Issuu on Google+

discours jaargang 2 | nummer 2 | juni 2010

magazine voor de Onderwijs- en Opleidingsregio van het AMC

Nieuw: Spoedeisende Hulp-arts

1 discours

juni 2010


-inhoud-

Discours, het magazine voor co-assistenten, arts-assistenten en opleiders in de Onderwijs- en Opleidingsregio van het Academisch Medisch Centrum. Pagina 3

Pagina 18

De Huismeester

Verplicht: co-schappen in België

Meta van Voorst Vader-Stikkel, Flevoziekenhuis

Lange wachttijden dwingt onderwijsinstituut tot maatregelen

Pagina 6

Pagina 20

AMC en VUmc

Roddelen: voor verbetering vatbaar

Opleidingen afstemmen

Pagina 22 Pagina 10

De kunst van feedback

Nieuw specialisme: Spoedeisende Hulp-arts

Coach de Co

Pagina 14

&

Eerste lichting net klaar

Rubrieken

afzwaaien

Proosten met jonge klaren Pagina 9 | Column | Exotisch onderwijs Pagina 16

Pagina 13 | Uitlenen | Berichten uit de bieb

onbekend maakt onbemind

Pagina 23 | Agenda | juni, juli, augustus, september

Grote tekorten bij Pathologie

Pagina 24 | Uit de polder | Nicolien in Nieuw-Zeeland

P. 10

P. 6

P. 18

Colofon Discours, juni 2010 Jaargang 2, nummer 2 Verschijning: drie keer per jaar Oplage: 4500 Uitgave: Discours is een uitgave van het Academisch Medisch Centrum (AMC), Amsterdam.

P. 14 Redactie: Suzanne Bremmers (eindredactie), Frank van den Bosch (hoofdredactie), Rick van den Doel (co-assistent), Maas Jan Heineman (voorzitter van het Onderwijsinstituut medisch specialistische opleidingen), Mario Maas (voorzitter van het Onderwijsinstituut geneeskunde), Philip de Reuver (arts-assistent bij het Spaarne Ziekenhuis) en Stéphanie van Straaten (co-assistent). Bijdragen: Marc van den Broek, Michel van Dijk, Jasper Enklaar, Andrea Hijmans, Simon Knepper, Danielle Kraft, Catrien Spijkerman, Jan Stam en Jeroen Vliegenberg.

2 discours

Art Direction en Ontwerp: Van Lennep Fotografie: Hans van den Boogaard, Janus van der Eijnden, Noël Loozen Zet- en drukwerk: drukkerij Slinger, Alkmaar Redactieadres: Afdeling Voorlichting Academisch Medisch Centrum Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam Telefoon: 020-5662822 Email: discours@amc.nl Website: www.amc.nl/discours

juni 2010

Ideeën voor de volgende Discours inleveren voor 6 september. Niets uit deze uitgave mag worden geproduceerd door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.


-De Huismeester-

Meta van Voorst Vader-Stikkel Het Flevoziekenhuis

‘Ik zit graag in de kraamkamer’ 3 discours

juni 2010


-De Huismeester-

‘Ik zit graag in de kraamkamer’ tekst: Daniëlle Kraft beeld: Janus van der Eijnden

Sinds januari dit jaar is Meta van Voorst Vader-Stikkel coördinator Medische Opleidingen in het Flevoziekenhuis in Almere. Ze is in het ziekenhuis de eerste professional in deze functie. ‘Voorheen kon een medisch specialist het erbij doen, maar met de wens een fullswing opleidingsziekenhuis te worden, kan dat niet meer. Dit doe je niet meer even tussen visite en polispreekuur in.’

Het Flevoziekenhuis in Almere is een ‘groeiziekenhuis’. Opgericht in 1992 ontwikkelde het zich van klein polderziekenhuis tot middelgroot opleidingsziekenhuis. Sinds 1995 verzorgt het co-schappen voor het AMC, sinds 2002 biedt het ziekenhuis ook vervolgopleidingen aan. Met vijf erkende specialistenopleidingen – interne geneeskunde, gynaecologie/verloskunde, dermatologie, KNO en kindergeneeskunde – is het Flevoziekenhuis weliswaar een bescheiden partner, maar wel een met kwalitatieve en kwantitatieve ambities. Aan Meta van Voorst Vader (52) de taak de onderwijspoot van het ziekenhuis verder op te tuigen. Ze heeft er in elk geval de kennis en ervaring voor. ‘De kunst is om mensen enthousiast te krijgen, mee te nemen in het proces en een relatie met ze op te bouwen. Netwerken dus.’ Het interview vindt plaats in de woonkeuken van Meta’s huis in Naarden. Een ruim nieuwbouwhuis, in de stijl van de jaren dertig van de vorige eeuw. Fraai staaltje van de architect, die het nieuwbouwwijkje hiermee naadloos heeft geïntegreerd in het omliggende, oude Naarden. Het Gooi is Meta vertrouwd; ze kwam en ging er en kwam er weer terug. Beweging, het begrip valt tijdens het gesprek meerdere malen, in de figuurlijke betekenis, maar is letterlijk heel toepasselijk op haar leven en loopbaan. ‘Het leven gaat zoals het gaat’, zegt ze, doelend op de onverwachte wendingen die het soms neemt. Londen Ze is flexibel en veelzijdig. In 1985 rondde ze haar studie geneeskunde af en wilde daarna gynaecoloog of anesthesist worden. ‘Gynaecologie ging niet door, omdat er onvoldoende opleidingsplaatsen waren, en de opleiding anesthesie moest ik afbreken, toen ik met mijn toenmalige echtgenoot vanwege zijn werk naar Londen verhuisde.’ Aldaar de opleiding anesthesie weer oppakken, bleek lastiger dan ze dacht. Ze kreeg wel snel een baan als senior house officer (arts-assistent) in een ziekenhuis in Guildford, iets onder Londen. ‘Leuk en druk. Weken van 85 uur.’ Midden jaren negentig keerde het gezin, twee dochters rijker, terug naar

4 discours

Nederland, waar nog een zoon werd geboren. Meta vervulde diverse functies in de eerste lijn, onder andere als verpleeghuisarts, en kwam na haar scheiding in 1998 min of meer toevallig in het medisch onderwijs van het VUmc terecht, als docent bij het ALCO, het algemeen pre-co-assistentschap. ‘Ik bereidde de vierdejaars studenten gedurende zes weken praktisch en theoretisch voor op hun co-schappen in het ziekenhuis. In die tijd kwamen ze rechtstreeks uit de collegebankjes, ze hadden nog nooit een stethoscoop vastgehouden. Het was leuk werk, vooral toen ik het onderwijzen goed onder de knie ging krijgen.’ In 2002 stapte Meta over naar het Medisch Centrum Alkmaar (MCA), als hoofd medisch onderwijs. Ze coördineerde er alle co-schappen, en fungeerde als secretaris van de centrale opleidingscommissie als schakel tussen de opleiders in huis en het AMC en VUmc als leveranciers van de co-assistenten en arts-assistenten. ‘Het was een organiserende managementfunctie, met contacten op de werkvloer en dat beviel me goed. Ik kon er mijn vaardigheden in kwijt en mezelf ontwikkelen, precies wat ik in een baan zoek.’ Meta bleef vier jaar in het MCA en had er nu misschien nog gewerkt, als de afstand tussen huis en ziekenhuis niet zo groot was geweest. ‘Dagelijks van het Gooi naar Alkmaar, en altijd in de file, dat werd me te zwaar. Ik heb thuis ook nog mijn drie kinderen en een huishouden.’ MBA Health Meta, in 2004 hertrouwd, had de smaak van het besturen, coördineren en organiseren te pakken. Ze ging de MBA Health Management, een tweejarige postacademische leergang, volgen, die ze combineerde met het onderwijscoördinaat van de afdeling huisartsgeneeskunde van het UMC Utrecht. ‘Het was mijn taak structureel meer co-schappen bij de huisartsen te organiseren, maar dat viel niet mee. In de MBA-studie leer je als bestuurder naar de organisatie te kijken, naar de wereld eromheen, je leert verbanden te zien en in perspectief te denken. Maar huisartsen werken vaak solistisch en hebben een drukke praktijk, die zitten niet altijd op een co-assistent te wachten. Daarbij: de huisartsgeneeskunde komt door marktwerking steeds meer

juni 2010


-De Huismeester-

onder druk te staan, zodat extern opleiden bij huisartsen steeds lastiger wordt en hogere eisen aan de universiteit stelt om tot een win-win situatie te komen. Voor succes in het algemeen is een strategie op hoog niveau nodig en een vertalingsplan naar in- en extern betrokkenen. Het sleutelwoord is draagvlak. Dat moet je op een hoog peil zien te houden.’ Het was niet gemakkelijk voor Meta, maar daardoor een leerzame ervaring. ‘Als je eenmaal begrijpt hoe het werkt, wordt het een uitdaging.’ Diplomatiek Ze is een gedistingeerde verschijning. Vriendelijk en rustig. Een ‘bruggenbouwer’, zegt ze van zichzelf. Diplomatiek en geduldig, als dat de goede zaak dient. Wijzer geworden van haar Utrechtse huisartsenervaring en de MBA Health-studie nam ze de tijd om zich te bezinnen op haar verdere loopbaan. Het zou geen academisch ziekenhuis worden, besloot ze – ‘te ambtelijk en te veel schijven’. Toen ze in 2009 haar pols brak en op de Spoedeisende Hulp van het Tergooiziekenhuis zat, wist ze het: het zou een streekziekenhuis worden. ‘De sfeer, de dynamiek, dat aanpakken, dat spreekt me in een perifeer ziekenhuis heel erg aan.’ Ze keek eens goed rond in een straal van circa vijftig kilometer rond Naarden. Het Flevoziekenhuis paste het beste bij Meta’s idealen. ‘Een productieziekenhuis dat iets wil betekenen op het gebied van onderwijs en opleiding en bezig is dat goed op de rails te krijgen. Daar zou ik mijn ervaring en kennis resultaatgericht kunnen inzetten en mezelf verder kunnen ontplooien.’ Ze ging erheen om de sfeer te proeven en te voelen, stuurde een open sollicitatiebrief en werd in januari dit jaar aangesteld als coördinator Medische Opleidingen en adviseur van directie, staf en management op het gebied van onderwijs en opleiding. Spanningsveld Het Flevoziekenhuis in Almere timmert aan de weg. Het ziekenhuis breidt uit met nieuwbouw, onderwijs en opleidingen. Aan Meta de taak die onderwijsen opleidingspoot te structureren. ‘Inhoudelijk en qua instelling zit het hier

5 discours

goed, specialisten, staf, management en directie zijn enthousiast, maar er is ook een spanningsveld tussen de productiegerichte zorg en het investeren in toekomstige dokters. Wij moeten als beginnend opleidingsziekenhuis nog een beetje leren hoe dat moet. Wat logistiek, organisatie en processen betreft is er een hoop werk aan de winkel. De trein rijdt, maar nog niet op de hoge snelheidslijn.’ De kersverse coördinator gaat ‘bouwen’. Ze organiseert de bestaande ‘oude’ co-schappen in huis en bereidt de komst van de nieuwe masterco’s voor, die vanaf 2012 vanuit het AMC naar Almere komen. ‘We krijgen meer en andere co’s. Dat heeft gevolgen voor de vakgroepen, de onderwijsmethodologie en de organisatie. Hoe het AMC het precies wil, is nog niet helemaal duidelijk. We hebben er onlangs tijdens een dag op de hei met het Onderwijsinstituut over gebrainstormd. Heel constructief. Ik geniet van dat groeiproces. Ik zit graag in de kraamkamer.’ Leerhuis Ze initieert, informeert, regelt, lobbyt, strijkt plooien glad, trekt drukke specialisten aan hun jas, schrijft rapportages, organiseert workshops, legt contacten met andere opleidingsziekenhuizen in de regio en denkt met het management mee over een visie op onderwijs en opleiding. ‘We zijn bezig met het ontwikkelen van een skillslab en op termijn zou ik graag een leerhuis willen opzetten. Plannen genoeg, maar alles op zijn tijd. Ik ben hier nog maar net. Ik zit nog in de fase van factfinding en deskresearch.’ Achter haar beminnelijke glimlach gaat wilskracht schuil. Vrouwelijk raffinement? Een beetje tactiek, erkent Meta van Voorst Vader. ‘In elke organisatie heb je sterk op inhoud en autonomie gerichte collegae, die hun positie in de loop der jaren aan verandering onderhevig zien en dit niet altijd prettig vinden. Zij willen het hoogst mogelijke aan kwalitatieve output leveren, hebben het ongelofelijk druk en zitten niet per se op mij te wachten. Het werkt alleen als ze overtuigd zijn van de visie van het ziekenhuis. Ik heb geleerd hoe de wereld van mijn vakgenoten eruit ziet, wat er aan toewijding en enthousiasme in wordt gestopt en begrijp het mechanisme.’ Ze glimlacht.  +

juni 2010


AMC VUmc en

Opleidingen meer op elkaar afstemmen? Tekst: Jasper Enklaar Fotografie: Noël Loozen

In het Medisch Centrum Alkmaar hebben opleiders te maken met verschillende typen co-assistenten, van het VUmc en van het AMC. Dat is soms lastig: de een komt vier weken, de ander acht, de een weet meer dan de ander. Omdat het VUmc al ervaring met de masterfase heeft opgedaan, en het AMC dat nog aan het invullen is, biedt dat een mooie kans de masterfase goed op elkaar af te stemmen. ‘Ga niet opnieuw het wiel uitvinden’, pleiten de opleiders van het Medisch Centrum Alkmaar. 6 discours

juni 2010


Donderdagmorgen, kwart over acht. In de vergaderkamer op de afdeling Verloskunde/Gynaecologie van het Medisch Centrum Alkmaar (MCA) wordt de dienst overgedragen. Zo’n twaalf medewerkers - verpleegkundigen, klinisch verloskundigen, gynaecologen, co-assistenten - zitten aan de tafel, koffie, papier en pen bij de hand. Bij gebrek aan stoelen staat een aantal mensen tegen de muur, tweede rang. Op een groot scherm projecteert de beamer de namen van de patiënten. De gynaecoloog van dienst leidt de patiëntenbespreking en loopt de bijzonderheden langs. Het gaat over de overvolle verloskamers, een patiënt die een indicatie heeft om ingeleid te worden, over dik meconium, en een ‘op zich normale partus’. Degenen die de dienst overnemen, schrijven driftig mee op gele formulieren. Na de patiëntenbespreking houdt Josien Broekema (27) een presentatie. Ze is ‘oudste co’ en het is haar laatste dag als co-assistent in Alkmaar. Ze heeft een referaat voorbereid over medicamenteuze zwangerschapsafbreking. Keurig aan de hand van de PICO-vraag (problem - intervention - comparison - outcome) doet ze verslag van haar literatuuronderzoek: wat kan medicatie betekenen voor een succesvolle abortus? Na een paar vragen en enige discussie besluiten de gynaecologen dat ze het onderwerp maar eens moeten bespreken. ‘Aanstaande maandag, dan bekijken we of we er een protocolletje voor moeten maken.’ Zo blijkt de presentatie van de co-assistent toch wel wat losgemaakt te hebben. ‘Een mooi verhaal, Josien’, sluit Joke Bais de sessie af. Opleiding afgerond Joke Bais is gynaecoloog en opleider in het MCA. Vandaag heeft ze nog een beoordelingsgesprek met Josien en dan is haar bijdrage aan haar opleiding afgerond. Maar behalve van Josien - co-assistent van het AMC - is ze ook opleider van Caroline Dumoulin (26), eveneens oudste co, maar dan van het VUmc. Ook Caroline is bijna aan het einde van haar co-schappen. Zij krijgt, omdat ze van het VUmc is, ook nog een beoordeling van de verpleging. Daarna moeten ze gaan solliciteren voor een assistentschap. Josien weet het nog niet zeker, maar denkt aan de Eerste Hulp. Caroline wil - ‘na enige twijfel’ - gaan solliciteren voor een assistent-plaats bij Gynaecologie. Gemiddeld huist het MCA vier AMC-co’s en twee VUmc-co’s. Tegelijk lopen er op de afdeling een aantal masterfase-1-studenten van het VUmc rond - bezig met een eerdere fase van hun opleiding - en is er een Belgische klinisch verpleegkundige op stage. ‘Ik hou van opleiden, het is zo leuk’, zegt Joke Bais. Opnieuw het wiel uitvinden Maar tegelijkertijd baart de ontwikkeling rond de verschillende masteropleidingen haar wel zorgen. ‘AMC en VUmc gaan verschillende dingen doen. Ik denk dat dat niet handig is. Ik zou zeggen: overleg met elkaar en ga niet opnieuw het wiel uitvinden. De masterfase van het VUmc is al begonnen, het AMC moet nog beginnen. Dus straks krijg je een mix van oud en nieuw. Wij organiseren altijd een introductiedag, maar het is bijna niet te regelen om dat te doen als je mensen op verschillende momenten binnen krijgt.’ Op zichzelf ziet Bais de professionalisering van de opleiding als een verbetering. Er zijn KKB’s - korte klinische beoordelingen -, opleiders moeten portfolio’s invullen, er komen steeds meer beoordelingscriteria, zoals professioneel gedrag. ‘Zo krijg je als co-assistent al veel eerder feedback op je eigen handelen. Dat is goed, maar het kost wel veel tijd. De universiteiten moeten zich afvragen of het wel behapbaar is’, zegt Bais, ‘terwijl ik wel vind dat de BaMa een betere opleiding is. Maar er moet een goed evenwicht in zitten, anders ben ik de hele week bezig met begeleiden van co’s en met de vragen die er van alle kanten binnenkomen. Daar moeten we een middenweg in zoeken.’

7 discours

Ze gaat zelfs nog een stap verder: ‘Hoe moet ik het allemaal inpassen als de masteropleidingen van VUmc en AMC niet op elkaar aansluiten? Dan moet ik straks misschien keuzes maken, en kiezen voor één universiteit. Dat zou ik heel jammer vinden.’ Kennisniveau verschilt En dan is er nog het verschil in inhoud van de opleidingen. Niet alleen de planning en duur verschillen, ook het niveau waarmee studenten aan hun co-schappen beginnen, loopt uiteen. ‘Ik zie wel verschil tussen VUmc en AMC’, zegt Bais. ‘Maar hoe ervaren jullie dat’ - legt ze de vraag voor aan Josien (AMC) en Caroline (VUmc). ‘Ik heb de meeste co-schappen met VUmc-co’s gelopen’, zegt Caroline. ‘Dit is het eerste co-schap met AMC-ers. Ik merk niet veel van de verschillen.’ ‘De mensen van het AMC hebben allemaal hetzelfde rooster’, zegt Josien. ‘In de loop van anderhalf jaar heeft iedereen hetzelfde traject doorlopen. Dat is een verschil met studenten van het VUmc. In de vorige groep zat iemand die nog geen kindergeneeskunde had gedaan. Die moet je dan even meenemen bij het onderzoek van een pasgeborene. Aan die kleine dingen merk je het verschil.’ Joke Bais legt het onderscheid op een ander vlak. ‘Je maakt een bepaalde groei door in het verloop van je co-schappen. Je wordt meer dokter. Ik zie bij AMC-ers dat ze wat meer dokter zijn, wat beter gebekt en verder wat betreft zelfstandig werken, en bij de VUmc-co’s zie ik dat ze heel goed theoretisch onderlegd zijn.’ Jaloers Dat de VUmc-co’s op het gebied van kennis voorlopen, kan Josien zich wel voorstellen. Ze herinnert zich uit haar co-schappen neurologie dat de VUmcco’s elke vrijdag een terugkomdag hadden. ‘Als AMC-studenten waren wij daar wel jaloers op. Zij hadden de hele dag de luxe van college, terwijl wij de weekendoverdracht in elkaar zaten te knutselen. We vonden onszelf wat praktijkgerichter, op het VUmc zaten ze de stof nog eens door te nemen en hun kennis op te frissen.’ Over het kennisniveau zegt Joke Bais dat het niveau in het algemeen tegenvalt. ‘Je verwacht dat ze binnenkomen met kennis over dit blok, maar dat hebben ze soms anderhalf jaar terug behandeld. Dat is dus weggezakt. Zij zitten in een stroom: vrijdag is het ene blok afgerond en maandag begint het volgende co-schap alweer. Dat maakt het moeilijk om het goed voor te bereiden. Ook het feit dat het AMC geen examens meer heeft, helpt niet. Maar de manier van beoordelen gaat op de schop, dus dat probleem is erkend.’ [zie kader] Voorhoede Twee masterfase-1-studenten van het VUmc, Roel Driessen (22) en Bahar Khajeh (26), horen het aan. Zij zitten in de voorhoede van de nieuwe opleiding. In september zijn de studenten begonnen op het MCA. Ze lopen een heel jaar rond en zien in blokken van zes weken alle afdelingen. Ook zij hebben de patiëntenoverdracht op gynaecologie bijgewoond, en gaan na de bespreking met een begeleider bij een patiënt langs. ‘Klinisch redeneren is het kernwoord’ zegt Roel. ‘Ook al hebben we iedere week zeker één dag dat we terugkomen naar het VUmc, waar we extra theoretische kennis krijgen.’ Na ieder blok is er een theoretische klinische redeneer- en kennistoets, en juist daar komt de klinische ervaring van pas, merkt Bahar. De opleiding in Alkmaar is zeer klinisch gericht, vindt ze. ‘Wij zien gemiddeld meer patiënten dan de rest. En hoe meer je ziet, hoe beter je de toets kunt maken.’ ‘Oude stijl co-assistenten’ Caroline en Josien zien wel de voordelen van de

juni 2010


nieuwe structuur. ‘Je komt eerder in aanraking met alle afdelingen’, zegt Caroline. ‘Je weet dus ook eerder wat de verschillende specialismen inhouden. Dat maakt het makkelijker om te kiezen.’ Voor Josien is het feit belangrijk dat je als student eerder in aanraking komt met patiënten. ‘De theorie omzetten naar het omgaan met de patiënt en al vragend daar de informatie uit halen die je nodig hebt, dat leerden wij heel weinig. We moesten het gewoon maar doen. Aan de andere kant zie ik dat de masterfase-1-studenten hier vooral veel observeren en nog niet zoveel zelf mogen doen. Dan ben je eigenlijk bezig met een snuffelstage van een jaar.’ De masterfase-1 is volgens Joke Bais vergelijkbaar met de oude junior-coschappen. ‘Maar omdat je meeloopt op de poli en hoort hoe de patiënt zijn verhaal vertelt, denk ik dat het beter beklijft. Je bent veel eerder bezig met anamnese, onderzoek, conclusie, differentiaaldiagnose en beleid. Het is zo belangrijk dat je patiënten ziet. Dat zijn de dingen die je onthoudt.’ +

afstemming Co-assistenten van AMC en VUmc volgen een deel van hun opleiding in affiliatieziekenhuizen zoals het Medisch Centrum Alkmaar. Wat vinden de mastercoördinatoren van AMC en VUmc van de wens van de opleiders in het veld om de masterprogramma’s meer op elkaar af te stemmen? ‘Natuurlijk kijken we naar elkaar’ Hester Daelmans, programmaleider masteropleiding VUmc ‘Al voor het Curriculum 91 - ons oude programma voor de BaMastructuur - hadden we contact met het AMC. Natuurlijk kijken we naar elkaar en proberen we met elkaar te overleggen hoe we dingen op elkaar kunnen afstemmen. Wij zijn in 2008 gestart met de eerste masters. Het AMC is nu bezig met de ontwikkeling van de master. In de oriëntatiefase is men ook bij ons geweest. Afstemmen kunnen we als het AMC ook zo ver is. Pas dan kun je kijken of er raakvlakken zijn.’ Hoe ziet de VUmc-master eruit? ‘In VUmc-compas is er een opbouw gekozen waarbij studenten in een aantal disciplines zowel in masterjaar 1 als in masterjaar 2 stage doen. In masterjaar 1 ligt de nadruk

op klinisch redeneren in de praktijk. In masterjaar 2 komt de VUmcstudent beslagen ten ijs met kennis en vaardigheden uit masterjaar 1 en kan snel zelfstandig als coassistent aan de slag.’ Verschil tussen de opleidingen ‘Een bachelor moet aan bepaalde eindtermen voldoen. Niet alle faculteiten doen hetzelfde, maar je kunt er wel vanuit gaan dat een bachelor bepaalde, algemene competenties moet hebben. Op het gebied van kennis zitten er verschillen. Ook omdat studenten een jaar vroeger in de masterfase jaar 1 komen dan de oude co’s van vroeger. Er zit dus een kennisverschil tussen de masterfase jaar 1-studenten en de oude co’s die er nu nog lopen. In deze beginperiode is dat lastig voor de werkvloer: er zijn oude co’s en nieuwe co’s, en dan zowel het AMC als VUmc. Dan moet je inderdaad wel even goed nadenken wie je voor je hebt. Wij proberen die periode van oud en nieuw voor VUmc zo kort mogelijk te houden. Dus wij moeten goed informatie geven hoe lang deze periode duurt, wat de co’s wel en niet kunnen, en wat je wel en niet van ze kunt verwachten. Maar vernieuwing is ook vaak een proces van wennen.’

8 discours

‘Iedere opleiding is toch weer anders’ Jaap Groothoff, coördinator masteropleiding AMC ‘We zijn bij de ontwikkeling van het raamwerk voor de masteropleiding als volgt te werk gegaan. Allereerst hebben we een profielschets gemaakt waaraan een AMC-arts ons inziens zou moeten voldoen. Vervolgens hebben we naar de sterke en zwakke kanten van het huidige systeem gekeken. En we zijn op bezoek geweest bij het VUmc, in Groningen en in Utrecht - drie opleidingen die al enige ervaring hadden met de bachelor-masterstructuur. Daarnaast hebben we het nieuwe Raamplan 2009 geraadpleegd. Op grond van al deze gegevens hebben we een plan gemaakt. Dat hebben voorgelegd aan alle kernhoogleraren hier in huis en aan studenten, waarvan er overigens ook twee deel uitmaakten van onze werkgroep. Tijdens een affiliatiedag hebben we het plan voorgelegd aan alle affilliatiepartners en alle feedback hebben we verwerkt in het definitieve raamwerk. Dat wijkt inderdaad op sommige punten af van de structuur van de VUmc.’ hoe ziet de AMC-master eruit? ‘Wat er bij ons goed was, dat willen we vooral behouden. Dat betekent dat je begint met vakken die een meer eenduidige pathologie hebben:

juni 2010

dermatologie, oogheelkunde en KNO. Daar kun je makkelijker mee starten dan met complexe vakken als interne of kindergeneeskunde. Daarna volgt een van de grote vakken - interne, kindergeneeskunde, heelkunde. Dat is een stevig co-schap, waar je langdurig stage loopt op één plek, en tegelijk veel onderwijs krijgt. Die aspecten hebben we overgenomen in ons nieuwe plan. Tegelijk is het wel zo dat ik adviseer aan degenen die het plan verder moeten gaan invullen, om ook contact op te nemen met het VUmc. Maar iedere opleiding is toch weer een beetje anders. Als men in het MCA bang is dat het moeilijker is te organiseren, wil ik daar graag met ze over praten.’ Geen grote verschillen ‘Maar zoveel verandert er niet. In het begin van de masterfase zullen de eerste co-schappen er anders uitzien. Qua duur verandert er niet zoveel. Wat betreft een eventueel verschil in kennis, daar doen we nu al enorm veel aan. Ook wij vinden dat de kennis beter moet zijn. Het beoordelingssysteem scherpen we aan en we gaan eisen dat er een kennistoets komt in de co-schappen. Dat kost een jaar om dat in te voeren. Er loopt nu een pilot bij kindergeneeskunde, dat lijkt te bevallen. In het najaar willen we dat voor iedereen doorvoeren.’


-COLUMN-

Exotisch onderwijs Eenmaal per jaar mag ik onderwijs geven in Mozambique, een van de armste landen ter wereld. In Beira, de tweede stad van het land, is de ‘Universidade Catholica’ gevestigd. Daar is enkele jaren geleden een medische faculteit opgericht met de ambitie artsen op te leiden op West-Europees niveau. Helaas is dat niet helemaal gelukt, maar toch is er veel tot stand gebracht. Het onderwijs is ingericht volgens het PBL-systeem: ‘problem based learning’. Het idee hierachter is dat studenten niet alle kennis via leerboeken en colleges tot zich nemen, maar dat ze in kleine groepen problemen oplossen en al doende actief de nodige kennis opdoen. In Nederland ben ik om allerlei redenen geen voorstander van PBL, maar in Mozambique heeft het een aantal voordelen, samenhangend met de heersende onderwijscultuur. Afrikaanse studenten hebben vaak heel slecht basisonderwijs- en middelbaar onderwijs gehad: ongemotiveerde, onderbetaalde leraren, geen kritische vorming, ontmoediging van ‘zelfdenkzaamheid’, corruptie (cijfers te koop) en veel van buiten leren. Dat laatste kunnen ze dan ook als de beste. Toen tijdens een werkgroep de plexus brachialis aan de orde kwam, liep een student naar het bord om uit het hoofd een feilloze tekening te maken van dit ingewikkelde netwerk, inclusief de namen van alle verbindingen. Dat doen weinig neurologen in Nederland hem na, ik in ieder geval niet. Het idee is dat juist voor deze studenten, gewend om kritiekloos kennis te kopiëren, het PBL-onderwijs helpt om ze te leren redeneren, zelf na te denken en te argumenteren. Toch zijn er ook klassieke colleges. Voor neurologie geef ik er een paar, een interessante ervaring. Behalve de beklemmende, vochtige hitte en de zwarte gezichten tegenover je, zijn er ook overeenkomsten met Nederland, zoals te laat komen (‘sorry professor, bus broke down’) en slapen op de achterste rij. Blijkbaar hebben ook Mozambicaanse adolescenten een zwaar (nacht-)leven. De volgende truc werkt even goed als in Nederland: het college even stopzetten, en dan aan een student vragen of hij zijn slapende buurman voorzichtig wil wekken: succes verzekerd! Een aparte ervaring was onderwijs in het ziekenhuis van Beira. Met een groepje van acht studenten zouden we een patiënte onderzoeken op de afdeling Interne Geneeskunde. Deze afdeling tart elke beschrijving: patiënten liggen op de grond, vaak met terminale aids en tuberculose, niet zelden stervende. De stank en de hitte zijn niet te harden. Daar gaan we dan, gehuld in onze witte jassen, naar een laag bedje waar twee mensen in liggen, altijd nog beter dan op de grond. Een van hen heeft een herseninfarct gehad. Welgemoed vraag ik een student te beginnen met de anamnese. Dat is een probleem, want de patiënte spreekt een andere taal. Gelukkig kan er iemand vertalen. Na 5 minuten vraagt een studente of ze mag gaan zitten, want ze is zwanger en moe. Weer even later gaat een tweede bijna onderuit, en na drie kwartier zijn er nog maar vier van de acht studenten over. Als ik na afloop vraag wat er toch aan de hand was, is het antwoord: ‘sorry dokter, maar we zijn nog niet gewend aan het ziekenhuis’. Ik denk bij mezelf: ik hoop dat jullie er nooit aan wennen, want het is een mensonterende hel. ’s Avonds ga ik met een paar collega’s eten in de ‘Clube Nautico’, een oude koloniale uitspanning aan het strand van de Indische oceaan, vlakbij het ziekenhuis. Onder het sterrenbeeld Zuiderkruis eten we grote tijgergarnalen met frieten, een koud biertje erbij. Op 10 minuten lopen van de hel. Prof.dr. Jan Stam is opleider bij de specialisatie neurologie in het AMC en coördinator van het blok zenuwstelsel bij de studie Geneeskunde.

9 discours

juni 2010


nieuw

Spoedeisende Hulp-arts Eerste lichting net klaar ‘De vraag die je telkens stelt: wat kan wachten en wat moet nú gebeuren?’ Tekst: Andrea Hijmans Fotografie: Hans van den Boogaard

10 discours

juni 2010


De Nederlandse medische wereld heeft er een nieuw vak bij: spoedeisende geneeskunde. Voorlopig nog geen erkend medisch specialisme, maar daar wordt aan gewerkt. De eerste lichting AMC arts-assistenten studeerde vorig jaar af. Kersverse Spoedeisende Hulp-arts Milan Ridderikhof en opleider Christine Houser vertellen wat de nieuwe opleiding inhoudt.

Geen rennende artsen met verbeten trek om de mond, geen wanhopige familieleden die zich vastklampen aan wapperende jaspanden, geen brancards die in vliegende vaart door gangen worden gereden. Nee, de sfeer op de Spoedeisende Hulp is bijna sereen te noemen. Zelfs als in de loop van het gesprek een verpleegkundige komt melden (met bescheiden klop op de deur) dat er slachtoffers van een groot ongeval in aantocht zijn, is hectiek ver te zoeken. De Spoedeisende Hulp van het AMC voldoet niet aan de cliché’s die we kennen uit Amerikaanse televisieseries. Dat beeld klopt misschien ook niet, relativeert Christine Houser. De Amerikaanse van geboorte heeft ruime ervaring als Emergency Room (ER)physician en werkt sinds 2008 in het AMC als opleider bij het nieuwe specialisme-in-wording. ‘Ook op Amerikaanse ER’s is het zelden chaotisch, wel druk. Meer patiënten met ernstig letsel dan hier. Waarom? Het verkeer speelt een rol, vooral op het platteland. Op de buitenwegen van bijvoorbeeld Texas wordt hard gereden, niet zelden met passagiers in het bakkie van de pickup truck. En dan is er nog het geweld. Niet voor niets traint men daar militaire artsen op de ER van reguliere ziekenhuizen om ze te laten wennen aan schotwonden.’ Er is nóg een groot verschil: in de VS is Emergency Medicine al zo’n kleine halve eeuw een gevestigd medisch specialisme. Ondertussen kennen ook Canada, Australië, Groot-Brittannië en tal van Aziatische en ZuidAmerikaanse landen een vergelijkbare opleiding. Europa is voorzichtig begonnen aan een inhaalslag; onder andere Zweden en Nederland werken aan een eigen specialistenopleiding tot Spoedeisende Hulp (SEH)-arts. Traumatoloog Jan Luitse, hoofd van de SEH van het AMC, legt uit waarom dat nodig is. ‘Het artsenbestand op een SEH zonder vaste staf wisselt snel. Voortdurend stromen nieuwe dokters in, de meeste jong. Met doorgaans weinig ervaring met eerstelijns gezondheidszorg, de klachten waarmee een groeiend aantal ‘zelfverwijzers’ zich direct bij het ziekenhuis meldt. Tevens ontbreekt het ze aan kennis over de acute tweedelijns zorg – opvang en behandeling van ongevalslachtoffers, maar ook van mensen met een hartinfarct, acute astma, koorts of stuipen. Door hun onervarenheid zijn ze geneigd veel diagnostiek te doen. Ze schieten als het ware voortdurend met hagel. Duur, tijdrovend, niet erg efficiënt.’ Specialisme-overstijgend kijken Midden jaren 90 – Luitse was toen nog hoofd van de SEH in het OLVG – besloot hij nieuwe dokters op de afdeling beter in te werken. Aanvankelijk

11 discours

juni 2010


een dag, toen een week, toen drie weken. Tot we uiteindelijk moesten constateren: dit heeft geen zin. We hebben een meerjarig scholingstraject nodig. Dat traject is er nu – sinds 1999 kunnen studenten in een groeiend aantal instellingen kiezen voor een driejarige specialisatie op de SEH. Het AMC biedt die mogelijkheid sinds 2007. De eerste lichting AMC-ers studeerde af in 2009. Milan Ridderikhof was één van hen. Sinds september 2009 mag hij zich SEH-arts noemen. Geen officieel specialisme, maar voorlopig een ‘profiel’. Waarom koos Ridderikhof voor het vak? ‘Eigenlijk wist ik niet goed wat ik wilde. Elk vakgebied sprak me wel aan, maar vooral de acute aspecten. Dus uiteindelijk was de keuze toch niet zo moeilijk.’ De opleiding in het AMC valt uiteen in twee delen, vertelt hij. ‘Ongeveer de helft van de tijd – zo’n anderhalf jaar – ben je werkzaam op een SEH, de rest van de tijd loop je stages bij ‘poortspecialismen’. Chirurgie, Inwendige

‘De belangrijkste taak is het opbouwen van een identiteit’

Geneeskunde, Cardiologie, IC en Anesthesie – allemaal goed voor een grote stage van een maand of vier. Daarnaast zijn er een aantal kleinere stages zoals bij Kindergeneeskunde, Neurologie, Longziekten, Psychiatrie. Het pre-hospitale traject -gericht op wat er op straat gebeurt- is uiteraard ook relevant. Dus ga je een aantal weken mee met de ambulance. Tenslotte maken cursussen als Advanced Trauma Life Support of Advanced Pediatric Life Support deel uit van de opleiding.’ Doel is te leren hoe ernstig zieke patiënten het beste kunnen worden opgevangen. Maar het allerbelangrijkste, weet Ridderikhof ondertussen, ‘is dat je specialismeoverstijgend leert kijken. Stel, er wordt een patiënt binnengebracht met

12 discours

verminderd bewustzijn. Een neuroloog zal nagaan of er iets neurologisch mis is, een cardioloog richt zich op het hart, de internist op mogelijke infecties of endocriene stoornissen. Wij proberen breed te kijken, en concentreren ons onmiddellijk op het stabiliseren van de patiënt. Wat kan wachten? Wat moet beslist nú gebeuren?’ Brancard in de heli Het programma van de opleiding bepaalt Houser samen met Luitse. Hoe gaat dat, een nieuw specialisme vormgeven? Houser: ‘Het oorspronkelijke curriculum was weliswaar met de beste bedoelingen gemaakt maar wel door specialisten uit andere disciplines. Een SEH-arts kijkt vaak net iets anders. Laat ik een voorbeeld geven. Zoals Milan al vertelde bestaat de helft van het opleidingstraject uit stages bij poortspecialismen. Aanvankelijk zat het SEH-gedeelte voor sommige studenten in de eerste helft van de opleiding, alle poortspecialismen daarna. Maar het moet natuurlijk andersom: eerst een beeld krijgen van hoe het bij verwante vakken toegaat en die kennis vervolgens gebruiken en toepassen op de SEH. Ja, we hebben de volgorde nu omgedraaid.’ in de ruimte Naast het overdragen van vakkennis noemt Houser als haar belangrijkste taak het ‘samen met anderen opbouwen van een identiteit’. ‘Vergeet niet: nog altijd ben ik hier de enige SEH-arts die is opgeleid in een gevestigd systeem van Emergency Medicine. De rest van de staf is van huis uit iets anders.’ Eigen lesmateriaal draagt bij aan die SEH-identiteit. ‘Natuurlijk, de informatie in textbooks van andere disciplines is accuraat, maar geschreven vanuit een ander perspectief. Voor ons is bijvoorbeeld heel belangrijk de scope of practice: wanneer draag ik een patiënt over? Wat moet ik zelf doen en wat kan ik overlaten aan anderen?’ Eén van de eerste dingen die Houser daarom deed, was gespecialiseerde leerboeken in huis halen. Aan het eind van het gesprek bladert ze de inhoudsopgave van één van die vuistdikke pillen even door. ‘Zie je hoe breed ons vak is? Inwendige geneeskunde, neurologie, cardiologie, huidaandoeningen, toxicologie... Kijk, dit is mijn favoriete sectie: duikongevallen, medische problemen die kunnen optreden op grote hoogte of in de ruimte, mensen zonder kleerscheuren met een brancard in een heli krijgen. So cool!’ +

juni 2010


-uitlenen-

Berichten uit de bieb Steeds meer papieren studieboeken voor de arts in opleiding worden digitaal aangeboden. Dat heeft voor-, maar ook nadelen. Er is namelijk nog veel onbekend in deze nieuwe digitale wereld. Artsen in opleiding hebben voor iedere studiefase weer andere studieboeken nodig. Zo zijn er de leerboeken voor de aankomende basisartsen, gericht op basale kennis, boeken waarbij je vooral feiten uit je hoofd moet leren. Dan zijn er leerboeken gericht op de diagnostiek en behandeling van specifieke aandoeningen, bedoeld als praktische ondersteuning voor co-assistenten die voor het eerst oog in oog staan met onbekende ziekten. Tot slot zijn er handboeken voor artsassistenten, die al enkele jaren aan het werk zijn en beschikken over veel kennis en vaardigheden. Het beleid van de medische bibliotheek is om boeken uit deze categorieën ook digitaal aan te bieden. Dat heeft veel voordelen. Studeren is bijvoorbeeld niet gebonden aan tijd en plaats. Coassistenten die zes weken in Alkmaar co-schappen lopen, wippen niet zomaar even langs bij de medische bibliotheek in het AMC. Zij kunnen wel vanachter hun computer inloggen op de site van

de bieb en digitaal een leerboek raadplegen. Dat klinkt goed, maar er zijn nog genoeg obstakels op weg naar de perfecte digitale leeromgeving. Zo is van de 35 studieboeken die tot het curriculum behoren van de beginnende arts slechts een derde digitaal beschikbaar. Uitgevers staan niet te springen om deze boeken te digitaliseren omdat de verkoop van het papieren boek nog steeds een mooie bron van inkomsten is. En het is onzeker wat ze kunnen verdienen aan digitale boeken. Rijtjes stampen Nog lastiger is het gesteld met de boeken die door co-assistenten en arts-assistenten worden gebruikt. Daarvoor bestaat namelijk geen vastomlijnd curriculum. De co-assistent in Alkmaar slaat dus een ander handboek open dan de coassistent in het Slotervaartziekenhuis. En zonder zo’n vast curriculum is het niet mogelijk om digitale edities van studieboeken aan te schaffen. Dan ligt er nog een elementaire vraag: Hoe leert een student eigenlijk? Nog steeds van papier, luidt het antwoord. Vanachter een beeldscherm is rijtjes stampen moeilijk. Verdere digitalisering van de leeromgeving moet dus hand in hand te

13 discours

juni 2010

gaan met meer kennis over het leergedrag van studenten. Een praktisch punt is dat de medische bibliotheek met veel verschillende opdrachtgevers te maken heeft die ieder ook hun eigen beleid voeren. Er zijn bijvoorbeeld uitgevers die niet toestaan dat de student meer dan één pagina per dag uit een digitaal studieboek print. Dat maakt studeren niet makkelijker. En wat doe je als de server van de uitgever plat gaat? Als er dan geen papieren boeken meer zijn, staat de student met lege handen. Voorbeelden van studieboeken die sinds kort digitaal beschikbaar zijn: Voor arts-assistenten: - Lebwohl: Treatment Skin Disease. - Stern: Massachusetts General Hospital comprehensive clinical psychiatry. Voor co-assistenten: - J. N. Keeman, E. Schadé: Spoedeisende hulp in de huisartsenpraktijk (2008). - Nieuw zakboek ziektebeelden: Infectieziekten (2009) Michel van Dijk


Het Italiaanse restaurant La Storia della Vita in Amsterdam, de locatie van het jonge klaren diner van de internisten in april.

Proosten met jonge klaren Etentjes, borrels, cabaret ĂŠn limbodansen. Het zijn feestelijke rituelen waarmee de overgang van arts-assistent tot medisch specialist gepaard gaat. Internisten, neurologen en gynaecologen vertellen. Tekst: Michel van Dijk Fotografie: Noel Loozen

14 discours

juni 2010


Ieder jaar organiseren de internisten het jonge klaren diner. In een goed restaurant komen alle opleiders en arts-assistenten in opleiding bij elkaar. Degenen die zojuist hun opleiding hebben afgerond mogen ook hun partner meenemen. ‘We nemen tijdens dat diner afscheid van alle arts-assistenten die klaar zijn met hun opleiding’, vertelt Joost Hoekstra, samen met Marcel Levi en Peter Speelman een van de drie internistenopleiders. ‘De meesten van hen verlaten dan toch het AMC. Het is goed om zo’n overgangsmoment feestelijk te markeren. Alle arts-assistenten uit alle leerjaren zijn welkom. Het is een avond voor de hele familie.’ Tijdens deze avond spreken de opleiders iedere afzwaaiende arts-assistent persoonlijk toe. Hoekstra: ‘We willen de persoonlijke kwaliteiten van iemand dan nog eens naar voren halen. Bijvoorbeeld hoe toegewijd de artsassistent was voor de patiënten of hoe vrolijk en enthousiast in het contact. We proberen altijd iets aardigs te zeggen. We willen dat de arts-assistent met een positief gevoel de opleiding verlaat.’ De avond is geen eenrichtingsverkeer. Ook de arts-assistenten laten van zich horen. Hoekstra: ‘Dit keer hadden ze een video gemaakt met sketches waarin eigenaardige eigenschappen van de opleiders werden uitvergroot en typische AMC-situaties werden nagespeeld. Ze hadden bijvoorbeeld een ochtendrapport van een groep artsen gefilmd, met in de hoofdrollen hun eigen kinderen. Dat was erg grappig.’ Zoals in de kroeg De afgelopen tien jaar kwamen de neurologen in opleiding één keer per jaar op huisbezoek bij Rien Vermeulen, hoofd van de afdeling Neurologie. Ze konden dan in een informele sfeer en met een goed glas wijn in de hand hun mening geven over het ziekenhuis en de opleiding. Vermeulen organiseerde deze avonden omdat het voor arts-assistenten vaak ongemakkelijk is om vrijuit hun mening te geven over werk of opleiding. Vermeulen: ‘Je kunt deze avonden het beste vergelijken met hoe je in de kroeg praat over je werk. En dat ging soms door tot in de kleine uurtjes. Ik heb meegemaakt dat arts-assistenten pas om 7 uur ’s ochtends de deur uitgingen.’ De informele gesprekken tussen arts-assistenten en opleider leverden meer dan eens pittige discussies op. ‘Ik herinner me nog een discussie over parttime werken. Ik ben van de generatie die daar geen voorstander van is, maar de jongere generatie denkt daar anders over. Je hoeft het ook niet met elkaar eens te zijn; juist die vrije en ongedwongen uitwisseling van gedachten is vaak inspirerend. Nog steeds vragen collega-neurologen me wel: Rien, bestaan die avondjes bij jou thuis nog?’ Vermeulen is sinds dit voorjaar niet langer hoofd van de afdeling en dus is aan deze avondjes een einde gekomen. ‘Gelukkig zet Ivo van Schaik, mijn opvolger, de traditie voort. Niet meer ’s avonds, maar als een zomerse activiteit in de tuin van zijn huis. Dat zal ook gezellig worden.’ Visdobber Ook de gynaecologen houden jaarlijks een Doctors Dinner voor gynaecologen in opleiding, vertelt Maas Jan Heineman, hoofd opleiding Gynaecologie. Afgelopen jaar werd dat diner gehouden in de Sonesta Koepel, een mooie omgeving waar alle opleiders en alle arts-assistenten in opleiding met partners feestelijk gekleed naar toe kwamen. ‘Tussen de gangen door is er dan gelegenheid voor muziek en natuurlijk spreken de opleiders de afzwaaiende arts-assistenten toe. Aan het eind van het diner organiseren de arts-assistenten ook altijd iets. De laatste keer was dat limbodansen.

15 discours

De opleiders werden uitgenodigd om daaraan mee te doen, met wisselend succes.’ Een bijzonder onderdeel van het diner vormt de uitreiking van een prijs, de Reflectiedobber. Heineman deed het idee daarvoor op na lezing van het proefschrift van gedragswetenschapper Leo Aukus. Heineman: ‘Je kunt de Reflectiedobber vergelijken met een echte visdobber. Het deel van de dobber dat boven water ligt, gaat over het gedrag van mensen. Bij het deel dat zich onder het water bevindt, kun je denken aan datgene wat je niet ziet, maar wat het gedrag mede bepaalt. Zoals je persoonlijkheid, de mate van zelfreflectie of bepaalde karaktereigenschappen. Als de verhouding tussen het deel boven en onder water in balans is, blijft de dobber recht overeind, maar als dat niet zo is, schiet de dobber onder water of waait hij met alle winden mee.’ Het Doctors Dinner is een uitgelezen moment om te reflecteren op de opleiding Gynaecologie stelt Heineman. ‘Iedereen is aanwezig. En daarmee is het ook een mooi moment om iemand persoonlijk toe te spreken die in mijn ogen een bijzondere prestatie heeft geleverd voor deze opleiding.’ Heineman bepaalt zelf aan wie hij de dobber uitreikt. ‘Ik laat daarbij meewegen dat sommigen een voorbeeld zijn voor anderen, bijvoorbeeld door hun organisatietalent, gedrag of betrokkenheid. Zij komen in aanmerking voor de dobber.’ +

Pennenbakje Verrast was ze, toen Maas Jan Heineman haar vier jaar geleden de eerste Reflectiedobber uitreikte tijdens het Doctors Diner van de gynaecologen. ‘Ik wist helemaal niet wat dat was’, vertelt Judith Gianotten, inmiddels gynaecoloog in het Haarlemse Kennemer Gasthuis. ‘Maar achteraf heb ik wel begrepen waarom ik de dobber heb gekregen. Het is trouwens een echte visdobber die nu in het pennenbakje op mijn bureau ligt. Ik ben drie jaar vertegenwoordiger van de arts-assistenten geweest en heb in die rol veel overleg gehad met de opleidingsstaf. Ik hou van organiseren, van meedenken over de opleiding en ik vind het ook belangrijk dat arts-assistenten zelf verantwoordelijkheid dragen voor hun opleiding. Blijkbaar heeft Heineman die houding gewaardeerd. Het is erg prettig als iemand ziet dat je je inspant om goede dingen voor elkaar te krijgen.’ Gianotten heeft als arts-assistent in opleiding zes keer een Doctors Diner meegemaakt. ‘Er zijn gedurende de opleiding tot arts veel

juni 2010

bijzondere overgangsmomenten die gepaard gaan met een feestelijke gebeurtenis. Zoals het behalen van de propedeuse of het afronden van je promotieonderzoek. Maar bij de overgang van arts-assistent naar medisch specialist ontbreekt zoiets. Je zet je pieper in het rek, loopt voor de laatste keer het pand uit en dat is het dan. Ik heb het diner daarom altijd erg gewaardeerd. Het is belangrijk om op een goede manier van elkaar te afscheid te nemen en deze overgang naar een nieuwe fase van je leven te vieren door elkaar toe te spreken, muziek te maken of op een leuke manier herinneringen op te halen aan de opleiding. Dat maakt deze etentjes zeer waardevol.’

Op de website van Discours verzamelen we ervaringen over de afsluiting van de opleiding tot specialist van alle disciplines. Anekdotes, foto’s of filmpjes kunt u mailen naar: discours@amc.nl.


Onbekend maakt onbemind Grote tekorten aan co-assistenten en arts-assistenten bij Pathologie De dagelijkse praktijk van de patholoog komt veel te weinig aan bod in de geneeskundestudie, vindt Marc van de Vijver. Hierdoor heeft de afdeling maar weinig co’s, en weten collega’s niet wat pathologen nu eigenlijk uitvoeren. Tekst: Catrien Spijkerman Fotografie: Noël Loozen

16 discours

juni 2010


Lijken snijden en crime scenes onderzoeken. Het zijn de dagelijkse werkzaamheden van een patholoog – in de ogen van de buitenwereld althans. Fout, weet professor Marc van de Vijver, patholoog in het AMC. Hij maakt zich er niet druk over: ‘Mensen die dat denken, kijken gewoon te veel naar programma’s als CSI.’ Wat hij veel erger vindt: dat zelfs basisartsen nauwelijks benul hebben van wat pathologen nu eigenlijk uitvoeren. Niet de tv, maar de geneeskundestudie is daar debet aan, stelt Van de Vijver. ‘Studenten komen alleen met pathologie in aanraking wanneer zij onderwijs over ziekteleer krijgen. Pathologen leggen dan op weefselniveau uit hoe bijvoorbeeld longontsteking ontstaat.’ Dat de patholoog in de dagelijkse praktijk operatiepreparaten maakt en bewerkt, komt tijdens de studie nauwelijks aan de orde. Dat hij onder de microscoop tumoren bekijkt en oordeelt of ze goed- of kwaadaardig zijn: komt eveneens zelden aan bod. Dat de patholoog zelfs een essentiële schakel is bij het stellen van de diagnose van welk ziektebeeld dan ook: bijna geen student die dat weet. Vaag Onbekend maakt onbemind. Studenten kunnen bij pathologie een keuze co-schap lopen en hun afsluitende, zogenaamde ‘oudste’, co-schap. Maar dat doet slechts een enkeling. ‘Gemiddeld hebben we één of twee co-assistenten per jaar’, zegt Van de Vijver. Liever had hij er een stuk of zeven, want ‘co-assistenten zijn potentiële arts-assistenten’, en aan pathologen is al jaren een tekort. ‘Ik ben er zeker van dat er ieder jaar tientallen studenten zijn die dit vak heel leuk zouden vinden, en er heel goed in kunnen worden. De match wordt echter te weinig gemaakt. Het is net relatiebemiddeling: het juiste vak moet worden gekoppeld aan de juiste basisarts. Maar dan moeten ze elkaar wel weten te vinden.’ Van de Vijver pleit daarom voor meer aandacht in de geneeskundestudie voor de dagelijkse praktijk van de pathologie. ‘Maar niet alleen om potentiele pathologen te trekken’, benadrukt hij. ‘Studenten die een ander specialisme kiezen, zouden ook gebaat zijn bij meer inzicht in ons werk. Internisten, chirurgen, dermatologen, ze hebben allemaal met ons te maken. Zij sturen weefsel, wij komen een paar dagen later met de diagnose. Hoe we daartoe komen, is voor veel collega’s vaag.’ Concreet Om inzicht te geven in die black box heeft Van de Vijver een plan bedacht. Vanaf september is een diagnostische ingreep een verplicht onderdeel voor iedere bachelorstudent. Deze zomer start een pilot. ‘De studenten volgen dan alle stappen van patiënt tot diagnose. Ze zijn aanwezig bij de biopsie, zo zien ze de patiënt en diens klinisch beeld. Vervolgens bewerken ze het biopt, en uiteindelijk bekijken ze het weefsel onder de microscoop. Samen met de patholoog stellen ze aan de hand van dat weefselonderzoek een diagnose.’ Van de Vijver hoopt dat zijn werk hierdoor concreter wordt. ‘Als co-assistenten bij een patiënt een knobbeltje in de borst ontdekken, weten ze vaak niet wat de volgende stap is. Het is goed als ze een keer gezien hebben wat er daarna gebeurt, dan leeft het meer. Ze zullen ook de onzekerheden beter begrijpen. Artsen willen natuurlijk een eenduidige

17 discours

diagnose, maar soms kan ik niet zeggen of het type tumor A, B, of C is. De arts moet dat uitleggen aan de patiënt. Het kan hem helpen als hij weet hoe ik tot die conclusie ben gekomen.’ Als Olga Stam (29) tijdens haar studie zo’n verplichte diagnostische ingreep had moeten bijwonen, was ze ‘dolgelukkig’ geweest. Ze wist al voordat ze aan haar studie geneeskunde begon dat ze patholoog wilde worden. ‘Ik vind het mooi te zien wat er aan scheelt. Pathologie is een prachtvak, speciaal voor nieuwsgierige mensen die altijd het naadje van de kous willen weten.’ Stam vindt het jammer dat pathologie in haar studietijd zo weinig aan bod kwam. Nu, tijdens haar oudste co-schap kan zij het vak eindelijk aan den lijve ondervinden. ‘Ik snijd preparaten uit, ik bekijk hele dunne plakjes weefsel op glazen plaatjes onder de microscoop, en ik help diagnosen stellen.’ Ze komt hierbij geen enkele patiënt tegen, maar dat vindt ze niet erg. ‘Dat je de patiënten niet face to face ziet, wil niet zeggen dat je niets voor ze betekent. Wij vervullen een wezenlijke rol in de patiëntenzorg: onze diagnose bepaalt bijvoorbeeld of een patiënt chemotherapie krijgt, of niet. Alleen, we blijven op de achtergrond.’ Romantische gevoelens Toch is de afwezigheid van patiënten voor veel studenten een reden om niet voor Pathologie te kiezen, zegt Van de Vijver. ‘Het lastige is dat ze tijdens hun eerdere co-schappen net voor het eerst patiënten hebben behandeld. Veel studenten hebben dan nog romantische gevoelens bij het vak geneeskunde: ze willen mensen beter maken, en denken dat dit alleen maar kan door patiëntencontact te hebben.’ Er is nog een andere reden waarom pathologie in eerste instantie niet aantrekkelijk is voor co’s, geeft Van de Vijver toe. ‘Het is het leukste voor co’s als ze zelfstandig kunnen werken. Een polikliniek kunnen ze makkelijk in hun eentje draaien. Bij pathologie ligt dat anders. Het duurt een tijd voor je wijs kunt uit al die stipjes en vlekjes die je door de microscoop ziet. Dat maakt het moeilijk in korte tijd veel ervaring op te doen.’ Van de Vijver doet dan ook hard zijn best dat te veranderen. ‘We richten het programma zó in dat de co zoveel mogelijk zelfstandig kan werken.’ Bloederig hoopje Stam is erg tevreden over haar co-schappen. Gehuld in groene jas en handschoenen pakt ze voorzichtig een placenta uit een plastic bak. ‘Hartstikke vers, het kind is vandaag geboren.’ Omdat de baby een paar weken te vroeg kwam, onderzoekt Stam of er iets mis was met de moederkoek. Zorgvuldig bevoelt ze de navelstreng, de vliezen, de placenta. Ze meet de omvang, weegt, snijdt de vliezen los om ze beter te kunnen bekijken. Geïnteresseerd buigt ze zich over het bloederige hoopje. ‘Die witte plekken vind ik raar’, zegt ze terwijl ze er zachtjes met haar vinger in duwt. Ze schrijft alles op: het gewicht, de lengte, de vorm en ‘witte plekken, ongeveer 20 procent.’ Daarna verdwijnt alles weer in de bak, om hard te worden, zodat morgen het preparaat kan worden uitgesneden en er coupes, héle dunne plakjes weefsel, van kunnen worden gemaakt. Voor onder de microscoop. Over twee dagen weet de gynaecoloog of de vroeggeboorte aan de placenta lag.  +

juni 2010


Verplicht: co-schappen in BelgiĂŤ Lange wachttijden dwingt Onderwijsinstituut tot maatregelen Voor de ene student is het een droom, voor de ander een nachtmerrie: studeren aan de andere kant van de grens. Sommigen grijpen de kans aan om een schat aan ervaring op te doen in een andere cultuur, anderen gruwen bij het idee de vertrouwde stad, relatie, sportclub en het cafĂŠ om de hoek te verlaten. Tekst: Marc van den Broek

18 discours

juni 2010

DISCOURS nummer 1 najaar 2009

18


het dilemma is actueel geworden voor studenten die co-schappen gaan lopen. De wachttijd tussen het meeloten voor de co-schappen en het begin daarvan, is te lang geworden zegt kinderarts Jaap Groothoff van het Onderwijsinstituut Geneeskunde. ‘Nu moeten studenten zeven tot acht maanden wachten, wenselijk is één hooguit twee.’ Het Onderwijsinstituut heeft een creatieve oplossing gevonden om de wachtlijst in te korten. Al enige tijd gaan studenten voor het co-schap kindergeneeskunde (acht weken) naar Brussel en binnenkort ook naar Antwerpen. Nieuw is dat studenten niet langer vrijwillig kunnen intekenen voor een co-schap in een Belgische stad. Antwerpen en Brussel zijn standaardlocaties geworden. Groothoff hoopt met de stage over de grens niet alleen de wachtlijst te verminderen. ‘Het AMC wil dat de student internationale ervaring opdoet. In het buitenland is zorg anders georganiseerd en het is goed te ervaren dat er meer manieren zijn om goede medische zorg te verrichten. Toen we in het buitenland gingen kijken, kwamen we snel uit bij België. Het grote voordeel is de taal; onderwijs en overleg zijn in het Nederlands.’ Sinds drie jaar gaan studenten naar Brussel en het aantal plaatsen is daar op jaarbasis uitgebreid van 12 tot 24 co-assistenten. Binnenkort gaan jaarlijks 12 studenten naar Antwerpen. Aanpassen België is dichtbij, maar er zijn toch cultuurverschillen met Nederland. Groothoff zegt dat de gezagsverhouding hiërarchischer is, het is er wat ouderwetser en er wordt hard gewerkt. ‘De hoogleraar is er nog echt de hoogleraar’, vat hij samen. Maar dat hoeft geen bezwaar te zijn: ‘Het meeste contact hebben de studenten met Nederlandse assistenten, die in de Belgische ziekenhuizen veelvuldig rondlopen.’ De Belgen zijn enthousiast over de AMC’ers heeft Groothoff gemerkt. ‘De Nederlanders zijn slagvaardig, misschien is hun klinische kennis minder dan van hun Belgische collega’s, maar ze handelen sneller. Die assertiviteit wordt op prijs gesteld.’ De assertiviteit van de Hollanders is iets wat José Ramet, hoogleraar Kindergeneeskunde van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen, met interesse tegemoet ziet. ‘Ja de Belgen zijn niet zo goedgebekt als de Nederlanders, ze moeten zich aanpassen. Dat moet geen probleem zijn. Je moet je als arts voortdurend kunnen aanpassen aan nieuwe situaties’, is de filosofie van Ramet. Buitenlandse blik Hij vindt dat studenten een gat in lucht moeten springen als ze de mogelijkheid krijgen om in het buitenland aan de slag te gaan. ‘Ik ben destijds een tijdje in New York geweest voor mijn opleiding. Heel leerzaam. In het buitenland kun je de sleutel vinden om iets nieuws te leren.’ Die ervaring kunnen Nederlanders ook in Antwerpen opdoen, vindt hij. ‘Wij werken pragmatischer, er is minder overleg, en we doen het werk met minder medisch en paramedisch personeel.’ Ramet hoopt ook wat te leren van de buitenlanders die op zijn afdeling werken. Behalve Nederlanders, lopen er studenten uit Italië, Turkije en Zweden rond. ‘We zien andere gewoonten. Ik vind dat je je werk voortdurend moet evalueren en mensen met een buitenlandse blik zijn waardevol als onderdeel van onze quality control.’ Daarbij, zegt hij, is Antwerpen een fraaie stad met een Bourgondische inslag. Na het werk zijn er voldoende afleidingen en activiteiten. Ramet: ‘De studenten hoeven zich niet te vervelen. Antwerpen is een stad voor de jeugd.

19 discours

En het ziekenhuis in de wijk Edegem ligt niet zo ver van het centrum als het AMC’, prijst hij zijn ziekenhuis aan. Bijzondere omstandigheden Ondanks het gespreide bedje in België maakt het verplichtende karakter deze co-schappen bijzonder. De studentenraad is akkoord gegaan en er is een speciale regeling in het leven geroepen voor co-assistenten die naar Brussel of Antwerpen gaan. Uiteraard is de huisvesting geregeld, evenals een reiskostenvergoeding, legt studieadviseur Geneeskunde Anneloes Meijnders uit. ‘En studenten die wezenlijke bezwaren hebben tegen uitzending naar België kunnen tot uiterlijk vier weken voor de loting een afspraak met ons maken, waarin ze hun bezwaren kunnen toelichten. Dat hebben tot nu toe enkele studenten gedaan.’

‘Co-assistenten kunnen elk weekend op kosten van het AMC naar Amsterdam’

Alle bezwaren worden verzameld en dan beslissen de studieadviseurs gezamenlijk over de verzoeken, dit om één lijn te trekken. Als de bezwaren niet worden gehonoreerd dan moet de student het pakket accepteren. ‘Hij kan dan tot een uur na de loting ruilen met een medestudent’, zegt Meijnders, ‘maar dan het hele pakket.’ Een student kan voor de loting voorkeuren opgeven en door daar slim mee om te gaan, de kans verkleinen een co-schap in België te krijgen. De regeling spreekt van bijzondere omstandigheden dat een student niet zou hoeven gaan en daarbij moeten we, volgens Meijnders, denken aan studenten met kinderen of een student die verantwoordelijk is voor de dagelijkse zorg van bijvoorbeeld zijn of haar zieke moeder. ‘In die gevallen kun je niet iemand voor acht weken naar het buitenland sturen. De meeste bezwaren die we horen, zijn van mensen met een relatie in Amsterdam of van studenten die elk weekeinde hier moeten sporten. Dat soort bezwaren honoreren we niet.’ Retourtjes Een terugkerend thema bij het ziekenhuis van de Vrije Universiteit in Brussel is de taal. De voertaal in het ziekenhuis is Nederlands, het overleg is in het Nederlands, maar soms stappen er patiënten binnen die alleen Frans willen of kunnen spreken. Meijnders beaamt dat dit punt wel eens wordt genoemd door studenten die de Franse taal niet of nauwelijks beheersen. Volgens onderwijscoördinator Groothoff is het probleem bekend, maar studenten die in Brussel co-assistent waren, meldden geen grote problemen. ‘Er is een lijst met vertalingen beschikbaar en als dat niet voldoende is, zijn er altijd mensen in de buurt die even willen helpen.’ De reiskostenvergoeding is door tussenkomst van de studieadviseurs verbeterd. Werden oorspronkelijk twee treinretourtjes naar Nederland vergoed, nu kunnen de co-assistenten bijna elk weekeinde op kosten van het AMC even naar Amsterdam. Om precies te zijn zeven keer in acht weken. De achtste keer moet de co-assistent een weekenddienst draaien in het ziekenhuis. +

juni 2010


Hans Doornbos

Koert Dolman

Kristien Tytgat

Roddelen: voor verbetering vatbaar Tekst: Suzanne Bremmers Fotografie: Janus van der Eijnden

Over Hans Doornbos wordt flink geroddeld, net als over Koert Dolman en Kristien Tytgat. Pardon? Ja, ‘roddelen’ wordt gebruikt als methode tijdens de intervisie van het Teach the Teacherprogramma. Tijdens die intervisie staan opleiders stil bij vragen over de begeleiding van hun arts-assistenten. De eerste groep opleiders is net klaar.

De roddelmethode werkt als volgt: een opleider brengt een probleem naar voren dat gaat over de opleiding van zijn of haar arts-assistent. De groep stelt allerlei vragen over dit probleem. Ze diepen de situatie uit. Dan schuift de inbrenger van het probleem de stoel naar achteren en gaat net buiten de groep zitten. Die groep gaat vervolgens over het probleem en de inbrenger ‘roddelen’. Uiteindelijk komen ze tot een hypothese (‘hij moet zich veel harder opstellen’) en tot een advies (‘ze moet meteen zeggen waar het op staat’). Ondertussen mag de inbrenger van het probleem niets zeggen, hij mag alleen notities maken. Dan komt de inbrenger van het probleem terug bij de groep en mag reageren op wat er is gezegd (‘dat zegt mijn vrouw ook altijd’). Vervolgens bedenkt de inbrenger wat hij aan het probleem gaat doen. Tijdens de volgende sessie wordt hier op teruggekomen. Gynaecoloog Hans Doornbos is opleider bij het Zaans Medisch Centrum. Wat voor opleider bent u? ’Ik ben de moderator en de rationalist. In een overdracht vat ik het probleem

20 discours

samen en rond de discussie af. Ik ben degene die denkt: jongens, we hebben nog meer te doen. Misschien ben ik daarin te snel en soms te dwingend in mijn visie. Dat komt, denk ik ook, omdat ik te veel aanpak en teveel functies combineer. Op mijn leeftijd heb je sterkere prikkels nodig om alert en gemotiveerd te blijven. Misschien wil ik wel te veel tegelijk.’ U doet toch ook wel iets goed? ’Natuurlijk. Ik ben vrij rustig in de operatie- en verloskamer. Dat wordt erg gewaardeerd. Ik dacht zelf dat ik te weinig complimentjes zou geven, maar dat blijkt toch niet zo te zijn, begreep ik uit antwoorden van de arts-assistenten in SetQ.’ Wat vindt u belangrijk in de opleiding van de arts-assistent? ’Professionaliteit is het kernbegrip. Je moet je vak verstaan. Het gaat niet alleen om vaardigheid en attitude, dat zijn misschien intermediairs. Bijblijven op je vakgebied is het belangrijkste. Dat kun je alleen als je veel over je vak en je eigen rol daarin nadenkt. Zelfreflectie dus.’

juni 2010


Wat heeft u geleerd over uw eigen onderwijskwaliteiten? ‘Ik weet nu dat ik gevoelens van arts-assistenten soms onderschat. Voor de assistent kan bijvoorbeeld een miskraam heel ingrijpend zijn. Ik benadruk dat je altijd professioneel en dus ook met empathie moet overkomen. Maar ik wil niet dat ze zich te snel uit het veld laten slaan. Ik weet nu dat ik meer ruimte aan hun gevoelens moet geven.’ Kristien Tytgat roddelt nog één keer over Hans Doornbos ‘Het is opvallend hoe kwetsbaar Hans zich hier opstelt, gezien uitspraken als ‘te snel, te dwingend’ en ‘te weinig complimentjes’. Hans heeft geleerd om zich te verplaatsen in de assistent en niet alleen te denken vanuit zijn perspectief als ervaren dokter. Het siert hem dat hij op zoek is gegaan naar wat nog beter kan, en het geleerde in praktijk te brengen. Hij zegt dat hij vanwege zijn leeftijd sterkere prikkels nodig heeft, maar als je hem hoort praten, hoor je de liefde voor het opleidersvak. Dat is, denk ik, zijn motivatie. Ik heb ook veel van hem geleerd.’ Kinderarts Koert Dolman is opleider bij het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis. Wat voor opleider bent u? ’Ik ben gedreven, enthousiast en ambitieus. Ik wil graag een voorbeeldfunctie vervullen. Ik ben een teamspeler. We leiden in dit ziekenhuis met z’n allen op. Ik stel hoge eisen aan de arts-assistenten die hier werken. Maar dat doe ik ook voor mezelf. Ik ben altijd op zoek naar hoe ik een betere opleider kan worden.’ Waar loopt u wel eens tegenaan als opleider? ’Soms weet ik niet tot hoever je invloed reikt. In hoeverre kun je mensen veranderen? Een voorbeeld. Een arts-assistent had steeds te weinig tijd voor eigenlijk alles. Poli’s liepen uit en ’s avonds werd nog driftig gedicteerd. Bij het bespreken van het functioneren van de assistent kwam het gebrek aan timemanagement steeds weer naar voren. Er zat, ondanks vele suggesties, ook geen verbetering in. Ik dacht steeds vaker: iedereen zit weer anders in elkaar. Kennelijk hoort dit aspect bij deze arts-assistent. Ik had daarnaast ook vragen over mijn rol als opleider.’ Hoezo? ’We zijn de laatste jaren overspoeld met nieuwe meet- en opleidingsinstrumenten. Ik vroeg me af hoe ik iedereen in ons team enthousiast kon houden over al die projecten. Hoewel we fantastische, gedreven kinderartsen hebben, was het soms toch een beetje van ‘wat nu weer’. De andere opleiders in de intervisiegroep raadden me aan om vanuit mijn eigen standpunt duidelijk te maken waarom dit belangrijk is. En als het niet lukt, moest ik het ook niet tot mijn dagtaak maken om ze te overtuigen. Ik ben me nu meer bewust van de rol die ik speel, maar ook van de beperkingen daarvan.’ Wat heeft u geleerd van de roddelmethode over uw eigen onderwijskwaliteiten? ’In het geval van de arts-assistent dachten de andere opleiders dat het gebrek aan tijd een symptoom is van een onderliggend aspect, namelijk dat de normen en waarden van deze arts-assistent kennelijk verschillen met die van mij. Dat neem ik nu mee in het voortgangsgesprek.’ Hans Doornbos roddelt nog één keer over Koert Dolman. ‘Koert is inderdaad een gedreven en een verbaal zeer aanwezige opleider. Zijn voorbeeldfunctie zal voor zowel staf als aios wel eens teveel van het goede zijn. Het

21 discours

lijkt alsof hij zichzelf niet alleen als een mogelijk na te volgen voorbeeld presenteert, maar meer als maat der dingen. In het voortgangsgesprek met de assistent is weinig ruimte gelaten voor de individuele verschillen in benadering van werk en patiënt en ieders eigen opvatting van professionaliteit. Koert heeft dusdanig hart en feeling voor zijn rol als opleider en voor zijn collega’s, dat hij de beperkingen van zijn invloed is gaan zien. Hij staat open voor kritiek, is reflectievaardig en graag bereid te leren.’ Kristien Tytgat is arts Maag-Darm-Leverziekten en opleider bij het AMC. Wat voor opleider bent u? ’Als ik mezelf vergelijk met andere opleiders ben ik wat minder dominant, maar bij het aanleren van de endoscopie benoem ik iedere handeling. Ik praat assistenten echt door die darm heen. Sommigen vinden dat heel prettig, anderen vinden dat gehijg in hun nek wat minder. Ik ben nieuwsgierig naar de achtergrond van een assistent. Die kennis maakt het bijsturen ook makkelijker. Je weet hoe je iemand het beste kan benaderen. Maar ik vind het ook gewoon gezellig hoor, haha.’ Waar loopt u als opleider wel eens tegenaan? ’Ik schets een voorbeeld: ik werd plotseling bij een endoscopie gevraagd als supervisor en ik had echt geen idee wat het antwoord op de gestelde vraag was. Ik zei dat ook, maar dacht tegelijkertijd: nu hebben ze ook niet veel aan mij als opleider. Ik had het gevoel dat ik faalde. Ik vroeg me af of ik dit anders had moeten aanpakken.’ En? ’Mijn collega-opleiders lieten weten dat ik helemaal niet moet denken dat iemand anders misschien vindt dat ik het had moeten weten. Ze zeiden over mij: dat is haar eigen gevoel, haar eigen onzekerheid, die moet ze niet op die assistent projecteren. Bovendien vonden ze dat het niet verkeerd was om in een opleidingssituatie iets niet te weten. Dat is ook goed om te weten voor de artsassistent. Ook al ben je klaar, dan weet je het nog niet altijd. Dat waren goede leermomenten.’ Doet u het nu ook anders? ’Ik ben wat directer geworden. Ik denk nu: ik heb een bepaald standpunt en dat is nu eenmaal zo. De assistent moet daar maar mee omgaan. Ik denk meer vanuit mijn eigen kracht. Nu zeg ik: ‘Ik wil dat je het volgende keer anders doet.’ Dat werkt eigenlijk heel goed. Ik had niet verwacht dat assistenten zich daar zomaar bij neer zouden leggen. Ik besef inmiddels dat je iemand kan opleiden zonder te denken dat alleen jij daar verantwoordelijk voor bent en dat het ook niet betekent dat je álle kennis in huis hebt.’ Koert roddelt nog één keer over Kristien ‘Prachtig zoals Kristien vertelt hoe ze in de dagelijkse praktijk een balans probeert te vinden tussen ruimte geven aan de arts-assistenten en het voorbeeld te geven en de leiding te nemen tijdens het scopieren. Ze is veeleisend, ook voor zichzelf, en vindt het dan moeilijk om te erkennen dat ze niet alle vragen kan beantwoorden. Daar open en duidelijk in zijn, is een groot voorbeeld voor de arts-assistenten. Ik ben benieuwd hoe zij haar nieuwe opstelling en werkwijze ervaren: geeft dit meer helderheid of worden ze beperkt in de eigen ontwikkeling?’ Voor meer informatie over de intervisie kijk op: www.amc.nl/ttt.

juni 2010

+


p m d

r r

De kunst van feedback

m

6

d

j

d

4 i ‰

m

8

k

a q

* $ s

x x 8*y # *a & ‰ w

w

w

v

z u

6 m d ar 6 v @ #5

5t #

p 8a m t w m w a‰ r &9 ) w v u” a q x * q

§

w v

w y

9

l

m

mv

y

8y zk j ” $ c 5 l 7 7c p il 6 q rm

‰ §

Tekst: Simon Knepper

l q

y

%

“ ” a j ◊ d y h ca5 % i 7

6 y

&

p

a

%

8

4 k j cc 5 l m 7 6 p t q r

m 2 1 f p hg 6 q z z 3 y y w x ) ( (

l m

l p q r wk l x l m m pp 4 4 t kq r k j j z w v u

‘Coach de Co’ is de naam van een nieuwe, eendaagse cursus die arts-assistenten beter moet toerusten voor de scholing van co-assistenten. Een basale training die er eigenlijk al veel eerder had moeten zijn, want lang niet iedere aios is natuurlijk een geboren opleider. En lang niet iedere co een volgzame leerling. Extra ballast in een toch al overladen opleidingsprogramma? De reacties van deelnemers wijzen er niet op. ‘Voor mij zaten er echte eyeopeners tussen’, zegt Boj Mirck (29). Als vierdejaars aios Algemene Heelkunde volgde hij Coach de Co twee maanden geleden in zijn eigen Tergooiziekenhuis. ‘Wat ik bij co-assistenten vaak doe is dingen uitleggen naar aanleiding van de actuele situatie, van de casus die ik onder handen heb. Een beetje schoolmeesterachtig, in de trant van: het loopt nu zó, maar wat zou je doen als het zo en zo was gelopen? Maar op zo’n cursusdag krijg je veel meer ingangen aangereikt, vaak bewezen effectief. De waarde van positieve feedback had ik me bijvoorbeeld nooit zo gerealiseerd. Als je je co kunt vertellen wat er goed was aan wat hij of zij deed en waarom precies, heb je een prima sturingsinstrument in handen.’ Laten we het maar onder ogen zien. De kwaliteit van de begeleiding waarop co-assistenten mogen rekenen, is nogal lang aan het toeval overgelaten. Maar met de aandacht voor het onderwijs groeit binnen het AMC ook de aandacht voor onderwijsgevenden in alle soorten en maten. Het één dag omvattende Coach de Co, een basiscursus waarin de kunst van het feedback geven centraal staat, is bedoeld voor assistenten in het tweede opleidingsjaar. Naast theorie en onderlinge uitwisseling omvat het een uitvoerig praktijkdeel, waarin de cursusdeelnemers worden bijgestaan door een acteur die alle typen co’s op afroep uit zijn mouw schudt. Viermaal is Coach de Co tot nu toe gegeven, steeds onder leiding van

22 discours

medisch psycholoog Mart Calff en keel-, neus- en oorarts Freerk van der Meulen. Wat moet een clinicus bij een cursus in communicatieve vaardigheden? ‘Als brug fungeren tussen de psychologisch getinte leerdoelen en de klinische praktijk’, verklaart Van der Meulen. ‘Daarnaast heb je als arts een zekere symboolfunctie, vind ik. De onuitgesproken boodschap is: clinici hechten eraan dat deze vaardigheden aan de orde komen.’ In meerderheid denken de cursisten er niet anders over, getuige de scoringslijsten die na afloop worden ingeleverd. Bij een maximumscore van vijf wordt Coach de Co gemiddeld met een dikke vier gewaardeerd. Lof is er met name voor de handvatten om lastig co-gedrag te verbeteren en voor de minicursus positieve feedback. Alleen daarom al zou het goed zijn de cursus voor alle assistenten verplicht te stellen, oordeelt Boj Mirck. Bovendien: ‘Veel van de adviezen en vaardigheden komen ook van pas in andere situaties, in de omgang met je opleider bijvoorbeeld.’ Ook Van der Meulen zou Coach de Co het liefst verplicht zien. ‘Maar officieus is die verplichting er eigenlijk al’, stelt hij. ‘De Raad van Bestuur staat vierkant achter de cursus, dus je mag ervan uitgaan dat alle opleiders serieus proberen er ruimte voor te maken.’ + Coach de Co is een onderdeel van het AMC Teach the Teacherprogramma en gratis voor alle arts-assistenten van alle affiliatieziekenhuizen. Voor meer informatie kijk op www.amc.nl/ttt, dan naar ‘Coach de Co’.

juni 2010


-agenda-

ag en da

dan naar ‘Coach de Co’

vormt de basis van de didactische

dan naar ‘Verdiepingsmodule’

10 juni

professionalisering van opleiders en

21 september

Congres Voorjaarssymposium van

leden van opleidingsgroepen.

Teach the Teacher Verdiepingsmodule:

de Netherlands School of

Plaats Boerderij Langerlust, Amsterdam

Vaardig in 4 stappen. Over hoe u effectief

Occupational Health (NSPOH)

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

een vaardigheid aan een aios, anios of

‘Wijzer door wetenschap? Over het nut

dan naar ‘STARTmodule’

co-assistent kunt aanleren. Plaats AMC

van evidence based handelen’. Plaats NBC, Nieuwegein

24 juni

Tijd 16.00-19.00 uur

Tijd 9.30-16.30 uur

Conferentie Slotconferentie Vaart

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

Inlichtingen www.nspoh.nl

in Innovatie Vervolgopleidingen

dan naar ‘Verdiepingsmodule’

(In VIVO) ‘Maandag aan de slag’ over de 16 juni

ervaring die is opgedaan met de ver-

22 september

Prijsuitreiking De AMC Graduate School

nieuwing van de specialistenopleiding

Workshop

reikt jaarlijks prijzen uit voor het beste

bij Gynaecologie/Obstetrie en Kinderge-

Professioneel presenteren

8 juni

proefschrift en de beste publicaties in

neeskunde.

(KNMG)

Lezing Ruyschlezing door prof. Erica

het kader van promotie-onderzoek. Drie

Plaats Domus Medica, Utrecht

Hoe overtuig je publiek en hoe houd

Frank, MD, MPH, Canada Research Chair

prijswinnaars geven een korte toelich-

Tijd 9.30-17.15 uur

je de aandacht vast? Leer hoe je een

Inlichtingen en inschrijving www.cbog.nl

presentatie toegankelijk en aantrekkelijk

(in Preventive Medicine and Population

ting op hun onderzoek, de jury bepaalt

Health) van de University of British

vervolgens wie de eerste prijs krijgt.

Columbia. In de VS en Canada verricht

Plaats AMC, collegezaal 1

24 juni

Plaats Domus Medica, Utrecht

prof. Frank cohortonderzoeken naar de

Tijd 16.00-18.00 uur

Congres Bijeenkomst ‘Kindermis-

Tijd 18.00-21.30 uur

persoonlijke leefstijl van artsen en de

Inlichtingen R. Friedländer,

handeling aanpakken is commu-

Inlichtingen www.knmg.nl/loopbaan-

invloed daarvan op patiëntenzorg.

020 566 3108, graduateschool@amc.nl

niceren en samenwerken’, met

bureau

Plaats AMC, collegezaal 1 Tijd 17.00-18.00 uur

maakt.

praktijkgerichte lezingen en 17 juni

workshops.

Inlichtingen S. van Vliet,

Symposium de nvmo organiseert

Plaats AMC, collegezaal 1

Teach the Teacher STARTmodule:

020 566 7806, s.a.vanvliet@amc.nl

medischonderwijs.nl.

Tijd 9.00-17.00 uur

Communicatie en modernisering voor opleiders en stafleden

23 september

Een symposium over de mogelijkheden

Inlichtingen en inschrijving www.amc.

8 juni

van e-learning binnen het medisch

nl/congres

Workshop Solliciteren na afron-

onderwijs.

ding van je specialisatie (KNMG)

Plaats Onderwijsgebouw LUMC, Leiden

30 juni

de didactische professionalisering van

Workshop voor arts-assistenten die

Inlichtingen en aanmelden

Medische Carrièredag (MFAS en AMC CoRaad)

opleiders en leden van opleidingsgroe-

meer willen weten over het verkrijgen

www.nvmo.nl

Lezingen over loopbaantrajecten,

pen.

(twee dagen). De STARTmodule vormt de basis van

workshops, informatiemarkt en de

Plaats Boerderij Langerlust, Amsterdam

afdeling of maatschap.

17 juni

uitreiking van het beste coschap 2009.

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

Tijd 13.30-21.00 uur

Symposium en afscheidscollege

Voor co-assistenten en vierdejaars

dan naar ‘STARTmodule’

Plaats Leiden

Bijeenkomst ter gelegenheid van het

geneeskundestudenten. Thema dit jaar

Inlichtingen www.knmg.nl/loopbaanbu-

emeritaat van prof.dr. Dick Swaab,

is ‘perfectie’.

29 september

reau

hoogleraar Neurobiologie, in de vorm van

Plaats AMC, collegezaal 1

Workshop Professioneel

een ‘uitburgeringscursus’ onder de titel

Tijd 9.00-17.00 uur

presenteren (KNMG)

9 t/m 11 juni

‘Doodgewoon’. Het programma omvat

Inlichtingen www.mfas.net/mcd

Hoe overtuig je publiek en hoe houd

Congres Derde ‘European

voordrachten over onder andere de

van een passende baan binnen een

je de aandacht vast? Leer hoe je een

Nephropathology Course’.

euthanasiewet, reanimatie, hersendood,

7 september

presentatie toegankelijk en aantrekkelijk

Plaats AMC, afdeling Pathologie, M2-126

neurpathologie en de Nederlandse Her-

Teach the Theacher Verdiepingsmodule:

maakt.

Tijd 9.00-19.00 uur (9/6), 9.00-18.00 uur

senbank. Tevens houdt prof. Swaab zijn

Leren van ervaring: in gesprek met aios.

Plaats Domus Medica, Utrecht

(10/6), 9.00-16.30 uur (11/6)

afscheidscollege ‘Het doode lijf schenkt

Plaats AMC

Tijd 18.00-21.30 uur

Inlichtingen J. Huges, 020 566 7519,

leering...: Wat we over het leven leerden

Tijd 17.00-19.00 uur

Inlichtingen www.knmg.nl/loopbaanbureau

b.m.huges@amc.nl

van dode hersenen’.

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

Plaats AMC, collegezaal 1

dan naar ‘Verdiepingsmodule’

30 september

21 september

Voor arts-assistenten, artsen niet-in-

10 juni

Tijd 10.00-17.30 uur.

Teach the Teacher Coach de Co

Afscheidscollege: 16.00 – 16.45 uur

Teach the Teacher Coach de Co Teach the Teacher Verdiepingsmo-

opleiding tot specialist en verloskundi-

opleiding tot specialist en verloskundigen.

17 juni

dule: Coaching bij leren op de

gen. Over leergesprekken en het geven

Aandacht voor leergesprekken en het

Teach the Teacher STARTmodule:

werkplek.

van feedback aan co-assistenten.

geven van feedback aan co-assistenten.

Communicatie en modernisering

Plaats AMC

Plaats Boerderij Langerlust, Amsterdam

Plaats Boerderij Langerlust, Amsterdam

voor opleiders en stafleden

Tijd 15.00-19.00 uur

Inlichtingen www.amc.nl/ttt, dan naar

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

(twee dagen). De STARTmodule

Inlichtingen www.amc.nl/ttt,

‘Coach de Co’

Voor arts-assistenten, artsen niet-in-

23 discours

juni 2010


-wetenschappelijke stage in het buitenland-

Paasweekend

Op de gletsjer

Nicolien voor het ziekenhuis

Op kantoor

Bij de wijnproeverij

Uit de polder Nicolien van der Poel vertrok voor zes maanden naar Nieuw-Zeeland om in de hoofdstad Auckland een wetenschappelijke stage te doen.

‘Ik wilde graag naar het buitenland voor mijn wetenschappelijke stage, het liefste iets met gynaecologie. Met die wensen ben ik naar mijn opleider gestapt. Hij had het schrijven van een review in Auckland als suggestie. Dat leek me een kans die ik met beide handen moest aangrijpen. Voor de Cochrane Menstrual Disorders & Subfertility Group schrijf ik een systematic review over intra-uteriene inseminatie. Het is een heel proces dat al maanden van tevoren in Amsterdam begon met een cursus. Daarin komt alles aan bod: van het inlezen in het onderwerp tot hoe je uiteindelijk een review zelf moet schrijven. Het is heel fijn dat ik er niet alleen voor sta. Ik word begeleid door een heel team van auteurs. Je begint met het schrijven van een protocol, en als dat helemaal naar tevredenheid van het team is, kun je beginnen. De mede-auteurs zijn ook verantwoordelijk voor de kwaliteit, dus die helpen je door het hele proces heen. Ik zit in een groot kantoor waar elke dag ongeveer vijf mensen aan het werk zijn die alles weten over het schrijven van reviews voor Cochrane, dus er is altijd iemand in de buurt om vragen aan te stellen. Meestal ga ik rond half tien naar kantoor en kom ik om vijf uur weer thuis. Ze nemen enorme pauzes op kantoor! Om half 11 drinken we een half uur morning tea. Dat betekent: koffie drinken, kletsen en muffins eten. En voor de lunch trekken we al gauw een uur uit. Het valt me op dat tijdens die pau-

24 discours

zes meer over academische onderwerpen dan over koetjes en kalfjes wordt gesproken. Ik mag mijn dag zelf indelen en ik kan zo veel vrij nemen als ik wil. Het enige dat vast staat, is dat mijn review af moet voordat ik vertrek. Nieuw-Zeeland is een fijn land om voor een poosje in te wonen. De mensen zijn vriendelijk en gastvrij en het land is prachtig, gevarieerd en goedkoop om te reizen. Het leukste was tot nu toe dat we toevallig dolfijnen tegenkwamen toen we aan het varen waren bij het Zuidereiland. Een ander mooi moment was dat de mensen op het kantoor voor mij een verjaardagsfeest hadden georganiseerd. Het is prettig om in de hoofdstad te zitten, omdat er altijd wel iets te doen is. In het weekend zijn er vaak evenementen en markten. De eerste week zat ik in een hostel, maar dankzij een e-mail naar het hele adressenbestand van mijn begeleider hadden wij - een ander Nederlands meisje en ik - al snel een appartement gevonden. Ik sport veel. Het lijkt wel alsof alle inwoners van Auckland in het weekend hardlopen langs de kust, en daar doe ik vrolijk aan mee. Op maandag, woensdag en zaterdag hockey ik bij de Auckland University hockeyclub. Het is een leuke manier om veel mensen te leren kennen en lekker fanatiek te sporten. Zo bouw je volgens mij ook het beste een sociaal leven op. Als je op je kamer gaat zitten kom je vast geen leuke mensen tegen. Gewoon lekker uitgaan, lid worden van een sportclub en dan gaat de rest vanzelf.’ +

juni 2010


discours