Page 1

Toneelgeruis_8_2b.indd 1

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 2

18/01/12 09:21


Column Woont Bart de Wever op Mars?

Het is vaak een kwestie van de juiste afstand. In juni 2010 stapten zes mannelijke vrijwilligers in een nagemaakt ruimteschip om een 520 dagen durende missie naar Mars te simuleren. Begin november 2011 waren zij ‘terug’ op de aarde. Ruimtevaartorganisatie ESA wilde met het experiment onderzoeken hoe mensen psychologisch en fysiek reageren op de lange reis naar de rode planeet. De simulatie werd uitgevoerd in een afgesloten ruimte in het Institute for Medical and Biological Problems in Moskou. Daar bootste het team, bestaande uit Russen, Europeanen en Chinezen, de 250 dagen durende heenreis, een verblijf op Mars en de terugreis na. Een van de grote ‘ontdekkingen’ van het experiment, aldus een woordvoerster, was dat de astronauten om de tijd en de verveling te doden – Mars ligt niet echt om de hoek – een grote creativiteit aan de dag hadden gelegd bij het organiseren van bijvoorbeeld Halloween, Kerstmis en het Chinese Nieuwjaar. Met allerlei technisch afval maakten ze maskers, slingers en zelfs een kerstboom! Rondzwevend in een gesimuleerd ruimteschip hebben zes astronauten het bewijs geleverd: ook losgeslagen van iedere aardse context, van iedere culturele referentie, van iedere nationale gemeenschap overleeft de mens. En dat omdat hij een ‘homo ludens’ is, een spelende mens, een creatieveling met andere woorden. Het zal Bart De Wever niet zo snel overkomen: gewichtloos rondzweven in de ruimte. Hij staat stevig op de grond en kijkt nuchter de wereld in. Zo kijkt hij ook in een recente column in De Standaard (8/11/2011) nuchter naar de hedendaagse kunst. En wat constateert hij? Hij ziet kunst die choqueert, kunst die onbegrijpelijk is, kunst die alleen een kleine groep van ingewijden aanspreekt, kunst waarvan de gewone man niet eens meer weet dat het kunst is! Dat is niet altijd zo geweest, vindt hij. Bart De Wever roept een nostalgisch beeld op van de negentiende eeuw, toen kunst, individu en gemeenschap nog in elkaars verlengde lagen en kunstenaars zich nog plaatsten in een eeuwenlange traditie. Nog afgezien van de vraag of dat toen ook

Toneelgeruis_8_2b.indd 3

18/01/12 09:21


werkelijk zo eenvoudig was, is het zonder meer duidelijk dat we niet langer in de negentiende, maar aan het begin van de eenentwintigste eeuw leven. Dit is niet langer de wereld waarover Balzac of Charles Dickens in hun romans schreven, maar de wereld die in de romans van Murakami en Paul Auster gestalte krijgt. Iedere tijd gaat op zoek naar zijn eigen specifieke creativiteit, naar zijn eigen artistieke expressie. En die tijd en die expressie veranderen dus voortdurend, hoeveel bewondering we ook hebben voor wat in het verleden aan kunst is voortgebracht. Zo is het moderne individu niet langer het negentiende-eeuwse burgerlijke individu, maar het inmiddels vernetwerkte individu. De gemeenschap is al lang niet meer de nationale gemeenschap, maar een hybride, multiculturele, multi-etnische en multireligieuze gemeenschap. Iedere politieke en economische crisis leert ons dat nationalisme als antwoord niet langer voldoet. De wereld is geglobaliseerd, vernetwerkt, interdependent, of hoe je het ook benoemen wilt. Niets bestaat wat niet iets anders aanraakt, om het met een poĂŤtische zin van Jeroen Brouwers te zeggen. En ook de hedendaagse kunst valt al lang niet meer samen met wat ooit de avant-garde werd genoemd. Kunstenaars beroepen zich nauwelijks nog op de strategie van de schok of van de provocatie. En al evenmin trekken ze zich terug in hun ivoren torens. Integendeel zelfs. Meer dan ooit zoeken kunstenaars naar nieuwe manieren om met hun publiek te communiceren, gebruikmakend van zowel de openbare ruimte als van de nieuwste informatie- en communicatietechnologie. Sommige kunstenaars blijven zweren bij de autonomie van het kunstwerk, terwijl anderen de wijken intrekken en hun werk opladen met de daar aanwezige sociale en culturele energieĂŤn. Veel artistieke projecten hebben een socialiserend en een solidariserend karakter. Kunstenaars zijn zich scherp bewust van de complexiteit en de precariteit van de wereld waarin ze werken. Meer dan ooit worden maatschappelijke discussies gevoerd in

Toneelgeruis_8_2b.indd 4

18/01/12 09:21


theaters en schouwburgen. Ook het ecologische bewustzijn is niet aan de kunstensector voorbijgegaan. De discussie over de plek en de functie van de kunsten wordt nergens zo scherp gevoerd als binnen de kunstenwereld zelf. Bart De Wever heeft een zeer reducerend beeld van wat moderne kunst is en zijn negentiende-eeuwse alternatief heeft al helemaal geen levensvatbaarheid meer. Wat er onder de term ‘hedendaagse kunst’ valt, is veel rijker, veel gedifferentieerder en veel fascinerender. Een samenleving heeft er alle belang bij om die rijkdom niet verloren te laten gaan. Naast de wetenschappen zijn de kunsten de belangrijkste laboratoria en experimenteerruimtes die onze wereld heeft. Maar dat zie je misschien pas vanop de juiste afstand. Misschien zou een gesimuleerde Marsreis Bart De Wever geen kwaad doen? Vrij zweven in de ruimte, los van alle aardse vastigheid, geen nationale gemeenschap of nationale traditie in de buurt! De verbeelding is het medium dat de mens oneindig maakt. Kierkegaard. Prachtig toch! Al die kunst die de mens doet zweven!

Erwin Jans

Toneelgeruis_8_2b.indd 5

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 6

18/01/12 09:21


9

17

FLOU

Een beeldimpressie

Abke Haring

Duister hart De integrale toneeltekst

61

Van de Velde Fragment uit toneeltekst

95

121

Bart Meuleman

Onvoltooid verleden Fragment uit toneeltekst

Tom Dewispelaere naar Hugo Claus

DISISIT

Fragment uit toneeltekst

Benjamin Verdonck

129

Een straat Van leven en kunst Reflecties over het beeldend werk van Benjamin Verdonck Luk Lambrecht

141

Sahika Tekand: Beckett op Turkse turbo

151

177

Een beschouwing

Johan Thielemans

Het verborgen weefsel: broer en zus

Neerslag van een gespreksavond

Erwin Jans, Stefan Hertmans & Jan Fontijn

Controleverlies Een column

183

Toneelgeruis_8_2b.indd 7

Erik Vlaminck

Dromen Van een andere weg Een voorpublicatie

107

Josse De Pauw naar Joseph Conrad

Yves Petry

gezocht .. en gevonden: mensen in dialoog in Israe l en Palestina Een interview Lukas Pairon

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 8

18/01/12 09:21


FLOU FLOU van Abke Haring ging in première op 15 december 2011 in de Theaterstudio van deSingel. Abke Haring schreef de tekst. Vervolgens regisseerde ze Han Kerckhoffs en zichzelf in een voorstelling die publiek en recensenten in het hart wist te raken. “Een schone wonde”, “kraakhelder”, “grote kunst”…, de superlatieven werden niet geschuwd. Uitgeverij Bebuquin en Toneelhuis publiceren bij aanvang van de tournee doorheen Vlaanderen en Nederland (maart 2012) de integrale tekst in een aparte boekuitgave, van dan af te koop bij de voorstellingen, in Toneelhuis en in de betere boekhandel. Als voorsmaakje alvast een beeldimpressie van FLOU.

Toneelgeruis_8_2b.indd 9

18/01/12 09:21


handvest

Toneelgeruis_8_2b.indd 10

18/01/12 09:21


weren van een pijngrens zacht schuren tegen de rand van een ontmoedigende stilte (Abke Haring)

Toneelgeruis_8_2b.indd 11

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 12

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 13

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 14

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 15

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 16

18/01/12 09:21


DUISTER HART Na Onder de vulkaan van Malcolm Lowry vroeg Guy Cassiers opnieuw aan Josse De Pauw om een bewerking te maken van een van de grote moderne romans: Heart of Darkness van Joseph Conrad. Conrads roman is het verhaal van de scheepskapitein Marlow die in opdracht van een Belgische handelsmaatschappij de Congostroom opvaart op zoek naar een zekere Kurtz. Naarmate de tocht vordert, raakt Marlow steeds meer gefascineerd door deze Kurtz. Veel meer dan een tocht naar het hart van Afrika, wordt het een tocht naar het eigen duister hart.

Toneelgeruis_8_2b.indd 17

18/01/12 09:21


Marlow zit met gekruiste benen, tegen de mast aan geleund, op het achterdek. Ingevallen wangen, gelig gezicht, rechte rug... het geheel heeft iets ascetisch. Met zijn neerhangende armen, de handpalmen naar buiten gekeerd, ziet hij eruit als een afgodsbeeld. Om hem heen zit zijn publiek. Hij praat in korte, onaffe zinnen, komt dan stilaan op gang, als een diesel. marlow

(tot zijn publiek) Ook dit... ook dit is ooit een van de duistere plekken op aarde geweest. Oude tijden, zeer oude tijden... toen de Romeinen hier voor het eerst kwamen... als de dag van gisteren... als een bliksemschicht in een dreigend wolkendek... wij leven in die flikkering... en dat het mag duren zolang de wereld draait!... Maar gisteren nog, zeg ik jullie, heerste hier de duisternis. Stel je de commandant voor van zo’n slanke... hoe heten die dingen... trireem? Heten ze zo? Zo heten ze. Trireem. Zo’n dun schip met roeiers, op de Middellandse Zee. Een en al elegantie! Wat voelt zo’n man als hij plots naar het noorden wordt gestuurd, als een waanzinnige het land moet doorkruisen en vervolgens het bevel moet voeren over een van die logge barken die door legionairs ter plaatse werden ineen geknutseld? Stel je hem hier voor, aan het einde van de wereld, op een zee met de kleur van lood, onder luchten als rook, met zijn ineengeknutseld schip. Hoe hij hier de rivier opvaart... zandbanken, moerassen, wouden, wilden... Hier en daar een militair kamp verloren in de wildernis, een speld in een hooiberg... koude, mist, onweer, ziekte en dood. Ze moeten hier gevallen zijn als de vliegen. O, hij deed het, ja... hij heeft het gedaan. En hij heeft het goed gedaan, zonder er al te veel over na te denken. Tenzij daarna misschien, later, om te kunnen opscheppen over wat hij in zijn tijd niet allemaal had gedaan. Mans genoeg geweest om de duisternis aan te kunnen. Geen handleiding. Leven te midden van het onbegrijpelijke, dat afschuwelijk is en tegelijk fascinerend. De aantrekkingskracht van wat afschuwelijk is, begrijpen jullie. En dan, de groeiende spijt, het verlangen te ontsnappen en uiteindelijk de haat. Wat een mens dan nodig heeft, is een doel. Doelmatigheid, een hartstochtelijke hang naar doelmatigheid. Het waren geen kolonisten, die Romeinen, het waren veroveraars! En veroveren doe je met brute kracht. En vermits je eigen kracht een toevalligheid is die voortkomt uit de zwakte van anderen, is dat niks om trots op te zijn. Ze pakten wat ze te pakken konden krijgen, alleen omdat er wat te pakken viel. Roof met geweldpleging, moord met voorbedachten rade op grote schaal, en de mannen gingen er blind tegenaan – wat normaal is als je de duisternis te lijf gaat. De

18

Toneelgeruis_8_2b.indd 18

duister hart

18/01/12 09:21


verovering van de aarde betekent meestal dat ze wordt afgepakt van anderen. Anderen met een andere huidkleur of een plattere neus, en liefst wat kleiner van gestalte of in ieder geval minder goed bewapend. Het is geen fraaie bedoening als je het van dichtbij bekijkt. De enige mogelijke rechtvaardiging ligt in de idee. Dat er een idee achter zit, geen sentimenteel gezever, maar een idee. En een onbaatzuchtig geloof in die idee... iets wat je kunt oprichten, waar je voor kunt knielen, waaraan je kunt offeren... Als jongetje was ik bezeten van landkaarten. Ik kon uren kijken naar Zuid-Amerika, of Afrika, of Australië en ik verloor mezelf in glorierijke ontdekkingstochten. Er waren nog veel witte plekken op aarde toen, en wanneer ik er een vond die er uitnodigend uitzag dan legde ik er mijn vinger op en zei: als ik groot ben, ga ik daarheen. Op sommige van die witte plekken ben ik later geweest... Maar er was één plek, de grootste, de witste van alle, om zo te zeggen, waar ik naar hunkerde. Tegen de tijd dat ik er kwam, was ze niet meer zo wit. Sinds mijn jongensjaren was ze gevuld geraakt met rivieren en meren en namen. Ze was niet langer een witte plek vol grote geheimen, geen witte droomplek voor een jongen meer. Ze was een duistere plek geworden. Maar er was daar een rivier, een machtige grote rivier, een reusachtige slang die zich ontrolde, de kop in zee, haar lijf ontspannen in een wijde bocht over een eindeloze vlakte en de staart verloren in de diepten van het land. En terwijl de man die ik intussen geworden was ernaar keek op een kaart in een etalage, werd het jongetje, dat nog steeds in de man zat, erdoor gebiologeerd, zoals een vogeltje wordt gebiologeerd door een slang, een klein dom vogeltje. En ik wist dat er een grote handelsmaatschappij op die rivier zat. Zonder boten kunnen ze daar niks beginnen, dacht ik. Waarom probeer ik niet zo’n boot onder mijn gezag te krijgen? Ik liep de straat uit, weg van de etalage. Maar ik kreeg het niet uit mijn hoofd gezet. De slang had me in haar macht. Ik vaar mee op een Franse stomer die alle mogelijke en onmogelijke havens aandoet en me uiteindelijk naar de post zal brengen, waar mijn opdracht begint. Voorlopig ben ik passagier, straks word ik kapitein en zal ik het lijf van de slang volgen tot diep in de binnenlanden. Naar een kust kijken die aan een varend schip voorbijglijdt, is als nadenken over wat je niet begrijpt. Ze ligt daar, glimlachend, fronsend, verlokkelijk, majestueus, enggeestig, overdonderend, woest en altijd zwijgend, terwijl je het gevoel hebt dat ze je toefluistert: kom dan, kom aan land, kom me zien. Een grimmige eentonigheid. De rand van een eindeloos oerwoud, zo donkergroen dat het zwart wordt, afgezet met een franje van witte branding, recht, als met een liniaal getrokken langs een blauwe zee waarvan de schittering getemperd wordt door het waas van een

Toneelgeruis_8_2b.indd 19

18/01/12 09:21


laaghangende nevel. De zon fel, het land glanst en druipt. Hier en daar een grauwe vlek achter de branding, soms met een vlag erboven, nederzettingen, eeuwenoud en nog altijd niet groter dan speldenkoppen in die weidsheid. En elke dag dezelfde kust, alsof we niet vooruitkomen. We puffen voort, houden stil, brengen soldaten aan de wal, gaan weer verder, brengen douanebeambten aan de wal, die gaan tol heffen in de godverlaten wildernis, en nog meer soldaten, om de douanebeambten te beschermen. Sommigen verdrinken in de branding, wordt me gezegd, maar als dat zo is, lijkt het niemand wat te kunnen schelen. Ze worden overboord gezet en wij gaan verder. Het gedwongen nietsdoen, tussen mannen met wie ik niks gemeen heb. De olieachtige, lome zee, de eentonige doodsheid van de kust. Het is onmogelijk de dingen te zien zoals ze zijn. Het geluid van de branding is dan als de stem van een broer, is natuurlijk en waarachtig, heeft een reden, heeft betekenis. En af en toe brengt een prauw van de kust af nog wat werkelijkheid. Aan de peddels zitten zwarte mannen, ze schreeuwen, ze zingen, het zweet gutst langs hun lijven. Ze hebben botten en spieren, en levenskracht, een felheid, even natuurlijk en waarachtig als die van de branding. Hun aanwezigheid zo vanzelfsprekend. Een verademing. Het gevoel tot een wereld van simpele feiten te behoren, maar steeds vaker gebeurt er iets wat dat gevoel verjaagt. Op een keer ligt er een Frans oorlogsschip voor de kust voor anker. Nergens iets te zien. Dat schip ligt daar de stomme rimboe te beschieten. De deining laat het loom op en neer gaan. Daar ligt het, in de lege oneindigheid van aarde, lucht en water, op een continent te vuren. Onbegrijpelijk. Plof en een kleine vlam, wat witte rook, een zwakke gil en verder gebeurt er niks. Er kan ook niks gebeuren. Iemand aan boord verzekert me dat zich ergens in die rimboe een kamp van inboorlingen bevindt. Vijanden, zegt hij. We varen langszij, geven hun brieven af. Ik hoor dat er op dat eenzame schietende schip drie mannen per dag sterven aan koorts. Maakt niks uit. We gaan verder, we stoppen, gaan weer verder. En overal schrijdt de vrolijke dans van dood en handel wiegend voort, in een verstilde en van grondlucht doortrokken wereld, in een oververhitte grafkelder. Een beklemmende verwondering groeit in mij, meer dan dertig dagen lang. En dan zie ik eindelijk de monding van de grote rivier. Dan zie ik eindelijk de kop van de slang. hoofdboekhouder

Ik moest even naar buiten om een frisse neus te halen. Ik ben de hoofdboekhouder van de Maatschappij. Alle boeken worden hier, in deze handelspost, bijgehouden.

20

Toneelgeruis_8_2b.indd 20

duister hart

18/01/12 09:21


marlow

Ik hoor dat u hier al drie jaar bent? hoofdboekhouder

Dat klopt. marlow

Hoe krijgt u het voor elkaar zo patent voor de dag te komen? hoofdboekhouder

(glimmend van trots) Ik heb het een van de inlandse vrouwen geleerd. Dat was niet gemakkelijk! Ze heeft een hekel aan het werk. (meewarig) Al het andere hier is ontregeld, weet u... zaken, gebouwen... hersenen... alles in de war. Niks wat echt werkt. Alleen mijn boeken zijn in orde. marlow

En uzelf, piekfijn in orde! hoofdboekhouder

(glimt alweer en na een korte stilte, aarzelend) In het binnenland zal u ongetwijfeld meneer Kurtz ontmoeten? marlow

Wie is meneer Kurtz? hoofdboekhouder

(op zijn hoede) Meneer Kurtz is een voortreffelijk agent. marlow

Oh... hoofdboekhouder

Een heel uitzonderlijk iemand. marlow

Oh... hoofdboekhouder

Hij stuurt hier meer ivoor heen dan alle anderen samen. marlow

Oh...

Toneelgeruis_8_2b.indd 21

18/01/12 09:21


22

Toneelgeruis_8_2b.indd 22

duister hart

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 23

18/01/12 09:21


hoofdboekhouder

Hoort u dat rumoer? Vreselijk! Dat kakelt er maar op los... en dan is het in dit klimaat niet makkelijk erover te waken geen administratieve fouten te maken... (met een knikje naar het tumult op het erf ) Als je je posten foutloos in de boeken moet schrijven, begin je die wilden te haten, weet u, zo erg dat je ze dood wenst. (zich herpakkend) Wanneer u meneer Kurtz ziet, zeg hem dan van mij dat alles hier... zeer tot tevredenheid stemt. Ik schrijf hem liever niet, met die boodschappers van ons weet je nooit wie de brief in handen krijgt. (kijkt Marlow vriendelijk aan) O, hij zal het ver schoppen, meneer Kurtz, heel ver. Binnen de kortste keren zal hij een belangrijk iemand in het Bestuur zijn. Zij daarboven, de Raad van Beheer in Europa, weet u, zij hebben grote plannen met hem. marlow

(tot zijn publiek) En de dagen daarna: een karavaan van zestig man, een voettocht van tweehonderd mijl. Wat kan ik jullie daarover vertellen? Weinig. Paden en nog eens paden, een weefsel van ingelopen paden in het verlaten land, door hoog gras, verbrand gras, struikgewas, ravijnen in en uit, geblakerde hellingen op en af, en eenzaamheid, eenzaamheid, niemand. Al dat vreemdsoortige en bewapende volk dat hier steeds maar heen en weer trekt, heeft de mensen verjaagd. De dorpen zijn leeg en vervallen. Tijdens een rustpauze loop ik een eind de heuvel op. Een licht gerinkel doet me omkijken. Zes zwarte mannen komen in rij zwoegend het pad op. Ze lopen traag en rechtop, volle mandjes aarde op hun hoofd balancerend, het gerinkel houdt maat met hun tred. Ik kan hun ribben tellen, hun gewrichten als knopen in een touw. Elk van hen draagt een ijzeren halsband om zijn nek en ze zitten aan elkaar vast met een ketting. Misdadigers, zegt men mij. Ze doen me denken aan de vijanden waarop ik eerder het Franse oorlogsschip heb zien schieten. Ik loop de heuvel af, naar het water. Daar staan bomen en ik wil wat rusten in de schaduw. Een eentonig geluid van snelstromend water vult de sombere rust van het bosje, geen blad beweegt. Dan zie ik dat ik hier niet alleen ben. Overal kruipen, zitten, liggen zwarte gedaanten, ze leunen tegen de stammen of klampen zich vast aan de aarde, half zichtbaar, half opgaand in het schemerend licht, in alle denkbare houdingen van pijn, troosteloosheid en wanhoop. Verderop in de rotsen klinkt een ontploffing en de grond beeft lichtjes onder mijn voeten. Het werk gaat door. Hier komen ze sterven. De vijanden, de misdadigers. Vanuit alle uithoeken hierheen gebracht, verloren in een vreemde omgeving, slecht gevoed en afgepeigerd, zijn

24

Toneelgeruis_8_2b.indd 24

duister hart

18/01/12 09:21


ze ziek en onbruikbaar geworden en mogen ze hier wegkruipen. Deze stervende schimmen zijn zo vrij als de lucht, en bijna zo dun. We trekken verder. Dag na dag het geklos van zestig paar voeten, kamp opslaan, koken, slapen, opbreken, lopen. En stilte. Overal om me heen een immense stilte. Tijdens de nacht wat trommels in de verte, wegstervend, aanzwellend, een dof gegons, altijd daar, nauwelijks hoorbaar. Ik heb vaak een beetje koorts of een beetje van iets anders. Speelse aanrakingen van de klauw van de wildernis. Na vijftien dagen strompel ik de Centrale Handelspost binnen en krijg te horen dat de stoomboot waarover ik het bevel moet gaan voeren, gezonken is. De ware betekenis van die schipbreuk dringt niet meteen tot me door. Nu, jaren later, wĂŠl denk ik, maar zeker weet ik het niet. Ik heb vandaag vijfentwintig mijl gelopen en hij vraagt me niet eens om te gaan zitten. Hij is de administrateur. Alles aan hem is alledaags, doodgewoon. Hij is gewoon een handelaar, vanaf zijn jeugd werkzaam in deze contreien, meer niet. Hij wordt gehoorzaamd, maar boezemt geen liefde in en ook geen vrees, zelfs geen respect. Hij roept onbehagen op, dat is het. Onbehagen. Geen uitgesproken wantrouwen. Onbehagen, meer niet. Jullie hebben er geen idee van hoe doeltreffend dat kan zijn. Waarom heeft hij de post gekregen? Misschien omdat hij nooit ziek is! Drie termijnen van drie jaar heeft hij achter de rug. administrateur

Wie hierheen komt, zou geen ingewanden moeten hebben. (het glimlachje doet de deur dicht) We moeten zo snel mogelijk vertrekken. marlow

Het zal tijd kosten om de stomer te herstellen. administrateur

We kunnen niet wachten! marlow

We zullen wel moeten. administrateur

Dan moet ik maar zonder u vertrekken... De situatie is al te ernstig. De handelsposten aan de bovenloop moeten worden afgelost! Er is zoveel vertraging dat ik niet meer weet wie nog leeft en wie niet! De situatie is bijzonder ernstig, bijzonder ernstig!... Een heel belangrijke post loopt gevaar... misschien wel onze belangrijkste post. Meneer Kurtz! Het gerucht gaat dat hij ziek is...

Toneelgeruis_8_2b.indd 25

18/01/12 09:21


marlow

(tot de administrateur) Ik heb aan de kust over meneer Kurtz gehoord. administrateur

Ah! Dus ze praten daar over hem? marlow

Ja, en met veel respect. administrateur

Meneer Kurtz is de beste... een uitzonderlijke man... van het grootste belang voor de Maatschappij. Begrijpt u alstublieft mijn bezorgdheid! Ik ben heel, heel ongerust! Ah! Meneer Kurtz!... marlow

Het zal tijd kosten... administrateur

Hoe lang zullen de herstellingen duren? marlow

Hoe moet ik dat nu weten, hij is gezonken... ik heb het wrak niet eens gezien! Een paar maanden zeker? administrateur

Een paar maanden...? Goed! Laten we zeggen over drie maanden kunnen we vertrekken. Dat moet voldoende zijn om de klus te klaren. marlow

(tot zijn publiek) De enige manier om een beetje greep op de werkelijkheid te behouden was aan het werk te gaan en de handelspost letterlijk de rug toe te keren. Mijn gezicht naar de stomer, mijn rug naar de handelspost. Dat erf waar binnen een verrotte omheining iedereen doelloos rondslenterde. Waar het woord ‘ivoor’ in de lucht hing. Het werd er gefluisterd, verzucht, aanbeden. Alles was doortrokken van hebzucht, als van een lijkenlucht. Onwezenlijk! De wildernis daarentegen kwam me groots en onoverwinnelijk voor, zoals hét kwaad of dé waarheid, als iets machtigs dat geduldig wachtte tot deze waanzin voorbij zou gaan. ’s Avonds loop ik bij hem langs. Ik heb klinknagels nodig als ik dat wrak op het water wil krijgen. Tegen de wand van zijn keet hangt een beschilderd houten paneel.

26

Toneelgeruis_8_2b.indd 26

duister hart

18/01/12 09:21


administrateur

Schiet het werk op? marlow

(tot zijn publiek) Een vrouw in wijd gewaad met een blinddoek voor en een brandende toorts in haar hand. De achtergrond donker, bijna zwart. De vrouw statig rechtop en het schijnsel van de toorts op haar gezicht is sinister. (tot de administrateur) Wie heeft dit geschilderd? administrateur

Meneer Kurtz! ... Nu meer dan een jaar geleden. Hij wachtte hier op het vervoer naar zijn post. marlow

Zegt u me alstublieft, wie is deze meneer Kurtz? administrateur

Het hoofd van de inlandse handelspost. marlow

Ja, dank u zeer. En u bent de administrateur. administrateur

(na een stilte) Hij is een wonder. Hij is de afgezant van het mededogen, van de wetenschap, de vooruitgang en wat weet ik nog allemaal. Om ons te leiden bij de vervulling van de taak die ons door Europa is toevertrouwd, om het zo maar uit te drukken. (steeds luider, orerend) Wij hebben een grote geest met brede sympathieĂŤn en een onwankelbare vastberadenheid nodig! marlow

Wie zegt dat? administrateur

(cynisch) Heel wat mensen. Sommigen schrijven het zelfs. En dus is hij hier gekomen, een uitzonderlijk wezen, zoals u zou moeten weten. marlow

Waarom zou ik dat moeten weten?

Toneelgeruis_8_2b.indd 27

18/01/12 09:21


administrateur

(er los overheen) Ja goed, vandaag is hij het hoofd van de beste handelspost, volgend jaar zal hij assistent-administrateur zijn, en over nog eens twee jaar... maar ik neem aan dat u weet wat hij over twee jaar zal zijn. U bent van de nieuwe lichting, die van de deugdzamen. De mensen die hem speciaal hierheen hebben gestuurd zijn dezelfde die u hebben aanbevolen. O, ontken het maar niet. Ik heb mijn ogen niet in mijn zak zitten. marlow

Ik ga maar eens slapen. Morgen vroeg op. administrateur

Waarde heer, ik wil niet verkeerd begrepen worden en zeker niet door u... Ik zou niet graag willen dat mijnheer Kurtz een verkeerde indruk krijgt van mijn opstelling... marlow

(tot zijn publiek) De stomer ligt op de oever gesleept als het kadaver van een of ander groot rivierbeest. De stank van modder in mijn neus. Het verstilde oerbos dat voor me oprijst. Hier en daar een glinstering op de zwarte kreek. Alles afwachtend, stil. En hij blijft maar doorzeuren. Wij beiden. Hier al zwervend terechtgekomen. Kunnen wij dat zwijgende ding de baas? Of is het ons de baas? Dat ding dat niet kan praten en misschien ook een beetje doof is. Wat is daarbinnen? Ik zag er af en toe een beetje ivoor uit tevoorschijn komen en ik wist dat mijnheer Kurtz daarbinnen was. Maar ik kon me daar niks bij voorstellen. En toch had ik het gevoel dat ik die Kurtz op een of andere manier wou helpen, Kurtz die ik op dat moment niet voor me zag, begrijpen jullie? Hij was niets anders dan een woord voor mij. Ik zag de man in de naam net zomin als jullie dat doen. Zien jullie hem? Zien jullie het verhaal? Het lijkt me alsof ik hier een droom probeer te vertellen. Onbegonnen werk. Een mens kan de gewaarwording van een droom niet overbrengen, die mengeling van ongerijmdheid, verwondering en ontsteltenis, dat gevoel overmeesterd te worden door het ongelooflijke, dat wezenlijk is voor alle dromen. Nee, dat is onmogelijk... Het is onmogelijk over te brengen wat je werkelijk voelde waar en wanneer in je bestaan dan ook, wat er de waarheid van uitmaakt. Het is eenvoudig onmogelijk. Wij leven zoals wij dromen. Alleen. Ik laat hem doorleuteren en hij mag denken wat hij wil over de machtigen die achter mij staan. Er staat helemaal niks achter mij. Niks anders dan het wrak van een stoomboot waar ik tegen aanleun, terwijl hij welbespraakt uitweidt over ‘de noodzaak voor iedere man om vooruit te komen’.

28

Toneelgeruis_8_2b.indd 28

duister hart

18/01/12 09:21


administrateur

De noodzaak voor iedere man om vooruit te komen. Wanneer je hierheen komt, begrijpt u, is het echt niet om naar de maan te staren. Mijnheer Kurtz is een universeel genie, maar zelfs een genie werkt makkelijker met het geschikte gereedschap, begrijpt u, het geschikte gereedschap. marlow

Klinknagels. administrateur

Wat zegt u? marlow

Klinknagels! Om verder te kunnen met het werk, om dat gat te dichten heb ik klinknagels nodig. Ginds aan de kust staan hele kisten vol, stapels, barstensvol, tot splijtens toe! Je schopt er bij iedere tweede stap die je zet tegen een losse klinknagel! Als je de moeite neemt om je te bukken, stop je je zakken vol! Maar op de plaats waar ze nodig zijn, blijkt niet één klinknagel te vinden! We hebben ijzeren platen waar we iets mee kunnen, maar niets om ze mee vast te maken. En iedere week vertrekt de boodschapper, de eenzame neger, met zijn postzak over de schouder en zijn staf in zijn hand, vanuit onze post naar de kust. En verscheidene keren per week arriveert er een karavaan van de kust met ruilgoederen: afschuwelijke calicot, glazen kralen, gruwelijke katoenen zakdoeken met stippen, maar géén klinknagels! Drie dragers volstaan om alles te brengen wat nodig is om die stomer weer op het water te krijgen. Weet u wat mijnheer Kurtz wil?! Klinknagels! administrateur

(gespeeld afwezig) Heeft u geen last van het nijlpaard als u hier op de boot slaapt? Het is een oud dier. Het heeft de gewoonte ‘s nachts zwerftochten te ondernemen op het terrein van de handelspost. Er wordt op geschoten, weet u, sommigen blijven er nachtenlang voor op, maar dat dier heeft iets wat hem onkwetsbaar maakt. Dat kun je in dit land alleen van de beesten zeggen, meneer. Geen enkele mens, begrijpt u me, geen enkele mens hier heeft iets wat hem onkwetsbaar maakt... marlow

(tot zijn publiek) Het duurde precies twee maanden vanaf de dag dat we eindelijk de kreek uitvoeren tot we bij de handelspost van Kurtz aankwamen. Het opvaren van de rivier was als een reis naar het vroegste begin der tijden, toen planten de aarde overwoekerden en de grootste bomen koningen waren. Een verlaten rivier, een immense stilte, een ondoor-

Toneelgeruis_8_2b.indd 29

18/01/12 09:21


dringbaar bos. De lucht was warm, dik, zwaar, loom. Er was niets vrolijks aan de schittering van het zonlicht. Op deze rivier raak je de weg kwijt als in een woestijn en de hele dag stoot je op ondiepten bij pogingen de vaargeul te vinden, tot je denkt dat je behekst bent en voor altijd afgesneden van wat je eens hebt gekend, elders, in een ander leven. Ik weet nog steeds niet hoe ik het gedaan heb. Stel je een zware vrachtwagen voor op een weg vol kuilen, met een geblinddoekte aan het stuur. Dat was ik. Dat geschuur en gebonk snijdt nu, jaren later, nog steeds dwars door mijn ziel. En af en toe zit er niks anders op dan te waden, met een twintigtal kannibalen eromheen. We hebben onderweg kannibalen als bemanning in dienst genomen. Uitstekend mansvolk. Er valt goed mee te werken en ik ben ze eeuwig dankbaar. Van de administrateur en andere blanke slenteraars aan boord heb ik niets te verwachten. Nu en dan komen we bij een kleine handelspost die dicht bij de oever ligt, waar de blanke mannen uitbundig zwaaiend van vreugde en verrassing uit hun vervallen hutten komen rennen. Het lijkt alsof ze hier door een toverspreuk gevangen worden gehouden. Het woord ‘ivoor’ gonst een tijdje door de lucht en dan varen we opnieuw de stilte binnen, over verlaten rakken, om de verstilde bochten heen, tussen de hoge muren aan weerskanten, die de logge slagen van het hekwiel hol weerkaatsen. Bomen, bomen, miljoenen bomen, massief, immens en aan de voet ervan, tegen de oever aan, kruipt de kleine, roestige stoomboot tegen de stroom op, zoals een trage kever over de vloer van een imposante zuilengalerij. Ik voel me heel klein, heel verloren, en toch niet triest, want de kever kruipt voort en dat is precies wat ik wil. Waarheen? Voor de anderen naar een plaats waar ze verwachten op iets de hand te kunnen leggen, dat weet ik wel zeker. Voor mij kruipt hij naar Kurtz, enkel en alleen naar hem. Dieper en dieper dringen we door in het hart der duisternis. Het is hier heel stil. ‘s Nachts het geroffel van trommels dat vanachter een gordijn van bomen over de rivier naar ons toekomt en hoog boven ons in de lucht blijft hangen, tot de ochtendschemering. Oorlog, vrede, gebed...? We begrijpen het niet. Het ochtendlicht komt met een kille stilte. Het geluid van een brekend twijgje laat je schrikken. Een vlag! Een naar voren gezakte trieste stok met een vod. Een hut en een keurige stapel hout. We gaan aan wal en vinden op het brandhout een plankje met half uitgewiste letters. Met enige moeite lezen we: Hout voor jullie. Haast jullie. Behoedzaam naderen. Ergens rivieropwaarts is er iets niet pluis. Maar wat? En hoe erg is het? De hut is ontruimd, maar nog niet zolang geleden bewoond geweest. Bij de deur ligt een boek: Een onderzoek naar enige aspecten van het Zeemanschap door Towser of Towson, gezagvoerder bij Zijne Majesteits Marine. Met aantekeningen in geheimschrift. Althans ik kan niet lezen wat er staat. Hoe komt zo’n boek in het oerwoud terecht? Lang voordat de zon onder is, stroomt de avondschemer naar binnen. De stroming is gelijkmatig en snel, maar op de oevers

30

Toneelgeruis_8_2b.indd 30

duister hart

18/01/12 09:21


heerst een doffe onbeweeglijkheid. De bomen, aaneengesnoerd door klimplanten, en het struikgewas van de ondergroei, lijken in steen veranderd, tot en met het dunste twijgje en het lichtste blad. Het is geen slaap. Het ziet er onnatuurlijk uit, alsof ze in trance verkeren. Er valt niet het geringste geluid te horen. Je kijkt verbaasd toe en begint te denken dat je doof bent. En dan valt plots de nacht en word je ook nog blind. Als de zon opgaat, hangt er witte mist, heel warm en klam. Hij maakt je nog blinder dan de nacht. Hij beweegt niet, drijft niet weg, hij is daar gewoon en omringt je aan alle kanten als iets dat je kan aanraken. Alles volmaakt stil. Dan trekt er een luide kreet, als van een mateloos verdriet, langs de nevelige hemel. Zo onverwacht dat mijn haar overeind gaat staan. Het lijkt wel alsof de mist zelf het uitschreeuwt. Zo plotseling en schijnbaar van alle kanten tegelijk weerklinkt dit droefgeestige geschreeuw, dat nu zijn hoogtepunt vindt in een bijna ondraaglijk gegil, dat plots ophoudt en ons verstijfd achterlaat. De blanken aan boord grijpen naar hun wapens. Maar het enige wat we kunnen zien is de stomer waarop we zitten en zelfs daarvan vervagen de contouren alsof hij op het punt staat op te lossen. De rest van de wereld is nergens meer. Gewoonweg nergens meer. Weg, verdwenen, weggevaagd zonder ook maar een fluistering of een schaduw achter te laten. Ik loop naar voren en geef bevel de ketting strak te trekken, zodat we het anker meteen kunnen lichten en wegvaren, mocht dat nodig zijn. Gezichten verkrampen, handen trillen, ogen vergeten te knipperen. administrateur

Dit is bijzonder ernstig. Ik zou diep ongelukkig zijn als meneer Kurtz iets overkwam voor we hem bereiken. We moeten direct doorvaren. marlow

(tot zijn publiek) Ik antwoord niet, hij weet zelf ook dat het niet mogelijk is. administrateur

Ik geef u de bevoegdheid alle risico’s te nemen. marlow

En ik weiger er ook maar één te nemen. administrateur

Goed, ik moet me neerleggen bij uw oordeel. U bent de kapitein. marlow

(tot zijn publiek) Ik tuur in de witte mist. Hoe lang zou die blijven hangen?

Toneelgeruis_8_2b.indd 31

18/01/12 09:21


32

Toneelgeruis_8_2b.indd 32

duister hart

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 33

18/01/12 09:21


administrateur

Gaan ze aanvallen, denkt u? marlow

(tot zijn publiek) Ik dacht niet dat ze zouden aanvallen. De mist was even dicht voor hen als voor ons. Aan de andere kant was ik ervan overtuigd geweest dat het oerwoud op beide oevers volledig ondoordringbaar was, en toch waren daarin blijkbaar ogen geweest, ogen die ons gezien hadden. Maar wat een aanval voor mij onvoorstelbaar maakte, was de aard van het rumoer, de toon van het geschreeuw dat we gehoord hadden. Het had niets van vijandelijke bedoelingen gehad. Het was onverwacht geweest, het was wild en gewelddadig, maar het had ook onmiskenbaar de klank van verdriet gehad. Ze hadden de stoomboot gezien en om een of andere reden was die aanblik hartverscheurend. De mist is al twee uur geleden opgetrokken en we bevinden ons op zo’n anderhalve mijl van de handelspost van Kurtz. Boven het struikgewas, de bomen in gesloten gelederen. Twijgen hangen in dichte massa’s over de stroom, hier en daar een zware tak van een boom die over het water uitsteekt. Het is ruim na het middaguur, het woud biedt een sombere aanblik en over het water is reeds een brede streep schaduw gevallen. In deze schaduw stomen we langzaam verder op. Ik laat de boot dicht onder de wal varen, de peilstok geeft aan dat het water bij de oever het diepst is. Er ligt een zware boomstam voor ons in de vaargeul. Dan vliegen de pijlen ons plots om de oren. Ze suizen langs mijn neus, vallen voor me neer, slaan achter me tegen de stuurhut. En al die tijd zijn rivier, oevers en bossen heel stil, volmaakt stil. Er is alleen de zware, plassende slag van het hekwiel en het gekletter van de pijlen tegen de scheepswand. We scheren rakelings langs de boomstam. Ik loop naar binnen om het luik aan landzijde dicht te doen. Daar staat die labiele idioot van een stuurman, zijn handen aan de spaken, met zijn voeten te stampen en met zijn lippen te smakken... Ik moet een flink eind naar buiten hangen om het luik een zwaai te kunnen geven en op ooghoogte zie ik een gezicht tussen het gebladerte. Het kijkt me strak en woest aan. En op hetzelfde ogenblik, alsof een sluier voor mijn ogen wordt weggetrokken, zie ik diep in de dichtbegroeide duisternis, lijven, armen, benen, dreigende ogen... het oerwoud krioelt van de ledematen. De takken schudden, zwaaien, ritselen, en overal vliegen de pijlen, dan is het luik dicht. Onder mijn voeten barst de hel los. De blanken hebben het vuur geopend. Ze staan domweg de rimboe vol lood te pompen. Overal geschreeuw en gehuil. En de pijlen komen in zwermen. De knal van een geweer vlak achter me maakt me doof. Ik kijk om me heen en duik naar het stuurrad. Die stomme neger heeft het stuur in de steek gelaten om het luik te openen en dat geweer af te vuren. Ik wil schreeuwen dat hij moet terugkomen, maar nog voor ik dat kan moet ik wegduiken voor een glimmende

34

Toneelgeruis_8_2b.indd 34

duister hart

18/01/12 09:21


flits die dwars door de stuurhut heen gaat. Ik zie mijn gek geworden stuurman met zijn lege geweer staan schudden en schreeuwen naar de oever, waar ik contouren zie van mannen die voorovergebogen voortrennen, springen, glibberen, vaag, onaf, opgaand in het niets. Dan schiet er iets door de lucht, het geweer gaat overboord, hij zet een stap terug, kijkt naar mij over zijn schouder met een vreemde, diepzinnige blik in zijn ogen en valt op mijn voeten. De zijkant van zijn hoofd heeft tot tweemaal toe het stuurrad geraakt en het uiteinde van een lange stok kletterde alle kanten uit. Hij is op zijn rug gerold en staart naar mij. Zijn beide handen klampen zich om die stok. De speer steekt in zijn zij, net onder de ribben. Mijn voeten voelen warm aan, mijn schoenen staan vol bloed. Zijn ogen stralen. Buiten barst het geweervuur weer los. Hij kijkt me benauwd aan en houdt de speer vast alsof het iets dierbaars is, alsof hij bang is dat ik het hem zal proberen te ontfutselen. Ik tast boven mijn hoofd naar het koord van de stoomfluit en laat die gillen. Het oorlogsrumoer verstilt direct en in plaats daarvan stijgt even later uit de bossen een trillende, langgerekte weeklacht op. Droeve vrees en pure wanhoop. Zoals je je voorstelt dat er weerklinkt als het laatste restje hoop op aarde vervliegt. Een van de blanken staat oververhit in de deuropening en staart naar de gewonde man op de vloer. We staan over hem heen gebogen en zijn vragende blik omvat ons beiden. Twee blanken bij zijn sterven. Even lijkt het alsof hij ons ieder moment een vraag in een begrijpelijke taal gaat stellen, maar hij sterft zonder geluid, zonder zich te bewegen, zonder ook maar een spier te vertrekken. Slechts op het allerlaatste moment verschijnt er een zware frons op zijn voorhoofd die zijn dodenmasker somber en dreigend maakt. Ik vraag de blanke of hij kan sturen. Hij kijkt bedenkelijk, maar ik grijp hem bij zijn arm en zet hem bij het stuur. ‘Hij is dood’, mompelt hij. ‘Morsdood’, zeg ik. ‘En dat zal intussen wel niet anders zijn met meneer Kurtz.’ Op dat ogenblik was dat mijn voornaamste gedachte, begrijpen jullie dat? Ik voelde me hevig teleurgesteld, alsof ik iets had nagejaagd dat niet bestond. Want waar ik al die tijd had naar uitgekeken was een gesprek met Kurtz. Dat begreep ik nu. Ik had me hem nooit voorgesteld terwijl hij iets deed, alleen sprekende. Het was niet ‘nu zal ik hem nooit zien’ of ‘nu zal ik hem nooit de hand kunnen schudden’, maar ‘nu zal ik hem nooit horen’. De man was een stem. Hij was niet zonder daadkracht, dat wist ik. Er was mij in alle toonaarden van jaloezie en bewondering verteld dat hij meer ivoor verzameld, geruild, afgetroggeld en gestolen had dan alle andere agenten samen. Daar ging het niet om. Waar het om ging, was dat hij een begaafd mens was en dat van al zijn gaven degene die het meeste in het oog sprong, zijn talent als spreker was, zijn woorden, de gave der expressie, van het verbijsterende, het verhelderende, het meest verhevene en het allerlaagste, de trillende stroom van het licht of de verraderlijke stroom vanuit een duister hart.

Toneelgeruis_8_2b.indd 35

18/01/12 09:21


Het is allemaal voorbij, dacht ik. We zijn te laat, hij is verdwenen. De spreker is tot zwijgen gebracht door een speer, of een pijl, of een knots. Ik zal hem nooit horen. En mijn verdriet was van een verbazingwekkende heftigheid, net zo heftig als het verdriet dat schuilging in dat droeve gehuil in de witte mist, vanuit de rimboe. Maar ik vergiste me. Ik kreeg hem wel degelijk te horen. En ik bleek nog gelijk te hebben ook. Een stem. Nauwelijks meer dan een stem. En ik hoorde haar, hem, het... de stem. ‘Mijn Aanstaande.’ Jullie hadden moeten horen hoe meneer Kurtz ‘Mijn Aanstaande’ zei. Dan hadden jullie meteen geweten dat zij er niks mee te maken had. Met dat imposante kale voorhoofd. De wildernis had hem over de bol geaaid en ziet, hij was kaal als een bal, als een ivoren bal. De wildernis had hem geliefkoosd en hij was verschrompeld. Ze had hem veroverd, liefgehad, omhelsd, was in zijn bloed gaan zitten, had zijn vlees weggevreten en zijn ziel met de hare verbonden. Ivoor! Dat zou ik zo denken, ja. Bergen, stapels! In het hele land was geen slagtand meer te vinden. Jullie hadden moeten horen hoe hij ‘Mijn Ivoor’ zei. O ja, ik hoorde hem, ik heb hem uiteindelijk gehoord. ‘Mijn Aanstaande, Mijn Ivoor, Mijn Handelspost, Mijn Rivier, Mijn...’ Alles behoorde hem toe. Ik hield mijn adem in, omdat ik verwachtte de wildernis te horen uitbarsten in een schaterlach die de sterren aan het firmament door elkaar zou schudden. Alles behoorde hem toe, maar dat was van weinig of geen betekenis. Waartoe behoorde hij?! Hoeveel machten der duisternis eisten hém op als de hunne? Die gedachte bezorgde je kippenvel. Je kon je dat onmogelijk voorstellen en het was ook niet goed voor je als je dat probeerde. Hij had een hoge troon bestegen te midden van de duivels van het land, en ik bedoel dat letterlijk. Jullie begrijpen dat niet? Hoe kunnen jullie ook, met vast plaveisel onder je voeten, omringd door vriendelijke buren die klaarstaan om je bij te vallen of je te verguizen, omzichtig manoeuvrerend tussen slager, bakker en politieman, oprecht doodsbang voor schandaal en galgen en gekkenhuizen? Hoe kunnen jullie je voorstellen naar welk oord der vroegste tijden de eenzaamheid een man die kan gaan en staan waar hij wil voeren kan? Opperste eenzaamheid zonder politieman! En stilte ook, absolute stilte, waarin je geen waarschuwende stem van een vriendelijke buur kunt horen fluisteren over wat de mensen ervan zullen zeggen. Dat soort kleinigheden maakt een wereld van verschil. Wanneer die verdwenen zijn, moet je terugvallen op je eigen innerlijke kracht, op je eigen vermogen trouw te blijven aan jezelf. Natuurlijk kun je ook heel goed te stom zijn om het verkeerde pad op te gaan, te sloom om zelfs maar in de gaten te hebben dat de machten der duisternis het op je gemunt hebben. Ik neem aan dat nog nooit een dwaas zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. Daarvoor is de dwaas gewoon te dwaas. Begrijp me goed, het is niet mijn bedoeling te verontschuldigen of zelfs maar te verklaren. Ik probeer mezelf alleen maar in te leven in

36

Toneelgeruis_8_2b.indd 36

duister hart

18/01/12 09:21


meneer Kurtz, in de schim van meneer Kurtz. Deze geestverschijning die in de binnenlanden zijn initiatie had ondergaan, schonk mij de eer van zijn vertrouwelijkheid alvorens helemaal te verdwijnen. De reden daarvoor was dat hij mij een gesprek waard vond. Meneer Kurtz had een deel van zijn opvoeding in Engeland genoten en stond dus aan de goede kant. Zijn moeder half Engels en zijn vader half Frans. Heel Europa had bijgedragen aan de wording van meneer Kurtz. En na verloop van tijd kwam ik te weten dat, toepasselijk genoeg, het Internationale Genootschap ter Onderdrukking van Barbaarse Praktijken hem had opgedragen een rapport te schrijven als leidraad voor toekomstig beleid. En hij had het geschreven ook. Ik heb het gezien. Ik heb het gelezen. Het was welsprekend, het zinderde van welsprekendheid. Hij had tijd gevonden voor zeventien dichtbeschreven bladzijden! Maar dat moet geweest zijn voor zijn, laten we zeggen voor zijn zenuwen het begaven en hem ertoe brachten een hoofdrol te spelen in middernachtelijke dansfestijnen, die eindigden in gruwelijke riten die allemaal aan hemzelf waren opgedragen, begrijpen jullie, aan meneer Kurtz in eigen persoon. Aan hemzelf. Maar het is een prachtig stuk. Hoewel, nu ik weet wat ik weet, klinkt de eerste alinea me al te onheilspellend. Hij begint met te zeggen dat wij blanken, gezien het peil dat onze ontwikkeling bereikt heeft, ‘hun (de wilden) noodzakelijkerwijs wel moeten voorkomen als zijn wij bovennatuurlijke wezens, wij komen tot hen met de macht van een god’ enzovoort, enzovoort. ‘Door eenvoudig wilsvertoon kunnen wij een praktisch onbeperkte macht ten goede uitoefenen’ enzovoort, enzoverder. Vandaar af krijgt hij vleugels en sleept mij mee. Dit is de onbegrensde macht van de welsprekendheid, van woorden, van vurige, nobele woorden. De magische woordenstroom wordt nergens onderbroken door praktische aanbevelingen, tenzij een soortement van voetnoot onderaan de laatste pagina, die duidelijk veel later in een onzeker handschrift is neergekrabbeld, tenzij die voetnoot als de uiteenzetting van een methode kan worden opgevat. Een heel eenvoudig zinnetje dat aan het eind van dat ontroerend appel aan ons altruïstisch gevoel, gloedvol en angstaanjagend naar je opvlamt, als een bliksemschicht bij heldere hemel: ‘Uitroeien die beesten!’ Het eigenaardige is dat hij dat postscriptum volkomen vergeten was, want later, toen hij in zekere zin weer tot zichzelf kwam, smeekte hij mij herhaaldelijk goed op ‘zijn pamflet’ te passen, aangezien het in de toekomst zeker goed zou zijn voor zijn carrière. Mij werd de zorg voor zijn nagedachtenis toevertrouwd en ik heb me daar zozeer voor ingespannen dat ik onbetwistbaar het recht kan opeisen om die, als ik dat zou verkiezen, voor eeuwig te ruste te leggen in het vuilnisvat van de vooruitgang, te midden van al het afval en, om zo te zeggen, alle dooie mussen der beschaving. Maar, weten jullie, begrijpen jullie, ik heb niks te kiezen. Hij laat zich niet vergeten. Ik zie de helling van een heuvel, met slechts hier en daar een boom

Toneelgeruis_8_2b.indd 37

18/01/12 09:21


en verder volkomen vrij van struikgewas. Een langwerpig vervallen gebouw op de top gaat voor de helft schuil in het hoge gras. De rimboe en de bomen als achtergrond. Nergens zoiets als een omheining of een hek te bekennen, maar ooit was er wel iets dergelijks geweest, want vlak bij het huis staat nog een zestal dunne palen op een rij, ruw bewerkt, en van boven versierd met van houtsnijwerk voorziene bollen. De dwarslatten of wat er ook tussen gezeten heeft zijn verdwenen. Op de oever staat een blanke man te zwaaien. Als ik de rand van het woud beter bekijk, boven en beneden, zie ik allerhande beweging. Hier en daar sluipen menselijke gedaanten rond. Ik stoom er voorzichtig aan voorbij, zet de motoren af en laat de boot met de stroom meedrijven. De man op de oever roept dat we aan wal moeten komen en dat doen we. marlow

Zijn we op tijd? de rus

Hij is daarboven. marlow

Hoor eens, ik vertrouw het niet. We zijn aangevallen. de rus

Het is in orde. Het zijn simpele zielen. Ik ben blij dat u gekomen bent. Ik ben dag en nacht bezig geweest ze me van het lijf te houden. marlow

En u zegt net dat alles in orde is! de rus

Ze hebben geen kwaad in de zin. Niet echt. Hou maar genoeg stoom op de ketel om de fluit te laten gaan. Je hebt meer aan een goeie gil dan aan alle geweren bij elkaar. Het zijn simpele zielen. (barst uit) Zeemansbroeder! Het is mij een waar genoegen. Ik moet mijzelf voorstellen. Ik ben een Rus. Zoon van een aartspriester uit Tambov. Weggelopen van school, op Russische schepen gewerkt, daarna op Engelse schepen... (ziet dat Marlow hem onderzoekend aanstaart) Ik weet het, ik praat veel... ik heb dan ook heel wat stilte goed te maken. marlow

Praat u dan niet met meneer Kurtz?

38

Toneelgeruis_8_2b.indd 38

duister hart

18/01/12 09:21


de rus

Met die man praat je niet, je luistert naar hem! Maar nu... (hij vervalt in somberheid, herpakt zich dan) Als je jong bent, moet je wat van de wereld zien, ervaring opdoen, de geest verruimen. marlow

Hier zeker?! de rus

Je kunt het nooit weten. (plechtig) Hier heb ik meneer Kurtz ontmoet. Verder kan het me allemaal niks schelen. Ik heb wat hout voor u laten opstapelen. Hebt u het gevonden? Dat was mijn oude huis. marlow

Ik heb er ook uw boek gevonden. de rus

(verrukt) Mijn boek! Het enige boek dat ik nog had en ik dacht dat ik het voorgoed kwijt was! Een man die er alleen op uit trekt overkomen zoveel ongelukken, weet u. Kano’s kunnen omslaan, en soms moet je maken dat je wegkomt als de mensen boos zijn. marlow

Zijn die aantekeningen in het Russisch? (De Rus knikt) Ik dacht dat ze in geheimschrift waren geschreven. de rus

(moet lachen, wordt dan weer ernstig) Het kostte me heel veel moeite me deze mensen van het lijf te houden, weet u. marlow

Wilden ze u vermoorden? de rus

Oh nee! marlow

Waarom hebben ze ons aangevallen?

Toneelgeruis_8_2b.indd 39

18/01/12 09:21


de rus

(bijna bedeesd) Ze willen niet dat hij weggaat. marlow

Is dat zo? de rus

(spreidt zijn armen) Geloof me, deze man heeft mijn geest verruimd. marlow

(tot zijn publiek) Zoals hij hier voor me staat, enthousiast, onwezenlijk. Alleen al dat hij bestaat is onverklaarbaar. Je kan je niet voorstellen hoe hij geleefd heeft, hoe hij erin geslaagd is staande te blijven. Waarom hij niet onmiddellijk van de aardbodem is verdwenen. de rus

Ik ging een eindje verder, en toen nog een eindje, en nu ben ik zover dat ik geen idee heb hoe ik ooit nog terug kom. Doet er niet toe. Tijd genoeg! Ik red me wel. U moet meneer Kurtz gauw meenemen, gauw zeg ik u... Meneer Kurtz... We spraken over alles, nachten lang. Soms vergat ik dat er zoiets als slaap bestond. De nacht leek nog geen uur te duren. Over alles... alles! Ook over de liefde. marlow

(geamuseerd) Hij heeft met u over de liefde gesproken! de rus

(hartstochtelijk) Het is niet wat u denkt! Gewoon in het algemeen. Dankzij hem kreeg ik inzicht in van alles... van alles! marlow

En vanaf dat moment bent u niet meer van zijn zijde geweken? de rus

Integendeel... als ik bij de post kwam, moest ik vaak dagen en nachten wachten voordat hij kwam opdagen. Ach, het was het wachten waard... soms. marlow

Waar was hij mee bezig? Ontdekkingstochten of zoiets?

40

Toneelgeruis_8_2b.indd 40

duister hart

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 41

18/01/12 09:21


de rus

Hij heeft veel dorpen ontdekt en ook een meer, ik weet niet waar... Maar meestal ging hij eropuit om naar ivoor te zoeken. marlow

Maar hij had toch geen goederen meer om te verhandelen? de rus

Er is nog steeds een massa patronen, zelfs nu nog. (hij wendt zijn gezicht af ) marlow

Hij stroopte gewoon het land af. (De Rus knikt) Toch niet in zijn eentje? de rus

Hij ging naar de dorpen langs de rivier. marlow

Meneer Kurtz kreeg de stammen zover dat ze hem volgden, bedoelt u dat? de rus

(draait ongemakkelijk heen en weer) Ze aanbidden hem. (barst uit) Wat had u anders gedacht! Hij kwam tot hen met donder en bliksem, weet u, en ze hadden nog nooit zoiets gezien. Hij kwam als iets heel vreselijks. Hij kon heel vreselijk zijn. Je kunt meneer Kurtz niet als een gewoon mens beoordelen. Nee, nee, nee! Luister, gewoon om u een idee te geven, u mag best weten dat hij mij op een dag ook wilde doodschieten. Maar ik veroordeel hem niet. marlow

U doodschieten?! Waarom? de rus

Omdat ik een klein beetje ivoor had dat me door het hoofd van dat dorp in de buurt van mijn huis was gegeven. Ziet u, ik schoot wild voor hen. En hij wilde het hebben en er viel niet met hem over te praten. Hij verklaarde dat hij me zou doodschieten als ik hem het ivoor niet zou geven en maakte dat ik het land uitkwam, want zoiets kon hij gemakkelijk doen, en hij voelde er ook veel voor, en er was niets op aarde dat hem ervan zou weerhouden wie hij maar wilde te vermoorden. En het was nog waar ook. Ik gaf hem het ivoor. Wat kon het mij schelen! Maar ik nam niet de benen. Nee, nee. Ik kon

42

Toneelgeruis_8_2b.indd 42

duister hart

18/01/12 09:21


hem niet verlaten. Ik moest voorzichtig zijn, uiteraard, totdat we weer een tijdje goede vrienden werden. Dat was toen hij voor de tweede keer ziek werd. Naderhand moest ik uit zijn buurt blijven, maar dat vond ik niet erg. Het grootste deel van de tijd woonde hij in die dorpjes aan het meer. Wanneer hij naar de rivier kwam, deed hij soms aardig tegen mij, andere keren kon ik maar beter voorzichtig zijn. Deze man lijdt te veel. Hij verafschuwt alles hier, maar om de een of andere reden kan hij hier niet wegkomen. Wanneer ik de kans kreeg, smeekte ik hem het te proberen en te vertrekken zolang het nog kon. Ik bood aan met hem mee terug te gaan. En dan zegt hij ja, en vervolgens blijft hij, en gaat opnieuw op jacht naar ivoor, laat zich wekenlang niet zien, verliest zichzelf te midden van deze mensen, verliest zichzelf... u weet wel. marlow

Hij is gewoon gek. de rus

(roept) Als u gehoord zou hebben hoe hij nog maar twee dagen geleden heeft gesproken, dan zou u dit niet zeggen! marlow

(tot zijn publiek) Terwijl we praten, heb ik mijn kijker gepakt. De administrateur is met een tot de tanden bewapende escorte aan land gegaan op zoek naar Kurtz. De bossen onbeweeglijk als een masker. de rus

Hij is pas onlangs hierheen, naar de rivier, gekomen. Hij heeft alle krijgers van de stam bij het meer met zich meegebracht. marlow

(tot zijn publiek) Ik richt mijn kijker op het huis. Er valt geen teken van leven te bespeuren. de rus

Hij wilde weer op zoek naar ivoor... Toen ging het plots veel slechter met hem. Ik hoorde dat hij volkomen hulpeloos lag. Toen ben ik gekomen. Ik waagde het er maar op. O, hij is er slecht aan toe, heel slecht. marlow

(tot zijn publiek) En dan maak ik een abrupte zwaai en richt de kijker op een van de palen die nog resten van de verdwenen omheining. Ik vertelde jullie

Toneelgeruis_8_2b.indd 43

18/01/12 09:21


dat me van ver pogingen tot versiering waren opgevallen. Die bekijk ik nu van dichtbij en het is alsof iemand me een klap in het gezicht geeft. De ronde bollen dienden niet als versiering, maar als waarschuwing. Het zijn hoofden op staken. Zwart, uitgedroogd, voorovergezakt, met gesloten oogleden. Hoofden die lijken te slapen, daarboven op die palen, en doordat de verschrompelde lippen een dunne witte streep tanden laten zien, glimlachen ze. Ze blijven glimlachen. De administrateur zei achteraf dat de methoden van meneer Kurtz het district geru誰neerd hadden. Daar heb ik geen mening over. Maar die hoofden lieten mij wel zien dat het meneer Kurtz bij het uitleven van zijn uiteenlopende lusten aan zelfbeheersing ontbrak, dat er iets in hem ontbrak, iets kleins, dat toen de nood aan de man kwam onvindbaar bleek onder zijn indrukwekkende welsprekendheid. Of hijzelf van die tekortkoming wist kan ik niet zeggen. Ik geloof dat het uiteindelijk tot hem doordrong, maar pas helemaal aan het eind. Maar de wildernis had hem al snel doorzien en op een gruwelijke manier wraak genomen voor de groteske inbreuk die hij op haar gepleegd had. Ik denk dat ze hem dingen over hemzelf had toegefluisterd die hij nog niet wist, dingen waarvan hij geen idee had gehad voordat hij zich aan deze immense verlatenheid had overgegeven, en het gefluister was fascinerend gebleken. De echo ervan weerklonk luid in zijn binnenste, omdat hij hol was. de rus

(weet wat Marlow heeft gezien) Ik heb het niet aangedurfd ze naar beneden te halen... Niet dat ik bang ben voor de inboorlingen, zij verroeren zich pas wanneer meneer Kurtz hen dat zegt. Zijn overwicht is verbazingwekkend, weet u. De kampen van deze mensen bevonden zich rondom die plek en de stamhoofden kwamen hem iedere dag bezoeken. Dan kropen ze... marlow

Ik wil het niet horen! de rus

U weet niet hoe het was... Dat zijn de hoofden van opstandelingen. marlow

Opstandelingen?! Ze schijnen mij behoorlijk onderworpen toe, daar op hun stokken. de rus

U beseft niet hoezeer dit leven een man als meneer Kurtz op de proef stelt.

44

Toneelgeruis_8_2b.indd 44

duister hart

18/01/12 09:21


marlow

En u dan? de rus

Ik?! Ik... Ik ben maar een simpele ziel. Ik heb geen grote gedachten. Ik vraag niets van niemand. (zijn stem verstikt door emotie) Hoe kunt u mij vergelijken met...? (hij stort volledig in) Ik begrijp het niet... Ik heb mijn best gedaan om hem in leven te houden, dat is genoeg. Met dit alles heb ik niets te maken gehad. Ze hadden hem hier schaamteloos aan zijn lot overgelaten. Een man zoals hij, met zulke ideeĂŤn. Schandelijk! Het is schandelijk!... Ik... ik heb de afgelopen tien nachten geen oog dichtgedaan... marlow

(tot zijn publiek) En plots verschijnen de administrateur en zijn groep van achter het huis. Ze waden tot aan hun middel door het gras en dragen Kurtz op een geĂŻmproviseerde draagbaar in hun midden. Direct stijgt uit de leegte van het landschap een kreet op, die schril de stille lucht doorsnijdt. En als bij toverslag worden ze door het woud op de open plek uitgespuwd. Naakt en met speren in hun handen, met bogen en schilden, met woeste blikken en wilde bewegingen. Het struikgewas ritselt, het gras golft, en dan is alles stil, afwachtend, onbeweeglijk. Als hij nu niet de juiste woorden tot hen spreekt, zijn we er allemaal geweest. Het dichte groepje mannen met de draagbaar is ook stil blijven staan, als versteend, halverwege hun weg naar de stomer. Ik zie hoe de man op de draagbaar boven de schouders van de dragers uit overeind gaat zitten, broodmager en met een arm omhooggestoken. Zijn deken is van hem afgegleden en ik zie zijn lichaam, meelijwekkend en afstotelijk, alsof het uit een doodskleed is gewikkeld. Ik kan zijn ribbenkast heftig zien bewegen, de botten van zijn armen zien zwaaien. Een uit ivoor gekerfde beeltenis van de dood die dreigend haar vuist schudt. Ik zie hoe hij zijn mond openspert, alsof hij alle lucht en aarde, en iedereen rondom hem wil verslinden. Een diepe stem dringt zwakjes tot hier door. Dan zakt hij achterover. De dragers zetten zich in beweging en vrijwel op hetzelfde ogenblik verdwijnen de naakte lijven, alsof het woud dat hen heeft uitgestoten hen nu terug in zich opneemt, als lucht bij diep ademhalen. We hebben Kurtz in een van de kleine hutten aan boord gelegd. Ik ben verrast door het vuur in zijn ogen en zijn kalmte. Hij lijkt geen pijn te hebben. Hij ziet er voldaan uit. Hij kijkt mij recht in de ogen. kurtz

Ik ben blij.

Toneelgeruis_8_2b.indd 45

18/01/12 09:21


marlow

Een stem, donker en diep resonerend, terwijl het lichaam niet eens in staat lijkt te fluisteren. De administrateur verschijnt zwijgend in de deuropening en ik stap meteen naar buiten. Hij trekt het gordijn achter me dicht. Ik sta op het dek en speur de wildernis af achter het huis op de heuvel. Niks beweegt, alles is stil. Ik vraag me af of dat kan blijven duren. Dan hoor ik Kurtz’ diepe stem van achter het gordijn. kurtz

Mij redden? Het ivoor redden zal je bedoelen! Maak mij toch niks wijs. Mij redden! Ik red jullie! Als ik hen dat niet verbied, slachten ze jullie af. Idioot! Mijn plannen ondermijnen, dat is wat jij doet! Ziek. Ziek. Niet zo ziek als jij wel zou willen. Maar ik kom terug. Ik zal jou eens laten zien hoe het moet! Jij met je slappe gebazel. Jij zit mij in de weg. Denk jij dat ik niet weet wat er in dat beurse hoofd van je omgaat. Idioot! Ik kom terug. Ik... administrateur

Hij is er slecht aan toe, heel slecht. (hij zucht, maar vertoont niet de daarbij passende droefheid) We hebben gedaan wat we konden, nietwaar? Maar we kunnen er niet omheen dat meneer Kurtz de Maatschappij meer kwaad gedaan heeft dan goed. Hij heeft niet begrepen dat de tijd voor hard optreden nog niet daar is. Voorzichtig, voorzichtig. Dat is mijn devies. Ook nu nog moeten we voorzichtig te werk gaan. Het district is een tijdje niet voor ons toegankelijk. Zeer betreurenswaardig. Alles bij elkaar zal de handel eronder lijden. Ik wil niet ontkennen dat er een uitzonderlijke hoeveelheid ivoor ligt, grotendeels fossiel, dat wel. Dat moeten we veilig stellen, dat spreekt vanzelf. Maar bedenk hoe onzeker onze positie is. En waarom? Omdat de methode ondeugdelijk is. marlow

U noemt het ‘een ondeugdelijke methode’? administrateur

Zeker! U niet dan? marlow

Er is geen sprake van wat voor methode dan ook. administrateur

Precies! En ik had dit voorspeld. Er spreekt een totaal gebrek aan inzicht uit. Het is mijn plicht dit over te brengen aan de juiste instantie.

46

Toneelgeruis_8_2b.indd 46

duister hart

18/01/12 09:21


marlow

Ach... iemand zal wel een leesbaar rapport voor u opstellen. administrateur

(uit zijn lood geslagen) U... marlow

Ik vind meneer Kurtz een opmerkelijke man. administrateur

Dat wàs hij. marlow

(tot zijn publiek) Ik ben niet langer bij hem in de gunst. Ik word nu met Kurtz over één kam geschoren als een voorstander van methoden waarvoor de tijd nog niet rijp is. Ik ben ondeugdelijk. Ah, maar zélf een nachtmerrie te kunnen kiezen, dat is nogal wat. de rus

Ik kan het niet voor me houden. marlow

Spreek dan. de rus

Ik voel veel vijandigheid jegens mij hier op de boot. marlow

U hebt gelijk. De administrateur vindt dat u opgeknoopt zou moeten worden. Volgens hem ondermijnt u de handel. de rus

Ik kan er maar beter stilletjes tussenuit knijpen. Ik kan nu toch niks meer voor meneer Kurtz doen en ze zouden snel genoeg een of ander excuus vinden. Wat houdt hen tegen? De eerste militaire post ligt driehonderd mijl hiervandaan. marlow

Hebt u vrienden onder de wilden in de buurt? de rus

O, zoveel. Het zijn simpele mensen, en ik verlang niets, weet u. Maar... Er is iets…

Toneelgeruis_8_2b.indd 47

18/01/12 09:21


marlow

‌ dat u niet voor u kan houden. de rus

Juist, ja... ik wil niet dat deze blanken hier iets overkomt, maar het ging me natuurlijk over de reputatie van meneer Kurtz... maar u bent mijn zeemansbroeder en... marlow

Laat ons afspreken dat de reputatie van meneer Kurtz bij mij in goede handen is. de rus

Het is meneer Kurtz geweest die de aanval op de stomer heeft bevolen. Af en toe verafschuwt hij het idee dat hij weggehaald zou worden, en dan weer... Maar ik begrijp deze dingen niet, weet u, ik ben een eenvoudig mens. Hij dacht dat het u zou afschrikken, dat u zou opgeven, in de waan dat hij dood was. Ik kon hem niet tegenhouden. O, ik heb een afschuwelijke maand achter de rug. marlow

Het is in orde nu. de rus

(zonder overtuiging) Jaaa... marlow

En bedankt. Ik zal mijn ogen openhouden. de rus

Maar mondje dicht! Het zou vreselijk zijn voor zijn reputatie... Moest iemand hier‌ marlow

Beloofd. de rus

Niet ver hiervandaan ligt een kano voor me geborgen. Ik kan nu maar beter gaan. Zou u een paar patronen kunnen missen? Zeemansbroeders... toch? Goeie Engelse tabak! Hebt u niet toevallig een paar schoenen op overschot. Kijk. Ah, nooit meer zal ik een man als hij ontmoeten! U had hem moeten horen wanneer hij verzen reciteerde, en ze waren nog van hemzelf ook zei hij. Verzen! O ja, deze man heeft mijn geest verruimd!

48

Toneelgeruis_8_2b.indd 48

duister hart

18/01/12 09:21


marlow

Als ik even na middernacht wakker word, herinner ik me zijn waarschuwing, want dat was het geweest. Meneer Kurtz heeft de aanval op de stomer bevolen. Ik stap uit bed en loop naar buiten. Op de heuvel brandt een groot vuur. Een agent en enige van onze zwarten houden de wacht bij het ivoor. Maar diep in het woud branden andere vuren. Opflakkerende glimpen die lijken weg te zinken in de grond en er dan weer uit oprijzen. Het monotone bonzen van een grote trommel vult de lucht en het gestage gegons van een menigte klinkt vanuit de zwarte vlakke muur van het oerwoud als een bijenkorf. Ik leun op de reling en doezel weg. Tot een uitbarsting van geschreeuw, als van lang onderdrukte razernij, me laat opschrikken. Even maar, en dan weer het gegons, bijna geruststellend nu. In een opwelling ga ik kijken in de kleine hut. Het licht brandt, maar Kurtz is er niet. Ik spring aan wal. Ik verraad meneer Kurtz niet, mij is opgedragen hem nimmer te verraden, het staat geschreven dat ik trouw zal zijn aan de nachtmerrie van mijn keuze. Ik wil deze schaduw alleen tegemoet treden. Ik volg zijn spoor in het gras. Hij loopt niet, dat kan hij niet meer, hij kruipt. De nacht is helder. Een donkerblauwe ruimte die sprankelt van de dauw en het licht van de sterren. Ik zie voor mij iets bewegen. Ik verlaat het spoor en maak een wijde boog om voor het geritsel te komen. Ik snijd Kurtz de pas af. Hij komt overeind, wankelend, lang, bleek en vaag als een mistflard die uit de aarde opstijgt. Hij staat lichtjes heen en weer te zwaaien, schimmig en zwijgend. Nu ik voor hem sta kom ik weer bij zinnen en zie het gevaar. Het dichtstbijzijnde kampvuur is nog geen dertig meter van ons verwijderd. kurtz

Ga weg, zorg dat je je ergens verstopt. marlow

Weet u wel wat u doet? kurtz

(luid) Absoluut. marlow

U zult verloren zijn. Altijd verloren. kurtz

(weifelend) Ik had grootse plannen.

Toneelgeruis_8_2b.indd 49

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 50

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 51

18/01/12 09:21


marlow

Ja. Maar als u nu gaat schreeuwen knijp ik uw strot dicht, voorgoed. kurtz

(bijna smekend) Ik stond op het punt grootse dingen te verrichten. Als die idioot nu niet... marlow

In Europa is uw succes in ieder geval verzekerd. (tot zijn publiek) Ik heb hem nooit willen wurgen, weten jullie, ik wou alleen de betovering verbreken. De zware, stille betovering van de wildernis die hem aan haar genadeloze borst wilde drukken, door vergeten instincten te doen ontwaken, door de herinnering aan de bevrediging van monsterlijke lusten op te roepen. Ik was ervan overtuigd dat alleen dat hem naar de rand van het woud had gedreven, de rimboe in, naar de gloed van de vuren, het bonzen van de trommels, naar het gegons. Maar wat zijn ziel ertoe verleid had de grenzen van het betamelijke te overtreden. En, begrijpen jullie, het griezeligste was niet dat hij mij daar ter plekke kon laten afslachten, het griezeligste van de situatie was dat ik te maken had met een wezen waarop ik geen enkel beroep kon doen, niet in naam van het allerhoogste noch in naam van het allerlaagste. Ik moest hĂŠm, net als die oerwoudmensen, ik moest hĂŠmzelf aanroepen, zijn eigen aanbeden en ontaarde ik. Er was niets boven of onder hem, en ik wist dat. Hij had zichzelf losgeschopt van de wereld. Hij had de hele wereld aan stukken geschopt. Hij was alleen. Jullie hebben gehoord wat we zeiden. Maar wat heeft dat voor zin? Het waren gewone, alledaagse woorden. De vertrouwde vage geluiden die we elke dag van ons leven uitwisselen. Maar wat stellen die voor? In Europa is uw succes verzekerd. Een ziel, zeg ik jullie! Als er ooit iemand met een ziel geworsteld heeft, dan ben ik dat. Ik stond daar niet te redetwisten met een gek! Zijn verstand was volkomen helder. Het was op een gruwelijk intense manier op zichzelf gericht, dat is waar, maar helder. En daarin lag mijn enige kans. In Europa is uw succes verzekerd. Maar zijn ziel was krankzinnig. Helemaal alleen in de wildernis had zijn ziel in zichzelf gekeken en mijn god! ik zeg jullie, hij was krankzinnig geworden. Ik krijg hem uiteindelijk weer op het veldbed in de hut op de stomer. Als we de volgende dag op het middaguur vertrekken, stroomt de menigte die altijd voelbaar aanwezig is achter het gordijn van bomen, weer uit de bossen en vult de open plek, bedekt de heuvel. Wel tweeduizend ogen volgen de zwenking van de stomer. We hebben Kurtz in de stuurhut gelegd, er is daar meer frisse lucht. Hij staart door het open luik. Een vrouw rent naar voren tot bij het water en steekt haar handen uit, roept iets, en die schreeuw wordt

52

Toneelgeruis_8_2b.indd 52

duister hart

18/01/12 09:21


overgenomen door de hele golvende menigte in een daverend koor. marlow

Kunt u dit verstaan? En hij, naar adem happend, of ik het versta. Ik trek aan het touw van de stoomfluit omdat ik zie dat de blanken hun geweren boven halen. Het gegil laat de menigte uiteenstuiven. Ze schieten naar links en rechts, springen, bukken, duiken weg... Alleen die vrouw blijft staan, ze geeft geen krimp en strekt over de sombere rivier haar armen naar ons uit. Naar hĂŠm. Ze strekt haar armen naar hĂŠm uit. De bruine stroom vloeit snel weg uit de duisternis en draagt ons terug naar zee, twee keer zo snel als onze gang stroomopwaarts. En ook het leven van Kurtz vervloeit snel, ebt weg uit zijn hart naar de zee van de meedogenloze tijd. Hij doet soms kinderachtig. Hij wil opgewacht worden door koningen. kurtz

Je toont ze dat je iets in je hebt dat hun iets oplevert, en dan kent hun erkentelijkheid geen grenzen. Vanzelfsprekend moet je je motieven in de gaten houden, de juiste motieven, altijd. marlow

(tot zijn publiek) Ik kijk voor me uit. Ik let op de koers. kurtz

(kort, gebiedend) Doe dat luik dicht. Ik kan het niet verdragen hiernaar te kijken. marlow

(tot zijn publiek) Ik doe het luik dicht. kurtz

(schreeuwt) O, maar ik krijg je nog wel! Stomme wildernis! marlow

(tot zijn publiek) De motor begeeft het en we moeten aanleggen voor reparaties. Die vertraging bezorgt Kurtz voor het eerst een deuk in zijn zelfvertrouwen. Hij geeft me een pakketje papieren en een foto, alles bijeengebonden met een schoenveter.

Toneelgeruis_8_2b.indd 53

18/01/12 09:21


kurtz

Bewaar dit voor me. Ik zie die idioot ervoor aan in mijn koffers te gaan neuzen wanneer ik even niet kijk. marlow

(tot zijn publiek) Hij ligt op zijn rug met gesloten ogen. Ik hoor hem mompelen. kurtz

Leef rechtschapen, sterf, sterf... marlow

(tot zijn publiek) Ik blijf luisteren. Er komt niets meer. Misschien schrijft hij in gedachten een artikel voor de krant. Dat wil hij weer gaan doen, in Europa, voor de krant schrijven. kurtz

Om mijn ideeĂŤn te verspreiden, dat is mijn verdomde plicht! marlow

(tot zijn publiek) Ik kijk naar hem zoals je tuurt naar een man die op de bodem van een afgrond ligt waarin nooit zonlicht doordringt. kurtz

Ik lig hier in het donker op de dood te wachten. marlow

(tot zijn publiek) Ach, onzin, zeg ik. Maar even later sta ik als bevroren over hem heen gebogen. Nooit eerder iets gezien dat ook maar in de buurt komt van de verandering die zich nu in zijn gezicht voltrekt, en ik wil het ook nooit meer zien. Op dat ivoren gezicht staat het allemaal te lezen: zwaarmoedige trots, meedogenloze machtswellust, laffe doodsangst, hopeloze vertwijfeling. Beleeft hij, nu hij alles weet, zijn leven opnieuw? Tot in elk detail van begeerte, verleiding en overgave? En dan laat een of ander beeld, een of ander visioen, hem fluisterend een kreet slaken. Hij schreeuwt het tot twee keer toe uit, een schreeuw die niet meer is dan een ademtocht. kurtz

De gruwel! De gruwel! marlow

(tot zijn publiek) Iedereen zit aan tafel voor het avondeten en ik ga op mijn plaats

54

Toneelgeruis_8_2b.indd 54

duister hart

18/01/12 09:21


zitten, tegenover de administrateur, die zijn ogen opslaat en mij vragend aankijkt. Ik negeer hem. Hij leunt achterover. Een regen van kleine vliegen daalt neer op de lamp, op het tafelkleed, op onze handen en gezichten. Dan steekt een zwarte man zijn hoofd om de deur heen. M’neer Kurtz... is dood. marlow

(tot zijn publiek) Ze stuiven weg om te gaan kijken. Ik blijf zitten en eet verder. Hierbinnen staat een lamp, en daarbuiten, begrijpen jullie, is het zo afzichtelijk, zo afzichtelijk donker. Ik wil niet meer in de buurt komen van die opmerkelijke man die zopas over zijn ziel heeft geoordeeld. De stem is verdwenen. Wat is er dan nog? Ik heb ooit met de dood geworsteld. Het was de minst opwindende strijd die je je kunt voorstellen. Die strijd vindt plaats in een ondoordringbare grijsheid, zonder vaste grond onder je voeten, met niets om je heen, zonder toeschouwers, zonder aanmoedigingen, zonder glorie, zonder het grote verlangen naar de overwinning, zonder de grote angst voor de nederlaag, in een ziekelijke atmosfeer van gelaten scepsis, zonder veel geloof in je eigen gelijk en nog minder in dat van een ander. Als dat de vorm is die de ultieme wijsheid aanneemt, dan is het leven een nog groter raadsel dan sommigen van ons denken. Het scheelde maar een haartje of ik had mijn laatste zegje mogen doen en tot mijn schaamte moet ik erkennen dat ik niets te zeggen had. Dat is de reden dat ik hier opnieuw verklaar dat Kurtz een opmerkelijk man was. Hij had iets te zeggen. Hij zei het ook. En hij heeft de balans opgemaakt: de gruwel. Terug in Europa leefde ik met de papieren die Kurtz me had gegeven, zonder precies te weten wat ik ermee aan moest. Zijn moeder was kort daarvoor overleden en men vertelde me dat zijn Aanstaande haar had verpleegd. Staande voor die hoge, massieve deur, tussen hoge huizen, in een straat, zo stil en keurig, als een goed verzorgd pad op een kerkhof, kreeg ik een visioen van hem op de draagbaar. Het visioen leek met mij dat huis binnen te gaan. De baar, de spookachtige dragers, de woeste menigte gehoorzame aanbidders, de somberte van het oerwoud, het geschitter van het water tussen de modderige bochten, het geroffel van de trommels‌ Mijn binnentreden in dit huis was een triomf voor de wildernis. Ze komt nader, helemaal in het zwart, met een bleek gezicht. Ze is in de rouw. Het is nu meer dan een jaar na zijn dood. Ze zal eeuwig rouwen. Ze neemt mijn handen. aanstaande

Ik hoorde dat u zou komen.

Toneelgeruis_8_2b.indd 55

18/01/12 09:21


marlow

(tot zijn publiek) Ze lijkt te zeggen, ik alleen weet hoe ik om hem moet rouwen zoals hij dat verdient. Zijn dood en haar verdriet, ik zie ze in ĂŠĂŠn en hetzelfde moment. Ik zie haar verdriet op het tijdstip van zijn dood, begrijpen jullie dat? Ik zie hen samen. aanstaande

Ik heb het overleefd. marlow

(tot zijn publiek) Ik leg het pakketje brieven voorzichtig op de tafel en ze legt er haar hand overheen. aanstaande

U hebt hem goed gekend... marlow

Je wordt daarginds algauw vertrouwelijk met elkaar. Ik kende hem zo goed als twee mannen elkaar kunnen kennen. aanstaande

En u bewonderde hem. Je kon hem onmogelijk kennen en niet bewonderen. Nietwaar? marlow

Hij was een opmerkelijke man. Je kon onmogelijk niet... aanstaande

...van hem houden. Hoe waar! Ik kende hem het best! marlow

U kende hem het best. aanstaande

U was zijn vriend. (luider) Zijn vriend. Dat moet wel als hij u dit gegeven heeft en u naar mij gezonden heeft! marlow en aanstaande

Ze zegt, ik voel dat ik tegen u kan spreken, en ik moet spreken. U heeft zijn laatste woorden gehoord. Ik wil dat u weet dat ik waardig ben geweest... Dat is geen trots... Of toch! Ik ben trots dat ik hem beter kende dan wie ook op aarde. Dat heeft hij me zelf gezegd.

56

Toneelgeruis_8_2b.indd 56

duister hart

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 57

18/01/12 09:21


marlow

(tot zijn publiek) En ik weet plots niet meer of ik het juiste pakketje heb. Het andere heb ik de administrateur zien bestuderen op een avond op de boot onder een lamp. Ik weet het niet meer. marlow en aanstaande

Wie was er niet zijn vriend die hem had horen spreken? Hij trok de mensen naar zich toe door een beroep te doen op het beste dat zij in zich hadden. Dat is de gave van de groten onder ons. Ze zegt, maar u hebt dat gehoord, u weet dat. marlow

Ja, zeg ik. Ik weet dat. marlow en aanstaande

Wat een verlies, zegt ze. Ik ben bevoorrecht geweest. Te gelukkig, heel even. En nu ben ik ongelukkig, voor de rest van mijn leven. marlow

Zijn woorden zullen voortbestaan, zeg ik. En het voorbeeld dat hij gegeven heeft, zegt ze. Men keek naar hem op, zijn goedheid bleek uit alles wat hij deed. Het voorbeeld dat hij gegeven heeft, zegt ze. Dat is waar, zeg ik. Ook het voorbeeld dat hij gegeven heeft. Dat was ik vergeten. Hij is gestorven zoals hij geleefd heeft, zegt ze. Ik zeg, zijn einde was in alle opzichten zijn leven waardig. En ik was niet bij hem, zegt ze. U bent bij hem geweest tot het einde. Helemaal tot het einde, zeg ik. Ik hoorde zelfs zijn laatste woorden... En ik zwijg geschrokken. Zeg ze me, zegt ze. Ik wil iets om mee te leven. Begrijpt u dan niet dat ik van hem hield. Ik hield van hem... En ik hoor mezelf zeggen: Het laatste woord dat hij uitbracht was... uw naam. Ik wist het, zegt ze. Ik wist het. Ik was er zeker van. EINDE

Josse De Pauw naar Joseph Conrad juni 2011

58

Toneelgeruis_8_2b.indd 58

duister hart

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 59

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 60

18/01/12 09:21


Van de Velde Auteur Erik Vlaminck schrijft, in samenspraak met Olympique Dramatique, een theatertekst rond Roger Van de Velde, een onterecht vergeten Antwerpse schrijver die na een jarenlange internering en een stormachtig leven uiteindelijk in 1970 op 45-jarige leeftijd dood aangetroffen werd op een terrasstoel van een café in Berchem. Passie, talent, drugs, rock ’n roll… ingrediënten te over voor een nieuw theaterstuk. Hieronder een eerste etappe uit het schrijfproces van Erik Vlaminck dat uiteindelijk zal leiden naar de première van Van de Velde op 8 maart 2012 in de Bourla.

Toneelgeruis_8_2b.indd 61

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 62

18/01/12 09:21


Toneelgeruis_8_2b.indd 63

18/01/12 09:21


Het laatste kwartier van het leven van Roger Van de Velde vormt het tekstkader. Van de Velde zit aan het cafétafeltje waar hij uiteindelijk sterft, hij hallucineert en ziet flarden uit zijn leven passeren. Rollen: Roger Roger 2 Roger 3 Collega (wordt later Roger 3) Op scène: ‘glazen kooi’

Sterfscène Danse Macabre met stoel Wanneer Roger dood op stoel zit: … Heden 31 mei 1970, iets na 19u is een manspersoon het café ‘Brasserie André’, Statiestraat 4, Antwerpen, binnen gekomen. Deze persoon scheen onwel. Hij zei geen woord. Wij hebben hem op een stoel gezet en hem wat water voorgezet. Hij bleef daar zo stom zitten… … Het is dan dat wij iets totaal abnormaals vaststelden. Deze persoon reageerde totaal niet meer. Wij hebben alsdan de ambulantie opgeroepen… …Het betrof: Van de Velde, Rogier, geboren te Boom 13 februari 1925, dagbladschrijver, wonende te Antwerpen… Licht uit. …Wij leggen er eveneens de nadruk op dat het lichaam niet mag gewassen worden en maken dringend een ‘verklaring gasthuis’ over meldende dat het lichaam het voorwerp uitmaakt van een rechterlijk onderzoek… (Fragmenten komen uit het proces-verbaal dat op 31 mei 1970 aan de Procureur des Konings werd verzonden.)

64

Toneelgeruis_8_2b.indd 64

van de velde

18/01/12 09:21


Dronkenmansscène (Verschillende mensen die Van de Velde gekend hebben, vertelden dat hij, dronken, grote fragmenten literatuur – vaak Shakespeare – citeerde, staande op een cafétafel.) Roger blijft dood op stoel zitten. roger 2

And all our yesterdays have lighted fools the way to dusty death. Out, out, brief candle! Life’s but a walking shadow: a poor player, that struts and frets his hour upon the stage, and then is heard no more: it is a tale told by an idiot, full of sound and fury, Signifying nothing. collega

Shakespeare, altijd Shakespeare. roger 2

Macbeth: Act 5, scène 5. collega

Waarschijnlijk is die uitleg van die meneer Shakespeare, die blijkbaar een kolossaal wereldwonder was, allemaal heel schoon en heel diepzinnig maar als ik echt eerlijk ben dan moet ik zeggen: ik versta daar eigenlijk allemaal geen kloten van. Man, man, man… roger 2

Julia da Silva-Bruhns. collega

Julia wie? roger 2

Da Silva-Bruhns. collega

En wie is dat dan godverdomme wel? roger 2

De moeder van de gebroeders Mann. Dat citaat dat gij zo schoon gedebiteerd hebt, dat was van haar.

Toneelgeruis_8_2b.indd 65

18/01/12 09:21


collega

Welk citaat? roger 2

Man, man, man… Julia da Silva-Bruhns zei dat toen de gebroeders Mann met hun schoolrapport thuis kwamen. collega

Onnozel kalf. roger 2

Hang out our banners on the outward walls. The cry is still: “They come!” collega

Die gebroeders Mann, zijn dat de uitvinders van de Poeders? Roger, verdomme toch, kijkt uit uw ogen als ge van die tafel komt. Seffens ligt alle glaswerk tegen de grond. roger 2

Poeders Mann, dat zijn smoelentrekkers. Ik heb beter gerief. collega

Over wie hebt ge’t? Over uw Rosa? Of over die hoer die ze in ’t Sint-Augustinusgasthuis van kant gemaakt hebben? roger 2

The Queen, my lord, is dead. collega

Het schijnt dat de nonnen van het SintAugustinusgasthuis – omdat ze niet wilden dat meneer de commissaris met zijn proper gestreken kostuum in een vuile kamer zou komen te staan – heel de place délict met javel en dettol hadden opgekuist vooraleer ze hun telefoon pakten om naar de politie te bellen om die moord aan te geven. Ze twijfelden zelfs of ze het lijk al zouden beginnen afleggen. Dat hebben ze uiteindelijk dan toch maar gelaten maar ze hebben het wel een paternoster tussen de vingers gestoken.

66

Toneelgeruis_8_2b.indd 66

van de velde

18/01/12 09:21


roger 2

Ge moet niet alles geloven wat er in de gazetten staat. De meeste journalisten zijn aan de drank. collega

Maar als er in de gazetten staat dat die vermoorde madam een stewardess en een danseres was, dan weet ik wel honderd ten honderd zeker dat het een hoer was. En dan verschiet ik er ook niet van dat ze vermoord is. Die paternoster wordt dan wel helemaal een farce. roger 2

Be a whore still. They love thee not that use thee. Give them diseases, leaving with thee their lust. collega

Kent gij nu echt niks in ‘t Vlaams, verdomme? Altijd dat Amerikaans… roger 2

‘k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen aan al de passies van een mensenleven; ik heb den beker huilend hoog geheven en aangegaapt met lippen gulzig open. Ik dronk, – wijl ‘k voelde ’t schroeiend vocht mij lopen door ’t arme lichaam, – gloeiend heet aan ’t beven in ’t wild genieten van dat nieuwe leven – tot mij de druppels van de wangen dropen. Het is genoeg nu. In mijn kranke wezen ontwaakt een ziel uit hare sluimeringen; z’is uit het beestzijn goddelijk verrezen. (Roger valt van tafel, of er gebeurt een ander disaster.) Met breed gebaar heeft zij de weg gewezen; ik hoor haar stem in klare tonen zingen en zit versteend in koude mijmeringen. (gedicht is van Willem Elsschot) collega

Het is goed dat gij alleen maar in uw jeugd gezopen hebt. Man, man, man… roger 2

Ik moet verdomme gelijk een weerlicht naar de redactie.

Toneelgeruis_8_2b.indd 67

18/01/12 09:21


68

Toneelgeruis_8_2b.indd 68

van de velde

18/01/12 09:21


Binnen een uur moeten mijn artikels binnen zijn. collega

Ge zijt zo zat als een kanon en zo zot als een achterdeur. roger 2

The better part of valor is discretion.

Dialoog met een dode roger 2

(Eerst ijsberend, daarna als gek tikkend op typemachine.) …Als het een hoer was, dan verschiet ik er ook niet van dat ze vermoord is en dan is die paternoster helemaal een farce… …Ze hebben ze verdomme zo goed als allemaal gekend, de heren collega’s… …De helft van wie in de gazet schrijft, heeft in haar bed gelegen… …Maar op Schoonselhof, ho maar… (Fragmenten uit column De Nieuwe Gazet 23/1/1963.) …Zelden zal een mens in vredestijd, zo eenzaam, zo zielig, zo godvergeten en door iedereen verloochend in de grond zijn gestopt als gij, Maria Senecaut… …Zelfs Maria Magdalena en Mata Hari en andere vrouwen met een twijfelachtig emplooi werden op hun laatste tocht vergezeld door rouwende vrienden… …Maar voor uw stille uitvaart heeft geen mens een stap gezet… …Waar waren zij, uw opgeruimde vriendjes, die tijdens uw leven, warmte, vertroosting, vergetelheid of genot hebben gezocht en gevonden in uw armen en die vrijgevig waren zolang zij konden rekenen op een tegenprestatie?… … Zij hebben u allen grandioos in de steek gelaten, Maria Senecaut. En waarom? Uit laaghartige, welbewuste angst, omdat zij niet in opspraak wilden geraken door enige belangstelling te tonen voor het veelbesproken slachtoffer van een even afschuwelijke als duistere moord… …Er bestaat dus geen reden om u in uw armzalig graf te ergeren over de harteloosheid van een wereld, die

Toneelgeruis_8_2b.indd 69

18/01/12 09:21


u als de pest heeft uitgedreven. De wereld is geen ergernis waard. Het zal weer spel geven met de hoofdredacteur. Het interesseert me niet. Geen kloten

Binnenkomen in gevangenis Roger haalt alles uit zijn zakken. Geeft broeksriem af. Doet veters uit schoenen. Doet alle kleren uit. Staat naakt met de armen gespreid als voor fouillering. Doet gevangenistenue en schoenen zonder veters aan. Heeft last met broek ophouden. Gaat glazen kooi in. roger

Liefste mama, …Ik heb nooit durven vermoeden dat mijn geval plotseling zulk een dramatische wending zou nemen. Het is mij werkelijk als een koud stortbad op het lijf gevallen en het heeft mij moreel ten zeerste overstuur gebracht, vooral omdat ik bekommerd ben om het lot van Rosa en de kinderen, die het nu ook wel erg moeilijk zullen hebben. Waarschijnlijk kunt gij moeilijk begrijpen hoe ik mij zo ver heb laten gaan, maar ik zit hier niet als een misdadiger; veeleer als een zieke. Ik heb niemand nadeel berokkend… (uit brief van 12/9/1961)

Gesprek met psychiater roger

Drie maagoperaties, meneer. roger 2

Goed weten dat zo’n psychiater het waarschijnlijk een belediging van hier tot ginderachter vindt wanneer hij met ‘meneer’ wordt aangesproken en toch het woord ‘dokter’ niet over de lippen krijgen. Rangen en standen zijn altijd een probleem geweest. Dat was zo op school. Dat was zo in ’t leger.

70

Toneelgeruis_8_2b.indd 70

van de velde

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 71

18/01/12 09:22


Dat is zo bij de gazet. Dat is nooit veranderd en dat zal nooit veranderen. roger

De eerste operatie was in ’48. … Ja, ik was toen 23 jaar oud. En dat zou toen een maagperforatie geweest zijn. roger 2

Dat malheur vond plaats in de schouwburg – in de KNS, den Bourla – op de rode stoelen op het eerste balkon. Zo hebben ze daar ook eens een echt drama gehad. Ik zou een recensie schrijven voor De Nieuwe Gazet maar ik stond ’s anderendaags zelf in de gazet omdat ze mij daar, terwijl de voorstelling volop bezig was, jankend van de pijn op een brancard hebben buitengedragen en vierklauwens naar het Elisabethgasthuis hebben gevoerd. roger

Ze hebben mij, toen ik nog herstellende was van die operatie, gezegd dat ik nog een tweede keer geopereerd moest worden en dat is dan in ’51 gebeurd. roger 2

Erbij zeggen dat het drinken in tussentijd begonnen was, lukt ook niet. Het zou nochtans een bewijs van inzicht in de ziekte kunnen zijn. Hij heeft gele vingers van het roken; dat is misschien toch weer wel een teken dat hij niet van een andere planeet komt. roger

De derde operatie was in ’59. Het is toen dat ze mij Palfium hebben voorgeschreven. roger 2

En dat de overtuiging gegroeid is, de zekerheid eigenlijk, dat het kanker was: maagkanker. En kanker overal. Vooral omdat de chirurgen en de verpleegsters en God en klein pierke het met zo veel theater ontkenden. Als ik al zot ben, dan is het dat ik er altijd heilig van overtuigd ben dat ik kanker heb.

72

Toneelgeruis_8_2b.indd 72

van de velde

18/01/12 09:22


roger

Ja meneer, de maagproblemen zijn er nog altijd. Ik denk niet dat die nog weg zullen gaan. roger 2

Op die Palfium gaat hij niet in. Hij weet natuurlijk ook dat het vierkant de schuld van zijn eigen kaste is dat ik tot over mijn oren aan die pillen verslaafd ben geraakt. roger

Aan sport gedaan? Ja, meneer. Ik ben nog Belgisch kampioen zwemmen voor sportjournalisten geweest. In ’56. roger 2

Daar lacht hij dan mee alsof ik fabuleer. Het is nochtans de waarheid, niets dan de waarheid. Ik heb er zelfs een medaille van. roger

Mijn kinderen zijn gezond, ja. roger 2

Hij heeft er geen zaken mee dat we een kind verloren hebben toen het zes weken oud was. Rosa en ik spreken trouwens ook niet over dat kind. Zoals er veel is‌ enfin... roger

Dat weet ik niet, meneer, welke kinderziektes ik zelf heb gehad. Daar zult ge mijn moeder voor moeten raadplegen. En mijn schoolrapporten? Die zal mijn moeder ook nog wel bewaren. roger 2

Ik ben mijn moeder haar god. Maar dat hoeft hij ook niet te weten. Hij zou er direct verkeerde conclusies uit gaan trekken. roger

Ik heb oude humaniora afgemaakt, meneer. In Sint-Henricus.

Toneelgeruis_8_2b.indd 73

18/01/12 09:22


En omdat het oorlog was, was er van verder studeren geen sprake. roger 2

Meneer, de zielkundige, springt van de hak op de tak. Om mij van de wijs te brengen, waarschijnlijk. Ofwel is het een of andere psychologische test. roger

Of er idiotie in de familie voorkomt? Ik denk het niet, meneer. roger 2

Het ligt op mijn tong om hem fijntjes te vragen of er in zijn familie idiotie voorkomt. Godverdomme toch, die hautaine blik in zijn ogen... roger

Inderdaad, meneer, ik weet wat een Rorschach-test is. En er is inderdaad een bewaarder bij mij in de cel geweest om mij daaraan te onderwerpen. roger 2

Die mens had daarvoor zelfs een gesteven witte kiel over zijn uniform moeten aantrekken. A la guerre comme à la guerre. roger

En het spijt mij oprecht dat ik in die inktklodders alleen maar inktklodders kon zien. roger 2

Nu zal hij waarschijnlijk ook nog gaan vragen waarom ik van die kabbalistische rekenoefeningen die de bewaarder mij heeft voorgelegd ook niets terecht heb gebracht. Moet ik hem dan zeggen dat ik mij niet kon concentreren omdat die bewaarder geen minuut over zijn duiven kon zwijgen? Kampioenen op de halve fond… roger

Wanneer ik met ‘die stommiteiten’ begonnen ben? Dat is niet zomaar ineens begonnen, meneer. roger 2

Hoe lang schrijft gij al?

74

Toneelgeruis_8_2b.indd 74

van de velde

18/01/12 09:22


Dat vragen ze mij soms, mensen die niet bij de gazet werken… Van in ’t eerste studiejaar, zeg ik dan. roger

En wat de eigenlijke reden is dat ik met ‘die stommiteiten’ begonnen ben? roger 2

Voilà, nu gaat de grote, onthullende psychiatrische speurtocht in de duistere krochten en kelders van het onderbewustzijn beginnen. Nu ga ik hem mijn eeuwige ‘mal de vivre’ kunnen uitleggen. roger

Misschien kan ik het zeggen gelijk Hamlet, meneer: ‘How weary, stale, flat and unprofitable seem to me all the uses of the world?’ roger 2

Aan zijn dwaze blik te zien komt Hamlet blijkbaar niet ter sprake in de opleiding van psychiaters. Ik zou het hem ook met de woorden van Richard Minne kunnen zeggen. Dat ik mij soms voel als een kachel die niet trekt. Maar ik denk dat het een slecht gedacht is om mijzelf tegenover een psychiater met een kachel te gaan vergelijken. God weet welke conclusie hij daaraan gaat vastknopen. roger

Excuseer… Of – ik – in – mijn – huwelijk – seksuele – bevrediging – vind? roger 2

Nu gaat die dwaas godbetert mijn ziel aftasten langs de vagina van mijn vrouw. Geen barst, maar dan ook geen barst affaire heeft hij daarmee. roger

Ik zwijg, meneer. Ik zwijg in alle talen.

Toneelgeruis_8_2b.indd 75

18/01/12 09:22


Brief aan moeder (uit brief aan moeder van 17/10/1963) Liefste mama, …Ik heb in de loop van deze week uw twee extra pullovers in goede orde ontvangen. Zo ben ik tenminste gewapend voor de komende winterperiode. Kousen mag ik niet ontvangen maar een paar pantoffels mag mij eventueel wel toegezonden worden. Ik dank u in ieder geval voor uw attentie want de antiquiteiten waarop ik mijn lamme leden voort sleur moeten, bij benadering, nog uit de eerste wereldoorlog afkomstig zijn...

Cel-scène (gebaseerd op brief van Van de Velde aan Jeroen Brouwers dd. 8/2/1970)

roger 2

Cel 227 bevindt zich in de vuilste koterij van de meest bouwvallige vleugel van de gevangenis van de Begijnenstraat. Het is de blok van de Algerijnen, en de Turken, en de Grieken. roger 3

In Antwerpen hebben ze niks tegen vreemdelingen – nooit gehad trouwens – maar ze beweren er wel dat die beter stank en smeerlapperij verdragen. roger

Eigenlijk hadden ze mij, als volbloed Belg, niet in cel 227 mogen steken. Ik had in een betere blok moeten zitten. roger 3

Maar er is plaatsgebrek in de Begijnenstraat. In de Begijnenstraat is er altijd plaatsgebrek. roger

Een broeksriem of een koord, dat is verboden.

76

Toneelgeruis_8_2b.indd 76

van de velde

18/01/12 09:22


Ge hebt er geen gedacht van wat er allemaal verboden is in de Begijnenstraat. Ik heb dus een zakdoek aan repen moeten scheuren om mijn broek op te houden. roger 2

Ge moogt zo geen compassie met uw eigen hebben. Ge maakt u daar grondig belachelijk mee. roger

Uren aan een stuk ongemakkelijk zitten op een rechte houten stoel en kijken en kijken en kijken naar een natte, afschilferende muur en de haren op mijn armen staan recht omhoog omdat er niks, maar dan ook volstrekt niks, gebeurt. Het Nada! Het volstrekte niks! Hemingway is er ook zot door geworden. Alleen die natte, afschilferende, melaatse muur. roger 2

Ge vergeet iets, Roger. Aan die muur hangt‌ roger 3

‌een crucifix, het masochistisch en triomfalistisch symbool van de christelijke barmhartigheid, de beeltenis van een naakte vastgespijkerde vent, die over liefde en mededogen gepreekt zou hebben en in wiens naam de wereld al bijna tweeduizend jaar wordt verloederd; een vent die zot verklaard en als maatschappelijk gevaar zou opgesloten worden als hij, hier en nu, voor de raadkamer zou verschijnen. roger:

Enfin, het is koud, het is steenkoud. Mijn maag ligt als een bal in mijn lijf. De soep giet ik kotsend in de pot met excrementen. En geen gram tabak. Wel stekskes. En een kam, en briefpapier, en enveloppen, en een bic, en postzegels, en een asbak. Maar geen gram tabak. Het is door dat soort dingen dat een mens echt zot dreigt te worden.

Toneelgeruis_8_2b.indd 77

18/01/12 09:22


78

Toneelgeruis_8_2b.indd 78

van de velde

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 79

18/01/12 09:22


roger 2

Ik blijf het zeggen; ge moogt zo geen compassie met uw eigen hebben. Waardigheid, man! Intellectuele waardigheid! roger

Met een deken over mijn lijf getrokken begin ik te schrijven. Om niet ten onder te gaan. Om die sigaretten uit mijn kop te zetten; die sigaretten, en de rest… Nooit gedacht dat het een boek zou worden. roger 2

Voilà, intellectuele waardigheid! roger

Om die sigaretten uit mijn kop te zetten schrijf ik over vrouwen. In de Begijnenstraat zijn er geen sigaretten, is er geen drank, zijn er geen pillen, en zijn er geen vrouwen. roger 3

De sociaal assistente moet alles twee keer zeggen. Want niemand luistert. Iedereen kijkt. roger 2

Zelfs de nonnen die hier af en toe rond lopen worden in zeshonderd koppen uitgekleed. roger

Om die sigaretten uit mijn kop te zetten, en om de pillen uit mijn kop te zetten, schrijf ik over vrouwen. roger 2

Tot de bel gaat voor het doven van de lichten. roger 3

Een ellendige galm door de holle gangen van ’t prison. roger 2

Ik weet niet hoe ik erbij kom maar voor mij is het een bananenboot op de Mississipi.

80

Toneelgeruis_8_2b.indd 80

van de velde

18/01/12 09:22


roger

Enfin, de laatste alinea staat juist op papier wanneer de bel gaat roger 2

‘Maar elke dag, en elk uur van de dag houden wij tegoed op de smeerlappen, want eenmaal komt een triomfantelijke nacht waarin wij zevenmaal de liefde zullen bedrijven. Liefst met zeven verschillende vrouwen, als het kan. Zo tenminste denken wij. Maar wie eenmaal van de liefde geproefd heeft, zou beter moeten weten.’ (Dit is de laatste alinea van het verhaal ‘De vrouwen’ uit Galgenaas.) roger

En dan staat hij daar, opgedoemd uit het niets: de bewaker. roger 3

Die, die de mensen niet in de ogen kijkt. Die met altijd wat speeksel in zijn mondhoeken. Die met zijn vingernagels die zo zwart zijn alsof hij pas zijn hof heeft omgespit. ‘Goede nacht.’ Hij moet dat zeggen. Dat staat in het bewakersreglement. roger

‘Goede nacht.’ En vlak voor mijn neus drukt hij de peuk van zijn sigaret in de lege asbak. Langzaam en zorgvuldig. roger 3

Gründlich, op zijn Germaans. roger 2

‘Maar elke dag, en elk uur van de dag houden wij tegoed op de smeerlappen, want eenmaal komt een triomfantelijke nacht waarin wij zevenmaal de liefde zullen bedrijven.’ roger

Terwijl de deur in het slot draait, klauw ik daas en dwaas naar de verfrommelde peuk. Ik kneed hem tussen mijn stijve koude vingers om er

Toneelgeruis_8_2b.indd 81

18/01/12 09:22


opnieuw vorm aan te geven. Ik steek de brand erin. Ik zuig het vuur in mijn longen. roger 2

En dan schuift traag-traag-traag het ijzeren klepje voor het kijkgat van de celdeur weg. roger 3

Het starende oog van de bewaker. roger 2

Het oog van een cycloop! roger

Die smeerlap wist verdomme dat ik die peuk zou oproken tot het vuur mijn lippen schroeit.

Detentie & Palfium (De fragmenten – behalve die over Palfium, die van de bijsluiter werden gehaald – werden overgenomen uit Recht op antwoord.) roger 3

Het personeel moet geëerbiedigd worden en zijn bevelen dienen zonder tegenspraak uitgevoerd te worden. De wellevendheid is een bewijs van opvoeding. Zingen en roepen is onverenigbaar met het celleven en kan derhalve niet geduld worden. Wanneer een personeelslid de cel betreedt, eist de beleefdheid dat de gedetineerde recht staat, een behoorlijke houding aanneemt, zich het hoofd ontdekt (!), eventueel sigaret of pijp uit de mond neemt, en zwijgt. (Uittreksel van het reglement der Belgische gevangenissen.) roger

De Belgische Wet van Sociaal Verweer van 1964 bepaalt eveneens dat de procureur des Konings als criterium voor zijn repressief of preventief optreden niet alleen de gemoedstoestand van de op proef vrijgestelde delinquent dient in acht te nemen in verband met zijn sociaal-gevaarlijkheid maar zich ook

82

Toneelgeruis_8_2b.indd 82

van de velde

18/01/12 09:22


mag steunen op de gedragingen, zelfs de niet strafbare, van de ex-gedetineerde. roger 3

Aldus besluit het Ministerie van Justitie: 1e Dat geen enkel geschrift van de gedetineerde Van de Velde, bestemd voor publicatie, onder generlei beding de gevangenis mag verlaten; 2e Dat de genoemde gedetineerde niet mag beschikken over een schrijfmachine, zoals in verzoekschrift gevraagd; 3e Dat de genoemde gedetineerde gebeurlijke geschriften, ook na zijn invrijheidsstelling, dient te onderwerpen aan controle vooraleer eventuele toelating zou kunnen verleend worden tot publicatie; 4e Dat tegen deze beslissingen geen beroep mogelijk is. roger

De werkzame stof in Palfium is Dextromoramide. Dextromoramide is een difenylpropylaminederivaat, en behoort tot de categorie opioide analgetica. Dextromoramide is een volle opiaatagonist en heeft als voornaamste effect pijnstilling. roger 3

Gedetineerde Van de Velde wordt niet toerekenbaar geacht voor zijn daden en dient derhalve ook na zijn invrijheidstelling veiligheidshalve onderworpen te blijven aan bestendige controle om te voorkomen dat hij door onverantwoorde handelingen, o.a. door het publiceren van revoltant of lasterlijk proza, enig nadeel zou berokkenen aan de maatschappij. roger 2

Mogelijke bijwerkingen van Palfium zijn o.a.: ademhalingsdepressie, apnoe, hypotensie, sedering, obstipatie, hallucinaties, hartkloppingen. En dus staan tussen droom en daad enkele wetten in de weg. En paar praktische bezwaren. En ook weemoedigheid. Die des avonds komt. En die niemand kan verklaren. (Uit ‘Het huwelijk’ van Willem Elsschot.)

Toneelgeruis_8_2b.indd 83

18/01/12 09:22


Brief aan moeder (gebaseerd op brief aan zijn moeder van 20/10/1969) Liefste mama, In mijn wanhoop zoek ik naar een oplossing. Die zou mogelijk zijn als gij het volgende voor mij zoudt willen doen. In mijn zwarte schooltas steekt een gesloten envelop met daarin enkele blanco doktersbriefjes. Nu vraag ik u het volgende, liefste mama. Zoudt gij één van die doktersbriefjes willen invullen en daarmee naar een apotheker gaan? Gij moet werkelijk niet bang zijn. Ik geef u hierbij een model. Gij hoeft dus alleen in te vullen: mijn naam en adres. Vervolgens: Palfium, 20 tabletten. En onderaan rechts, zomaar een ingebeelde handtekening, plus de datum. Zoudt gij, zo mogelijk vandaag nog, mama, die envelop willen gaan halen? Als gij dan de Palfium hebt, zoudt gij het volgende moeten doen, mama. Neem de pilletjes eruit en wikkel ze in een stuk papier, dat gij mij volgende zaterdag tijdens het bezoek in de hand stopt. Ik herhaal, er is voor u niets aan gewaagd, vermits het voorschrift op mijn naam wordt ingevuld. Alstublieft, mama, doe dat voor mij, uw wanhopige zoon

Schuldscène (Teksten – behalve het gedicht – komen, bewerkt, uit ‘Côtes de Kabylie’, uit Kaas met gaatjes.) roger

In pyjama, in de keuken, op de nuchtere maag: twee, drie glazen wijn. Côtes de Kabylie, Algerijnse bocht. In literflessen. roger 2

Rosa is dan nog in de slaapkamer. Ik hoor haar daar rommelen en stommelen…

84

Toneelgeruis_8_2b.indd 84

van de velde

18/01/12 09:22


roger

‌terwijl ik met mijn glas in mijn hand naar buiten sta te kijken: zachtjes hijgend en met een loom, aangenaam gevoel in mijn ingewanden. roger 3

Over de pot geraniums zie ik de contouren van de olietanks langs de havenkant. Doorgaans voel ik mij dan rustig worden. roger 2

Tenminste, als we niet moeten overgeven. Als we niet vergaan van de maagkrampen. Met het zuur van schrale wijn op de huig. De donkerrode kots als een gulp vuil bloed op het email van de toiletpot. roger

En zij, zij hoort dat allemaal, dat kan niet anders. Godverdomme toch. roger 2

Soms wrijf ik met de rug van mijn hand het vocht uit mijn tranende ogen om de slijmen, als larven in het braaksel, duidelijker te kunnen onderscheiden alvorens de vuiligheid weg te spoelen. Het is natuurlijk een belachelijke associatie maar voor mij zijn die slijmen de virussen van de kwaal. roger

Terug in de keuken drink ik dan meestal nog gulzig een groot glas wijn. Om samen met de larven ook de nasmaak van het braaksel weg te spoelen. Als ik hoor dat zij naar beneden komt, schuif ik de fles in de donkere gleuf naast het gasfornuis. roger 2

Zij loopt in haar roze gewatteerde peignoir van de keuken naar de woonkamer en van de woonkamer naar de keuken. Zonder mij aan te kijken. En ik, ik kijk haar ook niet aan. Zij zet koffie en ze dekt de tafel. Ik trek terug naar boven. Zonder een woord te zeggen. Om mij te wassen, om mij te scheren en om mijn kleren aan te trekken.

Toneelgeruis_8_2b.indd 85

18/01/12 09:22


roger

Mijn tanden, die poets ik niet. Want het chlorofyl van de tandpasta, dat accordeert niet met de oprispingen van de wijn. Ik wil het risico niet lopen om twee keren te moeten braken. roger 2

Toen ik zestien jaar was, toen heb ik een gedicht geschreven: Des avonds, nadat ik met mijn vrouw ajuin en haring heb gegeten, – wij eten altijd haring en ajuin – begluur ik haar eens schuin, grijp ik naar mijn hoed en met een vluggen, bange groet stap ik op straat en ben meteen de eeuwige belofte weer vergeten. Maar door de toegeslagen deur Voel ik het diep verwijt Van haar wanhopigen blik Zoodat een onverklaarbaar spijt, Een onbenoemd verdriet Mij beven doet van schrik Bij elken droppel die ik In mijn gulzig keelgat giet. Het is erg als ge zo veel van buiten kent. roger 3

Het poetsen van mijn tanden lijkt mij redelijk onbelangrijk. De flessen naast het gasfornuis zijn veel en veel belangrijker. roger 2

Ik drink omdat ik niet anders kan. Drinken is gelijk ademhalen en naar het toilet gaan. Niemand kan het begrijpen. Ik begrijp het zelf niet. Roger slaat spiegel kapot of breekt glaswerk.

86

Toneelgeruis_8_2b.indd 86

van de velde

18/01/12 09:22


Brief aan moeder, brief aan vrouw (uit brief van 3/11/1969) Liefste mama, Zoals je waarschijnlijk reeds vernomen hebt ben ik, ingevolge bepaalde omstandigheden, weer te Merksplas terechtgekomen. Ik bespaar je de bijzonderheden. “J’aimerais de bouche vous le dire.” (uit brief van 23/12/1969) Liefste Rosa, Ik ben er stellig van overtuigd, lieve, dat dit de laatste kerstmis is die wij gescheiden doorbrengen. (uit brief van 4/1/1962) Liefste mama, Na al de ellende die ik hier gezien en gehoord heb, moogt gij er van overtuigd zijn, dat ik deze maal op de tanden zal blijven bijten om te bouwen aan een betere toekomst.

Bekentenis roger

Het is omdat ik mij zo ongerust over hem maak dat ik zo tegen die jongen geroepen heb. Ik had het niet mogen doen. Ik had het verdomme niet mogen doen. roger 3

Hij heeft eigenlijk geen vader gekend. En erger dan dat: leg het maar uit op school, tegen uw vrienden, dat uw vader in de Begijnenstraat zit, in Merksplas, in ’t prison van Doornik, in ’t gesticht van Boechout, bij de broeders in Mortsel… Mijn eigen vader was dood van toen ik kind was. Dat was veel simpeler. Dat was een geval waar de mensen compassie mee hadden en hebben.

Toneelgeruis_8_2b.indd 87

18/01/12 09:22


roger

Ge komt na zoveel maanden weer eens terug thuis. Onder voorwaarden, gelijk elke keer. Met van minuut tot minuut de schrik om te hervallen. Vooral ook omdat er zoveel mensen de zolen van onder hun schoenen gelopen hebben om die gevangeniskwestie geregeld te krijgen. En op het moment dat ge thuiskomt is uw zoon, waarvan ze zeggen dat hij groter is dan ge zelf zijt, van de aardbodem verdwenen. roger 2

Uw vrouw weet niet wat ze eerst moet zeggen want er gebeuren honderd dingen tegelijkertijd. De enige die niet naar zijn woorden moet zoeken is die onnozele papegaai die heel de living onder schijt en die ze, om mij te verrassen, ‘Roger’ hebben leren zeggen. ‘Roger, Roger, Roger…’ roger

Ge zit van al dat gedoe nog naar adem te happen gelijk een vis die uit zijn bokaal gesprongen is en dan gaat de bel. ‘Ik ben niet thuis’, zeg ik tegen Rosa terwijl ze de kamer uitgaat. En twee minuten later komt ze de kamer weer binnen. Haar gezicht: nog witter dan een gesteven laken. Met twee gendarmen achter haar die ineens heel het deurgat vullen. Eerst voelt ge uw maag samentrekken omdat ge denkt dat die uniformen daar staan om u voor de zoveelste keer de boeien om te doen. roger 3

Want ja, er is toch weer Palfium gekocht. Het doosje is dan wel niet aangeroerd maar het is toch gekocht. roger

Maar, ze staan daar voor uw zoon, die gendarmen. Ze leggen hun kepie op tafel, ze vegen met een gestreken zakdoek het zweet uit hun geschoren nek, en ze zeggen dat het hun spijt, maar dat ze moeten komen melden dat ‘de zoon’ gedeserteerd uit het leger. En dat ze de plicht hebben om te komen vragen of wij hem onderdak hebben geboden. Er valt een stilte.

88

Toneelgeruis_8_2b.indd 88

van de velde

18/01/12 09:22


Ik kijk naar Rosa. En Rosa kijkt naar mij. En dan begint die rotvogel te krijsen alsof hij vermoord gaat worden. ‘Roger, Roger, Roger…’ roger 2

Wat zou er gebeuren als ik dat beest Palfium in zijn drinken zou doen? roger 3

Hoe is dat toch mogelijk dat die jongen zo dwaas heeft kunnen zijn om te deserteren? roger 2

Dwaas? Ge hebt zelf meer dan de helft van uw legertijd in ’t cachot gesleten omdat ge geen gezag en geen bevelen verdraagt. Als ge zo laf niet geweest waart, dan waart ge zelf gedeserteerd. roger 3

Laf is ’t juiste woord niet. roger 2

Eigenlijk zoudt ge content moeten zijn dat die jongen doet wat hij doet. Dat ge uzelf in hem herkent. roger 3

Dat is het hem, godverdomme, juist. En dat ge zo’n papegaai zelfs niet van ’t balkon naar beneden kunt smijten want dat rotbeest kan verdomme vliegen. roger

Die gendarmen zijn vertrokken. Alleen omdat de stoelen niet in ’t gelid staan, kunt ge zien dat ze geweest zijn. En omdat het tafelkleed wat verfrommeld is. En Rosa, die zit daar. Een zakdoek in haar vuist. Kaarsrecht, alsof er een stok van een speculaasvent tegen haar rug gehouden wordt. Ze zegt niks. Maar uit haar ogen spreekt alleen maar radeloze wanhoop.

Toneelgeruis_8_2b.indd 89

18/01/12 09:22


roger 2

He who has never hoped can never despair. roger

En dan spreekt ze toch. Met verwijt in haar stem. ‘Hij zal misschien bij uw moeder zitten.’ roger 3

Zij heeft altijd, altijd, geweten dat het mijn moeder was die er, toen ik in de Begijnenstraat of in Merksplas of waar dan ook zat, voor zorgde dat ik aan mijn pillen geraakte. Zij heeft altijd, altijd, geweten dat mijn moeder mij niks kon weigeren. Zij smokkelde de boeken die ik er geschreven had buiten, uit de gevangenis. En mijn moeder smokkelde bij het volgende bezoek de pillen die ik nodig had binnen, in de gevangenis. roger 2

Ze heeft urenlang met mijn moeder gepalaverd, ruziegemaakt is een beter woord, om mij geen pillen meer te bezorgen. Waarschijnlijk had ze gelijk. Enfin, het komt nooit meer goed tussen mijn moeder en Rosa. roger 3

Ze kunnen niet meer door één deurgat omdat ze mij alletwee graag zien. Op een andere manier. roger (tegen rosa)

Meestal moest ik godganse dagen papieren zakken plakken toen ik vast zat. roger 3

De staatsremedie om een verslaafde van zijn verslaving te genezen: papieren zakken plakken met een borstel en witte col. Een fröbelschool. roger (tegen rosa)

Maar in Merksplas heb ik een paar weken wat anders mogen doen. Daar hebben ze mij een paar weken in de drukkerij laten werken.

90

Toneelgeruis_8_2b.indd 90

van de velde

18/01/12 09:22


roger 3

Als ik niet wist dat zo’n beest voor ge het weet een mens zijn vinger kan afbijten, dan draaide ik die papegaai zijn kop om. roger (tegen rosa)

Ik heb daar in de drukkerij van Merksplas achter de rug van iedereen om, ik weet niet hoeveel, misschien wel duizend, blanco doktersvoorschriften gedrukt. roger 2

Ze kijkt mij aan. Haar ogen zijn groot en helder, nu. roger 3

Ze weet dat ik iets beken dat ik nog nooit aan iemand heb bekend. roger 2

Ze laat die zakdoek los. Ze strijkt hem glad Ze legt haar handen in haar schoot. roger (tegen rosa)

Er zitten er in de voering van mijn boekentas. Er zitten er in mijn bureauschuif op de redactie van de gazet. roger 2

En zij zegt: ‘En er liggen er onder het kastpapier in de dressoir.’ roger 3

Zij weet dat. Zij heeft dat altijd geweten. En ze heeft ze daar laten liggen. roger 2

Ik stop ermee, met die pillen. Ik vertel haar alles. Alles. roger

Maar de grote voorraad heb ik in ’t stadspark onder de grond gestoken. Achter een bank aan de vijver. In een plastieken zak.

Toneelgeruis_8_2b.indd 91

18/01/12 09:22


roger 2

En direct die papegaai. ‘Roger, Roger, Roger‌’ roger 3

Die vogel lacht mij vierkant uit. roger 2

Ik sta recht om hem de nek om te draaien. roger 3

En op dat moment komt die jongen binnen. In zijn soldatenkleren. roger 2

Ik heb geroepen en ik had niet mogen roepen. Ik had dat verdomme niet mogen doen. Erik Vlaminck december 2011

92

Toneelgeruis_8_2b.indd 92

van de velde

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 93

18/01/12 09:22


De volgende jaren werkt Bart Meuleman aan een boek met als werktitel Modernisme in Turnhout. Het heeft een eenvoudig onderwerp: hoe geraak je stilaan los van de plek waar je geboren wordt en opgroeit. Toneelg(e)ruis 7 bevatte al een eerste fragment. Nu volgt een tweede. Herinneringen uit het verleden verknopen zich steeds meer met fascinaties in het heden. Of hoe landschap, rivier, schilderkunst en jongensinternaten de weg wijzen naar motieven tot schrijven en regisseren.

Toneelgeruis_8_2b.indd 94

18/01/12 09:22


Dromen Van een andere weg

Toneelgeruis_8_2b.indd 95

18/01/12 09:22


Het is een dorp zonder meer waar ik woon. Alles wat de buitenwereld erover meldt, bijvoorbeeld in de vorm van een zeldzaam krantenbericht, ervaar ik onmiddellijk met enige gêne. Dit verafgelegen middelpunt van de aarde kan niet ter sprake komen zonder een lichte blos op de wangen. Ik weet dat, mocht het me ooit gelukken het aan te leggen met een meisje, het niemand uit onze buurt zal zijn. De meisjes hier zijn zo… ongemanierd. Grof in de mond ook. Ze zien eruit als meisjes, het zijn natuurlijk ook meisjes, met alles erop en eraan, maar ze lijken maar weinig op de ijle droomwezens waar bij verveling overdag mijn gedachten naar uitgaan. Het zou natuurlijk net zo goed kunnen dat ik me ergens in de bossen ga verhangen. Maar voorlopig rijd ik elke dag gedwee naar school, en keer ik elke dag gedwee weer naar huis. Ik ben van deze veilige weg gaan houden als van een saaie vriend. Een kleine prik van geluk iedere dag is het oversteken van de rivier, aan de rand van de dorpskom. Onder een stenen brug vloeit daar bruin, ijzerhoudend water, dat de oernaam de Aa draagt. Er is niets dat meer op een begin lijkt. Iemand met goede benen kan er met één sprong de maat van nemen, maar dan nog sta je maar aan de overkant. De geheimzinnige macht van dit water ligt niet in zijn breedte, maar in het feit dat het, dwars op de weg die wij iedere dag weer moeten nemen, uit een donkere andere tijd tevoorschijn komt en naar een donkere andere tijd weer verder stroomt. Alleen hier, onder deze brug, komt het even aan de oppervlakte van het heden. Slechts een paar honderd meter verderop, richting Turnhout, liep daar tientallen jaren geleden de zoon van de koster in wanhoop rond. Hij stond op het punt in het huwelijk te treden – met een tante van mijn vader – maar had het geld niet om een gezin te stichten. Een erfenis zou redding brengen. Hij lokte de koster naar de oever van het water om met een bijl zijn schedel te splijten. Aan de andere kant, enkele honderden meters terug, ruist de Aa langs het Schildershof, het vroegere landgoed van Albert Sohie. Deze kunstenaar uit Hoeilaart, telg van een schatrijke druiventeler, raakte zo verknocht aan de Kempische heide dat hij de opdracht gaf in het dorp een nieuwerwets kasteeltje te bouwen. Naast een uitgebreide wijnkelder bracht hij er ook zijn atelier in onder, dat met een breed raam uitzicht gaf op een vijver barstensvol waterlelies. Monet zelf had hem als voorbeeld gediend, in Giverny had hij het licht gezien. Vanuit het atelier kon Sohie de vijver schilderen, de tuin, de omliggende velden en de Aa. Maar zoals een echte impressionist waagde hij zich ook buiten. Hij trok met paard en woonwagen, als met een echt mobiel atelier, naar zijn geliefde vergezichten om ze met degelijke streken van het penseel op doek vast te leggen. Sohie is als autodidact een vlijtige leerling gebleken. Op zijn laat-impressionistische doeken staat geen enkele veeg verkeerd. De kleuren en de borsteling brengen wel een zekere verhevigde beleving op de beschouwer over, maar nooit buiten

96

Toneelgeruis_8_2b.indd 96

dromen van een andere weg

18/01/12 09:22


de perken van het verdraaglijke. De kleine kring van kunstminnaars die de gemeente toen kende, heeft Sohie dan ook tamelijk snel in de armen gesloten. Hij zette er zelfs een paar op weg om ook te gaan schilderen. Hij bracht het schilderen als het ware onder de plaatselijke notabelen. Verkopen deed hij niet, hij schonk zijn doeken liever weg. Zoals hij graag iemand op het Schildershof uitnodigde om een goede fles wijn te kraken. Sohie was het soort kunstenaar dat een dorp zoals dit eigenlijk nodig heeft, maar zich meestal alleen maar kan dromen. Zo’n artistiek iemand, die amper spreekt met de mensen, maar hen anders leert kijken naar de schrale grond waarop zij hun leven moeten slijten. Hij kwam daarvoor helemaal uit Hoeilaart. Wie geluk had, kon hem op de heide onder zijn vettige strohoed bezig zien met verf mengen, terwijl hij heimelijk zijn gezwollen voeten in een teil lauw sodawater liet weken. Hij stierf op 54-jarige leeftijd aan een overdadig goed leven. En al schilderde hij in Engeland, al schilderde hij in Frankrijk, het is in de schaduw van onze kerk dat hij ligt begraven. Als ik aan het Schildershof sta, zie ik hoe de Aa verdwijnt in de zachte geseling van ontelbare twijgjes van een treurwilg. Onveranderlijk hangt er een soort schemer, die als donkere damp uit de beek opstijgt. Jonge paartjes die hier halt houden om te kussen, zien de gehoornde monstertjes niet die met happende monden op de bodem in het slijk liggen te wachten. Ik voel mij hier op een vreemde manier thuis. Zoals ik me ook thuis voel als ik in uitgedroogde grachten op zoek ga naar griezelige, spiesvormige paddenstoelen. Nog honderd meter stroomopwaarts liggen dan weer de gemeentelijke voetbalpleinen. Hier komt ‘s zondags het soort volk bijeen waar ik mij ver vandaan houd. Waar de Aa precies ontspringt, blijft voor mij een raadsel. Je moet er waarschijnlijk de grens voor over, naar Noord-Brabant, de streek tussen Reusel en Chaam. Ergens in de natte weidevlakten daar moet een holletje in de grond onophoudelijk een flauw straaltje water spuwen. Als de Aa onze gemeente bereikt, is het een greppel zoals vele. Maar dan gebeurt er iets. Geruisloos dringt ze de Liereman binnen, een woestenij van heide en moeras die zich al eeuwen in dezelfde onherbergzame staat bevindt. Een doornig oord vol gagel en brem. Een lappendeken van kurkdroge repen naaldbos en zompige vennen van plantaardige drek. Schilders trokken er naartoe met hun gerief. Apothekers plukten er voorzichtig zonnedauw. Dr. Smagghe joeg er oude paarden de poelen in om er bloedzuigers op te kweken. En de blonde Leo L., mooiste jongen van het dorp en Jezus in de processie, lag er met een dodelijke wond in de borst op een bed van droge sparrennaalden, het geweer nog in de bomen, nadat hij een tijdlang omgang had met een zigeuner. Als er geen sportvliegtuig in de lucht hangt, regeert hier, nee, niet de stilte, dat is een dwaze misvatting van stadsvolk. Het ruist hier, het zoemt, kraakt en knistert hier. Donzige

Toneelgeruis_8_2b.indd 97

18/01/12 09:22


hommels en metallieke libellen snorren door de hitte. Sprinkhanen wrijven de achterpoten op hun rasperige onderlijf. Bosmuizen ritselen in de zegge. Vinken boren met hun fluiten door mijn trommelvlies. En heel af en toe hoor ik de rauwe kreet van een blauwe kiekendief. Alleen de dazen komen en gaan hier in volstrekte stilte. In de winter, als er sneeuw ligt en de moerassen zijn toegevroren, zie ik met de ogen dicht de allerlaatste wolharige neushoorn op zijn geharnaste poten door het ijs zakken. Als de Aa weer uit de Liereman tevoorschijn komt, heeft ze karakter opgedaan. Ze weet waar ze geweest is. Niemand moet haar nog iets wijsmaken. Ze schuift zich verder door licht glooiende weiden en velden, traag op weg naar de bewoonde wereld. Haast ondenkbaar is het dat de immense preutse vlakte die de Kempen zijn, sensuele welvingen kent. Nochtans, wie hier naar de horizon kijkt, moet verwonderd vaststellen dat hij golft. Een beetje, maar hij golft. Het is geen vergissing van het luie oog. Dat maakt de heuvel zo charmant: hij onttrekt aan het zicht wat erachter ligt. Hij laat zoveel aan de kunst van het raden over. En al is er van een heuvel niet echt sprake, al zie ik niets meer dan een achteloze kromming van de kim, het is de Aa, en zij alleen, die ons dit voorzichtige genot toespeelt. Maar voor ze zich in een decadent manoeuvre laat afdrijven naar de bewoonde wereld, stroomt ze nog rakelings langs de Broederspleinen. Die Broederspleinen zijn twee met naaldbomen omzoomde zandvlakten. Als ze er verlaten bijliggen, kunnen ze een misleidende indruk geven. Dan lijken het stoffige uitlopers van een geheim strafkamp. Je gaat het verkeerde denken als je bij somber weer die witte, ijzeren doelpalen ziet, half verroest al, waar een paar eindjes van een koorden net aan bungelen. Eenzame mannen wandelen hier naartoe om er vlak voor het donker hun hond uit te laten en met één scherp fluitsignaal te testen of ze het dier nog meester zijn. Als kind moet je hier niet zijn ’s avonds. Als de zon schijnt daarentegen! Hier trok de voltallige gemeentelijke jongensschool op stralende meidagen naartoe om er te voetballen tegen die van Oosthoven. Jongens uit een gehucht in het noorden die, omdat ze uit een gehucht kwamen, uiteraard minder waren dan wij. Wij kwamen van het centrum. Van hen verliezen wekte vooral verontwaardiging – hoe is het mogelijk – maar joelend op weg naar de pleinen was dat nog ondenkbaar. Oosthoven-in-de-soep. Oud-Turnhout-die-eet-ze-oep. Oosthoven-in-desoep. Oud-Turnhout-die-eet-ze-oep. Scanderen maakte de tocht erheen prettig, zelfs opwindend. Bij een eerste lijfelijk treffen met die van Oosthoven trok de minachting als een giftige gloed naar het hart. Later, tijdens de matchen, leek het allemaal te luwen. Toch voor mij, die voor voetbal maar matige interesse had en zich liever ophield aan de rand van het zandvlak of zelfs in het donker onder de bomen, op zoek naar wondere maaksels

98

Toneelgeruis_8_2b.indd 98

dromen van een andere weg

18/01/12 09:22


van de natuur. Ik vond ook wat. Het hoedje van een eikel. De schedel van een konijn. Tientallen jaren geleden, nog voor de Eerste Wereldoorlog, loopt hier op een dag een bleke, in een al te ruw schoolpak gestoken jongen. Eigenlijk is hij te zwak, te bros voor zo’n lange mars. Dat weten we uit zijn geschriften. Onder het wakende oog van surveillanten in lange rokken zijn de jongens van het strenge instituut in de provinciestad naar dit voorgeborchte van de woeste heide getrokken. Aanvankelijk lopen ze in rijen, maar één keer buiten de stad ontbinden de surveillanten de troepen in een losse meute. Er hangt onweer in de lucht. Tenger als hij is behoort zo’n knaap tot de gedroomde prooien voor pesterijen, maar zijn beste vriend is de stoerste jongen van de klas. Zwijgend lopen ze naast elkaar. Olivier Bloem, zo noemt de tengere jongen zijn vriend in zijn geschriften. Hij heeft hem ingewijd in even onzinnige als duistere jongensrituelen. Zo plantten ze samen een stok in het zand, met een blad uit het cahier van de tengere knaap, waar met potlood de mysterieuze beginletters van hun voornamen op staan. Ze wierpen een papier in een waterpoel, als een vaarwel, een bitter geslaakte klacht vanuit hun slavernij. Ook zagen ze samen een herder met zijn kudde schapen die eigenlijk nergens naartoe wou en bleef dwalen over de heide, zoals de wind, de regen en het stof. Ze ontdekten een wrak woonwagentje in een dreef, een mager paard, een hond, emmers, ketels en drogend wasgoed. Zelfs van de kleinste voorvallen uit zijn jongensjaren weet de schrijver later gloeiende geheimen te smeden. Het is zijn zoektocht naar het verloren paradijs. Maar die dag, in groep op weg naar de heide, beleeft hij een avontuur dat veeleer aan het einde der tijden doet denken. Een lucht met dreigende wolkengebergten is inmiddels komen opzetten, en daaronder waaien doorzichtige nevelflarden, als schoorsteenrook. Hoog in de lucht nadert een sterk metalen geruis. Plotseling slaat een nijdige, dichte regen op de troepen neer. Het is angstwekkend donker geworden, als in een zonderlinge nacht, waar de stalen regen door glinstert en ruist. De bende slaat verschrikt op de vlucht. De een stormt de ander achterna, de bossen tegemoet. Onder de dennen wordt de striemende slag van de regen door de kruinen gebroken, en niemand die nog luistert naar luide en strenge bevelen van de surveillanten. Dan ontlaadt het onweer zich in een krakende donderslag. Het bos staat een paar seconden in een verblindend licht. In paniek stuiven de jongens in alle richtingen uiteen, als wegschietend kiezel. Nu begint het zwaar, en als het ware met opzettelijke traagheid te regenen. De kap over het hoofd, voorovergebogen, zwerven ze door het bos, tot ze een bosrand bereiken en er een uitgestrekt, doezelig-grauw weiland voor hen opduikt. Runderen liggen er in de plassende zondvloed neergevlijd. Met een ruk keren de voorste jongens zich om, terug het bos in. Er ontstaat een gewarrel van woest tegen elkaar aanbotsende lijven. De surveillanten schreeuwen boven het onweer uit en spannen zich wanhopig in om de jongens van onder de bomen op de

Toneelgeruis_8_2b.indd 99

18/01/12 09:22


open weide te krijgen. maar de jongens, in woede ontstoken, gaan tekeer alsof er een oproer is uitgebroken. Enkele weren zich hardnekkig en in een razende jacht scheiden ze zich af van de hoofdgroep, die hulpeloos in de weide is terechtgekomen om daar zonder wil het ergste af te wachten. Een surveillant snelt de weglopers achterna en weldra zijn zij uit het zicht verdwenen. De regenvlaag neemt af in geweld. Een rosse bliksemschicht scheurt voor het laatst de wolken open. De jongens en hun bewakers staan door overstroomde weilanden ingesloten, hand in hand vormen ze een ketting en moeten ze door het water waden. De hele tijd is Bloem geen stap van de zijde van de tengere knaap geweken. Zijn arm ligt rustig en beschermend om diens schouder. Eindelijk kunnen ze de thuismars aanvangen, met loodzware modderschoenen, koortsig als verslagenen. ‘s Nachts, in zijn slaapvertrek, laat hij het tuimelraampje open, om naar de vage, verwarde geruchten van de kleine, slapende stad te kunnen luisteren. Ieder half uur hoort hij zo de torenwachter op zijn hoorn blazen. Hij denkt aan het stadswapen met het springende hert, op de muren van de toneelzaal. Hij droomt van romantische landschappen en voelt de kou door zijn nachtgoed zijgen. Bedroefd verlangt hij naar huis, naar Antwerpen. Maar daar wenkt met een grijns de ochtend al, die hem als een slaperige automaat doet opstaan, zich wassen, naar de kapel gaan, in de eetzaal een karig ontbijt nemen, en hem streng op tijd naar het leslokaal stuurt, over de afgesleten gele tegels van de schoolkoer. Maurice Gilliams heeft maar één jaar doorgebracht op het internaat van het Sint-Victorinstituut, een neogotische burcht van de Broeders van Liefde. We weten dat hij er ongelukkig was, dat hij zich tussen het ruwe onopgevoede volk dat hier school liep ver van zijne moeder voelde. Dat weten we uit zijn geschriften. We kunnen er vaagweg over lezen in ‘Elseneur of het noodweer der spreeuwen’, een onvoltooid fragment dat in het verzamelde werk staat afgedrukt. Maar in ‘Monsieur Albéric’, een verhaal uit Gilliams’ sublieme debuut, Oefentocht in het luchtledige, worden de aanwijzingen naar Sint-Victor bijna tastbaar. Het was het stadswapen met het springende hert dat mij een licht deed opgaan. Dat kon alleen het wapen van Turnhout zijn. Zou hij op dezelfde school hebben gezeten als ik? Het bakstenen monster waar ik een slepende koppijn en een al te vroege moeheid voor het dagelijks leven had ontwikkeld? Of zat hij op Sint-Jozef, bij de jezuïeten? Echt op onderzoek ben ik na dat eerste vermoeden niet gegaan, ik had er de wroetende geest niet voor. Tot een oud-leraar geschiedenis van het instituut zich het bestaan herinnerde van de echte ‘monsieur Albéric’: volgens Gilliams een gekwelde, naar leverworst en look ruikende, blinde muziekleraar, die op een onhandige manier de intimiteit zocht die hij in zijn leven zo miste. Op ziekmakende momenten, alleen met een van zijn pupillen in het pavillon de musique, toonde hij wat er achter zijn zwarte bril met gevlochten kleppen van zilverdraad zat. Twee karmijnen streepjes, als steekwonden van een lans, zonder oogappel meer, zonder

100

Toneelgeruis_8_2b.indd 100

dromen van een andere weg

18/01/12 09:22


leven dan een zenuwachtig bewegen van de op elkaar gedrukte, vochtige oogranden. Hij toonde zijn ogen enkel aan zijn lievelingen. Maurice Gilliams was zo’n lieveling. Voelde ik me door ons gedeelde verleden op deze school verbonden met Gilliams? Was ik verwant met hem, omdat ons beider schoenzolen zich aan dezelfde gele tegels hebben gesleten? Als hij zich per koets door zijn moeder naar dit op verre zandgronden weggestoken instituut laat brengen, voelt het alsof hij moet afdalen in een boertige onderwereld. Hij heeft hier zijn niveau niet. Gilliams zou niet de eerste, en zeker niet de laatste zijn voor wie Turnhout een verbanningsoord werd. Wat was zijn misdaad? Een week zenuwstelsel? Een fabulerende natuur? Gilliams was een jongen die aan verhevigde gewaarwordingen leed. Misschien moest dit overgevoelige kind – en kind is hij in zekere zin altijd gebleven – in een uithoek wat eelt op de ziel leren kweken. Hij dacht en zag als door koorts bevangen, en die gloeiende werkelijkheidsbeleving stolt hij later in een even rijke als effectieve schrijfstijl. In zijn taal wordt geen armoede geleden, het is niet de taal van de streekroman, maar ze leeft ook zuiniger dan bijvoorbeeld de barok van Van de Woestijne. Zijn taal heeft een economische kuur ondergaan, de negentiende eeuw is definitief voorbij. Het interbellum regeert. De stad klinkt erin door. Alle smacht naar het verleden ten spijt, spreekt in zijn taal de moderniteit. De telefoon verstoort er de huiselijke stilte en de tram doorklieft er de zondagsrust. Maar elektriciteit ziet Gilliams niet zomaar als een zegen. De vooruitgang is een machine die leeft van de vernietiging, zoals ook Walter Benjamin en Paul Klee wel wisten. Tegen wil en dank is Gilliams daarom getuige, niet van het verleden, maar van zijn eigen ongemakkelijke tijd. Bij een eerste kennismaking met Gilliams, lang geleden, miskeek ik mij op de wat ik toen oubollige stijl vond. Van mijne moeder heb ik het onverdedigbaar gevoel voor stemmingen, dat was de eerste zin die ik van hem las, en die verweking van het bezittelijk voornaamwoord stond mij al dadelijk tegen. Een woord als stemmingen verdroeg ik niet. Ik was juist op zoek naar robuuste vormen, onwrikbare toestanden. Toch moet ik de kracht van de stijl al onmerkbaar hebben gevoeld, want ik nam het boekje opnieuw ter hand. Wat eerst week en flauw scheen, bleek bij herlezing in onverwoestbare zinnen gevat. Zoals ijle vegen van het penseel onder een stevig vernis kunnen uitharden. Dus toch robuuste vormen. Ik had ze niet direct herkend. Oefentocht in het luchtledige groeide uit tot een belangrijke bron van inspiratie, zo zeer dat ik niet zonder hoogmoed dacht er ooit eens theater van te maken. Op korte tijd las ik het merendeel van wat Gilliams bij leven gepubliceerd had, maar niets deed mij zo naar adem happen als zijn debuut. Het waren schetsen, amper hoofdstukken, waarin hij met grote, nauwgezette passen doorheen zijn kinder- en jeugdjaren

Toneelgeruis_8_2b.indd 101

18/01/12 09:22


102

Toneelgeruis_8_2b.indd 102

dromen van een andere weg

18/01/12 09:22


Š Zandweg in de Liereman - door A. Sohie

Toneelgeruis_8_2b.indd 103

18/01/12 09:22


hinkelde, telkens gericht op een gebeurtenis die als brandplek zijn ziel had geschroeid. Maar wat had ik ermee? Hoe kon ik mij vereenzelvigen met dit overbeschermde leven? Het sleepte het gewicht en de verwachtingen mee van een oude, misschien wel adellijke stamboom, waarvan Gilliams de laatste, inmiddels verwelkende tak bleek. Dat lag bij mij wel enigszins anders. Door het speurwerk van een vlijtige neef had ik eens een blik kunnen werpen op mijn eigen afstamming. Ik kreeg te zien dat ik langs moederszijde voortkwam uit een roemloze kweek van keuterboeren en timmermannen in de driehoek Turnhout-Retie-Kasterlee. Begin twintigste eeuw zat er al eens een schoolmeester tussen, maar de meeste mannen werkten toen in de fabriek. Geen benijdenswaardige positie op dat moment, maar toch de kiem voor een beter leven. Voor de nazaten dan. In Gregoria, het griezelige verslag van zijn eerste huwelijk, mijmert Gilliams op de laatste pagina over zijn kinderjaren en het familiedomein waarin hij die doorbracht, een ‘kasteel’ in Schilde. En hij beseft: “Het kasteel uit mijn kinder- en jongelingsjaren bestaat niet meer. Thans is het landgoed aan alle kanten bebouwd met kleine, nederige woningen waarin de vijanden van mijn verleden geboren worden en sterven.” Ik ben zo’n vijand van dat verleden. Ik ben een rechtstreeks product van het stemrecht en de schoolplicht. Het is mijn soort die het al dan niet gefabuleerde verleden van Gilliams met de voeten vertrappelde. Koen Peeters schreef daar mooi over in zijn roman Acacialaan. Hij laat het domein uit Gilliams’ geschriften letterlijk ‘verkavelen’ en schuift ons zo achteloos de vraag toe: waaraan hebben we nu het meeste? Aan de verzonnen nostalgie van een verwaande kasteelheer? Of aan de verwezenlijkingen van een maatschappij waaraan we onze diploma’s hebben te danken? Waarom verbeeldde ik mij liever de donkere, wild uitgestrekte tuin van een ander, dan dat ik echt liep over ons eigen stukje gazon? Had Boon mij niet beter moeten liggen? Of Walter Van den Broeck? Van de wereld van Gilliams heb ik hooguit een glimp kunnen opvangen, toen ik bij mijn moeder achterop op de fiets door de Kerkstraat reed, de enige straat in ons dorp met losstaande burgerhuizen en hun weelderige achtertuinen. Toen kon ik voelen dat er een andere, hogere wereld bestond dan de onze. Weerspiegeld in de hoogte van die huizen, in de hoogte van hun plafonds. Toegegeven, kattenpis in vergelijking met de architectuur die Gilliams oproept. Zijn kasteel. Maar toch. Als dit dorp de idee Gilliams ergens een onderdak zou moeten bieden, dan zou alleen de Kerkstraat zich kunnen kwalificeren. Of het Schildershof van Sohie natuurlijk, op een steenworp van de Kerkstraat. Hier voorbijkomen, hier met de fiets rijden heeft me vaak doen huiveren. Dat ik hier thuishoorde, was ondenkbaar. Maar dat ik hier af en toe moest komen, om mij door een Ander Leven te laten aanraken, was noodzakelijk. De irreële, soms in een ziekelijke verbeelding bewaarde wereld van Gilliams kon op geen enkele manier ooit de mijne zijn. Meer nog:

104

Toneelgeruis_8_2b.indd 104

dromen van een andere weg

18/01/12 09:22


ik had geen enkele reden om naar deze wereld te verlangen. Ik heb ook nooit echt naar deze wereld verlangd. Maar wat ik in Gilliams aanvoelde – nog voor ik het herkende – was het bevechten van een eigen plek. Het inrichten van een eigen, verduisterde kamer, met een heimelijke voorliefde voor spookachtige schijnsels op de muren. En de schrijver zelf in bed, tussen onmenselijk stijve lakens. Hoogmoedig en kwetsbaar. Giftig en week. Een nukkig kind dat altijd ziek is. Dat trok mij aan: een manier van doen verdedigen die mijn omgeving vijandig scheen. In een licht zelfvernietigende neiging. Omdat ik te vaak ergens was waar ik amper wou zijn. Ik kon slecht tegen mijn eigen omstandigheden. Van Gilliams houden had voor mij daarom iets kwellends. Het was onbevredigend. Irrationeel. Tegen beter weten in. Hem verdedigen tegen de luide opvattingen van alledag, had iets dwars. Zijn wereld, waarin men zich in schaduwen geborgen weet, barst van de leugens en is een en al pose. Misschien was mijn verdediging van Gilliams ook een halve leugen. Of toch deels een pose. Ze vindt haar grond in een oprecht aanvoelen, maar er wordt, vanuit een al te groot zelfbewustzijn, nog een schep bovenop gedaan. Alsof ze niet anders dan geacteerd kan zijn. Wie Gilliams per se wil verdedigen, speelt na een tijd en zonder het te weten, daarom zelf misschien komedie. Daar vroeg of laat achterkomen, is voor sommigen nefast gebleken. Gilliams blijkt vaak een auteur waarmee men eerst dweept en die men later afvallig wordt. Men zet hem dan bij in het graf van de jeugdzonden. Samen met hem dacht men op zoek te zijn naar een diepe, oude waarheid, maar men lichtte alleen maar het deksel van een muffe put. Mij heeft dat nooit gestoord, die pose, die mythe, die leugen. Meer dan de waarheid interesseerde mij de magie van het moment. Die magie zat hem in de stijl. En stijl vergt pose. Gilliams kon het zo neerschrijven dat het misschien niet helemaal strookte met de regels van de feitelijkheid, maar een paar tellen lang alleszins kon betoveren. Zonder waarde was die betovering niet. Ze leerde me dat men zijn eigen leven zo kon schikken en schrijven dat het voornamer werd dan het leek. Het had door het schikken en schrijven betekenis gekregen. De Aa oversteken op weg naar school maakt een vaag verlangen in mij los. De Aa oversteken van school weer naar huis, uren later, maakt het niets in me los. ‘s Ochtends ben ik ouder dan ‘s avonds. Bart Meuleman december 2011 (schuingedrukte delen zijn overgenomen uit het verhaal ‘Monsieur Albéric’, uit Oefentocht in het luchtledige, van Maurice Gilliams.)

Toneelgeruis_8_2b.indd 105

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 106

18/01/12 09:22


ONVOLTOOID VERLEDEN In 2007 maakte Olympique Dramatique samen met Guy Cassiers een theaterbewerking van De geruchten, de succesroman van Hugo Claus uit 1996. In 1998 kwam Claus met het vervolg Onvoltooid verleden. We zijn een paar decennia verder, ver weg van het dorp Alegem en in de grootstad. Draaide in De geruchten alles nog rond René Catrysse, dan staat nu zijn broer Noël centraal. Noël Catrysse, die na een val tijdens zijn jeugd nooit meer de oude geworden is, wordt op eigen verzoek ondervraagd door ex-commissaris Blaute. Wat volgt, is het rauwe relaas van een gehavende en vermaledijde ziel. Tom Dewispelaere bewerkte de tekst, en zet hem dit voorjaar samen met Jan Decleir op de planken. Een fragment.

Toneelgeruis_8_2b.indd 107

18/01/12 09:22


noël

’s Avonds liep ik naar de Eksterstraat nummer veertien. Dekerpel zijn Citroën stond in de straat. In zijn voortuin zat zijn dochtertje te spelen. Ik dacht eraan haar mee te nemen. Ik heb er ook aan gedacht zijn garage in brand te steken. Ik moest er nog een nachtje over slapen. Maar ik sliep al de hele dag, om elf uur, om drie uur ’s middags, om zeven uur ’s avonds bij het Rad van Fortuin. En ’s nachts lag ik in mijn slaap te wachten op de doggen. blaute

Hoe dikwijls zijt ge naar het huis van Patrick Dekerpel gegaan? noël

Wat kan u het schelen? blaute

Het kan van belang zijn als ‘voorbedachten rade’ ter sprake komt. noël

Vier keer. Elke keer kwam ik dichterbij. De vierde keer tot vlak bij de veranda. Ik kon het meisje zien zitten in haar pyjama met een walkman op haar oren. Haar moeder speelde scrabble in haar eentje. Dekerpel las de gazet. Hij keek zelfs heel even in mijn richting alhoewel ik geen geluid had gemaakt. blaute

Hebt ge daarover gepraat met Judith Latifa? noël

Toen niet. Ik zag haar niet meer. blaute

Waar was zij ? noël

Ze was bij haar Mohammed. Ik miste haar soms een beetje. Als het donker werd meestal. Toen kwam ze, ik sliep toen ze aanbelde. Zes, zeven keer. Daar was ze. Ik schaamde mij voor de rommel in huis. blaute

Vroegt ge u nooit af waarom Judith Latifa u kwam opzoeken? noël

Neen.

108

Toneelgeruis_8_2b.indd 108

onvoltooid verleden

18/01/12 09:22


blaute

Vondt ge dat niet raar dat zij zo in één keer vanuit haar Algerijnse woestijn achter u aan liep? noël

Ik heb raarder dingen meegemaakt. Ik wist dat Judith de dochter was van Nedjma die in de Bar Tricky gewerkt heeft tot ze door de autoriteiten ons land is uitgezet. En dat Judith van jongs af aan in een kostschool is opgegroeid. Tot zij met haar moeder naar Algerije is teruggekeerd. Vandaar dat zij zo goed haar talen sprak. Wat zij van mij wilde? Ik wilde het niet weten. En ik wil ook niet dat ge het mij zegt. Ik ben aan het woord. Gij niet. blaute

Dat was de afspraak. noël

De dag dat ze mij wakker maakte, had ze een wit broekpak aan. We dronken porto. Ik voelde mij ongemakkelijk. Ik had het gevoel dat ik iets belangrijks vergeten was dat niet meer terug te halen was. Ge zijt een rijke vrouw nu. Gaat ge nu in Bar Tricky wonen? Ze ging alles verkopen. Ze had al een advertentie geplaatst. De notaris had haar geholpen met het opstellen. Ze zei dat ze hem haatte. Maar dat ging ze mij nog wel eens vertellen als de tijd rijp was. Dan heeft ze zich mooi gemaakt voor mij. Haar haar gekamd met de borstel van mijn verdwenen vrouw. Ze zei dat ze geld had gekregen van de notaris en dat ze de helft ervan aan haar Mohammed had gegeven. blaute

Over hoeveel geld ging het? Heeft notaris Albrecht het als een voorschot gegeven? noël

Dat zei ze niet. Ik heb wel een dik pak briefjes van duizend gezien in haar sacoche toen ze kleren voor mij heeft gekocht. blaute

Diezelfde dag? noël

Ge zijt ne viezerik zei ze. We zijn de stad ingegaan en ze heeft voor mij een grijs pak gekocht, een hemd, een T-shirt. In een winkel waar ik nooit zou durven binnengaan. Het was tweed hoorde ik. En zij betaalde alles. Ik vertelde haar over mijn ontslag en over Dekerpel die een misdadiger was. Ik zou haar er meer over vertellen eenmaal hij zijn straf had ondergaan. Over boekhandel Felix, over Vanneste, Kareltje,

Toneelgeruis_8_2b.indd 109

18/01/12 09:22


Rita. Ik wou haar op de hoogte brengen van de verdwenen jonge meisjes, haar zeggen dat als die zaken niet opgelost werden, zich dat kon uitbreiden over heel het land. Maar haar kop stond er niet naar. Babbelend kwamen we op de Korenmarkt, in de verte zag ik de neonreclame van de zaak. Ik had schrik dat Dekerpel of Vanneste mij zouden zien. Maar Judith zei dat zij hén wel eens wou zien. Wie we daar hebben, zei Dekerpel, een mens zou geld geven om u te zien. Een waardig stofje, zei hij. Armani? Ik zeg neen, dat is Schotse tweed. Straks draagt ge nog een kilt zei hij, zonder onderbroek maar wel met doedelzak. Judith pakte een van de wereldbollen uit de etalage en stampte hem als een voetbal tot vanachter in de zaak. Vanneste dreigde ermee de politie te bellen, maar Judith heeft de wereldbol gewoon betaald. Ze vroeg of ze geen korting kreeg. Of er een cadeaupapier rond moest, zei Vanneste. Ik zeg doe hem maar cadeau aan de meisjes. Welke meisjes? Judith nam mijn arm en we liepen naar buiten. Dan zijn we een wafel gaan eten op de Korenmarkt. Ik wou haar vertellen dat ik het moeilijk had met wat waar was en wat niet en dat vrouwen daar blijkbaar minder last van hadden. Ik wou zoveel vertellen. Ze bleef mij aanstaren, ze luisterde niet. Ze zocht naar iets anders in mij. Daarom was ik blij dat ze naar de wc ging. Ze ging naar de wc dacht ik, maar ze kwam niet terug. Ik wachtte. Het werd donker. Ik ben naar huis gegaan en ik heb twee boterhammen met spek gegeten en een pils of zes gedronken. Ik keek soms een half uur naar Flora het polaroidmeisje. Soms schoof ik over haar gezicht dat van Judith. Dat deed ik niet lang. Het is gevaarlijk om dit te doen. Moeder zei vroeger dat als ik scheel keek, het zou kunnen gebeuren dat ik mijn ogen niet meer recht kreeg, dat ik verder door het leven zou gaan als schele. Op tv lieten ze een zwart-witfoto zien van een meisje met witblonde schaapskrulletjes dat glimlachte, met een hamster tegen haar wang. Ik belde de politie. Ik zei dat ik Odilon de Mesmaker was en dat een man, Patrick Dekerpel geheten, meer wist over de verdwijning van het meisje. Zijn adres staat in het telefoonboek. De agente zei dat ik best even langs kon komen. Ik zeg dat gaat niet omwille van familieomstandigheden. Omdat de politie kan natrekken van waar ge belt als ge maar lang genoeg babbelt, heb ik neergelegd. Ik herinnerde mij dat Dekerpel vertelde over liefdesgeschiedenissen, dronkenmanspartijen en uit de hand gelopen verjaardagsfeestjes in Oostende waar hij een appartement had en waar hij soms voor het weekend naartoe ging. En omdat Judith mij had verteld dat hare Mohammed in Oostende verbleef dacht ik twee vliegen in één klap dood te slaan. Ik ging erheen met de trein, zodat ze het nummer van mijn auto niet zouden kunnen noteren. blaute

Om wat te doen?

110

Toneelgeruis_8_2b.indd 110

onvoltooid verleden

18/01/12 09:22


Š Tom Liekens / jespers & Maelfeyt

Toneelgeruis_8_2b.indd 111

18/01/12 09:22


noël

Dat weet ik niet meer. blaute

Stel dat ge daar Judith Latifa hadt ontmoet, in Oostende. Wat hadt ge dan gedaan? noël

Haar een kus geven. Op haar nek. blaute

En als ge Patrick Dekerpel waart tegengekomen? noël

In de aangedampte ruit van de trein schoof ik af en toe het hoofd van Dekerpel over mijn eigen doorschijnend gezicht. Het maakte mij bang. Ik ben op een terras gaan zitten op de kaai. Ik beeldde mij in dat Dekerpel mij met een verrekijker in het oog hield ergens vanuit een appartement. Dat hij mij heel scherp kon zien frieten eten met mayonaise, dat hij de pukkels op mijn wang zag. En dat hij dan zijn verrekijker zwenkte naar de meisjes die voorbij rolschaatsten. Dan ben ik beginnen wandelen. Ik liep door Oostende alsof ik een trein moest halen. Bij de renbaan speelden kinderen minigolf. Ik bleef niet lang kijken want de vaders en moeders loerden naar mij alsof ze mij herkenden. Ik ben teruggegaan. Ik ging naar café Finefleur omdat ik Kareltje miste. Het was een uur of zes. Roland de baas verschoot toen hij mij zag. En Kareltje zei: Roland geeft deze chique vent een druppeltje. Kareltje vertelde dat ze serieus van hun apropos waren in de zaak toen ik binnenkwam met dat hoerenjong. Dat mag ik toch zeggen over uw vriendin, zei Kareltje. Hij had het niet beter kunnen zeggen. Haar moeder Nedjma was een hoer in Bar Tricky. Bij een zwarte krijg ik hem niet recht zei Roland. We bleven elkaar trakteren. Kareltje zei dat Dekerpel er heel onverzorgd bijliep de laatste tijd. Ik zeg dat is van de wroeging om wat hij gedaan heeft en nog zal doen. Moet er gerechtigheid zijn of niet? Mijn broer, waar hij ook is, roept het mij, dat er gerechtigheid moet zijn, mijn broer in mijn armen zegt het: gij, Noël, gij zijt mijn bewaker en daarom mijn gegijzelde. Ik sla er nu misschien ver naast, maar toch is het zo. Ik ben zoals ons moeder die ook raaskalde, meer en meer naarmate zij stierf, in het Duits. Ik wou naar notaris Albrecht gaan om mijn dierenboeken aan hem te verkopen. Hij was er toch jaloers op. Maar Alegem maakte mij treurig. Ik zei tegen mezelf: ge kunt op geen drie hazen tegelijk jagen. blaute

Drie?

112

Toneelgeruis_8_2b.indd 112

onvoltooid verleden

18/01/12 09:22


noël

Judith, de notaris en Dekerpel. blaute

En ge koos voor Dekerpel. noël

Zijn vrouw zat samen met haar zuster in Engeland. Dat leek mij een voorteken. Ik had mijn regenjas al aan om naar zijn huis te stappen en eindelijk tot handelen over te gaan. Maar wie stond er om tien uur ’s avonds voor mijn deur? Ik zeg kom binnen mijnheer Dekerpel, wat zal het voor u zijn, een potje koffie of een druppelke, ik heb ook nog Duvel in huis. Hij moest niks hebben. Hij zat op de rand van de sofa, zijn voeten schoon naast elkaar. Zijn lichtgrijze sokjes waren nat, zij spanden rond zijn schrale witte enkels. Ik kreeg medelijden met die voeten. Ik zal het recht in uw gezicht zeggen zei hij. Dat ge een man alleen zijt, en uw vrouw weg is, en dat ge hier in uw eentje zit te kniezen, daar heb ik alle begrip voor, maar mijn vrouw komen begluren dat gaat te ver. Dat ge eens onder de mensen wilt komen, dat wordt u niet misgund. Wij hebben altijd ons best gedaan in de winkel om het u aangenaam te maken. In om het even welke andere zaak hadt ge al lang een sjot onder uw gat gekregen. Zegt uw vrouw dat, zei ik. Ik ga hier niet over discussiëren broer. Ik zeg ik ben uw broer niet. Neen ge zijt de broer van het uitschot dat al die doden op zijn geweten heeft in Afrika. Hij lachte. Ik begon te gloeien. Ik wou het hebben over de meisjes. Welke meisjes zei hij, waar? Wie? Wanneer? Ik gunde hem geen tijd meer om te verzinnen of om uit te leggen. Ik trok hem met één hand uit de sofa, en mijn rechtervoet schoot recht in zijn ballen. Hij greep mijn kleren vast. Neen zei ik. Ik sloeg zijn polsen weg. Ik veranderde in René, mijn lichaam werd slank, zenuwachtig, ik stootte mijn voorhoofd tegen Dekerpels neus, hij kraakte, bloed gutste in zijn mond. Ik deed een stap achteruit en was mijn broer niet meer. Ik weet niet wat ik ben. Dekerpel hield een zakdoek voor zijn neus. Ik duwde hem in de sofa. Alstublieft zei hij, ik zal niks aan mijn vrouw vertellen. Ik heb u gewaarschuwd zei ik. Ge hebt mijn brief naast u neergelegd. Ge hebt hem gewoon weggesmeten. Terwijl ik dat zei gleed ik in een onbekend, glibberig gebied. blaute

Het bloed op de vloer bedoelt ge? noël

In bloedige modder. Op het moerassig terrein van God Almachtig, een plek waar ik heen geleid werd en waar men mij deed uitglijden, als op een tandem die uiteenspat onder uw zadel.

Toneelgeruis_8_2b.indd 113

18/01/12 09:22


blaute

Ik begrijp hier niks van. noël

Geeft niet. Ik zag hem naar de deur loeren, kansen berekenen, koel en wreed als bij de meisjes in zijn macht. Ik ging naar de keuken. Ik nam een mes uit de schuif, van in de tijd dat ik op de Veemarkt werkte. Hij zag het. Vergiffenis brabbelde hij. Onze Vader die in de hemelen zijt. Geloof het of niet maar op hetzelfde moment begonnen ook mijn buren met hun hitsig jammerklagen. blaute

Ik geloof het. noël

En leid ons niet in bekoring zei hij en ik stak de punt van het mes in zijn linkeroog, hij begon te brullen en ik stak de lekkende bloedende zakdoek in zijn keel. Hij wou weg. Ik stopte het mes dieper. Hij liep twee passen naar links, twee passen naar rechts. Hij gromde. Een beetje wraak is menselijker dan geen wraak. Ik vroeg of hij het daarmee eens was, maar hij was flauwgevallen. Hij had erom gevraagd. Ik rukte het mes uit de holte. Caramel kwam binnengewandeld en likte aan het bloed. blaute

Ik dacht dat die kat met Alice was meegegaan. noël

Juist. Dat is waar. Ge hebt gelijk, de kat was er toen niet. blaute

En toen? noël

Toen kwam het ogenblik waarop ik had gewacht. Waarop de ziel zijn huls verlaat. blaute

Ge slaagt het een en ander over. noël

Ja. blaute

Ga verder.

114

Toneelgeruis_8_2b.indd 114

onvoltooid verleden

18/01/12 09:22


noël

Neen. blaute

Kwam hij weer tot bewustzijn? noël

Ja. Hij deed zijn rechteroog open. Hij weende. En hij stierf. Ik maakte een kruisje op zijn rood voorhoofd. Ik likte mijn duim af. Het bloed smaakte zoet. Ik hield mijn duim onder de kraan in de keuken. blaute

Ge ontwijkt het beslissende moment. noël

Ik wou dat ik het opgenomen had met een videocamera. Dan hadt ge het kunnen zien. Hij heeft niet langer afgezien dan nodig. Vergeet niet dat ik op de Veemarkt heb gewerkt. blaute

Ga verder. noël

Ik ben naar mijn werkkot gegaan vanachter in de tuin om mijn ijzerzaag te halen. blaute

En de plastic zakken. noël

Ja. blaute

Hoeveel zakken? noël

Zoveel er nodig waren. Ik heb wel eerst een plastic zeil over de linoleum gelegd. blaute

Alle zakken kwamen uit de Kantoorboekhandel Felix ?` noël

Ja. Waar zou ik ze anders gehaald hebben? Ik heb mij gehaast, voor het geval Judith zou aanbellen. Ik heb de zakken in de gang gezet en de kamer gedweild.

Toneelgeruis_8_2b.indd 115

18/01/12 09:22


blaute

Voor die tijd hebt ge nog iets anders gedaan. Met Dekerpel bedoel ik. noël

Ik heb hem uitgekleed. Hij had donkerbruine armen, de rest was spierwit. Zoals bij de coureurs. Nooit gedacht dat hij fietste. Aan de zee misschien. Met de meisjes. Toen heb ik hem rechtgezet in de sofa. Ik vroeg mij af of ik iets van hem moest bewaren. Waar had hij het meest mee gezondigd? Met de hersenen van een geleerde, met de koude van zijn hart, met de gretigheid van zijn lul? De hersenen waren het meest schuldig. Dus, ge kent mij, ik deed het tegenovergestelde, in plaats van de schedel te klieven, zei ik: God sta me bij, en ik hakte zijn lul eraf. Ik legde hem op een stapel damesbladen die Alice bewaarde. Toen alles verdeeld was over de plastic zakken was hij Patrick Dekerpel niet meer. Alleen de stank van de Veemarkt bleef over en dat ding. Die stengel met de eikel. Mest, vet, de touwtjes van de zenuwen, kraakbeen, darmen, vroegen om opgeborgen te worden. blaute

Waar? noël

Echt waar. blaute

Waar zijn die zakken opgeborgen? noël

Ze zijn begraven zoals het hoort. blaute

Waar? noël

Wat voor belang heeft het waar, zolang ze maar begraven zijn als mensen. Hoe verkeerd zij hebben gehandeld, zij hebben recht op een put in Gods aarde. blaute

Hoeveel? noël

Hoeveel zakken? blaute

Nee, hoeveel mensen? Ge hebt het over mensen.

116

Toneelgeruis_8_2b.indd 116

onvoltooid verleden

18/01/12 09:22


noël

God moet zijn getal hebben. blaute

Als ge niet wilt antwoorden sleurt ge er altijd God bij. Zullen we ophouden? noël

Zoals ge wilt. Zijt ge moe? blaute

Ik niet. Waart ge ongemakkelijk na de dood van Dekerpel? Spijt? Waart ge niet een paar ogenblikken onzeker? Schuldig? noël

Ik had mijn plicht gedaan. Ik heb zijn straf niet nutteloos verlengd. Maar nu ge het zegt, misschien had ik een beetje medelijden. We hadden misschien vrienden kunnen worden. Vrienden voor het leven. blaute

Wat hebt ge gevoeld toen hij dood was? noël

Verveling. Het liefst was ik naar de cinema gegaan maar dat kon niet want ik moest opruimen. blaute

Waar hebt ge die plastic zakken verborgen? noël

In een kasteel. Ik noem het een kasteel maar het is eerder een groot gebouw. Het heeft kerkramen, maar er zit geen glas in. Het ligt er vol duivenstront. Kleurige cementtegels met bloemmotieven. Er liggen hopen zand en grind en stenen. Ik heb een paar karren gesteente in een kelder gestort. Het zou kunnen dat ze liever in de gewijde grond van een kerkhof hadden willen liggen, maar ge kunt niet alles hebben in het leven. blaute

Ze, wie zijn dat, ze? noël

De mensen en de dieren. Mag ik een sigaret? Tom Dewispelaere naar Hugo Claus november 2011

Toneelgeruis_8_2b.indd 117

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 118

18/01/12 09:22


DISISIT Benjamin Verdonck werkt op verschillende fronten: zijn theatermonoloog DISISIT ging op 10 november in première op de Bourlascène en is inmiddels vertrokken voor een stevige tournee. Aan de première gingen enkele toonmomenten vooraf waarin Benjamin Verdonck telkens verschillende tekst- en spelvarianten toetste aan een klein publiek. Voor een van die toonmomenten schreef hij een klankgedicht, een trektocht door de wereld en de dingen die hem omringen, DISISIT genaamd. Daarvan publiceert Toneelg(e)ruis 8 een ingekorte versie. Meteen daarop aansluitend reflecteert curator en beeldende-kunstkenner Luk Lambrecht over werkwijze en positie van Benjamin Verdonck in zijn beeldend werk, n.a.v. de tentoonstelling sometimes I sits and thinks and sometimes I just sits in de Benedengalerij van CC Kortrijk (december 2011 – januari 2012).

Toneelgeruis_8_2b.indd 119

18/01/12 09:22


120

Toneelgeruis_8_2b.indd 120

disisit Katelijne

Damen & Stefaan Degand

18/01/12 09:22


hier is de lijn hier een stok een kek een kras hier is de streep een kuik een schoffel hak een berenjong een koppel witte duiven hier is een lepel een fluit en een ratel zoete miegel gal darrebrij een rol teflon de rand van een tak een handvol weegbree en een aal ga maar daar de dorpel de deurmat de billboards neonslierten metershoge nylonkousen naaldhakken de avenue van zakcomputers siervissen dwerghonden geknoopte boompjes tabak opgelegde eieren tropisch fruit in blik ingekuild brood doorgebakken haverpap snel geschoten grasspek de dichtbebouwde lanen de huizenrijen onbegroeide heuvels plastic zeilen bakstenen plastic zakken vensterbanken dakpannen betonplaten gierputten cement zavel fijne plaaster ontstoppers truwelen draadstangen klauwhamers de rijen vergaarbekkens de vleesmolen een draadlektang dekdrilboor zavelschep oorkeet oorkaas de laatste straat een uitgelaten man met opgeblazen hoofd

Toneelgeruis_8_2b.indd 121

18/01/12 09:22


122

Toneelgeruis_8_2b.indd 122

disisit

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 123

18/01/12 09:22


een hek het bos van peplopon de twijgen eerst de lage takken dan naaldbomen losbladigen mulle hopen wormkrepsels oorwezels uilvetters naftpijpers het overhangende bladerdak de dafdazen de smerige biezen het geteem het getaffel teftokkel zoemgezeik zoemgezeikzier opgezadeld abgeheckt beubeer oeverkas de boebels de pinnepuisten de zwijnwratten de etterbuilen negerkloven kaalkappers negorijneger niernik nagelbibber het lage kruipvee ook warm ook eten ook plaats voor hun lijf sompige klamlijf opdringerige homp gigigigil gaheigi gigigigil gaheig schijt gepomp gore puddingpap

124

Toneelgeruis_8_2b.indd 124

disisit

18/01/12 09:22


vleesleger weerwraak tegen wil en wet voor markt en vaderland mondmof kakbek kutkraan aidswolf dit is nacht de takken dit is donker dit is middenin de brandblaren de wormkeffers kotsmiezels hierna zeggen ze hierna alleen maar peenpijn peespoep pinnevuig hierna zeggen ze hierna alleen maar beter leefloon zeggen ze voetvolk de voorschutters zwartespikkelpandemie je bent moe nu maagsapstorm lijpzeem aanpokperen gaardikking kanteldrep drezel hust kervel kol je droomt van het gat in je knie het blik gesuikerde melk je zoemt iets van peren en koeken van kropsap droesem en dijvocht ijverstokworteldelen je bent wakker daar ben je daar sta je de lange rij je naam

Toneelgeruis_8_2b.indd 125

18/01/12 09:22


je noemt je naam je hebt niets verzeker je margarine ja wat vage vrienden je bent hier al geweest niet je weet nog het platform zijn adem de dikke vinger doorlopen koop een kaartje knip vergrendelaar je weet nog roltrap draaideur tramhok bankfiliaal hebt u een pomp een lader tanden voor deze mond je weet nog straatlamp inkomhal warme bakker wasserij het bakje van de bank op internet weekendthermostaatinstelling nozem neef kapsalon broodje kip kap kop nierkwal aambeer stortzak zure bek blaaskal reegmut je bent er nu bijna de haag in geen haag hier een hoek om de goot in

126

Toneelgeruis_8_2b.indd 126

disisit

18/01/12 09:22


een sportzak loopschoen doos plastic bekertje matras o matras ze zijn er zij ze hokt nog ze heeft het smerige vuur de raven in mordokan zijn groot en eten zwarte bessen dit is nacht de takken dit is donker dit is middenin maal maar maal van bij en van bijl van hak en van kachel van dralen en bed je liegt en zegt dat je de oversteek maakte in kabal dat je betaalde met een beitel een tegel een tar en een touwtje dat je aan de andere kant papa genoemd werd pap’a mon veux patror carain copie copieux kapiau kapkop kipkap kako koko kaffer karoef plaatklepper mezel koolfrip leerzwam sletmus afgat kaalkit tegeltekker lompe snee lauwe vingerworst vochtverteerder pond gekapt miezelkop

Toneelgeruis_8_2b.indd 127

18/01/12 09:22


de wind de haan stil het licht uitgedaan de zalf op de kast de broek aan de haak de kat buiten de jas op de leuning de stoel onder het kussen de tafel in de kachel de worst op het bord het mes in de la uit de la in de la de pan in de zetel de kip in het kot op het bord in de vuilbak de lampen de stekker de koelkast de diepvries de klink het aanrecht de asbak het melkschuimkannetje de boot bij het vuur gezet een kleine meisjeslied voor de krepkas de ribbekerk de magere mispel het ielkuiken hier tot hier mijn aandrang mijn handen eelt de hamer de teerlong de tek dag huis huisje huisje kindje tuintje huisje kindje huisje hondje lief liefste

Benjamin Verdonck november 2011

128

Toneelgeruis_8_2b.indd 128

disisit

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 129

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 130

18/01/12 09:22


Een straat Van leven en kunst Reflecties over het beeldend werk van Benjamin Verdonck door Luk Lambrecht

Toneelgeruis_8_2b.indd 131

18/01/12 09:22


Dat de beeldende kunst in een institutionele crisis vertoeft, wordt zelfs overduidelijk in het harde hart van het commerciële circuit. De massaal belastingen ontvluchtende verzamelaars in Griekenland (bijvoorbeeld) verkopen en gooien tegen dumpingprijzen hun bijzondere collecties hedendaagse kunst op de markt. Het is een weinig ethische situatie die hier angstvallig wordt verzwegen. De prijzen op de veilingen swingen de pan uit en balanceren tussen het artificieel hoog gehouden bedrog tussen de intrinsiek artistieke waarde van een kunstwerk en haar markt-gemanipuleerde speculatie. Dat de kunstenaars hier niet helemaal vrijuit gaan staat als een paal boven water; handige kunstenaars zorgen met hun bedrijfsdeskundige galeries dat de prijzen niet al te sterk zakken en trekken desnoods met eigen middelen “hun” kunstwerken van de veilingen. Een tegenbeweging in de kunst is er nauwelijks, vergelijkbaar met de ideologie van grenzeloze consumptie die de geesten des volks verlamde en murw sloeg met als gevolg een kritiekloos in de pas lopen en een algemeen accepteren dat iedereen deelachtig is en schuld treft aan de crisis. De zichtbare kloof tussen “know” en “not know” in onze samenleving wordt groter. De ideologie van het culturele kapitalisme broedt op ongelijkheid en tegen de overheersende golf van collectieve brainwash staat geen hoopvol alternatief project voor de toekomst, laat staan stimuli tot creativiteit in denken en handelen. Kunstenaars zijn vandaag ruwweg in twee categorieën te delen. Vele kunstenaars zoeken dekking voor de complexe tijd en vinden hun legitiem artistiek bezig-zijn in de kunst zelf en haar rijke, onuitputtelijke geschiedenis. Deze kunstenaars maken kunst voor hun nabije en verwante agglomeratie en weten op die manier het definiëren van de kunst in het actuele debat te houden. “Fingers crossed” voor de kunstmarkt... Andere kunstenaars vertrekken vanuit een of andere maatschappelijke analyse of morele noodzaak en maken in hun kunst niet zelden overstapjes naar andere media zoals muziek, film en performance. Deze kunstenaars zijn met hun werk vaak te zien op grote internationale manifestaties en maken werk dat plaats- én tijdgeestgevoelig is en bijgevolg soms ook weinig bestand qua artistieke houdbaarheid. De elastische plastische kunst van Benjamin Verdonck is niet zomaar in één oogopslag en dito overpeinzing te vatten; zijn hybride artistieke werk is niet onder één label samen te vatten. De artistieke productie van Benjamin Verdonck houdt de belofte in zich de creativiteit van de mens te fêteren via een stroom/flux van beelden die als het ware een permanente langspeelfilm blijft van de kunstenaar zelf. De kunstenaar die zich met zijn artistiek bezig-zijn laat meedrijven op de verwikkelingen in het complexe leven waarin soms weinig onderscheid valt te bespeuren in zijn werk tussen privé en publiek. Benjamin Verdonck staat in en tussen het leven en zijn leven als een zachte cultuur-activist en esthetische stoorzender die via een ontwapenende beeldtaal de fantasie en de verbeeldingskracht aanstuurt en ontsteekt. Hij maakt beelden die ook diegenen beroeren die niet tot de bevoorrechte “club” behoren van de ingewijden in de hedendaagse beeldende kunst. De theatermens Benjamin Verdonck weet maar al te goed dat acteurs tussen hun rekwisieten op de bühne bijdragen tot het mentale verplaatsen van het publiek in een wereld die niet de harde werkelijkheid van de wereld is. Het theater torst en simuleert wel de

132

Toneelgeruis_8_2b.indd 132

disisit

18/01/12 09:22


Š Iwan Van Vlierberghe

Toneelgeruis_8_2b.indd 133

18/01/12 09:22


Š Iwan Van Vlierberghe

Toneelgeruis_8_2b.indd 134

18/01/12 09:22


schijn van de buitenwereld. Het zalige en knusse zwarte gat van de schouwburg waarin het publiek zich koest en schuil houdt is de nest-veilige plaats van waaruit zelfs de meest poëtische of kritische “losgelaten” voorstellingen hoogstens de gemoederen van de quasi gelijkgezinde aanwezigen kunnen beroeren.   Het is een toestand waarbij een laag cirkelende vleermuis als het ware vrij onschuldige rondjes open-vliegt in de geesten van het publiek. Theater is en blijft een perfect georkestreerde “illusie van het moment”. Dit in tegenstelling tot het “beeldend” omgaan met sentimenten/woede of geluk in de onbestemde openbare ruimte of in een museum, een galerie, een kunsten- of cultuurcentrum waar de kunst “is” en vrij kan worden gebruikt of genegeerd. Benjamin Verdonck ageert als een nerveuze schicht in de actuele cultuurcontext met theater, acties, tentoonstellingen en zelfs met een vuistdik boek dat onlangs werd uitgegeven. De betekenis van zijn werk is als het leven zelve; hij slalomt zich een weg met een rugzak aan residu’s van de consumptiemaatschappij, gebaseerd op de conditie van het “wegwerpen” in het perspectief de cirkel rond te houden op het vlak van massale en ongebreidelde consumptie. Heel mooi tot zelfs ontroerend zijn de “resultaten” van de wandelingen die Benjamin Verdonck onderneemt waarbij hij het “gevondene” (de buit) van op die éne dag mooi koestert en verzamelt. Als een verzameling vlinders stopt hij alles zorgvuldig in afgesloten houten kastjes. De gedachte aan “Le sublime du Quotidien” is hier ei zo na leven nabij... Het “veronachtzaamde” van op de stoep, de straat en het plein – de achtergelaten “troep” van de mens krijgt Benjamin Verdoncks intense aandacht die leidt naar een act van het obsessief verzamelen en bijhouden van het abjecte... De “archeologisch” gevonden spulletjes worden vervolgens gerangschikt alsof een geoefend minimal-artist aan het werk is. Alhoewel: een minimal-artist zal zich nooit verder wagen dan het zich volledig “overgeven” aan de golf van het recente dictaat van totale industrialisering van het leven. Benjamin Verdonck neemt hoogstens hier en daar de in de kunst gangbare procedures over van het “minimale” en index-matig rangschikken van datgene wat hij vond. Benjamin Verdonck ondermijnt hiermee het reguliere, officiële denken over actuele kunstproductie via een speels tegenoffensief dat bestaat uit een rangschikken van een lawine van objecten en accumulaties.   Alles dient zich aan als aanstekelijke miniaturen van de wereld in het klein observerend “tot stilstand” gebracht in “modellen”. Modellen zijn niet per se te definiëren als maquettes – modellen zijn utopisch van aard en geven de toeschouwer de indruk te kunnen bezig zijn met een na te streven ideale werkelijkheid. Dromen blijven overeind in ideële constructies zoals bij modellen... Kunst wordt in de niet aflatende drive van Benjamin Verdonck een haast burleske spiegel van de doldraaiende mondiale samenleving. Zijn werk wordt een “teken” waarin een sterk “appel” doorklinkt voor het voortdurend proberen te verbeelden van het betere (samen)leven. De kunstenaar wandelt, verzamelt, rangschikt, componeert, manipuleert en maakt met

Toneelgeruis_8_2b.indd 135

18/01/12 09:22


Š Iwan Van Vlierberghe

136

Toneelgeruis_8_2b.indd 136

disisit

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 137

18/01/12 09:22


het “gevondene” van op zijn tochten kunst die soms op een haast hilarische manier de draak steekt met de (burgerlijke) verwachtingen over wat kunst moet en kan zijn. Hoe Benjamin Verdonck artistiek reageert binnen zijn beeldend omgaan met de werkelijkheid kan “programmatisch” worden “gelinkt” aan het werk van een kunstenaar zoals Stanley Brouwn. Deze Nederlands-Surinaamse kunstenaar geniet wereldwijde bekendheid met het “metend” wandelen/registreren van zijn leven. Stanley Brouwn weet het banale van het gewone “leven in de wereld” te extrapoleren tot een abstracte visuele transformatie die weinig woorden en cultuurkennis vereist. De maat der dingen blijft in Brouwns werk zijn persoonlijke voetstap die hij positioneert tegenover alle andere en denkbare maten en meeteenheden in de wereld. Zo vroeg Stanley Brouwn in 1963-1964 aan vele mensen op telkens een zelfde plaats in de stad om op een papiertje via een tekeningetje hem de weg aan te wijzen. De papiertjes werden nadien van de stempel voorzien met de melding “This way Brouwn”. Stanley Brouwn maakte met deze papiertjes een soort ready-made neerslag van een “exchange” tussen hemzelf als kunstenaar en de toevallige passant, met de wijsheid dat deze artistieke act ergens zweeft tussen een toevallige gebeurtenis en een (artistiek) eindproduct als particulier “document”. De kern van een goed artistiek bezig-zijn kiemt in de kunde om de omstandigheden van de geleefde tijd naast zich neer te kunnen leggen en de materie van het kunstwerk te doen spreken zonder dat de actualiteit van het moment de overhand overneemt. Dat is zo bij de geciteerde vroege acties van Stanley Brouwn als bij het zigzaggende beeldende werk van Benjamin Verdonck. Zijn aanlokkelijke maquettes waarin “mensjes” zich bewegen staan naast de verzamelingen van aan de muur gedrapeerde gevonden koordjes of andere kleurrijke dingetjes in de verzamelkastjes. Het oeuvre van Benjamin Verdonck is als een verzameling nestjes waarin zich telkens andere “kleine” werelden “afspelen” – die onder elkaar weliswaar op een gelijkwaardige manier worden behandeld. Benjamin Verdonck: “Ik geloof dat elk mens het vermogen in zich draagt om een kunstenaar te zijn. Het komt erop aan dat vermogen te prikkelen”. Deze uitspraak neigt naar het adagio “dat iedereen een kunstenaar is”, een veelvuldig verkeerd geïnterpreteerde stelling van wijlen de sjamaan-kunstenaar Joseph Beuys. De scheiding tussen professionele en amateuristische kunstbeoefening blijft een taai been in de kunsten waarin het verschil soms en amper zichtbaar is. Deze problematiek is niet meteen aan de orde bij Benjamin Verdonck. Hij ziet in een kunstenaar zoals Joseph Beuys een zachte bevestiging van de mogelijkheid dat iedereen verantwoordelijk moet kunnen zijn voor wat hij doet en onderneemt. In dit verband citeert Benjamin Verdonck de schrijver Julio Cortàzar die in 1970 op een gevatte manier repliceerde op het verwijt dat zijn werk te frivool en te vrijblijvend was geworden tegen de achtergrond van de politieke situatie in zijn land Argentinië. Hij antwoordde: “Ik ben van mening dat de strijd om het socialisme in Latijns-Amerika de verschrikking van alle dag onder ogen moet zien met de enige houding die het op een dag de overwinning zal opleveren: door

138

Toneelgeruis_8_2b.indd 138

disisit

18/01/12 09:22


Š Iwan Van Vlierberghe

Toneelgeruis_8_2b.indd 139

18/01/12 09:22


Š Iwan Van Vlierberghe

140

Toneelgeruis_8_2b.indd 140

disisit

18/01/12 09:22


angstvallig en als iets kostbaar het vermogen te koesteren om te leven zoals we dat voor die toekomst zouden wensen, met alles wat dit veronderstelt aan liefde, spel en vreugde.” Benjamin Verdonck maakt de wereld via zijn ongrijpbaar en kleurrijk patchwork van uiteenlopende kunstingrepen wat “lichter en luchtiger” met kunst wars van hoogoplopend “gepsychologiseer” of ijle theoretische omzwervingen. Het artistieke streven van Benjamin Verdonck is gelegen in een verlangen naar transparantie via het openbaar maken van zijn grote en kleine wereld in een beeldtaal die allesbehalve hermetisch is. Kunst is voor hem een manier van impliciet én expliciet communiceren waarin het meedelen van waarheden ondergeschikt blijft aan het presenteren van visuele aanzetten die processen van kleine veranderingen inluiden. Benjamin Verdonck ontmijnt en ontwapent de kunst van veilig cocon en vakjargon. Hij speelt in de grote kunstwereld “het jongetje” dat zich amuseert in een context waarin de volle vrijheid blijkbaar nog straffeloos kan; de buitenwereld ten spijt. Benjamin Verdonck: “Kunst is op de uitkijk staan en aan de mensen op de grond vertellen wat je in de verte denkt te zien. Maar je kunt slechts berichten, beschrijvingen geven zonder zekerheden.” Luk Lambrecht december 2011

Toneelgeruis_8_2b.indd 141

18/01/12 09:22


Sahika Tekand: Beckett op Turkse turbo

Toneelgeruis_8_2b.indd 142

18/01/12 09:22


0090 – een multidisciplinair festival met een open lijntje naar Turkije – is een jaarlijks weerkerende gast in Toneelhuis. Sinds 2008 tipt artistiek leider Mesut Arslan telkens opnieuw werk van de Turkse regisseur Sahika Tekand. Na Euridice’s Cry (2008) en Fear of Darkness (2009) speelde op 7 december 2011 How to forget in 10 steps (Anti-Prometheus), stuk voor stuk regies van haar hand. Tekand richtte al in 1990 haar eigen theatergroep Studio Oyunculari op. Ze traint haar groep acteurs, schrijft teksten voor hen, regisseert voorstellingen met hen en heeft daarnaast een stevige film- en tv-carrière. Toch blijft ze hier bij ons een goed bewaard geheim. Ten onrechte, vindt Johan Thielemans die haar werk voor Toneelg(e)ruis in perspectief zet.  

Toneelgeruis_8_2b.indd 143

18/01/12 09:22


144

Toneelgeruis_8_2b.indd 144

sahika tekand

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 145

18/01/12 09:22


Al hebben we in Brussel en Antwerpen reeds vier voorstellingen van de Turkse Sahika Tekand gezien, toch blijft haar uniek theater een goed bewaard geheim. Haar verbluffende voorstellingen lokken nog steeds veel te weinig theaterliefhebbers. Sahika Tekand heeft in de loop der jaren een volstrekt eigenzinnige, persoonlijke theatervorm ontworpen. Ze heeft een heel bijzondere verhouding tussen tekst en beeld bedacht. Haar voorstellingen beginnen steevast in het duister. Dan floept er een sterk licht aan, en zien we een of meerdere acteurs. Zo gauw als het licht op hen schijnt, beginnen ze gedreven en aan hoge snelheid hun teksten te zeggen. Je kan zeggen dat het licht de acteur tot leven roept. Eens hij weer in het duister staat, is hij er niet meer, een afwezige. Het merkwaardige voor de toeschouwer is dat hij bij het lichtspel geen patroon kan ontdekken. Het licht gaat aan en uit zonder dat het voorspelbaar is waar de volgende lichtstraal zal vallen. De toeschouwer kijkt gespannen toe, want op elk moment wordt hij verrast en wordt zijn blik naar een andere plek getrokken. Het gaat zo grillig dat je kan vermoeden dat er een deel toeval in deze werkwijze aanwezig is. Ik kan me voorstellen dat je vermoedt dat het principe is dat waar of wanneer je plots in het volle licht staat, je gewoon spreken moet. Zou de acteur ook niet kunnen verrast worden? Maar Sahika Tekand weerlegt deze gedachte. Alles wat je ziet en hoort, is met een uiterste nauwkeurigheid geregeld. De indruk van ‘improvisatie’ is een resultaat van een strakke methode. Tekand is een regisseur die alles tot in de puntjes en secondes controleert. We nemen als voorbeeld de voorstelling How to forget in 10 steps (Anti-Prometheus) die in december in Antwerpen op het programma van het 0090-festival stond. Eerst is er een donkere ruimte. Dan komen er mannen voorbij, schimmen die een onduidelijke last torsen. Dan gaat op het

146

Toneelgeruis_8_2b.indd 146

speelvlak plots een vierkant neonlampen oplichten. Dat trekt de aandacht van de voorbijgangers. Ze gaan elk in een vierkant staan, alsof dat hun toegewezen plaats is. Dan beginnen ze te spreken. De tekst heeft het over het gevoel van een grote onzekerheid: waar staan we? Wat doen we hier? Wie regelt dat? Achter op het toneel zien we in een halfdonker een cabine met drie personen die blijkbaar instructies geven. Regelmatig wordt de woordenstroom van de acteurs onderbroken door een brutale stem die een getal roept van één tot tien. Een instructie die voor het publiek ondoorzichtig blijft. Wie vanboven de actie regelt, blijft onuitgesproken. Beckett De thema’s die in de tekst worden aangesneden, kennen we vanuit de wereld van Beckett. Dat hoeft niet te verwonderen want Sahika Tekand heeft in het begin van haar carrière als regisseur verschillende teksten van Beckett op het toneel gezet. Hij is een schrijver die ze sterk bewondert. De link met Beckett is vanuit theatraal oogpunt interessant, want de naam van de Ier roept een zeer karakteristiek theater op. De acteur bevindt zich bij hem in een landschap waar nog weinig energie overblijft. Het is vaak een theater op de rand van de dood of van het niets. Het gaat al even sterk over het bemeubelen van een ijle, lege tijd – en dit als symbool voor wat ons leven is. Maar bij Tekand is de sfeer helemaal anders. Bij haar schuilt Becketts invloed alleen in de woorden. Van lusteloosheid is er bij haar niets te merken. De acteurs spelen met een sterke concentratie en zijn vol energie. Die uit zich onder meer in de snelheid waarmee ze de tekst opzeggen. Hier is geen tijd voor reflectie of psychologie. De woorden komen als mitrailleurvuur op het publiek af. Als het al Beckett is, dan is het

sahika tekand

18/01/12 09:22


Beckett op turbo. Deze Anti-Prometheus speelt zich in een abstracte ruimte af zodat handelingen en tekst tot het symbolisch theater behoren. In deze voorstelling dragen de vijf acteurs een stapel stoelen. Dit dood gewicht ervaren ze als een last waaronder ze niet uitkunnen. Ze weten ook niet waarom ze die last dragen, en weten ook niet precies wat van hen verwacht wordt. Dat geeft aanleiding tot een gebeuren vol opgewonden, wanhopige stemmen. Een ogenblik kunnen ze zich van de last bevrijden. Dan wordt alles stil en vredig. Ze zitten op een stoel en genieten. Maar daarna herbegint alles weer. De stoel wordt opnieuw een vracht. De bevrijding was slechts een intermezzo. Op het laatste ogenblik verschijnt een actrice die vraagt: hoe geraken we hier uit? Het is de vraag naar een echte verlossing. Het antwoord hierop wordt aan het publiek overgelaten. Het kan niet anders zijn dan iets als onthechting. De stoelen staan voor bezit waaraan men vast zit. Ze ontstaan uit een bezitsdrang, en dus zijn deze spelers verantwoordelijk voor hun verpletterend lot. Maar de beslissende stap kunnen ze niet zetten, want de ‘stoel’ is te verlokkelijk.

op een stelling, of zitten ze in een rij op stoelen, of, zoals hier, dragen ze een stapel stoelen en zitten ze gevangen in een vierkant van licht. Eens Tekand het lichtplan klaar heeft, en weet welke de mogelijkheden zijn, schrijft ze een tekst die binnen dit kader past. De woorden worden in het spel ingepast. Zo dwingen de spelregels tot korte of lange zinnen, naargelang de noden van het ritme van de voorstelling. De wisselende lichten moeten ook de indruk wekken dat ze in het nu, als het ware, zelfstandig beslissen wanneer ze aanfloepen. Dit is belangrijk voor het effect op het publiek. Dat is zich van de regels natuurlijk niet bewust, en Tekand gaat zo subtiel met licht en ruimte om, dat het publiek ook niet kan voorspellen waar de volgende gebeurtenis zal plaatsgrijpen. Voor de acteur komt het eropaan om volledig geconcentreerd te zijn, want hij moet steeds klaar zijn voor de volgende repliek, en hij weet dat hij een korte energiestoot geeft die totaal juist moet zijn. Zo is elke tussenkomst van het grootste belang voor het welslagen van de hele productie.

Spelregels

Naast deze ruimtelijke regels speelt ook het gebruik van de stem een bijzonder grote rol. Tekand zoekt met haar acteurs tijdens de repetities aan de tafel naar de juiste muzikaliteit. De tekst moet van moment naar moment een grote lijn volgen. Het is een montage van een subtiel aantal fragmenten. Deze klankcollage rijgt de stukjes in hun versplintering aan elkaar tot frases. Je kan het vergelijken met een Klangfarben Melodie uit de dodecafonische muziek van Schönberg of Berg. De gesproken partituur verdraagt geen psychologie. Door de snelheid en de felheid van het spreken komt de tekst tot leven. Het gedreven spreken doet een beroep op een normale stem, zonder spanning op de

Sahika Tekand wil een theater dat gelaagd is. Zo is de inhoud slechts één facet van de voorstelling. Even belangrijk is de vorm. Tekand vertrekt van de idee dat elke voorstelling ook een spel is. Trouwens, in de tekst vragen de acteurs zich meer dan eens af of dat hier niet het geval is. Daarop is het antwoord: ja, het is (ook) een spel. Voor elke nieuwe productie zet Sahika Tekand een andere reeks regels uit. Daarbij is de constante dat het licht en de duisternis een belangrijke rol spelen. Maar van voorstelling tot voorstelling bedenkt ze een andere ruimte. Soms staan de spelers

Toneelgeruis_8_2b.indd 147

Partituur

18/01/12 09:22


stembanden en dus op het gebruik van de microfoon. Tekand laat de vele korte solo’s afwisselen met spreekkoor. Deze momenten zijn auditief de meest wonderlijke. Ze heeft deze techniek van het koorspreken vroeger reeds uitgebreid toegepast bij haar bewerking van Oedipoes. De uitdaging die de Griekse schrijvers hadden uitgelokt, wordt bij haar omgezet in een intrigerend, opwindend en expressief klanktapijt. Als we aan de opvoeringsproblemen van het Griekse theater denken, en zoeken naar oplossingen voor de koorpassages, dan staat haar aanpak naast de spreekkoren van de Oresteia van Peter Stein of van Ariane Mnouchkine. Drie mogelijkheden om deze tegendraadse teksten tot fascinerend leven te brengen. Telkens als een theatermaker de kracht van het spreken in groep ontdekt, gaat er een andere dimensie open, waarbij het auditief materiaal zowel het gemoed als de geest aanspreekt.

Gemeenschap Eens alle regels zijn uitgetekend, alle teksten zijn uitgeschreven, alle formele beslissingen zijn genomen, volgt de fase van de repetitie. Van de acteurs wordt een uiterste discipline gevraagd. Het is het ensemble dat een voorstelling maakt. Elke speler moet virtuoos zijn, maar zijn virtuositeit verdwijnt in de groep. Tenslotte is het de groep die als geheel van een boeiende virtuositeit blijk geeft. De acteurs zitten als het ware verstrikt in de netten van licht en duisternis. Ze lijken geen enkele controle over zichzelf te hebben. Ze gehoorzamen slechts impulsen van buiten, want over het licht hebben ze geen macht. Ze vragen nooit het woord, ze krijgen het, ongevraagd en onvoorspelbaar (voor het publiek, niet voor de speler). De basisregel van deze fascinerende voorstellingen is en blijft: als het licht op je schijnt, en je gezien wordt, dan spreek je. Onmiddellijk, zonder

148

Toneelgeruis_8_2b.indd 148

aarzelingen, zonder verder nadenken. Zo zijn de acteurs ook perfect gemanipuleerde poppen. Paradoxaal genoeg kan men zeggen dat de acteurs slechts een speelbal zijn, maar als ze zichzelf niet met volledige overgave inzetten, bestaat de voorstelling niet. Ze zitten gevangen in een net, maar hun stribbelingen brengen het net tot leven. Het theater van Tekand gaat dan ook niet om het individu. Bij haar is het steeds een gemeenschap die spreekt.

Artistieke marge Over het Turkse theater weten we natuurlijk heel weinig. De voorstellingen van Tekand doen ook niet Turks aan. Ze schrijft zich in een grote internationale beweging in, waarbij het vocabularium van het theater verder verrijkt wordt. Ze heeft een eigen studio, waarin ze de acteurs in haar methode traint. Vandaar dat haar voorstellingen heel ver in haar unieke esthetiek kunnen gaan. Dat belet niet dat ze in Istanbul tot de artistieke marge behoort. Ze maakt haar voorstellingen zonder subsidies (die gaan in Turkije naar het staatstheater). Maar dat belet haar niet om koppig door te gaan en een heel karakteristiek theater te maken, dat artistiek integer is en veel van het publiek vraagt. In Duitsland heeft ze reeds opdrachten gekregen, bij ons is ze nu al enige seizoenen aanwezig. Een uitnodiging, zoals deze in Antwerpen, is voor haar van levensbelang. Ik heb maar één wens: dat bij haar volgende bezoek de Bourla overvol moge zitten. Johan Thielemans december 2011

sahika tekand

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 149

18/01/12 09:22


Naar aanleiding van Het mystieke huwelijk, het tweede deel van De man zonder eigenschappen, organiseerde Toneelhuis een literaire avond over ‘broers en zusters’. Dramaturg Erwin Jans ging in gesprek met Stefan Hertmans en Jan Fontijn. Hieronder leest u een neerslag.

Toneelgeruis_8_2b.indd 150

18/01/12 09:22


Het verborgen weefsel: broer en zus

Toneelgeruis_8_2b.indd 151

18/01/12 09:22


152

Toneelgeruis_8_2b.indd 152

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 153

18/01/12 09:22


Erwin Jans

Dames en heren, welkom op het eerste Kaffee Musil, een literaire gespreksavond over broers en zussen in de literatuur en daarbuiten. Dit thema hangt nauw samen met Het mystieke huwelijk, het tweede deel van onze trilogie op basis van de roman De man zonder eigenschappen van Robert Musil. Het mystieke huwelijk concentreert zich voor een groot gedeelte op de relatie van het hoofdpersonage Ulrich met zijn zuster Agathe. Bij het binnenkomen van de schouwburg hoorde u een fragment uit Die Walküre van Wagner. Het fragment was het moment waarop Sigmund en Sieglinde elkaar herkennen als broer en zus. Dit is een heel bekend moment waarin Sieglinde tegen haar broer zegt: “Im Bach erblickt’ ich mein eigen Bild und jetzt gewahr’ ich es wieder: wie einst dem Teich es enttaucht, bietest mein Bild mir nun du!” Ze ziet in Sigmund wat zij ooit zag als ze in de beek keek, namelijk haar eigen gezicht. Een mooi voorbeeld van totale herkenning tussen broer en zus. We gaan het vanavond hebben over de relatie tussen broer en zus en de complexiteit die daarmee gepaard gaat. Ik heb daarvoor twee gasten uitgenodigd, Stefan Hertmans en Jan Fontijn. Stefan Hertmans publiceerde proza, poëzie, theaterteksten, talrijke essays, kortverhalen,… Ik vermeld alleen – omdat ze passen in wat we vanavond gaan doen – zijn essaybundel over de Griekse

154

Toneelgeruis_8_2b.indd 154

tragedie Het zwijgen van de tragedie en twee kortverhalen: Het verborgen weefsel uit 2008 (dat ook een hele mooie titel had kunnen zijn voor de avond die we nu hebben: het verborgen weefsel tussen broer en zus) en Je portret uit 2010 waarbij Stefan inspeelt op de verhouding tussen twee zussen, het thema van de tweeling en de spiegeling. Dat is iets wat we in elk geval nog gaan tegenkomen in ons gesprek. Jan Fontijn is neerlandicus, literatuurwetenschapper en schrijver. Hij schreef uitgebreid over literaire stromingen uit het begin van de twintigste eeuw, maar heeft zich daarnaast ook beziggehouden met de biografie als literair genre. Hij schreef onder andere een bekroonde biografie van Frederik van Eeden. Maar de echte reden waarom hij hier vanavond zit, is een boek dat hij dit jaar heeft gepubliceerd: Opgebouwd uit hetzelfde: broers en zusters in de literatuur. Hierin schrijft hij over schrijvers en hun zussen en schrijfsters en hun broers, waaronder Stendhal en zijn zus, Marguerite Duras en haar broers, Rimbaud en zijn zus, Nietzsche, Couperus, Willem Frederik Hermans en hun zussen, en nog een aantal anderen. We gaan straks fragmenten horen uit brieven die zij naar elkaar geschreven hebben en uit literatuur waarin zij die verhouding hebben verwerkt. Met deze twee gasten wil ik het vanavond hebben over die complexe broerzusverhouding waar we allemaal mee te maken hebben, want als we geen broer of zus hebben, betekent dat ook iets.

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Misschien als kleine biografische opstap even aan beide gasten vragen hoe de familiestructuur er bij hen uitzag. Hadden jullie broers of zussen? Jan Fontijn

Ja, ik heb er heel veel. Ik kom uit een gezin van twaalf kinderen. Ik had vijf broers en zes zusters. Het was een typisch katholiek gezin. Ik moet zeggen dat het een gigantische indruk op me heeft gemaakt, vooral omdat de structuur van ons gezin, mede door de Tweede Wereldoorlog, vrij chaotisch was. Bovendien stierf mijn jongste broertje, toen een zuster, daarna mijn moeder en dan mijn oudste broer. Dit gebeurde in vier à vijf jaar tijd en dat heeft een enorme indruk op mij gemaakt. Ik weet zeker dat dit boek dat ik gemaakt heb, voortkomt uit de verwarring die ik toen voelde. Om klaarheid te vinden en om me te kunnen spiegelen aan andere levens, andere broers en zusters, om te ontdekken hoe de conflicten en de treurigheid daar werden opgelost. Erwin

Is het toevallig dat het zolang geduurd heeft? Had je die tijd nodig? Jan

Ik heb een zesjarige psychoanalyse gehad om al de nuances en de problemen die ik heb ervaren te doorzien en daar ook een vorm van leven aan te geven. Vandaar dat ik, iedere keer als ik in mijn boek schrijf over mensen als Flaubert, Stendhal,… in relatie tot hun zusje, met argusogen kijk

Toneelgeruis_8_2b.indd 155

hoe die twee mensen zich tot elkaar verhouden, hoe zij hun problemen oplossen. Ik heb geprobeerd mijn oplossing te vinden, maar hoe hebben zij dat gedaan? Dat is eigenlijk de confrontatie geweest. Erwin

Daar gaan we straks zeker verder op in. Zeker ook op de rol van de psychoanalyse en de psychiatrie. Stefan, welke is jouw biografie vanuit dat perspectief ? Stefan Hertmans

Ik kom uit een gezin van vier kinderen met zeer brave katholieke ouders, maar die wel vrij behendige en immer giechelende minnaars zijn geweest die het voor ons altijd als een komisch geheim hebben voorgesteld hoe ze het aan boord hebben gelegd om precies om de vier jaar geschrankt een meisje een jongen een meisje een jongen te krijgen. Ze hadden daar een hele theorie over die volgens hen helemaal klopte. Het was een heel harmonisch gezin, dat leefde in een soort klein landhuis aan de Schelde. Wanneer je volwassen wordt, zie je dat elk zijn eigen kant opgaat. Bij een familiefeest merk je dat het steeds terug verwijzen naar het voortkomen uit hetzelfde precies de bron is van de spanning. Want wanneer je dan een discussie krijgt over politiek of over kunst – waar je allemaal niet over praat als er een familiefeest op zondag moet worden uitgezeten – gaat het er voortdurend over dat men denkt dat de andere het automatisch met je eens zal zijn. Dat neem je

18/01/12 09:22


je vrienden minder kwalijk dan je familie. Dat dicht op elkaar zitten, maar toch elk zijn eigen weg opgaan, is eigenlijk een ongelooflijk theater. Deze gevarieerdheid van de kanten die we zijn opgegaan, maar het uiteindelijk ook teruggetrokken worden naar dat nest van waaruit we allemaal zijn opgegroeid, lijkt me een zeer complex iets. Ook zeer bepalend voor de manier waarop je later met je vrienden omgaat en wat je van hen verwacht of niet verwacht en wat je daarover hebt doorgedacht met jezelf en wat je hebt gedaan met de vaststelling dat een van je broers of zussen iemand kan zijn met tegengestelde opinies dan die van jou, maar dat het wel je broer of je zus is. Ik vraag me vaak af als ik de krant lees wat het moet zijn als je broer of je zus een zware misdaad begaat. Dan kom je voor die Griekse tragedies te staan: kom ik op voor zo iemand of niet, wat is een bloedband waard? En achter heel onschuldige dingen zitten in een familie heel vaak diepe tot catastrofale dingen. Dat lijkt mij een definitie van broers en zussen. Erwin

Het is inderdaad niet toevallig dat bijna alle grote tragedies familietragedies zijn, van de Griekse tragedies tot de soaps die we zien. Het ergste gebeurt blijkbaar altijd binnen de familie. Jan

In Nederland heb je een programma Familiediner waarin families worden uitgenodigd om zich te verzoenen omdat er pro-

156

Toneelgeruis_8_2b.indd 156

blemen zijn geweest in het verleden. Dat lukt soms wel, soms niet, maar als je ziet hoe futiel de aanleidingen zijn geweest om tot jarenlang zwijgen te komen met elkaar, dan moet er iets meer zitten. Ik geloof zeker dat de familie wat dat betreft een explosief vat is. Ik stel het nu een klein beetje negatief voor, er zijn natuurlijk ook heel gelukkige momenten in een familie, maar het valt me op dat familiestructuren een soort web zijn. Van zodra je dat web aanraakt, kan er iets kapot gaan en kan dat hele fijne weefsel verstoord raken. Erwin

De Griekse tragedie is eigenlijk constant het verhaal over dat weefsel dat stuk gaat… Stefan

Daar komt bij dat wij, zoveel jaar na de Griekse tragedie, allemaal met een stuk gevulgariseerde psychoanalyse leven. En dat we allemaal weten “jij bent net als ons vader”, “jij bent net als ons moeder”, “jij bent net zo”, “ik ben helemaal niet zo”, en dat je voortdurend zit af te meten aan de ouders en dat die verticale as naar de ouders toe voortdurend wordt getoetst aan de horizontale as van “jij begint wel op ons ma te lijken, hé, als je zo doet” of “je bent precies ons pa, als je zo spreekt”. Dus je zit daar met een ongelooflijke spanning die niet alleen Grieks tragisch is, maar ook heel banaal en die eigenlijk gaat over de spanning tussen het gelijkende en het andere. Je ziet het ook bij partners die gaan scheiden en die ooit geloofd hebben dat ze één ziel waren.

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Dat zijn mensen die elkaar niets meer vergeven want ze zijn ervan uitgegaan dat de ander net zoals zij was, dat ze alles op dezelfde manier voelden. Als de ander een ander soort groen mooi vindt, is dat verraad want “ik dacht dat jij mijn Schwesterseele was”. Je ziet dat die neiging tot versmelting, die je zo erg ziet bij Sigmund en Sieglinde in Die Walküre, een fataal iets is in de psychoanalytische verhouding tussen broers en zussen. Eigenlijk hebben ze zoiets van: “dat mijn vent anders is, oké, want dat is schoonfamilie, maar dat jij zoiets durft te zeggen”, en dan zit de kat echt op de koord. Daar gaat het over tussen broers en zussen, omdat ze vanuit die liefde reageren en vanuit het idee “wij zijn toch gelijken”. Je moet maar verborgen camera’s ophangen wanneer families en schoonfamilies samenkomen om dat aan het werk te zien. Men vergeeft schoonfamilies niet dat ze vreemd zijn, maar men vergeeft eigen familie niet dat ze van de clan zijn en toch zoiets durven zeggen. Dan krijg je al die dingen zoals bijvoorbeeld Romeo en Julia. Er zijn kampen: behoor je tot het ene of tot het andere kamp? Het gaat in het leven fundamenteel om een clash tussen de familiale binnenwereld, waarin je in je jeugd als in een soort van laboratorium alle relaties hebt uitgeprobeerd – en dat ging meestal vrij goed; pesterijen, liefdevolle dingen en samenhorigheid incluis – en de buitenwereld. Erwin

Je gebruikt een mooi beeld: familie als een soort van laborato-

Toneelgeruis_8_2b.indd 157

rium. Dat wil zeggen dat je binnen die structuur eigenlijk leert hoe je moet omgaan met elkaar. Je had het daarnet ook over twee assen naar de vader en de moeder toe. Jan, ergens in je boek zeg je dat men, ook in de psychoanalyse of psychiatrie, meer aandacht begint te besteden aan de horizontale verhouding. Aan de verhouding tussen broers en zussen, omdat in het verleden de band met de vader of moeder heel dominant was vanuit de verticale oedipale, freudiaanse structuur. Jan

En het verband tussen de horizontale en verticale structuur natuurlijk. In mijn boek beschrijf ik de relatie tussen de schrijver Stendhal en zijn zusje Pauline. Stendhal zat in Parijs en zijn zusje in Grenoble, in de provincie. Hij schreef haar voortdurend. Hij heeft zo’n 300 brieven geschreven aan zijn zusje. Wat hij probeerde, was de rol van de vader overnemen. Hij had de pest aan zijn vader. Zijn moeder was vroeg gestorven en hij probeerde in zijn zusje iets van die moeder terug te vinden. Hij probeerde ook de rol van de vader over te nemen in dat gezin. Hij probeerde zijn zusje voortdurend te coachen: hoe kan je slagen in de wereld, hoe kan je als vrouw slagen in de wereld, hoe kan je gelukkig worden? Want geluk is le bonheur, geluk is voor Stendhal een sleutelbegrip in zijn leven geweest. Hij heeft er veel aandacht aan besteed, er een hele filosofie omheen gebouwd. Hij laat ook zien hoe hij zeer verlicht over de

18/01/12 09:22


positie van de vrouw denkt. Eigenlijk zijn zijn brieven een soort van éducation sentimentale. Erwin

Hij wil haar eigenlijk vormen naar zijn eigenbeeld en gelijkenis? Jan

Ja, en hij is ook verliefd op zijn zuster. Hij zegt: “Je moet bij me komen wonen en ik zal je rondleiden in Parijs en je introduceren in de kringen”, enzovoorts.

agent zelfmoord pleegde in het begin van de Tweede Wereldoorlog. Dat is een thema van zijn hele leven geweest. Het is ook een soort haat-liefdeverhouding geweest. Hij verwenste haar natuurlijk om wat ze had aangericht, ze was altijd het superieure zusje geweest. Maar anderzijds laat het hem totaal niet onverschillig, hij ziet welke tragedie erachter zit en geeft aan dat zijn zus bepalend is geweest voor zijn beeld van de vrouw. Erwin

Erwin

Wat me opviel in veel van de fragmenten die je citeert in je boek is dat als ik niet wist dat de brief gericht was aan de broer of de zus, ik zou denken dat het aan de minnaar of minnares gericht is. Het zijn bijna liefdesbrieven. Jan

Ja, dat is iedere keer het geval. Dat is het geval met Flaubert en zijn zuster, met Mallarmé en zijn zuster. Dat is ook min of meer het geval met Rimbaud en zijn zuster, maar hier ging het voornamelijk van de zuster uit. Erwin

In hoeverre zijn die hevige emoties eigen aan het epistolaire genre zelf in de negentiende eeuw? Jan

Dat is niet alleen in de negentiende eeuw het geval. Als je bijvoorbeeld ziet hoe zo’n Willem Frederik Hermans zijn hele leven lang gebiologeerd is geweest door die wat oudere zuster van hem, die samen met een politie-

158

Toneelgeruis_8_2b.indd 158

Heb je ook voorbeelden van het omgekeerde? Waar het de zus is die de broer probeert op te voeden? Jan

Je hebt natuurlijk Elisabeth Nietzsche die voor een groot gedeelte probeert haar broer in een bepaalde richting te duwen. Niet alleen heeft ze haar leven lang geprobeerd om zijn filosofie te beïnvloeden en heeft ze zelfs toen hij gek werd en stierf de hele nalatenschap verknipt en naar haar eigen goeddunken ingericht. Maar het is ook zo dat ze razend jaloers was op het feit dat hij met Lou Salomé een verhouding kreeg. Dat accepteerde ze niet. Het is dus een soort amoureuze jaloezie die ze tentoonspreidt. Dat maakt het ontzettend boeiend als je je verdiept in die relaties. Erwin

Met Nietzsche kunnen we even terug de sprong maken naar de Griekse tragedie, waar jij je heel intens mee hebt bezig gehouden,

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Stefan. Daar zie je goed dat we – en misschien heeft dat wel te maken met de psychoanalyse – meer nadruk leggen op de incest tussen vader-dochter of moederzoon dan tussen broer-zus, terwijl die er ook wel degelijk is in de Griekse tragedie. Stefan

Er zijn volgens mij weinig harmonieuze broers en zusters in de Griekse tragedies terug te vinden. Toen we bij het avondeten een round up maakten, hadden we het al over het feit dat je eigenlijk voortdurend tegen een wereld opkijkt die gesloten is. Zeus verwekt samen met zijn moeder Rea Dionysos: de god van de seksualiteit en lust is dus al een kind van incest. Je ziet voortdurend dat soort dingen terugkeren. Medusa wordt lelijk en afstotelijk gemaakt en krijgt een doodsmasker waarmee ze, als de andere haar aankijkt, mensen doodmaakt. Ze wordt door Perseus misleid met een spiegel waarin ze zichzelf ziet en doodvalt van schrik. Het moment waarop ze zichzelf ziet, is van een diepzinnigheid die nog steeds niet is uitgespit of uitgeput. Er zijn drie zussen, en die drie worden de Gorgonen genoemd. Er zijn zussen die Erinyen zijn en die Eumeniden worden. Er is voortdurend sprake van zusters en broers. In de late fase van de Griekse mythe (400vC – de boom van de Griekse tragedie met Sophocles, Euripides en Aeschylus) moet men dit soort oude matriarchale verhalen inpassen in de nieuwe polis, de stadstaten die aan het ontstaan zijn en die patriarchaal

Toneelgeruis_8_2b.indd 159

gestructureerd zijn. Dat is een totaal andere verhouding want er moet plots rationeel worden geoordeeld over schuld en boete. Een heel belangrijke godin is dan plotseling Dike, een godin van het recht, terwijl het daarvoor over Dionysos ging. Zeer weinig over Apollo, het gaat bijna altijd over Dionysos: hij lacht altijd als laatste, hij krijgt altijd zijn gelijk, er vloeit altijd bloed en er is altijd dood en seksualiteit aanwezig. En hij weet het, hij wint het altijd van Apollo, zelfs door hem te misleiden, daar zijn geweldige voorbeelden van. Wat je bijvoorbeeld ziet in een van de meest dramatische tragedies die geschreven zijn over broer en zussen, Antigone van Sophocles, is dat een vrouw voor het extreme soort dilemma van een familie gesteld wordt. Haar broer Polyneikes heeft de stadstaat verraden en Kreon, de oom, wil hem niet begraven. Oedipus is inmiddels verbannen, Oedipus die nota bene de vader is van Antigone én haar broer: Antigone is verwekt door haar broer. Doordat Oedipus met zijn moeder heeft geslapen en daar vier kinderen heeft, moorden die kinderen elkaar uit. Waarom? Omdat de Griekse tragedies bulken van de antropologische taboes. Ik ben op oude plaatsen geweest zoals op Filitosa in Corsica, waar je nog ziet dat men de doden in grotten legt met van die holen in de steen. In bepaalde van die holen heeft men graanresten gevonden, in andere wijnresten en in andere mensenresten. De mensen bewaarden de doden dus bij zich, tot ze beseften dat dat besmettelijk is. En

18/01/12 09:22


160

Toneelgeruis_8_2b.indd 160

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 161

18/01/12 09:22


daar gaat de hele Antigone over. Die Polyneikes ligt boven de grond te rotten, maar hij is haar broer en Kreon zegt: “Hij moet rotten want hij is de verrader.” Waarom is Polyneikes de verrader? Het is een zaak waar men het weinig over heeft en die ik heb proberen uit te spitten. Men vergeet altijd dat Eteokles ook een verrader is; Eteokles moest na zeven jaar de macht afgeven aan zijn broer en hij doet dat niet. En daarom trekt Polyneikes tegen hem op. En dan wordt hij als de verrader gezien! Antigone zegt: “Ik zal hem begraven, wat je ook zegt, ik zal hem begraven want er mag geen besmetting zijn.” Het rare is dat Kreon haar veroordeelt tot het sterven in een grot ver van de mensen. Die besmetting heeft ook met iets anders te maken: het farmacon. De wraak van de goden moest altijd met iets anders worden goedgemaakt. Nu, deze hele familie is besmet en Antigone zegt op een bepaald moment – het Grieks is altijd heel delicaat om te vertalen, maar ze zegt ongeveer: “Ik heb bij hem gelegen.” Bedoelt ze daarmee: “ik heb getreurd naast hem”, of bedoelt ze daarmee wat de Bijbel daarmee bedoelt: “ik heb seks met hem gehad”? Er zijn een aantal interpreten die zeggen dat Antigone een incestrelatie had met Polyneikes. Jan

Ik kan hier even op aansluiten. Op achttienjarige leeftijd, in de zesde klas van het gymnasium, werd Antigone opgevoerd. Ik mocht zelf niet meespelen, ik was niet goed genoeg, maar het to-

162

Toneelgeruis_8_2b.indd 162

neelstuk maakte een gigantische indruk op me. Wat eigenlijk het meeste indruk maakte, was het fanatisme van Antigone om haar broer te begraven. Dat correspondeerde op een gekke manier met de wijze waarop mijn zusters – ik had inmiddels doden in de familie gehad – omgingen met de dood. Dat was op een veel betere manier dan mijn broers en ikzelf deden. Ik stond alleen onhandig toe te kijken en was bedroefd of in alle staten. Maar mijn zusters hebben mijn moeder gekleed, helemaal opgelegd… Dat was voor mij een enorme eyeopener. Daar zat een soort gewoonte in, een soort gemak, waarmee ze met de dood konden omgaan, veel gemakkelijker dan ik. Voor mij was mijn moeder iets anders geworden toen ze dood was. Mijn zusjes die koesterden dat, kleedden dat, maakten haar op. Dat was totaal iets anders. Erwin

In de Griekse tragedie was het natuurlijk ook zo dat het verzorgen van de doden een taak van de vrouw was. Stefan

Ik denk, als je gewoon psychologisch kijkt, dat vrouwen heel anders omgaan met het thema van de dood dan mannen. Ik denk dat mannen veel banger zijn voor de dood dan vrouwen, dat daarom ook de hele heldencultus is ontstaan van “zie mij ”, terwijl de vrouwen klaagvrouwen en verzorgsters waren. We hadden het er net nog over dat het vreemd is dat in het katholieke vocabularium broeders mannen

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


zijn die zich alleen terugtrekken in een klooster om te mediteren en zusters wezens zijn die verzorgen. Dat is allemaal toch nogal merkwaardig. Ik ben heel erg gefascineerd door de sporen van de oude matriarchaten in de beschaving, en je ziet die overal terug. Omdat vrouwen, voor men het verband tussen paren en baren kende, helemaal goddelijke wezens waren die op een bepaald moment opzwollen, om wat voor reden ook, en een levend wezen van tussen hun benen haalden. Je moet je voorstellen, voor men dat verband zag – antropologisch gezien – wat dat betekende: vrouwen waren de godinnen van de wereld. Het schijnt ook – Bachofen zegt dat in de negentiende eeuw in zijn boek Das Mutterrecht – dat de polis is kunnen ontstaan, dus de mannelijk gestructureerde samenleving, omdat de mannen het verband legden tussen paren en baren. En op dat moment wordt de vrouw natuurlijk een kruik voor de man. Zij wordt diegene die het leven draagt en doorgeeft. Het is alsof de mannen daar symbolisch gebruik van maken. Dat betekent natuurlijk dat de mannen altijd hebben geweten dat die vrouwen een band hebben met het leven geven maar daardoor misschien ook met het minder angstig omgaan met de dood. Ik zeg niet dat dat voor elk individu opgaat in de samenleving, maar dat dat toch wel dingen zijn die sluimeren, die diep in onze antropologie en onze psychologie zitten. En dat lijkt mij een heel diep iets. Je moet Arabische vrouwen eens horen zingen bij de dood.

Toneelgeruis_8_2b.indd 163

Jan

Ik heb als voorbeeld in mijn boek Rimbaud en zijn zuster. Rimbaud komt heel treurig aan zijn einde, zijn been wordt afgezet en noem maar op. Op het einde van zijn leven wil hij nog naar Marseille gaan om weer naar het MiddenOosten te reizen, maar dat lukt hem niet en zijn zuster gaat met hem mee. Uitvoerig heeft ze die treinreis van Noord-Frankrijk naar Marseille beschreven. Dat is een marteltocht geweest, die hobbelende trein, die haltes en haar broer die lag te ijlen. Isabelle verzorgt Arthur en koestert dat ook. Daar zie je hoe de zusterrol in de twee betekenissen – ook van zuster als verpleegster – serieus werd genomen door haar. Erwin

Wellicht is het geen toeval dat Musil een gedicht geschreven heeft over Isis en Osiris. De mythe speelt zich af in Egypte en Isis en Osiris zijn broer en zus. In de mythologie bestond het taboe incest zeker niet zoals wij dat nu kennen. Binnen het koninklijke huwelijk was dat zelfs precies wat moest gebeuren. Het is een bijzonder merkwaardig gedicht, je kan er heel veel kanten mee uit. Heel erg kannibalistisch… Stefan

Absoluut, het refereert aan zeer oude riten. Het is een gedicht dat natuurlijk getekend is door de neiging expressionistisch, heftig, à la Egon Schiele een portret neer te zetten. Ook bij Schiele vind je heel incestueuze zaken, en bij Kokoschka; het was echt een modesymbool. Freud was à

18/01/12 09:22


164

Toneelgeruis_8_2b.indd 164

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 165

18/01/12 09:22


la mode, en men stoeide nogal met die motieven. En je ziet dat dat hier ook gebeurt, maar tegelijk houdt Musil zich heel erg aan de Egyptische mythologie waarin het gesloten blijven, de incest, een garantie moet zijn voor autonomie, het is voorbehouden aan de goden. En dat is nu iets heel merkwaardigs, ook in de Antigone. Kreon, die Antigone moet beoordelen, zegt: “Jij denkt zeker dat jij een godin bent?” Nu, wat is de vloek van dat geslacht: ze doen wat de goden doen, zich voortplanten via incest. Wat ook de farao’s deden: het binnen de familie blijven trouwen opdat men de landgoederen niet zou verliezen. Het zit zelfs in bepaalde rijke Vlaamse families. Het is een oergegeven dat ook te maken heeft met territorium. En ik denk dat je daar op een belangrijk aspect komt: broers, zussen en territoria, bezit. We mogen dat bezit niet kwijtspelen. De hele Habsburgse dynastie bestaat uit verstandig trouwen met verre verwanten om grond in te pikken. Erwin

Alle koninklijke families zijn op een of andere manier met elkaar verbonden, omwille van dat soort huwelijken. Stefan

Onze Saksen-Coburgs zijn daar een goed voorbeeld van. Er is altijd, tussen aanhalingstekens, verstandig getrouwd. Erwin

Terwijl precies de democratie vraagt dat dat niet gebeurt. De democratie is eigenlijk een bot-

166

Toneelgeruis_8_2b.indd 166

sing met het aristocratische denken waarin dit soort huwelijk wel nog wordt voltrokken. Stefan

Het interessante is dat je dat in een democratie onderaan de samenleving ook ziet. Ik ben afkomstig uit Gent, ik heb daar lang gewoond te midden van de Turkse gemeenschap die ik daar heel goed ken. En als je met die jongens praatte, hadden ze allemaal graag van die Gentse liefjes. “Maar ik ga wel trouwen met een meiske van Diyarbakir, want wij komen vandaar. En da ga een serieus meiske zijn en een Turks meiske.” En dan zie je dat het een maagd moet zijn die moet worden geïmporteerd. Dat zijn voor ons moeilijke dingen om mee om te gaan. Het betekent: ik trouw uiteindelijk met iemand die behoort tot mijn culturele gemeenschap en ik meng niet. Er waren vroeger verboden over het trouwen van katholieke jongens met protestantse meisjes, en er zijn nu verboden vanuit islamitische ouders naar trouwen met een christelijk iemand. De vermenging is altijd beperkt. Jan

Wie dat schitterend heeft beschreven, is Couperus in zijn Boeken der kleine zielen, de vierdelige cyclus over een familie waarin je ziet hoe de aristocratie van de vader en de moeder langzamerhand gedemocratiseerd wordt en hoe je tenslotte komt bij de neefjes en nichtjes, de kleinkinderen die tenslotte een totaal andere levenswijze hebben. Dat spanningsveld zie je heel duidelijk in

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


dat boek. Het verhaal gaat over Constance van Looien, een getrouwde vrouw die een verhouding had met een andere man en daarom uitgestoten is uit de familie. Ze probeert, nu de vader gestorven is, terug te komen in de familie door elke broer en zuster te benaderen en te vragen of ze weer geaccepteerd zal worden. Erwin

Er is een ander verhaal in je boek dat me heel erg fascineerde, ook omdat we het gebruikt hebben bij het werken aan de voorstelling Het mystieke huwelijk, namelijk Agatha van Marguerite Duras. Marguerite Duras heeft een toneelstuk geschreven gebaseerd op het verhaal van Ulrich en Agathe uit Robert Musil. En we hebben dat gebruikt omdat Musil een man is van veel woorden, van een enorme retoriek terwijl Duras net de schrijfster is die alles in een paar woorden zegt en veel plek laat aan de stilte, aan wat er tussen woorden gezegd wordt. Dat vonden wij wel een mooi iets om uit te werken in de voorstelling. Maar ook de dingen die jij daarover zegt in je boek. Duras zegt een fascinerende zin die tegelijkertijd ook verbijsterend is. Ze zegt: “De incestueuze liefde is de ideale liefde, is de meest zuivere vorm van liefde.” Natuurlijk makkelijk gezegd, maar wat bedoelt ze daar precies mee? Wat zeg je als je dat zegt? Jan

Je moet het ook in de context plaatsen van die familie die in Indochina zit, totaal in de natuur. Het is bijna een Robinson

Toneelgeruis_8_2b.indd 167

Crusoe-verhaal. Het is een totaal geïsoleerde familie. Marguerite was nog een kind toen en haar broers jagen, vissen, leven als halve wilden en zij zit tussen die twee broers in. Ze vertelt op een gegeven moment dat ze met haar broer gaat slapen in het oerwoud. Dat zijn heel essentiële ervaringen voor haar geweest en ze heeft daar een connotatie van ongereptheid aan overgehouden. Ze las toen Musils Man zonder eigenschappen en ze was werkelijk verrukt over de wijze waarop hij over de liefde tussen broer en zus schrijft. Erwin

Ulrich en Agathe ontmoeten elkaar als ze dezelfde pyjama dragen; ze zegt: “ik wist niet dat we tweelingen waren”, waarop hij zegt dat zij de incarnatie is van zijn eigenliefde, waar je weer dat narcistisch beeld krijgt van het in de spiegel kijken. Ik wil dit aangeven om bij jou te komen, Stefan, en bij jouw boekje dat misschien minder gaat over broer en zus, dan wel over het verliefd worden van een man op twee zussen en die spiegel van de vervreemding daartussen: de Ismene-Antigone lijn, die nog iets anders is dan de AntigonePolyneikes lijn. Stefan

Ik moest ook nog denken aan het broer-zus verlangen en de zogenaamde paradijselijke connotaties die blijkbaar aan de incest kleven, ook voor Marguerite Duras. Dat zijn eigenlijk twee dingen. Over één hebben we het al gehad, de bijna narcistische

18/01/12 09:22


herkenning: “die is zoals ik, dus die zal mij wel begrijpen”, en dan eigenlijk nog een soort van projectie van het gelijkende in het gelijkende. Maar ten tweede is er ook het idee van het arcadische; ze hebben samen in de tuin gespeeld. Ze zijn samen zes, zeven, acht, negen jaar geweest: dus er is een soort van fysieke band aanwezig die voor de meesten van ons averechts werkt, waar we ons juist willen van losmaken, maar die voor sommigen net in die richting werkt, naar dat geslotene. En dat arcadische en narcistische gaan daarin samen. Jan

Even nog over Couperus: een leidmotief in deze vierdelige roman is dat Constance zich een situatie in India, in Buitenzorg, herinnert – en ook de broers herinneren zich dat – waarbij ze met haar broers in de rivier zwemt. Dat is een soort idylle en die komt steeds terug. Dat is voor haar een soort vast punt om te bepalen wat haar relatie tot haar broers is en voor de broers is het ook een mogelijkheid om een identificatie met de zuster te hebben. Erwin

Net zoals bij Agatha van Duras gaat het over een zomerdag aan zee waar broer en zus zijn gaan zwemmen en die dag wordt een soort arcadisch paradijselijk beeld van wat ooit kon / wat ooit is geweest en wat nu op elkaar wordt geprojecteerd. Stefan

Dit is een soort liaison dange-

168

Toneelgeruis_8_2b.indd 168

reuse. Ik moet plots denken aan Akka van Nabokov, waarin het gaat over het close zijn in de natuur en hoe dat soort van context alles sublimeert en hoe je dat met je meedraagt natuurlijk. Wagner had dat ook, Cosima moest een soort van zus voor hem zijn, Nietzsche had het, Lou Salomé was een soort van Schwesterseele en noem maar op. Het heeft ook vaak te maken met wandelen in een overweldigende natuur en daarin een gevoel vinden van zielsverbondenheid. Wanneer dat onder kinderen gebeurt, blijkt dat te kwadrateren als emotie. Maar dat is natuurlijk iets anders dan wat in mijn verhaal gebeurt. Hierin is sprake van een man die verliefd is op een zus en daarna verliefd wordt op haar jongere zus. Alleen weet die oudere zus dat wel, maar die jongere zus niet en dat heeft te maken met iets in de voorgeschiedenis van mijn familie. Een voorvader was op twee zussen verliefd, eigenlijk was hij maar op één verliefd maar zij is gestorven door de Spaanse griep in 1919. En hij is getrouwd met de zus die overbleef en eigenlijk een kneusje was, maar hij heeft haar uiteindelijk zeer graag gezien. Hij heeft van haar een zuster gemaakt terwijl ze samen, op zijn zeventigste, zaten te bidden op Allerheiligen voor die gestorven zus die al 50 jaar dood was. Dat is een heel eigenaardig beeld. Ik heb ook nog een vriend gehad vroeger die een relatie had met twee zussen. Het heeft mij altijd heel erg geïntrigeerd wat daar gebeurt. Een van de twee moet het oeridee van je verliefdheidgestalte zijn, en de andere moet er van

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


afgeleid zijn, denk ik dan altijd. Het kan niet dat ze allebei gelijk zijn. Het lijkt me verschrikkelijk om op een tweeling verliefd te worden, ze kunnen je voor de rest van je leven voor schut zetten. Dus het gelijkende / de identiteit komt daar in vraag. Wat is de identiteit van de gestalte die voor jou zo ideaal aantrekkelijk is dat je daar verliefd op wordt en wilt begeren, bezitten, liefhebben? Wat gebeurt daarmee als er één naast loopt die daar als twee druppels water op lijkt? Het lijkt me niet aangenaam voor je gemoedsrust, maar het komt geregeld voor. Ik heb dat ook in dit verhaal Je portret gestalte willen geven, waarin een man verliefd wordt op een meisje dat achttien jaar jonger is dan de zus, met wie hij ooit een relatie heeft gehad. Dit verhaal is gesitueerd in de toekomst, waarbij dat meisje bovendien breinweefsel heeft gekregen van haar zus bij haar geboorte, omdat er iets mankeerde. Ze is dus bijna een kloon van de zus. De oudere zus haat deze idee en gaat weg. Veel later bekent hij dat aan de jongere zus, wanneer ze gestorven is. Deze oudere zus, met wie hij eerst is geweest, en die sterft op het eind van de roman door vreemd toeval, heet Jelina – net zoals de hoofdpersoon van Het verborgen weefsel. Erwin

Vanwaar de fascinatie voor precies dit soort verdubbeling? Stefan

Precies vanuit die vraag naar identiteit. Als je verliefd op iemand wordt, en daar blijkt ie-

Toneelgeruis_8_2b.indd 169

mand te staan die daar als twee druppels water op lijkt, wat voor vraag moet je je dan stellen over de aard van die verliefdheid? Als er een stand-in mogelijk is, hoe stom is dan een verliefdheid? Dat je op een bepaalde gestalte, manier van praten, ogen, handen, haren, een hals, een knobbeltje op een pols,… waar word je verliefd op? De uniciteit van je verliefdheid wordt daardoor geweldig op de proef gesteld. Erwin

Dan komen we even terug op de broer en zus, want ook daar staat de uniciteit op het spel. Je bent uit hetzelfde opgebouwd, of behoort tot hetzelfde weefsel. Zit daar ook iets van dat soort spanning in: gelijk-verschil? Stefan

Ja, maar mijn ik-persoon in het verhaal is een voyeur van dit drama. Hij is een derde, een buitenstaander die daarvan profiteert als het ware. Het feit dat hij toegeeft aan dat meisje dat achttien is – terwijl die oudere zus hoogmoedig, minachtend staat te kijken – op het familiefeest, dat is voor mij een misdaad. Het is een zonde tegen de identiteit want de andere bestaat ook nog. Hij laat zich verleiden door het meisje van achttien omdat ze de onschuldige terugkeer is van de vrouw die hij schuldig acht, die te sterk is, die zuipt als een matroos, die rookt als een Turk, om alle clichés van stal te halen, en die een soort zwartharige dominante aantrekkelijke heks is geweest. En hij wordt verliefd op haar lieflijke jongere zus die

18/01/12 09:22


de incarnatie is, maar zonder de tanden. Daar gaat het mij om. Ik ben erg gefascineerd geweest door het boek Mannenfantasie van Klaus Theweleit waarin hij alle expressionisten doorlicht op hun fantasieën over vrouwen; die zijn niet fris. Hij gaat de fantasieën en de sentimenten door tot aan de nazi’s. Wat verlangen ze van de vrouw? En het gaat over de symbolistische vrouw. In mijn roman spelen de vrouwenportretten van Félicien Rops en Fernand Khnopff een grote rol. Wat hadden die prerafaëlieten met de raadselachtige vrouw en dergelijke? Dat zijn mannenfantasieën die je moet durven opensnijden om te kijken wat daarin zit. De herhaling van het identieke in die liefde is een vreemde obsessie. Je wilt het unieke en je wilt het gelijkende. Ik ben er zelf niet uit wat dat filosofisch allemaal betekent, maar ik vind het wel een fascinerend motief.

dat ze helemaal buiten je komt te liggen, ze is er niet meer. Ik weet nog heel goed: ik kon niet huilen bij haar begrafenis en dat vond ik iets verschrikkelijks. Nu blijkt dat Mallarmé dat ook had bij de dood van zijn zusje waar hij zo ontzettend veel van hield, dat hij niet kon huilen. Dat is misschien een heel normaal verschijnsel. Stefan

Mij deed het denken aan Antigone. Kreon vraagt haar: “Waarom heb je je leven over voor deze vuile verrader?” Zij antwoordt: “Had je mijn man vermoord, die kan ik altijd nog opnieuw hebben, kinderen kan ik ook opnieuw hebben, maar een broer kan ik niet opnieuw hebben.” Het gaat over een soort verlies dat fundamenteel is. Erwin

Opnieuw die uniciteit. Stefan

Je hebt het nu over een mannenfantasie, maar dat hoorde ik uiteindelijk ook een beetje in wat er werd gezegd over Stendhal en zijn zusje. Uiteindelijk is het ook een mannenfantasie want hij wil iemand creëren die in zijn verbeelding zit en die zij misschien helemaal niet is.

Ja, en die absolute verbondenheid vanuit dezelfde genetica. En de tragedie is op een bepaalde manier nog ingewikkelder, want de man met wie ze gaat trouwen heet Haimon en dat betekent bloed. Het zit helemaal raar in elkaar. Het is fundamenteel dat ze zegt “Dit is iets unieks wat wegvalt.”

Jan

Erwin

De dood van mijn zuster was voor mij een enorme belevenis. Ik begon toen na te denken over mijn verhouding met haar. Ik had haar sterven gevolgd, maar ineens werd zij een totaal ander wezen. Je kan het je voorstellen

Er is nog iets wat ik ter sprake wil brengen. Het heeft iets minder te maken met de echte, reële broer of zus, maar het is iets wat uit de psychoanalyse bij Jung komt, de animus/anima. Hij ontwikkelt het idee dat iedere man ook een

Erwin

170

Toneelgeruis_8_2b.indd 170

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 171

18/01/12 09:22


Bij Musil hoor je hetzelfde verhaal. Hij heeft als kind op een bepaald ogenblik ook meisjeskleren willen dragen. Dat is voor hem ook het zoeken geweest naar die zuster en dat heeft hij dan uitgewerkt in die Ulrich-Agatha relatie.

van het andere geslacht die het meest dichtbij en intiem is, die je in pyjama ziet lopen, die je misschien in de badkamer ziet. Zeker in de puberteit heeft dit een revelerend effect. Ik herinner mij dat ik voortdurend gek werd van de vriendinnen van mijn oudste zus. We zijn ergens in de jaren zestig, ik was vijftien jaar, de Beatles op de radio, mijn zus op zaterdag die haar haar crepeerde, de tijd van de Supremes “Can’t hurry love”, en dan die vriendinnen van haar daarbij op zaterdagmiddag en die nagels lakken. Daar sta je als jongen van een paar jaar jonger op te kijken: wat een wereld is dat? Dat heeft een bepaald fantasme in zich, je zus brengt het andere binnen. En ergens denk ik dat dat beeld, van die anderen die worden meegebracht, zich vermengt met wat die zus zelf betekent. Daar begint volgens mij het hele ding in het fantasme te draaien. Waar de buitenwereld en de binnenwereld zich vermengen en waar je in bepaalde verliefdheden denkt “die heeft blijkbaar iets van mijn zus”. Niet dat ik incestueuze verlangens heb, maar ergens… Het is wel veel subtieler dan Freud dacht. Daar ben ik van overtuigd. Maar ergens heb ik iets meegenomen van dat beeld, dat ook een beeld van belofte is van de buitenwereld. Dus die zus of die broer is binnenwereld en belofte op de buitenwereld tegelijk. Ik denk dat dat zeer complex in elkaar zit in onze emotionele kelders.

Stefan

Erwin

De zuster is natuurlijk voor veel jongens, en vice versa, diegene

Zeker wanneer het verschil in jaren niet te groot is, maar ook

soort van vrouwelijk ziel heeft en iedere vrouw een mannelijke ziel. Een soort van innerlijke broeder of innerlijke zuster waar we een soort verhouding mee moeten hebben, willen we in evenwicht blijven. Zien jullie een verband tussen de innerlijke zuster en de reële zuster? Dat ze er, in het beste geval, de incarnatie van zou zijn of dat ze dat, in het slechtste geval, niet is waardoor het hele evenwicht, ook het innerlijke, verstoord wordt. Jan

Ik herinner me dat ik – geïntrigeerd als ik was door de wereld van mijn zusters – op een gegeven moment de neiging kreeg om een jurk en ondergoed van mijn zuster aan te trekken. En te voelen hoe het is om een vrouw te zijn. Ik herinner me dat moment nog goed. Het was een soort experiment, ik wilde dat voelen, hoe zacht dat was. Ik heb mezelf in de spiegel bekeken, me zelfs wat opgemaakt. Ik heb lippenstift gebruikt en mijn wenkbrauwen aangetipt. Dat was echt een poging om in die zusterwereld te komen. Erwin

172

Toneelgeruis_8_2b.indd 172

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


niet te klein is. Zodat je net kan bewonderen, maar toch nog in de buurt bent. Jan

En o wee als je, zoals ook in mijn boek beschreven is, zoals Carry van Bruggen en Jacob de Haan alle twee in hetzelfde jaar geboren bent, allebei in 1881. De een in januari, de ander in december. Ze werden als tweelingen beschouwd, hun levens lopen in grote opzichten parallel met elkaar. Dramatisch is het moment in die broer-zusterverhouding, als plotseling de broer overlijdt. Hij wordt in Palestina vermoord door de zionisten. Hij is zelf als zionist naar Palestina gegaan. Carry van Bruggen schrijft een roman, Eva, waarin ze de dood van haar broer beschrijft en wat voor inwerking dat op haar heeft gehad. Dat is een verschrikkelijk drama geweest, vooral omdat het een soort tweeling was. Ze spiegelden zich voortdurend aan elkaar: wat de een schreef, las de andere en noem maar op. Dat was een voortdurende uitwisseling van ideeën en van gedachten en plotseling wordt dat afgebroken. Ze schrijft erover en een paar jaar later wordt ze zelf psychotisch en maakt ze er ook een einde aan. Dat is een voorbeeld van hoe close en intiem en indringend dat kan zijn. De roman Eva is gepubliceerd in 1927, haar broer was toen drie jaar dood. Haar broer, een homoseksueel, heeft een rationeel huwelijk met een vrouw, Heleen. Die vrouw komt bij de zuster, Eva. En vraagt of ze de plaats mag zien waar ze samen opge-

Toneelgeruis_8_2b.indd 173

groeid zijn. Carry herkende zich totaal in die broer. Beiden waren kinderen van een Joodse voorzanger, beiden hebben te maken gehad met een vervelend antisemitisme. Beiden hebben dat proberen te verwerken, beiden hebben zich proberen af te keren van het Joodse geloof, beiden keren weer terug, beiden gaan weer weg ervan. Die zoektocht hebben ze gemeenschappelijk en het is heel voor de hand liggend dat als de broer dan sterft, ook zij er een eind aan maakt. Dat is in biografisch opzicht bijna een soort vanzelfsprekendheid. Van Bruggen heeft het in haar roman over “het zich steeds herstellende, zich nooit herstellende evenwicht”. Erwin

Misschien is dat wel een heel mooi moment om – zeker met de formulering “het zich steeds herstellende, zich nooit herstellende evenwicht” – het laatste woord van vanavond te zeggen over broer en zus. Ik hoop dat we wat helderheid hebben kunnen brengen, hoewel dat misschien niet de bedoeling was. 4 oktober 2011 Met dank aan stagiaire Assia Bert

18/01/12 09:22


174

Toneelgeruis_8_2b.indd 174

het verborgen weefsel

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 175

18/01/12 09:22


Toneelgeruis_8_2b.indd 176

18/01/12 09:22


CONTROLEVERLIES In mei gaat het derde deel van de Musiltrilogie in première onder de titel De Misdaad. Toneelhuis vroeg aan Yves Petry, schrijver van de roman De maagd Marino (waarvoor hij de Libris Literatuur Prijs kreeg), om het sluitstuk van de trilogie te schrijven. Met het theater begeeft Petry zich op onbekend terrein. In onderstaande beschouwing vraagt hij zich af wat het voor zijn schrijven betekent dat zijn woorden uitgesproken gaan worden door acteurs. Moet je dan minder zorgvuldig of precies nog zorgvuldiger gaan schrijven?

Toneelgeruis_8_2b.indd 177

18/01/12 09:22


Als romanschrijver weet ik vrij precies hoe ik moet schrijven: zo goed als ik kan en liefst nog een beetje beter. Als toneelschrijver met maar heel weinig ervaring voel ik me minder zeker. De oorzaak van mijn twijfel ligt in het aantal schakels tussen mij en het publiek. Wanneer ik een roman af heb en ook de uitgeverij er klaar mee is, hangt het, afgezien van de storende of sturende invloed van de media, van de tekst af of ik de aandacht van de lezer zal winnen, houden of verliezen. Natuurlijk ook wel van zijn ontvankelijkheid en interpretatiekunst, maar daarvoor kan ik niet verantwoordelijk worden gehouden. Alleen de tekst die ik op hem loslaat, controleer ik in principe tot op de komma. Ik probeer dan ook, althans voor mezelf, elke komma te rechtvaardigen, elke ingeslagen richting in het labyrint der woorden. En als de keuze voor deze of gene constructie in wezen zuiver toevallig is, lees en herlees ik de betrokken zin tot ik in zijn vorm iets als een noodzaak meen te ontwaren. Ja, minstens de helft van alle schrijfarbeid bestaat uit het sussen van het artistieke geweten. Je verdraagt het niet goed dingen aan het toeval te hebben overgelaten, je wil het allemaal bewust zelf gedaan hebben. Maar heeft die houding veel zin bij het schrijven van een theatertekst? Tussen mij en de uiteindelijke begunstigde van de artistieke prestatie, meer bepaald de theaterbezoeker, staat een productieketen die uit meer schakels bestaat dan bij de productie van een roman. Allerlei personen, die stuk voor stuk niet minder dan de schrijver behept zijn met een artistiek geweten, hebben een beslissende inbreng in het eindresultaat. De regisseur en zijn ploeg creĂŤren het ritme en de ruimte waarin de tekst in geluidsgolven zal worden omgezet. De acteurs zullen de in gelinieerde rechthoeken gevatte tekst een tweede leven bezorgen door middel van stem, houding en gebaar, en alle geraffineerde uitdrukking die ze daarin kunnen leggen. Bovendien weet ik waartoe die acteurs in staat zijn. Ik heb ze al aan het werk gezien. De betekenis van hun woorden kwam me soms nogal banaal voor in verhouding tot de kracht van hun spel. Ze gaven me de indruk dat ze niet eens een echte tekst nodig hadden om een publiek te boeien. Ook aan een reeks zinloze klanken zouden ze zoveel expressieve variatie

178

Toneelgeruis_8_2b.indd 178

controleverlies

18/01/12 09:22


kunnen geven dat de toeschouwer zich volledig zou ondergedompeld voelen in het drama hoewel hij er letterlijk niets van begrijpt. Alsof het er bijna niet toe doet wat ze zeggen. Waarom zou ik me dan me nog om elke komma druk maken, waarom een uur lang broeden op één adjectief? Wie hoort die komma, wat betekent dat adjectief in de enscenering van het totaalspektakel, in de onvoorspelbare ambiance van de uitvoering? Ik kan me misschien beter gewoon ontspannen in het vooruitzicht dat mijn tekst in zo’n deskundige handen zal vallen. In werkelijkheid gebeurt juist het omgekeerde. Terwijl ik doorgaans al enige moeite heb om me erbij neer te leggen dat ik het brein van de lezer niet kan beheersen, valt me dat bij deze bijzondere lezers nog zwaarder. Hun leeservaring is niet privé maar zal leiden tot een voorstelling op een podium. Ze mogen geen fouten maken, toch niet met mijn woorden. En elke fout die ik zelf maak, zal door hun spel dramatisch worden uitvergroot. Daarom ben ik geneigd het hoe en waarom van mijn formuleringen nog zorgvuldiger te overwegen dan anders. Als toneelschrijver heb ik minder controle op het eindresultaat dan als romanschrijver, maar mijn verlangen daarnaar wordt groter. Als gevolg daarvan word ik er mij uiteindelijk nog scherper van bewust dat het onmogelijk is iets te schrijven dat eenduidig is en toch niet banaal, boeiend en toch niet meerzinnig. Als mijn tekst werkelijk ademt, retorische spankracht en theatraal effect heeft, dan komt dat omdat hij vatbaar is voor interpretatie en hij de dubbelzinnigheid of onduidelijkheid of vaagheid bezit waardoor het laatste woord nooit kan worden gezegd. Omdat hij tot op zekere hoogte het karakter heeft van een reeks zinloze klanken. Soms moet je durven springen zonder te weten waar je zult landen. Vertrouw op de acteurs, vertrouw op de goden, vertrouw op de regisseur, vertrouw op het publiek. Wat je denkt te willen of te moeten zeggen, is nu en dan ondergeschikt aan hoe anderen het begrepen en gezegd zullen hebben. Yves Petry november 2011

Toneelgeruis_8_2b.indd 179

18/01/12 09:22


3dePartij 3dePartij ondersteunt projecten uit de vredesbeweging in Israël en Palestina en wil een stem geven aan vredesactivisten van beide partijen die kiezen voor dialoog. De naam 3dePartij verwijst naar de overtuiging dat wij van hieruit, als derde partij, een belangrijke rol kunnen spelen in conflicten waarbij bevolkingsgroepen – zoals in het Midden-Oosten – vastzitten in een soort deadlock. 3dePartij is een privé-initiatief van vijf personen: Karin Heremans (directrice Koninklijk Atheneum Antwerpen), Mohammed Filali (hoofddocent islam Koninklijk Atheneum Antwerpen), professor Rik Coolsaet (UGent), Simone Susskind (mensenrechten- en vredesactiviste) en Lukas Pairon (directeur muziekensemble Ictus en Music Fund). Tussen 2009 en 2012 nodigt 3dePartij – dankzij de steun van de Provincie Antwerpen – regelmatig vertegenwoordigers van de Israëlische én Palestijnse vredes- en mensenrechtenbeweging die kiezen voor dialoog uit om naar Antwerpen te komen. Zij lichten hun initiatieven en hun kijk op de zaak toe in scholen en verenigingen, en ook telkens in de zalen van Toneelhuis of Monty. Het ging over de volgende verenigingen: Physicians for Human Rights, MachsomWatch, Combatants for Peace, Shministim, Parents Circle, Popular Committees for Non-Violent Resistance (Bil’in & Al-Ma’sara), Rabbis for Human Rights, Peres Center for Peace, Breaking the Silence, Sadaka Reut, B’tselem, Windows for Peace en Active Stills. Een paar procent Israëli’s en Palestijnen zijn op een proactieve manier tegen geweld en voor dialoog die naar een duurzame vrede kan leiden in de regio. Gekoppeld daaraan werden drie zomers na elkaar (sinds 2010) jongerenreizen naar Israël en Palestina georganiseerd voor net afgestudeerden van middelbare scholen uit Antwerpen en omgeving. De jongeren die in dit interview aan bod komen, maakten deze reizen mee in 2010 of 2011. www.facebook.com/3departij3rdparty

Toneelgeruis_8_2b.indd 180

18/01/12 09:22


Š Lukas Pairon

Toneelgeruis_8_2b.indd 181

18/01/12 09:22


gezocht en gevonden: mensen in dialoog in Israel

Toneelgeruis_8_2b.indd 182

18/01/12 09:22


en Palestina met: Farah El Bastani, Kim Franck, Kevin Joos, Lenie Hollants, Julie Mallentjer, Habib Mehinbašic´, Aline Remes, Vicky Ringoet, Asmaa Sebti, Sarah Sebti door: Lukas Pairon, initiatiefnemer van het project ‘3dePartij’

Toneelgeruis_8_2b.indd 183

18/01/12 09:22


De jongerenreizen zijn voor 3dePartij het belangrijkste onderdeel van heel het project: zeven dagen rondreizen in IsraĂŤl en Palestina (Westbank), rechtsreeks in contact komen met mensen ginder in hun eigen biotoop. Een aantal zaken zijn zo moeilijk te verstaan van hieruit, de problematiek van de muur en waar die staat, al die verschillende mensen die uit allerlei verschillende culturen komen. Als je daar dan bent, kan je daar een beetje een idee van krijgen. We verwachten niet dat de deelnemende jongeren, na zeven dagen rondgereisd te hebben, terugkomen met het idee dat ze de situatie snappen. Als dat zou kunnen, dan zou het er ginder al lang heel anders hebben uitgezien. Hoe was dat voor jullie?

Š Lukas Pairon

lenie Ik had het gevoel dat ik met meer vragen dan antwoorden terugkeerde. Je ziet zoveel facetten van het probleem en dat roept nog meer vragen op. kevin Voor mij kreeg het conflict dankzij deze reis een grotere dimensie. Ik kan het probleem nu een beetje beter uitleggen aan

mensen die er helemaal niets over weten, maar het probleem wordt ook groter, omdat je er, zoals Lenie zei, andere facetten van ziet. lenie Wanneer er nu iets in de media over verschijnt, is mijn aandacht direct getrokken. Ik blijf het op de voet volgen. Ik lees er meer over. Maar wanneer ik erover praat, merk ik wel dat het voor anderen een vervan-mijn-bedshow is. Dat is het voor mij helemaal niet meer. kevin Ik heb er met veel mensen over gepraat, en mensen denken dat het een akelig gebied is om in te zijn, en vinden het raar dat je er geweest bent, terwijl het ook een heel erg boeiende ervaring voor mij was. Ik heb veel interessante mensen leren kennen, met wie ik nog altijd in contact ben via Facebook. Het gaat me denk ik echt heel lang bijblijven. Voor ik deze reis maakte, zou ik er me er niet meer vragen bij gaan stellen. Nu is het een natuurlijke reflex geworden er dan wel over te lezen. Ik voel me meer betrokken, en wil er meer van weten. kim De reis heeft zeker een en ander duidelijk gemaakt. Ik snap de situatie zeker niet

184

Toneelgeruis_8_2b.indd 184

3departij

18/01/12 09:22


helemaal en ik denk dat niemand die ooit 100% zal snappen. Sinds de reis erger ik mij wel aan mensen die ‘domme’ en ‘foute’ uitspraken doen over het conflict tussen Israël en Palestina, terwijl ze er nog nooit zijn geweest of nog nooit met inwoners van die landen hebben gesproken. habib Ik ben er zelfs 100% zeker van dat wij niet alles snappen. Het vreemde is dat ik voor de reis meer het gevoel had dat ik alles snapte, dan nu na de reis. Wat wel zo is, is dat we nu wel een beetje beter weten waarover het gaat, bijvoorbeeld wanneer gesproken wordt over de grenzen van eind jaren zestig. vicky Goh, ik denk inderdaad dat als wij als buitenstaanders het direct zouden snappen, het probleem al lang opgelost zou zijn. Je hebt er veel langer dan die ene week, een maand of ik weet niet hoe lang voor nodig. Ik vond het in elk geval heel leerrijk en heb er echt van ‘genoten’, in de zin van: ik heb heel veel bijgeleerd en ben ontzettend blij dat ik ben meegeweest. Het was zeker niet altijd leuk, we hebben dingen gezien die ik nooit van mijn leven zal vergeten, en daar ben ik heel blij om. asmaa Het enige wat ik kan zeggen, is dat er een groot verschil is tussen enerzijds over de situatie te horen en anderzijds om het zelf te zien. Ik dacht dat het simpel was om een oordeel te vellen over de situatie, maar besef nu dat het heel moeilijk is. Er zijn zoveel aspecten aan het conflict. julie De situatie blijft onduidelijk. Maar na zeven dagen rondreizen, begrijp je de situatie wel een beetje, omdat je er met zoveel verschillende mensen in contact komt. Wat is je het meest bijgebleven? De verscheidenheid van dat gebied. Tel Aviv at night (discotheken) tegenover Al’Masara at night (complete duisternis). De attitude bij de Klaagmuur tegenover de attitude in de Al-Aqsa moskee. En toch

aline

Toneelgeruis_8_2b.indd 185

ook dat de twee kampen veel gelijkenissen vertonen. In het standpunt van de vredesactivisten is dat voor de hand liggend. Maar ook de “zionisten” en de “terroristen”, om het nu even heel cru en ongenuanceerd te brengen, hebben dezelfde argumenten. Ze zijn vergeten elkaar te zien als mensen, meer nog, als levende wezens. Maar ik geloof dat dat niet zo vreemd is, na decennialang brainwashing door de Israëlische regering enerzijds en onderdrukking aan de Palestijnse kant anderzijds. Daarom is het net des te ongelooflijker dat er tóch activisten zijn die over de brainwash heen in dialoog durven te treden. Dat is niet voor de hand liggend als het merendeel van de mensen in je omgeving dat als landsverraad beschouwt. kevin Een van de laatste momenten van de reis. Toen we die film over de checkpoints bij MachsomWatch gingen bekijken. Dit was voor mij een heel intense ervaring. En toen we anderzijds in Nazareth spraken met Arabische jongeren, was dat iets heel anders. Je merkt dat zij nog een normale jeugd hebben. Dat contrast blijft bij. lenie Ontmoetingen met verschillende mensen, hoe warm ze zijn. Wat me verbaasde, ze leven in zo’n afschuwelijk verscheurd gebied, en zijn toch zo open voor ons, buitenlanders, die komen kijken hoe het zit. kim Wat mij het meest is bijgebleven, is de gastvrijheid van die mensen, terwijl sommigen echt niet veel hebben. Wat mij ook erg is bijgebleven zijn de omstandigheden waarin sommige mensen kunnen overleven en toch heel positief blijven en willen verder gaan met hun leven. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het bezoek aan de mensen in het voor de zoveelste keer verwoeste dorpje in de woestijn. sarah Hoe moeilijk het is om de situatie te begrijpen, en hoe aangrijpend het is om te zien hoe dicht de Israëli’s en de Palestijnen bij elkaar wonen, maar elkaar niet kennen. Het zijn volkeren die gewoonweg het liefst in vrede zouden willen leven, maar door

18/01/12 09:22


politieke geschillen is dit helaas onmogelijk. Ik vond de Palestijnse en Israëlische organisaties die samenwerkten om vrede te kunnen hanteren het mooist van de hele reis. Wat ik niet zo snel ga vergeten zijn de checkpoints, we zagen een film waarop we te zien kregen hoe de Palestijnen behandeld werden aan het checkpoint (van Qalandia), en dat vond ik enorm aangrijpend. Het is een prachtig gebied en beide groepen moeten water bij de wijn doen om vrede te kunnen bereiken. habib Als ik erop terugblik is er niet één zaak die mij is bijgebleven, want elke dag van onze trip was een ontdekking die weinig mensen in hun leven mogen meemaken. Dus een keuze maken, en zeggen “dit verhaal is mij bijgebleven” is heel moeilijk. Wat mij wél is bijgebleven, en dat is dan meer in het algemeen, is hoe de mensen HOOP en GEDULD blijven hebben. Hoop op een betere toekomst. Zo ook de dorpelingen van Bil’in, die jaren na elkaar elke vrijdag bleven protesteren – op een vreedzame manier – enkel en alleen om een stuk van hun eigen grond terug te krijgen. Maar zo ook de bedoeïenen wiens dorp meer dan twintig keer werd verwoest en herbouwd. Uit noodzaak moesten ze zich terugtrekken tot bijna in hun kerkhof om er te blijven wonen. Ondanks alle aanvallen blijven zij hopen dat er een dag komt dat ze vrij kunnen leven in menswaardige omstandigheden op hun eigen land. vicky Zonder twijfel ons bezoek aan Susya, en ons bezoek aan Beit Umar, en onze verblijven, eigenlijk alles een beetje. Maar Susya en Beit Umar toch het meeste, het zijn twee heel andere situaties, maar toch beide best wel, op een andere manier, schrijnend. Wat mij ook heel erg is bijgebleven, is de attitude van de mensen, ik begrijp niet hoe ze het kunnen, maar ze komen nog altijd heel positief over. Ze zijn optimistisch en dat vind ik heel knap. Al die mensen hebben al zo veel meegemaakt, dat ik het echt niet snap. Ik heb ONTZETTEND veel respect voor de mensen daar. Echt chapeau! farah Wat is me niet bijgebleven, zou een betere vraag zijn. Het sterkste vond ik de hoop

186

Toneelgeruis_8_2b.indd 186

die mensen nog koesterden voor een betere toekomst. Al zit er al jarenlang geen vooruitgang in, toch blijven ze erin geloven. Dat er ook nog Israëliërs zijn die hun eigen land aanklagen en met de wantoestanden niet akkoord gaan, is ook mooi. Dat zij dan nog bereid zijn de handen in elkaar te slaan met Palestijnen, is prachtig. Je ziet er dat je niet iedereen over één kam kan scheren. Mensen die geloven in dialoog zijn er nog aanwezig en hopelijk krijgen zij snel de bovenhand.   julie Toen we in Palestina waren, gingen we een wandeling maken door het gebied waar veel demonstraties gebeuren (het Palestijnse dorpje Bil’in). Er lagen overal lege hulzen van traangas. Op een bepaald ogenblik stonden we dicht bij een settlement. Het gaf een vreemd gevoel dat deze mensen een stukje Palestina “afpakken”. asmaa Tijdens onze dagtrip met MachsomWatch kwamen we bij een huisje van Palestijnse bewoners. Het was volledig omheind. Het was om de settlers te ‘beschermen’. De bewoners van dat huisje moesten telkens het leger bellen als ze naar buiten wilden gaan, dan kwam het leger de sleutel brengen. Alsof dat niet erg genoeg was, mochten alleen de bewoners van dat huisje het huis binnentreden. Dat vond ik zo erg, ik heb me proberen in te beelden hoe ik me zou voelen, maar kon dat niet. Het idee dat er geen bezoek kan komen, dat ik niet vrij ben om te gaan en staan waar ik wil en wanneer ik wil is onbegrijpelijk. We vinden het belangrijk dat we tijdens die reizen ook bij mensen thuis logeren. Hoe is dat voor jullie geweest? Zeer belangrijk, want dankzij die overnachtingen bij mensen thuis hebben we vrienden die we vandaag nog steeds horen. Mijn zus is vorig jaar op eigen initiatief teruggekeerd naar haar gastgezin in Nazareth. We hebben een hele goede band met hen en ze behandelden ons tijdens de reis al meteen als familie. Het verblijf bij de gastgezinnen maakt de reis

sarah

3departij

18/01/12 09:22


unieker want het zet je een stapje dichter bij de werkelijkheid, en zo leer je het land beter kennen. aline Dat was voor mij het bijzonderste aan onze reis. Overdag is het programma zo druk, er is geen moment voor bezinning, laat staan dat er tijd is om alles van je af te zetten en het gewone leven daar even in beschouwing te nemen. Dat kan dus wel ’s avonds. Wij werden overal verwelkomd als oude vrienden, ik voelde mij in die mensen hun huizen meteen thuis. En hoe verschillend die huizen onderling ook waren – en hoe sterk ze verschillen van onze eigen huizen met plasma-tv – toch voel je, wanneer je de alledaagse werkelijkheid van een ander binnenstapt, de verbondenheid met anderen. Dan groeit pas het besef dat de verschillen écht niet zo groot zijn, hoe groot ze dan ook mogen lijken. kim Je krijgt een totaalplaatje van hoe mensen daar dag in, dag uit leven en je leert ook een beetje van hun gewoonten en cultuur. habib De avonden waren minstens zo belangrijk als de dagen zelf. We konden op een informele manier met de Israëli’s en Palestijnen praten. Wat we ook merkten, is dat de mensen gelukkig waren dat wij hun gast wilden zijn. Dat wij naar hun verhaal wilden luisteren, en dat het ons allemaal interesseerde. Dit geluk was niet alleen te merken aan de manier waarop men ons probeerde te verwennen, in de mate dat het mogelijk was voor hen, maar vooral aan hun gezichtsuitdrukking. julie Ik vond het zo interessant dat we bij mensen thuis sliepen. Zo kwam je meer in contact met de mensen buiten je groepje en hoorde je hoe zij het hele gebeuren meemaken, of hoe zij er niet aan proberen te denken. vicky Het was fantastisch. Bij de mensen thuis kom je veel meer te weten van de mensen. Je krijgt een betere visie over de ideeën die de mensen over de situatie hebben. Je krijgt ook een stuk cultuur mee op deze manier, een stuk van het dagelijkse le-

Toneelgeruis_8_2b.indd 187

ven, dat je niet te zien krijgt als je op hotel logeert. Ik vond het fantastisch om feiten uit te wisselen over het leven hier en het leven daar, om te praten met de mensen en hun verwondering te zien over dingen als geloof, eetgewoontes en gastvrijheid. farah Het logeren bij mensen thuis was een van de belangrijkste dingen. Ik denk dat we bij die bezoekjes en overnachtingen vaak veel hebben bijgeleerd. Het was de ultieme kans om mensen persoonlijkere vragen te stellen, te kijken hoe zij (over) leefden in de situatie. Van beide kanten waren de mensen bijzonder gastvrij. Nooit eerder heb ik zulke gastvrijheid geproefd. En allemaal waren ze oprecht geïnteresseerd  in onze  ideeën  en meningen. Dat was geweldig.   asmaa Ik vond het een slimme zet, vond het ook heel belangrijk dat we bij mensen thuis konden logeren, want je kon zo zien en voelen hoe die mensen leefden. Je kon ook echt discussiëren, vragen stellen. Maar het belangrijkste was dat je de gelegenheid had om vrienden te maken. De belangrijkste kapstok van 3dePartij gaat over het opzoeken van mensen in dialoog en ontmoetingen met hen creëren. Ook tijdens de reizen naar Israël en Palestina wordt hierop de nadruk gelegd. Wat is jullie daarvan bijgebleven? Dat er een consensus bestaat bij de activisten die in dialoog staan. Ze geloven volgens mij allemaal dat er via dialoog en contact stilaan een mentaliteitsverandering op gang komt. Dat vind ik mooi, dat geleidelijke. Evolutie. Naar een staat waarin iedereen tevreden is met de situatie. Behalve de settlers, de zionisten. Maar die zitten dan waarschijnlijk wel in de gevangenis. lenie Wat mij toen vooral is bijgebleven is dat ze ondanks alle taalmoeilijkheden de moeite doen om de boodschap van dialoog en samenwerking over te brengen. Ik vond aline

18/01/12 09:22


dat heel aandoenlijk. Er werd naar alle mogelijke talen vertaald, wat niet altijd even vlot verliep maar er werd tijd voor gemaakt. lukas En dan was er Sderot, een stadje dat naast Gaza ligt en eigenlijk alle raketten op zijn dak krijgt. De bushokjes zijn bunkers geworden, zelfs de speeltuin voor de kinderen moet eraan geloven. kevin Ik vond dat zo raar en akelig. De speeltuin is zo beschermd, maar ze proberen er toch iets moois van te maken. sarah Dat er nog steeds mensen zijn die zich willen inzetten voor de vrede, en daar heb je een sterk karakter voor nodig. Men moet weten dat zowel langs Israëlische als langs Arabische kant er steeds propaganda op tv is, die de andere groep in slecht daglicht zet. Je moet dus intelligent genoeg zijn om te beseffen dat dit niet waar is, vooral in dat gebied waar je van jongs af aan al leert dat de ander de “vijand” is. Zo leerden we ginder ook Parents Circle kennen, een vereniging waarbij de leden, Palestijnen en Israëli’s, langs beide kanten familieleden hebben verloren, maar toch kozen voor de weg naar vrede en samenwerking in plaats van de weg naar haat. Dat vond ik enorm mooi om te zien. kim De mensen die in Antwerpen zijn komen spreken en die we ginder ontmoetten, vertellen op een positieve (en soms grappige) manier, terwijl het conflict een ernstig probleem is en die mensen al afschuwelijke dingen hebben meegemaakt, zoals de mensen van Parents Circle. De sprekers tonen ook vaak hoop dat het probleem ooit opgelost geraakt. habib Het is ongelooflijk dat die mensen zich nog blijven inzetten om toch een dialoog te blijven voeren. Vaak zijn zij één of meerdere naasten verloren. Dit kunnen zowel Palestijnen als Israëli’s zijn. Ik vraag mij af of ikzelf nog dialoog zou kunnen voeren met “de anderen” als bijvoorbeeld mijn broer vermoord is geweest. vicky Van de lezingen zijn mij vooral de mensen van Parents Circle en ook Breaking

188

Toneelgeruis_8_2b.indd 188

the Silence bij gebleven. Deze lezingen vond ik enorm pakkend. Ik heb immens veel respect voor deze mensen, dat ze het kunnen volhouden, en dat ze blijven hopen, en dat ze hun verhaal kunnen doen, want dat is ook niet zo evident. farah 3dePartij is een fantastisch concept. Mensen hier in België de kans geven om vredesactivisten van zowel Palestina als Israël te leren kennen is uniek. En het beste is dat dit geen willekeurige organisaties zijn maar groepen die geloven in dialoog en dit ook effectief uitvoeren. De sessies die ik heb bijgewoond waren steeds heftig vanwege de verhalen en de reacties uit het zeer gemengd publiek.   asmaa De wonderbaarlijke oma’s van MachsomWatch ga ik NOOIT vergeten! Hoe zij zich engageren voor de Palestijnse bevolking is gewoon super! Je kon echt zien en voelen hoeveel passie en tijd zij spendeerden om de Palestijnen te helpen. Het woord “opgeven” kennen ze echt niet. Ik zal altijd respect hebben voor die oma’s. Onbewust hebben ze me een beetje veranderd julie De vereniging Parents Circle heeft een sterke indruk nagelaten. Het zijn allemaal mensen die een familielid hebben verloren tijdens deze strijd. En het verbaast me dat ze nog in dialoog kunnen geloven en dat ze niet op wraak uit zijn. Ze proberen er samen iets aan te veranderen. Denk je dat de reis een invloed kan hebben op je eigen toekomst? Ja! Ik denk van wel. En ik zal zeker ook de situatie blijven volgen. lenie Absoluut! Ik ben nu voor dokter aan het studeren en ik zou heel erg graag bij Artsen zonder Grenzen aan de slag gaan, of bijvoorbeeld bij Physicians for Human Rights die actief zijn in Israël. Het zou fantastisch zijn als ik zoiets zou kunnen doen. Zij organiseren wekelijks een soort mobiele aline julie

3departij

18/01/12 09:22


kliniek, die actief is in de West Bank. Zij bieden gratis raadplegingen aan. Samen met Palestijnse dokters gaan zij naar vluchtelingenkampen om hulp te bieden. Ze weten ook heel goed wat waar nodig is. Ik heb er heel veel respect voor dat zij dat doen, want die kampen zijn niet de meest veilige plaatsen. kim Ja, en mij heeft het aangezet om in de zomervakantie een maand vrijwilligerswerk te gaan doen in derdewereldlanden en landen zoals Israël en Palestina. habib Zeker en vast! Eerst en vooral heeft dit een enorme invloed gehad op mijn ‘view’ op de nieuwsreportages. Die zijn niet altijd zo neutraal als ze zouden moeten zijn. Ten tweede beseffen wij niet hoe gemakkelijk ons leven is, als je het vergelijkt met dat van een gemiddelde Palestijn. En ten derde hebben de mensen van het Palestijnse dorpje Bil’in voor mij bewezen dat als je in een doel gelooft, je het vroeg of laat wel zult halen! vicky Ik merk nu al dat ik dingen anders bekijk, ik denk veel harder na voor ik iets zeg. En ik denk vast en zeker meer “goh, we hebben het hier zo slecht nog niet”, als ik weer eens iemand hoor zeuren die ruzie heeft met haar papa. Ik denk meer en meer: “Tsjah, er zijn ergere dingen in het leven.” Ik heb zelf niet zo’n gemakkelijke jeugd gehad, maar na deze reis lijkt mijn verleden helemaal niets meer. Ik ben ontzettend blij dat ik ben meegegaan, het is zeker iets wat ik de rest van mijn leven ga meedragen en waar ik nog veel aan zal denken en over vertellen. farah Ik heb heel veel bijgeleerd van deze reis maar ben misschien ook wel verwarder geworden. Wij hebben niet te klagen, over absoluut niets. Als mensen daar kunnen overleven, mogen wij ons niet aanstellen. Wij hebben het heel goed.  asmaa Ik besef dat het gemakkelijk is om een oordeel te hebben over iets of iemand. Maar ik zal in de toekomst eerst naar de twee kanten van het verhaal luisteren voor

Toneelgeruis_8_2b.indd 189

ik echt een oordeel kan vellen. Ik zal ook gewone dingen meer appreciëren. sarah Zeer zeker, ik sta nu meer open voor dialoog en ik heb verscheidene vriendschapsbanden opgebouwd, zowel langs Israëlische  als langs Palestijnse kant. Deze regio heeft een speciale plaats in mijn hart gekregen, en ik hoop dat er ooit echt vrede zal komen. Ik had in geen miljoen jaren gedacht dat ik ooit de kans zou krijgen om naar Israël en Palestina te kunnen gaan. Het was een prachtige ervaring en ik heb er zeer veel van geleerd. Lukas Pairon december 2011

18/01/12 09:22


190

Toneelgeruis_8_2b.indd 190

3departij

18/01/12 09:22


Š Lukas Pairon

Toneelgeruis_8_2b.indd 191

18/01/12 09:22


RAAD VAN BESTUUR Jan Calewaert Bea Cantillon Chris Christijn Guido De Brabander Guido Dockx (voorzitter) Yasmine Kherbache Bruno Verbergt Kiki Vervloessem

Walter Rycquart Tinus Schneiders Guido Totté Ernest Van Buynder Marcel Van Campen Barbara Van Lindt Staf Pelckmans

(d.d. mei 2011) SPONSORS EN SUBSIDIENTEN Toneelhuis werkt met subsidies van de Stad Antwerpen, de Provincie Antwerpen en met de steun van de Vlaamse Gemeenschap.

Toneelhuis krijgt mediasponsoring van

COLOFON Toneelg(e)ruis Tijdschrift over Toneelhuis en de (wijde) omgeving Nummer 8, januari 2012 Hoofdredactie Erwin Jans Redactie Erwin Jans, An-Marie Lambrechts & Ellen Stynen Eindredactie Kristin Hex, An-Marie Lambrechts, Ellen Stynen Auteurs Josse De Pauw, Tom Dewispelaere, Erwin Jans, Luk Lambrecht, Bart Meuleman, Yves Petry, Lukas Pairon, Johan Thielemans, Benjamin Verdonck & Erik Vlaminck Vormgeving Jespers & Maelfeyt Foto’s Koen Broos tenzij anders vermeld Druk StevensPrint Gent De informatie in deze brochure wordt gegeven onder voorbehoud. Wijzigingen zijn mogelijk. VU Luk Van den bosch, Orgelstraat 7, 2000 Antwerpen Toneelhuis is een stichting van openbaar nut Ondernemingsnummer: 0462.078.504

Toneelgeruis_8_2b.indd 192

18/01/12 09:22

Toneelgeruis 8  

Het Toneelhuis presenteert Toneelg(e)ruis, een uitgave over het werk van onze makers achter de schermen, met interviews, reportages en prach...

Toneelgeruis 8  

Het Toneelhuis presenteert Toneelg(e)ruis, een uitgave over het werk van onze makers achter de schermen, met interviews, reportages en prach...

Advertisement