam vandaan komt: in de bodem bevindt zich een grote Romeinse vindplaats. En niet de minste. De vondst van fragmenten Romeinse wandschilderingen maakt zoveel wel duidelijk, en dus is het wederom alle hens aan dek. Het is niet de eerste Romeinse vindplaats die de AWN’ers op de kaart zetten. Al in 1958 doen ze hun eerste waarnemingen in Vrederust en de Uithofpolder. Het zijn stuk voor stuk nieuwe vindplaatsen, want tot 1958 weten de archeologen nog maar weinig van het Romeinse landschap ten zuidwesten van Den Haag. Eigenlijk is er op dat moment überhaupt maar weinig bekend over deze periode in de Haagse regio. In 1937, dus nét voor de wederop-

bouw, wordt ’s-Gravenhage in zeven eeuw­ en van de Haagse historicus H.E. van Gelder gepubliceerd. Zijn werk biedt op dat moment -en nog jaren erna- een zeldzaam overzicht van de Haagse archeologie. Vanzelfsprekend besteedt hij ook aandacht aan de Romeinse tijd, al noemt hij maar weinig vindplaatsen: Ockenburgh, de Waalsdorpervlakte en Arentsburg. Laatstgenoemde betreft de Romeinse stad bij Voorburg die al aan het begin van de 19e eeuw door Reuvens werd bezocht, de andere twee vindplaatsen liggen in het duingebied van Den Haag. Over bewoning in het kleigebied ten zuidwesten van de stad wordt niet gesproken, “maar in de dagen der Romeinen zullen hier reeds heel wat meer bewoners zijn geweest.”5

Afb. 4 Affiche voor de nieuwbouw in de Plaspoelpolder. Bron: Dienst REO Den Haag.

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 271

|

271

30-09-13 14:02


Afb. 5 Den Haag-Zuid West. In rood de Romeinse vindplaatsen (behoudens G). Bron: J. Mezger.

Dat dit inderdaad het geval zal zijn geweest bleek al in 1948, toen Van Liere de resultaten van zijn karterend bodemonderzoek in het Westland publiceerde. In een gebied dat tot dan toe als archeologisch terra incognita gold, trof hij een dertigtal ‘woonplaatsen’ aan. Hij herkende ze aan hun ligging op de oeverwallen van voormalige getijdenkreken en aan de typerende donkergekleurde grond met ijzerfosfaat.6 De Romeinse datering kon worden ontleend aan het begeleidende aardewerk. Tijdens hun waarnemingen maakten de correspondenten van de AWN dankbaar gebruik van de kartering en omschrijving van de Romeinse vindplaatsen die Van Liere bood. De kaart die hier staat afgebeeld (afb. 5) is afkomstig uit de documentatie van Jan Mezger. Te zien zijn Poeldijk, Wateringen en het zuidwesten van Den Haag. Ter oriëntatie dient de dubbele stippellijn, het is het tracé voor de dan nog aan te leggen Lozerlaan in Den Haag. De op de kaart aangegeven vindplaatsen zijn (op één na) alle van Romeinse datering. De locaties komen overeen met de woonplaatsen van Van Liere. Op verschil-

272

|

lende plaatsen bleek het mogelijk om in de gegraven bouwputten de profielen te bekijken, waarbij de donkere gronden werden waargenomen, zoals die door Van Liere werden omschreven. De ene na de andere Romeinse vindplaats De eerste locatie die bezocht werd is Vrederust in 1958 (A), kort erna in 1960 gevolgd door bouwputten langs de Erasmusweg en Eskamppolder (B)7, en vanaf 1966 door een terrein ten westen van de nieuw aan te leggen Lozerlaan (C).8 Het geheel bleek één langgerekte vindplaats van inheems-Romeinse aard te zijn. De amateurarcheologen troffen er naast het gedraaide Romeinse aardewerk ook grote aantallen van handgevormd materiaal aan. Waar eerstgenoemde geen twijfel over de datering liet bestaan, maakte de tweede soort duidelijk dat er sprake was van inheemse bewoning. Verder verzamelde men natuur- en baksteen, bot, glas en metaal. Jan Mezger is de eerste die over de vindplaats publiceerde, al in 1961. In zijn inleiding verwoordt hij het belang van de vondsten:

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 272

30-09-13 14:02


“Mogelijk kan een beschrijving daarvan, naast het vele dat in de loop der jaren in Westerheem is vermeld, bijdragen tot nadere kennis omtrent de bewoningsgebieden van de stammen, welke zich in de eerste eeuwen in het westen van ons land hebben bevonden”.9 In de Westerheempublicatie gaat Mezger, na een korte beschrijving van de waarnemingen (grondsporen werden nauwelijks waargenomen), uitgebreid in op het vondstmateriaal. Hij heeft daarbij bijzonder veel aandacht voor het handgevormde aardewerk, dat hij nauwgezet beschrijft en determineert als ‘Fries’. In de persoonlijke documentatie van Mezger bevinden zich nog verschillende onuitgewerkte studies naar dit materiaal (afb. 6). De vondsten die hij ervoor gebruikte zijn niet alleen afkomstig van de vindplaats waarover hij publiceerde, maar ook van andere. Zo bevond zich een andere belangrijke vindplaats in de wijk Zichtenburg, waar vanaf de late jaren vijftig een ‘werkterrein’ werd ontwikkeld. In 1961 deed men ook hier waarnemingen in de bouwputten, waarbij op meerdere locaties langs de Meppelweg een inheems-Romeinse vindplaats werd aangetroffen (D).10 Enkele jaren later, in 1964, werd de oostelijke aansluiting onderzocht (E). Ditmaal waren de AWN’ers in staat om enkele kleine opgravingsputjes aan te leggen (afb. 7), waardoor het nu ook mogelijk werd om grondsporen vast te leggen. Het bleek dat de bewoning (want daar ging het om) zich uitstrekte over de lengte van een oeverwal langs een verlande getijdenkreek. Precies zoals Van Liere het voorstelde. Wederom werden weer vele vondsten gedaan, wat zoals gezegd de basis vormde van een uitgebreide studie. Maar hoewel ook Mezger zich met het materiaal bezighield, is het Paul Stuurman geweest die er de meeste publicaties over vervaardigde.11 Het werk dat hij en Mezger verrichtten vormt tot op de dag van vandaag een belangrijke basis voor onze kennis van het handgevormde aardewerk uit de kuststreek.

wederom veel corresponderen, start de ROB in de zomer van 1967 met een proefopgraving, die uiteindelijk ruim twee jaar zal duren. Het is aan de AWN om in de avonden en weekenden de wacht te houden bij de werkputten. En dat is niet zonder reden. Vanzelfsprekend trekt een vindplaats zoals deze de nodige pottenkijkers, al is de grootste dreiging van een heel andere aard. Stuurman memoreert: “De biggetjes vormen een andere bedreiging. Ze duiken op de meest onverwachte momenten achter de hopen aarde op en overspoelen dan het opgravingsterrein. Ze vreten de naar verhouding zachte inheemse scherven op. Wij, d.w.z. in dit geval Rob Demarée en ik, doen zondagsdienst. Ons plan om lekker in het zonnetje wat te gaan lezen wordt wreed verstoord. We bekogelen de biggetjes met

Afb. 6 Schetsen van handgevormd aardewerk. Gemaakt door: J. Mezger.

Maar terug nu naar Rijswijk-de Bult. Na Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 273

|

273

30-09-13 14:02


Afb. 7 Waarnemingen langs de Meppelweg in Den Haag. Vanaf links Stuurman, Overbeek, Klompé en mevr. Mezger. Foto: J. Mezger.

kluiten. Dat brengt de vrouwelijke jeugd van de aangrenzende Tubasingel tot grote woede. Ze zwermen uit over het terrein, schelden ons uit voor alles wat lelijk is en lokken de biggetjes naar zich toe. Die rennen vervolgens weer eensgezind over het opgravingsterrein. Later worden ze een vertrouwd verschijnsel en gaan ze deel uitmaken van de dagelijkse inventaris. Ze verbergen zich als het warm is onder de keet en beginnen dan af en toe lekker te schurken. Voor bezoekers is een schuddende keet een merkwaardig fenomeen.”12 Het Romeinse platteland verder ontrafeld Inmiddels ligt het werk van de AWN’ers alweer een halve eeuw achter ons. Zoals dat gaat bij gedegen wetenschappelijk onderzoek, zijn verschillende conclusies en interpretaties bijgesteld, al betreft het maar een klein deel van de resultaten. Het merendeel staat nog altijd overeind, en verschillende onderzoeken kregen zelfs een vervolg. De resultaten van de ROB opgraving op De Bult resulteerden in 1978 in het proefschrift van Tom Bloe-

274

|

mers. Nog altijd geldt zijn beschrijving van de steenbouwlocatie als een standaardwerk. Maar ook de vindplaatsen Lozerlaan/Erasmusweg en Lozerlaan/ Meppelweg zijn in recenter jaren opnieuw aan archeologisch onderzoek onderworpen, ditmaal uitgevoerd door de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag. In beide gevallen bleek het inderdaad te gaan om inheems-Romeinse nederzettingen, te dateren vanaf de late 1e eeuw na Chr. tot in de 3e eeuw. Nabij de kruising van de Erasmusweg en Lozerlaan werd in 1994 een bijzondere structuur blootgelegd, die als open cultusplaats is geïnterpreteerd.13 Een aantal jaren later, in 1999, werd een kleine maar uiterst succesvolle opgraving uitgevoerd aan de Nikkelwerf.14 Het onderzoek bevond zich ter hoogte van het laatste AWN onderzoek aan de Meppelweg, waarmee al duidelijk werd dat men zich te midden van de inheems-Romeinse bewoning bevond. De vondst van een huisplattegrond maakt dit eens te meer duidelijk. Sinds de oprichting van de afdeling

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 274

30-09-13 14:02


Archeologie zijn in Den Haag ook op andere locaties vindplaatsen aan het licht gekomen en onderzocht (afb. 8). Belangrijk voor het beeld van de inheemsRomeinse bewoning zijn vooral de grootschalige nieuwbouwprojecten in het Wateringse Veld15 en aan de Uithofslaan16 geweest. Tezamen met vergelijkbaar groot onderzoek in Midden-Delfland17, de Harnaschpolder18, Plaspoelpolder19, en op Leeuwenbergh 20 hebben deze opgravingen het Romeinse platteland in beeld gebracht. We weten nu dat nagenoeg het hele voormalige getijdengebied vanaf de tweede helft van de 1e eeuw na Chr. in gebruik is genomen. Verschillende boerenbedrijven vestigden zich op de relatief hoger gelegen delen van het vruchtbare landschap. Op de oeverwallen langs de voormalige getijdengeulen, was ruimte voor akkerbouw en in de komgronden weidde men het vee. De nederzettingen stonden met elkaar en met de bij Voorburg gelegen Romeinse stad in verbinding via een systematisch uitgezet patroon van verkavelingssloten. De centrale as hierin werd gevormd door

het kanaal van Corbulo en de naastgelegen Romeinse weg. Niet alleen zorgden het kanaal en de sloten voor een stabiele waterhuishouding, tezamen met de weg vormde het ook een infrastructurele ontsluiting van het gebied. Daarnaast bood het maatgevende patroon van kavels houvast aan een belastingsysteem. In de loop van de 2e eeuw kende het gebied economische voorspoed, waarvan het alsmaar groeiende vormenspectrum van Romeins aardewerk een getuige is. Tot slot Dit artikel is geschreven naar aanleiding van de lezing Haga post bellum. Ontdekking van het Romeinse platteland, gehouden op 31 oktober 2012 tijdens het genoemde symposium in het Museon te Den Haag. Aan de totstandkoming van zowel de lezing als het artikel hebben verschillende personen een bijdrage geleverd. Enkele hiervan verdienen nadrukkelijke dank: Frank Simonis, Bert van der Valk, Hans Koot, Marie-France van Oorsouw, Loes Nulkes, Everhard Bulten, Victor Kersing en Ab Waasdorp.

Afb. 8 Nu bekende Romeinse vindplaatsen in en rond Den Haag. Bron: afd. Archeologie, gemeente Den Haag.

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 275

|

275

30-09-13 14:02


Noten 1 Jeroen van Zoolingen studeerde Archeologie en Prehistorie aan de Universiteit Leiden, met als specialisatie provinciaal-Romeinse archeologie. Sinds 2004 werkt hij als archeoloog voor de afdeling Archeologie van de gemeente Den Haag. 2 Modderman 1952. 3 Andere ROB onderzoeken uit de jaren 50 in Den Haag betreffen opgravingen op het kasteelterrein de Binckhorst en aan de Dorpersdreef, waarnemingen aan de Van den Burchlaan en Ereprijsweg, en een vondstmelding aan de Lohengrinstraat. 4 Stuurman 1996, 5-6. Wellicht is de anekdote nog beter te begrijpen, wetende dat Aad Meijer werkzaam was bij SHELL. 5 Van Gelder 1937, 9. 6 Het gaat om een vegetatieniveau dat vanaf de Romeinse tijd is gevormd. Hoewel het geen lithologisch aaneengesloten laag betreft, is het fenomeen bekend komen te staan als de ‘woudlaag van Van Liere’. Zie Van Liere 1948, 10-12. 7 Mezger 1961a. 8 Mezger 1966. 9 Mezger 1961a, 14. 10 Mezger 1961b. 11 Stuurman 1965, 1968 en 1969. 12 Stuurman 1996, 14. 13 Van Zoolingen 2010. 14 Van Zoolingen 2011. 15 Siemons en Lanzing 2009. 16 Pavlovic 2011. 17 Van Londen 2006. 18 Goossens 2005. 19 Koot 2008, 61-79. 20 Wiepking 1997. Literatuur Bloemers, J.H.F., 1978: Rijswijk (Z-H), ‘De Bult’. Eine Siedlung der Kananefaten, Nederlandse Oudheden 8, Amersfoort. Gelder, H.E. van, 1937: Oudste historie uit ’s-Gravenhage in zeven eeuwen, Amsterdam. Goossens, T.A. & J.P. Flamman (red.), 2006: Schipluiden, ‘Harnaschpolder’: de inrichting en bewoning van het landschap in de Romeinse tijd (125 - 270 na Chr.). (ADC Rapport 625), Amersfoort. Koot, H., 2008: Opgegraven! Archeologisch onderzoek in Rijswijk. Den Haag. Liere, W.J. van, 1948: De bodemkartering van Nederland. Deel II. De bodemgesteldheid van het Westland, Verslagen van Landbouwkundige Onderzoekingen, no. 54.6, Wageningen. Londen, H. van, 2006: Midden-Delfland: The Roman Native Landscape Past and Present. (Proefschrift Universiteit van Amsterdam), Amsterdam. Mezger, J., 1961a: Vondsten van inheems en Romeins materiaal in de Uithofpolder bij ’s-Gravenhage (Z.-H.), Westerheem 10, 14-25. Mezger, J., 1961b: Slijpsteen met visgraatmotief, Westerheem 10, 123-124. Mezger, J., 1966: ’s-Gravenhage (Z.H.), Westerheem 15, 115-116. Modderman, P.J.R., 1952: Nederzetting uit de vroege IJzertijd. ‘s-Gravenhage (Prov. Zuid-Holland). Hengelolaan, Escamppolder, Berichten ROB 3, 2. Pavlovic, A. (red.), 2011: Archeologisch onderzoek aan de Uithofslaan, Gemeente Den Haag. Deel 1: Sporen van bewoning uit de ijzertijd (vindplaats 6) en de Romeinse tijd (vindplaats 3). (Haagse Archeologische Rapportage 1122), Den Haag. Siemons, H., & J.J. Lanzing (red.), 2009: Bewoningssporen uit de Romeinse tijd in het Wateringse Veld, Den Haag. (Haagse Oudheidkundige Publicaties 11), Den Haag. Stuurman, P., 1965: Streepbandaardewerk in de omgeving van Den Haag, Westerheem 17, 97-97. Stuurman, P., 1968: Roman Period Pottery from the Zichtenburg Town Development Scheme, The Hague, Berichten ROB 18, 163-173. Stuurman, P., 1969: Archeologie van het jaar nul, Westerheem 18, 62-79. Stuurman, P., 1996: Een passie voor het verleden: en waartoe zoiets leidt. Wiepking, C.G., 1997: Leidschendam-Leeuwenbergh. Erfgoed der erven. Ongepubliceerde doctoraalscriptie Vrije Universiteit, Amsterdam. Zoolingen, R.J. van (red.), 2010: Een Cananefaatse cultusplaats. Inheems-Romeinse bewoning aan de Lozerlaan, Den Haag. (Haagse Oudheidkundige Publicaties 12), Den Haag. Zoolingen, R.J. van, 2011: Nikkelwerf, Gemeente Den Haag. Proefonderzoek en definitief archeologisch onderzoek. (Haagse Archeologische Rapportage 1121), Den Haag.

276

|

Rondom de Stad

05-2013 binnenwerk.indd 276

30-09-13 14:02


Literatuurrubrieken

Recensies Kampen, J. van & V. van den Brink (red.), Archeologisch onderzoek op de Habraken te Veldhoven. Twee unieke nederzettingen uit het Laat Neolithicum en de Midden Bronstijd en een erf uit de Volle Middeleeuwen (VUhbs archeologie: Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 52). Amsterdam 2013. ISBN 978-90-8614-244-6. Geïll., 238 pag., met CDROM. Verkrijgbaar bij SPA-uitgevers voor € 35,Het Laat-Neolithicum van Zuid-Nederland wordt gekenmerkt door spaarzame vondsten en het ontbreken van grondsporen, maar recent onderzoek in Eindhoven en omgeving werpt daar een nieuw licht op. In de jaren 2009 en 2010 werden er in het plangebied Habraken ten westen van Eindhoven bij het onderzoek van een nederzettingsterrein uit de Bronstijd ook sporen uit het Neolithicum ontdekt. Niet een enkel paalspoor of wat kuilen, maar de plattegronden van maar liefst vier of vijf enorme huizen. Ze zijn tweesche­ pig, soms voorzien van lange ingegraven wandgreppels en moeten een zadeldak hebben gehad. Die ontdekking leidt tot geheel nieuwe inzichten. In het omvangrijke, fraaie en heldere rapport van het onderzoek komen die neolithische-, bronstijd- en middeleeuwse resten zorgvuldig aan bod, maar ik wil me hier beperken tot de neolithische bewoningssporen. Op een lage rug zijn vier, vrijwel complete lange trapeziumvormige huisplattegronden teruggevonden en het restant van mogelijk een vijfde. De grootste heeft een lengte van iets meer dan 42 meter en een breedte van 6,4 meter (afb. 1) Enorm als we bedenken dat totnogtoe de meeste huisplattegronden die we uit deze perioden kenden nauwelijks langer waren dan 10 meter. Alle huisplattegronden van Habraken kunnen cultureel gekoppeld worden aan de Vlaardingen/Steingroep en

dateren uit de periode ca. 2900-2500 v. Chr. Volgens de opgravers volgden de huizen elkaar op wat een vrij permanente bewoning zou opleveren met telkens een enkele boerderij. In die boerderij woonden een- of meer gezinnen in het lagere smalle deel van het gebouw en aan de andere, open en wat bredere, kopse kant wordt veestalling verondersteld. Het aardewerk dat de bewoners gebruikten, is nogal fragmentair bewaard gebleven, maar laat culturele relaties zien met de Steinen Vlaardingengroep. Dat is ook met het vuursteen het geval, hoewel er ook contacten met het noorden worden vermoed. Onderzoek van de verkoolde voedselgewassen toont aan dat er emmertarwe en naakte gerst werd verbouwd, maar ook wilde voedselbronnen, zoals hazelnoten, werden geconsumeerd. Om de langdurige verbouw van graan mogelijk te maken wordt bemesting verondersteld. Er zijn echter bij het onderzoek van de gebruikssporen op vuursteen geen aanwijzingen gevonden voor het oogsten van graan met sikkelmesjes. De opslag van graan zou kunnen hebben plaatsgevonden in een separaat gelegen bijgebouwtje, waar er echter maar één van is teruggevonden. Het hier boven geschetste beeld van de bewoning is fraai geïllustreerd door middel van een reconstructietekening van Mikko Kriek. (afbeelding 2)

Afb. 1 Plattegrond van huis 3 uit Archeologisch onderzoek op de Habraken te Veldhoven.

Nu is het enthousiasme van de opgravers te begrijpen. Ook ik heb een keer in dezelfde situatie verkeerd. Eindelijk duidelijke grondsporen, huizen, artefacten en voedselresten. Misschien is het daardoor te verklaren dat sommige gevolgtrekkingen niet wat kritischer tegen het licht zijn gehouden. Laat ik me tot één aspect beperken. Als er inderdaad sprake is van permanente bewoning en veestalling dan is dit inderdaad 1000 jaar eerder dan nu bekend is. Daar zijn de opgravers trots op, maar dat zou betekenen dat onze modellen radicaal aangepast moeten worden. Woon-

Literatuurrubrieken |

05-2013 binnenwerk.indd 277

277

30-09-13 14:02


Afb. 2 Reconstructie van het huis in het omringende landschap (tekening Mikko Kriek). Uit: Archeologisch onderzoek op de Habraken te Veldhoven.

stalhuizen kennen we pas uit de Vroege Bronstijd en tot in de Late Prehistorie kennen we enkelvoudige bewoning met zwervende erven. Telkens weer moesten de boerderijen verplaatst worden omdat het niet lukte voldoende oogst binnen te halen op de schrale Brabantse zandgronden, zelfs niet in het toch wel ontwikkelde akkersysteem (Celtic fields) uit de IJzertijd. Deze eerste boeren op de zandgronden van Brabant zou dat wel gelukt zijn. Ook voor de voorgangers van de Steingroep, de boeren van de Michelsbergcultuur op de Middenlimburgse zandgronden wordt op basis van opgravingen en de analy-

r

se van de verspreiding van artefacten een bewoningspatroon gereconstrueerd van enkelvoudige boerderijen die telkens verplaatst moeten worden, gezien de kwaliteit van de aangetroffen grondsporen. Cruciaal is dan ook de constatering van de opgravers dat het vee gestald werd in de kopse kant van het huis. Botten van vee zijn echter niet gevonden en ook de sporen van veeboxen niet. Dat eerste is verklaarbaar door de zandige bodem waar bot niet in bewaard kan zijn gebleven, het tweede niet want daar had toch wel enig (grond)spoor van teruggevonden moeten worden. De grootte van de huizen wil niet zeggen dat er in lange huizen automatisch vee werd gestald. In de bandkeramische cultuur, met haar even lange huizen, liep het vee gewoon buiten. Het was mijns inziens dan ook verstandiger geweest nog wat andere verklaringsmodellen te presenteren. Was die open ruimte niet voor opslag van gereedschap of andere zaken, was het geen overdekte werkruimte of verplaatste men het dagelijks leven niet naar dit deel van het huis in de zomermaanden of bij mooi weer? Laat ik het daarbij houden. Het is een mooi en zeer waardevol rapport dat is verschenen. Het opent onze ogen en wie weet wat we de komende jaren op die spoorloze zuidelijke zandgronden allemaal gaan ontdekken, nu we zien wat er mogelijk is. Leo Verhart Wieler 27 6071 PD Swalmen leoverhart@online.nl

Signalementen J.W.M. Oudhof, A.A.A. Verhoeven en I. Schuuring (met bijdragen van J. Scheringa, B. van Kaam en N. van der Voet), Tiel rond 1000. Analyse van vier opgravingen in de Tielse binnenstad (Themata 6). Amsterdam 2013. ISBN 978-90-78863-77-9 / ISSN 1871-0387. Geb., geĂŻll., 144 pag., â‚Ź 25,--. Tiel behoort tot de oudste groep van steden in Nederland, met wortels die teruggaan tot in de late 9e eeuw. Samen met Deventer en enkele andere steden vormt Tiel de generatie van opvolgers van karolingisch Dorestad. In het verleden is in Tiel veel archeologisch onderzoek uitgevoerd, maar van lang niet alle

278

opgravingen is een analyse gemaakt en een verslag verschenen. De gemeente constateerde enige jaren geleden dat het moeilijk is een archeologisch onderzoeksbeleid voor het historische centrum van Tiel te realiseren, zolang een aantal belangrijke archeologische ontdekkingen uit het verleden nooit verder zijn onderzocht of op papier gezet. De informatie was daarmee zo goed als niet toegankelijk. Dankzij een subsidie in het kader van het programma Odyssee van de NWO, aangevuld door de gemeente Tiel en de provincie Gelderland, heeft men vier van deze oude opgravingen alsnog kunnen analyseren en publiceren. De aandacht is daarbij vooral uitgegaan naar de aard van de bewoning, de havenwerken, de

| Literatuurrubrieken

05-2013 binnenwerk.indd 278

30-09-13 14:02


materiële cultuur en de lay-out van de stad tijdens haar bloeiperiode van de late 9e tot de 12e eeuw. De vier uitgewerkte opgravingen hebben plaatsgevonden aan de Koninginnestraat (1983), de Achterweg (1994), de Tol-Noord (1996) en het theater Agnietenhof (1999). Een van de meest in het oog springende resultaten is, dat we meer te weten zijn gekomen over hoe Tiel er 1000 geleden moet hebben uitgezien en hoe Tiel zich van eenvoudig dorp tot een van de belangrijkste steden van de Lage Landen heeft ontwikkeld. Voor een breder publiek is een folder verschenen met een korte versie van het verhaal. Daarnaast is een educatieve film gemaakt met digitale reconstructies van de stad Tiel 1000 jaar geleden, afgewisseld met actiefoto’s van het archeologische onderzoek dat er is uitgevoerd. De publieksfolder is gratis af te halen bij de Zaak van de Stad en het Flipje- en Streekmuseum. Op youtube (http://www.youtube.com/watch?v=Fg8lhc_uJgU) is de fraaie 3 minuten durende film te zien. ** *

Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, Jaarboek 2012, deel 148. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) 2013. ISSN 01676652. Geïll., 341 pag., € 22,50 Na een onderbreking van zeventien jaar is de Archeologische Kroniek van Limburg terug in de Publications. De kroniek is samengesteld door Marion Aarts (periodespecialist Middeleeuwen, Nieuwe Tijd), Béatrice de Fraiture (eindredactie), Karen Jeneson (periodespecialist Romeinse tijd) en Leo Verhart (periodespecialist Prehistorie). De nu verschenen kroniek bevat de opgravingen uit 2008-2010, voor zover die in 2010 en 2011 werden gepubliceerd en voor zover die ook representatief of van belang zijn voor Limburg. Door signalering en ontsluiting van opgravingsrapporten en recente meldingen van (vaak oude) amateurvondsten wil de LGOG verworven kennis en nieuwe inzichten door middel van de kroniek voor een groter publiek beschikbaar maken. Naast de stuk voor stuk interessante onderzoeksresultaten plaatsen de samenstellers van de kroniek ook een aantal kanttekeningen, zoals het feit dat een deel van de onderzoeksrapportages en daarmee van de verworven kennis niet of niet zonder autorisatie voor iedereen beschikbaar is. Een ander aspect dat aandacht vraagt is dat het bij uitge-

voerd onderzoek te vaak ontbreekt aan een samenhangende vraagstelling binnen een regio over een langere periode. Uiteraard is ook de sterk wisselende kwaliteit van de door commerciële partijen uitgebrachte rapportages een aspect dat aandacht verdient. ** *

Jule de Kroon en Albert Zandstra, Verkennend onderzoek naar een scheepswrak op Steile Bank. Stichting Archeos Fryslân, december 2012 In 2007 meldt Rijkswaterstaat de aanwezigheid van een klein wrak voor de kust van Zuidwest Friesland. Uit eerdere meldingen wordt afgeleid dat hier bovendien het wrak van een tjalk zou liggen. Voor de Stichting Archeos Fryslân waren de beide meldingen aanleiding om ter plaatse een onderzoek in te stellen. De aanpak en uitvoering van dat onderzoek worden in dit rapport beschreven. Het gesignaleerde wrak blijkt te bestaan uit de resten van een klein en slecht onderhouden scheepje van circa 12,5 m lang. Er zijn geen vondsten gedaan die een directe aanwijzing kunnen geven voor ouderdom en functie van het scheepje. De in het wrak gevonden uitlaatdemper en een schroefas wijzen erop dat het vaartuig van een lichte motor voorzien moet zijn geweest. Uit de constructie van de achterzijde van het wrak en de roerophanging leiden de onderzoekers af, dat het waarschijnlijk om een botter gaat. Van het andere wrak, de tjalk, is geen spoor te bekennen. Gerrit Groenweg

Afb. 3 Miniatuurpotje uit een kindergraf. Venlo, IJzertijd. Uit: Publications, Jaarboek 2012.

Literatuurrubrieken |

05-2013 binnenwerk.indd 279

279

30-09-13 14:02


De Vereniging Berichten voor deze rubriek naar Marijn Lockefeer: heinlock@ziggo.nl

Verenigingsnieuws

De nieuwe AWN-website

Onlangs is de nieuwe website in werking getreden. Dit betreft de landelijke AWN-site en de websites van de afdelingen 1, 5, 6, 8, 14, 23 en LWAOW (=13). Voor de nieuwe landelijke website zoeken we nog een webredacteur. Wie hier interesse voor heeft, kan dit laten weten aan de secretaris Fred van den Beemt. De technisch beheerder is Dick Bol (d@familiebol.nl of telefoon 0411-616763 (bij geen gehoor 06-53364093). Het internetadres is

http://awn-archeologie.nl. Wat betreft de afdelingen: het adres van, bijvoorbeeld, afdeling 5 is http://awn-archeologie.nl/05. De LWAOWsite wordt http://awn-archeologie.nl/13. Er wordt momenteel door ons redactielid Jacobine Melis zeer hard gewerkt om samenvattingen van oude Westerheemnummers op de website te plaatsen. Hulp bij deze gigantische klus is van harte welkom! Jacobine heeft al via Facebook een oproep om hulp geplaatst.

LiMissie, een project om de Romeinse limes bekend te maken

Begin 2013 is gestart met dit project. Het doel is in Nederland de Romeinse limes, de noordgrens van het Romeinse Rijk, eerst bekend en daarna beleefbaar te maken via lokale initiatieven. In het verleden is al aardig wat op dit gebied ondernomen: fiets- en wandelroutes, tentoonstellingen, het plaatsen van Romeinse wachttorens, het bouwen en laten varen van een Romeins vrachtschip enzovoorts. In de streek tussen Woerden en Wijk bij Duurstede gaat de afdeling Utrecht e.o. van de AWN vanaf oktober 2013 via een Stimuleringsgroep LiMissie zijn steentje aan de activiteiten bijdragen. U leest en hoort daar nog over. Er is overigens voor iedereen al een grote hoeveelheid informatie beschikbaar: - de brochure ‘Zien, doen, beleven’ verstrekt een schat aan informatie over de limes. Deze

280

brochure komt (is) digitaal ter beschikking. - ‘Limes Wiki’ is te vinden onder www.wikilimes.nl. - Via de app ‘layar’ kan men onder ‘GEO Layers’ het onderdeel ‘Romeinse Limes’ vinden. Door op de iconen te klikken kan informatie worden gevonden. Voor meer informatie klikt men op ‘Ga naar pagina’ en voor een route er naar toe klikt men op ‘Breng me daar’. - De MobiLimes: dit is een mobiel informatiecentrum dat voor een breed publiek de Romeinse tijd rond de limes in beeld brengt via film, infopanelen, (replica’s van) vondsten een overzichtskaart etc. Deze MobiLimes wordt langs de gehele limes in Nederland ingezet. Standplaats is Bunnik (Fectio), centraal in het land. Op de Archeologiedag op de Boswerf in Zeist beleefde deze MobiLimes zijn primeur.

| De Vereniging

05-2013 binnenwerk.indd 280

30-09-13 14:02


Vondst halsring uit de Hunsruck-Eifelkultur (Bericht van afd. 20 ‘IJsseldelta-Vechtstreek’)(afb.1) De vondst die Rouvener Klaas Harink in maart van dit jaar deed, blijkt naar alle waarschijnlijkheid een bronzen halsring die ruim 2800 jaar geleden als offergave in het veen werd gedeponeerd. Het gaat zeer waarschijnlijk om een halsring, uit de zogeheten Hunsruck-Eifel Kultur, een bevolkingsgroep die met name voorkwam in de regio rond de Rijn en de Moezel. Dat nu ook een dergelijke sieraad in dit deel van Nederland is ontdekt, is uiterst bijzonder te noemen. Tot dusver was niet bekend dat dit volk zich ook in dit deel van ons land ophield. De Rouvener vond maart dit jaar de halsring, een sieraad met een diameter van zo’n achttien centimeter, bij het uitgraven van een sloot in het veengebied ten oosten van het bewoningslint Staphorst-Rouveen, op een diepte van wel 3 meter. Hij bracht hem vervolgens naar de lokale archeologen van een werkgroep van AWN afd. 20, de Stichting Werkgroep Archeologie Regio Staphorst (SWARS). Inmiddels heeft zich een groep wetenschappers van de Universiteit van Leiden, de Vrije Universiteit Amsterdam, de Rijksuniversiteit Groningen, Ex-Situ Silex, RAAP Archeologisch Adviesbureau en het Rijksmuseum van

Oudheden, kortom vrijwel alle experts op het gebied van de Prehistorie en Metaaltijden in Nederland, bereid getoond het mysterie rond de halsring op wetenschappelijke wijze op te lossen. Tot op heden hebben de onderzoekers het moeten doen met foto’s. Met nog een slag om de arm - ze willen het bijzondere voorwerp uiteraard ook graag in het echt zien - kwamen ze tot de conclusie dat het inderdaad gaat om een grafgift of offervondst uit de Vroege IJzertijd, zo’n 800 jaar voor Christus. Omdat dergelijke halsringen veelal in meerdere aantallen op een locatie voorkomen, wordt het gebied rond de vindplaats intensief onderzocht met behulp van metaaldetectoren. Binnenkort zal ook gestart worden met onderzoek beneden de waterspiegel. Inmiddels is de vondst op aanraden van het bedrijf Restaura in Haelen ( Limburg) door Ton Wolf van de werkgroep SWARS geconserveerd met microwas. In 2014 zal deze bijzondere vondst worden geëxposeerd in het educatief centrum voor natuur en historie ‘De Veldschuur’ in Rouveen.

Afb. 1 Foto: Aaldert Huisman

Archeo-info: drs. Kasper van den Berghe en drs Jos van Dalfsen

Expositie in Houten over terra sigillata. Met genoegen exposeert de Archeologische werkgroep “Leen de Keijzer” te Houten vanaf 21 september 2013 een unieke collectie terra sigillata, onder de titel ‘Roodglanzend Romeins tafelservies, Terra sigillata, het Wedgwood van de Romeinen’. De expositie toont topstukken, in bruikleen verworven van het RMO Leiden, het PUG Utrecht, het Provinciaal Depot Utrecht en BATO Tiel, aangevuld met eigen vondsten en vondsten uit particuliere collecties. Voor zover bekend schetst een expositie voor het eerst een zó ruim en samenhangend beeld van het prachtige rode aardewerk uit

de Romeinse tijd. De expositie loopt van 21 september a.s tot en met 3 mei 2014, en is iedere zaterdag en dinsdag te bezichtigen van 11.00 tot 15.00 uur en voorts op speciale afspraak. Ons adres: archeologiezolder van het Oude Station Houten, Stationserf 99, 3991 KX, telefoon 030 6379909; info@archeologiehouten.nl Onze website: archeologiehouten.nl U bent van harte welkom! Namens de Archeologische werkgroep ‘Leen de Keijzer’,Pieter Frederiks.

Grafheuvelonderzoek bij Apeldoorn (bericht van Archweb) Deze zomer zijn de Leidse graf heuvelonderzoekers wederom neergestreken in de bossen bij Apeldoorn. Blijf op de hoogte van onze ontdekkingen via www.graf heuvels.nl/

apeldoorn/ Tussen 2007 en 2009 werden er in totaal 5 graf heuvels opgegraven op de Kroondomeinen bij Apeldoorn. Ook werd er onderzoek

De Vereniging |

05-2013 binnenwerk.indd 281

281

30-09-13 14:02


verricht naar het terrein rondom de graf heuvels: lagen de graf heuvels geïsoleerd in het landschap of juist dicht bij nederzettingen? In de periode 2010-2012 werden deze onderzoeken uitgewerkt, om vanaf 2013 weer opnieuw, met nieuwe inzichten en onderzoeksvragen, naar buiten te kunnen gaan. In 2013 is de Universiteit Leiden en de Gemeente Apeldoorn een nieuwe samen-

werking aangegaan. Bij de actualisatie van de archeologische kenniskaart van de gemeente zijn namelijk door het bestuderen van nieuwe hoogtekaarten (AHN2) meer dan 40 mogelijke nieuwe graf heuvels ontdekt. In overleg met de Universiteit Leiden heeft dat tot een nieuw veldproject geleid. Lees er alles over op de Apeldoorn projectpagina: www.graf heuvels.nl/apeldoorn.

Boek over Romeinse metaalvondsten in Alphen aan den Rijn gepubliceerd Op 23 september heeft de AWN-afdeling Rijnstreek tijdens een manifestatie over het castellum Albaniana een boek gepresenteerd over de metaalvondsten die zijn gedaan langs de N11 op de plaats waar de afgevoerde grond van de opgraving van de Nijmeegse universiteit. Twee leden van de afdeling (ook lid van de landelijke detector-amateurs) hebben het initiatief genomen zoveel mogelijk van deze

vondsten te registreren, fotograferen en te beschrijven, n.l. de heren J.W. Bron en P. Bakker. Zij kregen zeer veel medewerking van een groot aantal detectie-amateurs. In hun enthousiasme hebben Bakker en Bron in eigen beheer een boek uitgegeven dat een mooie weerslag vormt van dit project. Marijn Lockefeer

AWN Afd. 1 werkt aan de projecten ‘Slag bij Noordhorn’ en ‘Sporen in het bos’ Slag bij Nordhorn AWN afdeling Noord-Nederland werkt op dit moment samen met detectoramateurs van de Vereniging De Detectoramateur (DDA) en met de vrijwilligers van Molen Fortuna uit Noordhorn om een beeld te krijgen van de Slag bij Noordhorn. De slag was een gevecht ten westen van Noordhorn tussen Staatse en Spaansgezinde troepen op 30 september 1581. Noordhorn was op dat moment een plaats gelegen tussen de het in Staatse handen zijnde Friesland en het Spaansgezinde Groningen. Door Friese druk om het Spaansgezinde troepen aan te vallen werd daarom in de herfst van 1581 een Staats leger naar Noordhorn gestuurd. Op 30 september 1581 troffen beide legers elkaar iets ten westen van de plaats Noordhorn. De Spaansgezinden wonnen de slag. Er zijn in de afgelopen jaren veel vondsten gedaan door voornamelijk detectorzoekers. De vondsten zijn voor een deel bekend maar de juiste plek waar deze in het terrein van de voormalige strijd zijn gevonden is niet opgetekend. Het doel van het project is om te proberen om door middel van de vondsten en de juiste plaats de slag te bepalen en de slag voor een deel te reconstrueren.

Sporen in het bos In een gebied rondom het Herinneringscen-

282

trum Kamp Westerbork is onder supervisie van afd. 1 Noord-Nederland door studenten van de archeologieopleiding Saxion uit Deventer een archeologisch survey uitgevoerd, genaamd ‘Sporen in het Bos’. De studenten Casper Gils en Jeroen Bolhuis hebben een eerste inventarisatie gemaakt van opmerkelijke geologische sporen, sporen van cultuurhistorische aard en sporen van archeologische waarde vanaf Prehistorie tot en met de recente tijden. De aandacht heeft zich vooral gericht op o.a. verdwenen hunebedden, karrensporen, markengrenzen, oude spoorlijnen, grafheuvels, restanten van bewoning, etc., kortom alles wat er momenteel resteert van cultuurhistorische aspecten. Het project heeft bewezen dat er meer aan archeologie in de bossen aanwezig is dan voortijds werd gedacht. Voor de nabije toekomst zal een plan worden uitgewerkt voor het uitzetten van een educatief geologisch- en archeologisch wandelpad. In Westerheem zal een bijdrage van de studenten Casper Gils en Jeroen Bolhuis volgen. De opzet van het project kan dienen als blauwdruk voor cultuurhistorisch onderzoek in bosrijke gebieden. Fred van den Beemt

| De Vereniging

05-2013 binnenwerk.indd 282

30-09-13 14:02


Geslaagd vakantieprogramma van het Historisch Museum in Ede (afb. 2,3 en 4) In aansluiting op de expositie ‘100.000 uur archeologie - Verzamelen op de Veluwe (waar het Verenigingsnieuws van augustus aandacht aan heeft besteed) had het museum een uitgebreid vakantieprogramma georganiseerd, waarin verhalenvertellers, filmvoorstellingen, kindertheater, workshops en allerlei doe-activiteiten, zoals eetbare planten

plukken, sieraden maken, huishoudelijke activiteiten uit Steentijd en IJzertijd verrichten, kortom: leven als onze verre voorouders. Het programma was een succes en verdient navolging. Iedereen die erbij betrokken was, verdient een groot compliment. Marijn Lockefeer

Agenda Berichten voor de agenda van Westerheem 6 (december 2013) dienen voor 20 oktober 2013 bij de redactie van het Verenigingsnieuws te zijn, en de activiteiten dienen na december 2013 plaats te vinden. 24 oktober 2013 Afd. Lek- en Merwestreek – lezing door Suzanne Klüver ‘ Je vindt geen (granaat)appel onder een perenboom’: lezing over Aziatisch porselein. Heeft u zelf Aziatisch porselein met een decoratie waarover u meer wilt weten? Stuur dan een foto mee bij uw inschrijving. Er wordt een aantal objecten uit de inzendingen gekozen en tijdens de lezing behandeld. Suzanne is kunsthistoricus op het gebied van kunstnijverheid. Haar onderzoek richt zich voornamelijk op Aziatisch porselein op het snijvlak van archeologie en kunsthistorie. Plaats: Euerlaan 47/51, Dordrecht Aanmelden: awn.lek.merwe2013@gmail.com. Informatie ook via dit adres. 2 november 2013 Afd. Zeeland – bezoek aan Axel/Terneuzen met rondleiding door het vernieuwde Streekmuseum Axel - lezing over de archeologie en geschiedenis van Terneuzen - gegidste stadswandeling door Terneuzen. Graag z.s.m. opgeven bij dickedekoning@zeelandnet.nl (tel. 0628615255) of aukjetjitske@hotmail.com (tel. 0640346168) of arcowilleboordse@live.nl (tel. 0652571938). 15 en 16 november 2013 Reuvensdagen in Groningen. De Reuvenslezing wordt uitgesproken door Pieter-Matthijs Gijsbers van het Nationaal Openluchtmuseum. Op de vrijdag twee korte plenaire presentaties van jonge talentvolle archeologen: de winnaar van de W.A.van Esprijs en de winnaar van het SOJA-congres. Op de vrijdag ook een excursie naar het Wierdenmuseum

in Ezinge, op zaterdag zal de sessie over bouwhistorie op locatie in Groningen plaatsvinden. Verder zal het zaterdagprogramma voor een groot deel in het teken van de publieksarcheologie staan. Voor de rest van het programma, bezoek de website www.reuvensdagen.nl Locatie: de Oosterpoort in Groningen. 20 november 2013 Historisch Museum Ede – lezing door Leendert Louwe Kooijmans, emeritus hoogleraar Universiteit Leiden, lid van de adviesraad Nationaal Park De Hoge Veluwe: ’ Ede en de Veluwe in de Prehistorie’. Plaats: Historisch Museum Ede, Museumplein 7 Ede Aanvang: 20.00 uur (zaal open 19.30 uur) Entree: € 5,00. 23 november 2013 lustrumbijeenkomst NJBG Plaats: Allard Pierson museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam, www.allardpiersonmuseum.nl Grand Café de Jaren, Nieuwe Doelenstraat 20-22, Amsterdam, www.cafedejaren.nl 18 december 2013 Historisch Museum Ede – lezing door Axel Müller, senior archeoloog ADC ArcheoProjekten: ‘De steentijdopgraving te Kernhem’. Plaats: Historisch Museum Ede, Museumplein 7 te Ede Aanvang: 20.00 uur (zaal open 19.30 uur) Entree: € 5,00.

Afb. 2,3 en 4

De Vereniging |

05-2013 binnenwerk.indd 283

283

30-09-13 14:02


Werk in Uitvoering Deze WIU maakt gebruik van periodieken van de afdelingen 3 - 10 - 11 - 12 - 13 - 16 - 17 en 23.

Afb. 1 Dakversiering die misschien op de schoorsteen stond. Foto: René Lute (uit Grondspoor).

Afb. 2 Restanten van vaartuigen in Hulst. Foto: Marcel de Koning (uit Zuidwesterheem).

284

Grondspoor nr. 188, juni 2013 (Afd. 3 - Zaanstreek-Waterland eo) In Varia een stukje over het feit dat de Jomen de vroegst bekende bewoners van Japan - 15000 - 11000 jaar geleden al aardewerk gebruikten. Dat is beduidend vroeger dan het eerder veronderstelde oudste gevonden gebruiksaardewerk. De werk- en expositieruimte wordt gereorganiseerd, zodat meer ruimte ontstaat voor het werk. In 2015 is de AWN aanwezig op een informatiemarkt waar Zaanse historische verenigingen zich kunnen presenteren. Ook vindt dan een symposium plaats over de Zaanse geschiedschrijving. Simon Boers zoekt informatie bij de vele pijpenkoppen die de afdeling bezit. Bijzonder is een groot fragment van een kop uit ongeveer 1672 toen de Republiek werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisschoppen van Munster (Bommen Berend) en Keulen. In uiterste nood werd de jonge prins van Oranje - de latere koning-stadhouder Willem III - tot legeraanvoerder ‘voor één veldtocht’ benoemd. De pijpenkop toont een ruiter op een steigerend paard voor een boom met (oranje)appels en in de tekstband staat VIVAT en OR.... en dat laatste zal ongetwijfeld ORANGIEN zijn geweest. Elders toont G. hoe Boers enkele tegelfragmenten samenvoegde tot een bijbeltegeltje waarop de evangelist Marcus is te zien met de leeuw. Gerard Graas bekijkt oude vondsten uit Uitgeest (Benes). Het gaat hier om ingekraste lijnen op leisteen, daar kennelijk bewust op aangebracht. Met wat verbeeldingskracht kunnen hier stilistische voorstellingen in worden gezien: interessant maar uiteraard voor meer dan één uitleg vatbaar. In mei 2012 was in Assendelft (Dorpsstraat) een onderzoek op de plaats van een in 1963 gesloopt huis een mooie gelegenheid om de veldwerkzaamheden weer eens te oefenen. Op deze plaats stond in de 19e eeuw een boerderij, waarvan de funderingen werden teruggevonden. Gevonden tegels en aardewerk gaan terug tot de 16e-17e eeuw, maar het is zeker mogelijk dat in diepere grondlagen nog middeleeuwse resten aanwezig zijn. Een aardige vondst was een dakversiering, een dakdop die misschien een schoorsteen sierde en beschermde tegen regen en vogels (afb. 1). Opvallend waren ook de vele ‘mislukte en

kapotte’ wandtegels met Wan Li-hoekversiering. Een mogelijke verklaring is dat bij de sloop van de boerderij in het begin van de 20e eeuw inferieure tegels zijn weggegooid. Dendrologisch onderzoek van een eikenhouten balk dateerde de kapdatum van het hout rond 1559 in het zuidwesten van Noorwegen; dat van een grenen balk wijst op een kap in 1622 in het zuiden van Zweden. Auteur René Lute mag de balken ‘met veel liefde’ gebruiken voor de bouw van zijn schuur. Jan en Paul Rothuizen vonden bij schoongemaakte sloten in Krommeniedijk aardewerkscherven, botten, pijpenkoppen, fragmenten van stenen knikkers en een stuk van een benen kam. Later konden daar met de detector nog metalen voorwerpen als knopen, een schoengesp, werpkoten en een lakenloodje uit Brandenburg aan worden toegevoegd. Een bijzondere metaalvondst was het deksel van een tabaksdoos (1670-1720) met daarop een stadsgezicht met vier kerken en het opschrift ‘Delft’. Eveneens een leuke vondst was een reukflesje uit de 18e/19e eeuw. Arjan Rijst vond op een stort een metalen lakstempel met - waarschijnlijk - bergkristal: 21x19 mm groot met een afbeelding van een hoofd met de naam L.A. Seneca en dan denk je meteen aan ‘de’ Seneca. Stadsarcheoloog Piet Kleij vindt het zeker een bijzondere vondst, maar of het echt Romeins is? G. eindigt met informatie over de mogelijkheden van grondradar en ten slotte nog een vondst van Arjan: een lakenlood uit Wormerveer met daarop een snoek en de tekst ‘Henderick Oly anno 1663’. Zuidwesterheem nr. 76, juni 2013 (Afd. 10 - Zeeland) Een gevarieerde Z., beginnend in Hulst en eindigend in Kortrijk. In Hulst vond men scheepsresten, hergebruikt voor kadebeschoeiingen (afb. 2). De gevonden scheepsresten wijzen op handelscontacten in de 13e-14e eeuw tussen Hulst en de Oostzee. De RCE vond de vondsten van te lokaal en regionaal belang, maar gelukkig dachten niet alleen de provincie Zeeland en de AW Hulst daar anders over, maar ook de RU Groningen, Vlaamse collega’s en Artefact. Zo konden toch restanten van zes verschillende vaartuigen worden onderscheiden: vijf uit de 13e eeuw en eentje uit de 15e eeuw.

| De Vereniging

05-2013 binnenwerk.indd 284

30-09-13 14:02


Het hout kwam uit Lübeck, Gdansk en Nedersaksen en planken uit Lübeck en Gdansk bleken te verschillen in breedte en dikte (afb. 2). Marc Zwartelé vertelt hoe een onderkaak van een paard in middeleeuws Hulst werd gebruikt als prikslee. Arco Willeboordse bespreekt een boek over Romeinse grote en kleine boodschappen, toestanden waarop de huidige mens niet jaloers hoeft te zijn. Overigens zijn tot nu toe in Zeeland nog geen Romeinse toiletten gevonden. Annemieke Maljaars van de Herman Faukeliusschool in Middelburg wilde haar kleuters van groep 0 (net 4 jaar) iets vertellen over archeologie en vroeg Dicky de Koning om hulp. Deze zorgde voor een leskist met vondsten en toen konden de kleuters aan het werk: spullen bekijken, opgraven in de zandbak, restaureren en tentoonstellen. Ook voor deze heel jonge kinderen bleek archeologie een geschikt onderwerp. Andries Gunter van basisschool Den Akker in Waarde is geïnteresseerd in verdronken dorpen en vroeg de AWN voor de kinderen van groep 4/5 iets te vertellen over het verdronken Valkenisse. Dicky de Koning en Leida Goldschmitz gaven daarop een gastles en gaan met de kinderen op pad naar het verdronken Rilland. De jaarvergadering van Afd. Zeeland in maart 2013 vond plaats in Ritthem. Ook werd de kerk aldaar bezocht, waarvan de 14e-eeuwse toren schever staat dan die van Pisa. Een selecte groep ging vervolgens nog naar de vliedberg (10e tot 13e eeuw). ’s Middags was er een bezoek aan Fort Rammekens, voorafgegaan door een lezing over dit oudste zeefort van West-Europa (1547). Er waren meer excursies. Eentje leidde naar Noord-Beveland: Kamperland (Proefstation voor Mariene Aquacultuur/archeologiebureau Artefact) en Colijnsplaat (dorpswandeling, Romeinse tempel). Een andere excursie ging naar de Vlaamse monumentenstad Kort­ rijk: in oorsprong een Romeinse stad, maar ook bekend als de plaats waar in 1302 eenvoudige Vlaamse poorters een Frans-Vlaams ridderleger vernietigden (Guldensporenslag). Daarmee was het nog lang niet gedaan met het krijgsverleden van Kortrijk, maar desondanks is er nog heel veel moois te zien. Bas Chamuleau besteedt uitgebreid aandacht aan ‘archeologie van de waterstaat’, in dit geval aan het rijswerk op de slikken van de Oosterschelde. Daar blijkt veel over te vertellen en er is ook nog wel iets van te zien: een interessant verhaal over het voortdurende gevecht tussen water en mens (afb. 3). In de Laatste nieuwtjes lees ik over de verhuizing van de AWN binnen het Schuitvlot naar een nieuwe werkruimte in het souterrain.

Maar ook over de determinatie en beschrijving van vondstmateriaal uit Oostkapelle en veldwerk in Zuid-Beveland (Goes: De Poel /Kapelle-Biezelinge: De Smokkelhoek /’s-Heer Arentskerke, Oud-Rilland), Zeeuws-Vlaanderen (o.m. Zaamslag). Grondig Bekeken nr 2, juni 2013 (Afd. 11 - Leken Merwestreek) GB. opent met een uitgebreid In Memoriam voor An Ossewijer-van Bueren die veel betekende voor de afdeling: een krachtige en opgewekte persoonlijkheid, met een vleugje natuurlijke adellijkheid, die geïnteresseerd was in mensen en die stond voor haar zaak. In 2003 ontving An Osseweijer de Bronzen Legpenning. Het overgrote deel van GB. vult Cees van der Esch met een overzicht van archeologische vondsten uit de Brabantse Biesbosch. De nietingewijde die het kaartje van de Biesbosch bekijkt, schrikt al van de voortdurende en ingewikkelde afwisseling van water en land. De grote veranderlijkheid van het gebied in de loop der tijd door toedoen van natuur en mens, maakt het overzicht des te moeilijker. De uit schriftelijke bronnen bekende middeleeuwse nederzettingen in de Biesbosch verdwenen allemaal. Van sommige nederzettingen is de locatie (ongeveer) bekend, van andere is nog weinig tot niets gevonden. Van der Esch kent het gebied goed en weet dat er nog veel is te ontdekken. Jammer dat niet alle instanties hiervan de zin inzien en daardoor veel archeologische informatie ongezien verdwijnt. Des te prijzenswaardiger dat Van der Esch nog zoveel mogelijk vast probeert te leggen (afb. 4). Rokus van de Giessen pakte in 2012 bij een duikactie in de Giessen bij Giessenburg een bijzondere scherf uit de bak. Teus Koorevaar dook erin en vertelt dat het grijsbakkende gedraaide rand-halsfragment deel uitmaakte van een ‘gatenpot’. En passant passeert veel aardewerk met gaatjes de revue, wat het artikel des te interessanter maakt. Koorevaar denkt dat de scherf van een bolvormige gatenpot afkomstig is, een ´selderijpot´, waarbij er veel overeenkomst is met een scherf uit Tiel en een complete pot uit Aardenburg. Twee jaar geleden werd in Bleskensgraaf een historisch muurdeel in de passage van een winkelcentrum onthuld. Inmiddels is het muurdeel opgenomen in een fotowand met een collage van historische foto´s van Bleskensgraaf van vóór het bombardement in 1940. Ook is een gedenktekst en een plattegrond aangebracht. Zoals gebruikelijk besluiten boekbesprekingen, exposities, het overzicht van periodieken en huishoudelijke gegevens GB.

Afb. 3 Resten van rijswerk in de Oosterschelde. Foto: Bas Chamuleau (uit Zuidwesterheem).

Afb. 4 Fraai bordfragment uit de Aakvlaai (Biesbosch), ca. 1400. Foto: Cees van der Esch (uit Grondig Bekeken).

De Vereniging |

05-2013 binnenwerk.indd 285

285

30-09-13 14:02


Afb. 5 Archeologische workshop tijdens het Italië-evenement. Foto: Ton van Bommel (uit Nieuwsbrief Afd. 12).

Nieuwsbrief Afd. 12, juni 2013 (Afd. 12 - Utrecht eo) AWN’ers kunnen weer assisteren bij archeologisch onderzoek door ACVU-HBS in Fort Vechten. De afdeling werkte mee aan het Italië-evenement van het Landschap Erfgoed Utrecht. Hier werden in drie dagen zes archeologische workshops aangeboden aan kinderen en ouders (afb. 5). Na nieuws over de werkzaamheden om binnen de landelijke AWN te komen tot een gestandaardiseerde Basiscursus Archeologie ook interessant nieuws over een kleine vroegmiddeleeuwse muntschat die Museum Dorestad verwierf. De zeven zilveren munten werden gevonden tijdens graafwerkzaamheden bij Amerongen. Drie munten zijn in Dorestad geslagen en vermelden de naam van Lotharius I. Men vermoedt echter dat ze in opdracht van de Deense ‘warlord’ Rorik zijn geslagen, na 850 namens de Frankische koning de baas in Dorestad. Na vijf jaar voorbereiding begon in mei 2013 op het Utrechtse Domplein de bouw van Schatkamer Domplein II. De entree komt te liggen tussen de Domtoren en Domkerk. Glazen vensters in de bestrating zullen de wereld onder en boven het plein met elkaar verbinden. De N. besluit met een uitnodiging aan archeologen van 9-15 jaar om deel te nemen aan een zomerkamp in en rond het Hunebedcentrum in Borger, georganiseerd door onder meer NJBG, AWN en Hunebedcentrum. Nieuwsbrief Afd. 12, augustus 2013 De afdeling organiseert dit jaar vier lezingen en twee excursies. De eerste voert naar Houten, waar een mooie expositie over terra sigillata is te zien. Verder uitnodigingen en opwekkingen om deel te nemen aan zaken rond de limes. Op de 3e Archeologiedag, mede georganiseerd door Afd. Utrecht, staat deze verdedigingslinie centraal. Ook het project LiMissie beoogt de limes onder de aandacht te brengen van een groter publiek. Jaarverslag Naerdincklant 2012, juni 2013 (Afd. 13 - Naerdincklant) De afdeling maakte een goed verzorgd en fraai ogend digitaal jaarverslag waar ik enkele zaken uitlicht. Voorzitter Anton Cruysheer vond het een hectisch en druk maar ook heel mooi jaar en bovendien een jubileumjaar. Het aantal leden groeit en die groei ‘zit vooral in metaal’. In het J. ook interessante artikelen, zoals dat van Marenne Zandstra over Vechten 19461947, een opgraving door Van Giffen die 60 jaar later in het kader van Odyssee werd uitgewerkt. Het is een uitgebreid verslag van een

286

lezing die zij voor de afdeling hield. Het J. besteedt aandacht aan een serie vondsten die in het werkgebied weer het licht zagen, vooral metaalvondsten: fraaie ringen, munten, blokgewichten, knoopjes, een kledinghaak. Mina Jordanov schrijft over drie eeuwen afval dat uit het raam van kasteel Nyenrode (bij Breukelen) in de gracht werd ‘gemikt’, resulterend in een zeer recent RAAP-rapport. in het voorjaar voerden AWN’ers een veldverkenning uit in het Spanderswoud bij Bussum/Hilversum. Er was een Frans muntje bij met daarop de vermelding LAN 6, hetgeen jaar 6 na de Franse Revolutie betekent, dus 1795. Een uitgebreide fotopresentatie maakt duidelijk dat er ruim 40 vuursteenvondsten waren en gaat in op de aard van de artefacten. Het J. eindigt met een vacatureoverzicht en informatie over cursussen en over de afdeling. Naerdincklantnieuws ed 24 + bijlage Guédelon In de N. aandacht voor Ruud van Minnen die na 24 nieuwsbrieven ‘op het hoogtepunt’ stopt. Voorlopig neemt de voorzitter zijn taak over. Samen met zes andere organisaties op het gebied van landschap, erfgoed, duurzaamheid en natuur nam de AWN in Hilversum de Infoschuur in gebruik, waar activiteiten kunnen plaatsvinden en materiaal kan worden opgeborgen. Op YouTube plaatste de afdeling een filmpje over het werk van de afdeling en er komen er nog meer. Laat ik vooral niet vergeten te melden dat met deze N. een interessante zomerbijlage werd meegestuurd, gewijd aan de (her)bouw van het middeleeuwse kasteel Guédelon bij Treigny. Nieuwsbrief Afd. 16, juni 2013 (Afd. 16 - Nijmegen eo) Op 6 oktober vond in Kasteel Wijchen de presentatie plaats van Kijk eens wat ik gevonden heb 28 amateurarcheologen vertellen over hun hobby, het jubileumboek bij het 45-jarig bestaan van de afdeling. De 28 bijzondere vondsten konden ook worden bewonderd. In de omgeving van Nijmegen zijn nog veel sporen en resten van WO II aanwezig, vooral uit 1944 en 1945 toen er sprake was van veel krijgsgeweld. Omdat intussen al veel verdween en veel alsnog verloren dreigt te gaan, formeerde de AWN een werkgroep Archeogie van de Tweede Wereldoorlog die de sporen gaat inventariseren en in kaart brengen. Begonnen werd in juli 2013 met een veldverkenning bij Berg en Dal op de Duivelsberg en het totale veldonderzoek gaat duren tot maart 2014. Er wordt niet opgegraven en de werkgroep zal

| De Vereniging

05-2013 binnenwerk.indd 286

30-09-13 14:02


de resultaten van het onderzoek bekend maken in publicaties voor een breder publiek. Het onderzoek gebeurt onder toezicht van de regioarcheoloog. Nieuwsbrief Afd. 17, juli 2013 (Afd. 17 Zuid-Veluwe en Oost-Gelderland) De afdeling moet begin november wegens sloop van het huidige pand verhuizen naar elders, maar op het moment van schrijven (augustus) was de bestemming nog niet bekend. Gelukkig was er eind september nog wel tijd voor een excursie naar Deventer dat niet alleen archeologisch maar ook wat stedeschoon aangaat zeer de moeite waard is. Na nieuws over lezingen eindigt de N. met een indrukwekkende intekenlijst voor hulp voor en tijdens de komende verhuizing. AVKP-actueel nr. 50, juni 2013 (Afd. 23 - AV Kempen- en Peelland) Een A. met een feestelijk tintje, want het is nummer 50. Het eerste nummer verscheen op 1 maart 2003. In juni kwamen in Geldrop tijdens de jaarlijkse AVKP-Regiodag het bestuur, de Wg Ruimtelijke Ordening en de contactpersonen bij elkaar om kennis en informatie uit te wisselen. Belangrijk was een presentatie van ZLTO, waarin uitleg werd gegeven over technieken van landbewerking en de wens tot samenwerking met archeologen werd geuit. Boeren en archeologen hebben verschillende belangen, maar ook overeenkomsten. Een en ander werd door een der aanwezigen redelijk treffend uitgedrukt als Boeren willen het gele zand niet bewerken en dat willen wij ook niet plus 5 cm. Boeren krijgen wel eens het - ook onder vrijwilligers bekende - idee dat er ‘niets meer mag‘, maar zo erg is het ook daar niet. Na Geowiki (zie hieronder) volgt een bezoek aan het plaatselijke Weverijmuseum en het kasteel. In verband met de werkzaamheden van de RO-groep kwam het beleid van de gemeenten Veghel en Uden in deze rubriek al eerder voorbij, meestal met een bezorgde ondertoon. Daar kan nu de gemeente Schijndel aan worden toegevoegd, want die houdt zich niet aan het eigen archeologiebeleid door ruimere grenzen te stellen voor vergunningsvrije verstoringen dan dit beleid toestaat. Samen met de heemkundekring diende de AWN een zienswijze in voor het bestemmingsplan Kom Schijndel. Vincent van der Veen studeerde archeologie in Leuven, liep stage in het Arch. Centrum Eindhoven en studeerde af op een onderzoek van vondsten van een Frans legerkamp uit Aalst-Waalre. Een voorgenomen veldverken-

ning op een dekzandrug in Leende bleek onmogelijk door hardnekkige tegenwerking van het weer. Toen het zou gaan gebeuren, lag het ontboste terrein verstopt onder een laagje haarwortels van de gekapte bomen. Waar was gehoopt op vondsten uit de Steentijd, restte slechts een met de detector ontdekte 18e-eeuwse duit. In A. een kleine terugblik naar de AVKP-actueel in 2003, een uitnodiging voor de AVKPbarbecue en lentegerechten van de historische kookclub, afgesloten door een toetje torta bianca reale. Op het kruispunt van de gemeenten Bergeijk, Lommel en Mol-Postel werd in juni een infobord Drieperiodenheuvel Mol onthuld. Het bord richt de aandacht op deze site, 4500 jaar geleden in gebruik als begraafplaats. Op www.helmond.nl (+ nog heel veel daarna) is nu informatie te vinden over archeologie en de vroegste geschiedenis van Helmond. Een excursie naar Amsterdam leidde naar het APM (Troje) en het Pijpenkabinet. De Brabantse gemeenten en de provincie dragen dit jaar de uitvoering van het verlenen van vergunningen en toezicht en handhaving over aan drie Brabantse omgevingsdiensten. Kennis, kunde en capaciteit worden zo meer gebundeld. In heel Nederland komen er 28 omgevingsdiensten. Gemeenten en provincies blijven wel verantwoordelijk voor het beleid. Een geplande grote opgraving in EindhovenNoord (Castiliëlaan) gaat niet door wegens uitstel van de scholenbouw aldaar. Verder in deze A. nieuws over Helmond (boringen in de kasteeltuin /tentoonstelling Koek van eigen deeg), Veghel (rapport van Scheifelaar 2), Veldhoven (Sterrenlaan /Verlengde Heerbaan-Oersebaan) en Bergeijk (Westerhoven). Erfgoed Geowiki (www.erfgoedgeowiki.nl) is een wikipedia-achtige website in de SRE-regio (Zuidoost-Brabant) die informatie over de eigen geschiedenis wil ontsluiten. Per gemeente zal een werkgroep informatie verzamelen en op de website plaatsen. Kinderen van groep 4-5 van de Helmondse basisschool Brandevoort deden enthousiast mee aan een archeologieproject, daarbij gesteund door onder meer gemeentearcheoloog Theo de Jong en AWN’ers. Het kwam tot echte veldverkenning met veel vondsten op een nabijgelegen akker en een expositie op school met een mini-museum met o.a. maquettes (afb. 6). Zoals al duidelijk werd uit het geschrevene onder Afd. Zeeland, blijkt het goed mogelijk zelfs met nog beduidend jongere kinderen zinvol bezig te zijn met archeologie.

Afb. 6 Archeologie in groep 4: veldverkenning o.l.v. Theo de Jong. Foto: Stijn van As (uit AVKP-actueel).

De Vereniging |

05-2013 binnenwerk.indd 287

287

30-09-13 14:02


Column

Asterix en de Bataven Omdat ik nu eenmaal was begonnen met een studie Klassieke Talen, lag het voor de hand dat ik naast het hoofdvak Prehistorie ook een bijvak Provinciaal-Romeins zou lopen. In Leiden was dat vooral een kwestie van veel aardewerkvormen determineren op de zolder van het Rijksmuseum van Oudheden, onder toezicht van docent-conservator Stuart. Wekelijks zette hij me een paar Dragendorffjes, Holwerdaatjes of naar hemzelf vernoemde kruikjes voor; voor meer informatie over de Romeinen in Nederland verwees hij (terecht) naar het gelijknamige boek van Van Es. In diezelfde tijd, zo rond 1980, was men in Amsterdam bezig het provinciaal-Romeinse landschap te herscheppen. Mensen als Tom Bloemers, Jan Slofstra en Nico Roymans bekeken de Romeinen en de ‘inheemsen’, met nieuwe, antropologisch en sociologisch gekleurde ogen. De bewoners van Romeins Nederland hadden méér gedaan dan alleen aardewerk importeren: hun leven kreeg vorm door dynamische interacties, door tradities en transformaties, en door heel veel rituelen. Dat provinciaal-Romeinse landschap is sindsdien niet alleen heel veelzijdig, maar ook heel populair geworden. Die populariteit heeft, zoals zo vaak, haar prijs in de vorm van overdrijving, simplificering en verheerlijking. Overdrijving sprak uit de manier waarop de limes (een term die in superpublieksboek Verleden Land uit 1981 niet éénmaal valt!) begin deze eeuw in het zonnetje werd gezet. Niet alleen door archeologen, maar vooral door beleidsmakers, ‘ontwerpers’ en mensen die zich bezig hielden met de ‘ruimte’. Dure

288

|

boeken en rapporten verschenen (en verdwenen nauwelijks gelezen) in de kast. Helemaal voor niets was het trouwens niet: de limes staat hoog op de archeologische agenda en langs de Rijn zijn allerlei kunstwerken, infopanelen en reconstructies verschenen die de herinnering aan Romeins Nederland levend houden. Dat brengt me op simplificering en verheerlijking. Ik denk weleens dat Romeins Nederland door het grote publiek wordt gezien als een welvaartsstaat, waar iedereen zich in centraal verwarmde herbergen met mes en vork tegoed deed aan mediterrane schotels, wijn dronk, afrekende met sestertiën en in vloeiend Latijn dankjewel zei – daar hebben wij ons monetaire stelsel, en onze tafelmanieren en Latijnse woorden van! De Asterixisering, kortom, van de inheems-Romeinse maatschappij. Verheerlijkt worden de Romeinen als verbreiders van cultuur, geletterdheid en burgerschap, als voorlopers van het moderne Europa. Ik denk dat je hun imperium óók heel goed kunt vergelijken met de oude SovjetUnie, of op zijn minst met het tsarenrijk: eenkoloniale, nogal gewelddadige dictatuur. Alleen maak ik die vergelijking in het openbaar niet zo vaak. Een collega maakte me laatst attent op het feit, dat ook ik regelmatig schrijf over ‘beschaving’ en ‘barbaren’, over ‘bedreiging’ en ‘ondergang’ als het over de Romeins-autochtone verhoudingen gaat. Ik ontkende heftig, maar hij had gelijk. Kennelijk is het als classicus, óók als min of meer gesjeesd classicus, moeilijk jezelf los te maken van de klank van de tuba’s, de glans van de lorica’s en het silhouet van de adelaar, als het legioen door de straat marcheert.

Column

05-2013 binnenwerk.indd 288

30-09-13 14:02


Sinds 1951 zijn vrijwilligers in de archeologie verenigd in de AWN. Inmiddels is deze organisatie uitgegroeid tot de grootste in Nederland. De leden vervullen een onmisbare functie in het archeologisch onderzoek.

6 Westerheem

AWN-leden maken geschiedenis!

het tijdschrift voor de Nederlandse archeologie

www.awn-archeologie.nl jaargang 62 - december 2013

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI)

VEERTIG JAAR AFDELING RIJNSTREEK 06-2013 omslag.indd 1

02-12-13 10:09


Colofon Westerheem is het tweemaandelijks orgaan van de AWN - Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie

Inhoud

jaargang 62 no.6, december 2013

Website AWN www.awn-archeologie.nl Redactie • Centraal redactie-adres A . (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda. E-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • S. (Saskia) Appel (eindredacteur), Wethouder Tabakstraat 62, 1107 DE Amsterdam. E-mail: eindredactiewesterheem@hotmail.com • G.C. (Gerrit) Groeneweg (redacteur literatuur­­­­­­ru­brie­ken), Van Swietenlaan 12, 4624 VW Bergen op Zoom E-mail: groenweg@home.nl • J. (Jan) Coenraadts (redacteur Werk in uitvoering), Händelstraat 2, 6961 AC Eerbeek. E-mail: j.coenraadts@planet.nl • M. (Marijn) Lockefeer (redacteur Verenigings­ nieuws), Joke Smitplein 7, 3581 PZ Utrecht. E-mail: heinlock@ziggo.nl • I. (Ilse) Scholman (redacteur), Hildebrandpad 339, 2333 DG Leiden. E-mail: ilsescholman@gmail.com • H.L.M. (Ria) Berkvens (redacteur), Polderweg 23, 5721 JE Asten. E-mail: Ria.Berkvens@kpnmail.nl • J. (Jacobine) Melis (webredacteur), Violenstraat 37, 9712 RE, Groningen. Email: jacobine.melis@gmail.com Redactieraad H. van Enckevort, R. van Genabeek, T. Hazenberg, R.C.G.M. Lauwerier, M.-F. van Oorsouw, T. de Ridder, L.B.M. Verhart. Sluitingsdata kopij 15 december, 15 februari, 15 april, 15 juni, 15 au­­gus­­tus, 15 oktober. Aanwijzingen voor auteurs zijn op aanvraag ­verkrijgbaar bij de hoofdredacteur. Artikelen dienen digitaal te worden aangeleverd. Advertenties Voor inlichtingen over advertenties wende men zich tot de eindredacteur. Advertentietarieven (excl. opmaak): 1/ pagina: € 65,-, 1/4 pagina: € 125,8 1/2 pagina: € 250,- 1 pagina: € 450,insteekfolder € 550,- (excl. vouwen) © AWN 2013. Overname van artikelen en ­illu­stra­ties is slechts toegestaan na vooraf­ gaande schriftelijke toestemming van de redactie.

Voorwoord .................................................................. 289 Pierre van Grinsven Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten.. 290 Piet de Baar Ploegsporen op een prehistorische akker.................... 297 Els Koeneman Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven...................................... 300 Tom Hazenberg en Bert Zandbergen De terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen naar hun oorsprong...................................................... 305 Jasper de Bruin De Merovingische nederzetting in Oegstgeest . ........ 309 Leo den Hollander Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest........ 316 Wim Kuijper Oegstgeest-Rijnfront . .................................................. 323 Odile Hoogzaad Het Wapen van Voorschoten ....................................... 330 Pierre van Grinsven Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen . ........................................... 336 Pierre van Grinsven Belangenbehartiging bij de AWN-afdeling Rijnstreek . 344 RONDOM DE STAD GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGIE IN… KATWIJK De Archeologische Monumentenzorg en de ‘Methode Katwijk’ toegepast op de Planlocatie Valkenburg, gemeente Katwijk ....................................................... 346 LITERATUURRUBRIEKEN ............................................ 355 DE VERENIGING Verenigingsnieuws ...................................................... 361 Werk in Uitvoering ...................................................... 363

Ontwerp: Seña Ontwerpers, Eindhoven Druk: Bek, Veghel

COLUMN .................................................................... 368

ISSN 0166-4301

Adressenlijst en AWN-lidmaatschappen ......... binnenzijde omslag achter

Voor nadere informatie over AWN, lidmaatschappen en abonnementen Zie achterin dit blad.

Wij verzoeken u adreswijzigingen door te geven aan de ledenadministratie via: awn@vandinther.nl Foto omslag: Houten kommetje met handvat uit de waterput. Foto: Restaura, Haelen; bewerking: auteur. [zie pag.313]

06-2013 omslag.indd 2

Adressenlijst hoofdbestuur Alg. voorzitter: A.H.J. (Tonnie) van de Rijdt-van de Ven, Luxemburglaan 43, 5625 NB Eindhoven, tel. 040-2415910, e-mail: vdrijdt@iae.nl Vice-voorzitter: W. (Wim) Schennink, Vossenberglaan 29, 6891 CP Rozendaal (Gld), tel. 026-3610334, e-mail: Schennink-dekker@hetnet.nl Alg. secretaris: G. (Fred) van den Beemt, Ruiterakker 19, 9407 BE Assen, tel. 0592-345165, e-mail: awn@vdbeemt.nl Alg. penningmeester: H.J. (Harmen) Spreen, De Pauwentuin 19, 1181 MP Amstelveen, tel. 020-4537021/020-3473457 (tijdens kantooruren), e-mail: h.j.spreen@sportbedrijfamstelveen.nl INGbank 577808 t.n.v. penningmeester AWN Bestuursleden: • R. (Ruud) Raats (graafkampen), Karper 41, 3824 LT Amersfoort, tel. 033-4808181, e-mail: ruud.raats@xs4all.nl

Kijk op www.awn-archeologie.nl voor:

• J. (Jan) Venema (LWAOW), Groote Zijlroede 1, 8754 GG Makkum, tel. 0515-232160, e-mail voorzitter@lwaow.nl • PR en Communicatie: vacant • A. (Akke) de Vries-Oosterveen (hoofdredacteur), Ulvenhoutselaan 85, 4834 MD Breda, tel. 076-5600917, e-mail: redactiewesterheem@hotmail.com • C. (Kees) Daleboudt (deskundigheidsbevordering), Dorpsstraat 21, 4641 HV Ossendrecht, tel. 0164-672635, e-mail: cdaleboudt@planet.nl • J.P. (Paul) van Wijk (belangenbehartiging), Reggestraat 11, 7523 CP Enschede, tel.: 053-4314041, e-mail: pw566@hotmail.com

• de contactgegevens en het activiteitenoverzicht van de 24 regionale afdelingen van de AWN •n  abestellen AWN-uitgaven

AWN-lidmaatschappen A B C D E

basislidmaatschap............................ € 50,00 studentlidmaatschap........................ € 30,00 jeugdlidmaatschap............................ € 27,50 geassocieerd lidmaatschap.............. € 40,00 huisgenoot-lidmaatschap................. € 25,00 + eenmalig inschrijfgeld................... € 5,00

Lidmaatschappen gelden per kalenderjaar en kunnen ingaan per 1 januari of na 1 juli. Na 1 juli is 50% van het jaarlidmaatschap verschuldigd. Na 1 november alleen het inschrijfgeld. Opzegging vóór 1 december. Het lidmaatschap als basislid, studentenlid en jeugdlid geeft als rechten: • Toezending Westerheem • AWN-verzekering op AWN-opgravingen en bij AWN-activiteiten • Toegang tot de landelijke en afdelingsactiviteiten van de AWN • Stemrecht op de algemene leden vergadering.

als organisatie een basislidmaatschap van de AWN heeft. Geassocieerde leden ontvangen geen Westerheem en hebben geen stemrecht op de algemene leden vergadering. Na aanmelding wordt u ingedeeld bij de afdeling waar uw woonplaats onder valt. Wanneer u zich graag bij een andere afdeling wilt aansluiten kunt u dat bij uw aanmelding opgeven.

Huisgenoten hebben alle rechten met uitzondering van Westerheem. Een huisgenotenlidmaatschap kan alleen verbonden worden aan een basislidmaatschap. Het geassocieerde lidmaatschap staat alleen open voor hen die lid zijn van een zusterorganisatie (Historische kring, heemkundekring oudheidkamer, etc) die

Nadere informatie over lidmaatschappen kan verkregen worden bij de ledenadministratie van de AWN: Administratiekantoor J.N.A. van Dinther & Partners BV, Postbus 714, 3170 AA Poortugaal, tel. 010-5017323 (tijdens kantooruren), fax 010-5017593, e-mail: awn@vandinther.nl

De AWN is een algemeen nut beogende instelling (ANBI) 02-12-13 10:09


Voorwoord

De afdeling Rijnstreek bestaat veertig jaar en dat willen wij markeren met deze uitgave van Westerheem, waarin we verslag doen van onze activiteiten in de afgelopen zeven jaren. Naast onze vaste bijeenkomsten op de maandagavond en dinsdagmiddag en de bijeenkomsten van de restauratiegroep, hebben we lezingen georganiseerd en ons ingezet voor archeologische begeleidingen en waarnemingen. Daarnaast hebben we als afdeling ook een aantal opgravingen mede kunnen organiseren en bij professionele opgravingen geholpen. De afdeling heeft veel huisvestingsproblemen gehad: we zijn drie keer verhuisd in de afgelopen vier jaren, wat een geweldige inspanning vergde van onze leden. Maar we kunnen stellen; eind goed al goed. Wij zijn nu te gast in Archeologiehuis Zuid-Holland, een unieke en stimulerende omgeving voor onze vrijwilligers. Wij hebben ons ook moeten aanpassen aan de nieuwe situatie die ontstaan is met de invoering van de Wet op de archeologische monumentenzorg. In onze regio, gesitueerd langs de Oude Rijn, hebben we te maken met negentien gemeenten, die nu verantwoordelijk zijn voor een goed archeologisch beleid. Veel van onze gemeenten zijn klein van inwonertal en vaak groot wat grondgebied betreft. Veel ervaring met archeologie was er niet en wij hadden snel in de gaten dat we hier en daar konden helpen met het opzetten van archeologisch beleid. Later zijn we dat belangenbehartiging gaan noemen; een goed archeologisch beleid in de gemeente is immers een belangrijke basis voor het behoud van het archeologisch erfgoed. Om deze verantwoordelijkheid goed te kunnen dragen hebben we voor een belangrijk deel in onze regio een netwerk van AWN-correspondenten uitgezet. Oren en ogen in de dorpen om mee te helpen een goed archeologisch beleid uit te rollen. Hierover leest

Afb. 1 Kaart van de regio AWN-afdeling Rijnstreek. Bron: auteur. Legenda

• Oegstgeest, Nieuw-Rhijngeest

• Valkenburg,

u meer verderop in deze Westerheem. Door onze goede contacten met de gemeenten en de historische verenigingen deden zich ook de mogelijkheden voor om terreinen die vrijgegeven waren toch nog archeologisch te onderzoeken. Ook daarvan voorbeelden in dit nummer. Onze eigen opgravingen worden gerapporteerd in de Renus Reeks rapporten. Vijf rapporten zijn inmiddels verschenen, vijf zullen binnen een jaar ten doop worden gehouden. We zijn blij met de bijdragen van onze professionele collega’s. Zij geven een overzicht van twee onderzoeken op grote schaal: op het vliegveld van Valkenburg, vele kilometers proefsleuvenonderzoek en in Oegstgeest een opgraving van een vroegmiddeleeuwse nederzetting langs de Oude Rijn. In het kaartje is aangegeven waar de in dit nummer beschreven archeologische onderzoeken hebben plaatsgevonden. We wensen u veel leesplezier.

vliegveld Valkenburg • Voorschoten, Donklaan • Voorschoten, Achter het Wapen van Voorschoten • Noordwijk, Boeckhorst • Bodegraven, Paardenburg • Nieuwveen, Muggenlaan • Oegstgeest, waterput • Zwammerdam, schepen

Pierre van Grinsven Voorzitter AWN-afdeling Rijnstreek Voorwoord |

06-2013 binnenwerk.indd 289

289

02-12-13 10:06


Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten Pierre van Grinsven1

De afdeling Rijnstreek kreeg de gelegenheid op het vrijgegeven terrein Donklaan 78 in de gemeente Voorschoten een verkennend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Het te onderzoeken gebied ligt op de oudste strandwal van Voorschoten en in de omgeving waren eerder al resten van nederzettingen van de Vlaardingencultuur gevonden. Het onderzoek, dat met veel enthousiaste AWN’ers is uitgevoerd, heeft inderdaad een vindplaats uit de Vlaardingencultuur opgeleverd. Er zijn echter geen sporen van een woonplaats gevonden, wel fragmenten van het karakteristieke aardewerk. De AWN-afdeling Rijnstreek voerde van donderdag 1 tot en met vrijdag 16 september 2011 een verkennend proefsleuvenonderzoek uit op het voormalige Defensieterrein, Donklaan 78 te Voorschoten. Aanleiding voor het archeologisch onderzoek zijn plannen om het voormalige Defensieterrein te herontwikkelen. Gezien de locatie van het plangebied aan de rand van de strandwal op de overgang naar de strandvlakte is er volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Voorschoten een hoge archeologische verwachting voor de periode Neolithicum t/m Nieuwe Tijd. Dit wordt nog versterkt door de vindplaats van de Vlaardingencultuur die het Instituut voor Prehistorie van de Rijksuniversiteit Leiden in de jaren tachtig aantrof iets ten noorden van het plangebied.2 In het kader van de herontwikkeling van het Defensieterrein voerde RAAP in 2007 een bureau- en booronderzoek uit.3 Hierbij bleek dat de bodem ter plaatse intact is, maar er werden geen archeolo-

290

|

gische indicatoren aangetroffen. RAAP bracht op basis hiervan een negatief selectieadvies uit, dat door het toenmalig bevoegd gezag, de provincie Zuid-Holland, is overgenomen. Aangezien niet helemaal kon worden uitgesloten dat er in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn, verzocht de gemeente Voorschoten de Archeologische Werkgemeenschap Nederland een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend proefsleuvenonderzoek. De gemeente Voorschoten nam de kosten voor haar rekening van de graafmachine/ machinist en de bronbemaling die nodig was voor een deel van de opgraving. Geologie/bodemmorfologie Het gebied van Voorschoten-Donklaan ligt op de oudste strandwal die tussen ca. 4000 en 3700 v. Chr. ontstond tussen Voorschoten en de huidige kustlijn. Die strandwallen worden afgewisseld door laagten en vlakten waar begroeiing kon ontstaan en waar op veel plaatsen veen

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 290

02-12-13 10:06


werd gevormd. In afbeelding 1 (ontleend aan de scriptie van M. van Veen) is de ligging van de strandwallen aangegeven en de Donklaan met een zwarte stip. Rond 300 v. Chr. kreeg de zee een grotere invloed op het landschap (afzettingen van de Gantellaag en het laagpakket van Walcheren), een periode die gekenmerkt wordt door de afzetting van mariene klei. In de 1e eeuw v. Chr. vond er in het mondinggebied van de Oude Rijn een grote overstroming plaats waarbij veel blauwgrijze klei is afgezet. Dit was ook het geval in de regio van het huidige Voorschoten. In het opgravingsgebied kan dus een combinatie van oude strand- en duinafzettingen worden aangetroffen, afgewisseld met veenlagen en kleiafzettingen in de wat lagere delen (afb. 1). Het uitgevoerde veldwerk In het Programma van Eisen (PvE)4, zoals geformuleerd in 2010, was een sleuvenplan opgenomen (afb. 2). De mogelijkhe-

den om proefsleuven aan te leggen waren beperkt. De betonplaten die de funderingen vormden van de oorspronkelijke munitieopslagruimten van Defensie zijn erg dik en maakten de grond eronder ontoegankelijk. Verder ontstond in het centrum van het terrein een bos waar ook niet gegraven kon worden. Tegen de spoorlijn aan stond nog de vroegere aardewerkfabriek van Groeneveldt. Bij het graven van de proefsleuven is het sleuvenplan uit het PvE vrij nauwkeurig gevolgd (zie afb. 3: kaart van alle sporen). Verder is naast de aardewerkfabriek, in het verlengde van sleuf 5, een extra sleuf aangelegd (afb. 3). Na het verwijderen van de klinkers en het straatzand werd een laag verstoorde en verrommelde grond afgegraven tot ongeveer 75-100 cm onder het maaiveld. Op deze hoogte werd in put 1 en 2 grijs zand van de strandwal aangetroffen zonder veel bewoningssporen. Hier werd al veel hinder ondervonden van het grondwater. Met behulp van een pomp werden iede-

Afb. 1 De bodemmorfologie van Voorschoten. Bron: Van Veen 1989.

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 291

|

291

02-12-13 10:06


Afb. 2 De geplande proefsleuven geprojecteerd op het terrein Donklaan 78. Bron: het PvE.

re ochtend de sleuven zoveel mogelijk drooggemaakt. Toen er in het zuideinde van put 2 en in put 3 bewoningssporen werden aangetroffen, is bronbemaling toegepast waardoor er verder ongestoord kon worden gewerkt. Het onderzoek is drie weken lang uitgevoerd door vele enthousiaste AWN-leden. Deskundige begeleiding werd verkregen van Lauren Bruning (ambtenaar in Voorschoten belast met archeologie, gedetacheerd via Bureau Hazenberg Archeologie) en Rob Houkes (Bureau Hazenberg Archeologie). Deze hulp was uiterst welkom omdat in onze afdeling niet veel ervaring aanwezig is op het gebied van prehistorische opgravingen. Resultaten van het veldwerk Afbeelding 3 geeft een totaaloverzicht weer van de gegraven proefsleuven. Deze kaart bevat alle opgravingsdetails en is de basis voor de hieronder opgevoerde detailkaarten. De resultaten zullen eerst per put worden besproken. Put 1 Deze sleuf werd vanuit het oosten gegra-

292

|

ven. Het vlak is aangelegd op het niveau van 75-100 cm, waar veelal schoon, grijs zand werd aangetroffen. Er werden enige kleine verkleuringen waargenomen die als spoor zijn ingetekend. In het meest oostelijke deel was in het profiel een waterkuil zichtbaar, maar deze is niet in het vlak gezien. De overige aangegeven sporen bleken erg ondiep te zijn en konden niet worden geïnterpreteerd als aangelegde kuilen, greppels of paalsporen. De gevonden aardewerkfragmenten duiden op recente activiteiten. Toch is hier één Romeinse aardewerkscherf, gladwandig wit, gevonden in het veen. Er is van put 1 een volledig zuidprofiel opgemaakt. Dit profiel laat zien dat op bepaalde plaatsen veen en klei voorkomen. De klei is dan op het veen afgezet. De indruk bestaat dat een eventuele bewoningslaag in put 1 is afgetopt door grondbewerkingsactiviteiten en daardoor verdween. Put 2 De resultaten in put 2 vertonen een soortgelijk beeld als die van put 1. Er is geen enkel spoor van bewoningsactiviteit tot op 50 m op de meetlijn. Er waren veel pro-

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 292

02-12-13 10:06


blemen met het grondwater. Extra boringen, uitgezet om na te gaan of een eventuele bewoningslaag dieper zou liggen, gaven aan dat de bodem schoon was. Op 63 m op de meetlijn werd op een diepte van 75-80 cm onder het maaiveld een lichtgrijze laag aangetroffen met aardewerkfragmenten die gedetermineerd zijn als Vlaardingencultuur. Een detail van put 2 met daarin de vondstnummers is weergegeven in afbeelding 4. Conform het PvE is dit deel van put 2 verdeeld in vakken van 1 m2 die zijn onderzocht op vondsten. In de vakken E t/m G is ook een aantal paalsporen aangetroffen. Het ging hier om kleine paalsporen met een diameter van ongeveer 10 cm en een diepte van maximaal 20-25 cm onder vlak 1. Er kon geen structuur in de palenconfiguratie worden ontdekt. De lichtgrijze bewoningslaag kon duidelijk in het profiel worden gevolgd. Hij is ook goed te zien op de foto’s van het profiel en weergegeven in afbeelding 5. Put 2 is zover mogelijk verlengd naar het zuiden en er kon worden vastgesteld dat de bewoningslaag zich verder uitstrekte. Er werden ook meer aardewerkfragmenten gevonden van het soort dat representatief is voor de Vlaardingencultuur. Aangezien de vondstdichtheid groter werd dan vijf fragmenten per vak van één m2 is de inhoud van een aantal vakken conform het PvE gezeefd over een 0,5 mm zeef. Dit lukte alleen wanneer er met water werd gewassen. Een kwart van de vakken G t/m N is gezeefd voor zover ze niet in het verstoorde gebied lagen. De hoge dichtheid van de verspreiding van de aardewerkfragmenten en de aanwezigheid van paalsporen doen het bestaan vermoeden van het erf van een huis. In de vakken G3-J3 werden fragmenten gevonden van zeer dikwandig aardewerk, verschraald met potgruis. Dit aardewerk is gedetermineerd als Vlaardingencultuur fase 2 (ca. 2500 voor Chr.). De scherven lijken afkomstig van een grote pot. Put 3 Om te onderzoeken hoever de bewo-

ningslaag zich uitstrekte is besloten om op deze plaats ook put 3 aan te leggen. De eerste 8 meter van de put lieten een flinke verstoring door een kavelsloot zien, gevolgd door een dam met een gresbuis en elektraleidingen. Verderop werd de eerder waargenomen bewoningslaag weer aangetroffen, maar veel minder duidelijk. Het profiel van put 3 laat een bodemopbouw zien bestaande uit stranden duinzand, afgedekt door een veenlaag

Afb. 3 Kaart van alle sporen in het proefsleuvenonderzoek Donklaan 78. Tekening: auteur.

Afb. 4 Detail van put 2 met de aangetroffen bewoningslaag. Tekening: auteur. Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 293

|

293

02-12-13 10:06


met daarop een kleiafzetting, afgewisseld met lagen geel/wit zand afkomstig van instuivingen. In het veen bevindt zich veel zand, soms in de vorm van ingestoven lensjes. De vondsten in put 3 bevinden zich op een dieper niveau dan in de vondstenlaag van put 2. Een verklaring is dat de strandwal hier een depressie vertoont, deels volgegroeid met veen. Put 2 ligt op een hoger deel van het strandwalcomplex, waar geen veengroei optrad (afb. 6). Door de lagere ligging op de strandwal werden er in put 3 weinig sporen aange-

Afb. 5 Detail van het profiel van put 2 met de bewoningslaag (het donkere laagje op de bodem van het profiel). Foto: auteur.

Afb. 6 Detailopname van het zuidprofiel in put 3. Foto: auteur.

294

|

troffen. Bij het onderzoek van put 3 is het vlak verdeeld in vakken van 1 m2, maar de vondstdichtheid was zo laag dat zeven niet nodig was. Voor de bestudering van het natuurlijk milieu ten tijde van de bewoning en een nadere datering van de veengroei is in het zuidprofiel van put 3 een pollenbak geslagen door beide veenlagen. Deze staan ingetekend in het profiel van put 3 dat is weergegeven in afbeelding 7. Dankzij de bronbemaling werd op dit verlaagde niveau (vlak 2) onverwacht op meerdere plaatsen een dunne laag houtsnippers aangetroffen (zie o.a. de foto in afbeelding 8). Een analyse van de houtsoort is niet uitgevoerd, maar wel zijn er monsters genomen voor verder onderzoek. De monsters bestonden uit takjes, twijgen en houtsnippers en zijn door Pauline van Rijn bekeken. Het ging hier om een natuurlijke afzetting van houtmateriaal. De aanwezigheid van veel schelpen in de onderste laag van het profiel geeft aan dat we hier te maken hebben met de oudste fase van de vorming van de strandwal. Afbeelding 8 is een foto van een detail van het profiel. Put 5 Put 5 werd op enige afstand van put 3 gegraven, eveneens loodrecht op put 2, overeenkomstig het PvE. Het eerste deel was, evenals put 3, verstoord door een kavelsloot en een dam met de nodige leidingen. Er bevond zich in put 5 op ongeveer 80 cm onder het maaiveld een flinke veenlaag, veel dikker dan die in put 1 en put 3. In de 20-60 cm dikke veenlaag werd een ondiepe greppel of sloot aangetroffen die op grond van een paar aardewerkfragmenten als inheems-Romeins of Late IJzertijd is gedateerd. De greppel was erg ondiep, zoals twee coupes aantoonden. Het aardewerk (bijdrage van Simone Bloo, Hazenberg Archeologie) Op de vindplaats Voorschoten-Donklaan zijn 211 prehistorische scherven aardewerk aangetroffen. Het betreft hier aardewerk dat kan worden gedateerd in het Neolithicum, late Midden-IJzertijd en

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 294

02-12-13 10:06


Late IJzertijd/begin Romeinse tijd met een gewicht van 1,6 kg. Het aardewerk dateert uit het eind van het Midden-Neolithicum/begin Laat-Neolithicum (ca. 2800 v .Chr.), uit de tweede helft van de Midden-IJzertijd (300-200 v. Chr.) en uit de Late IJzertijd met een doorloop tot in de Romeinse tijd. Omdat het Romeinse gedraaide aardewerk niet nader kan worden gedateerd, kan er niet goed een einddatering worden vastgesteld, maar het is goed mogelijk dat het gedraaide aardewerk uit de MiddenRomeinse tijd stamt (tot ca. 270 n. Chr.). De locatie van de opgraving is dus met tussenpozen bezocht en bewoond geweest. Het neolithische aardewerk bestaat uit dikwandige brokken met potgruis en dunwandig aardewerk met fijne verschraling. Dit aardewerk behoort tot de Vlaardingengroep zoals in de regio is aangetroffen bij eerdere onderzoeken als in Voorschoten zelf maar ook in Leidschendam, Den Haag-Wateringse Binnentuinen, Hellevoetsluis, Hazerswoude en Vlaardingen (afb. 9). Het ijzertijdaardewerk is verschraald met potgruis en organisch materiaal. Dit aardewerk komt

overeen met de Broekpolder I en II aardewerkstijlgroepen. Het Romeinse aardewerk bestaat uit handgevormd aardewerk en enkele kleine fragmenten gedraaid aardewerk. Het gaat hier in ieder geval om een grote pot en een kom en ook zijn er aanwijzingen voor kookpotten. De geringe grootte van het ijzertijdaardewerk laat helaas geen verdere conclusies toe over een specifiekere datering en het gebruik. Verder onderzoek op deze locatie zou meer licht kunnen werpen op de vraag of het om een locatie gaat buiten het erf of juist op het erf. Ook over het Vlaardingengroepaardewerk blijven veel vragen open, die wellicht met verder onderzoek kunnen worden beantwoord. Levert de vondstlaag nog meer fragmenten van dezelfde pot op? Hopelijk worden iets grotere randfragmenten aangetroffen, waardoor potprofielen zijn te reconstrueren, zodat een scherpere datering van deze locatie mogelijk wordt. Dan is ook een vergelijking op meer aspecten met de andere vindplaatsen met Vlaardingenmateriaal mogelijk. In het licht van de huidige interesse in de Vlaardingencultuur en de vele recente opgravingen met dergelijk

Afb. 7 Detail van het zuidprofiel van put 3. Foto: auteur.

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 295

|

295

02-12-13 10:06


Afb. 8 Put 3, vlak 2 met de laag houtsnippers. Foto: auteur.

materiaal kan Voorschoten, Donklaan een belangrijke bijdrage leveren.

Afb. 9 Fragment van de bodem van een pot behorende tot het Vlaardingengroep­ aardewerk. Foto: auteur.

Hoe nu verder? Op basis van het uitgevoerde proefsleu-

venonderzoek is een aanbeveling opgesteld om door verder verkennend proefsleuvenonderzoek de vindplaats van de Vlaardingencultuur nauwkeuriger af te bakenen en die, waar mogelijk, in situ te behouden. De gemeente Voorschoten nam dit advies over. RAAP deed in het voorjaar van 2013 aanvullend onderzoek en stelde vast dat ‘de vindplaats beperkt is tot dat gedeelte dat de AWN heeft gevonden en dat de vindplaats zich nog een tiental meters naar het zuiden uitstrekt’. Een tegenstrijdigheid dus: de vindplaats is ‘niet groter dan’, maar gaat toch nog een’ tiental meters verder’.... De gemeente Voorschoten heeft besloten om dit deel van het industrieterrein in te passen als een groenstrook, waardoor de vindplaats inderdaad in situ behouden kan worden. Mochten deze plannen in de toekomst worden gewijzigd dan wordt de vindplaats vlakdekkend opgegraven. Inmiddels is in juni 2013 overgegaan tot het verwijderen van alle betonnen platen en overige funderingen van de defensiegebouwen. Mogelijk levert dat nog wat extra sporen op. De bedoeling is om het totale terrein voorlopig in te zaaien met gras.

J.W. Frisolaan 33 2252 HC Voorschoten rooserna@xs4all.nl

Noten 1 Pierre van Grinsven is voorzitter van de afdeling Rijnstreek. Hij schreef dit artikel namens de enthousiaste deelnemers van deze opgraving. 2 Veen, 1989. 3 Groot, 2007. 4 Roelofs, 2010. Literatuur Groot, R.W, 2007: Plangebied Donklaan 78 (voormalig defensieterrein) gemeente Voorschoten; archeologisch vooronderzoek; een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP notitie 2372. Roelofs, A.A, 2010: Programma van Eisen. Donklaan 78, proefsleuven verkennend onderzoek. 22 oktober 2010. Veen M.M.A van, 1989: Voorschoten de Donk, afstudeerscriptie, IPP, Amsterdam.

296

|

Archeologisch onderzoek Donklaan 78 in Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 296

02-12-13 10:06


Ploegsporen op een prehistorische akker Een archeologische begeleiding in het plangebied Boeckhorst onder Noordwijk

Piet de Baar1

Nederland was vroeger vooral leeg. Millennialang woonden er maar heel weinig mensen, zeker in de optiek van nu, en enorme gebieden bestonden slechts uit woeste grond. Toch is het verwonderlijk op hoeveel plaatsen de archeologie bewijzen gevonden heeft van bebouwing en gebruik – soms zelfs zeer intensief. Niet op iedere willekeurige plek zijn sporen van menselijke activiteit te vinden, maar het blijft verrassend op hoeveel plekken wel, ook al zijn de opgravingsresultaten niet echt spectaculair. In Noordwijk beperkte het zich bij deze opgraving tot prehistorische ploegsporen. 2 Maar zelfs dat was de moeite waard.

Zoals in zoveel plaatsen vindt ook in Noordwijk een verdichting van de bebouwing plaats, waarbij vrijwel alle nog onbebouwde kavels tussen of tegen de bestaande huizenblokken volgebouwd worden. Zo ook in het zogenaamde plangebied Boeckhorst, dat ligt ten oosten van de dorpskern Noordwijk-Binnen. De opgraving vond plaats langs de Van Berckelweg waar die bijna de Gooweg ontmoet, op een terrein waar een appartementencomplex gebouwd ging worden. Eeuwenlang is dit gebied gebruikt voor akker- en tuinbouw; Noordwijk was alom bekend voor de teelt van kruiden, en ook bloembollen wilden er best gedijen. Eigenlijk kun je op zo’n terrein weinig meer verwachten dan wat pijpenkopjes van landarbeiders uit vroeger eeuwen, maar toch was er een reden om ook hier wat oplettender te zijn dan gewoonlijk.

Afb. 1 Overzicht van de aangelegde putten. Tekening: D. van der Kooij. Ploegsporen op een prehistorische akker

06-2013 binnenwerk.indd 297

|

297

02-12-13 10:06


werd aangemeld bij de RCE, waarna vergunning verleend werd. Het feitelijke onderzoek in de bouwput vond plaats van 4 tot 8 maart 2008 door een zestal leden van de AWN met zeer veel ervaring op archeologisch gebied.

Afb. 2 Eergetouw. Tekening: A. Numan.

Afb. 3 Ploegsporen in put 4. Foto: L.A. den Hollander.

In 1996 kwam bij een (nood)opgraving door de ROB ongeveer 300 meter naar het noordoosten van de onderhavige opgraving een tweeschepige huisplattegrond en akkerland uit de Vroege Bronstijd aan het licht 3, en waar één huis gestaan heeft, kunnen er ook meer zijn geweest. Daarom werd door de gemeente Noordwijk opdracht gegeven aan RAAP om een verkennend proefsleuvenonderzoek uit te voeren, dat in februari 2008 gerealiseerd werd. 4 In die proefsleuven werd een akkerlaag aangetroffen met daaronder sporen van akkerbewerkingen in de vorm van eergetouwkrassen. Omdat er onvoldoende informatie verkregen was over de eventuele aanwezigheid van nederzettingssporen, werd aanbevolen om de verdere ontgraving van het perceel archeologisch te begeleiden. Hierbij kwam nadrukkelijk de AWNRijnstreek in beeld, die deze klus wel wilde klaren. De archeologische begeleiding

De opgraving Het Programma van Eisen5 ten behoeve van deze archeologische begeleiding formuleerde als doel de registratie en beschrijving van de akkerlaag en eergetouwkrassen uit (waarschijnlijk) de Bronstijd en eventuele andere archeologische waarden. Op de plaats van de bouwput lag het maaiveld op een hoogte van ongeveer 2,5 m boven NAP. Het zuidelijk gedeelte van het oorspronkelijk onderzochte terrein was, zo bleek bij karterend booronderzoek, volledig verstoord door het omspuiten van de grond voor de teelt van bollen. Het terrein maakt onderdeel uit van een strandvlakte tussen oude duinen en bestaat dus voornamelijk uit zand, dat heel geschikt is voor bollenteelt. Bodemkundig gezien kan dit gekwalificeerd worden als kalkhoudende enkeerdgronden met matig fijn zand. In de bouwput werden drie putten aangelegd waar op een niveau van 85 à 95 cm onder het maaiveld de ploegsporen werden aangetroffen (zie afb. 1). Deze sporen oversneden elkaar en zijn duidelijk niet van een ploeg die de grond omkeert, maar van een eergetouw of schuifploeg (afb. 2), waarbij alleen de bovengrond losgemaakt wordt. Dit eenvoudige werktuig werd hier tot in de Middeleeuwen gebruikt om de grond los te maken, waarna er bijvoorbeeld gezaaid kon worden. Ook elders op de wereld werd en wordt deze ploeg nog steeds gebruikt. De vlakken werden zorgvuldig geschaafd en daarna gefotografeerd (afb. 3 en 4) en (wegens tijdgebrek slechts één put) ingetekend. Omdat er bij de opgraving van 1996 vergelijkbare sporen gevonden zijn, dringt zich het idee op dat er mogelijk een grote kavel geweest is die bij de opgegraven

298

|

Ploegsporen op een prehistorische akker

06-2013 binnenwerk.indd 298

02-12-13 10:06


boerderij hoorde. Hoe ver die zich uitgestrekt heeft, is amper te raden, maar het moet toch zeker een hectare groot geweest zijn. Er zijn zes grondmonsters genomen, maar deze zijn nog niet verder geanalyseerd, zodat niet gezegd kan worden of er bepaalde plantensoorten opvallen of qua hoeveelheid eruit springen. Helaas is er onvoldoende geld, of kennis bij leden van de afdeling, om die analyse te laten verrichten, maar de vraag is of de eventuele vondst van een overheersende plantensoort onbetwistbaar aantoont dat die in de tijd van de ploegsporen op deze akker is verbouwd. Over de datering van de sporen valt niets te zeggen. Er zijn geen andere zaken gevonden die een nadere indicatie zouden kunnen geven. Conclusie De opgraving bevestigde wat het vooronderzoek en het inventariserend veldonderzoek (de proefsleuven) al aangetoond hadden, namelijk dat er eergetouwkrassen bewaard gebleven zijn, die later door overstuivingen met duinzand bijna een meter onder het huidige maaiveld verdwenen zijn. Door toekomstige opgravingen

als het terrein aan de andere kant van de Van Berckelweg bebouwd zou worden, kan wellicht aangetoond worden hoe groot de kavel beteelde grond geweest is en mogelijk de randen daarvan gevonden worden.

Afb. 4 Ploegsporen in put 2. Foto: L.A. den Hollander.

Vrijheidslaan 108 2321 DL Leiden baarpjm@casema.nl

Noten 1 Piet de Baar is bestuurslid van de afdeling Rijnstreek. 2 P. van Grinsven en D. van der Kooij 2013. 3 R.M. van Heeringen e.a. 1998. 4 R.W. de Groot 2008. 5 R.W. de Groot PvE 2008. Literatuur Grinsven, P. van, en D. van der Kooij, 2013: Archeologische begeleiding plangebied Boeckhorst in de gemeente Noordwijk. Rapport van een archeologische begeleiding van het plangebied Boeckhorst in de gemeente Noordwijk, uitgevoerd door de AWN-afdeling Rijnstreek in maart 2008. Renus Reeks in druk. Groot, R.W. de, 2008: Plangebied Boeckhorst, gemeente Noordwijk; inventariserend veldonderzoek (proefsleuven). RAAP-rapport 1702. Groot, R.W. de, 2008: Programma van Eisen t.b.v. archeologische begeleiding plangebied Boeckhorst, gemeente Noordwijk; de RAAP-Projectcode is 10781NOBH3. Heeringen, R.M. van, H.M. van der Velde en I. van Amen, 2008: Een tweeschepige huisplattegrond en akkerland uit de Vroege Bronstijd te Noordwijk, prov. Zuid-Holland, ROB. Stevens, F., 2007: Plangebied Boeckhorst, gemeente Noordwijk; een archeologisch vooronderzoek: bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP-notitie 2509, RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam.

Ploegsporen op een prehistorische akker

06-2013 binnenwerk.indd 299

|

299

02-12-13 10:06


Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven Els Koeneman1

Op een bedrijventerrein in ontwikkeling bij Bodegraven werd door oplettendheid van het AWN-lid Chris Zwaan Romeinse aardewerkfragmenten gevonden. Hoewel het terrein archeologisch was vrijgegeven omdat de bodem verstoord was door kleiafgravingen, zijn toch oude sloten aangetroffen met daarin een flink aantal Romeinse vondsten. In september 2007 werden voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Rijnhoek in Bodegraven, ter hoogte van de 17e-eeuwse boerderij Paardenburgh, nieuwe sloten gegraven. In het talud van een sloot was een donker gekleurde oudere ingraving zichtbaar en in de uit de sloot komende stort trof de locale AWN-correspondent Chris Zwaan allerlei Romeins materiaal aan. Omdat eerder op grond van het booronderzoek geconcludeerd was dat de archeologische bodem te veel verstoord zou zijn door 19e- en 20e-eeuwse kleiafgravingen was het gebied vrijgegeven.2 De vondst van de Romeinse scherven was echter aanleiding voor een kleine aanpassing van de plannen: in overleg met de gemeente en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (toen nog Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten geheten) werd besloten dat de AWN-afdeling Rijnstreek een proefsleuf loodrecht op de nieuwe sloot zou graven. Chris Zwaan zat niet zonder reden met zijn neus boven op de graafwerkzaamhe-

300

|

den: in eerdere jaren (1995, 1996 en 2002) waren bij AWN-opgravingen nog geen kilometer ten zuidwesten van dit gebied niet alleen de resten van een Romeins castellum gevonden, maar ook sporen van de Romeinse weg die de castella langs de Oude Rijn met elkaar verbond.3 De proefsleuf bood een mooie kans – hoe klein ook – om een antwoord te krijgen op de volgende vragen: Wat kan gezegd worden over de precieze aard van het spoor? Zijn de aangetroffen Romeinse aardewerkfragmenten in verband te brengen met mogelijke Romeinse nederzettingssporen? Zijn er aanwijzingen te vinden voor de Romeinse limesweg? Vlakken en tekeningen Op 22 en 23 september konden de AWNleden Dick van der Kooij, Suus Sprey, Ab van Grol, Bert Zandbergen en Pierre van Grinsven aan de slag. Zo dicht mogelijk tegen de westkant van de pas gegraven sloot werd ter hoogte van de eerste waar-

Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven

06-2013 binnenwerk.indd 300

02-12-13 10:06


neming een proefsleuf van 7 x 8 meter aangelegd (afb. 1). Bij de aanleg van het vlak werd heel wat Romeins aardewerk en in iets mindere mate PME (postmiddeleeuws) aardewerk gevonden, maar het lag nauwelijks in concentraties en was niet met een bepaalde laag te associÍren. Bij het verder verdiepen van het vlak kwam een duidelijk spoor van een noord-zuid lopende middeleeuwse sloot tevoorschijn. Halverwege deze sloot werd nog een kort stukje van een west-oost gerichte sloot zichtbaar. Op de foto in afb. 2 zijn deze sloten ingetekend. Van de noordwest- en de zuidwestkant van de proefsleuf zijn profieltekeningen gemaakt. Op grond van het noordwestprofiel kan geconcludeerd worden dat de sloot in een aantal fasen opgevuld is geraakt. Het door Chris Zwaan opgemerkte spoor in de nieuw gegraven sloot kwam terug in het zuidwestelijk profiel en kan op grond van de profielvondsten op de bodem van het spoor inderdaad Romeins genoemd worden. Bij de aanleg van het vlak was dit spoor helaas niet herkend en kan er niets gezegd worden over de aansluiting of doorsnijding van de verschillende sporen. Toen de opgraafploeg na een paar dagen bijzonder slecht weer aan de vlaktekening wilde beginnen, bleek door een misverstand het vlak door graafwerkzaamheden verdwenen te zijn. Op grond van de waarnemingen van de eerste dag en gemaakte foto’s is een situatieschets gemaakt, te zien in afb. 3. Het gaat om een sloot (spoor 1) met een maximale breedte van 3 m en die tot 1.20 m diepte onder het huidige maaiveld ligt. Deze sloot loopt evenwijdig aan de nieuw gegraven sloot. De sloot is later opgevuld of er is een nieuwe sloot ingegraven (spoor 2) met een breedte van circa twee meter en een diepte van ongeveer 1 m. Op de bodem van deze sloot is postmiddeleeuws bouwmateriaal aangetroffen: kloostermoppen en een uit een baksteen gesneden braadspit (zie afb. 7). Spoor 3 is een sloot die haaks staat op spoor 1 en is gericht op de Hoge Rijndijk en de Rijn. Spoor 4 en 5 zijn twee houten paaltjes. Of

het gaat om kavelsloten of om een erfafscheidingssloot rondom een boerderij is niet vast te stellen. Aangezien het vondstmateriaal door de vroegtijdige vergraving van de proefsleuf niet per spoor verzameld werd, is over de datering van de sloten niets met zekerheid te zeggen. Afgaande op de hoeveelheden gevonden scherven (Romeins 367, Postmiddeleeuws 31) kunnen we aannemen dat het gaat om een van oorsprong Romeinse sloot die in de latere eeuwen gedicht of dichtgeslibd is. Het is ook mogelijk dat een (post)middeleeuwse sloot met afvalgrond uit het centrum van Bodegraven gevuld is (herkenbaar als spoor 2), maar in dat geval verwacht je dat het materiaal veel gevarieerder zou zijn. Een deel van het Romeinse aardewerk is, in vergraven context, uit spoor 2 verzameld.

Afb. 1 De situatieschets van de proefsleuf. Bron: Pierre van Grinsven.

Het Romeinse vondstmateriaal Het merendeel van het Romeinse materiaal bestaat uit aardewerk. Daarnaast is er wat bot gevonden en Romeins bouw-

Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven

06-2013 binnenwerk.indd 301

|

301

02-12-13 10:06


Afb. 2 Overzicht van de slootsporen, met op de achtergrond de nieuw gegraven sloot. Bron: Pierre van Grinsven.

Afb. 3 Gereconstrueerde vlaktekening met de drie sporen. Bron: Pierre van Grinsven.

302

|

materiaal, met name baksteen, tegulae en in mindere mate lateres. Het aardewerk is gedetermineerd volgens het Valkenburgsysteem, waarmee naast soort ook type en datering aangegeven kunnen worden. Af b. 4 laat de verdeling zien van het Romeinse aardewerk naar type. Daaruit blijkt dat er opvallend weinig terra sigillata is gevonden, maar relatief veel aardewerk van het Rupeliaanse- of kustaardewerk type. Er zijn talrijke, tamelijk dunwandige oranje scherven gevonden, die tot één vrij grote voorraadpot hebben behoord. De verdeling naar type vertoont geen overeenkomsten met vondstcomplexen van de opgravingen van de AWN in 1995, 1996 en 2002. Afb. 5 geeft een overzicht van de datering van het Romeinse aardewerk. De frequen-

tie wordt als volgt vastgesteld: de Romeinse periode van 20 tot 260 na Chr. is verdeeld in 13 tijdvakken van 20 jaar. Komt een bepaald type aardewerk bijvoorbeeld tussen 100-160 na Chr. voor, dan wordt per tijdvak het aantal scherven van dit type uitgerekend, waarbij aangenomen wordt dat de kans op het voorkomen van die scherven in die periode even groot is. Dat wordt voor alle typen scherven uitgerekend en per tijdvak opgeteld. De frequentie is het totaal aantal scherven dat in een tijdvak van 20 jaar voorkomt. Fragmenten die tot één pot behoren worden als één scherf gerekend, de zogenaamde MAE, het minimaal aantal exemplaren. Bij deze opgraving werden veel bij elkaar horende scherven gevonden. Hoewel de uitersten enigszins genivelleerd worden door de gebruikte methode, is er een piek te zien in de periode 80-120 na Chr., gevolgd door een dip tussen 120140 na Chr., waarna weer een toename te zien is in de periode daarna. Er is nauwelijks aardewerk gevonden uit de periode vóór het jaar 60. Vergeleken met de eerdere opgravingen in Bodegraven waar dezelfde dateringsmethode is gehanteerd lijkt het vondstcomplex het meest op de opgraving van 2002: een aanloop tussen 60 en 80 na Chr., piek tussen 60 en 100, een dipje tussen 100 en 120 na Chr. en een geleidelijke afname na 200 na Chr. Deze vondsten waren afkomstig van een locatie buiten het castellum, in een depressie in het landschap; dit was waarschijnlijk een stortplaats voor afval van een inheemse nederzetting.4 Er is vooral aardewerk gevonden dat gebruikt werd voor eten, drinken en bewaren: veel scherven van bekers, verder voorraadpotten, kommen, wrijfschalen, borden en kookpotten. Vanwege het ontbreken van terra sigillata ligt het niet voor de hand dat hier sprake is van een militaire vindplaats. Een bijzondere vondst is een Romeinse scherf met een graffito5 die gelezen kan worden als (…)NSIITUS (..) oftewel (…) NSETUS(…) (zie af b. 6). Het is waarschijnlijk dat de scherf een onderdeel was van de eerder genoemde voorraadpot. Het

Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven

06-2013 binnenwerk.indd 302

02-12-13 10:06


is niet helemaal duidelijk of het gaat om een dolium (een grote voorraadpot) of om een amfoor van bijvoorbeeld het type Dressel 20. De laatste zou het meest voor de hand liggen aangezien het met name dit type is waar veelvuldig graffiti op teruggevonden worden.6 Duidelijk is wel dat de graffito is aangebracht ná het bakken, daarom zal het gemaakt zijn door de gebruiker en niet door de pottenbakker. Romeins serviesgoed werd vaak voorzien van een ingekraste naam, bijvoorbeeld de naam van degene die eigenaar is van de pot of kruik. De lettercombinatie (…)NSETUS(…) komt echter niet overeen met een bekende (Latijnse) naam, maar lijkt wel een eigennaam te zijn in de nominativus enkelvoud. Mogelijk gaat het om een verbastering van de naam Mansuetus, een in deze streken vaker voorkomende naam. Kajanto7 geeft in zijn namenlijst een aantal varianten van deze naam: Ma(n)suetus, Ma(n)suetianus, Mansuetinca, Mansuetinus. De op deze scherf gevonden variant zonder de letter u is onbekend. Wel heb ik in dezelfde lijst de naam Censitus gevonden. Een zoektocht op Facebook (een wel zeer moderne namenlijst…) leverde nog de namen Mansetus en Ansetus op, gebruikt door vier Afrikaanse en vier Indonesische mannen. De graffito zou verder nog kunnen verwijzen naar de inhoud van de pot, maar daarover is nog niets gevonden. Het postmiddeleeuwse vondstmateriaal Alhoewel de aanleiding tot het onderzoek de te verwachten Romeinse vondsten waren, werden er bij de aanleg van het vlak en bij het uitdiepen van spoor 2 ook vondsten uit meer recente periodes aangetroffen. Onderin spoor 2 werden grote brokken laatmiddeleeuws baksteenpuin en huttenleem gevonden. Een bijzondere vondst daarbij was een fragment van een uit een baksteen gesneden braadspit­ steun (afb. 7). Deze vondsten roepen de hypothese op dat de sloot deel uit heeft gemaakt van een 13e- of 14e-eeuwse huisplaats die hier gestaan kan hebben. Het overige postmiddeleeuwse materiaal,

onder andere protosteengoed uit de 14e eeuw, 18e-eeuws roodbakkend geglazuurd aardewerk en steengoed uit de 19e en 20e eeuw, is gevonden in de aanleglaag en als vulling in de sloot. Dit kan van opgebrachte grond zijn, bijvoorbeeld van de stort afkomstig van de aanleg van de nabij gelegen N11. Romeins Bodegraven? Zijn de gevonden sporen resten van Romeinse en middeleeuwse kavelsloten of van de erfafscheiding van een huis? Is het Romeinse aardewerk afkomstig van een dichtbijgelegen huis of komt het materiaal uit de meer zuidwestelijk gelegen nederzetting waar eerder sporen van zijn gevonden? Het is niet met zekerheid te zeggen. Ook resten van de limesweg zijn in het korte tijdbestek dat de opgraving duurde niet teruggevonden. Wat wel geconcludeerd kan worden is dat het goed is dat grondverstoringen kritisch gevolgd worden, ook al is het in een gebied met een lage archeologische verwachting, zoals in dit geval door 19e- en 20e-eeuw-

Afb. 4 Verdeling van het Romeins aardewerk naar type. Bron: Pierre van Grinsven.

Afb. 5 Datering van het Romeins aardewerk. Bron: Pierre van Grinsven 2013.

Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven

06-2013 binnenwerk.indd 303

|

303

02-12-13 10:06


Afb. 6 Romeins aardewerkfragment met graffito (…)NSIITUS(…), te lezen als (…) NSETUS(…). Foto: Pierre van Grinsven.

Afb. 7 Fragment van een braadspitsteun. Foto: Pierre van Grinsven.

se kleiafgravingen. Sporen kunnen zo diep liggen dat ze aan de kleiafgraving ontsnapt zijn, of de kleilaag kan plaatselijk minder dik zijn geweest dan gemiddeld wordt aangenomen. De oplettendheid van Chris Zwaan heeft mooie vondsten opgeleverd, zoals de scherf met een graffito en het fragment van de braadpitsteun.

Joke Smitstraat 48 2331 MA Leiden elskoeneman@yahoo.com Dit artikel is gebaseerd op het archeologisch jaarverslag AWN Rijnstreek over 2007 en het rapport “Bodegraven Paardenburgh” dat uitgegeven zal worden als deel in de Renus Reeks.

Noten 1 Els Koeneman is werkzaam bij de Universitaire Bibliotheken Leiden als informatiespecialist. Ze is 12 jaar bibliothecaris geweest van de bibliotheek van de faculteit Archeologie in Leiden. Als kennisondersteuning in die functie heeft ze de propedeuse Archeologie gevolgd. Momenteel is ze bestuurslid van de AWN-afdeling Rijnstreek. 2 Bedeaux 2004. 3 Van der Kooij 2005. 4 Idem, en Lauwerier 2005. 5 Met betrekking tot de interpretatie van de scherf, gebaseerd op de foto, ontving ik van verschillende mensen suggesties, waarvoor mijn hartelijke dank: Loe Jacobs (Archeologie, Universiteit Leiden); Henk Versnel (Oude Geschiedenis, Universiteit Leiden); Dé Steures (Classicus, Leiden); Bouke van der Meer (Archeologie, Universiteit Leiden); Ton Derks (Archeologie, Vrije Universiteit Amsterdam); Rien Polak (Radboud Universiteit Nijmegen). 6 Weiss-König 2010 en Van der Werff 1989. 7 Kajanto 1965. Literatuur Bedeaux, D.G., 2004: Plangebied bedrijventerrein Rijnhoek, gemeente Bodegraven; een inventariserend onderzoek (verkenning en kartering) en onderzoek Romeinse weg. RAAP Rapport 1018, Weesp. Grinsven, P. van, 2013: Bodegraven Paardenburgh. Renus Reeks 7 (in voorbereiding). Kajanto, I., 1965: The Latin cognomina. Commentationes Humanarum Litterarum 36: 2, Helsinki. Kooij, D. van der, S. Sprey, M. Dijkstra en H. Postma, 2005: Romeinen in Bodegraven. Westerheem 54, 275-306. Kooij, D. van der, 2008: Jaarverslag archeologisch veldwerk, AWN afdeling Rijnstreek. Renus 2008: 1, 15-21. Lauwerier, R.C.G.M., 2005: Bot uit Romeins Bodegraven. In: Romeinen in Bodegraven. Westerheem 54, 300-306. Weiss-König, S., 2010: Graffiti auf römischer Gefässkeramik aus dem Bereich der Colonia Ulpia Traiana/Xanten. Xantener Berichte 17, Mainz am Rhein. Werff, J. van der, 1989: Sekundäre Graffiti auf römischen Amphoren. Archäologisches Korrespondentzblatt 19, 361-376.

304

|

Romeinse bodemvondsten in oude sloten bij boerderij Paardenburgh in Bodegraven

06-2013 binnenwerk.indd 304

02-12-13 10:06


De terugkeer van de Romeinse Zwammerdamschepen naar hun oorsprong Tom Hazenberg en Bert Zandbergen1

In de jaren 70 werd in Zwammerdam door de Universiteit van Amsterdam onder leiding van Jan Kees Haalebos op het terrein van de zorginstelling die tegenwoordig Ipse de Bruggen heet, op het Landgoed De Hooge Burch, een Romeins castellum, Nigrum Pullum, opgegraven. Bij de daarop volgende bouw van enkele paviljoens kwam een aantal houten schepen uit de Romeinse periode aan het licht, namelijk drie boomstamkano’s (Zwammerdam 1, 3 en 5) secundair gebruikt als visbun en drie grote (20-30 meter) platboomde vaartuigen (Zwammerdam 2, 4 en 6). Destijds was het voor dit laatste type schip een wereldprimeur. In de jaren hierna werden dergelijke schepen aangetroffen in Woerden, Leidsche Rijn, Kerk-Avezaath en Druten, en daarnaast ook in andere West-Europese landen. De Zwammerdam-schepen vormden het promotieonderzoek van Maarten de Weerd2 en hun roem reikte zover dat dit scheepstype wereldwijd de naam van de vindplaats meekreeg: het “Zwammerdam-type”.

Na de gebruikelijke archeologische vastlegging rees de vraag: wat nu te doen met de schepen? In het geval van deze bijzondere schepen waarvoor veel (inter-)nationale belangstelling was, en die vereerd waren met veel landelijke publiciteit en twee koninklijke bezoeken, was afvoeren geen optie. Er werd geld ingezameld om de schepen te conserveren en tentoon te stellen. Wat is daar nu - 40 jaar na dato - van terechtgekomen? De drie kano’s zijn door de voorgangers van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geconserveerd met polyethyleen glycol (PEG); twee daarvan vormen deel van de tentoonstelling in de expositieruimte van de RCE in Lelystad. De drie grote platbodems zijn voor het grootste deel geconserveerd en liggen opgeslagen in containers (afb. 1).

Afb. 1 Een Zwammerdam-schip voor de wal bij Laurium, het fort in Woerden. Illustratie: Mikko Kriek.

De terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen naar hun oorsprong

06-2013 binnenwerk.indd 305

|

305

02-12-13 10:06


de hele Nedergermaanse limes, van Katwijk tot de regio Bonn, initiatieven ontwikkeld om het Romeinse erfgoed beter zichtbaar te maken en toeristisch te ontsluiten. In Nederland zijn de Limes Initiatief Groep (het Rijk en de drie limes provincies) en Limissie (kleinschalige lokale projecten) actief in de begeleiding en medefinanciering van projecten. Hun doel is te komen tot een groter publieksbereik voor de Romeinse limes.

Afb. 2 Yardeni Vorst vertelt over haar onderzoek aan Bert Zandbergen, Sarah-Jane Nogarede, Krijn Boom, Maarten de Weerd en Wouter Vos. Op de vloer van de tent in Lelystad liggen de geconserveerde resten van de Zwammerdam 2, de naamgever van  het scheepstype. Foto: Tom Hazenberg.

Naar aanleiding van de recente ontdekkingen van de platbodems De Meern 1 en de Woerden 73 zijn de Zwammerdamschepen opnieuw het onderwerp van wetenschappelijke studie: het NWO deelproject Barges of the Zwammerdam type: chronology, provenance, construction, wood technology and use. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door Yardeni Vorst met hulp van Jaap Morel. Daartoe is het hout van de Zwammerdam 2 uitgelegd in een tijdelijke – niet voor het publiek toegankelijke - tent op het RCE-terrein in Lelystad. In de jaren 80 is in het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam een tijdlang gewerkt aan de assemblage van dit schip. Dit project is afgebroken en de scheepsresten zijn toegevoegd aan de collectie van de RCE. In Duitsland (Xanten, Mainz) en Frankrijk (Arles) zijn vergelijkbare schepen tentoongesteld. In Nederland is op dit moment het fragment van het achterschip van de Woerden 7 te zien in de Romeins ‘aangeklede’ Castellumgarage in Woerden. In Leidsche Rijn in Utrecht zijn vergevorderde plannen voor het tentoonstellen van de complete De Meern 1 in het archeologisch park De Hoge Woerd. Recente ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat er opnieuw belangstelling is ontstaan voor de Zwammerdam-schepen. Vooruitlopend op een mogelijke Unesco Werelderfgoed status worden van

306

|

In dit verband hebben de AWN afdeling Rijnstreek en het archeologische adviesbureau Hazenberg Archeologie het initiatief genomen4 om een haalbaarheidsstudie uit te voeren naar de mogelijkheden genaamd: De terugkeer van de Zwammerdam-schepen naar de regio Alphen aan den Rijn/Zwammerdam. Hiervoor is samenwerking gezocht met de master studierichting Heritage Management van de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden. Aan het onderzoek werkten de stagiairs Krijn Boom en Sarah-Jane Nogarede mee (zie afb. 2). In dit onderzoek werd gesproken met de private en publieke partijen die kennis en zeggenschap hebben over en belang bij deze schepen. Het doel is om de partijen bij elkaar te brengen die - vooropgesteld dat het haalbaarheidsonderzoek enig perspectief biedt - samen verder actie kunnen ondernemen. Deze haalbaarheidsstudie wordt financieel ondersteund door de provincie Zuid-Holland. Ter ondersteuning van deze haalbaarheidsstudie wordt ook een publieksboek over de Romeinse binnenvaart en de ontdekking van de Zwammerdam-schepen uitgegeven. Inventarisatie, interviews en scenario’s Allereerst een inventarisatie van het materiaal: in hoeverre zijn de schepen beschikbaar voor assemblage en tentoonstelling? Vooral door het onderzoek van Yardeni Vorst is een helder inzicht verkregen in de toestand van de scheepsresten. Alle kano’s zijn geconserveerd. Van kano 1 is slechts het voorschip opgegraven; dit is ook geconserveerd. Van de drie grote platbodems is

De terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen naar hun oorsprong

06-2013 binnenwerk.indd 306

02-12-13 10:06


de Zwammerdam 2 het meest vergevorderd in behandeling. Dit schip is reeds tentoongesteld geweest in het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam. Momenteel wordt dit schip weer toegevoegd aan de rijkscollectie en ligt het als los hout in Lelystad. De Zwammerdam 4 en 6 zijn beide grotendeels geconserveerd, maar behoeven nog een ruime nabehandeling voordat ze geschikt zijn voor tentoonstelling. Vooral van de Zwammerdam 6 ligt nog hout in waterbakken te wachten op PEG-behandeling. De conclusie is dat het nog grote investeringen vergt voordat de drie grote platbodems gereed zijn voor expositie. Positief is echter de constatering dat na veertig jaar de spectaculaire scheepsresten nog steeds beschikbaar zijn. Daarbij is de kennis over de schepen omvangrijk en ook in te zetten voor alle mogelijke vormen van expositie. Met de kennis over de toestand van de scheepsresten waren we in staat een aantal expositiescenario’s op te stellen met de daarmee samenhangende kosteninschatting. Deze scenario’s hebben we voorgelegd aan de diverse stakeholders die zijn betrokken bij deze haalbaarheidsstudie. De scenario’s kregen de namen regular, medium, medium+ en XXL. Regular bestaat uit het tentoonstellen van één van de reeds gerestaureerde kano’s in een bestaand gebouw, aangevuld met een afbeelding van een van de grote platbodems op ware grootte. Voor de andere scenario’s is een nieuw gebouw vereist. In scenario Medium wordt de Zwammerdam 2 tentoongesteld (reeds geconserveerd, hoeft slechts geassembleerd te worden). In scenario Medium+ wordt één van de platbodems tentoongesteld die nog een gedeeltelijke conservering nodig hebben (Zwammerdam 4 of 6). In het meest ambitieuze scenario wordt een compleet museum voor een aantal Zwammerdamschepen op gezet. De kosten variëren tussen € 50.000 tot € 2,5 miljoen. Gewapend met kennis over de scheepsresten en de tentoonstellingsscenario’s is een zestal stakeholders geïnterviewd. Een

lijst met betrokken instanties en personen werd opgesteld door de studenten van de UL en in een stakeholdersanalyse verwerkt. Als betrokken publieke instanties worden gezien: de RCE, de provincie Zuid-Holland (inclusief het Erfgoedhuis) en de gemeente Alphen aan den Rijn. Private partijen zijn Ipse de Bruggen als de eigenaar van de ontdekkingslocatie, het archeologische themapark Archeon en het vogelpark Avifauna. De laatste twee zijn de grote toeristische trekpleisters in de regio. Tenslotte is ook Yardeni Vorst als vertegenwoordiger van de wetenschap geïnterviewd. Alle partijen werd gevraagd of zij wilden meewerken aan de terugkeer van de Zwammerdam-schepen, hoe zij hun rol hierin zagen, wat voor schaalgrootte van tentoonstelling zij prefereerden en of zij budget hiervoor vrij konden maken.

Afb. 3 Bij een replica van de Zwammerdam 6 in het Archeon. Van links naar rechts: Theo Toebosch, Maarten de Weerd, Bert Zandbergen en Latief Perotti. Foto: Tom Hazenberg.

De interviews verliepen positief en leidden zonder uitzondering tot veel enthousiasme bij de geïnterviewden over de mogelijkheden voor de Zwammerdamschepen. Een bijzondere constatering is dat alle partijen niet alleen sympathie hebben voor het idee van de langverwachte terugkeer van de Zwammerdam-schepen, maar iedere stakeholder zag ook profijt voor zichzelf in geval de terugkeer gerealiseerd zou worden. Zo zag de Rijksdienst in de expositie in de regio Zwammerdam een versterking van de eigen plannen voor de ontwikkeling van de nati-

De terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen naar hun oorsprong

06-2013 binnenwerk.indd 307

|

307

02-12-13 10:06


onale schepenexpositie: Batavialand. De provincie ziet in de Romeinse schepen een typisch Zuid-Hollands beeldmerk voor haar Erfgoedlijnenbeleid, de gemeente Alphen aan de Rijn wilt zich profileren als transport en logistiek centrum en heeft met de Zwammerdam-schepen een aansprekend boegbeeld. Inmiddels onderzoekt zorginstelling Ipse de Bruggen de mogelijkheden om haar Romeinse erfgoed in te zetten in de modernisering van Landgoed De Hooge Burch. Archeon is blij met elke regionale versterking van de Romeinse geschiedenis en is bereid ruimte te maken voor één van de schepen. Hoe dan ook grijpt Archeon de gelegenheid aan om de presentatie van een eigen Zwammerdam 6-replica te actualiseren (zie afb. 3). Avifauna staat positief tegenover de mogelijke groei van regionaal toerisme en is bereid tot uitwisseling van kennis en promotie. Tenslotte is ook de wetenschap positief over de hernieuwde aandacht voor de Zwammerdamschepen, zodat de opvallende onderzoeksresultaten ingezet kunnen worden voor een breder publiek en de toekomst van de scheepsresten gegarandeerd kan worden. Terugkeer in zicht Bij alle betrokkenen is het besef dat het

Noten

1 Tom Hazenberg werkt bij Hazenberg Archeologie en is lid van de AWN, Bert Zandbergen is bestuurslid van de AWN-afdeling Rijnstreek. 2 De Weerd, 1988. 3 Vos, Morel en Hazenberg, 2011. 4 Het initiatief van Hazenberg Archeologie en AWN is het resultaat van de eerste gebiedsbijeenkomst van de Limissie Leidse Ommelanden op 10 mei 2012. Limissie maakt onderdeel uit van LEADER, het programma van het Europese Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Literatuur

Vos, W.K., J-M Morel en T. Hazenberg, 2011: The Woerden 7: an oar-powered Roman barge built in the Netherlands - details on the excavation at the Nieuwe Markt in Woerden (Hoochwoert), Archaologisches Korrespondenzblatt, 41, no. 1: 101-118. Weerd, M.D. de, 1988: Schepen voor Zwammerdam: bouwwijze en herkomst van enkele vaartuigtypen in West- en Midden Europa uit de Romeinse tijd en de Middeleeuwen in archeologisch perspectief, Amsterdam.

308

|

budgettair niet eenvoudig is om een ambitieus project van de grond te krijgen. Uit het haalbaarheidsonderzoek is echter gebleken dat toch over het algemeen de meer ambitieuze scenario’s de voorkeur hebben bij de stakeholders. Een gelukkige omstandigheid is dat de Romeinse limes één van de Erfgoedlijnen van de provincie is. Bij deze instantie zijn gedrevenheid en budget om de zichtbaarheid van de limes te vergroten. Alle overige partijen zijn niet in staat om op korte termijn aanzienlijke bedragen beschikbaar te hebben. Dat betekent dat op een rustige wijze gebouwd moet worden aan een realistisch, maar ambitieus plan. Wat staat er te gebeuren? Het haalbaarheidsonderzoek is inmiddels uitgewerkt en in het bijzijn van de regionale pers gepresenteerd aan de stakeholders. Persbelangstelling voor de terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen, is noodzakelijk om in bredere kring draagvlak te ontwikkelen. Om het momentum vast te houden worden op korte termijn enige aansprekende scheepsonderdelen (de mastvoet van de Zwammerdam 4 en de unieke stuurriem) tijdelijk tentoongesteld in de regio. Het is ook reëel om te verwachten dat over twee of drie jaar één van de kano’s tijdelijk geëxposeerd kan worden in het Archeologiehuis Zuid-Holland, een samenwerkingsverband van provincie, gemeente en Archeon. De assemblage van een groot schip is een zaak van lange adem. Het is essentieel dat partijen elkaar weten te vinden en één van hen de kar wil trekken. Wat ons betreft hebben de schepen lang genoeg in de containers gezeten. Het haalbaarheidsonderzoek De terugkeer van de Zwammerdam-schepen heeft aangetoond dat we in goed gezelschap verkeren. Alle stakeholders blijken zich niet alleen verantwoordelijk op te stellen maar zelfs de terugkeer van de Zwammerdam-schepen, te omarmen. t.hazenberg@hazenbergarcheologie.nl bertzand@gmail.com

De terugkeer van de Romeinse Zwammerdam-schepen naar hun oorsprong

06-2013 binnenwerk.indd 308

02-12-13 10:06


De Merovingische nederzetting in Oegstgeest Jasper de Bruin1

Sinds 2009 voeren archeologen en studenten van de Faculteit der Archeologie van Universiteit Leiden opgravingen uit in Oegstgeest, ter hoogte van een nederzetting uit de Vroege Middeleeuwen. Er zijn sporen van bewoning aangetroffen, daterend vanaf de late 5e tot in het begin van de 8e eeuw. Dit tijdvak wordt ook wel de Merovingische periode genoemd. Hoewel het onderzoek nog gaande is, wordt in dit artikel een eerste overzicht van de opgravingsresultaten gepresenteerd, waarbij opgemerkt moet worden dat de uitspraken hierover een voorlopig karakter hebben, want er moet nog een deel van de vindplaats opgegraven worden.

In het mondingsgebied van de Oude Rijn bevinden zich veel nederzettingen uit de Merovingische periode (afb. 1).2 Een van deze nederzettingen, gelegen in Oegstgeest, werd pas relatief kort geleden ontdekt, namelijk in 1990.3 Verkennend archeologisch onderzoek werd uitgevoerd in 1998 en 2003, waarna in 2004 en 2005 opgravingen werden uitgevoerd door Archol BV. Van deze opgravingen verschenen twee rapportages.4 Ten slotte werd in het begin van 2009 op het terrein nog een opgraving uitgevoerd door ADC Archeoprojecten.5 Op basis van deze opgravingen kon worden vastgesteld dat zich op een groot deel van het terrein sporen uit de Merovingische periode bevonden. De bewoning bevond zich op de noordelijke oever van een zijtak van de Rijn. Er werden diverse gebouwplattegronden, waaronder huizen en bijgebouwen, aangetroffen, alsmede waterputten, kuilen en beschoeiingen. Het nederzettingsterrein was ingedeeld door middel van stakenrij-

en, die als hekwerken worden geĂŻnterpreteerd. Het vondstmateriaal wees op een agrarische nederzetting, met een duidelijke handelscomponent. Ook vond er artisanale productie plaats, zoals leer- en beenbewerking en de productie van glazen en barnstenen kralen. Het botmateriaal, dat veelal van jonge dieren is, wees op het verhandelen van vee. Naast bewoningsresten uit de Vroege Middeleeuwen komt sporadisch vondstmateriaal uit de Romeinse tijd voor. Het gaat hier vooral om fragmenten handgevormd aardewerk, die in het natuurlijk sediment voorkomen, wat er op kan wijzen dat de bewoning uit deze periode verspoeld is. Hiernaast is ook een nederzetting uit de 10e-11e eeuw op het terrein aanwezig. De Faculteit der Archeologie in Oegstgeest Reeds voor de opgravingen van het ADC van start gingen was de Faculteit der De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 309

|

309

02-12-13 10:06


‘Oegstgeest’ nog jaren voort zou duren, want ook in de jaren 2010 tot en met 2013 is door de Faculteit opgegraven op dit terrein. Vanaf 2011 is het project een zogenaamde onderwijsopgraving, waarbij, in samenspraak met de opdrachtgever, de gemeente Oegstgeest, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en diverse specialisten, de inzet van studenten een centrale rol heeft bij de uitvoering van het project. In 2014 zal de laatste campagne worden uitgevoerd, waarbij de nederzetting vrijwel volledig opgegraven zal zijn. Het hier gepresenteerde overzicht geeft de stand van zaken weer tot en met de campagne van 2013.

Afb. 1 Merovingische nederzettingen in een paleogeografische reconstructie van het mondingsgebied van de Oude Rijn in de Vroege Middeleeuwen. Donkerblauw is water, geel zijn de strandwallen en duingebieden, bruin de veengebieden, groen de lager gelegen kleigronden en oranje de oeverwallen langs de Rijn. De rode stippen zijn vindplaatsen van Merovingisch vondstmateriaal. Verder zijn de nederzettingsterreinen van 1. Katwijk-Zanderij, 2. Rijnsburg, 3. Valkenburg-De Woerd en 4. Oegstgeest aangegeven. Afbeelding: Dijkstra 2011, 115, Fig. 4.2. De paleogeografische ondergrond is een bewerking door Jasper de Bruin van de kaart van Van Dinter, gepubliceerd op Dans Easy (Persistent Identifier: urn: nbn: nl: ui: 13-08qf-sf ).

Archeologie benaderd om vanaf het voorjaar van 2009 eveneens een deel van het terrein op te graven. Dit kwam goed uit, aangezien ieder jaar in het kader van het eerstejaars veldpracticum, grote hoeveelheden Leidse studenten op een opgraving geplaatst moeten worden. Op dat moment was nog niet te voorzien dat de bemoeienis van de Faculteit der Archeologie met

310

|

Landschap Aan de westzijde van de nederzetting bevond zich tijdens de bewoning een vrij brede geul, die als nevengeul van de Rijn kan worden beschouwd. Vermoedelijk waren in deze periode meerdere Rijngeulen actief. Het nederzettingsterrein werd doorsneden door een stelsel van kreken en depressies, waardoor het beeld van een ‘eilandenrijk’ is ontstaan (afb. 2). Gescheiden door deze laagtes en waterlopen bevond zich de bewoning, waarbij globaal vier kernen zijn te onderscheiden. Deze kernen bevonden zich op zandige oeverwallen, die relatief hooggelegen waren. Op de ‘koppen’ van deze oeverwallen stonden de huizen, die in vrijwel alle gevallen een zuidwest-noordoost oriëntatie hadden, dus met een van de korte zijden in de heersende windrichting. De algemene indruk van het terrein is dat er hooggelegen gronden waren waarop gewoond werd, terwijl de omgeving vrij nat was. Tijdens de bewoning vond er nog sedimentatie plaats vanuit de Rijngeul en de kreken. Zeker in de winter zullen de depressies ook vol met water hebben gestaan, waardoor het lastig zal zijn geweest om de verschillende delen van de nederzetting te voet te bereiken. Bewoningskernen Om de interne geleding van de nederzetting goed te kunnen bespreken, worden de vier bewoningskernen hier, met de wij-

De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 310

02-12-13 10:06


zers van de klok mee, aangeduid met de letters A tot en met D (afb. 2). Op de kernen A, B en C komt al vanaf de late 5e en vroeg 6e eeuw bewoning voor. Het lijkt er op dat de bewoning op deze terreinen in de loop van de 7e eeuw tot een einde komt. De bewoning op kern D lijkt pas in de 7e eeuw aan te vangen om vervolgens door te lopen tot in het begin van de 8e eeuw. Bewoningskern A Bewoningskern A ligt met een zijde langs de Rijngeul, terwijl de kern aan de noorden oostzijde begrensd wordt door een openliggende kreek die in verbinding stond met de Rijn. Ten zuiden van deze kern bevond zich een grote depressie, die, getuige het aantreffen van drijfhout, regelmatig onder water stond. De oevers van de Rijngeul waren hier ter plaatse versterkt met palen- en stakenrijen. Langs het water stond een beschoeiing die tenminste twee fasen gekend heeft. Op sommige plaatsen zijn dicht op elkaar eikenhouten palen de grond in gedreven, zodat hier sprake kan zijn geweest van een kadewerk (afb. 3). Ook komen zeer lange (150 cm) palen voor, die niet direct in verband staan met de kade. Mogelijk werden deze palen gebruikt om schepen aan vast te leggen. Hier vlakbij zijn aanwijzingen gevonden voor het aanleggen van landhoofden die de drassige laagte tussen de Rijngeul en de oever moesten overbruggen. Hiertoe is op ĂŠĂŠn plaats een pakket plaggen gestort. Op deze locatie zijn ook enkele steigers gevonden, die het uiterlijk hadden van paarsgewijs geplaatste palen waartussen een dwarsligger heeft gelegen. Op deze dwarsliggers lagen vermoedelijk planken, waarover men bij het diepere water kon komen. Dichtbij de oever stond een grote tweebeukige schuur, die gefundeerd was op diep in de grond geslagen palen. Mogelijk heeft de schuur een verhoogde vloer gehad. Vermoedelijk werden hier allerlei (handels?) waren in opgeslagen. Al deze constructies langs de Rijnoever wijzen op het belang dat scheepvaart voor deze bewoningskern moet hebben gehad. Binnen deze nederzettingskern is tot nu toe, naast diverse bijgebouwen, een

volledige huisplattegrond opgegraven (afb. 4), maar het vermoeden bestaat dat er meerdere woningen hebben gestaan. Ook zijn hier diverse waterputten opgegraven, waarvan er een beschoeid is geweest met mogelijk scheepshout. Een andere put leverde een fragment houten vaatwerk op. Zeer uitzonderlijk is de vondst van twee naast elkaar begraven paarden. De paarden zijn bijgezet met hun tuigage nog aan, waardoor hier sprake kan zijn van een bijzondere depositie. Even ten noorden van de geul die hier de bewoningskern begrenst, is het graf van een kind van ongeveer vijf jaar oud gevonden (af b. 5). Afgezien van een klein stukje opgerold lood zijn er geen andere vondsten in het graf gedaan. Isotopenonderzoek heeft aangetoond dat het kind niet in de omgeving van Oegstgeest is geboren.6 Helaas kon het geslacht via DNA-onderzoek niet vastgesteld worden.7

Afb. 2 Overzicht van de opgravingen in Oegstgeest. Blauw zijn de waterlopen, geel de hoger gelegen terreinen, groen de depressies en rood de gebouwplattegronden. Met een lichtgrijze kleur zijn de lager gelegen kleigronden weergegeven. Ook zijn de bewoningskernen A tot en met D weergegeven. Afbeelding: auteur.

De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 311

|

311

02-12-13 10:06


Afb. 3 Kadewerk langs de Rijngeul bij bewoningskern A. Foto: auteur.

Afb. 4 Huisplattegrond in bewoningskern A. Het gaat om een boerderij van het type Katwijk (Dijkstra 2011, 196205). Afbeelding: auteur.

312

|

Bewoningskern B Kern B is tijdens de afgelopen opgravingscampagnes bijna volledig opgegraven. Ook hier wordt de zone met bewoning begrensd door kreken en/of laagtes, met uitzondering van de begrenzing aan de noordelijke zijde. Hoewel hier veel stakenrijen langs een restgeultje zijn aangetroffen, zijn ten noorden daarvan nog de fragmentarische resten van een huisplattegrond en een grote schuur aangetroffen. De bewoning lijkt hier aan te vangen met het uitgraven van vier huisgreppels (afb. 6). Zeker een van deze greppels is vrij snel na de aanleg door natuurlijke sedimentatie weer opgevuld. Mogelijk heeft men enige tijd last gehad van hoog water. Binnen de huisgreppels hebben waarschijnlijk huizen gestaan, waarvan tijdens het onderzoek nauwelijks paalsporen zijn aangetroffen. Dit is vooral veroorzaakt door afgraving en egalisatie van het terrein in de Late Middeleeuwen. Wel werd in een van de greppels een concentratie plaggen gevonden, die mogelijk wijst op een huisconstructie door middel van plaggenwanden. Ook werd binnen een van de huisgreppels een waterput gevonden, die vermoedelijk bij het huis hoorde en die beschoeid was door twee op elkaar gestapelde tonnen. In de put werd een houten kommetje gevonden (afb. 7). Met deze huisplaatsen kunnen diverse bijgebouwen geassocieerd worden. Vergelijkbare huisgreppels, eveneens zonder de bijbehorende gebouwen, zijn opgegraven in Kouderkerk, zo’n tien kilometer ten oosten van Oegstgeest gelegen.8 Vermoedelijk zijn in een latere fase op dit terrein minimaal twee huizen gebouwd (afb. 8). De huizen werden vergezeld van bijgebouwen en een nieuwe serie waterputten, waarvan er twee mogelijke delen

van schepen hebben opgeleverd; van een zogenaamde boomstamboot en van een plankboot. De boomstamboot is via dendrochronologie gedateerd in 612 n. Chr, +/- 7 jaar.9 Hoewel dit deel van de nederzetting een eindje van het water verwijderd was, lijkt ook hier scheepvaart enige rol van betekenis te hebben gehad. Binnen deze nederzettingskern zijn ook aanwijzingen gevonden voor metaalsmelten en de fabricage van benen kammen. Even ten noorden van de bewoningskern bevond zich een kreek, die nog tijdens de bewoning water voerde. Ten noorden van deze kreek werden twee inhumatiegraven aangetroffen. De graven bevatten twee vrouwen, waarvan er een tussen de 18 en 25 jaar en de ander tussen de 40 en 50 jaar oud geworden is. Beide dames waren begraven met een keur aan kledingaccessoires, waarbij vooral de kralenketting van de oudere vrouw in het oog springt (afb. 9). Aangezien al eerder een menselijke begraving werd aangetroffen ten noorden van dit geultje en omdat de menselijke begravingen vergezeld gingen van minimaal drie hondengraven, werd verondersteld dat zich hier wellicht het grafveld van de nederzetting zou bevinden. Om dit uit te sluiten is in 2013 een groot deel van dit terreindeel vlakdekkend opgegraven. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een grafveld. Bewoningskern C In het oosten van het terrein is bewoningskern C gelegen. Deze kern wordt begrensd door een kreek aan de noordzijde en een depressie aan de westzijde. De bewoning heeft vermoedelijk verder doorgelopen naar het oosten, maar wordt hier afgedekt door de doorgaande weg A44. Een flink deel van dit terrein is helaas zonder archeologisch onderzoek overbouwd. We moeten het dus doen met de delen die wel opgegraven konden worden. Binnen deze kern zijn een tweetal oversnijdende huisplattegronden opgegraven, alsmede twee bijgebouwen. Verder leverde het terrein vooral veel grote kuilen en enkele waterputten op. De bewoning lijkt in de loop van de 7e eeuw op te houden. Op een

De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 312

02-12-13 10:07


later moment, vermoedelijk in de 10e-11e eeuw, werden op de rand van de depressie ten westen van deze bewoningskern een aantal boerderijen met een bijgebouw neergezet. Ook enkele waterputten kunnen met deze bewoning geassocieerd worden. Het is opvallend dat deze latere bewoning zo dicht op de depressie geplaatst is. Dat men last had van het water, blijkt ook uit de vele greppels die hier zijn aangetroffen. Wellicht heeft men bewust voor deze locatie gekozen om zo meer hoge grond, waarop ook de Merovingische bewoning lag, uit te sparen voor akkerbouwdoeleinden.

met houtsnippers. Mogelijk dienden deze uitgravingen als landingsplaats voor schepen of zelfs als scheepshelling. Op een bepaald moment is de Rijngeul voor een groot gedeelte verland, waarna een oversteekplaats over de restbedding is geconstrueerd. Mogelijk heeft dit in het begin van de 8e eeuw plaatsgevonden.10 Binnen deze bewoningskern werd een grote hoeveelheid waterputten aangetroffen. Twee van deze putten verdienen nadere aandacht. De eerste put was beschoeid met een houten ton, waarop kuipersmerken zijn aangebracht (afb. 10). Het lijkt eerder om analfabetische merktekens te gaan dan om een duidelijke tekst. De tweede put, die eveneens met een ton beschoeid was, leverde twee leren schoenen op, waarbij ook een zeldzaam inkijkje in de schoenmode van die tijd mogelijk is. Het is mogelijk dat deze schoenen ter plekke zijn gemaakt, want bij de opgravingen in 2004 werden twee uiterst zeldzame schoenleesten gevonden.11

Afb. 5 Graf van een kind van ongeveer 5 jaar oud. Foto: auteur.

Bewoningskern D Deze bewoningskern wordt in het westen begrensd door de Rijngeul en in het noorden en oosten door een brede depressie. De bewoning heeft zeker verder doorgelopen naar het zuiden, maar de aanwezigheid van de A44 met op- en afritten zal dit deel van het terrein verstoord hebben. Binnen deze kern zijn een serie huisplattegronden met bijgebouwen aangetroffen, die alle vrij dicht bij elkaar liggen. De gebouwen zullen niet allemaal tegelijk in gebruik zijn geweest, maar het geheel lijkt dicht bebouwd te zijn geweest. Langs de Rijngeul zijn hier over grote afstand (zeker 200 m) beschoeiingen aangetroffen, waarbij ook delen als kadewerk gediend kunnen hebben. Op vier plaatsen is geconstateerd dat de oever van de Rijngeul is uitgegraven, waardoor een veel geleidelijker talud ontstond richting het water. Op één locatie is vastgesteld dat de bodem van deze uitgraving bekleed was

Vondstmateriaal Tijdens de opgravingen zijn grote hoeveelheden vondsten verzameld. Het merendeel betreft dierlijk botmateriaal, waarbij vooral de relatief goede vertegenwoordiging van varkensbotten opvalt. Isotopenonderzoek, uitgevoerd op deze botten, toont aan dat een deel van de varkens geïmporteerd is.12 Een deel van het dierlijk botmateriaal is bewerkt: vooral de fraai versierde kammen springen hierbij in het oog (afb. 11). Aardewerk is in veel

Afb. 6 Een van de omgreppelde huisplaatsen in bewoningskern B. Foto: auteur.

Afb. 7 Houten kommetje met handvat uit de waterput. Foto: Restaura, Haelen; bewerking: auteur. De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 313

|

313

02-12-13 10:07


Afb. 8 Huisplattegronden in bewoningskern B. Beide plattegronden kunnen onder het huistype Katwijk geschaard worden. De onderste plattegrond zal bij de campagne van 2014 verder opgegraven worden. Afbeelding: auteur.

Afb. 9 Kralensnoer om de nek van het skelet van de vrouw, die tussen de 40 en 50 jaar oud is geworden. Foto: auteur.

314

|

mindere mate aangetroffen en het vormenspectrum is vrij beperkt: vooral ruwwandige, tonvormige potten en een enkele maal kruiken en kommen. Scherven van knikwandpotten zijn zeldzaam. Wel is op enkele plaatsen redelijk wat handgevormd aardewerk verzameld, zoals in bewoningskernen A en C. De slechte vertegenwoordiging van keramisch vaatwerk kan voor een deel verklaard worden aan de hand van het gevonden houten vaatwerk: waarschijnlijk was een aanzienlijk deel van het servies van hout.13 Overige vondstcategorieën zijn zeldzamer. Zo komt glas weinig voor, hoewel er redelijk wat kralen zijn aangetroffen. Metaalvondsten zijn door het ontbreken van een vondstenlaag en de slechte conserveringsomstandigheden in de klei ronduit zeldzaam. Kenniswinst Het belang van de opgravingen in Oegstgeest ligt vooral in het feit dat vrijwel de gehele nederzetting onderzocht kan worden. Op deze manier kan wellicht inzicht verkregen worden in het belang van handel voor dit soort nederzettingen en of er sprake is van hiërarchie tussen de verschillende kernen. Ook kan gekeken worden of er sprake is van een lokale elite, of dat de inkomsten uit de handel gelijkmatig verdeeld werden over de afzonderlijke huishoudens. Hiermee kan de vindplaats als model dienen voor andere sites in de

regio, maar kan er ook een vergelijking worden gemaakt met de in Leidsche Rijn (Utrecht) gelegen nederzetting A2.14 Een ander belangrijk element is de opgraving als onderwijslocatie (afb. 12). Studenten leren archeologisch veldwerk op een project waar zij geconfronteerd worden met diverse archeologische situaties, zoals het uitprepareren en documenteren van houten beschoeiingen, het opgraven in meerdere vlakken en het couperen van diverse sporen. Een bijkomend voordeel is dat vrijwel alle sporen met de hand worden uitgegraven. Omdat de uitwerkingstermijn van de opgravingen in Oegstgeest kon worden verruimd tot twee jaar na de laatste campagne kunnen studenten vaak in het vervolg van hun studie aan de slag met de door henzelf verzamelde gegevens. Zo verschenen er al scripties over visresten, botten van katten en Merovingisch aardewerk. Als in 2016 de uiteindelijke rapportage verschijnt, is het de verwachting dat vrijwel alle vondstcategorieën grotendeels zijn uitgewerkt. In combinatie met de opgegraven sporen kan zo een volledig beeld van de Merovingische nederzetting van Oegstgeest worden gepresenteerd. En tot slot: Mocht u een account bij Facebook hebben: zoek dan eens op Opgraving Oegstgeest. Hier vindt U een grote hoeveelheid foto’s van de opgraving tot nu toe. Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden Postbus 9515, 2300 RA Leiden j.de.bruin@arch.leidenuniv.nl

Afb. 10 Waterput met ton in bewoningskern D. Inzet: de kuipersmerken op de ton. Foto: auteur.

De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 314

02-12-13 10:07


Afb. 11 Versierde kammen uit Oegstgeest (lengte schaalbalk 5 cm). Foto: auteur.

Afb. 12 Veldteam met staf en studenten van de campagne in 2013. Foto: auteur/Epko Bult.

Noten 1 Jasper de Bruin is docent Praktijkopleiding en Provinciaal-Romeinse archeologie aan de Faculteit der Archeologie van de Universiteit Leiden. 2 Dijkstra 2011 85, Fig. 3.6; idem, 88. 3 Hessing 1992, 103-109. 4 Hemminga & Hamburg 2006; Hemminga et al. 2007. 5 Jezeer 2011. 6 Kootker & Altena 2011.

7 Kootker & Altena 2011. 8 Grinsven & Dijkstra 2005. 9 RING Intern Rapport nummer 2011009. 10 De Bruin 2010, 24. 11 Groenman-Van Waateringe 2006, 94-95. 12 Kootker & Altena 2011. 13 De Bruin 2009, 36 14 Nokkert e.a. 2009.

Literatuur Bruin, J. de, 2009: Oegstgeest /Nieuw Rhijngeest, in: Archeologische Kroniek van Zuid-Holland, 41e jaargang, 2009, 35-36. Bruin, J. de, 2010: Oegstgeest / Nieuw Rhijngeest, in: Archeologische Kroniek van Zuid-Holland, 42e jaargang, 2010, 23-26. Dijkstra, M.F.P. 2011: Rondom de mondingen van Rijn & Maas. Landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek. Academisch Proefschrift, Amsterdam. Grinsven, P.F.A. van & M.F.P. Dijkstra 2005: De Vroeg-Middeleeuwse nederzetting te Koudekerk aan den Rijn. Een bijna vergeten opgraving in de Lagewaardse polder, (Renus reeks 1), Leiden. Groenman-Van Waateringe, W., 2006: Houten schoenleesten, in: M. Hemminga & T. Hamburg, 2006: Een Merovingische nederzetting op de oever van de Oude Rijn. Opgraving (DO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO) Oegstgeest - Rijnfront zuid 2004, (Archol rapport 69), Leiden, 94-95. Hemminga, M. & T. Hamburg, 2006: Een Merovingische nederzetting op de oever van de Oude Rijn. Opgraving (DO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO) Oegstgeest - Rijnfront zuid 2004, (Archol rapport 69), Leiden. Hemminga, M., T. Hamburg, M. Dijkstra, C. Cavallo, S. Knippenberg, S.M.E. van Lith, C.C. Bakels & C. Vermeeren, 2007: Vroeg Middeleeuwse nederzettingssporen te Oegstgeest. Een Inventariserend Veldonderzoek en Opgraving langs de Oude Rijn, (Archol rapport 102), Leiden. Hessing, W.A.M., 1992: Bewoningssporen uit de Vroege Middeleeuwen op de grens van Leiden en Oegstgeest. In: L. Barendregt & H. Suurmond-van Leeuwen (red.). Bodemonderzoek in Leiden 13-14, Leiden, 102-109. Jezeer, W. (ed.), 2011: Oegstgeest Nieuw Rhijngeest-Zuid, een Merovingische nederzetting aan de Rijnmonding. Een archeologische opgraving, (ADC ArcheoProjecten rapport 2054), Amersfoort. Kootker, L. & E. Altena, 2011: Bioarcheologisch onderzoek aan een kinderskelet uit Oegstgeest, plangebied Nieuw Rhijngeest-Zuid – SL Plaza, (Instituut voor Geo- en Bioarcheologie Rapport 2011-07), Amsterdam. Nokkert, M., A.C. Aarts & H.L. Wynia, 2009: Vroegmiddeleeuwse bewoning langs de A2. Een nederzetting uit de zevende en achtste eeuw in Leidsche Rijn, (Basisrapportage Archeologie 26), Utrecht.

De Merovingische nederzetting in Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 315

|

315

02-12-13 10:07


Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest Leo den Hollander1

De eerste aanwijzingen voor vroegmiddeleeuwse bewoning in het zuidwestelijke deel van de gemeente Oegstgeest werden in 1991 aangetroffen tijdens graafwerkzaamheden nabij de nieuwe afslag van de A44 voor de S4.2 Ter plaatse werden meerdere grondsporen aangetroffen. Een daarvan bevatte uitsluitend gedraaid Merovingisch aardewerk, dateerbaar rond 600 na Chr. In het aangrenzende plangebied NieuwRhijngeest werd door Archol zowel in 2004 als 2006 tijdens inventariserende veldonderzoeken de aanwezigheid van een uitgebreide nederzetting uit de Merovingische periode vastgesteld. Ook tijdens de campagne van het ADC (2009) werden dergelijke archeologische sporen aangetroffen. In 2010 werd tijdens een veldverkenning (direct achter de werkput van het ADC) door een lid van de AWN-Rijnstreek in het talud van een nieuw gegraven sloot een donkere verkleuring waargenomen (afb.1). Op basis van de omvangrijke hoeveelheid huttenleem en houtskool dat aan het oppervlak werd aangetroffen, was het niet ondenkbaar dat hier een afvalkuil of waterput van de vroegmiddeleeuwse nederzetting was aangesneden. Na deze constatering werd de vondst aangemeld bij het bevoegd gezag, de gemeente Oegstgeest. Na toestemming van alle belanghebbenden werd in juni 2012 door de AWN-Rijnstreek een beperkte opgraving georganiseerd met als doel inzicht te verkrijgen in de functie en datering van het grondspoor

De nederzetting ligt op kronkelwaardafzettingen van de grofweg noord-zuid georiënteerde geul van de Oude Rijn. Ter plaatse bestaat de ondergrond uit een dik pakket gelamineerd zand, doorspekt met kleilaagjes. De hogere zandruggen vormden een ideale droge woonlocatie waarop zich in de Vroege Middeleeuwen een aanzienlijke nederzetting ontwikkelde. De streek rond de monding van de Oude Rijn was een van de vijf clusters3 langs de Hollandse kust waar vroegmiddeleeuwse bewoning zich concentreerde. In deze

316

|

omgeving zijn zowel in Oegstgeest, Rijnsburg, Valkenburg, als op de locatie De Zanderij te Katwijk aan den Rijn nederzettingssporen uit deze periode vastgesteld. Tevens werd stroomopwaarts in Leiderdorp en Koudekerk aan den Rijn vroegmiddeleeuwse bewoning aangetroffen. De functie van het grondspoor ontrafeld Aangezien er voor het onderzoek slechts één dag beschikbaar was, werd het onder-

Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 316

02-12-13 10:07


Afb. 1 Werkputten Nieuw-Rhijngeest Zuid 2004/2006/2009. Bron: ADC Archeoprojecten. Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 317

|

317

02-12-13 10:07


Afb. 2 Vulling en insteek in het vlak. Bron: auteur.

Afb. 3 Het resterende onderste deel van de waterput. Bron: auteur.

Afb. 4 Aanzicht van de hoepelbanden en steunconstructie. Bron: auteur.

318

|

zoek onder de nodige tijdsdruk uitgevoerd. In dit licht was de hulp van de graafmachine van Archol onmisbaar. In korte tijd werd voor het spoor een ruime werkput gegraven. Gezien de situering zo direct tegen de slootwand kon het grondspoor uitsluitend vanuit de zuidelijke wand van de werkput worden benaderd (afb. 2). Al snel na het verwijderen van de insteek werden de eerste houten duigen van een ton zichtbaar. Uiteindelijk bleek het te gaan om het complete onderste gedeelte van een ronde houten tonput (afb. 3). Het gedeelte van de ton dat boven het grondwater heeft gelegen, was geheel vergaan. De onderzijde van de bodemloze ton was tot in een watervoerende zandlaag (1.60 m -NAP) ingegraven. Hieruit kan worden afgeleid dat het hier een waterput van het type 2 betreft. 4 Bij deze uitvoering was voor de ronde putconstructie gebruik gemaakt van een oud (wijn)vat. De wand van ‘ons’ exemplaar bleek te zijn samengesteld uit achttien duigen van eik, bijeengehouden door drie hoepelbanden. Nadat de waterput in onbruik was geraakt heeft deze mogelijk enige tijd onafgedekt open gelegen. Deze veronderstelling is gebaseerd op de dikke laag takjes en houtsplinters, die zich op de bodem van de put heeft opgehoopt. In deze vulling zijn fragmenten aardewerk, houtskool en slachtafval aangetroffen. Kennelijk is de in onbruik geraakte waterput korte tijd als ‘afvalput’ gebruikt, of het afval is vanaf het toenmalige loopvlak in de put geraakt. Op enig moment is de kuil volgestort met een mengsel van vervuilde kleibrokken, houtskool en huttenleem. Om inzicht te krijgen in de samenstelling van de botanische macroresten zijn uit de onderste vulling drie monsters genomen. Wim Kuijper van de Universiteit Leiden heeft deze monsters onderzocht. Door de achterliggende sloot kon de tonput uitsluitend vanaf de voorzijde worden uitgeprepareerd. Na het verwijderen van de duigen onderscheidden wij een niet alledaags beeld van de plaatsing van de hoepelbanden, namelijk aan de binnen-

Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 318

02-12-13 10:07


zijde in plaats van aan de buitenzijde van de ton (afb. 4). Opmerkelijk zijn de restanten van vier aangepunte eikenhouten duigen die in verticale positie direct achter de ton zijn aangetroffen (afb. 5 en 6). Het is niet uitgesloten dat deze in oorsprong langere duigen tijdens het graven van het instabiele onderste deel van de putwand zijn aangebracht/ingeslagen om deze te verstevigen. Het is ook goed denkbaar dat deze zijn gebruikt als fixatiemiddel bij het plaatsen van de bodemloze ton in het putgat. Hoepelbandverbindingen De afzonderlijke duigen van de tonconstructie werden bijeengehouden door drie hoepelbanden. Hiervan zijn drie onderdelen/segmenten teruggevonden (afb. 7). Veelal werden deze vervaardigd uit takken van een tamme kastanje (Castanea sativa) of hazelaar (Corylus avellana). Hiertoe werden deze in de lengte gesplitst en op lengte afgesneden. Voor de verbinding werden aan de uiteinden haakse insneden gemaakt. Deze werden vervolgens in elkaar gehaakt en omwonden met reepjes wilgenbast (Salix). Op deze wijze ontstond een solide verbinding. Bij een van de duigen (duig 15) waren opvallend twee ronde gaten (ca. 2 cm) op betrekkelijk korte afstand van elkaar in de lengterichting aangebracht (afb. 8). Deze dienen als mogelijke tapof spongaten te worden geĂŻnterpreteerd. Het spongat werd gebruikt bij het vullen van het vat, na gebruik werd de opening afgesloten met een houten stop. Vondstmaterialen Voor het dateren en omschrijven van individuele vormen van het Merovingische aardewerk zijn in het verleden enkele classificatiesystemen opgezet.5 Deze systemen zijn echter gebaseerd op grafveldonderzoek en als zodanig weinig toepasbaar voor nederzettingsaardewerk. Menno Dijkstra heeft voor de niet-gepubliceerde uitwerking van de opgraving Rijnsburg-abdijterrein een onderverdeling gemaakt van randfragmenten afkomstig van ruwwandige kookpotten

Afb. 5 Gereconstrueerd bovenaanzicht tonput. Bron: auteur.

Afb. 6 Dwarsdoorsnede c-d. Bron: auteur.

Afb. 7 Hoepelbandverbindingen. Bron: auteur.

Afb. 8 Duigfragment, lengte 13 cm. Bron: auteur. Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 319

|

319

02-12-13 10:07


Afb. 9 Ruwwandige Merovingische randfragmenten uit de waterput. Bron: auteur.

die in de regel in West-Nederland worden aangetroffen.6 VerifiĂŤring met deze tabel levert voor de randfragmenten uit de waterput een datering tussen 525 en 700 n. Chr. op. In de opvulling van de put werd het incomplete deel van een bronzen of messing gordelbeslag aangetroffen (afb. 10). Het betreft hier het gevorkte deel waaraan het (lederen?) riemgedeelte van de gordel met twee bronzen klinknagels werd vastgezet. Oranjeroodgekleurd huttenleem ontstaat wanneer leem door vuur wordt verhit. Veelal zijn brokken huttenleem die tijdens opgravingen worden aangetroffen afkomstig van vlechtwerkconstructies van gebouwen die door brand zijn verwoest. Onder invloed van de hoge temperatuur die zich tijdens de brand ontwikkelde, werd de gedroogde klei van de

wandconstructie enigszins gebakken. Karakteristiek voor deze vlechtwandfragmenten zijn de afdrukken van houten staken waarover de klei (in meerdere lagen) werd aangebracht. Op basis van de dikte van de staken (1 tot 1,5 cm) is het aannemelijk dat de wanden beperkt van hoogte zijn geweest. Een van de fragmenten is op basis van de zwartgeblakerde binnenzijde mogelijk afkomstig van een (veld?)oven. Verder zijn twee kleibrokken zo heet geworden dat ze zijn gesinterd en plaatselijk verglazing vertonen. Vermeldenswaardig is het opmerkelijk grote (20 x 12 x 10 cm) fragment dat enigszins snuitvormig is gevormd; de (gladde) achterzijde lijkt te zijn afgewerkt/gestreken (afb. 11). Opmerkelijk is het ontbreken van een vlechtwerkconstructie als ondersteuning van het dikke kleipakket. Het is niet uitgesloten dat dit fragment is aangebracht als opvulling/afwerking tussen

Afb. 10 Het gordelbeslag, lengte 3 cm. Bron: auteur.

320

|

Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 320

02-12-13 10:07


twee naast elkaar geplaatste staanders van een (huis?)constructie. Deze veronderstelling is gebaseerd op de lipvormige dwarsdoorsnede van het fragment, die ontstaat wanneer de ruimte tussen/voor twee ronde staanders met klei wordt opgevuld (afb. 12 en 13). De opvulling blijkt laagsgewijs vanuit de staanders te zijn opgebouwd. Bij deze werkwijze fungeren de staanders als steunconstructie voor het relatief dikke kleipakket. In totaal zijn twee fragmenten van een vlakke Romeinse daktegel (tegula) aangetroffen. Op ĂŠĂŠn exemplaar zijn mortelresten aanwezig. Het ligt voor de hand dat het bouwmateriaal afkomstig is van het nabijgelegen castellum in Valkenburg. Slot Door middel van een noodopgraving is vastgesteld dat het grondspoor de afteke-

Afb. 11 Bovenaanzicht van het lipvormige fragment huttenleem. Bron: auteur.

ning van een houten waterput betreft. Aardewerkvondsten dateren deze tussen ca. 525 en 700 n. Chr. Tijdens de opgraving van 2004 zijn in het terrein ten noorden van de waterput vier woonstalhuizen (huis 1 t/m 4 ) van het type Odoorn B (600-700) en C (700-900) aangetroffen.7 De afstand tussen de waterput en huis 1 bedraagt ca. 20 m. Door deze relatief grote afstand is het onzeker of de bewoners van dit huis voor hun (drink)watervoorzienig deze waterput hebben gebruikt. Gezien de vroegmiddeleeuwse sporen die

Afb. 12 Huttenleem als opvulling (hypothese) . Bron: auteur.

Afb. 13 Dwarsdoorsnede huttenleem. Bron: auteur. Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 321

|

321

02-12-13 10:07


in 1991 buiten het huidige opgravingsterrein zijn aangetroffen, lijkt het voor de hand te liggen dat de nederzetting zich in zuidelijke richting (onder de A44) voortzet. Op basis van bovenstaande gegevens is de waterput te duiden als zijnde onderdeel van de Merovingische nederzetting. Een woord van dank aan Jasper de Bruin voor de bereidwillige assistentie bij het

graven van de werkput. Wim Kuijper wil ik danken voor de uitvoering en verslaglegging van het botanisch onderzoek. Het volledige botanische verslag is op de website van de AWN-Rijnstreek beschikbaar.

Coornhertstraat 55 2332 AP Leiden Leo.denhollander@ziggo.nl

Noten 1 Leo den Hollander is lid van de AWN-Rijnstreek. 2 Hessing 1992, 103-109. 3 Bazelmans et al, 2004. 4 Hemminga & Hamburg 2006, 38; 5 Böhner 1958; Nieveler en Siegmund 1999; Müssemeier 2003. 6 Dijkstra 2006, 62. 7 Hemminga & Hamburg 2006, 22. Literatuur Bazelmans, J., M. Dijkstra en J. de Koning, 2004: Holland during the first millenium, in: M. Lodewijckx (ed.), Bruc Ealles Well. Archaeological essays concerning the peoples of North-West Europe in the first millennium AD (Acta Archaeologica Lovaniensia Monographiae 15), Leuven, 3-36. Böhner, K., 1958: Die fränkische Altertümer des Trierer Landes. Germanische Denkmäler der Völkerwanderungszeit, Serie B, Die fränkische Alterümer des Rheinlandes 1, Berlijn. Brinkkemper, e.a., 2011: Romeinse villa en Merovingisch grafveld Borgharen-Pasestraat. Onderzoek 2008-2009, Amersfoort. Dijkstra, M.F.P., 2006: Randindeling ruwwandige kookpotten uit de Merovingische periode voor West-Nederland, gebaseerd op de opgraving Rijnsburg-Abdijterrein, Amsterdam. Hemminga, M., & T. Hamburg, 2006: Een Merovingische nederzetting op de oever van de Oude Rijn (Archol-rapport 69), Leiden. Hemminga, M., 2008: Vroegmiddeleeuwse nederzettingssporen te Oegstgeest (Archol-rapport 102), Leiden. Hessing, W.A.M., 1992: Bewoningsporen uit de vroege Middeleeuwen op de grens van Leiden en Oegstgeest, in: Bodemonderzoek in Leiden 13-14, Leiden, 103-109. Houbrechts, D., & M. Pieters, 1996: Tonnen van Raversijde (Oostende, prov. West-Vlaamderen): een goed gedateerd verhaal over water- en andere putten, in: Archeologie in Vlaanderen 1995/1996, 225-261. Jezeer,W., 2009: Evaluatie Definitief Archeologisch Onderzoek Oegstgeest Nieuw Rhijngeest-Zuid, s.l. Müssemeier, U., e.a., 2003. Chronologie der merowingerzeitlichen Grabfunde vom linker Niederrhein bis zur nördlichen Eifel. Keulen. Nieveler, E. & F. Siegmund, 1999: The Merovingian chronology of the Lower Rhine area: results and problems, in: J. Hines, K. Høilund Nielsen & F. Siegmund (eds.), The Pace of Change. Studies in Early Medieval Chronology. Spelde, J. van, 2012: Merovingische tonpotten in West-Nederland. Een vroegmiddeleeuws gebruiksvoorwerp in context. Leiden. Waelput, W., 2004: Eer het vat in duigen valt, Antwerpen/Apeldoorn.

322

|

Een vroegmiddeleeuwse waterput te Oegstgeest

06-2013 binnenwerk.indd 322

02-12-13 10:07


Oegstgeest-Rijnfront Botanisch onderzoek van een waterput uit de Merovingische tijd Wim Kuijper1

In juni 2012 is er door de AWN-afdeling Rijnstreek een archeologisch onderzoek verricht op een terrein langs de noordoever van de Oude Rijn, direct ten westen van de rijksweg A44 in de gemeente Oegstgeest. Het onderzochte terrein sloot aan op een opgraving van de Faculteit der Archeologie van Universiteit Leiden. Door voorafgaand onderzoek bleken in het gebied vroegmiddeleeuwse bewoningsresten aanwezig. De waarnemingen geven aan dat het om een nederzetting uit de Merovingische tijd (6e–7e eeuw) gaat. Het hier behandelde onderzoek gaat over de plantenresten die in een circa 26 cm dikke laag onderin een waterput werden aangetroffen. Deze waterput was van een eikenhouten (wijn?) vat gemaakt, waaruit de bodem was verwijderd. De planten geven een indruk van de begroeiing in de omgeving van de nederzetting. Tevens waren we benieuwd of er plantensoorten aanwezig waren die door de mens werden gegeten. Voor het onderzoek van de plantaardige macroresten zijn er drie monsters uit de onderste opvulling van de waterput (AWN put 1, vlak 1: monster 6, 10 en 11) op verschillende dieptes verzameld. De monsters zijn in het veld in plastic verpakt. Op het archeobotanisch laboratorium van de Faculteit der Archeologie in Leiden is hiervan 0,5 tot 1 liter materiaal met behulp van een set zeven met kraanwater gespoeld. De zaden (en soms andere plantenresten) zijn met behulp van een vergelijkingscollectie en literatuur gedetermineerd. Het volgende materiaal is geanalyseerd: – Monster 6 (154 cm – NAP) bestond uit

één liter venig materiaal met klei en zand en veel grove en fijne plantenresten. Het resultaat na het zeven bestond uit vele tientallen stukjes hout, tak, schors e.d. (tot 10 cm lang), enkele tientallen stukjes houtskool en enkele stukjes stengel en mos. Aan dierenresten waren er enkele insecten, cocons en stukjes (vis)bot aanwezig. – Monster 10 (138 cm – NAP) bestond uit één halve liter venig gelaagd materiaal (mest?). Het resultaat na het zeven bestond uit enkele stukjes houtskool, hout en schors, honderden stukjes stengel (riet), tientallen stukjes mos, veel fijOegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 323

|

323

02-12-13 10:07


Afb. 1 Oegstgeest – Rijnfront. Walnoot (grootste fragment), hazelnoot (kleinste fragment) en druivenpit uit monster 6. Foto: auteur.

ne plantenresten en tientallen foraminiferen (eencelligen uit zee met een kalkskelet). De dierenresten bestonden uit vele tientallen (vliegen?)cocons en een werveltje. – Monster 11 (164 cm – NAP) bestond uit één liter gemengde klei en venig materiaal. Het resultaat na het zeven bestond uit veel grove en fijne plantenresten, vele tientallen stukjes tak, schors, stengel en houtskool, enkele stukjes mos en weinig foraminiferen. Onder de dierenresten bevonden zich enkele schelpen, insecten, bot, pissebed, en enkele cocons van regenwormen. Resultaat Alle aangetroffen plantensoorten zijn in een tabel genoteerd. De meeste zaden waren goed geconserveerd (afb. 3) en daardoor goed te determineren. Zo zijn er bij de zuringzaden veel vruchtkleppen, bij de biezen perianthen, zegges in urntjes, zeeweegbree met kapsels, enkele zaaddozen rus en fragmenten zaaddoos van melkkruid. De grondmonsters bevatten zeer grote aantallen zaden van diverse soorten russen (Juncus sp.). Deze zijn niet op naam gebracht. Gekweekte en verzamelde soorten Evenals tijdens eerder onderzoek van hetzelfde gebied zijn er opvallend weinig cul-

324

|

tuurgewassen aangetroffen.2 Tijdens dit onderzoek werden enkele stukjes roggekaf, een half zaadje van lijnzaad (vlas), één pit van een druif (afb. 1) en twee kleine dopfragmenten van walnoot (afb. 1) gedetermineerd. Mogelijk is het graan en het lijnzaad in de omgeving verbouwd. Rogge is een graansoort die rond de Romeinse tijd hier voor het eerst voorkomt en vooral in de Middeleeuwen één van de belangrijkste voedingsgewassen is geworden. Lijnzaad was in die tijd ook een bekend gewas; de zaden werden gebruikt voor voedsel en olie, de stengels (vlas) voor de fabricage van touw en kleding. Bij de walnoot is het niet zeker te zeggen of het van een ter plaatse groeiende boom komt of dat de walnoten geïmporteerd werden. Walnoten zijn niet inheems; pas vanaf de Romeinse tijd werden ze hier geïntroduceerd. Bij de druif zal het om geïmporteerde vruchten gaan; de soort werd ongeveer zes eeuwen eerder door de Romeinen voor het eerst naar Nederland gebracht. De vruchten kunnen, na drogen, goed vervoerd en bewaard worden. Hun herkomst kan Zuid-Europees zijn, bijvoorbeeld uit een van de landen rond de Middellandse Zee. Door de transportkosten gaan we ervan uit dat de druif een luxeproduct was en alleen door de wat rijkere bevolking werd gegeten. Hoewel druiven ook op enkele plaatsen in Nederland gekweekt zouden kunnen zijn gaan we er niet van uit dat deze soort in Oegstgeest of omgeving groeide. Opvallend is het vrijwel ontbreken van verzamelde vruchten en noten. Zo werd slechts één schaalfragmentje van hazelnoot gevonden, (afb. 1) en misschien is de vondst van braam ook van een gegeten exemplaar afkomstig. Deze planten konden ongetwijfeld in de omgeving verzameld worden. Wilde planten Hoe al deze plantenresten in de waterputten terecht zijn gekomen is niet altijd duidelijk. In ieder geval kunnen zij, op een enkele uitzondering na, er niet in gegroeid hebben. Zo zullen bijvoorbeeld

Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 324

02-12-13 10:07


de echte zoutplanten niet op de kant van een waterput met zoetwater groeien. De mens zal plantenmateriaal uit zijn omgeving gehaald hebben voor vele doeleinden. Vee dat in de omgeving geweid heeft en ’s avonds weer naar de nederzetting kwam, kan zaden en dergelijke via mest aangevoerd hebben. En ook valt te denken aan perioden met zeer hoog water waarbij veel planten uit de omgeving in of bij de nederzetting aanspoelden. De planten zijn ingedeeld volgens Arnolds en Van der Maarel 1979. Deze indeling is globaal, diverse soorten komen we ook in andere groepen tegen. Voor ons onderzoek geeft de indeling echter een redelijk beeld van de begroeiing van de omgeving. Akkers en droge ruigten Soorten van deze groep (zie tabel 1) zijn volop aanwezig. Zij hebben gegroeid in akkers, vooral de akkers die voedselrijk en niet kalkrijk waren (groep 1a). Zo is de bolderik een echte graanakkersoort. Met zijn roze tot paarse bloemen was het een opvallende verschijning in o.a. roggevelden. Ook de rode klaprozen gaven kleur aan de akkers. Een indicatie voor kalkrijke akkers is straalscherm (afb. 2). Een aantal soorten is karakteristiek voor regelmatig tot weinig belopen plaatsen die droog en voedselrijk zijn (1d, 1e). Zulke planten kunnen we in de nederzetting verwachten. Brandnetel, varkensgras, weegbree, melde en ganzenvoet zijn hier voorbeelden van. Bij de meeste vondsten uit de waterput gaan we er vanuit dat de planten in het omliggende gebied gegroeid hebben. Bij straalscherm moeten we enkele kanttekeningen maken. Van oorsprong is het voornamelijk een Zuid-Europese soort. Tegenwoordig komt de plant in Centraal en Zuid-Europa voor, maar gaat op veel plaatsen achteruit. Straalscherm is o.a. bekend als akkeronkruid en heeft veel warmte, voedsel en kalk nodig. De plant zou misschien in warmere perioden tot in (Zuid-)Nederland gegroeid kunnen hebben. Archeologische vondsten in

Nederland komen uit de Romeinse tijd en de zaden werden aangetroffen tussen voorraden graan. Er wordt vanuit gegaan dat deze vondsten wijzen op import uit zuidelijk gelegen gebieden.3 Bij Oegstgeest boden de akkers in het Rijndal misschien net nog een geschikte groeiplaats in de noordelijke gebieden van het verspreidingsgebied van straalscherm.

Afb. 2 Oegstgeest – Rijnfront. Straalscherm, zaden uit monster 6. Foto: auteur.

Zoute wateren en kwelders Van duidelijk onder invloed van de zee staande gebieden vonden we acht soorten. Vooral de zaden van schorrenzoutgras kwamen in grote aantallen in de monsters voor. De enorme aantallen zaden van rus (vermeld bij ‘diversen’) zijn deels waarschijnlijk van soorten die op de kwelder groeien. Vegetatiekundig plaatsen we de soorten in vegetaties die tot de ZeeasterKlasse behoren. 4 Het zijn plantengemeenschappen van vooral overblijvende soorten van zilte tot brakke gronden. Tijdens hoogwater worden ze regelmatig of slechts af en toe met zout water overspoeld. De gevonden soorten geven duidelijk aan dat er in de directe omgeving zout en brak water, slikken en kwelders waren. Deze zoute invloed op het landschap is te verwachten doordat het water van de Noordzee met vloed het estuarium van de Rijn binnendrong. Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 325

|

325

02-12-13 10:07


Tabel 1 EcologiMonster 6 Soortenlijst van de aangetroffen plantenresten in de waterput. sche groep GEKWEEKTE PLANTEN rogge (Secale cereale) aarfragment lijnzaad (Linum usitatissimum) druif (Vitis vinifera) walnoot (Juglans regia)   WILDE PLANTEN akkers en droge ruigten bolderik (Agrostemma githago) korrelganzenvoet (Chenopodium polyspermum) kroontjeskruid (Euphorbia helioscopia) zwaluwtong (Fallopia convolvulus) brede raai (Galeopsis ladanum) perzikkruid (Persicaria maculosa) zwarte nachtschade (Solanum nigrum) herik (Sinapis arvensis) melkdistel (Sonchus arvensis/oleraceus) gekroesde melkdistel (Sonchus asper) vogelmuur (Stellaria media) witte krodde (Thlaspi arvense) kleine brandnetel (Urtica urens) bleke/grote klaproos (Papaver dubium/rhoeas) straalscherm (Orlaya grandiflora) valse kamille (Anthemis arvensis) ruige klaproos (Papaver argemone) eenjarige hardbloem (Scleranthus annuus) grote weegbree (Plantago major) gewoon varkensgras (Polygonum aviculare) melde (Atriplex patula/prostrata) raapzaad (Brassica rapa) kool (Brassica sp.) melganzenvoet (Chenopodium album) stippelganzenvoet (Chenopodium ficifolium) esdoornganzenvoet (Chenopodium hybridum) groot kaasjeskruid (Malva sylvestris) beklierde duizendknoop (Persicaria lapathifolia) gewone raket (Sisymbrium officinale) late stekelnoot (Xanthium strumarium) gevlekte scheerling (Conium maculatum) krulzuring/ridderzuring (Rumex crispus/obtusifolius) gestoorde plaatsen, open vochtige-natte humusarme grond geknikte vossenstaart (Alopecurus geniculatus) vertakte leeuwentand (Leontodon autumnalis) zilverschoon (Potentilla anserina) witte klaver (Trifolium repens) bloemfragment (kruipende) boterbloem (Ranunculus repens type) behaarde boterbloem (Ranunculus sardous) blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus) zeegroene/rode ganzenvoet (Chenopodium glaucum/rubrum) duizendguldenkruid (Centaurium sp.) zeeduinen, zoute wateren en kwelders zulte (Aster tripolium) zeekraal (Salicornia europaea s.l.) zilte schijnspurrie (Spergularia marina)

326

|

Monster 10

Monster 11

0 0 0 0       1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1a 1c/1a 1b 1c 1c 1c 1d 1d 1e 1e 1e, 4d 1e 1e 1e 1e 1e 1e 1e 1g 1g/2a

1 1 1

x -

2 cf -

8 2 8 cf 16 8 16 24 8 40 8 4 16 248 24 136 8 18 8 cf 1 26

1 12 28 4 4 76 4 56 1 4 12 1 4 1 -

2 2 4 24 4 4 4 28 128 8 1 296 72 148 4 32 32 4 8 32

2a 2a 2a 2a 2a 2a 2b 2b 2c/8a

18 24 22 -

4 4 4 37 1 4 xx

40 20 4 20 4 8 12 40 xx

3b 3b 3b

96 56

40 xx

40 8 -

Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 326

02-12-13 10:07


Tabel 1 [vervolg]

Ecologische groepÂ

Monster 6

Monster 10

Monster 11

schijnspurrie (Spergularia sp.) 3b, 2c schorrenzoutgras (Triglochin maritima) 3b 1934 534 zeeweegbree (Plantago maritima) 3b 200 24 zeeweegbree (Plantago maritima) vruchtdeksel 3b 108 2 melkkruid (Glaux maritima) 3c 64 36 zilt torkruid (Oenanthe lachenalii) 3c zoete wateren en oevers waterweegbree (Alisma sp.) 4c 4 kleine watereppe (Berula erecta) 4c heen (Bolboschoenus maritimus) 4c 100 24 hoge cyperzegge (Carex pseudocypers) 4c 8 gewone waterbies (Eleocharis palustris s.l.) 4c 854 292 + 1v moeraswalstro (Galium palustre) 4c 8 liesgras (Glyceria maxima) 4c ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani) 4c 160 20 watermunt/akkermunt (Mentha aquatica/arvensis) 4c/2a 8 moeraswolfsmelk (Euphorbia palustris) kapsel 4d 1 bitterzoet (Solanum dulcamara) 4d 8 (bemeste) graslanden, vochtig-nat peen (Daucus carota) 5a rood zwenkgras (Festuca rubra) 5a 3 moerasspirea (Filipendula ulmaria) 5b 2 4 echte koekoeksbloem (Lychnis flos-cuculi) 5b 32 8 hei, veen, schraalland, kalkmoeras melkeppe (Peucedanum palustre) 7a 1 veenmos (Sphagnum sp.) blaadje 7d 16 1 gagel (Myrica gale) bladfragment 7d x x kaalslagen, zomen, struwelen kleefkruid (Galium aparine) 8b akkerkool (Lapsana communis) 8b roos (Rosa sp.) 8d 1 bossen zwarte els (Alnus glutinosa) 9a 8 hazelaar (Corylus avellana) 9b 1 gewone braam (Rubus fruticosus) 9b 8 berk (Betula sp.) 9e adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) bladfragment 9e diversen schermbloemigen (Apiaceae) 16 4 zegge (Carex sp.) diverse soorten 108 56 ogentroost (Euphrasia sp./ Odontites sp.) 24 4 hennepnetel (Galeopsis sp.) 2 1 rus (Juncus sp.) diverse soorten xxxxx xxxxx dovenetel (Lamium sp.) 2 struisgras (Agrostis sp.) xxx xx beemdgras (Poa sp.) 80 12 grassen (Poaceae) middelgroot 4 ganzerik type (Potentilla erecta type) 96 20 vetmuur (Sagina sp.) xx silene/koekoeksbloem (Silene sp.) 8 muur (Stellaria sp.) klein 16 diversen (nog determineren/niet determineerbaar) 24 4 Legenda: v = verkoold, cf = lijkt op, x = enkele, xx = tientallen, xxx = honderden, xxxxx = tienduizenden

xx 896 104 10 8 2 40 436 12 80 8 8 4 cf 4 32 x x 12 12 4 1 4 1 80 8 xxxxx xxx 64 10 8 4

Bron: auteur. Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 327

|

327

02-12-13 10:07


geeft de analyse van deze monsters ook dezelfde reconstructie van het landschap. De verschillen zien we vooral optreden bij de planten waarvan één of enkele zaden zijn gevonden. De kans is groot dat bij grotere volumes onderzochte grond, deze verschillen verdwijnen. Bij monster 10 leek het in het veld om een mestlaag te gaan. De vele cocons in dit monster zouden van mestvliegen kunnen zijn. Andere indicaties voor mest zijn niet waargenomen. Het onderzoek naar darmparasieten leverde geen eieren op.

Afb. 3 Oegstgeest – Rijnfront. Diverse zaden uit monster 6. Foto: auteur.

Zoete wateren en oevers Naast de duidelijk zoute component is er ook de invloed van zoet water. De waterplanten van zoet water zijn afwezig in de waterput, maar er zijn waterkanten geweest met vegetaties van zoet tot licht brak water met veel heen (= zeebies), ruwe bies en waterbies. Heiden, venen, schraallanden Af en toe zijn er blaadjes van veenmos en gagel aangetroffen. Er zijn dus gebieden geweest die niet meer onder invloed van de rivier of de zee stonden. Daar ontstonden moerassen die geleidelijk verzuurden waardoor er vegetaties met o.a. veenmos en gagel aanwezig waren. Deze begroeiingen zijn te verwachten op enige afstand van de Rijn in de lagergelegen gebieden tussen de strandwallen. Bossen Er zijn enkele soorten van bos of bosachtig terrein aangetroffen. Het zijn zo weinig resten dat er geen bos in de directe nabijheid te verwachten is. Verschillen tijdens de opvulling van de waterput? De soortensamenstelling van de monsters uit de onderzochte putvulling van ca. 26 cm dikte komt overeen. Hierdoor

328

|

Eerder onderzoek Botanisch onderzoek van hetzelfde terrein werd eerder gepubliceerd door Bakels en Van Tulder.5 Zij onderzochten o.a. een aantal paalsporen en kuilen. De zadenanalyses daarvan leverden vrijwel niets op. Evenals bij ons onderzoek bleken de waterputmonsters wel rijk aan zaden. De granen betroffen gerst en mogelijk rogge; daarnaast wordt melding gemaakt van hennep, selderij en hop. Deze laatste twee konden goed in het wild in de omgeving groeien. Daar konden ook de gevonden hazelnoot en braam verzameld worden. Hiermee zijn de resultaten van beide onderzoeken goed vergelijkbaar; alleen gerst en rogge als granen en nauwelijks vondsten van noten en vruchten. Ook de gereconstrueerde vegetaties zijn vergelijkbaar. Veel planten van natte terreinen met als opvallendste die van zout terrein. Er kwamen zilte graslanden voor in de directe omgeving van de nederzetting. Eveneens van dezelfde Merovingische nederzetting zijn de botanische macrores­ ten die door Bakels gepubliceerd zijn.6 Vier onderzochte monsters uit drie waterputten toonden hier de aanwezigheid aan van gerst en tarwe (beide slechts met één verkoolde korrel). Andere cultuurgewassen waren lijnzaad en hennep. De wilde planten geven ook hier aan dat er geen bos aanwezig was. De aangetroffen soorten wijzen op open, droog tot nat terrein, waarbinnen de vegetaties van zilte terreinen een opvallende rol spelen. De resultaten van de onderzoeken in deze Merovingische nederzetting sluiten aan

Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 328

02-12-13 10:07


op wat er bekend is uit de Merovingische tijd. In de perioden hierna worden er veel meer geïmporteerde, gekweekte en verzamelde planten gevonden.7 Conclusie Door middel van een macrobotanisch onderzoek van een opgevulde waterput kon een klein deel van het plantaardig voedsel van de bewoners van de Merovingische nederzetting Oegstgeest – Rijnfront achterhaald worden. We vonden rogge, lijnzaad, druif, walnoot en hazelnoot. Met de resultaten is ook een reconstructie van het landschap waar de nederzetting in lag, te maken. De nederzetting bevond zich in een open landschap; boomgroei was er vrijwel niet. Het gebied stond onder invloed van zeewater. Via de Rijnmonding kwam met vloed water vanuit de Noordzee het estuarium in. Hierdoor was er een variatie van zoutwater, brakwater en zoetwater aanwezig. In de Rijnmonding en langs de Rijn waren kwelders (zout) en gorzen (zoet) die onder invloed van het getij stonden. Langs de

oevers van de rivier en de kreken en in moerassig terrein groeiden veel biezen en waterbies. De kwelders en de diverse kruidenrijke graslanden waren geschikt als weidegebied. Op korte afstand waren hogere gronden aanwezig, die buiten de invloed van zout water lagen. Hier was veenmoeras met o.a. heideachtige vegetaties aanwezig. De drogere gronden, zoals de hoge oeverwallen en (de randen van) de strandwallen en hoog opgeslibde gorzen, waren geschikt voor akkerbouw. De diverse opgravingscampagnes in de afgelopen jaren hebben een overeenkomstig beeld opgeleverd. De kleine verschillen in plantensoorten en het lage aantal cultuurgewassen worden mogelijk veroorzaakt door het aantal onderzochte monsters per opgraving.

Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden Postbus 9515, 2300 RA Leiden w.j.kuijper@arch.leidenuniv.nl w.j.kuijper@gmail.com

Noten 1 Medewerker Faculteit Archeologie, Universiteit Leiden. Paleobotanisch onderzoek van materiaal uit opgravingen. 2 Bakels en Van Tulder, 2006; Bakels, 2008. 3 Pals, 1997. 4 Schaminée e.a., 2010. 5 Bakels en Van Tulder, 2006. 6 Bakels, 2008. 7 Van Haaster, 1997. Literatuur Arnolds, E.J.M., en E. van der Maarel, 1979: De oecologische groepen in de Standaardlijst van de Nederlandse flora 1975. Gorteria 9, 303-312. Bakels, C.C., 2008: Botanische macroresten, in: M.E. Hemminga en T. D. Hamburg, Vroeg Middeleeuwse nederzettingssporen te Oegstgeest. Archol rapport 102, 83-86. Bakels, C.C., en I.J.M. van Tulder 2006. Botanie, in: M. Hemminga en T. Hamburg, Een Merovingische nederzetting op de oever van de Oude Rijn. Archol rapport 69, 112-115, bijl. 4-7. Haan, D. de, 2011: A botanical reconstruction of the environment surrounding a Merovingian settlement at the Oude Rijn, Zuid-Holland, The Netherlands. Masters Thesis, Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden. Haaster, H. van, 1997: De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de Middeleeuwen, in: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders, van het Neolithicum tot 1500 AD. Vereniging voor Landbouwgeschiedenis, Wageningen, 53-107. Pals, J.P., 1997: Introductie van cultuurgewassen in de Romeinse tijd, in: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD. Vereniging voor Landbouwgeschiedenis, Wageningen, 25-51. Schaminée, J., K. Sykora, N. Smits en M. Horsthuis, 2010: Veldgids plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij.

Oegstgeest-Rijnfront

06-2013 binnenwerk.indd 329

|

329

02-12-13 10:07


Het Wapen van Voorschoten Verslag van een opgraving op het achter­ terrein van ‘Het Wapen van Voorschoten’, van het erf van een woonboerderij uit de 12e of 13e eeuw. Odile Hoogzaad1

In 2003/2004 hadden leden van de AWN-Rijnstreek (afdeling 6) de mogelijkheid om een opgraving uit te voeren in de funderingssleuven van de nieuw te bouwen Rabobank aan de Schoolstraat 65 (voorheen Achterweg) in de oude dorpskern van Voorschoten. Het onderzochte terrein ligt aan de achterzijde van het restaurant ‘Het Wapen van Voorschoten’, dat zich weer bevindt aan de Voorstraat 16. Een deel van de uitbouw van dit restaurant werd gesloopt om ruimte te maken voor de bouw van het nieuwe bankgebouw. Onder deze uitbouw (oostelijk op het terrein) bevonden zich de oudste sporen van de opgraving, namelijk uit de Volle Middeleeuwen of Hoge Middeleeuwen, ca. 1150 tot 1300.

Afb. 1 Geologische ondergrond van het gebied van de Oude Rijn en ligging van Voorschoten op de strandwal aan de Vliet. Bron: E.J. Bult en D.P. Hallewas.

330

|

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 330

02-12-13 10:07


Voorschoten ligt op de meest oostelijke strandwal vanaf de Noordzee, evenwijdig aan de Nederlandse kust. Deze strandwal loopt van Naaldwijk in het zuiden via de oude dorpskernen van Wateringen, Rijswijk en Voorburg naar Voorschoten, tot aan de Oude Rijn bij het huis Ter Wadding. Hij is ongeveer 4000-3700 jaar voor Christus ontstaan. De strandwal is ter hoogte van Voorschoten vrij breed en loopt van circa 50 m oostelijk van de Voorstraat tot circa 100 meter ten westen van de spoorlijn, dus bijna drie kilometer breed. De top van de strandwal ligt nu bijna een halve meter boven NAP. Deze strandwal was al in prehistorische tijden in gebruik voor transport en werd later ook door de Romeinen gebruikt. Over de strandwal liep de Romeinse weg van het castellum Matilo (Leiden) langs de Romeinse stad Forum Hadriani (Voorburg) door naar Naaldwijk. Er zijn echter nog geen sporen van de Romeinse weg op de strandwal in Voorschoten gevonden. Wel is er hier en daar Romeins materiaal gevonden, zoals daktegels en tufsteen. De strandwallen waren dicht bebost met eik, beuk en ander groen, maar werden in de Vroege Middeleeuwen door toenemende houtbehoefte grotendeels ontbost. Door eerdere vondsten op deze strandwal was al bekend dat er ook sporen uit de Middeleeuwen aanwezig zouden kunnen zijn. De verwachting was dus groot en deze is ook uitgekomen. Uit de Vroege Middeleeuwen (500-900 na Chr.) zijn in Voorschoten geen sporen gevonden, maar de plaats wordt reeds genoemd in de goederenlijst van de St. Maartenskerk te Utrecht. Dit is een lijst met goederen die aan het bisdom van Utrecht toebehoorden vóór de komst van de Vikingen in de regio en die de bisschop van Utrecht terug wilde hebben. Voorschoten wordt op deze lijst aangeduid als Forschate.2 De lintvormige structuur van het dorp dateert uit de Middeleeuwen, met de Voorstraat als de hoofdstraat van het oude dorp van Voorschoten. De lintbebouwing ontstond langs de al bestaande doorgaande weg over de strandwal. Hier bevinden

zich veel oude monumenten, waaronder bijvoorbeeld de dorpspomp en het Ambachts- en Baljuwshuis. Floris V, graaf van Holland, verleende Voorschoten ergens rond 1282 marktrechten. De markt was van economisch belang voor Voorschoten. Ze lag behalve op één van de belangrijke landwegen, ook tussen de belangrijke waterwegen van Maas en Rijn. In de oude Voorstraat wordt nog iedere vrijdag markt gehouden. Aan de oostzijde werd het gebied van Voorschoten begrensd door de Vliet en aan de westzijde door de veenstrook tussen de binnen- en buitenduinen (afb. 1). De Vliet is pas gegraven eind 12e, begin 13e eeuw, mogelijk met gebruikmaking

Afb. 2 De kadastrale kaart van 1832 met ‘Het Wapen van Voorschoten’ aangegeven als nr. 16, rood omkaderd. (richting Leiden naar rechts). Bron: Sloof, 2008.

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 331

|

331

02-12-13 10:07


Afb. 3 Situatie van het perceel van ‘Het Wapen van Voorschoten’ aan de kant van de Achterweg (de huidige Schoolstraat) omstreeks 1900. Foto: Henri de Louw, Delft.

Afb. 4 De allesporenkaart van de opgraving op het achterterrein van ‘Het Wapen van Voorschoten.’ Bron: P.F.A. van Grinsven.

Het historische onderzoek ‘Het Wapen van Voorschoten’ is al in de 17e eeuw bekend als herberg. Naast het gebruik als herberg werden de vergaderingen van het ambachts- en dorpsbestuur, later het gemeentebestuur, en van de polderbesturen hier gehouden. 4 van (restanten van) de Corbulo-gracht, het Romeinse kanaal tussen Matilo en Forum Hadriani.3 Er is in de laatste jaren veel archeologisch onderzoek gedaan in het centrum van Voorschoten. Op het Hema-terrein en het Ahold-terrein aan de Schoolstraat is door het ADC onderzoek gedaan. Door de AWN is er een vervolgonderzoek uitgevoerd op het Hema-terrein (2004) en op een terrein tussen de Treubstraat en de Schoolstraat (2005). Al deze gegevens samen kunnen helpen de geschiedenis te vertellen van Voorschoten.

Op de kadastrale kaart van 1832 is de situatie weergegeven rond ‘Het Wapen van Voorschoten’ (zie afb. 2) en wel op perceel 16.5 Er kunnen overigens ook tijdelijke opstallen gestaan hebben, want alleen de steenbouw is aangegeven op deze kaart. Een felle brand verwoestte op 26 april 1898 het zeventiende-eeuwse pand, toen bekend als het koffiehuis van I. Deurloo. Het koetshuis en de stallen bleven gespaard. Op 9 juni 1898 werd het bouwen van een café-restaurant met hotel en woning naar de plannen van de bekende Leidse architect W.F. van der Heyden aanbesteed, waarbij aan de zuidkant aan de Voorstraat een koetshuis werd ingericht. In 1933 werd het pand in de richting van de Schoolstraat uitgebreid.6 In 2003 werd een deel van deze uitbouw gesloopt voor de bouw van de huidige Rabobank. Dit was de toestand die wij aantroffen bij de opgraving. In de 19e eeuw is aan de Schoolstraat een woonhuis gebouwd op het perceel van ‘Het Wapen van Voorschoten’. Het woonhuis wordt dan aangeduid als het huis van H. Schooneveldt. Het is onbekend wanneer het gebouwd is; in ieder geval na 1832. Het is ook onbekend wanneer het pand gesloopt is. Het 19e-eeuwse riool dat bij de opgraving in put 3 werd aangetroffen is toe te schrijven aan dit woonhuis. De stenen beerkelder uit de 18e eeuw is hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan de herberg. Er is ook nog een beerkeldertje uit de 17e eeuw aangetroffen, maar dit is nog niet verder uitgewerkt. Op een foto uit circa 1900 is de Achterweg (de huidige Schoolstraat) te zien.7 Rechts is een huis zichtbaar met één woonlaag en een dakkapel; daarnaast is de open ruimte, die toegang gaf tot ‘Het Wapen van Voorschoten’ (zie afb. 3).

332

|

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 332

02-12-13 10:07


De archeologische opgraving Een allesporenkaart van de opgraving is weergegeven in afbeelding 4. Deze kaart laat de grillige loop van de funderingssleuven zien, die zijn aangelegd voor de bouw van de Rabobank en waarin het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. De funderingssleuven waren gemiddeld 1 Ă 2 meter breed. De opgraving was dus niet vlakdekkend. De sporen lagen 0ngeveer 1 meter onder het maaiveld. Twee sleuven, put 6 en put 11, zijn alleen gefotografeerd en niet verder onderzocht vanwege tijdgebrek. Alle sporen in de andere sleuven zijn zoveel mogelijk gecoupeerd en getekend. Er zijn in totaal 197 spoornummers uitgegeven aan greppels en kuilen; er zijn ook 90 paalsporen aangetroffen. Vanaf spoornummer 161 zijn er geen coupes meer gemaakt; er was geen tijd meer over voor de bouw begon. De databases van de sporen en vondsten zijn gekoppeld aan de gedigitaliseerde vlaktekeningen van de sleuven, waardoor het mogelijk werd verspreidingskaarten te maken. De greppels en afvalkuilen vormen een gesloten vondstcomplex; ze hebben maar een beperkte gebruiksduur gehad. Een aantal sporen kunnen, gezien hun vorm, gediend hebben om regenwater af te voeren rondom een huis (de rode greppels boven in afbeelding 5). Dit huis of deze boerderij stond waarschijnlijk met de voorgevel aan de Voorstraat, de toenmalig doorgaande weg door Voorschoten met aan beide zijden lintbebouwing. Deze sporen van dit huis/boerderij behoren tot de oudst bekende bebouwing (de 12e/13e eeuw) in Voorschoten. Er is een waterput gevonden die gemaakt was van een houten ton. Deze dateert ongeveer van 1200 tot 1400, want onder in de waterput werd een fragment van een bodem van een waterkruik gevonden met een datering van 1350-1400. Waarschijnlijk hoort deze waterput tot een jongere fase dan het huis met de woongreppels, anders ligt de waterput wel heel erg dicht bij dit huis. Waterputten wijzen op het gebruik van de grond als erf. Aan de westzijde van het terrein lopen twee behoorlijk diepe greppels, die te dateren zijn tus-

sen 1200 en 1350. Deze greppels dienden mogelijk als erfafscheiding voor het erf van het huis met de woongreppels (de rode greppels onder in afbeelding 5). De datering van het aardewerk Het meest voorkomende aardewerk is het geglazuurde roodbakkend (zie afb. 6). Opvallend is de vroege datering van dit aardewerk, tussen 1300 en 1500, met een enkele uitschieter naar 1700. De grape, waterkan en koekenpan zijn de algemeen gevonden typen, maar ook schalen, vetvangers en voorraadpotten komen voor. Roodbakkend ongeglazuurd aardewerk is ook in redelijke aantallen gevonden. Dit soort aardewerk wordt vaak beschouwd als een vroege vorm van het roodbakkend

Afb. 5 Verspreiding van kuilen, greppels en palen met een datering van 11001300. Bron: P.F.A. van Grinsven.

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 333

|

333

02-12-13 10:07


1300. Kogelpotfragmenten zijn natuurlijk ook gevonden. Het meeste steengoed bestaat uit kannen. Alle scherven zijn van aardewerk geïmporteerd uit Duitsland en België. Het gevonden vroege steengoed en proto-steengoed wijst op een datering van bewoningssporen aan het eind van de 13e en begin van de 14e eeuw. Verder werd op deze opgraving ook Frechen, Langerwehe en Siegburg steengoed aardewerk gevonden, ook afkomstig uit Duitsland, maar deze scherven zijn minder nauwkeurig te dateren. Afb. 6 Verdeling van het gevonden aardewerk. Bron: P.F.A. van Grinsven.

aardewerk. De datering is dan ook van 1300 tot 1400. Waterkannen, borden en vuurklokken komen het meest voor. Het ongeglazuurde roodbakkend aardewerk komt alleen voor in de kuilen en greppels rond de tonput. Daarnaast komt grijs of grijs/zwartbakkend aardewerk voor, dat typerend is voor de 13e en 14e eeuw. Verder werd er Andenne-aardewerk af komstig uit België, Pingsdorf afkomstig uit het Rijnland, en Paffrath afkomstig uit de Eifel aangetroffen. Dit zijn alle typisch kenmerkende aardewerksoorten uit de periode 1100-

Afb. 7 Schematische weergave van de beerkelder in opgravingsput 3. De beerkelder bestaat uit gemetselde muurtjes van 3 tot 6 lagen baksteen hoog. De breedte van de muurtjes was verschillend. De beerkelder heeft een bakstenen vloer. Tekening: D. van der Kooij/P. van Grinsven

334

|

Fragmenten van bakstenen kwamen in alle sporen voor. Er zijn 13 fragmenten huttenleem gevonden, gebruikt bij vakwerkhuizen. Het huttenleem kwam vooral voor in de sporen die te dateren waren tussen 1100 en 1300. Verder werden er dakleien en fragmenten van plavuizen gevonden. Een aantal soorten natuursteen werd aangetroffen, afkomstig van bouwmateriaal en gebruiksvoorwerpen zoals bijvoorbeeld de genoemde dakleien, tufsteen en slijpstenen. De metaalvondsten bestonden veelal uit ijzeren nagels, die vooral op het oostelijke terrein gevonden zijn bij de oudste sporen. Mogelijk is er op de rest van het achterterrein grond afgegraven bij de bouw van de 19e-eeuwse woning en zijn er daar daarom maar weinig ijzeren nagels aangetroffen. Uit de determinatie van de vondsten kan geconcludeerd worden dat de oudste sporen zich in het oostelijk deel van het terrein bevinden, daar waar de uitbouw van ‘Het Wapen van Voorschoten’ later heeft gestaan. Het riool en de beerkelder in put 3 In put 3 (zie af b. 7) werden op een diepte van een halve meter onder het maaiveld de restanten gevonden van een beerkelder van gemetselde bakstenen, formaat 19 x 9 x 3 cm. De nog aanwezige lagen baksteen varieerden van drie tot zes bakstenen hoog. Deze beerkelder ligt wat hoger dan de bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen (spoornummer 66) en is dus jonger. De enige vondsten van materiaal uit de

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 334

02-12-13 10:07


18e eeuw komen uit deze beerkelder die waarschijnlijk behoorde tot de herberg van ‘Het Wapen van Voorschoten’. De beerkelder lag vol met 18e-eeuwse scherven van Delftse waar, porselein, ook Chinees porselein, majolica borden en glaswerk. Het is een gesloten vondstcomplex en de aard van het aardewerk is geheel verschillend van het aardewerk gevonden in de rest van de opgraving. Een groot deel van het aardewerk is gerestaureerd en gefotografeerd. De vondsten geven een indruk van enige welstand. Bij de bouw van het negentiende-eeuwse woonhuis van de familie Schooneveldt zijn mogelijk veel sporen uit de zeventiende en achttiende eeuw verloren gegaan op de rest van het terrein. Er werd een riool gevonden welke niet verbonden was met de bovengenoemde beerput. De bovenkant van het gewelf van het riool lag op +0,65 m NAP, de onderkant op +0,12 m NAP. Het ongeveer 7 meter lange riool zal uit de negentiende eeuw dateren. De bakstenen van dit riool waren 12x9x3,5cm. Er zijn geen vondsten gedaan in dit riool, dat was verbonden met een beerput die aan de rand van de put langs de Schoolstraat lag en daarom niet verder onderzocht kon worden.

Conclusie Het terrein achter ‘Het Wapen van Voorschoten’ is eeuwenlang een erf geweest van een woonboerderij die stond aan de Voorstraat, de doorgaande weg door Voorschoten. Een aantal van de daar aangetroffen greppels, afvalkuilen en ook de waterput dateren uit 1150-1300 en behoren tot de oudst bekende bewoningssporen in Voorschoten. De archeologische en historische gegevens uit de 17e eeuw en later, wijzen op een continu gebruik en bebouwing van het terrein tot de huidige tijd, voor bewoning en verscheidene ondernemingen. Door verstoringen op het terrein is het niet mogelijk de gehele geschiedenis van dit deel van Voorschoten te beschrijven. Onder het nieuwe bankgebouw, en op delen van het terrein zijn dieper echter nog meer oudere sporen uit de 12e en 13e eeuw te verwachten. Odile Hoogzaad AWN Rijnstreek awnrijnstreek@yahoo.com Dit artikel is geschreven op basis van het RENUS-rapport ‘Het wapen van Voorschoten’, door P. van Grinsven e.a., zie literatuurlijst.

Noten 1 Odile T.C. Hoogzaad is bestuurslid van de AWN-Rijnstreek, Afdeling 6 en archeologe. 2 Een eerste editie van deze lijst moet zijn opgesteld tussen 885 en 948 en geeft de bezittingen weer vóór de vlucht van bisschop Hunger in 857. Een toevoeging werd gemaakt over diverse locaties ergens in de 10e eeuw (uit: Dijkstra, M.F.P., 2011: Rondom de Mondingen van Rijn & Maas, Leiden, Sidestone Press, p. 89, 482 en 485). 3 E.J. Bult & D.P. Hallewas 1990, 71. 4 J. Sloof, 2009: 350 jaar Wapen van Voorschoten, Historisch Museum Voorschoten, Voorschoten. 5 J. Sloof 2008, 30-31. 6 Voor een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van “Het Wapen van Voorschoten: J. Sloof, 350 jaar Wapen van Voorschoten. Historisch Museum Voorschoten, 2009. 7 J. Sloof 2008, 107. Literatuur Bult, E.J. & D.P. Hallewas,1990: Archaeological evidence for the early-medieval settlement around the Meuse and Rhine deltas up to ca AD 1000, in: J.C. Besteman, J.M. Bos & H.A. Heidinga (eds.), 1990: Medieval Archaeology in the Netherlands. Studies presented to H.H. van Regteren Altena, (Studies in prae- en protohistorie, 4), Assen/ Maastricht. Grinsven, P. van, C. Doedeijns en D. van der Kooij, 2013: “Het Wapen van Voorschoten”, Archeologisch onderzoek door de AWN-Afdeling Rijnstreek op het achterterrein van het Wapen van Voorschoten. Renus Reeks, 5. AWNRijnstreek. Sloof, J.H.M., 2008: Als de linden konden spreken. Vereniging tot behoud van Oud-, Groen- en Leefbaar Voorschoten. Sloof, J.H.M., 2009: 350 jaar Wapen van Voorschoten. Historisch Museum Voorschoten.

Het wapen van Voorschoten

06-2013 binnenwerk.indd 335

|

335

02-12-13 10:07


Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen Pierre van Grinsven11

Op een vrijgegeven terrein midden in het veendorp Nieuwveen voerden de AWN-afdeling Rijnstreek en de Historische Kring Liemeer een onderzoek uit naar de ontwikkeling van dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen. Ondanks het feit dat het terrein flink bebouwd is geweest in de laatste eeuw kon door proefsleuven toch nog de oorspronkelijke perceelindeling van het gebied worden vastgesteld. Diepe sloten, al of niet met stevige beschoeiingen, gegraven voor het ontwateren van het veengebied zijn eeuwenlang gebruikt als afvalstortplaats. Dit leverde veel aardewerkvondsten op uit de 15e tot de 19e eeuw. Ook werd een deel van de fundering van een 19e-eeuwse boerderij aangetroffen.

Afb. 1 Informatiebord van de Historische Kring Liemeer. Foto: Ab van Grol.

336

|

In het plangebied in het centrum van Nieuwveen (gemeente Nieuwkoop) zullen maximaal 50 gestapelde woningen worden gebouwd. De bouw van deze woningen zal mogelijke archeologische resten kunnen verstoren. Daarom liet de gemeente Nieuwkoop inventariserend veldonderzoek door middel van karterend

booronderzoek uitvoeren door Synthegra.2 Op grond van de boorresultaten werd aanbevolen om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren en het plangebied vrij te geven voor uitvoering van de bouwplannen. In het voorjaar van 2012 nam de gemeente het selectiebesluit om het plangebied vrij te geven. De Historische Kring Liemeer (hierna HKL genoemd) vindt het plangebied erg interessant omdat het de kern vormt van waaruit het dorp Nieuwveen is ontstaan. Daarom wilde men graag in samenwerking met de AWN-afdeling Rijnstreek (hierna als AWN aandgeduid) nader archeologisch onderzoek uitvoeren. De HKL zocht contact met Woningstichting Nieuwkoop (WSN), eigenaar van het plangebied. Er werd overeengekomen dat de eigenaar de HKL tot eind augustus 2012 de tijd zou geven om nader archeologisch onderzoek uit te voeren,

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 336

02-12-13 10:07


waarbij de kosten zouden worden gedragen door de HKL. Om de inwoners van Nieuwveen te informeren liet de HKL op het terrein van de opgraving een bord plaatsen (af b. 1). Locatie en landschap Het terrein ligt tussen de Muggenlaan en de A.H. Kooistrastraat in het centrum van de oude dorpskern van Nieuwveen. In afbeelding 2 geeft een rood vierkant het plangebied aan op een Google Mapskaart. Op deze kaart zijn nog de inmiddels gesloopte woningen te zien die op het terrein stonden. Het hele terrein is nu onbebouwd (afb. 2). Tot 6000 voor Chr. had de zee vrij spel in onze regio en werden er in West-Nederland grote hoeveelheden mariene afzettingen gevormd. Na 3000 voor Chr. kreeg de kuststrook langzaam vorm en werden de strandwallen gevormd. De Rijn en de Maas vormden een groot estuarium waar zeer brede rivierstromen liepen. In deze steeds verschuivende rivierlopen werden kleiige en zandige lagen afgezet. In de vlakten aan weerszijden van de rivieren vormde zich veen, het zogenaamde Hol-

landveen. Dit strekte zich uit over bijna het hele grondgebied van de huidige provincie Zuid-Holland. In de 10e eeuw werd begonnen met de ontginning van dit veen, eerst vanuit het gebied van de Oude Rijn en later steeds verder het veengebied in. Rond Nieuwveen is veel van het veen als turf afgegraven en er is in de loop der eeuwen veel grond opgebracht waardoor het maaiveld op het betrokken terrein op nu op –0,10 m NAP ligt.3 Resultaten van het bureauonderzoek Tijdens het ARC-onderzoek 4 werden in het gebied ten oosten van de Muggenlaan bewoningssporen uit de 14e eeuw aangetroffen. Het betreft hier resten van een huis met bijbehorend erf, die wijzen op een eenvoudige boerensamenleving. Op het einde van de 15e eeuw werd het terrein verlaten, mogelijk nadat de bestaansmogelijkheden zeer beperkt waren geworden. In de 16e eeuw wordt het terrein als landbouwgebied gebruikt. Het onderzoek laat zien dat in het centrum van Nieuwveen, bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen en uit latere perioden aanwezig kunnen zijn. De bij

Afb. 2 Locatie van het plangebied te Nieuwveen. Bron: Google Maps.

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 337

|

337

02-12-13 10:07


Afb. 3 Een overzicht van de bebouwing van het plangebied op basis van de beschikbare kaarten, de uitgevoerde boringen en de locatie van de proefsleuven (aangeduid als put 1 t/m put 6). Bron: auteur.

dit onderzoek gegraven putten lagen op slechts 50 meter van het huidige onderzoeksterrein. Er zijn enkele kaarten beschikbaar waarmee de bebouwing van het plangebied in zekere mate kan worden gereconstrueerd: – een kaart uit 1742, die de vroege ontginning van het landschap goed weergeeft; – de minuutkaart van het Kadaster uit 1830; – een kaart met de situatie weergegeven uit 1971 met de belangrijkste bebouwingen van de St. Johannes Stichting; – een kaart met de bebouwing vlak voor de sloop; – een fragment van het Caertboeck van Rijnland van Floris Balthasars uit 1615. Om een beter idee te krijgen waar de grond het minst verstoord zou zijn door deze eeuwenlange bewoning zijn alle tekeningen op schaal geïntegreerd in een tekening, gebruikmakend van het GIS programma MapInfo. De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 3. Hierin is in

338

|

rood de bebouwing uit 1971 weergegeven, in blauw de laatste bebouwing uit 2009, in bruin de bebouwing volgens de minuutkaart uit 1830 en in groen de contouren van het land en water volgens de kaart uit 1742. De rode punten geven de boringen aan die de AWN uitvoerde en de uiteindelijke locatie van de proefsleuven is zichtbaar gemaakt door gestippeld blauw. Met behulp van deze gegevens konden de beste locaties voor de te graven proefsleuven worden bepaald. Tijdens het onderzoek liet de AWN zich leiden door de volgende twee onderzoeksvragen: 1. Is er op basis van het vooronderzoek nog een redelijke kans dat er profielen getekend kunnen worden van een ongestoorde bodemopbouw die ons meer kennis kan opleveren over de ontwikkeling van het polderlandschap? 2. Is er enige kans dat er sporen van bewoning kunnen worden aangetroffen uit de laat-middeleeuwse periode of uit de 14e tot de 18e eeuw die ons inzicht geven in de bewoningsgeschiedenis van Nieuwveen?

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 338

02-12-13 10:07


Het veldwerk De eigenaar van het terrein gaf toestemming om verkennend booronderzoek en karterend proefsleuvenonderzoek uit te voeren op het terrein. De RCE verleende een vergunning voor het uitvoeren van dit onderzoek. Het verkennend booronderzoek werd uitgevoerd op zaterdag 16 juni 2012 onder goede weersomstandigheden en door een groot aantal deelnemers van de AWN en de HKL. Omdat het opgravingsterrein erg ongelijk was van hoogte, is van iedere boring ook de NAP-hoogte gemeten. De boringen 1, 4, 7 en 8 liepen vast op een ondoordringbare ondergrond. De overige boringen lieten zien dat het oorspronkelijke veen pas op een diepte van meer dan 2 m onder het maaiveld begon. De eerste meter onder het maaiveld liet een rommelig beeld van opgebracht zand zien. Tussen 1 en 2 meter onder het maaiveld bevond zich klei en zand, opgebracht om het gebied meer geschikt te maken voor bewoning en het uitoefenen van landbouw. Op basis van de boorgegevens zijn de plannen voor de proefsleuven aangepast en is de definitieve positie bepaald zoals weergegeven in afbeelding 3. Put 1 ligt op het open middenterrein van de voormalige Johannes Stichting en de boorresultaten laten een redelijk ongestoorde bodem zien. Put 2 ligt op het

meest noordelijke deel waar nooit bebouwing is geweest. Put 3 ligt tussen de bebouwing van de twee oorspronkelijke vleugels van de Johannes Stichting. De HKL vond een sponsor voor de kosten van een kraan en kraanmachinist. In eerste instantie zouden de drie proefsleuven op drie zaterdagen worden gegraven. De HKL verzamelde ook belangrijke informatie rond de KLIC-kaart om er zeker van te zijn dat er geen in gebruik zijnde utility-leidingen op het terrein zouden liggen. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd op de zaterdagen 4 en 25 augustus en 1 september 2012. Met de eigenaar van de grond was afgesproken dat aan het einde van de dag de putten weer dichtgegooid

Afb. 4 Sfeerbeeld van het proefsleuvenonderzoek. Foto: auteur.

Afb. 5 Detailtekening van put 2 met slootfragment en houtbeschoeiing. Tekening: auteur.

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 339

|

339

02-12-13 10:07


Afb. 6 Detail slootbeschoeiing. Foto: auteur. Afb. 7 Het profiel van put 2 op 4,5 m van de meetlijn. Foto: auteur.

340

|

zouden worden. Dit betekende wel dat er flink doorgewerkt moest worden om alle gegevens goed te documenteren. Er was veel belangstelling voor het onderzoek, zowel van de kant van de HKL als van de AWN (afb. 4). Resultaten proefsleuvenonderzoek Begonnen werd met put 2 omdat hier de verwachtingen het hoogst waren om een ongestoorde bodem aan te treffen. Aan de westkant werd op een diepte van 1,50 tot 2 m onder het maaiveld een aantal palen gevonden die niet in een bepaald verband stonden. Midden in put 2 vonden wij ook een klein poeltje, maar helaas werd er geen aardewerk aangetroffen zodat een datering niet mogelijk is. Aan de oostkant van put 2 werd op een diepte van -1,70 m onder het maaiveld (overeenkomend met -2,40 m NAP) een brede sloot gevonden die aan de westkant met houten planken was beschoeid. De oostkant van de sloot kon niet worden opgegraven omdat zich aan de oostkant van put 2 enkele leidingen bevonden die ongemoeid gelaten zijn. Een gedetailleerde af beelding van de sloot in put 2 is weergegeven in afbeelding 5. Het aangetroffen houtwerk in de vorm van planken en palen is in bruin weergegeven. In de sloot is greppel S21 gegraven in het donkere veen op een diepte van -1,80 m onder het maaiveld, wat overeenkomt met -2,47 m NAP. De palenzwerm S10 tot en met S16 aan de west-

kant van de sloot kan hebben gediend als fundering van de slootbeschoeiing. Door coupe S21 te graven door de sloot kon de bodem van de sloot worden vastgesteld. De sloot was op sommige plaatsen bedekt met een 1 cm dikke riet/stro-laag. De slootbeschoeiing bestond uit stevige planken met een dikte van 2 cm (afb. 6). Van put 2 is het noord-profiel in delen getekend. Hier wordt volstaan met een deelprofiel (afb. 7). Wat opvalt is een brede, gele band van zand die bovenop het veen ligt. Daarboven ligt de opgebrachte rommelige grond van zand, klei en veen waarmee het gebied is opgehoogd. De gele band zand is in het hele profiel aanwezig, behalve daar waar de sloot is ingegraven. We denken dat die zandlaag het oorspronkelijke maaiveld markeert uit waarschijnlijk de 16e/17e eeuw en dat het zand is aangebracht om de waterdoorlatendheid te vergroten. De toenmalige bewoners van het terrein moesten het gebied verhogen om het land bruikbaar te maken als erf of landbouwgrond. Voor deze ophoging zijn alle voorhanden materialen als klei, veen en zand gebruikt. Het aardewerk uit deze laag zal dus niet representatief zijn voor de toenmalige bewoners. Door dit maaiveld heen is de sloot nog bijna een meter dieper gegraven, wat aangeeft dat die sloot met de stevige beschoeiingen belangrijk was voor de waterhuishouding van het terrein.

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 340

02-12-13 10:07


Proefsleuf 5 Op 25 augustus is de opgraving voortgezet met het graven van proefsleuf 5. Volgens het oorspronkelijke plan zou eerst put 3 worden aangelegd, maar al vrij snel bleek dat hier een oud riool lag met buizen van ongeveer 50 cm doorsnede dat dit gebied geheel verstoorde. Daarom besloten wij put 5 aan te leggen in het verlengde van de sloot die in put 2 was gevonden. Afbeelding 8 is de vlaktekening van put 5. Op ongeveer 1,50 m onder het maaiveld kwamen er weer sporen tevoorschijn van lagen riet/stro, net als in put 2. Deze stro/ rietlagen konden over een lengte van ruim 10 m worden gevolgd, waarbij de meest willekeurige vormen werden aangetroffen. Wij hebben nog geen verklaring voor die riet/strosporen. De sloot is erg diep, meer dan 2,75 m onder NAP en ook duidelijk

lager dan het oorspronkelijke maaiveld. De eerste 10 m van de put, gemeten vanuit het noorden, was als afvalkuil gebruikt. Er kwam heel veel aardewerk te voorschijn; zelfs complete potten. Deze stortfunctie hield vrijwel volledig op na die 10 m. De sloot werd min of meer afgesloten door een plank van 7 cm dik en 22 cm breed, op 18 m van de meetlijn. In het deel dat hier direct op aansloot, was veel bouwpuin aanwezig en weinig aardewerk. Aan de westkant van de sleuf, op 14 m van de meetlijn, vonden wij nog een laag schelpengruis en bossen wilgentenen die echter niet waren gevlochten.

Afb. 8 Vlaktekening van sleuf 5. Tekening: auteur.

Proefsleuf 1 Deze proefsleuf werd aangelegd op de vroegere binnenplaats van de Johannes Stichting. De boringen wezen uit dat de

Afb. 9 Vlaktekening van proefsleuf 1. Tekening: auteur.

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 341

|

341

02-12-13 10:07


deze plaats een boerderij staat aangegeven. Wij sneden juist het achterste deel hiervan aan.

Afb. 10 De frequentie waarmee aardewerk uit put 2 voorkomt (aantal aardewerkfragmenten per 50 jaar). Bron: auteur.

342

|

grondopbouw daar niet al te zeer was verstoord. De sleuf werd aangelegd op zaterdag 1 september, wederom met grote inzet van leden van de HKL en de AWN. Hoewel de KLIC-kaart uitvoerig was geraadpleegd en er nog extra telefonisch overleg was gevoerd waarin ons verzekerd was dat geen in gebruik zijnde leidingen op het terrein zouden voorkomen, was het bij het aanleggen van de put direct raak. Een lagedrukgasleiding werd geraakt en licht beschadigd. Energieverzorgingsbedrijf Liander werd gewaarschuwd en de leiding is daarna weer snel gerepareerd. Dat oostelijke deel van de put is daarom niet verder onderzocht. De vlaktekening van proefsleuf 1 is weergegeven in afbeelding 9 en laat verschillende houten structuren zien die zichtbaar werden op een hoogte van ongeveer -1,00 tot 1,50 m onder het maaiveld. De belangrijkste was een brede houten fundering (S38), 2,93 m lang, met aan de kop een zijplank die maar voor een klein deel bewaard bleef. De plank was 25 cm breed en 7 cm dik. Op deze plank lagen nog één en op sommige delen zelfs twee lagen baksteen. Het fundament werd gedragen door een aantal stevige palen. Van deze proefsleuf is ook nog een tweede vlak aangelegd, hier in rood aangegeven. Het blijkt dat de palen aan de westkant van het aangetroffen fundament vrij goed in het gelid staan. Het is zeer waarschijnlijk dat ook in dit deel een restant van een boerderij heeft gestaan. Dat komt overeen met de gegevens van de kaart uit 1831 waar op

Proefsleuf 6 Op zaterdag 1 september waren er zoveel leden van de HKL en de AWN aanwezig dat wij besloten om nog een kleine proefsleuf aan te leggen op een plaats waar waarschijnlijk ook een oude sloot kon worden verwacht. Het graven van deze proefsleuf werd ernstig bemoeilijkt door de aanwezigheid van een aantal zeer zware palen met een diameter tussen de 20 en 30 cm. In de laatste fase van bebouwing van dit terrein wordt op de tekening een waterpartij aangegeven, bestaande uit een aantal vijvers. Mogelijk zijn deze palen afkomstig van een bruggetje. De palen zien er vrij nieuw uit. Ook vonden wij een restant muurwerk van drie stenen breed en één laag dik. Het leek zonder enig verband in de sloot te liggen en kan daar als bouwafval in zijn gegooid. Ook bijzonder was een soort goot van hout, S62, maar het zou ook een opgevouwen plank kunnen zijn. S59 was een stenen zuiltje, aangetroffen op 1 m onder het maaiveld. Het lag daar zonder enig verband en is waarschijnlijk ook bouwafval. Put 6 was dus inderdaad een oude sloot die erg diep was ingegraven. De tijd ontbrak om een goed profiel te tekenen, want de sleuf moest ‘s avonds weer dicht zijn. Op 2 m onder het maaiveld werd veen gevonden, op -2,50 m kleiig zand met weer een laag stro en op 3 m onder het maaiveld weer ongestoord veen. Er is maar een beperkt aantal fragmenten aardewerk gevonden; een datering moet nog worden uitgewerkt. Het aardewerk Er zijn tientallen aardewerkfragmenten verzameld, vooral uit de laatmiddeleeuwse sloten. De determinatie is nog in volle gang. Het merendeel van het aardewerk dateert uit de 16e tot de 18e eeuw. Het aardewerk uit put 2 is al wel gedetermineerd. In afbeelding 10 is de frequentie, het aantal scherven per 50 jaren uitgezet, waarbij uitgegaan is van minimaal

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 342

02-12-13 10:07


aantal eenheden. Het zwaartepunt van de datering van het aardewerk ligt tussen 1600 en 1800, de periode waarin het gebied was bewoond. Afbeelding 11a-b toont foto’s van twee potten. Het testje was nog helemaal compleet en bevatte een aantal niet meer te dateren munten.

een betere kennis van de ontwikkeling van het veendorp Nieuwveen en bood veel vrijwilligers van de AWN en de HKL de kans om interessant onderzoek uit te voeren en daarbij de nodige ervaring op te doen.

Conclusie Het archeologisch onderzoek in het centrum van Nieuwveen heeft laten zien dat het oorspronkelijke maaiveld uit de 15e/16e eeuw op ongeveer 2 m diepte lag t.o.v. het huidige maaiveld. Bij het in gebruik nemen van dit deel van het veengebied werd eerst een laag wit zand van ongeveer 10 cm opgebracht om de waterdoorlaatbaarheid te verbeteren. Daarna is er in de loop der eeuwen ongeveer 2 m grond, een mengsel van klei, zand en veraard veen, opgebracht. De diepe sloten die werden aangetroffen dienden destijds voor een goede afwatering. Omdat nog niet al het aardewerk is gedetermineerd, is een voorlopige datering van de sloten gesteld op 15e/16e eeuw. Opmerkelijk is dat op de bodem van de sloten een riet/ strolaag lag waarvan de functie nog niet duidelijk is. De sloten waren gebruikt als afvalkuilen en er is veel aardewerk in gevonden. Bij het onderzoek is ook de achterkant teruggevonden van de boerderij die op de minuutkaart is aangegeven. Dit in de vorm van een fundering op een zeer stevige plank, die werd gedragen door ingeslagen palen. Het archeologisch onderzoek droeg bij tot

J.W. Frisolaan 33 2252 HC Voorschoten rooserna@xs4all.nl

Afb. 11a en 11b Grape en test. Foto: auteur.

Noten 1 Pierre van Grinsven is voorzitter van de afdeling Rijnstreek. Hij schreef dit artikel namens de vele enthousiaste deelnemers van deze opgraving. 2 Leuvering (2010). 3 www.ahn.nl geraadpleegd 1 juni 2012. 4 Koopstra (2003). Literatuur. Koopstra, C.G., 2003: Een definitief archeologisch onderzoek aan de Muggenlaan te Nieuwveen, gemeente Liemeer, ARC-publicaties 81, Groningen, 2003 Leuvering, J.H.F., 2010: Inventariserend veldonderzoek, karterend booronderzoek, A.H. Kooistrastraat te Nieuwveen. Doetinchem: Synthegra bv.

Archeologisch onderzoek naar de ontwikkelingen van het veendorp Nieuwveen

06-2013 binnenwerk.indd 343

|

343

02-12-13 10:07


Belangenbehartiging bij AWN-afd. Rijnstreek Pierre van Grinsven1

De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet Archeologische Monumentenzorg. Een adequate uitvoering van deze wet is een goede garantie voor het beheer van het archeologisch erfgoed. Dus is het belangrijk dat de AWN-afdelingen daar voldoende aandacht aan besteden.

Afb. 1 De regio van de AWN-Rijnstreek met de gemeentelijke indeling. In rood de gemeenten die ontstaan zijn na recentelijke fusies. Bron: auteur.

344

|

De invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg had nogal wat voeten in aarde, met name voor de kleine gemeenten. Daar ontbrak het aan mankracht en expertise om een archeologische waardenkaart te (laten) maken en archeologisch beleid op te zetten. De bouwactiviteiten gingen gewoon door en er verschenen nieuwe bestemmingsplannen waarin nog geen aandacht werd geschonken aan de archeologische belangen. De AWN-afdeling Rijnstreek omvat negentien gemeenten in het noordelijk deel van de provincie Zuid-Holland. Behalve de steden Leiden, Katwijk en Alphen aan den Rijn zijn het allemaal plattelandsgemeenten met minder dan 25.000 inwoners. In onze afdeling waren we ons bewust van deze situatie en we vroegen ons af hoe je als afdeling de ontwikkeling van een archeologiebeleid in wording in negentien gemeenten kunt volgen en een positieve bijdrage kunt leveren aan het beheer van het bodemarchief.

op zoek gegaan naar leden van historische verenigingen die ook lid waren van de AWN en hebben hen gevraagd of zij, namens de AWN en de historische vereniging, in een goede relatie met de gemeente, de archeologische ontwikkelingen wilden volgen. Dus extra ogen en oren om het archeologisch beleid van de gemeente kritisch te volgen. In een brief aan de AWNcorrespondent werd vastgelegd wat wij van de AWN-correspondent verwachten en in een brief aan de gemeente werd het bestaan van de AWN-correspondent aangekondigd en tevens aangegeven wat we van de relatie met de gemeente verwachten.

De AWN-correspondent Als AWN-afdeling wilden we de banden aanhalen met al die gemeenten en zijn we

Ervaringen tot nu toe De ervaringen zijn erg verschillend van gemeente tot gemeente. Het beste voor-

De rol van de historische vereniging is erg belangrijk; daarin zitten vaak mensen die het dorp kennen en vaak goed op de hoogte zijn van de ontwikkelingen ter plaatse. Het is verbazingwekkend hoeveel historische verenigingen en oudheidkamers er zijn, vaak actief in een dorp dat later opgegaan is in een grotere gemeente door de gemeentelijke herindelingen.

Belangenbehartiging bij AWN-afd. Rijnstreek

06-2013 binnenwerk.indd 344

02-12-13 10:07


beeld en ons rolmodel is de gemeente Katwijk, waar een gemeentearcheoloog werkzaam is. Daar vindt iedere twee maanden overleg plaats tussen de gemeentearcheoloog, vier AWN-correspondenten en de voorzitter van de AWN-afdeling Rijnstreek. Katwijk bestaat uit Katwijk aan den Rijn, Katwijk aan Zee, Valkenburg en Rijnsburg en iedere deelgemeente heeft zijn eigen karakter en een eigen historische vereniging en daar moet recht aan worden gedaan, daarom zijn er vier AWNcorrespondenten. Tijdens dit overleg worden uitgevoerd archeologisch onderzoek en eventuele knelpunten bij toekomstige archeologisch onderzoek besproken en komt ook de handhaving van het archeologisch beleid aan bod. In een achttal andere gemeenten vindt eveneens structureel overleg plaats in een iets mindere frequentie. Helaas zijn er nog drie gemeenten die nog geen archeologische waardenkaart en een archeologisch beleid hebben. Hier hopen we nog een positieve bijdrage te kunnen leveren aan het tot stand komen van het beleid. Onze ervaring is dat de meeste gemeenten in hun bestemmingsplannen of structuurnota’s een goede archeologische paragraaf hebben opgenomen, die op basis van de archeologische verwachtingskaart archeologisch onderzoek voorschrijft voor gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachting. Bestemmingsplannen en structuurnota’s kunnen digitaal via internet worden ingezien of liggen nog klassiek ter inzage. De gemeente moet als bevoegd gezag een selectiebesluit nemen na een onderzoekstap. Hier kan verschil van inzicht ontstaan over de noodzaak van verder onderzoek en dat maken we regelmatig mee in ons overleg. Praktijksituaties Er zijn af en toe uitdagingen met het toepassen van het archeologiebeleid in een gemeente. Ter illustratie twee gevallen die zich in de loop van de laatste jaren hebben voorgedaan: In Oegstgeest is langs de Oude Rijn een grote Merovingische nederzetting aange-

troffen die voor een deel is opgegraven. In het nieuwe bestemmingsplan gaf de gemeente aan dat er voldoende is opgegraven en dat de meeste onderzoeksvragen wel beantwoord zijn. Samen met de historische vereniging tekent de AWNafdeling bezwaar aan en weet met de hulp van archeologische experts voldoende argumenten op tafel te krijgen om het bestemmingsplan te laten aanpassen, zodat een veel groter deel vlakdekkend zal worden opgegraven. In de gemeente Teijlingen is een archeologisch beleid aangenomen waarin voor strandwalgebieden die nog niet verstoord zijn een onderzoeksplicht geldt wanneer de bodem dieper dan 30 cm wordt verstoord. De gemeenteraad gaat hiermee niet akkoord onder druk van de landbouwlobby. De AWN-afdeling heeft, wederom met hulp van experts, argumenten aangedragen aan het gemeentebestuur waarom dat het toch die 30 cm moet zijn en niet een meter. Conclusie Als afdeling hebben we goede ervaringen met het model van AWN-correspondenten. De nadelen zijn dat het veel tijd kost en dat je niet altijd beschikt over voldoende inzetbare mensen. De voordelen zijn dat je als afdeling erg goed op de hoogte bent van de archeologische ontwikkelingen en op deze manier een bijdrage kunt leveren aan een goed archeologiebeleid. Daarbij kan het voorkomen dat in gebieden die vrijgegeven worden, de AWN nog zelf onderzoek mag doen; dit in goed overleg met de eigenaar van de grond, de gemeente en de RCE.

J.W. Frisolaan 33 2252 HC Voorschoten rooserna@xs4all.nl

Noten 1 Pierre van Grinsven is voorzitter van de afdeling Rijnstreek en lid van de landelijke werkgroep belangenbehartiging.

Belangenbehartiging bij AWN-afd. Rijnstreek

06-2013 binnenwerk.indd 345

|

345

02-12-13 10:07


Rondom de stad

Gemeentelijke archeologie in... Katwijk De Archeologische Monumentenzorg en de ‘Methode Katwijk’ toegepast op de Planlocatie Valkenburg, gemeente Katwijk Boudewijn Voormolen1

Sinds 2007 wordt archeologisch vooronderzoek verricht op de Planlocatie Valkenburg, op en rond voor­ malig Marinevliegkamp Valkenburg (ZH), gemeente Katwijk. Deze locatie is gelegen op het kruispunt van het estuarium van de Oude Rijn en het duin- en strandwallenlandschap. Uit de resultaten van een uitvoerig proefsleuvenonderzoek blijkt een zeer grote archeologische rijkdom binnen het gebied. Omdat het archeologisch vooronderzoek vroeg in het traject van ruimtelijke planvorming is uitgevoerd, was het mogelijk om het behoud van vindplaatsen integraal binnen de planvorming af te wegen. Om te kunnen komen tot afwegingen tussen ex of in situ behoud van behoudenswaardige vindplaatsen is door de gemeente Katwijk speciaal voor dit plangebied een afwegingsmethodiek ontworpen, de ‘Methode Katwijk’. Deze methode is een aanvulling op de waarderingssystematiek conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 3.2. Met behulp van de methode is het mogelijk om een in situ behoud van vindplaatsen binnen de ruimtelijke ordening te optimaliseren, en bovendien besluitvorming hierover transparant te maken. Het terrein van voormalig Marinevliegkamp Valkenburg, gemeente Katwijk, maakt deel uit van Planlocatie Valkenburg waarbinnen de komende tientallen jaren woningbouw zal worden gerealiseerd. In het kader van de Wet Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening moet het gebied op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen worden onderzocht. Dit om waardevolle archeologische vindplaatsen binnen de planvorming te kunnen ontzien en eventueel op

346

|

te nemen als dubbelbestemmingen in de toekomstige bestemmingsplannen. Ten behoeve daarvan is karterend en waarderend archeologisch onderzoek uitgevoerd binnen een groot deel van Planlocatie Valkenburg, namelijk het deel gelegen binnen de zogenaamde rode contour. Dit is feitelijk het deel van de planlocatie dat gelegen is binnen de hekken rond voormalig Marinevliegkamp Valkenburg (afb. 1). De tijdens de onderzoeken aangetroffen vind-

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 346

02-12-13 10:07


plaatsen zijn door de hiervoor samenwerkende onderzoeksbureaus Archol BV en RAAP gewaardeerd op basis van de KNA 3.2. Op basis van deze waardering is een uitspraak gedaan over de behoudenswaardigheid van de vindplaatsen, het zogenaamde selectieadvies. Op basis van dit selectieadvies dient het bevoegd gezag, de gemeente Katwijk, op haar beurt te bepalen hoe met de als behoudenswaardig gewaardeerde vindplaatsen binnen de planvorming om wordt gegaan, het zogeheten selectiebesluit. De gemeente moet een besluit nemen over de vorm van het behoud van de vindplaatsen en moet daarom een keuze maken tussen ex situ behoud (buiten de grond), in situ behoud (in de grond) of geen behoud (vrijgeven). Katwijk was van mening dat in het geval van Planlocatie Valkenburg, vanwege de omvang van het plangebied en de complexiteit van de archeologie, een transparante en integrale afweging over de behoudsvorm plaats zou moeten vinden. Bovendien waren de resultaten van het vooronderzoek al bekend voorafgaande aan de opstelling van het Masterplan Locatie Valkenburg, waardoor een

integrale afweging binnen de ruimtelijke ordening mogelijk was. Daarbij is gebruik gemaakt van een speciaal voor het behoudsadvies en -besluit ontworpen afwegingsmethodiek, de ‘Methode Katwijk’. Met behulp van deze methodiek heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Katwijk eind 2012 een behoudsbesluit genomen over de behoudenswaardige vindplaatsen binnen de rode contour van Planlocatie Valkenburg. Het archeologisch vooronderzoek op Planlocatie Valkenburg. In 2007 is voor de Planlocatie Valkenburg een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd met daarbij een eerste kaartbeeld met archeologische verwachtingen.2 De directe aanleiding voor dit onderzoek was de vaststelling van de Integrale Structuurvisie (ISV) en de opmaat naar het Integraal Structuurplan (ISP) voor Planlocatie Valkenburg. Omdat in het ISP de eerste contouren van de ontwikkeling van woningbouw binnen het gebied werden vastgelegd, was een eerste beeld van de archeologische verwachtingen noodzakelijk. Dit werd

Afb. 1 Topografische kaart met de rode contour (Kerngebied) van Planlocatie Valkenburg, gemeente Katwijk, en de verdeling in onderzoeksgebieden. Afbeelding: Tol & Jansen, 2012.

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 347

|

347

02-12-13 10:07


Afb. 2 De positionering van de gegraven proefsleuven in het kerngebied van Planlocatie Valkenburg. Afbeelding: Tol & Jansen, 2012.

vooral ingegeven door de al bekende archeologische waarden in het noordoostelijk deel van de planlocatie in de omgeving van de N206 en oud Valkenburg. In dit gebied is sprake van een groot aantal bekende vindplaatsen die te relateren zijn aan de Romeinse limes en die als archeologisch monument staan aangegeven op de Archeologische Monumentenkaart van het rijk (AMK) en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie (CHS). De Romeinse limes is inmiddels ook opgenomen in de Structuurvisies Ruimte van zowel het rijk als de provincie Zuid-Holland, in het kader van de voorgenomen voordracht voor een werelderfgoed-status. Zoals verwacht, leverde het archeologisch bureauonderzoek een beeld van middelhoge tot hoge archeologische verwachtingen op. In het uiteindelijke ISP zijn, ondanks de bekendheid met deze verwachtingen, de meest intensief te ontwikkelen zones binnen de planlocatie op de gebieden met de hoogste archeologische verwachtingen geprojecteerd. Dit was de aanleiding om over te gaan op een gedegen karterend en waarderend archeologisch vervolgonderzoek om het kaartbeeld van het bureauonderzoek te kunnen toetsen en om vindplaatsen in kaart te brengen en te waarderen. In de periode 2008-2009 is een verkennend-landschappelijk booronderzoek, bestaande uit 241 boringen, en een beperkt proefsleuvenonderzoek in het kader van een aanlegvergunning verricht.3 Deze onderzoeken bevestigden het beeld van

348

|

het bureauonderzoek en scherpten voor het centrale deel van de planlocatie de middelhoge verwachting zelfs aan tot hoge archeologische verwachting. In het centrale deel werd tijdens het proefsleuvenonderzoek namelijk een goed geconserveerde vindplaats uit de IJzertijd ontdekt. Deze ontdekking leidde tot een in situ behoud van de vindplaats. Met behulp van een planaanpassing kon beschadiging van de vindplaats namelijk worden voorkomen en de vergunning worden verleend. Het uitgevoerde booronderzoek verschafte inzicht in de landschappelijke opbouw van het gebied en de aanwezigheid van archeologische indicatoren binnen de verschillende landschappelijke eenheden. Uit het booronderzoek bleek een grotere complexiteit van het gelaagde landschap binnen de planlocatie dan het bureauonderzoek voorspelde. Het centrale deel van de planlocatie bleek niet alleen een komgebied, maar had als voorganger een voormalig kwelderlandschap, doorsneden door diverse getijdegeulen. Op de oevers van die geulen kunnen bewoningsresten uit de prehistorie bewaard zijn, en diverse archeologische indicatoren in de boringen wezen hier ook op. De in het kader van de vergunningaanvraag aangetroffen vindplaats uit de IJzertijd werd dan ook aangetroffen op een oever langs een geul. Omdat in een dergelijk landschap ook kleine, maar mogelijk wel belangrijke, vindplaatsen kunnen worden verwacht, is voor de karterende en waarderende onderzoeksfase

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 348

02-12-13 10:07


gekozen voor een archeologisch proefsleuvenonderzoek met een dekkingsgraad van circa 8% over het gehele plangebied. 4 Om grip te kunnen krijgen op kleine vindplaatsen is gekozen voor een strategie bestaande uit een combinatie van lange sleuven van 4 meter breed op circa 120 á 150 m afstand van elkaar, met daartussen korte sleuven van 30 m lang en 4 m breed op een onderlinge afstand van 30 m (afb. 2). De uitvoering van dit onderzoek vond plaats in 2010 en 2011. Van de in totaal 283 hectare grond binnen de rode contour van Planlocatie Valkenburg, is 258 hectare archeologisch onderzocht met behulp van proefsleuven. Er werden in totaal 21 archeologische vindplaatsen aangetroffen.5 De nog niet onderzochte delen binnen de rode contour, en de gebieden die buiten de rode contour vallen, zullen indien planvorming dat noodzakelijk maakt later nog worden onderzocht. Het voormalig landschap en de archeologie Uit het proefsleuvenonderzoek is gebleken dat het onderzochte deel van Planlocatie Valkenburg geheel gelegen is binnen het oude estuarium van de Rijn, daar waar zee en rivierdelta bij elkaar kwamen. Feitelijk is een reeks van verschillende landschappelijke fasen van het steeds verder verlande Rijnestuarium aangetroffen.6 Samengevat luiden de conclusies over de aangetroffen landschappen als volgt:

Kwelder – Krekenlandschap (afb. 3). De invloed van de getijden wordt minder en delen van het gebied staan permanent droog. Dit zijn vooral de hogere oevers van getijdenkreken die het kwelderlandschap doorsnijden. Op deze, hogere en drogere, oevers van de getijdenkreken kon men wonen. Gedurende het onderzoek is op de kreekoevers dan ook bewoning aangetroffen. Deze bewoning is te dateren in de periode vanaf de Late Bronstijd tot in de Late IJzer-

Afb. 3 Reconstructie van het begraven kwelderlandschap op basis van profielopnamen en boringen. In het blauw de geulen van de kwelderkreken, in het geelbruin de oevers van de kwelderkreken en in het groen de nattere kwelderkommen. Linksmidden is in het donkergrijs de ingesneden geul van de zeearm geprojecteerd. Afbeelding: Tol & Jansen, 2012.

Estuarium – Wadlandschap Het oudste te onderscheiden landschap is een Estuarium – Wadlandschap. Dit landschap stond continu onder invloed van de zee vanwege een open verbinding met de zee, en is vergelijkbaar met een getijdengebied zoals de Wadden. Vanwege de permanente invloed van het tij zal dit landschap onbewoonbaar zijn geweest. Het heeft bestaan gedurende de periode Late Steentijd – Bronstijd. Dit landschap zal voor de mens wel toegankelijk zijn geweest voor speciale activiteiten zoals jacht en visserij. Vanaf de Late Steentijd woonde men namelijk al op de hooggelegen strandwallen in de nabijheid van het Rijnestuarium, direct ten noorden en zuiden van de planlocatie, en kon men het estuariumlandschap exploiteren. Tijdens het onderzoek zijn binnen dit landschap geen archeologische vindplaatsen aangetroffen. Het is daarmee echter zeker niet uitgesloten dat er nog archeologie aanwezig is. De archeologische neerslag van speciale activiteiten zoals jacht en visserij is doorgaans zo gering in omvang dat deze gemakkelijk wordt gemist tijdens prospectief onderzoek. Kwelder – Krekenlandschap Vanaf de Bronstijd ontstaat in het gebied een

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 349

|

349

02-12-13 10:07


Afb. 4 Scoretabel voor archeologische behoudsadviezen conform de ‘Methode Katwijk’ voor de vindplaatsen binnen Planlocatie Valkenburg. Afbeelding: Voormolen, 2012.

350

|

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 350

02-12-13 10:07


tijd en mogelijk ook nog in de vroeg-Romeinse Tijd. De aangetroffen archeologische neerslag uit deze perioden bestaat onder meer uit nederzettingen met woningen en opslaggebouwen, gelegen op de droge kreekoevers. Op de flanken van de oevers werden de akkercomplexen en andere vormen van landinrichting teruggevonden. Daarnaast is er in de wijde omgeving van de nederzettingen sprake van archeologische verschijnselen die te maken hebben met agrarisch gebruik en inrichting van het lager gelegen kwelderlandschap. Deklandschap, getijdenafzettingen en afzettingen van de Oude Rijn Vanaf de Midden-IJzertijd worden in het gebied grote hoeveelheden klei afgezet. Deze kleien dekken het voormalige kwelderlandschap af; daarom wordt ook gesproken van ‘dekafzettingen’. Door het reliëf van het onderliggende kwelderlandschap varieert de dikte van het afgezette pakket dekafzettingen binnen het gebied. De dekafzettingen hebben twee bronnen: 1. De Oude Rijn, die in die periode in het noordoostelijk deel van het gebied het landschap gaat domineren; 2. Een grote watervoerende geul in het zuidwestelijk deel van het onderzoeksgebied (afb. 3). Deze geul betreft naar alle waarschijnlijkheid een getijdengeul, oftewel een zeearm. Er is binnen de planlocatie dus mogelijk sprake van zowel dekafzettingen afgezet onder invloed van de Oude Rijn als van dekafzettingen afgezet onder invloed van de zee. Langs de zeearm in het zuidwesten van de planlocatie ontstonden in de loop der tijd oevers. Op deze hogere en droge oevers is een lint van bewoning aangetroffen uit de periode Midden-IJzertijd – Romeinse Tijd. De afzettingen van de Rijn bevinden zich vooral in het noordwestelijk deel van de planlocatie. Er is daar sprake van meerdere watervoerende riviergeulen. Gedurende hoge waterstanden breekt de Oude Rijn daar zo nu en dan door haar oevers. Tijdens deze doorbraken worden oude dekafzettingen verstoord en worden zandige kleien afgezet, de zogenaamde ‘crevasseafzettingen’. In zowel de dekafzettingen als in deze crevasse-afzettingen is archeologie uit de Romeinse Tijd en later aangetroffen. Gelet op de verschillende landschappen in combinatie met de aangetroffen archeologie en de datering daarvan, kan geconcludeerd worden dat ten tijde van de vroegste bewoning van het deklandschap de hogere delen (kreekoevers) van het kwelderlandschap nog steeds betreedbaar waren. Op de dekafzettingen in het zuidwesten van het gebied woonde men al sinds de IJzertijd, en men woonde daar nog steeds toen op de dekafzettingen en oever-

4. Inhoudelijke Waarde

Lage Score

niet Behoudenswaardig

Lage Score

Ex situ Behoudenswaardig

Bovengemiddelde Score

5. Contextueel Landschappelijke

Inpassingwaarde

Bovengemiddelde Score

In situ Behoudenswaardig

wal van de Oude Rijn de Romeinse limeszone werd ingericht. Het kwelder-krekenlandschap is het meest intact gebleken, afgedekt en beschermd door de latere dekafzettingen. Het deklandschap is echter matig tot zwaar verstoord door recente egalisatie, afgravingen ten behoeve van de baksteenindustrie, en de aanleg van het Marinevliegkamp met de daarin aangelegde infrastructuur. Het behoudsadvies en de selectie van vindplaatsen volgens de ‘Methode Katwijk’ Per aangetroffen archeologische vindplaats dient conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) een waardering te worden geformuleerd. Daarbij zijn op basis van het waarderingskader uit de KNA 3.2 twee verschillende waardestellingen mogelijk, behoudenswaardig of niet-behoudenswaardig. Door het bevoegd gezag moet vervolgens een keuze worden gemaakt tussen een behoud in situ (bescherming en inpassing), behoud ex situ (opgraven) of alsnog afzien van een behoud (de-selectie en vrijgave). Er bestaat echter geen afwegingskader voor het onderscheid tussen de verschillende vormen van behoud. Er is voor deze stap binnen de archeologische monumentenzorg geen richtlijn voorhanden; het wordt overgelaten aan het proces van politiek-bestuurlijke afweging waarbij ook andere belangen zoals milieu en economie worden meegewogen.

Afb. 5 Stroomdiagram voor de post-KNA waardering, conform de ‘Methode Katwijk’ voor behoudenswaardige vindplaatsen om te komen tot behoudsbesluiten. Afbeelding: Voormolen, 2012.

Behoud door dubbelbenutting De koppeling van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg aan de Wet Ruimtelijke Ordening heeft de mogelijkheid gecreëerd om in situ behoud van waardevolle vindplaatsen planologisch toepasbaar te maken. Toch wordt de reservering van ruimte voor in situ behoud vaak nog slechts gezien als een kostenpost, inkomstenverlies door minder uitgeefbare vierkante meters. Vooral ten aanzien van gro-

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 351

|

351

02-12-13 10:07


Afb. 6 Overzicht van de behoudenswaardige vindplaatsen binnen Planlocatie Valkenburg rode contour, hun aard, en de genomen behoudsbesluiten. Afbeelding: Voormolen, 2012.

te plangebieden is het echter mogelijk om in situ behoud binnen de planvorming te optimaliseren, namelijk door vroegtijdig archeologisch onderzoek uit te voeren en het behoud van vindplaatsen samen met de inrichting van het plangebied integraal af te wegen. Dat kan bijvoorbeeld door de mate van inpasbaarheid, of planologische benutbaarheid, mee te wegen bij het te nemen behoudsbesluit over een vindplaats. Indien binnen een planontwikkeling een recreatieve of groenzone moet worden ingepast kan er bijvoorbeeld naar gestreefd worden dat binnen het ruimtelijk ontwerp een waardevolle archeologische vindplaats met een dergelijke zone komt samen te vallen. Hierdoor ontstaat ruimtelijke dubbelbenutting en ontstaan ook betere mogelijkheden voor vertaling van de ondergrondse informatie naar bovengrondse verbeelding. Er is binnen een recreatieve zone meer ruimte voor reconstructie en landschapshistorische verbeelding dan midden in een woonwijk. Dit draagt bij aan vergroting van het draagvlak voor in situ behoud binnen de ruimtelijke ordening; het wordt voor planologen functioneel. De criteria en het behoudsadvies Speciaal voor het archeologisch onderzoek binnen Planlocatie Valkenburg is een methode ontworpen waarmee gepoogd is het behoud van vindplaatsen in relatie tot de planontwikkeling te optimaliseren.7 Met behulp van deze methode kon tot een onderbouwd en transpa-

352

|

rant archeologisch behoudsadvies worden gekomen. Op basis van dit behoudsadvies heeft het gemeentebestuur van Katwijk eind 2012 het behoudsbesluit genomen en is tevens het Masterplan Locatie Valkenburg, waarmee het behoudsadvies integraal is afgestemd, op 11 juli 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. De binnen de methode gebruikte archeologische criteria zijn gebaseerd op regionale en lokale kennis, in plaats van de landelijke criteria die gangbaar zijn binnen het KNA-waarderingssysteem. Bovendien zijn criteria opgenomen die een relatie hebben met het landschap en de ruimtelijke planvorming (zie voor de criteria en onderliggende sub-criteria afb. 4). De scores op de gebruikte criteria geven aan in hoeverre een vindplaats, naast KNA-technisch behoudenswaardig, ook als behoudenswaardig wordt beoordeeld voor het lokale erfgoedbestand. Daarnaast zorgt de methode voor een afweging en keuze tussen behoud door opgraving of behoud door bescherming en inpassing van een vindplaats. Met behulp daarvan kan door het bevoegd gezag een weloverwogen behoudsbesluit worden genomen. Net als met de KNA-technische waardering van archeologische vindplaatsen gebeurt de waardering ten behoeve van de archeologische behoudsbesluiten ook door het toekennen van een meetwaarde aan waarderingscriteria. Om tot een afweging te komen wordt daarvoor een intervalschaal gebruikt met scores van 1 (laag), 2 (midden) of 3 (hoog). De

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 352

02-12-13 10:07


waarden met waarderingscriteria ten behoeve van het archeologisch behoudsbesluit hebben de hoofdnummering 4 en 5 meegekregen. Deze vervolgnummering is gekozen om zo enerzijds het onderscheid tussen de voorafgaande KNA-waardering en het behoudsbesluit aan te geven, maar tevens de continuïteit en opvolging binnen het proces van de archeologische monumentenzorg te benadrukken. De gedefinieerde waarden zijn opgebouwd uit twee sub-niveaus, bestaande uit drie onderliggende criteria die elk weer uit drie sub-criteria bestaan. Op de sub-criteria wordt positief (+), matig of onzeker (-/+) of negatief (-) gescoord. De sommen van de positieve scores vormen de scores van 1, 2 of 3 voor de criteria. De waardering van een vindplaats ten behoeve van een archeologisch behoudsbesluit vangt aan bij de inhoudelijke waarde. Deze waarde is vergelijkbaar met de waarde inhoudelijke kwaliteit die in de KNA wordt gebruikt. In dit geval worden echter de criteria getoetst op basis van regionale en lokale (gemeentelijke) onderzoeksvragen en archeologische kennis. Bij een lage score (minder dan 7 punten) is de vindplaats niet behoudenswaardig omdat de waarde van de vindplaats voor het gemeentelijke en regionale erfgoed niet voldoende is om over te gaan op een vorm van behoud. De KNA-waardering wordt dan niet overgenomen. In principe zal dat in de praktijk betekenen dat de

vindplaats opgegeven wordt, tenzij wordt besloten tot de uitvoering van een vorm van extensief archeologisch onderzoek, bijvoorbeeld door amateurarcheologen. Indien een vindplaats bovengemiddeld (7 of meer) scoort op de inhoudelijke waarde is ze wel behoudenswaardig en wordt ze gewaardeerd op haar contextueel landschappelijke inpassingwaarde en is ze in situ behoudenswaardig, een behoud door middel van planinpassing en bescherming. Als de vindplaats op deze waarde een lage score heeft (minder dan 7 punten), is ze wel behoudenswaardig, echter alleen ex situ behoudenswaardig, dus behoud door definitieve opgraving. In afbeelding 5 is dit waarderingsproces in schema weergegeven. De behoudsbesluiten voor Planlocatie Valkenburg binnen de rode contour Voor 17 als behoudenswaardig gewaardeerde vindplaatsen binnen de rode contour van Planlocatie Valkenburg is een behoudsadvies geformuleerd en een behoudsbesluit genomen (zie afbeeldingen 6 en 7 voor een overzicht).8 Voor zes vindplaatsen kon het advies ‘in situ behoud’, voor zes vindplaatsen het advies ‘ex situ behoud’ en voor drie vindplaatsen het advies ‘geen behoud’ worden geformuleerd. Voor twee vindplaatsen is geadviseerd nog nader waarderend onderzoek uit te voeren alvorens een definitief behoudsbesluit tot opgraven, ex

Afb. 7 Overzicht op kaart van alle gedocumenteerde vindplaatsen binnen Planlocatie Valkenburg rode contour en de genomen selectie- en behoudsbesluiten. Afbeelding: Voormolen, 2012.

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 353

|

353

02-12-13 10:07


situ behoud, te nemen. De meest omvangrijke in situ behouden vindplaats is die met bewoning uit de Late Bronstijd en met componenten uit de Vroege en Late IJzertijd (vindplaats 1; Kwelder Noord). Het betreft een nederzetting waarvan de bewoning zich bevond op de oostelijke oever van een kweldergeul terwijl de akkercomplexen en landinrichting behorende bij de nederzetting zich op de westelijke oever van dezelfde kweldergeul bevinden. De vindplaats is rijk aan vondstmateriaal en er is sprake van zeer goede conserveringsomstandigheden. Door deze locatie, met een totaalomvang van 7 hectare, in te passen binnen de planvorming, kan een gefossiliseerd landschappelijk element inclusief goed geconserveerde informatie over menselijke bewoning en landschapsgebruik voor de toekomst worden behouden. Daarnaast kunnen ook delen van het nederzettingslint uit de IJzertijd – Romeinse Tijd, aanwezig op de oever van de zeearm, in situ worden behouden. De in te passen nederzettingslocaties (vindplaatsen 5a en 6a) kunnen namelijk gecombineerd worden Noten 1 Boudewijn Voormolen is beleidsmedewerker archeologie bij de gemeente Katwijk. 2 Van Oort, Houkes en Jongste, 2007. 3 Jansen, Mol en Tol, 2010. 4 Jongste en Voormolen, 2009. 5 Tol en Jansen, 2012. 6 Tol en Jansen, 2012. 7 Voormolen, 2012. 8 Voormolen, 2012. 9 Voor meer informatie over, en illustratie van, de gedocumenteerde archeologische vindplaatsen binnen Planlocatie Valkenburg, zie Archol Rapport 172, 2012, en het Selectie- en Behoudsadvies van de gemeente Katwijk, 2012. Literatuur Jansen, J., J. Mol en A.J. Tol, 2010: Boren en graven in de delta van de Oude Rijn. Een inventariserend veldonderzoek in plangebied Nieuw Valkenburg, Archol rapport 130, Universiteit Leiden-Archol-RAAP, Leiden. Jongste, P., B. Voormolen en A.J. Tol, 2009: Masterplan Nieuw-Valkenburg, Laag Archeologie, Project Locatie Valkenburg, Katwijk. Tol, A.J., en B. Jansen (ed.), 2012: Sleuven door de delta van de Oude Rijn, Plangebied Nieuw Valkenburg, gemeente Katwijk. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, Archol-Raap, Archol Rapport 172, Leiden. Oort, H.J. van, R.A. Houkes en P. Jongste, 2007: Plangebied Valkenburg (gemeenten Katwijk en Wassenaar) waaronder voormalig Marinevliegkamp Valkenburg. Archeologisch Bureauonderzoek en Verwachtingskaart, Hazenberg AMZ Publicaties 2007-13, Hazenberg Archeologie, Leiden. Voormolen, B., 2012: Een archeologisch Selectie- en Behoudsadvies voor de vindplaatsen binnen de rode contour van Planlocatie Valkenburg, gemeente Katwijk. Met behulp van een waarderingsmethode ten behoeve van besluitvorming over behoudenswaardige archeologische vindplaatsen door het bevoegd gezag, gemeente Katwijk, 2012.

354

|

beschermd met een groenmonument, het Bunkerbos, en het zogenaamde helofytenfilter, een waterzuiveringslocatie. Zo ontstaat een groene ontsluitingszone waarlangs recreatieve routes zullen worden aangelegd. Onder de ex situ te behouden vindplaatsen bevinden zich locaties met resten behorende bij de Romeinse limes, waaronder houten funderingen van militaire gebouwen en greppelsystemen (vindplaatsen 7 en 8). Ook zullen grote delen van het nederzettingslint op de oever van de zeearm (vindplaats 5b) en sporen van agrarische activiteiten uit de Late Bronstijd en IJzertijd in het kwelderlandschap moeten worden gedocumenteerd door middel van opgravingen (vindplaats 2). Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat de planlocatie zeer rijk is aan behoudenswaardige archeologie. Dit heeft alles te maken met het feit dat het gebied is gelegen op een kruispunt van verschillende landschappelijke zones met daarin een diversiteit aan bewoningspatronen door de tijd heen. De neerslag van deze bewoning- en gebruikspatronen kan in het kort worden samengevat als: 1. Prehistorische, brons- en ijzertijdbewoning en gebruik van een kwelderlandschap; 2. Lintbebouwing langs een zeearm tijdens de IJzertijd en Romeinse Tijd; 3. De Romeinse limes op en langs de oevers van de Oude Rijn; 4. De ingerichte omgeving van Oud Valkenburg in de Middeleeuwen; 5. Het WO2 verleden van een voormalig vliegkamp. Het gaat in het geval van Planlocatie Valkenburg om een grote variatie aan archeologische vindplaatsen en fenomenen.9 Bij elkaar genomen vertegenwoordigen deze een grote tijdsdiepte en een rijk bestand aan kennis over het leven van samenlevingen door vele eeuwen heen. Valkenburg en omgeving kan zich hiermee onder de rijkste archeologische locaties van Nederland rekenen. Met de ontwikkeling en toepassing van de ‘Methode Katwijk’ zijn enkele hoogwaardige archeologische vindplaatsen geselecteerd om voor de toekomst bewaard te blijven. Tevens is gepoogd een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van het gemeentelijk archeologiebeleid, en aan de optimalisatie van de archeologische monumentenzorg in relatie tot de ruimtelijke ordening in Nederland. Postbus 589 2220 AN, Katwijk b.voormolen@katwijk.nl

Rondom de Stad

06-2013 binnenwerk.indd 354

02-12-13 10:07


Literatuurrubrieken

Signalementen Afb. 1 Spits van de Havelterberg. Neanderthaler artefact. Uit: In het spoor van George Hendrik Voerman.

Annelies Berends, Verdronken Dorp. Op zoek naar archeologische vondsten uit het verdronken turfstekersdorp Beulake. Spa-uitgevers, Zwolle 2012. ISBN 97890-8932-102-2. Geïll., 77 pag., € 13,50 De naam van het verdronken dorpje Beulake gelegen in de kop van Overijssel, is een verbastering van het vroegere ‘Bodelaecke’, waarvan ‘bode’ verwant is met het Duitse ‘Bude’ (stal), het Friese ‘bode’ (schuur) en Nedersaksische ‘boô’, een hut voor koeien of schapen. Een ‘laecke’ of ‘lake’ is een moerassig gebied of een watertje ter afgrenzing van een dorpsgebied. De inwoners van Beulake waren gezinnen van zowel Nederlandse als Duitse afkomst. Zij leefden van de turfwinning, en leden een armoedig bestaan. Eigentijdse bronnen vermelden daarover: “In de Beulake was het byzonder ellendig gesteld. Dit Dorp door zyne nabyheid aan den Zeedyk, en dus voor den eersten aanval des waters blood liggende, en meest bestaande uit groote veenplassen, streckte het eerst en meest ter woede van de Zee: de huizen en turfschuuren, van de ingezetenen, werden ylings door de baren vernield; derzelver turf (welker koopmanschap aldaar ter plaatse, het eenig middel van der inwoonderen bestaan uitmaakt) ja groote stukken Veenlands dreven weg”. Uiteindelijk is het dorp ten onder gegaan aan haar eigen bestaanswijze: grootschalige turfstekerij. Het land rondom de huizen veranderde steeds meer in een waterige gatenkaas. Na het hoogwater van 1776 en 1779 bleven volgens de overleveringen alleen twee huizen en de kerk overeind staan, de rest verdronk. Duikers hebben in de loop der tijd, in samenwerking met de ROB en de voormalig provinciaal archeoloog, Ad Verlinde, kratten vol fragmenten van gebruiksvoorwerpen naar de oppervlakte gebracht, waarvan tot nu toe slechts enkele bijzondere en/of mooie objec-

ten zijn gepubliceerd. Door de provincie Overijssel is een project opgestart, waarbij geïnventariseerd is wat er aan oud onderzoeksmateriaal in het archeologisch depot aanwezig is. Als eerste zijn de vondsten van Beulake daarvoor in aanmerking gekomen. De vondsten bestaan voornamelijk uit keramiek en glas, afkomstig uit de periode 1716-1776. Ook zijn er kleine groepen voorwerpen bewaard van metaal, hout, leer en steen. Het vondstcomplex is zo groot en divers qua vorm dat kan worden aangenomen dat hierin het overgrote deel van het typisch 18e-eeuwse huisraad wel vertegenwoordigd is. Bestudering van dat materiaal heeft een waardevol beeld opgeleverd van het leven van de allerarmsten op het platteland en heeft uiteindelijk geleid tot de uitgave van het nu verschenen publieksboekje. ** *

Marcel J.L.Th.Niekus, Frans de Vries & Wim van der Wijk (red.), In het spoor van George Hendrik Voerman. Archeologie & landschap van het Holtingerveld. Archeologisch Centrum West-Drenthe, Diever 2013. ISBN 978-90902773891. Geïll., 169 pag., € 19,50 Voerman, aan wie dit boek is opgedragen, is opgegroeid in Drenthe en keert in 1932 daarLiteratuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 355

|

355

02-12-13 10:07


Afb. 2 Bijpotje uit Middenbronstijdgraf. Uit: In het spoor van George Hendrik Voerman.

naar terug na een administratieve loopbaan bij de Nederlandse en Zuid-Afrikaanse Spoorwegen. Daar, in Havelte, wijdt hij zich aan het verzamelen van postzegels, numismatiek en het zoeken van prehistorische vuurstenen artefacten. Als een van de eersten in ons land ontdekt en herkent hij werktuigen uit het Paleolithicum, en wel in het Westerzand (1932) en in het Holtingerzand (1935), behorend tot de laatpaleolithische Hamburg-cultuur. Holtingerzand leverde een bijzonder type pijlspits op, dat thans als Havelte-spits bekend staat. Verschillende auteurs hebben belangeloos hun bijdrage aan het boek gegeven, waarbij Voerman en het Holtingerveld centraal staan: - De ontstaansgeschiedenis van het Holtingerveld (Enno Bregman); - Het landschap van het Holtingerveld door de eeuwen heen (Esgo Kuiper & Theo Spek); - Vegetatie en fauna van het Holtingerveld in kort bestek (Hans Dekker); - George Hendrik Voerman, de steentjeszoeker van Havelte en Boijl (Ans Burie-Gotink); - Voerman en zijn tijdgenoten (Harm Tjalling Waterbolk); - In het spoor van George Hendrik Voerman (Sake W. Jager) en - Rendierjagers in het Holtingerveld (Marcel J.L.Th. Niekus & Frans de Vries). ** *

Lutz Volmer & Wolf Haio Zimmerman (eds.), Glossary of Prehistoric and Historic Timber Buildings. French, English, Dutch, German, Danish, Norwegian, Swedish, Polish and Czech. Introduction, definitions and drawings (Studien zur Landschaftsund Siedlungsgeschichte im südlichen Nordseegebiet, Band 3). Niedersächsisches Institut für historische Küstenforschung, Wilhelmshaven, 2012. ISSN 1867-2752. Geïll., 482 pag., € 59,80. Vakwerkhuizen en daarmee vergelijkbare constructies komen en kwamen in een groot deel van Europa voor. Vaak zijn ze opgericht vanuit dezelfde traditionele technieken, maar een internationale beschouwing daarvan verzandt als snel in een Babylonische spraakverwarring. Om daaraan tegemoet te komen wordt in deze publicatie weergegeven hoe huistypen, wand- en dakconstructies, houtverbindingen, de gebruikte materialen, de aangewende gereedschappen, de toegepaste technieken en alles wat daarmee samenhangt, in elk van de

356

negen onderscheiden taalgebieden wordt genoemd. Dit standaardwerk omvat niet minder dan 900 begrippen over de houtskeletbouw vanaf het Neolithicum tot en met het begin van het industriële tijdperk 1800/’50. ** *

Annemarieke Willemsen en Marieke Ernst, Honderden ... Middeleeuwse mode in metaal. Sierbeslag op riemen en tassen uit de Nederlanden 1300-1600. SpaUitgevers, Zwolle 2012. ISBN 978-908932-110-7. Geïll., 152 pag., € 19,50 Riemen, tassen en schoenen zijn van alle tijden. In de Late Middeleeuwen is daarop vaak een sierbeslag aangebracht. In goud en zilver voor de rijken en in lood-tin voor de overgrote minder bedeelde lagen van de bevolking. Met deze publicatie geven Annemariek Willemsen en Marlieke Ernst aan de hand van de collectie van het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden een beeld van deze middeleeuwse mode. De collectie van het museum omvat ruim 1500 verschillende middeleeuwse stukjes sierbeslag uit de periode 1300-1600, en is daarmee de omvangrijkste verzameling van Europa. Het grootste deel is gevonden in het dorp Nieuwlande, op het verdronken land van Zuid-Beveland dat in 1530 en 1533 ten onder is gegaan. Het merendeel van dat materiaal is verworven door aankoop van mensen die systematisch met hun metaaldetector de verdronken dorpen exploiteerden, maar het RMO gaat, zoals bij een groot deel van haar eerder verworven collecties, voorbij aan de ethische kant van het op commerciële basis verzamelen van archeologica. Wat opvalt is de grote diversiteit van het sierbeslag en de variatie in toepassing ervan. Niet alleen werden riemen en accessoires met beslagwerk verstevigd, de metalen versieringen waren ook een geschikt medium om boodschappen en identiteit uit te dragen. Er was ruime keuze aan vormen, die bovendien modegevoelig waren. Zo zijn er allerlei geometrische motieven, bloemen en bladeren, gezichten van mensen, koppen van dieren, hemellichamen, gebouwen, gebruiksvoorwerpen, nagebootste wapenschildjes en namaakmunten. Er zitten opvallend veel letters en symbolen bij; van verwijzingen naar de liefde tot status en religie. Het aardige van deze publicatie is dat de samenstelsters ervan tal van afbeeldingen van schilderijen, handschriften en tapijten laten zien, waarop de middeleeuwse elite pronkt met vergelijkbaar beslagwerk.

| Literatuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 356

02-12-13 10:07


** *

Arbeits- und Forschungsberichte zur sächsischen Bodendenkmalpflege, Band 53/54, 2011/2012. Landesamt für Archäologie, Dresden 2013. ISBN 9783-943770-05-6 / ISSN 0402-7817. Geb., geïll., 552 pag., € 95,--. Het zwaartepunt van deze bundel ligt op Brons- en IJzertijd in de omgeving van Dresden. Bijzonder zijn de kelk- of eierdopvormige bekers uit de IJzertijd, raadselachtige keramisch objecten, die ook in ons land voorkomen en waarvan de geografische spreiding in deze bundel wordt belicht. Qua vorm en misschien ook wel functie zijn ze vergelijkbaar met onze hedendaagse geurbrandertjes waarin vooral dames etherische oliën plegen te verdampen. De wat jongere perioden worden niet vergeten met het onderzoek van de inhoud van een Dresder beerput uit de tweede helft van de 17e eeuw en met de fragmenten van een laatgotische tegelkachel. ** *

Tobias Buitenkamp, Joëlla van Donkersgoed, Marlieke Ernst en Daniëlle Meuleman (red.), SOJA (symposium onderzoek jonge archeologen) E-bundel 2011. Leiden 2011. Uitgegeven op cdrom. Niet minder dan 23 sprekers vanuit universiteiten en commerciële ondernemingen uit Nederland en België presenteerden zich op de achtste bijeenkomst voor jonge archeologen. Een dertiental van de daar gehouden voordrachten zijn in deze publicatie gebundeld. Tijdens het symposium, dat op 1 april 2011 in Leiden plaatsvond, is niet alleen het onderzoek in West-Europa aan bod gekomen, maar ook de archeologie in het Nabije Oosten, de Klassieke Wereld en Egypte. Aanverwante wetenschappen worden evenmin geschuwd. Die brede variatie komt ook in deze bundel tot zijn recht: mesolithische benen spatula uit HardinxveldGiessendam, een kritische benadering van de traditionele periodisering van de Bronstijd op basis van aardewerk uit Oss, zoektocht naar verdronken dorpen in Zuidwest-Nederland, computertoepassingen binnen de archeologie met een focus op de nieuwste mogelijkheden van 3-D technieken, zoektocht naar verwantschap met behulp van oud-DNA, onderzoek op

laatmiddeleeuws skeletmateriaal uit een grafkelder in Deurne, enzovoorts. Een aardig artikel is ondermeer dat van Marijn Stolk onder de titel ‘Lood om oud ijzer; onderzoek naar gebruik van lood in de Romeinse tijd’. Loodvondsten uit de haven van Forum Hadriani tonen aan dat lood er destijds ruimschoots voorhanden moet zijn geweest: men sprong er althans niet zuinig mee om. Het is daar onder meer gebruikt voor de reparatie van schepen en van aardewerk! ** *

Vormen uit Vuur (Nederlandse vereniging van vrienden van ceramiek en glas), nr. 221, 3013/2. ISSN 0927-748X. Deze editie bevat een interessant artikel van Michel Hulst (glasspecialist bij het Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam), gewijd aan 17e-eeuws glas met maskerons en leeuwenkopstammen uit de Amsterdamse bodem. In die periode is Amsterdam een belangrijk productiecentrum van kleurloos luxe glaswerk het zogenaamde ‘façon de Venise’. Hoewel het in Nederland opgegraven glaswerk van dit type steevast aan Amsterdamse glashuizen wordt toegeschreven, was identificatie ervan tot voor kort onzeker. In dit artikel beperkt Michel zich tot drinkbekers, tazza’s, schertsdrinkgerei in de vorm van een kanon, kelkglazen etc., vervaardigd uit kleurloos glas, die van een in het oogspringende decoratie zijn voorzien. De door middel van mallen en stempels op het glaswerk aangebrachte decoraties hebben zoveel detail, dat het daartoe gebruikte gereedschap is te onderscheiden. Daardoor kan het elders in de stad gevonden voorwerp goed worden vergeleken met glasafval van onderzochte glaswerkplaatsen, zodat de herkomst ervan kan worden achterhaald. Daarbij is tevens een beeld ontstaan van de stijlkenmerken van het Amsterdamse glaswerk uit de vroege 17e eeuw.

Afb. 3 In Amsterdam vervaardigde beker met leeuwenmasker à la Façon de Venise, bodemvondst Amsterdam, eerste kwart 17e eeuw. Uit: Vormen uit Vuur.

** *

De Maasgouw (tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en archeologie), 132e jrg.,2013, nr. 2. ISSN 1380-4170. Onder de titel ‘De visconsumptie in Limburg vanuit archeo-ichthyologisch perspectief’ pleit Bob Beerenhout voor samenwerking tussen historische en archeologische disciplines om informatie te verkrijgen over visconsumptie,

Literatuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 357

|

357

02-12-13 10:07


Afb. 4 Tegel met afbeelding van pijprokend zeemonster, midden 17e eeuw. Uit: Jaarboek PKN 2013

Afb. 5 Een van de twee fibulae met voorstelling van Ot(te)r uit Basel (CH), 6e eeuw. Uit: Zeitschrift für Schweizerische Archäologie und Kunstgeschichte.

358

visserij en vishandel in Limburg. Met uitzondering van Venlo is toe nu toe bij archeologisch onderzoek in die provincie geen of weinig aandacht geschonken aan visresten. Van sommige vissen, zoals de prik, zullen zelfs nooit resten in archeologische contexten te voorschijn komen, om de eenvoudige reden dat zij volledig vergaan. Die vis komt in de historische bronnen dan weer wel duidelijk naar voren. ** *

PKN Stichting voor onderzoek historische tabakspijpen, Jaarboek 2013 (red. Arjan de Haan en Bert van der Lingen). Leiden. ISBN 978-90-801138-0-0. Geïll., 158 pag. Het jaarboek van de Pijpelogische Kring Nederland (PKN) omvat weer een keur van artikelen waarin de tabakspijp vanuit verschillende invalshoeken wordt belicht. Zo schrijft Wiard Krook over de afbeelding van pijprokers op wandtegeltjes. Ron de Haan gaat in zijn bijdrage in op de tweedeling in Europa tussen de steelpijpen die vooral in West-Europa zijn gemaakt tegenover de manchetpijpen uit Oost-Europa en Turkije. Een heel andere benadering presenteert Arjan de Haan, die een relatie legt tussen Amerikaanse folklore en de in Europa voor de export gefabriceerde pijpen. Arthur van Esveld belicht enkele bijzondere pijpen uit de catalogus van Gambier, terwijl Ruud Stam uitlegt waarom de ontwikkeling van de pijpennijverheid in België zo anders is verlopen als die in Nederland. Nederlandse bodemvondsten komen aan bod in bijdragen van Ewout Korpershoek (Een Duits engeltje in Leiden) en Bert van der Lingen (kleipijpen uit vooral Alphen a/d Rijn op de scheepswerf van Topsvoort aan de Oosteinderweg te Aalsmeer, een Amerikaanse en een Turkse pijp uit een sloot in de Schermer en een zeemonsterpijp uit de polder bij Nieuwkoop). Uiteraard blijven ook de archivalische bronnen interessant materiaal opleveren. Resultaten daarvan worden in dit jaarboek gepubliceerd door Bert van der Lingen (inkoop, gebruik en hergebruik van kleipijpen door het genootschap ‘Felix Meritis’ te Amsterdam

1784–1861 en de boedelinventaris van Geertje Dircks van Neck te Gouda, 1695). ** *

AS. (archäologie schweiz), 36e jrg., nr. 2, 2013. ISSN 0255-9005. Centraal in Zwitserland, tussen de Alpen en de Zwitserse hoogvlakte, tussen Zürich en Luzern, ligt het kanton Zug. Het blad AS dat door Zwitserse archeologische diensten wordt verzorgd, is dit keer geheel gewijd aan de resultaten van archeologisch onderzoek in dat kanton. Daarbij zijn onder andere tabakspijpen uit Gouda en vuurstenen artefacten uit Rijckholt teruggevonden. ** *

Zeitschrift für Schweizerische Archäologie und Kunstgeschichte, Band 70, 2013, Heft 2. ISSN 0044-3476. Eén van de bijdrage in dit nummer heeft betrekking op de afbeelding van otters op twee 6e-eeuwse zilveren Alemaanse fibulae uit Bazel. Vergelijkbare motieven zijn bekend van een Bourgondische gesp die zich thans in Parijs bevindt en van een hanger uit Winchester/Hampshire. Op het eerste zicht lijken menselijke figuren de fibulae te versieren, maar uit nader onderzoek blijkt dat er op elk ervan een visotter staat afgebeeld. De afbeelding herinnert aan de IJslandse sage waarin dat dier na de ondergang van de wereld als zinnebeeld van rijkdom met de god Balder zal terugkeren. Op een dag in de oertijd liepen de drie goden, Odin, Hoenir en Loki op hun tocht door de wereld, samen langs een rivier, waar een otter een zalm zat op te peuzelen. Met een welgemikte worp doodde Loki de otter. Zo wist hij met één steen zowel de otter als de zalm te bemachtigen. Met de beide dieren als buit zochten zij onderdak bij een man die Hreidmar heette. Trots toonden ze hem nietsvermoedend hun vangst. Hreidmar bleek echter de vader van Otr, de otter, te zijn. Met behulp van zijn twee andere zonen, Regin en Fafnir, nam hij de drie goden gevangen. Als boete eiste Hreidmar goud als losgeld en wel zo veel als waarmee het vel van de otter kon worden opgevuld en bovendien voldoende om vervolgens ook het geheel met goud te overdekken. Loki kreeg de opdracht om voor het goud te zorgen. Om het goud bij elkaar te krijgen ving hij de dwerg Andvari, die als snoek in een waterval

| Literatuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 358

02-12-13 10:07


leefde. Loki dwong de dwerg hem al zijn goud te geven en Andvari deed dat, waarbij hij probeerde om één ring achter te houden. Deze ring bezat de eigenschap dat hij goud aantrok en Andvari had hem nodig om een nieuwe goudvoorraad aan te kunnen maken. Loki ontdekte de ring echter en nam de dwerg ook deze ring af. Daarop vervloekte Andvari de ring. De ring zal elke eigenaar ervan ongeluk brengen! Toen Loki bij Hreidmar terug was, vulden ze het ottervel met het goud en bedekten ze het ermee. Toen Hreidmar het controleerde, zag hij dat er nog één snorhaar onbedekt was. Hij eiste dat ook deze bedekt zou worden. Wodan legde nu ook de ring van Andvari erop, die hij eerst had achter gehouden. Daarna mochten de goden vertrekken. Loki had Hreidmar over de vloek verteld, maar deze liet zich er niet door afschrikken. De vloek ging al snel voor de eerste maal in vervulling: Hreidmar weigerde zijn zonen een aandeel in de schat te geven, waarop Fafnir zijn vader doodde en het goud in bezit nam. Regin kreeg niets, zelfs zijn vaderlijk erfdeel niet. Een reeks van opeenvolgende eigenaren van de schat werd door de vloek getroffen. De een na de ander vond voortijdig de dood. Pas vanaf het moment dat ook de laatste eigenaar van de schat, die het goud had verstopt, de dood vond, stopte de moordpartijen. De schat zelf, later bekend als ‘de schat van de Nibelungen’ is nog steeds niet teruggevonden. ** *

Archeobrief, 17e jrg., nr. 2, juni 2013. ISSN 1386-2065. Conflictarcheologie over sporen van oorlog en geweld in het verleden, de raakvlakken, conflicten en communicatie tussen archeologen en de kunsthandel/schatgraverij, een per vergissing uitgevoerde opgraving bij twee hunebedden bij Valthe (Dr.), het grootste Nederlandse urnenveld bij Weert, het proefschrift van Michel Groothedde over het paltscomplex te Zutphen en het probleem van de bescherming van scheepswrakken in de Waddenzee vormen de belangrijkste onderwerpen in het juni-nummer van Archeobrief. ** *

Jahresschrift für mitteldeutsche Vorgeschichte (Landesamt für Denkmalpflege und Archäologie Sachsen-Anhalt/Landesmuseum für Vorgeschichte), Band 93, 2009 Halle

(Saale) 2012. ISSN 0075-2932/ISBN 978-3-939414-72-8. Geïll., 463 pag. De bundel omvat de volgende bijdragen: - Die Parkkiesgrube Hundisburg - Ein klassischer Fundplatz der Altsteinzeit im Lichte neuer Ausgrabungen; - Keramikinventare aus der Siedlung Barleben, Lkr. Börde - Ein Beitrag zum Verhältnis spätneolitischer Keramikstile im nördlichen Mitteldeutschland; -D  ie Glockenbecher- und Aunjetitzer Kultur zwischen Benzingerode und Heimburg Befunde und Funde der Ausgrabungen an der B 6n; - Vergleichende Untersuchungen zu den Betstattungssitten Mittel- und Osteuropas seit der frühen Bronzezeit; - Die merowingerzeitliche Filigranscheibenfibel aus der Wüstung Gross Orden bei Quedlinburg - Gedanken zu Datierung, Herkunft und Bedeutung; - Neues zu ottonischen Pfalz Ilsenburg, Lkr. Harz. ** *

Erfgoedbrief Breda nr. 22, zomer 2013 Op niet minder dan 30 locaties is in 2012 in Breda archeologisch onderzoek uitgevoerd. Van zeven ervan worden hier de belangrijkste resultaten vermeld. ** *

Germania. Anzeiger der römischgermanischen Kommission des deutschen archäologischen Instituts, Jahrgang 88, 2010 Frankfurt a/M 2013. ISSN 0016-8874 / ISBN 978-3-80534425-8. Geïll., 565 pag., € 30,80 Iedereen kent ze inmiddels wel, de glazen armbanden uit de LaTène-cultuur die vooral in het oostelijke rivierengebied van ons land worden aangetroffen. De concentratie zet zich in afgezwakte vorm voort in de Limburgse Maasvallei en langs de neder Lippe in Duitsland. Daarbuiten worden ze sporadisch aangetroffen. Inmiddels zijn uit Nederland niet minder dan ruim 5.000 fragmenten bekend, dat wil zeggen dat meer dan 90% van alle tot nu toe bekende armbanden en armbandfragmenten uit ons land komt! Slechts een beperkt aantal is uit een archeologische context bekend, het overgrote merendeel is bij archeologisch veldonderzoek door amateurarcheolo-

Literatuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 359

|

359

02-12-13 10:07


Afb. 6 Fragmenten van glazen LaTènearmbanden uit de nederzetting LentBemmelsedijk. Uit: Germania.

gen verzameld. Veel is er inmiddels al gezegd en geschreven over dit materiaal, maar een scherpe datering en het aanwijzen van een productieplaats blijven vooralsnog onbereikbare doelen. Onder de titel ‘Glass La Tène Bracelets in the Lower Rhine Region’ gaan Nico Roymans en Linda Verniers in deze bundel (p. 195-220) op zoek naar een sociaalmaatschappelijke verklaring voor de massale aanwezigheid van de armbanden in het Nederrijnse. Die concentratie is temeer opvallend, omdat deze zich niet middenin, maar in de periferie van het gebied van de LaTène-cultuur wordt aangetroffen. Binnen die concentraties zijn een aantal armbandtypen te onderscheiden, zoals op basis van het aantal ribben dat de armband telt (1, 2, 3, 4, 5 of 7). Zo overheerst in het meest westelijke deel van het (oostelijke) rivierengebied de armband met één rib, terwijl in het aangrenzende gebied van de Duitse Nederrijn en in de Maasvallei juist de armband met vijf ribben het meest voorkomt. Dergelijke regionale verschillen zijn ook waar te nemen bij de kleur of de kleurencombinatie van de armband. De kleur paars komt buiten het Nederlands rivierengebied bijna niet voor. Door de inventarisatie van die variatie ontstaat voor verschillende typen langzamerhand een beeld van de regio’s waar ze kunnen zijn geproduceerd. Volgens een ruwe schatting moeten er over een periode van 150 jaar zo’n 250.000 zijn gemaakt. De productie van de armbanden is begonnen in het tweede kwart van de derde eeuw v. Chr. en gaat door tot omstreeks de vroeg-romeinse tijd. Duidelijk is dat de glazen armband een typisch sieraad voor de vrouw was, maar ook dat ze geen blijk gaf van een maatschappelijk positie: binnen de concentratiegebieden heeft gedurende de periode 150-50 v. Chr. nagenoeg elke vrouw de glazen armband gedragen. Wel is het typisch een sierraad voor volwassen vrouwen, men begint ze te dragen op een leeftijd van 12-16 jaar. De concentratie in het rivierengebied en het nagenoeg ontbreken ervan in bijvoorbeeld het kustgebied of het noorden kan misschien worden verklaard doordat de armband benadrukte dat de draagster ervan

deel uitmaakt van een bepaalde etnische of culturele identiteit. Niet bekend is waarom de armband kort voor de komst van de Romeinen, of juist tegelijkertijd daarmee, uit beeld verdwijnt. Het artikel draagt daarvoor een aantal suggesties aan. Zo bieden de beide auteurs met hun bijdrage in Germania een scala aan uitgangspunten, doelstellingen en vraagtekens voor verder onderzoek naar dit fascinerend sierraad. Andere artikelen in deze Germania: - Contribution to the Neanderthal Discussion – Excavation Results from Susiluola Cave Site in Western Finland - Otzberg-Habitzheim ‘Zimmerer Höhe’, Kr. Darmstadt-Dieburg – ein jüngerbandkeramischer Dechselproduktionplatz in Südhessen - Kupferne Flachbeile und Meissel mit angedeutenen Randleisten: Ihre Bedeutung für die Entstehung und Verbreitung technischer Innovationen in Europa und Vorderasien im 4. und 3.Jahrtaisend v. Chr. - Frühbronzezeitlicher Ringschmuck und Randleistbeile im Vergleich. Untersuchungen zur chemischen Zusammensetzung mit der Hauptkomponentenanalyse - Le réemploi de stèles anthropomorphes à la fin du 1er âge du Fer en Allemagne du sudouest - Neufunde griechischer Keramik aus Böhmen und die Anfänge der Latène-Kunst - Ein paar römische Schuhleisten aus dem vicus Vitudurum – Oberwinterthur (Schweiz) - Crap Ses und Septimer: Archälogische Zeugnisse der römischen Alpeneroberung 16 / 15 v.Chr. aus Graubünden - Tortores und muscularii. Schützen und Pioniere auf einer Ritzinschrift vom Septimerpass - Die römisch-germanische Auseinandersetzung am Harzhorn, Lkr. Northeim, Niedersachsen - Zwischen Mission und Markt – Ansgars Kirchen im Norden. Eine interdisziplinäre Betrachtung der kontinentalen Mission im Skandinavien des 9. Jahrhunderts Gerrit Groeneweg

RECTIFICATIES - In Westerheem nr. 5, op pagina 262 staat in de linkerkolom ‘Fundatie van Wensouder’ waar had moeten staan: ‘Fundatie van Renswoude.’ - Op pagina 280 van hetzelfde nummer staat twee keer dan AWN-afdeling LWAOW de 13e afdeling zou zijn, dit moet zijn afdeling 31.

360

| Literatuurrubrieken

06-2013 binnenwerk.indd 360

02-12-13 10:07


De Vereniging Berichten voor deze rubriek naar Marijn Lockefeer: heinlock@ziggo.nl

Verenigingsnieuws

Algemene ledenvergadering op zaterdag 12 april in Amsterdam

De Landelijke AWN ledenvergadering zal volgend jaar plaatsvinden op zaterdag 12 april om 10.30 uur in het Allard Pierson Museum te Amsterdam. Het bestuur werkt aan een boeiend en interessant programma. Het Allard Pierson Museum is het archeologisch museum van de Universiteit van Amsterdam genoemd naar Allard Pierson, de eerste hoogleraar in kunstgeschiedenis,

esthetica en moderne talen en letteren aan deze universiteit. Het museum is gehuisvest aan de Turfmarkt 127 te Amsterdam. De agenda met het programma zal in de volgende Westerheem worden gepubliceerd. Voorts is de agenda vanaf dat moment te vinden op de website van de AWN: www.awnarcheologie.nl.

Persbericht ANWB: Archeologische Erfgoedwandelingen in Zuid-Oost Drenthe

Een grafheuvel, een akker uit de IJzertijd of een souvenir uit de IJstijd herkennen in het landschap? De ANWB nodigt 20 van haar leden uit voor een bijzondere wandeling door de natuur van Drenthe. De ANWB Erfgoedwandeling zal plaatsvinden op zaterdag 2 november door de bossen tussen Sleen en Schoonoord. De wandeling start om 14.00 uur en duurt ongeveer twee uur en zal worden begeleid door ervaren gidsen van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN). De ANWB en de AWN willen met de erfgoedwandelingen het landschap waarin wij leven, wonen, werken en recreĂŤren, levendig maken. Waarom ligt die kei daar? Waarom ziet het landschap er zo uit zoals het nu is? Vele duizenden jaren hebben hier mensen gewoond en zijn hier begraven. Waarom woont hier niemand meer? Tijdens de wandeling krijgen de

Afb. 1 Erfgoedwandeling met Fred van den Beemt. Foto: Ineke Achterop.

deelnemers antwoord op al deze vragen. Al met al een boeiende kennismaking met het landschap in dit deel van Drenthe. Afd 1. Noord-Nederland gaat deze wandelingen begeleiden. Er zijn er al enkele geweest. Het ligt in het voornemen om ca. 10 van deze erfgoedwandelingen per jaar te organiseren op meerdere sites in Drenthe (afb. 1 en 2).

De Vereniging |

06-2013 binnenwerk.indd 361

361

02-12-13 10:07


Deelnemen aan de Erfgoedwandeling? De eerste aanmelding is al geweest, de eerste wandelingen ook. Natuur- en archeologieliefhebbers die mee willen doen aan de overige wandelingen, kunnen proberen zich daarvoor nog op te geven. Dat kunnen zij doen door een mail te sturen naar anwb@erfgoedAfb. 2 Erfgoedwandeling met Fred van den Beemt. Foto: Ineke Achterop.

wandeling.nl -met vermelding van naam, adres, telefoonnummer en aantal personenEr zijn geen kosten verbonden aan deze wandelingen. Voor meer informatie kunt u een mail sturen naar anwb@erfgoedwandeling. nl. Het aantal deelnemers is beperkt dus meld je zo vlug mogelijk aan.

Archeologiecursussen van Afd. 1 Noord-Nederland werpen vruchten af

Vanaf oktober 2013 tot maart 2014