Page 1

-1Jaargang II, No. 1-2

Januari 1953

Orgaan van de ABCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H.J.Verhagen, Morskade 12, Leiden. Wnd.Secretaria der A.W.W.N.i C.Roodenburg van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad min. / . 5 » — te storten op girorekening 577808 ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te Haarlem.

WESTELIJK NEDERLAND EN HET WATER Vele malen schreven wij in dit blad over transgresaiea en overstromingen en brachten wij deze feiten in verband met de archaeologische problemen van Westelijk Nederland, wegens de invloed, die zg.j gehad moeten hebben op de geografische gesteldheid «n de bewoonbaarheid van deze streken. Nboit hebben wij kunnen denken, dat wijzelve van gebeurtenissen als dezo getuigen zouden moeten zijn. Thans echter heoft één der ernstigste overstromingen ,'w=lke onze geschiedenis ooit heeft gekend, Westelijk Nederland ••, troffen. Bij de aanblik van het onvoorstelbare leed, dat hierdoor werd veroorzaakt, zwijge de wetenschap. ''• Wij kunnen slechts uitdrukking geven aan onze diepe deer nis met de verwanten der slachtoffers-en met allen, die op enigerlei wijze door deze ontzaglijke ramp werden -jetroffen.

H •«. > v •


—2— IJZERVONDST UIT DE EERSTE EEUW TE SANTPOORT door H.J.CALKOEN (Velsen) In een heuveltje te Santpoort, dat nog nader onderzocht dient te worden, bevinden zich enige oude woonlagen. De laag, die wij nu de onderste noemen (vrij zeker bevindt zich onder de heuvelzooi nog een diepere, oudere laag), bevat scherven van Germaans aardewerk, die een datering vroeg in de eerste eeuw rechtvaardigen. In deze laag werd, behalve as, houtskool en verbrand leem, door de heer P.DE WILDE te Beverwijk en schrijver dezes, een viertal "ijzerslakken" gevonden, waarvan er twee op ware grootte zijn afgebeeld op plaat I', A. Het gewicht van het grootste, dof grijszwarte stuk,dat, evenals het andere een vrij glad breukvlak vertoont, bedraagt 160 gram. Door vriendelijke bemiddeling van Ir J.LODDER, verbonden aan de M.E.K.O.G. te Velsen, werd één dezer "slakken" op het laboratorium van de Hoogovens te Velsen voor ons onderzocht, wat leidde tot de volgende analyses totaal ijzer mar gaan ferro-oxyd ferri-oxyd silic.-oxyd

54,96 0,18 52,80 20,02 20,70

$> " " f "

calcium-oxyd magnesium-oxyd aluminium-oxyd) titaan-oxyd)

1,03 CJ> 1,76 " „ 1 '->0

Bij deze analyse stond vermelds "het materiaal heeft meer weg van een gesinterd erts, dan van een slak." Dit werd nader bevestigd door een microscopisch onderzoek, dat bij de M.E.K.O.G. plaats vond. Op plaat I, fig. B wordt, 100 x vergroot, de structuur van dit ijzerhoudend materiaal duidelijk weergegeven. De witte, regelmatig -\_ onderling loodrecht geplaatste ijzerkristallen vertonen een dendriet (boomachtige)-structuur. Daartussen bevinden zich vele zwarte, onregelmatig geplaatste houtskooldeeltjes, ingebed in grijze ijzeroxyde. De regelmatige structuur van het ijzer wijst op langzame afkoeling, bv. in eon oven. In het standaardwerk van Prof. Ir R.J.PORBESs "Metallurgy in Antiquity", vinden wij over het ijzer en zijn bewerking in oude tijden, tal van belangwekkende bijzonderheden. Er staat


-3een uitroerige beschrijving in van oude smelt-,of betergezegd rooat-ovens, die in de Germaanse tijd voornamelijk bestonden uit een cylindervormige holte in de grond, waarvan de wand inwendig met een kleilaag was bekleed. Ook de Homeinen, die op het gebied van ijzersmelten veel (zo niet alles) hebben geleerd van de Kelten, gebruikten nog deze primitieve ovens, al of niet van blaaapijpen voorzien. Het roosten van het erts diende om hieruit ongewenste stoffen (vooral zwavel) te verdrijven; tevens werd het erts dan meer poreus en er ontstonden ijzeroxyden. Als brandstof werd houtskool gebruikt. Echt gesmolten ijzer of gietijzer verkreeg men maar heel zelden (daarvoor was de bereikte temperatuur te laag)» maar wel ontstonden ronde stukken sponsijzer, zg. "wolf" of "loep" (Eng.s "bloom"). Boor herhaald te verhitten en langdurig hameren werden hieruit de laatato bijmcngaolen verdreven .Het aldus ontstane smeedjjzer was nog vrij zacht en inferieur aan het reeds lang bekende brons. Pas door het meeater worden van de moeilijke techniek van het "dichtor"maken, door hameren in verhitte toestand en vervolgens plotseling afkoelen in een vloeistof, verkreeg men botere resultaten. Door de Germaanse stammen werd, in een soort dorps-industrie, vooral ijzeroer als uitgangsmateriaal gebruikt. In de Romeinse tijd werd de "wolf" wel samengesmolten tot grote blokken,die vaak voor militaire doeleinden werden verhandeld. Steeds bevond zich in elke belangrijke Romeinse vesting een smidse., waar deze blokken opnieuw werden bewerkt door verhitten en smeden. In verband hiermee worden in vele Hom. castella ijzeralakken aangetroffen, vooral in Engeland, waar zelfs Rom. wegen ermee verhard zijn;ook "te Utrecht (Verslag Opgra — vingen Domplein I-Il).Onwillekeurig gaan onze gedachten hierbij even naar hot Castollum, dat bij Velsen moot hebben gelegen en dat zich op nauwelijka twee kilometer afstand bevond van de vindplaata te Santpoort. Naar aanleiding van het bovenstaande was Prof. FORBES zo vriendelijk, ons zijn zeer gewaardeerde mening te geven over het gevonden ijzerhoudend materiaal. Hij schrijft: "Hei; lijkt mij, dat dit een "wolf" (voorstadium) van sneedijzer ia, be— raid uit een zuiver erts, vermoedelijk ijzeroer'1. En verder, als antwoord op de vraag, of er iexs meer te zeggen valt van de plaats van herkomsta "Vaststelling van de herkomst van het verwerkte erts is altijd zeer lastig, omdat de "wolf" of


-4"bloom" als zodanig wel werd vierhandeld (en niet alleen staaf ijzer of ijzerklompen) en omdat de smeden hiervan dikwijls uitgingen." Al komen wij dus voorlopig nog niet helemaal klaar met de vraagj hoe kwamen deze Germanen aan hun ijzererts en waar kwam dit - vandaan?, de mogelijkheid bestaat, dat verdere vondsten en vooral ook vergelijkende studie van andere analyses (waarover prof. FORBES literatuur noemt) ons op den duur toch nog wel iets verder kunnen brengen. Tenslotte nog een kort woord over vondsten, die mogelijk met oude ovens in verband staan. Het is meer dan eens voorgekomen, dat men in Germ. nederzettingen in ons land, vrij grote en dikke stukken roodgebakken klei aantrof, die, zwakgebogen van vorm, afkomstig schenen van grotere cylinderfragmenten (Pi. I, C ) . Zelf vond ik dergelijke stukken in een harde, houtskoolrijke laag in de nederzetting bij "Schoonenberg" (Driehuis-Velsen). Deze moet, gezien een daar gevonden randfragment van een Rom. wrijfschaal (volgens Dr BRUNSTINGs eerste kwartaal eerste eeuw, misschien Haltern 59) al vroeg na het begin van onze jaartelling bestaan hebben. Het lijkt mij niet onmogelijk dat deze stukkon gebakken klei afkomstig zijn van de binnenwand-bekleding van een cylindrische oven. Daar wijst ook de zanderige buitenkant op,evenals de streepvormige vingerindrukken aan de binnenkant. Daar men maar al te licht weinig let op dergelijke grove stukken,zou ik gaarne nog eens de aandacht op deze materie willen vestigen. Want,om nog eenmaal het genoemde boek van Prof. FORBES aan te halen (p.4O7)s "Geen wonder, dat onze schildering van Romeinse en prae-Rom. ijzersmelterij verre van duidelijk is. Alleen verder onderzoek op het zeer verwaarloosde gebied van de smeltovens en hun producten (erts,slakken,enz.) zal kunnen helpen om hierin enige klaarheid te brengen."

"De voorhistorische mens moet in zijn geheel, met lichaam en geest, geplaatst worden in de ruimte,in de tijd en het natuurlijke kader, dat tegelijk zijn materiĂŤle beschaving en een deel van zijn geestelijke houding bepaald heeft." McE.MAHIEN


-5EEN GERMAANS GRAF(?) TE DRIEHUIS-VELSEN door H. J .CALKOEN (Velsen)

' •

Het is een eigenaardig feit, dat er, ondanks de vrij dichte bewoning rondom Velsen in de Germaanse tijd en speciaal in de eerste eeuw, vrijwel nooit iets gevonden ia, dat wijst op een begraafplaats. Toch moeten deze er, zeker ook bij het uitgebreide en langdurig bewoonde dorp onder "Rooswijk" (Velsen-ltf) wel zijn geweest. Mogelijk is de onvolledige toestand, waarin wij alle zes of zeven nederzettingen aantroffen, oorzaak van dit verschijnsel. In de Doodweg (thans van Lenneplaan) onder Driehuis werden ruim vier jaar geleden rioleringsbuizen gelegd. In de diepe sleuf, daartoe gegraven, vond de hoer H.VAN DER WEES enige bij elkaar behorende scherven, die op plaat II staan afgebeeld. In de steile v/and van de sleuf was nog iets te zien van een donkerder verkleuring in het zand, die, hoewel sterk vergraven, deed denkon aan een eertijds opgeworpen en later ondergestoven heuvoltje, waar de aardewerkfragmenten in en bij lagen (P1.II,D). Aangezien verder in de enige honderdon meters lange sleuf niets word gevonden, deed de situatie denken aan een geïsoleerd graf, een crematie. De vondsten konden worden gereconstrueerd tot een paarsgrijze urn (P1.II,A), een zwarte,gesmoorde schotel,welke ten dele is gepolijst (Pl.II, B) en een van twee zijden doorboord en schijnbaar opzettelijk gekarteld aardewerk-schijfje, uit de wand van een pot gesneden (Pl.II, C ) . Was dit laatste een speelschijfje, een spinklosje of mogelijk een aan de dode medegegeven amulet? Het is opvallend hard gebakken en misschien bij de crematie opnieuw aan het vuur blootgesteld geweest. Prof. Dr A.E.VAN GIFFEN dateerde deze vondst in de eerste eeuw vóór Chr. De klei van het aardewerk blijkt verschraald met vrij veel granietgruisf de wand van de urn is betrekkelijk du», nergens dikker dan 1 cm. De rand is bovenop versierd met vrijwel cirkelvormige indruksels (0,5 cm in diameter),vermoedelijk mot een rond staafje op onderlinge afstand van 2 a 3 mm aangebracht. De schotel schijnt onversierdj de substantie biervan verkeert in zeer slechte toestand on brokkelt uiteen.


-6Op enige honderden metera van daar, in "het Helletje" (deze oude naam is helaas, evenals die van "Doodweg", in onbruik geraakt), werden veel scherven gevonden van Germaans aardewerk, echter van een geheel ander karakter. Het is grover van makelij, zachter gebakken en de klei bevat uitsluitend schelpgruis als bijmengsel. Vermoedelijk stamt dit aardewerk uit de eerste eeuw na Chr., waarop ook de aanwezigheid van een klein schilfertje Bomeins terra-sigillata zou kunnen wijzen. De genoemde grafvondst(?) staat dus op zichzelf, want het eveneens van granietgruis voorziene aardewerk, dat in gezelschap van enige vuurstenen werktuigjes, dierenbeenderen en houtskool op bijna een kilometer meer naar het Westen onder Driehuis werd gevonden, is veel ouder en moet gedateerd worden in de late Bronstijd of Vroege Ijzertijd. Dit laatste is het oudste dat tot nu toe werd ontdekt. Hierover hoop ik een ander maal iets meer te vertellen.

DB NAMEST VAN ONZE WEEKDAGEN door Dr H.BRUNSTING (Hijksmus.v.Oudheden,Leiden) Iedereen heeft zich ongetwijfeld wel eens afgevraagd, hoe de dagen van onze Christelijke zevendaagse week aan zulke heidense namen komen. Immers, ze danken die aan verschillende Germaanse godens Wodan, Donar en Preya stonden peet voor onze Woensdag, Donderdag en Vrijdags de Romeinse, althans uitheemse goden Saturnus, zcn en maan voor Zaterdag, Zondag en Maandag, terwijl voor Dinsdag gewoonlijk Tius of Mars Thingsius wordt opgegeven. Uit de "Roosters van Lesuren" van onze Hogescholen, die nog heel deftig "Series Lectionum" heten en in het Latijn gesteld zijn, leren we de oude Latijnse equivalenten van deze daggoden kennen als Sol, Luna, Mars, Mercurius, Juppiter, Venus en Saturnus. Bij nader bezien blijkt verder, dat die zevendaagse week zelf óók al niet Christelijk van oorsprong is'. Wel is ze afkomstig uit het Oosten, evenals de indeling van de dag in 24 uur: vanwaar precies doet nu niet zoveel ter zake. Met aller-


-7lei Oosterse godsdiensten ala het Jodendom en de dienst van de Perzische zonnegod Mithras werd al vroeg, onder Augustus, dus omstreeks het begin van onze jaartelling, die week ook bekend in het Romeinse Rijk, v.aar men tot dusverre nauwelijks een cyclus van dagen kende, kleiner dan een maand. Deze week kwam, vooral door de steeds wassende invloed van het Mithraisme, hoe langer hoe moer in ssbruik, - en ook het toen eveneens opkomende Christendo.n lia-1 d6ae3fde woek. Over de felle strijd tussen beide go03rüen"3-ten, VOUJ al in de 3e en 4e eeuw, behoeft hier niet verder rï^andeld te wordenf man hoeft wel gezegd, dat, wanneer het Romeinse Rijk niet gechristia-.dseerd was,het Mithraïsme de heersende godsdienst gev/orden zou zijn. Toen Romeinse soldaten en ambtcnaron dus ook hier in het Noorden, in Germani'é, de Oosterse godsdiensten met hun zevendaagse week kwamen brengen, zocht men naar Germaanse equivalenten voor de klassieke namen dezer goden en zo ontstonden hier (en in Engeland) onze dagen—r^men, in tegsnatclling tot Galli'é (Frankri jk), we ar de Latijnse benamingon bc3v.v.=.rd bleven. Tevergeefs verzette zich de Kerk tegen zulke resten v.-=in het heidendom: slechts weinige veranderingen kwamen onder haar invloed tot stand, zo in Frankrijk samodi (sEtbathdas) en dimanche (dies dominica, dag des Heren), in Duitsland misschien Sonnabend en Ivliotwoch. Saturuus gold nl. voor een ongunstig gesternte en liïodan, als hoofdgod, werd in ï'uj tslrnd verdrongen; dat de Zondag in Frankrijk, evenals in Itali'o l:dag des Heren" werd, is ook heel begrijpelijk. Nu do oorsprong van de namen. Om kort te gaanj het is duiv= delijk,dat we hier te doen hebben mot de namen van de "pianoten",die als bestuurders van 's mensen lot al van ouds goddelijke verering genoten. Men ging zelfs zovor, dat men olk van de 24 uren van do dag aan oen der planeten (in de volgorde van hun afstanden tot de aarde, wolke laatste voor dozo inonsen natuur\ijk geen planeet was) wijdde, hen kende (beginnende mot de verst verwijderde): Saturnus, Juppiter, Mars, Sol (do zon'.), Vonus, Morcurius en Luna (de maan'.). Naar men ziet stemt doze volgorde vrij aardig overeen met de than3 bokonde afstanden. Driemaal per dag had dus elko planeotgod oen uur dat aan hem of haar was gov.djds 3 i 7 = 21, blijven dus nog 3 uren te vergeven. Mon begon dan opnieuw, met hot govr ; 3, dat do volgende dag b_G£qn mot oen uur, gev/ijd aan oo.i üi^noot, 3 plaatsen verder m ae sc-rio. Eij het bezien van bijgaande fi—


-8guur zal men bemerken,hoe nu de volgorde van de daggodeu ont— stondt de planeetgod, aan «ds het eerste uur van de dag was gewijd, gaf zijn (haar) naam aan de hele dag. Dat deze volgorde werkelijk zo ontstaan is,weten we uit de geschriften van Vettius Valens (2e eeuw) em Cassius Dio (ca. 200). Men sprak zelfs van muzikale intervallen (kwarten) en bracht die in verband met de theorie van de "muziek der spheren". Saturnus (Sabbath)

Luna (£. Maan C~\

Mercurius Wodan

K -<•

I \ / \

v ^s*

ƒ \ , ef V / V \

Juppiter Donar

Z: g

Mars Tius? M.Thingsius

(d.dominica) Venus Preya

Sol Zon

De enkelvoudige oorsprong van het stelsel blijkt duidelijk uit het feit, dat nog steeds, na zoveel eeuwen, overal ter wereld de week gelijk valt, dat bv. de Zondag overal op dezelfde dag gevierd wordt. De week is een gemeenschappelijk bezit van "de Westerse wereld" (en ook daarbuiten) geworden; ondanks allerlei wijzigingen in de kalender heeft de telling naar de zevendaagse week met zijn oude namen zich ongestoord gehandhaafd. Dit is bewerkt door de Christelijke Kerk, die de dag van de Zon, van ïiithras ('•), maakte tot haar Dies Dominica, haar "Dag des Heren".


-9NOG EENSi DE GBOTE PUZZLE door Dr. H.BRUNSTING(Rijksmuseum v.Oudheden,Leiden) Gaarne zou ik enkele opmerkingen willen maken n.a.v. de artikelenreeks van de Heer C.M.SCHOEMAKER, "De grote puzzle", v/elke in de eerste jaargang van "Weaterheem" is verschenen. Allereerst dan de Tabula Peutingeriana zelf. Tot goed begrip diene,dat deze kaart als zodanig niet in HETTEMA' s Atlas staat afgebeeld,doch slechts een uiterst klein gedeelte ervan. De gehele kaart is 6,82 m lang en 0.34 m breed'. Wanneer men zich met problemen aangaande deze kaart bezig houdt, zal men dan ook goed doen, zijn studie niet uitsluitend te beperken tot het minuscule deel (40 x 8 cm op het origineel1.), dat op Nederland betrekking heeft. Dit blijkt reeds dadelijk bij het ontcijferen der letters en woorden. De copie, welke tot ons kwam, is geschreven in,en met letters uit do lle-12e eeuw. Houdt men hiermede rekening, en vergelijkt racn de letters onderling,dan blijkt,dat er niet Homomagi staat, doch gewoon Noviomagi. Ook staat er:. Albanianis. Het op de kaart voorkomende Pi. Patabus betekent Flumen Patabus (= Batavus), evenzo Flumen Rhenus. In afwijking van hetgeen de Heer SCHOEMAKER schrijft,dient te worden gezegd,dat de Itineraria Antonini alle afstanden in milia passuum (e.v. mille passuum) geeft. Met deze aanduiding is echter de Gallische mijl of leuga bedoeld, hetgeen aan de hand van vele afstanden in Galli'é en Itali'ê zeer duidelijk is te controleren. Het I.A. kent dus blijkbaar het v/oord louga niet en schrijft hiervoor m.p. (welke echter zelf een geheel andere waarde had'.) Uit vele punten van overeenkomst blijkt evenwel,dat beide, T.P. en I.A., een zelfde bron hadden, zodat zij steeds gelijktijdig bestudeerd moeten worden. Men stelle zich dit aldus voor» Agrippa laat, onder keizer Augustus (+_ 7 v . C ) , uit allerlei bronnen een wereldkaart samenstellen,en deze a.anbren — gen op de achterwand van een zuilengalerij (de Porticus Vipsania); vermoedelijk is door deze laatste omstandigheid de langgerekte afmeting van onze tabula te verklaren. Bij doze Kaart behoorde ook een geschrift.


-10-

Zowel kaart als geschrift hebben de lotgevallen ondergaan van elk boek vóór de uitvinding van de boekdrukkunst, d.w.z. telkens als er behoefte aan een nieuw exemplaar ontstond,werd het opnieuw overgeschreven. En, zoals bij alle boeken vóór de toepassing der boekdrukkunst, zijn daarbij fouten ingeslopen. Dit verklaart, waarom men altijd poogt, deze fouten achteraf (bv. tegenwoordig) er weer uit te halen, wanneer deze evident zijn. De uitgave van alle geschriften uit de Oudheid, van Homerus tot het Nieuwe Testament, van het Oude Testament tot •Augustinus, of welk geschrift ook, is gebaseerd op deze werkzaamheden: de ingeslopen fouten zijn er bij de gedrukte uitgave zoveel mogelijk uitgehaald. Ieder,die oude handschriften heeft getracht te ontcijferen, weet welke en hoeveel onzin hij tengevolge van het slordig en klakkeloos overschrijven der copiïst, daarin kan tegenkomen, ongerekend nog zijn moeilijkheden met het oude schrift'. De vroegere overschrijver heeft op zijn beurt met dezelfde moeilijkheden te kampen gehad, ongeacht die, veroorzaakt door halfvergaan perkament, afgebladderde inkt enz. Men ziet hieruit,dat een voor-feilloos-houden van enig oud handschrift, gezien de voorgeschiedenis ervan, een onjuist standpunt is. Men móét met de mogelijkheid van fouten, zelfs grove fouten, rekening houden. Zoals in de aanvang gezegd, is de T.P. dus een uitgebreid ding? om het te beoordelen moet men zich niet angstvallig vastklampen aan het zeer kleine fragment,dat in onze atlassen en verzamelwerken wordt afgebeeld, maar men dient deze kaart in de eerste plaats in haar geheel te beschouwen, alvorens conclusies te trekken uit het "Nederlandse deel" daarvan. Nemen we bv. de naam Plenium,die op de T.P. voorkomt.Schr. dezes heeft getracht, daaruit Helinium te lezen (Müemosyne, 1936, p.289 e.v.), omdat men bij de berekening van die plaats uitkomt op de N. oever van de Maasmond (=Helinium), en elke afwijking in de spelling door andere voorbeelden op de zelfde kaart was te illustreren (H wordt meermalen weggelaten, doch soms toegevoegd, waar hij niet hoort| de E is wel eens in een F veranderd (Plumei Persij bedoeld iss Elymei Persi) enz.). Dergelijke schrijffouten zijn legio op de T.P. Plaatsnamen, die wij uit allerlei bronnen zéér goed kennen, staan op de overeenkomstige plaatsen op de T.P. in geheel verhaspelde spelling. Ook andere fouten komen voors Op de Zuidelijke weg staat


PLAAT I


PLAAT nr


•-11-

bij Noviomagus een geheel onbenoemd traject. De oorzaak moet gezocht worden in het feit, dat de overschrijver met zwarte inkt eerst de v/eg mêt de knikken daarin heeft getekend, daarna met rode inkt de namen en afstanden heeft bijgeschreven. Hierbij zijn bij éên knik twee namen gezet en als consequentie voortaan steeds de namen tot aan Noviomagus éên plaats naar links opgeschoven. Foro Adriani

Flenio

s v

\

Noviomagi

Speciaal met betrekking tot het door de Heer SCHOENMAKER gestelde, gaarne nog het volgende» Indien men T.P. en I.A. naast elkaar raadpleegt, büijkt dat op T.P. de afstand Albanianis-Pletione = 19 (leugae), en op I..A do afstand Albanianis-Trajecto = 17 (leugae; er staat m.p., doch men horinnere zich,wat hierover zoëvon is gezegd). Trekt men deze afstanden nu van elkaar af, dan wordt de afstand Trajecto-Fletione = 2 leugae. Inderdaad vinden wij Vechten op 2 leugae (4a km) ^en 0* v a n Utrecht. Te Vechten werd een inscriptie gevonden met "Fectio" erop, zodat het meer dan waarschijnlijk is, dat Fletione een verschrijving is voor Fectio. Ten aanzien van het traject Fectio-Noviomagi is ongetwijfeld het laatste woord nog niet gesproken? waarschijnlijk bevat de kaart hier een fout. Bovendien is het juiste verloop van de weg niet bekend. Eigenlijk hebben we voor de Betuwe al veel te veel vindplaatsen, zoals door MODDERMAN (Oud.Meded. , N.R. XXXIl) werd aangetoond, terwijl het gebied tussen Vechten en Wagsningen wordt gekarteerd en onderzocht door de Stichting voor Bodemkartering te Vfegeningen. Dat in Dodewaard een grafsteen werd gevonden (deze werd ongeveer in do 12e eeuw in de kerktoren aldaar gemetseld),behoeft niet veel te zoggen. In de Middeleeuwen werd tufsteen betrokken uit plaatsen,waar bv. de Romeinen deze reeds hadden gehakt of bewerkt. Zodat een Rom. grafstoen gemakkelijk met een latere lading tufsteen kan meegenomen zijn. Zo werden bv. in Nijmegen twee inscripties op Rom. wijstonen aangetroffen, afkomstig uit do steengroeven m het Brohl-tal. Zo'n grafstoen kan dus meer of minder ver van huis geraken.


—12—

Overigens werden te Dodewaard geen belangrijke -vondsten gedaan (MODDERMAN, l.c) Tenslotte wil ik nog op één ding wijzenj Men zij in het algemeen voorzichtig met namen als: Rome, Homeinse weg, Homeinendiek enz. Eens was ik op zoek naar de vindplaats van enkele Homeinse voorwerpen. Ze bleken gevonden te zijn ten Z. van de Binnendijkse Maas, op het eiland Beierland. Aan de Noordzijde liep, recht op de vindplaats gericht, een weg, die tot mijn grote verbazing en vreugde op de stafkaart de veelbelovende naam "Romeinse weg" droeg"l Terzijde van die weg lag veel grind in de pas geploegde akker. Een duidelijk spoor dus van het oeroude, Romeinse wegdek, door de ploeg verspreid'. Uit een gedrukte historie van Westmaas en omgeving, die ik bij een plaatselijke deskundige gelukkig kon inzien,bleek nu, dat de polder ten N. van de Maas eerst in de 17e eeuw is inged&jktj dat toen daar boer Bomein zich vestigde en dat naar hem nog steeds die weg genoemd werd....'. Op mijn terugtocht langs de geasphalteerde Romeinse weg, zag ik weer het grind op de akker. Een arbeider was bezig een sloot op te maken. Hem vroeg ik, hoe toch al dat grind in het bouwland kwam. "Oh mijnheer, 't was hier kort geleden nog een grindweg en voor aanvulling had men altijd grote grindhopen langs de wegkant liggen. Een deel van dat grind kwam wel eens in de sloot terecht. En bij het sloten gooien v/e altijd de modder op het land. Mét het grind'."

EEN HOORNPIT VAN EEN RUND UIT IJMUIDEN door P.J.VAN DER FEEN (Zoölogisch Museum, Amsterdam) Op Plaat I is in fig. D afgebeeld een haakvormig gebogen, rolrond stuk been uit de collectie van H.J.CALKOEN. Het is onlangs opgedolven te IJmuiden, uit zand onder een huis, ca. 1.50 m onder de begane grond. Het bodemprofiel ter plaatse is ons helaas onbekend. De vindplaats en de geringe diepte doen


- 13 vermoeden, dat bet voorwerp in een Holocene laag gevonden is, tenzij aanvoer van Pleistoceen zand voor het bouwrijp maken van de grond heeft plaats gehad. Wellicht kan de vinder ons hierover iets mededelen. De aard van het voorwerp is met een Holocene of Laat-Pleistocene ouderdom niet in strijd, want het is kennelijk de linker hoornpit van een rund.Deze hoornpit heeft op het schedeldak vastgezeten en is bekleed geweest met een hoornen schede. Op grond van vergelijking met dergelijke objecten in musea en met afbeeldingen en beschrijvingen in de literatuur menen wij dat ons stuk tot de ondersoort Bos taurus primigenius Bojanus gerakend moet worden. De vraag dringt zich op, of het deel heeft uitgemaakt van een wild rund dan wel van een huisdier.Tot do genoemde ondersoort behoren zowel wilde als gedomesticeerde rassen. Zulke runderen leefden eens (laten wij, om een jaartal te noemen, zeggen 3000 vóór Chr.) van Mesopotami'ó tot Engeland in het wild. In NedeTland wordt dit wilde rund gewoonlijk "oeros" genoemd. Hot is de urus, waarover ettelijke Eomeinse schrijvers korte mededelingen doen (o.a. Caeaar, De bello Gallioo, Lib.VT,C.28). Op grond van lichamelijke kenmerken kan men met grote waarschijnlijkheid besluiten, dat verschillende tamme West-Europese runderrassen van de oeros afstammen. Moeilijker is de vraag te beantwoorden, waar, wanneer en hoe men de wilde oeros tot huisdier heeft weten te maken. Er ia een opvatting, dat dit het eerst in het Nabijo Oosten (Hesopotami'é of Egypte) zou hebben plaats gehad en dat migrerende volkeren hun runderen naar Europa zouden hebben meegenomen. Volgens anderen zouden West-Europese volkeren zelfstandig uit wilde runderen in hun omgeving huisdieren hebben gefokt. Do mogelijkheid tot dit laatste bestond althans in zoverre, dat wilde runderen in West-Europa leefden', toen de volkeren hier in meso- en neolithische cultuurstadia waren. Zelfs nog in 1550 na Chr. kwamen deze dieren in Polen, ten N. van de ffeichsel,in het wild voor. Uit berichten en afbeeldingen van die tyd vreten v/ij, dat de oeros een zwart rund was met een lichter gekleurde aalstreep (d.i. een stroop over de ruggegraat ) en met een kroezige kuif op het voorhoofd. Telkens als men tussen do overblijfselen van menselijke cultuur runderbotten vindt, moet men zich afvragen, of men jachtbuit dan wel geslachte huisdieren voor zich heoft.Daar


14 ons voorwerp een losse, geïsoleerde vondst is, hebben wij in dit geval weinig aanknopingspunten om hierover te oordelen. De afmetingen maken het waarschijnlijk, dat wij te doen hebben met een wilde koe, daar de horens der stieren sterker ontwikkeld waren. Wellicht zal vergelijking met andere vondsten later nog nadere conclusie mogelijk maken. Het is uit het bovenstaande wel duidelijk, dat er in zake tamme en wilde runderen nog vele vraagstukken op te lossen zijn. Er zal nog wel eens aanleiding zijn in "Westerheem" hierop terug te komen. Alle vondsten, die hierop betrekking hebben, zullen in de musea meer dan welkom zijn. Be afmetingen van het afgebeelde voorwerp zijns Lengte langs de buitenste kromming Lengte langs de binnenste kromming Grootste omtrek aan de basis

0.345 m> 0.245 mj 0.222 m.

Deze maten hebben betrekking op de eigenlijke hoornpit, op de aangrenzende delen van het voorhoofdsbeen.

niet

EEN VÖÖÉ-HOMEINSE NEDERZETTING TE LEIDEN door H.J.VERHAGEN (Leiden)

^

Bij een cultuurtechnische terrein-inspectie werden door één van ons (D.) aan de rand van een stuk bouwland, ongeveer op de grens tussen Leiden en Voorschoten, enige "Germaanse" scherven gevonden. Kort daarna werd door E. en V. een voorlopig onderzoekje ingesteld. Het bleek, dat de scherven slechts over een korte afstand aan de rand van een sloot, aan de oppervlakte waren te vinden.Enkele grondboringen leverden niets op, zodat op het weiland, aan de overzijde van de sloot', verder gezocht werd. Tussen plantendelen en modder, bij het sloten op de kant getrokken,was niets te vinden.Slechts de laat1) Mede namens K.DEKKER te Alphen a/d Rijn en C.EGGINK Jr. te Voorschot c?.


ste van een, loodrecht op de sloot toelopende, reeks boringen bracht, vanaf ong. 30 cm diepte, houtskooldeeltjes en stukjes aardewerk tevoorschijn. Een "kijkgat" van 40 x 40 cm leverde vele scherfjes en beenderfragmenten op; de bewoningslaag (af— valkuil ?) bleek ongeveer 30 cm dik te zijn. Verschillende aardewerkresten vertoonden na reiniging zg. "Besenstrich"versiering, wat ons deed vermoeden, met tamelijk vroeg aardewerk te doen te hebben. Enige weken later werd het onderzoek door ons gemeenschappeli3k voortgezet. Systematische uitbreiding van het aantal boringen op het weiland gaf steeds negatief of slechts zeer gering resultaat,dat dan meestal uit houtskoolresten bestond. Tenslotte werd, op pl.m. 3 m afstand van de sloot, een kijk— gaatje gegraven, teneinde de bodemlagen te onderzoeken. Op ong. 40 cm diepte stuitte D. op een grote scherf (pi.III, A ) , die tot vergroting van het gat leidde en versierd bleek . met in rijen geplaatste,diepe indrukken, misschien met de nagels, doch mogelijk ook met behulp van een spatel aangebracht. Daar het fragment in de richting van deze indruksel-rijen geheel recht is, rijst het vermoeden, dat men met een scherf uit de buik van een grote voorraadpot te maken heeft, misschien met hooggelegen, nog vrij kantige schouder. Van de talrijke scherven, die uit hot tenslotte 100x100 cm grote proefgat tevoorschijn kwamen, vertonen enige een duidelijke "Bosenstrich "-versiering (pi.IV,E en F ) . Een klein, oosspronkelijk gesmoord, aardewerkfragmontje (pi. IV, H) draagt groeven of ribbels! het is moeilijk,zich een denkbeeld te vormen omtrent de pot, waartoe het heeft behoord. Trouwens, al het genoemde aardewerk wijkt sterk af van hetgeen wij gewend zijn te vinden in "Germaanse"nederzettingen in deze cmgeving uit do eerste drie eeuwen onzer jaartelling. . Vertrouwder doen enkele andere scherven aan, zoals bv. een randfragmont van een pot van gepolijst, diepzwart gesmoord aardewerk met gefacetteerde rand (pi.IV, D) • I>it geldt eveneens voor een randscherf van een ruwwandige pot met zwakker gofacetteerdo rand (pi. III, B ) . Minder gewoon zijn do fragmenten van op eigenaardig grillige wijzo bosmeton aardewerk (pi.III,C; pl.IV,G). Opmerkelijk is bij vele scherven de verschraling van de gebruikte klei door achervengruis, v.'a-t wij bij iiiUoüns aardewerk uit de Romeinse tijd niet of zelden aantreffen. Een stukje zachtgebakken,zanderige klei, aan drie


- 16 zijden glad, doet sterk denken aan een benedenhoek van een pyramide-vormige netverzwaring, zoals deze in "Germaanse" nederzettingen vaker worden gevonden. Romeinse cultuurresten werden echter in het geheel niet aangetroffen'. De zeer talrijke beenderfragmenten schijnen van de "gewone" huisdieren en jachtbuit afkomstig te zijn. Daar een nauwkeurige determinatie van deze resten slechts met behulp van uitgebreid vergelijkingsmateriaal en langs statistische weg kan geschieden, moet de uitslag van dit onderzoek nog worden afgewacht; dit is ook hot geval met de houtresten, die zorgvuldig werden verzameld en eveneens nog worden bestudeerd. Resumerende kan worden gezegd, dat door dit voorlopig onderzoek sporen zijn ontdekt van een inheemse nederzetting, die, wegens het volledig ontbreken van begeleidende Romeinse vondsten, hetzij vóór—, hetzij na—Romeins zou kunnen zijn. De kenmerken van het aardewerk lijken ons voor een vóór-Romeinse datering te pleiten. Het karakter van het gehele vondst-complex herinnert aan de laatste vóór-Romeinse phase (1e eeuw v.Chr.) van de nederzetting van "Het Romeins Kamp" bij la Panne (uiterste Z.W van Belgi'é, vlak aan de kust), welke vanaf de Vroege La Tènetijd tot in de Romeinse periode ononderbroken werd bewoond, waarschijnlijk door Morini,een Keltisch volk van kundige zeevaarders, vissers en landbouwers, dat de kuststreek occupeerde ( M.E.MARIEN, Oud-Belgi'é, pp. 377-383, 408-412). Ook MODDERMAN, in zijn beschrijving van de vondsten j.n de Broekpolder (gem. Vlaardingerambacht) - in welke beschrijving ons materiaal goed past —, vermeldt, dat de meeste overeenstemming wordt gevonden met iiet aardewerk uit la Panne. Ook hij komt tot datering in de 1e eeuw V. Chr. (P.J.R.MODDERMAN, Boor en Spade 111,1949). Verder zij verwezen naar de vondsten in de Escamppolder (gem. 's-Gravenhage), welke opgraving door MODDERMAN werd beschreven in .Westerheem 1, 1-2. De polder, waarin wij de bovenomschreven vondsten deden, zal binnenkort "bouwrijp" worden gemaakt ten behoeve van de uitbreiding van de stad Leiden. Een nader onderzoek naar v/at de bodem hier nog verbergt, is zeker wenselijk. Wij hopen, dat de bevoegde instanties deze gelegenheid niet onbenut zullen laten voorbijgaan.


B O E K B E S P R E K I N G A.CHOGJJEEL, Les civilisations préhistoriques et anciennes de la Flandre occidentale. (Brussel, 1950, f. 12,50) Een boek van een werkelijke "liefhebber", die zich gecxi moeite bespaard heeft om in zijn gebied,Oostende en omgevir..-, de zee haar archaeologische geheimen te ontnemen. Het mero" deel van de vondsten,die in dit werk worden bohandeld, is ni. afkomstig uit zee vlak buiten de tegenwoordige kustlijn. Na het eerste hoofdstuk, waarin een overzicht wordt gegeven van de geologische formatie, volgen capita over het neo— lithicum, de fauna, de ijzertijd, de Belgo-Bomeinse periode en het tijdvak hierna. In een tweede deel worden de vondsten beschreven op de plaatsen, waar twee laat-Middeleeuwse dorpjes, Mariakerke en Walravensyde,hebben gelegen, die later door het water zijn verzwolgen. De behandeling van het neolithicum met een catalogus van vondsten - deze komen gedeeltelijk uit het veen en zijn dan in de onderste lagen daarvan gevonden - is voor Nederland vooral van belang-sinds de vondsten van Hekelingen,op Voorno. Typerende metaalvondsten uit de Bronstijd zijn van deze buiten de kustlijn liggende plaatsen nog niet bokond (p.47)» wól van het meer naar binnen liggende Houtland (p. 48). Toch gelooft de schrijver niet aan een hiaat in de bewoning in de Bronstijd, temeer omdat ook metaalvondsten uit de ijzertijd ontbreken, hoewel het aardewerk hier zekerheid geeft, dat er in deze'tijd wel jdegelijk bewoning is geweest. Van bijzonder belang zijn de gegevens uit Bomeinse tijd, bv. een overzicht van Romeins aardewerk in V/est—Vlaanderen, gevonden in het veen. Hieruit blijkt, dat de veenvorming, althans gedeeltelijk, nog heeft plaats gevonden in en na de 1e IIIo eeuw. Jammer gonoeg ontbreken de noodzakelijke details, zoal3 de diepto van do lagen waarin de vondsten zijn gedaan, de samenstelling van hot voon o.d., gegevens, dio trouwens bij de oude vondsten waarschijnlijk niet bekend zijn gebleven. De schrijver noemt aan, dat op hot einde van de Ille eeuw do zoe zich moester hoeft gemaakt van een groot deel dor Vlaamse kustvlakte (p.69). Hij steunt hierbij op auteurs als A.BUTOT, en F.BE3TIER, van wie in zijn werk vijf kaarten zijn ovorgcnomen, zodat men een duidelijk overzicht krijgt van de voron-


-18derstelde ontwikkeling in het Vlaamse kustgebied, tussen - 50 en + 1250. Belangrijk is ook de hier herhaalde constatering (p. 68), dat de lagen veen nooit zijn gescheiden door zand e.d., zodat men zal moeten aannemen, dat het veenvormende milieu vrij plotseling definitief werd verstoord, en er nauwelijks sprake is geweest van een overgangstijd. Hoewel enkele afbeeldingen worden gegeven van versieringsmotieven en van inheemse ceramiek, dat in zeer grote massa bekend schijnt te zijn (p. 57), vindt men geen tekeningen van profielen of randen. Uit de beschrijving krijgt men echter sterk de indruk, dat, in elk geval gerekend vanaf de Romeinse tijd, de inheemse cultuur in het Vlaamse kustland sterk afwijkt van die, v/elke in ons land bekend is5 over de vroegere tijden valt nog weinig te zeggen, door het geringe vergelijkingsmateriaal over en weer. Het zou de moeite waard zijn, indien een buitenlandse deskundige als CH0C8JEEL voor onze lezers eens een beknopt overzicht gaf van dit onderwerp, dat hij weliswaar reeds elders heeft behandeld, doch waarvan de herhaling volkomen wordt gewettigd door het grote belang, dat gelegen is in een duidelijke reconstructie der oude cultuurgrenzen. W.J.d.B. BINA DOBSON, Early Man. (Geïllustreerd door JOHN BAYNES ) (Puffin Picture Book 87, 1950, 32 blz., j> 1,40) In beknopte vorm worden de hoofdzaken van de ontwikkeling van de mens en zijn cultuur van de oudste tijden in beeld gebracht, vergezeld van een toelichtende tekst. Mensen, dieren, gebruiksvoorwerpen en het milieu zijn in duidelijke tekeningen weergegeven en daar verschillende afbeeldingen in kleur zijn uitgevoerd, doet dit populaire werkje prettig aan. C.R. LAMING-EMPERAIRE, L'Art préhistorique, peintures,gravures et sculptures rupestres. (Les êditions Braun & Cie, Paris, 1951, / 2,40) In de bekende serie "Les liaitrss" verscheen dit werkje met 53 foto's van, door de praehistorische bewoners in de grotten


PLAATUI


PLAAT TZ


.19van Zuid-Frankrijk aangebrachte rotstekeningen enz. Als inleiding wordt in het Frans, Duits en Engels een beknopt overzicht gegeven van de ontdekkingen op dit gebied, vanaf 1834 tot heden. De afbeeldingen worden toegelicht. Ean beknopt , billijk en aardig boekje over dit belangrijke onderwerp.

B.J.VAN DER ZUYLEN, Noord-Europese Mysteriën en Inwijdirken in de Oudheid. (Uitgeverij Thule, Beethovenlaan 1 ] , Hi.1versun. 1953- 136 blz., ingen. / 3»85j geb. f 4,95) De schrijver van het werk "Mysteriën en inwijdingen in de Oudheid", dat in 1927 verscheen,geeft thans een interessarte beschouwing over de mysteri'én en inwijdingen in het Noorden van Europa sedert de "tijden' vóótf het begin onzer jaartelling . Door het vele feitenmateriaal, dat de schr. in de loop dor jaren verzamelde, komt hij tot belangrijke en menigmaal verrassende gevolgtrekkingen en inzichten betreffende de geestelijke wereld van de Noord-Europese volken. Tot dusver waren over dit onderwerp op velerlei plaatsen fragmentarische studies gepubliceerd, doch aan VAN DER ZUYLEN komt de verdienste toe, een poging te hebben ondernomen toyt een synthese, welke ons alleszins aanvaardbaar toeschijnt. Schr. behandelt verschillende soorten van inwijdingsgenoootschanpen, die overeenkomsten blijken te bezitten met die, weel— ke ons uit Zuid-Europa bekend zijn. Allerlei godsdienstige feesten, inwijdingsgebruiken en cultische handelingen werden overzichtelijk beschreven en in een aantal bijlagen me-t bewijsmateriaal uitvoeriger toegelicht. Veel hiervan leeft tot op heden voort in onze volksgebruiken en in de vrijmetselarij. Voor de archaeoloog is hier een zeer interessant eaa 1 ezenswaardig ge.schrift, waarin hij meer gewaar wordt over het geestelijk leven en de achtergrond van de praehistorische csulturen ,van Noord-Europa en oen beter beeld wordt verkregen van de wereldbeschouwing van do mensen, wier cultuurresten wij thans opgraven. Een 14-tal illustraties is in het goed uitgevoerde boekje ter toelichting opgenomen. Meerdere publicatie^, over deze materie worden door de schrijver aangekondigd. C.H.


-20Ir. E.J.FORBESi De Mens touwt zich een wereld. 5000 jaar techniek. (Uitg. N.V. Em. Querido, Amsterdam, 1952, 241 blz., / 15*= ) Schrijver geeft hier een samenvatting van de ontwikkeling van de techniek vanaf het stenen tijdperk tot plm. 1900 n.C. Een inleidend hoofdstuk handelt over de mens en de natuur, hoe hij het materiaal heeft leren kennen en tot de vele ontdekkingen en uitvindingen gekomen ia door zijn voortdurend streven naar iets beters. De steentijdcultuur vóór 3000 v.C. met zijn gebruiksvoorwerpen en zijn technieken ten dienste van het menselijk leven, zoals spinnen en weven, pottenbakken en steenbewerking, worden beschreven, evenzo metallurgie, bevloeiingsmethoden, het wiel en communicatiemiddelen (schip, schrift) in de daarop volgende tijden. In de grote rijken na 3000 v.C. worden de uitvindingen verder ontwikkeld en met nieuwe vondsten uitgebreid. Het aantal ambachtslieden, dat zich op bepaalde vakken toelegde, nam steeds meer toe. Vervolgens wordt de ontwikkeling en plaats van de techniek nagegaan in de klassieke wereld van Griekenland en Rome, zoals de bouw van aquaducten, kanalen, bruggen, wegen, machines voor vredes- en oorlogsdoeleinden, enz. Daarna zet de schrijver zijn relaas voort via de Middeleeuwen tot de moderne tijd. Het goed uitgevoerde werk is met vele illustraties verlucht en vele wetenswaardigheden betreffende een onderwerp, waarover in ons land nog weinig geschreven werd, kan men in dit boek vinden. C.R.

A.W.W.N.

- K R O N I E K

TENTOONSTELLING "VAN 8 EEUWEN VOOR TOT 10 EEUWEN NA CHR." Op voorstel van het "Historisch Genootschap Midden-Kennemerland" werd in de Kennemer Oudheidkamer te Beverwijk, in de weken rondom Kerstmis en Nieuwjaar, door de Werkgroep "Kennemerland" van de A.W.W.N. een tentoonstelling georganiseerd van bodemvondsten uit deze streek.


-21

Op Dinsdag 23 Dec. j.1. werd deze expositie geopend door burgemeester Mr.H.J.J.SCHOLTENS, waarbij een vijftigtal genodigden aanwezig was. De Heer SCHOLTENS hield een doorwrochte rede, waarin hij o.a. de nadruk legde op het vele belangrijke voor de vroege historie, dat de bodem van Kennemerland thana nog verbergt; hij wees op ons aller taak, hier een oog in het zeil te houden.Vervolgens gaf do Heer H.J.CALKOEN,alg. voorz. der A.W.W.N., eon kort overzicht van hot tentoongestelde, waarbij hij iets vertelde over do wijze, waarop in de laatste twintig jaar allerlei bodemschatten aan het licht zijn gekomen. Hierna had de bezichtiging plaats, die meermalen aanleiding gaf tot geanimeerd discours. Aan drie zijden van de expositieruimte waren in keurige vitrines, overzichtelijk on aantrekkelijk gerangschikt, de vondsten ondergebracht. Onder deze vitrines stonden in ppen kastjes prachtige voorbeelden van vroog- en laatmiddeleeuwse potten, kannen en kruiken, afkomstig uit de collectie-de Eaaf (Spaarnwoude) en uit het Museum van Oudheden te Alkmaar (Egmond op den Hoef). De oudste vondsten uit Driehuis-Velsen (aardewerk, vuurstenen werktuigjes, houtskool, beenderen) gaan terug tot de late Bronstijd-Vroege Ijzertijd (800-600 v.Chr.). Daarop volgen de vóór—Chr. aardewerkfragmenten, een ijzeren mesje en ijzerslakken uit Santpoort, benevens de grafvondat (?)uit de 1e eeuw vóór Chr. te Driehuia. Vervolgens was er een grote hoeveelheid aardewerk te zien uit de Germaanse nederzettingen rondom Velsen (1e eeuw) en soortgelijke fragmenten uit Beverwijk en Spaarnwoude (Liede) (2e eeuw). Dit alles v/as zovoel mogelijk gecombineerd met beenderen, tanden en kiezen van vee, huisdieren en jachtbuit, terwijl plantenzaden uit de veenlagen iets vertelden ovor de vroegere flora. Een aparte vitrine waa gewijd aan Bomeinse vondsten uit Velsen (1e eeuw), aardewerk, glas, brons en beenderen, waaronder die van een Romeinse hond en een eland opvielen. IJmuiden was vertegenwoordigd door een horenpit van een Oeros. De Middeleeuwse afdeling omvatte vele aardewerkfragmenten en een zilveren munt uit ong. 1200. Opvallend v/as hier de schaarsheid aan vondsten uit de 7 e e n 8e eeuw. Iets meer was er uit de 9 e en 10e eeuw, maar pas daarna neemt de bewoning hier geleidelijk toe, om te culmineren in de 12o en 13e oeuw (Santpoort, Driehuis, Velsen, Velsen—Noord).


-22-

Bijgevoegde litteratuur (en schelpen) vertelden iets over de bloeiende Middeleeuwse schelphandel (langs de Oude Schulpweg te Beverwijk) en ook over overstromingen in de 12e eeuw bij de Abdij van Egir.ond, door scherven en een profielkaartje geĂŻllustreerd. Boor het Oudheidkundig Museum te Bergen werd spontaan een vondst uit de duinen te Velsen tijdelijk afgestaan, n.1. vijf barnstenen kralen en een blauwe kraal (Noormannentijd, of ouder?). De laatste vitrine bevatte een keurcollectie van voorwerpen van glas, ijzer en aardewerk (1400-1600), afkomstig uit de grachten van het Slot Egmond op den Hoef, welwillend beschikbaar gesteld door het Museum v.Oudheden te Alkmaar. Met erkentelijkheid dient vermeld, dat tijdens de tentoonstelling nog een vitrine met vondsten uit de duinen onder Castricum werd bijgeplaatst dcor bemiddeling van het Prov. Waterleidingbedrijf van Noord-Holland. Zij bevatte een interessante collectie vroeg-en laatgermaans aardewerk, hutleem, beenderen, spinklosjes, Middeleeuwse scherven en wapens. â&#x20AC;˘ Talrijke foto's, tekeningen en kaarten verduidelijkten het geheel. De expositie mocht zich verheugen in een grote en groeien<de belangstelling; niet minder dan 726 personen (waaronder ruim 400 scholieren) bezochten de tentoonstelling. Het spreekt welhaast vanzelf,dat de tentoonstelling tevens een niet onaanzienlijke versteviging van de gelederen van de A.W.W.N, in Midden-Kennemerland ten gevolge heeft gehad. Een woord van hartelijke dank is hier op zijn plaats aan het adres van de velen, die tot dit succes hebben meegewerkt % in de oerste plaats aan de Kennemer uudheidkamer, die zaal en vitrines afstond, dan aan de inzenders (waaronder, naast talrijke particulieren, het Museum-de Baaf te Heemstede, de Musea te Alkmaar en Bergen en het Prov. Waterleidingbedrijf van Noord-Holland te Castricum, bovendien aan een bloemenmagazijn te Beverwijk, dat uit sympathie een prechtig bloemstuk zond), vervolgens aan de Heren van de Pers en tenslotte aan allen,de rondleiders niet in de laatste plaats, die hier hun tijd en mooite gaven. Slechts door deze eendrachtige samenwerking,was het mogelijk te komen tot een echte "streek-tentoonstelling", van een volledigheid en overzichtelijkheid, zoals die nog niet vaak in ons land is vertoond.


-23WERKAVOND TE AMSTERDAM Werkgrcop "AMSTERDAM, ZAANLAND

EN AMSTELLAND" opgericht.

Op Donderdag 18Dec. jj, werd te Amsterdam door de A.W.W.N. een werkavond georganiseerd,waarvoor grote belangstelling bestond. Onder de aanwezigen bevond sich Dr.P.GLAZEMA, directeur der R.O.B., die met twee leden van zijn staf uit Amersfoort was overgekomen. Nadat de Heer H.J.CALKOEN het programma voor deze avond had medegedeeld, daarbij kort uiteenzettend, wat de bedoeling was van een dergelijke werkavond, gaf hij het woord aan de Heer J.D.VAN DER WAALS, wetenschappelijk assistent van het Instituut voor Prae- en Protohistorie te Amsterdam. Deze spreker hield daarop aan de hand van vele meegebrachte scherven, een diepgaand en interessant betoog over de ontwikkeling van de terra sigillata-industrie in de Romeinse wereld. Uitgaande van het oudste t.s. uit Arezzo, dat aanvankelijk zwart van kleur was (zilverimitatie?), liet hjj zien, hoe men kwam tot het fraaie rode t.s. Waarschijnlijk hebben Italische pottenbakkers ook gewerkt aan de Noordzijde van de Alpen, maar op den duur hebben zij daar de concurrentie met de fabrieken in Z.-Galli'é niet kunnen volhouden. Spr. vertelde over de dateringsmogelijkheden,vooral in verband met de naamatempels (600 in Vechten1.), besprak uitvoerig de techniek van vormen en bakken, beschreef de export naar Brittannï'é\(vooral uit Lezoux) en liet vele afbeeldingen van naamstempels circuleren', waaronder vooral die met twee namen opvielen. Na afloop van de lezing ontspon zich een geanimeerd debat tussen de hoer BOGAERS (R.O.B.) en de heer VAN DER WAALS, een gesprek,'dat voor de toehoorders uiterst leerzaam was. Na'het kopje koffie in de pauze, besprak de heer B.J.WISLAND LOS enige meegebrachte schervon van Middeleeuwse kogelpotten, gevonden in de Osdorperpolder. Hij kwam tot de conclusie, dat de datering van dit materiaal in de dissertatie van Mejuffrouw Dr B.POLAK enige eeuwen te vroeg was. Hierna werd overgegaan tot de oprichting van de werkgroep "AMSTERDAM, ZAfiNLAND EN AMSTELLAND". De heer VAN DER WAALS werd bereid gevonden, voorlopig het voorzitterschap op zich te nemen, daarbij terzijde gestaan door de heer 'S.J.DE BCONE, Joh. Verhulststraat 140, Amsterdam, als secretaris. Tenslotte bracht de alg. voorzitter dank aan de sprekers,


-24waarna deze vergadering, die uitmuntte door de gezellige en goede geest van samenwerking, werd gesloten. Vermeld moet nog worden, dat zich onder de aanwezigen opvallend veel jongeren bevonden, wat als een hoopvol teken kan worden beschouwd, en dat drie belangstellenden zich spontaan opgaven als lid van onze gemeenschap. HJSRKGROEP "GOOI EN EEMLAND" Ons lid, Mej. M.J.COBBEN hield op 21 Jan. jl. te Hilversum voor de Werkgroep "Gooi-en Eemland" een lezing over haar ervaringen, vorig jaar zomer opgedaan tijdens een studentenwerkkamp op het eiland Bornholm in Denemarken. 0.1.v. een Deens archaeoloog werd een prehistorische nederzetting uit ca 300 - 200 v.Chr., behorend tot de Ijzertijd, opgegraven. Naast een verslag over de opgravingsresultaten,gaf Spreekster tevens een overzicht van de oudste geschiedenis van het eiland. Op vlotte en prottige wijze kregen de aanwezigen een beeld van de Deense archaeologie. Na de pauze hield de Heer A.BEUYN, verbonden aan de R.O.B, te Amersfoort,een causerie over de archaeologie van ons land, in het bijzonder van het Gooi. Aan de hand van zijn meegebrachte collectie vuursteenwerktuigen werden de kenmerkende eigenschappen daarvan in de verschillende tijdperken besproken en bekeken.Enige leden der Y7erkgroep,o.m. de Heer L.STCM, hadden eigen materiaal ter bespreking medegebracht. Evenals door Mej. COBBEN werden door de Heer BRUĂ?N nog velerlei vragen beantwoord, waarbij zich o.a. een belangwekkende discussie ontspon over het ontstaan van het zg. Roodzand. Namens de R.O.B, deelde de Heer BRUYN nog mede, dat ook in dit jaar weer opgravingen in het Gooi zullen plaatsvinden. Nadat de Voorzitter der Werkgroep, Dr J.P.JANSMA, spreekster en spreker had dank gezegd voor hun boeiende voordrachten, vermeldde hij, dat de Secretaris, de Heer W.J.J.KOOYMAN, wegens zijn afgelegen woonplaats gaarne zijn functie wilde overdragen. De Heer Mr.H.HJSNISCH TEN CATE, Witte Kruislaan 25 te Hilversum, werd bereid gevonden, deze functie op zich te nemen. De Voorzitter dankte de Hoer KOOYMAN hartelijk voor de vole werkzaamheden, v/elke hy bij de oprichting en leiding van de Werkgroep "Gooi en Eemland" hooft verricht.


-25-

WERKGROEP '"KENNEMERLAND" Ten huize van de Heer en Mevrouw DS RAAF te Heemstede werd op 23 Jan. jl. een bijeenkomst van de Werkgroep Kennemerland van de A.W.V7.N. gehouden, waar de Heer J.E.TH.BOGAERS, ad j. wet. ambt. van de E.O.B, te Amersfoort, een inleiding hield over het Romeinse gebruiksaardewerk in ons land. Spr. wees op de vele problemen, die aan de datering van het aardewerk zijn verbonden. Verschillende dateringsmethodai werden door hem behandeld. Na de pauze toonde spr., aan de hand van een collectie scherven,welke onlangs door de Heer en Mevrouw DE RAAF, o.a. te Zwammerdam, werd opgegraven, de aanwezigen de vormontwikkeling en de bijzondere .kenmerken van het aardewerk uit verschillende perioden. Voorts vond nog een interessante discussie plaats over de opgeworpen problemen. De Voorzitter van de Werkgroep, Mr C.M.J.DE JONGH, dankte tenslotte de spreker voor zijn leerzaam betoog en eveneens de familio DE RAAF voor hun medewerking en gastvrijheid. Als secretaris der Werkgroep treedt op de Heer J.BURGER, Stumphiusstraat 45, Beverwijk, Mej. W.H.VAN DER LAAN te Haarlem als penningmeestoresse.

LEZING TE LEIDEN Werkgroep "RIJNSTREEK" opgericht Op Vrijdagavond 13 Febr. hield de A.W.W.N. een bijeenkomst te Leiden, waar de Heer C.A.J.VON FRYTAG DRABBE, Directeur van de Topografische Dienst te Delft, sprak over het onderwerp: "Archaeologie en Luchtfotografie". Voor een 25-tal toehoorders gaf spr. een overzicht van de vervaardiging en het gebruik van luchtfoto's, om daarna een willekeurige greep te doen in de ruim 600.000 door hem bestudeerde luchtfoto's, en zijn gehoor in opperste verbazing te brengen over de vele waardevolle en vaak volkomen onbekende gegevens op archaeoloâ&#x20AC;&#x201D; gisch gebied, welke daaruit zijn te lezen. In de volgende discussie vjerd betreurd, dat het de bevoegde instanties aan middelen en krachten ontbreekt, om alle gegevens, die uit do luchtfotografie,zowel als uit de amateuristische oppervlakteverkenningen worden verkregen,uit te werken. Des te meer verheugend was het enthousiasme, waarmede Spreker en gehoor el-


-26kander samenwerking toezegden, opdat het onzichtbare,dat door de luchtfoto (en haar unieke interpreteur) wederom zichtbaar wordt gemaakt, door de archaeologiache amateur kan worden geverifieerd, alvorens totaal en voorgoed te worden uitgewist. Vele aanwezigen maakten van de gelegenheid gebruik,hun gegevens op de, door de Heer VON FHYTAG DRABBE meegebrachte , foto's te controleren. Nadat de Alg. Voorzitter der A.W.W.N.,de Heer H.J.C ALKOEN, de Spreker had bedankt voor zijn instructieve lezing en zijn toezegging tot ondersteuning van het werk der amateurs, werd overgegaan tot oprichting van de Werkgroep "RIJNSTREEK",waarvan het secretariaat voorlopig zal v/orden waargenomen door de Heer H,J.VERHAGEN, Morskade 12 te Leiden.

VERENIGINGS-MEDEDELINGEN B E S T U U R De Heer B.J. WIELAND LOS, Algemeen Secretaris der A.W.W.N. en lid van de Commissie van Redactie, heeft in verband met drukke werkzaamheden, deze functies ingaande 1 Januari j.1. neergelegd. De Heer C.ROODENBURG,Penningmeester onzer Werkgemeenschap, werd bereid gevonden,voorlopig de secretariaats-werkzaamheden -op zich te nemen. Het adres van het secretariaat der A.V7.W.N. luidt dientengevolge thanss van Eedenstraat 9> Haarlem. Het Hoofdbestuur dankt de Heer WIELAND LOS van deze plaats voor de vele en belangrijke werkzaamheden, welke hij voor de A.W.W.N. heeft verricht. De vacature in de Commissie van Redactie is inmiddels vervuld door de Heer W.J.DE BOONE, die zich speciaal zal belasten met het onderhouden van onze buitenlandse contacten, alsmede met het refereren van in het buitenland verschenen literatuur,welke voor de archaeologie van Westelijk Nederland van belang is. In de Werkgroep "Gooi en Eemland" is de Heer W.J.J .KOOYMAN op zijn verzoek vervangen als Secretaris. Deze functie wordt thans vervuld door de Heer Mr H.HXNISCH TEM CATE,Witte Kruislaan 25? Hilversum.


-27 Ook aan de Heer KOOIMAN betuigt het Hoofdbestuur op deze plaats dank voor de vele, door hem ten behoeve van onze Werkgemeenschap verrichte arbeid.

VAN DE PENNINGMEESTER Daar de invordering van de contributie onnodige kosten met zich brengt, verzoekt de Penningmeester van de A.W.W.N. U beleefd, Uw bijdrage voor het jaar 1953» groot minimum f 5>—» zo spoedig mogelijk te willen storten op girorekening 577808, t.n.v. de Penningmeester van de Archaeologische Werkgemeenschap voor Westelijk Nederland te Haarlem. Na 15 Maart 1953 zal over de gelden met verhoging van inningskosten worden beschikt. Het spreekt vanzelf, dat aan onze leden, die onverhoopt mede door do overstromings-ramp werden getroffen, tenminste voor het jaar 1953 vrijstelling van betaling hunner contributie wordt verleend. Vrijwillige verhoging van de minimum contributie en extrabijdragen zullen zeer op prijs worden gesteld» Het Hoofdbestuur heeft vele plannon en de -Redactie van "Westerheem" wil ons tijdschrift graag verbeteren en uitbreiden; daarvoor is echter veel geld en aller steun nodig. Elke bijdrage is welkom. Werkt allen mede om de A.tf.W.N. tot een bloeiende organisatie, en "Westerheem" tot een prima archaeologisch maandblad te doen wordenl Voorts heeft het Hoofdbestuur besloten, dat in streken, waar eoa Werkgroep van de A.W.W.N, is opgericht, voor de daaptoo behorende leden per hoofd jf 1 , — aan de Penningmeester van de Werkgroep zal worden verstrekt ter bestrijding van de door de Werkgroep ter plaatse te maken onkosten voor bijeen— komsten* propaganda en plaatselijke activiteit. Tevens is aan de Besturen der v/erkgroepsn toegestaan aan de betreffende leden voor genoemde doeleinden een bijdrage van f 1,== te ver zoeken. C.R00DEN3URG, Penningmeester A.W.W.N., Van Bedenstraat 9» Haarlem.


-28REDACTIONELE MEDEDELINGEN Dank zij een bijdrage uit het "Westerheem-fonda" kon dit nummer met 4 pagina's worden uitgebreid. Wij maken er onze lezers op attent, dat het adres van de Eedactie is gewijzigd en thans luidts Uorskade 12, Leiden. Tevens wijzen wij er nogmaals ops dat alleen zij, die lid zijn van eon vereniging, welke zelf lid is van do A.W.W.N., gebruik kunnen maken van esn abonnement op "Westerheem" tegen X 3,50 P©1" jaar, ingaande de eerste van de maand, volgende op die der abonnering. Leden,die in het bezit wensen te komen van reods verschenen nummers, kunnen deze verkrijgen bij de Redactie, 3 f 0,60 per aflevering,zolang de voorraad strekt . Deze mogelijkheid bestaat niet voor abonné's'. Het abonnement staat eveneens open voor alle openbare instellingen, bibliotheken enz. Copy en mededelingen voor het volgend nummer dienen uiterlijk 1 April e.k. bij de Redactie te zijn.

INHOUD VAN DIT NUIJMER Voorwoord blz. 1 Ijzervondst uit de eerste eeuw te Santpoort, door H.J.Calkoen . . . '. „ " 2 Een Germaans (?) graf te Driehuis-Velsen, door H.J.Calkoen " 5 De namen van onze weekdagen, door Dr H.Brunsting . . " 6 Nog eenss De grote puzzle, door Dr H.Brunsting . . . " 9 Een hoornpit van een rund uit IJmuiden, door P.J.van der Feen " 12 Een vóór—Romeinse nederzetting te Leiden, door H.J .Verhagen " 14 Boekbespreking " 17 A.W.W.N.-Kroniek " 20 Verenigings—mededelingen " 26 Illustraties? H.J.Calkoen,Velsen. Reproducties Reproka,Amersfoort. Eindredactie en opmaak? H„J.Verhagen,Leiden. Stencils, vermenigvuldiging on afwerking! H.de Bot, Rotterdam.


Jaargang II, No. 3-4

Maart-April 1953

Orgaan van de ARCHAEDLOGISCZE WST VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur! H.J.Verhagen, Morakade 12, Leiden. Wnd.Secretaris der A.W.W.N.s C.Roodenburg, van Eedeustraat 9, Haarlem. Contributie ad min. f. 5 , â&#x20AC;&#x201D; te storten op girorekening 577808 ten name van de Penningmeester der A.W.W.N. te HAA3LSM.

GEESTELIJK DETECTIVEWEBK Zo zou men de archaeologie kunnen noemen," voor zover deze bestaat in het moeizaam opbouwen uit verspreide fragmenten van wat eens een geheel was. De dingen, zelf onbelangrijk in hun tijdelijkheid, krijgen diepere zin, wanneer het verband hun bestaan rechtvaardigt. Dit verband zelf is een uiting van het eeuwig voortgaande en zich ontwikkelende leven. Zo wordt schakel na schakel aaneengevoegd van de ketting die zonder eind is en zolder begin. Soms kan een klein, schijnbaar nietig fragaant juist het stukje van de grote legkaart zijn, dat nog ontbrak en dan is men weer iets gevorderd, zonder ooit klaar te komen. De archaeoloog is de man,die gravend, speurend en denkend zich bezig houdt met het achterhalen van wat reeds lang voorbij is. Hij doet het verleden herleven in eigan tijd en beseft op zijn wijze, hoe al het menselijke van vroeger en nu in wezen gelijk is. H.J.G.


-30DE BETEKENIS VAN DE VELDNAAMKUNDE door J.PEKKE3 (Assist. Naamkunde-bureau,Amsterdam) Br SCHQNPELD dateert de vroegste veldnamen, die als zodanig tot ons zijn gekomen, in de latere Middeleeuwen. "In de lle en 12e eeuw treffen wij er nog in statu nascendi, en dit maakt aannemelijk,dat de grote massa van niet veel oudere datum is, al is de mogelijkheid niet buitengesloten, dat ook de vroegere Middeleeuwen hun bijdrage hebben geleverd". 1) Door hun betrekkelijke oudheid kan de bestudering van de veldnamen voor verschillende terreinen van wetenschap belangrijke gegevens verstrekken. De taalkundige kan het materiaal verschaffen voor de dialect-kennis,woordgeografie en soms ook voor de klankleer. Voor de historicus is de veld-naamgeving belangrijk voor de geschiedenis van de nederzettingen en de vroegere gesteldheid van het land, waarmede ook de landbouwkundige gebaat kan zijn, evenals met de kennis van de ontginningen, de vroegere gewoonten van het boerenbedrijf, de namen der gewassen enz. Tenslotte kunnen de veldnamen eveneens belangrijke schakels vormen voor de kennis der familienamen. Daar deze gebieden,.van wetenschap elkander wel ergens raken, is, zoals Dr SCHĂ&#x2013;NFELD terecht opmerkt, samenwerking nodig van taalkundige-, historicus, bodemkundige en geograaf ^ ) . En ook de archaeoloog kan soms voor problemen van toponymieohe aard komen te staan, waarbij de veldnaamkunde misschien het een en ander verhelderen kan. Zo kan bv. de veldnaam "De witte Steen" (onder Eist en Mechelen) duiden op de vroegere aanwezigheid van een Romeinse mijlpaal en dit zou van belang kunnen zijn bij de oplossing van problemen rond de zg. Tabula Peutingeriana ->). Het Naamkunde-bureau van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlandse Volkseigen (Nieuwe Hoogstraat 17, Amsterdam-C.),ressorterend onder de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, wil gaarne proberen bij te dragen tot de oplossing van gerezen vraagstukken. Een veldnamen-register van Nederland zou hierbij goede diensten kunnen bewijzen, en ons Bureau is inmiddels begonnen dit register aan te leggen. Op onze beurt kunnen wij daarbij da hulp v;n anderen niet ontberen en daarom willen wij gaarne ook Uw hulp inroepen bij het verzamelen van de nog levende of


-31reeds verdwenen veldnamen. Slechts voor een deel zijn deze laatst© nog te achterhalen in oude bronnen (bv. voor WestFriesland de banregisters, voor Kennemerland de transportregisters en verder de archieven van waterschapa- en polderbesturen). Op dit terrein is het helaas,evenals bij de archaeologie, zaak om spoed te betrachten. Veel materiaal is reeds verdwenen en verdwijnt nog geregeld; in het begin van de 19e eeuw o.a. door de oprichting van het kadaster, en thans in snel tempo vooral door de ruilverkaveling. Ofschoon het misschien een ideaal zal blijven, alle veldnamen van Nederland in ons register O p te nemen, is het waarschijnlijk wel mogelijk overzichten te verkrijgen van bepaalde gebieden, waarbij wij uiteraard zijn aangewezen op de medewerking van hen, die een bepaalde streek goed kennen. Jaarlijks zendt ons Bureau vragenlijsten uit, waarin naar het voorkomen van bepaalde toponiemen wordt gevraagd» in de 1e lijst (1946) bv. naar de namen van stukken grond,landerijen, heiden, moerassen, waterlopen enz.(zie ook noot 2); in de 2e lijst (1948) naar graslandnamen,die door de Stichting voor Bodemkartering te Wageningen werden geficheerdjin de 3e lijst (1951) o.a. naar namen van wegen en straten (Hessenweg,Peperstraat). Het materiaal van de 3e lijst is in zijn geheel echter nog niet te overzien,daar de uitgezonden lijsten nog niet alle zijn terugontvangen. Een 4e lijst over veld- en waternamen zal binnenkort worden verzonden. Reeds voor het invullen van deze vragenlijsten zullen wij de leden van de A.W.W.N. zeer erkentelijk zijn. Indien U bij Uw werkzaamheden bovendien op veldnamen mocht stuiten, dan zoudt U ons een grote dienst bewijzen, door ze ons toe te zenden, ook wanneer zij voor Uw eigen onderzoek niet van direct belang zijn. Belangrijk voor ons is, naast de naam,de aanduiding van de ligging van het perceel,de gesteldheid en het gebruik van de grond en eventuele bijzonderheden, die voor de verklaring van de naam belangrijk kunnen zijn, waarbij ik de plaatselijke uitspraak niet wil vergeten. Wij hebben fiches met deze indeling laten drukken, die wij U bij Uw onderzoek gaarne ter beschikking zullen stellen. Be opgave van de ligging der percelen kan natuurlijk vervallen, wanneer met kaarten wordt gewerkt. Doch ook, wanneer U ons slechts enkele namen kunt doorgeven, zullen wij U daarvoor zeer dankbaar zijn. Tezamen kunnen zij het boeiende mozaïek dor voldnaamkunde vormen, dat aan de verschillende takken van weten—


-32-

achap goede diensten bewijzen kan.

l'i.l.lL — IL — — — E* 1) SCHÖNFELD, Mo (1947). De ouderdom van de veldnamen in Nederland. - Meded. v.d. Ver. voor Naamkunde te Leuven, XXIII, pp. 3-11. - (Met ingang van Jrg. 26 (1950) zijn deze Mededelingen het gezamenlijk orgaan van de Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor 4-Naamkunde te Amsterdam.) 2) SCHÖNPELD, M. (1950). Veldnamen in Nederland. - Meded.Kon. Ned. Akademie v. Wetenschappen,afd. Letterk.,Nw.Reeks, dl. 12, no. 1. N.V.Noordholl.Uitg.Mij., 2e dr., waarin o.a. de resultaten van de 1e vragenlijst van het Naamkunde-bureau werden verwerkt. 3) HARDENBERG, H. (1945-46). De villa Eist en het castrum aldaar. - Ned. Archievenbl., L, pp. 31-46. EDELMAN, C E o (1950). Oudheidkundige resultaten van de bodemkartering. - Akademie-dagen, dl.III, N.V.Noordholl. Uitg.Mij., Amsterdam, pp. 13-36. VLAM, AoW. (1951). Perceelsnamen in Nederland. - Tijdschr. v. Kadaster en Landmeetkunde, LXVII,1, pp. 31-40.

HOE KWAMEN DB GERMANEN AAN IJZERERTS ? door P.VAN DER LIJN (Bennebroek) Deze vraag, in "Westerheem" van Januari 1953 gesteld door de Heer H.J.CALKOEN, lijkt niet moeilijk te beantwoorden, indien we van de geologische gesteldheid van Midden— en OostNederland op de hoogte zijn. Dat langs de beken van ons grensgebied overvloedig moerasijzererts of ijzeroer werd gevormd als afzetting uit het beekwater, onder invloed van bacteriën,was al zeer lang bekend en gaf nog aan het begin van deze eeuw aanleiding tot oerwasserijen,o.a. aan de Mussel-Aa in Groningen,en aan scheepstransport naar Duitse ijzergieterijen. De landaanwinning en grondverbetering der groengronden vanaf Groningen tot in Limburg heeft de vrije oervorming sterk ingeperkt. Ook in de aanvang


-33van onze eeuw zag ik bij graafwerk langs de Eegge en de Vecht bij Ommen nog veel oer, soms in dichte blokken van wel een kwart kabieke meter, tevoorschijn komen; daarnaast ook veel poreus erts. Het lag zeer ondiep,bijna aan de oppervlakte,zodat onze Tubanten er zeker gemakkelijk over konden beschikken. Op de Veluwe en andere hoge zandstreken is het geval heel anders. Daar werd uit het verwerende deel van het z.and en uit steenstukken ijzeroxyde vastgelegd in diepere lagen,veelal op de grens van leemlagen, in de vorm van concreties, sferosiderieten of klapperstenen. Daarbij ontstonden vaak lagen onder elkaar, gescheiden door leemhoudend zand, een rhythmiach verschijnsel, vergelijkbaar met de vuursteenbanken in het tufkrijt. Dat onze vroege voorvaderen - Germanen o.a. - die wisten te vinden, blijkt wel uit de vele alakkenhopen, die tot voor enkele tientallen jaren nog op de Veluwe te vinden waren en die men later (bv. bij Ugchelen)voor wegverharding gebruikte . Vele lange sleuven in de bossen van de Veluwe duiden nog op de klappersteengraverij en ijzersmelterij in de nabijheid, blijkens half versmolten ijzerschalen, waarin men dank zij de primitieve methode nog 50 procent ijzer liet zitten. Buitengewoon groot is het aantal ijzerkuilen aan de Montferland, in het bos van het kasteel Bergh, waarover door de Heer J.A.H. VAN HEEK een zeer interessant en goed gefundeerd artikel werd geschreven, met een kaart der kuilenseries, in "Publicatie" XII der Nederlandse Geologische Vereniging. Van de hand van E. DE VRIES vindt men in "Publicatie" XIII mededelingen en een profiel met gestuwde klappersteenbanken, in de buurt van Braamt (PI. V I ) . Een en ander toont wel aan, dat onze voorvaderen ruim in hun ijzererts hebben gezeten en een kleine verplaatsing naar Santpoort of Velsen kon geen bezwaar heten.Er was zelfs kans, dat ze nog korter bij huis terecht konden, nl. in het Gooi, waar in de zandgraverijen nog altijd ijzernoten voor de dag komen, soms in vrij grote hoeveelheid. Schr. maakte indertijd in de afz&aderij bij het St Janskerkhof onder Laren e6n foto van een klappersteenbank op een dunne leemlaag. Op de heide een rugzak vol op te rapen aan halve en hele ijzernootjes was een kwarteeuw geleden geen kunst,maar sindsdien wordt het Gooi op het punt van zwerfstenen, windkeien en klapperstenen volmaakt uitgekamd door de vele kleine en grote belangstellenden in de geologie.


-34DE BROHSTIJD IN WESTELIJK NEDERLAND

1

)

door TH.G.APPELBOOM (Rijksmus.v.Oudh.,Leiden) In zijn "Voorgeschiedenis van Nederland" schrijft Prof. Dr A.W.BYVANGK op pag. 154: "Het zou zeker de moeite waard zijn, de voorwerpen uit de bronstijd,die in ons land zijn gevonden, in een volledige lijst aamen te brengen." Voorzover zich deze voorwerpen in bekende Musea bevinden of in de literatuur werden besproken, is aan deze opgave voldaan door P.FELIX (2). Echter blijkt telkens weer,dat zich nog bronstijdmateriaal in particuliere handen bevindt of in plaatselijke vitrines ligt uitgestald, zonder aan de archaeologische wetenschap bekend te zijn. Teneinde ook deze gegevens in te schakelen en aan het wetenschappelijk onderzoek dienstbaar te maken, werd door de AoW.W.N. een werkgroep in het leven geroepen ter bestudering van de Bronstijd in Westelijk Nederland. Het doel van deze studiegroep zal zijns het opsporen, catalogiseren en in kaart brengen van alle verschijnselen uit de Bronstijd, die in Westelijk Nederland tot nu toe gevonden zijn of alsnog gevonden zullen worden. Om dit doel te bereiken zal contact gezocht worden met alle Musea en particulieren, welke over archaeologica uit deze periode beschikken en die bereid zijn mede te werken, door hun desbetreffende gegevens af te staan aan de studiegroep. Slechts hierdoor zal wellicht een zo volledig mogelijk beeld van de Bronstijd in deze streek kunnen worden ontworpen. Alvorens hier een beknopte opsomming te geven van datgene, wat ons reeds over Westelijk Nederland bekend is,wil ik eerst in een korte inleiding U iets vertellen over onze kennis betreffende de Bronstijd in de rest van ons land. Afbeeldingen der te bespreken voorwerpen zijn te vinden in de boeken en artikelen, die onder het overeenkomstige verwijzingsnunaner, in de literatuurlijst worden genoemd. Deze werken zijn alle in de bibliotheek van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden te raadplegen, het merendeel der voorwerpen is in dit Museum te bezichtigen. De Bron3tijd is het tijdvak tussen Neolithicura en IJzer1) Publicatie nr. 1 van de Eronstijd-studiegroep der A.W.W.N.


-35ti jd ~ geologisch ongeveer samenvallend met de zg. Subboreale phase (met relatief droog klimaat), archaeologisch te dateren tussen ongeveer 1700 en 600 jaar vóór Chr. - dat o.a. door de Zweedse onderzoeker MONTELIUS in een 6-tal perioden werd onderverdeeld. Dese periodisering vindt plaats op grond van de vormen van wapenen, werktuigen en sieraden, die onderling soms zeer sterk verschillen. Uitgaande van de idee, dat in de praehistorie de voorwerpen van meer ontwikkeld type uit primitievere voorvormen ontstaan, en door nu reeksen van deze typen der voorwerpen op te stellen,heeft genoemde onderzoeker de gehele tijdsduur van de Bronstijd kunnen overbruggen. Zeer bekend is bv. de reeks der bijlen (l), beginnende bij de gewone bronzen vlakke bijl, die in uiterlijk nog geheel lijkt op de stenen bijl uit het late Noolithicum, en eindigende bij de holle bijl of eelt. In tegenstelling tot die in Midden- en Noord-Europa maakt de Bronstijd in Nederland slechts een povere indruk. Ja, in sommige perioden van de ontwikkeling der archaeologische wetenschap in Nederland is haar bestaan hier te lande zelfs wel ontkend. Over de zo uitermate belangrijke gesloten vondst van 19 bronzen bijlen uit Voorhout schrijft HOLWEEDA (14) nog in 1908: "Deze bronsvormen, welke men vaak meent nader te dateeren door ze aan een "jongeren bronstijd" toe te schrijven, komen zeker reeds vele eeuwen vóór, doch evenzeker ook nog omstreeks Chr. in het gebruik voor bij barbaarsche bevolkingen, gelijk die ook in deze streken te verwachten zijn (vgl. hierover wat door ons in ens boek "Nederland1s vroegste beschaving" is gezegd.)| het is dus onmogelijk langs archaeologischen weg ook zelfs maar tot eene approximatieve tijdsbepaling te komen." Gelukkig zijn. sedertdien door vele belangrijke onderzoekingen, o.a. van V.AN GIFFÜN, en bovendien door enkele Verschenen studies zoals bv. die van FELIX (2), onze inzichten omtrent deze kwestie v/el zeer veranderd. Onweerlegbaar is aangetoond, dat men in Nederland wel degelijk kan spreken van een Bronstijd, al was deze dan niet rijk. De betrekkelijke armoede aan materiaal zullen wij wellicht moeten toeschrijven aan de omstandigheid, dat Nederland voor het verkrijgen van ruw brons of van afgewerkte voorwerpen afhankelijk was van handel met Midden- of Noord-Europa. Daar gietvormen voor het vervaardigen van bronzen voorwerpen in ons land slechts schaars voorkomen - bekend is in dit verband de in Drenths gevonden halve gietvorm voor een eelt (3) - s moe-


-36ten wij wellicht in hoofdzaak denken aan handel in afgewerkte voorwerpen. Wanneer wij ons een indruk willen vormen van de Bronstijd in ons land, haar tijdsduur, cultuurrijkdom en uitingsvormen, dan zijn wij dus aangewezen op de bestudering van de uit die tijd in onze bodem nagelaten resten in de vorm van bronzen werktuigen, wapenen, sieraden, aardewerk, grafheuvels enz. Het zijn in de eerste plaats de bronzen voorwerpen, welke ons interesseren en aan de hand waarvan wij ons, na vergelijking met vondsten uit Midden- en Noord-Europa, een beeld van de cultuur uit die tijd kunnen vormen. De bronzen voorwerpen, gevonden in Nederland, laten zich nu rangschikken in dezelfde reeksen, welke gelden voor de rest van Europa. Of voor ons land ook dezelfde absolute tijdsbepaling geldt,is niet geheel zeker. Bij schaarste aan deze artikelen, zoals waarschijnlijk hier het geval was, zal men daarop erg zuinig geweest zijn en kan een voorwerp langen tijd in gebruik zi^n geweest. In de tweede plaats zijn voor ons van belang de grafheuvels en andere in de bodem aanwezige sporen van begraving of bewoning.Vooral de graven zijn in de laatste kwart eeuw diepgaand onderzocht en zij vormen de achtergrond voor de los in de bodem aangetroffen voorwerpen, zoals deze nu in Musea en particuliere verzamelingen worden bewaard.' De tijdsbepaling dier graven is doorgaans mogelijk door hun stratigrafie. Immers,de graven uit de Bronstijd vormen vaak de bedekking van Neolithische'en Aeneolithische graven, terwijl voor de latere begravingen uit de Ijzertijd de Bronstijdgrafheuvels soms weer do bodem vormen. Bij zijn onderzoekingen in de Noordelijke provincies van ons land heeft VAN GIFFEN een duidelijk onderscheid kunnen vaststellen tussen begravingen uit de Oude-en de Jonge Bronstijd. Voor de heuvels (4) uit de oudere Bronstijd is een opbouw van plaggen kenmerkend, terwijl grafgiften uiterst zeldzaam voorkomen; steenpakkingen en boomkiatgraven zijn gebruikelijk. Een andere, latere groep heuvels is ingewikkelder van opbouw en samenstelling. Hier ontmoeten wij palenkransheuvels en ringslootheuvela met schachtgraven. Ook leren wij palenkransheuvels kennen, waarbij de paalkoppen, die boven de oppervlakte uitsteken, onderling door horizontaal liggende balken zijn verbonden. Verder komen voor de tamelijk zeldzame ringwalheuvels. Hoe rijk de opbouw en structuur van deze heuvels ook moge zijn,de schaarse grafgiften doen ons desondanks


PLAAT


-37vermoeden, dat wij met een arme bevolking te maken hebben. Wellicht is dit te verklaren uit de afgelegen ligging van ons land in die tijd, en aan de armoede aan deviezen, i.c. barnsteen, welk materiaal bv. in Denemarken zeer veel voorkomt, waardoor zich daar dan ook een zeer zijke bronscultuur kon ontplooien. Ook de wijze van bijzetten is in de Bronstijd aan verandering onderhevig. In de oudste perioden hebbon wij te doen met dodenbijzetting in een boomkist, die in een schacht is neergelaten. Tegen het einde van de middenbronstijd wellicht komt het brandskeletgraf in zwang. De verbrande beenderen worden in een boomkist uitgestrooid en zo bijgezet. Hieruit blijkt, dat het gebruik om de doden te cremeren langzaamaan de overhand heeft gekregen. Eerst in de jongere Bronstijd krijgen we het optreden van zg. brandstapelheuvels en urnenbijzettingen, welke laatste echter,hoewel schaars,ook alreeds in de middenbronstijd voorkomen. Vele tot nu toe tot de Urnenveldentijd gerekende stukken vaatwerk moeten, blijkens recente onderzoen kingen (GLASBERGEN), tot de Bronstijd gerekend worden. Tegenover de armoedige indruk, die de Bronstijd maakt op grond van de schaarse bijgiften in de graven, staan de op tal van plaatsen los in de bodem gevonden gebruiksvoorwerpen van brons (5)« Bijlen, dolken, zwaarden, scheermessen, sikkels,en sieraden in de vorm van fibulae en naalden, armbanden en vingerringen zijn in groten getale aangetroffen. Al deze voorwerpen vormen als het ware een fleurige stoffering van de achtergrond, welke bestaat uit de restanten van grafheuvels en graven. Voor de Bronatijd zijn verder typisch de zg. Deverel-ürnen (6), die zowel in Noord-Nederland (Drenthe) als in Midden-Nederland (Amersfoort,'t Gooi) zijn aangetroffen. Samenhang met Zuid-Engelse culturen schijnt aanwijsbaar te zijn en een datering van ongeveer 700 vóór Chr. wordt aannemelijk geacht. Verder kennen wij de vroege Kerbschnitt-Urnen (7), die nog in de late Bronstijd gedateerd kunnen worden. Zij zijn reeds de voorboden van de daarna beginnende Urnenvelden- of Ijzertijd. Met de vondsten uit de rest van Nederland voor ogen,kunnen wij de Bronstijd in Westelijk Nederland nader gaan bezien.Wat grafheuvels betreft, zijn wij in deze streek slecht bedeeld. Bekend is de opgraving in 1942 door VAN GIFPEN bij Zwaagdijk (Gem. Wervershoof, N.H») (8). Alhier werd van een twintigtal, op alluviale gronden gelegen grafheuvels, een drietal onder-


-38zocht. Heuvel 1 en 2 waren twee-perioden heuvels, waarbij zowel de primaire als de secundaire subtumuli door ringsloten waren omgeven. Heuvel 3, eveneens omgeven door een ringsloot leverde bovendien nog een palenkrans op. VAN GIFFEN komt tot de slotsom, dat "de Wervershover tumuli behoren tot de stratigrafisch alternerende groep van ringsloot- en palenkrans heuvels. Zij vormen het eerste voorbeeld daarvan op alluviale zandgronden. De heuvels stammen,hoewel grafgiften niet werden aangetroffen en overigens slechts een barnstenen kraal is gevonden, uit den ouderen of middenbronstijd, zegge circa 1400 tot 1000 v. Chr." Interessant was verder de aanwezigheid van oud bouwland onder de heuvelzooi, aantoonbaar door de aanwezigheid van ploegsporen. Deze sporen, alsmede het tamelijk veelvuldig voorkomen van stenen sikkels, die in de Bronstijd dateerbaar zijn, wijzen op landbouw in deze streken gedurende deze vroege tijd. Verder zijn in 1926 door BEMOUCHAMPS (9)» later in 1934 door BUBSCH (10) en tenslotte in 1952 door MODDERMAN (18) op de Gooise Heide, naast vroeger dateerbare, ook enkele Bronstijdgrafheuvels onderzocht. Deze onderzoekingen in het Gooi zijn vooral van groot belang, daar genoemde streek a.h.w. een brug vormt naar het Westen van ons land. Wat vondsten van losse voorwerpen betreft, zijn wij beter voorzien. Heeds JANSSEN (il) beeldt in zijn "Hilversumsche Oudheden" een bronzen bijl af,gevonden in één der heuvels van de zg. "Zeven Bergjes". In latere jaren is bij werkzaamheden in de nabijheid van de "Tafelberg" te Blaricum een bronzen bijl ontdekt, die momenteel berust in de collectie van "Stad en Lande van Gooiland". Uit deze streek zijn verder,zoals gezegd, Deveral-Urnen afkomstig en bovendien een ander soort bronstijdaardewerk, enig voor Nederland (12). Uit Noord-Holland zijn vooral bekend de talrijke stenen sikkels (13)» halvemaanvormig,fraai geretoucheerd en glimmend gepolijst, die op vele plaatsen zijn gevonden en waarvan zich te Leiden enkele zeer fraaie stukken bevinden. Ook in ZuidHolland komen zij af en toe voor. Laatstgenoemde provincie is echter vooral bekend door haar depSt-vondsten, zoals die van Voorhout (14), alwaar 19 bronzen bijlen werden aangetroffen, merendeels behorende tot het zg. "Absatzbeil"-type. In tegenstelling tot de boven aangehaalde mening van HOLTïEHDA, mogen wij deze depSt-vondst bijzonder belangrijk noemen. De aanwezigheid van een dergelijk aantal volkomen identieke stukken


-39in een gesloten vondst is op zich zelf reeds een 'bewijs voor de juistheid van de opvatting, dat in achtereenvolgende perioden van de Bronstijd, daarvoor kenmerkende bijltypen werden gebruikt. En tevens, dat dit ook voor óns land geldt. Immers, waren dergelijke voorwerpen,zoals HOLWERDA veronderstelt, tot aan het begin van onze jaartelling in gebruik geweest,dan was de kans zeer .groot geweest, dat er 19 volkomen verschillende typen waren gevonden'. Slechts de betrekkelijk korte tijdsduur der subperioden - MONTELIUS bepaalt ze op ongeveer 200 jaar kan een depöt-vondst van het karakter van die bij Voorhout tot gevolg hebben. Persoonlijk zou ik de subperioden willen opvatten als min of meer duidelijk van elkaar gescheiden eenheden van een zich snel ontwikkelende cultuur. Hoe dit zij, wij hebben hier waarschijnlijk te maken met het verloren gaan van de voorraad van een bronstijd-handelaar. Ook op het landgoed "Veenenburg" bij Hillegom zijn uiterst belangrijke vondsten gedaan (15)5 velen dezer voorwerpen zijn te bezichtigen in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden. Voor zover zij zich in particulier bezit bevinden, werden zij eerst in 1952 besproken in "Westerheem" (jrg.I, 7-8 en 9-10). In genoemd Museum zijn verder aanwezig een zeer fraaie bijl, wellicht van Engels maaksel, versierd met typisch lijnmotief, gevonden te Wassenaar (16),alsmede een zeer interessante mantelspeld met schijfvormige kop en visgraatversiering, afkomstig uit Noordwijkerhout (17)• Uit Ruygenhoek is o.a. bekend een zg. "Absatzbeil" FELIX (2) merkt op, dat de vondsten uit het kustgebied'van Westelijk Nederland zich concentreren rondom de Rijnmonding, dat zij een voortzetting betekenen van de neolithische toestanden, en dat vondsten uit de jongere Bronatijd ontbreken. Verder inventarisatie-werk, zoals dit door de genoemde A.W.W.N.-studiegroep wordt beoogd, kan wellicht leiden tot vermeerdering van de gegevens, nodig bij de bestudering Van deae vraagstukken en daardoor tot een beter inzicht in het hoe en waarom van de toestanden in Westelijk Nederland gedurende deze periode.

la. A„W.BYVANCK, De Voorgeschiedenis van Nederland, p. 153. b. W.F.VAN HEfiMSKERCK DUKER en P.PELIX, Wat Aarde bewaarde, afb. 96.


-402.

P.FELIX, Das zweite Jahrtausend vor der Zeitrechnung in den NiederlSndenj Studiën zur niederlandischen Bronzezeit. (1945) 3. als lb, afb. 97. 4a. als la, p. 164, afb. 41-44* 46. b. als lb, afb. 98, 99, 100, 101, 108. c. A.E.VAN GIFFEN, Die Bauart der EinzelgrSber, tfl. 86. 5a. als la, afb. 37-40. b. als lb, afb. 96, 102, 103, 104, 106, 110, 112. c. W.PLEYTE, Nederlandsche Oudheden enz., Z.Holland: LX, Ij N.Holland: V. 2$ Vechtstreek: VII. 6. als la, afb. 45* 7. als la, afb. 55, 57. 8. A.E.VAN GIFFEN, Grafheuvela te Zwaagdijk gem.Wervershoof (N.H.),in: West Friesland»s Oud en Nieuw deel XVII (1944). 9. A.E.REM0UCHAMP3, Grafheuyelonderzoekingen, Oudh. Meded. N.H. IX 1 , 1928. 10. F.C.BUHSCH, Oudheidkundige onderzoekingen te Hilversum, Oudh.Meded., N.H. XVI, 1935« lla. JANSSEN, Hilversumsche Oudheden, pi. X. b. als 5c, N.Holland: V. 2. 12. als 5c, N.Holland: V. 3. 13a. als 5c, Kennemerland: VIII. 4« b. als 8, afb. 37» 38. 14a. als la, afb. 38. b. J.H.HOLWERDA, Bronsdepotvondst bij Voorhout, Oudh.Meded. O.H. II, 1908. 15a. als lb, afb. 112. b. als 5c, Vechtstreek: VII. 16. als lb, afb. 110 (rechts). 17. als lb, afb. 121 (links). 18. P.J.H.MODDERMAN, Opgravingen in de Zeven Bergjes bij 't Bluk, gem. Laren, Westerheem, I, 11-12»

MUNTVONDST TE VELSEN In de Herenduinen ten W. van Velsen werd twee jaar geleden een Romeinse munt gevonden. Volgens determinatie van Mevrouw Dr A.N.ZA10KS-JOSEPHUS JITTA, conservatrice van het Kon. Pen-


-41ningkabinet te 's-Gravenhage,betreft het een bronzen denarius van Keizer Caligula, die regeerde van 37-41 n.Chr. Zoals op de afbeelding (pi. V. E) enigszins te zien valt, vertoont de voorzijde het portret van genoemde keizer,met als omschriftÂť C CAESAR AUG GEH(?)ANIC IMP P II T P COS . Dat aan de keerzijde luidt: CN ATEL PLAC CN POM PLAG IlVIfi Q VTNC . Hierop staat de keizerin afgebeeld als Salus (gezondheid, heil): SAL AUG . Deze keerzijde bevat de namen der muntmeesters. VINC betekent: Urbs Julia Nova Carthagoi deze munt werd dus geslagen te Carthago Nova, dat is Carthagena in Spanje . De vinder is inmiddels naar Canada geĂŤmigreerd, zodat over de vindplaats niets te zeggen valt. Waarschijnlijk hebben wij hier echter te doen met een losse vondst. De munt zelf is intussen verloren geraakt, waarom het mij van belang leek, hier een korte beschrijving en een afbeelding op ware grootte te geven. H .J .Calkoen

DB BEVOLKING VAN WESTELIJK NEDERLAND IN DE ROMEINSE TIJD

X

)

door W.J.DE BOONE (Amsterdam) Bij een archaeologische verkenning van Westelijk Nederland spreekt het vanzelf dat men alle gegevens, die de geschreven bronnen kunnen leveren, gretig zal aanvaarden. Jammer genoeg zijn die gegevens niet te talrijk en vaak ook te kort om ons een duidelijk beeld te verschaffen. Zo verkeert men bijvoorbeeld in het onzekere omtrent de plaats, waar men in de Romeinse tijd de verschillende stammen van West Nederland heeft te zoeken, die in de bronnen worden genoemd. Zoals zo vaak zijn de voorstellingen van hen die voorgeven absolute zekerheid te hebben niet altijd betrouwbaar. Een tekst die ons meteen midden in de moeilijkheden brengt l) Publicatie nr. 2 van de A.W.W.N .-studiegroep voor "FriesBataafse" aardewerk-morphologie. Als publicatie nr. 1 is te beschouwen het artikel van dezelfde schrijver: "De term "Fries-Bataafs", Westerheem, I, 11-12, pp. 133-135.


-42is een zinsnede van Plinius, die in 47 na Chr. als officier in ons land heeft vertoefd en dus als ooggetuige-deskundige kan spreken. Deze tekst is te vinden in Plinius, Naturalis Historia IV.101 (BYV.ANCK, Exc.Eom.I,p.l42) en luidt in vertaling: "omspoeld door de Rijn ligt het zeer bekende eiland van de Bataven en Canninefaten en andere eilanden van Friezen, Chauken, Frisiavonen, Sturii en Marsaci, die zich bevinden tussen het Helinium en het Flevura". Nog afgezien van de moeilijkheden bij de nauwkeurige bepaling van het Helinium (de Maas-Waalmond) en het Flevum (het Vlie?) veroorzaken de hier genoemde stamnamen hoofdbrekens genoeg. Sturii worden alleen in deze tekst genoemd en komen bij andere schrijvers niet eens voor, zodat men zelfs kan denken dat men te maken heeft met een schrijffoutp Chauken plegen in andere passages steeds genoemd te worden in de omgeving van de Ems en de Elbe,. de Marsaci- daarentegen worden op een andere plaats genoemd als naburen van de Morini, die men zich te denken heeft aan de Vlaamse kust. Op grond van de boven aangehaalde regels van Plinius moeten wij dus wel veronderstellen dat de Chauken,behalve in het land tussen Ems en Elbe, ook nog een eil aid ten Z.W. van het Flevum hebben bewoond en dat de Marsaci, behalve verder in het Zuiden, ook nog een eiland ten N. van het Helinium hebben bevolkt, althans omstreeks 47, de tijd waarover Plinius schrijft. Volkomen zekerheid heeft men eigenlijk alleen betreffende het woongebied van de Bataven,waarvan de tegenwoordige Betuwe de kern is geweest. Moeilijker wordt reeds de bepaling van de woonplaats der Canninefaten, die, zoals de bronnen zeggen, hetzelfde eiland hebben bewoond als de Bataven. Hierdoor is het uitgesloten dat deze kleine stam Kennemerland heeft bevolkt, zoals men dat graag wil voorstellen. Toch blijkt het veronderstelde verband tussen Canninefaten, Konijnenvatters en Kennemerland overal zรณ ingeburgerd dat men bij een ontkenning daarvan op de grootste tegenstand pleegt te stuiten, ook al is reeds jaren geleden in de dissertatie van N.J.KROM op de onhoudbaarheid ervan gewezen. De vraag dient echter beantwoord te worden, waar de Canninefaten dan wel hebben gezeten. Indien zij op hetzelfde eiland moeten worden gezocht als de Bataven, zal men hen hebben te zoeken in de streken strooraafwaarts van de Betuwe, bijvoorbeeld tussen de tegenwoordige Merwede en een toenmalige Rijnarm. Maar ook hier stoot men weer op een moeilijkheid omdat het bestaan van de tegenwoor-


-43dige Lek in Romeinse tijd ' wel eens wordt ontkend; intussen lijkt het wel waarschijnlijker dat toch reeds toen in de omgeving van Duurstede zich een Hijnarm afsplitste,die dadelijk naar het Westen liep en uitmondde in het Helinium. Op deze wijze zouden de Canninefaten niet te zoeken zijn in ons duingebied maar ongeveer ten N.0. van Dordrecht, zoals KROM ook reeds uiteengezet heeft. Zoals gezegd zouden de Marsaci een eiland hebben bewoond in of ten N . van het Helinium. Bij wijze van veronderstelling zou men kunnen denken aan een streek ten N.W. van Dordrecht, in elk geval zรณ dat het gebied van de Canninefaten en de Marsaci aan elkaar grensde. Van de Frisii is genoegzaam bekend, dat aij aan zee hebben gewoond en dat zij een "overrijns volk" zijnf de naam van het tegenwoordig Friesland suggereert dat het centrum van hun gebied in de provincie van die naam heeft gelegen, maar eigenlijk ia er niet de minste reden om - als de Canninefaten niet meer in Kennemerland worden gedacht - te veronderstellen dat het Friese gebied niet dadelijk aan de Rijn begon, d.w.z. dat bv. het castellum van Velsen op Fries gebied heeft gelegen* Indien Velsen,dat verlaten schijnt te zijn omstreeks 47 n . C , identiek blijkt met het castellum waarmee Corbulo in 47 bezig was toen hem het bevel van Claudius bereikte zich met zijn troepen achter de Rijn terug te trekken,zou men misschien een zeer waardevolle aanwijzing krijgen voor de datering van het inheemse aardewerk in die omgeving. Men neemt immers aan dat sindsdien de inheemse bevolking verwijderd is gehouden uit het voorland van de Romeinse limes. Grote moeilijkheden levert ook weer de naam van de Frisiavonen op, ook deze stam zou een eiland hebben bevolkt tussen Helinium en Flevum, maar bovendien komt hun naam voor in het binnenland, waarschijnlijk ergens in ons Brabant (Plinius, Nat. Hist. IV.106). Om deze redenen mag men misschien dan ook veronderstellen dat de Frisiavonen, die eilandbewoners zijn, niet al te ver verwijderd zijn geweest van het Brabantse vasteland en dat hun eiland direct ten N. van het Heliniura "heeft gelegen, als men weer van Dordrecht wil uitgaan pal in Noordelijke richting,maar dit blijft alles hypothese. Men heeft overigens ook zonder enige mogelijkheid voor bewijs - wel gemeend dat het onderscheid tussen "grote Friezen" en "kleine Friezen", dat in een enkele bron wordt gemaakt, zich zou kunnen dekken met dat tussen Frisii en Frisiavonen. Hoe dit ook


-44zij, zekerheid ontbreekt volkomen. Dit geldt in nog sterkere mate voor de Sturii, wier naam verder nergens wordt vermeld. Wanneer men alles zo bekijkt blijken Marsaci en Frisiavonen als het ware een brug te vormen tussen de bevolking ten N. van het Helinium en de streken ten Z. daarvan,cq de Vlaamse zeekust en het Brabantse land. Er is dus langs de kust een verbinding geweest van Noord naar Zuid, een verbinding die bovendien nog zou kunnen blijken uit de verwantschap van de namen van Frisii en Prisiavonen. Zeer treffend wordt deze Noord-Zuidbeweging nog geïllustreerd door een verhaal van de Gallische Druïden, dat bewaard is gebleven bij Ammianus Marcellinus (XV.9.4.), waarin wordt gezegd dat deze priesters be weerden dat een deel van het Gallische volk afkomstig was van de eilanden in het Noorden en dat het o.a. door grote overstromingen daarvandaan verdreven was. Dit verhaal is tevens een merkwaardige getuigenis voor de "transgressie", die chronologisch niet al te ver verwijderd moet zijn van de Romeinse tijd. Even duidelijk als deze NoordZuidbeweging is in onze streken - een eeuwig grensgebied — de volksverschuiving langs de Sijn stroomafwaarts: zowel Bataven als Canninefaten worden drukkelijk genoemd als oorspronkelijk deel uitgemaakt hebbende van het volk der Chatten hoger aan de Rijn. HOLWERDA heeft vroeger reeds daaruit de consequenties trachten te trekken toen hij enig Bataafs aardewerk in verband bracht met soortgelijke ceramiek uit het Hessische land. Er zijn m.i. voorlopig slechts twee mogelijkheden om de juistheid van de voorgestelde localiseringen te toetsenj ten eerste zullen in elk geval alle berichten waarin over één der genoemde stammen wordt gesproken moeten kloppen met de voorgestelde geografische begrenzing, on dit lijkt inderdaad het geval; ten tweede zou het groepsgewijs optreden van archaeologische vondsten met onderlinge verschillen tussen die groepen een ideale bevestiging vormen van de opgestelde hypothesen. Het is echter zeer de vraag of men ooit zo ver zal kunnen komenf het materiaal leent zich in het algemeen tamelijk slecht voor een scherpe bepaling. Voorlopig zou het al meer dan de moeite waard zijn als wij in het materiaal de twee hoofdstromingen Noord-Zuid en die van de Rijn stroomafwaarts zouden onderkennen. Men doet er echter goed aan zelfs deze r..ogelijkhe d niet te overschatten. Taalkundig is volgens de jongste opvatting x) in "archaeologische tijd" het gebied van


PLAAT I

FUM ZAND METGRJND

-3M

ZAND, QRIMD, LEEMBANKEN MET KLAPPER STENEN


-45de Nederlanden (misschien met uitzondering van Groningen en een deel van Friesland) en de aangrenzende landen zoals de Rijnstreek, Hoergebied en Hessen in het Oosten en tot aan het gebied van de Somme in het Zuiden een eenheid geweest, wat wel zal impliceren dat de materiele cultuur ook niet te grote verscheidenheid op zal leveren. Opgemerkt diene te worden dat met opzet alleen is gesproken over de gegevens uit de schriftelijke bronnen en niet over de gegevens van de oppervlakte-geologie, die bij de bepaling van de ligging van de verschillends eilanden en stromen het laatste woord zal moeten spreken. l) M.GYSSELING,Inleiding tot de studie van het oude Belgisch, ins Mededelingen v.d. Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te .Amsterdam, _2§,1952,p.69.

KEU AENEOLITHISCHE VONDST TE VOOHSCHOTEN door TH.H.APPELBOOM (Eijksmus.v.Oudheden,Leiden) Enige maanden geleden is te Voorschoten een belangrijke vondst gedaan, welke een nadere bespreking zeer waard is. In het najaar 1952 werd door de Heer C.EGGINK Jr op een terrein, dat vroeger "de oude woning" heette en dat thans door bebouwing geheel is verdwenen,een vuurstenen klingkrabber gevonden. Dit stuk, tezamen met een aardewerkscherf, een stukje been en een vuursteenscherf, kwam uit een oude cultuurlaag, die zich aldaar op ongeveer 30 §. 40 cm beneden het oppervlak bevindt. Over de bijvondsten kunnen wij kort zijn. Wat betreft het vuursteenfragment (pl.V, B) hebben wij te doen met een van de bovenzijde van een nucleus afgeslagen scherf, die vele slagsporen vertoont. De kleur is grijs met lichte vlekken. De lengte bedraagt 2,7 cm,de breedte 2,3 cm en de grootste dikte 1 cm. Het voorkomen alhier van een dergelijk fragment wijst ontegenzeggelijk op vuursteenbewerking ter plaatse. Een drietal aardewerkfragmenten was samen te voegen tot één scherf (pl.V,D),van aan de binnenkant poederachtig,crèmebruin gekleurd, aan de binnenzijde donkergrijs, hardgebakken


-46aardework. Op de breuk zeer donker gekleurd, vertonen zich af en toe kleine houtskooldeeltjes. De gebruikte kleisoort is zeer fijn,verschralingsmiddelen zoals zand of gruis zijn niet gebezigd. De afmetingen van dit stuk zijn ca 4,5» *>ij 4 cm. Verder een fragment van een geslepen hamer (?) (pl.V, C ) . Dit stuk is bijna vierkant op doorsnede. Eén zijde is ruw afgebroken (breukvlak), de andere zijde is gebogen. De gebruikte steensoort is wellicht dioriet. Lengte 3,5 cm, breedte 3,4 cm en dikte 2,5 cm. Verreweg het belangrijkste stuk van deze vondst is echter de zoeven genoemde klingkrabber (pl.V, A ) . Het stuk is vervaardigd van crème-bruine vuursteen. De lengte bedraagt 9?6 cm, de breedte 3,3 cm en de grootste dikte 1,1 cm. De achterzijde is, behoudens een "Bulbe de percussion" aan de bovenkant waarvan een scherf is afgeslagen, geheel vlak. Rondom is het voorwerp geheel geretoucheerd met brede retouche (grootste breedte 8 m m ) , terwijl de retouchehoak betrekkelijk steil is. Bij het opgraven van het stuk is helaas een scherf van een der zijkanten afgestoten. Zswel wat de vuursteensoort aangaat, als wat de bewerking betreft hebben wij hier te doen met een typisch importproduct uit Grand-Pressigny (Frankrijk, Dêp. Indre-et-Loire) ! ) . In het laat-Neolithicum en gedurende het Aeneolithicum (dus vaa ongeveer 2000 tot 1700 vóór Chr.) werden daarvandaan vele voortbrengselen der vuursteenindustrie naar andere streken geëxporteerd. Men kent ze uit Bretagne, Noord-Frankrijk, uit België, Westelijk Zwitserland en Nederland (o.a. Veluwse Bekercultuur, Garderen). Belangrijke conclusies aangaande het handelsverkeer in die tijden kunnen het gevolg zijn van dergelijke vondsten. Voor Westelijk Nederland is de vondst van dit werktuig te Voorschoten nu van eminent belang.Het betreft hier nl. het eerste stuk van deze klasse, dat naar mijn weten in dit deel van ons land werd aangetroffen. De aardewerkscherf in aanmerking genomen, moet dit stuk, alsmede de overige bijvondsten, worden gedateerd tegen het begin van de Bronstijd, over welke periode elders in dit nummer enige opmerkingen werden gemaakt. 1) EBEBT, Beallexikon der Vorgeschichte, IV, p. 497. DïiOHBLETTE, Manuel d'Archeologie, p. 61. DE MORTÏLLET, Musée Prêhistorique (1903), pi. XLI» nr.401.


-47OPGHAVING TE SANTPOORT In een heuveltje te Santpoort (gem. Velsen) heeft sedert Pasen een opgraving plaats gevonden onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. De leiding berustte bij de Heer B•J.WIELEND LOS, wetenschappelijk correspondent van de R.O.B. Behoudens enkele gemeente-werklieden namen leden van A.W.W.N. deel aan het opgravingswerk. Over de resultaten, die in vele opzichten bevredigend en soms zelfs verrassend waren, zullen t.z.t. uitvoeriger mededelingen volgon. H.J.Calkoen

BOEKBESPREKING ROY CHAPMAN ANDREV3S, Apen, schedels en mensen, de ontwikkeling van oermens tot toekomstmena. (Uitgave Nijgh en van ïitmar N.V., Rotterdam/Den Haag, 1952, 235.blz., f.12.50) Op vlotte en duidelijke wijze geeft Schr. een overzicht en beeld van de afstamming en evolutie van de mena vanaf de oudste fossiele mensenvondsten tot aan het huidige mensentype. Een slothoofdstuk is gewijd aan een beschouwing over de toekomstige mens. Over.vondsten en ontdekkers wordt veel wetenswaardigs medegedeeld.De l e druk verscheen in New York in 1945 en de uitgave beleefde in,4 maanden tijds 3 drukken.Hoewel de nieuwste ontdekkingen in dit boek nog niet zijn opgenomen, is het niettemin een zeer lezenswaardig werk. Het geheel is goed verzorgd en geïllustreerd, de vertaling is van Dr P..MAHKS. C.R.

CAEL SCHOTT, Die Hïestküste Schleswig-Hclsteins. (Kiel. 1950) Hoewel deze studie in hoofdzaak is afgestemd op het in de titel omschreven land, worden toch problemen behandeld die voor eet> veel groter gebied van belang zijn en zeker voor onze eigen streken. Uitvoerig wordt ingegaan op de vraag welke elementen allemaal bij de bestudering van de kunstlijn in reke:iing moeten worden gebracht» daling cq, opheffing van de


-48aardschollen, stijging cq daling van de zeespiegel, inklinken en samenpersing van klei- en veenlagen (merkwaardig is zeker wel dat droog veen tot een vierde deel kan inschrompelen van de oorspronkelijke dikte van het natte veen) terwijl ook de nodige aandacht wordt besteed aan de verandering in richting en intensiteit van de heersende, het zeewater opstuwende, winden. Zoals uit de titels der hoofdstukken blijkt,neemt de sshr. een Vlaamse Transgressie aan ca 9000-2000,daarop in de Bronsen Ijzertijd een terugtrekken van de zee (ca 1800-1200), opnieuw gevolgd door een opdringen van het water bij de Transgressie van Duinkerken, gedateerd door sommigen vanaf 800 v. Chr., maar volgens schr. pas in de eerste eeuwen na Ghr. duidelijk merkbaar (zie de bespreking van het werk van CHOQUEEL in het vorige nummer). Enkele zeer instructieve foto's en een litteratuuropgave, die met enige titels aangevuld kon worden, besluiten deze bondige studie. d.B.

UIT DE TIJDSCHRIFTEN H.J.POPPING, Onze Voorhistorie. (W.J.Thieme & Cie, Zutphen, 1952, 87 blz., ingen. f. 2.50, geb. f. 3ÂŤ5O) Dit boekje van de hand van H.J.POPPING ontving van C.B. reeds een gunstige recensie in Westerheem.Hoewel ik voor sommige verdiensten van het boekje niet blind ben, meen ik toch dat die gunstige beoordeling iets te veel het gevolg is van de - alleszins begrijpelijke - wens nu eens iets goeds op dit gebied te kunnen recommanderen. Want de enkele goede eigenschappen kunnen niet goedmaken wat dit werkje verder ontbreekt en aan feilen aankleeft. Enkele voorbeelden mogen dit toelichten. Een van de kenmerken der Praehistorie van de laatste tientallen jaren is dat men zich rekenschap tracht te geven van de geestelijke en sociale ontwikkeling van do mens die men met enige moeite vaak verrassend uit de gefossiliseerde overblijfselen kan afleiden. Hiervan blijkt \n POPPING's boekje niets, of we krijgen zeer onzakelijke en onwetenschappelijke


-49verklaringen. "Welingerichte grotten aiju de woningen", zegt hij n.a.v. Palaeolithiache kunst, "en de wanden worden met schilderingen verlevendigd". Afgezien van het feit dat de mensen meestal niet in die grotten bij de schilderingen woonden, geeft deze toelichting al heel weinig kijk op de werkelijke magische betekenis van de rotskunst, om van de geestelijke ontwikkeling van de mensen die hiertoe in staat bleken maar niet te spreken. Er zijn nog meer plaatsen waar de schrijver op dergelijke wijze blijk geeft de voorhistorie alleen door een al te hedendaagse bril te kunnen zien.Grafheuvels en Hunnebedden zijn voor hem tekens van "zoveel eerbied" voor de "dierbarre dode", over ook hier aanwezige religieuze en magische elementen wordt niet gerept. Elders vertelt de auteur ons waarom de hamers en bijlen z.i. vaak ten onrechte als wapens worden beschouwd? "Hamers en bijlen in onze tijd worden toch ook niet als wapens gebruikt" - neen, maar hij vergeet dat toen het buskruit nog niet was uitgevonden. En verder! "De mensen in de steentijd....wisten zeer goed dat zij allen meer gebaat erbij waren om als vrienden elkaar te steunen, dan als vijanden elkander te bestrijden". Waar de schrijver zijn overtuigingvandaan haalt dat de mensen toen zoveel wijzer waren dan tegenwoordig is mij niet bekend. Dat het boekje voorts vol onjuistheden staat moet de argeloze lozer toch wel -weten. Over bezwaren betreffende de taal willen we nog wel heen stappen - al is dan het woord "neolithicus" voor de mens uit dat tijdperk fout, en vinden we het woord "neolithiker" een germanisme - maar de eenzijdigheid van het boekje is niet te verschonen. Het Noorden van ons land moge dankzij het werk van Prof. VAN GIFFEN beter bekend zijn dan de rest,dit is nog geen reden om de rest te verwaarlozen. Dat in een boekje getiteld "Onze Voorhistorie" niet ĂŠĂŠn afbeelding van een waarlijk niet alleen uit artistiek oogpunt zo belangrijke Veluwse klokbeker staat is ergerlijk. Bij de illustraties tenslotte is jammer dat ook hier weer de falsificaten van Makkinga als echt verschijnen (ill. p.18) die ook al zo lang het werk "De Voorgeschiedenis van Nederland" van Prof. BYV1MCK ontsieren, hoewel zij reeds in 1944 door Prof. VAN GIFFEN als vals herkend werden (Noot in disns "Opgravingen in Drenthe", Meppel 1944). v.d.W.


-50R.G.G00DCHILD, The Ravenscar Inscription. (lm The Antiquaries Journal 12. (1952), p. 185) Anders dan in Nederland, waar de jongste Romeinse inscriptie (mijlsteen van Eygelshoven) dateert uit het begin van de IVde eeuw, uit de tijd van Constantijn de Grote (H.BRUNSTING, Oudh. Meded. ,N .R. XXVII, I946), kent men uit Engeland nog een inschrift uit de tijd omstreeks 400, afkomstig uit Ravonacar bij Whitby in Yorkshire, tegenover onze kust, reeds in 1774 gevonden op een plek, waar vroeger een Romeins verdedigingselement heeft gelegen. Het is mogelijk, dat in deze inscriptie, die gelezen wordt IVSTINIJiNVSPP/VINDICIMVS/MASBIERIÜHR/MJASTRVMPBCIT/ASO, de naam Iustinianus identiek is met die van een generaal onder de Brits-Gallische tegenkeizer Constantinus III (407-411). Deze verdedigingsposten aan de zeekust waren in hoofdzaak ingericht tegen de "Saksische" troepen, die van tijd tot tijd het Britse eiland kwamen brandschatten,vóórdat zij daar definitief vaste voet kregen. Het is niet geheel uitgesloten, dat deze "Saksen" gedeeltelijk uit onze landen zijn gekomen.Reeds eerder, omstreeks 300, blijkt de bevolking van de lage landen in verband gebracht te worden met de toenmalige vijanden van Britannle. dB.

H.SCHMITZ, Klima, Vegetation und Besiedlung. (lm Archaeologia Geographica, III, Heft 1-3, 1952). Bijzonder belangrijk • is bovengenoemde studie doordat de Schr. een overzicht geeft van het veenonderzoek, niet alleen in één betrekkelijk klein gebied (Jutland), maar ook in Skandinavië, Noord-Duitsland, Nederland, Engeland en Ierland. Zo blijkt dat men in Zweden op het ogenblik zeven horizonten in het veen onderscheidt, die gedateerd kunnen worden door meegevonden archaeologica.Deze veenhorizonten duiden op een verandering in het klimaat (neerslagintensiteit).Het is niet onwaarschijnlijk dat deze veranderingen zich hebben doen gevoelen over een vrij grote uitgestrektheid, al kan door plaatselijke omstandigheden misschien in de éne streek deze, elders een andere horizont duidelijker zijn gemankeerd. Het lijkt mij belangrijk genoeg om in het kort deze zeven "rekurrens-


-51ytor" (zweeds: ytor = oppervlakte, dus: oppervlakten, waarna de veenvorming weer opnieuw begint), vandaar de afkorting HY, hier op te sommen. RY I ong. 1200 n. Chr. HY II 400 n. Chr. RY III 600 n. Chr., grens Bronstijd-IJzertijd = de klassieke grenshorizont van WEBER. HY iv 1200 Vo Chr. Midden-Bronstijd. RY V 2300 v. Chr. EY VI 2800-2900 v. Chr. RY VII 3700 v. Chr. Het zou aardig zijn, wanneer kon blijken,dat de drie jongste horizonten in Westelijk Nederland ook ongeveer in deae zelfde tijden gedateerd kunnen worden. Met name voor RY II lijkt dat niet uitgesloten. Ook in Vlaanderen schijnt duidelijk te blijken dat het veen sterk is gegroeid na de Ilde en Illde eeuw. Na dit belangrijke algemene gedeelte behandelt de schrijver uitvoerig de toestand in Denemarken. dB.

A.W.W.N.

- K R O N I E K

GOOI EN EEMLANDs 18 Pebr. Lezing door de Heer J .G.N.RENAUD, over het onderwerp: "Praehistorische en middeleeuwse versterkingskunst". DEN HAAG & OMSTREKEN: 3 Maart. Oprichtingsvergadering. Lezing door Dr H.ENNO VAN GELDER, over het onderwerp: "Muntvondsten". AMSTERDAM & OMSTR.s 20 Maart. Lezing door Prof.Ir R.J.FORBES, over het onderwerp» "Dijken, sluizen en polders in het verleden". GOOI M EEMLAND: 24 Maart. Lezing door Prof. Dr G.VAN HOORN, over het onderwerps"Romeinse oudheden in Nederland". KaïNEIJBRLANDs 29 April. Lezing door de Heer J.G.N.RENAUDs over het onderworp:"De versterkingskunst van de vroegste tijden tot de Middeleeuwen1'.


-52WBSTEBHEEM-PONDS Gaarne vestigen wij Uw aandacht nog eens op dit fonds. De gelden hieruit zijn bestemd voor uitbreiding en verbetering van dit blad. Bijdragen kunnen worden gestort op girorekening nr. 591170, t.n.v. Mevr. E.T.VERHAGaf-PETTINGA te Leiden.

EHEATUM In het vorig nummer staat op pagina 1, 1e regels Januari. Men gelieve dit te wijzigen ins Januari-Pebruari= INZENDING COPY Copy en mededelingen voor het volgend nummer dienen uiterlijk 10 Juni a.s. bij de Eedactie te zijn.

INHOUD VAN DIT NUWER Voorwoord blz. 29 De betekenis van de Veldnaamkunde, door J.Pekkes. . . " 30 Hoe kwamen de Germanen aan ijzererts? door P.van der Lijn " 32 De, Bronstijd in Westelijk Nederland, door Th,G.Appelboom " 34 Muntvondst te Velsen, door H.J.Calkoen " 40 De bevolking van Westelijk Nederland in de Romeinse tijd, door W.J.de Boone " 41 Een aeneolithische vondst te Voorschoten, door Th.G.Appelboom " 45 Opgraving te Santpoort, door H.J.Calkoen " 47 Boekbespreking " 47 Uit de tijdschriften " 48 A.W.W.N.-kroniek " 51 Diversen. " 52 Illustraties? H.J.Calkoen,Velsen.Reproducties Reproka,Amersfoort. Eindredactie en opmaak; H.J,Verhagen,Leiden. Stencils, vermenigvuldiging en afwerkings H.de Bot, Rotterdam.


Jaargang I I , No. 5-6

Mei-Juni 1953

HEER

Orgaan van de

ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H.J.Verhagen, Mor.skade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C.Roodenburg, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad f. 5,â&#x20AC;&#x201D; te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.W.W.N, te HAARLEM.

SCHRIJVERS VOOR In zijn aardig, populair maar zeer leesbaar boekje: "Wanderings in Roman Britain",spreekt ARTHUR WEIGALL over de taak van archaeoloog en historicus. Hij ziet de eerste als iemand die, bezig met een streng wetenschappelijk onderzoek, daarbij maar liefst zo min mogelijk door nieuusgierige buitenstaanders wordt gestoord; de tweede echter, steunend op vondsten van de eerste, zal juist graag zijn conclusies uitdragen tot een zo groot mogelijk gehoor. Ik zelf, zegt WEIGALL, sta daar tussen in. Het komt mij voor, dat dit ook de plaats is, die vrij, amateur-archaeologen, hebben in te neften. En wij zullen daarbij ons moeten hoeden voor wetenschappelijk jargon, doch op onze eigen wijze,verstaanbaar voor een ieder,moeten spreken van hetgeen ons na aan het hart ligt. Daarom is het ook, dat wij zo graag de leden van onze "Werkgemeenschap" zelf aan het woord laten. Overwin dus Uw aarzeling en zend ons copy! Vertel ons, desnoods van kleine dingen, ondervindingen, ontdekkingen, problemen. De redactie verschaft U gaarne een plaatsje! H.J.C.


-54VONDSTEN tTIT DE LATE BRONSTIJD-VROEGE IJZERTIJD TE DRIEHUIS-VELSEN door H.J.Calkoen (Velsen) 1. De vindplaats Het is een eigenaardige gewaarwording, om in de eigen tuin iets te vinden op archaeologisch gebied. Dat voorrecht was mij beschoren,tien ik ruim 25 jaar geleden enige gaten groef op mijn terrein te Driehuis,om er bomen te planten. Op 80 cm onder het maaiveld,juist samenvallend met het toenmalige grondwaterniveau,tekende zich in het gele zand een donkergrijze tot zwarte laag af, waarvan de dikte varieerde van 12 tot 20 cm.In deze laag bevonden zich fragmenten van aardewerk, brokjes houtskool, tanden,kiezen en beenderen van dieren (sommige wit of zwart verbrand), natuursteen, een stukje bewerkt ijzererts en waarschijnlijk ook ijzerslak. Twee terreintjes, één in de tuin en één op het weiland daarbuiten, konden worden onderzocht; zij werden over een oppervlakte van respectievelijk 8 en 10 m 2 blootgelegd. Steekproeven ten Zuiden, Oosten en Westen daarvan gaven negatief resultaat,behalve op één plaats iets verder naar het Zuidwesten, waar in een bestaande greppel de woonlaag nog even, vrij onduidelijk, herkenbaar was. Het geheel maakte de indruk van een beknopte nederzetting,die gezien de geringe dikte van de donkere laag, niet zeer langdurig zal hebben bestaan. Zoals steeds hier in Kennemerland, is ook déze woonplaats door een laag stuifzand overdekt; mogelijk dankt zij hieraan haar behoud. In het deel buiten de tuin bevonden zich één of meer haard-, althans vuurplekken,zwarter dan de rest van de woonlaag en rijk doorspekt met brokjes houtskool. Ook schenen zich hier vaag wat ronde paalgaten af te tekenen,echter zonder duidelijke structuur en van geringe diepte. De gevonden archaeologica werden netjes schoongemaakt, geregistreerd en opgeborgen. Weliswaar zag ik, hier niet te doen te hebben met het "gewone" Germaanse terpenaarde-


-55werk uit de eerste eeuwen van onze jaartelling (veelvuldig in en om Velsen gevonden), maar ik wist er voorlopig geen raad mee. Totdat enige jaren later Prof. VAN GIFFEN en de heer GLASBERGEN mij een bezoek trachten. Zij zagen de scherven en verklaarden unaniem: "verwant aan het urnenvelden-aardewerk uit het Oosten van ons land; vermoedelijk late Brons-, vroege Ijzertijd, globaal geschat tussen 800 en 500 vóór Chr." Door deze voorlopige determinatie blijkt bovengenoemde vondst dus de oudste te zijn,welke tot nu toe in deze omgeving werd gedaan. De woonplaats zal gevestigd zijn geweest op een oude duinrug (een voormalige strandwal?) en blijkbaar is deze ter plaatse niet door latere transgressies weggespoeld. 2. Het aardewerk Een kjrte beschrijving van het aardewerk, dat in vorm, structuur en karaktor sterk afwijkt van het zg. "FriesBataafse" type, moge hier volgen. De kleimassa waaruit het is samengesteld,is sterk vermengd (gemagerd) met steengruis, afkomstig van graniet en kwarts. Een stuk Noors graniet,enige kilogrammen zwaar en ten dele ogenschijnlijk fijngebrand (door verhitting en plotselinge afkoeling met water),werd in de woonlaag aangetroffen.Dit materiaal hoort van nature in de duinstreek niet thuis en is dus aangevoerd, hetzij over zee,hetzij wat mij waarschijnlijker voorkomt - uit het Oosten, van onze heidevelden. Of moeten wij hierbij misschien denken aan de stenenhandel, die al in vroege tijden (o.a. via Steenwijk) van Oost naar West plaatsvond? Natuursteen was van ouds een zeer gewenst materiaal. Hoe het ook zij, het feit dat deze oude bewoners van Kennemerland volhardden in het mengen van steengruis door hun klei (en niet het toch voor de hand liggende schelpgruis gebruikten), verraadt een gehechtheid aan deze werkwijze, die verwijst naar de zandgronden.Hebben wij hier mogelijk te maken met een verre uitloper van de umenveld-emigranten en zijn deze mensen via de Veluwe en het Gooi naar het Westen gekomen? Hier staan nog vele vraagtekens. Bij het aardewerk kan men twee groepen onderscheiden, nl. vrij grof dikwandig en fijner dunwandig. De grovere


-56stukken suggereren hier en daar een emmervoim; de dunnere fragmenten, soms slechts 2 a 3 una dik, hebben merendeels behoord tot potten met een dubbelconische vorm, of tot peervormige potten met rechte, hogere of lagere hals die meestal scherp tegen de schouder is afgezet. Deze hals is dus niet naar buiten uitgebogen, doch eerder afgeknot kegelvormig. Soms is hij aan de bovenzijde iets verdikt,met een klein gleufje onder deze verbreding (pi.VII, 4 en 5). Het baksel is vrij hard,en over 't algemeen goed doorbakken. De buitenoppervlakte is gesausd en dan vrij glad; bij grovere stukken echter ruwer, soms ook licht besmeten en zelfs hier en daar knobbelig. Een bodemfragment vertoont een lichte uitholling boven de verbreding van de voet (pi.VII, 3 ) . De kleur is over het algemeen bruinachtig, variërend van licht lederbruin tot bruinzwart,echter ook wel geelachtig,grijs of warm-rose. Eén scherf,die gesmoord en gepolijst schijnt, is zwart, waartegen de stukjes kwarts helder afsteken. De versiering, vooral aanwezig bij het dikkere aardewerk, bestaat uit opgelegde, gemodelleerde banden, waarboven soms tussen twee horizontale groeven een rij nagelindrukken is aangebracht (pi. VII, 1 en 2). Ook zijn wel nagel-en vingerindrukken in enige rijen boven elkaar aangebracht (pi. VIII, 13 en 14). De roodachtige scherf, afgebeeld op pi.VIII, 9, vertoont juist op de ombuiging van de pot een rij twee aan twee V-vormig gerangschikte nagelindrukken, waarboven een rij enkele. De randprofielen zijn eenvoudig; öf de rand is aan de bovenzijde alleen maar iets verdikt en loopt dan wat puntig toe (soms ook gewoon afgeplat),5f er loopt een platte rondstaaf omheen, die aan de bovenkant smaller wordt (pi. VII, 7 en 8). Daarnaast komen echter ook versierde randen voor, waarvan de bovenzijde van diepe indrukken is voorzien, zodat er afgeronde tanden op ontstaan (pi.VIII,15). Eigenaardig is ook een fragment met een rond oortje (pi. VIII, 11), dat er uit ziet alsof het tot een ovaal bakje heeft behoord. Mogelijk een lampje? 3. De verdere archaeologica Behalve het reeds genoemde brok ten dele verpulverde graniet, kwam er een grijs scherfje van oen harde stcon-


PLAAT m


soort te voorschijn en bovendien drie kleine vuurstenen werktuigjes, afgebeeld op pi. VIII, 10. Een tweetal hiervan vertoont retouche. Indien deze zijn meegetracht van onze heidevelden, kunnen zij uit den aard der zaak veel ouder zijn, dan het tijdstip van hun gebruik te Driehuis zouidoen vermoeden. Dergelijke, voor die tijd primitief aandoende werktuigjes komen ook later nog voor, zelfs nog in de eeuwen na Chr.Ongetwijfeld vormden deze instrumentjes: boortjes,krabbertjes,mesjes enz., een aanvulling van het kostbare en schaarse metaalbezit.Brons werd niet aangetroffen, ijzer slechts weinig. Behalve een dubbelgcbogen, hol ijzeren buisje (fragment van een mantelspeld?), dat bij aanraking uit elkaar viel,trof ik een brokje goed geconserveerd ijzererts aan, dat bij analyse 52^ ijzer bleek te bevatten. Enige stukjes poreus materiaal deden sterk aan metaalslak denken. Vond misschien toen reeds hier in het Westen ijzerbewerking plaats? Wat men aan metalen voorwerpen bezat, zal bij het vertrek wel zijn meegenomen. Maar ondanks deze veronderstelling geeft het gevondene de indruk van een vrij arme en primitieve bewoning. Microscopisch onderzoek van stukjes houtskool werd bemoeilijkt door vaatverstopping met ijzeroxyde. Toch kon met vrij grote zekerheid wilgenhout worden aangetoond. De gevonden beenderen, tanden en kiezen, ten dele gecalcineerd.zijn afkomstig van rund, paard, varken en edelhert. Hieruit kunnen wij afleiden, dat deze mensen reeds veehouders waren en dat zij ook jachtbuit niet versmaadden. Menselijke resten werden niet aangetroffen. Al hebben wij dus aan de vondsten wel enige gegevens kunnen ontlenen omtrent deze vroege bewoners van Driehuis, veel is ons toch nog niet duidelijk. ĂŻlet name blijft het een eigenaardig geval, dit soort aardewerk hier in het Westen aan te treffen ! ) . Dr MODDERMAN, met wien ik onlangs deze vondst besprak, was het hier nimmer tegengekomen. Zo eindigt dit artikel met een vraag aan de lezers: kan iemand ons hierbij verder helpen, hetzij door analoge vondsten uit het Westen van ons land, hetzij door andere, mogelijk juistere conclusies? l) Noot van de redactie op p. 5<3.


-58Het geïsoleerde karakter van de besproken vondst is o.i. minder onverklaarbaar dan de Schrijver meent.Terwijl nl. in het oudere, zg. diluviale deel van ons land enerzijds de archaeologica (bv. materiaal uit Steen- en Bronstijd) aan de oppervlakte en dus min of meer voor het oprapen liggen, anderzijds hunnebedden en grafheuvels zichzelf in het landschap a.h.w. etaleren,zijn daarentegen in het Westen van Nederland de oudere bewoningssporen - voor zover nog aanwezig - door jongere lagen (afzettingen) bedekt en daardoor aan het oog onttrokken; hun ontdekking is dan ook practisch steeds het gevolg van graafwerken met een geheel ander doel. Het ligt voor de hand, dat in de eerstgenoemde streken reeds vroeg veler aandacht op de getuigenissen van vroegere bewoningen is gevallen,hier kwam dan ook het archaeologisch amateurisme op en dit legde voor een belangrijk deel de grondslag voor de wetenschappelijke archaeologie van Kederland. Nog steeds gaat de aandacht van de vak-archaeologen, voor zover het de praehistorie betreft, bijna uitsluitend uit naar dat gebied. In het Westen echter hebben slechts weinige liefhebbers de moed gevonden om op graafwerken hun schoeisel en kleding te wagen bij het zoeken naar oudheidkundig materiaal, terwijl het dan nog de vraag is, of en in hoeverre zij allen in staat zijn, eventueel waardevolle objecten als zodanig te herkennen. Dit geldt speciaal voor aardewerkfragaenten,hier de belangrijkste en meest voorkomende archaeologica,die in "verse" toestand (o.a. door aanhangende klei en veen) door ongeoefenden zelden op het eerste gezicht gedetermineerd kunnen worden, terwijl zij ook na reiniging vaak nog moeilijkheden opleveren. Alléén uitbreiding van de voorlichting kan hier baten. Het is opmerkelijk, doch allerminst verwonderlijk, dat de activiteit van onze Vferkgemeenschap niet alleen heeft geleid tot een vermeerdering van hot aantal belangstellenden,maar vooral van dat der vondstneldingen. Dit geldt in hoge mate voor materiaal uit de eerste eeuwen van onze jaartelling,doch tevens valt een toeneming van het aantal vondsten uit vroegere perioden waar te nemen. Uit het voorgaande zijn dan ook enige zeer belangrijke conclusies te trekken:


-591. Onze kennis van de Vfestnederland.se archaeologie is nog steeds véél te gering,getuige de herhaaldelijk weerkerende "verrassende" vondsten.Gezien de verborgen ligging van het betreffende materiaal in deze streken dient op ieder graafwerk, hoc ogenschijnlijk onbelangrijk ook, scherpe contrSle te worden uitgeoefend door allen,die zich met de studie der Hederlandse archaeologie bezighouden. Ook het kleinste putje of sleuf je kan een zeer belangrijke "bijdrage tot de kennis der Westnedorlandse oudheidkunde opleveren. 2. Het aantal oudheidkundige "liefhebbers", doch vooral dat dor enigszins geoefende waarnemers in Westelijk Nederland is, gezien de bijzondere aard van het archaeologische verkenningswerk (zie punt l ) , nog steeds veel te klein. Het is dan ook de taak van onze Werkgemeenschap (en van haar leden individueel) om, mede door ons tijdschrift, in breder lering belangstelling te wekken voor de oudheidkunde en hierdoor het netwerk dor waarnemers uit te breiden en te verdichten,alsmede om aan geïnteresseerden dié instructie te geven, welke voor het doen van •verkenningen en vondsten onontbeerlijk is. In de tijd, die ons nog rest - wellicht luttele tientallen jaren - siag niets meer aan het toeval worden overgelaten; stejselnatig onderzoek is dwingende noodzaak! 3. Willen de resultaten van dit verkenningswerk (vondster., waarnemingen) enig nut hebben voor de V7estnsderlandse archaeologie, dan zal het ook nodig zijn, dat zij ter algemene kennis worden gebracht. Dit wil dus zeggen, dat zij dienen te worden gepubliceerd in "Wcsterheem", het enige tijdschrift, dat zich uitsluitend bezighoudt met de arcbaeologie van Westelijk Nederland. Bekendheid mot het werk en de vondsten van anderen geeft aan het eigen onderzoek richting en doel, het vergroot de instructie-mogelijkheden en versterkt de band tussen de individuele amateurs. Doch "bovenal worden de vondsten op deze wijze voor altijd vastgelegd en zal men, door gebruikmaking van deze voor een ieder toegankelijke gegevens, kunnen konen tot het ontwerpen van een scherper en overzichtelijker beeld van het verleden van 'westelijk

Nederland. s 44.

f \J

V .

V

«


-60EEN VOOR DE VINDER MERKWAARDIGE VOKDST door S.W.MELCHIOR (Hoevelaken) Omstreeks twintig jaar geleden bewoonde ik het buiten "Snoekheuvel" te Amersfoort. Dit werd gebouwd op een terrein ter grootte van +_ 7 ha, hetwelk toendertijd bekend stond als "'t Stort".Bij de aanleg van de spoorueg Amersfoort - Kesteren was daar de grond gestort, die vrij kwam bij de doorgraving van één der flanken van de Amersfoortse Berg. Nu heb ik steeds bij mijn wandelingen mijn ogen goed de kost gegeven. De tuin van ai jn ouderlijk huis was gelegen op de plaats vaar voorheen oen oude boerderij stond en menignaal heb ik daar als jongen munten gevonden, in de meeste gevallen waren dat echter gewone "Brabanders". Ofschoon de grond van mijn eigendom dus reeds geheel over de schop was gegaan, vond ik niettemin nog een praehistorische pijlpunt[?) van vuursteen en een spinsteentje van gebakken aarde. Meer verbazing evenwel wekte aanvankelijk de munt,welke ik daar vond (pi. VII,6). Toen ik deze min of meer van oxydatie had ontdaan, las ik in het randschrift: Melchior - Balthas - Caspar; daarbinnen bevond zich een doorsneden wapenschild met boven drie kronen en onder een veld van hennelijn. De keerzijde,voor mij als leek niet zo eenvoudig te ontcijferen,geeft een geometrische figuur met dubbel randschrift. Wijlen de heer M. SCHULMAIJ, munt-expert te Amsterdam, herkende deze munt als een zilveren Keulse Groschen van het jaar 1492. De drie koningen waren (zijn) de plaatselijke heiligen van de stad Keulen. Het is overigens wel een verrassing, op zo'n gevonden munt de eigen geslachtsnaam te ontdekken! Naschrift van de redactie. Dr H. Eï'ïïO VAÏI GELDER, directeur van het Koninklijk Penningkabinet te 's-Gravenhagc, was zo vriendelijk, de hierboven besproken munt nog eens nader voor ons te determineren.


-61Hij schrijft: "Het ons toegezonden stuk is inderdaad een Keulse munt, nl,: een Croschen van de stad Keulen,geslagen tussen 1474 en 1493 (noss nr. 9 tot 11). Voorzijde: Stadswapen + JASPAR - MELCHIO(r) - BALTHAS(ar). Keerzijde: Kruis + GROSSUS CIVITAT(i)S COLONl(ensis); AGR - PIA - OLI - DCA (= Agrippina olim dicta) Vertaling: Groschen der stad Keulen, vroeger Agrippina genoemd."

AMATEURISTISCHE NOTITIES door Mr H.K.DE RAAF (Heemstede) 1. Inleiding. Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de Redactie van "Westerheem",om iets te vertellen over de ervaringen door mijn vrouw en mij opgedaan M j het zetten van onze eerste schreden op het doornige pad van het oudheidkundig bodemonderzoek. Wij willen U daarbij dan voeren naar lieflijke plekjes onder de rook van Haarlem en op de Zuidelijke oever van de Oude Rijn,zรณ ver van het gewoel der wereld,dat Gij ze, zonder ons als gids, niet licht ontdekken zoudt. Dat ik bij nijn relaas enigszins van de hak op de tak zal moeten springen, valt helaas niet te verhelpen; tussen de verschillende vindplaatsen, waar wij getracht hebben de aarde enige van haar geheimen te ontfutselen,bestaat noch historisch, noch archaeologisch enig verband. Ook moot ik U, lezer, waarschuwen dat Gij van mij, als beginnend amateur-archaeoloog (klemtoon op "beginnend"), geen wetenschappelijke verhandeling moogt verwachten. De amateur vergete nimmer dat hij, enkele zeldzame uitzonderingen daargelaten, over het geheel genomen nog niet veel meer is dan een onmondig, in den blinde tastend kind, dat bij zijn wankele schreden steeds weer de daadwerkelijke steun en goede raad van de vakman nodig heeft. Gelukkig wordt deze, naar ons uit eigen ervaring bekend is, gul


-62verstrekt. Wie wel eens gepoogd heeft bv. een minder goed leesbaar pottenbakkersstempel op terra-sigillata te ontcijferen,of een van het normale afwijkend randje van Middeleeuws gebruiksaardewerk te determineren, zal alras bemerken, dat alleen zelfstudie en enthousiasme,hoezeer onontbeerlijk, geen uitkomst geven. Dan is de vakman met zijn veel grotere routine en praktijk onmisbaar.Men hoede zich er echter voor,dat dit bewustzijn van eigen beperktheid leidt tot een soort minderwaardigheidscomplex! Dat ook de vakgeleerde scras een "non liquet" moet uitspreken is meestal de schuld van de amateur,die weer eens met de een of andere buitenissige vondst komt aandragen en o zo graag zou willen weten, wat hij nu eigenlijk gevonden heeft. Nu wil het noodlot, dat juist die amateur vaak vele vraagtekens op zijn weg ontmoet, d.w.z. dingen, waaraan ook de vakman geen touw weet vast te knopen. Ten dele komt dit,omdat de amateur zich vaak met oppervlaktevondsten moet vergenoegen. Vele van die zg. "twijfelaars" zijn ïil. te klein en te vormloos om met een behoorlijke kans op succes gedetermineerd te kunnen worden. Dit valt trouwens niet te verwonderen, als men bedenkt dat neestal over alles v/at zich op geringe diepte onder de oppervlakte bevindt, gedurende vele eeuwen de boer met zijn ploeg is heengegaan. Dat een amateur iets vindt,dat ongerept of gaaf is, behoort tot de hoge uitzonderingen. Heeft men, als ondergetekende,het geluk op een Romeinse afvalput te stuiten, dan heeft men weliswaar te doen met een "gesloten vondst" (in tegenstelling tot een zg. "losse vondst",d.i. een vondst,welke niet vergezeld wordt door andere voorwerpen of gegevens, die daarmee archaeologisch één geheel vormen. - Red.), doch ook dé"ar is uit den aard der zaak niet veel gaafs bij. Echter, één goede raad: ook al is üw vondst ogenschijnlijk noch bijzonder, noch spectaculair,gooi niets te vroeg weg! Het kan immers zijn, wanneer de geografische positie van üw vindplaats daarvoor gunstig is - zoals bv. op de Zuidelijke oever van de Oude Rijn - ,dat het gebroken bonbonschaaltje van ongekleurd glas, dat ü aan Copier of Lalique meende te moeten toeschrijven, door een Romeinse matrone is gebruikt; dat de inhoud van die vierkante fles van groen glas, met die modern aandoende kapitale letters als fabrieksmerk


-63ingeperst op het bodemfragment, de dorst heeft gelest van een Romeins legionnair;dat van dat bord, waarvan Gij een stuk vond en dat Gij,vuil als het uit de grond kwam, voor 18e eeuws Wedgewood versleet, de commandant van een Romeins castellua het zich goed heeft laten smaken! Aan de andere kant moet Gij niet teleurgesteld zijn, indien de vondst welke Ge zo zuinig bewaarde, wanneer Ge ermee bij de vakman komt, "niets" blijkt te zijn, of althans nietwat Gij ervan verwachtte. Zo vond ik eens op het maaiveld, nabij de plaats waar een enkel stuk Romeins voor den dag was gekomen,een zandstenen ellebooggewricht, kennelijk een stuk van een beeld.Eet kan een Romeins beeld zijn geweest, en zelfs, wanneer Gij Uw fantasie de vrije teugel laat, een geniu3beeld uit een castellum! Doch veiliger is het toch wel te denken aan een 18e eeuws tuinbeeld.Komt men nu met zo'n fragment,dat gedoemd is steeds een vraagteken te blijven,bij de professional, is het dan te verwonderen, dat deze die amateur, die voor de zoveelste maal meende zijn uil een valk te zijn, eigenlijk maar een vervelende kerel vindt en heai met een medelijdende glimlach bejegent? En thans iets over onze scherven. Vaak wordt ons gevraagd: hoe komen jullie tooh in 's hemelsnaam aan zoveel gebroken, antiek serviesgoed? Misschien mag ik het antwoord tot het volgend nummer bewaren?

VOHDSTBERICHT Bij het graven van een sleuf tussen het tunnelterrein en de Rijksstraatweg te Velsen, werd een groot aantal dierenbeenderen en enige scherven gevonden. Het maaiveld ligt ter plaatse 39 cm + H. &..P. Hieronder vindt men eerst een laag klei van 11 cm dikte, gevolgd door een zandlaag van Hh 8 ca, daaronder weer 40 cm klei en onder deze laag: blauwgrijs zand. Hierin werden op 75 cm - IT.A.P. de botten aangetroffen. Het merendeel daarvan schijnt afkomstig van rund en paard, maar vacht nog op nader onderzoek. Zij zijn overwegend zwart van kleur en ten dele fossiel. De scherven zijn Romeins, behalve ĂŠĂŠn fragment van een


-64middeleeuwse kogelpot. Helaas is de vondst iets te laat ontdekt, zodat niet met zekerheid valt te zeggen, of de Romeinse scherven direct bij de beenderen zijn gevonden. Waarschijnlijk lagen zij echter wél onder de tweede kleilaag. Deze is vrij donker van kleur, mogelijk een gevolg van de aanwezigheid van PeS, en bevat rietfragmenten. Kan de zwarte kleur der beenderen misschien aan inpregnatie met dit ijzersulfide te danken zijn? De zandlaag tussen de klei is plaatselijk en varieert in dikte. In Oostelijke richting neemt deze eerst toe tot ruim 50 cm, om daarna weer af te nemen en tenslotte geheel te verdwijnen. De bovenvermelde vondst werd ons ter kennis gebracht door de heer H.WIERINGA, adj.-ingenieur der tunnelwerken. Velsen.

H.J.Calkoen

ARCHAEOLOGISCH-GEOLOGISCHE V7ERKWEEK Evenals vorige jaren zal ook dit jaar wederom door één der Volkshogescholen, in samenwerking met de Nederlandse Geologische Vereniging, een werkcursus worden georganiseerd, die speciaal aan geologie en archaeologie zal zijn gewijd. Thans opent de Volkshogeschool "Overcinge" te Havelte (Dr.) voor de lie fhebbers gedurende een week haar poorten. Amateur-archaeologen zullen onder leiding van Professor Dr A.E.VAN GIFFEN (de ontwerper der "Quadranten-methode") leren een grafheuvel af te graven, terwijl geologen dagelijks excursies houden onder deskundige leiding. Aan een tweetal dagexcursies per bus kunnen ook de opgravers doel nemen. Des avonds worden door de deskundigen voordrachten gehouden. De cursus zal plaatsvinden van 10 - 15 Augustus 1953. (Opening 10 Aug. om 12 uur; sluiting 15 Aug. om 14 uur.) Aangifte vó<5r 1 Aug. aan het adres der Volkshogeschool "Overcinge" te Havelte (Dr.), met opgave in welke groep men ingedeeld wenst te worden. Kosten ƒ. 2 0 , — , alles inbegrepen, behalve de buskosten voor de excursies.


-65U1T DE TIJDSCHRIFTEN W.C.BRAAT, Weigeborenen en Huisliedeiu (in: Gens Nostra, Jrg. 8, No. 3 (Maart 1953), Maandblad Nederl. Genealogische Vereen. Prijs los nummer ƒ. 0,75, Nieuwendammerdijk 401, Nieuwendam) Toen de Schrijver,naar aanleiding van zijn opgravingen in enige Zeeuwse, laat-Karolingische burgen (Souburg,Middelburg en Burgh op Schouwen), zich verdiepte in de Noormannentijd in Westelijk Nederland, irerd hot hem duidelijk, dat wij in Holland in de zg. welgeborencn der Middeleouwen de nazaten moeten zien van talrijke kleine Deense edellieden (vikingen), die aich gedurende de 9e eeuw in ons kustgebied hebben gevestigd. Aanvankelijk bouwden zij in de kuststreken van Holland en .Zeeland,evenals de Noormannen langs de kusten van Engeland en Normandië, op kleine heuveltjes kasteeltjes, waarvan de oudste vormen slechts houten woontorens waren, welke later in steen werden herbouwd, zoals o.a. de door Schr. opgegraven Berg van Troye te Borssele heeft aangetoond. Ook in het Utrechtse en in Friesland komen deze kasteelbergjes, voor. Door deze conclusies, gesteund door tal van gegevens en argumenten, is in het probleem der weigeborenen meer licht gekomen, terwijl hiermede tevons aan de oorsprong en het wezen der zg. "vliedbergen" in Zeeland een meer aanvaardbare verklaring wordt gegeven. C.R. W.J.DE BOONE, De v/aarde van muntvondsten voor de vroege geschiedenis van onze landen. (in: De Geuzenpenning, jrg. 3, No. 2 (April 1953). Driemaandelijkse uitgave v.h. Kon. Ned. Genootsch. v. Munten Penningk. en v.d. Ver. v. Penningkunst.) In dit opstel wordt de nadruk gelegd op de historische betekenis van nuntvondsten als geheel, dus afgezien van die der munt als zodanig. Vooral dépot-vondsten zijn in dit verband van belang. Zodra in een gebied veel dépSt's uit een korte periode dateren, kan slechts tot onrust,


-66dreigend oorlogsgevaar e.d. worden besloten. In de laat-Roineinse tijd blijken in het eind der Ilde en het begin der Illde eeuw in Westelijk Nederland ten H. van de Rijn, d.i. het woongebied van Friezen en aangrenzende stammen, betrekkelijk veel schatten te zijn gedeponeerd, in tegenstelling tot het midden der Illde eeuw,uit welke tijd in dit gebied bijna geen muntschatten worden aangetroffen. Uitzonderlijk groot is in deze tijd echter hun aantal in de streken ten Z. van de Rijn, vooral in de gebieden aan zee, zoals Vlaanderen. Noteert men nu alle dépotvondsten net een laatste munt van Gallienus of Postumus (beiden tot 268) op kaarten,dan dringt zich de overtuiging op, dat nu de "Pri?"^1'.landen (niet-Romeins gebied) niet meer zijn aangevallen,doch dat van daar de aanvallers zijn gekomen, die het Vlaamse land (Romeins gebied) teisterden.Terzelfder tijd maken schriftelijke bronnen echter voor het eerst gewag van "Franken", die geweldige zeeschuimers blijken te zijn geweest, voorlopers der Vikingen, en die, evenals de laatsten, tot in Afrika zijn doorgedrongen. Met deze vroegste Franken moeten, aldus de Schrijver, op een of andere wijze "Friese" stammen zijn bedoeld. H.J.V. BERICHTEN v.d. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Jrg. IV, afl. 1 (Juni 1953). (Uitgave Staatsdrukkerij en Uitgeversbedrijf, 's-C-ravenhage, Fluwelen Burgwal 18) In deze aflevering van "Berichten", ditmaal met 44 pagina's, d.i. als dubbelnummer verschenen, is Westelijk Nederland vertegenwoordigd door een halve pagina,nl. door een mededeling van de hand van Prof. Dr G.VAII HOORN, over een tweetal stukken leder, afkomstig van de opgraving van de Romeinse vesting Fectio, nabij Utrecht, in 1892-94. De gedetailleerde interpretatie van dit materiaal is mogelijk geworden door een Zwitserse publicatie (Dr August GAJJSSSR-BÜRCKHARDT, Das Leder und seine Verarbeitung ia Römischen Legionslager Vindonissa, Basel 1942). Merkwaardig is de wijze, waarop door vijandelijke wapens veroor-


-67zaakte gaten in wambuis of schildbekleding, die wellicht met verwonding van de drager gepaard gingen, werden opgelapt of omstikt. Zij kregen op die wijze het karakter van distinctieven voor verwondingen,zoals deze ook in moderne legers op de uniformen van militairen worden bevestigd. Belangwekkend is ook de bijdrage van de heer A.BRUYK, over "Vuursteenbewerking in de Oudheid". Deze Schrijver is erin geslaagd, langs experimentele v/eg de techniek van de vuursteenbewerkers uit verschillende perioden der Oudhoid te reproduceren. Wij zouden aan de inhoud van dit artikel tekort doen, indien wij zouden trachten, deze op enigerlei wijze beknopt weer te geven. Wij verkeren echter nog in onzekerheid, waarvoor wij méér bewondering moeten koesteren: voor het vernuft van onze vroegste voorvaderen of voor het geduld en de toewijding van de heer BRUYH bij zijn onderzoek. H.J.V.

BEZOEK AAK DE TÜNHELPUT TE VELSEN De Hederl. Geologische Vereen, hield op Zaterdagmiddag 30 Hei jl. een excursie naar de tunnelput te Velsen, waar onder leiding van de Heer J.J.ZAKDSTRA, wetenschappelijk ambtenaar van do Geologische Dienst te Haarlem, verschillende formaties en merkwaardigheden van de Hollandse ondergrond iferden bekeken. Behalve geologen namen ook vele leden van de A.W.W.N, aan deze excursie deel, daartoe in de gelegenheid gesteld door do Ned. Gooi. Ver. Over deze bijzonder geslaagde middag zou door de heer ZAKDSTRA in dit blad een kort resumé zijn gegeven, ware hij daartoe niet verhinderd geworden door ziekte,die zijn opname noodzakelijk maakte. De redactie van "V/esterheem" en alle leden van de A.W.W.ÏI. die van zijn voortreffelijke rondleiding mochten genieten, wensen hen vanaf deze plaats een spoedige en volledige beterschap toe! Do heer H.J.CALKOEF, voorzitter der A.W.W.I'T., was zo vriendelijk, zijn impressies van deze excursie hieronder weer te geven.


-68EEN BLIK IN HST VERLEDEN Het gebeurt je niet elke dag,dat je kunt wandelen door het fijne,grijze stuifzand uit de laatste ijstijd! Dat je je maar hoeftnte bukken, om de tere schelpjes op te rapen van wezens die toen, meer dan 10.000 jaar geleden, daar leefden. ĂŻ/ij stonden voor de kleine, komvormige veentjes, waar de blaadjes van de Dryas, die nu nog zo fraai in de Alpen bloeit, hun humuslaagjes hadden achtergelaten. Voor onze ogen zagen wij de vreemd verwrongen kleilagen, vervormd door afwisselemde vorst en dooi en, zeer duidelijk, de verticale vorstspleten met hun grondverschuiving, die ontstonden toen het ijs zich terugtrok. Interessant waren in het veen op grote diepte de wortels van de elzen,bomen die later weer verdronken en door nieuwere kleilagen werden bedekt. Je zag een complete doorsnede van het oude waddenlandschap met zijn bewoners en zijn kreken, de honderden laagjes klei en zand bij wisselende eb en vloed afgezet,de oude blauwe zeeklei en de humuslaagjes van begroeide duinen,afgedekt op hun beurt door een laag transgressie-klei. Hier en daar beleefde je in de 25 m diepe tunnelput een miniatuur-zandverstuiving, die deed begrijpen, hoe onze voorouders daaronder hebben geleden. Dit alles, en nog veel meer, deed de heer J.J.ZANDSTRA op wel zeer boeiende en heldere wijze voor ons leven. Namens de vele leden van de A.W.W.N., die aan deze excursie mochten deelnemen, past ons aan zijn adres een woord van warme dank en tevens willem wij hier onze erkentelijkheid uitspreken jegens de Nederlandse Geologische Vereniging, die ons in de gelegenheid stelde, dit tunnelbezoek mee te maken. H.J.Calkoen

PLAKKEN VOOR EEN "WESTFRIESE AKADEMIE" Ten huize van de heer P.S.A.KIKKERT te Midden-Beemster werd op 23 Mei jl. een bijeenkomst gehouden,waarvoor verschillende instellingen, historische genootschappen, oudheidkundige verenigingen e.d. in Noord-Holland waren uit-


PLAAT "2111


-69genodigd. Zulks ter bespreking en voorbereiding van de stichting ener organisatie, welke ten doel zal hebben de bestudering van archaeologie,geschiedenis, folklore, dialecten, heem- en familiekunde van Noord-Holland door middel van studiegroepen onder leiding van wetenschappelijk geschoolden, alsmede de vorming,op een centraal punt, van een archief en bibliotheek. Deze instelling - waarvoor de naam "Westfriese Akademie" wordt overwogen - zou tot taak hebben de overkoepeling van, en het bevorderen der samenwerking tussen al hetgeen op de genoemde gebieden reeds bestaat en werkzaam is. Aan alle in aanmerking komende verenigingen, organisaties enz. zal een verzoek om medewerking worden gericht. Van vele zijden mochten de initiatiefnemers reeds blijken van instemming ontvangen. De A.W.W.N, werd bij de besprekingen vertegenwoordigd door haar secretaris. C.R.

HISTORISCH MUSEUM TE ALPHEN AAN DEN RIJN GEOPEND Na vele moeiten en zorgen en na het treffen van talloze maatregelen om het tot museum bestemde pand daartoe bruikbaar te maken, mochten de "Historische Vereniging voor Alphen aan den Rijn en Omstreken" en de "Stichting Oud Alphen en Omgeving" de voldoening smaken, de opening van hun Museum op 13 Juni 1953 aan te kondigen. Van deze moeitevolle voorbereidingen,doch ook van veel verheugende medewerking werd gewaagd tijdens de feestelijke vergadering in de trouwzaal van het Raadhuis te Alphen. Daarna begaf het gezelschap, waaronder vele vertegenwoordigers van verenigingen op historisch,genealogisch en archaeologisch gebied, zich naar de Rijnkade, vaar de officiĂŤle opening van het Museum op zeer attractieve wijze plaats vond. Nu dit langverbeide centrale punt is tot stand gekomen, lijdt het geen twijfel of een snelle ^roei van de thans nog beknopte collecties (gravure's, munten,archaeolotp-ca) mag vorden tegemoetgezien. E.T.V.-P.


-70HEROPENING "WESTLANDSE MUSEUM11 TE NAALDWIJK In aansluiting aan de algemene ledenvergadering van het Genootschap "Oud-Westland" te Naaldwijk op 13 Juni jl. , vond de heropening plaats van het Museum aldaar. Was dit vóór de reorganisatie officieel nog een plaatselijke instelling, thans mag met recht worden gesproken van een streekmuseum in de beste zin des woords. Ondergebracht in de Kapel op het Heilige Geest-hofje (het laatste gesticht in 1422; de Kapel - waarvan de stichtingsdatum onbekend is waarschijnlijk behoord hebbende tot een kapittelschool bij de in 1472 herbouwde kapittelkerk,is gerestaureerd in 1644), bevat het op de begane grond een uitgebreide verzameling boeken, gravures en voorwerpen, die betrekking hebben op de historie van verscheidene Westlandse plaatsen en buitenverblijven. Op de zolderverdieping vindt de bezoeker een archaeologische collectie, die opvalt door de overzichtelijke en smaakvolle opstelling. Een grote wandkaart geeft op duidelijke wijze de ligging der verschillende vóór- en vroeghistorische nederzettingen aan, tekeningen en foto's lichten het getoonde nader toe. Is de historische verzameling veel dank verschuldigd aan de • heer A, VAM DER MABEL, secretaris van het Genootschap, de archaeologische expositie is het werk van het bestuurslid, de heernJ.EMMEMS te Naaldwijk, wien wij met het bereikte resultaat gaarne van harte gelukwensen. "Gelukkig het volk, dat zijn geschiedenis kent", zeide burgemeester HOOGEBOOM van Naaldwijk in zijn openingswoord ter ledenvergadering. Dat dit geluk hem na aan het burgervaderlijk hart ligt, bleek uit de ruime mate, waarin het gemeentebestuur onder zijn leiding aan de inrichting van de Kapel als expositieruimte heeft bijgedragen. Na het huishoudelijk deel van de vergadering hield de heer A. VAN DER MAREL in een bijzonder interessante en geestige voordracht een warm pleidooi voor de beoefening van de genealogie, mede om haar'verband met de streekhistorie. Tijdens de bezichtiging van de archaeologische expositie gaf de heer J.EMMENS een overzicht van de wording van de Westlandse bodem, alsmede' van de bewoningsgeschxedenis van deze streek. H.J.V.


-71- A.W.W.N. - K R O N I E K GOOI EN EEMLAKD: Op Zaterdag 6 Juni werd o.l.v. de heer A.ERUĂ?N, van de R.O.B, te Amersfoort, een excursie gehouden naar vuursteen-wcrkplaatsen "bij het Wasmeer en de zgĂŠ Zeven Bergjes. Door enige leden werd een werkgroep gevormd met het doel,de oude vegen in Gooi en Eemland in kaart te brengen. Secretaris is de heer F.E.FARWERCK te Hilversum. KENNEMERLAND: Door de Nederl. Geologische Ver. daartoe in de gelegenheid gesteld, maakten vele leden een excursie mee naar de tunnelput bij het Noordzeekanaal te Velsen, o.l.v. de heer J.J.ZANDSTRA, van de Geologische Dienst te Haarlem.

M E D E D E L I N G In het tijdschrift "De Speelvagen", officieel orgaan van de historische genootschappen in Hollands Noorderkwartier, verscheen van de hand van de heer K.J.CALKOEH, voorzitter der A.W.W.N., een bijdrage getiteld "Avonturen van een Amateur-archaeoloog". Het bestuur der A.W.W.N, heeft, met goedvinden van de schrijver, besloten dit artikel - als overdruk uit "De Speelwagen" - gratis ter beschikking te stellen voor een ieder, die zich opgeeft als lid van de A.W.W.N. Wij hopen het artikel spoedig aan velen,in antwoord op hun aanmelding,als een welkomstwoord van onze voorzitter, te mogen toezenden. Zij, die reeds lid zijn van onze vereniging, kunnen eveneens binnenkort een exemplaar tegemoetzien.

DRINGEND VERZOEK Aan alle leden wordt verzocht, de Redactie mede te delen, vaar zij tijdens hun vacantie of anderszins, in Westelijk Nederland of elders, westnederlandse archaeolo^ica hebben aangetroffen (musea,particuliere collecties e.d.).


-72W E S T E R H E E M - F O N D S Bijdragen in dit fonds, waarvan de gelden zijn bestemd voor uitbreiding en verbetering van dit blad, kunnen worden gestort op giro-nr. 591170,t.n.v. Mevr. E.T.VERHAGENPETTINGA, te LEIDEN. Verantwoording: S.P., Hilversum f. 1,â&#x20AC;&#x201D;.

ERRATA Verbeteringen in het vorig nummer: pag. 49, regel 6 v.o.:Makkings, moet zijn: Makkinga pag. 51, regel 6 v.b.: 600 n.Chr., moet zijn: 600 v.Chr.

INZENDIKG COPY Copy en mededelingen voor het volgend nummer dienen uiterlijk 25 Augustus a.s. bij de Redactie te zijn.

UIT DE INHOUD" ' Schrijvers vd<5r blz. Vondsten uit de late Bronstijd-vroege Ijzertijd te Driehuis-Velsen, door H.J.Calkoen " Een voor de vinder merkwaardige vondst, door S.W.Melchior .' " Amateuristische notities, door Mr H.K.de Raaf . . " Vondstbericht, door H.J.Calkoen " Archaeologisch-Geologische Werkweek " Uit de tijdschriften " Een blik in het verleden, door H.J.Calkoen. . . . " A. W.W.N.-kroniek "

53 54 60 61 63 64 64 68 71

Illustraties: II.J.Calkoen, Velsen. Reproductie: Reproka, Amersfoort. Eindredactie en opmaak: H.J.Verhagen, Leiden. Stencils enz.: H.de Bot: Rotterdam.


'

-73-

Jaargang II, No. 7-8

Juli-Augustus 1953

3TERHEE TERHEEK

Orgaan van de ARCHAEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND

Hoofdredacteur: H.J.Verhagen, Morskade 12, Leiden. Secretaris der A.W.W.N.: C.Roodenburg, van Eedenstraat 9, Eaarlem. Contributie ad Ć&#x2019;. 5,â&#x20AC;&#x201D; te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.V.W.W. te HAARLEM.

DIT GEBEDHT NOG ELICE DAG ! Op de vindplaats van Roneins aardewerk te Velsen kwan o.a. een aantal kleine fragmenten aan het licht van het beroemde terra-sigillata, zo belangrijk voor de datering. Bij een van mijn bezoeken vertelde een grondwerker mij: "0, zoekt U van die rode schepjes? Had ik dat maar geweten! Ik heb er juist verleden week een paar grote stukken van gevonden, meer dan halve potjes." Op mijn vra&.g, wat daarmee gebeurd was, antvroordde hij: "Daar liggen ze, in de tankgracht, onder vijf meter zand!" Bij de proefgraving naar overblijfselen van het Huis te Velsen werd bitter weinig middeleeuws aardewerk aangetroffen. Een toeschouwer vertelde mij, hoe hij gesian had dat een landarbeider daar een jaar geleden drie gave kannetjes vond. "V/aar zijn die?" "0, (alsof het de natuurlijkste zaak van de wereld was) die hoeft hij maar stuk geslagen!" Dit gebeurt nog elke dag! U bent het met ons eens, dat dit zoveel mogelijk voorkomen noet worden? Kelpt ons dan, door leden te werven, onze A.W.V.N. groter en doeltreffender te maken! H.J.C.


-74AMATEÜRISTISCHE NOTITIES (vervolg) door Mr H.K.DE RAAF (heemstede) 2. De vondsten.

»

Herhaaldelijk wordt ons gevraagd: "Vfaar halen jullie toch al die kapotte, antieke serviezen vandaan?" Ons antwoord luidt: Door veel oplettendheid, door wat geluk,maar óók....door hard werken! Zoveel mogelijk zelf de boor on de spade ter hand nemen en zo min cogelijk het werk overlaten aan "betaalde krachten",die meestal weinig interesse hebben en slechts zelden de voorzichtigheid in acht nemen om meer dan "louter scherven" aan het daglicht te brengen. Maar dit zélf doen mag corst plaats vinden, als men er zeker van is, dat men met zijn gegraaf niets bederft, d.w.2. het terrein niet ongeschikt maakt voor later wetenschappelijk ondorzoek.En daarbij bedenke men vooral, dat voor oudheidkundig bodemonderzoek steeds de toestemming wordt vorcist van do Rijksdienst te Anersfoort. En nu onze scherven.Het bogon zó: een zuiver toeval(?) dood ons op oen goede dag onze schreden richten naar een oude boomgaard, gelegen ten Zuiden van de Kcrkhcuvei van Spaarnwoude,op dat merkwaardige stuk "oud duinlandschap", dat zich daar als een smalle zandrug, ongeveer in NoordZuid-richting, boven het laagveengebied verheft. Op het hoogste punt daarvan ligt de oude kerk "de Stompe Toren". De boomgaard werd voor grondverbetering afgezand en daarbij viel ons oog op enige kleine scherfjes van zg. Jacobakannetjes (middeleeuws Siegburger steongoed).Van de zandgravers hoorden wij, dat zij een gedeelte van het terrein onberoerd hadden aioeten laten, vanwege de vele "stenen", die daar in de bodem zaten. Katuurlijk staken wij op die plaats allereerst de spade in de grond. Al spoedig bleek dit terrein een oude veenpoel te zijn, die oorspronkelijk als een inham in de duinrug binnendrong en in de 15-ds eeuv was dichtgeworpen. Het was een ware schatkarier van middeleeuws aardewerk


-75en steengoed! Het stelselmatig afgraven, eerst door ons alléén, later met hulp van enige, door de Rijksdienst ter beschikking gestelde DOT-arbeiders, leverde een enorme hoeveelheid middeleeuwse scherven op, welke ruwweg kunnen worden gedateerd tussen + 850 en £ 1500. Daar waren allereerst enige scherven met brede, bandvormig-gedcolde oren: vroeg en laat Pingsdorf-aardewerk. Vorder: hardgebakken, dunwandig, geelbruin steengoed met lonsvormig afgesneden bodem, uitgeknepen standlijstjes en spaarzaam geel glazuur (besproken in de dissertaties van BRAAT on MODDERMAN 1). Daarnaast zeer vec-1 fragmenten van hot inheemse,blauwgrijze kogclpotaardewerk, hoofdzakelijk uit de 12o en 13e eeuw,met oen ongelooflijk gevarieerde vormrijkdom der randprofielen. De gebroken, maar ook wel gave exemplaren van Siegburger steengoed (+1350 - ±1450), hoofdzakelijk grote bierkannen en slankere zg. "Jacobakannen", waren zó talrijk, dat de daaraan door Dr GLAZEI-1A wel eens schertsend gegeven naam "Hema-goed" begrijpelijk werd. Deze Duitse importwaar moet werkelijk met scheepsladingen ons land zijn binnengebracht en moet de binnenlandse markt geheel hebben overstroomd. Voorts vonden wij inheems roodgebakken aardewerk uit de 14de eeuw. het zg. "aardewerk met spaarzaam glazuur" (loodglazuur), meestal lichtgrijs gesmoord aan de buitenzijde. Hieronder bevindt zich een drietal kleine kookpotjes - voorlopers van de latere driepoot of grape - .voorzien van een tuitje en steunend op drie, tussen vinger en duim uitgeknepen voetjes of standlijstjes, welke karakteristiek zijn voor de tijd rondom 1300 en de gehele 14de eeuw (pi. IX, l). Bij grote kannen groeien deze standlijsten vaak uit tot eon doorlopende krans van holle lobben ronö de \roet. Eon zeldzaam exemplaar vindt de lezer afgebeeld op pi. IX, fig. 2; een versiering in witta slib is hierop met de ringeloor aangebracht. Ook ziet men daar (pi. IX, 3 en ^) een tweetal 15de eewse kannen, gedeeltelijk bedekt niet zoutglazuur en niet radstempelversierir.g aan de buitenzijde van de halsrand, welke rand het bekende, dakvormig afgeschuinde profiel vertoont. Het spreekt vanzelf,dat er behalve aardewerk en steengoed ook nog andere resten uit net verleden werden aangetroffen. Daarvan vermelden we hier een fragment van een


-76kaarsenhouder van terracotta aardewerk, vaarschijnlijk bestemd voor vijf kaarsen, met een in de ongebakken klei gesneden "Kerbschnitf-versiering (tijd onzeker) (pi. X, fig.5), alsmede een fragment van een Romaanse, zandstenen vijzel (pi. X, 6). Wat deze eerste vindplaats betreft, moeten tenslotte nog vermeld worden enige vondsten van Romeinse archaeologica, zowel aan de oppervlakte,als op de boden van de inham in de oude duinrug. Hogelijk vormen zij een aanwijzing dat dit duinlandschap, op een bepaalde plaats nog steeds "de giest" (= geest) genoemd,en net name de dorpskern van het latere Spaarnwoude, reeds in Romeinse tijd bewoond is geweest. Dete vondsten bestaan uit: 1. Enige voetscherven van ruwwandige Romeinse kookpotten (vermoedelijk 2de eeuv n. Chr.) 2. De tuit van een kan van roodbruin aardewerk, overtrokken net een engobe van tritte slib (eind 2de, begin 3de eeuw) 2 ) . 3. Een tweetal sterk geรถxydeerde, Romeinse hoefijzers 3 ) . Het breedste exemplaar hiervan met de typische uitholling aan de voorzijde waardoor een betere bescherming van de hoof in bergachtig terrein werd verkregen,is geheel identiek niet een hoefijzer van onverdacht Romeinse herkomst, door de heer K.DEKKER (Alphen c/d Rijn) gevonden te Bodegraven in een laag, i/elke uitsluitend Romeinse archaeologica bevatte. 4. Een minuscuul stampertje van witte pijpaarde, 5^" cm lang, aan beide uiteinden knopvormig verdikt en precies passend in een even klein, aardewerken nortiertje, door de heer K.DEKKER gevonden in de Rijnstreek, eveneens in een laag met niets dan Romeinse archaeologica (datering onzeker). In een volgend artikel hoop ik U iets te vertellen over andere vondsten uit de omgeving van Spaarnvoude.

l) BRAAT, W.C., De Archaeologie van den Wieringermeer. Diss. Leiden, 1932. MODDERMAN,P.J.R., Over de wording en de beteekenis van het Zuiderzeegebied.- Diss. Groningen, 1945.


PLAAT TX.


-772) OELMANN,F., Die Keramik des Kastells Niederbieber, in: Materialien zur römisch-germanischen Keramik(l). Prankfurt am Nain. 3) JACOBI.L., Das Römerkastell Saaiburg.- Homburg vor der Höhe, 1897.

EEN VUURSTEEN-ARTEFACT BEHOREKDE TOT DE JONG-PALAEOLITHISCHE HAMBURGGROEP, GEVONDEN TE ZEIST (PROV. UTRECHT). door

TH. G. APPELBOOM (Rijksmus.v.Oudh. .Leiden)

/.

VI

ïï*%'/*#

tm(l% *

7

Het Jong-Palaeolithicum is in Nederland vooral in de laatste tientallen jaren bekend geworden.Nog onlangs verscheen over deze voor de Nederlandse praehistorie zo belangwekkende periode een samenvatting van de hand van Dr A.BOHMERS l).In deze studie stelt genoemde onderzoeker vast, dat behoudens enkele problematica, die wellicht nog aan een vroegere periode zijn toe te schrijven, de zg. Hanburggroep voor Nederland de oudste aldaar voorkomende steentijdcultuur is. Deze cultuur komt, wat de tijdsbepaling betreft, ongeveer overeen met het Magdalenien, een cultuur die vooral in Frankrijk is bekend geworden en die daar als laatste periode van de oude steentijd wordt beschouwd. Geologisch valt deze cultuur te plaatsen in de tweede helft van de laatste of Wtirm-ijstijd, naar schatting ongeveer 15 000 jaar geleden. V/ij moeten ons voorstellen hoe in die periode de voorhistorische mens, als jager en nomade levend, door de toendra's trok, uelke in die tijd grote delen van Europa overdekten. Daarbij maakte hij jacht op rendieren, waarvan het vlees als voedsel, de huid als kleding en bedekking werd gebezigd, terwijl de beenderen werden gebruikt om er benen werktuigen van te vervaardigen.Nu en dan bleven deze mensen enige tijd op één plaats wonen en het is daar en langs hun trekwegsn, dat wij resten van hun cul-


-78tuur aantreffen, i.c. hun stenen werktuigen van typische vorm. In de praehistorie zijn nl. de artefacten van welhaast iedere cultuur gekenmerkt door specifieke hoedanigheden, zodat wij bij het vinden van dergelijke gidsartefacten bijna direct kunnen vaststellen, met welke cultuur wij te doen hebben. In Wcst-Europa werd de Hamburggroep het eorst ontdekt bij het plaatsje Meiendorf,nabij Hamburg (Duitsl.). Doordat Dr A.RUST hier, behalve oen woonplaats, ooi: een zeer groot aantal werktuigen vond, zijn wij over deze cultuur bijzonder goed ingelicht ^).Zeer typisch voor de Hamburgcultuur zijn de zg. Kerfspitsen. Dit zijn lange smalle spanen vuursteen,waaraan, door steilrotouche, aan hot éne «H%to-tfidB e(yl spits i s gemaakt.Aan het andere uiteinde is, aan* dezclfB.f'kant. een kerf aangebracht, waarvan zich de retouche soms aan de onderzijde van het stuk, soms aan de bovenzijde bevindt. Zo'n kerfspits vormde een onderdeel van een zg. riemsnijder. Dit is een benen of houten, aan het boveneinde gebogen stang,met een insnijding,waarin do kerfspits werd geplaatst (pi. XI, 4: doorsnede van een rieasnijder,het pijltje geeft de richting van de (tegen-) druk van het te snijden voorwerp aan). Kot dit werktuig werden dam, zoals de onderzoekers aannemen, rieden gesneden uit rendierhuiden. Dergelijke kerfspitsen zijn in de laatste jaren ook uit ons land bekend geworden, op sommige plaatsen zelfs in groot aantal. Zo was BOMERS in staat oen lijst van vindplaatsen op te stellen •*•): Voor Nederland waren in 1947 do volgende vindplaatsen van do Hamburggroep bekend: Makkinga, Bakkeveen, Eoutigehage, Ureterp I en II, Suameer, Oostermeer, Appelscha, Gees, Gasselte, Rolde, Selde, Aalten, Zeijen, Ide, Havelte (Westerduinen), Elspeet, Stroe, Harderwijk en Soestduinen. Zo was dus Soestduinen de zuidelijkste vindplaats van de Eamburgeultuur. Door een gelukkige vondst in de verzameling van hot Rijksmuseum van Oudheden te Leiden is de lijst van vindplaatsen echter thans uit te breiden met Zeist. Sedert 1873 bevindt zich in de collectie van genoemd Museum een stenen werktuig, dat aan alle^eisen voldoet, die men aan oon kerfspits kan stellen ^ ) . Het betreft hier een voorwerp, genummerd J.v.L.Z.16, dat reeds


-79in 1873 door de heer J.VAN LENNEP aan het Museum werd geschonken. TOM MILLS, een Engelse jongen.die op het Insti» tuut van de Broedergemeente verbleef,vond het stuk in dat •gaar pjpf^de/hjergen bij het station van de Rijnspoorweg. » Een en ander volgens schrijven van de heer VAN LENNEP dd. 12 November 1873 aan het Rijksmuseum van Oudheden. De lengte van het voorwerp (pi. XI, 1, 2, 3) bedraagt 6 cm,de breedte 1,4 cm. Do gDbezigde steensoort is bruingrijze vuursteen, zeer glimmend aan do oppervlakte. De achterzijde draagt slaggolven, die concentrisch verlopen, met het ondereinde van het stuk als middelpunt.De rugzijde en de kerf zijn voorzien van zeer steile retouche, de grootste breedte hiervan bedxaagt 4 mm. De snedekant vertoont zeer sterke gebruiksretouche, die zelfs de indruk maakt van een zaag. Deze retouche is echter, gezien de patine, zeker primair. Blijkens de kerf en de stsilretouche is ons stuk uit Zeist oen werkelijk typisch stuk voor de Hamburggroep en is elko twijfel aangaande de klassificatie uitgesloten. De dichtstbijzijnde plaats waar een kerfspits werd gevonden,is Socstduinen 4). Hier worden ook enkele stukken uit een tweede periode van het Jong-PalaeolithicuE in Nederland, m.n. de Tjongergroep, ontdekt 5). Ket de uitbreiding van de lijst van vindplaatsen van de Hamburggroep,wordt Zeist tevens de meest zuidelijk gelegen vindplaats van deze cultuur in ons land.

1) BOHMERS.A., Jong-Palaeolithicura on Vroeg-Mosolithicurs, in: Sen kwart eeuw Oudheidkundig Bodemonderzoek in Nederland.- 1947. 2) RüST,A.,Das altsteinzeitliche Rcr-ticrjögerlager Moiendorf.- 1947. 3) BOHMERS, A., o.c. Plaat 13 nr.2 (Ureterp) en Plaat 24 nr. 8 (Havelte). 4) APPELBOOM, TH.G., Een en ander over de oudste bewoning van de provincie Utrecht.-Jaarb.v.Oud-Utrecht,1950, pp. 39-45. 5) APPELBOOM, TH.G., o.c.


-00VAIJ SPIKSTEENTJES EN PIJPEKOPPEN door D.VAN DEELEN (Bakkum) Toen ik jaren geleden in mijn tuin aan het harken was, rolde er plotseling een rond voorwerp voor mijn voeten. Het was wat groter dan een knikker en mooi blauw en geel gekleurd. Direct was mijn belangstelling gewekt en, nadat ik het zorgvuldig schoongemaakt en aandachtig bewonderd had, verhuisde het naar de schervenverzameling, waar het aanvankelijk ongedĂŠtermineerd bleef.'liggenâ&#x20AC;&#x17E;?ae later werd mij verteld, dat ik een heel mooi spinsteentjo had gevonden, mogelijk uit het einde der 16e of het begin der 17e eeuw. Het voorwerp (pi. XI, 5) is kogelrond en mooi geglazuurd in de kleuren groen, blauw,zacht-oranje en geel, kleuren, die typisch zijn voor het vroeg-Kederlands majolica en de oudste Delftse tegels. Over het dikste gedeelte loopt een band, waarin met keurige letters staat geschreven: LEGIADRA BELLA. Van bevriende zijde mocht ik de volgende verklaring van deze woorden ontvangen: Leggiadro (in het bovenstaande opschrift is dus blijkbaar een G te weinig aangebracht) betekent in modern Italiaans: bekoorlijk,lief ,sierlijk,aanvallig. Het woord komt evenwel ook in het oud-Italiaans voor (bij PETRARCA: edel; bij DAJWE: geliefde), terwijl het vroeger ook voor wijn werd gebezigd. "Leggiadra bella" zou dus kunnen betekenen:"bekoorlijke schone", een benaming, die zonder twijfel ten volle op het voorwerp van toepassing is. Op pi. XI, 6 staat een tweede vondst uit mijn tuin afgebeeld. Het is een spinstcentje van betrekkelijk zachtgebakken aardewerk, grijsbruin van kleur en enigszins beschadigd. Hot is te dateren in de oerste eeuwen van onze jaartelling en werd vervaardigd en gebruikt door de toen in deze streken woonachtige, Germaanse bevolking. Dit wat de spinsteentjes betreft. Iets, wat ook steeds mijn aandacht heeft als ik langs oude wegen en paadjes loop, dat zijn stenen pijpekopjes. Overal, langs de d-iinrand, zelfs op liet strand, bestaat de kans om zo'n gebroken pijpje ts vinden. En de vraag rijs't " dan al spoedig:


PLAATX


-81-

Hoe oud zijn die dingen nu eigenlijk? Zo zonder meer is dat niet gemakkelijk te zeggen.Algeiaeen is "men" hier van mening, dat de pijpjes dateren uit de 80-jarige oorlog en bepaaldelijk uit 1573 (beleg van Haarlem en Alkmaar),vandaar de benaming "Spaanse pijpjes". Toch is dit niet erg waarschijnlijk, zoals uit het volgende blijken zal. De tabak,zo las ik ergens, werd in 1562 voor het eorst in Europa verbouwd. Op verzoek van Philips II reisde in 1560 een Spaans natuurkundige, Francisco Fernandez, naar Mexico. Tot de wonderlijke, tot dan toe onbekende dingen, die hij van die reis mee naar Spanje bracht, behoorde ook een zakje zeer fijn zaad, donkerbruin van kleur, dat in Spanje aan de aarde werd toevertrouwd.De forse hoge planten, die hieruit groeiden, hadden grote stevige bladeren en zoetgeurende witte en rose bloemen. Fernandez zeide gezien te hebben,hoe de Mexicanen de bladeren droogden en kerfden, ze daarna in het verdikte einde van een houten buisje stopten en in brand staken. De rook zogen zij op. Zo zou de tabak ontdekt en in Europa ingevoerd zijn.Spanjaarden en Portugezen rookten aanvankelijk uit de houten pijpjes, die zij in Brazilië leerden kennen. De Engelsen echter, die in Virginia gekoloniseerd hadden, rookten uit de roodstenen pijpjes der Iroquezen, met het gevolg,dat de Engelse pottenbakkers aan de oevers van de Trent en elders óók stenon pijpjes gingen maken uit de witte kleisoort, die daar reee's eeuwen gebruikt werd voor het bakken van aardewerk. Betrekkelijk spoedig deed toen het stenen pijpje zijn intrede in ons land. Door de geloofsvervolgingen in Engeland onder de regering van Jacobus I, weken vele Engelsen naar ons land uit en namen dienst in de legers van Prins Maurits. Het waren dan ook Engelsen, die te Gouda (en gedurendo enkele jaren ook te Rotterdam) de pijpenmnkerij ter hand namen. Als eerste wordt William Baernslts genoemd,die in 1617 in Gouda zijn bedrijf begon; zijn merk, "de gecroonde roos", was een van de meest gewilde merken uit die tijd. Weldra legden ook Gouwenaars zich op deze industrie toe en in 1637 wisten zij de hegemonie op hun Engelse concurrenten te veroveren.Sedertdxen en ook thans nog worden te Gouda de zg. "Goudse pijpen" vervaardigd.De vormen van deze pijpen hebben sich in de loop der eeuwen


-82echter sterk gewijzigd. Aanvankelijk was de tabak natuurlijk een kostbaar artikel, en maakte men dus pijpen met zeer kleine koppen. Langzaamaan werden de koppen groter, terwijl ook de stelen een ontwikkelingsgang doormaakten. De minier goede kleisoort,die men in het begin gebruikte, was oorzaak, dat de eerste pijpen een dikke steel hadden; later werden dozc dunner. De beide pijpekopjcs,die men op pi. XI, fig.7 aantreft, zijn klein, met vrij dikke steel. Zij dateren dan ook ongetwijfeld uit de beginperiode, dus uit de eerste helft, wellicht zelfs uit het eerste kwart van de 17e eeuw. Zoals hierboven reeds in het voorbijgaan werd vermeld, was het van de aanvang af de gewoonte, de pijpen to voorzien van een "fabrieksmerk",dat dus de maker aanduidde en dat bij de verkoop en handel een belangrijke rol speelde. Deze "merken", die op kop of hiel van de pijpen werden aangebracht, kunnen ons dus iets vertellen omtrent hun vervaardiger 1). Eén van de afgebeelde pijpjes draagt op do M o l de letters: HL. Inderdaad komt in Gouda,in de 18e eeuw,de gekroonde HL voer,doch het is, mede door het ontbroken van enig ander merkteken (bv. het wapen van Gouda) onmogelijk te zeggen, of wij hier met echte Goudse pijpjes to doen hebben. Ilerkwaardig is het veelvuldig voo* komen en de algemene verbreidheid van deze pijpjes in onze Westnederlandse bodem. Op de plaatsen, die sedert ca 1600 begaanbaar waren, kan men welhaast nergens .een kruiwagen grond verplaatsen, zonder één of meer pijpekopjes te vinden. Zij zijn dus te beschouwen als typische vondsten uit de hogere grondlagen en duiden op menselijke occupatie in de eeuwen na 1600. Ongetwijfeld zullen dan ook vele lezers deze voorwerpen bij hun veldwerk hebben aangetroffen en het is daarom,dat ik gemeend heb op de herkomst en datering van dit materiaal - dat geenszins als archaeologisch is aan to Eerken iets nader te mogen ingaan. l) HEL3ERS, G.C., Do merken en het .merkenrecht van de pjjp meiers te Gouda.- on GOEDEWAAGEiï, D.A., Do geschiedenis van de pijpmakerij te Gouda.- I-fonographiae Kicotianae, Band 4. Gouda, 1942.


-83R0MEIN3E VINDPLAATSEN LANGS DE OUDE RIJN IN DE PROVINCIE ZUUVHOLLAND door K.DEKKER (Alphen a/d Rijn) Nadat ik, door zijn artikelenreeks "De grote puzzle" (Westerheem 1,3-4,5-6,9-10,11-12), kennis had genomen van de opvattingen van de heer C.M.SCHOENAKER over de Noordelijke weg van de Peutingei kaart,heb ik de gegevens, die mij ten dienste stonden door mijn ervaringen bij cultuurtechnisch verk in deze streek, enigermate gerangschikt. De resultaten hiervan wil ik op verzoek van de redactie gaarne in het kort weergeven. Ofschoon sedert het verschijnen van bovenstaande publicaties reeds geruime tijd is verlopen, zullen mijn opmerkingen hier en daar het karakter dragen van een commentaar daarop. Ik wil echter vóór alles uitgaan van de praktijk, en daarbij mijn aandacht bepalen tot grote en gesloten vondsten van zuiver Romeins materiaal, zonder erop te letten, of de ligging van deze vindplaatsen wel klopt met de letter van Tabula of Itinerarium.' Ter wille van de ovGrzichtelijkheid zijn ook de meeste wetenschappelijke opgravingen langs de Rijn in deze beschouwing opgenomen. In het gebied ten Westen van Leiden blijkt de interpretatie van de "Brittenburg" nog steeds een vraagpunt te vormen. Weliswaar zijn sedert het midden der vorige eeuw te Katwijk-Binnen in de zanderij Westerbaan,on in het begin van deze eeuw ook meer westwaarts in het Klein-Duin, vondsten gedaan van Romeins materiaal en bouwsporen, doch zij schijnen niet voldoende gegevens te hebben opgeleverd om de Wetenschap dichter te brengen bij de oplossing van het probleem van de juiste ligging van het Lugdunum Batavorum uit de Romeinse tijd. In elk geval hebben zij echter aangetoond, dat de Roaoinse invloed en occupatie zich tot de Westkant van het tegenwoordige Katwi jk-Binnen uitstrekten. Volkomen zekerheid bestaat er met betrekking tot de ligging van Praetoriuai Agrippinae,nl. ta Valkenburg (ZH), daar dit castellum door Prof. VAN GIFFEN in de jaren 1941


-94tot 1952 successivelijk werd opgegraven. In de 7 perioden van deze versterking wordt tevens de geschiedenis van de Romeinse bezetting van deze streek weerspiegeld. Andere, waarschijnlijk met het castelluni samenhangende Romeinse sporen werden in de omgeving van Valkenbuzg aangetroffen, zoals een begraafplaats tn een aanlegpla£ts(?). Bezien vrij thans hot gebied tussen Leiden en Woerden. De Romcinso vesting Matilo is zeer waarschijnlijk oven ten Oosten van Leiden, nl. bijRoonburg, teruggevonden. Verder werd te Alphen aan den Rijn de aanwezigheid van resten van een castelluni, althans van Romeinse bouwsporen uit de eerste periode, bevestigd door Prof, VAK GIFFEÏÏ. Naast vele scherven werden ook 7 bronzon munten gevonden. Deze onderzoekingen hebben ons echter tot dusver geen gegevens opgeleverd omtrent de afmetingen van het castellua noch over de ligging van gebouwen, poorten etc. Het opgegraven materiaal wordt thans in het Biol.-Archaeol. Inst. te Groningen uitgewerkt en bestudeerd. Belangrijk voor do interpretatie van deze vondst is hot toponynisch verband tussen de tegenwoordige plaatsnaam Alphen en de ROB. naam Albanianis. Dan bevindt zich op 44' km ten 0. van Alphen, in de nabijheid van het station Zwammerclam, een grote zuiver Rom, vindplaats met veel bouwresten, als dakpannen,tufsteen en kolenkalk. Deze afstand komt overeen met ca 2 leugae 1 ) , zodat wij hierin een argument zouden kunnen zien voor de opvatting, dat de Noordelijke weg van de Tabula oveneens in leugae v/erd gemeten, in welk geval wij ons hier in de omgeving van het Romeinse station Figropullo zouden moeten bevinden» Zonder vooruit te willen lopon op een publicatie van de resultaten van hun onderzoek, acht ik het niet onmogelijk, dat de heer en mevrouw DE RAAF (Heemstede) - die op mijn indicaties in deze omgeving veel verkenningswerk verrichtten- op grond van hun vondsten meer licht in deze kwestie zullen kunnen brengen. Dat hier een groot Romeins centrum is geweest,kan reeds als vaststaand worden beschouwd. Op de vraag evenwel,of wij hier met een castelluni te hebben en waar dit dan precies lag, ont1 leuga komt ongeveer overeen met 2300 m. 1 m.p. (milia passuum) komt overeen mot 1500 m.


•3 5 -

breckt tot dusver een wetenschappelijk gefundeerd antwoord. Indien men echter met m.p. wil meten, dan zou men net 2 m.p. ton 0. van Alphen terechtkomen in de buurt van hot Goudse Rijpad,waar inderdaad wel scheiden to vinden zijn, o.a. voel inheems materiaal, doch - althans naar mijn ervaring - géén bouwsporen! Als gevolg van de aanleg van de opoordijk, die dwars door de enorme vindplaats bij het voormalige station Zwammerdam loopt, is zeer veel materiaal meer Oost- en 'festwaarts getransporteerd, waar het nu volkomen aan de oppervlakte ligt, terwijl op + 30 a 40 cm onder het maaiveld - de gewone diepte voor Romeins matsriaal in deze streek - geen resten meer worden aangetroffen. Gaarne zou ik dan ook vernemen, waar zich de in Wcsterheem I, p. 110 genoemde fundamenten van gebouwen bij de "Hoge Brug" bevinden en waar de dalepan met het stempel Legio I Minervia is gevonden. Bij veel onderzoek in de omgeving van Wiericker Schans heb ik reinig scherven aangetroffen. De helm van de Romeinse soldaat werd evenwel gevonden tijdens een zandwinning ten behoeve van de grote ri jkstfeg Den Haag-Utrecht. Aan do hand van de door mij verzamelde gegevens, w.o. bahalve de aanwezigheid van do zandlagen ook het voorkomen van oeverwallen, ben ik tot de overtuiging gekomen, dot hier weleer de Rijn hoeft gelopen en dat do helm dus vermoedelijk, met of zonder zijn drager, vanaf oon schip is te water geraakt. Een treffende illustratie van de aanwezigheid van een oude Rijnbeddmg en tevens van het overboord gcan van een voorwerp in de Romeinse tijd,leverden de vondstomstandigheden van een amphora te Alphen. Bij de uitbreiding van deze plaats werd nl. op een diepte van 2-J- meter, in ce-n laag grofzand, een prachtige amphoor gevonden,mot hot oor (dus het zwaarsto punt) omlaag.Ook deze kruik is te vat er geraakt, vervolgens met het oor en de mondopening omlas.-g blijven drijven en tenslotte op do oever aangespoeld. "J-s j hebbon deze gang van zaleen met behulp van oen recent, ongeveer gclijkgevormd voorwerp nauwkeurig kunnen r.ccor.strueren. Ongeveer 7-g- km ton 0. van Alphen, vlalc bi.3 ^ O"-;ÏT;S in de spoorlijn Loictd.i-ütrccht, tussen Bodegraven ~r* Oud-


-86Bodegraven, is tijdens eon afgraving enonn veel Romeins materiaal gevonden - tufsteen, kolenkalk en vooral zeer veel dakpannen - dat door de heer DE JONG, technisch ambtenaar van de Prov. Waterstaat in Z-Holl.,werd verzameld. In de omgeving van deze vindplaats worden overal scherven in de grond aangetroffen,zodat het wel waarschijnlijk is, dat zich hier een Romeinse nederzetting van formaat heeft bevonden. Bij opgravingen van de R.O.B, in do nabijheid van de Grote Kerk te Woerden zijn eveneens veel Romeinse resten gevonden, een bewijs,dat ook daar de Romeinen zich hebben opgehouden. Rest mij ten slotte nog te vermelden, dat ik langs de spoorlijn Leiden-Utrecht, ongeveer 2 km ten Westen van het castellum te Alphen,in de oppervlakkige lagen van het bouwland veel Romeinse scherven, echter gĂŠĂŠn bouwmateriaal, heb gevonden. Deze vondsten liggen bovendien langs de Romeinse weg, die ik hier, evenals in Alphen, meen te hebben teruggevonden.Veel Romeinse scherven trof ik eveneens aan op een bouwland, ongeveer 200 m ten Z. van de spoorweg. In het algemeen kan worden gezegd, dat Romeinse scherven - zij het, dat ter zelfder plaatse gevonden inheems materiaal meestal wijst op een nederzetting (boerenhoeve) van de autochthone bevolking - te vindon zijn op practisch elk perceel, gelegen aan of nabij de spoorlijn LeidenAlphen - Bodegraven - Woerden,maar dat grote hoeveelheden zuiver Romeins materiaal,tezamen met veel bouwresten,worden aangetroffen te Katwijk-Binnen, Valkenburg, Roonburg, Alphen, Zwammerdam, Bodegraven en V/oerden. Dit het bovenstaande moge blijken, dat wij nog ver van gereed zijn met een volledige kartering van alle Romeinse vindplaatsen langs de Oude Rijn. Eerst wanneer wij een compleet beeld daarvan zullen hebben en bovendien de loop van de Rijn in Romeinse tijd nauwkeurig zullen hebben gereconstrueerd - berekeningen aan de hand van de huidige loop van deze rivier hebben m.i. geen enkele waarde voor beschouwingen met betrekking tot Romeinse documenten als Tabula of Itinerarium - kunnen wij misschien nog eens een poging ondernemen tot het oplossen van "de grote puzzle".


-87OUDHEIDKOMDE EN ifX)LKLORE IN NOOHD-HOLLAMD door W.J. DE BOOHE (Amsterdam) Herhaaldelijk blijkt er een merkwaardig verband te bestaan tussen een volksoverlevering, die aan een bepaalde plaats is verbonden en overblijfsels uit een grijs verleden. Soms heeft men in dergelijke gevallen te makon met een directe traditie. Hiervan vindt men het meest eenvoudige voorbeeld bij die plaatsen, die in de oudste bronnen (bv. op de kaart van Peutinger) een naam dragen, waarvan de tegenwoordige een lijnrechte afstammeling is, zoals in het geval Hoviomagus-Nijmegen, Fectio-Vechten enz. Soms kan men nauwelijks begrijpen, dat er sprake kan zijn van een directe traditie, omdat de tussenliggende tijdsruimte zo groot is. Dit is bv. het geval bij het vorstengraf van Oss (5de eeuw vó<5r Chr.). Vo<5r de opgraving word daar gezegd, dat in de heuvel een "koning met een gouden sabel " begraven lag, terwijl men bij do opgraving inderdaad o.a. oen kromgebogon zwaard heeft gevonden, waarvan hot gevest was ingelegd met bladgoud. Niet zo heel vor van Oss, bij Deurne, ging hot verhaal, dat daar vroeger een "generaal met een gouden hoed" in de Peel geraakt zou zijn; later vond men hier de Romeinse ruiteroverste net een vergulde helm uit de tijd van Constantijn de Grote. Deze heln is één van de pronksxukken in de verzameling van het Rijksmuseum, van Oudheden te Leiden. Naast deze directe traditie kan men ooi-: te maken herben ast een "verklarende" overlevering. ïlst volk nceft dan onbegrijpelijke verschijnselen, bv. oude fundamenten, of ook losse voorwerpen die kennelijk niot van een gangbare vorm zijn, op een eigenaardige, meestal bovennatuurlijke aanier willen "verklaren", net behulp van duivel, witto wioven, kabouters, of wat dies meer zij. In ons V/cston schijnen bijzondere govallen, zoals die te Oss en Beurnc, niet bekend te zijn; wel kent non rcrschillcndo zeer oude plaatsnamen in dit gobicd, bv. van hat type Huisduinen, Loosduinen enz., na/ir hoe belangrijk doze op zic.izelf ook zijn, zo spreken rd.noer tot de vor-


-83beelding. In hot algeneen lijkt het land aan de zee niet zoor rijk aan overleveringen zoals hier bedoeld. Toch blijken in do verhalen uit het gebied van Texel tot Sylt wel verschillende elementen voor te konen,die in dit verband van belang zijn. Aardmannetjes onder diverse benamingen zoals Ulken, ünnereersken, Unnerbankissen enz. speelden hier een grote rol. Deze kereltjes woonden onder kleine heuvels en in de "steenkamors", d.w.z. op de grafplaatsen van een vroegere bevolking. Ze golden als vervaardigers van fraaie gereedschappen uit steen en ijzer; hier blijkt duidelijk een verband met vondsten van praehistorische voorwerpen, zij het dan ook uit verschillende tijdperken. Een voorwerp uit de bronstijd heeft men waarschijnlijk op het oog gehad bij het verhaal van een zekere Jens Sieke, die op zijn akker bij een grafheuvel een groen mes (dat er uit zag als een dolk) vond, bezit van de dwergen; op Pöhr hadden deze "Odderbaantjes" de bronzen mossen in een steenkamergraf onder de heuvel gemaakt. Dit alles is wel heel aardig, maar lijkt weinig te maken te hebben met onze eigen kuststreek.En toch zal blijken, dat juist dezelfde elementen ook te vinden zijn geweest in de folklore van enkele eeuwen geleden op Texel en Wieringen. Dat niet méér dergelijke verhalen te vinden zijn, moet men wel in verband brengen niet het feit,dat in onze streken graven van een vroegere bevolking nauwelijks gevonden, laat staan duidelijk herkenbaar zijn. Dit was anders op Texel, waar zich twee eeuwen geleden nog, aan alle kanten duidelijk zichtbaar, een grafheuvel bevond, merkwaardig genoeg uit de Romeinse tijd (ca 100 na Chr.), zoals de vondsten hebben geleerd. V/e geven aan VAN CÜYCK, die op het einde der achttiende eeuw als één der eerste zomergasten van het eiland buitengewoon veel belangstelling had voor de daar gevonden oudheden, het woord bij de beschrijving van deze heuvel, die 136 Rijnlandse voeten in omtrok mat,met een hoogte van 14 voeten. Eij zegt: "De benaaminge van wiek of wijk.welke de Boeren aan dit Bergje geven, zegt in dit geval niets, omdat ze meest alle Hoogten dus heeten, des die naam geene bijzonheid aanduidde.Aanmorkenwaardiger is het,dat deze Heuvel, inzonderheid, gemeenlijk Sommeltjes Berg genaamd wierd; het welk 't denkbeeld,dat deeze hoogte eene oude Begraaf-


PLAAT XL


-89plaats geweest is,schijnt te bevestigen. Sommeitje, naamlijk, is een oud woord der landsluiden hier ter plaatse, en zegt zo veel als Spooken,of Geesten: ook was men hier, wanneer de kinderen stout waren, gewoon dezelven bang te maakcn, door hun als dreigende te zeggen: "de Sommeltjes zullen bij u uit hot Bergje komen."" l) Het gevonden graf is buitengewoon rijk geweest,getuige de inventaris: een emmer, con bokken, bronzon beslag voor een drinkhoom, messen, drie bijlen, sporen, con paardonbit mot ketting, een haak on oen ketel aan op to hangen, een stoclpan mot zeef voor de wijn Vrijwol niets van dit alles schijnt to zijn bewaard gebleven, rat niet verwonderlijk is, als non iets verder leest, dat enige voorwerpen, mooi opgeschuurd, dienst deden Âąn het huishouden van de boerin, waar VAN CUYCK een en ander bezichtigde. Een groot geluk is het,dat de schrijver enkele duidelijke tekeningen heeft gemaakt van vrat hem bij die gelegenheid onder ogen is gekomen. Nu is dit alles wat ons rest van een vondst, dio zelfs in de buitenlandse archaoologische literatuur herhaaldelijk wordt genoemd. Op de plaats,waar hot heuveltje heeft gelegen, is niets meer to zien, de grond is geĂŤgaliseerd en niets verraadt de vroegere aanwezigheid van zo'n uiterst merkwaardige tumulus. Alloen de luchtfotografie zou misschien nog uitsluirssl kunnen geven omtrent de juiste plaats. De naam "Sommeltjes" intussen,koot verder nergens meer voor, behalve op een plaats v/aar men dit niet zou verwachten, nl. in de Geldersche Volksalmanak van 184-5, vaar O.G.HELDRING - die grote belangstelling had voor alles wat de Oudheid aangaat - schrijft, dat hij op Wieringen niet ver van Hippolytushoef, een "Soaur.eltjeskuil" heeft bezocht. Naar aanleiding hiervan gseft hij ook een korte karakteristiek van deze "Sommeltjes", die, zoals he:n is verteld, aardmannetjes waren, van +_ 2 voet hoog. Eet waren kleine diefjos, die het vooral op koper hadden voorsion; een ketel, die 's nachts buiten bleef staan,bemachtigden zij. Onvillekourig denkt ncn oolc Lier VCGT aan de 1) P.VAE CUYCK, Beschrijving van cc-nige CudLrdon gevondsn in eon turulus op het eiland Tcxol in "overber 1777. Ynteca en Tiecool, Amsterdam 17S0.


-90bronsvondston uit vroege grafheuvels, die "verklaard" werden als producten, bezit - en hier dus blijkbaar als buit - van deze kleine wezens.Merkwaardig is,wat HELDRING aan zijn beschrijving toevoegt: bij deze "Sommeltjeskuil" trof mon zwarte, asachtige moergrond aan, zoals die nergens enders op het eiland voorkwam on hierin "stak een zeer aanzienlijk aantal scherven". Hij meende zodoende, "door het bijgeloof geleid", een offer- of begrafenisplaats van vroeger tijd gevonden te hebben. Het is jammer, dat op Wieringen do naam "Soraneltjeskuil" op het ogenblik geheel vergeten is en nen de plek dus niet neer direct terug kan vinden. In haar uitvoerige dissertatie over Wieringen geeft Dr J.DAAN 2) deze naam niet op in het register en in een gesprek niet de schrijfster bleek, dat ze vergeefs had getracht deze plaats te localiseren. Blijkbaar hebben de "Sommeltjes", behalve Texel, dus ook Wieringen verlaten en noet men hun vroeger territoir terug zoeken bij een tegenwoordig gewone "zandkuil", waarvan er verschillende te vinden zijn. De scherven, die HELDRING heeft gevonden, zijn nergen3 afgebeeld; wij tasten in dit geval dus volkomen in het duister over do aard der vondsten. Zelf mconde deze schrijver intussen dat enige scherven van Romeinse makelij waren, terwijl er ook van latere datum onder moesten zijn. Zo zijn de "Sommeltjos" van Koord-Holland als hot waro hot symbool van een verdwenen wereld en wie weet, hoeveel archaeologische gegevens deze diefachtige wezens bij hun vertrek nog hebben meegenomen 2) DAAH, J., Wieringor Land en Leven.


-91B O E K B E S P R E K I N G Dr M.E.MARIEN, Oud-Belgiö, van de eerste landbouwers tot de komst van Caesar. (Uitg. do Sikkel.Antwerpen 1952; 528 pag.,398 afb.prijs ingen. ca /.19,5Qgeb.ƒ.22,50) Dit boek is cen imponerende samenvatting van hetgeen de Belgische oudheidkunde tot nu toe opleverde.Imponerend door de sterk synthetische interpretatie van de Schrijver vooral, niet zozeer door de veelal schamele documentatie der vondsten en magere opgravingsberichten, waarover hij kon beschikken. Wanneer men bedenkt dat België lang is overgelaten aan de "uitbatingen" van in de opgravingstechniek onervaren archaeologcn en amateurs, gravende net wat wij ''prae-HOLVERDA" methodes zouden noemen,dan is het des te opmerkelijker dat juist daar het'eerete handboek in de Nederlandse taal op internationaal archaeologisch niveau geschreven wordt. (HOLWERDA's 'Tederlar.ds vroegste geschiedenis" immers was snel verouderd en het boek van Prof. BYVAHCK "de Voorgeschiedenis van Nederland" - zoker een zeer nuttige wegwijzer - is in hoofdzaak als inleiding op "Nederland in de Romeinse tijd" bedoeld en kan niet gelden als synthese van de voorhistorische verschijnselen van ons land). Ooli is Dr rïARlEïï er in geslaagd zijn verhaal zo samen te stellen, dat hot enerzijds als wetenschappelijke verantwoording kan gelden, anderzijds een ook voor amateurs begrijpelijke voorgeschiedenis biedt, geschreven in zeer leesbaar Nederlands met een Zuidelijke tint, Foto's,tekeningen, plattegronden en kaarten, de zeer overzichtelijk gerangschikte aanhang "Wetenschappelijke bedrijvigheid" waarin ook de bronvermeldingen ondergebracht zijn, benevens een uitgebreid register en een overzichtstabel,maken dit boek voor ons tot een waardevol compendium. De gebeurtenissen worden door Schrijver in de eerste plaats in hun Europees verband gezien, en zo vindt hij, bv. trat het Neoiithicum betreft,aanknopingspunten voor cj^é Ilichelsbergcultuur in Bosvoorde met de vuursteenir_dustï:rie en mijnbouw van Spiennes,voor net aarderark van Vauce3-iies met de Soir.e-Oise-Marne-cultuur en zet hi.i de Bclgfcscy,e bekers op hun pjaats. En schitterend ziet men hio.xC,^ -;cï> inzicht versproxdin^skaarten gev^n die op cen a^'tt hor-


-92kende typologie berusten (zie bv. de bekercultuur-kaarten op pp. 129 en 131,of die betreffende de Hallstatt C-phase op p. 281). Zulke kaarten voor ons land gemaakt zouden wonderen verrichten, bv. voor grafheuveltypen,bekertypen, of de componenten van onze urnenvelden. MARIEN doet ons land trouwens allerminst tekort: N.Brabant en Limburg worden volledig in zijn beeld betrokken. Maar onze andere provincies komen toch alleen tor sprake voorzover de verschijnselen iets met BelgiĂŤ te maken hebben, en ook sluipen dan wat onnauwkeurigheden in: Hilversum ligt bv. op de Veluwe (p. 244); waar "West" staat moeten wij "Oost" lezen (p. 214); crematies kunnen in onze tumuli eerder voorkomen dan in de Midden-Bronstijd (p. 202). Maar dit zijn kleinigheden, zeker vanuit Belgisch standpunt. Het is de synthetische visie,die leidt tot een gevaarlijke kant van het boek: de problematiek, aan sommige gecompliceerde kwesties verbonden, vooral waar het details betreft, komt vaak niet tot zijn recht. Ter wille van de grote lijn worden bij voorbaat net een apodictisch "dat zit zus en zo" diverse vragen afgesneden. Schrijver geeft bv. blijk van een scherpe visie op het zo gecompliceerde Europese bekerprobleeni. Maar het gaat wat ver als ook het wikkeldraadiaotief in het gelid noet lopen (p. 144): een Overijsselse groep bekerlieden neemt dit motief over van het hunnebedden-aardewerk, en is dankzij dit motief op zijn weg naar het Zuiden te vervolgen. Afgezien van het feit dat het wikkeldraadmotief ook wel eens wat met dat "oude ethnische substraat", verwant net de "woonplaatsenkultuur" van p. 142, te maken kon hebben, lijkt het ons moeilijk die weg naar het Zuiden te vervolgen, als wij denken aan de vele en veelsoortige scherven met dat motief op de Veluwe, en in het Hoorden van ons land. Westelijk Nederland in het bijzonder kan iets uit dit boek leren, en wel hoe het in een door de archaeologic verwaarloosd land dankzij volharding en liefde van amateurs toch mogelijk is inzicht in de praehistorie te verkrijgen. Ook echter wat gebeurt als men zijn speurzin niet op tijd een halt toeroept. "Opgraven is vernielen,en wanneer een onkundige opgravingen uitvoert, verscheurt hij voor immer enkele der weinige bladzijden,die ons door onze voorouders nagelaten werden." (p. 9). J.D.v.d.W.


-93UIT DS TIJDSCHRIFTEN P.J.VAN DER FEEH, Geschiedenis van de bewoning var Valcheren tot 1250. (in: Verslagen v. Landbouwkundige onderzoekingen No.58.4 "De bodemkartering van Walcheren".) In 23 korte paragraphen heeft Schrijver, die door en door bekend is met het eiland, op voortreffelijke wijze beknopt weergegeven, wat inen op het ogenblik weet omtrent de oudste bewoning aldaar. Hst blijkt,dat tot nu toe geen sporen zijn gevonden van neolithische of bronstijdnederzettingen; de oudste resten dateren uit de tijd van omstreeks 100 vóór tot 200 na" Chr. Ze liggen direct op het veen onder in do jonge zeeklei. Ook het beroomdo heiligdom bij Domburg mot o.a. do Kchalonnia-altaren wordt besproken, terwijl een eerste,zeer duidelijke kaart laat zien,waar Inheems en Romeins aardewerk werd govonden.Dit Romeins importgocd ligt ook meestal dadelijk op het vocn (ie en waarschijnlijk 2e osuw na Chr.), op enkele plaatsen echter is, merkwaardig genoeg, Romeins zónder Inheems gevonden in de jonge zeeklei,reden waarom Schrijver rekening meent te moeten houden met oen transgressie onstreoks 100 n.C. Wis het bewuste terrein niet kent, zou willen vragen, of dit Romeins mogelijk lator verspoold is, terwijl d^. zachtere- Inheemse waar oen ander lot onderging dan het beter gebrande Romeinse goed. Sporen van eon bowoning in de 4e on 5o eeuw zijn ook op Walcheren tot nu toe niet gevonden, daarentegen zijai bij Domburg betrekkelijk veel vondsten gedaan uit de periode 500-900. De plekken, waar uit de periode 800-1000 bewoningssjporen zijn aangetroffen, blijken vaak tot op het ogenblik bewoond te zijn gebleven. Vondsten, die kenmerkend ^ijn voer de Vikingen, ontbreken. Voor het tijdvak 800-1250 hoeft do Auteur alle bewoonde plaatsen, ingetekend op de bodemkundige kaart,zod.-at men een prachtig overzicht krijgt. Ualcheren beschikt door deze studie over een bondige archaeologische monographie, waar bijna geheel Nederland het eiland om benijOera'kan. Wij hopen, dat de Schrijver, die voor onze lezors geen


-94onbekende is, t.z.t. in ons tijdschrift nog eens uitgebreider wil terugkomen op enkele onderwerpen,welke hij nu terwille van de overzichtelijkheid van het geheel zeer kort heeft moeten behandelen, zoals bv. het Inheemse aardewerk, dat, naar hij slechts aanstipt, verschilt van het in Friesland etc. gevondene. d.B. M.GYSSELING, Inleiding tot de studie van het oude Belgisch. (.In: Meded.v.d.Vereniging voor Naamkunde te Leuven en de Commissie voor Naamkunde te Amsterdam,28,1952.pp.69-76.) Onder deze titel geeft Schrijver een inleiding over de praehistorische plaatsnamen in het gebied van de Nederlanden. Bij gebrek aan een betere benaming - zoals Schr. zegt - wordt de term "Belgisch" gekozen voor een praehistorisch taalgebied, waartoe alle Nederlanden blijken te hebben behoord, misschien met uitzondering van Friesland en Groningen. De grenzen naar het Oosten liggen nog niet vast, Rijn- en Roergebied en Hessen moeten echter worden beschouwd er deel van te hebben uitgemaakt. In het Zuiden wordt de grens gezocht in Woord-Frankrijk, in het gebied van de Somme. Tot de door Schr. behandelde toponymen behoren verschillende voor ons bekende klanken. Verrassend is het bijvoorbeeld, dat het welvertrouwde Huisduinen, waarvan de oorspronkelijke vorm HUSIDIIOTIU moet zijn geweest,volle broers en zusters heeft in Heusden (Z.Holl.), Hesdin (Pas de Calais), Hodeng (Seine Inf.), Houdain (Henegouwen) en HĂźsten (3x in W.Buitsl.), die alle op deze zelfde vorm teruggaan. En zo is er meer. GYSSELING heeft niet de bedoeling gehad een uitputtende opsomming te geven van alle in aanmerking komende plaatsnamen, maar reeds zĂł is het zeer belangrijk, dat Westelijk Nederland praehistorisch "gedetermineerd" wordt door de plaatsnamen. Uij zien dan ook met verlangen de hoofdstukken tegemoet, die naar wij hopen deze Inleiding mogen volgen,omdat ze voor ons archaeologisch inzicht van groot belang belovsn te- zijn. d.B.


-95VERENIGINGS-MEDEDELIHGEN De Secretaris deelt de loden mede, dat nieuwe circulaires zijn vervaardigd, waarin voor belangstollenden een volledig beeld wordt ontvouwen van doel en werkwijze van onze vereniging, de A.W.W.N. Hoe voortreffelijk en onmisbaar het persoonlijk contact ook moge zijn, toch blijkt dagelijks het nuttig effect van een doelmatige propaganda door een duidelijke, goed uitgevoerde circulaire, die aan het persoonlijk gesprek de gewenste nawerking en aan onze vereniging het zo onontbeerlijke resultaat geeft. Men kan zich voor hot verkrijgen van de nieuwe circulaires v/enden tot het Secretariaat: van Eedenstraat 9, Haarlem. De Penningmeester verzoekt do leden, die hun contributie voor 1953 nog niet voldoden, dit alsnog ton spoedigste te willen doen.

WERKGROEP "AMSTERDAM & CKSTRSKSN" • ..

.Eerfstprograiaina 1953

Woensdag 28 October: Drtf.SRTOCSTING spreekt over: "Hijaegon in de laatste Keizertijd" Deze lozing zal vedcrom worden gohouden in de Aula van het Allard Picrson Museum te Amsterdam. Maandag 23 November: Prof.Dr AcE.VAH GIFFEÏ\T spreekt ovor: "Hot terpenproblcen" Begin December of eind Januari: V.GLASBSRGEIf over: "Hot grafritusol in de Bronstijd" De datum van de laatste lezing wordt nader bekondgenaakt.

VAN DE REDACTIE Oude nummers. De Redactie wijst or dé ledor. nogmaals op, dat de complete eerste jaargangen van V/esterheem zi-in uitverkocht. Resterende losse nuaaners (7-8, 9-10, 11-12) kunnen bij de Redactie worden verkregen a ƒ. 0.60 per exemplaar. Inlevering copy. Copy en mededelingen voor het volgend nuirjser di u i t e r l i j k op 20 Qgtober a . s . bij de Ridsctia t& zijn.


-96-

1

!

1

j

Literatuur-opgaven. Auteurs van artikelen voor Westerheem wordt verzocht, hun geraadpleegde literatuur als \olgt te vermelden: Complete werken: Schrijver (met voorletters), titel van het boek, plaats en jaar van verschijnen. Voorbeeld: FILIPSE, J., Bataafse tempels.- Apeldoorn, 1957. Tijdschrift-artikelen: Schrijver (net voorletters), titel van het artikel, naara van het tijdschrift, deel (jrg.), jaar, begin- en eindpagina van het artikel. Voorbeeld: KRAAN, P., Over oude urnen.- Vesterheein VI (1914),pp.5-9. Een zodanige literatuur-oogave vergemakkelijkt de lezers het nader bestuderen der genoemde bronnen en bevordert aldus de zelfwerkzaamheid. Verbeteringen in het vorig nummer: pag. 59, regel 9 v.b.: oudheidkunde moet zijn: oudheid pag. 70, regel 10 v.b.: is - moet zijn: is - , Verbeteringen in de bijgevoegde overdruk: "Avonturen van een Amateur-archaeoloog", door H.J.Calkoen: pag. 4, regel 7 v.b.: woonplaat meet zijn: woonplaats pag. 6, regel 6 v.b.: tanden moet zijn: randen

INHOUD VAN DIT NUMMER ' , , f | j • i

Dit gebeurt nog elke dag! blz. 73 Amateuristische notities, door Ilr H.K.de Raaf . . „ 74 Een vuursteen-artefact behorende tot de JongPalaeolithische Haznburggroep, gevonden to Zeist (prov. Utrecht), door Th. G. Appel boom . . „ 77 Van spinsteentjes en pajpokoppen, door D.van Deelen „ 80 Romeinse vindplaatsen langs de Oude Rijn in de provincie Zuid-Holland, door K. Dekker „ 83 Oudhoidkunde on folklore m Noord-Holland, door W.J.de Boone „ 87 Boekbespreking. „ 91 Uit de tijdschriften „ 93 Vcronisings-modedelingen „ 95 Illustraties: H.J.Calkoen, Velscn. Reproductie: Reproka, Amersfoort. Eindredactie on opmaak: H.J.Verhagen, Leiden. Stencils enz.: H.dc Bot, Rotterdam.


-97Jaargang I I , No. 9-10

September-October 1953

HEEH

Orgaan van de

ARCHAEOLOGISCHE t/ERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK NEDERLAND Hoofdredacteur: H.J.Verhagen, Jlorskade 12, Leiden. Secretaris der A.U.W.N.: C.Roodenburg, van Eedenstraat 9, Haarlem. Contributie ad ƒ. 5,— te storten op girorekening 577808, ten name van de Penningmeester der A.WoU.N. te HAARLEM.

GESFREKKE1T ..."Is nu alles wat U vindt altijd kapot?" " Ja Mevrouw, vrijwel altijd." "Wat sneu! Ket zou zo leuk zijn voor üw vrouv.ais bloempot of een puddingvormpje voor de keuken!" ..."Ksrel, reusachtig inxeressant vrat jullie doen! En alles zo maar in je vrije tijd,echt aardig! Je snapt,ik zou graag lid willen fjorden,maar eh... ik heb al zoveel abonnementen, zie je..." ..."Mijnheer, had ik dat maar eerder geweten van Uw vereniging! Al jaren ki.jk ik naar zo iets uit. Ja, die vijf gulden! !!aar daar zullen wij wel een mouw aan passen." Lezer, Gij herinnert U de oproep van verleden jaar: Elk lid zorgt voor één nieuw lid? Zo ver is het nog niet, al groeien wij gestadig. Wilt ook Gij ons helpen, door eens uit te kijken? Er lopen in Uestelijk Nederland nog vele belangstellenden rond, die de A.V.W.Ï7. niet kennen! H.J.C.


-98DE AMATEim-ARCHAEOLOOG EN ZIJĂ?J COLLECTIE door GoELZINGA (Arnhem) Het is niet te verwonderen, dat er in ons land vele amateurs te vinden zijn,die zich bezighouden met het verzamelen van archaeoiogica. Dit komt,doordat er in de eerste plaats - vooral in het westen van ons land - weinig grote openbare musea zijn, die archaeologische collecties aanleggen. In de tweede plaats is het een liefhebberij, die weinig kostbaar is,in tegenstelling tot het aanleggen van schilderijen-, porcelein-, of algemene kunst-verzamelingen. De "oudheidminnaars" met het meeste enthousiasme vindt men dan ook vaak onder diegenen, die met een betrekkelijk klein inkomen moeten rondkomen. Dat is echter geen schande, integendeel, het vergroot juist het speurvermogen, de taaie doorzettingskracht en de wil om iets te vinden. En, wat belangrijker is, het doet als het ware spelenderwijs een grote kennis van de terreinsn en hun geschiedenis ontstaan. Door hun speurzin, doortastendheid en uithoudingsvermogen zijn er in ons land op het ogenblik vele amateurs, die voor de vakmensen op hun juiste waarde voor de archaeologie worden geschat. Dit schenkt velen een voldoening,die opweegt tegen het bezit van een aards vermogen. In de collecties, die na vele jaren van onvermoeid bijeengaren verkregen zijn, ligt dan ook voor degene, die ze versaxeld heeft, een stuk van zijn of haar leven. Vele amateurs zijn heel bescheiden over hun collectie, maar er zijn er ook, die met gerechtvaardigde trots alles laten zien en zich bewast zijn van de rol, die zij in hun naaste omgeving spelen. Dat is begrijpelijk. Onze Nederlandse aard is nu eenmaal zo, dat ieder graag heerser is in zijn domein, waarbij tevens een gezond eergevoel komt. Het is dan ook vanzelfsprekend,dat zo'n verzameling geldt als een persoonlijke verdienste. De verzamelaar zelf weet alles van zijn scherven af: de juiste vindplaats,het juiste gebruik en zo om en nabij de juiste ouderdom. lit is pi-etx-ig en n.ittig, naar.... daardoor uordt ook een goede


-99inventarisatie of beschrijving vaak niet nodig geacht. Echter, wat gebeurt er met zo'n collectie,als de eigenaar er door ziekte of anderszins geen aandacht meer aan schenken kan? Heeft zijn familie, hebben zijn kinderen er belangstelling voor? Sons wel, vaak niet! En het is hier, dat ik graag een waarschuwing wil laten horen, nl.: een verzamelaar bedenke altijd dat, als hij er niet meer is, <5<5k zijn kennis en zijn geheugen er niet meer zijn! Ook de goede vriend, aan wie toch alles is verteld, kan onmogelijk de geschiedenis van de voorwerpen tot in de puntjes onthouden. Daarbij komt nog, dat heel dikwijls een verzameling na het heengaan van de eigenaar of eigenares maanden, zo niet jaren, onaangeroerd blijft uit piĂŤteit voor de overledene of voor de nabestaanden. Eet is daarom van groot belang,dat de collectie of collectie-onderdelen genummerd worden en dat in een, eenvoudig schrift is vermeld, waar een en ander vandaan komt. Die nummering moet niet met etiketjes aangebracht worden, maar met een moeilijk loslatende inkt- of verfsoort op een onopvallende plaats van het voorwerp zelf. Een tweede waarschuwing is, dat men moet proberen zijn verzameling met een zekere nuchterheid te beschouwen. De levensvreugde, die de verzamelaar er voor zichzelf in gevonden heeft, wordt dikwijls door anderen niet begrepen. Dit komt vooral voor, als derden de betekenis van de collectie niet inzien.IIijn cuseuneE.'varing hsaf-i mij geleerd, dat uit dit onbegrip allerlei verdrietige situaties kunnen ontstaan, waar niemand mee gebaat is. Dit geeft mij dan ook de vrijmoedigheid,een derde waarschuwing te laten horen,nl.: voorziet tijdig in de uiteindelijke bestemming van Uw collectie,hoe klein die ook moge zijn,liefst langs de officiĂŤle weg. Die bestemming kan veelsoortig zijn, maar het zij mij veroorloofd hier een lans te breken voor de grotere openbare musea.Het is mij bekend,dat velen wat huilerig staan tegenover de grotere musea, maar die huivering is m.i. niet gerechtvaardigd. Bedoelde musea zijn in de ware zin des woords "continu-bedrijven",d.w.z. hun. voortbestaan is verzekerd, omdat zij door het Rijk, de Provincie, of een grote Gemeente gefinancierd zijn en worden. Daarin ligt dus altijd de waarborg, dat er aan de collecties in zo'n


-100museum wordt gewerkt. Van vels kleine plaatselijke musea kan men dit niet zeggen. Het is bij ons allen genoegzaam bekend, dat deze kleinere musea meestal drijven op het enthousiasme van één enkele figuur, ook al is in naam een vereniging of genootschap eigenares- Als een dergelijke besielende persoon er niet meer is, is het meestal een droevig lot, wat de bijeengebrachte collectie treft. Gelukkig zijn er thans voorbeelden in ons land aan te wijzen, waarbij in de statuten wordt bepaald, dat na opheffing of gebleken niet-levensvatbaarheid, de voorwerpen naar een blijvend museum zullen overgaan. Als overwegend bezwaar tegen de grotere musea geldt meestal het opbergen in de depots, of zelfs het voor een deel weggooien van de zo zuinig bewaarde scherven. Inderdaad komen beide voor. Maar tegen deze bezx;aren kan juist onze Hollandse nuchterheid ons helpen! De ernstige verzamelaar moet zich rekenschap gaan geven van de werkelijk wetenschappelijke waardo van zijn verzameling. Heeft wel iederéén er wat aan? Is veel van wat hij verzameld heeft niet reeds in de museumvitrine aanwezig? Beseft hij voldoende de bedoeling van het museum, nl. in vele gevallen - in het voor het grote publiek toegankelijke gedeelte een overzicht te geven van de verschillende culturen van streek of gewest, of zelfs van het gehele land? Daardoor is het in-depot-plaatsen van voorwerpen dikwijls onvermijdelijk,, Beseft hij, dat een tweede, net zo belangrijk doel is: de verzamelingen toegankelijk te maken voor de wetenschap? Vandaar dat elke collectie, die in een museum binnenkomt, nauwkeurig bekeken wordt en wel op materiaal dat "toonbaar" wordt geacht en op materiaal dat wetenschappelijk van belang is. Voor de vakman en de geoefende leek liggen deze twee begripoen heel dicht bij elkaar, de museumstaven echter, die graag publiek in hun musea willen zien, zullen deze begrippen dikwijls moeten scheiden, al zal hun dit vaak moeilijk vallen. Maar juist daarom is een depot een onontbeerlijke ruimte. Honderd 14e eeuwse kannetjes behoeven een argeloze bezoeker niet vanuit een vitrine de schrik om het hart te laten slaan, maar negentig niervan zullen de vakaan, die het verspreidingsgebied van dergelijke kannetjes bestudeert, in het douot enige aangena.o uren bezorgen, als van elk exemplaar de vind-


-101plaats bekend is. Van 1000 scherven, waarvan de herkomst niet bekend is,zullen evenwel hoogstens enkele tientallen stukken bewaard blijven en wel om de wijze van versiering en vervaardiging. Hen bewaart echter wel degelijk een scherf je,' hoe onaanzienlijk ook, dat gevonden is op een plaats waar dergelijk aardewerk zelden wordt aangetroffen. Het verdient daarom aanbeveling,een colls ctie voor die instelling te bestemmen, die er wetenschappelijk en museaal het meest profijt van zal hobbcn. Centralisatie van collecties vergemakkelijkt ook het wetenschappelijk onderzoek. Van do voorraden,die op deze wijze ontstaan, zullon de meeste musea wel voorwerpen in bruikleen villen afstaan aan kl'einere openbare verzamelingen, mits die good geordend zijn. De gegevens blijven dan toch bij de centrale instelling berusten, terwijl bij dreigend gevaar alles weer teruggehaald kan worden. Misschien verdient het aanbeveling, als men aanvangt met verzamelen, zich een bepaald doel te stellen en langs een vastomlijnd plan te werk te gaan. Men zou dit eventueel kunnen doen in overleg met een mu3eum,of een ter zake kundige. Ken kan er dan zeker van zijn,dat er een waardevol geheel ontstaat,dat nü,en nog vele geslachten na ons, zijn nut afwerpt. Het is goed het verzamelgebied te beperken,d.v.z. zowel naar het onderwerp als - en dit geldt speciaal voor de amateur-archaeoloog - wat betreft het "jachtgebied", waarheen men zijn speurtochten richt. Men wordt dan spelenderwijs een specialist, die zich nuttig maakt voor velen. Daarom behoeft men zijn interessen voor andere zaken evenwel in het geheel niet op te geven. Integendeel, hoe ruimer iemands belangstelling, hoe meer kans men heeft, anderen waardevolle raad te kunnen geven. Als men voor zichzelf maar weet, wat men wil en wat men tot esn goed einde kan brengen. Tot slot nog een opmerking over de "kisten" met scherven, die altijd bij elke schérvenzoeker vanzelf in huis schijnen te groeien. Soms woot men niet moer, wat er mee te doen. Ik zelf geloof, dat het geen bezwaar is als men tijdig kan besluiten de eigenlijk niet van belang zijnde scherven of op de vindplaats te laten liggen "öf - nadat er een kort rapportje van is genaakt - daar weer uit tcstrooicn. Ket is m.i, van belang, dat mon ook later nog


-102vindplaatsen kan aanwijzen.Bijzondere stukken worden vanzelfsprekend toch bewaard. Maar wat er ook mee gedaan wordt,altijd is een schriftelijke verantwoording zeer gewenst. Hiermede helpen wij niet alleen onszelf, maar ook hen die na ons komen en op ons werk willen voortbouwen!

BARNSTEENVOÏfflDST UIT VELSEiï door H.J.Calkoen (Velsen) In het aardige museum te Bergen (ïJ.H.) ligt sinds jaar en dag een vijftal barnstenen kralen in gezelschap van één blauwe kraal. Een kaartje erbij vermeldt: "Barnstenen kralen, gebruikt inplaats van geld door de Noormannen. Gevonden in een veenlaag, 5 m onder het duinzand, met doodsbeenderen en een koperen sieraad, onder Velsen." Vermoedelijk hebben wij hier met een grafvondst te maken,waarbij de mogelijkheid van een onvrijwillig graf door verdrinking in een moeras, niet uitgesloten is te achten. Later is hier dan een dikke laag duinzand overheen gestoven. Jammer, dat het "koperen sieraad" is verdwenen! Indien wij dit waardevolle stuk nog hadden, zouden wij méér weten dan thans,omdat do overgebleven voorwerpen ons maar weinig kunnen zeggen omtrent herkomst en datering van de vondst. Deze kan inderdaad van Scandinavische oorsprong zijn; ook in de Noormannentijd was do beweging van onze duinen nog niet tot stilstand gekomen. Be kraal van donkerblauwe glaspasta (Pl.XII, F) is mogelijk Romeins, kan echter ook wel later zijn. Een Romeinse kraal in Noormannenbezit is niet uitgesloten,al lijkt de tussenruimte van vijf eeuwen wel wat erg groot. Tot de overige dateringsnogelijkheden behoren Angelsaksisch, Frankisch en Merovingisch. Vondsten uit de eeuwen tussen 200 en 800 zijn, tot nu toe, in Kennemerland uiterst zeldzaam. Alleen het "ktbperen sieraad" zou ons nader hebben kunnen inlichten. Daartoe in de gelegenheid gesteld door de vriendelijke g van Mevrouw G. VAN REGTEREïJ ALTEIIA - EVERS,


PLAAT S L

«-1.4—>-


PLAAT


-103conservatrice van het museum te Bergen, kon ik de kralen nauwkeurig bestuderen en afbeelden (PI. XIl). Zij zijn verschillend van grootte en kleur,en de gaten in drie ervan (B, C en E) lijken voor kralen wel wat groot,ofschoon dit meer schijnt voor te komen.De mooiste en grootste (A) is afgeplat bolvormig, van goudbruin, gedeeltelijk doorschijnend barnsteen. Kraal C is glashelder en geel van kleur, B is doorschijnend bruin en E helder donkergeel, teraijl D meer geelbruin is. De overwegend gele en geelbruine kleur maakt het waarschijnlijk, dat wij hier met Oostzee-barnsteen te doen hebben, uit Oost-Pruisen. Deze kleur wordt daarbij in hoofdzaak veroorzaakt door gebonden zwavel. Zoals bekend, is barnsteen ("brandsteen", Bernstein, amber, ambre jaune) fossiele hars, afkomstig van naaldbomen, voornamelijk van Pinus succinifer, uit het Oligoceen. Grote wouden van deze bomen groeiden in Scandinavië en ook in een gebied, dat later door de Oostzee werd ingenomen. De versteende hars werd door het water weggespoeld en aan de Baltische kust afgezet in blauvrgrijze lagen, die later door tertiair zand werden overdekt. Hot barnsteen (succiniet) komt ook voor in andere streken van Duitsland, zoals langs de Weichsel, echter eveneens langs Njeinen en Dnjepr, tot aan de Zwarte Zee toe. Verder vindt men het in Roemenië en langs de kust van de Middellandse Zee (Sicilië). Waarschijnlijk is dit echter afkomstig van iets andere harssoorten en de kleur is dan over het algemeen donkerder, tot rood-zwartachtig. Ook langs onze kust is, naar ik meen vrij zeldzaam, barnsteen te vinden, zoals blijkt uit een goudgeel, ondoorschijnend stuk van dit materiaal, dat ik opraapte aan het strand te Zandvoort. Het zal daar door zeestromingen zijn gebracht. Als oudste handelsproduct ter wereld, komt het reeds voor in de koningsgraven te Ur (3 a 4000 v.Chr.) en ook heeft unen het meermalen aangetroffen in woonplaatsen uit de Oude Steentijd, o.a. in Oostenrijk, Frankrijk en de Pyreneeën. Uit het Mesolithicum ontbreekt elk spoor, maar zeer vesl is het gevonden uit het Neolithictm. Dit barnsteen schijnt voornamelijk afkomstig van de Westkust van Sleeswijk-Holstein en Jutland,waar men het aan het strand tot in ds 19e eeuw kon oprapen. Er zijn dépót-vondsten


-104gedaan van meer dan 4000 stuks bij elkaar, deels bewerkt, deels onbewerkt.Onder de eersten bevinden zich dan vooral vele sieraden, zoals kralen, ringen en gesneden hangers, maar ook gebruiksvoorwerpen, als doorboorde knopen, knoppen en schijven. Eigenaardig zijn bij deze Neolithische vondsten de dubbele bijlvormen en de primitieve mensfiguren, die,gebruikt als wijgeschenk of amulet, erop wijzen, dat men ook toen al aan dit materiaal een magische betekenis hechtte, ïïög gelooft men in het Oosten (Porziö, India), dat barnsteen in staat is, bepaalde krachten en stralingen vast te houden en terug te geven. Ook in de Bronstijd is barnsteen geliefd; het komt bv. voor in de koepelgraven van Mykene. Het verderop te bespreken kralensnoer van Exloo-Odoorn (Dr) gaat terug tot deze tijd,terwijl in het veen te Roswinkel (DT) een barnsteenketting werd gevonden naast een bronzen hielbijl. Uit deze periode kent men ook bronzen voorwerpen,die versierd en ingelegd zijn met bransteen.Tegelijkertijd worat de afwerking beter. Toch schijnt er enige teruggang merkbaar te zijn, in vergelijking met de Bronstijd. Mogelijk wordt deze enerzijds veroorzaakt door de meer en meer in zwang komende lijkverbranding (en is hij dus maar schijnbaar), anderzijds doordat het zeer gewilde brons als handelsobject een eerste plaats in gaat nemen. In verband hiermee is het begrijpelijk, dat juist in de brmnscentra Hallstadt en Bohcmen relatief veel barnsteen is gevonden, ongetwijfeld door ruilhandel verkregen. De Ijzertijd levert weinig barnsteen op, al zijn er verschillende vondsten bekend van kralen (soms gecombineerd met glaskralen), ringen en naaldknoppen. Nieuwe bloei in de barosteenhandel en -bewerking valt waar te nemen in de Romeinse keizertijd, als de klassieke landen in rechtstreeks handelsverkeer komen te staan met het gróte wingebied aan de Oostzee, in Noord-Genaanië. Carnuntura aan de Donau, reeds door keizer Claudius als vesting gesticht en later tot stad uitgegroeid, was nog in 375 n.C. het uitgangspunt voor alle handelsexpedities naar de barnsteenkusten. Toch moet ook een deel van het Romeinse barnsteen afkomstig zijn uit Sicilië. Vooral belangrijk is dit prachtige materiaal,omdat het cis iets kan vertellen over de oude handelswegen. Immers,


- -105van 1500-1000 v.C. treffen wij het aan bij alle Europese volkeren.Het schijnt toen vooral langs Rija en Donau vervoerd te zijn.Eerst maken de Semieten zich meester van de Donauweg, terwijl bekend is, dat van 1300-1100 de Sidoniërs in rechtstreeks zeeverkeer stonden met Jutland. Van 1000-500 hadden de Phoeniciërs, aan de golf van Genua, de barnsteGnhandel langs Rijn eh Rh6ne in handen. Hun opvolgers waren de Etrusken, aan wie de handel weer door de Romeinen (tot ± 400 n. C.) werd ontnomen. Daarna komen de Arabieren Oost-Pruisen bezoeken (Mohammedaanse rozenkransen worden nog van barnsteen vervaardigd). In de 12e eeuw is de Duitse Orde meester van de barnsteenhandel, met Danzig, Koningsbergen, Lübeck en Brugge als centra. In de 15e eeuw vinden wij de voornaamste markten in Venetië, Frankfort a/d Main, Keulen en Keurenberg. Tegenwoordig is de barnsteenwinning een staatsmonopolie. Reeds HOMERUS spreekt in de Odyssee (XV, 460) over het barnsteen, waar wij lezen: "De zeer schrandere man ging naar het huis van mijn vader, hebbende een gouden halssnoer, net stukjes barnsteen doorregen." De oude Grieten, noemden barnsteen "elektron" (Rom.: "electrua"), waarmede ons woord electriciteit in verband staat. HOMERUS noemt ook reeds de naam van de mythische barnsteenrivier, de Eridanos, die lange tijd met de Po is vereenzelvigd, maar die men tegenwoordig wel voor de Rijn houdt. Ook de naam schijnt dit niet uit te sluiten: "Eridanos, Elusz des Morgens oder Strom des Dunkels, des Westens; ITusz der Unterwelt, mythischer Strom im fernen Westen" lozen wij hierover in de Realencyclopêidie van PAULY-VIISSOWA. Een Griekse mythe verhaalt van de Hesperiden, dochters van Zeus en Therais, als "dochters van de nacht". De tuin der Eesperiden, waar de levensboom met "gouden" appels groeide, lag volgens APOLLODORUS in het verre Westen en Hesperia was voor de Grieken een Westwaarts gelegen land. Een andere Griekse mythe, waarvan de stof door OVIDIUS is bewerkt, noemt ons Phaeton,roekeloos menner van de zonnewagen, die na zijn falen door Zeus i*erd gedood en neergebliksemd in de Eridanos. Langs de oevers van deze rivier werd hij beweend door zijn zusters, de Heliaden. Zij werden door Zeus in treurwilgen veranderd en hun gouden tranen verstijfden in het water tot barnsteen.


-106Door al deze oeroude verhalen heen, schemert als een gouden glans de herinnering aan bamsteenvervoer langs de rivieren. Ongetwijfeld heeft ook zo'n barnsteenweg gelopen langs de Bh6ne (Rhodanos) en zo verder naar de Griekse kolonie Massilia (Marseille). HERODOTUS spreekt over West-Europa als het land van tin en. barnsteen,maar mede door het feit,dat in zijn tijd de Westelijke helft der Middellandse Zee voor de Grieken ontoegankelijk was door de activiteit van do Carthagors, zijn zijne berichten vrij vaag. De Oxford Classic Dictionary (p. 337) zegt over deze materie: "The description of the Eridanos as an amber river may embody the memory of an early amber route froia Jutland up the Elbe and Ehine (Rhenus) and down the Rhone (Rhodanos) or across the Alps to N-Italy." 1) In zijn Excerpta Romana I (pp.12,23) noemt Prof. BYVANCK: "Eridanos, de grote rivier die uitmondt in de Koordzee, nabij de stapelplaats van barnsteen, de Rijn of Elbe." Indien het juist is, zoals men aanneemt, dat pas in de 1e eeuw ruChf. het Oostzeebarnsteen in het groot naar het Zuiden werd geĂŤxporteerd (PLINIUS en TACITUS verhalen ons hiervan),dan moet het Griekse elektron wel afkomstig zijn geweest van de Westkant van Jutland en de Friese eilanden. Barnsteen heette bij de Germanen "glaesum" en zo komen wij dan tenslotte terecht bij het geheimsinnige barnsteeneiland Glaesaria- enige malen door PLIHIUS genoemd (Hist. Nat.:IV,97 en 42). Het schijnt dat dit eiland, mogelijk identiek met wat door PYTHEAS Abalus wordt geheten,bij de inwoners als Austeravia bekend stond (Oostergo?).Ofschoon zekerheid ontbreekt, achten verschillende schrijvers de mogelijkheid niet uitgesloten,dat hiermede Ameland (in de Middeleeuwen "Amba") bedoeld is. Weliswaar liggen de bekende barnsteenvindplaatsen meer Oostwaarts, maar Ameland kan een stapelplaats zijn geweest, waar dit kostbare product werd verhandeld. Het is niet de bedoeling van dit beknopte artikel, een overzicht te geven van de vele barnsteenvondsten in ons land gedaan. Mag ik er enkele noemen, dan neemt daaronder 1) Ook taalkundig heeft men getracht verband to leggen tussen (E)ridanos en Rijn (vgl.fihodanos= Rhone). H. Br.


-107zeker het beroemde halssnoer,dat in 1881 werd gevonden in het veen te Exloo-Odoom (Dr) een eerste plaats in. Dit bestaat uit 25 kralen van tin (afkomstig uit Cornwall), 14 kralen van barnsteen, min of meer rechthoekig, plat of rond van vorm en ten dele excentrisch doorboord (afkomstig uit het Oostzeegebied) en 4 kralen van fayence. Deze laatsten maken een vrij nauwkeurige datering mogelijk. Ze zijn nl. afkomstig uit Egypte, waar zij gedurende de 14e en 13e eeuw zeer algemeen waren. Waarschijnlijk zijn zij uit Egypte naar Engeland gebracht en vandaar weer,met het tin,naar ons land gekomen. Zo wijst dit snoer dus op uitgebreide handelsrelaties in verschillende richtingen. Prachtig bewerkt barnsteen kwam tevoorschijn uit Rom. askisten uit de 2e eeuw n-C.r gevonden te Heerlen (Coriovallum). Hieronder bevindt zich een Eros-figuurtje, twee mesheften, een schaaltje, een ronde kraal en een aantal doorboorde cylindrische schijfjes. Deze laatsten zijn in ons land meermalen gevonden,soms verbonden door een bronzen of ijzeren staafje en mogelijk afkomstig van een soort stamper (gebruikt bij de bereiding van zalf?).Ook in onze hunebedden werden, net als in Denemarken, barnstenen kralen aangetroffen, zowel rond als cylindrisch (Tinaarloo, Buinen). Uit het Karolingische Dorestad zijn afkomstig 2 ronde kralen en een hangertje, benevens vrij grote stukken onbewerkt barnsteen, dat dan vaak aan de buitenzijde door een bruine, ondoorschijnende korst is omgeven. Uit een Saksjaeh vrouwengraf te Aalden (Dr) komt een doorboorde , barnstenen schijf, daar aangetroffen in gezelschap van een snoer blauwe kralen, een grotere groene kraal, een bronzon pincet met oog en 2 concentrische bronzen ringen. In het Frankische grafveld bij Rijnsburg (6e - 7e eeuw) vond men een grote barnstenen kraal, tezamen met een gouden gesp en gekleurde kralen van glas en glaspasta. De laatstgenoemde vondsten doen denken aan de hierboven vermelde uit Velsen. Toch blijven over het algemeen vondstberichten uit Westelijk Nederland schaars. Daarom zijn do kralen uit Velsen ook wel van belang, al hebben wij door de vage beschrijving van vindplaats en vondstomstandigheden, alsmede door het niet meer aanwezig zijn van het "koperen sieraad", nog geen zekerheid kunnen verkrijgen


-108omtrent herkomst en juiste ouderdom. Maar ongetwijfeld zal het op de weg van onze A. W.W.N, liggen, nauwkeurig te letten op elk stukje barnsteen, dat de 130116111 hier in het Westen nog kan opleveren! Tenslotte wil ik gaarne mijn dank uitspreken aan de heer W.J.DE BOOKE, die mij op deze vondst uit Velsen opmerkzaam naakte, aan de heer Dr H.BRUNSTING, die mij behulpzaam was bij het zoeken naar literatuur en aan het Bestuur van het Museum te Bergen. Het komt mij voor, dat een dergelijke, prettige samenwerking juist datgene is, wat door onze Werkgemeenschap wordt beoogd. Geraadpleegde Literatuur: BRUNSTIIIG, H., Het grafveld onder Hees bij Nijmegen.Amsterdam 1937, p. 165. BYVANCK, A.W., Excerpta Romana I, pp. 12,23. , De Voorgesoh. v. Nederl. (1944), pp.155,156,178. , Nederland in de Romeinse tijd I (1944), p. 163. EBERT, IL, Real-lexikon der Vorgeschichte.- Berlin 1924, "Bernstein und Bernsteinartefakten". GIFFEN,A.E.VAN, in: 3e en 4e Jaarverslag Vereen.v.Terpenonderzoek (1919-'2O), pp. 59,66,75. , in: Nieuwe Drentse Volksalmanak (1940), p. 26; (1943), pp. 4,28; (1944), p. afb. 4. , en W.GLASBERGEN,Van Rendierjager tot Ontginner.Assen 1950, pp. 15,16,20,21. HETTEMA Jr, H., De Nederl. Wateren en Plaatsen i. d. Rom. ' tijd.- 1938, p. 30 e.v. KOLWERDA, W.E., Nederlands Vroegste Geschiedenis.- 1925, p. 254. ,in: Oudh. Keded. N.R. XI, pp. 9 e.v., 87,88. LEOPOLD, H.M.R., Uit de leerschool der spade I (1923), P. 339. PAULY WISSOWA, Real-encyclopHdie, Stuttgart; III (1897) onder "Bernstein"; VI (1909) onder "Eridanos", POPPELREUTER, J.,Die Rรถmische GrSber Kรถlns.--Bonner Jahrttioher 114/115 (1906), p. 361. UARรIINGTONjE.M. ,Eridanus.- in: Oxford Classic Dictionary, Oxford 1950, p. 337. VltfKLiR PRII3S, Encyclopedie: Barnsteen.


-109AMATEURISTISCHE NOTITIES (vervolg) door Mr H.K.DE RAAF (Heemstede) In ons vorig artikel (Westerheem II, 7-8) was sprake van de vondst van middeleeuwse en andere voorwerpen op het terrein van de landbouwer V1KK, dichtbij de kerk van Spaarnwoude. Terzelfder tijd werd nog een tweede vind.plaats aangeboord,, waarbij het toeval weer een grote rol speelde. Dat,indien de dorpskern van. Spaarnwoude reeds in Romeinse tijd bewoning zou hebben gekend, men ook elders op de ongeveer Noord-Zuid verlopende duinrug, waarop de "Stompe Toren" is gelegen, vondsten uit die tijd zou kunnen doen, stond bij ons vast. Eot was echter puur geluk, dat op de Westelijke oever van de Haarlenmerliede, even benoorden de spoorweg Amsterdam-Haarlem, aan het eind van. een eenzame, doodlopende weg,onzc aandacht werd getrokken door oen zandkuil in de' voormalige boomgaard van de landbouwer NELIS. Hierin troffen wij enige minuscule fragmenten aan van het" zgÂŤ "Fries-Bataafs" aardewerk. Het was vanzelfsprekend, dat wij, gelijk jachthonden die het wild ruiken, het daarbij niet konden laten zitten..., Wie schetst evenwel onze verbazing toen wij, op goed geluk de spade ergens in de wand van de kuil stekende,bemerkten juist gestoten te hebben op een agglomeratie van genoemde ceramiek! Honderden scherven van dit bekende inheemse, zachtgebakken aardewerk konden door ons worden verzameld.Opvallend zijn,tussen de merendeels aan de buitenzijde geelbruine en van binnen zwarte fragEenten,de betrekkelijk vele scherven met appelrode verkleuringen aan de buitenkant, zulks als gevolg van het sterk oxyderende vuur in. de primitieve veldovens.Kaast enige grotere fragmenten (PI. XIII, 5 en 6) 1) werden ook eon paar doorboorde scherven van afgeronde vorm aangetroffen, die ver^) Bij het tekenen hiervan viel mij op,dat bij de gcĂśordo scherf (pi.XIII,5) op twee of drie plaatsen duidelijk eon verfstreep aanwezig is. H.J.Calkoon


-110moedelijk als spinschijfjes hebben gediend, alsook enige (vroege?) stukken van hetzelfde aardewerk, versierd met ronde, naast elkaar geplaatste vingerafdrukken (Pl.XIII. fig.7). Op grond van dit laatste mag o.i. worden geconcludeerd, dat hier "au bord de 1'eau", eens een"FriesGermaanse" nederzetting heeft gelegen, welke daar reeds omstreeks Christus' geboorte gevestigd is geweest. Enkele Romeinse archaeologica op ongeveer dezelfde plaats aangetroffen, hoewel uit een iets latere periode wellicht, wijzen op contact van de inheemse bewoners met hun Romeinse "beschermers". Wij vermelden in dit verband: Randscherf van een Rom. kookpot van rossig, enigszins gesmoord en sterk gemagerd aardewerk, met rechthoekig omgeslagen, afgeplatte rand. Vermoedelijk eind 1e, begin 2e eeuw n.Chr. Rand- en halsfragment van grote Rom. amphora of transportkruik van zandkleurig, grof ruwwandig aardewerk; de grootste uitwendige diameter bedraagt 15,75 cm (pi. XII, fig. 2 ) . Vermoedelijk eind 2e eeuw n. Chr.; vergelijk: Bonner Jahrbücher 116 (1907), Taf.II, Grab 131). 2 rand- en buikscherven van Rom. kookpotjes van grijs, gesmoord,tamelijk gladwandig aardewerk. Vermoedelijk eind 2e eauw n.Chr. Fragment van een wit pijpaarden beeldje, voorstellende een paard, dat aan de toom geleid wordt door een aan de rechterzijde staande man (ruiter?),gekleed in een tunica. Misschien hebben we hier te doen met een, bij de ruiterij der Germaanse hulptroepen geliefde, voorstelling van één der Dioscuren (Castor en Pollux). Het dient vermeld, dat het hier gevondene niet op de hoogste plekken van de moederbodem (i.c. gevormd door het "oude duinlandschap" van Spaarnwoude) werd aangetroffen, maar op de voormalige, naar de Liede toe afhellende, zandige oever. Aan de Noordzijde van de vindplaats was dit materiaal afgedekt door een laag, nog nader te determineren, mariene klei ter dikte van enkele decimeters. Deze is vermoedelijk afgezet door een na-Romeinse, doch vóórKarolingische transgressie. In de humeuze cultuurgrond boven deze kleilaag werden verschillende scherven van vroeg en laat Pingsdorfaardewerk en zeer veel fragmenten van ander vroeg-middeleeuws aardewerk en steengoed aange-


-111-

troffen, tezamen daterende uit de periode tussen circa 850 en circa 1300. Aan de Oostzijde van het terrein werd gelijksoortig middeleeuws materiaal in grote hoeveelheid gevonden in - en op variÍrende hoogte verspreid dóór een laag, eveneens bestaande uit mariene klei. Onze veronderstelling is, dat deze kleilaag hier sedert de Karolingische tijd is afgezet, door een verspoeling,gedurende vele eeuwen, van de kleilaag aan de Noordzijde. Na deze ontdekking van een inheemse nederzetting uit de Romeinse tijd aan de Liede, welke voor velen een grote verrassing betekende, volgde chronologisch de vondst van meerdere Romeinse archaeologica aan de Oude Weg, nabij Haarlem.Deze weg vormt ook thans nog de verbinding tussen de geestgronden rondom Haarlem en die van Spaarnuoude, en moet al zeer oud zijn, zij het ook,dat bij het tegenwoordige Penningsveer de Liede per boot moest worden overgestoken. Lange tijd vormde hij de enige verbinding tussen

Si-t iatis-schets van het gebied ten Oosten van Haarlem.


-112Haarlem en Amsterdam.Terplaatse waar deze weg het dichtst nadert tot het eveneens oeroude water "het Vuilrak", de voormalige verbinding tussen Liede en Spaarne,werden door ons interessante vondsten gedaan.In verband met de aanleg van een industrieterrein werd het Vuilrak plaatselijk tot op de zandbodem uitgegraven en de modder uit de bedding op de oever geworpen. Hieruit kwamen, naast honderden scherven van 16e eeuws zg. Wanfried-aardewerk,de volgende Romeinse voorwerpen voor de dag: De helft van een loper (catillus) of bovenste steen van een Rom. handmolen van basalt-lava uit KiedermGndig. De steen is onder en boven naar het centrum toe conisch uitgehold; de zeer afgesleten maalkant is verdeeld in "panden" en volgens speciaal Romeinse - en pas in moderne tijd wederom toegepaste - methode "gebild" (van groeven voorzien) met de zg. Lyonse slag, waarbij de groeven van het éne pand dwars staan op die van het volgende. Rondom de zijkant loopt een verdikte, naar buiten uitspringende rand (Randw&lst") in de vorm van een halve rondstaaf. Dergelijke stenen met "Randwülst" schijnen vooral uit de vroege Keizertijd te dateren. ,E.en nagenoeg complete, sterk geöxydeerde ijzeren umbo, of schildknop van een Rom. schild. Vermoedelijk eind 2e of begin 3e eeuw. Indien onze interpretatie juist is, dan zouden we hier te doen hebben met een voor Nederland zeer zeldzame vondst, en wat de vorm betreft met een unicum. In het castellum te Haltern werd in 1908 een compleet, sterk geöxydeerd exemplaar gevonden (Die Römischen Lager boi Haltern, in: Mitteilungen der Altertumskommission für ïfóstfalen; Taf. XX, no. 7). De afmetingen van onze vondst stemmen nauwkeurig overeen met die uit Haltern. Een rond,zich geleidelijk naar boven verjongend,enigszins kromgebogen, naaldvormig stuk gesmeed ijzer, lengte 65 cm. Naar ons voorkomt,is het te beschouwen als het bovengedeelte van een "pilum" of werpspies, naast het korte brede, tweesnijdende zwaard ("gladium"), het voornaafljsie wapen van de Romeinse legioensoldaat. De datering van dit stuk is moeilijk, daar sedert Caesar's tijd tot aan het einde der 2e eeuw in de vorm van deze naaldvoiraige "pila" geen wijziging optreedt. Een datering overecr.komstig de bovenbesproken umbo is dus niet uitgesloten.


-113Esn Rom. werpgeschutkogel ("ballisca") van glauconiet zandsteen. Het stuk is aan één zijde licht afgeplat en heeft een roestbruine kleur. Bovendien vonden wij in de aarde van een nieuwe bermsloot, gegraven ten zuiden van de Oude Weg, op ongeveer 20 m van het Vuilrak en ter hoogte van de vorige vindplaats, twee halsfragmenten (pi. XIII,3,4) en een oor van Rom. kruiken uit de 2e eeuw,t.w. een compleet randgedeclte van roodbruin aardewerk,overtrokken met eon engobe van witte slib (eind 2e eeuw) on de helft van een dergelijke rand, doch met enigszins afwijkend profiel (tijd a.v.); het oor tenslotte was plat en tweedelig, van wit aardewerk, eveneens overtrokken mot een engobe van witte slib (tijd a.v.). Tot slot moge worden geconcludeerd,dat deze vondst van meerdere Romeinse voorwerpen in de nabijheid van Haarlem er o.i. duidelijk op vrijst, dat hot "Hionandsland" ten N. -van de Rijnlinie of "linies" niet gohoel is vrijgoblovon van Romeinse invloeden.

INHEEMSE SCHERVEN OP "DS ROHEIII" TE MOHSTER (Zli) door J.EMMEHS en (Naaldwijk)

H. J.VERHAC-EIJ (Leidon)

Toen,bij gelegenheid van een vergadering van het Hist. Genootschap "Oud-Westland" te Monster,de hsev DE KIS/IET, tuinder aldaar, ons oen doos scherven Icran brongen, was onze verrassing onverdeeld. Vóó"r ons lagen imners gcén fragnentcn van "Fries-Bataafs" aardewerk, zoals die in grote hoeveelheden op tal van plaatsen in Zuid-Kolland bij graafwerk tevoorschijn plegen te komen, naar scherven van een geheel ander type.Het deed stork denken aan materiaal dat door RAHIR v:erd gevonden do De Panne (België) ! ) . Ook in Zuid-Holland werd reeds eerder soortgelijk aardewerk aangetroffen, nl. door MODDERMAN, i:i de Broekpolder (Vlairdir_£erambacht) 2 ) en in de Kscamppolder ('s-C-raven-


hage) 3),terwyi VAN DER PEEN dit materiaal op N-Walcheren schijnt te hebben gevonden 4). Van Domburg en omgeving werden eveneens vondsten gemeld 5). Afbeeldingen van deze duidelijk afwijkende,aanvankelijk voor zeldzaam gehouden, maar blijkbaar toch vaker voorkomende ceramiek,werden tot dusver in Nederland niet gepubliceerd. Een uitzondering hjerop vormt de vondst van enkele fragmenten, waarschijnlijk tot de zelfde categorie behorend, inheems aardewerk uit Leiden 6). Wij aarzelden dan ook niet, het materiaal, ter nadere bestudering, dankbaar van de heer DS KIEV!7 JT in ontvangst te nemen. Achteraf bleek,dat wij hier in het geheel niet met een "verse" vondst te doen hadden, integendeel! Reeds in het voorjaar van 1937 werd dit materiaal gevonden, en terstond gedeeltelijk naar het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden opgezonden. Dr BRAAT heeft hierop de vindplaats bezocht, doch hem is blijkbaar het afwijkende karakter van dit aardewerk niet opgevallen. 'Jij hopen t.z.t. dus ook de rest van de vondst, thans nog "ergens" in voornoemd museum berustend, te onderzoeken. Teneinde nader ingelicht te zijn omtrent de vondstomstandigheden,heeft een onzer (E.) nog enige gegevens verzameld, waarbij medewerking word verleend door do hoer TER WEE, van de Geologische Dienst, wien hiervoor gaarne dank wordt gebracht. Een 12-tal boringen kon worden verricht in do tuin van de heer DE KIEUIET,rondom de verdolvon hook, waarop de vindplaats ligt. Het terrein,waarop destijds de scherven gevonden zijn, is te vinden op het veldkaartje, dat als fig. 1 voorkomt in het werk van VAN LIERE over de bodemgesteldheid van het Westland 7). De vindplaats ligt op perceel 10 van het werkkaartje no. XV, en wel op ongeveer 100 m afstand uit de weg Monster-Poeldijk. Omtrent de percelen, voorkomende op dit werkkaartje, zegt VAN LIERE (o.c., p.6): "Hier bevinden zich verschillende grondsoorten, namelijk klei, zand en geestgrond met vele overgangen daartussen." Het grootste gedeelte wordt ingenomen door geostgrondon; de overgang van klei naar duinzand. De gehele oppervlakte uaa-op het kaartje betrekking heeft,ligt zuidelijk â&#x20AC;˘<reui de "Zwartendijk",waarschijnlijk de eorstc- watorkcren-


•PLAAT"3ET

s&AW* .Jt'Q;' ifc. - -'ïsfife-'HStf


PLAATSE


-115de dijk van het Westland,zodat dit gebied geacht kan worden niet te behoren tot do gronden,afgedekt mot het Weetlanddek. Mogelijk was het dus ten tijde van de aanleg der Zwartondijk (vrooge Middeleeuwen) nog deels oen gorzengebied. Percosl 10 ligt aan de grens van het oude duingobicd volgens de gegevens van VA1I LIERE (o.c, kaart l). De bovenlaag van de tuin, waarop de vindplaats ligt, is sterk geroerd en vertoont nergens meer het oorspronkelijk profiel. Op sommige plaatsen is de grond tot op een diepte van meer dan 1-g- meter omgezet, op andere plaatsen heeft dit tot op een diepte van ongeveer 1 meter plaatsgevonden. Beneden deze geroerde bovenlaag ligt een harde, grofzandige laag, als gevolg van reductie blauwachtig van kleur. In de 12 boringen,die werden uitgevoerd, kwam vast te staan, dat deze zandlaag niet overal even hoog in het profiel voorkomt. Soms komt op vrij korte afstand van elkaar een niveau-verschil van 40 cm voor. Vfellicht heoft de afzetting ervan plaats gevonden in vrij sterk stromend water. Er komen vrij veel schelpen en schelpresten van Scrobicularia in voor,wijzend op een opbouw in zout water. Daar waar de grondbewerking niet tot op een diepte van 1-2 meter uitgevoerd is, treft men op een diepte van meer dan 1 meter soms een roestige laag, soms kleilaagjes van vette klei met gley verschijnselen aan. Deze liggen dus tussen het geestzand en de blauwe zandlaag en hun aanwezigheid heeft waarschijnlijk geleid tot de diepo grondbewerking. Op enige minder diep geroerde plaatsen werd op een diepte van 1,20-1,40 in een begroeiĂŻngslaag aangetroffen, waarin plantenresten, takjes enz. vooricCTameaÂťDe aanwezigheid van torentjes in do kleilaag wijst op een (nog) vrij zoute omgeving. Op twee plaatsen bleek dit vegetatievlak tevens bewoningsvlak te zijn geweest. De aanwezigheid hierin van enkele houtskooldeeltjes, en de bekende verkleuring door ijzerfosfaten van de laag daaronder,duidden onmiskenbaar op bewoning door mensen in eon vroegere periode. Waarschijnlijk is dit de laag, waarin destijds de scherven werden aangetroffen. Het profiel is dus weliicht alsvolgt weer te gsven: Op eon diepte van meer dan 1,20 ra beneden maaiveld ligt een harde, blauwzandigo laag, waarschijnlijk eon not grof


-116-" zand verlande stroombedding of oeverwal daarvan. Hierop ruet een laag, 20 a 40 cm dik, bestaande uit grof grijs zand, afgewisseld met kleilaagjes.die in betekenende mate gley verschijnselen vertonen. In deze laag komt een oud begroeiĂŻngsvlak voor, dat plaatselijk kenmerken vertoont, die wijzen op menselijke bewoning. Daaroverheen ligt een meer dan 1 m dikke sterk geroerde geestgrond. Uit deze gegevens blijkt duidelijk, dat vrij hier niet te maken hebben net een rest van de oostelijke strandwal; deze is hier niet meer te vinden. Het aanwezige zand is een ander zand en de opbouw is ook geheel anders dan die van de wal. Voorgenomen boringen rondom Monster zullen volgend jaar misschien in deze zaak meer licht brengen. Hot aardewerk vertoont, zoals reeds gezegd, overeenkomst met hot Bolgischc materiaal uit Do Panne, al geeft dit laatste de indruk, harder gebakken te zijn on al zijn de versieringen geprononceerder en, in tegenstelling met de vondst uit Monster,vaker mot de vingertop aangebracht. Maar ook in Monster zien wij een grote verscheidenheid van versiering door middel van indrukken van vingertop of -nagel, waarbij de natte klei op 2 manieren kan zijn verplaatst, nl. van het lichaam af ("opgeduwd"), of er naar toe ("opgetrokken"). Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid van een schier oneindig aantal variaties door de onderlinge plaatsing der indrukken. Een geheel ander type van versiering wordt verkregen door het aanbrengen van strepen, dus lijnvormige indrukken. Het spreekt vanzelf, dat ook hierin het aantal mogelijkheden onbeperkt is, bv. door de richting en de onderlinge afstand tussen de lijnon, de rangschikking in banden,of het opvullen van hot gehele oppervlak van hot vat door gestreepte vakken of banden. Door doze beide wijzen van versiering worden wij geconfronteerd met het gehele repertoire der kunstzinnige fantasie van de vervaardigers dezer ceramiek. Ook in de voraen van het aardewerk zal deze tot uiting zijn gekomen, zij het,dat de tradities van stam, volk, of andere ethnische eenheid aan de fantasie zekere beperkingen zullen hebben opgelegd. Het is deze veronderstelde - en, ter vergelijking, ook heden ten dage nog veelvuldig waar te nemen - binding aan traditie binnen een ethnische groep, waarop wij onze verwantschaps-coiiclusies baseren bij do


-117bestudering van archaeologiscbe voorwerpen. De scherven uit Honster zijn te klein om on3 iets te zeggen over vorm en afmetingen van het vaatwerk. Ook de lijnvormige versieringen ontbreken bijna geheel. Slechts enkele bijéén behorende vandbodem-fragmenten vertonen verticale strepen en soms, naar het schijnt opzettelijk, gebroken lijnen, (pi.XV, 9 ) . Be overige schorven zijn versierd met vinger- en nagolindrukken,of geheel onvcrsierd. Voor hot magcren van de klei is oen enkele maal plantaardig materiaal gebruikt, meestal is daarvoor echter schervengruis gebezigd. Tengevolge van oxydatieprocessen bij het bakken is de buitenzijde der scherven geel tot rood gekleurd, de binnenzijde is grijs gebleven. Enkele fragmenten zijn gesmoord, hier is de buitenkant óók grijs tot zwart van kleur. Daar waar schervengruis ter magering van de klei werd gebruikt, wijken de gruisdelen in kleur af van de rest der scherf. Aan de binnenzijde van alle, en ean de buitenkant van de gesmoorde scherven zijn zij lichter, of donkerder dan het overige oppervlak. Des te opmerkelijker zijn de helderrode gruisdelen, welke wij zien in de oxydatief gebakken scherven. Indien wij voor deze kleur de term "terra sigillata-rood" gebruiken, zij hiermede tevens fie reden aangegeven,waarom wij deze scherven gaarne eens ter bevoegder plaatse zouden laten onderzoeken. 31ijlcbaar zijn hot de gruisdelen, die het gcr.alccelijkst uit de scherf losraken en dan kleine patjes in het oppervlak achterlaten (pi. XV, 7 ) . Van de schorven, die aanleiding geven tot dit stukjs, zijn de moesten versierd mot vijd uitelkaar staande nagolindrukken (pi. XIV,2 en XV,6);bij enkele staan do indrukken dichter bijeen (pi. XI7, 1,5) en bij cen scherf ai:r. vij nagcliiidrukkon in écn rij aangebracht (pi. XV, 8 ) . Eén onkele maal is de bewerking iots ingewikkelder geweest. Bij de scherf op pi. XIV,4 is óerst do klei mot de nagel in cen richting "opgetrokken",wacrna dozo handeling is herhaald m een richting, loodrecht staande op de eerste. In de tekening kwam de laatste beweging var. rechtsonder en had zij vaak een gedeeltelijke defornatie van de eerste indruk ten gevolge. Tenslotte hebben wij nog enige bijeer, behorende fragmenten, waarop indrukken zijn aangebracht ("opgeduwd") met behulp van de gehele vingertop.


-118-. Deze scherven (bv. pi. XIV, 3) zijn gesmoord en, in tegenstelling met alle vorigen, vervaardigd van klei,welke met organisch materiaal is gemagerd. Eên der (iiiet afgebeelde) scherven, eveneens versierd met oppervlakkige nagelindrukken, is aan de buitenzijde gebarsten, aan de binnenzijde is op die plaats zwelling en een "puimsteen-achtig" oppervlak waar te nemen. Wij willen onze beschrijving van het materiaal uit Monster voor het moment hiermede besluiten. V/aar soortgelijk aardewerk echter op meer plaatsen in het Westen van Nederland en België, m.n. in de kustgebieden, blijkt voor to komen, en de betekenis en herkomst ervan nog verre van opgehelderd is, zal wellicht aanleiding bestaan, nader op deze materie terug te konen. Wij verzoeken al onze medeleden inmiddels dringend,ons eventuele vondsten van materiaal, overeenstemmend met het bovenbeschrevene, ter kennis te willen brengen. Literatuur: l) RAHIR, E., L'age du fer a La Panne.- Bull.Soc.R.Anthr. Brux., 1928. t La Panne, fabrication de poteries.- Buil. Soc.R.Beige Anthr., 1930. 2L MODDERMAN, P.J.R., Enkele aantekeningen over de bewoningsgeschiedenis van het Westland.- Boor en Spade, III, 1949. 3) in de Hongelot Een oudheidkundig onderzoek laan, Escamppolder, gom. 's-Gravonhage.Westerheem, I, 1-2, 1952. Berichten R.O.B., III, 1, 1952. 4) PEEÏÏ, P.J.VAII DER, Geschiedenis van de bewoning van Walchoren tot 1250.- in: De bodemkartcring van Walcheren, Versl. Landbowk. Onderz., No. 58.4, 1953. 5) TRIMPE BURGER, J.A., Ilondelinge mededeling en foto's. 6) VERHAGEN, H.J., Een vóór-Romeinse nederzetting te Leiden.- Uesterheem II, 1-2, 1953 (pl.III.IV). 7) LISRE, W.J.VAN, De bodemgesteldheid van het Westland.in: De bodemkartering van Nederland, Versl. Landboauk. Onderz., No. 54.6, 1948.


-119VERSNIGINGS-MEDEDELINSEN K R O N I E K KENNIMERLAND: 24 Oct. Excursie tunnelput te Velsen,o.l.v. B.J.UIELAHD LOS. AMSTERDAM & OMSTREKEN: 23 Oct. Lezing Dr H„BRÜKSTING,over "Nijmegen ten tijde van de laatste Romeinse Keizers". GOOI EN EEMLAND: 4 ilov. Lesing J.C.M.DS MOLYIJ M.A., over "De Problemen van de Xoinsa en Fosma Culturen' (aet lichtbeelden en kleurenfilm). KEïfiSiIERLAND: 9 Nov. Lezing Prof.Dr G.VAK HOORH, over "De Romeinen in Nederland". DEN HAAG & OÏÏSTREKE5: 13 ITov. Br J.DODE JONG, ': Overzicht van de geologische gesteldheid van de duinstreek" en Dr C D E WIT, "Praehistorische bewoning van de duinstreek".

A G E N D A NoB. Daar het voorbereidingsvrerk door de hoofdredacteur, tezamen met de vervaardigingsirerkzaaahcdgn van dit blad, minstens drie weken vergt, kunnen slechts zelden AgendamededelingGii worden geplaatst met nauwkeurige vermelding van datum en plaats. Men wschte hiervoor dus de convocaties der Werkgroop-bcstuiron af. AMSTERDAM & OMSTREKEN: 23 ? ïïov. Prof.Dr A.E.VAN GIPFE1Ï, "Het torpenprobleom". RIJNSTREEK: 2de hslft Ilov. J.G.N.SSWAÜD, "Versterkingskunst in oude tijden11. DEN KAAG & OIÏSTEEICE1I: December. Ir. T.EDELMAÏT, "Geografische sporen van vroege bewoningen van Den Haag" on G.K.VAII D3R GRIEK'ï„ "Sen ea ziAex ovor de latere geschiedenis van Den Haag". AMSTERDAM & 0M3TREISU: Decsmber. VT.GLAS3ERGEH, "Eet grairitueel in de


-120SECRETARIAAT Zij,die per 31 December 1953 voor het lidmaatschap van de A.W.V.N, wensen te bedanken,dienen dit vóór 1 December te doen, uitsluitend per aa.-'igetekend schrijven aan het Secretariaat der A.V.W.N., van Eedenstraat 9, Haarlem.

W E S T E R H E E M

-FONDS

Bijdragen in dit fonds, waarvan de gelden zijn bestend voor uitbreiding en verbetering van dit blad, kunnen worden gestort op giro-nr. 591170,t.n.v. Mevr. E.T.VERHAGENPETTIHGA, te LEIDEN. Verantwoording: C.E„, Voorschoten/. 2 , — .

INZENDING COPY EN MEDEDELINGEN Copy en mededelingen voor het volgend nummer dienen uiterlijk 25 November a.s. bij de Redactie te zijn.

INHOUD VAN DIT NUMI5ER Gesprekken blz. 97 De Amateur-archaeoloog en zijn collectie, door G.Elzinga gs (( Barnsteenvondst uit Velscn, door H.J.Calkoen . . . „ 102 Amateuristische- notities, door Mr H.K.de Raef . . „ 109 Inheenschc scherven op "De Romein" te Monster (ZH) door J.Eamens en K. J.Verhagen „ 113 Yorcnigings-mcdedclingen „ 119 Illustraties: H.J.Calkoon, Vclsen. Roproductxc: Reproka, Amersfoort. Eindredactie on opnaak: E.J^Verhagen, Leiden. Stencils enz.: H.de Bot, Rottordaa.


• -121-

Jaargang II, ÏJo. 11-12

'.•"•-

Hovember-December 1953

•WIE5TEÏRHEEI1 Orgaan v a n de ARCHEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR WESTELIJK ÏEDERLAHD Hoofdredacteur: H.J.Verhagen, Morskade 12, Leiden. Secretaria der A.U.U.1J»: C.Eoodenburg, vanïïedenstraat9, Haarlem. Contributie ad ƒ. 5,— te storten op girorekening 577608, ten name van de Penningmeester der A.U.V.ÏT. te HAARLEM.

VOORTGAÏÏG Aan het einde van 1953» willen wij allen dankzeggen, die ons in dit jaar mot raad en daad hebben terzijde gestaan. Ilacr vooral past ons een voord van dank jsgons onze hoofdredacteur, nu deze door steeds tocncsendo :-:crkzaainbsden is genoodzaakt,het voorbereidende en technische deel van zijn taal: aan anderen over te laten. Onze vele lezers weten, hoe zij de duidelijke en verzorgde indeling van "Uesterheen" en het correcte Nederlands -waarin de artikelen van ons tijdschrift steeds zijn gesteld,te danl:en heK ••> aan de nimmer verflauwende toewijding van iaiaand, d" • "... .r al zijn vrije tijd aan gaf. '- de volgende jaargang hopen wij de uitgavs van ons o-'_. m op de juiste tójze voort te zetten.Vij zijn erkentelijk voor het fait, dat daarbij de algemene leiding van ons tijdschrift in dezelfde Iianden zal blijven, vae.rC.oor een goede voortgang gewaarborgd is. Nanens het hoofdbestuur van do A.V.W.r., H.J.CALICOEII


-122-

SETC ROMEIHS SPEL IIET SPESLSCHIJPJES door H.J. GALJOEN (Velsen) Bij de vondsten van de Romeinse archaeologica uit Velsen bevindt zich ook de helft van een speelschijfje van zwarte glaspasta,, Het werd indertijd besproken en afgebeeld in dit blad -*•). Toen ik onlangs het Archaeologisch Museura te Utrecht bezocht, waar de interessante collectie vondsten van de opgravingen in die stad en uit Vechten ligt uitgestald, zag ik daar dergelijke ronde, witte en zwarte speelschijfjes, gevonden in 1929 en 1933 op het Domplein. Zij hebben de vorm van een afgeplatte, halve bol - men zou ock kunnen zeggen: van een pepernoot - en de doorsnede bedraagt 1,5 c:a, of ists ndirler (\relscn: 1,5 cm). Zij horen thuis in de eerste en tweele eeuw. Kaast de speelschijfjes vindt een de afbeelding van een cirkel, door vrier rechte lijnen verdeeld in acht gelijke sectoren. Prof. Dr G. VAI: HOOR1T, conservator van de verzameling van het Prov. Utrechts Genootschap van Kunsten en 1'etenschappen in het Centraal Museum te Utrecht, was zo vriendelijk mij nadere inlichtingen te verschaffen, welke ik hieronder laat volgen: "De gidsen op het Porun Romanua wijzen de bezoekers van de Basilica Julia figuren,die ia. de vloer van de pcrtiek zijn ringekrast» De Romeinse kinderen konden daar hun spel spelen, zittend of liggend op het door ds zon verwarmde marmer. Kaar het weren misschien niet alleen liinderen die daar speelden. De Zuiderling is spee3.ser dan wij,noorderlingen, "ie vel eens op een zomemacht in Rome met open ranen heeft getracht te slapen, weet hoe het kan gebeuren, dat nij '--erd wekker gehouden door het eindeloos uitroepen van getallen door volwassen mannen, die de gehele r.acht dcor hun Mora-spel speelden; in Griekenland is een algemeen tijdverdrijf het spelen net de barnstenen of pearleiüoercji kralen, van een soort rozenkrans. Het spol van het ?orur. P.ocanurii werd gespoeld net xritta i) • ;-stc_::s-22 I (l c 52), 7/3,p.a€,pl. T"I,8 en 9/10,^.122.


en zwarte schijfjes van glas,of ander materiaal. In groot aantal zijn deze gevonden in wachtlokalen van Romeinse vestingen in de Hadrianus-muur in Noord-Engeland. Eveneens op vele plaatsen, waar Sich Castella of wachtposten hebben bevonden in ons land. Dus blijkbaar werd het spel ook door soldaten gespeeld om de wachttijd te bekorten. Men kan het enigszins vergelijken met een spel, dat hier "Boter, melk en kaas" of "Molenspel" wordt genoemd. De bewuste figuur, een achtspakig rad, vindt men afgobeeld op pi. XVI, fig. 1, met de speelschijfjes ernaast. Het spel gaat alsvolgt: er zijn twee spelers, A (wit) en B (zwart), elk met drie schijfjes. Beurtelings zetten zij hun schijfjes één voor één op een uiteinde van een spaak, of in het middelpunt. Zodra alle schijfjes op deze wijze in het spel zijn gebracht, mag ieder om de beurt één van zijn schijfjes éln plaats verschuiven, hetzij langs een spaak, hetzij langs de cirkelomtrek. Wie het eerst zijn drie schijfjes op één rechte lijn hoeft gekregen, is de vinnaar. Op onze afbeelding is dit zetten on verschuiven door cijfers en pijlen aangegeven. In dit voorbeeld is A begonnen;hij wint net de zevende zot. U moet dit minstens 2000 jaar oude spel eens proberen, lezer, dan zult U bemerken, dat er allerlei nogelijkheden bestaan en dat er bepaalde "systemen" vallen te bedenken,om de tegenstander schaakmat te zetten of in de val te doen lopen- En zeker zullen de Romeinse soldaten, hier, in het kille boorden, gedurende de lange, donkere winteravonden bij hout- of houtskoolvuur en walgende olielampjes, in spanning gobukt hebben gezeten rondom dit spel.

BS -ROMSIIISE HELI'! UIT WIERIKERSCEAIÏS Haar aanleiding van het artikel van de het.r K. DEKKER over Roneinss vindplaatsen langs de Oude Rj jn (VJesterheea II, 7-3), heb ik do daarin tor sprake gebrachte Romeinse heln, gevonden bij de VJierikerschans, thans in het Rijlesmuseum van Oudheden te Leiden? nog eens bekeken. Daarbij vievJ nij plotseling duidelijk, dat door BY".U7CK ta licircvaardxc; op de bovengenoemde vindplaats een castellua is


-124-

vermoed (Nederland, in. de Romeinse tijd,II, 1943). Immers, de toestand van het bronzen voorwerp is zó,dat ai oh daarop geen groene aanslag vertoont, doch dat het blinkende metaaloppervlak geheel bloot ligt. Dit nu is karakteristiek voor voorwerpen, die lang in een rivier hebben gelegen. Men denke bv. aan het uiterlijk van bronzen vaatwerk etc,dat bij het grindbaggeren werd gevonden. Dit gegeven past dus geheel in het kader van de veronderstelling van DEKKER, nl. dat de helm ter plaatse in de rivier (de Rijn in de Romeinse tijd) zou zijn gevallen en sedertdien in de oude, zandige rivierbedding is bewaard gebleven. Ook BRAAT karakteriseert, bij zijn beschrijving van de helm, de vindplaats als "een voormalige Rijnbedding" (Oudheidk. Meded. N.R. XX (1939)). H.3RUKSTING, Ri jksmus.v.Oudh.

DE DEENSE RUNENSTENEN TE JELLINGE door J.CH.H.DE HOLYN, K.A. (Ord.Mitgl.d.Hugo Obermaier Ges., Erlangen. Duitsland) Ter gelegenheid van het 1000-jarig bestaan van het Koninkrijk Denemarken, hetwelk thans wordt herdacht, werd door de Deense posterijen een speciale zegel uitgegeven, waarop de runenstesn van Jellinge (enkele ka ten II.¥. van Vejlc,in midden-Jutland) staat afgebeeld. Gaarne aanvaard ik, als kenner van Scandinavië, en van Denemarken inzonderheid, de uitnodiging van de redactie van "Vesterhecm", on in volgend artikel de geschiedenis en betekenis van deze afgebeelde steen nader toe te lichten. Het lijkt mij niet oninteressant, allereerst, zij het zéér in het kort, iets mede ta delen ontrent de historie der Runologie, als wetenschap, in het algemeen. Gedurende de ï-!iddeleeuwen vernemen irij over de runenstensn, die aanvuzig waren in Denemarken, tevens in KborWv-rcü on IJ,-Duitsland, absoluut niot3 in de geschriften,.


-125SLXO, de bekendste kroniekschrijver uit een iets later tijd, noemt in zijn werken niet één enkele maal de runenstenen en hetgeen daarop vermeld stond,wèl echter schreef hij over de grafheuvels uit oude tijden. De oudste mededelingen omtrent de runenstenen stammen eerst uit de laatste helft der 16e eeuw, doch men tekëndo alleen do eromheen geweven sagen op en helaas niets over de inscripties. Het is begrijpelijk, dat ook deze mededelingen van betrekkelijk weinig waarde bleken te zijn voor de Runologie. De vroegste en tevens volledigste weergave van een runensteen met inscriptie dateert uit het jaar 15S6. Het verrassende is nu, dat dit juist de Jellingsteen betrof. In 1591 verscheen de eerste volledige ets van dit monument. Enkele uitzonderingen daargelaten, werden de runen zolvo eerst bekend door het beroemde werk van OLE WORMS, "Konuniünta Danica", uit 1643Do moderne Runologio werd oerst gegrondvest in de laatste helft dor 19c eeuw door de Noor SOPIIUS BUGGE on de Doen LUDWIG WIMMER. De runen worden nu voor hot eerst wetenschappelijk behandeld door hiervoor gequalificeerde personen, die jarenlang een uitgebreide studie hadden gemaakt van het Oud-Hoors. In deze taal nl. waren de inscripties gesteld. Degenen,die deze nieuwe tak va.n wetenschap voortzetten, en door hun geperfectioneerde onderzoekingstochnieken nog betere resultaten wisten te boeken, waren in het bijzonder LIS JAC03SEN en 2RIK 51OLTKE.' De resultaten van hun onderzoekingen vonden hun bekroning in het in T941^42 door hen tezamen te Kopenhagen uitgegeven monumentale werk "Dax/Jarke Runêindskrifter". Het is aan deze beiden gelukt, door hun reeds gememoreerde verfijnde techniek, de teksten die zich op de runenstenen bevonden, ook philologisch gezien,beter leesbaar te maken en bovendien een overzicht te ge\>-en van alle, tot 1940 in Scandinavië' gevonden stenen, deze te vertalen en opnieuw te interpreteren. Tot aover de geschiedenis dezer wetenschap. Vroeger dacht men,dat de runatistenen eigenlijk behoorden te staan op een heuvel, resp. grafheuvel. Voorzover men nu kan nagaan, hebben echter slechts enkele nmenstenen verbinding met zu'n heuvel; de meeste varen geplaatst iiaast Leuvels, langs vegen, f jordennondingon etc., Slechts


-126-

twee stenen hadden,zoals de archaeologen vastgesteld hebben, een nauwe relatie met een grafheuvel, waarbij dan ook op de runensJ:een een en ander over de desbetreffende heuvel vermeld stond. De Jellingstoen is echter, naar thans gebleken is, een horinneringsmcnument en góón grafsteen. VJat de runentekens zelf aangaat, wordt algemeen aangenomen, dat het Latijnse en Griekse alphabet als voorbeeld voor deze schrifttekens hobbcn gediend. Echter is men het hierover nog niet goheol eens, daar het tot nog toe onmogelijk is gebleken een bepaald "stamgebied" voor deze tekens in Zuid-Buropa aan te wijzen. Evenmin heeft men nog da eigenaardige volgorde der runen kunnen verklaren. Wèl waarschijnlijk is echter, dat zij ontstaan zijn omstreeks de geboorte van Christus. De oudste inscripties stammen uit de tijd der grote Volksverhuizing, omstreeks 200-650 n.Chr., en zijn Noords en Goticah. Wat Denemarken aangaat, heeftïïienuit deze tijd enkele met runen beschreven gebruiksvoorwerpen gevoaden, afkomstig uit de moerassen van Zuid-Jutland en het siland Funen. Uit de tijd van 400-650 stammen talrijke sg. Braktesten,dunne ronde goudplaatjes (als de vroegere gouden tientjes en vijfjes), net beeldstempel, die nabootsingen zijn van do uit dezelfde tijd afkomstige roineinsbyzantijnse riunten. Omstreeks 650 schijnt dit gebruik, althans in Denemarken, op te houden, evenwel nog voortzetting te vinden in 1-ïoorwegen en Zweden, alwaar raen ook reeds runeninscripties aanbracht op diluviale zwerfstenen, zulks in tegenstelling met Denemarken, waar dit gebruik pas in de Vikingtijd, omstreeks 800. in zwang kiram. Het vroeger gebruikte alphabet (Futhark) van 24 tekens werd nu tevens vervangen door de Futhark van 16 tekens. De oudste Deense runenstenen stammen dus,zoals gezegd, uit de Vikingtijd (800-1100), en zijn nog zuiver heidens van karakter.Op drie stenen van het eiland Funen bv. worden heidense priesters vermeld. Deze runenstenen zijn de enige bcvi jzen van de hsidonss priesterwac.rdigheid in Denemarken uit deze tijd en vormen sen aanwijzing, dat deze priesters, evenals op IJsland,een grote wereldlijke macht besaten en daarnaast de aanvoerders waren van hun gemeenschap, óók in de strijd tegen vijanden. Daar er sc'ér weiixlg stenen uit deze tijd zijn, siag r.sn annr-emen, <3at dsze


PLAAT IXXI

KERKHEUVEL

SPAARt\iWGUDE

C-. INSANSKH. D-. M-E-MUUR.

T=: TEGEN W. SCHAAL 1'. 6 0 0

KEPKKOFMUUR


PLAAT

4

SCHAAL 1 : 2/7


-127exclusieve mode slechts de allervoornaamste, aristocratische geslachten voorbehouden was. Omstreeks het jaar 1000 valt de grootste bloei van deze traditie in alle delen van Denemarken en Zuid-Zweden waar te nemen. Op de stenen heeft men meestal de dood en de heldendaden vermeld van familieleden en goede vrienden, die bij de opleving van de Vikingtochten onder Svend Tvcskaeg waren omgekomen.Dit is,zoals wij zullen zien,óók op de Jellingsteen het geval. Rondom het jaar 1050 neemt langzamerhandde runensteentraditie af, behalve op het eiland Bornholm, alwaar zij dan eerst aanvangt. Tegen het einde van genoemde periode begint men de invloed van het Christendom te bespeuren. De inscripties besluiten dan meestal met een gebed voor de ziel der doden en de steen wordt nu dikwijls voorzien van een christelijk kruis. Slechts zelden is dit nog maar het geval in Jutland en Skaane (Zweden), daarentegen vrij vaak op Bornholm. De Borriholmse runenstenen stammen uit de laatste helft der lle eeuw en het begin van de 12e eeuw en zijn nog gelijktijdig met de bloeiperiode der Zweedse stenen; er is dan ook een grote overeenkomst met deze te bespeuren wat hun inhoud en ornamentiek aangaat. In tegenstelling tot de runenstenen uit Skaane geven zij echter meer vreedzame feiten uit het familieleven weer. Uit de Middeleeuwen 1100-1350 kent men slechts enkele exemplaren. Hiertegenover staat, dat men talrijke runeninscripties kent op christelijke doodkisten van steen (gedeeltelijk ook in het Latijn), op doopvonten, wierookvaten en kerkklokken, in kerken etc. Uit het einde van genoemde periode stammen weer twee "Skaaiske" handschriften,geschreven in runen,die het .Tjeer opvlammen der interesse voor deze oude schrijfwijze denonstreren.In Lund (Zweden) vindt men uit deze tijd eveneens talrijke inscripties op been, kammen, naalden etc,, die ook soms iets jonger blijken te zijn. Zelfs heden ten dage kent men hier en daar, in afgelegen streken, nog het gebruik van runen. Ook bv. nog tot voor kort in ilöderland. Hen denlrs hierbij aan de zx- Huismerken. Onder historische runeninscripties verstaat nen nu dié inscripties over personen, en geschiedkundige feiten, die r:en óok reeds kent uit andere bronnen (de schriftelijke


-123overievering). Het behoeft geen betoog, dat deze van zeer groot belang zijn voor de datering,terwijl hun waarde als zelfstandige historische bron begrensd is. De twee belangrijkste historische inscripties bevinden zich op de Jellingstenen. Er zijn er nl. twéc: een grote, die op de postzegel staat afgebeeld (pi.XVII,4) en v?aarvan een namaak exemplaar ötaatophet Domplein to Utrecht, geschonken door Deonse vrienden van Nederland, en een kleinere (pi.XVII,5). Deze t-.."sc beroemde Jollingstonon staan tusoen d3 twee eveneens beroemde Jcllirgheuvsls, ten Z. van hut kerkje, dat zich daar bevindt. In de 16e eeuw lag de grote Jellingsteen verzonken op de plaats,wr..~r hij thans opgericht en aan de vergetelheid ontrukt is, terwijl do kleinere steen, bij de kerkdeur lag, alwaar hij gebruikt verd als bank voor vemoeide kerkgangers» , Zoals reeds gememoreerd, zijn deao stenen geen grafstenen, doch uionunenten, daarom ook hebban zowel do grote (Karalds steen), als de kleine (Gorms steen) ,vorL:oedelijk altijd gestaan tussen beide heuvels. Do opgravingen in 1941 hebben aangetoond, dat er in de zuidelijke heuvel geen grafkamer aanwezig was. Het is echter toch wel mogelijk, dat zowel Gorm als zijn echtgenote Thyre begraven zijn geweest in de grafkamer van de noordelijke heuvel, die in tweeën gedeeld was. De kleine runensteen werd geplaatst door Koning Gorm, ter nagedachtenis van zijn echtgenote,Koningin Thyre, die - volgens SAXO (Danmarks Kr/nike X Bog) - Danevirke in Zuid-Jutland had laten bouwen ter verdediging van Denemarkens zuidgrens. De inscriptie (pi.XVII,5), zo nauwkeurig no .gelijk in het ITederlaiids vertaald, luidt: "'Koning Gorm plaatste deze steen voor Thyre zijn vrouw, Denemarkens beste". Op grond van de nieuwste onderzoekingen geIcoft men evenwel, dat Koning Gorm eigenlijk niet in de eerste plaats het monument h.=eft opgericht ter nagedachtenis xrm zijn vrouw Tliyre, doch tev \rerheerlijking van zijn eigen successen en persoon, waarop de laatste woorden: "Bannarker Bot" in de inscriptie schijnen te duiden. Deze twes voorden - in vertaling: "Dener.arkens beste" zouden dus niet slaan op Konincin Thyre, noch op haar da<?~.i, ::-ar op Koning SDITI, lie zichzelf, als zijnde Deno-


-129-

markens beste persoon, verheerlijkt. Deze runensteen moet geplaatst zijn in de eerste helft van de 10e eeuw. In tegenstelling tot de Zvjeedse - en de door deze sterk beïnvloede Bornholmse - runenstenen, zijn er slechts zéér weinig Deense stenen met ornamentiek. De eerste runenstenen, waarop ornamenten voorkomen, zijn de Jellingstenen! Zo treft men op Grocs steen vier lijnen aan, die in een spiraal eindigen (pi.XVII, fig.5B = achterzijde). De grote runenstoen (pi. XVII, 4) is geplaatst door do zoon van Koning Gorm en Koningin "'hyre, Harald Blaatand, ter nagedachtenis van zijn beide ouders. Tevens heeft Koning Harald er een mededeling op laten aanbrengen over zijn militaire successen etc. Koning Harald Blaatand had nl., door de nederlaag toegebracht aan de zonen van Gunhild, in Hoorwegen (Oudnoors: Horeg) grote invloed gekregen en nadat hij Harald Graafeldinde Lirafjord (Noord-Jutland) had verslagen en gedood, kreeg hij omstreeks 970 formeel geheel het land in bezit.De kerstening van Denemarken werd ingeleid met de doop van Koning Harald Blaatand in hst jaar 953 (thans dus precies 1000 jaar geleden! — Red.); in S65 vrerd het heidendom, d.w.z, het geloof in Odin, Thor e.a., afgeschaft. Bovendien veroverde Harald geheel Denemarken en onderwierp hij dit land, mede door in 983 de Duitse Keizer Otto II te verslaan, waarbij hij Hedeby (destijds in Zuid-Jutland, thans in Noord-Duitsland) op de Keizer terugveroverde. Al de genoemde feiten staan, voorzover als dit tenminste mogelijk is, vast en komen tot uitdrukking in de inscriptie op de grote Jellingstsen. Deze runensteen is opgericht tussen 983 en Haralds dood, even vóór het jaar 988. In vergelijking met Goms steen is Ilaralds steen monumentaal en prachtig. De inscriptie luidt in Nederlandse vertaling: "Koning Harald verzocht deze steen op te richten voor Gorm zijn vader en Thyre zijn noeder, de Harald die gsheel Denemarken onderwierp en hocl Noorwegen en de Denen tot christenen maakte" Een weinig zelfverheerlijking kont in de Vikingtijd en daarna, in de Scandinavische literatuur dikwijls tcJc uitdrukking; vgl. de


-130De ornamentiek op deze steen is buitengetfoon mooi. Om dit goed te kunnen zien, moet men eigenlijk het exemplaar op het Dorpplein te Utrecht gaan •bekijken. De grote runeninscriptie bv. is ongeven door een kunstvaardig aangebrachte bandornamentiek. Verder ziet nen een "leeuw", waaromheen zich een slang slingert en een Christus-figuur. Ook is het merkwaardig dat, in tegenstelling tot alle andere Deense runenstenen, het schrift horizontaal staat. Alles duidt erop, dat hier een Angelsaksische beeldhouwer aan het werk is geweest. Verder staat onder de "leeuw" de zinsnede over Koorwcgens verovering en onder de Christusfiguur dat Hirald alle Denen tot Christenen maakte. Een zeer goede keuze dus. De heidense leeuw, zouel als de Christus-figuur zijn bedoeld als waarschuwingssyiabolen tegen eventuele schenders van dit monument. Dergelijke waarschuwingen vindt nen trouwens op vrijwel alle runenstenen, vooral uit later tijd. Tenslotte neent men,dat de mogelijkheid bestaat dat deze steen aanvankelijk met verf gekleurd is geweest, wat dan wel een nog groter artistiek effect zal hebben gehad.

ROMEIHSE HTOTT T3 HS3SKSRS (l«.H.) door U.J. DE BOOIJE (Amersfoort) 3ij gelegenheid van de archaeologische tentoonstelling te Beverwijk in de eerste dagen van 1553, toonde de heer C E . DE B03R aan de hoor B.JVJIELAKD LOS een munt, die te Heemskerk ras gevonden. Hst stuk werd vervolgens aan mij ter hand gesteld, terwijl de heer DS B03R op mijn verzoek nog enkele nrsporingen deed, die het volgende resultaat opleverden. Genoemde munt werd aan de tegenwoordige bezit ber geschonken door de heer C-.3T0LP, <?ie een tijdlang heeft gewoond op de nolen r.an de ïiolenwej; te Eöer.skerk. Deze had hot stutc op zijn beurt fokracen van een tuinder, de heer KCJGBRC3K, die de nurt hnd c: gegravc.i op eon tuin bij de


-131molen.De vermoedelijke vindplaats moet dus worden gezocht tussen Molenweg en Marquettelaan te Heemskerk. • De munt (pi.XVI, 2) is Romeins, vervaardigd van •'brons, heeft een middellijn van 3»2 - 3,4 cm en weegt 25 gram. Hij is sterk gesleten,zodat bv. vrijwel geen enkele letter van de legende meer duidelijk is te lezen. Aan de voorzijde valt nog goed een keizerskop te onderkennen, nui. met de trekken van Trajanus (98-117). Men zou boven het portret kunnen vermoeden de letters NO AVG GER DA, een gedeelte van de legende TRAJANO AVG. GER. DAC. Trajanus heeft de bijnamen Germanicus en Dacicus ontvangen naar aanleiding van zijn oorlogen. Op de bijna gladgesleten keerzijde is nog flauw een staande figuur te herkennen. Het lijkt mij op dit tijdstip niet ondienstig, om van de Romeinse munten, gevonden in Noord-Holland, een overzicht te laten volgen, ontleend aan het verzamelwerk van A.W.BYVAMCK, Excerpta Romana, III, p. 171. Haarlemmermeer (datering: I tot en met IVB): genoemd worden: Julius Caesar, Augustus, Tiberius, Hadrianus, Marcus Aurelius, Commodus, Septinus Severus, Constantinus I en Theodosius I (-1 395). Haarlemmermeer-Huigsloot (datering: ca 400): ruim 13*000 muntjes uit de laatste keizertijd. Haarlemmermeer ca 1926 (datering: onbekend): niet .te determineren Romeinse munt. Hilversum (datering: ca 400): munt van Trajanus. Velsen datering: VI of later): byzantijnse .munten, o.a. Justinus 513-527 en Justinisnus 527-565. onder Wijk aan Zee (datering: onbekend): Romeinse munten. Texel-Den Burg (datering: I-IÏA): munten van Tiberius, Caligula, Vespcsianus en Trajanus. Texel-De Waal (datering: Vl): twee munten van Justinianus 527-565. Bovendien kent mon nog vondsten van Romeinse munten uit:


-132Uitgeest-Dorregeest (datering : i): twee sterk gesleten Romeinse bronzen, gevonden bij de opgraving van het Rijksmus. v. Oudh. te Leiden (Dr F.C.BURSCH, 1941). Velsen-Herenduinen (datering: i): munt van Caligula (H.J.CALKOEN,Westerheem, II (1953), P- 40 en pi. V ) . Het is volstrekt niet uitgesloten, dat in do loop van de tijd nog andere Romeinse munten in de duinstreelc zijn gevonden.Mocht een van onze leden hiervan kennis krijgen, dan wordt hij dringend verzocht,dit door te geven. Intussen past hier een woord van welgemeende dank aan de heer CE.DE BOER voor zijn grote medewerking.

HERTENVERERING BIJ DE OUDE BEV/0Ï7ERS VAN ONS LAND door Ir F. DS FREHERY (Hilversum) Uit vondsten bij opgravingen in ons land is vele malen duidelijk gebleken, dat de vroegere bewoners herten- en rendierjagers waren. Daarnaast dienen wij echter te bedenken, dat deze mensen behoorden tot de grote groep van volkeren,bij wie hertenverering plaats vond. In de latere Germaanse cultus vinden we Freya steeds vergezeld van het hert; de Keltische god Cermunnos had een hertengewei als hoofdtooi. Voor een hertencultus zijn in ons land weliswaar geen directe aanwijzingen te vinden, want cultische afbeeldingen op rotsen, zoals die in Scandinavië veelvuldig voorkomen (pi.XVIII, l ) , ontbreken vanzelfsprekend in ons land en wat er aan houten heiligdommen misschien is geweest, is natuurlijk volkomen verdwenen. In de folklore is echter nog veel bewaard gebleven,dat op hertenverering 'rijst. In de eerste plaats is er de Hubertus-sage, waarin het hert een zo belangrijke rol sr;eelt, doch oo2c in velerlei volkygsoruikon zi^n herinne—


-133ringen aan de hertencultus terug te vinden. In zijn onlangs verschenen boek "Noord-Europese Ilysteriën en Inwijdingen in do Oudheid" geeft B.J. VAN DER..ZUYLEN daarvan verschillende voorbeelden. Uit de Vle en Vlle eeuw lezen wij telkens van verboden OBI zich in hertenvellen te hullen en hertengeweien op te zetten bij het lentefeest. In sommige streken van Duitsland heet de Maandag na vastenavond "Hirschmontag" en verschillende bronnen vermelden,dat dan rondgelopen wordt met hertengeweien.Deze gebruiken mogen wij waarschijnlijk wel zien als het voortleven van wat eens samenhing met de oude cultus. In onze naaste omgeving wordt nog steeds Hartjesdag gevierd, een feest dat met veel gejoel en rumoer gepaard gaat en waarbij rondgangen gehouden worden. Een en ander doet denken aan de rondgangen der Bersekkers e.d., zoals VAN DER ZUYLEN die beschrijft. Een zeer sterke aanwijzing in deze richting is, dat het landgoed Hartensberg bij Sonsbeek op een heuvel ligt,die in het einde van de XVIde eeuw Hartgensberg genoemd werd, en dat de bevolking toendertijd met Hartjesdag naar deze hoogte trok. Het lijkt er dus op, dat deze heuvel een plaats van hortenverering geweest is. Een ander voorbeeld van het voortleven der cultische betekenis van het hert in de folklore zien we in een zg. Fensterbierscheibe uit het Bomann Museum in Celle (pl»XIX, fig. 2 ) , waar de ploeg, die een vore in de akker snijdt, wordt getrokken door een vierspan herten, terwijl het bruidspaar erachter loopt. Ook in Engeland wijzen vele lang in stand gehouden oude gebruiken er op, dat men daar de hertenverering gekend heeft. Zo werd in St Paui's Cathedral tot 1726 toe eens per jaar een op een stok bevestigd hertengewei rondgedragen, terwijl deken en kapittelleden bij die gelegenheid gewfiiïen droegen, waarop voorstellingen van herten of hinden waren geborduurd. In Abbots Bromley in Staffordshire wordt tot in onze dagen met Kerstmis een horn-dance opgevoerd, waarbij do dansers geweien dragen. In Frankrijk mogen wc misschien oen overblijfsel van een oud h^rtenoffer zien in de Hartenrjaalti jd, die de Raad van Frankrijk hield met ft Jen, dus met Zomor-zonno-


-134wende. Diana wordt in Frankrijk veelal afgebeeld met een hert.Zeer fraaie voorbeelden d.iarvan treft men aan in het Chateau d'Anet (Eure),nl. Le Nymphe van Benvenuto Cellini, en Diane d'Anet van Jean Goujon (itshans in het Louvre.R. ) . In Rosrtitti in Zwitserland wordt nog jaarlijks m et vastenavond een hertenkoning gekozen,die oen gewei op het hoofd krijgt. Dergelijke gewijde maskers kont men ovencons in hot gebied van Vcrdcnfeiser,terwijl ook in Zcvcnburgen een soortgelijk gebruik bestaat. De vraag is nu, wat eigenlijk de betekenis was,die aan het hort in deze cultus werd toegekend. ïïior kunnen vrij misschien tot eni^ begrip komen, als wij ons enerzijds herinneren waar de Edda het hert plaatst en andererzijds in gedachte houden, dat de Oude liysterie'n, zoals VAN DER ZUYLEN aantoont, zo sterk op het motief van dood en herleving berusten. In de Edda lezen w i j , dat bij de boom Yggdrasil - een es of een taxus - vaak een paar viervoeters aanwezig zijn. Soms sijn het er vier en meestal zijn het herten (Dain, Duralin, Duneyr en Durathor). Dat er herten aouden staan aan de voet van deze boom schijnt alleszins redelijk, immers het hert 1: jkt het meest in aanraerking komende van de dieren, waaruit de Scandinavische wereld voor deze plaats een keuze moest doen: beer,wolf,paard,koe,zwijn, hert. Geheel in overeenstemming hiermede is de voorstelling op een sieraad, gevonden in Zuid-Eusland, thans in de collectie van de Ermitage in Leningrad, daterende uit de IVe of Ve eeuw (pi. XVIII, 3 ) . In het midden van het medaillon staat de boon Yggdrasil mot ernaast vier herten en in de top een adelaar. On het medaillon zi^n in een boog 19 kogeltjes aangebracht en ieder kogeltje is voorzien van een driehoekje, gevomd uit 9 pareltjes. De getallen 19 en 9 hebben kosmologische en mystieke betekenis in de Scandinavische mytho?ogie. Echter moeten vrij niet vragen naar de redelijkheid van deze keuze, naar wij moeten de vraag stellen, of een mystiek r.otisf er toe geleid kan hebben juist deze keuze te maken en zo ja, welke mystieke betekenis het hert heeft, die aanlaiding is gewejst on dit dier aan de voet van ï>tdrasil te plaatsen. Dit rechtstreeks uit de Scandinavische mythologie af te leiden is r.oeili^k, Uij Kunnen


Plaat XVIII


Plaat XIX


-135echter in zeer vele gevallen waarnemen, dat de beelden van de Scandinavische mythologie wortelen in dezelfde gedachtenwereld nis waaruit de beelden van de Christelijke symboliek der vroege Middeleeuwen staramen. Om een antwoord op de gestelde vraag te krijgen, mogen we dan ook misschien wel de Physiologus raadplegen. In "Der Bilderkreis des Griechischen Physiologus" (Leipzig, 1899) zegt JOZEF STRYGCWSKI het volgende over het hert: XL üebeivden Hirsch. Der Hirsch ist ein Peind der Schlange. '-Jenn der Draohe aich in einen Felsspalt flüchet, geht der Hirsch und i"üllt soin I'laul mit Quellwasser und ISsst es, wo die Schlange ist, in die Spalte. Er zieht sie so herauf vind tötet sie. So tötgto Christus den Teufel, dor das himralische Wort nicht er-Eragen kann. De laatste zin is de iniddeleeuws-christelijke karakterisering van het oude beeld, dat ons overigens niet veel verder brengt don dat daarin het hert wordt geplaatst aan de goede zijde, zijnde vijand en verdelger van het kwaad, de slang. Het voorkomen van slangen aan de voet van Yggdrasil wordt inderdaad in de Edda vermeld, bv. in strophe 34 van het Grxmmismal. Ook bevindt zich daar de bron Urd, volgens scrophc 19 van het Voluspa. Wij constateren dus eens te n:eer, dat de orde bronnen van het vroeg-middeleuuws Christendom kloppen iaat die van de Gcmiaans-Sccndinavische wereld,maar veel opheldering geoft de aangehaalde tekst r.og nietlïu vermeldt T,.T.MOLSDORJT in zijn boek "Christlicno Symbolik der mittelaltorlichen Kunst" de volgende bijzonderheden: (1041' Die VJiedcrgcburt durch die Taufe finclet ihren symbolischen Ausdruck in den. Plirsch, der nach dea Physiologus, die durch seinen Haucli tufgescheuchte Schlange zertritt und verschlug-te. Ui; fiber en der. Gifte nicht zu sterben, sucht er eilende frisches Wasser auf, worin er sein G>="-reia veiiiert und zu neuem Leben geboren v;ird. Deze tekst bevat aeer '..'aardevolle aanduidingen. Dat, wat liet hert onderscheidt van de andere viervoeters, die voor esii plaats bij YgTtirasil i.n asiniaerking zouden iOinnen konen, is het gewei. Het kenmerkende van het gev;ei tejono-.-3.ir l'.ODrns is rJ.et alleer dat het gc..-ei vertakt is, "iaar


-136bovenal, dat het hert dit gewei ieder jaar verliest en herkrijgt; hoorns worden daarentegen niet afgeworpen. Juist dit afgestoten worden en weer aangroeien van het gewei nu maakt het hert tot zinnebeeld van de idee der wedergeboorte en van de doop, een plaats, die door geen der andere viervoeters kan worden ingenomen. En juist daarom zien we het hert bij de boom Yggdrasil,aan de voet van do lovensboom, waar de levensbron Urd vloeit en waar de Noren di levensdraden spinnen in hot maanlicht. Dat het hert vanouds als representant van de levenskrachten werd gezicr, blijkt ook uit oen palaoolithischo rotstekening in Cimbergo Val Camonica in Boven-Italië, waar het hert tussen het gewei de levensboom draagt (pi. XVIII,4). Men zou dit kunnen beschouwen als de praehistorische voorganger van het Christelijke St Hubertus hort. Over een grote uitgestrektheid heeft het hert een cultische rol gespeeld. De aangehaalde voorbeelden uit Scandinavië, Noord-Italiö en Zuid-Rusland, kunnen nog worden aangevuld met vondsten van de Nimrud opgravingen (gepubliceerd in Illustr. Lond. Ifews, Aug. 1953). Daarbij kwamen zegelcylinders aan het licht,die twee herten vertonen ter weerszijden van de levensboom (pi.XIX, 5), een beeld dat zeerovereenstemt met de voorstelling van Yggdrasil. Ken kan hierin een aanwijzing zien, dat deze mythologische beelden in de Oudheid over enorme gebieden en onder vele volkeren verspreid waren. Tenslotte geeft KARL THEODOR WEIGEL in zijn artikel "Der liirsch, zur Verbreitung und Bedeutung eines Sinnbildes" (Germanien, 1942) nog verschillende voorbeelden , waarvan misschien het belangrijkste is de door A.RUST in zijn "Grabungsbericht der Ahrensburgerstufe" (llachr.Blatt für deutsche Vorgeschichte, 1936, lo/ll) vermelde vondst aan de oever van een meertje in het Stellmoor, van een méér dan twee meter lange dennenhouten paal, waarop een rendierschedel was bevestigd (pi. XIX, 6 ) , welk voorwerp zeer waarschijnlijk als een cultus object moet worden opgevat. De voorbeelden van het in onze folklore voortleven van de hertencultus dank ik aan mijn vriend F.E.FAHUERCK te Kilversun.


-137MATEURISTISCHS NOTITIES (slot) door Mr H.K. DE RAAF (Heemstede) Ha 'net avontuur aan de Oude Weg (Westerheem ji., 9-10), werd gedurende het voorjaar 1952 door ons een oudheidkundig bodemonderzoek ingesteld in de Kerkheuvel van S p a a m woude. Ook dit vond plaats met steun van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, die ons daartoe enige DUW-arbeiders ter beschikking stelde. Gedurende de 9 weken dat dit "karweitje" duurde,heoft mijn vrouw, vaak onder hagel- en sneeuwbuien, geregeld met do arbeiders meegewerkt. Gezien de ongeschooldheid van deze laatsten, lieten wij hen echter van bepaalde, veelbelovende gedeelten alleen de bovenlaag afgraven; het "schervenpakket" werd door ons zelf verder ontgonnen. Het doel van dit onderzoek was in de eerste plaats, vast te stellen, of de kerkheuvel moet worden beschouwd als een natuurlijke verheffing van het oude duinlandschap, dan wel als een door mensenhand opgeworpen, kunstmatige heuvel. Door het graven van enige radialo sleuven (zie schetskaartje, pi. XVI,3) kon worden vastgesteld, dat de heuvel gefundeerd is op de hoogste kop van het binnenduin ter plaatse,doch dat zij haar tegenwoordige hoogte heeft verkregen door geleidelijke ophoging, allereerst door haar bestemming, omstreeks 1200, tot "Akker Gods". Deze aanleg werd geaccentueerd door een in die tijd gegraven gracht in de moederbodem van het oude duinlandschap (resds door een luchtfoto gelocalisesrd!). Aan de binnenzijde hiervan verrees, ter beveiliging, eon muurtje van kloostennoppcn (afm.: i 30 x 14 x 3,5 c m ) , terwijl het terrein niet het uit de gracht afkomstige zand werd opgehoogd. Later, omstreeks 1450, toen de eenvoudige parochiekerk tot grotere kruiskerk moet zijn verbouwd, bleek het ommuurde terrein daarvoor te klein. De gracht noest worden gedempt en over het geheel werd een nieuwe e^alisatielaag aangebracht. 3e gracht blijkt echter, vóór --de denping, ree-ds ten dels opgevuld te zijn geworden dooi- een dikkö laag vette klei,


-138daar afgezet gedurende eeuwenlange winter- en voorjaarsoverstromingen van het IJ. Hieraan kwam blijkbaar een einde dóór de aanleg van de Hoge Spaamdammerdijk in 1426 (zie kaartje in Uesterheem II, 9-10). Althans, het in de kleilaag gevonden aardewerk behoort uitsluitend tot de 14e eeuw en vroeger (pingsdorf, inheems kogelpottengoed , vroeg Siegburger steengoed), terwijl in de grond, waarmee de gracht werd gedempt, dok veel 15e-eeuws aardewerk werd aangetroffen. Uit do tijdstippen van graven en dempen dor gracht, vastgesteld aan de hand van het gevonden materiaal, kunnen interessante conclusies worden getrokken ten aanzien van do kerkgeschiedenis van Spaarnwoude, m.n. van het tijdstip, waarop de parochialiteit met de sepultura werd verkregen, alsook van dat der verbouwing tot kruiskerk. Inaiddels hebben wij van de fundamenten, laat staan van de fundamentsleuven van deze kruiskerk, geen spoor kunnen ontdekken. Blijkbaar zijn deze, misschien reeds in 1764,bij de bouw van de tegenwoordige kerk, volkomen weggeruimd. Het middeleeuws aardewerk en steengoed, in de grachtvulling aangetroffen,verschilt in grote trekken niet veel van dat, gevonden in de boomgaard ten Z. van de kerkheuvel, besproken in Westerheem II, 7-8 (pi. IX). Bijzondere vermelding verdienen enige fragmenten van sarcofaagdeksels van bonte zandsteen, daterend uit omstreeks 1200 en afkomstig van de oudste "Akker Gods" (de naam staat nog op de kerkhofingang). Het type werd door BRAAT besproken in zijn publicatie over de Wieringermeer. Tenslotte werden, op het niveau van de moederbodem van het oude duinlandschap,in de radiale sleuven enige scherfjes van "Fries-Bataafs" terpenaardeverk gevonden, alsook enige wandscherven van gladwandige Romeinse kruiken. Bovendien wand- en randscherven van een groot voorraadvat met zeer wijde mondopening, dat wij houden voor Romeins, uit het eind der 1e of het begin der 2c eeuw. Dit alles wijst erop, dat ook het punt, waar zich thans de "Stompe Toren" verheft, in Romeinse tijd bewoond was. Genoemde irand- on randscherven zijn hardgebakken, grijsblauw en vertonen aan de buitenzijde bredo draairingon op hals en schouder. Het driekoekige,van boven horizontaal afgeplatte on van onderen sterk ingesneden randpi-ofiel, is vrij-


-139wel identiek met dat van Romeinse kookpotten uit de 2e eeuw, zoals wij die elders aantroffen in een afval put, vrelke uitsluitend Romeins aardewerk bevatte. Het is niet zonder enige voldoening dat w i j , aan de hand van het gevondene - ook al is dit weinig spectaculair -, constateren, dat de bewoning van de Veerpolder en van Spaarmroude in Romeinse tijd thans is aangetoond,zodat het grots aantal blanco plekken op de crchaeclogische kaart van VJestolijk Nederland weer inet enkele kan worden verminderd. Het is een merkwaardig feit, dat de geheimzinnige aantrekkingskracht, welke de relicten van het verleden op de meeste mensen uitoefenen,groter wordt naarmate de beschavingsperiode,waaruit zij stammen, verder van ons af ligt. Een geheel aannemelijke verklaring voor dit verschijnsel - drt o,i. geheel los staat van de waarde, schoonheid of zeldzaamheid van het gevondene - hebben wij nog niet kunnen ontdekken. Wat Spaarnwoude aangaat, hier werd deze ongemotiveerde "vlucht in het verst mogelijke verleden" door somnige Wurksen als ziekelijk gequalificeerd -, naar ons gevool gelouterd en op een hoger plan gebracht door de cultuurhistorische betekenis van hetgeen gevonden zou kunnen worden, Deze vormt de vergoeding voor veel en vaak inspannende arbeid, welke nooit ten doel heeft het vinden van een min of meer onooglijk fragment, dat op zichzelf het aankijken nauwelijks waard is, maar waaraan het feit ten grondslag ligt, dat het voorkomen en de vondst van één bepaald, scherf je juist op die plaats, boekdelen kan zeggen en i n staat is, onze traditionele opvattingen omtrent cultuur- en bewoningsgeschiedenis van een onderhevig gebied geheel te wijzigen. Een. tot dusver onbelangrijke plek kan daardoor eensklaps worden omgetoverd tot eerbiedwaardige "historische" grond. De zucht om steeds verder af te dalen in hst verleden was oorzaak dat w i j , na beëindiging van onze arbeid te Spaarnwoude, cp instigatie van de heer K.DEICC3R te Alphen arm den Rijn, onzs werkzaamheden verplaatsten naar ZuidHollend. Daar,waar de beroends Romeinse Lines -.ras gelagen langs de Oude Rijn,ligt het materiaal op somnigo plaatsen lexxerlijlc voor hot oprapen. Haar dat de onderzoeker, vil hij iets van belang vinden, ook hier most verken in het 2wo=t ^ijns aanschijns, daarover lator neer.


-140TWEE PRAEHISTORISCHE BIJLEN UIT HOORN (N.H.) door TH.G.APPELSOOM (Rijksmus.v.Oudh.,Leiden) In de afdeling Nederlandse Praehistorie van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden bevindt zich een tweetal voorhistorische stenen bijlen,die te Hoorn zijn gevonden. Ter nadere kennismaking geef ik hier eerst van ieder stuk een beschrijving van het type en de omstandigheden, waaronder beide exemplaren in nationaal bezit zijn geraakt. I. Inventarismerk g.1897.7.1. (zie plaat XX, fig. 6) Zware bijl,van donkergrijze dioriet, lengte 20 cm, grootste breedte 7 cm, grootste 5 cm. Vanaf do puntgave, zeer zorgvuldig geslepen snede (lang 5 cm), tot op ongeveer de helft van de totale lengte van het stuk,is het gehele oppervlak rondom fraai gepolijst. De andere helft,met inbegrip van de top, is tamelijk rond-ovaal op doorsnede en heeft een ruw oppervlak. Halverwege het stuk is de doorsnede meer zuiver-ovaal. Deze bijl werd in 1897 door het Museum aangekocht van de Heer J.G3RVER Jzn,koopman te Hoorn, «aar laatstgenoemde toen mededeelde, was dit exemplaar in of nabij Hoorn gevonden en lango tijd in hot bezit van zijn familie geweest. Vondstomstandigheden ontbreken helaas geheel. II. Inventarismerk H.B. (Haart 1853). (?laat XX,fig.7) Korte, dikke bijl van donkergroene dioriet, lengte 11 cm, grootste breedte 6 cm,dikte 4 cm,De snede heeft een lengte van 6 cm. Vanaf deze goed geslepen en zoer gave snede is de bijl zeer glad gepolijst en, behoudens een afgesprongen splinter bij één der hoekpunten, onbeschadigd. Het andere einde,met inbegrip van de top, is tamelijk ruw van oppervlak. Men krijgt de indruk, alsof daar dikwijls tegen of mee geslagen is; de gave snode pleit echter niet voor veelvuldig gebruik. Op doorsnede is dit stuk ovaal, mot afgeplatte korte zijden. De top is breed èn enigszins afgeplat, zodat wij hier van broedtoppig mogen spreken. Deze bijl werd op 28 Februari 1853 gevonden in de tuin


-141-

van de Heer P.BRESSER te Hoorn. Hij werd aangetroffen op een diepte van meer dan 17 voet, in zandgrond, waarboven zich 5 voet kleigrond,en op die kleigrond de houten bodem bevond van een zeer oude waterput, dio 12 voet disp was (pi. XXI, B ) . Dase vondsxomstandigheden zijn ontleend aan een schrijven van do vinder,dd. 23 Februari 1553, gericht aan Dr L.J.F.JAITSSEÏJ, destijds conservator bij het Rijksmuseum van Oudheden (helaas is van dit schrijven hot origincol daar niet moer aanwezig). Beide stukken zijn gepubliceerd in afbedding,mot korte vermelding vsn do vondstomstandigheden, bij PLSYTE 1 ) . Ook werden zij opgenomen in HOÏ/fEBDA's "Catalogus van het Rijksmuseum van Oudheden (Eed. Afd.) 2 ) . Sedertdien zijn deze bijlen in het vergectboek geraakt en werden zij in do literatuur nergens meer genoemd, op grond waarvan het bestaan der stukken niet algemeen bekend nag wordon geacht. Daar met de vondstomstandigheden wellicht weinig was aan te vangen, is het bovenstaande wel verklaarbaar. Met bohulp van deze gegevens was het nmelijk onmogelijk, doze bijlen in hun culturele milieu te plaatsen, m.n. zo toe to schrijven aan oen bepaalde tijd. llu Westelijk TTedorland archacologisch mo^r en meer in de belangstelling komt te staan en aldaar gedurende de laatsxo doconnia bovendien belangrijke vondsten zijn gedaan, look mij oen ruimere bespreking van boide stukken verantwoord. Ook is hot nuttig eens na to gaan, of wij thans, mot do ons bekende gegevens van do bodomonstandigheden en dio vnn do typologie, iots kunnon aanvangen. 'Jat do vondstomstandigheden betreft,kunnen wij slechts gebruik maken van nr. II. Wij noote-n hierbij dus gahacl afgaan op de mededeling, ons daarover gedaan door de Hoor P.BRESSER voomoerad. Met deze gegevens heb il: mij gewend tot de Geologische Stichting,afdeling Geologische Dienst, te Haarlem, waar men mij uitvoerig inlichtte over de mogolijkliaden, die hier armwezig zijn. Gaarne seg ik hier dank aan de Heer E.J. VAK VOORTEÜYSE:T, die zo vriendelijk was, rij een doorsnede te zanden van do bodem van E o c m (blad 2 6 4 ) , getekend aan de harxL van een daar verrichte boring (pi.XXI,'1}. De Hoor YAI" /OORTHCYSSIT tekjnt hierbij CMn: '\2.'^ de bijl indoi-daad i"i situ govonden is op 17


-142-

voet diepte,dan was hij gelegen of in de oude blauwe zeeklei (I3k),of in de oud-Holocene wadafzettingen (io). Dit is merkwaardig, aangezien deze lagen marien zijn." Uit dit overzicht volgt,dat de gegevens, ons verschaft door de Heer ERES5ER,wellicht onbruikbaar zijn. Hoogstens kan nen nog aannemen dat de bijl,indien hij zich oorspronkelijk in de wand van de put bevond, bij het graven uit een hogere laag is neergevallen. Ondanks dit negatief resultaat is het aardig te zien, hoe onverdachte, oude gegevens van bodenkundige aard door moderne Geologische onderaookingsnethoden gecontroleerd kunnen worden. Rest nog slechts de typologische methode ter bepaling van de cultuur, waartoe de bijlen behoren. Het is eigenaardig, dat beide, zovel x*at bewerking als wat conservatie betreft, zeer sterk met elkaar overeenkomen. Op grond hiervan nogen wij wel een zelfde cultuur on ouderdom veronderstellen. Wat de vorm aangaat, kunnen wij zeggen, dat wij te doen hebben met laat-neolithische, West-Europese bijltypen, die echter qua type niet zijn toe to schrijven aan oen bepaalde cultuur. Zo te zien zouden wij met dit vraagstuk weinig verder kunnen komen, ware het niet,dat Hoorn ligt in een streek, waarin juist door archaeologische onderzoekingen der laatste tientallen jaren veel belangwekkend materiaal tevoorschijn is gekomen. Hierbij denk ik o.a. aan plaatsen als Gavijsend, waar een fraaie touwbeker,alsmede een fragment van een doorboorde stenen hamer, behorende tot de Bekercultuur, werden ontdekt 3 ) , Zandwerven,waar een woonplaats uit do Bekercultuur kon worden vastgesteld ^), Wervorshoof, binnen welke gemeente grafhouvels uit de Vroege- of Midden-Bronstijd (ca 1400-1000 v. Chr.) worden bestudeerd en Venhuizon,i\ndijk,Enkhuizon on Grootebroek, bekend door vondsten van stenen sikkels uit de Bronstijd 6,7),terwijl in de laatstgenoemde plaats bovendien een drietal grafheuvels werd onderzocht; deze "kunnen alleen structueel, d.w.z. typologisch,als thuis behorend in de midden-bronstijd gedateerd worden, d.v.m.i.z. Periode zgn. Kontelius III-IV, of,om althans enigszins de gedachte'te bepalen , omstreeks 1000 v. Chr., of nog vat later tot ca 750 v. Chr." 8 ) . Op dit betrekkelijk Ăź e i n e gebied liggen dus re2e.vindplaatsen bijeen. Ds oudste praehistorxsche vond-


PLAAT 3 X


PLAAT 3XL WESTFRIESLAND

10

N

OVERZICWTSKAART V.D. VONDSTEN UIT HET AENEOLITHICUM

EM DEfeRONSTUD

I

I

SCHAAL I:2.65000

i ->

3

I

I

3

2

+ o

.crrx

1125 55 I Si - 5 VOET

-X

I

IX V O E T - Z - 5 ^

rt

- iü £

BLAD: HOORN. M° 2.64 BORING N.°3

. ' •f


-143sten uit deze omgeving, zoals de bekert» en de hamer, zijn Aeneoliti sch (£1800 jaar vóór Chr.), de jongste, r..l. de grafheuvels van Grootebroek, zijn te dateren in de Midden"1 bronstijd (ca 1000), of nog later (ca 750). Kaar algemeen wordt aangenomen op grond van gedane vondsten, heeft de mens tot in de Vroege-Bronstijd stenen bijlen gebruikt. Daarna is men zó gewend geraakt afin het zoveel beter hanteerbare en i^ractischer brons, dat steen in onbruik raakte. (lloet dit beslist óók geiden voor dit gedeelte van West-Friesland? - Red.) Wezen dus, zoals va zagen, de uiterlijke kenmerken der bijlen op een datering in het late Keolithician, hot cultureel milieu tor plaatse naakt eon iots later datering, nua» XTX het Aeneolithieun of in de Vrooge-Bror.stijd, m.i. wol aannemelijk. Tenslotte zij nog vermeld, dat PLEYTE in zijn ;.roa.'k 'Tederlandsche Oudheden" (hoofdstuk "Uost-7riesland','p.l8) schrijft: "De bijl PI.VIII fig.3 en do dissel fig.4' (bedoeld wordt: 2, resp. 3) '"behoren tot de gewone algemeen bekende voorwerpen". Hiermede bedoelt PLEY7E natuurlijk het voorkomen elders dan in West-Friesland, want bij mijn ueten zijn deze stukken in dit deel van ons land zeldcaam, zo niet enig. Zonder twijfel verdienen zij in groter verband te worden opgenozien. L i t e r a t u u r : 1

) PLEYTE, ':!., Iïedorlandscho Oudheden, Toxt: 'Apriesland, r>. 18; Plaxcr.: W„-Frieslan&, pi. VIII, afb. 2 t= ons nr. Il), afb. 3 (= ons nr. l).- Leiden, 1877-1902. 2 ) FOLVfSREA, J.H., Catalogus van het Hi^csnuseua van Oudheden te Leider., Afd. Praehistorie en Iljdcrlandsche Oudheden, ^.27,onder nrs B.1.315 (ons nr i) on B.1.314 (ons nr Hl}.- Leiden, 1908. ?) BRAAT, "l.C, Archaeologie (in: Tooliohxing tij Co Geologische kaart xvan ïïedcrland, nr. 2 Hollands Iloorderlarartier;, afb. 1. (De hor.cr r;rd nog niet gepubliceerd.)- Uitg. Gooi. Stichting, afd. Geol. kaart, 19^7. , Do Archaüologio van ds "'fieringor^ccr, nc *ó, cfb.19.- Ouctn. Kec'-'d. R.r..0. ,".Pv. XIII 11952).


-1444) GIFFEN, A.E. VAN, Die Bauart der EinzelgrSber, p. 160, Til. 117, abb. 110c- Mannus-Bibliothek 44/45 (1930). 5) , Grafheuvels te Zwaagdijk, Gem. Weivershoof, Ïi.-H..- West-Friesland's Oud en Nieuw, XVII (1944), pp. 121-221. PLSYTE, W., o . c , Platen: West-Friesland, pi. VIII, 4. GIFFEN, A.E.VAN, Grafheuvels te Zuangdijk e t c , p.188, afb. 37 en 38. (Hier wordt ook nog een gebaarde stenen pijlspits met schachtdoorn uit de vroege Bronstijd genoend.) 3) f Onderzoek van drie Bronstijdgrafheuvels bij Grootebroek, gem. Grootebrock.- Wcst-Frieslands Oud en Hieuw, XX (1953), pp. 34-40.

UIT DE TIJDSCHRIFTEN W.ERCGMAN, Zur Frage der friesischen Runeninschriften. (in: Estrikken, Rige lytse Teksten en Studzjes op it gebiet fan de Fryske Filology, II, Friesch Instituut der Universiteit Groningen, 1953) Allereerst gaat Schr. in bovenstaande studie na, welke inscripties uit Friesland werkelijk echt zijn; in enkele gevallen bestaat er gegronde twijfel of runen niet in zeer recente tijd zijn aangebracht. Volkomen terecht houdt Schr. ook de nogelijkheid open voor inport van runen en raunten uit de vreemde.Zelfs gaat hij oen enkele keer m.i. iots te ver daarmee; bv. wanneer hij zegt (p.8), dat vó5r de Xldo eeuw feitelijk geen sprake is van een Fries munthuis. Hierbij laat Schr. niot de tegenwoordige opvattingen op het gebied der numismatiek recht wedervaren.In zijn noten komt men bv. de tweede druk van BOELSS' "Friesland tot de 17de eeuw" (1951) niet tegen, ofschoon toch juist daarin do kwestie der vroege Friese munt voorbeeldig behandeld wordt. Doze kwestie is echter voor de studie van KROGIïAN slechts van ondergeschikt belang. In hoofdzaak neemt Schr. hob opschrift on het kleine


-145-

houten zwaardje van Aruni "onder de loupe". Na een historisch overzicht der talrijke lezingen van de runeninscripties daarop, komt hij tot een nieuwe lezing: edlboda, wat in het oud-fries betekent: ziektebrenger. Uit de vorm van dit woord raag een afleiden, dat dit opschrift inderdaad aangebracht is in de omgeving waar het later, in 1895, is gevonden, m.a.w. men bezit in het zwaard je van Arum de oudst bekende taalrest van de Friezen. Volgens Schr. is het zwaardje te dateren in het begin van de VlIIste eeuw. Dezo zeer interessante en zeer aannemelijke verklaring wordt gesteund met uitvoerige bewijsplaatsen en paralellen op filologisch on volkskundig gebied. d.B.

W.C.BRAAT, Een stenen strijdhamer uit Katwijk a/d Rijn. (In: Leids Jaarboekje 1953, pp. 103-106, met foto.) In dit beknopte opstel wordt de vondst besproken ven een strijdhamer ven zwart dioriet,welke tevoorschijn kwam bij het zandzuigen te Katwijk a/d Rijn. Het stuk op zich zelf is weliswaar niet bijzonder opvallend, maar uit het oogpunt van de verspreiding is het heel belangrijk, als een der zeer schaarse vondsten behorende tot de Bekercultuur (+_ 1800 vóór Chr.,, uit het Westen van ons land,n.zi. op de oude oinnenduinen. Vermelding van dit vondstbericht in Vtesterheera mocht o.i. dan ook niet achterwege blijven. Schr. geeft tevens een korte beschouwing over de herkomst van het volk,,dat door het bezit van dit wapen wordt gekarakteriseerd. De stenen hamer is een imitatie van het koperen voorbeeld, door het strijdhamer- en bekervolk, de Ariërs,in Z.O.Europa ontwikkeld,en de herkonst der Ariërs uit het Zuidrussische steppengebied is z.i. dan ook onbetwistbaar. Eet doen prevaleren van de ongetwijfeld sterke argumenten voor een tegenovergestelde opvatting, speciaal door vele Centraal- on Tïoordcuropese onderzoekers, moet, volgens Dr BPAA.T, worden toegeschreven aan nstiondistische hoogmoed.


-146-

VERENIGIÏIGS-MEDEDELINGEN K R O N I E K AMSTERDAM & OMSTREKEN: 23 Hov. Prof. Dr A.E. VAN GIFFEN, "Het Terpenprobleem en de Terpen van H.Holland". RIJNSTREEK: 26 Nov. Da Heer J.G.N.RENAUD, "Van Burcht tot Landhuis". Activiteiten na 5 December konden niet worden opgenomen.

VAN DE PENNINGMEESTER Wilt U s.v.p. reeds nu Uw contributie voor het jaar 1954 storten op girorekening 577808, t.n.v. de Penningmeester van de Archaool. Werkgem. v„ ïïest. Kederland te Haarlem? Een vlotte betaling van de contributie voorkomt veel overbodig vrerk en vertraging in de uitvoering van de verenigingswerkzaamheden. Beleefd willen wij U verzoeken Uw medewerking hierbij te verlenen. Het is trouwens Uw eigen belang, bovendien verlicht het de taak van de bestuursleden. De algemene contributie bedraagt PI. 5 , — per jaar. Bc leden, die tot een werkgroep behoren, dragen Fl. 1 , — extra bij ter bestrijding van de kosten van vergaderingen o.d. van deze werkgroep. Dit bedrag kan tegelijk met de contributie op bovengenoemde girorekening worden overgemaakt. Het is de bedoeling van het hoofdbestuur, ons tijdschrift "Westerheem" vanaf Januari 1954 in druk te doen verschijnen.De groei van de A.'J.W.N, en de daarr.ee samenhangende werkzaamheden maken deze stap noodzakelijk. De mogelijkheden van ds A.T-,T.W,NO worden hierdoor groter,maar vanzelfsprekend zullen de kosten ook meer worden, vooral de eersxe tijd. Juist om deze reden zullen vrijwillige verhoging van do contributie en extra bijdragen door hst bestuur zocr op prijs gosteld worden.Speciaal extra finanticle bijdragen ton bato van ons tijdschrift "VJcstcrhecn" zijn zeor we]ko.n.In het bijzonder do rudactie zal U hiervoor zeer dankbaar zijn, iuners, zij sal 'J in het koiionde jaar daarvoor nog moor kunnen bieden, vjerlri - U allen -:edo oia dit plan ten uitvoer te bren.~e.i.


-147Willen zij, die hun contributie voor het jaar 1953 nog niet voldeden,dit alsnog ten spoedigste doen? Al deze navorderingen kosten tijd en geld, die beter besteed kunnen worden. Voldoet U aan onze verzoeken en werft ook leden, het is U-J onontbeerlijke steun aan het hoofdbestuur! C.Roodenburg, Penningmeester A.'Vif.lJ. van Eeder.straat 9,Haarlem.

W E S T E R H E E

II - F O N D S

Bijdragen in dit fonds, waarvan de golden zijn bosto.-.d voor uitbreiding en verbetering van dit blad, kur_~3n verden gestort op giro-nr 591170, t.n.v. i-ievr. E.T.YLKHAGEI'PSII'IÏIL-A, te LEID3IJ. "verantwoording: Bespreking "I'ieuwc wogen", A. ƒ. 2 , — , D.J.v.d.1.'., Auste^dati ƒ 2,50. Ket V'osterhoerj-fonds naakte het de Redactie Hogelijk, dit numinar uit te broidon tot 28 pagina's, terwijl ook in de kosten dor fotc-roproducties belangrijk door dit fonds werd bijgedragen.

:ÏTZE3I;:G CO?Y SIÏ IIEDEDELIHGSÏÏ Getracht zcl worden, het volgende nunuaer, d. i. aflevering 1-2 van Jaargang III, ronden 1 Februari 1954 te doen verschijnen. Daartoe zal het evenwel nodig zijn, dat copy en mededelingen uiterlijk 5 Januari in het bezix van de Redactie zijn. Men rordt derhalve dringend verzocht,hieraan .aede te verken, door vlotte en tijdige inlevering van copy en asdedolingen.Duidelijk schrift (liefst r.at behulp van schrijfMachine), alsmede gebruik van juiste s-ijl en spelling, zullen de redactionele arbeid aanmerkelijk kunnen verlichtsn en daardoor het tijdig verschijnen van dit blad bevorderen! IT.3. Pan, di^ vfiardovolle gegevens (menen tj) bosi-cen en "nicc ".cun.icn schrijven", word"; net klein aangerr.de.1, zich 3vcicoi)"3 tot d.j F/,ö-:.ctie te Uw-dan, opdac voor jv;ntu„lo ' -ooil-.j^ccon" oen oplossing gezocht worde.


-148VERBETERINGSN Eli TOEVOEGINGEN IN HET VORIG HUI1IÏER p.104, p.104, p.106, p.107,

r.18 r.2O r.27 r. 9

v.b.: v.b.: v.b.: v.b.:

bransteen.. moet zijn barnsteen de Bronstijd., moet zijn:het Neolithien 42 moet zijn: en XXXVII, 42 (cum 14e en 13e eeuv moet zijn: 14e en 13e eeuw v. Chr. (19e dynastie) p.111, situatie-schets: De Liede loopt, ter plaatse waar het Vuilrak hierin uitmondt, onder de Oude Weg door; in de afbeelding is deze verbinding abusievelijk weggevallen. p.117, r, 5 v.b.: zandbodem-fragmenten moet sijn: wand+bodem-fragmenten.

IÏÏKOUD VAK DIT MUI-HER Voortgang ' . bis. 121 Een Romeins spel net Speelschijfjes, door H.J.Calkocn„ „ 122 De Romeinse Kelm uit Vierikerschans, door Dr H. Erunsting „ 123 De Deense Runeastoncn te Jellingo, door J.Ch.M.do Ilolyn, H.A „ 124. Roucinse te Heemskerk (II.E.), door W.J.do Soonc „ 130 Hertsnvcrering bij do oude Bewoners van ons lend, door Ir F. de Frcmcry „ 132 Jimatouristische lotitios, door Kr H.K.de Raar „ 137 'h'Toc prachistorische Bijlen uit Koorn (N.H.), door Th. G.Appelboom „ 140 Uit do tijdschriften „ 144 Varemgings-nododolingen „ 147 Illustraties: H.J.Calkoon, Volsen. Reproductie: Rcproka, Ancrsfoort. Eindredactie en opnaak: H.J.Verhagen, Loiden. Stencils c.iz.: H. 0.3 Bot, Rotterdam.

1953  
1953