leerlijnen:
Eric De Witte Raf Lemmens Paul Nijs Hilde Van Iseghem Viv Vingerhoets
auteurs:
Mieke Depiere Stefanie Gerrits Ilse Gijsbrechts Eline Govaert Karel Hugelier Dirk Mortier Peter Vanbedts Koen Vandenberghe Hilde Van Iseghem
4
Correctiesleutel
Viv Vingerhoets
WERKSCHRIFT C
REKENSPRONG
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 1
9/13/11 3:22:03 PM
Rekensprong Plus 4 bestaat uit: - de werkschriften a, b, c en d - het toetsschrift - het neuze-neuzeboek (onthoudboek) - de map van Wibbel: deel 1: inoefenen, automatiseren en toepassingen deel 2: remediëren en verrijken - de handleidingen a en b (met administratieve en doelen-cd-rom) - een cd-rom voor in de klas - een bordboek plus
Rekensprong Plus 4 – werkschrift c – correctiesleutel leerlijnen: Eric De Witte, Raf Lemmens, Paul Nijs, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets auteurs: Mieke Depiere, Stefanie Gerrits, Ilse Gijsbrechts, Eline Govaert, Karel Hugelier, Dirk Mortier, Peter Vanbedts, Koen Vandenberghe, Hilde Van Iseghem, Viv Vingerhoets Tekeningen: Mario Boon, Ina Hallemans, Riske Lemmens Omslagontwerp: Greet Lesage Omslagillustratie: Riske Lemmens Lay-out en zetwerk: PX
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
© Van In, Wommelgem, 2011 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.
Eerste druk 2011 ISBN 978-90-306-6162-7 978-90-306-6159-7 D/2011/0078/7 D/2011/0078/474 Art. 540496/01 540489/01 NUR 192
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 2
9/13/11 3:22:11 PM
SPRONG
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 3
9/13/11 3:22:11 PM
LES 79 1
BREUKEN OP EEN GETALLENAS
Verbind de hokjes met de juiste plaats op de getallenas. 1 3
3 3
0
4 3
1 1 8
7 3
3
1 2
8 8
2
3 8
4 8
0
2
9 8
1
Vul de breuken aan die ontbreken. Soms kan het op twee manieren!
0
0
1 … 5 …
3 … 5 …
1 … 6 …
3 … 6 …
1 … 5 5 …
5 … 6 …
1
7 … 5 …
9 … 5 …
7 … 6 …
9 … 6 …
1 … 2 …
3
2 … 10 5 …
3 … 2 …
Breukensneeuwballen
Kleur de breuken roen ro en;; en groen; * kleiner dan 1 g 3 eel e; geel; * gelijk aan 1 ge 3 b n. * groter dan 1 bruin. 3
Kleur de breuken 1 4
1 2 10 0 30 0 2 6
1 8
2 3
2 6
Kleur de breuken * kleiner dan 2 groen; 7 2 * gelijk aan geel; 7 * groter dan 2 bruin. 7
4
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 4
* kleiner dan 4 groen; 5 4 * gelijk aan geel; 5 * groter dan 4 bruin. 5
1 5
3 5 7 5
5 5
8 10
1 5
3 10
Kleur de breuken
4 14 4 2 10
20 0 70 0
* kleiner dan 3 groen; 5 3 * gelijk aan geel; 5 * groter dan 3 bruin. 5
6 10 0 6 5
3 4
9/13/11 3:22:16 PM
LES 79
BREUKEN OP EEN GETALLENAS 4
8 6
5
Vereenvoudig de breuken. Ga zo ver mogelijk.
4 = ............... 3
5 1 = ............... 4 20
13 1 = ............... 2 26
33 3 = ............... 11
32 8 = ............... 4
5 1 = ............... 5 25
50 5 = ............... 7 70
20 2 = ............... 3 30
4 1 = ............... 5 20
2 1 = ............... 50 100
Plaats de breuken op de juiste plaats op een van beide getallenassen. Je mag geen streepjes bijplaatsen. 1 - 1 - 6 - 9 - 10 - 3 4 2 7 4 7 2
10 7 9 4 2 1
6
3 2
Vul aan.
1 van 4
is ......... 25
1 van 2
is ......... 50
3 van 4
is ......... 75
1 van 5
is ......... 20
4 van 5
is ......... 80
1 van 20
is ......... 5
7
6 7
1
1 2 1 4 0
0
En nu zelf aan de slag met potlood en meetlat! 1 3 5 , en op. 2 4 4 1 3 2 4
meerdere oplossingen mogelijk
Teken een getallenas met 0, 1, 0
Teken een getallenas met 0, 1, 2 5
0
Teken een getallenas met 0, 1, 0
1 6
1 3
1
2 4 7 , en op. 5 5 5 4 5
5 4
1
7 5
1 1 en op. 3 6 1
5
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 5
9/13/11 3:22:27 PM
GELIJKNAMIGE BREUKEN OPTELLEN EN AFTREKKEN
LES 80 1
Maak de som of het verschil. Vereenvoudig de uitkomst als het kan.
2 3 5 + = ....................... 7 7 7
2 8 2 6 – = ....................... = 9 9 9 3
8 3 5 – = ....................... =1 5 5 5
5 2 7 =1 + = ....................... 7 7 7
1 7 5 2 – = ....................... = 6 6 6 3
3 6 3 3 + = .................. = 10 10 10 5
5 = 1 2 3 + = .................. 10 10 2 10
5 2 3 – = ....................... =1 3 3 3
1–
8 4 4 + = ....................... 5 5 5
1–
3 1 = ....................... 4 4
2 4 2 – = ....................... 5 5 5
2 6 5 1 + = ....................... = 9 9 3 9
1–
7 3 = .................... 10 10
3 15 7 8 + = .................. = 10 10 10 2
2
1 4 = ....................... 5 5
Reken uit. Noteer ook de bewerking.
2 van de puzzel. 5 1 Vandaag maakte ze nog eens . 5 3 Welk deel van de puzzel is al gemaakt? ...... van de puzzel. 5 2 van de puzzel. Welk deel moet ze nog maken? ...... 5 Gisteren maakte mama
De nieuwe cd van de Wibbelientjes is uit! Eergisteren werd
2 1 3 + = 5 5 5 1–
1 van de 8
3 2 = 5 5
1 2 3 6 3 + + = = 8 8 8 8 4
2 3 voorraad verkocht, gisteren en vandaag nog eens . 8 8 6 3 Welk deel van de voorraad is al verkocht? ( =) ...... van de voorraad. 8 4 1 van de voorraad. Welk deel van de voorraad is er nog over? (2 =) ...... 8 4 3 In onze school is van de kinderen lid van de Chiro. 8 1 van de leerlingen is lid van de scouts. 8 Welk deel van de kinderen gaat naar de Chiro of naar de scouts?
1–
3 1 = 4 4
3 1 4 1 + = = 8 8 8 2
1 van de kinderen. ...... 2
3
De breukenballentrommel
• Zoek 2 breuken waarvan de som 1 is. Kleur die e rood. 5 9
• Zoek 2 breuken waarvan de som 2 is. Kleur die g geel. eel. ee l. l.
8 3
1 8
1 • Zoek 2 breuken waarvan de som is. 2 Kleur die bruin.
4 3
1 • Zoek 2 breuken waarvan het verschil is. 2 Kleur die b blauw. la auw uw.
1 11
4 10 0
3 8
9 10 0 2 3
8 9
2 11 3 10
4 9
6
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 6
9/13/11 3:22:29 PM
GELIJKNAMIGE BREUKEN OPTELLEN EN AFTREKKEN 4
LES 80
Vul op de stippen de passende breuken aan.
1 … 8 …
0
10 … 6 …
3 … 8 …
7 … 6 …
5 … 3 …
5
1 van 2
is ......... 500
1 van 4
is ......... 250
1 van 8
is ......... 125
1 van 5
is ......... 200
1 van 10
is ......... 100
1 van 100
is ......... 10
1 van 200
is ......... 5
Wat kan op de plaats van de vlek staan? 1 8
<
2 5
>
3 7
>
3 5
<
3 5 4
3 2 10
<
3 8
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 7
3 … 6 …
6 … 6 …
1 … 2 …
1 2 7
8
1
10 … 8 …
8 … 8 …
5 … 4 …
1 … 6 …
1 1 en zijn 3 4
x stambreuken. ❏ ❏ gelijknamige breuken. ❏ gelijkwaardige breuken.
5 1 en zijn 20 4
❏ stambreuken. ❏ gelijknamige breuken. x gelijkwaardige breuken. ❏
2 6 en zijn 7 7
❏ stambreuken. x gelijknamige breuken. ❏ ❏ gelijkwaardige breuken.
Wie ben ik?
1 van mij neemt, heb je 9. 3 1 Als je van mij neemt, heb je 100. 10 2 Samen met ben ik 1. 3 1 Als je van mij neemt, heb je 20. 5 1 Ik ben meer dan 1. 4 1 Ik ben minder dan 1. 5 5 4 Ik ben het verschil van en . 6 6 Als je
meerdere oplossingen mogelijk
0
Al die woorden! Kruis aan wat past.
Ik ben een kwart van 100.
1 2 5 1 2 5
7 … 8 …
1
6
Vul aan.
7
5 … 8 …
25 ......... ......... 27 1......... 000 1 ......... 3 100 ......... 5 ......... 4 4 ......... 5 1 ......... 6
7
9/13/11 3:22:31 PM
LES 81 1
VIERHOEKEN: HET TRAPEZIUM
Zet een kruisje in de veelhoeken die je trapezium mag noemen. Overtrek de evenwijdige zijden met groen.
x x x x
2
Veelhoekenpuzzel
Kleur in deze volgorde:
1 vierkanten 2 rechthoeken 3 ruiten
blauw bla auw gee geel eel ee groen groe gr oe en
4 parallellogrammen 5 trapeziums
oranje x x x bruin
xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxxx
3
Waar of niet waar? Zet een kruisje in de juiste kolom. waar
De enige vierhoek met 4 rechte hoeken is een vierkant.
x
Een trapezium heeft 2 paar evenwijdige zijden.
x
Bij een parallellogram moeten de 4 zijden even lang zijn.
x
Bij een rechthoek zijn de overstaande zijden even lang.
8
niet waar
Er bestaat geen enkele vierhoek met 4 even lange zijden en 4 rechte hoeken.
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 8
x x
9/13/11 3:22:34 PM
LES 81
VIERHOEKEN: HET TRAPEZIUM 4
Wat krijg je na het openvouwen? Eerst nadenken, dan knippen!
1 cm m
2 cm
Ik voorspel: .................................
Ik voorspel: ...............................
Ik voorspel: .................................
vierkant Het is een ...................................
driehoek Het is een .................................
trapezium Het is een ...................................
Ik voorspel: .................................
Ik voorspel: ...............................
Ik voorspel: .................................
ruit Het is een ...................................
vierkant Het is een .................................
rechthoek Het is een ...................................
5
Teken met je geodriehoek.
Een vierkant waarvan dit een zijde is.
Een rechthoek waarvan de langste zijde op de stippellijn ligt.
meerdere oplossingen mogelijk
Een trapezium waarvan 2 zijden op de sstippellijnen tippellijnen liggen.
meerdere oplossingen mogelijk
Een parallellogram waarvan 2 zijden op de stippellijnen liggen en 4 cm lang zijn.
meerdere oplossingen mogelijk
9
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 9
9/13/11 3:22:39 PM
LES 82/83 1
3
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 2
Bekijk, lees en bespreek de getallen.
Getallendictee 2,9 a ....................
50,5 b ....................
8,4 c ....................
0,1 d ....................
304,8 e ....................
45,3 f ....................
89,2 g ....................
1,1 h ....................
Wat is er gekleurd?
Nu kan ik alles korter schrijven! 1 = 1 tiende = 1t = 0,1 10 2 gehelen 3 tienden = 2,3 ... 1 = ... 1 tiende = ...,... 0 1 10
4 ... 4 tienden = ...,... 0 4 = ... 10
... 8 = ... 8 tienden = ...,... 0 8 10
23 ... 23 tienden = ...,... 2 3 = ...... 10
4
Kleur het opgegeven deel.
5 10
0,7
5
3 tienden
Noteer in de tabel. a 456,5 – 84,3 – 0,8 2 398,7 – 362,9
b 3D 8H 5T 7E 3t g
D
2
D
H
T
3
8
5 8
E
,
t
7
,
3
4
,
6
H
T
E
,
t
4
5
6
,
5
9t g
0
,
9
8
4
,
3
3E 8t g
3
,
8
0
,
8
4H 8t 5T g
0
,
8
3
9
8
,
7
3
6
2
,
9
10
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 10
4E 6t 8T g
4
5
Noteer de getallen hierboven nu als kommagetal. kommagetal 3 857,3 .....................
84,6 .....................
0,9 .....................
3,8 .....................
450,8 .....................
9/13/11 3:22:42 PM
LES 82/83
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 6
Getallen splitsen
6 + ...T 7 + ...E 5 + ...t 3 675,3 = ...H
3H + 3T + 5E + 2t 335,2 = .....................................................
1 + ...H 8 + ...T 1 + ...E 6 + ...t 7 1 816,7 = ...D
8E + 7t 8,7 = .........................................................
7H + 1T + 6E + 1t 716,1 = ............................................
1H + 6E + 9t 106,9 = .....................................................
7
Stel de getallen weer samen. Let goed op de volgorde.
5D 7H 6T 9E 5t
5 769,5 g ...........................
4t 8E 4T
48,4 g ...........................
9D 3H 5t 6T
9 360,5 g ...........................
2H 4T 8E 1t
248,1 g ...........................
2D 5T 9H
2 950 g ...........................
8D 3t
8 000,3 g ...........................
8
Lees en vul in.
a = of ≠
b < of >
0,8 ...... = 8 10
5 tienden ...... ≠ 15 10
5,6 ...... < 6,5
4E 5t ...... < 45
0,3 ...... = 0 komma 3
2t 4E ...... ≠ 2,4
8 ...... < 0,9 10
7,6 ...... > 6,7
6 ...... ≠ 60 10
1,1 ...... = 11 tienden
3,9 ...... < 9 komma 3
2 ...... < 3 10 10
9
10
Vul de ontbrekende kommagetallen in op de getallenas. 7,1
7,2 ......
7,3 ......
7,4
7,5 ......
7,6 ......
7,7 ......
0,7 ......
0,8 ......
0,9 ......
1,0 ......
1,1 ......
1,2
1,3
1,4 ......
2,3 ......
2,4
2,5 ......
2,6 ......
2,7
2,8 ......
2,9 ......
3,0 ......
Rara ... wie ben ik?
5,4 Je vindt mij tussen 5,3 en 5 gehelen 5 tienden. Ik ben ........................ 7 Je vindt mij precies in het midden tussen 6 komma 5 en 7 komma 5. Ik ben ........................ 4,4 Ik ben 2 tienden groter dan 4,2. Ik ben ........................ 9,1 Ik ben 8t kleiner dan 9,9. Ik ben ........................ 1,4 Ik kom net na 1,3. Ik ben ........................ 2,5 Ik sta precies in het midden tussen 2 en 3. Ik ben ........................ 6,9 Ik ben 1t kleiner dan 7. Ik ben ........................ 4,1 Ik ben 2t groter dan 3,9. Ik ben ........................
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 11
11
9/13/11 3:22:46 PM
LES 84 1
SCHAAL
Soms wordt iets vergroot om het beter te kunnen zien ...
schaal 2/1
2
schaal 10/1
... soms verkleinen we iets omdat het in het echt te groot is.
modelbouw: schaal 1/300
3
modelbouw: schaal 1/20
Een mannetjeskruisspin op schaal afgebeeld
schaal 1/2
4
schaal 300/1
schaal 1/1
schaal 2/1
Wibbel heeft een plattegrond van zijn tuin getekend op schaal 1/200.
Beantwoord de vragen. Gebruik de tabel onderaan om te rekenen. a Hoe ver staan de 2 seringen in het echt van elkaar? 12 m .............................. b Van het hek loopt een paadje naar de vijver. 10 m Hoe lang is dat in het echt? .............................. c Hoe groot is de omtrek van de echte vijver? 8m .............................. d Rond het bloemenperk staat een haag. 20 m Hoe lang is die in totaal? ..............................
10 x 60 m = 600 m e Wibbel loopt elke dag 10 rondjes rond de tuin. x minder dan 1 km. Hij loopt ❒ meer dan ❒ juist ❒
op de plattegrond
12
in werkelijkheid
1 cm
6 cm
5 cm
4 cm
10 cm
30 cm
200 cm
12 m
10 m
8m
20 m
60 m
=2m
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 12
9/13/11 3:22:47 PM
CIJFEREN: ALLE BEWERKINGEN TOT 10 000 1
LES 85
Los op door te cijferen. Je kunt de cijferduivel verslaan als je 9 oefeningen juist hebt!
Heb je me verslagen? ❒ ja ❒ nee
8 750 7 863 + 887 = .........................
4 225 6 074 – 1 849 = .......................
2 602 4 070 – 1 468 = .......................
7 900 + 900 = 8 800 ≈ ............................................
6 100 – 1 800 = 4 300 ≈ ............................................
4 100 – 1 500 = 2 600 ≈ ............................................
5 10 6 14
3 10 6 10
6 0 7 4 1 8 4 9 – 4 2 2 5
4 0 7 0 1 4 6 8 – 2 6 0 2
1
1
1
7 8 6 3 8 8 7 + 8 7 5 0
7 747 2 118 + 5 629 = .......................
4 860 7 218 – 2 358 = .......................
3 624 5 865 – 2 241 = .......................
2 100 + 5 600 = 7 700 ≈ ............................................
7 200 – 2 400 = 4 800 ≈ ............................................
5 900 – 2 200 = 3 700 ≈ ............................................
1
6 11 11
2 1 1 8 5 6 2 9 + 7 7 4 7
7 2 1 8 2 3 5 8 – 4 8 6 0
5 8 6 5 2 2 4 1 – 3 6 2 4
8 120 5 x 1 624 = ............……...........
1 042 r 1... 5 211 : 5 = q .......….….....
580 3 480 : 6 = q ......……....... r 0...
5 x 1 600 = 8 000 ≈ ............................................
5 200 : 5 = 1 040 ≈ ............................................
3 600 : 6 = 600 ≈ ............................................
x
1 6 2 4 5 8 1 2 0
2 1 3
5 610 30 x 187 = .............................. 30 x 200 = 6 000 ≈ ............................................
x
1 8 7 3 0 5 6 1 0
30 x 300 = 9 000 ≈ ............................................ 3 1 6 2 6 1
1 8 9 6 6 3 2 0 + 8 2 1 6
3 4 8 0 6 3 0 5 8 0 – 4 8 4 8 – 0 0
2 2
8 216 26 x 316 = ..............................
x
5 2 1 1 5 5 1 0 4 2 – 0 2 1 2 0 – 1 1 1 0 – 1
3 1 1
9 881 241 x 41 = ..................... 200 x 40 = 8 000 ≈ ............................................ 2 4 4 x 2 4 9 6 4 + 9 8 8
1 1 1 0 1
1 407 r ...0 7 035 : 5 = q ............ 7 000 : 5 = 1 400 ≈ ............................................
– 1
–
7 0 3 5 5 5 1 4 0 7 2 0 2 0 0 3 5 3 5 – 0
13
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 13
9/13/11 3:22:57 PM
LES 85 2
CIJFEREN: ALLE BEWERKINGEN TOT 10 000
Los op door uit het hoofd te rekenen. Denk aan de handige rekenmethodes! 700 5 600 : 8 = ....................................................
5 560 3 562 + 1 998 = ....................................................
5 682 2 562 + 3 120 = ....................................................
3 500 50 x 70 = ....................................................
5 490 5 689 – 199 = ....................................................
2 006 6 018 : 3 = ....................................................
1 250 5 x 250 = ....................................................
3 690 30 x 123 = ....................................................
5 900 6 002 – 102 = ....................................................
20 1 000 : 50 = ....................................................
248 1 240 : 5 = ....................................................
4 300 50 x 86 = ....................................................
2 000 8 x 250 = ....................................................
3 453 2 995 + 458 = ....................................................
4 600 23 x 200 = ....................................................
7 978 8 015 – 37 = ....................................................
2 444 2 196 + 248 = ....................................................
1 012 4 048 : 4 = ....................................................
6 030 9 x 670 = ....................................................
2 490 3 070 – 580 = ....................................................
3
Kies zelf: hoofdrekenen of cijferen.
Noteer je bewerking rechts en antwoord met een zin. a Op het strand van Cijferkerke worden er na de feestdagen 1 280 kerstbomen verbrand. Die werden opgehaald in 4 deelgemeentes. Hoeveel kerstbomen zijn dat gemiddeld per deelgemeente?
1 280 : 4 = 320
Dat zijn gemiddeld 320 kerstbomen per deelgemeente. .................................................................................................... b 836 inwoners van die 4 deelgemeentes komen kijken. In totaal wonen 1 312 toeschouwers de boomverbranding bij. Hoeveel mensen uit andere gemeentes zijn naar Cijferkerke afgezakt?
0
12
10
12
1
3
1
2
8
3
6
4
7
6
6 1
8 4
7 8 5
2 0 2
–
Er zijn 476 mensen uit andere gemeentes naar Cijferkerke afgezakt. .................................................................................................... c Tijdens het feest dat op de verbranding volgt, worden 14 ketels warme chocolademelk uitgeschonken. Uit 1 ketel kun je 68 bekers schenken. Hoeveel bekers chocolademelk worden er geschonken? Er worden 952 bekers chocolademelk geschonken. ....................................................................................................
x
1
2 6 + 9
3 2
d Er worden ook stukken warme appeltaart verkocht. De appeltaarten worden telkens in 10 stukken gesneden. Er worden 398 stukken verkocht. Eén stuk taart kost 2 euro. Hoeveel brengt de verkoop op?
398 x 2 = 796
De verkoop brengt 796 euro op. .................................................................................................... Hoeveel taarten worden er versneden?
14
Er worden 40 taarten versneden. ....................................................................................................
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 14
9/13/11 3:23:00 PM
LES 86
HET BEGRIP ‘OPPERVLAKTE’ 1
Is deze uitspraak waar of niet waar? Bespreek.
Bijna 3/4 van het wereldoppervlak is bedekt met water. Eigenlijk Eigenlijk zou de aarde aarrde geen ‘aarde’ moeten heten, m maar m ‘water’!
2
Uit de krant
Omelet op de snelweg BRUSSEL - Gisteren gebeurde er op de E19 naar Brussel een vreemd ongeval. Een vrachtwagenbestuurder verloor er de controle over het stuur. De vrachtwagen, die geladen was met verse eieren, botste tegen de vangrails en kantelde. Door de klap kwam de hele lading op het wegdek terecht! “Het oppervlak van de snelweg zag eruit als een reusachtige omelet,” verklaarde een automobilist onthutst.
3
Kleu Kl Kleur eurr de oppervlakte van deze figuren. eu
Zet een kruisje (x) in de figuur die volgens jou de grootste oppervlakte heeft en een bolletje (●) in de figuur die volgens jou de kleinste oppervlakte heeft.
X ò
4
Teken zelf een vlakke figuur.
5
Puzzelen met het tangram
Duid daarop de oppervlakte aan met blauw en de omtrek met groen. meerdere oplossingen mogelijk
Wat kun je zeggen over de vorm van deze figuren? ................................................................................. De vorm is verschillend. Wat kun je zeggen over hun oppervlakte? ................................................................................. De oppervlakte is gelijk.
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 15
15
9/13/11 3:23:00 PM
LES 87 1
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1
Lees deze getallen op verschillende manieren.
a 0,9 3 10
b
c 1 komma 5
2
d 3 gehelen 7 tienden
g 0 eenheden 4 tienden
e 6,4
h 0,1
f
i
8 tienden
12 10
Getallendictee
a
12,2 .......................
d
45,4 .......................
g
9 898,9 .......................
i
2,7 .......................
b
2,1 .......................
e
54,5 .......................
h
0,1 .......................
j
20,7 .......................
c
0,7 .......................
f
100,1 .......................
3
Rangschik de volgende getallen.
3,1 – 0,8 – 1,7 – 1,9 – 2,0
g
0,8 ........... <
1,7 ........... <
1,9 ........... <
2,0 ........... <
3,1 ...........
15,4 – 14,4 – 14,9 – 15,1 – 15,3
g
14,4 ........... <
14,9 ........... <
15,1 ........... <
15,3 ........... <
15,4 ...........
4
Vul de rij verder aan.
6,5
6,6
6,7
6,8 .........
6,9 .........
7,0 .........
7,1 .........
7,2 .........
2,5
2,7
2,9
3,1 .........
3,3 .........
3,5 .........
3,7 .........
3,9 .........
5,5
5
4,5
4 .........
3,5 .........
3 .........
2,5 .........
2 .........
3,1
3,4
3,7
4,0 .........
4,3 .........
4,6 .........
4,9 .........
5,2 .........
5
Kommagetallen op de getallenas
a Verbind de kommagetallen met de juiste plaats op de getallenassen. 0,4
1,9
2,0
1,2
0
1
88,3
16
88
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 16
0,8
88,0
89,1
90,1
2
89,9
89
90
9/13/11 3:23:30 PM
LES 87
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 b Noteer de kommagetallen die aangeduid zijn. 6
7
6,2 .........
6,7 .........
19
7,2 .........
7,4 .........
7,9 .........
20
19,1 .........
6
8
19,5 .........
21
20,1 .........
20,5 .........
21,0 .........
Lees goed en vul in.
Eén tiende meer dan 0,9
1 ...............
1,6 Eén tiende meer dan anderhalf ...............
Vijf tienden meer dan 99,5
100 ...............
Eén tiende minder dan 100
6 = ...,... 06 10
1,2 =
0,2 =
2 … 10 …
4 … 10 …
12 … 10 …
36 36 = ...,... 10
0,4 =
16,8 1T 6E 8t g ............
601,9 6H 1E 9t g ............
321,2 3H 2T 1E 2t g ............
90,6 9T 6t g ............
04 4t g ...,...
6,4 6E 4t g ............
7
Tussen welke 2 gehele getallen liggen deze kommagetallen?
99,9 ...............
5 05 = ...,... 10
8
Rond af naar een geheel getal.
Omkring het getal waar het kommagetal het dichtst bij ligt.
9
6 ......
<
6,2
<
7 ......
8,1
g
8 ......
1 ......
<
1,8
<
2 ......
5,3
g
5 ......
5 ......
<
5,4
<
6 ......
3,5
g
4 ......
6 ......
<
6,6
<
7 ......
7,9
g
8 ......
2 ......
<
2,7
<
3 ......
4,6
g
5 ......
Kleur de koortsthermometers.
Farida is ziek. Papa meet haar koorts ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. ’s Morgens heeft Farida nog 38,9° koorts. ’s Middags voelt ze zich al wat beter en heeft ze nog 38,3°. ’s Avonds heeft ze 38,6°. Ze blijft dus morgen beter nog een dagje thuis.
’s morgens
’s middags
’s avonds
17
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 17
9/13/11 3:23:31 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 OPTELLEN EN AFTREKKEN
LES 88 1
0,4 = 1 0,6 + .........
0,7 = 3 2,3 + .........
0,2 = 5 4,8 + .........
0,1 = 2 2,1 – .........
0,3 = 1 1,3 – .........
0,4 = 2 2,4 – .........
0,5 = 4 3,5 + .........
0,1 = 6 5,9 + .........
2
3
Wat zie je? Vul in.
1,4 1 + 0,4 = .........
0,9 0,6 + 0,3 = .........
1,2 1,7 – 0,5 = .........
0,6 0,8 – 0,2 = .........
1,6 0,6 + 1 = .........
0,8 0,5 + 0,3 = .........
1,2 1,5 – 0,3 = .........
0,2 1,4 – 1,2 = .........
Rekenen maar!
2,4 2 + 0,4 = .........
1,6 4,6 – 3 = .........
0,7 0,3 + 0,4 = .........
17,7 17,9 – 0,2 = .........
2,7 2,3 + 0,4 = .........
4,4 4,6 – 0,2 = .........
0,8 6,8 – 6 = .........
13,8 5,4 + 8,4 = .........
5,7 2,3 + 3,4 = .........
1,4 4,6 – 3,2 = .........
7 15,4 – 8,4 = .........
6 8,3 – 2,3 = .........
12,7 9,3 + 3,4 = .........
8,4 11,6 – 3,2 = .........
7,8 5,7 + 2,1 = .........
9,9 7,2 + 2,7 = .........
4
Nu wordt het wat moeilijker ...
6 5,4 + 0,6 = .........
4,9 5 – 0,1 = .........
3 2,5 + 0,5 = .........
6,2 5,4 + 0,8 = .........
4,9 5,3 – 0,4 = .........
7,4 3,6 + 3,8 = .........
8,2 5,4 + 2,8 = .........
2,9 5,3 – 2,4 = .........
0,5 4,4 – 3,9 = .........
1,6 0,9 + 0,7 = .........
5,5 6,2 – 0,7 = .........
0,7 3,5 – 2,8 = .........
0,1 1 – 0,9 = .........
4,6 3 + 1,6 = .........
2,8 3 – 0,2 = .........
2,6 0,8 + 1,8 = .........
5,4 6 – 0,6 = .........
9,2 6,5 + 2,7 = .........
0,7 3,1 – 2,4 = .........
6,9 5,2 + 1,7 = .........
3,4 5 – 1,6 = .........
3 2,5 + 0,5 = .........
2 4,1 – 2,1 = .........
0,8 1,2 – 0,4 = .........
4,2 9,8 – 5,6 = .........
0,5 4,4 – 3,9 = .........
4,1 2,2 + 1,9 = .........
5
18
Vul in.
Reken uit.
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 18
9/13/11 3:23:36 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 OPTELLEN EN AFTREKKEN 6
LES 88
Vul de roosters in.
+
0,3
2,6
3,4
0,5
–
1
2,6
3,9
0,7
2
2,3
4,6
5,4
2,5
4,5
3,5
1,9
0,6
3,8
3,1
3,4
5,7
6,5
3,6
6,9
5,9
4,3
3
6,2
0,6
0,9
3,2
4
1,1
5,8
4,8
3,2
1,9
5,1
5,8
6,1
8,4
9,2
6,3
9,4
8,4
6,8
5,5
8,7
7
Verbind telkens een getal links met een getal rechts ... a zodat hun som 1 is.
b zodat hun verschil 1 is.
0,1
0,7
2,6
7,7
0,3
0,8
1,4
4,2
0,5
0,9
8,7
0,4
0,6
0,4
5,2
1,6
0,2
0,5
4,3
3,3
8
Reken uit. Het kan handig!
1,5 + 3,1 + 0,5 = 2 + 3,1 = 5,1 6,2 – 4 – 1,2 = 5 – 4 = 1
5,5 3,4 + 0,5 + 1,6 = .................................
7,7 6,8 + 0,9 = .................................
2,8 4,5 – 1,5 – 0,2 = .................................
12,4 0,2 + 3,4 + 8,8 = .................................
1,1 5 – 3,9 = .................................
0,8 5,5 – 1,2 – 3,5 = .................................
13 6,1 + 4 + 2,9 = .................................
17 6,5 + 4 + 6,5 = .................................
10 + 4 = 14 3,3 + 1,1 + 6,7 + 2,9 = .................................
5,7 1,7 + 3,7 + 0,3 = .................................
9
Vul juist in.
0,7 = 1 0,3 + .........
2,4 = 13,2 15,6 – .........
2,6 = 3,6 1 + .........
1,4 = 2 0,6 + .........
2 = 7,4 5,4 + .........
1,1 = 8,3 7,2 + .........
0,3 = 5 5,3 – .........
5 = 5,2 10,2 – .........
2,9 = 10,6 13,5 – .........
0,6 = 0,2 0,8 – .........
0,8 = 4,4 3,6 + .........
2,2 = 4,8 2 + 0,6 + .........
1,4 = 4 2,6 + .........
0,7 = 11,6 12,3 – .........
0,4 = 5 4,6 + .........
10
Kijk en maak een rekenvraag. meerdere ............................................ oplossingen ............................................ mogelijk .............................................
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 19
19
9/13/11 3:23:37 PM
LES 89
HERHALING
G 1
1 5
2 5
4 5
5 5
0 1 2
4 4
1
3 2
1 … 6 …
2
3
4 … 6 …
2 … 4 …
0
3e
3 … 4 …
5 … 6 …
6 … 6 …
6 … 4 …
1
9 … 6 …
1
2 8 … 4 …
Getallendictee
0,7 .....................
4
1,9 .....................
6,2 .....................
80,5 .....................
16,1 .....................
Noteer de cijfers in de tabel en schrijf dan het getal op. H
T
E
,
t
628,3 6H 2T 8E 3t g ............
6
2
8
,
3
9T 7t 8H
890,7 g ............
8
9
0
,
7
916,0 6E 1T 9H 0t g ............
8t 2E
2,8 g ............
2
,
8
5T 8t
D
D
50,8 g ............
H
T
E
,
t
9
1
6
,
0
5
0
,
8
Getallen splitsen
7 + ...T 3 + ...E 4 + ...t 8 734,8 = ...H
1H + 9T + 8t 190,8 = ...........................
5H + 6E + 3t 506,3 = ..............................
2T + 6E + 7t 26,7 = ...........................
6
8 4
Schrijf de passende breuk op de stippen. Soms kan het op twee manieren.
0
5
10 5
2
2 4
0
2
7 5
1 1 4
20
3e
Verbind de breuken met de juiste plaats op de getallenas.
2H + 8T + 5E + 4t 285,4 = ........................... 7H + 2T + 7t 720,7 = ........................... 4e
Rangschik de volgende getallen.
0,9 1,4 4,1 1,7 0,5
g
0,5 ........... <
0,9 ........... <
1,4 ........... <
1,7 ........... <
4,1 ...........
12,3 13,2 13,4 14,3 11,2
g
11,2 < ...........
12,3 < ...........
13,2 ........... <
13,4 < ...........
14,3 ...........
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 20
9/13/11 3:23:39 PM
LES 89
HERHALING 7
4d
Vul de ontbrekende kommagetallen in op de getallenas.
12,2 ......
12,3 ......
12,4
12,5 ......
12,6
12,7 ......
12,8 ......
12,9 ......
13,0 ......
16,7 ......
16,8
16,9
17,0 ......
17,1 ......
17,2 ......
17,3 ......
17,4 ......
17,5 ......
8
9
Tussen welke 2 gehele getallen ligt het kommagetal? Omkring het getal waar het het dichtst bij ligt. 4f
Rond af naar een geheel getal.
4f
6 ......
<
6,8
<
7 ......
2,2
g
2 ......
1 ......
<
1,4
<
2 ......
9,5
g
10 ......
3 ......
<
3,9
<
4 ......
3,6
g
4 ......
B 1
5 4 1 + = ............... 7 7 7
2 7 5 – = ............... 9 9 9
8 2 6 = 2 – = ............... 9 9 9 3
4 2 6 2 + = ............... = 9 9 9 3
5 1 4 – = ............... =1 4 4 4
2 2 4 + = ............... 3 3 3
1–
2 6 8 4 + = ............... = 10 10 10 5 4 1 1 – = ............... 5 5
2
12
Maak de som of het verschil. Vereenvoudig de uitkomst als het kan.
1 1 = ............... 2 2
13
Maak de som of het verschil.
3,7 3 + 0,7 = .........
3,9 5,9 – 2 = .........
0,9 0,6 + 0,3 = .........
11,4 16,7 – 5,3 = .........
4,5 3,8 + 0,7 = .........
5,6 5,9 – 0,3 = .........
2,7 4,2 – 1,5 = .........
10 6,9 + 3,1 = .........
1 0,8 + 0,2 = .........
5,3 7,6 – 2,3 = .........
4,3 2,7 + 1,6 = .........
2 4,7 – 2,7 = .........
3,9 2,5 + 1,4 = .........
1,5 2,3 – 0,8 = .........
5 6,2 – 1,2 = .........
12,8 8,4 + 4,4 = .........
3
17,18, 19
Cijferen maar!
3 419 7 204 – 3 785 = .......................
9 288 24 x 387 = ...............................
1 079 r ... 5 6 479 : 6 = q ............
7 200 – 3 800 = 3 400 ≈ .............................................
20 x 400 = 8 000 ≈ .............................................
6 600 : 6 = 1 100 ≈ .............................................
9
3 8 7 2 4
6 11 10 14
7 2 0 4 3 7 8 5 – 3 4 1 9
x
1
1 5 4 8 7 7 4 0 + 9 2 8 8
2 3 1 1 1
6 4 7 9 6 6 1 0 7 9 – 0 4 7 4 2 – 5 9 5 4 – 5
21
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 21
9/13/11 3:23:40 PM
LES 89
HERHALING
MMR 1
29
De klas van juf Ann
Deze plattegrond is getekend op een schaal van 1/100. Beantwoord de vragen. Gebruik de tabel onderaan om te rekenen. Hoe ver staan de ramen in het echt van elkaar? 1m .................................... Vooraan in de klas hangt het bord. 3m Hoe breed is dat in het echt? ....................................
22 m Hoe groot is de echte omtrek van de klas? ........................................
op de plattegrond
1 cm
3 cm
22 cm
in werkelijkheid
1m
3m
22 m
= 100 cm
2
Duid de oppervlakte van deze figuren aan met g groen. roen ro en.. en
Zet een kruisje (x) in de figuur die volgens jou de grootste oppervlakte heeft en een bolletje (●) in de figuur die volgens jou de kleinste oppervlakte heeft.
●
X
MK 1
Veelhoekenschilderij
36
Kleur in deze volgorde: vierkanten blauw; bla lauw uw;; uw rechthoeken g geel; ge eel; ruiten groen; gro roen e en parallellogrammen oranje; X trapezia bru bruin. n
22
XX XXXX XXXXXXX X XXXXXXXX XXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXX XXXXXXXX XXXXX XXX
2
Teken met je lat en geodriehoek.
33,36
Teken een rechthoek. Eén zijde is al getekend. De langste zijde meet 5 cm.
X XX XXX XXX XXX XXX XX X
Teken een trapezium. Twee zijden moeten op de streepjeslijnen liggen.
meerdere oplossingen mogelijk
110170_01N RS+4_WSc_7_CS.indd 22
9/13/11 3:23:43 PM
SPRONG
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 23
9/13/11 3:36:35 PM
LES 92 1
BREUKEN (HERHALING)
Dit kun je al vlot!
3 van 100 is ......... 30 10 1 van 200 is ......... 50 4 8 van 36 is ......... 32 9 5 van 35 is ......... 25 7 1 van 81 is ......... 9 9
2
1 van 100 is ......... 2 50 3 van 60 is ......... 9 20 2 van 24 is ......... 16 3 2 van 30 is ......... 12 5 2 van 18 is ......... 4 9
Gelijkwaardige breuken
a Schrap de breuken die niet gelijkwaardig zijn met de breuk in het midden. 4 12 4 40
1 4
12 32
20 10 7 28
4 10
6 15
2 5
3 12
6 16
9 14 4
3 8 1 6
1 5 b Vereenvoudig zo ver mogelijk. 5 15 36 4 8 36 50 90 20 100
3
24
Vul aan.
35 45 9 3 26 30 8 6 75 100
1 = .................. 3 9 = .................. 2 = .................. 9 5 = .................. 9 1 = .................. 5
7 = .................. 9 3 = .................. 13 = .................. 15 4 = .................. 3 3 = .................. 4
meerdere oplossingen mogelijk
Zoek een stambreuk die groter is dan elk van de breuken op de ballen.
Zoek een breuk met noemer 8 die groter is dan elk van de breuken op de ballen.
Zoek een breuk met teller 5 die groter is dan elk van de breuken op de ballen.
1 ......... 3
11 ......... 8
5 ......... 2
Zoek een stambreuk die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.
Zoek een breuk met noemer 8 die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.
Zoek een breuk met teller 5 die kleiner is dan elk van de breuken op de ballen.
1 ......... 10
2 ......... 8
5 ......... 9
1 4
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 24
1 8
1 5
1 9
4 8
3 8
7 8
10 8
5 8
5 3
5 4
5 7
9/13/11 3:36:38 PM
LES 92
BREUKEN (HERHALING) 4
Zet de breuken en getallen op de juiste plaats op de getallenas. 7 13 1 – – –1–2 10 10 2
0
3 10
1 2
1–
0
1
7 10
5
5 6
1
8 6
3 2
Optellen en aftrekken, ook met breuken! Vergeet niet te vereenvoudigen waar het kan.
4 10 14 = 2 + = .................. 7 7 7 10 4 6 – = .................. 7 7 7 14 = 7 5 9 + = .................. 4 4 4 2 9 5 4 =1 – = .................. 4 4 4 2 3 1– = .................. 5 5
6
Ken je een breuk met noemer 6 die gelijkwaardig is aan 3 ? 2
5 8 3 – – 6 6 2
1 2
2
13 10
5 3 8 =1 + = .................. 8 8 8 2 = 1 5 3 – = .................. 4 8 8 8 5 10 15 = 3 + = .................. 2 10 10 10 5 5 1– = .................. = 1 10 10 2 7 4 3 =1 – = .................. 3 3 3
Een toemaatje voor de echte breukenkampioenen!
leeftijd
deel van de Belgische bevolking
0 - 19 jaar 20 - 39 jaar 40 - 59 jaar 60 - 79 jaar 80 of ouder
4 20 6 20 5 20 4 20 1 20
Ik tel mijn breuken!
Welk deel van de bevolking is 40 jaar of ouder? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 1 ............ van de bevolking is 40 jaar of ouder. 2 Welk deel is jonger dan 80 jaar? 19 van de bevolking is jonger dan 80 jaar. ............ 20 Waar of niet waar? Meer dan de helft van de bevolking is 60 jaar of ouder. ô waar ô X niet waar
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 25
25
9/13/11 3:36:41 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN
LES 93 1
30 5 x 6 = ......
56 7 x 8 = ......
42 7 x 6 = ......
7 28 : 4 = ......
7 70 : 10 = ......
9 36 : 4 = ......
21 3 x 7 = ......
9 3 x 3 = ......
54 6 x 9 = ......
5 40 : 8 = ......
8 16 : 2 = ......
2 18 : 9 = ......
32 8 x 4 = ......
20 5 x 4 = ......
0 8 x 0 = ......
8 64 : 8 = ......
9 27 : 3 = ......
5 5 : 1 = ......
50 10 x 5 = ......
81 9 x 9 = ......
48 6 x 8 = ......
10 20 : 2 = ......
0 0 : 10 = ......
9 45 : 5 = ......
2
Vul in.
a Zet om naar tienden.
b Schrijf als kommagetal.
1,6 = 16t
27t = 2,7
7t 0,7 = .........
15t 1,5 = .........
0,6 6t = .........
2,2 22t = .........
21t 2,1 = .........
34t 3,4 = .........
3,6 36t = .........
1,2 12t = .........
52t 5,2 = .........
1t 0,1 = .........
4,0 40t = .........
10,4 104t = .........
3
Reken uit.
0,8 2 x 0,4 = ....................................
2,5 5 x 0,5 = ....................................
0,5 5 x 0,1 = ....................................
3 10 x 0,3 = ....................................
2,8 4 x 0,7 = ....................................
4 8 x 0,5 = ....................................
0,6 3 x 0,2 = ....................................
5,4 6 x 0,9 = ....................................
0,9 3 x 0,3 = ....................................
5,6 8 x 0,7 = ....................................
4
Denk aan de maaltafels! 3 x 0,4 = 3 x 4t = 12t 2t = 1,2
Reken uit: splitsen en verdelen.
12 + 0,6 = 12,6 3 x 4,2 = (3 x 4) + (3 x 0,2) = .................................
5+1=6 5 x 1,2 = .............................................................
6 + 0,8 = 6,8 2 x 3,4 = ..............................................................
20 + 4 = 24 10 x 2,4 = ............................................................
4 + 1,2 = 5,2 4 x 1,3 = ..............................................................
6 + 1,4 = 7,4 2 x 3,7 = .............................................................
4+1=5 2 x 2,5 = ..............................................................
8 + 4 = 12 8 x 1,5 = .............................................................
7 + 3,5 = 10,5 7 x 1,5 = ..............................................................
10 + 1 = 11 2 x 5,5 = .............................................................
5
26
Ken je de tafels nog? Vul in.
Reken uit.
0,2 0,4 : 2 = ....................................
0,9 1,8 : 2 = ....................................
0,4 1,6 : 4 = ....................................
0,3 0,9 : 3 = ....................................
0,4 2,4 : 6 = ....................................
0,6 3,6 : 6 = ....................................
0,7 6,3 : 9 = ....................................
0,7 3,5 : 5 = ....................................
0,5 2,5 : 5 = ....................................
0,9 7,2 : 8 = ....................................
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 26
Denk aan de deeltafels! 1,2 : 4 = 12t : 4 = 3t = 0,3
9/13/11 3:36:44 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,1 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN 6
LES 93
Reken uit. Splits het deeltal.
1 + 0,2 = 1,2 3,6 : 3 = (3 : 3) + (0,6 : 3) = .......................................
2 + 0,1 = 2,1 8,4 : 4 = ...................................................................
2 + 0,4 = 2,4 4,8 : 2 = ...................................................................
3 + 0,2 = 3,2 9,6 : 3 = ...................................................................
3 + 0,1 = 3,1 6,2 : 2 = ...................................................................
2 + 0,2 = 2,2 6,6 : 3 = ...................................................................
1 + 0,1 = 1,1 5,5 : 5 = ...................................................................
3 + 0,2 = 3,2 6,4 : 2 = ...................................................................
1 + 0,3 = 1,3 2,6 : 2 = ...................................................................
1 + 0,1 = 1,1 7,7 : 7 = ...................................................................
7
Reken uit.
1 : 5 = 10t : 5 = 2t = 0,2
5 : 2 = (4 : 2) + (1 : 2) = 2 + 0,5 = 2,5
30t : 5 = 6t = 0,6 3 : 5 = ..........................................
: 2) + (1 : 2) = 4,5 9 : 2 = (8 ............................................
50t : 10 = 5t = 0,5 5 : 10 = ..........................................
: 2) + (1 : 2) = 1,5 3 : 2 = (2 ............................................
10t : 10 = 1t = 0,1 1 : 10 = ..........................................
: 5) + (2 : 5) = 1,4 7 : 5 = (5 ............................................
40t : 8 = 5t = 0,5 4 : 8 = ..........................................
: 5) + (3 : 5) = 1,6 8 : 5 = (5 ............................................
8
Ik zet het deeltal eerst om naar tienden of ik splits het.
Reken uit.
1 2 x 0,5 = ..................
0,2 0,4 : 2 = ..................
3,2 0,4 x 8 = ..................
0,4 0,8 : 2 = ..................
1,8 6 x 0,3 = ..................
0,4 1,6 : 4 = ..................
5,2 2 x 2,6 = ..................
0,8 3,2 : 4 = ..................
7,7 1,1 x 7 = ..................
0,7 5,6 : 8 = ..................
4,5 1,5 x 3 = ..................
1,8 3,6 : 2 = ..................
3 5 x 0,6 = ..................
1,1 6,6 : 6 = ..................
9,6 3 x 3,2 = ..................
0,6 4,2 : 7 = ..................
10 2,5 x 4 = ..................
1,2 2,4 : 2 = ..................
16,4 4 x 4,1 = ..................
2,1 10,5 : 5 = ..................
1 10 x 0,1 = ............
24 10 x 2,4 = ............
0,4 4 : 10 = ............
0,3 3 : 10 = ............
8 10 x 0,8 = ............
31 10 x 3,1 = ............
0,1 1 : 10 = ............
2,8 28 : 10 = ............
9
10
Reken uit.
Reken uit en antwoord.
We meten ons klaslokaal. De vloer is een mooi vierkant met als zijde 7,2 meter.
4 x 7,2 = 28,8
28,8 meter. Wat is de omtrek van de vloer? ............ In een flesje chocolademelk zit 0,2 liter. In een bak zitten 24 flesjes. Hoeveel liter chocolademelk
24 x 0,2 = 4,8
bevat een bak? 4,8 ............... liter.
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 27
27
9/13/11 3:36:46 PM
LES 94 1
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE
Wat staat hier geschreven?
ejtlegeips ,ejtlegeipS eiw ,dnaw ed naa ni tseb teh trefjic ?dnalnekeR
Spiegeltje, spiegeltje ........................................................................................... aan de wand, wie ........................................................................................... cijfert het best in ........................................................................................... Rekenland? ...........................................................................................
2
Welke vlinder kun je zo kleuren dat hij symmetrisch is? Doe dat! X
3
28
Zijn deze figuren symmetrisch? Kruis aan wat past.
X symmetrisch ❏
❏ symmetrisch
❏ symmetrisch
X symmetrisch ❏
❏ niet symmetrisch
X niet symmetrisch ❏
X niet symmetrisch ❏
❏ niet symmetrisch
X symmetrisch ❏
❏ symmetrisch
X symmetrisch ❏
❏ symmetrisch
❏ niet symmetrisch y
X niet symmetrisch ❏ y
❏ niet symmetrisch y
X niet sy ❏ symmetrisch ymmetrisch
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 28
9/13/11 3:36:47 PM
LES 94
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE 4
Teken alle symmetrieassen van deze letters.
5
Kruis aan wat in de spiegel te zien is.
X
6
Teken alle symmetrieassen. In elk vakje staat hoeveel dat er moeten zijn.
1
7
3
1
3
Kleur de vakjes zo dat de ďŹ guren aan beide kanten van de dikke lijn elkaars spiegelbeeld zijn.
29
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 29
9/13/11 3:36:51 PM
LES 95 1
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01
Getallendictee
7,04 a ..................
10,7 b ..................
36,66 c ..................
100,01 d ..................
9,98 e ..................
0,12 f ..................
0,03 g ..................
20,5 h ..................
2
Vul in en kleur.
20 0,20 = ......... 100
3
... 85 0,85 = ......... 100
34 0,34 = ......... 100
Noteer de cijfers in de tabel zoals in het voorbeeld. H
T
E
,
t
h
6
9
5
,
4
6
0
,
7
9
,
1
3
vijf honderdsten g
0
,
0
5
5h 2t g
0
,
2
5
D 695,46 g 0,7 g
5
5H 6T 9E 1t 3h g
7 tienden 8 honderdtallen g 1 010,01 g
1
6
8
0
0
,
7
0
1
0
,
0
1
0
,
2
4
8
,
4
9
2
,
7
6
vierentwintig honderdsten g 3
8E 3T 4t 9h g 276 honderdsten g
4 25,36
30
1 honderdste (h) 1 = 100 = 0,01
Wat is de waarde van het vetgedrukte cijfer? Noteer het telkens op 2 manieren.
g 2T of 20
2E of ......... 2 132,01 g .........
5
5 0,5 = ......... 10
11,01
1h of 0,01 g .........
96,45
6E of ......... 6 g .........
0,7
7t of ......... 0,7 g .........
4T of ......... 40 444,44 g .........
Verbind wat evenveel is.
0,75
75/100
0,26
0,06
70/100
1,75
6t
2,6
1t minder dan 2
0,7
6h
26/100
7h 5t
0,25
206h
2,06
25/100
1,90
6t 2h
0,6
1h meer dan 1,74
57/100
2 gehelen 6 tienden
0,62
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 30
9/13/11 3:36:58 PM
LES 95
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 6
Tel verder met sprongen. + 0,1 0,01 + ......... + 2t + 0,02 10,01 + .........
7
9,4
......... 9,5
......... 9,6
......... 9,7
......... 9,8
......... 9,9
......... 10
......... 10,1
1,08
1,09
......... 1,10
......... 1,11
......... 1,12
......... 1,13
......... 1,14
......... 1,15
0,6
......... 0,8
......... 1
......... 1,2
......... 1,4
......... 1,6
......... 1,8
......... 2
0
......... 0,02
......... 0,04
......... 0,06
......... 0,08
......... 0,10
......... 0,12
......... 0,14
33,26
43,27
......... 53,28
......... 63,29
......... 73,30
......... 83,31
......... 93,32
......... 103,33
Een wedstrijdje verspringen Rangschik de resultaten van klein naar groot. 1,06 ............ <
1,10 ............ <
1,6 ............ <
1,66 ............
Jef Wie wint er? ..........................................
Hoeveel cm was de winnende sprong? 166 .................. cm.
8
Vul in: <, > of =.
3,10
< ...
3,9
6,6
> ...
6 10
6E 2h 5t
= ...
6,52
75 100
< ...
7,5
25 100
= ...
0,25
3 10
= ...
0,30
0,08
< ...
8t
8h 6t
< ...
0,69
3,36
< ...
3,63
5,77
> ...
5,09
1,55
= ...
155 100
0,75
> ...
7h 5t
9
Vul de getallenassen aan.
0
0,1 .........
0,2 .........
0,3 .........
0,4 .........
0,5 .........
0,6
0,7 .........
0,8 .........
0,9 .........
1
0
0,01 .........
0,02 .........
0,03 .........
0,04 .........
0,05 .........
0,06 .........
0,07 .........
0,08
0,09 .........
0,1
5
5,01 .........
5,02
5,03 .........
5,04 .........
5,05 .........
5,06 .........
5,07 .........
5,08 .........
5,09 .........
5,1
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 31
31
9/13/11 3:37:01 PM
LES 96 1
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001
Kijk en bespreek. product
gewicht
prijs/kg
te betalen
gehakt
0,669 kg
€ 6,40
€ 4,28
tomaten
0,705 kg
€ 0,49
€ 0,35
wortelen
1,035 kg
€ 0,59
€ 0,61
paprika’s
0,610 kg
€ 1,99
€ 1,21 € 6,45
totaal
het gehakt € 6,40 Wat is het duurst? ........................................ Hoeveel kost 1 kilo gehakt? .................. € 6,45 Hoeveel moet ik in totaal betalen? ........................
2
Luister goed! Heeft de meester of juf het getal juist of fout gelezen?
565,45
1,212
23 100
5H 6T 8t 2h 3d
=
❒ juist
X juist ❒
X juist ❒
❒ juist
❒ X fout
❒ fout
❒ fout
❒ X fout
3
1 duizendste (d) 1 1 000
= 0,001
Getallendictee
5,87 a ..................
1 025,007 b ..................
0,008 c ..................
35,420 d ..................
3,871 e ..................
15,757 f ..................
5,157 g ..................
1,025 h ..................
4
Getallenassen
a Plaats 7,10 en 7,4 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.
7,10
7
7,2 .........
7,4
7,8 .........
8
b Plaats 7,26 en 7,24 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.
7,30
7,29 .........
7,26
7,24
7,21 .........
7,20
c Plaats 7,255 en 7,259 op de as. Schrijf het juiste getal onder de pijltjes.
7,25
7,251 .........
7,255
7,257 .........
7,259
7,26
d Plaats 7,17 en 7,24 op de as. Schrijf het juiste getal onder het pijltje.
32
7,25
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 32
7,24
7,20 .........
7,17
7,15
9/13/11 3:37:03 PM
LES 96
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 5
Schrijf het anders en bepaal de waarde van het vetgedrukte cijfer. 112 1 000
g
2d
8 = ............ 0,8 10
g
8t ......
867 0,867 = ............ 1 000
g
6h ......
1 0,001 = ............ 1 000
g
0E ......
99 = ............ 0,99 100
g
9h ......
19 0,19 = ............ 100
g
9h ......
349 0,349 = ......... 1 000
g
3t ......
466 = ............ 4,66 100
g
4E ......
0,112 =
6
Noteer in de tabel. D
E
,
t
h
d
1,765 g
1
,
7
6
5
30 honderdsten g
0
,
3
0
9
,
1
5
2
125 duizendsten g
0
,
1
2
5
8 gehelen 30 duizendsten g
8
,
0
3
0
7 1 000 g
0
,
0
0
7
0
,
5
0
8
3
3H 9E 1t 5h 2d g
3
8T 3H 5t 8d g
7
H
T
0
8
Kijk goed en vul dan aan met <, > of =.
> 0,505 0,520 ......
> 4,444 44,44 ......
< 0,320 0,302 ......
< 0,8 0,10 ......
< 1,110 1,011 ......
= 5,030 5,03 ......
> 0,386 3h 8t 6d ......
8 > ...... 0,01 10 < 866 8H 6d 5h ......
< 38,321 38,123 ......
5 < 0,500 ...... 1 000
8
> 6E 2h 3d 5t 6,532 ......
Waar tank je het goedkoopst?
€ 1,016
€ 1,116
€ 1,16
€ 11,166 ,166
1,166 1,16 1,116 1,016 Rangschik van duur naar goedkoop: ..................... > ..................... > ..................... > ..................... bij Fona Waar zal Sofie tanken? .............................................................
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 33
33
9/13/11 3:37:05 PM
LES 97 1
LENGTE: DE MILLIMETER 2
Lees dit krantenartikel.
1 millimeter (1 mm ......)
Kleinste visje ter wereld eindelijk gedoopt
meerdere oplossingen mogelijk 1 millimeter is ......................................................................... ........................................................................
Het was al in 1979 gevangen, maar pas gisteren heeft het kleinste visje ter wereld eindelijk een naam gekregen. De Stout Infantfish, zoals hij in het Engels heet, is zo klein dat je er een miljoen van nodig hebt om aan een kilo te komen. De mannetjes worden gemiddeld 7 millimeter lang en de vrouwtjes 8 millimeter. De visjes, die eruitzien als bleke wormpjes met ogen, komen alleen voor bij een eiland voor de Australische kust.
3
Vul in.
10 mm 1 cm = ......
1 mm =
1 … 0,1 cm cm = ...... 10 …
1 cm = ...... 5 mm 2 1 000 mm 1 m = ............
1 … 0,001 m m = ............ 1 000 …………
1 mm =
Meet de volgende lijnstukken tot op 1 mm nauwkeurig.
A
B
12 cm ......... 0 mm of ......... 120 mm. Het lijnstuk [AB] meet ......... C
D
3 cm ......... 4 mm of ......... 34 mm. Het lijnstuk [CD] meet .........
4
Bereken de omtrek van de volgende figuren tot op 1 mm nauwkeurig.
52 mm 35 mm
28 mm
25 mm
44 mm
28 mm 52 mm
35 + 25 + 44 = 104 ............................................................
52 + 28 + 52 + 28 = 160 ............................................................
............................................................
............................................................
De omtrek meet
34
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 34
of
104 mm ......... 10 cm ......... 4 mm. .........
160 mm De omtrek meet ......... 16 cm ......... 0 mm. of .........
9/13/11 3:37:06 PM
LES 97
LENGTE: DE MILLIMETER 5
Teken een lijnstuk met de gegeven lengte. (Kijk bij oef. 1)
het mannetje van de Stout Infantfish het vrouwtje van de Stout Infantfish 7 cm ...... 8 mm 78 mm of ......... 10 cm ...... 5 mm 105 mm of .........
6
Rangschik van kort naar lang.
15 cm
200 mm
98 cm
990 mm
8 dm
42 cm
108 cm
15 cm 200 mm < ……………… 42 cm 8 dm 98 cm 990 mm < ……………… 108 cm ……………… < ……………… < ……………… < ……………… < ………………
7
Vul in.
20 mm 2 cm = ............
8 3 cm 2 mm + ............ mm = 4 cm
1 000 mm 1 m = ............
50 mm 1 m = 95 cm + ............
10 mm 1 dm = 9 cm + ............
1 5 2 cm – 5 mm = ............ cm ............ mm
200 mm 2 dm = ............
16 mm = 4 cm 24 mm + ............
1 m = ............ 500 mm 2
39 cm ............ 5 41 cm – 15 mm = ......... mm
8
Vul in.
0 cm ............ 6 0,6 cm = ...... mm
10 cm ............ 5 10,5 cm = ...... mm
1 cm ............ 2 1,2 cm = ...... mm
3 cm ............ 8 3,8 cm = ...... mm
4,3 cm 4 cm 3 mm = ............
5,1 cm 5 cm 1 mm = ............
0,7 cm 7 mm = ............
2,9 cm 2 cm 9 mm = ............
9
Bespreek met je buur.
Gedurende het afgelopen jaar groeide Pietje De Molenaar 1 mm per dag. Dat is
❒ mogelijk
10
Goed om te weten!
X onmogelijk. ❒
• Bij een mens duurt de zwangerschap 9 maanden. • Na de eerste maand is de toekomstige baby 5 mm. Hij groeit nu ongeveer 1 mm per dag. • Na 4 maanden meet de baby ongeveer 28 cm en weegt hij ongeveer 450 g. • Na 9 maanden meten baby’s gemiddeld 48 cm en wegen ze gemiddeld 3 kg 500 g.
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 35
35
9/13/11 3:37:07 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN EN AFTREKKEN
LES 98 1
Temporekenen
18 + 15 = 33 ...................................
4,5 + 3,2 = 7,7 ...................................
13 + 49 = 62 ...................................
35,4 + 24,5 = 59,9 ...................................
54 – 22 = 32 ...................................
58 – 35 = 23 ...................................
78,8 – 25,3 = 53,5 ...................................
45,5 – 12,3 = 33,2 ...................................
2
Kijk en los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.
+
3
3,44 1,13 + 2,31 = ............
7,48 4,05 + 3,43 = ............
7,55 2,35 + 5,2 = ............
1,38 1,3 + 0,08 = ............
Los ook deze op. 0,31 0,23 + 0,08 = ............................................... 0,27 0,16 + 0,11 = ...............................................
2,95 2,35 + 0,6 = ...............................................
2,50 2,25 + 0,25 = ...............................................
2,5 1,75 + 0,75 = ...............................................
4 3,75 + 0,25 = ...............................................
2,78 2,13 + 0,65 = ...............................................
1,85 1,45 + 0,40 = ...............................................
8,38 7,25 + 1,13 = ...............................................
1,689 1,237 + 0,452 = ...............................................
2,586 1,254 + 1,332 = ...............................................
4
Kijk en los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.
36
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 36
2,23 2,35 – 0,12 = .........
3,31 4,35 – 1,04 = .........
9/13/11 3:37:08 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN EN AFTREKKEN
2,25 2,55 – 0,3 = .........
5
LES 98
1,23 3,45 – 2,22 = .........
Los ook deze op.
1,16 1,47 – 0,31 = ..................................................... 1,25 1,50 – 0,25 = .....................................................
0,87 1,02 – 0,15 = .....................................................
0,33 0,41 – 0,08 = .....................................................
0,9 1,75 – 0,85 = .....................................................
1,75 2,5 – 0,75 = .....................................................
0,45 0,8 – 0,35 = .....................................................
0,35 1 – 0,65 = .....................................................
1,65 3,40 – 1,75 = .....................................................
1,436 2,587 – 1,151 = .....................................................
1,211 2,657 – 1,446 = .....................................................
6
Reken uit. 45 € 5,
€ 4,95
,25
€ 75
€ 8,95
€ 8,75
65 € 8,
€ 18,45 € 2,35
a Joris heeft € 100 gespaard. Daarmee koopt hij een elektrische trein en een puzzel.
75,25 + 8,95 = 84,20
€ 15,80 Hoeveel houdt hij over? ........................
100 – 84,20 = 15,80
b Je hebt € 20 gekregen. Kies zelf wat je daarvoor koopt.
meerdere oplossingen mogelijk
......................................................... Hoeveel hou je over? ........................ c Hoeveel betaal je voor een puzzel, een barbiepop en een knuffelbeer samen? Je betaalt daarvoor € 36,15. .........................................................
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 37
8,95 + 8,75 + 18,45 = 36,15
37
9/13/11 3:37:09 PM
LES 99 1
DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE ZIJDEN
Kruis aan wat past.
• Zet het passende symbool in de rechte hoeken. • Overtrek de even lange zijden van een driehoek met groen.
X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek
❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek
❏ rechthoekige driehoek ❏ scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏
❏ gelijkzijdige driehoek X gelijkbenige driehoek ❏ ❏ ongelijkbenige driehoek
X gelijkzijdige driehoek ❏ ❏ gelijkbenige driehoek ❏ ongelijkbenige driehoek
❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige driehoek ❏
❏ rechthoekige driehoek ❏ scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏
X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek
❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek
❏ gelijkzijdige driehoek X gelijkbenige driehoek ❏ g j g driehoek ❏ ongelijkbenige
❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige g j g driehoek ❏
❏ gelijkzijdige driehoek ❏ gelijkbenige driehoek X ongelijkbenige g j g driehoek ❏
2
Weet je dit nog? C
Teken een hoek BÂC en duid hem aan met een boogje.
L K
A
^ ACB Dit is de hoek .........
3
38
A
M
B
^ KLM Dit is de hoek .........
B meerdere oplossingen mogelijk
C
Welke soort driehoek zit hier verborgen? Soms zijn er verschillende mogelijkheden.
❏ rechthoekige driehoek X scherphoekige driehoek ❏ ❏ stomphoekige driehoek
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 38
X rechthoekige driehoek ❏ ❏ scherphoekige driehoek ❏ stomphoekige driehoek
X rechthoekige driehoek ❏ ❏ X scherphoekige driehoek X stomphoekige driehoek ❏
9/13/11 3:37:10 PM
DRIEHOEKEN INDELEN VOLGENS DE ZIJDEN 4
Aan de slag met potlood en meetlat!
Teken een rechthoekige driehoek. EĂŠn zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk
Teken de driehoek verder. Je ziet al 2 hoekpunten en een stuk van de tweede zijde. Het moet een stomphoekige driehoek zijn. meerdere oplossingen mogelijk
5
LES 99
Teken een gelijkbenige driehoek. EĂŠn zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk
Teken de driehoek verder. Je ziet al 2 hoekpunten en een stuk van de tweede zijde. Het moet een scherphoekige driehoek zijn. meerdere oplossingen mogelijk
Zet de juiste namen bij de driehoeken.
Ik kijk naar de hoeken. De driehoek is ...
scherphoekig .............................................
scherphoekig .............................................
Ik kijk naar de zijden. De driehoek is ...
gelijkzijdig .............................................
gelijkbenig .............................................
6
Kleur de gezochte driehoeken.
De rechthoekige gelijkbenige driehoeken kleur je blauw.
De stomphoekige ongelijkbenige driehoeken kleur je groen. De stomphoekige gelijkbenige driehoeken kleur je geel.
39
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 39
9/13/11 3:37:11 PM
LES 100
OPPERVLAKTE
1
Duid de omtrek van deze figuren aan met een blauwe stift. Kleur Kleur de oppervlakte met een potlood.
2
Een oppervlakte meten door ze te bedekken
meerdere oplossingen mogelijk De oppervlakte van ........................................................................ is zo groot als ....................................... ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................
3
Meet de oppervlakte en vul de tabel in.
meerdere oplossingen mogelijk
aantal vellen A4-papier
aantal vloeitjes
oppervlakte
we schatten
we meten
we schatten
we meten
voorwerp 1: .................................
............
............
............
............
voorwerp 2: .................................
............
............
............
............
voorwerp 3: .................................
............
............
............
............
Waarvan heb je het grootste aantal nodig?
❒ vellen A4-papier
X vloeitjes ❒
Een vel A4-papier is groter dan een vloeitje, dus heb je minder vellen nodig om Hoe komt dat? ............................................................................................................................................... eenzelfde oppervlakte te bedekken. ........................................................................................................................................................................
40
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 40
9/13/11 3:37:12 PM
LES 100
OPPERVLAKTE 4
Een oppervlakte meten met een meetrooster
Schat de oppervlakte van de onderstaande figuren. Rangschik ze volgens je schatting van klein naar groot. Ik denk:
fig. ...
<
fig. ...
<
fig. ...
<
fig. ...
<
fig. ...
<
fig. ...
Bedek de figuren dan met je meetrooster en meet de oppervlakte zo nauwkeurig mogelijk. Schrijf het aantal hokjes in elke figuur. Rangschik de figuren nu van klein naar groot volgens de gemeten oppervlakte. 5 Ik meet: fig. ...
<
3 fig. ...
2 fig. ...
<
<
6 fig. ...
<
4 fig. ...
<
1 fig. ...
Kijk dan of je goed geschat had!
1
5 3 2 4
6
5
Meet van elke figuur de oppervlakte en de omtrek.
figuur 1
figuur figuur 2
figuur 3 figuur
figuur 4
omtrek
16 cm ............
12 cm ............
20 cm ............
16 cm ............
oppervlakte
9 hokjes ......
9 hokjes ......
9 hokjes ......
9 hokjes ......
1
2 4
3
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 41
41
9/13/11 3:37:19 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN
LES 101 1
Werk uit. 104,84 46,36 + 58,48 = ...............
84,93 39,43 + 45,5 = ...............
50 + ......... 60 = ......... 110 ≈ .........
40 + ......... 50 = ......... 90 ≈ .........
1
1
1
1
4
6,
3
6
5
8,
4
8
+
3
9,
4
3
4
5,
5
0
8
4,
9
3
+ 1
0
4,
8
4
183,34 125,5 + 57,84 = ...............
336,74 234,47 + 76,4 + 25,87 = ...............
130 + ......... 60 = ......... 190 ≈ .........
230 + ......... 80 + ......... 30 = ......... 340 ≈ .........
1
1
1
2
5,
5
0
5
7,
8
4
8
3,
3
4
1
1
1
1
2
3
4,
4
7
7
6,
4
0
2
5,
8
7
3
6,
7
4
+ 1
+ 3
104,321 25,521 + 78,8 = ...............
442,75 385,75 + 57 = ...............
30 + ......... 80 = ......... 110 ≈ .........
390 + ......... 60 = ......... 450 ≈ .........
1
1
1
2
5,
5
2
1
7
8,
8
0
0
+
Als beide termen niet evenveel cijfers na de komma hebben, pas ik daar een mouw aan! mou
0
4,
3
2
1
3
8
5,
7
5
5
7,
0
0
4
2,
7
5
4
5,08 4,38 + 0,7 = ...............
1,62 0,87 + 0,75 = ...............
4 + ......... 1 = ......... 5 ≈ .........
1 + ......... 1 = ......... 2 ≈ .........
1
4,
3
8
0,
7
0
+
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 42
1
+ 1
42
1
1
1
0,
8
7
0,
7
5
1,
6
2
+ 5,
0
8
9/13/11 3:37:27 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 OPTELLEN 2
3
LES 101
Schrijf het getal opnieuw, maar met zo weinig mogelijk nullen. 42,303 42,303 = ...........................
47,5 47,50 = ...........................
85,5 85,500 = ...........................
80 80,00 = ...........................
30,088 30,088 = ...........................
28,05 028,05 = ...........................
4
Zet de getallen in de tabel.
Oei, een virus heeft alle komma’s in de uitkomsten opgegeten!
176,003 - 45,732 - 2,25 - 1 823 Zet jij ze terug op de juiste plaats?
863,5 - 1 040,180 - 400,2 - 20,02
12 5 D
1
1
5
+
H
T
E
,
t
h
d
4 4, 2 2
1
7
6
,
0
0
3
5 1 , 4
4
5
,
7
3
2
2
,
2
5
8
2
3
8
6
3
,
5
0
4
0
,
1
4
0
0
,
2
2
0
,
0
8 4 , 4 7 + +
7 1 , 5 23 8
4 4 4
0
+
=
2 0 9, 4 7
2 2 ,4 4 1 9 , 7 4
+
= =
7 1 ,1 4
1 23, 5
5 5,5 5
=
6 6, 6 6
=
1 9 5, 0 2 3
4 9 9, 5 5
2
De kassa is stuk. Reken de totalen uit door te cijferen. Vergeet de schatting niet.
1 KG WORTELEN 1 KG WITLOF 1 KOMKOMMER
€ 0,78 € 1,64 € 0,80
€ 3,22 TOTAAL: ..................................
1 TUBE LIJM 1 PAK PENSELEN 1 DOOS WATERVERF 1 PAK PAPIER
€ 3,14 TOTAAL: ..................................
1+2+1=4
Werk netjes: gebruik je lat!
€ 1,30 € 1,24 € 0,60
1 KLEIN BROOD 4 SANDWICHES 1 KOFFIEKOEK
2
1
7 6 8 2
1
8 4 0 2
1, 1, 0, + 3,
3 2 6 1
0 4 0 4
0,88 2,75 5,80 5
€ 14,43 TOTAAL: ..................................
1+1+1=3
0, 1, 0, + 3,
€ € € €
1 + 3 + 6 + 5 = 15
2
1
0, 2, 5, 5, + 1 4,
8 7 8 0 4
8 5 0 0 3
43
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 43
9/13/11 3:37:29 PM
LES 102
HERHALING
G 1
3b
Dit kun je al vlot!
a Vul in.
b Vereenvoudig zo ver mogelijk.
3 van 40 is ...... 15 8
2
25 5 = .................. 30 6
2 van 27 is ...... 6 9
16 2 = .................. 24 3
Getallendictee
0,08 .....................
3
3,004 .....................
86,094 .....................
0,147 .....................
7,75 .....................
4a
Noteer het getal juist in de tabel. D
T
E
,
t
h
d
8
4
,
8
3
1
75 duizendsten g
0
,
0
7
5
1 geheel 5 honderdsten g
1
,
0
5
0
,
5
0
5 gehelen 25 honderdsten g
5
,
2
5
4 duizendsten g
0
,
0
0
84,831 g
8
5t 8T 3d g
4
H
3
4 4a
Noteer de waarde van het onderstreepte cijfer telkens op 2 manieren.
478,8
8t of ............ 0,8 g ......
6,983
8h of ............ 0,08 g ......
54,98
g
5T of ............ 50 ......
38,05
5h of ............ 0,05 g ......
34,811
1d of ............ 0,001 g ......
78,008
g
8d of ............ 0,008 ......
5
4d
Vul de getallenassen aan.
0
0,1 .........
0,2 .........
0,3
0,4 .........
0,5 .........
0,6 .........
0,7 .........
0,8 .........
0,9 .........
1 .........
0
0,01 .........
0,02 .........
0,03 .........
0,04
0,05 .........
0,06 .........
0,07 .........
0,08 .........
0,09 .........
0,1
0
0,001 .........
0,002
0,003 .........
0,004 .........
0,005 .........
0,006
0,007 .........
0,008 .........
0,009 .........
0,01
6
Tel verder met sprongen. 7,2
7,3
7,4
7,5 .........
7,6 .........
7,7 .........
7,8 .........
7,9 .........
34,6
34,9
35,2
35,5 .........
35,8 .........
36,1 .........
36,4 .........
36,7 .........
21,01
22,02
23,03
24,04 .........
25,05 .........
26,06 .........
27,07 .........
28,08 .........
0
0,02
0,04
0,06 .........
0,08 .........
0,10 .........
0,12 .........
0,14 .........
44
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 44
9/13/11 3:37:31 PM
LES 102
HERHALING B 1
4 8 6 2 + = ..................... = 10 10 5 10 15 6 9 + = ..................... =3 5 5 5
2
7 4 3 + = ..................... =1 7 7 7 11 15 4 – = ..................... =1 11 11 11
3 7 = ........................ 10 10 11 5 1+ = ........................ 6 6
1–
13
Los op. Maak zelf een tekening als je dat nodig vindt.
0,7 0,4 + 0,3 = ......
1,40 1,45 – 0,05 = .........
0,4 0,8 – 0,4 = ......
3
12
Optellen en aftrekken met breuken. Vereenvoudig waar het kan.
0,45 0,65 – 0,2 = .........
0,9 0,4 + 0,5 = ...............
8 7,25 + 0,75 = ...............
12,30 9,15 + 3,15 = ...............
3,50 6,55 – 3,05 = ...............
0,85 1 – 0,15 = ...............
0,52 0,47 + 0,05 = ...............
3,50 9,75 – 6,25 = ...............
33,42 45,72 – 12,3 = ............... 14
Reken uit.
0,4 2 x 0,2 = .....................................
2,1 16,8 : 8 = .....................................
78 10 x 7,8 = .................
6,8 2 x 3,4 = .....................................
0,2 0,8 : 4 = .....................................
1,5 3 x 0,5 = .................
1,2 4 x 0,3 = .....................................
0,9 2,7 : 3 = .....................................
1,2 4,8 : 4 = .................
24,8 4 x 6,2 = .....................................
2,5 5 : 2 = .....................................
0,6 3,6 : 6 = .................
7 10 x 0,7 = .....................................
3,5 35 : 10 = .....................................
6,7 67 : 10 = .................
4
16
Ook cijferen met kommagetallen! 82,33 34,5 + 47,83 = ...............
14,545 6,075 + 8,47 = ...............
30 + ......... 50 = ......... 80 ≈ .........
10 + ......... 10 = ......... 20 ≈ .........
1
1
3
4,
5
4
7,
8
3
+
6,
0
7
8,
4
7
4,
5
4
5
+ 8
2,
3
3
1
5
MMR 1
20
Vul in.
40 mm 4 cm = ............
2 2 cm + 8 mm + ............ mm = 3 cm
1 000 mm 1 m = ............
5 cm ......... 5 mm 6 cm – 5 mm = ......
300 mm 3 dm = ............
14 mm = 6 cm 46 mm + ............
2 cm ......... 5 mm 2,5 cm = ......
1,8 cm 1 cm 8 mm = ............
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 45
45
9/13/11 3:37:33 PM
LES 102 2
HERHALING 3
Meet de volgende lijnstukken tot op 1 mm nauwkeurig.
Teken een lijnstuk met de gegeven lengte. Lijnstuk [EF] meet 5 cm 6 mm.
A
B C
D E
7 cm ...... 0 mm of ......... 70 mm. Het lijnstuk [AB] meet ......
F
4 cm ...... 3 mm of ......... 43 mm. Het lijnstuk [CD] meet ......
4
27,28
Meet van elke figuur de oppervlakte en de omtrek.
figuur 1
figuur 2
figuur 3
omtrek
10 cm ............
12 cm ............
............
oppervlakte
4 hokjes ...
5 hokjes ...
4... hokjes
1
2
3
MK 1
40
Zijn deze figuren symmetrisch?
Kruis aan wat past. Teken in de symmetrische figuren alle symmetrieassen.
❏ X symmetrisch
❏ symmetrisch
❏ niet symmetrisch
❏ X niet symmetrisch
2
Zet de juiste namen bij de driehoeken.
3
37
Aan de slag!
Teken een rechthoekige driehoek. Eén zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk
37 Teken een gelijkbenige driehoek. Eén zijde is al getekend. meerdere oplossingen mogelijk
Ik kijk naar de hoeken. De driehoek is ...
46
Ik kijk naar de zijden. De driehoek is ...
110170_02N RS+4_WSc_8_CS.indd 46
scherphoekig ..........................
stomphoekig ..........................
gelijkzijdig ..........................
gelijkbenig ..........................
9/13/11 3:37:35 PM
SPRONG
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 47
9/13/11 3:46:15 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN
LES 105 1
Schrijf het anders.
a Zet om naar honderdsten.
b Schrijf als kommagetal.
1,45 = 145h
325h = 3,25
87h 0,87 = ............
119h 1,19 = ............
7,05 705h = ............
0,75 75h = ............
306h 3,06 = ............
660h 6,60 = ............
0,06 6h = ............
0,05 5h = ............
961h 9,61 = ............
21h 0,21 = ............
0,13 13h = ............
6,29 629h = ............
2
3
Hoeveel geld zat er in de enveloppen?
7 x € ......... 0,02 = € ............ 0,14 ...
6 x € ......... 0,05 = € ............ 0,30 ...
9 x € ......... 0,05 = € ............ 0,45 ...
3 x € ......... 0,50 = € ............ 1,50 ...
8 x € ......... 0,20 = € ............ 1,60 ...
4 x € ......... 0,05 = € ............ 0,20 ...
Reken uit.
0,12 3 x 0,04 = ........................ 0,72 9 x 0,08 = ........................
0,02 2 x 0,01 = ........................
0,14 7 x 0,02 = ........................
0,75 3 x 0,25 = ........................
0,24 8 x 0,03 = ........................
0,40 5 x 0,08 = ........................
4
Denk aan de maaltafels! 7 x 0,02 = 7 x 2h = 14h = 0,14
Reken uit. Splitsen en verdelen!
16,44 4 x 4,11 = ............................................. 3,15 3 x 1,05 = ................................................
64,64 8 x 8,08 = ................................................
4,90 2 x 2,45 = ................................................
28,32 4 x 7,08 = ................................................
35,15 5 x 7,03 = ................................................
81,45 9 x 9,05 = ................................................
12,06 6 x 2,01 = ................................................
28,14 7 x 4,02 = ................................................
5
Reken uit.
0,06 0,42 : 7 = ...........................
48
0,07 0,56 : 8 = ...........................
0,09 0,72 : 8 = ...........................
0,06 0,36 : 6 = ...........................
0,11 0,66 : 6 = ...........................
0,02 0,08 : 4 = ...........................
0,08 0,24 : 3 = ...........................
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 48
Denk aan de deeltafels! 0,63 : 7 = 63h : 7 = 9h = 0,09
9/13/11 3:46:18 PM
KOMMAGETALLEN TOT OP 0,01 VERMENIGVULDIGEN EN DELEN 6
LES 105
Reken uit. Splits het deeltal.
2,02 8,08 : 4 = .........................................................
4,03 8,06 : 2 = .........................................................
1,01 5,05 : 5 = .........................................................
1,07 7,49 : 7 = .........................................................
2,09 4,18 : 2 = .........................................................
5,01 25,05 : 5 = .......................................................
2,01 12,06 : 6 = .......................................................
4,06 16,24 : 4 = .......................................................
6,03 54,27 : 9 = .......................................................
4,02 8,04 : 2 = .........................................................
7
Reken uit.
1 : 4 = 100h : 4 = 25h = 0,25 200h : 100 = 2h = 0,02 2 : 100 = ..........................................................
Ik zet het deeltal eerst om naar honderdsten of ik splits het!
100t : 4 = 25t = 2,5 10 : 4 = ............................................................ 700h : 100 = 7h = 0,07 7 : 100 = ..........................................................
8
Reken uit.
1 100 x 0,01 = .........
24 100 x 0,24 = .........
0,04 4 : 100 = .........
0,34 34 : 100 = .........
8 100 x 0,08 = .........
310 100 x 3,1 = .........
0,01 1 : 100 = .........
2,8 280 : 100 = .........
9
Reken uit en antwoord.
Meester Jo koopt twee kranten van elk 1,25 euro. Hij heeft nog 3 euro op zijn protonkaart.
2 x 1,25 = 2,50 3 – 2,50 = 0,50
ja Kan hij zijn kranten daarmee betalen? ............................... Hoeveel geld heeft hij nog over of te kort? Hij heeft € 0,50 over. ............................................................................................. De 4 vensterbanken in onze klas zijn elk precies 1,25 meter lang.
4 x 1,25 = 5
Hoeveel meter vensterbank hebben we in de klas? We hebben 5 m vensterbank in de klas. .............................................................................................
49
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 49
9/13/11 3:46:42 PM
LES 106 1
DE TON
Dit artikel stond onlangs in de krant.
TIENTONNER BOORT ZICH IN VOORGEVEL Maandagavond beleefde Jozef Martens de schrik van zijn leven. Hij was naar het journaal aan het kijken toen een vrachtwagen zich door de gevel van zijn woning boorde. Het gevaarte kwam maar net voor zijn zetel tot stilstand.
2
“Ik dacht dat het een aardbeving was!” aldus de bejaarde man, die er gelukkig met de schrik vanaf kwam. “De woning zal afgebroken moeten worden. Wat wil je, een tientonner is als een stormram.
Zelfs een huis houdt dat niet tegen,” was de commentaar van de brandweercommandant. “Ik kreeg een klapband en verloor de controle over het stuur,” verklaarde de erg aangeslagen chauffeur.
Sommige dingen zijn groot en zwaar ... Enkele gegevens over deze goederenlocomotief: * lengte: 16 meter * snelheid: 100 km/uur * inhoud brandstoftank: 4 300 liter * gewicht: 87 ton * kan 2 000 ton trekken
87 personenwagens. De locomotief weegt ongeveer evenveel als ......... 2 000 personenwagens trekken. De locomotief kan ongeveer ............... De goederenlocomotief moet wagons met zand trekken. Elke wagon weegt geladen ongeveer 50 ton. Hoeveel wagons kan de locomotief trekken? 2 000 : 50 = 40 Bewerking: .................................................................. 40 wagons Antwoord: ..................................................................
Soms weegt iets zo zwaar dat we het gewicht in ton noteren! 1 000 kg 1 ton = .......…..... 0,001 ton 1 kg = ........….... Een personenwagen weegt ongeveer 1 ton.
3
50
Vul in.
3 ton ......... 0 kg = ............ 3 3 000 kg = ...... ton
5 000 kg 5 ton = ............
8 ton ......... 700 kg = ............ 8,7 ton 8 700 kg = ......
1 ton ......... 200 kg = ............ 1 200 kg 1,2 ton = ...
0 ton ......... 500 kg = ............ 0,5 ton 500 kg = ......
8 ton ......... 400 kg = ............ 8 400 kg 8,400 ton = ...
3 ton ......... 780 kg = ............ 3,78 ton 3 780 kg = ......
0 ton ......... 250 kg = ............ 250 kg 0,250 ton = ...
4 ton ......... 528 kg = ............ 4,528 ton 4 528 kg = ......
7 ton ......... 900 kg = ............ 7 900 kg 7,9 ton = ...
8 ton ......... 474 kg = ............ 8,474 ton 8 474 kg = ......
2 ton ......... 318 kg = ............ 2 318 kg 2,318 ton = ...
1 ton ......... 40 kg = ............ 1,04 ton 1 040 kg = ......
6 ton ......... 8 kg = ............ 6 008 kg 6,008 ton = ...
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 50
9/13/11 3:46:44 PM
LES 106
DE TON 4
Reken uit en antwoord met een zin.
Joris heeft 2 ton hout voor de haard gekocht. Hij moet het zelf afhalen. Met zijn zware aanhangwagen mag hij 500 kg vervoeren. Hoeveel keer moet hij rijden?
2 ton = 2 000 kg 2 000 : 500 = 4
Hij moet 4 keer rijden. .............................................................................................. Een minibus weegt ongeveer anderhalve ton. Er zitten 7 mensen in. Die wegen samen ongeveer 500 kg. Hoeveel ton weegt het busje met de passagiers ongeveer?
1,5 + 0,5 = 2
Het busje weegt ongeveer 2 ton. ..............................................................................................
Op het bordje in de lift van het ziekenhuis staat: Maximum 20 personen. Een volwassene weegt gemiddeld 70 kg. Hoeveel ton mag er ongeveer in de lift?
20 x 70 = 1 400 1 400 kg = 1,4 ton
Er mag ongeveer 1,4 ton in de lift. .............................................................................................. Een vrachtwagen lost 13 ton zand in de zandbak van de kleuterschool. Het zand kost € 80 per ton. “Oei, ik heb maar 1 000 euro voorzien! Is dat wel genoeg?” vraagt de directeur zich zenuwachtig af. Wat denk je: blijft de directeur binnen zijn budget of heeft hij meer geld nodig?
13 x 80 = 800 + 240 = 1 040
Hij heeft € 40 MEER nodig. ..............................................................................................
5
Maak zelf een rekenverhaal bij deze voorstelling. 500 kg + 500 kg + 500 kg = 1 ton 500 kg
meerdere oplossingen mogelijk ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................ ........................................................................................................................................................................
6
Is dit mogelijk of niet? Bespreek het met elkaar en kruis dan aan.
De vrachtwagen vervoert 8 ton bananen.
❒ X mogelijk
❒ onmogelijk
De wereldkampioen gewichtheffen heft wel twee ton.
❒ mogelijk
❒ X onmogelijk
Aan die appelboom hangt een ton appels.
❒ mogelijk
❒ X onmogelijk
De vissersboot bracht twee ton kabeljauw aan wal.
❒ X mogelijk
❒ onmogelijk
Mijn benen wegen wel een ton!
❒ mogelijk
❒ X onmogelijk
51
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 51
9/13/11 3:46:47 PM
CIJFEREND AFTREKKEN MET KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001
LES 107 1
Reken netjes uit.
hamerslingeren
speerwerpen
record: 98,48 m
record: 86,74 m
discuswerpen
record: 74,1 m
kogelkog gelstoten stotten record: 23,12 m
Hoe groot is het verschil tussen het record speerwerpen en het record hamerslingeren?
Hoe groot is het verschil tussen het record discuswerpen en het record kogelstoten?
98,48 – ............ 86,74 = ............ 11,74 ............
74,1 – ............ 23,12 = ............ 50,98 ............
100 – ......... 90 = ......... 10 ≈ .........
70 – ......... 20 = ......... 50 ≈ .........
... –
2
7
14
9
8,
4
8
8
6,
7
4
1
1,
7
4
10
10
7
4,
1
0
2
3,
1
2
5
0,
9
8
Hoeveel seconden was de eerste wagen sneller dan de tweede? wagen 1
wagen 2
rondetijd: 144,79 sec.
rondetijd: 157,456 sec.
157,456 144,79 = ............ 12,666 ............ – ............ 160 – ......... 140 = ......... 20 ≈ .........
... –
... –
3
6
13
15
1
5
7,
4
5
6
1
4
4,
7
9
0
1
2,
6
6
6
Ik zorg ervoor dat het aftrektal en de aftrekker evenveel cijfers na de komma hebben. Daarvoor vul ik nullen aan als dat nodig is.
12,666 sec. antwoord: …………………………
52
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 52
9/13/11 3:46:49 PM
CIJFEREND AFTREKKEN MET KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 3
Reken netjes uit. 495,59 527,09 – 31,5 = ............
62,32 136,32 – 74 = ............
530 – ......... 30 = ......... 500 ≈ .........
140 – ......... 70 = ......... 70 ≈ .........
4
12
6
10
5
2
7,
0
9
3
1,
5
0
9
5,
5
9
... – 4
0
13
1
3
6,
3
2
7
4,
0
0
6
2,
3
2
... –
216,2 345 – 128,8 = ............
90,26 168 – 77,74 = ............
350 – ......... 130 = ......... 220 ≈ .........
170 – ......... 80 = ......... 90 ≈ .........
... –
3
14
10
0
16
7
9 10
10
3
4
5,
0
1
6
8,
0
0
1
2
8,
8
7
7,
7
4
2
1
6,
2
9
0,
2
6
... –
122,697 147 – 24,303 = ............
8,197 15,2 – 7,003 = ............
150 – ......... 20 = ......... 130 ≈ .........
15 – ......... 7 = ......... 8 ≈ .........
1 ... – 1
4
LES 107
6
9 10
9 10
10
0
15
1
9 10
10
4
7,
0
0
0
1
5,
2
0
0
2
4,
3
0
3
7,
0
0
3
2
2,
6
9
7
8,
1
9
7
... –
Hoeveel krijg je terug? Je mag kiezen op welke manier je het uitrekent.
Ik moet 38,40 euro betalen.
Ik moet 14,63 euro betalen.
Ik moet 84,40 euro betalen.
Ik geef een biljet van 50 euro.
Ik geef een biljet van 20 euro.
Ik geef een biljet van 100 euro.
Ik krijg ........................ 11,60 euro terug.
Ik krijg ........................ 5,37 euro terug.
Ik krijg ........................ 15,60 euro terug.
53
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 53
9/13/11 3:47:02 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 VERMENIGVULDIGEN
LES 108 1
Reken uit. 18,63 3 x 6,21 = ..................
4,02 6 x 0,67 = ..................
3 x 6 = 18 ≈ .........................................................
6x1=6 ≈ .........................................................
6,
2
1
0,
6
3
7 6
x
x 1
8,
6
3
4,
0
2
4
4
321,684 4 x 80,421 = ..................
399,10 5 x 79,82 = ..................
4 x 80 = 320 ≈ .........................................................
5 x 80 = 400 ≈ .........................................................
8
0,
4
2
1
7
9,
8
4
2 5
x
x 3
2
1,
6
8
4
3
1
9
9,
1
0
1
4
4
431,08 13 x 33,16 = ..................
820,68 21 x 39,08 = ..................
13 x 30 = 390 ≈ .........................................................
21 x 40 = 840 ≈ .........................................................
3
3,
1
6
1
3
3
x
9,
0
8
2
1
x 1
3
1
1
1
9
9
4
8
3
1
6
0
3
9
0
8
7
8
1
6
0
8
2
0,
6
8
1
+
1
1
1
+ 4
3
1,
0
8
1 595 25 x 63,8 = ..................
28,38 6 x 4,73 = ..................
25 x 60 = 1 500 ≈ .........................................................
6 x 5 = 30 ≈ .........................................................
6
3,
8
2
5
4,
7
6
x
x
2
1
3
1
9
0
4
1
2
7
6
0
1
1
5
9
5,
0
+
3
8,
3
8
1 4
1
Reken eerst alsof er geen komma staat. Plaats daarna de komma in het product!
54
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 54
9/13/11 3:47:04 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN TOT OP 0,001 VERMENIGVULDIGEN
LES 108
5,856 8 x 0,732 = ..................
971,4 4 x 242,85 = ..................
8x1=8 ≈ .........................................................
4 x 250 = 1 000 ≈ .........................................................
0,
7
3
2
8
x 5,
2
2
8
5
6
4
2,
8
5 4
x 1
2
9
5
7
1,
4
0
2 3 1 1
Los op.
Een marathon is een loopwedstrijd van 42,195 km. Hoeveel km heb ik gelopen als ik 5 keer een marathon loop?
210,975 km. ..................
1 liter benzine kost € 1,295. Voor mijn grasmachine heb ik 5 liter nodig. Hoeveel betaal ik daarvoor? 6,475 euro. 6,48 euro ..................
Dit is een van de boren die gebruikt werden om de kanaaltunnel tussen Groot-Brittannië en Frankrijk te graven. De tunnel is 37 km lang. De boor haalde gemiddeld een snelheid van 5,23 m per uur. Hoeveel meter kwam de boor vooruit op een werkdag van 8 uur? 41,84 .................. meter. minder Is dat meer of minder dan 1 km? ............... © Eurotunnel
x
4 2, 1 9 5 5 2 1 0, 9 7 5
5, 2 3 8 x 4 1, 8 4
2
4
1
1, 2 9 5 5 x 6, 4 7 5
2
4
1
2 1
55
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 55
9/13/11 3:47:05 PM
LES 109
DE CIRKEL
1
Wat zie je? Bespreek.
2
Zoek de cirkels en overtrek hun omtrek met groen.
3
Aan welke bekende voorwerpen zie je cirkels?
meerdere oplossingen mogelijk ................................................................................. x
x
................................................................................. ................................................................................. x
x
................................................................................. .................................................................................
4
Vul in. A
cirkel Deze ďŹ guur is een ........................ B
M
C
middelpunt M is het ....................................... straal 1,2 cm of ......... 12 mm. [AM] is een ..................... en meet ......... diameter en meet ......... 2,4 cm of ......... 24 mm. [BC] is een .....................
5
Teken drie cirkels met verschillende straal. Duid telkens het middelpunt (M) aan en teken in elke cirkel ook een straal. meerdere oplossingen mogelijk
6
Teken een cirkel ...
met straal 2 cm.
met dit lijnstuk als straal.
met straal 18 mm.
56
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 56
9/13/11 3:47:08 PM
DELERS EN VEELVOUDEN – NEGATIEVE GETALLEN 1
LES 110
Vul de delerbloemen aan. Let op: alle delers van een getal moeten een plaatsje krijgen. Teken de blaadjes nu zelf! 1 9 15
2
3 45
4
16
10
5 45
2
6
1
2 3 5
30 15
16
8
1
30
Omkring het getal dat niet in de rij thuishoort.
Tip: denk aan de kenmerken van deelbaarheid! 85
-
110
-
65
-
225
-
70
-
102
312
-
520
-
86
-
302
-
71
-
58
850
-
400
-
1 200
-
10 000
215
-
999
-
73
-
883
-
990
-
303
810
-
605
-
90
-
995
-
552
-
100
3
-
8 000
-
6 300
Zoek het woord.
Omkring alle getallen die deelbaar zijn door 4. Met de bijbehorende letters kun je een woord vormen in het rooster. Tip: de figuur heeft er iets mee te maken …
36 Z
450 R
10 G
223 Z
3 33 36
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 57
E ...
9 M
82 O 98 8
P
I
1
3 304 04 C
I ...
L ...
S ...
516 E
100 S
1 00 000
F
Z ...
16 I
30 U
A
5 50 00 L
8 80 07 J
2 210 10 K
5 560 60 H
999 9 99 V
C ...
H ...
I ...
P ...
57
9/13/11 3:47:14 PM
DELERS EN VEELVOUDEN – NEGATIEVE GETALLEN
LES 110 4
Vul aan.
a Schrijf hier alle veelvouden van 8 die kleiner zijn dan 30. 0, 8, 16, 24 .................................................................................................................................................................... b Schrijf hier alle veelvouden van 20 die tussen 50 en 150 liggen. 60, 80, 100, 120, 140 ....................................................................................................................................................................
c Schrijf hier alle delers van 12. 1, 2, 3, 4, 6, 12 .................................................................................................................................................................... d Schrijf hier alle veelvouden van 80 die tussen 100 en 500 liggen. 160, 240, 320, 400, 480 ....................................................................................................................................................................
5
Er scheelt iets met de diepvriezer in het visbedrijf! Vul de tabel aan en beantwoord de vragen.
16 °C
tijdstip
temperatuur
9 uur
–10 °C ...............
10 uur
–4 °C ...............
0 °C
11 uur
2 °C ...............
–4 °C
12 uur
–2 °C ...............
–8 °C
13 uur
–12 °C ...............
14 uur
–12 °C ...............
12 °C 8 °C 4 °C
–12 °C 9:00
10:00
11:00
12:00
a Wat was de hoogste temperatuur in de diepvriezer?
2 °C ............ b Wat was de laagste temperatuur in de diepvriezer?
–12 °C ............ c Hoe groot is het verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur?
58
14 °C ............
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 58
13:00
14:00
d Hoeveel is de temperatuur gezakt tussen 11 uur en 12 uur?
4 °C ............ e Vanaf wanneer was de temperatuur hoger dan –4 °C?
vanaf 10 uur .......................................................................... f Een technicus is de diepvriezer opnieuw komen afregelen. Wanneer kwam die volgens jou langs? ô tussen 10 uur en 11 uur X tussen 11 uur en 12 uur ô ô tussen 12 uur en 13 uur
9/13/11 3:47:17 PM
LES 111
CM2 EN DM2 1
Teken hier een vierkant met een oppervlakte van 1 dm2 en een vierkant met een oppervlakte van 1 cm2. Noteer er de juiste maat bij.
1 cm2 1 dm2
Aha, 100 cm2. 1 dm2 = .........
2
Kruis aan welke maateenheid je gebruikt om te meten. Ik meet:
cm
m
cm2
X
de omtrek van de speelplaats.
X
de oppervlakte van mijn bank. X
de oppervlakte van mijn gum. mijn borstomtrek.
X X
de oppervlakte van een postzegel.
3
dm2
Vul aan.
10 cm 1 dm = .........
1 25 cm2 dm2 = ......... 4
100 cm2 1 dm2 = .........
1 000 cm2 10 dm2 = ............
1 cm2 =
1 1 dm2 van ............ 100
5 dm2 500 cm2 = .........
500 cm2 5 dm2 = .........
1 10 cm2 dm2 = ......... 10
1 50 cm2 dm2 = ......... 2
700 cm2 7 dm2 = .........
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 59
59
9/13/11 3:47:19 PM
LES 111 4
Meet de oppervlakte met je meetrooster. Vergeet de maateenheid niet!
11 cm2 De oppervlakte is ..................
7 cm2 De oppervlakte is ..................
5
CM2 EN DM2
10 cm2 De oppervlakte is ..................
8 cm2 De oppervlakte is ..................
De oppervlakte is ongeveer
De oppervlakte is ongeveer
7 cm2 ..................
3 cm2 ..................
Vul aan.
10 cm De omtrek van deze figuur is ..................
17 cm De omtrek van deze figuur is ..................
4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ................
4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ..................
8 cm De omtrek van deze figuur is ..................
8 cm De omtrek van deze figuur is ..................
3 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ................
4 cm2 De oppervlakte van deze figuur is ..................
60
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 60
9/13/11 3:47:21 PM
LES 112
HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN 1
We rekenen erop los!
6,60 2,45 + 4,15 = .........
3,54 5,88 – 2,34 = .........
3,5 5 x 0,7 = .........
3,4 6,8 : 2 = .........
4,3 3,9 + 0,4 = .........
0,35 1 – 0,65 = .........
6,99 3 x 2,33 = .........
0,09 0,72 : 8 = .........
11,99 8,99 + 3 = .........
0,9 1,5 – 0,6 = .........
3,5 10 x 0,35 = .........
0,5 1 : 2 = .........
5,25 4,75 + 0,50 = .........
8,25 10,25 – 2 = .........
0,48 6 x 0,08 = .........
0,07 7 : 100 = .........
1,7 0,8 + 0,9 = .........
1,65 1,75 – 0,1 = .........
10,40 5 x 2,08 = .........
11,5 23 : 2 = .........
2
3
Verbind wat bij elkaar hoort.
4,8 + 0,8
❏
❏
0,6
7 – 0,01
❏
❏
5,5
6 : 10
❏
❏
6,99
10 x 5,6
❏
❏
5,6
11 : 2
❏
❏
56
27 : 100
❏
❏
0,04
3 x 0,9
❏
❏
0,27
0,24 : 6
❏
❏
2,7
1 : 100
❏
❏
0,4
3,9 – 3,5
❏
❏
0,01
4
Vul in. 1,20 1 m 20 cm of ............... m 3,250 kg 3 kg 250 g of ............... 5,07 5 m 7 cm of .................. m 1,07 1 l 7 cl of .................. l 0,087 m 8 cm 7 mm of ...............
5 800 m 5 km 800 m of ............... 5,7 5 l 7 dl of ............... l 4,075 m 4 m 75 mm of ............... 1,5 1 ton 500 kg of ............... ton
Hoe lang?
Een groepje vrienden maakt samen een bloemenslinger. Ans maakt 1,2 m. Bo maakt 1,7 m. Wubbe maakt 0,6 m. Rob maakt 1,1 m. Freke maakt 0,8 m. Hoeveel meter slinger hebben ze samen? De broertjes Kwibbel, Kwebbel en Kwabbel gaan achter elkaar in het gras liggen.
1,2 + 1,7 + 0,6 + 1,1 + 0,8 = 5,4
5,4 5 m ...... 4 dm. Samen hebben ze ............... m of ......
1,20 + 1,07 + 1,42 = 3,69
1,2 m. Kwibbel meet 1 m 2 dm = ............... 1,07 m. Kwabbel meet 1 m 7 cm = ............... 1,42 Kwebbel meet 1 m 42 cm = ............... m. Hoe lang g is de ketting g die ze vormen?
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 61
3,69 m of ...... 3 m ......... 69 cm De ketting is ............... lang. g
61
9/13/11 3:47:22 PM
LES 112 5
HOOFDREKENEN MET KOMMAGETALLEN
Hier zijn een paar komma’s vergeten! Zet ze op de juiste plaats.
7 , 2 1 : 7 = 1, 0 3 0,4 5 : 3 = 0 , 1 5
4 5 : 2 = 2 2,5
5 x 0 , 8 = 4,0
4 5 : 1 0 = 4,5
2 , 3 + 9, 4 = 1 1,7
5,7 – 0 , 9 = 4,8
5 – 1 , 1 = 3,9
4 5 , 3 : 1 0 = 4,5 3
7
62
6
Kruis aan wat juist is. Je kunt dit zonder te rekenen! 3 x 2,24
❏ is kleiner dan 6. X is groter dan 6. ❏
8,52 : 4
❏ is kleiner dan 2. X is groter dan 2. ❏
5 x 4,35
❏ is kleiner dan 20. X ligt tussen 20 en 25. ❏ ❏ is groter dan 25.
Groentekraam Het Vitamientje
Peter Selie koopt 2 kg appelen. Hoeveel betaalt hij?
Witje Loof koopt 1 tros bananen en 2 kroppen sla. Hoeveel betaalt ze?
Hij betaalt € 1,20. ............................................................
Ze betaalt € 1,35. ............................................................
Hoeveel krijgt hij terug van 5 euro?
Hoeveel krijgt ze terug van 10 euro?
Hij krijgt € 3,80 terug. ............................................................
Ze krijgt € 8,65 terug. ............................................................
Tom Maat gaat naar huis met 2 kg tomaten. Hoeveel heeft hij dan eigenlijk per kg betaald?
In een tros zitten 5 bananen. Hoeveel kost 1 banaan dan gemiddeld?
Hij heeft € 0,60/kg betaald. ............................................................
1 banaan kost gemiddeld € 0,15. ............................................................
Als je 4 kroppen sla koopt, hoeveel betaal je dan per krop?
Hoeveel kosten 2 trossen bananen?
Je betaalt € 0,25 per krop. ............................................................
2 trossen bananen kosten € 1,50. ............................................................
Rad IJs wil 5 kroppen sla. Hoeveel betaalt hij daarvoor?
Ban Aan wil 3 kg tomaten. Hoeveel betaalt hij daarvoor?
Hij betaalt daarvoor € 1,30. ............................................................
Hij betaalt daarvoor € 2,40. ............................................................
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 62
9/13/11 3:47:23 PM
LES 113
DE GETALLEN TOT 100 000 1
Getallendictee
18 430
2
77 777
100 000
24 363
68 025
Schrijf deze getallen.
8TD 7D 4H 2T 9E g 9TD 6E g
87 429 ..................
22 022 2TD 2D 2T 2E g ..................
90 006 ..................
4D 2H 5TD 8T g
40 300 4TD 3H g ..................
54 280 ...............
65 203 6TD 5D 3E 2H g ...............
40 907 9H 4TD 7E g ...............
4D 4T g
20 450 twintigduizend vierhonderdvijftig: ..................
17 700 zeventienduizend zevenhonderd: ...............
3
4 040 ...............
Spring je mee het water op? Kijk en tel verder met de juiste sprong!
+ 100
2 29 9 70 700 0
29 800 ............... ..
29 900 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
30 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
30 100 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
30 200 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
30... 300 .... .. ............... .... .... .... ... . ... ...
10 000 + ............
40 000 .... .. ............... .... ..... . .. .... .... ....
50 .... .. ............... .... ..... .... .000 .. .... .. .... ..
60 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
70 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
80 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
90 0 000 00
100 1 00 0 000 00
+ 10
43 39 960 60
970 ................ . 43 .. ............
43 980 ................ .... .. .... .... .... .... .... ..
43 990 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..
44 000 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..
44 010 .... ............... .... .... .... .... .... .... ..
44 020 .... ............... .... .... .... .... ..... .... ..
100 + ............
66 68 800 00
66 6 6 90 9 900 00 0
67 000 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
67 100 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
67 200 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
67 300 .... .. ............... .... .... .... .... .... ....
67 400 .... .. ............... .... .... .... .... ...... ...
4
Het park staat vol bloemen! Noteer de aantallen in de tabel. HD TD
D
H
T
E
...
1 ...
3 ...
4 ...
2 ...
0 ...
...
1 ...
0 ...
5 ...
6 ...
0 ...
...
1 ...
0 ...
6 ...
5 ...
0 ...
...
2 ...
5 ...
4 ...
5 ...
0 ...
Welke bloemen vind je er het minst?
Rangschik de aantallen van groot naar klein:
rozen .....................................
25 450 > ...............
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 63
13 420 ............... >
10 650 ............... >
10 560 ...............
63
9/13/11 3:47:24 PM
LES 113 5
DE GETALLEN TOT 100 000
Lees en vul in: < of >.
> 23 780 23 870 ...
< 91 102 90 800 ...
> 10 400 13 400 ...
> 12 550 15 250 ...
> 37 333 73 333 ...
> 10 099 10 909 ...
< 11 111 8 787 ...
< 54 545 45 454 ...
> 8 800 80 080 ...
6
Raak jij tot boven? +10
+1 000
+100
+10
92 400
33 800
56 200
92 390
32 800
56 100
92 380
31 800
56 000
92 370
30 800
55 900
92 360
29 800
55 800
92 350
28 800
55 700
meerdere oplossingen mogelijk
Kies zelf het startgetal.
7
Hoe vond ik de dag in het pretpark?
Noteer de getallen. Zoek ze op in de sleutel en schrijf de juiste letter in het laatste vakje van elke rij. FANTASTISCH Vorm met die letters een woord. Ik vond het .........................................! 6TD 4D 2H 3E
64 203 ........................
A g ...
De helft van 60 000 is
30 000 ........................
g ... F
Tussen 36 490 en 36 492 ligt
36 491 ........................
g ... N
1HD
100 000 ........................
g ... S
Net voor 100 000 komt
99 999 ........................
g ... T
5 keer 3 000 is
15 000 ........................
g ... A
10 000 minder dan 80 000 is
70 000 ........................
g ... H
Het dubbel van 25 000 is
50 000 ........................
g ... I
3TD + 8D + 2H =
38 200 ........................
g ... T
Net na 9 999 komt
10 000 ........................
g ... C
Precies in het midden tussen 44 440 en 44 450 ligt
44 445 ........................
g ... S
sleutel
64
15 000 - A
90 000 - K
64 023 - E
44 445 - S
79 000 - V
30 000 - F
100 000 - S
1 000 - D
38 200 - T
3 820 - O
44 500 - N
36 491 - N
10 000 - C
45 000 - M
70 000 - H
5 000 - K
99 999 - T
50 000 - I
64 203 - A
3 000 - U
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 64
9/13/11 3:47:56 PM
LES 114
DE GETALLEN TOT 100 000 1
Getallendictee 42 755 ..................
2 043 ..................
87 762 ..................
60 990 ..................
2
3
54 504 ..................
Leest de juf of meester het getal juist of fout?
13 804
g
❒ juist
X fout ❒
58 444
g
X juist ❒
❒ fout
10 000
g
❒ juist
X fout ❒
63 263
g
X juist ❒
❒ fout
45 014
g
❒ juist
X fout ❒
Splitsen en nog eens splitsen ...
4 7 + ...H 0 + ...T 9 + ...E 1 47 091 = ...TD + ...D
5 4 + ...H 6 + ...T 5 + ...E 3 54 653 = ...TD + ...D
3 0 + ...H 9 + ...T 0 + ...E 3 30 903 = ...TD + ...D
7 8 + ...H 1 + ...T 1 + ...E 3 78 113 = ...TD + ...D
1 2 + ...H 4 + ...T 6 + ...E 7 12 467 = ...TD + ...D
9 0 + ...H 0 + ...T 3 + ...E 8 90 038 = ...TD + ...D
64 801 6TD + 4D + 8H + 1E = ..................
100 000 1HD = ..................
20 630 6H + 2TD + 3T = ..................
10 305 3H + 5E + 1TD = ..................
40 090 4TD + 9T = ..................
40 444 4H + 4E + 4T + 4TD = ..................
4
Maak met de cijfers 3, 8, 2, 6 en 5 vier verschillende getallen.
Gebruik in elk getal elk cijfer juist 1 keer. meerdere oplossingen mogelijk 82 653 ..................
56 238 ..................
28 653 ..................
65 283 ..................
Rangschik die getallen van klein naar groot. 28 653 < ...............
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 65
56 238 65 283 ............... < ............... <
82 653 ...............
65
9/13/11 3:48:02 PM
LES 114 5
DE GETALLEN TOT 100 000
Zoek een getal dat past.
meerdere oplossingen mogelijk 23 000 23 987 > ..................
88 889 88 898 > ..................
83 521 83 520 < ..................
12 346 .................. < 12 347
74 500 .................. > 74 320
54 555 54 545 < ..................
6
+1
32 998
32 999 ...............
33 000 ...............
33 001 ...............
33 002 ...............
33 003 ...............
+ 10
29 960
29 970 ...............
29 980 ...............
29 990 ...............
30 000 ...............
30 010 ...............
+ 1 000
68 000
69 000 ...............
70 000 ...............
71 000 ...............
72 000 ...............
73 000 ...............
2 + ......
79 990
79 992
79 994 ...............
79 996 ...............
79 998 ...............
80 000 ...............
+ 100
49 700
49 800 ...............
49 900 ...............
50 000 ...............
50 100 ...............
50 200 ...............
7
66
Welke discipline wordt hier geoefend?
Vul deze getallenassen aan. Kijk en lees eerst goed!
79 700
79 800
79... 900
80... 000
80... 100
80... 200
80... 300
80... 400
80... 500
80... 600
12 070
12... 060
12... 050
12... 040
12... 030
12... 020
12... 010
12... 000
11... 990
11 980
17... 000
16... 000
15... 000
14 000
13 000
12... 000
11... 000
10... 000
9 000 ...
8 000 ...
23... 434
23... 435
23... 436
23... 437
23... 438
23... 439
23... 440
23... 441
23 442
23 443
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 66
9/13/11 3:48:04 PM
LES 115
HERHALING G 1
Vul aan.
0, 7, 14, 21, 28, 35 • alle veelvouden van 7 die kleiner zijn dan 40: …………………………………………………………………………………… 60, 90, 120, 150, 180, 210, 240 • alle veelvouden van 30 tussen 50 en 250: ………………………………………………………………………………………… 1, 3, 5, 15 • alle delers van 15: ……………………………………………………………………………………………………………………………
150, 200, 250, 300, 350, 400, 450 • alle veelvouden van 50 tussen 100 en 500: ………………………………………………………………………………………
2
Getallendictee 10 468 ..................
3
72 095 ..................
86 103 ..................
40 002 ..................
97 350 ..................
Lees en vul aan: < of >.
< 43 850 34 850 ...
< 20 250 20 205 ...
< 51 978 51 897 ...
< 55 505 5 505 ...
> 60 560 66 650 ...
> 56 565 65 656 ...
< 22 220 22 202 ...
> 26 622 62 266 ...
4
1a
Splitsen en nog eens splitsen ...
4 3 + ...H 7 + ...T 6 + ...E 9 43 769 = ...TD + ...D
7 6 + ...H 1 + ...T 0 + ...E 9 76 109 = ...TD + ...D
5 0 + ...H 8 + ...T 2 + ...E 7 50 827 = ...TD + ...D
1 6 + ...H 0 + ...T 0 + ...E 3 16 003 = ...TD + ...D
5
1a
Welk getal is het?
100 000 1HD = ...............
80 208 2H + 8E + 8TD = ...............
70 430 4H + 7TD + 3T = ...............
30 507 5H + 7E + 3TD = ...............
31 900 3TD + 1D + 9H = ...............
40 080 4TD + 8T = ..................
6
Tellen met sprongen +1
45 698
45 699 ...............
45 700 ...............
45 701 ...............
45 702 ...............
45 703 ...............
+ 10
52 980
52 990 ...............
53 000 ...............
53 010 ...............
53 020 ...............
53 030 ...............
– 1 000
23 000
22 000 ...............
21 000 ...............
20 000 ...............
19 000 ...............
18 000 ...............
+2
33 560
33 562 ...............
33 564 ...............
33 566 ...............
33 568 ...............
33 570 ...............
– 100
76 300
76 200 ...............
76 100 ...............
76 000 ...............
75 900 ...............
75 800 ...............
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 67
67
9/13/11 3:48:06 PM
LES 115 7
HERHALING
Vul de getallenassen aan.
34 300 .........
34 400 .........
34 500
34 600
34 700 .........
34 800 .........
34 900 .........
35 000 .........
35 100 .........
......... 13 706
......... 13 606
......... 13 506
13 406
......... 13 306
......... 13 206
13 106
......... 13 006
......... 12 906
8
Kleur de getallen die ...
• deelbaar zijn door 2:
34
56
122
143
148
98
33
45
12
21
• deelbaar zijn door 5:
60
55
78
75
90
57
43
20
35
22
B 1
13
Reken uit.
172,9 163,6 + 9,3 = .........
0,22 0,92 – 0,70 = .........
28,6 2 x 14,3 = .........
0,07 0,35 : 5 = .........
62,9 52,7 + 10,2 = .........
0,35 1 – 0,65 = .........
5,4 6 x 0,9 = .........
13,15 39,45 : 3 = .........
42,2 33,8 + 8,4 = .........
0,02 0,05 – 0,03 = .........
0,48 4 x 0,12 = .........
0,1 1 : 10 = .........
21,5 24,5 – 3 = .........
0,15 5 x 0,03 = .........
0,07 0,70 : 10 = .........
5 3,3 + 1,7 = .........
21,08 29,17 – 8,09 = .........
6,9 3 x 2,3 = .........
0,26 26 : 100 = .........
30 27,3 + 2,7 = .........
22,93 48,94 – 26,01 = .........
40,12 4 x 10,03 = .........
3,08 9,24 : 3 = .........
6,75 7,25 – 0,50 = .........
12,04 2 x 6,02 = .........
0,09 0,81 : 9 = .........
15 10 x 1,5 = .........
7,02 56,16 : 8 = .........
24,16 15,06 + 9,1 = .........
17,76 15,46 + 2,3 = ......... 1 0,75 + 0,25 = .........
2
1,88 2 – 0,12 = .........
, 13,14 15
Verbind de bewerkingen met de juiste uitkomst.
47 ,16 16 + 27 ,7 7 47,16 27,7
5 x 10 ,02 ,0 02 10,02
18 ,41 41 + 13 ,52 52 18,41 13,52
2x8 ,05 05 8,05
13 ,24 24 + 2 ,09 09 13,24 2,09
15,33
16,1
31,93
0,6
3x3 ,11 11 3,11
5,98 5 ,98 + 2 ,04 ,0 04 2,04
83,41
74,86
1,01
50,1
10 x 0 ,06 06 0,06
65 ,89 ,8 89 – 8,25 8,25 8, 65,89 89 ,80 ,8 80 – 6, 6 ,39 89,80 6,39 30 – 1 16, 6,33 6, 33 3 16,33 50 – 1 12 2,18 2,18 2, 12,18
13 ,66 66 : 2 13,66 8,02
6,83
9,33
12,5
13,67
57,64
37,82
5,33
10 ,1 1:1 10 0 10,1 15 ,99 ,9 99 : 3 15,99 25 : 2
68
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 68
9/13/11 3:48:08 PM
LES 115
HERHALING 3
17,18
Cijferen, cijferen, cijferen 706,01 725,05 – 19,04 = ............
41,76 700,52 – 658,76 = ............
730 – 20 = 710 ≈ ..........................................................
700 – 660 = 40 ≈ ..........................................................
7 ... – 7
1
15
2
5,
0
5
1
9,
0
4
0
6,
0
1
... –
6
9 10
9 10
14
12
7
0
0,
5
2
6
5
8,
7
6
4
1,
7
6
83,78 162,32 – 78,54 = ............
147,809 206 – 58,191 = ............ 210 – 60 = 150 ≈ ..........................................................
160 – 80 = 80 ≈ ..........................................................
1
9 10
15
9 10
9 10
10
0
15
11
12
12
2
0
6,
0
0
0
1
6
2,
3
2
5
8,
1
9
1
7
8,
5
4
4
7,
8
0
9
8
3,
7
8
... – 1
... –
25,448 4 x 6,362 = ..................
657,16 28 x 23,47 = ..................
4 x 6 = 24 ≈ ..........................................................
30 x 20 = 600 ≈ ..........................................................
6,
3
6
2
2
4
... x 2
5,
4
4
8
3,
... x 2
1
... +
4
7
2
8
1
1
1
1
8
7
7
6
5 3 2
4
6
9
4
0
1
6
5
7,
1
6
MMR 1
22
Vul in.
4 ton ......... 0 kg = ......... 4 ton 4 000 kg = ......
7 000 kg 7 ton = ............
5 ton ......... 200 kg = ......... 5,2 ton 5 200 kg = ......
400 kg = ............ 7 400 kg 7,4 ton = 7... ton .........
0 ton ......... 800 kg = ......... 0,8 ton 800 kg = ......
500 kg = ............ 6 500 kg 6,5 ton = 6... ton .........
2
22
Reken uit en antwoord met een zin.
Ilse heeft 1 ton hout voor haar kachel gekocht. Ze moet het zelf afhalen. Met haar aanhangwagen mag ze 200 kg vervoeren. Hoeveel keer moet ze rijden?
1 ton = 1 000 kg 1 000 : 200 = 5
Ze moet 5 keer rijden. .........................................................................................
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 69
69
9/13/11 3:48:12 PM
LES 115
HERHALING
Een minibus weegt ongeveer 1,6 ton. Er zitten 6 mensen in. Die wegen samen ongeveer 450 kg.
1,6 ton = 1 600 kg 1 600 + 450 = 2 050
Hoeveel ton weegt het busje met de passagiers ongeveer? Het busje met passagiers weegt ongeveer 2 ton. .........................................................................................
3
27,28
Vul in.
4
De omtrek van deze figuur is
De omtrek van deze figuur is
10 cm ..................
8 cm ..................
De oppervlakte van deze figuur is
De oppervlakte van deze figuur is
4.................. cm2
3 cm2 ..................
28
Vul in.
10 1 dm = ............... cm
800 8 dm2 = ............... cm2
1 50 dm2 = ............... cm2 2
100 1 dm2 = ............... cm2
1 20 dm2 = ............... cm2 5
1 500 15 dm2 = ............... cm2
2 200 cm2 = ............... dm2
3 75 dm2 = ............... cm2 4
1 cm2 =
1
van 1 dm2 100 …
MK 1
38
Vul in. cirkel Deze figuur is een ........................
A
middelpunt M is het ....................................... B M C
2
straal 1,5 cm of ......... 15 mm. [AM] is een ..................... en meet ......... diameter en meet ......... 3 cm of ......... 30 mm. [BC] is een .....................
38
Teken een cirkel ...
met straal 17 mm.
met dit lijnstuk als straal.
met straal 2 cm.
70
110170_03N RS+4_WSc_9_CS.indd 70
9/13/11 3:48:14 PM
SPRONG
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 71
9/13/11 4:25:05 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN DELEN DOOR EEN NATUURLIJK GETAL
LES 118 1
We delen. Vergeet de komma in het quotiënt niet. Let erop dat je de rest juist afleest.
126,51 r ............ 0 632,55 : 5 = q ...............
131,8 0,1 527,3 : 4 = q ............... r ............
600 : 5 = 120 ≈ ......................................................................
500 : 4 = 125 ≈ ......................................................................
H 6 5 – 1 1 –
T E, t h 3 2, 5 5
5
H T E, t h 3 1 2 6, 5 1 0 3 2 3 0 – 2 5 2 5 – 0 5 5 – 0
H 5 4 – 1 1 –
T E, t h 2 7, 3 2 2 0 7 4 – 3 3 3 2 – 0, 1
4 H T E, t h 1 3 1, 8
1,708 0,001 5,125 : 3 = q ............... r ............
54,6 0 327,6 : 6 = q ............... r ............
6:3=2 ≈ ......................................................................
300 : 6 = 50 ≈ ......................................................................
5, 1 2 5 3 – 2 1 2 1 – 0 2 5 2 4 – 0, 0 0 1
3 1,708
3 2 7, 6 3 0 – 2 7 2 4 – 3 6 3 6 – 0
6 54,6
10,6 0,3 63,9 : 6 = q ............... r ............
0,169 0 0,845 : 5 = q ............... r ............
60 : 6 = 10 ≈ ......................................................................
1 : 5 = 0,2 ≈ ......................................................................
6 3, 9 6 – 0 3 9 3 6 – 0, 3
6 10,6
0, 8 4 5 5 – 3 4 3 0 – 4 5 4 5 – 0
5 0,169
72
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 72
9/13/11 4:25:06 PM
CIJFEREN: KOMMAGETALLEN DELEN DOOR EEN NATUURLIJK GETAL
LES 118
Het deeltal is 876,23. De deler is 6.
De deler is 3. Het deeltal is 6,078.
146,03 r ............ 0,05 q ...............
2,026 r ............ 0 q ...............
900 : 6 = 150 ≈ ......................................................................
6:3=2 ≈ ......................................................................
8 7 6, 2 3 6 – 2 7 2 4 – 3 6 3 6 – 0 2 3 1 8 – 0, 0 5
2
6 146,03
6, 0 7 8 6 – 0 0 7 6 – 1 8 1 8 – 0
3 2,026
Los op.
Ik kan 7 keer in 463,89. Welk getal ben ik? 66,27 ..................................................... 4 6 3, 8 9 4 2 – 4 3 4 2 – 1 8 1 4 – 4 9 4 9 – 0
7 66,27
Hierop let ik als het deeltal een kommagetal is:
We vliegen met 5 personen naar Rome en betalen 632,55 euro voor de tickets. 126,51 euro Hoeveel kost 1 ticket? ............................................ 6 3 2, 5 5 5 – 1 3 1 0 – 3 2 3 0 – 2 5 2 5 – 0 5 5 – 0
5 126,51
We verdelen 476,82 euro eerlijk onder 4 vrienden. Hoeveel blijft er over? € 0,02 ....................................................…………………………
• Ik plaats de komma in het quotiënt als ik die tegenkom in het deeltal ……...........................................................……… bij het aflezen • Ik kijk goed ................................... van de rest ...............................................
4 7 6, 8 2 4 – 0 7 4 – 3 6 3 6 – 0 8 8 – 0, 0 2
4 119,20
73
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 73
9/13/11 4:25:12 PM
CIJFEREN: DELEN TOT OP 0,001 NAUWKEURIG
LES 119 1
We delen. Vergeet de komma in het quotiënt niet. Let erop dat je de rest juist afleest. 9,92 r ............ 0 49,6 : 5 = q ............... (tot op 0,01)
0 36,55 : 2 = q 18,275 ............... r ............ (tot op 0,001)
50 : 5 = 10 ≈ ......................................................................
40 : 2 = 20 ≈ ......................................................................
T E,t h d 4 9, 6 0 4 5 – 4 6 4 5 – 1 0 1 0 – 0
T E,t h d 5 9,92
18,96 r ............ 0,01 (tot op 0,01) 56,89 : 3 = q ............... 60 : 3 = 20 ≈ ......................................................................
5 6, 8 3 – 2 6 2 4 – 2 8 2 7 – 1 1 – 0, 0
9
3 18,96
9 8 1
3 6, 5 5 0 2 – 1 6 1 6 – 0 5 4 – 1 5 1 4 – 1 0 1 0 – 0
2 18,275
Het deeltal is 6,5. De deler is 4. Deel tot de rest 0 is. 1,625 Het quotiënt is .......................... 6, 5 0 0 4 – 2 5 2 4 – 1 0 8 – 2 0 2 0 – 0
4 1,625
114,2 r ............ 0,6 (tot op 0,1) 800 : 7 = q ...............
181,75 r ............ 0 727 : 4 = q ............... (tot op 0,01)
700 : 7 = 100 ≈ ......................................................................
800 : 4 = 200 ≈ ......................................................................
8 0 0, 7 – 1 0 7 – 3 0 2 8 – 2 1 – 0,
74
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 74
0
0 4 6
7 114,2
Als ik niet verder kan delen, plaats nullen ik ................................ bij. Soms moet ik daarvoor eerst de komma plaatsen. ........................................
7 2 7, 0 0 4 – 3 2 3 2 – 0 7 4 – 3 0 2 8 – 2 0 2 0 – 0
4 181,75
9/13/11 4:25:15 PM
CIJFEREN: DELEN TOT OP 0,001 NAUWKEURIG 1,266 r ............ 0,004 (tot op 0,001) 7,6 : 6 = q ............... 6:6=1 ≈ ...................................................................... 7, 6 0 6 – 1 6 1 2 – 4 0 3 6 – 4 3 – 0, 0 0
2
0
6 1,266
0 6 4
LES 119
Het deeltal is 9. De deler is 4. Deel tot de rest 0 is. 2,25 Het quotiënt is .................. 9, 0 0 8 – 1 0 8 – 2 0 2 0 – 0
4 2,25
Los op. Reken netjes!
Vier vrienden volgen samen een synthesizerworkshop. In totaal betalen ze 135 euro inschrijvingsgeld. Hoeveel betalen ze elk?
Met een optreden verdienen ze 197 euro. Eén vijfde geven ze aan een goed doel. Hoeveel is dat?
Ze betalen elk € 33,75. ..............................................................................
Dat is € 39,40. ..............................................................................
1 3 5, 0 0 1 2 – 1 5 1 2 – 3 0 2 8 – 2 0 2 0 – 0
4 3 3, 7 5
Wat is de helft van 9 765? 4 882,5 ..........................................
9 7 6 5, 0 8 – 1 7 1 6 – 1 6 1 6 – 0 5 4 – 1 0 1 0 – 0
2 4 8 8 2, 5
1 9 7, 0 1 5 – 4 7 4 5 – 2 0 2 0 – 0
5 3 9, 4
Delen tot op 0,1 nauwkeurig 1 wil zeggen delen tot het quotiënt ...... cijfer na de komma bevat.
Delen tot op 0,01 nauwkeurig wil zeggen delen tot het 2 cijfers na de quotiënt ...... komma bevat.
Delen tot op 0,001 nauwkeurig wil zeggen delen tot het quotiënt 3 cijfers na de ...... komma bevat.
75
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 75
9/13/11 4:25:20 PM
LES 120
OPPERVLAKTE VAN EEN RECHTHOEK
1
Duid de omtrek aan met groen, de oppervlakte met rrood. ood oo d
2
Hoeveel flesjes zijn er?
24 flesjes. 6 rijen van 4 flesjes of ......
3
Bereken. Schrijf ook op hoe je het uitgerekend hebt.
5 x 8 = 40 aantal tegels: ...................................................
4
24 flesjes. 4 rijen van 6 flesjes of ......
3 x 10 = 30 aantal brikken: ...................................................
Bereken de oppervlakte van deze figuren.
Verdeel deze figuur eerst zelf in cm2. 33 cm2. De oppervlakte is ......
76
30 cm2. De oppervlakte is ......
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 76
9/13/11 4:25:24 PM
LES 120
OPPERVLAKTE VAN EEN RECHTHOEK
47 cm2. De oppervlakte is ......
5
Los deze raadsels samen met je buur op.
6 volledige tegels. Achter deze spiegel zitten ......
6
15 appels. In dit krat zitten ......
Teken en vul in.
Teken een rechthoek met een oppervlakte van 12 cm2 die anders is dan die van je buur.
of
of rechthoek van 1 cm x 12 cm
Teken een veelhoek met een oppervlakte van 10 cm2. Het mag geen rechthoek zijn! meerdere oplossingen mogelijk
Teken een rechthoek met als lengte 3 cm en als breedte 2 cm.
De oppervlakte is ................... 6 cm2
7
Kijk naar de foto van de tafel. Elke tegel heeft een oppervlakte van 1 dm2.
7 dm De breedte van de tafel is .................. 13 dm De lengte van de tafel is .................. 91 dm2 De oppervlakte van de tafel is .................. ₏ 182 Een tegel kost ₏ 2. Wat kosten alle tegels samen? ..................
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 77
77
9/13/11 4:25:35 PM
LES 121 1
0,7 =
2
Schrijf het kommagetal als een breuk. Let op: vereenvoudig de breuk zo ver mogelijk. 7 ... 10 ...
0,03 =
0,6 =
BREUKEN EN KOMMAGETALLEN
3 ... 100 ...
6 ... 3 ... = 10 5 ... ...
4 = 1 0,04 = ……………… 100 25
9 0,9 = ……………………… 10
5 = 1 0,5 = ……………… 10 2
3 0,003 = ……………………… 1 000 85 0,85 = ……………………… 100
5 0,005 = ……………… = 1 1 000 200 75 = 3 0,75 = ……………… 100 4
2 0,02 = ……………………… 100
250 = 1 0,250 = ……………… 1 000 4
20 0,20 = ……………………… 100
33 ... 0,33 = 100 ... 2 1 ... ... 0,002 = = 1 000 500 ... ...
Schrijf de breuk als een kommagetal.
Ik lees het kommagetal en ik weet de breuk! Soms kan ik dan nog vereenvoudigen ...
Ik lees de breuk en hoor het kommagetal! Zo doe ik het ... 18 = 18 honderdsten = 0,18 100
8 4 0,8 = 8 tienden = = 10 5
3
En nu iets moeilijker!
4 2 ... 04 = = ...,... 5 ...…… 10
25 5 ... 25 = = ...,... 2 ...…… 10
18 9 ... 0 18 = = ...,... 50 ...…… 100
35 7 ... 0 35 = = ...,... 20 ...…… 100
12 3 ... 0 12 = = ...,... 25 ...…… 100
15 3 ... 0 015 = = ...,... 200 1...…… 000
4
Ik zoek eerst een gelijkwaardige breuk met noemer 10, 100 of 1 000. 4 = 8 = 0,8 5 10
groe oen oe n wat het meest is en ro rood od d wat het minst is. Kleur in elke rij gr groen
Nu weet ik het! Breuken en kommagetallen zijn familie van elkaar!
3 kg 4 2 l 5
0,800 0,80 0, 800 80 0 kg
700 70 0 gram grram m
een kwart l
0 0, 0,200 200 20 0l
0,3 km
een ee n ha halv halve lve lv e km
1 km 4
250 2 0 me 25 m meter t r te
driekwart drie dr iekw ie kwar kw artt km ar
0,7 km
2,2 m 2,2
9 m 10 0
0,99 m
78
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 78
9/13/11 4:25:47 PM
LES 121
BREUKEN EN KOMMAGETALLEN 5
Kleur de paasklokken. Geef dan de eieren de kleur van de klok waar ze bij horen.
6 10 ROOD
0,25 BLAUW
0,40 0 40 0, 0 GROEN GR GROE ROE OEN N
2 25 GEEL GEEL
25 100
1 4
3 5
0,08 0,08
60h 40 100 1 0 10 2t 5h
6
2 5
6t
Zet de gegeven getallen op de juiste plaats op de getallenas. Verbind. 1 2
7 10
0,3
11 10
1 5
0
1 1 4
7 4
0,5
0
7
8 100 100
0,75
3 2
1
2
Teken zelf een getallenas en plaats er de volgende getallen op: 0 - 1 - 9 - 0,5 - 1 10 5
0
1 5
0,5
9 10
1
79
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 79
9/13/11 4:25:55 PM
LES 122 1
Vereenvoudig de breuken.
BREUKEN: HERHALING 2
Dit gaat al vlot! Vergeet je antwoord niet te vereenvoudigen!
8 4 = ......... 3 6
5 7 12 = 4 + = .................. 9 3 9 9
5 1 = ......... 6 30 21 3 = ......... 70 10 20 2 = ......... 50 5 5 1 = ......... 100 20
3
5 3 2 = 1 – = .................. 4 2 4 4
9 1 8 =1 – = .................. 8 8 8
1+
3 8 = .................. 5 5
3 2 5 = 1 + = .................. 10 10 10 2
1–
5 1 = .................. 6 6
3 5 8 =2 + = .................. 4 4 4
2+
1 5 = .................. 2 2
7 4 3 – = .................. 5 5 5
Breuken in de muziekschool
Welke instrumenten kiezen de leerlingen van muziekschool De Pupiter? a Welk deel van de kinderen speelt viool? Vereenvoudig de breuk als je kunt.
b Welk deel van de kinderen speelt gitaar? Vereenvoudig de breuk als je kunt.
1 ... van de kinderen 10 ...
1 ... van de kinderen 5 ...
c Welk deel van de kinderen bespeelt een blaasinstrument? Vereenvoudig de breuk als je kunt.
d De piano, de gitaar en de viool zijn snaarinstrumenten. Welk deel van de kinderen bespeelt een snaarinstrument? Vereenvoudig de breuk als je kunt. 1 ... van de kinderen 2 ...
1 ... van de kinderen 2 ... e In totaal zijn er 240 kinderen ingeschreven in de muziekschool. Hoeveel kinderen volgen viool?
f Hoeveel kinderen volgen dwarsfluit?
24 kinderen .........
72 kinderen .........
g De leerkracht van piano geeft elke week 1 uur les per groepje van 4 leerlingen. Hoeveel lesuren moet ze per week geven?
h Er is een optreden voor de ouders. In totaal 7 doet van de kinderen mee. Welk deel van 10 de kinderen doet niet mee?
48 : 4 = 12
80
12 lesuren .........
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 80
3 van de kinderen ... 10 ...
9/13/11 4:25:58 PM
LES 122
BREUKEN: HERHALING 4
Zet de juiste breuk bij het streepje. Gebruik je meetlat als dat nodig is.
1 3
0
1
0
1
7 10
2 = 1 4 2
0
5
3 4
1
Teken wat gevraagd wordt. Gebruik je meetlat!
Teken een getallenas met daarop de getallen 0 – 1 – 2 – 4 . 3 3 2 4 1 3 3 Teken een getallenas met daarop de getallen 0 – 1 – 0,2 – 9 – 1 . 10 2 0
0
0,2
1 2
1
9 10
Teken een getallenas met daarop 0 – 1 – 5 – 1 . 8 4 0
6
1 4
5 8
1
Zoek een passende breuk uit de saxofoon.
1 (of 1 of 1 ) Een stambreuk. ......... 2 7 3 1 Een breuk die gelijkwaardig is met de breuk 5 . ......... 2 10 1 Een stambreuk die kleiner is dan 1 . ......... 5 7 2 Een breuk die kleiner is dan 3 , maar dezelfde noemer heeft. ......... 7 7 3 Een breuk die groter is dan 1 geheel. ......... 2 3 Een breuk die kleiner is dan 3 , maar dezelfde teller heeft. ......... 9 7 10 Een breuk die gelijk is aan 1 geheel. ......... 10 2 Een breuk die gelijk is aan 0,20. ......... 10
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 81
2 100 2 10
10 12
1 2 3 9
1 3 10 10
1 7 3 2
5 7 2 7
81
9/13/11 4:26:00 PM
LES 123
82
1
Teken alle diagonalen in deze veelhoeken.
2
Teken de diagonalen en kruis aan wat past.
VIERHOEKEN - DIAGONALEN
vierkant Deze figuur is een .................................
ruit Deze figuur is een .................................
X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ X De diagonalen zijn even lang. ❏ ❏ X De diagonalen snijden elkaar middendoor.
X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏
trapezium Deze figuur is een .................................
trapezium Deze figuur is een .................................
❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.
❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. X De diagonalen zijn even lang. ❏ ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 82
9/13/11 4:26:01 PM
LES 123
VIERHOEKEN - DIAGONALEN 3
Welke vierhoek kan hier verborgen zitten? Schrijf alle mogelijkheden op.
Kies uit: vierhoek - trapezium - parallellogram - rechthoek - ruit - vierkant.
rechthoek ................................................
rechthoek ................................................
parallellogram ................................................
................................................
trapezium ................................................
trapezium ................................................
4
De diagonalen zijn al getekend. Teken jij de vierhoek?
vierkant Deze figuur is een .................................
parallellogram Deze figuur is een .................................
vierhoek Deze figuur is een .................................
rechthoek Deze figuur is een .................................
5
Teken wat gevraagd wordt.
Dit moet een parallellogram worden. Twee zijden staan er al.
Teken een rechthoek. De langste zijde staat er al.
meerdere oplossingen mogelijk
83
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 83
9/13/11 4:26:02 PM
CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING
LES 124 1
Optellen met kommagetallen gaat vlot! 819,80 391,83 + 427,97 = ............
124,35 35,7 + 88,65 = ...............
400 + ......... 400 = ......... 800 ≈ .........
40 + ......... 90 = ......... 130 ≈ .........
1
+
1
1
3
9
1,
8
3
4
2
7,
9
7
8
1
9,
8
0
+ 1
1
1
3
5,
7
0
8
8,
6
5
2
4,
3
5
3,428 + 7,38 = ............ 10,808
55 + 68,7 + 132 = ............ 255,7
3 + ......... 7 = ......... 10 ≈ .........
60 + 70 + 130 = 260 ≈ ...............................................................
1
+ 1
3,
4
2
7,
3
8
0,
8
0
8
1
1
1
3
2
5
5
6
8,
7
5
5,
7
8 + 2
2
En nu aftrekken! 24,39 39,06 – 14,67 = ............
84,65 253,45 – 168,8 = ............
40 – ......... 15 = ......... 25 ≈ .........
250 – ......... 170 = ......... 80 ≈ .........
8
9 10
16
1
14
12
14
3
9,
0
6
2
5
3,
4
5
1
4,
6
7
1
6
8,
8
0
8
4,
6
5
–
– 2
–
84
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 84
4,
3
9
194,95 477,7 – 282,75 = ............
768,97 777,77 – 8,8 = ............
480 – ......... 280 = ......... 200 ≈ .........
780 – ......... 10 = ......... 770 ≈ .........
3
17
6
16
10
4
7
7,
7
0
2
8
2,
7
5
7
6
16
17
7
7,
7
7
8,
8
0
8,
9
7
– 1
9
4,
9
5
7
6
9/13/11 4:26:03 PM
CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING 3
LES 124
En nu met maal! 1 529,44 4 x 382,36 = ..................
4,68 6 x 0,78 = ..................
4 x 400 = 1 600 ≈ ............................................................
6x1=6 ≈ ............................................................
3
8
2,
3
6
0,
4
x 1
5
2
9,
4
7
6
x
4
2
1
8
4,
3
6
8
4
4
84 35 x 2,4 = ..................
282,68 74 x 3,82 = ..................
35 x 2 = 70 ≈ ............................................................
70 x 4 = 280 ≈ ............................................................
2,
4
3
5
3,
x
x
+
1
2
0
2
7
2
0
1
8
4,
0
In het product staan evenveel cijfers na de komma als in het vermenigvuldigtal ....................................
4
8
2
7
4
1
1
5
2
8
3
2
6
7
4
0
1
2
8
2,
6
8
5
+
Had je een fout? Waaraan lag dat? • Maakte je een rekenfout? • Stond de komma verkeerd? • Was je de komma vergeten? • Had je de getallen niet goed geschikt? • ...
Delen
a Als je goed rekent, blijft hier geen rest over. 96,28 r ............ 0 385,12 : 4 = q ...............
175,115 r ............ 0 525,345 : 3 = q ...............
400 : 4 = 100 ≈ ......................................................................
600 : 3 = 200 ≈ ......................................................................
3 8 5, 1 2 3 6 – 2 5 2 4 – 1 1 8 – 3 2 3 2 – 0
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 85
4 96,28
Ik plaats de komma in het quotiënt als ik die tegen........................... kom in het ........................... deeltal ...........................
5 2 5, 3 4 5 3 – 2 2 2 1 – 1 5 1 5 – 0 3 3 – 0 4 3 – 1 5 1 5 – 0
3 175,115
85
9/13/11 4:26:04 PM
CIJFEREN MET KOMMAGETALLEN: HERHALING
LES 124
b Reken uit tot je rest 0 hebt. Misschien moet je nullen bijplaatsen! 128,4 r ............ 0 642 : 5 = q ...............
5,725 r ............ 0 45,8 : 8 = q ...............
650 : 5 = 130 ≈ ......................................................................
48 : 8 = 6 ≈ ......................................................................
6 4 2, 0 5 – 1 4 1 0 – 4 2 4 0 – 2 0 2 0 – 0
5 128,4
4 5, 8 0 0 4 0 – 5 8 5 6 – 2 0 1 6 – 4 0 4 0 – 0
8 5,725
c Reken uit. Tussen de haakjes staat hoe ver je moet rekenen. 108,66 r ............ 0,02 (tot op 0,01) 326 : 3 = q ...............
102,571 r ............ 0,003 (tot op 0,001) 718 : 7 = q ...............
300 : 3 = 100 ≈ ......................................................................
700 : 7 = 100 ≈ ......................................................................
3 2 6, 0 0 3 – 0 2 6 2 4 – 2 0 1 8 – 2 0 1 8 – 2
3 108,66
7 1 8, 0 0 0 7 – 0 1 8 1 4 – 4 0 3 5 – 5 0 4 9 – 1 0 7 – 3
7 102,571
65,56 r ............ 0,02 (tot op 0,01) 524,5 : 8 = q ...............
58,666 r ............ 0,004 (tot op 0,001) 352 : 6 = q ...............
560 : 8 = 70 ≈ ......................................................................
360 : 6 = 60 ≈ ......................................................................
5 2 4, 5 0 4 8 – 4 4 4 0 – 4 5 4 0 – 5 0 4 8 – 2
86
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 86
8 65,56
3 5 2, 0 0 0 3 0 – 5 2 4 8 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4
6 58,666
9/13/11 4:26:08 PM
LES 125
DE MILLILITER 1
Vul in. 1 milliliter is de inhoud van een kleine vingerhoed. 1 000 milliliter of 1 l = ............ 1 000 ml 1 liter = ............ 1 000 vingerhoedjes in een brik van 1 l. Er gaan ............ 20 druppels van een 1 milliliter is ongeveer ...... druppelteller.
2
Schat eerst hoeveel erin kan. Meet daarna met een druppelteller of een kleine vingerhoed.
meerdere oplossingen mogelijk We schatten:
We meten:
een koffielepel
....................................................
....................................................
een eetlepel
....................................................
....................................................
het dopje van een vulpen
....................................................
....................................................
3
Schrijf met een breuk en een kommagetal. 1 ml =
5 • In een koffielepel kan ......... ml of 10 ml of • In een eetlepel kan .........
5 ......... 0,005 l. l of ............... 1 000
10 ......... 0,010 l. l of ............... 1 000
1 ml of • In een inktpatroon kan .........
4
1 l = 0,001 l 1 000
1 ......... 0,010 l. l of ............ 1 000
Vul in. 8 ......... 0,008 l l = ............ 1 000
700 ml =
700 ......... 0,700 l = ......... 0,7 l l = ............ 1 000
10 ml =
10 ......... 0,010 l = ......... 0,01l l = ............ 1 000
850 ml =
850 ......... 0,850 l = ......... 0,85 l l = ............ 1 000
20 ml =
20 ......... 0,020 l = ......... 0,02l l = ............ 1 000
999 ml =
999 ......... 0,999 l l = ............ 1 000
12 ml =
12 ......... 0,012 l l = ............ 1 000
99 ml =
99 ......... 0,099 l l = ............ 1 000
150 ml =
150 ......... 0,150 l = ......... 0,15 l l = ............ 1 000
100 ml =
100 ......... 0,100 l = ......... 0,1 l l = ............ 1 000
680 ml =
680 ......... 0,680 l = ......... 0,68 l l = ............ 1 000
125 ml =
125 ......... 0,125 l l = ............ 1 000
676 ml =
676 ......... 0,676 l l = ............ 1 000
8 ml =
87
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 87
9/13/11 4:26:13 PM
LES 125 5
DE MILLILITER
Wat is de inhoud van een blikje cola?
33 In een blikje cola kan ............... cl. Denk hieraan: 1 cl =
6
1 l = ............ 0,01 l. 100
Schrijf met een breuk en een kommagetal.
8 ...... 100 10 ...... 10 cl = 100 15 ...... 15 cl = 100 29 ...... 29 cl = 100 8 cl =
7
30 ...... 100 50 ...... 50 cl = 100 89 ...... 89 cl = 100 99 ...... 99 cl = 100
0,08 l l = .........
30 cl =
0,10 l = ......... 0,1 l l = ......... 0,15 l l = ......... 0,29 l l = .........
0,30 l = ......... 0,3 l l = ......... 0,50 l = ......... 0,5 l l = ......... 0,89 l l = ......... 0,99 l l = .........
Op een brikje melk staat 0,2 l. Hoeveel zit erin?
2 In het brikje melk kan ............... dl.
8
Denk hieraan: 1 dl =
1 0,1 l. l = ......... 10
Schrijf met een kommagetal.
0,2 2 dl = ............... l
0,8 8 dl = ............... l
0,7 l 7 dl = ...............
0,5 5 dl = ............... l
0,4 4 dl = ............... l
0,9 l 9 dl = ...............
9
Nu alles door elkaar! Schrijf met een kommagetal.
0,75 l 75 cl = ............
0,50 l 50 cl = ............
0,150 l 150 ml = ............
5 500 cl = ............ l
0,250 l 250 ml = ............
0,128 l 128 ml = ............
0,5 l 5 dl = ............
0,85 l 85 cl = ...............
10
Rangschik.
0,25 l 0,128 l ...............
11
200 ml <
200 ml ...............
8 dl <
0,25 l ...............
0,128 l <
60 cl ...............
60 cl <
8 dl ...............
Overleg met je buur. Heeft Piet gelijk?
Piet wil voor de verjaardag van opa een fles wijn kopen. Hij ziet twee flessen met een mooi etiket staan. Ze kosten allebei 8 euro. Ik neem de fles van 750 ml want daar zit het meest in, denkt Piet. Wat denken jullie? In beide flessen zit evenveel wijn:
88
75 cl = 750 ml ...............................................................................................
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 88
9/13/11 4:26:17 PM
LES 126
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE 1
2
Welke paren zijn symmetrisch? Kruis aan.
❏ symmetrisch
X symmetrisch ❏
❏ symmetrisch
X niet symmetrisch ❏
❏ niet symmetrisch
X niet symmetrisch ❏
Teken de symmetrieassen van deze vlakke figuren.
(...)
89
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 89
9/13/11 4:26:23 PM
LES 126 3
SPIEGELINGEN EN SYMMETRIE
Knipfiguren
Het grijze stuk wordt uitgeknipt en opengevouwen. Schets hoe de opengevouwen figuur eruit zal zien.
schets:
4
schets:
Kleur zo weinig mogelijk vakjes om de figuur symmetrisch te maken. Teken de symmetrieas in het groen.
Het kan met 1 vakje!
5
schets:
Het kan met 2 vakjes!
Schrijf hieronder alle letters van het alfabet die symmetrisch zijn. Maak dan een zo lang mogelijk woord met enkele van die letters.
Symmetrische letters: ABCDEHIKMOTUVWXY ........................................................................... ........................................................................... Dit woord heb ik gevonden: meerdere oplossingen mogelijk ...........................................................................
90
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 90
9/13/11 4:26:24 PM
HOOFDREKENEN: +, –, 1
X
EN : TOT 10 000
LES 127
Reken uit.
6 910 4 560 + 2 350 = ............................................................................................................................................ 7 520 8 750 – 1 230 = ............................................................................................................................................ 8 000 20 x 400 = ............................................................................................................................................ 3 750 3 x 1 250 = ............................................................................................................................................ 90 5 400 : 60 = ............................................................................................................................................ 802 4 812 : 6 = ............................................................................................................................................
2
Reken uit. Let op: het kan handig! 1 748 1 450 + 298 = ............................................................................................................................................ 4 560 19 x 240 = ............................................................................................................................................ 7 660 8 650 – 990 = ............................................................................................................................................ 1 410 1 298 + 112 = ............................................................................................................................................ 1 440 5 x 288 = ............................................................................................................................................ 290 1 450 : 5 = ............................................................................................................................................ 7 992 8 x 999 = ............................................................................................................................................ 655 2 620 : 4 = ............................................................................................................................................
3
4
Reken uit.
4 690 1 488 + 3 202 = ...................
999 1 045 – 46 = ...................
5 683 2 561 + 3 122 = ...................
9 510 5 430 + 4 080 = ...................
6 303 9 327 – 3 024 = ...................
8 228 7 312 + 916 = ...................
4 000 3 250 + 750 = ...................
7 990 8 250 – 260 = ...................
3 148 7 800 – 4 652 = ...................
1 117 1 028 + 89 = ...................
1 785 2 000 – 215 = ...................
4 182 9 392 – 5 210 = ...................
850 5 x 170 = ...................
312 1 248 : 4 = ...................
1 563 3 x 521 = ...................
5 600 80 x 70 = ...................
1 104 6 624 : 6 = ...................
10 000 8 x 1 250 = ...................
7 230 6 x 1 205 = ...................
2 500 10 000 : 4 = ...................
3 407 6 814 : 2 = ...................
3 000 20 x 150 = ...................
50 3 500 : 70 = ...................
9 7 200 : 800 = ...................
Reken uit. Je kunt schakelen! 2 614 1 750 + 614 + 250 = ....................................
7 000 250 x 7 x 4 = ...................................................
4 220 3 620 + 560 + 40 = ....................................
2 400 8 x 150 x 2 = ...................................................
1 900 1 510 + 165 + 225 = ....................................
450 2 x 25 x 9 = ...................................................
4 640 3 815 + 780 + 45 = ....................................
3 400 17 x 50 x 4 = ...................................................
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 91
91
9/13/11 4:26:27 PM
LES 127 5
6
7
HOOFDREKENEN: +, –,
EN : TOT 10 000
Reken handig. 3 510 2 520 + 990 = ...................
2 510 3 500 – 990 = ...................
3 150 9 x 350 = ...................
4 667 4 568 + 99 = ...................
3 202 4 200 – 998 = ...................
513 19 x 27 = ...................
8 423 6 523 + 1 900 = ...................
735 2 635 – 1 900 = ...................
3 520 11 x 320 = ...................
7 768 7 570 + 198 = ...................
890 1 870 – 980 = ...................
2 340 260 x 9 = ...................
6 623 3 625 + 2 998 = ...................
2 649 5 647 – 2 998 = ...................
3 960 99 x 40 = ...................
6 601 5 602 + 999 = ...................
4 540 6 520 – 1 980 = ...................
1 064 19 x 56 = ...................
2 450 10 x 245 = ...................
1 320 5 x 264 = ...................
490 2 450 : 5 = ...................
5 800 58 x 100 = ...................
3 400 50 x 68 = ...................
76 3 800 : 50 = ...................
4 980 498 x 10 = ...................
1 080 216 x 5 = ...................
1 560 7 800 : 5 = ...................
3 400 100 x 34 = ...................
3 100 62 x 50 = ...................
124 6 200 : 50 = ...................
7 890 10 x 789 = ...................
1 180 236 x 5 = ...................
680 3 400 : 5 = ...................
2 700 27 x 100 = ...................
400 16 x 25 = ...................
94 4 700 : 50 = ...................
Dit kan makkelijk!
Vul in: = of ≠. Denk goed na. Misschien hoef je zelfs niet te rekenen! = 1 350 + 112 1 345 + 117 ...
3 002 – 58 ≠ ... 3 000 – 60
= 3 x 500 6 x 250 ...
= 2 700 : 2 50 x 27 ...
≠ 500 + 250 450 + 200 ...
= 5 000 – 150 5 020 – 170 ...
= 486 : 2 4 860 : 20 ...
8
X
= 28 x 4 2 800 : 25 ...
≠ 10 x 824 5 x 412 ...
4 200 : 20 ≠ ... 8 400 : 10
= 3 800 + 162 3 795 + 167 ...
= 50 x 21 25 x 42 ...
Let op de haakjes en de volgorde van de bewerkingen! 6 000 5 x 20 x 60 = .......................................
2 480 4 x (960 – 340) = .......................................
530 5 300 : 5 : 2 = .......................................
1 200 (4 800 : 8) x 2 = .......................................
2 150 7 800 – 5 600 – 50 = .......................................
2 520 1 320 + 3 600 : 3 = .......................................
2 250 7 800 – (5 600 – 50) = .......................................
2 700 2 500 + 50 x 4 = .......................................
92
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 92
9/13/11 4:26:28 PM
LES 128
HERHALING G 1
9 0,9 = …………………………… 10 6 3 0,06 = …………………………… = 100 50 5 = 1 0,5 = …………………………… 10 2
2
3
42 21 0,42 = …………………………… = 100 50 8 1 0,008 = …………………………… = 1 000 125 5 1 0,05 = …………………………… = 100 20
8 = 4 0,8 = …………………………… 10 5 6 = 3 0,006 = …………………………… 1 000 500 25 = 1 0,25 = …………………………… 100 4 4b
Schrijf de breuk als een kommagetal.
7 = …………………………… 0,7 10
30 = 0,30 6 = …………………………… 100 20
4 = …………………………… 0,04 100
6 = …………………………… 0,006 1 000
16 = 0,16 4 = …………………………… 25 100
25 = 0,025 5 = …………………………… 200 1 000
65 = …………………………… 0,65 100
18 = 0,18 9 = …………………………… 50 100
50 = …………………………… 0,50 100
3d
Breuken in de muziekschool
a Welk deel van de leerlingen is volwassen? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 1 ... van de leerlingen. 8 ...
1e, 2e en 3e leerjaar
middelbaar onderwijs
4e, 5e en 6e leerjaar
volwassenen
b Welk deel van de leerlingen zit in de lagere school? Schrijf de breuk zo eenvoudig mogelijk. 5 ... van de leerlingen. 8 ...
c Er zijn 20 volwassenen ingeschreven. Hoeveel leerlingen zijn er dan in totaal? Tip: kijk naar je antwoord op vraag a! 160 leerlingen. .........
4
3d,4b
Schrijf het kommagetal als een breuk en vereenvoudig die zo ver mogelijk.
d Hoeveel leerlingen zitten in het middelbaar onderwijs?
40 leerlingen. .........
3d
Vereenvoudig de breuken.
5 10 = ……………… 4 2
3 30 = ……………… 50 5
1 4 = ……………… 100 25
44 = 11 ……………… 80 20
2 8 = ……………… 100 25
1 6 = ……………… 90 15
1 8 = ……………… 40 5
1 40 = ……………… 200 5
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 93
93
9/13/11 4:26:29 PM
LES 128 5
HERHALING 3f
Zet de breuken in de juiste volgorde.
1 5
1 9
1 2
4 9
4 3
4 10
1 8
5 8
3 8
1 < ......... 1 < ......... 1 ......... 9 5 2 3 2 6 5 5 5
4 > ......... 4 > ......... 4 ......... 3 9 10 1 4 5 6 6 6
1 < ......... 3 < ......... 5 ......... 8 8 8 3 3 3 10 6 9
2 < ......... 3 < ......... 6 ......... 5 5 5
5 > ......... 4 > ......... 1 ......... 6 6 6
3 > ......... 3 > ......... 3 ......... 6 9 10
B 1
4 3 7 =1 + = ..................... 7 7 7 5 = 1 7 2 – = ..................... 2 10 10 10 5 29 4 + = ..................... 6 6
2
3
1 11 = ..................... 4 4 2 3 5 + = ..................... 9 9 9 2 =1 5 3 – = ..................... 12 6 12 12
7 5 12 = 6 + = ..................... 10 10 10 5 7 27 2+ = ..................... 10 10 4 =1 9 5 – = ..................... 4 4 4
3–
7, 8 10,11 ,
Reken uit. 4 577 2 579 + 1 998 = .....................
4 098 4 178 – 80 = .....................
9 600 5 180 + 4 420 = .....................
5 280 3 190 + 2 090 = .....................
7 302 8 573 – 1 271 = .....................
6 685 7 684 – 999 = .....................
920 4 x 230 = .....................
615 2 460 : 4 = .....................
3 455 5 x 691 = .....................
5 400 60 x 90 = .....................
1 410 7 050 : 5 = .....................
806 6 448 : 8 = ..................... 16,17 18,19 ,
Cijferen maar! 394,678 + 375,86 = ............... 770,538
5 421,05 – 873,452 = ............... 4 547,598
400 + 400 = 800 ≈ ...........................................................
5 400 – 900 = 4 500 ≈ ...........................................................
+
1
1
1
1
3
9
4,
6
7
3
7
5,
8
6
7
7
0,
5
3
8
4
13
11
10
9 10
14
10
5
4
2
1,
0
5
0
8
7
3,
4
5
2
5
4
7,
5
9
8
– 8
4
293,26 4 x 73,315 = ......................
2 841,48 36 x 78,93 = ......................
4 x 70 = 280 ≈ ...........................................................
40 x 80 = 3 200 ≈ ...........................................................
7 x
12
Reken uit. Vergeet niet te vereenvoudigen als het kan.
3,
3
1
5
7 x
4 2
9
94
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 94
3,
2
6
0
8,
2
1
1
+
2 2
1
1
1
4 3 8
7 6 4
3 7 1,
9 3
3 6
5 9 4
8 0 8
1 2
5 5 2
9/13/11 4:26:30 PM
LES 128
HERHALING 7,162 r ............ 0 28,648 : 4 = q ...............
228,7 r ............ 0 1 372,2 : 6 = q ...............
28 : 4 = 7 ≈ ......................................................................
1 200 : 6 = 200 ≈ ......................................................................
2 8, 6 4 8 2 8 – 0 6 4 – 2 4 2 4 – 0 8 8 – 0
1 3 7 2, 2 1 2 – 1 7 1 2 – 5 2 4 8 – 4 2 4 2 – 0
4 7,162
6 228,7
96,6 0,4 (tot op 0,1) 580 : 6 = q ............... r ............
54,571 r ............ 0,003 (tot op 0,001) 382 : 7 = q ...............
600 : 6 = 100 ≈ ......................................................................
350 : 7 = 50 ≈ ......................................................................
5 8 0, 0 5 4 – 4 0 3 6 – 4 0 3 6 – 4
6 96,6
Als ik niet verder kan delen, plaats ik ......................... bij. nullen Soms moet ik daarvoor eerst ................................ de komma ................................ plaatsen.
3 8 2, 0 0 0 3 5 – 3 2 2 8 – 4 0 3 5 – 5 0 4 9 – 1 0 7 – 3
7 54,571
MMR 1
28
Bereken de oppervlakte van deze figuren.
16 cm2 ......
18 cm2 ......
20 cm2 ...... 15 cm2 ......
95
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 95
9/13/11 4:26:32 PM
LES 128 2
HERHALING 21
Vul in.
4 l = ......... 0,004 l 4 ml = ...... 1 000
...... l = ......... 0,5 l 500 ml = 500 1 000
25 l = 0,025 25 ml = ...... ......... l 1 000
14 0,014 l 14 ml = ...... l = ......... 1 000
...... l = ......... 0,75 l 750 ml = 750 1 000
...... l = ......... 0,3 l 300 ml = 300 1 000
75 0,075 l 75 ml = ...... l = ......... 1 000
...... l = ......... 0,125 l 125 ml = 125 1 000
...... l = ......... 0,9 l 900 ml = 900 1 000
3
21
Schrijf met een kommagetal.
0,6 6 dl = ............ l
1,5 l 15 dl = ............
0,01 l 1 cl = ...............
0,25 l 25 cl = ...............
MK 1
34,36
Teken de diagonalen en kruis aan wat past.
trapezium Deze figuur is een ..............................
ruit Deze figuur is een ..............................
❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. ❏ De diagonalen snijden elkaar middendoor.
X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏
Deze figuur is een .............................. parallellogram
Deze figuur is een .............................. vierkant
❏ De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ De diagonalen zijn even lang. X De diagonalen snijden elkaar middendoor. ❏
X De diagonalen staan loodrecht op elkaar. ❏ ❏ X De diagonalen zijn even lang. ❏ X De diagonalen snijden elkaar middendoor.
2
Teken alle symmetrieassen van deze vlakke figuren.
40
96
110170_04N RS+4_WSc_10_CS.indd 96
9/13/11 4:26:37 PM