TALENT 6: taalschrift B - correctiesleutel

Page 1

5

C27 M83 Y74

C19 M30 Y75

6 Taalschrift B Correctiesleutel


Coördinatie: Dirk Dobbeleers Auteurs: Vicky Van Assche Daan Van op Den Bosch Delfiene Beyaert Lize Vandevelde Dirk Dobbeleers Met medewerking van: Pieter Van Biervliet

Bij TALENT voor het 6e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B en C Spellingschrift Projectbundel - Een blik op de wereld Projectbundel - Van pool tot evenaar Projectbundel - Talent Werkwoordenblok 6 Voor de leraar: Handleidingen A, B en C Zorg- en evaluatiemappen A, B en C Map curriculumdifferentiatie 6 Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 6 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8236-3 978-90-306-8221-9 D/2019/0078/82 D/2019/0078/79 Art. 569650/01 569432/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Rob Hadermann Tekeningen taalweters: Eric Bouwens Tekeningen Talentbib: Lien Geeroms, Dirk Vandamme en Rob Hadermann


THEMA

4

Film & Televisie



les 3

In de hoofdrol Ik kan voorspellingen over de tekst doen aan de hand van de (tussen)titels en illustraties. Ik kan een tekst begrijpen en er vragen over beantwoorden. Ik kan in groep een nieuwsitem maken.

1

Bekijk de illustraties. Nummer ze chronologisch. 5 4 2

3

7

2

1

6

Bekijk de de tussentitels bij fragment A tot en met G. Lees de tekst nog niet. a Waarover zal de tekst gaan? b Wat weet je al over dat onderwerp?

3

Lees met je groep jullie tekstfragment. Beantwoord de vragen. Thema 4 - les 3

5


Fragment A: Een nieuwe leerling

5

10

15

“Goedemorgen, lieve leerlingen van 6B!” Vooraan in de klas klapt juf Greet in haar handen. “Even voorstellen, klas, dit is Pieter, een nieuwe leerling.” “Senne,” zegt ze met een stemverheffing, “Pieter komt naast jou zitten, goed?” Pieter krijgt een duwtje in zijn rug en hij slalomt langsheen de boekentassen naar de aangeduide plaats. Vorige dinsdag was hij voor het eerst met mam op school. “Zeventien leerlingen: tien jongens, zeven meisjes. Eén jongen woont in jouw straat.” De directrice keek even op een klaslijst. “Senne Pauwels,” zei ze en ze bleef glimlachen, “Eikenlaan 20. Leuk, toch?” “Ik wil niet naar school”, barstte Pieter los in de auto. “Ik haat school.” “Je moet, Pieter”, zei mam moe. “Geef het een kans. Ik weet dat het veel voor je is. Verhuizen en zo ... Maar je zult zien ... Het valt allemaal best mee.” “Luister, Pieter”, zei ze terwijl ze hem aankeek. “Wat op de andere school gebeurde ...” Ze schudde haar korte blonde haren. “Dat was heel erg.” Haar stem stierf weg. “Wedden dat het hier helemaal anders wordt? Geef het een kans, oké?”

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

W

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

slalommen

zigzaggen

de stemverheffing

luider laten klinken van je stem

wegsterven

in kracht verminderen

12/07/18 13:13

a Waarom wil Pieter niet naar een nieuwe school? Hij haat school. b Waarom moet Pieter van school veranderen? Hij is verhuisd. Er was iets ergs gebeurd op zijn vorige school. c Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Regionaal nieuws’.

6

Thema 4 - les 3

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending


Fragment B: Ik haat sport!

5

10

15

In de namiddag turnen ze met meester Jan. Op weg naar de sporthal slaakt Senne een diepe zucht. “Wat?” vraagt Pieter. “Ik haat sport”, fluistert Senne terug. “We herhalen de sprongen van de vorige lessen”, roept meester Jan. Marie haalt een smartphone uit haar short en kruipt half weg achter Fatima. “Pieter, probeer jij het ook?” “Ja, meester”, zegt Pieter snel. “Senne! Jouw beurt!” “Ik kan het niet”, zegt hij wat zielig. Meester Jan schudt zijn hoofd en maakt zijn bekende cirkelgebaar. Senne zucht hoorbaar, wil protesteren, bedenkt zich en neemt een aanloop naar de volgende hindernis. Hij springt en landt wat ongelukkig met zijn achterste half op en half naast de kast. Zijn benen zwengelen hulpeloos tot hij met een pijnlijk gezicht van de leren bekleding naar beneden schuift. Pieter kijkt weg. Verbeeldt hij het zich of verstopt Marie snel haar smartphone?

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

W

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

een zucht slaken zuchten leren van leder

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

12/07/18 13:13

a Hoe voelt Senne zich in de turnles? Niet goed, want hij haat sport en kan het niet goed. b Wat doet Marie met haar smartphone in de les? Ze filmt de les en de val van Senne. c Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Sport, reporter ter plaatse’.

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending

Thema 4 - les 3

7


Fragment C: Let op, dit gebeurde eerder ...

5

10

15

20

Lezen vond Pieter altijd al moeilijk, maar nooit was het zo’n probleem als die laatste weken van november. Hardop lezen vermeed hij, hij hoefde het ook nooit te doen. Tot meester Tim ziek werd. De nieuwe juf was heel lief. “Lees jij niet graag een keertje voor, Pieter?” vroeg ze. “L...liever niet”, hakkelde Pieter, maar de juf liet hem weinig keus. En zo vocht Pieter zich door een tekstje van niet meer dan vijf zinnetjes. Toen was het voor iedereen duidelijk waarom Pieter nooit hardop las. Heleen snapte het helemaal, meer nog, ze vond het heerlijk. Toen Pieter zich met een hoofd als een tomaat door het doolhof aan lettergrepen worstelde, proestte ze het uit. Geen seconde later deed iedereen mee. Op maandag liep het al mis nog voor de bel ging. “Lees je ons vandaag weer iets voor?” vroeg Heleen liefjes. Haar vriendinnen drumden in een kring rond hem. Ze stootten elkaar aan en giechelden. “Een korte tekst. Eentje maar. Voor meer hebben we de tijd niet.” Het gegiechel werd luider. De vervangjuf kwam naar hen toe en het kliekje stoof uiteen. “Alles in orde, Pieter?” informeerde ze vriendelijk genoeg en hij knikte. De hele dag spookte het tafereel door zijn hoofd. Hij gaf enkel foute antwoorden, bij taal, in de wiskundeles, zelfs bij WO. En elke keer draaide Heleen zich naar hem om. Gegiechel en gemompel dreunden in zijn oren. Op dinsdag kon Pieter niet naar school. Braken. Buikloop. De rest van de week bleef hij thuis.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

W

de buikloop diarree, ziekte waarbij je vaak naar het toilet moet het kliekje groepje mensen dat veel met elkaar optrekt en anderen uitsluit

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

12/07/18 13:13

a Waarom leest Pieter niet graag? Hij vindt het moeilijk. De tekst is een doolhof voor hem. b Waarom moest Pieter vroeger nooit voorlezen? Hij hoefde niet voor te lezen van de meester. Die wist dat hij het moeilijk vond. c Hoe reageren de andere leerlingen als Pieter voorleest? Ze lachen hem uit. d Waarom bleef Pieter de rest van de week thuis? Hij werd ziek omdat iedereen hem uitlachte toen hij voorlas. e Maak van deze tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Buitenland’.

8

Thema 4 - les 3

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending


Fragment D: De groeten uit het verleden

20

Als Pieter die maandag na de paasvakantie zijn fiets in het rek duwt, weet hij het meteen. Er zit iets goed fout. Steels kijkt hij om zich heen en hij bemerkt Marie half verscholen achter het kleine muurtje bij de uitgang van de fietsenstalling. Met twee 5 handen houdt ze haar smartphone voor zich. Zoals elke morgen maakt Senne zich snel uit de voeten en als hij door het gangetje naar de schoolingang loopt, draait Marie haar smartphone mee. Als ze doorheeft dat Pieter haar bespioneert, lacht ze fijntjes. Ze richt haar camera nu op hem en kantelt haar hoofd. 10 “Je hebt de groeten”, zegt ze als hij zich langs haar heen wringt. Pieters adem stokt in zijn keel en hij kijkt haar aan. “Van Heleen”, zegt ze fijntjes. “Herinner je je Heleen nog? Zij weet nog wie je bent, hoor.” Ze leunt opnieuw achterover en bestudeert Pieters reactie. 15 “Wie ... Hoe ...?” begint hij met een knalrood hoofd. “Hoe ik Heleen ken? Ze is mijn nichtje. Ik zag haar onlangs op een familiefeest.” “Oh!” reageert Pieter en alweer zit die vervelende prop in zijn keel. Zonder er verder over na te denken, duwt hij Marie opzij en hij strompelt de fietsenstalling uit naar W zijn vaste schuilplaats, de toiletten. Hij draait de deur van het wc-hokje op steels slot en leunt met zijn voorhoofd tegen de koude tegelwand. “Nee,” zegt hij stiekem schor en hij slaat met zijn vuist op de muur, “niet opnieuw.” Een tijd staat hij zich vermannen daar. Tot hij zich vermant en naar de wastafel loopt. In de spiegel staart een moed krijgen krijtwit gezicht hem aan. “Je laat het niet meer gebeuren”, beveelt hij zijn spiegelbeeld. “Niet nog een keer.”

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

6

12/07/18 13:13

a Wie is Heleen? Ze is het nichtje van Marie. b Waarom is Pieter zo overstuur wanneer Marie hem de groeten doet van Heleen? Hij kent Heleen van vroeger. Er is toen iets gebeurd. Hij is bang dat het opnieuw zal gebeuren. c Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Politiek’.

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending

Thema 4 - les 3

9


Fragment E: Niet nog een keer

5

10

15

Na de middagpauze wacht Marie Pieter op bij de ingang van de kleedruimte. “Vind je het fijn bij ons op school?” vraagt ze, zonder een antwoord af te wachten. “Ik kan het hier voor jou een heel pak minder leuk maken”, waarschuwt ze. “Enkele zinnetjes op Snapchat ... Of een filmpje op YouTube. Daar speelde je al eens in mee, toch?” Pieter herbeleeft de scènes op zijn vorige school. In geen tijd ging het nieuws van zijn stotterend voorlezen de hele school rond. Overal waar hij kwam, scandeerde wel iemand zijn naam: “P...p...p...pie...ttttt...er.” Of iemand duwde een boek onder zijn neus. “Wat wil je?” vraagt Pieter vermoeid. W “We verzamelen filmmateriaal”, zegt Marie. “Voorlopig enkel van je scanderen vriendje. Senne.” hard roepen in lettergrepen “Je wilt dat filmpje op internet gooien?” “JIJ gooit dat filmpje op internet”, zegt ze gevaarlijk zacht. “Nadat je het eerst wat bewerkt. Heleen vertelde me dat je daar goed in bent, in filmpjes ... voetbalfilmpjes bewerken. Toch?” Als Pieter niet antwoordt, zet ze nog een stapje dichterbij. Pieter huivert. “Of zal ik aan iedereen op school jouw geheimpje vertellen?”

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

6

12/07/18 13:13

a “Een filmpje op YouTube. Daar speelde je al eens in mee, toch?” (r. 5-6) Wat bedoelt Marie daarmee? Er stond een filmpje van Pieter op YouTube. Het had iets te maken met het feit dat hij stottert bij het voorlezen. b Marie weet wat er op zijn vorige school met Pieter gebeurde. Wat doet ze met die informatie? Ze gebruikt de informatie om hem een filmpje van Senne te laten bewerken en online te laten zetten. Ze chanteert hem. c Waarom zou ze dat doen? Ze doet het om Senne belachelijk te maken. Ze wil zich amuseren ten koste van iemand anders. d Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Binnenland.’

10

Thema 4 - les 3

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending


Fragment F: Vriendschap op het spel ...

5

10

15

20

“Je nummer?” herhaalt ze. “Zodat ik je via WhatsApp wat materiaal kan doorsturen?” Zonder nadenken dicteert Pieter zijn nummer. Hij keert zich van Marie af en haakt zijn fiets uit het rek. Zijn smartphone piept drie keer. Pieter negeert de berichten en zwaait zijn been over het zadel. Zoals gewoonlijk is Pieter lang voor mam thuis. Met een brede zwaai schuift Pieter zijn tas zijn kamer in. Hij schudt zijn kussen op en installeert zich op bed. Een tijd lang kijkt hij naar de voorbijdrijvende wolken door het dakraam. Ten slotte opent hij dan toch Maries eerste filmpje. Vooraan in de klas zwaait Senne zijn vlindernet in heftige bewegingen heen en weer. Zonder het te willen schiet Pieter spontaan in de lach. Als hij het filmpje een tweede keer bekijkt, voelt hij Sennes ongemak. Op zijn bed knijpt Pieter zijn ogen dicht. Moet hij zijn nieuwe vriend verraden? Denk aan de gevolgen, zegt een stemmetje in zijn hoofd. Weet je nog wat Heleen deed? Hoe dat voelde? Wil je dat opnieuw? Net nu je het leuk hebt op school. Pieter slikt en gehaast, alsof hij niet meer wil denken, begint hij het materiaal te bewerken. Het is maar een filmpje, maakt hij zichzelf wijs. Zoals hij en pap er vroeger maakten. Vóór de echtscheiding. Pap filmde de wekelijkse voetbalwedstrijden. Pieter zette ze om in grappige trailers. Zoiets wil hij nu ook maken. W Gewoon, een lollig filmpje. Meer niet. de trailer Hij herbekijkt het filmpje. Het lijkt meer een grappige opname dan delen uit een film die als een pestfilmpje. Zo erg is het niet. Zonder er verder bij stil te staan zet reclame dienen hij het online. Zijn hart klopt in zijn keel. Wat heb je gedaan?

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

12/07/18 13:13

a Wat maakt Pieter zichzelf wijs wanneer hij het filmpje voor de eerste keer ziet? Dat het gewoon een lollig filmpje is. b Wat wil hij ervan maken? Hij wil er een grappige trailer van maken. c Waarom zet Pieter het filmpje zonder verder na te denken online? Hij voelt zich er toch slecht bij en wil er snel van af zijn. d Waarom doet Pieter wat Marie hem vraagt? Hij wil zelf niet meer gepest worden. e Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen. Het komt in de rubriek ‘Film en televisie’.

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending Thema 4 - les 3

11


Fragment G: Iedereen kan het zien

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

“Wat heb je gedaan?” schreeuwt iemand bij zijn oor. Pieter valt zowat van zijn stoel van schrik. Zijn hand trilt als hij zijn hoofdtelefoon afzet. Hij draait zich om en kijkt recht in het gezicht van Senne. Pieter wordt vuurrood en zwijgt. “Ik kreeg 5 een sms’je van Marie”, zegt Senne zacht. “Met een link naar een YouTube-filmpje.” Zijn toon eindigt ergens in de hoogte. Pieter kijkt weg. Op zijn smartphone kwam een nieuw berichtje binnen. Een link. Hij hoeft niet eens te kijken. Sennes gezicht vertelt hem genoeg. “Jij maakte dat filmpje”, raadt Senne. “Toch? 10 Het is net als die voetbalfilmpjes van je.” “Ze stuurde een bericht naar iedereen in de klas. Nu zien ze allemaal W wat voor een loser ik ben.” Pieter zegt niets, maar scrolt naar de reacties verscherpen onder het filmpje. Naarmate de lijst langer wordt, verscherpen de scherper en harder worden commentaren. de commentaar tekst waarmee je reageert Meer lezen? In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6 Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

12/07/18 13:13

a Hoe reageert Senne wanneer hij het filmpje ziet? Hij is boos en teleurgesteld. b Hoe weet Senne dat Pieter het filmpje maakte? Hij raadt het. Senne kent de voetbalfilmpjes die Pieter vroeger maakte. c Hoe zou Senne zich voelen? Waarom? Hij voelt zich een loser. Hij zegt tegen Pieter: “Nu zien ze allemaal wat voor loser ik ben.” d Hoe zou Pieter zich voelen? Waarom? Hij schaamt zich. Door zijn schuld zit zijn vriend in de problemen. Hij krijgt een rood hoofd en zijn stem gaat de hoogte in. e Maak van de tekst een nieuwsitem om in het journaal te brengen Het komt in de rubriek ‘Binnenland’.

12

Thema 4 - les 3

W

het nieuwsitem bericht dat deel uitmaakt van een nieuwsuitzending


4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon voorspellingen doen bij de tekst aan de hand van (tussen)titels en illustraties. Ik kon de vragen bij de tekst beantwoorden. Ik kon vragen en antwoorden formuleren bij de stellingen. Ik kon in groep een nieuwsitem maken.

Thema 4 - les 3

13


les 4

Bouwdorp Ik kan een recensie over een filmfragment schrijven. Ik kan vragen bij een filmfragment beantwoorden. Ik kan feedback geven.

1

Bekijk de fragmenten.

2

Lees de taalweter.

Wat is een review (recensie)? In het woordenboek staat: kritische beoordeling. De review, ook wel recensie genoemd, wil andere klanten informatie geven en hen helpen om een juiste keuze te maken. Je review bestaat uit deze onderdelen: >> een algemene omschrijving   Wat is het onderwerp? >> diepgang   Krijg je voldoende informatie of niet? >> schrijfstijl   moeilijk, makkelijk, langdradig ... >> pluspunten kort herhalen en dan uitleggen (argumenten) >> minpunten kort herhalen en dan uitleggen (argumenten) >> een besluit   Welke informatie had je zelf graag willen lezen voor je het boek kocht?

14

Thema 4 - les 4


3

Vul de informatie over de film aan.   De titel is Bouwdorp.   De regisseur is Margien Rogaar.   Het onderwerp is vriendschap / pesten.

4

Geef je mening. a Vond je de film moeilijk, makkelijk, saai, langdradig, interessant, leuk ...? Tip: geef argumenten bij je mening. Vertel waarom je iets vond. Bv. Ik vond de film saai, omdat ik het hoofdpersonage niet interessant vond. b Som op wat je aantrekkelijk vond aan de film (pluspunten). Leg uit. Tip: verklap niet te veel over de inhoud. Maak de lezer nieuwsgierig. Bv. Ik vond de film makkelijk, leuk, goed te begrijpen ... Ik kon me inleven in de situatie. Het was erg herkenbaar. c Som op wat je minder aantrekkelijk vond aan de film (minpunten). Leg uit. Tip: verklap niet te veel over de inhoud. Maak de lezer nieuwsgierig. Bv. Ik vond het onderwerp niet zo interessant. Ik vond de film saai. De situatie was voor mij niet herkenbaar.

5

Wat wil je nog weten voor je de film bekijkt?

Thema 4 - les 4

15


6

Schrijf je recensie. Tip: in een goede recensie is het de kunst om het scenario, het tempo van de film, de acteerprestaties, het soort film en de soundtrack aan bod te laten komen. W

Het is de kunst om ... Het is een uitdaging. Het is iets dat je moet proberen. het scenario

korte beschrijving van de scènes waaruit een film zal bestaan

het tempo

snelheid waarmee iets gebeurt

de soundtrack

muziek bij de film

16

Thema 4 - les 4


7

a Lees de recensie van een klasgenoot. b Kruis aan welke elementen van oefening 3 tot en met 5 aan bod komen. c Geef eventueel tips en/of positieve feedback.

Je schreef een goede recensie. Je gaf de titel van de film. Je vermeldde de regisseur. Je vertelde iets over het onderwerp van de film. Je gaf je mening over de stijl (moeilijk, makkelijk, langdradig, interessant, leuk ...). Je somde de belangrijkste pluspunten op en legde ze uit. Je somde de belangrijkste minpunten op en legde ze uit. Je liet scenario, tempo, acteerprestaties, soort film en soundtrack aan bod komen. Je schreef een besluit.

BOUWDORP Thema 4 - les 4

17


8

Vergelijk het verhaal uit les 3 met het filmfragment uit deze les. a Welk onderwerp komt zowel in de tekst als in de film aan bod? pesten b Welke gelijkenis zie je tussen beide fragmenten? Het zijn telkens vrienden die elkaar beginnen te pesten. c Wordt het hoofdpersonage uit de film om dezelfde reden gepest als het personage in het boek? Leg uit. Nee, het hoofdpersonage in het boek wordt gepest omdat hij niet zo goed kan lezen. Het hoofdpersonage in de film wordt gepest omdat hij niet bij de nieuwe vriendengroep hoort. Hij doet het goed op school, zijn vriend heeft meer moeite op school. d In welk fragment zijn de meeste kinderen op de hoogte van het pesten? Wat maakt deze vorm van pesten nog vervelender? In het boek wordt er gepest via YouTube. Veel mensen kunnen het filmpje zien. Daardoor is iedereen op de hoogte. Het zet andere kinderen aan om mee te pesten. Ze kunnen op elk moment van de dag online gaan en deelnemen aan de pesterijen.

9

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vragen bij een filmfragment beantwoorden. Ik kon een recensie over een filmfragment schrijven. Ik kon omgaan met feedback van een klasgenoot op mijn recensie.

18

Thema 4 - les 4


les 6

Vind je de zelfstandige naamwoorden zelf? Ik kan zelfstandige naamwoorden, waaronder eigennamen en verkleinwoorden, herkennen en benoemen. Ik kan bepalen of een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.

1

Welk woord hoort niet in het rijtje thuis? Bespreek waarom.

nieuwsitem

media

pestgedrag

recensie

vervelend

Vervelend is een bijvoeglijk naamwooord. 2

a Lees de taalweters.

Wat zijn zelfstandige naamwoorden? Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten en dieren: >> >> >> >>

personen dingen planten dingen

papa, directeur, Carlos, juf Anna ... kast, deur, lijm, schaar ... klimop, lelie, cactus, eik, roos ... hond, schaap, dinosaurus ...

Bestaan er mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden? Ja, hoor! Er bestaan trouwens ook onzijdige naamwoorden. Het genus van het naamwoord bepaalt welk lidwoord je moet kiezen en met welk woord je naar het zelfstandig naamwoord moet verwijzen. Mannelijk

De computer is versleten. Hij werkt erg traag. Zijn geheugen zit vol.

Vrouwelijk

De peer is lekker. Ze is lekker sappig. Haar schil is mooi groen.

Onzijdig

Het schaap staat in de stal. Het heeft honger. Zijn voederbak is leeg.

Thema 4 - les 6

19


Wat is een eigennaam? Hoe heet jij?

Finn!

Noor?

We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Die eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv.  Mijn hond heet Bas. Die mannetjes zijn van Playmobil. Ik woon in de stad Brussel. Eigennamen zijn dus zelfstandige naamwoorden.

b Lees de tekst. c Kleur: de zelfstandige naamwoorden die een eigennaam zijn. de zelfstandige naamwoorden die geen eigennaam zijn.

Wie zijn hond of kat kwijt is, kan een oproep plaatsen. Dat deed Antje Vissers uit de Ringlaan te Zandhoven. Haar kat Floefy verdween twee dagen voor Kerstmis. Ze plaatste een oproep op Facebook die zomaar even 102 keer gedeeld werd. Er werd massaal gezocht, maar dat leverde aanvankelijk geen succes op. Tot Floefy op tweede kerstdag door twee dappere voorbijgangers uit de Molenbeek werd gevist. Het diertje was zo uitgehongerd dat het prompt twee potjes Felix opat.

W

aanvankelijk in het begin, eerst prompt bijna meteen

d Rangschik de eigennamen uit de tekst in de juiste kolom. plaatsnamen

namen van personen

feestdagen

Ringlaan

Antje

Zandhoven

Vissers

Molenbeek

Floefy

Kerstmis

merknamen

Facebook

Felix

e Voeg in elke kolom twee eigennamen toe. f Omcirkel de geel gekleurde woorden van oefening 2c die in het meervoud staan.

20

Thema 4 - les 6


3

a Lees de taalweter op p. 19 opnieuw. b Is het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig? Kruis aan. c Vul de zinnen aan. Kies uit: hij – zij – het

mannelijk 1 De journalist rijdt naar de brand. Hij

vrouwelijk

x

brengt verslag uit voor de krant.

2 Het internet is de laatste jaren erg populair geworden. Het

x

wordt daarvoor betaald.

4 Een advertentie maakt dus niet alleen reclame. Zij

x

wordt steeds vaker gebruikt.

3 De krant zet advertenties op haar site. Zij

onzijdig

x

brengt ook nog geld op.

Thema 4 - les 6

21


4

a Lees de taalweter.

Wat is een verkleinwoord en hoe vorm ik het? Verkleinwoorden gebruik je om: >> iets kleins aan te duiden.

>> te zeggen dat iets niet zo belangrijk is.

>> iets liefs aan te duiden.

>> te zeggen dat je iets of iemand niet leuk vindt.

Verkleinwoorden zijn zelfstandige naamwoorden met het achtervoegsel -je (of -pje, -tje, -etje) erbij. Doorgaans wordt dat achtervoegsel vast aan het grondwoord geschreven. Bv. katje, boompje, bureautje, ringetje, koninkje ... Enkele uitzonderingen: >> Eén enkele klinker aan het einde van het woord verleng ik. Bv. oma  omaatje café  cafeetje ski  skietje foto  fotootje >> In de lettergreep voor -etje verdubbel ik. Bv. bal  balletje bril  brilletje >> Ik schrijf ‘tje na een u (uitgesproken als oe) en na een medeklinker + y. Bv. tiramisu’tje, baby’tje ... >> Er zijn ook verkleinwoorden die je niet groter kunt maken. Bv.  meisje, sneeuwklokje, sprookje ...

22

Thema 4 - les 6


b Kleur in de spreuken en uitdrukkingen: de verkleinwoorden. Let op! Niet in elke zin staat een verkleinwoord. 1 Als puntje bij paaltje komt.

6 Iets op zijn duimpje kennen.

2 Hij is het zonnetje in huis.

7 Ieder diertje zijn pleziertje.

3 Boontje komt om zijn loontje.

8 Voor iemand de kastanjes uit het vuur halen.

4 Zijn mannetje kunnen staan.

9 Hij heeft een eigen willetje.

5 Ergens een boompje over opzetten.

10 Als een lopend vuurtje.

c Zoek de betekenis van een van de spreuken of uitdrukkingen in het (online)woordenboek. d Kleur in de uitspraken: de verkleinwoorden. 1 Van iemand die steeds verkleinwoordjes gebruikt, krijg ik maagkrampjes. 2 Als je wilt dat je kinderen intelligent zijn, lees ze dan sprookjes voor. Als je wilt dat je kinderen briljant zijn, lees ze er dan meer voor. (Albert Einstein) 3 Er bestaat geen betere beloning dan een schouderklopje.

W

het schouderklopje aanmoediging

Thema 4 - les 6

23


e Kleur in de reclameboodschappen: de verkleinwoorden. 2

1

e om waren? allen?

plegen.

V.U.: Chris Vander Auwera, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, Koning Albert II-laan 35 bus 33, 1030 Brussel

De beste ketchup, dat proef je!

3

Het autootje van uw kleinzoon kan gevaarlijker zijn dan het verkeer.

4

6

5

Olvarit Stoofpotje voor baby’tjes vanaf 6 maanden

7

Mona!

8

Het lekkerste roze puddinkje

De kracht van een kettinkje

24

Thema 4 - les 6


f Schrijf de woorden uit oefening 4b, 4d en 4e in de juiste kolom. -je

-pje puntje

-tje

-etje

-kje

boompje

paaltje

zonnetje

zomerkoninkjes

verkleinwoordjes

duimpje

boontje

mannetje

puddinkje

willetje

kettinkje

maagkrampjes

loontje

schouderklopje

diertje

kaartje

pleziertje

stoofpotje

vuurtje

verdubbeling klinker

woorden die eindigen op y

autootje

chocolaatjes

baby’tjes

zelfstandige naamwoorden die geen verkleinwoord hebben

sprookjes

g Vul elke kolom aan met een eigen voorbeeld. h Omcirkel de verkleinwoorden die in het meervoud staan.

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een zelfstandig naamwoord aanduiden in een tekst. Ik kon een eigennaam aanduiden in een tekst. Ik kon een verkleinwoord vinden in een tekst en ik weet hoe het gevormd wordt. Ik kon aangeven of een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.

Thema 4 - les 6

25


les 8

I like it! Jij toch ook? Ik kan vragen bij een filmpje beantwoorden. Ik kan een informatieve tekst lezen en begrijpen. Ik kan mijn standpunt over sociale media formuleren.

1

Bekijk het filmpje. Beantwoord de vragen. a Voor welke organisatie zamelden de ouders van Glenn geld in? voor Awel b Omschrijf de organisatie. Awel is een jongerenorganisatie. c Via welke media kunnen jongeren die organisatie bereiken?

W

via chat, mail en andere kanalen d Wat doet de organisatie voor de jongeren? Jongeren kunnen met Awel praten over allerlei problemen,

de media alle middelen waarmee informatie wordt verspreid, bv. kranten, tijdschriften, televisie, radio ...

zoals pesten of hun thuissituatie. Awel staat hen daarin bij.

2

Lees deel 1 van de tekst. Beantwoord de vragen.

5

10

Wanneer je een brief aan iemand schrijft, dan ken jij (als ‘zender’) diegene aan wie je die brief richt. Je weet wie de ontvanger is. Maar wanneer een journalist een artikel schrijft voor een krant of tijdschrift, dan weet die niet wie dat artikel zal lezen. De ‘zender’ kent in dat geval de ‘ontvanger’ niet omdat er heel veel mensen tegelijk worden bereikt.

W

het forum groep die over een bepaald onderwerp spreekt

Het internet is de laatste jaren erg populair geworden en wordt steeds vaker gebruikt. Je vindt er nieuwswebsites van bijvoorbeeld kranten met forums waarop bezoekers hun mening over de inhoud van een artikel geven.

a Wat is het verschil tussen jij die een brief schrijft en een journalist die een artikel schrijft voor een krant? bv. Als jij een brief schrijft, ken je de ontvanger. Je weet aan wie je de brief schrijft. Als een journalist een artikel schrijft, kent hij de ontvanger niet.

26

Thema 4 - les 8


b Noem twee voordelen van nieuwswebsites. Zoek het antwoord in de tekst. 1 Je kunt er het nieuws lezen. 2 Je kunt er je mening over de inhoud van een artikel kwijt. c Bedenk een nadeel van nieuwswebsites. Bv. Je kunt het artikel alleen lezen als je een computer, tablet of smartphone hebt.

3

Lees deel 2 van de tekst. Beantwoord de vragen.

5

Sociale media of social media zijn alle online platforms waar je als gebruiker zelf verantwoordelijk bent voor de inhoud. Je plaatst foto’s, filmpjes en teksten over wat je bezighoudt, wat je doet en waaraan je denkt. Je bouwt er aan een beeld van jezelf. Vaak is dat een beeld van hoe je wilt dat anderen je zien. Die anderen kunnen daar meteen op reageren. Dat is meteen het hoofdkenmerk van sociale media: je gaat er met elkaar in gesprek. Enkele bekende sociale media zijn: WhatsApp, Facebook, Snapchat, Twitter, Instagram, Pinterest en Vine.

a Wat is het grootste verschil tussen teksten van (nieuws)websites en posts op sociale media? Teksten van nieuwswebsites kun je niet veranderen of beĂŻnvloeden. Je kunt alleen je mening geven in het forum. Bij posts bepaal je zelf de inhoud en ben je daarvoor verantwoordelijk. Op jouw posts kunnen anderen reageren. b Kleur in de tekst: het hoofdkenmerk van sociale media.

Thema 4 - les 8

27


4

Lees deel 3 van de tekst. Beantwoord de vragen.

Sociale media zijn heel populair. Ze hebben een grote invloed op ons leven.

5

10

15

20

25

30

Die invloed kan positief zijn: • Je houdt contact met vrienden of familieleden die ver weg wonen. • Je vergroot je netwerk van kennissen en vrienden. • Verlegen mensen hoeven geen spreekangst te overwinnen. • Door gedeelde interesses te ontdekken, leg je contact met mensen die je anders nooit zou spreken. • Je vindt steun bij mensen die je eerder niet kende. Mensen die hetzelfde (bv. ziekte, ouders die scheiden, angsten, problemen op school ...) meemaken als jij en die daarover berichten. Maar er zijn ook negatieve kanten aan sociale media: • Sociale media kunnen verslavend zijn. Chatten met vrienden en jagen op ‘likes’ kan tijdrovend zijn. Je school- en ander werk kan eronder gebukt gaan. • Ook je slaap kan onder je gebruik van sociale media lijden. Wanneer je je smartphone of tablet meeneemt naar je kamer en je de hele tijd je statussen blijft checken op reacties en likes, dan gaat dat ten koste van je uren slaap. • Je kunt er je opgejaagd door gaan voelen. De aanhoudende stroom aan bliepjes en pings van meldingen kunnen je het gevoel geven dat je geen rust meer hebt. • Je kunt er triestig van worden. Al die perfecte foto’s en leuke statussen kunnen je het gevoel geven dat jouw leven maar saai is. • Je kunt er bang van worden. Berichten worden via sociale media ongecontroleerd gedeeld. Zo kunnen berichten over natuurrampen, gevaarlijke dieren, giftig eten ... je angst aanjagen, terwijl ze vaak fel overdreven of zelfs verzonnen zijn. • Ook mensen die anderen of jou (online) pesten kunnen ervoor zorgen dat je erg bang wordt. • Geschreven zinnen kunnen makkelijk verkeerd begrepen worden. Er is geen intonatie, je ziet geen lach of lichaamstaal. Iets wat als grap bedoeld werd, kan serieus worden opgevat. Dat zorgt vaak voor misverstanden en soms zelfs voor ruzie. I like it! Jij toch ook? | Inge Bergh

I like it! Jij toch ook? Koos jij zelf die leuke trui? Of werd je keer op keer verteld hoe mooi die trui is? Net zo lang tot je ze uiteindelijk kocht … Misschien geloof je dat jij zelf kiest wat je leuk vindt en dat de keuzes die je maakt tonen wie je bent.

I like it! Jij toch ook? Inge Bergh | Dirk Vandamme

Meer lezen? I like it! Jij toch ook? Inge Bergh, Talentbib 6

Wellicht stond je er nog niet bij stil hoe vaak je met reclame en sociale media in aanraking komt. En welk effect die hebben op wat jij koopt. Hoe beïnvloeden de media je dagelijks leven en welke trucjes gebruiken ze om je gedrag te sturen? Ontdek het in dit boek!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

6

NF-cover-leerjaar4-6-200x200-DEF.indd 13,15

W

28

13/07/18 14:09

de invloed

als iets of iemand invloed op je heeft, verandert je gedrag erdoor

het netwerk

groep van vrienden en kennissen die met elkaar in contact staan

berichten

over iets vertellen

eronder gebukt gaan

eronder lijden

de status

online bericht dat aangeeft wat je aan het doen bent

de intonatie

spreektoon, manier waarop je iets zegt

Thema 4 - les 8


a Kleur in de tekst: de twee positieve invloeden van sociale media die jij het belangrijkst vindt. b Leg je keuze uit. c Noem twee negatieve invloeden van sociale media die je zelf, een vriend(in) of je broer/zus al ervaarde. Leg uit.

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vragen bij een filmpje beantwoorden. Ik kon de tekst lezen en begrijpen. Ik kon voor- en nadelen bedenken. Ik kon mijn standpunt verdedigen.

Thema 4 - les 8

29


les 9

Excuseer me, mag ik een paar vragen stellen? Ik kan vragen opstellen voor een interview over alle onderwerpen uit het thema.

1

Je bereidt een interview voor over de onderwerpen uit dit thema.

2

a Maak een mindmap over de onderwerpen van het thema.

30

Thema 4 - les 9


b Bedenk tien vragen bij de punten uit je mindmap. Tips: – Stel vragen die beginnen met hoe, wat, wie, waar, wanneer, waarom ... – Vermijd zo veel mogelijk ja-neevragen. Formuleer bij zo’n vraag altijd een bijvraag.

bv. Welke voordelen/nadelen van sociale media hebt u al ervaren?

3

Bereid het interview mondeling voor. STAP 1:  Vertel wie je bent. STAP 2:  Vertel waarom je het interview afneemt. STAP 3:  Stel de vragen die je hebt voorbereid. Vraag door maar geef de geïnterviewde ook genoeg tijd om over de antwoorden na te denken. STAP 4:  Vraag of de geïnterviewde nog meer wil vertellen. STAP 5:  Bedank de geïnterviewde.

Thema 4 - les 9

31


4

a Oefen het interview in groep. Tip: je stelt vragen aan iemand die je niet kent. Wees beleefd en gebruik u en uw. b Pas indien nodig de vragen aan, schrap of voeg nieuwe vragen toe bij oefening 2b.

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de mindmap gebruiken. Ik kon vragen bedenken over onderwerpen uit het thema. Ik kon gerichte vragen stellen aan iemand die ik niet ken. Ik luisterde en leefde me in de boodschap in.

32

Thema 4 - les 9


les 11

Is het een toevoeglijk of een bijvoeglijk naamwoord? Ik kan bijvoeglijke naamwoorden herkennen en toevoegen. Ik kan dingen vergelijken met de trappen van vergelijking.

1

a Kleur in de tekst: de zelfstandige naamwoorden. de bijvoeglijke naamwoorden.

5

10

“Doe jij maar eerst”, zegt Senne met een bange stem. “Oké”, zegt Pieter en hij neemt een aanloop. Vanuit zijn ooghoek merkt hij Marie op. Zij filmt de les. Pieter negeert haar en concentreert zich op zijn sprong. “Prima! Dat was het betere werk.” Meester Jan klapt in zijn handen. “Senne! Jouw beurt!” Senne loopt aan en zet af. Hij zet zijn handen op de bok en ... stopt. “Ik kan het niet”, zegt hij. Meester Jan schudt zijn hoofd en maakt zijn bekende cirkelgebaar. Senne zucht hoorbaar, wil protesteren, bedenkt zich en neemt een aanloop naar de volgende hindernis.

b Lees de taalweter.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is.

Dan is 'bijvoeglijk' zelf een bijvoeglijk naamwoord!

Waar vind ik een bijvoeglijk naamwoord? Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dit zelfstandig naamwoord aan. Bv. een nieuw bankstel een groot geluk

een nieuwe iPad  een grote deugniet

Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook los. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Bv.  Vandaag ben ik zo vrolijk.

Thema 4 - les 11

33


2

Kleur in de tekst: de vier bijvoeglijke naamwoorden.

“Hallo!” zegt hij en hij schraapt zijn keel. “Ik ben Pieter Smits.” De woorden zijn niet hoorbaar en Pieter ziet een meisje de wenkbrauwen fronsen. “We horen je niet!” gilt ze uit. Haar buurmeisje begint te giechelen. “Marie en Fatima!” roept juf Greet de meisjes tot de orde. De twee trekken een schijnheilig gezicht, maar zwijgen. “Waar kom je vandaan?” vraagt een leerling op de bank vooraan. “Waar woon je?” roept een ander nog voor Pieter kan antwoorden. Hij wordt vuurrood onder die grote belangstelling.

5

3

Schrijf de tekst over en voeg minstens vier bijvoeglijke naamwoorden toe.

Eerst wist Pieter het achtergrondlawaai van stoelen en leerlingen. De beweging waar Senne met zijn vlindernet als een golfstick over de grond zwiept, zet hij in herhalingsmodus. De opname van Senne die niet uit zijn woorden komt, duurt ontzettend lang. Senne krijgt een hoofd als een tomaat. Dat shot wist Pieter.

5

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

In de hoofdrol | Hilde E. Gerard

Op zijn vorige school werd Pieter gepest om zijn dyslexie. Dat zal hem nu niet meer overkomen. Tenminste, dat neemt hij zich voor. Zorgvuldig verstopt hij zijn leesproblemen. Maar dan wordt zijn nieuwe vriend Senne het mikpunt van spot en duikt er een spook uit het verleden op. Pieter moet kiezen: laat hij zich onder druk zetten om mee te doen? Of komt hij op voor zijn vriend?

In de hoofdrol Hilde E. Gerard | Lien Geeroms

Meer lezen? In de hoofdrol, Hilde E. Gerard, Talentbib 6

6

Thema 4_In de hoofdrol_COVER.indd Alle pagina's

12/07/18 13:13

34

Thema 4 - les 11


4

a Lees de taalweter.

Wat zijn trappen van vergelijking? Leuk is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de trappen van vergelijking. Bv.  Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit! Dat kun jij zelf ook! kleiner

kleinst

klein

Hier zijn nog enkele voorbeelden: Bv.  mooi duur gek

mooier   duurder   gekker

mooist   duurst   gekst

Ken je ook deze speciale gevallen?

meer

meest

weinig

Hier zijn nog enkele voorbeelden: Bv.  graag goed

liever   beter

liefst   best

Thema 4 - les 11

35


b Voeg de juiste trap van vergelijking toe. Tip: het bijvoeglijk naamwoord dat je moet gebruiken, staat voor de zin(nen). luid

1

De meisjes stootten elkaar aan en giechelden luid. “Een korte tekst. Eentje maar. Voor meer hebben we de tijd niet.” Het gegiechel werd

graag

2

lief

3

stoer

4

Pieter is wel graag bij papa, maar hij verblijft toch zijn mama.

liever

H e-leen, lipt Marie met haar allerliefste koude rillingen van.

glimlach. Pieter krijgt er

dan Karel die vast al loopt te voetballen.

stoerder

5

boos

“Je mag je niet zo laten gaan”, zegt Pieter en hij is gepland had. “Je maakt van een mug een olifant.”

6

lang

Pieter zegt niets, maar scrolt naar de reacties onder het filmpje. Naarmate de lijst langer

goed

7

erg

8

ergste   “Weet u wat het leuk om te doen.” “Leuk om iemand te pesten?”

Ik kon bijvoeglijke naamwoorden aanduiden of toevoegen. Ik kon dingen vergelijken met de trappen van vergelijking.

Thema 4 - les 11

dan hij

goed / beter   “Je bent al  ?” merkt Johannes op als Pieter met Karel over het plein loopt. “Ja”, zegt hij. “Dan spelen we.” Johannes schopt de bal het veld op.

Hoe verliep de les voor jou?

bozer

wordt, verscherpen de commentaren.

Ik kon bijvoeglijke naamwoorden herkennen.

36

bij

Hij beseft meteen dat het de verkeerde reactie is. Cool moet hij reageren. Nog

5

.

luider

is?” vraagt hij dan. “Ik vond het bijna


les 12

Je komt als gegoten! Ik kan de correcte vorm en betekenis van gemixte spreekwoorden en uitdrukkingen vinden. Ik kan bestaande spreekwoorden en uitdrukkingen door elkaar klutsen.

1

a Kies vier spreekwoorden of uitdrukkingen die door elkaar geklutst zijn. b Zoek het correcte spreekwoord of de juiste uitdrukking bij het onderstreepte woord online of in een woordenboek op en schrijf het op. c Noteer de betekenis van het spreekwoord of de uitdrukking. 1 Je krijgt een poepje van eigen deeg. Correct

Je krijgt een koekje van eigen deeg.

Betekenis

Je wordt het slachtoffer van iets wat je zelf bedacht hebt.

2 Het is koek en deeg tussen hen. Correct

Het is koek en ei tussen hen.

Betekenis

Ze zijn erg goed bevriend.

3 Ik hoor het in donderen Keulen. Correct

Ik hoor het in Keulen donderen.

Betekenis

Ik ben erg verbaasd.

4 Je kon een speld horen donderen. Correct

Je kon een speld horen vallen.

Betekenis

Er viel een doodse stilte.

5 Ik werk me de naad uit de broek. Correct

Ik werk me uit de naad.

Betekenis

Ik doe mijn uiterste best.

6 De druppel is erover. Correct

Dat is de druppel die de emmer doet overlopen.

Betekenis

Dat is te veel.

7 Hij is een vogel zonder kat. Correct

Hij is een vogel voor de kat.

Betekenis

Hij is een hulpeloos slachtoffer.

Thema 4 - les 12

37


2

Kies vier spreekwoorden en kluts ze door elkaar zoals in oefening 1. Spreekwoord

Betekenis

Jong geleerd, oud gedaan.

Wat je in je jeugd leert, kan later van nut zijn.

De appel valt niet ver van de boom.

Het gedrag van kinderen lijkt vaak op dat van hun ouders.

Tijd is geld.

Iets dat veel tijd kost, is vaak ook duurder.

Het oog is groter dan de maag.

Meer op je bord scheppen dan je kunt opeten.

Nog nat achter de oren zijn.

Nog onervaren zijn.

Het roer stevig in handen hebben.

Goed weten waar je mee bezig bent.

Iemand de oren afzagen.

Steeds blijven aandringen.

In hart en nieren.

In volle overtuiging.

De hond in de pot vinden.

Te laat zijn voor het eten.

Brood op de plank hebben.

Voldoende inkomen hebben.

Er komt licht in de duisternis.

Er is een oplossing in zicht.

Liefde maakt blind.

Wie verliefd is, ziet de slechte dingen van de ander niet.

Iemand op stang jagen.

Iemand opzettelijk kwaad maken.

Een speld in een hooiberg zoeken.

Iets onmogelijks proberen.

1 2 3 4

3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de correcte vorm en betekenis van gemixte spreekwoorden en uitdrukkingen vinden. Ik kon bestaande spreekwoorden en uitdrukkingen door elkaar klutsen.

38

Thema 4 - les 12


les 15

Het is de kunst om betekenissen te leren. Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken.

1

Lees de taalweters.

Wat is een synoniem? Om eenzelfde voorwerp, persoon of handeling te omschrijven, kun je soms meer dan één woord gebruiken. Bv.  Anna draagt een jurk. Mieke draagt een kleedje.   Anna en Mieke dragen allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noem je synoniemen. Gebruik af en toe een synoniem in een tekst. Zo wordt het verhaal echt boeiend!

Wat is een tegenstelling? Om te beschrijven hoe het ene het omgekeerde is van het andere, gebruik je het tegengestelde woord. Bv.  Anna rent naar buiten. Simon rent naar binnen.   Anna en Simon rennen de tegenovergestelde richting uit. Woorden die het tegenovergestelde betekenen, noem je tegenstellingen.

2

Bij elk woord hoort een synoniem of een tegenstelling. Geef de woorden die bij elkaar horen dezelfde kleur. geslepen

inschrijven registreren

betrouwb

de flater

aar

sluw

aanvankelijk

onbelangrijk

de blunder

ppen

op het einde

in de war scho

verraderlijk

in goede banen leiden cruciaal

Thema 4 - les 15

39


3

Welk woord hoort bij de afbeelding? Kies uit: het forum – de regisseur – het scenario – de status

Ergen s geled in het wes en. Ee ten va n figure n n (BIL klein stad de VS, 15 0 jaar LY en je. Tw een r ev ee JE de ing olver in hu SSE) hebb ongure e n a op de ng van ee riem. Ze n allebei lopen n geb gevel n ouw . met 'B aar BILLY ank' Ben je er kla ar voo JESSE r, Jess e? (knikt entho Ik we l, Billy usiast) . Jasmina Faroud Vandaag lekker weekend, dus even naar het strand.

de status

het scenario

Thema: Verliefd Hoi, ik ben elf en ben verliefd op een jongen uit mijn klas. Vroeger deed hij altijd gemeen, maar nu is hij erg lief voor mij. Hoe kan ik weten of hij ook verliefd op mij is? gepost door Verlegen Eekhoorn op 28 juni 65 keer bekeken  10 reacties Hallo Verlegen Eekhoorn, misschien wou hij niet gemeen doen, maar plaagde hij je enkel om wat aandacht te krijgen? Dat hij nu erg lief is, is een goed teken! Probeer rustig met hem te praten. Vertel hem dat je hem bijzonder vindt en dat je graag bij hem bent. Veel succes gepost door Kranige Ridder, 23 uur geleden de regisseur

40

Thema 4 - les 15

het forum


4

Kruis de dieren aan van wie het tempo hoog ligt.

x

x

5

Welk themawoord past in de zin? Kies uit: aanvankelijk – eronder gebukt – netwerk – nieuwsitem – prompt 1

Aanvankelijk

2 Colette heeft een groot

vond ik Elise nogal vervelend, maar later bleek ze aardig te zijn. netwerk

3 Juliette heeft rood haar. Vroeger ging ze

6

4 De hond begon

prompt

5 We bekeken een

nieuwsitem

: ze heeft veel vrienden en kennissen. eronder gebukt

, maar nu is ze er trots op.

te blaffen toen de bel ging. over de orkaan in de Verenigde Staten.

Over welk onderwerp zou jij iets berichten op sociale media?

Thema 4 - les 15

41


7

Wie zegt wat? Vul aan. Kies uit: mensen te laten denken dat je eerlijk bent. – slecht te spelen en toch te winnen. – met weinig geld toch een goede film te maken. – met weinig ingrediënten toch een bijzonder gerecht te maken. 1 de regisseur Het is de kunst om met weinig geld

Het is de kunst om mensen te laten

toch een goede film te maken.

denken dat je eerlijk bent.

2 de voetbaltrainer

8

3 de oplichter

4 de kok

Het is de kunst om slecht te spelen

Het is de kunst om met weinig

en toch te winnen.

ingrediënten toch een bijzonder

gerecht te maken.

Wie geef jij een schouderklopje? Leg uit waarom. Bv. Mijn kleine zusje, omdat ze altijd zo haar best doet bij turnen.

9

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden en kon ze gebruiken. Ik kon synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken. Ik kon een spel spelen volgens de spelregels.

42

Thema 4 - les 15


THEMA

5

Kink in de kabel



les 3

Snoot Ik kan een tekst samenvatten. Ik kan vragen bij een tekst beantwoorden. Ik kan me inleven in een situatie en ze naspelen. Ik kan uitleggen wat ik vind van de reactie van een personage en een andere mogelijke reactie verzinnen.

1

Vat het fragment dat je las samen in maximaal drie zinnen. Bv. Nand gaat bij Jolien langs om samen een wiskundetaak te maken. Jolien wil dat Nand

onder de indruk is en lokt Snoot met een stukje chocolade op haar schouder. Nand komt onverwacht de woonkamer binnen.

Bv. Jolien laat haar papegaai Snoot los uit zijn kooi. Ze wil dat hij vrij kan rondvliegen door de woonkamer. Er wordt onverwacht aan de deur gebeld.

2

a Stel met je partner drie minuten lang ja-neevragen aan de andere groepsleden om te weten te komen waar hun tekst over gaat. b Noteer wat je te weten komt in sleutelwoorden. Tip: sleutelwoorden geven een antwoord op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom?

3

Welk tekstdeel komt er eerst in het verhaal: A of B? Wij denken dat tekstdeel B

eerst komt omdat Snoot in tekst B al vrij rondvliegt door de

kamer. Nand is de bezoeker die in tekst A aanbelt en naar boven komt.

4

Wie vinden jullie het dapperste: Jolien of Nand? Leg uit.

Thema 5 - les 3

45


5

Lees het vervolg van het verhaal. Beantwoord de vragen.

5

10

“En nog een. En nog een. En nog een.” Op de hoogste trap van de brandladder die loodrecht tegen de achtergevel van het appartementsgebouw is aangebracht, blijft Jolien staan en haalt diep adem. Niet omkijken. Nu vooral niet omkijken, houdt ze zichzelf voor. “Gaat het?” hoort ze de stem van Nand onder zich. “Natuurlijk gaat het!” knort ze terug terwijl ze met toegeknepen billen star voor zich uit blijft staren. “Waarom zou het niet gaan?” Ze heft haar rechterbeen tot ze steun vindt op de dakrand. Dan volgt het linkerbeen. Op handen en knieën kruipt ze over het dak. Pas als ze voldoende ver van de rand verwijderd is, durft ze eindelijk opstaan. Hoe weet je dat Jolien bang is op de brandladder?

15

“Jouw beurt!” roept ze naar Nand die nog altijd onderaan wacht. In tegenstelling tot Jolien heeft hij blijkbaar totaal geen last van hoogtevrees. In geen tijd klimt hij de ladder en het dak op. Misschien had ze het geweer toch beter aan hem meegegeven? “En nu op zoek naar die papegaai!” Langzaam beweegt ze het geweer in een halve cirkelvorm om haar heen. Ze probeert zo veel mogelijk de randen van de daken te volgen. Ook op de schouwen focust ze. Op een ervan ziet ze een vogel. Een spreeuw, vermoedt ze. Het lijkt wel of het dier nog geen halve meter van haar vandaan is, terwijl het in werkelijkheid misschien wel veertig of vijftig meter verder zit. Hoe zou het verhaal verdergaan? Voorspel.

De opa en oma van Jolien zijn op reis. Daarom mag zij voor Snoot zorgen, een papegaai die kampioen is in het maken van sjmakkende kusjgeluiden. Maar als Nand, haar klasgenootje, onverwacht komt binnenvallen, gaat Snoot er door het open raam vandoor. Het dier vliegt een verder gelegen appartement binnen, waar Lucien en de wat simpele Marcel de inbraak van hun leven willen plegen. Maar dat is buiten Snoot gerekend.

Vat het verhaal samen. Vertel het daarna in enkele zinnen aan je buur.

46

Thema 5 - les 3

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Thema 5_Snoot_COVER.indd Alle pagina's

Snoot | Guy Didelez

35

“Zie je al iets?” 20 “Een spreeuw. Tenminste, dat denk ik toch.” “Geen papegaai?” “Nope”, zucht ze ontgoocheld, terwijl ze ziet hoe de spreeuw er plots vandoor gaat. Langzaam, heel langzaam draait ze het geweer weer verder. Tot Nand haar met een luide kreet uit 25 haar concentratie brengt. “Daar! Bij dat raam!” “Waar?” Om een beter overzicht te krijgen, laat Jolien het geweer zakken. Ze kijkt in de richting van Nands trillende vinger. Geen 30 papegaai! In plaats daarvan ziet ze hoe een dikke man uit een raam probeert te klimmen. Op het platte dakje, zo’n zeventig centimeter lager, gebaart een veel kleinere en magerdere man dat hij moet voortmaken. Precies op dat ogenblik hoort ze ook het geluid van een politiesirene die dichterbij komt. “Inbrekers?” vraagt ze verwonderd. “Uitbrekers!” verbetert Nand. Snoot

Guy Didelez | Rob Hadermann

Meer lezen? Snoot, Guy Didelez, Talentbib 6

6

12/07/18 13:16


W

loodrecht

in een hoek van 90 graden 90°

6

star

onbeweeglijk

gebaren

met je handen iets uitbeelden

Wanneer betrapte jij al eens iemand op heterdaad?

7

Waarom noemt Nand de dieven ‘uitbrekers’ in plaats van ‘inbrekers’? Omdat ze langs het raam ontsnappen uit een appartement.

8

Kruis aan wat er op het dak te zien is.

x x

9

x

Wat is de oorzaak? Wat is het gevolg? Zoek de antwoorden in de tekst. Oorzaak

Gevolg

Jolien heeft hoogtevrees.

Jolien wil niet omkijken op de brandladder.

Nand is niet bang.

Nand klimt in geen tijd op de ladder.

Jolien ziet geen enkele papegaai wanneer ze op het dak staat.

Ze zucht ontgoocheld.

Nand slaakt een luide kreet.

Jolien wordt uit haar concentratie gebracht. Thema 5 - les 3

47


10

a Welke kink zit er voor Jolien in de kabel wanneer ze op de brandladder klimt? Ze heeft hoogtevrees.

W

Er zit een kink in de kabel. Er is een onverwachte moeilijkheid.

b Welke kink zit er voor de inbrekers in de kabel wanneer ze ongezien willen ontsnappen? Ze worden opgemerkt door Nand en Jolien.

11 Vul aan met een voorbeeld. Welke kink kan er in de kabel komen als je ...   naar je oma wilt bellen? Bv. De batterij van je smartphone is leeg.   naar de muziekschool wilt fietsen? Bv. Je fiets heeft een lekke band.   naar de bioscoop wilt gaan? Bv. Je hebt geen zakgeld meer.   op de speelplaats wilt voetballen? Bv. Het regent en je mag geen bal meenemen.

12

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vragen bij een tekst beantwoorden. Ik kon de tekst samenvatten. Ik kon me inleven in een situatie en ze naspelen. Ik kon een andere reactie dan die van het personage bedenken voor dezelfde situatie. Ik kon uitleggen wat ik van de reactie van een personage in een verhaal vind.

48

Thema 5 - les 3


les 4

Een beestig verhaal (1) Ik kan een leuk verhaal met een kink in de kabel schrijven.

1

a Schrijf bij elk verhaal dat je verzint enkele sleutelwoorden. Tip: sleutelwoorden geven een antwoord op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom? Het verhaal van de eend

Het verhaal van de schildpad

Het verhaal van de kat

Het verhaal van de chimpansee

b Welke zin staat er op jouw kaartje? Thema 5 - les 4

49


2

Lees de taalweter.

Hoe schrijf ik een meesterwerk? Misschien helpen deze tips: >> >> >> >> >> >> >>

Denk eerst na: waarover wil je schrijven? Verzamel ideeĂŤn en orden ze. Bedenk ook een idee voor je inleiding en slot. Schrijf je tekst uit. Lees je werk na. Verbeter schrijffouten en herschrijf stukken die je minder goed vindt. Werk netjes!

3

Welk dier koos je? Kruis aan op p. 49.

4

Maak een woordenweb met ideeĂŤn voor je verhaal. Denk na over de vragen. Tip: de sleutelwoorden uit oefening 1 helpen je op weg. 1 2 3 4

Waar speelt het verhaal zich af? Wanneer speelt het verhaal zich af? Wie komt er in mijn verhaal voor? Wat is er aan de hand?

50

Thema 5 - les 4

5 Welke rol speelt het dier in mijn verhaal? 6 Wat doet het dier of wat gebeurt ermee? 7 Hoe loopt het verhaal af?


5

a Schrijf de inleiding van je verhaal. Tip: baseer je op de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 uit oefening 4. b Schrijf het midden van je verhaal. Tips: – Baseer je op de antwoorden op vraag 4 tot en met 6 uit oefening 4. – Omdat dit het langste deel is, verdeel je het in alinea’s. c Schrijf in het slot hoe je verhaal afloopt. Tip: baseer je op het antwoord op vraag 7 uit oefening 4.

Thema 5 - les 4

51


6

a Kijk je werk na met de checklist.

Ik schreef een goed verhaal.

Ik gebruikte in elke zin hoofdletters en leestekens. Ik schreef duidelijke, niet te lange zinnen. Mijn verhaal is leuk om te lezen, er gebeurt iets in. Ik schreef een goed begin voor mijn verhaal. Ik schreef een goed einde voor mijn verhaal. Ik gebruikte niet te vaak ‘maar’, ‘en’, ‘toen’ of ‘zei’.

b Kruiste je alles aan? Dan is je verhaal klaar. Kruiste je iets niet aan? Verbeter je verhaal. Herschrijf de zin(nen) die je beter wilt maken.

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een tekening beschrijven aan mijn klasgenoot. Ik kon instructies van een klasgenoot juist uitvoeren. Ik kon in groep een verhaal verzinnen. Ik kon een leuk verhaal met een kink in de kabel schrijven.

52

Thema 5 - les 4


les 6

Het onderwerp in de schijnwerpers Ik kan het onderwerp in de zin aanduiden. Ik kan het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kan het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt.

1

Markeer: het onderwerp. 1 Zoals altijd begint Snoot met een woordenvloed. 2 Geen vijf seconden later fladdert hij door de lucht.

W

de woordenvloed gepraat zonder einde

3 Het beest zit al zo lang opgesloten. 4 Met uitgestoken poten grijpt hij de envelop met geld. 5 De deur staat open. 6 Op handen en knieĂŤn kruipt ze over de roofing. 7 Jolien kijkt hem in zijn ogen. 8 Hij wordt emotioneel. 9 De inbreker schrikt van een geluid op het dak. 10 Ze moeten voortmaken om aan de politie te ontsnappen.

Thema 5 - les 6

53


2

Lees de taalweter.

Welk zinsdeel zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt? Welke werkwoorden herken je in de zin? Zeggen ze wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt? In een zin kan één werkwoord staan (de persoonsvorm). Bv.  De meester geeft ons vandaag geen huiswerk. Soms staan in een zin ook twee of meer werkwoorden. Bv.  De meester heeft ons vandaag geen huiswerk gegeven. Duid dit werkwoord of deze werkwoorden altijd aan met een groene markering. Onderstreep de persoonsvorm.

3

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. b Onderstreep de persoonsvorm. 1 Hebben je grootouders geen verrekijker? 2 Jolien stapt naar een van de vier deuren. 4 Nand heeft de geweren goed bekeken. 5 De ladder hangt aan het appartementsgebouw. 6 Snel heeft Snoot de omslag van de tafel genomen. 7 Hij kon onmogelijk harder schrikken. 8 Nand betreedt voorzichtig de kamer.

54

Thema 5 - les 6

W

betreden binnengaan


4

Lees de taalweter.

Welk zinsdeel zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt? Welk werkwoord (zijn of worden) + welk ander woord (of woorden) zeggen wat of hoe het onderwerp is of wordt? Bv.  Ik ben ziek. Ik word morgen kampioen. Duid dit werkwoord + het andere woord (of woorden) altijd aan met een roze markering. Onderstreep de persoonsvorm.

5

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. 1 Opa is een enthousiast verzamelaar. 2 Op de brandladder is Jolien erg bang. 3 Het gekrijs op de achtergrond wordt luider en luider. 4 Op het dak zijn de inbrekers te traag. 5 Is Snoot verliefd? 6 Oog in oog met de inbrekers wordt Nand bleek.

6

Schrijf de nummers van de zinnen in de juiste kolom. 1 2 3 4 5 6 7 8

Zinnen die zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt.

W

Hij ziet de gigantische witte ballon opzwellen. De jongen was erg bang. De sirene voorspelt niet veel goeds. Ze wijst naar het raam aan de overkant. De dief aarzelt nog heel even. Gaat Snoot Nand kussen? De jongen is ongeïnteresseerd. De dief werd lijkbleek.

1–3–4–5–6

gigantisch enorm groot

Zinnen die zeggen wat of hoe het onderwerp is of wordt.

2–7–8

Thema 5 - les 6

55


7

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Vul het zinnenschema in. Onderwerp/rest van de zin

1

Snoot viel vorige week uit het keukenraam. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

viel

vorige week uit het keukenraam

Onderwerp/rest van de zin

2

Opa verzamelde lange tijd geweren. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

verzamelde

lange tijd geweren

Onderwerp/rest van de zin

3

Jolien werd de verzorgster van de papegaai. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

werd de verzorgster van de

papegaai

Onderwerp/rest van de zin

4

Nand en Jolien werden langzaam maar zeker verliefd.

56

Thema 5 - les 6

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

werden verliefd

langzaam maar zeker


Onderwerp/rest van de zin

5

Oma is voor altijd de liefste oma ter wereld.

8

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

is de liefste oma ter wereld

voor altijd

a Maak een zin met het gegeven werkwoord. b Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt.

9

1 vallen

2 worden

3 durven

Speel Wie is het? STAP 1:  Zet een kruisje voor een van de tien zinnen. Snoot en Jolien sloten zichzelf een jaar geleden op in de kelder. Volgende week gaan Nand en Jolien met de klas op uitstap. Oma en opa zijn al 40 jaar verliefd op elkaar. De mama van Jolien werd vorige maand 36 jaar. Hij neemt een aanloop om over de dakrand te springen. Snoot is een mooie, sterke papegaai. Jolien laat Nand schrikken met het geweer. Snoot maakt smakgeluiden in huis. Jolien zorgt voor Snoot tijdens de afwezigheid van oma en opa. STAP 2:  Stel ja-neevragen aan je tegenspeler om te weten te komen welke zin hij koos. Tip: deze vragen kunnen je helpen: – Is het onderwerp een woordgroep? – Staat de zin in de verleden tijd? – Is er een zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt? – Staat in de zin wanneer het gebeurt of gebeurde? STAP 3:  Wie als eerste de zin van de tegenspeler raadt, wint.

Thema 5 - les 6

57


10

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon het onderwerp in de zin aanduiden. Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. Ik kon het zinsdeel aanduiden dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt.

58

Thema 5 - les 6


les 8

Reclame? Daar moet ik over nadenken! Ik kan uitleggen of ik een reclameboodschap betrouwbaar vind. Ik kan bij argumenten uit een tekst tegenargumenten geven.

1

Bekijk het eerste reclamefilmpje. Beantwoord de vragen. a Waarvoor wordt reclame gemaakt? voor pudding van Mona b Wat belooft de reclamemaker? Dat je er blij van wordt. c Zou jij het product kopen? Waarom (niet)? d Hoe zorgt de reclamemaker ervoor dat mensen de reclame leuk vinden? Hij laat kinderen en een papegaai meespelen. Er zit een leuk trucje in met de papegaai.

2

Bekijk het tweede reclamefilmpje. Beantwoord de vragen. a Waarvoor wordt reclame gemaakt? voor schoolspullen van Dreamland b Wat is er goed aan het product? Wat belooft de reclamemaker? Huiswerk maken was nog nooit zo leuk als met de spullen van Dreamland. Je vindt er alles voor school. c Zou jij het product kopen? Waarom (niet)? d Hoe zorgt de reclamemaker ervoor dat mensen de reclame leuk vinden? Hij maakt gebruik van muziek en laat de kinderen grappige dingen doen.

Thema 5 - les 8

59


3

Lees de taalweter.

Waarom moet ik kritisch zijn voor reclame? Je wordt elke dag bedolven onder de reclameberichten, of je dat nu wilt of niet. Reclamemakers doen er alles aan om op te vallen, om je te verleiden of om je iets aan te smeren. Een verwittigd man is er twee waard. Laat je dus niet verleiden!

Deze robot kan heel goed ... euh ... uit elkaar gehaald worden.

Dat doe je door kritisch na te denken! >> Waarover gaat het?   Waarvoor wordt reclame gemaakt? Klopt die reclame wel? >> Welke weg legt reclame af?   Wie is de opdrachtgever? De fabrikant schakelt een reclamebureau in. Een team van mensen ontwerpt reclame en brengt die via televisie, kranten, tijdschriften ... tot bij jou. >> Welke middelen worden daarvoor gebruikt?   Reclame kost veel geld, maar brengt nog meer op. Daarom is niets te veel: de beroemdste sterren lenen hun bekendheid, de beste schrijvers bedenken slogans, de beste fotografen illustreren ... En misschien word je op de koop toe verleid met een gratis cadeautje of extraatje?

60

Thema 5 - les 8


4

a Bekijk de reclameaffiche voor de reep chocolade waarmee Jolien Snoot wou lokken. Welke twee beloftes maakt de reclamemaker?

De lekkerste die er is! Ook heerlijk in gebak!

1

Het is de lekkerste die er is.

2 x Hij is heerlijk in gebak. b Zou jij de chocolade kopen? Waarom (niet)? c Lees de beoordeling van de chocolade. Zet in oefening a een kruisje voor de belofte waar volgens de koper niet aan voldaan werd.

Daisy uit Schelle: Ik kocht deze chocolade om te gebruiken in mijn cake. Ik ging ervan uit dat hij heerlijk lopend zou worden, maar nee hoor: de chocolade smolt niet en ik had een cake vol harde stukken!

d Welke chocolade eet jij het liefst? Waarom?

Thema 5 - les 8

61


5

a Bekijk de reclameaffiche voor de rugzak waarin Nand zijn rekenspullen stak.

De ideale rugzak voor school! Beschermt je boeken en weegt weinig.

Verkrijgbaar in verschillende kleuren.

b Zou jij de rugzak kopen? Waarom (niet)? c Verzin een beoordeling van de rugzak. Zorg dat er in je beoordeling een positief en een negatief punt zit.

Mijn beoordeling:

d Wat zou je over jouw boekentas zeggen als je reclamemaker was?

62

Thema 5 - les 8


6

a Lees de tekst over huiswerk maken. b Onderstreep de argumenten van de schrijver dat huiswerk maken niet goed is. c Kleur: de argumenten waarmee je niet akkoord gaat. de argumenten waarmee je wel akkoord gaat.

Een kink in de kabel voor vele scholen: professoren willen huiswerk afschaffen! “Huiswerk beperkt de vrije tijd van gezinnen. En niet alle ouders kunnen hun kinderen helpen. Scholen stoppen dus beter met huiswerk”, zeggen kinderpsychiater Marina Danckaerts en leraar Stefan Ramaekers. 1 Ontlast ouders van huiswerk Stefan Ramaekers: “Scholen verwachten dat ouders betrokken zijn en hun kind helpen bij het huiswerk. Ze denken dat ieder gezin daar de tijd voor heeft. Maar die tijd ontbreekt vaak wanneer beide ouders voltijds werken, de ouders gescheiden zijn, er maar één ouder is of wanneer de kinderen hobby’s uitoefenen. “Bovendien leert het ene kind trager dan het andere: waar de ene ouder tien minuten met huiswerk bezig is, zwoegt de andere een uur met zijn kind aan dezelfde taak. Kunnen we ouders dan niet beter ontlasten van huiswerk en tijd geven om als gezin samen te zijn?” 2 Huiswerk vergroot de achterstand Stefan Ramaekers: “Wie het al moeilijk heeft op school, dreigt vaak nog verder achterop te geraken omdat zijn ouders niet kunnen helpen. De doelstellingen van huiswerk – leren plannen, zelfstandig werken, de leerstof inoefenen – kun je ook op andere manieren bereiken dan met huiswerk.” 3 Huiswerk veroorzaakt stress en frustratie Marina Danckaerts: “Huiswerk zorgt bij veel kinderen ook voor stress in de relatie met hun ouders en dat kan psychische problemen veroorzaken. Huiswerk leert hun dat ze ‘moeten’ presteren. Dat zorgt voor spanningen tussen ouders en kinderen bij wie het huiswerk maken stroever verloopt.” “Eerder dan te helpen, leidt huiswerk zo tot frustraties en verwijten. Het zorgt in veel gezinnen voor een negatieve sfeer.” 4 Hou huiswerk op school Marina Danckaerts: “Studeren en oefenen zijn belangrijk. Maar misschien kan een schooldag daar gewoon steeds mee eindigen? Dan kunnen kinderen naar huis gaan met eventueel enkel nog een kleine opdracht voor de volgende dag.”

W

ontlasten minder werk geven voltijds werken de hele week werken zwoegen ergens hard aan werken psychisch geestelijk, in je hoofd stroef moeilijk de frustratie slecht gevoel omdat iets niet lukt

Naar: www.klasse.be

Thema 5 - les 8

63


d Bedenk minstens twee tegenargumenten bij dit artikel. 1 Bv. Je kunt extra oefenen op leerstof die je nog niet helemaal begrepen hebt. 2 Bv. Je leert dat je je extra moet inspannen voor school. 3

7

Lees de taalweter.

Wat is een discussie? Een discussie is een soort gesprek waarin iedereen kan uitkomen voor zijn mening en naar elkaar luistert. Meestal heeft een discussie een bepaald onderwerp. Bv.  Staan we een gsm toe op school? Alle deelnemers proberen elkaar te overtuigen. Daarvoor gebruiken ze argumenten.

Wat zijn argumenten?

Belachelijk! STOMM

E PRAA

je u o H nd! o m

Argumenten zijn zinnen die je zegt om je eigen gelijk of andermans ongelijk aan te tonen. Bv.

Ja, want in geval van nood moet je kunnen telefoneren. Ja, want een school moet meegaan met zijn tijd. Nee, want een gsm kan gestolen worden. Nee, want telefoneren stoort de lessen.

Tips voor een vlotte discussie Zag je volwassenen al eens discussiëren? Dat loopt vaak mis! Zo doe jij het beter: >> >> >> >> >> >>

64

Kom op voor je mening. Luister goed en probeer de anderen te begrijpen. Wees beleefd. Laat anderen uitpraten. Vraag het woord. Geef goede argumenten. Spreek duidelijk en rustig.

Thema 5 - les 8

T!


8

Formuleer je eindconclusie over huiswerk maken. Ben je voor of tegen? Waarom?

9

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon uitleggen of ik een reclame betrouwbaar vind. Ik kon argumenten geven om mijn mening uit te leggen. Ik kon tijdens een discussie luisteren naar en reageren op de mening van andere leerlingen.

Thema 5 - les 8

65


les 9

Een beestig verhaal (2) Ik kan mijn verhaal aanpassen na feedback van een klasgenoot. Ik kan de feedback van klasgenoten aanvaarden en gebruiken om mijn tekst te verbeteren. Ik kan zeggen wat ik leuk vind aan het verhaal van een klasgenoot. Ik kan een tip geven na het lezen van een verhaal.

1

Schrijf de netversie van je verhaal.

66

Thema 5 - les 9


2

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon mijn verhaal aanpassen na feedback van een klasgenoot. Ik kon zeggen wat ik leuk vond aan het verhaal van een klasgenoot. Ik kon een tip geven na het lezen van een verhaal. Ik kon de feedback van klasgenoten aanvaarden en gebruiken om mijn tekst te verbeteren.

Thema 5 - les 9

67


les 11

Wie doet wat voor wie? Ik kan in een zin het zinsdeel aanduiden dat antwoord geeft op de vragen: wie, wat, voor of aan wie? Ik kan zinnen aanvullen met gevraagde zinsdelen.

1

Lees de taalweters.

Welk zinsdeel zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt? Welke werkwoorden herken je in de zin? Zeggen ze wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt? In een zin kan één werkwoord staan (de persoonsvorm). Bv.  De meester geeft ons vandaag geen huiswerk. Soms staan in een zin ook twee of meer werkwoorden. Bv.  De meester heeft ons vandaag geen huiswerk gegeven. Duid dit werkwoord of deze werkwoorden altijd aan met een groene markering. Onderstreep de persoonsvorm.

Welk zinsdeel zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt? Welk werkwoord (zijn of worden) + welk ander woord (of woorden) zeggen wat of hoe het onderwerp is of wordt? Bv.  Ik ben ziek. Ik word morgen kampioen. Duid dit werkwoord + het andere woord (of woorden) altijd aan met een roze markering. Onderstreep de persoonsvorm.

68

Thema 5 - les 11


2

a Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. b Onderstreep de persoonsvorm. c Vul het zinnenschema aan. Onderwerp/rest van de zin

1

Het broertje van Lucien wordt woedend. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

wordt woedend

Onderwerp/rest van de zin

2

Met twee benen tegelijk springt hij op de zetel. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

springt

met twee benen tegelijk op de zetel

Onderwerp/rest van de zin

3

W

Hij is al een hele tijd het buitenbeentje van de groep. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

is het buitenbeentje van de

al een hele tijd

groep

het buitenbeentje iemand die anders is dan de andere mensen in een groep groezelig een beetje vies, onfris

Onderwerp/rest van de zin

4

Marcel zit met zijn dikke buik aan een groezelige tafel. Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

zit

met zijn dikke buik aan een

groezelige tafel

Thema 5 - les 11

69


3

a Lees de taalweter.

Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: wie of wat? Bijna elke zin bestaat uit een onderwerp en een persoonsvorm. Maar soms volstaan onderwerp en persoonsvorm niet om betekenis te geven aan een zin. Er is dan een zinsdeel nodig dat extra informatie bevat. Zonder dat extra zinsdeel verliest de zin (een deel van) zijn betekenis.

Sommige werkwoorden hebben nood aan een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat? Bv.  Onze juf geeft. Ik zag.

(wat?)  (wie?)

Onze juf geeft les.   Ik zag mijn buurman.

Je kunt nagaan of je antwoord klopt door een proefje. Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm + onderwerp? Bv.  Wat geeft onze juf? Wie zag ik?

les   onze buurman

(= iets)   (= iemand)

b Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. c Onderstreep de persoonsvorm. d

Vul het zinnenschema aan en zoek een antwoord in de zin op de vraag: wie of wat? Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder. Onderwerp/rest van de zin

1 Nand gooit het stukje chocolade. Wat?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

gooit

het stukje chocolade Wat? het stukje chocolade

70

Thema 5 - les 11


Onderwerp/rest van de zin

2 Jolien beseft haar fout te laat. Wat?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

beseft

haar fout te laat Wat? haar fout Onderwerp/rest van de zin

3

Op de valreep tikt Joeri de hand van Sara. Wat? Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

tikt

op de valreep de hand van Sara Wat? de hand van Sara Onderwerp/rest van de zin

4

Guy Didelez gaf de kinderen een stimulans om het boek te lezen. Wie? Wat?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

gaf

de kinderen een stimulans om het boek te lezen Wie? de kinderen Wat? een stimulans om het boek te lezen

W

op de valreep

op het laatste moment

de stimulans

motivatie, prikkel

Thema 5 - les 11

71


4

a Lees de taalweter.

Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: aan wie of voor wie? Bijna elke zin bestaat uit een onderwerp en een persoonsvorm. Maar soms volstaan onderwerp en persoonsvorm niet om betekenis te geven aan een zin. Er is dan een zinsdeel nodig dat extra informatie bevat. Zonder dat extra zinsdeel verliest de zin (een deel van) zijn betekenis.

Sommige werkwoorden hebben nood aan een zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: aan wie? Bv.  Mijn vriend heeft zijn huiswerk gegeven.   (aan wie?)   Mijn vriend heeft zijn huiswerk aan de juf gegeven. Soms staat die aan of voor er niet! Bv.  De meester geeft vandaag huiswerk.   (aan wie?)   De meester geeft ons vandaag huiswerk. Je kunt nagaan of je antwoord klopt door een proefje. Stel de vraag: aan wie of voor wie + persoonsvorm + onderwerp? Bv.  Aan wie heeft mijn vriend zijn huiswerk gegeven? Aan wie heeft de meester huiswerk gegeven?

aan de juf   (aan) ons

b Markeer: het onderwerp. het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt. het zinsdeel dat zegt wat of hoe het onderwerp is of wordt. c Onderstreep de persoonsvorm. d

72

Vul het zinnenschema aan en zoek een antwoord in de zin op de vragen: wie, wat, aan of voor wie? Schrijf het zinsdeel achter het juiste vraagwoord. Duid het in de zin aan met vinkjes. Schrijf het vraagwoord eronder.

Thema 5 - les 11


Onderwerp/rest van de zin

1

Tine heeft het verhaal voorgelezen aan haar zoontje.

Wat?

Aan wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

heeft voorgelezen

het verhaal aan haar zoontje Wat? het verhaal Aan of voor wie? aan haar zoontje

Onderwerp/rest van de zin

2

Lisa wilde de kaart aan haar broer geven.

Wat?

Aan wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

wilde geven

de kaart aan haar broer Wat? de kaart Aan of voor wie? aan haar broer Onderwerp/rest van de zin

3

Fanny kocht voor haar buurvrouw een nieuwe borstel.

Voor wie?

Wat?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

kocht

voor haar buurvrouw een nieuwe borstel Wat? een nieuwe borstel Aan of voor wie? voor haar buurvrouw

Thema 5 - les 11

73


Onderwerp/rest van de zin

4

De bakker maakte een verse taart voor de jarige.

Wat?

Voor wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

maakte

een verse taart voor de jarige Wat? een verse taart Aan of voor wie? voor de jarige Onderwerp/rest van de zin

5

In de lente heeft Gitte een fiets aan haar oma gegeven.

Wat?

Aan wie?

Werkwoord(en) + bij zijn of worden: ander(e) woord(en)

Andere zinsdelen

heeft gegeven

in de lente een fiets aan haar oma Wat? een fiets Aan of voor wie? aan haar oma

5

Vul de zinnen aan met het gevraagde zinsdeel. 1 Duwt Evert

bv. de speelgoedauto

2 Het gedrag van Rob maakt

(wat?) van de trap? (wie?) boos.

bv. papa

3 De sneeuw geeft problemen bv. voor de automobilisten 4 ZoĂŤ koopt een ticket 5 Ellen schenkt 6 De koerier bezorgt

74

Thema 5 - les 11

(voor wie?).

bv. voor haar zus

bv. tien euro bv. een pakket

(voor wie?).

(wat?)

bv. aan de bedelaar

(aan wie?).

(wat?) bv. aan de buurvrouw (aan wie?).


6

Maak met de zinsdelen drie correcte zinnen. Maak minstens één vragende zin. een nieuwe fiets

Anna

een duur cadeau

geven

Gisteren

voor de boze man

aan Lina

van haar mama

kreeg

Bart en Tina

de stoute kinderen

Vluchten

1 Bv. Gisteren kreeg Anna een nieuwe fiets van haar mama. 2 Vluchten de stoute kinderen voor de boze man? 3 Bart en Tina geven een duur cadeau aan Lina.

7

Bingo! Volg het stappenplan. STAP 1:­  Zet een kruisje voor een van de zinnen.

Geeft Peter de sleutel aan zijn zus? Tamara en Fien zullen een kaartje sturen. Patrick wil een spannend boek lezen. Ahmed stuurt zijn mama een brief. Ben kookt pasta voor Eline. Durft de koning een snoepje stelen?

W

de pasta Italiaanse deegwaren zoals spaghetti en macaroni

STAP 2:­  Gooi om de beurt met de dobbelsteen. STAP 3:­  Kleur volgens het aantal ogen in de aangekruiste zin:    het onderwerp    de persoonsvorm     het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat?     het zinsdeel dat antwoord geeft op de vraag: aan wie of voor wie?     een ander werkwoord dan de persoonsvorm    niets STAP 4:­  Wie als eerste zijn zin volledig heeft gekleurd, wint.

Thema 5 - les 11

75


8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon het zinsdeel aanduiden dat antwoord geeft op de vraag: wie of wat? Ik kon het zinsdeel aanduiden dat antwoord geeft op de vraag: aan wie of voor wie? Ik kon zinnen aanvullen met gevraagde zinsdelen. Ik werkte goed samen met mijn partner

76

Thema 5 - les 11


les 15

Een woordenvloed Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken.

1

Lees de taalweters.

Wat is een synoniem? Om eenzelfde voorwerp, persoon of handeling te omschrijven, kun je soms meer dan één woord gebruiken. Bv.  Anna draagt een jurk. Mieke draagt een kleedje.   Anna en Mieke dragen allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noem je synoniemen. Gebruik af en toe een synoniem in een tekst. Zo wordt het verhaal echt boeiend!

Wat is een tegenstelling? Om te beschrijven hoe het ene het omgekeerde is van het andere, gebruik je het tegengestelde woord. Bv.  Anna rent naar buiten. Simon rent naar binnen.   Anna en Simon rennen de tegenovergestelde richting uit. Woorden die het tegenovergestelde betekenen, noem je tegenstellingen.

2

Bedenk bij elk woord een synoniem en een tegenstelling. Vul in. 1 slap

=

bv. zwak

sterk

2 repareren

=

herstellen

kapotmaken

3 nauw

=

smal

breed

4 woedend

=

kwaad

vrolijk

op de valreep

te laat

5 op het laatste moment =

Thema 5 - les 15

77


3

Welk woord hoort bij de afbeelding? Kies uit: betreden – gigantisch – groezelig – de pasta

3

1

betreden

4

2

4

gigantisch

de pasta

Verbind de woorden met de juiste zin. het buitenbeentje

Tijmen kijkt strak voor zich uit, zonder zijn hoofd of ogen te bewegen.

psychisch

Laure vertelde zonder pauze een uur lang over haar vakantie in Spanje.

star

L ichamelijk mankeert mevrouw Janssen niets, maar ze is depressief.

stroef

Warre doet de dingen vaak op een andere manier.

de woordenvloed

78

groezelig

Thema 5 - les 15

Het opzetten van de tent was moeilijk en duurde lang.


5

Is het een stimulans, leidt het tot frustratie of doet het beide? Kruis aan. 1 Je opa zegt: “Als je de wedstrijd wint, krijg je vijf euro.” stimulans

frustratie

x beide

2 De meester zegt: “Doe je best. Ik weet dat je het kunt!” x stimulans

frustratie

beide

3 Je grote broer zegt: “De sommen die jij moet maken, zijn heel makkelijk. Ik zou ze vlug af hebben en zonder fouten!” stimulans

6

x frustratie

beide

Waarmee ontlast je je ouders? x Je ruimt je eigen kamer op.

x x x

7

Je zeurt dat je het eten niet lekker vindt. Je past een uurtje op je kleine zus. Je begint pas aan je huiswerk nadat je vader het je twee keer gevraagd heeft. Je wast de auto. Je zwoegt mee een uurtje in de tuin en rijdt het gras af.

Wil jij later voltijds werken? Waarom (niet)? Bv. Ik wil wel voltijds werken, want ik wil veel geld verdienen en carrière maken. Ik wil niet voltijds werken, want ik wil ook tijd besteden aan mijn gezin.

8

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon woorden uit dit thema begrijpen en gebruiken. Ik kon synoniemen en tegenstellingen herkennen en gebruiken.

Thema 5 - les 15

79


80


THEMA

6

Vlinders



les 1

Ontdekplaat

Romantiek www.romantiek.ok

POLL(eke)

Prof. A. Mour

I love you

HIJ/ZIJ OP HEM/HAAR

LEESLIJST

Gloria

CONTACT

Pegasus in love

OP JOU HEB IK MIJN ZINNEN GEZET

Thema 6 - les 1

83


les 3

Voor altijd samen, amen Ik kan conclusies trekken uit teksten. Ik kan de afloop van een verhaal voorspellen. Ik kan de gevoelens, karaktertrekken, meningen en bedoelingen van de hoofdpersonen uitleggen en verklaren.

1

Waarover zou de tekst gaan? Bespreek.

2

Lees jouw tekst.

Deel 1

5

10

15

20

25

Eindelijk kreeg ik Mimoen alleen te spreken. “Je bent beroemd in Marokko”, zei hij met een somber gezicht. “Hé?” vroeg ik verbaasd. “Mijn hele dorp heeft het over mijn blonde vriendinnetje uit Holland”, zei hij. “En ze pesten me ermee.” “Wat zeggen ze dan?” vroeg ik. “Ze zeggen: Mimoen gaat later de was doen en het huis vegen. Mimoen krijgt een schortje voor! Mimoen gaat op de kinderen passen en zijn blonde vrouw gaat dansen.” “Hoe komen ze daar nou bij?” vroeg ik. Mimoen haalde zijn schouders op. “Weten ze dan niet dat wij helemaal niet met elkaar gaan trouwen?” vroeg ik. “Dat begrijpen ze niet”, zei Mimoen. “Alles is zo anders daar. Alles. Dat kun je niet begrijpen.” “Nee”, zei ik. Want dat had mijn moeder ook al gezegd. Ik knikte braaf, maar eigenlijk vind ik het moeilijk te geloven dat ik iets niet begrijp. Ik begrijp altijd alles. Echt waar. “Ik kan niet weten wat het is om in een arm land te leven”, praatte ik mijn moeder na. Ik zag dat Mimoen me aankeek van opzij, maar ik keek niet terug. “Je begrijpt een heleboel, Polleke”, zei Mimoen. “Veel meer dan ...” Hij maakte zijn zin niet af. “’t Is allemaal zo moeilijk”, zuchtte hij. “Ik ben hier geboren maar ik hoor veel W meer bij hun dan bij jullie.” pissig Ik voelde me pissig worden. “Ja, doe normaal, hé? Het was een hele tijd stil. kwaad, boos “Is er wat?” vroeg ik. wegsjokken “Nee, hoor”, zei Mimoen. moeilijk en langzaam “Jawel”, zei ik. “Er is wat, maar je wilt het niet zeggen.” weglopen, slenteren “Oké”, zei Mimoen. “Ik zal zeggen wat er is. Dit keer heb je helemaal niet begrepen wat ik wilde zeggen, Polleke. En ik kan ‘t je niet uitleggen ook.” Hij de sufkop stond op. Ik zag hem wegsjokken met zijn handen in zijn zakken. Mimoen sufferd, iemand die iets is een lieve jongen, maar soms kan ik hem wel slaan! “O nee? Begrijp ik doms doet het niet? Hoe komt het dan dat ik op school altijd alles begrijp? Misschien wil je wel dat ik het niet begrijp, sufkop! Ik maak het uit als je niet uitkijkt, stommeling! Dat dacht ik, maar ik zei niks.

Uit: Polleke, Guus Kuijer, Querido, 2009

84

Thema 6 - les 3


Deel 2

5

10

15

20

25

30

Ik kom thuis, staan mijn moeder en meester Wouter me gearmd op te wachten. Het is géén gezicht. “Zeg jij ‘t of zeg ik ‘t?” vraagt Wouter. “Jij”, zegt mijn moeder. “Goed”, zegt Wouter. “Je moeder en ik hebben besloten om tóch te gaan trouwen. En wel in december.” “Dat lijkt me nogal stom,” snauw ik, “want volgens mij begrijpen jullie niets van elkaar.” Ik ren naar boven en val op mijn bed. Ik heb gelijk, hoor, echt wel. Niks dan ruzie tussen die twee. Waarom moeten ze zo nodig trouwen? Je kunt elkaar toch best aardig vinden en nièt trouwen? Even later: bonk, bonk, mijn moeder op de trap. (Eenentachtig kilo!) Bonk, bonk, moeder klopt op mijn deur. “Ja?????” “Wat is er met je?” “Niks”, zeg ik. “Waarom doe je dan zo rot tegen ons?” “Ik zeg alleen maar de waarheid”, zeg ik. Het is even stil. “De waarheid kan me gestolen worden”, roept mijn moeder door de deur. “Ik wil ook wel eens trouwen met een normáál mens.” “Doe niet zo raar!” schreeuw ik. “Je vindt normale mensen hartstikke saai.” Het is weer een tijdje stil. “Ik hou van saai”, zegt mijn moeder. “Dat is de leeftijd, lieverd. Ik word een dagje ouder.” Ik zeg niets meer. Mijn moeder krijgt het altijd voor elkaar. Ik kan niet tegen haar op. Ik hoor haar bonk, bonk de trap weer aflopen en denk: waarom doe ik nou zo lullig? Ik ga haar dus maar achterna. “We maken er een groot feest van”, zegt Wouter. Hij kijkt mijn moeder verliefd aan. “Daar hebben we geen geld voor”, zegt mijn moeder. Ze kijkt verliefd terug. “Dat geeft niks”, zegt Wouter. “Mijn moeder wil het betalen.” O nee! Hoe kan hij zoiets stoms zeggen? “Daar komt niks van in”, snauwt mijn moeder. “We zijn geen kleine kinderen meer.” “Wat heeft dat ermee te maken?” roept Wouter uit. “Ze wil ons gewoon helpen!” “IK HOEF GEEN FEEST DAT WE NIET ZELF KUNNEN BETALEN!” schreeuwt mijn moeder. “WAAROM VALT ER MET JOU NOOIT TE PRATEN?” schreeuwt de meester. “WAAROM MOET JE ALTIJD SCHREEUWEN?” Ik moet ze afleiden! Dat is het enige wat erop zit! Maar waarmee? “O ja!” roep ik. “Wisten jullie dat ik recht heb op euthanasie, omdat ik twaalf ben?” Het wordt eng stil.

Uit: Polleke, Guus Kuijer, Querido, 2009

W

hartstikke

heel erg

de euthanasie

het doden van iemand die ongeneeslijk ziek is en veel pijn heeft

Thema 6 - les 3

85


Deel 3

5

10

15

20

25

30

35

Het is echt gebeurd, hoor! Ik verzin het niet. Omdat Mimoen nooit meer meeging naar het park, ging ik alleen. Ik wilde nadenken over Mimoen en mij. Over hoe het verder moest. Ik fietste dus naar het park. Ik wilde mijn fiets tegen ‘onze’ boom zetten (een esdoorn), maar er stonden al fietsen tegenaan. En nòg had ik niks in de gaten. Of ik wilde het niet in de gaten hebben. Ik smakte mijn fiets tegen de twee andere en ging op zoek. Waarnaar? Achteraf weet ik het natuurlijk wel. Maar toen? Ik rende wat paden af en keek op de plekjes waar Mimoen en ik vaak naartoe gingen. En toen zag ik ze. Ik dacht dat mijn hart stilstond. Ik zag Mimoen. En ik zag Caro. Ze stonden dicht bij elkaar. Wat zeg ik? Ze stonden tegen elkaar aan. Ze stonden te zoenen. Caro had haar ogen dicht en zag er vreselijk aanstellerig uit. Volgens mij deed ze een filmster na. Ik keek en keek en keek. Ik werd misselijk van kwaadheid. Dit was het vreselijkste wat mij ooit was overkomen, denk ik. Mijn vriendje en mijn beste vriendin stonden te zoenen in òns park! Ze zagen mij niet. Ik weet nog dat ik dacht: ik sta hier te koekeloeren als een achterlijk schaap. Ga weg of doe iets. Ik deed dus iets. Dat was misschien niet zo verstandig van me. Misschien had ik beter weg kunnen gaan. Ik liep op ze af. Caro deed haar ogen open, maar pas toen ik vlakbij was, zag ze mij, over Mimoens schouder heen. Ik zal de blik in haar ogen nooit vergeten. Ze geloofde niet wat ze zag. Ze staarde me aan alsof ik een spook was en zo voelde ik me ook. Een verschrikkelijk spook met rammelende kettingen. W aanstellerig Ik gaf ze allebei een zet, waardoor ze uit elkaar wankelden. je gedraagt je erg overdreven “Zooooo!” schreeuwde ik. “Zoooooo!” koekeloeren Ik kon zo gauw niet iets beters verzinnen. Ze stonden me stom aan kijken te kijken. “Dus daarom wilde je niet naar het park, hé?” schreeuwde ik tegen de zet Mimoen. Ik vond het een stomme opmerking van mezelf. stoot of duw “En jij bent dus mijn beste vriendin?” schreeuwde ik naar Caro. snugger Nou ja. Ook niet zo’n snuggere kreet. slim Ze durfden me niet aan te kijken.

Uit: Polleke, Guus Kuijer, Querido, 2009

86

Thema 6 - les 3


Deel 4 “Zul je me niet uitlachen?” vroeg hij. “Nee hoor”, zei ik. “Waarom zou ik?” Tom haalde zijn schouders op. We liepen en we liepen. Er vloog een wolk wilde eenden op. “Wat een hoop eenden, hé?” zei ik. “Dat is altijd in de winter”, zei Tom. “Dan zie je grote troepen omdat de jongen dan allemaal kunnen vliegen. Wil je met me gaan?” Er klonken knallen. “Zijn ze aan ’t schieten?” vroeg ik. “Aan ’t jagen. Vanaf augustus wordt er op eenden gejaagd”, zei Tom. “Zie je die strobalen? Daar zitten jagers achter verstopt. Wil je met me gaan?” “Waar schieten ze dan op?” vroeg ik. “Op eenden”, zei Tom. “Wat dacht je dan?” “Jee”, riep ik uit. “Wat gemeen zeg! Waarom doen ze dat?” “Ja, waarom?” zei Tom. “Voor de sport natuurlijk.” “Bah!” gromde ik. “Wat een stomme sport, zeg! Wie schiet er nou voor de lol dieren overhoop? Dan ben je toch achterlijk?” “Wil je met me gaan?” vroeg Tom voor de derde keer. Ik had de eerste twee keer natuurlijk ook gehoord, maar ik probeerde eroverheen te praten. Ik hoopte dat hij ermee zou ophouden, maar hij hield niet op. “Of ga je al met iemand?” vroeg hij. “Nee”, zei ik. Ik dacht aan Mimoen. Het was waar, ik ging met niemand, maar ik W met iemand gaan moest er nog aan wennen. Ik keek hem aan. Hij is groter dan ik, Mimoen is een een koppeltje met beetje kleiner. Hij heeft blauwe ogen en ik ben gewend om in zwarte ogen te iemand vormen kijken. “O”, zei Tom. Hoe moest ik nee zeggen zonder hem pijn te doen? Wilde ik wel de strobaal nee zeggen? Ik keek hem van opzij aan. Ik wist dat ik nooit zoveel van deze jongen kon houden als ik van Mimoen had gehouden. Nooit. Ik wist dus ook wat ik zeggen moest. Nee. Maar dat zei ik niet. Ik zei: “Ik zal erover nadenken.” Waarom zei ik niet gewoon: “Nee, ik vind je best aardig, maar nee.” “Weet je, ik had een vriendje, het is net uit”, stamelde ik. “Ik wil eigenlijk met niemand gaan.” “O”, zei hij. “Maar je denkt erover na?” “Ja”, zei ik. Uit: Polleke, Guus Kuijer, Querido, 2009

Thema 6 - les 3

87


3

Bespreek de betekenis van deze woorden. Schrijf een zin waarin de betekenis van het woord of de uitdrukking duidelijk wordt. 1

wegsjokken (deel 1)

bv. Toen haar klasgenoten haar beledigden, sjokte ze verdrietig weg.

2

aanstellerig (deel 3)

Hij jammerde en snikte omdat er een klein vlekje op zijn schrift zat. Dat was aanstellerig van hem.

3

snugger (deel 3)

Het is niet zo snugger om je beste vrienden iets te verwijten waar je eigenlijk zelf verantwoordelijk voor bent.

4

met iemand gaan (deel 4)

Sinds enkele weken gaan ze met elkaar en fluisteren ze elkaar voortdurend lieve woordjes toe.

4

Wat ontdekte je over Mimoen, Polleke, mama en meester Wouter? Bespreek en kruis aan. x De ouders van Polleke zijn niet meer samen.

x x x x

5

Caro en Mimoen zijn al lang een koppeltje. Tom en Polleke kennen elkaar al heel lang. Meester Wouter en mama gaan binnenkort trouwen. Polleke is verliefd op Mimoen. Mimoen is Marokkaans. Mimoens cultuur maakt een relatie tussen hem en Polleke erg moeilijk.

Schrijf in maximaal vijf zinnen hoe jij denkt dat het verhaal van Polleke en Mimoen afloopt.

Polleke gaat met Mimoen. Al twee jaar. Maar nu mag het niet meer van zijn ouders. Polleke wordt te groot en dus is het geen kinderspel meer. En Mimoen moet later met een Marokkaans meisje trouwen. Natuurlijk vindt Polleke dat hartstikke stom. Die rotmarokkaan! Dat brave papkind, dat vaderskindje... ze hóéft hem al niet meer. Pollekes moeder heeft het ook niet gemakkelijk. Met Pollekes vader die verslaafd is. En met Pollekes meester. Ze wil wel met hem trouwen, maar dat geeft hem nog niet het recht zich overal mee te bemoeien! De arme Polleke weet zich soms geen raad met die mensen. Gelukkig heeft ze opa en oma op de boerderij. En het kalfje dat naar haar is genoemd. Bij opa en oma leert ze bidden, ook al is ze niks van haar geloof. Bidden kan ze goed. Vooral als ze aan Mimoen denkt.

88

Thema 6 - les 3

Voor altijd samen, amen | Guus Kuijer

Guus Kuijer

Voor altijd samen, amen

Met tekeningen van Alice Hoogstad 6

Guus Kuijer schreef vijf boeken over Polleke en Mimoen. Hun avonturen starten in het eerste boek: Voor altijd samen, amen. Dat vind je in de Talentbib. Later werden de vijf boeken samengevoegd tot één boek: Polleke.


6

Kruis aan welke emotie of karaktertrek bij welk personage hoort. Tip: een personage kan meerdere emoties of karaktertrekken hebben. Polleke opvliegend

x

onbegrepen

(x)

Mimoen

meester Wouter

mama

x

x

(x)

(x)

x

bezorgd

Tom

Caro

(x)

(x)

x

berouwvol verliefd

x

kwaad

x

(x)

x

x

x

x

begripvol verbaasd W

7

(x)

(x)

(x)

opvliegend

als je snel boos wordt

onbegrepen

de ander begrijpt niet wat je bedoelt

bezorgd

je maakt je zorgen over wat er zal komen

begripvol

je goed kunnen voorstellen wat de ander denkt of voelt

x

Vul de bedoeling van elk personage aan. Tip: het antwoord staat niet in de tekst. Overleg in groep. 1 Meester Wouter vroeg aan zijn moeder om het huwelijksfeest te betalen. Daarmee wil hij ... bv. Polleke en haar moeder helpen omdat ze zelf te weinig geld hebben om het feest te betalen. 2 Polleke praat steeds weer over de wilde eenden. Daarmee wil ze ... bv. ervoor zorgen dat Tom stopt met haar te vragen of ze met hem wil gaan. 3 “En jij bent dus mijn beste vriendin?� schreeuwt Polleke. Daarmee bedoelt ze ... bv. dat ze Caro helemaal niet als vriendin beschouwt als die met haar vriendje staat te zoenen.

Thema 6 - les 3

89


8

Welke mening hebben ze over wat er gebeurt? Overleg, kruis het juiste antwoord aan en leg je keuze uit. 1 Meester Wouter en mama schreeuwen tegen elkaar. Polleke vindt dat ...

W

x zorgwekkend

net goed fijn

zorgwekkend iets dat reden geeft om bezorgd te zijn

want ze wil de aandacht van de ruzie afleiden en begint over iets anders. 2 Tom blijft dezelfde vraag keer op keer herhalen. Polleke vindt dat ... x een beetje vervelend

wel leuk, al die aandacht grappig want ze hoopt dat hij ophoudt. Of ... ze wil eigenlijk niet antwoorden.

9

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon conclusies trekken uit teksten (die ik las of waar anderen over vertelden). Ik kon de afloop van een tekst voorspellen. Ik kon de gevoelens, karaktertrekken, meningen en bedoelingen van de hoofdpersonen uitleggen en verklaren. Ik kon de informatie uit mijn tekst met mijn groepsgenoten delen. Ik werkte goed samen in groep.

90

Thema 6 - les 3


les 4

Jouw mening telt! Ik kan mijn persoonlijke gegevens op een (digitaal) formulier invullen. Ik kan aanduiden of ik akkoord ga met een stelling of niet. Ik kan mijn mening geven en beargumenteren.

1

Lees de taalweter.

Hoe geef ik een mening? >> Lees (of luister naar) de stelling, de vraag, de tekst ... >> Denk na: Wat vind je? Waarom? >> Breng een persoonlijke boodschap: ‘Ik vind dat ...’ . Zo geef je een persoonlijke mening en bepaal je niet wat een ander moet denken of vinden. >> Hou rekening met de andere(n). Wees ... –– respectvol, –– open (je mening kan nog veranderen), –– persoonlijk, niet veralgemenend. JUIST

FOUT

Ik vind dat hechte vriendschap tussen een jongen en een meisje erg moeilijk is. Ze zullen misschien verliefd op elkaar worden en dan loopt de vriendschap gevaar.

Vriendschap tussen een jongen en een meisje is simpelweg onmogelijk! Wie doet dat nu? Iedereen weet toch dat ze verliefd zullen worden en dan is de vriendschap er sowieso aan!

Thema 6 - les 4

91


2

Kruis de antwoorden in de poll aan. Geef je mening en beargumenteer je antwoord. Let op! Houd rekening met de taalweter.

Anoniem V laams onderzoek naar het welbevinden         Ik ben een:

Ik ben:

Ik woon in:

jongen

jonger dan 10

West-Vlaanderen

meisje

tussen 10 en 12

Oost-Vlaanderen

X

ouder dan 12

Antwerpen Limburg Vlaams-Brabant het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Geef de volgende zinnen een score van 1 tot 5 (1 = helemaal niet, 5 = absoluut wel).

1  2   3   4   5

Bij mijn vrienden neem ik meestal de leiding.

Bij mijn vrienden gedraag ik me meestal extravert.

Ik hou ervan als mijn vrienden introvert zijn.

Ik vind het belangrijk dat mijn vrienden ongeveer even oud zijn als ik.

Ik vind het belangrijk dat mijn vrienden dezelfde hobby’s hebben als ik.

Ik vind het belangrijk dat mijn vrienden een geheim bewaren.

Als we ruzie hebben, ben ik de eerste die stappen zet om het bij te leggen.

Wat vind je van deze stellingen en uitspraken? Geef je mening en leg je antwoord uit. Ik vind dat jongens alleen maar een jongen als beste vriend kunnen hebben en meisjes alleen maar met meisjes een hechte vriendschap kunnen sluiten. akkoord

niet akkoord

omdat ... Als een jongen en een meisje elkaars beste vrienden zijn, dan is dat alleen omdat (minstens) één van de twee verliefd is op de ander. akkoord omdat ...

92

Thema 6 - les 4

niet akkoord


van kinderen en jongeren binnen vriendschapsrelaties Kinderen met een andere achtergrond (bv. een verschillend geloof, een ander land van herkomst ...) kunnen nooit vrienden zijn voor het leven. Ze zijn te verschillend. akkoord

niet akkoord

omdat ... De vrienden die ik nu heb, zullen over twintig jaar nog altijd mijn vrienden zijn. akkoord

niet akkoord

omdat ... Als mijn beste vriend(in) me vertelt dat hij/zij verliefd op me is, dan zet ik de vriendschap stop (tenzij ik ook verliefd ben op hem/haar). akkoord

niet akkoord

omdat ... Als je twaalf jaar bent, kun je onmogelijk al vlinders in je buik hebben. akkoord

niet akkoord

omdat ... Je kunt niet verliefd zijn op iemand die kilometers van je af woont. Die liefde zal nooit blijven duren. akkoord

niet akkoord

omdat ... W

de poll korte online vragenlijst, onderzoek hoe mensen over iets denken beargumenteren

je mening bewijzen

het welbevinden

zich goed voelen

extravert

op anderen gericht; je bent open en eerlijk over wat je denkt en voelt.

introvert

op jezelf gericht; je praat niet makkelijk over wat je denkt en voelt.

hecht

stevig, sterk Thema 6 - les 4

93


3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon mijn persoonlijke gegevens invullen op een (digitaal) formulier. Ik kon aanduiden of ik akkoord ga met een stelling of niet. Ik kon mijn mening geven en beargumenteren. Ik kon kritisch luisteren naar de argumenten van anderen. Ik stond open voor de mening van anderen.

94

Thema 6 - les 4


les 6

Gloria Ik kan het getal (enkelvoud – meervoud) en de persoon van een werkwoord herkennen. Ik kan bepalen of een werkwoord van klank verandert. Ik kan de infinitief en stam noteren.

1

Beluister het liedje een tweede keer en vul de ontbrekende woorden in.

GloriaNiels Destadsbader Een brommer gekocht was Ik En mocht even rijden werd Het Plotseling pech onderweg Een lekke band ging Ik Zocht een helpende hand

Geen idee wie er zou Ik stond er alleen Toen een meisje plots Uit het niets vroeg ze

(1) zestien (2) zomer

(3) aan de kant (4)

komen

(5)

verscheen

helpen “Kan ik je Alsjeblieft, ik was verliefd op

(6)?”

Gloria Wat een wondermooie naam zie Gloria, ik (7) jou nog altijd staan En soms durf ik nog van je te dromen Hoe kan dat in hemelsnaam? Gloria Verdorie, ja hadden We (8) een band Ze was knap, ravissant En haar pa was net de deur uit beland Op haar kamer En het huis voor ons alleen

(9)

W

ravissant betoverend

Thema 6 - les 6

95


vervolg Gloria W

(10) me in de zevende hemel

bracht En ze Alsjeblieft, ik was verliefd op

Gloria Wat een wondermooie naam Gloria, ik zie jou nog altijd staan En soms durf ik nog van je te dromen Hoe Gloria Verdorie, ja keek Ze Ze ging voor me staan, ja Ze vroeg me spontaan Wil “ Als je dat wil kan het in volle glorie misschien?�

(11) dat in hemelsnaam?

kan

(12) me

en

aan

(13) je me graag eens zien?

Gloria Wat een wondermooie naam Gloria, ik zie jou nog altijd staan durf En soms Hoe kan dat in hemelsnaam? Gloria Verdorie, ja

(14) ik nog van je te dromen

Wat een wondermooie naam Ik zie jou nog altijd staan En soms durf ik nog van je te Hoe kan dat in hemelsnaam? Gloria Verdorie, ja Verdorie, ja

2

96

dromen

(15)

Zet kruisjes en vul in. Gebruik de taalweters van oefening 3 als dat nodig is.

Thema 6 - les 6

in de zevende hemel heel gelukkig


Thema 6 - les 6

97

4 Geen idee wie er zou komen.

3 Ik ging aan de kant.

2 Het werd zomer.

1 Ik was zestien.

Klankverandering? ja nee

t.t. v.t.

Klankverandering? x ja nee

t.t. x v.t.

Klankverandering? x ja nee

t.t. x v.t.

Klankverandering? x ja nee

t.t. x v.t.

2e persoon

1e persoon

3e persoon

3e persoon

2e persoon

1e persoon

3e persoon

2e persoon

ik

x 1e persoon

het

x 3e persoon

2e persoon

ik

x 1e persoon

Persoonsvorm

enkelvoud meervoud

meervoud

x enkelvoud

meervoud

x enkelvoud

meervoud

x enkelvoud

andere vorm

x infinitief

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

Andere vorm

komen

gaan

worden

zijn

Infinitief

kom

ga

word

ben

Stam


98

Thema 6 - les 6

8 We hadden een band.

7 Gloria, ik zie jou nog altijd staan.

6 Kan ik je helpen?

5 Toen een meisje plots verscheen.

nee

x ja

Klankverandering?

t.t. x v.t.

Klankverandering? ja nee

v.t.

x t.t.

Klankverandering? ja nee

t.t. v.t.

nee

x ja

Klankverandering?

t.t. x v.t. 2e persoon

3e persoon

2e persoon

3e persoon

3e persoon

2e persoon

we

x 1e persoon

2e persoon

ik

x 1e persoon

1e persoon

een meisje

x 3e persoon

1e persoon

Persoonsvorm

enkelvoud x meervoud

meervoud

x enkelvoud

enkelvoud meervoud

meervoud

x enkelvoud

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

andere vorm

x infinitief

infinitief andere vorm

Andere vorm

hebben

zien

helpen

verschijnen

Infinitief

heb

zie

help

verschijn

Stam


Thema 6 - les 6

99

12 Ze keek me aan.

11 Hoe kan dat in hemelsnaam?

10 En ze bracht me in de zevende hemel.

9 Op haar kamer beland.

Klankverandering? x ja nee

t.t. x v.t.

Klankverandering? ja nee

v.t.

x t.t.

Klankverandering? x ja nee

t.t. x v.t.

Klankverandering? ja nee

t.t. v.t.

2e persoon

1e persoon

3e persoon

2e persoon

2e persoon

2e persoon

ze

x 3e persoon

1e persoon

dat

x 3e persoon

1e persoon

ze

x 3e persoon

1e persoon

Persoonsvorm

meervoud

x enkelvoud

meervoud

x enkelvoud

meervoud

x enkelvoud

enkelvoud meervoud

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

infinitief x andere vorm

Andere vorm

aankijken

kunnen

brengen

belanden

Infinitief

kijk aan

kan

breng

beland

Stam


100

Thema 6 - les 6

15 En soms durf ik nog van je te dromen.

14 En soms durf ik nog van je te dromen.

13 Wil je me graag eens zien?

Klankverandering? ja nee

t.t. v.t.

Klankverandering? ja nee

t.t. v.t.

Klankverandering? ja nee

v.t.

x t.t.

Klankverandering? ja nee

v.t.

x t.t.

3e persoon

2e persoon

1e persoon

3e persoon

2e persoon

1e persoon

3e persoon

2e persoon

ik

x 1e persoon

3e persoon

je

x 2e persoon

1e persoon

Persoonsvorm

enkelvoud meervoud

enkelvoud meervoud

meervoud

x enkelvoud

meervoud

x enkelvoud

infinitief andere vorm

andere vorm

x infinitief

infinitief andere vorm

infinitief andere vorm

Andere vorm

dromen

durven

willen

Infinitief

droom

durf

wil

Stam


3

Gebruik de taalweters (indien nodig).

Welke werkwoorden veranderen van klank? Welke niet? De meeste werkwoorden krijgen in de verleden tijd -de(n) of -te(n) bij de stam. Bv.  speel – speelde, werk – werkte, hoor – hoorde ... Raar, het is ‘ik hoopte’, Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. maar niet Bv.  geef – gaf, drink – dronk, loop – liep ... ‘ik loopte’?

Hoe weet ik of een werkwoord wel of niet van klank verandert? Daar bestaat jammer genoeg geen trucje voor. Of toch: veel luisteren en lezen. Je kunt ook een lijstje aanleggen van werkwoorden die van klank veranderen.

Welke vorm van de persoonsvorm moet ik gebruiken: enkelvoud of meervoud? Dat kun je zien aan het onderwerp. Het onderwerp en persoonsvorm komen altijd overeen. Als het onderwerp enkelvoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud. Bv.  de aap loopt, ik lach, papa slaapt ... Als het onderwerp meervoud is, dan staat de persoonsvorm ook in het meervoud. Bv.  de apen lopen, wij lachen, peuters slapen ...

Thema 6 - les 6

101


Wat is de tijd van een werkwoord? Dat zie je aan de persoonsvorm. Heeft de spreker het over de tegenwoordige tijd (nu) of over de verleden tijd (vroeger)? Tegenwoordige tijd

Het regent. Dat is niet zo erg. Ik kan nu toch niet buiten.

Verleden tijd

Gisteren regende het ook. Dat was wel erg. Ik kon geen fietstocht maken.

De tegenwoordige tijd bestaat uit de stam + uitgang:

Sommige werkwoorden veranderen van klank:

Sommige werkwoorden krijgen de uitgang -de(n) of –te(n):

ik help jij helpt hij helpt

wij zochten wij hielpen

wij werkten wij speelden

wij helpen jullie helpen zij helpen

Wat betekenen de 1e, 2e en 3e persoon van het werkwoord? Ben ik de eerste persoon? Voor mij ben jij de tweede persoon en is hij de derde persoon.

1e persoon 2e persoon 3e persoon

102

Thema 6 - les 6

Enkelvoud ik loop jij/u loopt hij/zij (ze)/het loopt

1e persoon 2e persoon 3e persoon

Meervoud wij lopen jullie lopen zij (ze) lopen


4

Wat hebben alle werkwoorden in de verleden tijd in oefening 2 gemeen? Ze veranderen allemaal van klank.

5

Kleur in de zinnen:

© JAMES ARTHUR GEKIERE

de werkwoorden die niet van klank veranderen.

Niels Destadsbader was koning van de MIA’s! Niels Destadsbader kroonde zich gisteravond tot dé winnaar van de MIA’s. Hij veroverde liefst vijf awards. Angèle won er drie. Kat Kerkhofs overhandigde Niels niet alleen de MIA voor Solo Man, ze gaf hem ook een truitje van manlief Dries Mertens, voetballer bij Napoli.

Naar: www.hln.be

6

Bedenk een zin en noteer die onderaan in de tabel op p. 100. Laat een andere leerling invullen.

7

Hoe verliep de les voor jou?

W

MIA’s de Music Industry Awards, de Vlaamse muziekprijzen

Ik kon bepalen of een werkwoord in het enkelvoud of in het meervoud staat. Ik kon de persoon bij een werkwoord herkennen. Ik kon bepalen of een werkwoord in de verleden tijd of in de tegenwoordige tijd staat. Ik kon bepalen of een werkwoord van klank verandert. Ik kon een andere vorm van het werkwoord herkennen. Ik kon de infinitief van een werkwoord noteren. Ik kon de stam van een werkwoord noteren. Thema 6 - les 6

103


les 8

Hij/zij op hem/haar Ik kan in een tekst sleutelwoorden aanduiden en de hoofdgedachte afleiden.

1

a Lees het artikel. b Onderstreep de sleutelwoorden met potlood. Tip: sleutelwoorden geven een antwoord op vragen als: wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom?

Holebi! Wat nu?

De puberteit is een moeilijke tijd. Je zoekt uit wie je bent en wat je geaardheid is. Voor sommigen is het snel duidelijk dat ze geen vlinders in de buik krijgen van mensen van het andere geslacht. Anderen doen er langer over. Het kan ook dat je de ene keer gek bent op een meisje en de andere keer op een jongen. Veel jongeren maken zich daar zorgen over. Maar dat hoeft helemaal niet.

Holebi?

Holebi is de verzamelnaam voor homoseksuele, lesbische en biseksuele mensen. Homoseksueel stamt af van een combinatie van het Griekse homoios (gelijk) en het Latijnse sexus (geslacht). Jongens die op jongens verliefd worden, zijn homoseksueel. Bij meisjes die op meisjes vallen, gebruiken we de term lesbisch. Iemand die biseksueel (bis = twee) is, kan verliefd worden op zowel jongens als meisjes.

Uit de kast

Op wie je verliefd wordt, kies je niet. Wel bepaal je zelf wat je doet met je vlinders in je buik. Romantische gevoelens voor iemand van hetzelfde geslacht kunnen je verwarren. Je maakt je misschien zorgen over hoe je vrienden of ouders zullen reageren. Zullen ze jou nog wel aanvaarden? Veel homoseksuele jongens of lesbische meisjes aarzelen om hun omgeving in te lichten. Het is geen gemakkelijke stap om ‘uit de kast te komen’. Maar als je de stap gezet hebt, valt er vaak een last van je schouders.

104

Thema 6 - les 8


Tips: 1 Beschouw jezelf niet als ‘anders’. 90 % van de bevolking is hetero (heteros = anders, verschillend) en valt op iemand van het andere geslacht. Maar daarom hoef je je als holebi niet ‘anders’ te voelen. Het aantal liefhebbers van klassieke muziek is bijvoorbeeld ook niet veel hoger dan tien procent. Zij zijn ook niet ‘anders’ maar hebben gewoon een andere voorkeur.

2 Accepteer wie je bent. De kleur van je ogen kun je niet veranderen. Het maakt deel uit van wie je bent. Ook je seksuele geaardheid is voorbestemd. Het is een onderdeel van wie jij als persoon bent. Wees trots en gelukkig met jezelf! Jouw geluk is voor je vrienden en familie ook het belangrijkste.

3 Sta erboven. Sommige mensen kunnen je kwetsen met hun onbegrip. Daarmee geven ze toe dat ze jouw gevoelens niet aanvaarden. Negeer hen en concentreer je vooral op mensen die je aanvaarden zoals je bent.

4 Praat! Je voelt je misschien onzeker of angstig door je gevoelens. Praten is de beste remedie als emoties je parten spelen.

Sommige mensen vinden het moeilijk om over hun geaardheid te praten, maar eigenlijk is het zo lastig als je het zelf maakt. Het gaat over iemands emoties, over hoe hij of zij de liefde beleeft. Toon respect voor en wees tolerant tegenover ieders geaardheid. Doe je dat al? Yes! Houden zo ...

W

de puberteit periode in je leven, ongeveer tussen je dertiende en zestiende jaar, waarin je seksueel gaat ontwikkelen de geaardheid

seksuele voorkeur (dus op mannen, op vrouwen of op allebei vallen)

afstammen van

komen van, afgeleid zijn van

accepteren

aannemen, aanvaarden

voorbestemd

vooraf bepaald

de remedie

middel dat helpt (bv. om iets op te lossen, om iets te genezen)

parten spelen

ergens veel last van hebben

tolerant verdraagzaam, je vindt het niet erg dat mensen anders zijn dan jij of dat ze een andere levenswijze hebben

Thema 6 - les 8

105


2

Bespreek de woorden die je onderstreepte met je partner. Onderstreep eventueel extra woorden of gom waar nodig. Bespreek waarom het woord (g)een sleutelwoord is.

3

Kleur in het artikel: de conclusie van de tekst.

4

Noteer de hoofdgedachte van de tekst in maximaal twee zinnen. bv. Mensen kunnen homoseksueel, biseksueel of heteroseksueel zijn. Je moet respect hebben voor elke vorm van geaardheid.

5

Ontwerp een affiche die oproept tot meer tolerantie voor elke relatie. STAP 1:  Gebruik de sleutelwoorden uit de tekst. STAP 2:  Zorg voor een passende slogan. STAP 3:  Werk de affiche eerst uit op kladpapier. Leg dat ontwerp voor aan de juf of meester en werk daarna in het net.

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon sleutelwoorden in een tekst aanduiden. Ik kon de hoofdgedachte uit een tekst afleiden. Ik kon een conclusie uit een tekst trekken. Ik heb respect voor de geaardheid van elk mens: hetero-, homo- of biseksueel. Ik gebruik respectvolle taal om over liefde, relaties en seksualiteit te spreken.

106

Thema 6 - les 8

W

de slogan kort geformuleerde reclamezin


les 9

EĂŠn kilo liefde graag! Ik kan genieten van gedichten over vriendschap en liefde. Ik kan een (reclame)gedicht maken over liefde en/of vriendschap.

1

a Lees de gedichten. b Zet een kruisje bij jouw favoriete gedicht.

Vallen Een jongen valt op een meisje en een meisje valt op een jongen. Maar een jongen kan ook op een jongen vallen en een meisje op een meisje. Ja, dat kan. Een jongen kan zelfs op een meisje vallen dat al op een jongen viel. Of op een meisje. En een meisje kan op een meisje vallen dat op een ander meisje viel dat eerder al op een jongen viel. EĂŠn ding is dus zeker: liefde is een grote valpartij.

Ik ben zo lenig door de warte eh, zo warrig door de lente Ben in de bladerbloesemwar en in de kiezelende stralenwar de gniechelende stikkewar de stommestillestarenwar Ik bloos me alle kleuren spruttel woorden uit mijn mond Ze strikkelen mijn lippen over donken languit op de grond Ik warrel en ik zwarrel maar ik krabbel wel een brief Zo hardop zeggen lukt me niet ik vind je veel te lief

Uit: Zoen me tot ik spin, Simon van der Geest, Querido, 2011

Uit: Ullefrullefliep!, Geert De Kockere, Pigmalion, 2015

Uit: Zoen me tot ik spin, K. Schippers, Querido, 2011 Uit: HOU VAN MIJ, Ted van Lieshout, Leopold, 2009

Thema 6 - les 9

107


Kijken Ik keek en ik zag je. Ik keek goed en ik zag je graag. En nu ik nòg wat beter kijk, zie ik je het liefst.

SiberiĂŤ Geef me je jas van bont van teddyberen. Sla je arm om me heen en al je winterkleren. Zoen me tot ik warm word. Zoen me tot ik spin. Trek je eigen huid dan uit, stop mij eronder in. Sus me met je hartslag. Wij ons wij ons wij ons. Maak van dit veel te grote bed een heel klein fort van dons.

Uit: We liefden nog lang en gelukkig, Geert De Kockere en Nelleke Verhoeff, De Eenhoorn, 2016

Uit: Verzamel de liefde, Bart Moeyaert, Querido, 2006

Uit: Zoen me tot ik spin, Toon Tellegen, Querido, 2011

is het waar dat liefde spieren geeft en op den duur ook vuur

Uit: Verzamel de liefde, Bart Moeyaert, Querido, 2006

108

Thema 6 - les 9


2

Volg het stappenplan. STAP 1:  Bekijk enkele reclamefolders. Zoek de zinnen waarmee reclamemakers de koper willen overtuigen. STAP 2:  Kies een onderwerp. Maak reclame voor iets dat je niet kunt kopen. liefde

relatie vriendschap

liefdesverdriet verliefdheid

STAP 3:  Zoek een passend beeld. Knip het uit. STAP 4:  Maak er een reclamegedicht bij. Knip zinnen en woorden uit. Tip: verknip ook zinnen door woorden weg te laten of te vervangen door andere woorden. Je mag ook woorden uitvinden door letters uit te knippen en te combineren. STAP 5:  Schik de gevonden woorden op het tekenblad tot je vindt dat het gedicht af is. STAP 6:  Kleef alles op. Voeg eventueel zelfgeschreven letters, woorden, tekens of zinnen toe. STAP 7:  Schrijf als een echte dichter je naam onder het gedicht.

3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een stappenplan volgen bij het maken van een gedicht. Ik kon een reclamegedicht maken over liefde en/of vriendschap.

Ik kon uitleggen wat je met poëzie duidelijk kunt maken.

Thema 6 - les 9

109


les 11

Op jou heb ik mijn zinnen gezet Ik kan verschillende soorten zinnen ontdekken. Ik kan aandacht hebben voor zinnen die niet zijn wat ze lijken.

1

Lees de taalweters.

Ken ik deze vier soorten zinnen? Eek! Een muis!

Ga weg, muis! Hoe heet jij, muisje? De muis is weg.

de uitroep

de vraag

het bevel

de mededeling

Is dat nu een vraag? Een zin is niet altijd wat hij lijkt. Deze zin lijkt wel een vraag: >> Er is een vragende toon. >> Er staat een vraagteken. >> De persoonsvorm staat vooraan. Toch wil de juf niet dat we antwoorden. Integendeel: ze wil dat we opletten! Dit is dus een bevel! Leuk hĂŠ, hoe we met taal spelen? Zelfs een juf die boos is, speelt met taal ...

110

Thema 6 - les 11

Willen jullie nu eens opletten?


2

a Bepaal of het een uitroep, vraag, bevel of mededeling is. Kleur: het juiste woord. uitroep

vraag

bevel

mededeling

kip

vleermuis

mus

vlinder

Gaat het bij elke emotie zo?

walvis

libel

duif

eend

Wil je weleens opletten?

paard

vink

vlieg

parelhoen

Daar heb je het!

mug

eekhoorn

ekster

kalkoen

olifant

specht

fazant

kever

et is een gek kriebelend H gevoel.

Je vraagt je af waarom het lijkt alsof je in een achtbaan zit.

b Zoek het verband tussen de vijf dieren die je hebt gekleurd. Het zijn insecten. 3

a Bepaal of het een uitroep, vraag, bevel of mededeling is. Kleur: het juiste woord. uitroep

vraag

bevel

mededeling

Tuurlijk zitten er geen echte vissen of vlinders in onze buik.

roepen

zingen

bloemen

angst

I ets moet dat tintelende gevoel toch veroorzaken?

juwelen

blijdschap

krijsen

fluiten

oek het antwoord niet in je Z buik, wel in je hersenen!

trots

schreeuwen

neuriĂŤn

knuffels en zoenen

Zoals gewoonlijk, inderdaad.

chocolade

jodelen

brullen

woede

Ga jij nu elke keer bang zijn?

gillen

wanhoop

rappen

dekentje

b Zoek het verband tussen de vijf woorden die je hebt gekleurd. Het zijn emoties of gevoelens.

W

tintelen zacht geprikkeld worden, steken

Thema 6 - les 11

111


4

a Bepaal of het een uitroep, vraag, bevel of mededeling is. Kleur: het juiste woord. uitroep

vraag

bevel

mededeling

vrienden

kudde

koppel

relatie

stel

familie

school

band

verbintenis

partners

zwerm

buren

ls je langs een kabel naar A beneden glijdt, voel je het kriebelen.

verkering

collega’s

kolonie

paar

isschien is dat gevoel nog M sterker vóór de sprong dan tijdens.

romance

troep

kennissen

echtpaar

Sta nu eens met beide voeten op de grond!

Er beweegt iets in mijn buik!

even onze hersenen bevelen G aan ons lichaam?

b Zoek het verband tussen de vijf woorden die je hebt gekleurd. Het zijn woorden voor twee mensen die bij elkaar horen.

5

W

met beide voeten op de grond staan realistisch zijn

a Noteer een vraag over gevoelens en zintuigen die je ooit stelde aan je ouders of een andere volwassene. b Schrijf het antwoord op je vraag erbij. Let op: gebruik in je tekst minstens één keer een vraag, een uitroep, een bevel en een mededeling.

het SLIMSTE

ld e r e w r e t D N I K

112

Thema 6 - les 11


6

Neem telkens een andere kleur en zoek het verband tussen de andere woorden in de puzzels bij oefening 2, 3 en 4. Overleg per vier. 1 Verbanden bij oefening 2:

eetbare vogels vogels in de tuin zoogdieren

2 Verbanden bij oefening 3:

cadeaus lawaai maken met de mond muziek maken met de mond

3 Verbanden bij oefening 4:

groepen dieren verband tussen mensen groepen mensen

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon verschillende soorten zinnen ontdekken. Ik had aandacht voor zinnen die niet zijn wat ze lijken. Ik kon spontaan of op vraag vertellen over gevoelens. Ik kon in een discussie om extra uitleg vragen. Ik werkte goed samen met een partner en in groep.

Thema 6 - les 11

113


les 12

Het voelde als een dikke onvoldoende. Ik kan een voorstelling maken bij een gedicht. Ik kan een gedicht expressief voordragen. Ik kan de voordracht van een klasgenoot beoordelen.

1

114

a Kleef hier het gedicht van jullie keuze.

Thema 6 - les 12


b Maak een presentatie op de computer. Gebruik software zoals PowerPoint, Prezi ... STAP 1:  Verdeel het gedicht in delen: elk deel komt op één dia. Maak maximaal zeven dia’s.

STAP 1:  Verdeel het gedicht in delen: elk deel komt op één vel. Maak maximaal zeven vellen.

STAP 2:  Typ het gedicht over: op elke dia komt één deel.

STAP 2:  Schrijf het gedicht over: op elk vel komt één deel. Denk na over de kleur, de grootte en de stijl van de letters die je gebruikt.

STAP 3:  Zoek op het internet passende foto’s en tekeningen en voeg ze aan je presentatie toe. STAP 4:  Werk je presentatie af door mooie kleuren, het juiste lettertype en overgangen te kiezen. STAP 5:  Voorzie passende muziek.

2

OF:  Maak een presentatie op grote vellen papier.

STAP 3:  Zoek in tijdschriften passende foto’s en tekeningen en kleef ze bij je gedicht. Je kunt ook zelf tekeningen maken. STAP 4:  Werk het gedicht af met kleurpotlood, stift ...

Oefen het voordragen van je gedicht. Spreek af wie welk deel voordraagt. Zorg ervoor dat iedereen evenveel zegt.

Ik draag mijn gedicht goed voor. Tempo: ik spreek niet te snel en niet te traag. Ik neem voldoende rustpauzes. Articulatie: ik spreek de woorden duidelijk uit. Toonhoogte: ik zorg voor een goede afwisseling tussen de verschillende zinnen, ik spreek niet steeds op dezelfde toon. Ademhaling: ik hou mijn zenuwen onder controle door een goede ademhaling. Vlot en vloeiend: ik spreek zonder haperingen en zonder stopwoorden. Contact: ik kijk mijn luisteraars aan.

Thema 6 - les 12

115


3

Beoordeel de groepen. Zeer goed

Groep:

Goed

Voldoende

Tempo Articulatie Toonhoogte Ademhaling Vlot en vloeiend Contact

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een voorstelling maken bij een gedicht. Ik kon een gedicht expressief voordragen. Ik kon de voordracht van een klasgenoot beoordelen.

116

Thema 6 - les 12

Kan beter


les 15

Onbegrepen woorden? Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik weet waar sommige uitdrukkingen (figuurlijk taalgebruik) vandaan komen.

1

Lees de taalweter.

Wat betekent letterlijk? En figuurlijk? Als je iets letterlijk schrijft, bedoel je precies wat er staat. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd doet erg veel pijn. Als je iets figuurlijk schrijft, bedoel je eigenlijk iets anders. Bv.  Ik heb hoofdpijn. Mijn hoofd ontploft! Geen paniek! Mijn hoofd ontploft niet echt. Ik overdrijf gewoon een beetje. Ik gebruik de taal figuurlijk.

2

Speel ‘De zinnenmaker’. Maak in één minuut een zo lang mogelijk zin met een themawoord.

De zinnenmaker 1 Maak een groep van vier. 2 De eerste schrijft een themawoord op een kladpapier. Hij geeft het papier door. 3 De volgende speler schrijft het tweede woord van de zin. Probeer zo veel mogelijk themawoorden in de zin te gebruiken. 4 Ga door tot de zin af is. 5 Tel jullie punten: elk woord in de zin levert een punt op. Elk extra themawoord is een bonuspunt waard. Let op: alleen een juiste zin levert punten op. Zin 1: Bezorgd ... Zin 2: De puberteit ... Zin 3: De remedie ...

Thema 6 - les 15

117


3

Vul bij elke persoon het woord in dat bij hem of haar past. Kies uit: aanstellerig – begripvol – bezorgd – onbegrepen – opvliegend – snugger

1

4 Onze kat is niet thuisgekomen. Ik ben bang dat er iets gebeurd is!

Wouter is

2

opvliegend

.

Nathan is

5

Ik dacht dat ik naar de overkant kon springen ...

Camiel is niet erg

.

snugger

3 Ik wou uitleggen waarom ik niet kwam, maar Natasja wilde niet luisteren.

Lieve voelt zich

118

Thema 6 - les 15

onbegrepen

.

Ik snap heel goed dat je het vervelend vindt dat Natasja boos is.

Adam is

6

.

bezorgd

begripvol

.

Ik vond het zó erg dat Lieve niet kwam. Ik kon er niet van slapen!

Natasja doet

aanstellerig

.


4

Vul de poll in door jouw antwoord aan te kruisen. 1 De chimpansee en de mens stammen af van een gemeenschappelijke voorouder.

5

eens

oneens

2 Mensen moeten openlijk kunnen uitkomen voor hun geaardheid.

3 Tolerantie ten opzichte van mensen met andere godsdiensten of ideeën is heel belangrijk.

4 Welk beroep je later gaat uitoefenen, is voorbestemd.

5 Ouders moeten accepteren dat hun kind tijdens de puberteit soms eigenwijs of vervelend is.

geen mening

Welke woorden passen in de zin? Vervang het woord tussen haakjes door een themawoord. Kies uit: hechte – remedie – sjokte – speelde ons parten – tintelen 1 Nadat Louis de verkering had uitgemaakt, (liep) teleurgesteld weg. 2 Nora en Emily hebben een (goede)

band.

hechte

3 Als je een gat in je kies hebt, is het laten opvullen de beste (oplossing) 4 We wilden gaan wandelen, maar het slechte weer (verpestte dat) 5 Door de kou beginnen mijn vingers te (prikken)

6

Emma

sjokte

tintelen

remedie speelde ons parten

.  .

.

Lees de stelling. Geef aan of je het ermee (on)eens bent. Beargumenteer je mening. Er mogen maximaal vijftien kinderen in een klas zitten. Ik    ben het daar wel / niet mee eens, want bv. als er weinig leerlingen in een klas zitten, kunnen de leraars de leerlingen meer en beter begeleiden.

Thema 6 - les 15

119


7

Kleur: wie met beide voeten op de grond staat. wie in de zevende hemel is. Ik heb de turnwedstrijd gewonnen. Nu weet ik zeker dat ik de beste ben en olympisch kampioen zal worden.

Ik had nul fouten op die toets. De volgende keer moet ik net zo hard mijn best doen. Nika Arthur

Julia

Morgen gaan we een dagje naar de Efteling. Daar word ik zรณ blij van!

Ik kan heel goed viool spelen. Zo goed dat ik de beroemdste violist ter wereld zal worden.

Samira

8

Ben jij eerder extravert of introvert? Ik ben eerder extravert / introvert, want bv. ik hou er niet van om over mijn gevoelens te praten. Ik geef niet snel mijn mening over dingen.

9

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden en kon ze gebruiken. Ik wist waar bepaalde uitdrukkingen (figuurlijk taalgebruik) vandaan komen.

120

Thema 6 - les 15


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.