Rekensprong Plus 4: werkschrift C - correctiesleutel

Page 1

leerlijnen:

Eric De Witte Raf Lemmens Paul Nijs Hilde Van Iseghem Viv Vingerhoets

auteurs:

Mieke Depiere Stefanie Gerrits Ilse Gijsbrechts Eline Govaert Karel Hugelier Dirk Mortier Peter Vanbedts Koen Vandenberghe Hilde Van Iseghem

4

Correctiesleutel

Viv Vingerhoets

WERKSCHRIFT C

REKENSPRONG

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 1

9/13/11 3:22:03 PM


Rekensprong Plus 4 bestaat uit: - de werkschriften a, b, c en d - het toetsschrift - het neuze-neuzeboek (onthoudboek) - de map van Wibbel: deel 1: inoefenen, automatiseren en toepassingen deel 2: remediëren en verrijken - de handleidingen a en b (met administratieve en doelen-cd-rom) - een cd-rom voor in de klas - een bordboek plus

Rekensprong Plus 4 – werkschrift c – correctiesleutel leerlijnen: Eric De Witte, Raf Lemmens, Paul Nijs, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets auteurs: Mieke Depiere, Stefanie Gerrits, Ilse Gijsbrechts, Eline Govaert, Karel Hugelier, Dirk Mortier, Peter Vanbedts, Koen Vandenberghe, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets Tekeningen: Mario Boon, Ina Hallemans, Riske Lemmens Omslagontwerp: Greet Lesage Omslagillustratie: Riske Lemmens Lay-out en zetwerk: PX

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.

© Van In, Wommelgem, 2011 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk 2011 ISBN 978-90-306-6162-7 978-90-306-6159-7 D/2011/0078/7 D/2011/0078/474 Art. 540496/01 540489/01 NUR 192

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 2

9/13/11 3:22:11 PM


SPRONG

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 3

9/13/11 3:22:11 PM


LES 79 1

BREUKEN OP EEN GETALLENAS

Verbind de hokjes met de juiste plaats op de getallenas. 1 3

3 3

0

4 3

1 1 8

7 3

3

1 2

8 8

2

3 8

4 8

0

2

9 8

1

Vul de breuken aan die ontbreken. Soms kan het op twee manieren!

0

0

1 … 5 …

3 … 5 …

1 … 6 …

3 … 6 …

1 … 5 5 …

5 … 6 …

1

7 … 5 …

9 … 5 …

7 … 6 …

9 … 6 …

1 … 2 …

3

2 … 10 5 …

3 … 2 …

Breukensneeuwballen

Kleur de breuken roen ro en;; en groen; * kleiner dan 1 g 3 eel e; geel; * gelijk aan 1 ge 3 b n. * groter dan 1 bruin. 3

Kleur de breuken 1 4

1 2 10 0 30 0 2 6

1 8

2 3

2 6

Kleur de breuken * kleiner dan 2 groen; 7 2 * gelijk aan geel; 7 * groter dan 2 bruin. 7

4

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 4

* kleiner dan 4 groen; 5 4 * gelijk aan geel; 5 * groter dan 4 bruin. 5

1 5

3 5 7 5

5 5

8 10

1 5

3 10

Kleur de breuken

4 14 4 2 10

20 0 70 0

* kleiner dan 3 groen; 5 3 * gelijk aan geel; 5 * groter dan 3 bruin. 5

6 10 0 6 5

3 4

9/13/11 3:22:16 PM


LES 79

BREUKEN OP EEN GETALLENAS 4

8 6

5

Vereenvoudig de breuken. Ga zo ver mogelijk.

4 = ............... 3

5 1 = ............... 4 20

13 1 = ............... 2 26

33 3 = ............... 11

32 8 = ............... 4

5 1 = ............... 5 25

50 5 = ............... 7 70

20 2 = ............... 3 30

4 1 = ............... 5 20

2 1 = ............... 50 100

Plaats de breuken op de juiste plaats op een van beide getallenassen. Je mag geen streepjes bijplaatsen. 1 - 1 - 6 - 9 - 10 - 3 4 2 7 4 7 2

10 7 9 4 2 1

6

3 2

Vul aan.

1 van 4

is ......... 25

1 van 2

is ......... 50

3 van 4

is ......... 75

1 van 5

is ......... 20

4 van 5

is ......... 80

1 van 20

is ......... 5

7

6 7

1

1 2 1 4 0

0

En nu zelf aan de slag met potlood en meetlat! 1 3 5 , en op. 2 4 4 1 3 2 4

meerdere oplossingen mogelijk

Teken een getallenas met 0, 1, 0

Teken een getallenas met 0, 1, 2 5

0

Teken een getallenas met 0, 1, 0

1 6

1 3

1

2 4 7 , en op. 5 5 5 4 5

5 4

1

7 5

1 1 en op. 3 6 1

5

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 5

9/13/11 3:22:27 PM


GELIJKNAMIGE BREUKEN OPTELLEN EN AFTREKKEN

LES 80 1

Maak de som of het verschil. Vereenvoudig de uitkomst als het kan.

2 3 5 + = ....................... 7 7 7

2 8 2 6 – = ....................... = 9 9 9 3

8 3 5 – = ....................... =1 5 5 5

5 2 7 =1 + = ....................... 7 7 7

1 7 5 2 – = ....................... = 6 6 6 3

3 6 3 3 + = .................. = 10 10 10 5

5 = 1 2 3 + = .................. 10 10 2 10

5 2 3 – = ....................... =1 3 3 3

1–

8 4 4 + = ....................... 5 5 5

1–

3 1 = ....................... 4 4

2 4 2 – = ....................... 5 5 5

2 6 5 1 + = ....................... = 9 9 3 9

1–

7 3 = .................... 10 10

3 15 7 8 + = .................. = 10 10 10 2

2

1 4 = ....................... 5 5

Reken uit. Noteer ook de bewerking.

2 van de puzzel. 5 1 Vandaag maakte ze nog eens . 5 3 Welk deel van de puzzel is al gemaakt? ...... van de puzzel. 5 2 van de puzzel. Welk deel moet ze nog maken? ...... 5 Gisteren maakte mama

De nieuwe cd van de Wibbelientjes is uit! Eergisteren werd

2 1 3 + = 5 5 5 1–

1 van de 8

3 2 = 5 5

1 2 3 6 3 + + = = 8 8 8 8 4

2 3 voorraad verkocht, gisteren en vandaag nog eens . 8 8 6 3 Welk deel van de voorraad is al verkocht? ( =) ...... van de voorraad. 8 4 1 van de voorraad. Welk deel van de voorraad is er nog over? (2 =) ...... 8 4 3 In onze school is van de kinderen lid van de Chiro. 8 1 van de leerlingen is lid van de scouts. 8 Welk deel van de kinderen gaat naar de Chiro of naar de scouts?

1–

3 1 = 4 4

3 1 4 1 + = = 8 8 8 2

1 van de kinderen. ...... 2

3

De breukenballentrommel

• Zoek 2 breuken waarvan de som 1 is. Kleur die e rood. 5 9

• Zoek 2 breuken waarvan de som 2 is. Kleur die g geel. eel. ee l. l.

8 3

1 8

1 • Zoek 2 breuken waarvan de som is. 2 Kleur die bruin.

4 3

1 • Zoek 2 breuken waarvan het verschil is. 2 Kleur die b blauw. la auw uw.

1 11

4 10 0

3 8

9 10 0 2 3

8 9

2 11 3 10

4 9

6

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 6

9/13/11 3:22:29 PM


GELIJKNAMIGE BREUKEN OPTELLEN EN AFTREKKEN 4

LES 80

Vul op de stippen de passende breuken aan.

1 … 8 …

0

10 … 6 …

3 … 8 …

7 … 6 …

5 … 3 …

5

1 van 2

is ......... 500

1 van 4

is ......... 250

1 van 8

is ......... 125

1 van 5

is ......... 200

1 van 10

is ......... 100

1 van 100

is ......... 10

1 van 200

is ......... 5

Wat kan op de plaats van de vlek staan? 1 8

<

2 5

>

3 7

>

3 5

<

3 5 4

3 2 10

<

3 8

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 7

3 … 6 …

6 … 6 …

1 … 2 …

1 2 7

8

1

10 … 8 …

8 … 8 …

5 … 4 …

1 … 6 …

1 1 en zijn 3 4

x stambreuken. ❏ ❏ gelijknamige breuken. ❏ gelijkwaardige breuken.

5 1 en zijn 20 4

❏ stambreuken. ❏ gelijknamige breuken. x gelijkwaardige breuken. ❏

2 6 en zijn 7 7

❏ stambreuken. x gelijknamige breuken. ❏ ❏ gelijkwaardige breuken.

Wie ben ik?

1 van mij neemt, heb je 9. 3 1 Als je van mij neemt, heb je 100. 10 2 Samen met ben ik 1. 3 1 Als je van mij neemt, heb je 20. 5 1 Ik ben meer dan 1. 4 1 Ik ben minder dan 1. 5 5 4 Ik ben het verschil van en . 6 6 Als je

meerdere oplossingen mogelijk

0

Al die woorden! Kruis aan wat past.

Ik ben een kwart van 100.

1 2 5 1 2 5

7 … 8 …

1

6

Vul aan.

7

5 … 8 …

25 ......... ......... 27 1......... 000 1 ......... 3 100 ......... 5 ......... 4 4 ......... 5 1 ......... 6

7

9/13/11 3:22:31 PM


LES 81 1

VIERHOEKEN: HET TRAPEZIUM

Zet een kruisje in de veelhoeken die je trapezium mag noemen. Overtrek de evenwijdige zijden met groen.

x x x x

2

Veelhoekenpuzzel

Kleur in deze volgorde:

1 vierkanten 2 rechthoeken 3 ruiten

blauw bla auw gee geel eel ee groen groe gr oe en

4 parallellogrammen 5 trapeziums

oranje x x x bruin

xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx

3

Waar of niet waar? Zet een kruisje in de juiste kolom. waar

De enige vierhoek met 4 rechte hoeken is een vierkant.

x

Een trapezium heeft 2 paar evenwijdige zijden.

x

Bij een parallellogram moeten de 4 zijden even lang zijn.

x

Bij een rechthoek zijn de overstaande zijden even lang.

8

niet waar

Er bestaat geen enkele vierhoek met 4 even lange zijden en 4 rechte hoeken.

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 8

x x

9/13/11 3:22:34 PM


LES 81

VIERHOEKEN: HET TRAPEZIUM 4

Wat krijg je na het openvouwen? Eerst nadenken, dan knippen!

1 cm m

2 cm

Ik voorspel: .................................

Ik voorspel: ...............................

Ik voorspel: .................................

vierkant Het is een ...................................

driehoek Het is een .................................

trapezium Het is een ...................................

Ik voorspel: .................................

Ik voorspel: ...............................

Ik voorspel: .................................

ruit Het is een ...................................

vierkant Het is een .................................

rechthoek Het is een ...................................

5

Teken met je geodriehoek.

Een vierkant waarvan dit een zijde is.

Een rechthoek waarvan de langste zijde op de stippellijn ligt.

meerdere oplossingen mogelijk

Een trapezium waarvan 2 zijden op de sstippellijnen tippellijnen liggen.

meerdere oplossingen mogelijk

Een parallellogram waarvan 2 zijden op de stippellijnen liggen en 4 cm lang zijn.

meerdere oplossingen mogelijk

9

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 9

9/13/11 3:22:39 PM


LES 82/83 1

3

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 2

Bekijk, lees en bespreek de getallen.

Getallendictee 2,9 a ....................

50,5 b ....................

8,4 c ....................

0,1 d ....................

304,8 e ....................

45,3 f ....................

89,2 g ....................

1,1 h ....................

Wat is er gekleurd?

Nu kan ik alles korter schrijven! 1 = 1 tiende = 1t = 0,1 10 2 gehelen 3 tienden = 2,3 ... 1 = ... 1 tiende = ...,... 0 1 10

4 ... 4 tienden = ...,... 0 4 = ... 10

... 8 = ... 8 tienden = ...,... 0 8 10

23 ... 23 tienden = ...,... 2 3 = ...... 10

4

Kleur het opgegeven deel.

5 10

0,7

5

3 tienden

Noteer in de tabel. a 456,5 – 84,3 – 0,8 2 398,7 – 362,9

b 3D 8H 5T 7E 3t g

D

2

D

H

T

3

8

5 8

E

,

t

7

,

3

4

,

6

H

T

E

,

t

4

5

6

,

5

9t g

0

,

9

8

4

,

3

3E 8t g

3

,

8

0

,

8

4H 8t 5T g

0

,

8

3

9

8

,

7

3

6

2

,

9

10

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 10

4E 6t 8T g

4

5

Noteer de getallen hierboven nu als kommagetal. kommagetal 3 857,3 .....................

84,6 .....................

0,9 .....................

3,8 .....................

450,8 .....................

9/13/11 3:22:42 PM


LES 82/83

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 6

Getallen splitsen

6 + ...T 7 + ...E 5 + ...t 3 675,3 = ...H

3H + 3T + 5E + 2t 335,2 = .....................................................

1 + ...H 8 + ...T 1 + ...E 6 + ...t 7 1 816,7 = ...D

8E + 7t 8,7 = .........................................................

7H + 1T + 6E + 1t 716,1 = ............................................

1H + 6E + 9t 106,9 = .....................................................

7

Stel de getallen weer samen. Let goed op de volgorde.

5D 7H 6T 9E 5t

5 769,5 g ...........................

4t 8E 4T

48,4 g ...........................

9D 3H 5t 6T

9 360,5 g ...........................

2H 4T 8E 1t

248,1 g ...........................

2D 5T 9H

2 950 g ...........................

8D 3t

8 000,3 g ...........................

8

Lees en vul in.

a = of ≠

b < of >

0,8 ...... = 8 10

5 tienden ...... ≠ 15 10

5,6 ...... < 6,5

4E 5t ...... < 45

0,3 ...... = 0 komma 3

2t 4E ...... ≠ 2,4

8 ...... < 0,9 10

7,6 ...... > 6,7

6 ...... ≠ 60 10

1,1 ...... = 11 tienden

3,9 ...... < 9 komma 3

2 ...... < 3 10 10

9

10

Vul de ontbrekende kommagetallen in op de getallenas. 7,1

7,2 ......

7,3 ......

7,4

7,5 ......

7,6 ......

7,7 ......

0,7 ......

0,8 ......

0,9 ......

1,0 ......

1,1 ......

1,2

1,3

1,4 ......

2,3 ......

2,4

2,5 ......

2,6 ......

2,7

2,8 ......

2,9 ......

3,0 ......

Rara ... wie ben ik?

5,4 Je vindt mij tussen 5,3 en 5 gehelen 5 tienden. Ik ben ........................ 7 Je vindt mij precies in het midden tussen 6 komma 5 en 7 komma 5. Ik ben ........................ 4,4 Ik ben 2 tienden groter dan 4,2. Ik ben ........................ 9,1 Ik ben 8t kleiner dan 9,9. Ik ben ........................ 1,4 Ik kom net na 1,3. Ik ben ........................ 2,5 Ik sta precies in het midden tussen 2 en 3. Ik ben ........................ 6,9 Ik ben 1t kleiner dan 7. Ik ben ........................ 4,1 Ik ben 2t groter dan 3,9. Ik ben ........................

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 11

11

9/13/11 3:22:46 PM


LES 84 1

SCHAAL

Soms wordt iets vergroot om het beter te kunnen zien ...

schaal 2/1

2

schaal 10/1

... soms verkleinen we iets omdat het in het echt te groot is.

modelbouw: schaal 1/300

3

modelbouw: schaal 1/20

Een mannetjeskruisspin op schaal afgebeeld

schaal 1/2

4

schaal 300/1

schaal 1/1

schaal 2/1

Wibbel heeft een plattegrond van zijn tuin getekend op schaal 1/200.

Beantwoord de vragen. Gebruik de tabel onderaan om te rekenen. a Hoe ver staan de 2 seringen in het echt van elkaar? 12 m .............................. b Van het hek loopt een paadje naar de vijver. 10 m Hoe lang is dat in het echt? .............................. c Hoe groot is de omtrek van de echte vijver? 8m .............................. d Rond het bloemenperk staat een haag. 20 m Hoe lang is die in totaal? ..............................

10 x 60 m = 600 m e Wibbel loopt elke dag 10 rondjes rond de tuin. x minder dan 1 km. Hij loopt ❒ meer dan ❒ juist ❒

op de plattegrond

12

in werkelijkheid

1 cm

6 cm

5 cm

4 cm

10 cm

30 cm

200 cm

12 m

10 m

8m

20 m

60 m

=2m

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 12

9/13/11 3:22:47 PM


CIJFEREN: ALLE BEWERKINGEN TOT 10 000 1

LES 85

Los op door te cijferen. Je kunt de cijferduivel verslaan als je 9 oefeningen juist hebt!

Heb je me verslagen? ❒ ja ❒ nee

8 750 7 863 + 887 = .........................

4 225 6 074 – 1 849 = .......................

2 602 4 070 – 1 468 = .......................

7 900 + 900 = 8 800 ≈ ............................................

6 100 – 1 800 = 4 300 ≈ ............................................

4 100 – 1 500 = 2 600 ≈ ............................................

5 10 6 14

3 10 6 10

6 0 7 4 1 8 4 9 – 4 2 2 5

4 0 7 0 1 4 6 8 – 2 6 0 2

1

1

1

7 8 6 3 8 8 7 + 8 7 5 0

7 747 2 118 + 5 629 = .......................

4 860 7 218 – 2 358 = .......................

3 624 5 865 – 2 241 = .......................

2 100 + 5 600 = 7 700 ≈ ............................................

7 200 – 2 400 = 4 800 ≈ ............................................

5 900 – 2 200 = 3 700 ≈ ............................................

1

6 11 11

2 1 1 8 5 6 2 9 + 7 7 4 7

7 2 1 8 2 3 5 8 – 4 8 6 0

5 8 6 5 2 2 4 1 – 3 6 2 4

8 120 5 x 1 624 = ............……...........

1 042 r 1... 5 211 : 5 = q .......….….....

580 3 480 : 6 = q ......……....... r 0...

5 x 1 600 = 8 000 ≈ ............................................

5 200 : 5 = 1 040 ≈ ............................................

3 600 : 6 = 600 ≈ ............................................

x

1 6 2 4 5 8 1 2 0

2 1 3

5 610 30 x 187 = .............................. 30 x 200 = 6 000 ≈ ............................................

x

1 8 7 3 0 5 6 1 0

30 x 300 = 9 000 ≈ ............................................ 3 1 6 2 6 1

1 8 9 6 6 3 2 0 + 8 2 1 6

3 4 8 0 6 3 0 5 8 0 – 4 8 4 8 – 0 0

2 2

8 216 26 x 316 = ..............................

x

5 2 1 1 5 5 1 0 4 2 – 0 2 1 2 0 – 1 1 1 0 – 1

3 1 1

9 881 241 x 41 = ..................... 200 x 40 = 8 000 ≈ ............................................ 2 4 4 x 2 4 9 6 4 + 9 8 8

1 1 1 0 1

1 407 r ...0 7 035 : 5 = q ............ 7 000 : 5 = 1 400 ≈ ............................................

– 1

7 0 3 5 5 5 1 4 0 7 2 0 2 0 0 3 5 3 5 – 0

13

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 13

9/13/11 3:22:57 PM


LES 85 2

CIJFEREN: ALLE BEWERKINGEN TOT 10 000

Los op door uit het hoofd te rekenen. Denk aan de handige rekenmethodes! 700 5 600 : 8 = ....................................................

5 560 3 562 + 1 998 = ....................................................

5 682 2 562 + 3 120 = ....................................................

3 500 50 x 70 = ....................................................

5 490 5 689 – 199 = ....................................................

2 006 6 018 : 3 = ....................................................

1 250 5 x 250 = ....................................................

3 690 30 x 123 = ....................................................

5 900 6 002 – 102 = ....................................................

20 1 000 : 50 = ....................................................

248 1 240 : 5 = ....................................................

4 300 50 x 86 = ....................................................

2 000 8 x 250 = ....................................................

3 453 2 995 + 458 = ....................................................

4 600 23 x 200 = ....................................................

7 978 8 015 – 37 = ....................................................

2 444 2 196 + 248 = ....................................................

1 012 4 048 : 4 = ....................................................

6 030 9 x 670 = ....................................................

2 490 3 070 – 580 = ....................................................

3

Kies zelf: hoofdrekenen of cijferen.

Noteer je bewerking rechts en antwoord met een zin. a Op het strand van Cijferkerke worden er na de feestdagen 1 280 kerstbomen verbrand. Die werden opgehaald in 4 deelgemeentes. Hoeveel kerstbomen zijn dat gemiddeld per deelgemeente?

1 280 : 4 = 320

Dat zijn gemiddeld 320 kerstbomen per deelgemeente. .................................................................................................... b 836 inwoners van die 4 deelgemeentes komen kijken. In totaal wonen 1 312 toeschouwers de boomverbranding bij. Hoeveel mensen uit andere gemeentes zijn naar Cijferkerke afgezakt?

0

12

10

12

1

3

1

2

8

3

6

4

7

6

6 1

8 4

7 8 5

2 0 2

Er zijn 476 mensen uit andere gemeentes naar Cijferkerke afgezakt. .................................................................................................... c Tijdens het feest dat op de verbranding volgt, worden 14 ketels warme chocolademelk uitgeschonken. Uit 1 ketel kun je 68 bekers schenken. Hoeveel bekers chocolademelk worden er geschonken? Er worden 952 bekers chocolademelk geschonken. ....................................................................................................

x

1

2 6 + 9

3 2

d Er worden ook stukken warme appeltaart verkocht. De appeltaarten worden telkens in 10 stukken gesneden. Er worden 398 stukken verkocht. Eén stuk taart kost 2 euro. Hoeveel brengt de verkoop op?

398 x 2 = 796

De verkoop brengt 796 euro op. .................................................................................................... Hoeveel taarten worden er versneden?

14

Er worden 40 taarten versneden. ....................................................................................................

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 14

9/13/11 3:23:00 PM


LES 86

HET BEGRIP ‘OPPERVLAKTE’ 1

Is deze uitspraak waar of niet waar? Bespreek.

Bijna 3/4 van het wereldoppervlak is bedekt met water. Eigenlijk Eigenlijk zou de aarde aarrde geen ‘aarde’ moeten heten, m maar m ‘water’!

2

Uit de krant

Omelet op de snelweg BRUSSEL - Gisteren gebeurde er op de E19 naar Brussel een vreemd ongeval. Een vrachtwagenbestuurder verloor er de controle over het stuur. De vrachtwagen, die geladen was met verse eieren, botste tegen de vangrails en kantelde. Door de klap kwam de hele lading op het wegdek terecht! “Het oppervlak van de snelweg zag eruit als een reusachtige omelet,” verklaarde een automobilist onthutst.

3

Kleu Kl Kleur eurr de oppervlakte van deze figuren. eu

Zet een kruisje (x) in de figuur die volgens jou de grootste oppervlakte heeft en een bolletje (●) in de figuur die volgens jou de kleinste oppervlakte heeft.

X ò

4

Teken zelf een vlakke figuur.

5

Puzzelen met het tangram

Duid daarop de oppervlakte aan met blauw en de omtrek met groen. meerdere oplossingen mogelijk

Wat kun je zeggen over de vorm van deze figuren? ................................................................................. De vorm is verschillend. Wat kun je zeggen over hun oppervlakte? ................................................................................. De oppervlakte is gelijk.

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 15

15

9/13/11 3:23:00 PM


LES 87 1

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1

Lees deze getallen op verschillende manieren.

a 0,9 3 10

b

c 1 komma 5

2

d 3 gehelen 7 tienden

g 0 eenheden 4 tienden

e 6,4

h 0,1

f

i

8 tienden

12 10

Getallendictee

a

12,2 .......................

d

45,4 .......................

g

9 898,9 .......................

i

2,7 .......................

b

2,1 .......................

e

54,5 .......................

h

0,1 .......................

j

20,7 .......................

c

0,7 .......................

f

100,1 .......................

3

Rangschik de volgende getallen.

3,1 – 0,8 – 1,7 – 1,9 – 2,0

g

0,8 ........... <

1,7 ........... <

1,9 ........... <

2,0 ........... <

3,1 ...........

15,4 – 14,4 – 14,9 – 15,1 – 15,3

g

14,4 ........... <

14,9 ........... <

15,1 ........... <

15,3 ........... <

15,4 ...........

4

Vul de rij verder aan.

6,5

6,6

6,7

6,8 .........

6,9 .........

7,0 .........

7,1 .........

7,2 .........

2,5

2,7

2,9

3,1 .........

3,3 .........

3,5 .........

3,7 .........

3,9 .........

5,5

5

4,5

4 .........

3,5 .........

3 .........

2,5 .........

2 .........

3,1

3,4

3,7

4,0 .........

4,3 .........

4,6 .........

4,9 .........

5,2 .........

5

Kommagetallen op de getallenas

a Verbind de kommagetallen met de juiste plaats op de getallenassen. 0,4

1,9

2,0

1,2

0

1

88,3

16

88

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 16

0,8

88,0

89,1

90,1

2

89,9

89

90

9/13/11 3:23:30 PM


LES 87

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 b Noteer de kommagetallen die aangeduid zijn. 6

7

6,2 .........

6,7 .........

19

7,2 .........

7,4 .........

7,9 .........

20

19,1 .........

6

8

19,5 .........

21

20,1 .........

20,5 .........

21,0 .........

Lees goed en vul in.

Eén tiende meer dan 0,9

1 ...............

1,6 Eén tiende meer dan anderhalf ...............

Vijf tienden meer dan 99,5

100 ...............

Eén tiende minder dan 100

6 = ...,... 06 10

1,2 =

0,2 =

2 … 10 …

4 … 10 …

12 … 10 …

36 36 = ...,... 10

0,4 =

16,8 1T 6E 8t g ............

601,9 6H 1E 9t g ............

321,2 3H 2T 1E 2t g ............

90,6 9T 6t g ............

04 4t g ...,...

6,4 6E 4t g ............

7

Tussen welke 2 gehele getallen liggen deze kommagetallen?

99,9 ...............

5 05 = ...,... 10

8

Rond af naar een geheel getal.

Omkring het getal waar het kommagetal het dichtst bij ligt.

9

6 ......

<

6,2

<

7 ......

8,1

g

8 ......

1 ......

<

1,8

<

2 ......

5,3

g

5 ......

5 ......

<

5,4

<

6 ......

3,5

g

4 ......

6 ......

<

6,6

<

7 ......

7,9

g

8 ......

2 ......

<

2,7

<

3 ......

4,6

g

5 ......

Kleur de koortsthermometers.

Farida is ziek. Papa meet haar koorts ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. ’s Morgens heeft Farida nog 38,9° koorts. ’s Middags voelt ze zich al wat beter en heeft ze nog 38,3°. ’s Avonds heeft ze 38,6°. Ze blijft dus morgen beter nog een dagje thuis.

’s morgens

’s middags

’s avonds

17

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 17

9/13/11 3:23:31 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 OPTELLEN EN AFTREKKEN

LES 88 1

0,4 = 1 0,6 + .........

0,7 = 3 2,3 + .........

0,2 = 5 4,8 + .........

0,1 = 2 2,1 – .........

0,3 = 1 1,3 – .........

0,4 = 2 2,4 – .........

0,5 = 4 3,5 + .........

0,1 = 6 5,9 + .........

2

3

Wat zie je? Vul in.

1,4 1 + 0,4 = .........

0,9 0,6 + 0,3 = .........

1,2 1,7 – 0,5 = .........

0,6 0,8 – 0,2 = .........

1,6 0,6 + 1 = .........

0,8 0,5 + 0,3 = .........

1,2 1,5 – 0,3 = .........

0,2 1,4 – 1,2 = .........

Rekenen maar!

2,4 2 + 0,4 = .........

1,6 4,6 – 3 = .........

0,7 0,3 + 0,4 = .........

17,7 17,9 – 0,2 = .........

2,7 2,3 + 0,4 = .........

4,4 4,6 – 0,2 = .........

0,8 6,8 – 6 = .........

13,8 5,4 + 8,4 = .........

5,7 2,3 + 3,4 = .........

1,4 4,6 – 3,2 = .........

7 15,4 – 8,4 = .........

6 8,3 – 2,3 = .........

12,7 9,3 + 3,4 = .........

8,4 11,6 – 3,2 = .........

7,8 5,7 + 2,1 = .........

9,9 7,2 + 2,7 = .........

4

Nu wordt het wat moeilijker ...

6 5,4 + 0,6 = .........

4,9 5 – 0,1 = .........

3 2,5 + 0,5 = .........

6,2 5,4 + 0,8 = .........

4,9 5,3 – 0,4 = .........

7,4 3,6 + 3,8 = .........

8,2 5,4 + 2,8 = .........

2,9 5,3 – 2,4 = .........

0,5 4,4 – 3,9 = .........

1,6 0,9 + 0,7 = .........

5,5 6,2 – 0,7 = .........

0,7 3,5 – 2,8 = .........

0,1 1 – 0,9 = .........

4,6 3 + 1,6 = .........

2,8 3 – 0,2 = .........

2,6 0,8 + 1,8 = .........

5,4 6 – 0,6 = .........

9,2 6,5 + 2,7 = .........

0,7 3,1 – 2,4 = .........

6,9 5,2 + 1,7 = .........

3,4 5 – 1,6 = .........

3 2,5 + 0,5 = .........

2 4,1 – 2,1 = .........

0,8 1,2 – 0,4 = .........

4,2 9,8 – 5,6 = .........

0,5 4,4 – 3,9 = .........

4,1 2,2 + 1,9 = .........

5

18

Vul in.

Reken uit.

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 18

9/13/11 3:23:36 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 OPTELLEN EN AFTREKKEN 6

LES 88

Vul de roosters in.

+

0,3

2,6

3,4

0,5

1

2,6

3,9

0,7

2

2,3

4,6

5,4

2,5

4,5

3,5

1,9

0,6

3,8

3,1

3,4

5,7

6,5

3,6

6,9

5,9

4,3

3

6,2

0,6

0,9

3,2

4

1,1

5,8

4,8

3,2

1,9

5,1

5,8

6,1

8,4

9,2

6,3

9,4

8,4

6,8

5,5

8,7

7

Verbind telkens een getal links met een getal rechts ... a zodat hun som 1 is.

b zodat hun verschil 1 is.

0,1

0,7

2,6

7,7

0,3

0,8

1,4

4,2

0,5

0,9

8,7

0,4

0,6

0,4

5,2

1,6

0,2

0,5

4,3

3,3

8

Reken uit. Het kan handig!

1,5 + 3,1 + 0,5 = 2 + 3,1 = 5,1 6,2 – 4 – 1,2 = 5 – 4 = 1

5,5 3,4 + 0,5 + 1,6 = .................................

7,7 6,8 + 0,9 = .................................

2,8 4,5 – 1,5 – 0,2 = .................................

12,4 0,2 + 3,4 + 8,8 = .................................

1,1 5 – 3,9 = .................................

0,8 5,5 – 1,2 – 3,5 = .................................

13 6,1 + 4 + 2,9 = .................................

17 6,5 + 4 + 6,5 = .................................

10 + 4 = 14 3,3 + 1,1 + 6,7 + 2,9 = .................................

5,7 1,7 + 3,7 + 0,3 = .................................

9

Vul juist in.

0,7 = 1 0,3 + .........

2,4 = 13,2 15,6 – .........

2,6 = 3,6 1 + .........

1,4 = 2 0,6 + .........

2 = 7,4 5,4 + .........

1,1 = 8,3 7,2 + .........

0,3 = 5 5,3 – .........

5 = 5,2 10,2 – .........

2,9 = 10,6 13,5 – .........

0,6 = 0,2 0,8 – .........

0,8 = 4,4 3,6 + .........

2,2 = 4,8 2 + 0,6 + .........

1,4 = 4 2,6 + .........

0,7 = 11,6 12,3 – .........

0,4 = 5 4,6 + .........

10

Kijk en maak een rekenvraag. meerdere ............................................ oplossingen ............................................ mogelijk .............................................

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 19

19

9/13/11 3:23:37 PM


LES 89

HERHALING

G 1

1 5

2 5

4 5

5 5

0 1 2

4 4

1

3 2

1 … 6 …

2

3

4 … 6 …

2 … 4 …

0

3e

3 … 4 …

5 … 6 …

6 … 6 …

6 … 4 …

1

9 … 6 …

1

2 8 … 4 …

Getallendictee

0,7 .....................

4

1,9 .....................

6,2 .....................

80,5 .....................

16,1 .....................

Noteer de cijfers in de tabel en schrijf dan het getal op. H

T

E

,

t

628,3 6H 2T 8E 3t g ............

6

2

8

,

3

9T 7t 8H

890,7 g ............

8

9

0

,

7

916,0 6E 1T 9H 0t g ............

8t 2E

2,8 g ............

2

,

8

5T 8t

D

D

50,8 g ............

H

T

E

,

t

9

1

6

,

0

5

0

,

8

Getallen splitsen

7 + ...T 3 + ...E 4 + ...t 8 734,8 = ...H

1H + 9T + 8t 190,8 = ...........................

5H + 6E + 3t 506,3 = ..............................

2T + 6E + 7t 26,7 = ...........................

6

8 4

Schrijf de passende breuk op de stippen. Soms kan het op twee manieren.

0

5

10 5

2

2 4

0

2

7 5

1 1 4

20

3e

Verbind de breuken met de juiste plaats op de getallenas.

2H + 8T + 5E + 4t 285,4 = ........................... 7H + 2T + 7t 720,7 = ........................... 4e

Rangschik de volgende getallen.

0,9 1,4 4,1 1,7 0,5

g

0,5 ........... <

0,9 ........... <

1,4 ........... <

1,7 ........... <

4,1 ...........

12,3 13,2 13,4 14,3 11,2

g

11,2 < ...........

12,3 < ...........

13,2 ........... <

13,4 < ...........

14,3 ...........

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 20

9/13/11 3:23:39 PM


LES 89

HERHALING 7

4d

Vul de ontbrekende kommagetallen in op de getallenas.

12,2 ......

12,3 ......

12,4

12,5 ......

12,6

12,7 ......

12,8 ......

12,9 ......

13,0 ......

16,7 ......

16,8

16,9

17,0 ......

17,1 ......

17,2 ......

17,3 ......

17,4 ......

17,5 ......

8

9

Tussen welke 2 gehele getallen ligt het kommagetal? Omkring het getal waar het het dichtst bij ligt. 4f

Rond af naar een geheel getal.

4f

6 ......

<

6,8

<

7 ......

2,2

g

2 ......

1 ......

<

1,4

<

2 ......

9,5

g

10 ......

3 ......

<

3,9

<

4 ......

3,6

g

4 ......

B 1

5 4 1 + = ............... 7 7 7

2 7 5 – = ............... 9 9 9

8 2 6 = 2 – = ............... 9 9 9 3

4 2 6 2 + = ............... = 9 9 9 3

5 1 4 – = ............... =1 4 4 4

2 2 4 + = ............... 3 3 3

1–

2 6 8 4 + = ............... = 10 10 10 5 4 1 1 – = ............... 5 5

2

12

Maak de som of het verschil. Vereenvoudig de uitkomst als het kan.

1 1 = ............... 2 2

13

Maak de som of het verschil.

3,7 3 + 0,7 = .........

3,9 5,9 – 2 = .........

0,9 0,6 + 0,3 = .........

11,4 16,7 – 5,3 = .........

4,5 3,8 + 0,7 = .........

5,6 5,9 – 0,3 = .........

2,7 4,2 – 1,5 = .........

10 6,9 + 3,1 = .........

1 0,8 + 0,2 = .........

5,3 7,6 – 2,3 = .........

4,3 2,7 + 1,6 = .........

2 4,7 – 2,7 = .........

3,9 2,5 + 1,4 = .........

1,5 2,3 – 0,8 = .........

5 6,2 – 1,2 = .........

12,8 8,4 + 4,4 = .........

3

17,18, 19

Cijferen maar!

3 419 7 204 – 3 785 = .......................

9 288 24 x 387 = ...............................

1 079 r ... 5 6 479 : 6 = q ............

7 200 – 3 800 = 3 400 ≈ .............................................

20 x 400 = 8 000 ≈ .............................................

6 600 : 6 = 1 100 ≈ .............................................

9

3 8 7 2 4

6 11 10 14

7 2 0 4 3 7 8 5 – 3 4 1 9

x

1

1 5 4 8 7 7 4 0 + 9 2 8 8

2 3 1 1 1

6 4 7 9 6 6 1 0 7 9 – 0 4 7 4 2 – 5 9 5 4 – 5

21

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 21

9/13/11 3:23:40 PM


LES 89

HERHALING

MMR 1

29

De klas van juf Ann

Deze plattegrond is getekend op een schaal van 1/100. Beantwoord de vragen. Gebruik de tabel onderaan om te rekenen. Hoe ver staan de ramen in het echt van elkaar? 1m .................................... Vooraan in de klas hangt het bord. 3m Hoe breed is dat in het echt? ....................................

22 m Hoe groot is de echte omtrek van de klas? ........................................

op de plattegrond

1 cm

3 cm

22 cm

in werkelijkheid

1m

3m

22 m

= 100 cm

2

Duid de oppervlakte van deze figuren aan met g groen. roen ro en.. en

Zet een kruisje (x) in de figuur die volgens jou de grootste oppervlakte heeft en een bolletje (●) in de figuur die volgens jou de kleinste oppervlakte heeft.

X

MK 1

Veelhoekenschilderij

36

Kleur in deze volgorde: vierkanten blauw; bla lauw uw;; uw rechthoeken g geel; ge eel; ruiten groen; gro roen e en parallellogrammen oranje; X trapezia bru bruin. n

22

XX XXXX XXXXXXX X XXXXXXXX XXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXX XXXXXXXX XXXXX XXX

2

Teken met je lat en geodriehoek.

33,36

Teken een rechthoek. Eén zijde is al getekend. De langste zijde meet 5 cm.

X XX XXX XXX XXX XXX XX X

Teken een trapezium. Twee zijden moeten op de streepjeslijnen liggen.

meerdere oplossingen mogelijk

110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 22

9/13/11 3:23:43 PM


SPRONG

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 23

9/13/11 3:36:35 PM


LES 92 1

BREUKEN (HERHALING)

Dit kun je al vlot!

3 van 100 is ......... 30 10 1 van 200 is ......... 50 4 8 van 36 is ......... 32 9 5 van 35 is ......... 25 7 1 van 81 is ......... 9 9

2

1 van 100 is ......... 2 50 3 van 60 is ......... 9 20 2 van 24 is ......... 16 3 2 van 30 is ......... 12 5 2 van 18 is ......... 4 9

Gelijkwaardige breuken

a Schrap de breuken die niet gelijkwaardig zijn met de breuk in het midden. 4 12 4 40

1 4

12 32

20 10 7 28

4 10

6 15

2 5

3 12

6 16

9 14 4

3 8 1 6

1 5 b Vereenvoudig zo ver mogelijk. 5 15 36 4 8 36 50 90 20 100

3

24

Vul aan.

35 45 9 3 26 30 8 6 75 100

1 = .................. 3 9 = .................. 2 = .................. 9 5 = .................. 9 1 = .................. 5

7 = .................. 9 3 = .................. 13 = .................. 15 4 = .................. 3 3 = .................. 4

meerdere oplossingen mogelijk

Zoek een stambreuk die groter is dan elk van de breuken op de ballen.

Zoek een breuk met noemer 8 die groter is dan elk van de breuken op de ballen.

Zoek een breuk met teller 5 die groter is dan elk van de breuken op de ballen.

1 ......... 3

11 ......... 8

5 ......... 2

Zoek een stambreuk die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.

Zoek een breuk met noemer 8 die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.

Zoek een breuk met teller 5 die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.

1 ......... 10

2 ......... 8

5 ......... 9

1 4

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 24

1 8

1 5

1 9

4 8

3 8

7 8

10 8

5 8

5 3

5 4

5 7

9/13/11 3:36:38 PM


LES 92

BREUKEN (HERHALING) 4

Zet de breuken en getallen op de juiste plaats op de getallenas. 7 13 1 – – –1–2 10 10 2

0

3 10

1 2

1–

0

1

7 10

5

5 6

1

8 6

3 2

Optellen en aftrekken, ook met breuken! Vergeet niet te vereenvoudigen waar het kan.

4 10 14 = 2 + = .................. 7 7 7 10 4 6 – = .................. 7 7 7 14 = 7 5 9 + = .................. 4 4 4 2 9 5 4 =1 – = .................. 4 4 4 2 3 1– = .................. 5 5

6

Ken je een breuk met noemer 6 die gelijkwaardig is aan 3 ? 2

5 8 3 – – 6 6 2

1 2

2

13 10

5 3 8 =1 + = .................. 8 8 8 2 = 1 5 3 – = .................. 4 8 8 8 5 10 15 = 3 + = .................. 2 10 10 10 5 5 1– = .................. = 1 10 10 2 7 4 3 =1 – = .................. 3 3 3

Een toemaatje voor de echte breukenkampioenen!

leeftijd

deel van de Belgische bevolking

0 - 19 jaar 20 - 39 jaar 40 - 59 jaar 60 - 79 jaar 80 of ouder

4 20 6 20 5 20 4 20 1 20

Ik tel mijn breuken!

Welk deel van de bevolking is 40 jaar of ouder? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 1 ............ van de bevolking is 40 jaar of ouder. 2 Welk deel is jonger dan 80 jaar? 19 van de bevolking is jonger dan 80 jaar. ............ 20 Waar of niet waar? Meer dan de helft van de bevolking is 60 jaar of ouder. ô waar ô X niet waar

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 25

25

9/13/11 3:36:41 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN

LES 93 1

30 5 x 6 = ......

56 7 x 8 = ......

42 7 x 6 = ......

7 28 : 4 = ......

7 70 : 10 = ......

9 36 : 4 = ......

21 3 x 7 = ......

9 3 x 3 = ......

54 6 x 9 = ......

5 40 : 8 = ......

8 16 : 2 = ......

2 18 : 9 = ......

32 8 x 4 = ......

20 5 x 4 = ......

0 8 x 0 = ......

8 64 : 8 = ......

9 27 : 3 = ......

5 5 : 1 = ......

50 10 x 5 = ......

81 9 x 9 = ......

48 6 x 8 = ......

10 20 : 2 = ......

0 0 : 10 = ......

9 45 : 5 = ......

2

Vul in.

a Zet om naar tienden.

b Schrijf als kommagetal.

1,6 = 16t

27t = 2,7

7t 0,7 = .........

15t 1,5 = .........

0,6 6t = .........

2,2 22t = .........

21t 2,1 = .........

34t 3,4 = .........

3,6 36t = .........

1,2 12t = .........

52t 5,2 = .........

1t 0,1 = .........

4,0 40t = .........

10,4 104t = .........

3

Reken uit.

0,8 2 x 0,4 = ....................................

2,5 5 x 0,5 = ....................................

0,5 5 x 0,1 = ....................................

3 10 x 0,3 = ....................................

2,8 4 x 0,7 = ....................................

4 8 x 0,5 = ....................................

0,6 3 x 0,2 = ....................................

5,4 6 x 0,9 = ....................................

0,9 3 x 0,3 = ....................................

5,6 8 x 0,7 = ....................................

4

Denk aan de maaltafels! 3 x 0,4 = 3 x 4t = 12t 2t = 1,2

Reken uit: splitsen en verdelen.

12 + 0,6 = 12,6 3 x 4,2 = (3 x 4) + (3 x 0,2) = .................................

5+1=6 5 x 1,2 = .............................................................

6 + 0,8 = 6,8 2 x 3,4 = ..............................................................

20 + 4 = 24 10 x 2,4 = ............................................................

4 + 1,2 = 5,2 4 x 1,3 = ..............................................................

6 + 1,4 = 7,4 2 x 3,7 = .............................................................

4+1=5 2 x 2,5 = ..............................................................

8 + 4 = 12 8 x 1,5 = .............................................................

7 + 3,5 = 10,5 7 x 1,5 = ..............................................................

10 + 1 = 11 2 x 5,5 = .............................................................

5

26

Ken je de tafels nog? Vul in.

Reken uit.

0,2 0,4 : 2 = ....................................

0,9 1,8 : 2 = ....................................

0,4 1,6 : 4 = ....................................

0,3 0,9 : 3 = ....................................

0,4 2,4 : 6 = ....................................

0,6 3,6 : 6 = ....................................

0,7 6,3 : 9 = ....................................

0,7 3,5 : 5 = ....................................

0,5 2,5 : 5 = ....................................

0,9 7,2 : 8 = ....................................

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 26

Denk aan de deeltafels! 1,2 : 4 = 12t : 4 = 3t = 0,3

9/13/11 3:36:44 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN 6

LES 93

Reken uit. Splits het deeltal.

1 + 0,2 = 1,2 3,6 : 3 = (3 : 3) + (0,6 : 3) = .......................................

2 + 0,1 = 2,1 8,4 : 4 = ...................................................................

2 + 0,4 = 2,4 4,8 : 2 = ...................................................................

3 + 0,2 = 3,2 9,6 : 3 = ...................................................................

3 + 0,1 = 3,1 6,2 : 2 = ...................................................................

2 + 0,2 = 2,2 6,6 : 3 = ...................................................................

1 + 0,1 = 1,1 5,5 : 5 = ...................................................................

3 + 0,2 = 3,2 6,4 : 2 = ...................................................................

1 + 0,3 = 1,3 2,6 : 2 = ...................................................................

1 + 0,1 = 1,1 7,7 : 7 = ...................................................................

7

Reken uit.

1 : 5 = 10t : 5 = 2t = 0,2

5 : 2 = (4 : 2) + (1 : 2) = 2 + 0,5 = 2,5

30t : 5 = 6t = 0,6 3 : 5 = ..........................................

: 2) + (1 : 2) = 4,5 9 : 2 = (8 ............................................

50t : 10 = 5t = 0,5 5 : 10 = ..........................................

: 2) + (1 : 2) = 1,5 3 : 2 = (2 ............................................

10t : 10 = 1t = 0,1 1 : 10 = ..........................................

: 5) + (2 : 5) = 1,4 7 : 5 = (5 ............................................

40t : 8 = 5t = 0,5 4 : 8 = ..........................................

: 5) + (3 : 5) = 1,6 8 : 5 = (5 ............................................

8

Ik zet het deeltal eerst om naar tienden of ik splits het.

Reken uit.

1 2 x 0,5 = ..................

0,2 0,4 : 2 = ..................

3,2 0,4 x 8 = ..................

0,4 0,8 : 2 = ..................

1,8 6 x 0,3 = ..................

0,4 1,6 : 4 = ..................

5,2 2 x 2,6 = ..................

0,8 3,2 : 4 = ..................

7,7 1,1 x 7 = ..................

0,7 5,6 : 8 = ..................

4,5 1,5 x 3 = ..................

1,8 3,6 : 2 = ..................

3 5 x 0,6 = ..................

1,1 6,6 : 6 = ..................

9,6 3 x 3,2 = ..................

0,6 4,2 : 7 = ..................

10 2,5 x 4 = ..................

1,2 2,4 : 2 = ..................

16,4 4 x 4,1 = ..................

2,1 10,5 : 5 = ..................

1 10 x 0,1 = ............

24 10 x 2,4 = ............

0,4 4 : 10 = ............

0,3 3 : 10 = ............

8 10 x 0,8 = ............

31 10 x 3,1 = ............

0,1 1 : 10 = ............

2,8 28 : 10 = ............

9

10

Reken uit.

Reken uit en antwoord.

We meten ons klaslokaal. De vloer is een mooi vierkant met als zijde 7,2 meter.

4 x 7,2 = 28,8

28,8 meter. Wat is de omtrek van de vloer? ............ In een flesje chocolademelk zit 0,2 liter. In een bak zitten 24 flesjes. Hoeveel liter chocolademelk

24 x 0,2 = 4,8

bevat een bak? 4,8 ............... liter.

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 27

27

9/13/11 3:36:46 PM


LES 94 1

SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE

Wat staat hier geschreven?

ejtlegeips ,ejtlegeipS eiw ,dnaw ed naa ni tseb teh trefjic ?dnalnekeR

Spiegeltje, spiegeltje ........................................................................................... aan de wand, wie ........................................................................................... cijfert het best in ........................................................................................... Rekenland? ...........................................................................................

2

Welke vlinder kun je zo kleuren dat hij symmetrisch is? Doe dat! X

3

28

Zijn deze figuren symmetrisch? Kruis aan wat past.

X symmetrisch ❏

❏ symmetrisch

❏ symmetrisch

X symmetrisch ❏

❏ niet symmetrisch

X niet symmetrisch ❏

X niet symmetrisch ❏

❏ niet symmetrisch

X symmetrisch ❏

❏ symmetrisch

X symmetrisch ❏

❏ symmetrisch

❏ niet symmetrisch y

X niet symmetrisch ❏ y

❏ niet symmetrisch y

X niet sy ❏ symmetrisch ymmetrisch

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 28

9/13/11 3:36:47 PM


LES 94

SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE 4

Teken alle symmetrieassen van deze letters.

5

Kruis aan wat in de spiegel te zien is.

X

6

Teken alle symmetrieassen. In elk vakje staat hoeveel dat er moeten zijn.

1

7

3

1

3

Kleur de vakjes zo dat de ďŹ guren aan beide kanten van de dikke lijn elkaars spiegelbeeld zijn.

29

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 29

9/13/11 3:36:51 PM


LES 95 1

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01

Getallendictee

7,04 a ..................

10,7 b ..................

36,66 c ..................

100,01 d ..................

9,98 e ..................

0,12 f ..................

0,03 g ..................

20,5 h ..................

2

Vul in en kleur.

20 0,20 = ......... 100

3

... 85 0,85 = ......... 100

34 0,34 = ......... 100

Noteer de cijfers in de tabel zoals in het voorbeeld. H

T

E

,

t

h

6

9

5

,

4

6

0

,

7

9

,

1

3

vijf honderdsten g

0

,

0

5

5h 2t g

0

,

2

5

D 695,46 g 0,7 g

5

5H 6T 9E 1t 3h g

7 tienden 8 honderdtallen g 1 010,01 g

1

6

8

0

0

,

7

0

1

0

,

0

1

0

,

2

4

8

,

4

9

2

,

7

6

vierentwintig honderdsten g 3

8E 3T 4t 9h g 276 honderdsten g

4 25,36

30

1 honderdste (h) 1 = 100 = 0,01

Wat is de waarde van het vetgedrukte cijfer? Noteer het telkens op 2 manieren.

g 2T of 20

2E of ......... 2 132,01 g .........

5

5 0,5 = ......... 10

11,01

1h of 0,01 g .........

96,45

6E of ......... 6 g .........

0,7

7t of ......... 0,7 g .........

4T of ......... 40 444,44 g .........

Verbind wat evenveel is.

0,75

75/100

0,26

0,06

70/100

1,75

6t

2,6

1t minder dan 2

0,7

6h

26/100

7h 5t

0,25

206h

2,06

25/100

1,90

6t 2h

0,6

1h meer dan 1,74

57/100

2 gehelen 6 tienden

0,62

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 30

9/13/11 3:36:58 PM


LES 95

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 6

Tel verder met sprongen. + 0,1 0,01 + ......... + 2t + 0,02 10,01 + .........

7

9,4

......... 9,5

......... 9,6

......... 9,7

......... 9,8

......... 9,9

......... 10

......... 10,1

1,08

1,09

......... 1,10

......... 1,11

......... 1,12

......... 1,13

......... 1,14

......... 1,15

0,6

......... 0,8

......... 1

......... 1,2

......... 1,4

......... 1,6

......... 1,8

......... 2

0

......... 0,02

......... 0,04

......... 0,06

......... 0,08

......... 0,10

......... 0,12

......... 0,14

33,26

43,27

......... 53,28

......... 63,29

......... 73,30

......... 83,31

......... 93,32

......... 103,33

Een wedstrijdje verspringen Rangschik de resultaten van klein naar groot. 1,06 ............ <

1,10 ............ <

1,6 ............ <

1,66 ............

Jef Wie wint er? ..........................................

Hoeveel cm was de winnende sprong? 166 .................. cm.

8

Vul in: <, > of =.

3,10

< ...

3,9

6,6

> ...

6 10

6E 2h 5t

= ...

6,52

75 100

< ...

7,5

25 100

= ...

0,25

3 10

= ...

0,30

0,08

< ...

8t

8h 6t

< ...

0,69

3,36

< ...

3,63

5,77

> ...

5,09

1,55

= ...

155 100

0,75

> ...

7h 5t

9

Vul de getallenassen aan.

0

0,1 .........

0,2 .........

0,3 .........

0,4 .........

0,5 .........

0,6

0,7 .........

0,8 .........

0,9 .........

1

0

0,01 .........

0,02 .........

0,03 .........

0,04 .........

0,05 .........

0,06 .........

0,07 .........

0,08

0,09 .........

0,1

5

5,01 .........

5,02

5,03 .........

5,04 .........

5,05 .........

5,06 .........

5,07 .........

5,08 .........

5,09 .........

5,1

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 31

31

9/13/11 3:37:01 PM


LES 96 1

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001

Kijk en bespreek. product

gewicht

prijs/kg

te betalen

gehakt

0,669 kg

€ 6,40

€ 4,28

tomaten

0,705 kg

€ 0,49

€ 0,35

wortelen

1,035 kg

€ 0,59

€ 0,61

paprika’s

0,610 kg

€ 1,99

€ 1,21 € 6,45

totaal

het gehakt € 6,40 Wat is het duurst? ........................................ Hoeveel kost 1 kilo gehakt? .................. € 6,45 Hoeveel moet ik in totaal betalen? ........................

2

Luister goed! Heeft de meester of juf het getal juist of fout gelezen?

565,45

1,212

23 100

5H 6T 8t 2h 3d

=

❒ juist

X juist ❒

X juist ❒

❒ juist

❒ X fout

❒ fout

❒ fout

❒ X fout

3

1 duizendste (d) 1 1 000

= 0,001

Getallendictee

5,87 a ..................

1 025,007 b ..................

0,008 c ..................

35,420 d ..................

3,871 e ..................

15,757 f ..................

5,157 g ..................

1,025 h ..................

4

Getallenassen

a Plaats 7,10 en 7,4 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.

7,10

7

7,2 .........

7,4

7,8 .........

8

b Plaats 7,26 en 7,24 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.

7,30

7,29 .........

7,26

7,24

7,21 .........

7,20

c Plaats 7,255 en 7,259 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.

7,25

7,251 .........

7,255

7,257 .........

7,259

7,26

d Plaats 7,17 en 7,24 op de as. Schrijf het juiste getal onder het pijltje.

32

7,25

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 32

7,24

7,20 .........

7,17

7,15

9/13/11 3:37:03 PM


LES 96

KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 5

Schrijf het anders en bepaal de waarde van het vetgedrukte cijfer. 112 1 000

g

2d

8 = ............ 0,8 10

g

8t ......

867 0,867 = ............ 1 000

g

6h ......

1 0,001 = ............ 1 000

g

0E ......

99 = ............ 0,99 100

g

9h ......

19 0,19 = ............ 100

g

9h ......

349 0,349 = ......... 1 000

g

3t ......

466 = ............ 4,66 100

g

4E ......

0,112 =

6

Noteer in de tabel. D

E

,

t

h

d

1,765 g

1

,

7

6

5

30 honderdsten g

0

,

3

0

9

,

1

5

2

125 duizendsten g

0

,

1

2

5

8 gehelen 30 duizendsten g

8

,

0

3

0

7 1 000 g

0

,

0

0

7

0

,

5

0

8

3

3H 9E 1t 5h 2d g

3

8T 3H 5t 8d g

7

H

T

0

8

Kijk goed en vul dan aan met <, > of =.

> 0,505 0,520 ......

> 4,444 44,44 ......

< 0,320 0,302 ......

< 0,8 0,10 ......

< 1,110 1,011 ......

= 5,030 5,03 ......

> 0,386 3h 8t 6d ......

8 > ...... 0,01 10 < 866 8H 6d 5h ......

< 38,321 38,123 ......

5 < 0,500 ...... 1 000

8

> 6E 2h 3d 5t 6,532 ......

Waar tank je het goedkoopst?

€ 1,016

€ 1,116

€ 1,16

€ 11,166 ,166

1,166 1,16 1,116 1,016 Rangschik van duur naar goedkoop: ..................... > ..................... > ..................... > ..................... bij Fona Waar zal Sofie tanken? .............................................................

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 33

33

9/13/11 3:37:05 PM


LES 97 1

LENGTE: DE MILLIMETER 2

Lees dit krantenartikel.

1 millimeter (1 mm ......)

Kleinste visje ter wereld eindelijk gedoopt

meerdere oplossingen mogelijk 1 millimeter is ......................................................................... ........................................................................

Het was al in 1979 gevangen, maar pas gisteren heeft het kleinste visje ter wereld eindelijk een naam gekregen. De Stout Infantfish, zoals hij in het Engels heet, is zo klein dat je er een miljoen van nodig hebt om aan een kilo te komen. De mannetjes worden gemiddeld 7 millimeter lang en de vrouwtjes 8 millimeter. De visjes, die eruitzien als bleke wormpjes met ogen, komen alleen voor bij een eiland voor de Australische kust.

3

Vul in.

10 mm 1 cm = ......

1 mm =

1 … 0,1 cm cm = ...... 10 …

1 cm = ...... 5 mm 2 1 000 mm 1 m = ............

1 … 0,001 m m = ............ 1 000 …………

1 mm =

Meet de volgende lijnstukken tot op 1 mm nauwkeurig.

A

B

12 cm ......... 0 mm of ......... 120 mm. Het lijnstuk [AB] meet ......... C

D

3 cm ......... 4 mm of ......... 34 mm. Het lijnstuk [CD] meet .........

4

Bereken de omtrek van de volgende figuren tot op 1 mm nauwkeurig.

52 mm 35 mm

28 mm

25 mm

44 mm

28 mm 52 mm

35 + 25 + 44 = 104 ............................................................

52 + 28 + 52 + 28 = 160 ............................................................

............................................................

............................................................

De omtrek meet

34

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 34

of

104 mm ......... 10 cm ......... 4 mm. .........

160 mm De omtrek meet ......... 16 cm ......... 0 mm. of .........

9/13/11 3:37:06 PM


LES 97

LENGTE: DE MILLIMETER 5

Teken een lijnstuk met de gegeven lengte. (Kijk bij oef. 1)

het mannetje van de Stout Infantfish het vrouwtje van de Stout Infantfish 7 cm ...... 8 mm 78 mm of ......... 10 cm ...... 5 mm 105 mm of .........

6

Rangschik van kort naar lang.

15 cm

200 mm

98 cm

990 mm

8 dm

42 cm

108 cm

15 cm 200 mm < ……………… 42 cm 8 dm 98 cm 990 mm < ……………… 108 cm ……………… < ……………… < ……………… < ……………… < ………………

7

Vul in.

20 mm 2 cm = ............

8 3 cm 2 mm + ............ mm = 4 cm

1 000 mm 1 m = ............

50 mm 1 m = 95 cm + ............

10 mm 1 dm = 9 cm + ............

1 5 2 cm – 5 mm = ............ cm ............ mm

200 mm 2 dm = ............

16 mm = 4 cm 24 mm + ............

1 m = ............ 500 mm 2

39 cm ............ 5 41 cm – 15 mm = ......... mm

8

Vul in.

0 cm ............ 6 0,6 cm = ...... mm

10 cm ............ 5 10,5 cm = ...... mm

1 cm ............ 2 1,2 cm = ...... mm

3 cm ............ 8 3,8 cm = ...... mm

4,3 cm 4 cm 3 mm = ............

5,1 cm 5 cm 1 mm = ............

0,7 cm 7 mm = ............

2,9 cm 2 cm 9 mm = ............

9

Bespreek met je buur.

Gedurende het afgelopen jaar groeide Pietje De Molenaar 1 mm per dag. Dat is

❒ mogelijk

10

Goed om te weten!

X onmogelijk. ❒

• Bij een mens duurt de zwangerschap 9 maanden. • Na de eerste maand is de toekomstige baby 5 mm. Hij groeit nu ongeveer 1 mm per dag. • Na 4 maanden meet de baby ongeveer 28 cm en weegt hij ongeveer 450 g. • Na 9 maanden meten baby’s gemiddeld 48 cm en wegen ze gemiddeld 3 kg 500 g.

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 35

35

9/13/11 3:37:07 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN EN AFTREKKEN

LES 98 1

Temporekenen

18 + 15 = 33 ...................................

4,5 + 3,2 = 7,7 ...................................

13 + 49 = 62 ...................................

35,4 + 24,5 = 59,9 ...................................

54 – 22 = 32 ...................................

58 – 35 = 23 ...................................

78,8 – 25,3 = 53,5 ...................................

45,5 – 12,3 = 33,2 ...................................

2

Kijk en los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.

+

3

3,44 1,13 + 2,31 = ............

7,48 4,05 + 3,43 = ............

7,55 2,35 + 5,2 = ............

1,38 1,3 + 0,08 = ............

Los ook deze op. 0,31 0,23 + 0,08 = ............................................... 0,27 0,16 + 0,11 = ...............................................

2,95 2,35 + 0,6 = ...............................................

2,50 2,25 + 0,25 = ...............................................

2,5 1,75 + 0,75 = ...............................................

4 3,75 + 0,25 = ...............................................

2,78 2,13 + 0,65 = ...............................................

1,85 1,45 + 0,40 = ...............................................

8,38 7,25 + 1,13 = ...............................................

1,689 1,237 + 0,452 = ...............................................

2,586 1,254 + 1,332 = ...............................................

4

Kijk en los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.

36

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 36

2,23 2,35 – 0,12 = .........

3,31 4,35 – 1,04 = .........

9/13/11 3:37:08 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN EN AFTREKKEN

2,25 2,55 – 0,3 = .........

5

LES 98

1,23 3,45 – 2,22 = .........

Los ook deze op.

1,16 1,47 – 0,31 = ..................................................... 1,25 1,50 – 0,25 = .....................................................

0,87 1,02 – 0,15 = .....................................................

0,33 0,41 – 0,08 = .....................................................

0,9 1,75 – 0,85 = .....................................................

1,75 2,5 – 0,75 = .....................................................

0,45 0,8 – 0,35 = .....................................................

0,35 1 – 0,65 = .....................................................

1,65 3,40 – 1,75 = .....................................................

1,436 2,587 – 1,151 = .....................................................

1,211 2,657 – 1,446 = .....................................................

6

Reken uit. 45 € 5,

€ 4,95

,25

€ 75

€ 8,95

€ 8,75

65 € 8,

€ 18,45 € 2,35

a Joris heeft € 100 gespaard. Daarmee koopt hij een elektrische trein en een puzzel.

75,25 + 8,95 = 84,20

€ 15,80 Hoeveel houdt hij over? ........................

100 – 84,20 = 15,80

b Je hebt € 20 gekregen. Kies zelf wat je daarvoor koopt.

meerdere oplossingen mogelijk

......................................................... Hoeveel hou je over? ........................ c Hoeveel betaal je voor een puzzel, een barbiepop en een knuffelbeer samen? Je betaalt daarvoor € 36,15. .........................................................

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 37

8,95 + 8,75 + 18,45 = 36,15

37

9/13/11 3:37:09 PM


LES 99 1

DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE ZIJDEN

Kruis aan wat past.

• Zet het passende symbool in de rechte hoeken. • Overtrek de even lange zijden van een driehoek met groen.

X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek

❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek

❏ rechthoekige driehoek ❏ scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏

❏ gelijkzijdige driehoek X gelijkbenige driehoek ❏ ❏ ongelijkbenige driehoek

X gelijkzijdige driehoek ❏ ❏ gelijkbenige driehoek ❏ ongelijkbenige driehoek

❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige driehoek ❏

❏ rechthoekige driehoek ❏ scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏

X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek

❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek

❏ gelijkzijdige driehoek X gelijkbenige driehoek ❏ g j g driehoek ❏ ongelijkbenige

❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige g j g driehoek ❏

❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige g j g driehoek ❏

2

Weet je dit nog? C

Teken een hoek BÂC en duid hem aan met een boogje.

L K

A

^ ACB Dit is de hoek .........

3

38

A

M

B

^ KLM Dit is de hoek .........

B meerdere oplossingen mogelijk

C

Welke soort driehoek zit hier verborgen? Soms zijn er verschillende mogelijkheden.

❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 38

X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek

X rechthoekige driehoek ❏ ❏ X scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏

9/13/11 3:37:10 PM


DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE ZIJDEN 4

Aan de slag met potlood en meetlat!

Teken een rechthoekige driehoek. EĂŠn zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk

Teken de driehoek verder. Je ziet al 2 hoekpunten en een stuk van de tweede zijde. Het moet een stomphoekige driehoek zijn. meerdere oplossingen mogelijk

5

LES 99

Teken een gelijkbenige driehoek. EĂŠn zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk

Teken de driehoek verder. Je ziet al 2 hoekpunten en een stuk van de tweede zijde. Het moet een scherphoekige driehoek zijn. meerdere oplossingen mogelijk

Zet de juiste namen bij de driehoeken.

Ik kijk naar de hoeken. De driehoek is ...

scherphoekig .............................................

scherphoekig .............................................

Ik kijk naar de zijden. De driehoek is ...

gelijkzijdig .............................................

gelijkbenig .............................................

6

Kleur de gezochte driehoeken.

De rechthoekige gelijkbenige driehoeken kleur je blauw.

De stomphoekige ongelijkbenige driehoeken kleur je groen. De stomphoekige gelijkbenige driehoeken kleur je geel.

39

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 39

9/13/11 3:37:11 PM


LES 100

OPPERVLAKTE

1

Duid de omtrek van deze figuren aan met een blauwe stift. Kleur Kleur de oppervlakte met een potlood.

2

Een oppervlakte meten door ze te bedekken

meerdere oplossingen mogelijk De oppervlakte van ........................................................................ is zo groot als ....................................... ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................

3

Meet de oppervlakte en vul de tabel in.

meerdere oplossingen mogelijk

aantal vellen A4-papier

aantal vloeitjes

oppervlakte

we schatten

we meten

we schatten

we meten

voorwerp 1: .................................

............

............

............

............

voorwerp 2: .................................

............

............

............

............

voorwerp 3: .................................

............

............

............

............

Waarvan heb je het grootste aantal nodig?

❒ vellen A4-papier

X vloeitjes ❒

Een vel A4-papier is groter dan een vloeitje, dus heb je minder vellen nodig om Hoe komt dat? ............................................................................................................................................... eenzelfde oppervlakte te bedekken. ........................................................................................................................................................................

40

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 40

9/13/11 3:37:12 PM


LES 100

OPPERVLAKTE 4

Een oppervlakte meten met een meetrooster

Schat de oppervlakte van de onderstaande figuren. Rangschik ze volgens je schatting van klein naar groot. Ik denk:

fig. ...

<

fig. ...

<

fig. ...

<

fig. ...

<

fig. ...

<

fig. ...

Bedek de figuren dan met je meetrooster en meet de oppervlakte zo nauwkeurig mogelijk. Schrijf het aantal hokjes in elke figuur. Rangschik de figuren nu van klein naar groot volgens de gemeten oppervlakte. 5 Ik meet: fig. ...

<

3 fig. ...

2 fig. ...

<

<

6 fig. ...

<

4 fig. ...

<

1 fig. ...

Kijk dan of je goed geschat had!

1

5 3 2 4

6

5

Meet van elke figuur de oppervlakte en de omtrek.

figuur 1

figuur figuur 2

figuur 3 figuur

figuur 4

omtrek

16 cm ............

12 cm ............

20 cm ............

16 cm ............

oppervlakte

9 hokjes ......

9 hokjes ......

9 hokjes ......

9 hokjes ......

1

2 4

3

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 41

41

9/13/11 3:37:19 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN

LES 101 1

Werk uit. 104,84 46,36 + 58,48 = ...............

84,93 39,43 + 45,5 = ...............

50 + ......... 60 = ......... 110 ≈ .........

40 + ......... 50 = ......... 90 ≈ .........

1

1

1

1

4

6,

3

6

5

8,

4

8

+

3

9,

4

3

4

5,

5

0

8

4,

9

3

+ 1

0

4,

8

4

183,34 125,5 + 57,84 = ...............

336,74 234,47 + 76,4 + 25,87 = ...............

130 + ......... 60 = ......... 190 ≈ .........

230 + ......... 80 + ......... 30 = ......... 340 ≈ .........

1

1

1

2

5,

5

0

5

7,

8

4

8

3,

3

4

1

1

1

1

2

3

4,

4

7

7

6,

4

0

2

5,

8

7

3

6,

7

4

+ 1

+ 3

104,321 25,521 + 78,8 = ...............

442,75 385,75 + 57 = ...............

30 + ......... 80 = ......... 110 ≈ .........

390 + ......... 60 = ......... 450 ≈ .........

1

1

1

2

5,

5

2

1

7

8,

8

0

0

+

Als beide termen niet evenveel cijfers na de komma hebben, pas ik daar een mouw aan! mou

0

4,

3

2

1

3

8

5,

7

5

5

7,

0

0

4

2,

7

5

4

5,08 4,38 + 0,7 = ...............

1,62 0,87 + 0,75 = ...............

4 + ......... 1 = ......... 5 ≈ .........

1 + ......... 1 = ......... 2 ≈ .........

1

4,

3

8

0,

7

0

+

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 42

1

+ 1

42

1

1

1

0,

8

7

0,

7

5

1,

6

2

+ 5,

0

8

9/13/11 3:37:27 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN 2

3

LES 101

Schrijf het getal opnieuw, maar met zo weinig mogelijk nullen. 42,303 42,303 = ...........................

47,5 47,50 = ...........................

85,5 85,500 = ...........................

80 80,00 = ...........................

30,088 30,088 = ...........................

28,05 028,05 = ...........................

4

Zet de getallen in de tabel.

Oei, een virus heeft alle komma’s in de uitkomsten opgegeten!

176,003 - 45,732 - 2,25 - 1 823 Zet jij ze terug op de juiste plaats?

863,5 - 1 040,180 - 400,2 - 20,02

12 5 D

1

1

5

+

H

T

E

,

t

h

d

4 4, 2 2

1

7

6

,

0

0

3

5 1 , 4

4

5

,

7

3

2

2

,

2

5

8

2

3

8

6

3

,

5

0

4

0

,

1

4

0

0

,

2

2

0

,

0

8 4 , 4 7 + +

7 1 , 5 23 8

4 4 4

0

+

=

2 0 9, 4 7

2 2 ,4 4 1 9 , 7 4

+

= =

7 1 ,1 4

1 23, 5

5 5,5 5

=

6 6, 6 6

=

1 9 5, 0 2 3

4 9 9, 5 5

2

De kassa is stuk. Reken de totalen uit door te cijferen. Vergeet de schatting niet.

1 KG WORTELEN 1 KG WITLOF 1 KOMKOMMER

€ 0,78 € 1,64 € 0,80

€ 3,22 TOTAAL: ..................................

1 TUBE LIJM 1 PAK PENSELEN 1 DOOS WATERVERF 1 PAK PAPIER

€ 3,14 TOTAAL: ..................................

1+2+1=4

Werk netjes: gebruik je lat!

€ 1,30 € 1,24 € 0,60

1 KLEIN BROOD 4 SANDWICHES 1 KOFFIEKOEK

2

1

7 6 8 2

1

8 4 0 2

1, 1, 0, + 3,

3 2 6 1

0 4 0 4

0,88 2,75 5,80 5

€ 14,43 TOTAAL: ..................................

1+1+1=3

0, 1, 0, + 3,

€ € € €

1 + 3 + 6 + 5 = 15

2

1

0, 2, 5, 5, + 1 4,

8 7 8 0 4

8 5 0 0 3

43

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 43

9/13/11 3:37:29 PM


LES 102

HERHALING

G 1

3b

Dit kun je al vlot!

a Vul in.

b Vereenvoudig zo ver mogelijk.

3 van 40 is ...... 15 8

2

25 5 = .................. 30 6

2 van 27 is ...... 6 9

16 2 = .................. 24 3

Getallendictee

0,08 .....................

3

3,004 .....................

86,094 .....................

0,147 .....................

7,75 .....................

4a

Noteer het getal juist in de tabel. D

T

E

,

t

h

d

8

4

,

8

3

1

75 duizendsten g

0

,

0

7

5

1 geheel 5 honderdsten g

1

,

0

5

0

,

5

0

5 gehelen 25 honderdsten g

5

,

2

5

4 duizendsten g

0

,

0

0

84,831 g

8

5t 8T 3d g

4

H

3

4 4a

Noteer de waarde van het onderstreepte cijfer telkens op 2 manieren.

478,8

8t of ............ 0,8 g ......

6,983

8h of ............ 0,08 g ......

54,98

g

5T of ............ 50 ......

38,05

5h of ............ 0,05 g ......

34,811

1d of ............ 0,001 g ......

78,008

g

8d of ............ 0,008 ......

5

4d

Vul de getallenassen aan.

0

0,1 .........

0,2 .........

0,3

0,4 .........

0,5 .........

0,6 .........

0,7 .........

0,8 .........

0,9 .........

1 .........

0

0,01 .........

0,02 .........

0,03 .........

0,04

0,05 .........

0,06 .........

0,07 .........

0,08 .........

0,09 .........

0,1

0

0,001 .........

0,002

0,003 .........

0,004 .........

0,005 .........

0,006

0,007 .........

0,008 .........

0,009 .........

0,01

6

Tel verder met sprongen. 7,2

7,3

7,4

7,5 .........

7,6 .........

7,7 .........

7,8 .........

7,9 .........

34,6

34,9

35,2

35,5 .........

35,8 .........

36,1 .........

36,4 .........

36,7 .........

21,01

22,02

23,03

24,04 .........

25,05 .........

26,06 .........

27,07 .........

28,08 .........

0

0,02

0,04

0,06 .........

0,08 .........

0,10 .........

0,12 .........

0,14 .........

44

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 44

9/13/11 3:37:31 PM


LES 102

HERHALING B 1

4 8 6 2 + = ..................... = 10 10 5 10 15 6 9 + = ..................... =3 5 5 5

2

7 4 3 + = ..................... =1 7 7 7 11 15 4 – = ..................... =1 11 11 11

3 7 = ........................ 10 10 11 5 1+ = ........................ 6 6

1–

13

Los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.

0,7 0,4 + 0,3 = ......

1,40 1,45 – 0,05 = .........

0,4 0,8 – 0,4 = ......

3

12

Optellen en aftrekken met breuken. Vereenvoudig waar het kan.

0,45 0,65 – 0,2 = .........

0,9 0,4 + 0,5 = ...............

8 7,25 + 0,75 = ...............

12,30 9,15 + 3,15 = ...............

3,50 6,55 – 3,05 = ...............

0,85 1 – 0,15 = ...............

0,52 0,47 + 0,05 = ...............

3,50 9,75 – 6,25 = ...............

33,42 45,72 – 12,3 = ............... 14

Reken uit.

0,4 2 x 0,2 = .....................................

2,1 16,8 : 8 = .....................................

78 10 x 7,8 = .................

6,8 2 x 3,4 = .....................................

0,2 0,8 : 4 = .....................................

1,5 3 x 0,5 = .................

1,2 4 x 0,3 = .....................................

0,9 2,7 : 3 = .....................................

1,2 4,8 : 4 = .................

24,8 4 x 6,2 = .....................................

2,5 5 : 2 = .....................................

0,6 3,6 : 6 = .................

7 10 x 0,7 = .....................................

3,5 35 : 10 = .....................................

6,7 67 : 10 = .................

4

16

Ook cijferen met kommagetallen! 82,33 34,5 + 47,83 = ...............

14,545 6,075 + 8,47 = ...............

30 + ......... 50 = ......... 80 ≈ .........

10 + ......... 10 = ......... 20 ≈ .........

1

1

3

4,

5

4

7,

8

3

+

6,

0

7

8,

4

7

4,

5

4

5

+ 8

2,

3

3

1

5

MMR 1

20

Vul in.

40 mm 4 cm = ............

2 2 cm + 8 mm + ............ mm = 3 cm

1 000 mm 1 m = ............

5 cm ......... 5 mm 6 cm – 5 mm = ......

300 mm 3 dm = ............

14 mm = 6 cm 46 mm + ............

2 cm ......... 5 mm 2,5 cm = ......

1,8 cm 1 cm 8 mm = ............

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 45

45

9/13/11 3:37:33 PM


LES 102 2

HERHALING 3

Meet de volgende lijnstukken tot op 1 mm nauwkeurig.

Teken een lijnstuk met de gegeven lengte. Lijnstuk [EF] meet 5 cm 6 mm.

A

B C

D E

7 cm ...... 0 mm of ......... 70 mm. Het lijnstuk [AB] meet ......

F

4 cm ...... 3 mm of ......... 43 mm. Het lijnstuk [CD] meet ......

4

27,28

Meet van elke figuur de oppervlakte en de omtrek.

figuur 1

figuur 2

figuur 3

omtrek

10 cm ............

12 cm ............

............

oppervlakte

4 hokjes ...

5 hokjes ...

4... hokjes

1

2

3

MK 1

40

Zijn deze figuren symmetrisch?

Kruis aan wat past. Teken in de symmetrische figuren alle symmetrieassen.

❏ X symmetrisch

❏ symmetrisch

❏ niet symmetrisch

❏ X niet symmetrisch

2

Zet de juiste namen bij de driehoeken.

3

37

Aan de slag!

Teken een rechthoekige driehoek. Eén zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk

37 Teken een gelijkbenige driehoek. Eén zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk

Ik kijk naar de hoeken. De driehoek is ...

46

Ik kijk naar de zijden. De driehoek is ...

110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 46

scherphoekig ..........................

stomphoekig ..........................

gelijkzijdig ..........................

gelijkbenig ..........................

9/13/11 3:37:35 PM


SPRONG

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 47

9/13/11 3:46:15 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN

LES 105 1

Schrijf het anders.

a Zet om naar honderdsten.

b Schrijf als kommagetal.

1,45 = 145h

325h = 3,25

87h 0,87 = ............

119h 1,19 = ............

7,05 705h = ............

0,75 75h = ............

306h 3,06 = ............

660h 6,60 = ............

0,06 6h = ............

0,05 5h = ............

961h 9,61 = ............

21h 0,21 = ............

0,13 13h = ............

6,29 629h = ............

2

3

Hoeveel geld zat er in de enveloppen?

7 x € ......... 0,02 = € ............ 0,14 ...

6 x € ......... 0,05 = € ............ 0,30 ...

9 x € ......... 0,05 = € ............ 0,45 ...

3 x € ......... 0,50 = € ............ 1,50 ...

8 x € ......... 0,20 = € ............ 1,60 ...

4 x € ......... 0,05 = € ............ 0,20 ...

Reken uit.

0,12 3 x 0,04 = ........................ 0,72 9 x 0,08 = ........................

0,02 2 x 0,01 = ........................

0,14 7 x 0,02 = ........................

0,75 3 x 0,25 = ........................

0,24 8 x 0,03 = ........................

0,40 5 x 0,08 = ........................

4

Denk aan de maaltafels! 7 x 0,02 = 7 x 2h = 14h = 0,14

Reken uit. Splitsen en verdelen!

16,44 4 x 4,11 = ............................................. 3,15 3 x 1,05 = ................................................

64,64 8 x 8,08 = ................................................

4,90 2 x 2,45 = ................................................

28,32 4 x 7,08 = ................................................

35,15 5 x 7,03 = ................................................

81,45 9 x 9,05 = ................................................

12,06 6 x 2,01 = ................................................

28,14 7 x 4,02 = ................................................

5

Reken uit.

0,06 0,42 : 7 = ...........................

48

0,07 0,56 : 8 = ...........................

0,09 0,72 : 8 = ...........................

0,06 0,36 : 6 = ...........................

0,11 0,66 : 6 = ...........................

0,02 0,08 : 4 = ...........................

0,08 0,24 : 3 = ...........................

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 48

Denk aan de deeltafels! 0,63 : 7 = 63h : 7 = 9h = 0,09

9/13/11 3:46:18 PM


KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN 6

LES 105

Reken uit. Splits het deeltal.

2,02 8,08 : 4 = .........................................................

4,03 8,06 : 2 = .........................................................

1,01 5,05 : 5 = .........................................................

1,07 7,49 : 7 = .........................................................

2,09 4,18 : 2 = .........................................................

5,01 25,05 : 5 = .......................................................

2,01 12,06 : 6 = .......................................................

4,06 16,24 : 4 = .......................................................

6,03 54,27 : 9 = .......................................................

4,02 8,04 : 2 = .........................................................

7

Reken uit.

1 : 4 = 100h : 4 = 25h = 0,25 200h : 100 = 2h = 0,02 2 : 100 = ..........................................................

Ik zet het deeltal eerst om naar honderdsten of ik splits het!

100t : 4 = 25t = 2,5 10 : 4 = ............................................................ 700h : 100 = 7h = 0,07 7 : 100 = ..........................................................

8

Reken uit.

1 100 x 0,01 = .........

24 100 x 0,24 = .........

0,04 4 : 100 = .........

0,34 34 : 100 = .........

8 100 x 0,08 = .........

310 100 x 3,1 = .........

0,01 1 : 100 = .........

2,8 280 : 100 = .........

9

Reken uit en antwoord.

Meester Jo koopt twee kranten van elk 1,25 euro. Hij heeft nog 3 euro op zijn protonkaart.

2 x 1,25 = 2,50 3 – 2,50 = 0,50

ja Kan hij zijn kranten daarmee betalen? ............................... Hoeveel geld heeft hij nog over of te kort? Hij heeft € 0,50 over. ............................................................................................. De 4 vensterbanken in onze klas zijn elk precies 1,25 meter lang.

4 x 1,25 = 5

Hoeveel meter vensterbank hebben we in de klas? We hebben 5 m vensterbank in de klas. .............................................................................................

49

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 49

9/13/11 3:46:42 PM


LES 106 1

DE TON

Dit artikel stond onlangs in de krant.

TIENTONNER BOORT ZICH IN VOORGEVEL Maandagavond beleefde Jozef Martens de schrik van zijn leven. Hij was naar het journaal aan het kijken toen een vrachtwagen zich door de gevel van zijn woning boorde. Het gevaarte kwam maar net voor zijn zetel tot stilstand.

2

“Ik dacht dat het een aardbeving was!” aldus de bejaarde man, die er gelukkig met de schrik vanaf kwam. “De woning zal afgebroken moeten worden. Wat wil je, een tientonner is als een stormram.

Zelfs een huis houdt dat niet tegen,” was de commentaar van de brandweercommandant. “Ik kreeg een klapband en verloor de controle over het stuur,” verklaarde de erg aangeslagen chauffeur.

Sommige dingen zijn groot en zwaar ... Enkele gegevens over deze goederenlocomotief: * lengte: 16 meter * snelheid: 100 km/uur * inhoud brandstoftank: 4 300 liter * gewicht: 87 ton * kan 2 000 ton trekken

87 personenwagens. De locomotief weegt ongeveer evenveel als ......... 2 000 personenwagens trekken. De locomotief kan ongeveer ............... De goederenlocomotief moet wagons met zand trekken. Elke wagon weegt geladen ongeveer 50 ton. Hoeveel wagons kan de locomotief trekken? 2 000 : 50 = 40 Bewerking: .................................................................. 40 wagons Antwoord: ..................................................................

Soms weegt iets zo zwaar dat we het gewicht in ton noteren! 1 000 kg 1 ton = .......…..... 0,001 ton 1 kg = ........….... Een personenwagen weegt ongeveer 1 ton.

3

50

Vul in.

3 ton ......... 0 kg = ............ 3 3 000 kg = ...... ton

5 000 kg 5 ton = ............

8 ton ......... 700 kg = ............ 8,7 ton 8 700 kg = ......

1 ton ......... 200 kg = ............ 1 200 kg 1,2 ton = ...

0 ton ......... 500 kg = ............ 0,5 ton 500 kg = ......

8 ton ......... 400 kg = ............ 8 400 kg 8,400 ton = ...

3 ton ......... 780 kg = ............ 3,78 ton 3 780 kg = ......

0 ton ......... 250 kg = ............ 250 kg 0,250 ton = ...

4 ton ......... 528 kg = ............ 4,528 ton 4 528 kg = ......

7 ton ......... 900 kg = ............ 7 900 kg 7,9 ton = ...

8 ton ......... 474 kg = ............ 8,474 ton 8 474 kg = ......

2 ton ......... 318 kg = ............ 2 318 kg 2,318 ton = ...

1 ton ......... 40 kg = ............ 1,04 ton 1 040 kg = ......

6 ton ......... 8 kg = ............ 6 008 kg 6,008 ton = ...

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 50

9/13/11 3:46:44 PM


LES 106

DE TON 4

Reken uit en antwoord met een zin.

Joris heeft 2 ton hout voor de haard gekocht. Hij moet het zelf afhalen. Met zijn zware aanhangwagen mag hij 500 kg vervoeren. Hoeveel keer moet hij rijden?

2 ton = 2 000 kg 2 000 : 500 = 4

Hij moet 4 keer rijden. .............................................................................................. Een minibus weegt ongeveer anderhalve ton. Er zitten 7 mensen in. Die wegen samen ongeveer 500 kg. Hoeveel ton weegt het busje met de passagiers ongeveer?

1,5 + 0,5 = 2

Het busje weegt ongeveer 2 ton. ..............................................................................................

Op het bordje in de lift van het ziekenhuis staat: Maximum 20 personen. Een volwassene weegt gemiddeld 70 kg. Hoeveel ton mag er ongeveer in de lift?

20 x 70 = 1 400 1 400 kg = 1,4 ton

Er mag ongeveer 1,4 ton in de lift. .............................................................................................. Een vrachtwagen lost 13 ton zand in de zandbak van de kleuterschool. Het zand kost € 80 per ton. “Oei, ik heb maar 1 000 euro voorzien! Is dat wel genoeg?” vraagt de directeur zich zenuwachtig af. Wat denk je: blijft de directeur binnen zijn budget of heeft hij meer geld nodig?

13 x 80 = 800 + 240 = 1 040

Hij heeft € 40 MEER nodig. ..............................................................................................

5

Maak zelf een rekenverhaal bij deze voorstelling. 500 kg + 500 kg + 500 kg = 1 ton 500 kg

meerdere oplossingen mogelijk ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................

6

Is dit mogelijk of niet? Bespreek het met elkaar en kruis dan aan.

De vrachtwagen vervoert 8 ton bananen.

❒ X mogelijk

❒ onmogelijk

De wereldkampioen gewichtheffen heft wel twee ton.

❒ mogelijk

❒ X onmogelijk

Aan die appelboom hangt een ton appels.

❒ mogelijk

❒ X onmogelijk

De vissersboot bracht twee ton kabeljauw aan wal.

❒ X mogelijk

❒ onmogelijk

Mijn benen wegen wel een ton!

❒ mogelijk

❒ X onmogelijk

51

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 51

9/13/11 3:46:47 PM


CIJFEREND AFTREKKEN MET KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001

LES 107 1

Reken netjes uit.

hamerslingeren

speerwerpen

record: 98,48 m

record: 86,74 m

discuswerpen

record: 74,1 m

kogelkog gelstoten stotten record: 23,12 m

Hoe groot is het verschil tussen het record speerwerpen en het record hamerslingeren?

Hoe groot is het verschil tussen het record discuswerpen en het record kogelstoten?

98,48 – ............ 86,74 = ............ 11,74 ............

74,1 – ............ 23,12 = ............ 50,98 ............

100 – ......... 90 = ......... 10 ≈ .........

70 – ......... 20 = ......... 50 ≈ .........

... –

2

7

14

9

8,

4

8

8

6,

7

4

1

1,

7

4

10

10

7

4,

1

0

2

3,

1

2

5

0,

9

8

Hoeveel seconden was de eerste wagen sneller dan de tweede? wagen 1

wagen 2

rondetijd: 144,79 sec.

rondetijd: 157,456 sec.

157,456 144,79 = ............ 12,666 ............ – ............ 160 – ......... 140 = ......... 20 ≈ .........

... –

... –

3

6

13

15

1

5

7,

4

5

6

1

4

4,

7

9

0

1

2,

6

6

6

Ik zorg ervoor dat het aftrektal en de aftrekker evenveel cijfers na de komma hebben. Daarvoor vul ik nullen aan als dat nodig is.

12,666 sec. antwoord: …………………………

52

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 52

9/13/11 3:46:49 PM


CIJFEREND AFTREKKEN MET KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 3

Reken netjes uit. 495,59 527,09 – 31,5 = ............

62,32 136,32 – 74 = ............

530 – ......... 30 = ......... 500 ≈ .........

140 – ......... 70 = ......... 70 ≈ .........

4

12

6

10

5

2

7,

0

9

3

1,

5

0

9

5,

5

9

... – 4

0

13

1

3

6,

3

2

7

4,

0

0

6

2,

3

2

... –

216,2 345 – 128,8 = ............

90,26 168 – 77,74 = ............

350 – ......... 130 = ......... 220 ≈ .........

170 – ......... 80 = ......... 90 ≈ .........

... –

3

14

10

0

16

7

9 10

10

3

4

5,

0

1

6

8,

0

0

1

2

8,

8

7

7,

7

4

2

1

6,

2

9

0,

2

6

... –

122,697 147 – 24,303 = ............

8,197 15,2 – 7,003 = ............

150 – ......... 20 = ......... 130 ≈ .........

15 – ......... 7 = ......... 8 ≈ .........

1 ... – 1

4

LES 107

6

9 10

9 10

10

0

15

1

9 10

10

4

7,

0

0

0

1

5,

2

0

0

2

4,

3

0

3

7,

0

0

3

2

2,

6

9

7

8,

1

9

7

... –

Hoeveel krijg je terug? Je mag kiezen op welke manier je het uitrekent.

Ik moet 38,40 euro betalen.

Ik moet 14,63 euro betalen.

Ik moet 84,40 euro betalen.

Ik geef een biljet van 50 euro.

Ik geef een biljet van 20 euro.

Ik geef een biljet van 100 euro.

Ik krijg ........................ 11,60 euro terug.

Ik krijg ........................ 5,37 euro terug.

Ik krijg ........................ 15,60 euro terug.

53

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 53

9/13/11 3:47:02 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 VERMENIGVULDIGEN

LES 108 1

Reken uit. 18,63 3 x 6,21 = ..................

4,02 6 x 0,67 = ..................

3 x 6 = 18 ≈ .........................................................

6x1=6 ≈ .........................................................

6,

2

1

0,

6

3

7 6

x

x 1

8,

6

3

4,

0

2

4

4

321,684 4 x 80,421 = ..................

399,10 5 x 79,82 = ..................

4 x 80 = 320 ≈ .........................................................

5 x 80 = 400 ≈ .........................................................

8

0,

4

2

1

7

9,

8

4

2 5

x

x 3

2

1,

6

8

4

3

1

9

9,

1

0

1

4

4

431,08 13 x 33,16 = ..................

820,68 21 x 39,08 = ..................

13 x 30 = 390 ≈ .........................................................

21 x 40 = 840 ≈ .........................................................

3

3,

1

6

1

3

3

x

9,

0

8

2

1

x 1

3

1

1

1

9

9

4

8

3

1

6

0

3

9

0

8

7

8

1

6

0

8

2

0,

6

8

1

+

1

1

1

+ 4

3

1,

0

8

1 595 25 x 63,8 = ..................

28,38 6 x 4,73 = ..................

25 x 60 = 1 500 ≈ .........................................................

6 x 5 = 30 ≈ .........................................................

6

3,

8

2

5

4,

7

6

x

x

2

1

3

1

9

0

4

1

2

7

6

0

1

1

5

9

5,

0

+

3

8,

3

8

1 4

1

Reken eerst alsof er geen komma staat. Plaats daarna de komma in het product!

54

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 54

9/13/11 3:47:04 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 VERMENIGVULDIGEN

LES 108

5,856 8 x 0,732 = ..................

971,4 4 x 242,85 = ..................

8x1=8 ≈ .........................................................

4 x 250 = 1 000 ≈ .........................................................

0,

7

3

2

8

x 5,

2

2

8

5

6

4

2,

8

5 4

x 1

2

9

5

7

1,

4

0

2 3 1 1

Los op.

Een marathon is een loopwedstrijd van 42,195 km. Hoeveel km heb ik gelopen als ik 5 keer een marathon loop?

210,975 km. ..................

1 liter benzine kost € 1,295. Voor mijn grasmachine heb ik 5 liter nodig. Hoeveel betaal ik daarvoor? 6,475 euro. 6,48 euro ..................

Dit is een van de boren die gebruikt werden om de kanaaltunnel tussen Groot-Brittannië en Frankrijk te graven. De tunnel is 37 km lang. De boor haalde gemiddeld een snelheid van 5,23 m per uur. Hoeveel meter kwam de boor vooruit op een werkdag van 8 uur? 41,84 .................. meter. minder Is dat meer of minder dan 1 km? ............... © Eurotunnel

x

4 2, 1 9 5 5 2 1 0, 9 7 5

5, 2 3 8 x 4 1, 8 4

2

4

1

1, 2 9 5 5 x 6, 4 7 5

2

4

1

2 1

55

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 55

9/13/11 3:47:05 PM


LES 109

DE CIRKEL

1

Wat zie je? Bespreek.

2

Zoek de cirkels en overtrek hun omtrek met groen.

3

Aan welke bekende voorwerpen zie je cirkels?

meerdere oplossingen mogelijk ................................................................................. x

x

................................................................................. ................................................................................. x

x

................................................................................. .................................................................................

4

Vul in. A

cirkel Deze ďŹ guur is een ........................ B

M

C

middelpunt M is het ....................................... straal 1,2 cm of ......... 12 mm. [AM] is een ..................... en meet ......... diameter en meet ......... 2,4 cm of ......... 24 mm. [BC] is een .....................

5

Teken drie cirkels met verschillende straal. Duid telkens het middelpunt (M) aan en teken in elke cirkel ook een straal. meerdere oplossingen mogelijk

6

Teken een cirkel ...

met straal 2 cm.

met dit lijnstuk als straal.

met straal 18 mm.

56

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 56

9/13/11 3:47:08 PM


DELERS EN VEELVOUDEN – NEGATIEVE GETALLEN 1

LES 110

Vul de delerbloemen aan. Let op: alle delers van een getal moeten een plaatsje krijgen. Teken de blaadjes nu zelf! 1 9 15

2

3 45

4

16

10

5 45

2

6

1

2 3 5

30 15

16

8

1

30

Omkring het getal dat niet in de rij thuishoort.

Tip: denk aan de kenmerken van deelbaarheid! 85

-

110

-

65

-

225

-

70

-

102

312

-

520

-

86

-

302

-

71

-

58

850

-

400

-

1 200

-

10 000

215

-

999

-

73

-

883

-

990

-

303

810

-

605

-

90

-

995

-

552

-

100

3

-

8 000

-

6 300

Zoek het woord.

Omkring alle getallen die deelbaar zijn door 4. Met de bijbehorende letters kun je een woord vormen in het rooster. Tip: de figuur heeft er iets mee te maken …

36 Z

450 R

10 G

223 Z

3 33 36

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 57

E ...

9 M

82 O 98 8

P

I

1

3 304 04 C

I ...

L ...

S ...

516 E

100 S

1 00 000

F

Z ...

16 I

30 U

A

5 50 00 L

8 80 07 J

2 210 10 K

5 560 60 H

999 9 99 V

C ...

H ...

I ...

P ...

57

9/13/11 3:47:14 PM


DELERS EN VEELVOUDEN – NEGATIEVE GETALLEN

LES 110 4

Vul aan.

a Schrijf hier alle veelvouden van 8 die kleiner zijn dan 30. 0, 8, 16, 24 .................................................................................................................................................................... b Schrijf hier alle veelvouden van 20 die tussen 50 en 150 liggen. 60, 80, 100, 120, 140 ....................................................................................................................................................................

c Schrijf hier alle delers van 12. 1, 2, 3, 4, 6, 12 .................................................................................................................................................................... d Schrijf hier alle veelvouden van 80 die tussen 100 en 500 liggen. 160, 240, 320, 400, 480 ....................................................................................................................................................................

5

Er scheelt iets met de diepvriezer in het visbedrijf! Vul de tabel aan en beantwoord de vragen.

16 °C

tijdstip

temperatuur

9 uur

–10 °C ...............

10 uur

–4 °C ...............

0 °C

11 uur

2 °C ...............

–4 °C

12 uur

–2 °C ...............

–8 °C

13 uur

–12 °C ...............

14 uur

–12 °C ...............

12 °C 8 °C 4 °C

–12 °C 9:00

10:00

11:00

12:00

a Wat was de hoogste temperatuur in de diepvriezer?

2 °C ............ b Wat was de laagste temperatuur in de diepvriezer?

–12 °C ............ c Hoe groot is het verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur?

58

14 °C ............

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 58

13:00

14:00

d Hoeveel is de temperatuur gezakt tussen 11 uur en 12 uur?

4 °C ............ e Vanaf wanneer was de temperatuur hoger dan –4 °C?

vanaf 10 uur .......................................................................... f Een technicus is de diepvriezer opnieuw komen afregelen. Wanneer kwam die volgens jou langs? ô tussen 10 uur en 11 uur X tussen 11 uur en 12 uur ô ô tussen 12 uur en 13 uur

9/13/11 3:47:17 PM


LES 111

CM2 EN DM2 1

Teken hier een vierkant met een oppervlakte van 1 dm2 en een vierkant met een oppervlakte van 1 cm2. Noteer er de juiste maat bij.

1 cm2 1 dm2

Aha, 100 cm2. 1 dm2 = .........

2

Kruis aan welke maateenheid je gebruikt om te meten. Ik meet:

cm

m

cm2

X

de omtrek van de speelplaats.

X

de oppervlakte van mijn bank. X

de oppervlakte van mijn gum. mijn borstomtrek.

X X

de oppervlakte van een postzegel.

3

dm2

Vul aan.

10 cm 1 dm = .........

1 25 cm2 dm2 = ......... 4

100 cm2 1 dm2 = .........

1 000 cm2 10 dm2 = ............

1 cm2 =

1 1 dm2 van ............ 100

5 dm2 500 cm2 = .........

500 cm2 5 dm2 = .........

1 10 cm2 dm2 = ......... 10

1 50 cm2 dm2 = ......... 2

700 cm2 7 dm2 = .........

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 59

59

9/13/11 3:47:19 PM


LES 111 4

Meet de oppervlakte met je meetrooster. Vergeet de maateenheid niet!

11 cm2 De oppervlakte is ..................

7 cm2 De oppervlakte is ..................

5

CM2 EN DM2

10 cm2 De oppervlakte is ..................

8 cm2 De oppervlakte is ..................

De oppervlakte is ongeveer

De oppervlakte is ongeveer

7 cm2 ..................

3 cm2 ..................

Vul aan.

10 cm De omtrek van deze figuur is ..................

17 cm De omtrek van deze figuur is ..................

4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ................

4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ..................

8 cm De omtrek van deze figuur is ..................

8 cm De omtrek van deze figuur is ..................

3 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ................

4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ..................

60

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 60

9/13/11 3:47:21 PM


LES 112

HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN 1

We rekenen erop los!

6,60 2,45 + 4,15 = .........

3,54 5,88 – 2,34 = .........

3,5 5 x 0,7 = .........

3,4 6,8 : 2 = .........

4,3 3,9 + 0,4 = .........

0,35 1 – 0,65 = .........

6,99 3 x 2,33 = .........

0,09 0,72 : 8 = .........

11,99 8,99 + 3 = .........

0,9 1,5 – 0,6 = .........

3,5 10 x 0,35 = .........

0,5 1 : 2 = .........

5,25 4,75 + 0,50 = .........

8,25 10,25 – 2 = .........

0,48 6 x 0,08 = .........

0,07 7 : 100 = .........

1,7 0,8 + 0,9 = .........

1,65 1,75 – 0,1 = .........

10,40 5 x 2,08 = .........

11,5 23 : 2 = .........

2

3

Verbind wat bij elkaar hoort.

4,8 + 0,8

0,6

7 – 0,01

5,5

6 : 10

6,99

10 x 5,6

5,6

11 : 2

56

27 : 100

0,04

3 x 0,9

0,27

0,24 : 6

2,7

1 : 100

0,4

3,9 – 3,5

0,01

4

Vul in. 1,20 1 m 20 cm of ............... m 3,250 kg 3 kg 250 g of ............... 5,07 5 m 7 cm of .................. m 1,07 1 l 7 cl of .................. l 0,087 m 8 cm 7 mm of ...............

5 800 m 5 km 800 m of ............... 5,7 5 l 7 dl of ............... l 4,075 m 4 m 75 mm of ............... 1,5 1 ton 500 kg of ............... ton

Hoe lang?

Een groepje vrienden maakt samen een bloemenslinger. Ans maakt 1,2 m. Bo maakt 1,7 m. Wubbe maakt 0,6 m. Rob maakt 1,1 m. Freke maakt 0,8 m. Hoeveel meter slinger hebben ze samen? De broertjes Kwibbel, Kwebbel en Kwabbel gaan achter elkaar in het gras liggen.

1,2 + 1,7 + 0,6 + 1,1 + 0,8 = 5,4

5,4 5 m ...... 4 dm. Samen hebben ze ............... m of ......

1,20 + 1,07 + 1,42 = 3,69

1,2 m. Kwibbel meet 1 m 2 dm = ............... 1,07 m. Kwabbel meet 1 m 7 cm = ............... 1,42 Kwebbel meet 1 m 42 cm = ............... m. Hoe lang g is de ketting g die ze vormen?

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 61

3,69 m of ...... 3 m ......... 69 cm De ketting is ............... lang. g

61

9/13/11 3:47:22 PM


LES 112 5

HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN

Hier zijn een paar komma’s vergeten! Zet ze op de juiste plaats.

7 , 2 1 : 7 = 1, 0 3 0,4 5 : 3 = 0 , 1 5

4 5 : 2 = 2 2,5

5 x 0 , 8 = 4,0

4 5 : 1 0 = 4,5

2 , 3 + 9, 4 = 1 1,7

5,7 – 0 , 9 = 4,8

5 – 1 , 1 = 3,9

4 5 , 3 : 1 0 = 4,5 3

7

62

6

Kruis aan wat juist is. Je kunt dit zonder te rekenen! 3 x 2,24

❏ is kleiner dan 6. X is groter dan 6. ❏

8,52 : 4

❏ is kleiner dan 2. X is groter dan 2. ❏

5 x 4,35

❏ is kleiner dan 20. X ligt tussen 20 en 25. ❏ ❏ is groter dan 25.

Groentekraam Het Vitamientje

Peter Selie koopt 2 kg appelen. Hoeveel betaalt hij?

Witje Loof koopt 1 tros bananen en 2 kroppen sla. Hoeveel betaalt ze?

Hij betaalt € 1,20. ............................................................

Ze betaalt € 1,35. ............................................................

Hoeveel krijgt hij terug van 5 euro?

Hoeveel krijgt ze terug van 10 euro?

Hij krijgt € 3,80 terug. ............................................................

Ze krijgt € 8,65 terug. ............................................................

Tom Maat gaat naar huis met 2 kg tomaten. Hoeveel heeft hij dan eigenlijk per kg betaald?

In een tros zitten 5 bananen. Hoeveel kost 1 banaan dan gemiddeld?

Hij heeft € 0,60/kg betaald. ............................................................

1 banaan kost gemiddeld € 0,15. ............................................................

Als je 4 kroppen sla koopt, hoeveel betaal je dan per krop?

Hoeveel kosten 2 trossen bananen?

Je betaalt € 0,25 per krop. ............................................................

2 trossen bananen kosten € 1,50. ............................................................

Rad IJs wil 5 kroppen sla. Hoeveel betaalt hij daarvoor?

Ban Aan wil 3 kg tomaten. Hoeveel betaalt hij daarvoor?

Hij betaalt daarvoor € 1,30. ............................................................

Hij betaalt daarvoor € 2,40. ............................................................

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 62

9/13/11 3:47:23 PM


LES 113

DE GETALLEN TOT 100 000 1

Getallendictee

18 430

2

77 777

100 000

24 363

68 025

Schrijf deze getallen.

8TD 7D 4H 2T 9E g 9TD 6E g

87 429 ..................

22 022 2TD 2D 2T 2E g ..................

90 006 ..................

4D 2H 5TD 8T g

40 300 4TD 3H g ..................

54 280 ...............

65 203 6TD 5D 3E 2H g ...............

40 907 9H 4TD 7E g ...............

4D 4T g

20 450 twintigduizend vierhonderdvijftig: ..................

17 700 zeventienduizend zevenhonderd: ...............

3

4 040 ...............

Spring je mee het water op? Kijk en tel verder met de juiste sprong!

+ 100

2 29 9 70 700 0

29 800 ............... ..

29 900 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

30 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

30 100 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

30 200 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

30... 300 .... .. ............... .... .... .... ... . ... ...

10 000 + ............

40 000 .... .. ............... .... ..... . .. .... .... ....

50 .... .. ............... .... ..... .... .000 .. .... .. .... ..

60 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

70 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

80 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

90 0 000 00

100 1 00 0 000 00

+ 10

43 39 960 60

970 ................ . 43 .. ............

43 980 ................ .... .. .... .... .... .... .... ..

43 990 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..

44 000 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..

44 010 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..

44 020 .... ............... .... .... .... .... ..... .... ..

100 + ............

66 68 800 00

66 6 6 90 9 900 00 0

67 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

67 100 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

67 200 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

67 300 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....

67 400 .... .. ............... .... .... .... .... ...... ...

4

Het park staat vol bloemen! Noteer de aantallen in de tabel. HD TD

D

H

T

E

...

1 ...

3 ...

4 ...

2 ...

0 ...

...

1 ...

0 ...

5 ...

6 ...

0 ...

...

1 ...

0 ...

6 ...

5 ...

0 ...

...

2 ...

5 ...

4 ...

5 ...

0 ...

Welke bloemen vind je er het minst?

Rangschik de aantallen van groot naar klein:

rozen .....................................

25 450 > ...............

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 63

13 420 ............... >

10 650 ............... >

10 560 ...............

63

9/13/11 3:47:24 PM


LES 113 5

DE GETALLEN TOT 100 000

Lees en vul in: < of >.

> 23 780 23 870 ...

< 91 102 90 800 ...

> 10 400 13 400 ...

> 12 550 15 250 ...

> 37 333 73 333 ...

> 10 099 10 909 ...

< 11 111 8 787 ...

< 54 545 45 454 ...

> 8 800 80 080 ...

6

Raak jij tot boven? +10

+1 000

+100

+10

92 400

33 800

56 200

92 390

32 800

56 100

92 380

31 800

56 000

92 370

30 800

55 900

92 360

29 800

55 800

92 350

28 800

55 700

meerdere oplossingen mogelijk

Kies zelf het startgetal.

7

Hoe vond ik de dag in het pretpark?

Noteer de getallen. Zoek ze op in de sleutel en schrijf de juiste letter in het laatste vakje van elke rij. FANTASTISCH Vorm met die letters een woord. Ik vond het .........................................! 6TD 4D 2H 3E

64 203 ........................

A g ...

De helft van 60 000 is

30 000 ........................

g ... F

Tussen 36 490 en 36 492 ligt

36 491 ........................

g ... N

1HD

100 000 ........................

g ... S

Net voor 100 000 komt

99 999 ........................

g ... T

5 keer 3 000 is

15 000 ........................

g ... A

10 000 minder dan 80 000 is

70 000 ........................

g ... H

Het dubbel van 25 000 is

50 000 ........................

g ... I

3TD + 8D + 2H =

38 200 ........................

g ... T

Net na 9 999 komt

10 000 ........................

g ... C

Precies in het midden tussen 44 440 en 44 450 ligt

44 445 ........................

g ... S

sleutel

64

15 000 - A

90 000 - K

64 023 - E

44 445 - S

79 000 - V

30 000 - F

100 000 - S

1 000 - D

38 200 - T

3 820 - O

44 500 - N

36 491 - N

10 000 - C

45 000 - M

70 000 - H

5 000 - K

99 999 - T

50 000 - I

64 203 - A

3 000 - U

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 64

9/13/11 3:47:56 PM


LES 114

DE GETALLEN TOT 100 000 1

Getallendictee 42 755 ..................

2 043 ..................

87 762 ..................

60 990 ..................

2

3

54 504 ..................

Leest de juf of meester het getal juist of fout?

13 804

g

❒ juist

X fout ❒

58 444

g

X juist ❒

❒ fout

10 000

g

❒ juist

X fout ❒

63 263

g

X juist ❒

❒ fout

45 014

g

❒ juist

X fout ❒

Splitsen en nog eens splitsen ...

4 7 + ...H 0 + ...T 9 + ...E 1 47 091 = ...TD + ...D

5 4 + ...H 6 + ...T 5 + ...E 3 54 653 = ...TD + ...D

3 0 + ...H 9 + ...T 0 + ...E 3 30 903 = ...TD + ...D

7 8 + ...H 1 + ...T 1 + ...E 3 78 113 = ...TD + ...D

1 2 + ...H 4 + ...T 6 + ...E 7 12 467 = ...TD + ...D

9 0 + ...H 0 + ...T 3 + ...E 8 90 038 = ...TD + ...D

64 801 6TD + 4D + 8H + 1E = ..................

100 000 1HD = ..................

20 630 6H + 2TD + 3T = ..................

10 305 3H + 5E + 1TD = ..................

40 090 4TD + 9T = ..................

40 444 4H + 4E + 4T + 4TD = ..................

4

Maak met de cijfers 3, 8, 2, 6 en 5 vier verschillende getallen.

Gebruik in elk getal elk cijfer juist 1 keer. meerdere oplossingen mogelijk 82 653 ..................

56 238 ..................

28 653 ..................

65 283 ..................

Rangschik die getallen van klein naar groot. 28 653 < ...............

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 65

56 238 65 283 ............... < ............... <

82 653 ...............

65

9/13/11 3:48:02 PM


LES 114 5

DE GETALLEN TOT 100 000

Zoek een getal dat past.

meerdere oplossingen mogelijk 23 000 23 987 > ..................

88 889 88 898 > ..................

83 521 83 520 < ..................

12 346 .................. < 12 347

74 500 .................. > 74 320

54 555 54 545 < ..................

6

+1

32 998

32 999 ...............

33 000 ...............

33 001 ...............

33 002 ...............

33 003 ...............

+ 10

29 960

29 970 ...............

29 980 ...............

29 990 ...............

30 000 ...............

30 010 ...............

+ 1 000

68 000

69 000 ...............

70 000 ...............

71 000 ...............

72 000 ...............

73 000 ...............

2 + ......

79 990

79 992

79 994 ...............

79 996 ...............

79 998 ...............

80 000 ...............

+ 100

49 700

49 800 ...............

49 900 ...............

50 000 ...............

50 100 ...............

50 200 ...............

7

66

Welke discipline wordt hier geoefend?

Vul deze getallenassen aan. Kijk en lees eerst goed!

79 700

79 800

79... 900

80... 000

80... 100

80... 200

80... 300

80... 400

80... 500

80... 600

12 070

12... 060

12... 050

12... 040

12... 030

12... 020

12... 010

12... 000

11... 990

11 980

17... 000

16... 000

15... 000

14 000

13 000

12... 000

11... 000

10... 000

9 000 ...

8 000 ...

23... 434

23... 435

23... 436

23... 437

23... 438

23... 439

23... 440

23... 441

23 442

23 443

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 66

9/13/11 3:48:04 PM


LES 115

HERHALING G 1

Vul aan.

0, 7, 14, 21, 28, 35 • alle veelvouden van 7 die kleiner zijn dan 40: …………………………………………………………………………………… 60, 90, 120, 150, 180, 210, 240 • alle veelvouden van 30 tussen 50 en 250: ………………………………………………………………………………………… 1, 3, 5, 15 • alle delers van 15: ……………………………………………………………………………………………………………………………

150, 200, 250, 300, 350, 400, 450 • alle veelvouden van 50 tussen 100 en 500: ………………………………………………………………………………………

2

Getallendictee 10 468 ..................

3

72 095 ..................

86 103 ..................

40 002 ..................

97 350 ..................

Lees en vul aan: < of >.

< 43 850 34 850 ...

< 20 250 20 205 ...

< 51 978 51 897 ...

< 55 505 5 505 ...

> 60 560 66 650 ...

> 56 565 65 656 ...

< 22 220 22 202 ...

> 26 622 62 266 ...

4

1a

Splitsen en nog eens splitsen ...

4 3 + ...H 7 + ...T 6 + ...E 9 43 769 = ...TD + ...D

7 6 + ...H 1 + ...T 0 + ...E 9 76 109 = ...TD + ...D

5 0 + ...H 8 + ...T 2 + ...E 7 50 827 = ...TD + ...D

1 6 + ...H 0 + ...T 0 + ...E 3 16 003 = ...TD + ...D

5

1a

Welk getal is het?

100 000 1HD = ...............

80 208 2H + 8E + 8TD = ...............

70 430 4H + 7TD + 3T = ...............

30 507 5H + 7E + 3TD = ...............

31 900 3TD + 1D + 9H = ...............

40 080 4TD + 8T = ..................

6

Tellen met sprongen +1

45 698

45 699 ...............

45 700 ...............

45 701 ...............

45 702 ...............

45 703 ...............

+ 10

52 980

52 990 ...............

53 000 ...............

53 010 ...............

53 020 ...............

53 030 ...............

– 1 000

23 000

22 000 ...............

21 000 ...............

20 000 ...............

19 000 ...............

18 000 ...............

+2

33 560

33 562 ...............

33 564 ...............

33 566 ...............

33 568 ...............

33 570 ...............

– 100

76 300

76 200 ...............

76 100 ...............

76 000 ...............

75 900 ...............

75 800 ...............

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 67

67

9/13/11 3:48:06 PM


LES 115 7

HERHALING

Vul de getallenassen aan.

34 300 .........

34 400 .........

34 500

34 600

34 700 .........

34 800 .........

34 900 .........

35 000 .........

35 100 .........

......... 13 706

......... 13 606

......... 13 506

13 406

......... 13 306

......... 13 206

13 106

......... 13 006

......... 12 906

8

Kleur de getallen die ...

• deelbaar zijn door 2:

34

56

122

143

148

98

33

45

12

21

• deelbaar zijn door 5:

60

55

78

75

90

57

43

20

35

22

B 1

13

Reken uit.

172,9 163,6 + 9,3 = .........

0,22 0,92 – 0,70 = .........

28,6 2 x 14,3 = .........

0,07 0,35 : 5 = .........

62,9 52,7 + 10,2 = .........

0,35 1 – 0,65 = .........

5,4 6 x 0,9 = .........

13,15 39,45 : 3 = .........

42,2 33,8 + 8,4 = .........

0,02 0,05 – 0,03 = .........

0,48 4 x 0,12 = .........

0,1 1 : 10 = .........

21,5 24,5 – 3 = .........

0,15 5 x 0,03 = .........

0,07 0,70 : 10 = .........

5 3,3 + 1,7 = .........

21,08 29,17 – 8,09 = .........

6,9 3 x 2,3 = .........

0,26 26 : 100 = .........

30 27,3 + 2,7 = .........

22,93 48,94 – 26,01 = .........

40,12 4 x 10,03 = .........

3,08 9,24 : 3 = .........

6,75 7,25 – 0,50 = .........

12,04 2 x 6,02 = .........

0,09 0,81 : 9 = .........

15 10 x 1,5 = .........

7,02 56,16 : 8 = .........

24,16 15,06 + 9,1 = .........

17,76 15,46 + 2,3 = ......... 1 0,75 + 0,25 = .........

2

1,88 2 – 0,12 = .........

, 13,14 15

Verbind de bewerkingen met de juiste uitkomst.

47 ,16 16 + 27 ,7 7 47,16 27,7

5 x 10 ,02 ,0 02 10,02

18 ,41 41 + 13 ,52 52 18,41 13,52

2x8 ,05 05 8,05

13 ,24 24 + 2 ,09 09 13,24 2,09

15,33

16,1

31,93

0,6

3x3 ,11 11 3,11

5,98 5 ,98 + 2 ,04 ,0 04 2,04

83,41

74,86

1,01

50,1

10 x 0 ,06 06 0,06

65 ,89 ,8 89 – 8,25 8,25 8, 65,89 89 ,80 ,8 80 – 6, 6 ,39 89,80 6,39 30 – 1 16, 6,33 6, 33 3 16,33 50 – 1 12 2,18 2,18 2, 12,18

13 ,66 66 : 2 13,66 8,02

6,83

9,33

12,5

13,67

57,64

37,82

5,33

10 ,1 1:1 10 0 10,1 15 ,99 ,9 99 : 3 15,99 25 : 2

68

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 68

9/13/11 3:48:08 PM


LES 115

HERHALING 3

17,18

Cijferen, cijferen, cijferen 706,01 725,05 – 19,04 = ............

41,76 700,52 – 658,76 = ............

730 – 20 = 710 ≈ ..........................................................

700 – 660 = 40 ≈ ..........................................................

7 ... – 7

1

15

2

5,

0

5

1

9,

0

4

0

6,

0

1

... –

6

9 10

9 10

14

12

7

0

0,

5

2

6

5

8,

7

6

4

1,

7

6

83,78 162,32 – 78,54 = ............

147,809 206 – 58,191 = ............ 210 – 60 = 150 ≈ ..........................................................

160 – 80 = 80 ≈ ..........................................................

1

9 10

15

9 10

9 10

10

0

15

11

12

12

2

0

6,

0

0

0

1

6

2,

3

2

5

8,

1

9

1

7

8,

5

4

4

7,

8

0

9

8

3,

7

8

... – 1

... –

25,448 4 x 6,362 = ..................

657,16 28 x 23,47 = ..................

4 x 6 = 24 ≈ ..........................................................

30 x 20 = 600 ≈ ..........................................................

6,

3

6

2

2

4

... x 2

5,

4

4

8

3,

... x 2

1

... +

4

7

2

8

1

1

1

1

8

7

7

6

5 3 2

4

6

9

4

0

1

6

5

7,

1

6

MMR 1

22

Vul in.

4 ton ......... 0 kg = ......... 4 ton 4 000 kg = ......

7 000 kg 7 ton = ............

5 ton ......... 200 kg = ......... 5,2 ton 5 200 kg = ......

400 kg = ............ 7 400 kg 7,4 ton = 7... ton .........

0 ton ......... 800 kg = ......... 0,8 ton 800 kg = ......

500 kg = ............ 6 500 kg 6,5 ton = 6... ton .........

2

22

Reken uit en antwoord met een zin.

Ilse heeft 1 ton hout voor haar kachel gekocht. Ze moet het zelf afhalen. Met haar aanhangwagen mag ze 200 kg vervoeren. Hoeveel keer moet ze rijden?

1 ton = 1 000 kg 1 000 : 200 = 5

Ze moet 5 keer rijden. .........................................................................................

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 69

69

9/13/11 3:48:12 PM


LES 115

HERHALING

Een minibus weegt ongeveer 1,6 ton. Er zitten 6 mensen in. Die wegen samen ongeveer 450 kg.

1,6 ton = 1 600 kg 1 600 + 450 = 2 050

Hoeveel ton weegt het busje met de passagiers ongeveer? Het busje met passagiers weegt ongeveer 2 ton. .........................................................................................

3

27,28

Vul in.

4

De omtrek van deze figuur is

De omtrek van deze figuur is

10 cm ..................

8 cm ..................

De oppervlakte van deze figuur is

De oppervlakte van deze figuur is

4.................. cm2

3 cm2 ..................

28

Vul in.

10 1 dm = ............... cm

800 8 dm2 = ............... cm2

1 50 dm2 = ............... cm2 2

100 1 dm2 = ............... cm2

1 20 dm2 = ............... cm2 5

1 500 15 dm2 = ............... cm2

2 200 cm2 = ............... dm2

3 75 dm2 = ............... cm2 4

1 cm2 =

1

van 1 dm2 100 …

MK 1

38

Vul in. cirkel Deze figuur is een ........................

A

middelpunt M is het ....................................... B M C

2

straal 1,5 cm of ......... 15 mm. [AM] is een ..................... en meet ......... diameter en meet ......... 3 cm of ......... 30 mm. [BC] is een .....................

38

Teken een cirkel ...

met straal 17 mm.

met dit lijnstuk als straal.

met straal 2 cm.

70

110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 70

9/13/11 3:48:14 PM


SPRONG

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 71

9/13/11 4:25:05 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN DELEN DOOR EEN NATUURLIJK GETAL

LES 118 1

We delen. Vergeet de komma in het quotiënt niet. Let erop dat je de rest juist afleest.

126,51 r ............ 0 632,55 : 5 = q ...............

131,8 0,1 527,3 : 4 = q ............... r ............

600 : 5 = 120 ≈ ......................................................................

500 : 4 = 125 ≈ ......................................................................

H 6 5 – 1 1 –

T E, t h 3 2, 5 5

5

H T E, t h 3 1 2 6, 5 1 0 3 2 3 0 – 2 5 2 5 – 0 5 5 – 0

H 5 4 – 1 1 –

T E, t h 2 7, 3 2 2 0 7 4 – 3 3 3 2 – 0, 1

4 H T E, t h 1 3 1, 8

1,708 0,001 5,125 : 3 = q ............... r ............

54,6 0 327,6 : 6 = q ............... r ............

6:3=2 ≈ ......................................................................

300 : 6 = 50 ≈ ......................................................................

5, 1 2 5 3 – 2 1 2 1 – 0 2 5 2 4 – 0, 0 0 1

3 1,708

3 2 7, 6 3 0 – 2 7 2 4 – 3 6 3 6 – 0

6 54,6

10,6 0,3 63,9 : 6 = q ............... r ............

0,169 0 0,845 : 5 = q ............... r ............

60 : 6 = 10 ≈ ......................................................................

1 : 5 = 0,2 ≈ ......................................................................

6 3, 9 6 – 0 3 9 3 6 – 0, 3

6 10,6

0, 8 4 5 5 – 3 4 3 0 – 4 5 4 5 – 0

5 0,169

72

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 72

9/13/11 4:25:06 PM


CIJFEREN: KOMMAGETALLEN DELEN DOOR EEN NATUURLIJK GETAL

LES 118

Het deeltal is 876,23. De deler is 6.

De deler is 3. Het deeltal is 6,078.

146,03 r ............ 0,05 q ...............

2,026 r ............ 0 q ...............

900 : 6 = 150 ≈ ......................................................................

6:3=2 ≈ ......................................................................

8 7 6, 2 3 6 – 2 7 2 4 – 3 6 3 6 – 0 2 3 1 8 – 0, 0 5

2

6 146,03

6, 0 7 8 6 – 0 0 7 6 – 1 8 1 8 – 0

3 2,026

Los op.

Ik kan 7 keer in 463,89. Welk getal ben ik? 66,27 ..................................................... 4 6 3, 8 9 4 2 – 4 3 4 2 – 1 8 1 4 – 4 9 4 9 – 0

7 66,27

Hierop let ik als het deeltal een kommagetal is:

We vliegen met 5 personen naar Rome en betalen 632,55 euro voor de tickets. 126,51 euro Hoeveel kost 1 ticket? ............................................ 6 3 2, 5 5 5 – 1 3 1 0 – 3 2 3 0 – 2 5 2 5 – 0 5 5 – 0

5 126,51

We verdelen 476,82 euro eerlijk onder 4 vrienden. Hoeveel blijft er over? € 0,02 ....................................................…………………………

• Ik plaats de komma in het quotiënt als ik die tegenkom in het deeltal ……...........................................................……… bij het aflezen • Ik kijk goed ................................... van de rest ...............................................

4 7 6, 8 2 4 – 0 7 4 – 3 6 3 6 – 0 8 8 – 0, 0 2

4 119,20

73

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 73

9/13/11 4:25:12 PM


CIJFEREN: DELEN TOT OP 0,001 NAUWKEURIG

LES 119 1

We delen. Vergeet de komma in het quotiënt niet. Let erop dat je de rest juist afleest. 9,92 r ............ 0 49,6 : 5 = q ............... (tot op 0,01)

0 36,55 : 2 = q 18,275 ............... r ............ (tot op 0,001)

50 : 5 = 10 ≈ ......................................................................

40 : 2 = 20 ≈ ......................................................................

T E,t h d 4 9, 6 0 4 5 – 4 6 4 5 – 1 0 1 0 – 0

T E,t h d 5 9,92

18,96 r ............ 0,01 (tot op 0,01) 56,89 : 3 = q ............... 60 : 3 = 20 ≈ ......................................................................

5 6, 8 3 – 2 6 2 4 – 2 8 2 7 – 1 1 – 0, 0

9

3 18,96

9 8 1

3 6, 5 5 0 2 – 1 6 1 6 – 0 5 4 – 1 5 1 4 – 1 0 1 0 – 0

2 18,275

Het deeltal is 6,5. De deler is 4. Deel tot de rest 0 is. 1,625 Het quotiënt is .......................... 6, 5 0 0 4 – 2 5 2 4 – 1 0 8 – 2 0 2 0 – 0

4 1,625

114,2 r ............ 0,6 (tot op 0,1) 800 : 7 = q ...............

181,75 r ............ 0 727 : 4 = q ............... (tot op 0,01)

700 : 7 = 100 ≈ ......................................................................

800 : 4 = 200 ≈ ......................................................................

8 0 0, 7 – 1 0 7 – 3 0 2 8 – 2 1 – 0,

74

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 74

0

0 4 6

7 114,2

Als ik niet verder kan delen, plaats nullen ik ................................ bij. Soms moet ik daarvoor eerst de komma plaatsen. ........................................

7 2 7, 0 0 4 – 3 2 3 2 – 0 7 4 – 3 0 2 8 – 2 0 2 0 – 0

4 181,75

9/13/11 4:25:15 PM


CIJFEREN: DELEN TOT OP 0,001 NAUWKEURIG 1,266 r ............ 0,004 (tot op 0,001) 7,6 : 6 = q ............... 6:6=1 ≈ ...................................................................... 7, 6 0 6 – 1 6 1 2 – 4 0 3 6 – 4 3 – 0, 0 0

2

0

6 1,266

0 6 4

LES 119

Het deeltal is 9. De deler is 4. Deel tot de rest 0 is. 2,25 Het quotiënt is .................. 9, 0 0 8 – 1 0 8 – 2 0 2 0 – 0

4 2,25

Los op. Reken netjes!

Vier vrienden volgen samen een synthesizerworkshop. In totaal betalen ze 135 euro inschrijvingsgeld. Hoeveel betalen ze elk?

Met een optreden verdienen ze 197 euro. Eén vijfde geven ze aan een goed doel. Hoeveel is dat?

Ze betalen elk € 33,75. ..............................................................................

Dat is € 39,40. ..............................................................................

1 3 5, 0 0 1 2 – 1 5 1 2 – 3 0 2 8 – 2 0 2 0 – 0

4 3 3, 7 5

Wat is de helft van 9 765? 4 882,5 ..........................................

9 7 6 5, 0 8 – 1 7 1 6 – 1 6 1 6 – 0 5 4 – 1 0 1 0 – 0

2 4 8 8 2, 5

1 9 7, 0 1 5 – 4 7 4 5 – 2 0 2 0 – 0

5 3 9, 4

Delen tot op 0,1 nauwkeurig 1 wil zeggen delen tot het quotiënt ...... cijfer na de komma bevat.

Delen tot op 0,01 nauwkeurig wil zeggen delen tot het 2 cijfers na de quotiënt ...... komma bevat.

Delen tot op 0,001 nauwkeurig wil zeggen delen tot het quotiënt 3 cijfers na de ...... komma bevat.

75

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 75

9/13/11 4:25:20 PM


LES 120

OPPERVLAKTE VAN EEN RECHTHOEK

1

Duid de omtrek aan met groen, de oppervlakte met rrood. ood oo d

2

Hoeveel flesjes zijn er?

24 flesjes. 6 rijen van 4 flesjes of ......

3

Bereken. Schrijf ook op hoe je het uitgerekend hebt.

5 x 8 = 40 aantal tegels: ...................................................

4

24 flesjes. 4 rijen van 6 flesjes of ......

3 x 10 = 30 aantal brikken: ...................................................

Bereken de oppervlakte van deze figuren.

Verdeel deze figuur eerst zelf in cm2. 33 cm2. De oppervlakte is ......

76

30 cm2. De oppervlakte is ......

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 76

9/13/11 4:25:24 PM


LES 120

OPPERVLAKTE VAN EEN RECHTHOEK

47 cm2. De oppervlakte is ......

5

Los deze raadsels samen met je buur op.

6 volledige tegels. Achter deze spiegel zitten ......

6

15 appels. In dit krat zitten ......

Teken en vul in.

Teken een rechthoek met een oppervlakte van 12 cm2 die anders is dan die van je buur.

of

of rechthoek van 1 cm x 12 cm

Teken een veelhoek met een oppervlakte van 10 cm2. Het mag geen rechthoek zijn! meerdere oplossingen mogelijk

Teken een rechthoek met als lengte 3 cm en als breedte 2 cm.

De oppervlakte is ................... 6 cm2

7

Kijk naar de foto van de tafel. Elke tegel heeft een oppervlakte van 1 dm2.

7 dm De breedte van de tafel is .................. 13 dm De lengte van de tafel is .................. 91 dm2 De oppervlakte van de tafel is .................. â‚Ź 182 Een tegel kost â‚Ź 2. Wat kosten alle tegels samen? ..................

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 77

77

9/13/11 4:25:35 PM


LES 121 1

0,7 =

2

Schrijf het kommagetal als een breuk. Let op: vereenvoudig de breuk zo ver mogelijk. 7 ... 10 ...

0,03 =

0,6 =

BREUKEN EN KOMMAGETALLEN

3 ... 100 ...

6 ... 3 ... = 10 5 ... ...

4 = 1 0,04 = ……………… 100 25

9 0,9 = ……………………… 10

5 = 1 0,5 = ……………… 10 2

3 0,003 = ……………………… 1 000 85 0,85 = ……………………… 100

5 0,005 = ……………… = 1 1 000 200 75 = 3 0,75 = ……………… 100 4

2 0,02 = ……………………… 100

250 = 1 0,250 = ……………… 1 000 4

20 0,20 = ……………………… 100

33 ... 0,33 = 100 ... 2 1 ... ... 0,002 = = 1 000 500 ... ...

Schrijf de breuk als een kommagetal.

Ik lees het kommagetal en ik weet de breuk! Soms kan ik dan nog vereenvoudigen ...

Ik lees de breuk en hoor het kommagetal! Zo doe ik het ... 18 = 18 honderdsten = 0,18 100

8 4 0,8 = 8 tienden = = 10 5

3

En nu iets moeilijker!

4 2 ... 04 = = ...,... 5 ...…… 10

25 5 ... 25 = = ...,... 2 ...…… 10

18 9 ... 0 18 = = ...,... 50 ...…… 100

35 7 ... 0 35 = = ...,... 20 ...…… 100

12 3 ... 0 12 = = ...,... 25 ...…… 100

15 3 ... 0 015 = = ...,... 200 1...…… 000

4

Ik zoek eerst een gelijkwaardige breuk met noemer 10, 100 of 1 000. 4 = 8 = 0,8 5 10

groe oen oe n wat het meest is en ro rood od d wat het minst is. Kleur in elke rij gr groen

Nu weet ik het! Breuken en kommagetallen zijn familie van elkaar!

3 kg 4 2 l 5

0,800 0,80 0, 800 80 0 kg

700 70 0 gram grram m

een kwart l

0 0, 0,200 200 20 0l

0,3 km

een ee n ha halv halve lve lv e km

1 km 4

250 2 0 me 25 m meter t r te

driekwart drie dr iekw ie kwar kw artt km ar

0,7 km

2,2 m 2,2

9 m 10 0

0,99 m

78

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 78

9/13/11 4:25:47 PM


LES 121

BREUKEN EN KOMMAGETALLEN 5

Kleur de paasklokken. Geef dan de eieren de kleur van de klok waar ze bij horen.

6 10 ROOD

0,25 BLAUW

0,40 0 40 0, 0 GROEN GR GROE ROE OEN N

2 25 GEEL GEEL

25 100

1 4

3 5

0,08 0,08

60h 40 100 1 0 10 2t 5h

6

2 5

6t

Zet de gegeven getallen op de juiste plaats op de getallenas. Verbind. 1 2

7 10

0,3

11 10

1 5

0

1 1 4

7 4

0,5

0

7

8 100 100

0,75

3 2

1

2

Teken zelf een getallenas en plaats er de volgende getallen op: 0 - 1 - 9 - 0,5 - 1 10 5

0

1 5

0,5

9 10

1

79

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 79

9/13/11 4:25:55 PM


LES 122 1

Vereenvoudig de breuken.

BREUKEN: HERHALING 2

Dit gaat al vlot! Vergeet je antwoord niet te vereenvoudigen!

8 4 = ......... 3 6

5 7 12 = 4 + = .................. 9 3 9 9

5 1 = ......... 6 30 21 3 = ......... 70 10 20 2 = ......... 50 5 5 1 = ......... 100 20

3

5 3 2 = 1 – = .................. 4 2 4 4

9 1 8 =1 – = .................. 8 8 8

1+

3 8 = .................. 5 5

3 2 5 = 1 + = .................. 10 10 10 2

1–

5 1 = .................. 6 6

3 5 8 =2 + = .................. 4 4 4

2+

1 5 = .................. 2 2

7 4 3 – = .................. 5 5 5

Breuken in de muziekschool

Welke instrumenten kiezen de leerlingen van muziekschool De Pupiter? a Welk deel van de kinderen speelt viool? Vereenvoudig de breuk als je kunt.

b Welk deel van de kinderen speelt gitaar? Vereenvoudig de breuk als je kunt.

1 ... van de kinderen 10 ...

1 ... van de kinderen 5 ...

c Welk deel van de kinderen bespeelt een blaasinstrument? Vereenvoudig de breuk als je kunt.

d De piano, de gitaar en de viool zijn snaarinstrumenten. Welk deel van de kinderen bespeelt een snaarinstrument? Vereenvoudig de breuk als je kunt. 1 ... van de kinderen 2 ...

1 ... van de kinderen 2 ... e In totaal zijn er 240 kinderen ingeschreven in de muziekschool. Hoeveel kinderen volgen viool?

f Hoeveel kinderen volgen dwarsfluit?

24 kinderen .........

72 kinderen .........

g De leerkracht van piano geeft elke week 1 uur les per groepje van 4 leerlingen. Hoeveel lesuren moet ze per week geven?

h Er is een optreden voor de ouders. In totaal 7 doet van de kinderen mee. Welk deel van 10 de kinderen doet niet mee?

48 : 4 = 12

80

12 lesuren .........

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 80

3 van de kinderen ... 10 ...

9/13/11 4:25:58 PM


LES 122

BREUKEN: HERHALING 4

Zet de juiste breuk bij het streepje. Gebruik je meetlat als dat nodig is.

1 3

0

1

0

1

7 10

2 = 1 4 2

0

5

3 4

1

Teken wat gevraagd wordt. Gebruik je meetlat!

Teken een getallenas met daarop de getallen 0 – 1 – 2 – 4 . 3 3 2 4 1 3 3 Teken een getallenas met daarop de getallen 0 – 1 – 0,2 – 9 – 1 . 10 2 0

0

0,2

1 2

1

9 10

Teken een getallenas met daarop 0 – 1 – 5 – 1 . 8 4 0

6

1 4

5 8

1

Zoek een passende breuk uit de saxofoon.

1 (of 1 of 1 ) Een stambreuk. ......... 2 7 3 1 Een breuk die gelijkwaardig is met de breuk 5 . ......... 2 10 1 Een stambreuk die kleiner is dan 1 . ......... 5 7 2 Een breuk die kleiner is dan 3 , maar dezelfde noemer heeft. ......... 7 7 3 Een breuk die groter is dan 1 geheel. ......... 2 3 Een breuk die kleiner is dan 3 , maar dezelfde teller heeft. ......... 9 7 10 Een breuk die gelijk is aan 1 geheel. ......... 10 2 Een breuk die gelijk is aan 0,20. ......... 10

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 81

2 100 2 10

10 12

1 2 3 9

1 3 10 10

1 7 3 2

5 7 2 7

81

9/13/11 4:26:00 PM


LES 123

82

1

Teken alle diagonalen in deze veelhoeken.

2

Teken de diagonalen en kruis aan wat past.

VIERHOEKEN - DIAGONALEN

vierkant Deze figuur is een .................................

ruit Deze figuur is een .................................

X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ X De diagonalen zijn even lang. ❏ ❏ X De diagonalen snijden elkaar middendoor.

X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏

trapezium Deze figuur is een .................................

trapezium Deze figuur is een .................................

❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.

❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. X De diagonalen zijn even lang. ❏ ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 82

9/13/11 4:26:01 PM


LES 123

VIERHOEKEN - DIAGONALEN 3

Welke vierhoek kan hier verborgen zitten? Schrijf alle mogelijkheden op.

Kies uit: vierhoek - trapezium - parallellogram - rechthoek - ruit - vierkant.

rechthoek ................................................

rechthoek ................................................

parallellogram ................................................

................................................

trapezium ................................................

trapezium ................................................

4

De diagonalen zijn al getekend. Teken jij de vierhoek?

vierkant Deze figuur is een .................................

parallellogram Deze figuur is een .................................

vierhoek Deze figuur is een .................................

rechthoek Deze figuur is een .................................

5

Teken wat gevraagd wordt.

Dit moet een parallellogram worden. Twee zijden staan er al.

Teken een rechthoek. De langste zijde staat er al.

meerdere oplossingen mogelijk

83

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 83

9/13/11 4:26:02 PM


CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING

LES 124 1

Optellen met kommagetallen gaat vlot! 819,80 391,83 + 427,97 = ............

124,35 35,7 + 88,65 = ...............

400 + ......... 400 = ......... 800 ≈ .........

40 + ......... 90 = ......... 130 ≈ .........

1

+

1

1

3

9

1,

8

3

4

2

7,

9

7

8

1

9,

8

0

+ 1

1

1

3

5,

7

0

8

8,

6

5

2

4,

3

5

3,428 + 7,38 = ............ 10,808

55 + 68,7 + 132 = ............ 255,7

3 + ......... 7 = ......... 10 ≈ .........

60 + 70 + 130 = 260 ≈ ...............................................................

1

+ 1

3,

4

2

7,

3

8

0,

8

0

8

1

1

1

3

2

5

5

6

8,

7

5

5,

7

8 + 2

2

En nu aftrekken! 24,39 39,06 – 14,67 = ............

84,65 253,45 – 168,8 = ............

40 – ......... 15 = ......... 25 ≈ .........

250 – ......... 170 = ......... 80 ≈ .........

8

9 10

16

1

14

12

14

3

9,

0

6

2

5

3,

4

5

1

4,

6

7

1

6

8,

8

0

8

4,

6

5

– 2

84

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 84

4,

3

9

194,95 477,7 – 282,75 = ............

768,97 777,77 – 8,8 = ............

480 – ......... 280 = ......... 200 ≈ .........

780 – ......... 10 = ......... 770 ≈ .........

3

17

6

16

10

4

7

7,

7

0

2

8

2,

7

5

7

6

16

17

7

7,

7

7

8,

8

0

8,

9

7

– 1

9

4,

9

5

7

6

9/13/11 4:26:03 PM


CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING 3

LES 124

En nu met maal! 1 529,44 4 x 382,36 = ..................

4,68 6 x 0,78 = ..................

4 x 400 = 1 600 ≈ ............................................................

6x1=6 ≈ ............................................................

3

8

2,

3

6

0,

4

x 1

5

2

9,

4

7

6

x

4

2

1

8

4,

3

6

8

4

4

84 35 x 2,4 = ..................

282,68 74 x 3,82 = ..................

35 x 2 = 70 ≈ ............................................................

70 x 4 = 280 ≈ ............................................................

2,

4

3

5

3,

x

x

+

1

2

0

2

7

2

0

1

8

4,

0

In het product staan evenveel cijfers na de komma als in het vermenigvuldigtal ....................................

4

8

2

7

4

1

1

5

2

8

3

2

6

7

4

0

1

2

8

2,

6

8

5

+

Had je een fout? Waaraan lag dat? • Maakte je een rekenfout? • Stond de komma verkeerd? • Was je de komma vergeten? • Had je de getallen niet goed geschikt? • ...

Delen

a Als je goed rekent, blijft hier geen rest over. 96,28 r ............ 0 385,12 : 4 = q ...............

175,115 r ............ 0 525,345 : 3 = q ...............

400 : 4 = 100 ≈ ......................................................................

600 : 3 = 200 ≈ ......................................................................

3 8 5, 1 2 3 6 – 2 5 2 4 – 1 1 8 – 3 2 3 2 – 0

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 85

4 96,28

Ik plaats de komma in het quotiënt als ik die tegen........................... kom in het ........................... deeltal ...........................

5 2 5, 3 4 5 3 – 2 2 2 1 – 1 5 1 5 – 0 3 3 – 0 4 3 – 1 5 1 5 – 0

3 175,115

85

9/13/11 4:26:04 PM


CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING

LES 124

b Reken uit tot je rest 0 hebt. Misschien moet je nullen bijplaatsen! 128,4 r ............ 0 642 : 5 = q ...............

5,725 r ............ 0 45,8 : 8 = q ...............

650 : 5 = 130 ≈ ......................................................................

48 : 8 = 6 ≈ ......................................................................

6 4 2, 0 5 – 1 4 1 0 – 4 2 4 0 – 2 0 2 0 – 0

5 128,4

4 5, 8 0 0 4 0 – 5 8 5 6 – 2 0 1 6 – 4 0 4 0 – 0

8 5,725

c Reken uit. Tussen de haakjes staat hoe ver je moet rekenen. 108,66 r ............ 0,02 (tot op 0,01) 326 : 3 = q ...............

102,571 r ............ 0,003 (tot op 0,001) 718 : 7 = q ...............

300 : 3 = 100 ≈ ......................................................................

700 : 7 = 100 ≈ ......................................................................

3 2 6, 0 0 3 – 0 2 6 2 4 – 2 0 1 8 – 2 0 1 8 – 2

3 108,66

7 1 8, 0 0 0 7 – 0 1 8 1 4 – 4 0 3 5 – 5 0 4 9 – 1 0 7 – 3

7 102,571

65,56 r ............ 0,02 (tot op 0,01) 524,5 : 8 = q ...............

58,666 r ............ 0,004 (tot op 0,001) 352 : 6 = q ...............

560 : 8 = 70 ≈ ......................................................................

360 : 6 = 60 ≈ ......................................................................

5 2 4, 5 0 4 8 – 4 4 4 0 – 4 5 4 0 – 5 0 4 8 – 2

86

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 86

8 65,56

3 5 2, 0 0 0 3 0 – 5 2 4 8 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4

6 58,666

9/13/11 4:26:08 PM


LES 125

DE MILLILITER 1

Vul in. 1 milliliter is de inhoud van een kleine vingerhoed. 1 000 milliliter of 1 l = ............ 1 000 ml 1 liter = ............ 1 000 vingerhoedjes in een brik van 1 l. Er gaan ............ 20 druppels van een 1 milliliter is ongeveer ...... druppelteller.

2

Schat eerst hoeveel erin kan. Meet daarna met een druppelteller of een kleine vingerhoed.

meerdere oplossingen mogelijk We schatten:

We meten:

een koffielepel

....................................................

....................................................

een eetlepel

....................................................

....................................................

het dopje van een vulpen

....................................................

....................................................

3

Schrijf met een breuk en een kommagetal. 1 ml =

5 • In een koffielepel kan ......... ml of 10 ml of • In een eetlepel kan .........

5 ......... 0,005 l. l of ............... 1 000

10 ......... 0,010 l. l of ............... 1 000

1 ml of • In een inktpatroon kan .........

4

1 l = 0,001 l 1 000

1 ......... 0,010 l. l of ............ 1 000

Vul in. 8 ......... 0,008 l l = ............ 1 000

700 ml =

700 ......... 0,700 l = ......... 0,7 l l = ............ 1 000

10 ml =

10 ......... 0,010 l = ......... 0,01l l = ............ 1 000

850 ml =

850 ......... 0,850 l = ......... 0,85 l l = ............ 1 000

20 ml =

20 ......... 0,020 l = ......... 0,02l l = ............ 1 000

999 ml =

999 ......... 0,999 l l = ............ 1 000

12 ml =

12 ......... 0,012 l l = ............ 1 000

99 ml =

99 ......... 0,099 l l = ............ 1 000

150 ml =

150 ......... 0,150 l = ......... 0,15 l l = ............ 1 000

100 ml =

100 ......... 0,100 l = ......... 0,1 l l = ............ 1 000

680 ml =

680 ......... 0,680 l = ......... 0,68 l l = ............ 1 000

125 ml =

125 ......... 0,125 l l = ............ 1 000

676 ml =

676 ......... 0,676 l l = ............ 1 000

8 ml =

87

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 87

9/13/11 4:26:13 PM


LES 125 5

DE MILLILITER

Wat is de inhoud van een blikje cola?

33 In een blikje cola kan ............... cl. Denk hieraan: 1 cl =

6

1 l = ............ 0,01 l. 100

Schrijf met een breuk en een kommagetal.

8 ...... 100 10 ...... 10 cl = 100 15 ...... 15 cl = 100 29 ...... 29 cl = 100 8 cl =

7

30 ...... 100 50 ...... 50 cl = 100 89 ...... 89 cl = 100 99 ...... 99 cl = 100

0,08 l l = .........

30 cl =

0,10 l = ......... 0,1 l l = ......... 0,15 l l = ......... 0,29 l l = .........

0,30 l = ......... 0,3 l l = ......... 0,50 l = ......... 0,5 l l = ......... 0,89 l l = ......... 0,99 l l = .........

Op een brikje melk staat 0,2 l. Hoeveel zit erin?

2 In het brikje melk kan ............... dl.

8

Denk hieraan: 1 dl =

1 0,1 l. l = ......... 10

Schrijf met een kommagetal.

0,2 2 dl = ............... l

0,8 8 dl = ............... l

0,7 l 7 dl = ...............

0,5 5 dl = ............... l

0,4 4 dl = ............... l

0,9 l 9 dl = ...............

9

Nu alles door elkaar! Schrijf met een kommagetal.

0,75 l 75 cl = ............

0,50 l 50 cl = ............

0,150 l 150 ml = ............

5 500 cl = ............ l

0,250 l 250 ml = ............

0,128 l 128 ml = ............

0,5 l 5 dl = ............

0,85 l 85 cl = ...............

10

Rangschik.

0,25 l 0,128 l ...............

11

200 ml <

200 ml ...............

8 dl <

0,25 l ...............

0,128 l <

60 cl ...............

60 cl <

8 dl ...............

Overleg met je buur. Heeft Piet gelijk?

Piet wil voor de verjaardag van opa een fles wijn kopen. Hij ziet twee flessen met een mooi etiket staan. Ze kosten allebei 8 euro. Ik neem de fles van 750 ml want daar zit het meest in, denkt Piet. Wat denken jullie? In beide flessen zit evenveel wijn:

88

75 cl = 750 ml ...............................................................................................

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 88

9/13/11 4:26:17 PM


LES 126

SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE 1

2

Welke paren zijn symmetrisch? Kruis aan.

❏ symmetrisch

X symmetrisch ❏

❏ symmetrisch

X niet symmetrisch ❏

❏ niet symmetrisch

X niet symmetrisch ❏

Teken de symmetrieassen van deze vlakke figuren.

(...)

89

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 89

9/13/11 4:26:23 PM


LES 126 3

SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE

Knipfiguren

Het grijze stuk wordt uitgeknipt en opengevouwen. Schets hoe de opengevouwen figuur eruit zal zien.

schets:

4

schets:

Kleur zo weinig mogelijk vakjes om de figuur symmetrisch te maken. Teken de symmetrieas in het groen.

Het kan met 1 vakje!

5

schets:

Het kan met 2 vakjes!

Schrijf hieronder alle letters van het alfabet die symmetrisch zijn. Maak dan een zo lang mogelijk woord met enkele van die letters.

Symmetrische letters: ABCDEHIKMOTUVWXY ........................................................................... ........................................................................... Dit woord heb ik gevonden: meerdere oplossingen mogelijk ...........................................................................

90

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 90

9/13/11 4:26:24 PM


HOOFDREKENEN: +, –, 1

X

EN : TOT 10 000

LES 127

Reken uit.

6 910 4 560 + 2 350 = ............................................................................................................................................ 7 520 8 750 – 1 230 = ............................................................................................................................................ 8 000 20 x 400 = ............................................................................................................................................ 3 750 3 x 1 250 = ............................................................................................................................................ 90 5 400 : 60 = ............................................................................................................................................ 802 4 812 : 6 = ............................................................................................................................................

2

Reken uit. Let op: het kan handig! 1 748 1 450 + 298 = ............................................................................................................................................ 4 560 19 x 240 = ............................................................................................................................................ 7 660 8 650 – 990 = ............................................................................................................................................ 1 410 1 298 + 112 = ............................................................................................................................................ 1 440 5 x 288 = ............................................................................................................................................ 290 1 450 : 5 = ............................................................................................................................................ 7 992 8 x 999 = ............................................................................................................................................ 655 2 620 : 4 = ............................................................................................................................................

3

4

Reken uit.

4 690 1 488 + 3 202 = ...................

999 1 045 – 46 = ...................

5 683 2 561 + 3 122 = ...................

9 510 5 430 + 4 080 = ...................

6 303 9 327 – 3 024 = ...................

8 228 7 312 + 916 = ...................

4 000 3 250 + 750 = ...................

7 990 8 250 – 260 = ...................

3 148 7 800 – 4 652 = ...................

1 117 1 028 + 89 = ...................

1 785 2 000 – 215 = ...................

4 182 9 392 – 5 210 = ...................

850 5 x 170 = ...................

312 1 248 : 4 = ...................

1 563 3 x 521 = ...................

5 600 80 x 70 = ...................

1 104 6 624 : 6 = ...................

10 000 8 x 1 250 = ...................

7 230 6 x 1 205 = ...................

2 500 10 000 : 4 = ...................

3 407 6 814 : 2 = ...................

3 000 20 x 150 = ...................

50 3 500 : 70 = ...................

9 7 200 : 800 = ...................

Reken uit. Je kunt schakelen! 2 614 1 750 + 614 + 250 = ....................................

7 000 250 x 7 x 4 = ...................................................

4 220 3 620 + 560 + 40 = ....................................

2 400 8 x 150 x 2 = ...................................................

1 900 1 510 + 165 + 225 = ....................................

450 2 x 25 x 9 = ...................................................

4 640 3 815 + 780 + 45 = ....................................

3 400 17 x 50 x 4 = ...................................................

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 91

91

9/13/11 4:26:27 PM


LES 127 5

6

7

HOOFDREKENEN: +, –,

EN : TOT 10 000

Reken handig. 3 510 2 520 + 990 = ...................

2 510 3 500 – 990 = ...................

3 150 9 x 350 = ...................

4 667 4 568 + 99 = ...................

3 202 4 200 – 998 = ...................

513 19 x 27 = ...................

8 423 6 523 + 1 900 = ...................

735 2 635 – 1 900 = ...................

3 520 11 x 320 = ...................

7 768 7 570 + 198 = ...................

890 1 870 – 980 = ...................

2 340 260 x 9 = ...................

6 623 3 625 + 2 998 = ...................

2 649 5 647 – 2 998 = ...................

3 960 99 x 40 = ...................

6 601 5 602 + 999 = ...................

4 540 6 520 – 1 980 = ...................

1 064 19 x 56 = ...................

2 450 10 x 245 = ...................

1 320 5 x 264 = ...................

490 2 450 : 5 = ...................

5 800 58 x 100 = ...................

3 400 50 x 68 = ...................

76 3 800 : 50 = ...................

4 980 498 x 10 = ...................

1 080 216 x 5 = ...................

1 560 7 800 : 5 = ...................

3 400 100 x 34 = ...................

3 100 62 x 50 = ...................

124 6 200 : 50 = ...................

7 890 10 x 789 = ...................

1 180 236 x 5 = ...................

680 3 400 : 5 = ...................

2 700 27 x 100 = ...................

400 16 x 25 = ...................

94 4 700 : 50 = ...................

Dit kan makkelijk!

Vul in: = of ≠. Denk goed na. Misschien hoef je zelfs niet te rekenen! = 1 350 + 112 1 345 + 117 ...

3 002 – 58 ≠ ... 3 000 – 60

= 3 x 500 6 x 250 ...

= 2 700 : 2 50 x 27 ...

≠ 500 + 250 450 + 200 ...

= 5 000 – 150 5 020 – 170 ...

= 486 : 2 4 860 : 20 ...

8

X

= 28 x 4 2 800 : 25 ...

≠ 10 x 824 5 x 412 ...

4 200 : 20 ≠ ... 8 400 : 10

= 3 800 + 162 3 795 + 167 ...

= 50 x 21 25 x 42 ...

Let op de haakjes en de volgorde van de bewerkingen! 6 000 5 x 20 x 60 = .......................................

2 480 4 x (960 – 340) = .......................................

530 5 300 : 5 : 2 = .......................................

1 200 (4 800 : 8) x 2 = .......................................

2 150 7 800 – 5 600 – 50 = .......................................

2 520 1 320 + 3 600 : 3 = .......................................

2 250 7 800 – (5 600 – 50) = .......................................

2 700 2 500 + 50 x 4 = .......................................

92

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 92

9/13/11 4:26:28 PM


LES 128

HERHALING G 1

9 0,9 = …………………………… 10 6 3 0,06 = …………………………… = 100 50 5 = 1 0,5 = …………………………… 10 2

2

3

42 21 0,42 = …………………………… = 100 50 8 1 0,008 = …………………………… = 1 000 125 5 1 0,05 = …………………………… = 100 20

8 = 4 0,8 = …………………………… 10 5 6 = 3 0,006 = …………………………… 1 000 500 25 = 1 0,25 = …………………………… 100 4 4b

Schrijf de breuk als een kommagetal.

7 = …………………………… 0,7 10

30 = 0,30 6 = …………………………… 100 20

4 = …………………………… 0,04 100

6 = …………………………… 0,006 1 000

16 = 0,16 4 = …………………………… 25 100

25 = 0,025 5 = …………………………… 200 1 000

65 = …………………………… 0,65 100

18 = 0,18 9 = …………………………… 50 100

50 = …………………………… 0,50 100

3d

Breuken in de muziekschool

a Welk deel van de leerlingen is volwassen? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 1 ... van de leerlingen. 8 ...

1e, 2e en 3e leerjaar

middelbaar onderwijs

4e, 5e en 6e leerjaar

volwassenen

b Welk deel van de leerlingen zit in de lagere school? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 5 ... van de leerlingen. 8 ...

c Er zijn 20 volwassenen ingeschreven. Hoeveel leerlingen zijn er dan in totaal? Tip: kijk naar je antwoord op vraag a! 160 leerlingen. .........

4

3d,4b

Schrijf het kommagetal als een breuk en vereenvoudig die zo ver mogelijk.

d Hoeveel leerlingen zitten in het middelbaar onderwijs?

40 leerlingen. .........

3d

Vereenvoudig de breuken.

5 10 = ……………… 4 2

3 30 = ……………… 50 5

1 4 = ……………… 100 25

44 = 11 ……………… 80 20

2 8 = ……………… 100 25

1 6 = ……………… 90 15

1 8 = ……………… 40 5

1 40 = ……………… 200 5

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 93

93

9/13/11 4:26:29 PM


LES 128 5

HERHALING 3f

Zet de breuken in de juiste volgorde.

1 5

1 9

1 2

4 9

4 3

4 10

1 8

5 8

3 8

1 < ......... 1 < ......... 1 ......... 9 5 2 3 2 6 5 5 5

4 > ......... 4 > ......... 4 ......... 3 9 10 1 4 5 6 6 6

1 < ......... 3 < ......... 5 ......... 8 8 8 3 3 3 10 6 9

2 < ......... 3 < ......... 6 ......... 5 5 5

5 > ......... 4 > ......... 1 ......... 6 6 6

3 > ......... 3 > ......... 3 ......... 6 9 10

B 1

4 3 7 =1 + = ..................... 7 7 7 5 = 1 7 2 – = ..................... 2 10 10 10 5 29 4 + = ..................... 6 6

2

3

1 11 = ..................... 4 4 2 3 5 + = ..................... 9 9 9 2 =1 5 3 – = ..................... 12 6 12 12

7 5 12 = 6 + = ..................... 10 10 10 5 7 27 2+ = ..................... 10 10 4 =1 9 5 – = ..................... 4 4 4

3–

7, 8 10,11 ,

Reken uit. 4 577 2 579 + 1 998 = .....................

4 098 4 178 – 80 = .....................

9 600 5 180 + 4 420 = .....................

5 280 3 190 + 2 090 = .....................

7 302 8 573 – 1 271 = .....................

6 685 7 684 – 999 = .....................

920 4 x 230 = .....................

615 2 460 : 4 = .....................

3 455 5 x 691 = .....................

5 400 60 x 90 = .....................

1 410 7 050 : 5 = .....................

806 6 448 : 8 = ..................... 16,17 18,19 ,

Cijferen maar! 394,678 + 375,86 = ............... 770,538

5 421,05 – 873,452 = ............... 4 547,598

400 + 400 = 800 ≈ ...........................................................

5 400 – 900 = 4 500 ≈ ...........................................................

+

1

1

1

1

3

9

4,

6

7

3

7

5,

8

6

7

7

0,

5

3

8

4

13

11

10

9 10

14

10

5

4

2

1,

0

5

0

8

7

3,

4

5

2

5

4

7,

5

9

8

– 8

4

293,26 4 x 73,315 = ......................

2 841,48 36 x 78,93 = ......................

4 x 70 = 280 ≈ ...........................................................

40 x 80 = 3 200 ≈ ...........................................................

7 x

12

Reken uit. Vergeet niet te vereenvoudigen als het kan.

3,

3

1

5

7 x

4 2

9

94

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 94

3,

2

6

0

8,

2

1

1

+

2 2

1

1

1

4 3 8

7 6 4

3 7 1,

9 3

3 6

5 9 4

8 0 8

1 2

5 5 2

9/13/11 4:26:30 PM


LES 128

HERHALING 7,162 r ............ 0 28,648 : 4 = q ...............

228,7 r ............ 0 1 372,2 : 6 = q ...............

28 : 4 = 7 ≈ ......................................................................

1 200 : 6 = 200 ≈ ......................................................................

2 8, 6 4 8 2 8 – 0 6 4 – 2 4 2 4 – 0 8 8 – 0

1 3 7 2, 2 1 2 – 1 7 1 2 – 5 2 4 8 – 4 2 4 2 – 0

4 7,162

6 228,7

96,6 0,4 (tot op 0,1) 580 : 6 = q ............... r ............

54,571 r ............ 0,003 (tot op 0,001) 382 : 7 = q ...............

600 : 6 = 100 ≈ ......................................................................

350 : 7 = 50 ≈ ......................................................................

5 8 0, 0 5 4 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4

6 96,6

Als ik niet verder kan delen, plaats ik ......................... bij. nullen Soms moet ik daarvoor eerst ................................ de komma ................................ plaatsen.

3 8 2, 0 0 0 3 5 – 3 2 2 8 – 4 0 3 5 – 5 0 4 9 – 1 0 7 – 3

7 54,571

MMR 1

28

Bereken de oppervlakte van deze figuren.

16 cm2 ......

18 cm2 ......

20 cm2 ...... 15 cm2 ......

95

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 95

9/13/11 4:26:32 PM


LES 128 2

HERHALING 21

Vul in.

4 l = ......... 0,004 l 4 ml = ...... 1 000

...... l = ......... 0,5 l 500 ml = 500 1 000

25 l = 0,025 25 ml = ...... ......... l 1 000

14 0,014 l 14 ml = ...... l = ......... 1 000

...... l = ......... 0,75 l 750 ml = 750 1 000

...... l = ......... 0,3 l 300 ml = 300 1 000

75 0,075 l 75 ml = ...... l = ......... 1 000

...... l = ......... 0,125 l 125 ml = 125 1 000

...... l = ......... 0,9 l 900 ml = 900 1 000

3

21

Schrijf met een kommagetal.

0,6 6 dl = ............ l

1,5 l 15 dl = ............

0,01 l 1 cl = ...............

0,25 l 25 cl = ...............

MK 1

34,36

Teken de diagonalen en kruis aan wat past.

trapezium Deze figuur is een ..............................

ruit Deze figuur is een ..............................

❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.

X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏

Deze figuur is een .............................. parallellogram

Deze figuur is een .............................. vierkant

❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏

X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ X De diagonalen zijn even lang. ❏ X De diagonalen snijden elkaar middendoor.

2

Teken alle symmetrieassen van deze vlakke figuren.

40

96

110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 96

9/13/11 4:26:37 PM