Page 1

Nederlands op maat

Deel 1 niveau 1F/A2

MBO sector Zorg en Welzijn niveau 1-2


Nederlands op maat De methode Nederlands op maat is speciaal ontwikkeld voor de korte opleidingen (niveau 1-2) van de sector Zorg en Welzijn van het MBO. Nederlands op maat bestaat uit twee combinatieboeken waarin de theorie en de opdrachten zijn samengebracht, een deel voor het eerste leerjaar, het tweede deel voor het tweede leerjaar. De theorie is beknopt gehouden. De opdrachten zijn niet al te omvangrijk, overzichtelijk en gemakkelijk na te kijken. De methode bestaat uit tien korte, heldere taaltrainingen die op elk gewenst moment ingezet kunnen worden binnen de opleiding. Zodra een van de vaardigheden nodig is bij projecten, het werken aan thema’s of BPV-opdrachten, dan kan de docent (of de deelnemer) de gewenste training inzetten. Elke training kan binnen drie blokuren (lesweken) afgerond worden. De opdrachten in Nederlands op maat zijn beroepsgericht. Ook de teksten en de oefenzinnen bij spelling of stijl zijn gerelateerd aan vakinhouden. Zij hebben alle een zorg- of welzijnsonderwerp. Gestreefd is naar een grote variatie in werkvormen. D.C. Kooreman

ISBN: 978-9006771060

9 789006 771060


Nederlands op Maat 路 deel 1 Nederlands / Communicatie MBO Zorg & Welzijn Niveau 1+2 D.C. Kooreman


Auteur D.C. Kooreman

ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs

Redactie Editekst, Een

Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht

Vormgeving

van onze leermiddelen: www.thiememeulenhoff.nl of via onze klantenservice (088) 800 20 16

En/of ontwerpers, Utrecht ISBN 978 90 06 771060 075802 Opmaak

Eerste druk, eerste oplage, 2010

Studio Imago, Amersfoort © ThiemeMeulenhoff, Baarn/Utrecht/Zutphen, 2010 Illustraties Alamy p.110-111, 115

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag

Donorregister p.97

worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomati-

Gaby de Boer, Heerhugowaard p.12, 45, 55, 85, 125

seerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch,

Ineke Koene p.76, 107, 146, 154 iStockphoto p.11

door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Karin Ligthart p.68 Stichting Kinderopvang Nunspeet

Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is

p.96

toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j° het

Studio Imago p.10, 26-29, 47-50, 95, 104-105, 112, 114, 123, 126, 130

Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.cedar.nl/pro). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk . Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde manier heeft plaatsgevonden.


WOORD VOORAF De methode Nederlands op Maat is speciaal ontwikkeld voor de korte opleidingen van de sector Zorg & Welzijn van het MBO. De lesstof is gebaseerd op het Referentiekader Taal (2009) fundamentele niveau 1F & 2F en het overzicht van de taaltaken. Kijk voor een overzicht van het Referentiekader Taal niveau 1F & 2F op: http://www.minocw.nl/taalenrekenen/1484/Referentiekader.html Nederlands op Maat bestaat uit een combinatieboek waarin de theorie en de opdrachten per leerjaar in een deel zijn samengebracht. De theorie is beknopt gehouden. De opdrachten zijn niet al te omvangrijk en overzichtelijk. De methode bestaat uit twee delen. De trainingen op 1F-niveau uit het eerste deel zijn bedoeld voor het eerste leerjaar. Het tweede deel bevat trainingen op 2F-niveau bedoeld voor het tweede jaar. In beide delen is de trainingsopbouw gelijk. In deel 1 worden de basisvaardigheden geoefend. In het tweede deel staan complexere verdiepingsopdrachten. Alle onderdelen komen dus tweemaal aan de orde gedurende de beide leerjaren. De methode bestaat uit tien korte, heldere taaltrainingen die op elk gewenst moment ingezet kunnen worden binnen de opleiding. Zodra een van de vaardigheden nodig is bij projecten, het werken aan thema’s of BPV-opdrachten kan de docent (of de deelnemer) deze training inzetten. Elke training kan binnen drie blokuren (lesweken) afgerond worden. De docent kan de volgorde van de trainingen zoals die in het boek staat naar eigen inzicht veranderen. Tijdens de lessen Nederlands kan er klassikaal gewerkt worden. De meeste trainingen zijn ook zelfstandig te maken. De opdrachten in Nederlands op maat zijn beroepsgericht. Ook de keuze van de teksten en de oefenzinnen bij spelling of stijl zijn gerelateerd aan vakinhouden. Zij hebben alle een zorg- of welzijnsonderwerp. Gestreefd is naar een grote variatie in werkvormen. De opdrachten worden soms individueel gemaakt, soms in tweetallen of in groepjes van drie of vier deelnemers. Ook zijn er diverse rollenspelen en opdrachten die buiten het klaslokaal uitgevoerd moeten worden. De docentenhandleiding is online beschikbaar via www.thiememeulenhoff.nl. In de docentenhandleiding staan alle antwoorden, uitwerkingen, suggesties voor het gebruik, toetsen en extra opdrachten. Een woord van dank aan mijn collega’s Monique Terlien en Annemieke de Haan. Van hun adviezen heb ik dankbaar gebruik gemaakt.

D.C. Kooreman Koog aan de Zaan, maart 2010


INHOUD Training 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Teksten lezen Inleiding OriĂŤnterend lezen Globaal lezen Intensief lezen Instructies lezen

7 7 8 12 18 24

Training 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10

Schrijven Inleiding Informatie geven Samenhang in de tekst Informatie geven Manier van schrijven Mededelingen schrijven Begrijpelijk schrijven Instructie opschrijven Tekst afstemmen op lezers Communicatieschriftje

33 33 33 36 40 41 44 45 47 49 51

Training 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6

Mondelinge communicatie Inleiding Intensief luisteren Instructie geven Het tweegesprek Gespreksvormen Interview: Informatie inwinnen

53 53 53 56 57 59 60

Training 4 4.1 4.2 4.3

Werkbespreking en vergadering Inleiding De werkbespreking Redeneren en overtuigen

67 67 67 73

Training 5 5.1 5.2 5.3

Zakelijke brieven lezen en schrijven Inleiding De vorm Briefopdrachten

83 83 83 85

Training 6 6.1 6.2

Formulieren Inleiding Diverse formulieren

95 95 95


Training 7 7.1 7.2 7.3 7.4

Informatie verzamelen en rapportage Inleiding Waarnemen en observeren Observeren en beschrijven Feiten en meningen

107 107 107 109 117

Training 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7

Taalverzorging: Spelling werkwoorden Inleiding Het werkwoord Persoonsvorm en onderwerp De tegenwoordige tijd De verleden tijd Het voltooid deelwoord Diverse opdrachten

119 119 119 120 122 125 129 132

Training 9 Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie Taalkwestie

Taalkwesties deel 1 1 - Kennen en kunnen 2 - Leggen en liggen 3 - Foute woorden en zinnen 4 - Meervoud: -s, -en of -n? 5 De of Het? 6 Waarom? Daarom! 7 Als – dan 8 Figuurlijke taal 9 Spelling van moeilijke woorden 10 Wat, dat, wie, die?

Training 10 Taalkwesties deel 2 Taalkwestie 10 Lastig om te spellen Taalkwestie 12 Figuurlijk taalgebruik Taalkwestie 13 Vreemde zinnen Taalkwestie 14 Grappig, maar wel per ongeluk Taalkwestie 15 Afkortingen Taalkwestie 16 Moeilijke woorden

135 135 136 137 139 140 141 142 144 146 147 149 149 150 150 151 153 154


Training 1 Teksten lezen

Teksten lezen

Je komt tijdens je opleiding en in je werk allerlei tekstsoorten tegen: vakliteratuur, instructies, handleidingen en voorschriften, naslagwerken, brieven en contracten. Als je een tekst leest, dan sta je er meestal niet bij stil dat er verschillende manieren van lezen bestaan. Maar toch lees je een krant anders dan een stuk theorie waarover je een toets kunt verwachten. Het doel waarmee je leest, bepaalt voor een groot deel de manier waaròp je leest! Je kunt op drie manieren lezen. De zorgvuldigheid waarmee je leest loopt op van – oriënterend lezen (= bladeren, doorkijken, kleine stukjes lezen) naar – globaal lezen (= ‘normaal’ lezen), tot – intensief lezen (= lezen met extra aandacht). Je kunt niet elke tekst die je tegenkomt intensief lezen. Dan hou je geen tijd meer over om iets anders te doen dan lezen. Ga een tekst dan ook altijd eerst oriënterend lezen!

1

Opdracht Lezen wat er staat Als je oppervlakkig leest, dan kan het gebeuren dat je in een tekst iets ziet „ wat er helemaal niet in staat. Lees het volgende verhaaltje. Net als de lichten in de winkel zijn uitgegaan, komt er iemand binnen die heel dringend om geld vraagt. De caissière roept meteen de chef en deze gaat met tegenzin naar het kantoor. Het geld wordt overhandigd. De man verlaat daarna snel de winkel. De caissière heeft inmiddels de telefoon gepakt.

Geef bij elke bewering over dit verhaal of deze juist, onjuist of onzeker „ is. a De gebeurtenissen vinden na sluitingstijd plaats. b De overvaller is een man.

NEDERLANDS OP MAAT

1.1 Inleiding

1

Training 1

7


8

Training 1 Teksten lezen

c De chef gaat met tegenzin geld halen. d De chef overhandigt het geld. e Het geld wordt uit het kantoor gehaald. f De caissière waarschuwt de politie. g De overvaller verlaat de winkel snel.

1.2 Oriënterend lezen Als je voor een project naar informatie zoekt over bijvoorbeeld plagen of pesten dan vind je bij www.google.nl al gauw één miljoen ‘hits’. Soms zijn dat krantenartikelen, teksten uit tijdschriften of persoonlijke verhalen. Er zijn filmpjes bij, maar ook reclames voor therapieën. Je kunt deze teksten natuurlijk niet allemaal lezen. Als je de zoekopdracht beperkt door zoekwoorden toe te voegen, dan krijg je minder ‘hits’. Daardoor wordt het zoekresultaat overzichtelijker. Je kunt bijvoorbeeld zoeken op pesten + oorzaken + gevolgen . Hoe gedetailleerder je zoekopdracht wordt, hoe minder hits je krijgt. Ze zijn wel beter bruikbaar. Bij de optie ‘Geavanceerd zoeken’ in Google heb je allerlei extra zoekmogelijkheden. Oriënterend lezen houdt in dat je van een tekst alleen fragmenten leest: de titel, de inleiding, vetgedrukte woorden, de opsommingen (1e, 2e, 3e enz.) en de slotalinea. Als je informatie zoekt, begin je met oriënterend lezen, bijvoorbeeld op het internet. Door oriënterend te lezen, kun je onderscheid maken.

2

Opdracht Even snel doornemen Lees de onderstaande tekst oriënterend door. Na 1 minuut moet je in „ staat zijn het onderwerp van de tekst te noemen. Daarna kun je meestal wel vertellen waar de tekst in grote lijnen over gaat. – Schrijf in een paar zinnen op waar de tekst over gaat. – Beantwoord de vragen die je van de docent krijgt.


Training 1 Teksten lezen

9

1

Overgewicht

gewicht wilt blijven of wilt afvallen. Kinderen met overgewicht moeten vaak niet afvallen, maar alleen op gewicht blijven. Doordat kinderen ouder worden, langer worden en op hetzelfde gewicht blijven, zal het overgewicht vanzelf minder worden of verdwijnen. Maar dan moet je wel op gewicht blijven. Het is ongezond als je overgewicht hebt. Je hebt bijvoorbeeld meer kans op ziektes als diabetes (suikerziekte). Diëten helpen niet Bewust eten en bewegen is de manier om van je overgewicht af te komen! Door middel van diëten gaat afvallen erg snel, maar word je ook weer zwaarder (jojo-effect). Vaak word je zwaarder dan dat je eerst was, omdat je stofwisseling trager is geworden door het diëten. Je bent meer gaan eten of met je oude voedingspatroon verder gegaan. Motivatie en doorzetten Iets aan je overgewicht doen en afvallen zul je zelf moeten doen. Soms zal het heel goed gaan, maar soms zal het ook minder goed gaan. Dat is vervelend, maar met een goede instelling gaat het je zeker lukken. Geef nooit op, de aanhouder wint!

3

Opdracht Inhoudsopgaven beoordelen In een bibliotheek kun je meestal wel boeken vinden over het onderwerp „ dat je zoekt en ook die lees je eerst oriënterend. Je bladert erin, bekijkt de inhoudsopgave, je leest eens een stukje om te zien of het begrijpelijk is geschreven, enzovoort. Hieronder staan twee inhoudsopgaven van boeken over opvoeden die je „ in de bibliotheek kunt vinden. Beantwoord de vragen.

NEDERLANDS OP MAAT

Voor kinderen met overgewicht is het erg belangrijk dat je weet hoe en wat je eet. Maar het is ook belangrijk dat je weet hoe en waarom je moet sporten of bewegen als je op


10

Training 1

Teksten lezen

boek 1

boek 2

Vragen 1

In welk boek staan de meeste bladzijden over het stellen van grenzen?

2 In een van de boeken staat informatie over ‘Het probleem van consequentie’. Waarover zou dat hoofdstuk kunnen gaan (zoek het woord ‘consequentie’ op in het woordenboek). 3 In een van de boeken staat iets over ‘behoeftes interpreteren’. Wat betekent dat? Bij wie moet je ‘behoeftes interpreteren’? 4 Je wilt ouders wat praktische opvoedingstips geven. Welk boek kun je het beste meenemen? 5 In een van beide boeken wordt de communicatie met het kind heel belangrijk gevonden. Welk boek zou dat zijn? 6 Er zijn vier belangrijke onderwerpen in de opvoeding. Welke zijn dat? In welk boek staan ze? 7 Staat er in een van beide boeken ook iets over de gevolgen voor het kind als de ouders gaan scheiden? Zo ja, in welk boek? Tekstopmaak Een goedgeschreven tekst is ook duidelijk ‘opgemaakt’ en in alinea’s verdeeld, soms met tussenkopjes. Ook zullen belangrijke woorden of fragmenten cursief, onderstreept of vetgedrukt zijn. Opsommingen zijn duidelijk zijn aangegeven met bijvoorbeeld een streepje(-) en een conclusie met het kopje ‘Conclusie’. De lezer kan dan meteen zien welke stukjes tekst belangrijk zijn.


Training 1 Teksten lezen

11

1

4

Opdracht Hulpmiddelen toegepast. Lees de tekst goed door en schrijf op welke hulpmiddelen gebruikt zijn.

Agressie Mensen die woedend worden, proberen een ‘vlucht of vecht’-reactie uit te lokken. Ga dat ‘gevecht’ niet aan, maar blijf praten met de agressieve persoon. ‘Een zacht woord kalmeert; een hard woord stoort.’ Een goede reactie is duidelijk jouw eigen mening te geven. Zonder het gevecht te willen winnen of het gedrag van de ander te veroordelen. - Spreek de woedende persoon aan bij zijn naam en nodig hem vriendelijk uit te gaan zitten. - Laat hem zijn verhaal doen en stoom afblazen. Luister en toon begrip. - Vertel zelfverzekerd jouw eigen mening, ook als die zijn woede vergroten. Jij bent niet verantwoordelijk voor zijn woedeaanval. Iemand kalmeert als je op die manier spreekt en luistert. Luister naar zijn verhaal. Vat de oorzaken van zijn boosheid samen. Vraag hem hoe de situatie kan worden verbeterd. Toon begrip. Zeg bijvoorbeeld: ‘Dat begrijp ik heel goed’. ‘Ik kan me goed indenken dat je je zo voelt’. Kortom: Laat de woedeuitbarsting rustig uitrazen tot zo iemand een beetje gekalmeerd is. Neem dan de leiding over het gesprek. Vat het probleem samen om te laten blijken dat je het probleem goed hebt begrepen. Bespreek mogelijke oplossingen.

NEDERLANDS OP MAAT

In de onderstaande tekst heeft de schrijver een aantal hulpmiddelen „


12

Training 1

Teksten lezen

Hulpmiddelen 1 Woorden vet drukken 2 ……………….. 3 ……………….. 4 ………………..

1.3 Globaal lezen Als je een tekst hebt gevonden die je kunt gebruiken, dan ga je de tekst globaal lezen. Dat betekent dat je de tekst één keer rustig doorleest en dat je daarna weet: – waarover de tekst gaat, – welke hoofd- en bijzaken er zijn. Je onderstreept de hoofdzaken. De titel geeft meestal het onderwerp aan. Daarna lees je de inleiding. Belangrijke informatie (de hoofdzaken) staat in de kernzinnen. Meestal staan die zinnen aan het begin van elke alinea. Aan het eind van de tekst staat de conclusie.


Training 1 Teksten lezen

13

1

5

Opdracht Teletekst laatste nieuwsberichten lezen. Eerst krijg je een overzichtspagina. Je kiest daaruit dan een paar berichtjes en je leest ze globaal door. Hieronder staan twee teletekstberichtjes. „ • Lees de berichten en bedenk er passende titels voor. • Bepaal bij elke bewering of die juist of onjuist is.

Tekst 1 Elf bewoners van het Larense verzorgingstehuis Amaris zijn in het ziekenhuis opgenomen nadat ze in plaats van een vaccin tegen de Mexicaanse griep, insuline toegediend hadden gekregen. De fout werd meteen ontdekt en de elf patiënten zijn ter observatie opgenomen in het Tergooi-ziekenhuis in Blaricum. Ze kunnen waarschijnlijk vandaag weer terug naar het verzorgingstehuis. De Inspectie voor de Gezondheidszorg is op de hoogte gebracht en zal onderzoek doen naar het incident. Insuline is een medicijn voor diabetici en kan voor anderen gevaarlijk zijn.

Beweringen 1 Tegen de Mexicaanse griep krijg je geen insuline ingespoten. 2 De elf patiënten zijn allemaal weer terug in het verzorgingstehuis. 3 De inspectie gaat onderzoek instellen naar de insuline. 4 Van insuline kun je diabetes krijgen.

Tekst 2 De vreemdelingenpolitie is gisteren in Den Haag per ongeluk een opvanghuis voor moeders binnengevallen. De agenten dachten dat er illegalen in het pand zaten. Ze kregen hun fout pas in de gaten nadat ze al binnen waren en op de slaapkamerdeuren hadden gebonsd. Een aantal kinderen raakte hier overstuur van. Toevallig liep staatssecretaris Albayrak van Justitie gisteren mee met de vreemdelingenpolitie. Zij hielp mee om de kinderen te troosten. De vreemdelingenpolitie maakte de fout, omdat ze gebruik maakte van verouderde gegevens van de gemeente.

NEDERLANDS OP MAAT

Globaal lezen doe je ook vaak op het internet. Op Teletekst kun je de „


14

Training 1 Teksten lezen

Beweringen 1 De poltie heeft opgetreden tegen illegalen. 2 Nadat er op de deur was gebonsd, werden de politieagenten binnengelaten. 3 De staatsecretaris hielp mee om de kinderen te troosten. 4 De gemeente heeft oude gegevens aan de vreemdelingenpolitie gegeven.

6

Opdracht Kort Lees de volgende tekst door. „ 1 Schrijf op wat het onderwerp is (in een paar woorden). 2 Beantwoord de vragen over de tekst. 3 Wat is het belangrijkste dat erover wordt geschreven (in ongeveer 30 woorden)?

Spelen heeft nut! Op de vraag wat spelen is, kun je heel verschillende antwoorden krijgen. Spelen is leuk. Spelen is leren. Spelen is bezig zijn met speelgoed. Spelen is ontdekken. Spelen is ontwikkelen. Wat je waarschijnlijk niet te horen krijgt, maar wat bovenaan zou moeten staan is: Spelen is: dingen doen waar je zin in hebt, zolang je zelf wilt, zonder iets speciaals te willen bereiken, zonder dat iemand tegen je zegt dat het moet en op die manier! Als volwassenen spelen, doen ze dat in hun vrije tijd, als ze klaar zijn met werken, met het huis schoonmaken, met boodschappen doen. Bij kinderen, jonge kinderen dan, is dat anders. Voor hen is nog vrijwel alles spelen. Waarom? Als je kinderen vraagt waarom ze spelen, zullen ze je verbaasd aankijken. Als ze al antwoord geven, zullen ze zeggen: ‘Omdat het leuk is, natuurlijk!’ In ieder geval niet: ‘omdat het zo goed is voor onze ontwikkeling, nú en later’. Toch is dat wel zo. Spelen is heel belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen; van hun lichaam, hun verstand en hun taal. Ook leren ze hoe ze zich moeten gedragen. We hebben het dan over hun lichamelijke, verstandelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling. In werkelijkheid zijn deze onderdelen niet zo los van elkaar te zien. Als kinderen in bomen klimmen, gebruiken ze in de eerste plaats hun lichaam, vooral armen en benen. Maar daarnaast gebruiken ze ook


Training 1 Teksten lezen

15

1

hun verstand - je kunt beter je voet op een dikke tak zetten, dan op een dunne;

bent; hun gevoelens - je voelt je heel wat minder dapper als je naar beneden kijkt. Grove motoriek Als kinderen spelen, ontwikkelen ze hun grove motoriek, Door te rollen, te kruipen, te hollen, te springen, te klauteren, te tillen, oefenen ze hun lijf, hun armen, hun benen, hun handen en voeten. Fijne motoriek en zintuigen Door priegeldingetjes op te rapen, op hun tenen te lopen, plaatjes te kijken, naar je stem te luisteren, van alles - tenminste als ze heel klein zijn - in hun mond te stoppen, oefenen ze hun vingers, hun tenen, ogen oren, mond. Verstand Als kinderen spelen, ontwikkelen ze hun verstand. Door te kijken, te horen, te proeven, te ruiken, te voelen, ervaren ze dat dingen heel verschillend zijn. Spelenderwijs merken ze dat het één glad is, het ander ruw, het één koud, het ander warm; hard, zacht, nat of droog. Ze leren dat iets hoog is, dichtbij, veraf; groot of klein. Als je een bal gooit, rolt die weg. Als je een blok gooit, blijft dat liggen. Door in hun spel steeds opnieuw zulke ervaringen op te doen, krijgen kinderen er verstand van. Ze kunnen daar gebruik van maken als ze het nodig hebben.

Bepaal bij elke bewering over de tekst of die juist of onjuist is. „ Beweringen over de tekst 1 De titel van de tekst is de mening van de schrijver. 2 Spelen is voor kinderen hetzelfde als leren.. 3 De drie ontwikkelingsgebieden kun je niet los zien van elkaar. 4 Als een kind in een boom klimt, dan gebruiken ze alleen hun armen en benen. 5 Kruipen en rollen heeft met de grove motoriek te maken. 6 Kinderen leren door te spelen hun zintuigen te gebruiken. 7 Het grote verschil tussen het spelen van kinderen en volwassenen is het tijdstip van het spelen.

NEDERLANDS OP MAAT

hun fantasie - je doet alsof de boom een hoge mast van een schip is; hun gedrag - je weet dat er wat zwaait als ze thuis zouden weten wat je aan het doen


16

Training 1 Teksten lezen

Moeilijke woorden Meestal trek je je nog niets aan van moeilijke woorden in de tekst, je slaat ze gewoon over of je raadt de betekenis ervan door op de omringende tekst te letten. Door deze ‘context’ goed te lezen kun je de betekenis van moeilijke woorden meestal wel raden. Dit noemen we de contextmethode.

7

Opdracht Betekenis uit de tekst halen Bepaal de betekenis van de vetgedrukte woorden met behulp van infor„ matie uit de rest van de zin. De eerste zin is als voorbeeld gebruikt. 1

Veel buitenlanders schrijven zich in voor conversatielessen Nederlands, zodat ze in korte tijd een behoorlijk gesprek kunnen voeren. (conversatie = een gesprek voeren)

2 Woorden zoals ‘geluk’, ‘liefde’ of ‘vertrouwen’, zijn abstracte begrippen, omdat niet iedereen er dezelfde betekenis aan geeft. Het gaat om begrippen die ‘niet tastbaar’ zijn. Het tegenovergestelde is ‘concreet’. 3 De reiskosten kunnen gedeclareerd worden, maar de maaltijden moet je zelf betalen. 4 Jouw verslagen zijn heel subjectief. Je moet proberen wat minder je eigen mening erin te verwerken. 5 Als je reageert op deze advertentie, is discretie verzekerd. Wees dus niet bang dat iedereen het binnenkort weet. 6 Jouw rapportages kan ik niet objectief noemen. Je verwerkt te vaak je eigen mening. 7 Door de ziekte van de leraar werden veel leerlingen gedupeerd. Er waren er natuurlijk ook die er voordeel bij hadden.

8

Opdracht Lezen is vooruitlopen Lees de onderstaande tekst. Er zijn delen uit sommige zinnen wegge„ laten. Als je goed kijkt hoe de zin is begonnen, kun je voorspellen hoe deze verder zal gaan. Zet bij elk cijfer op de stippellijntjes de letter die bij het passende tekstfragment hoort.


Training 1 Teksten lezen

17

1

Huilende baby’s lopen kans op klappen Eén op de twintig ouders geeft toe …1… als het te veel huilt. Ouders geven tikken, schudden hun kind door elkaar of smoren het gehuil door een hand of doek tegen de mond te houden. Dit blijkt uit een enquête van onderzoeksinstituut TNO onder ruim 3200 ouders. Er zijn in ons land 200.000 baby’s van één jaar of jonger. Als 5 procent …2… lopen 10.000 zuigelingen gevaar op mishandeling. TNO ondervroeg - anoniem - ouders van 3259 zuigelingen van een tot zes maanden oud naar wat zij doen …3… Het is voor het eerst dat er harde cijfers zijn over de omvang van babymishandeling. Uit de enquête blijkt dat de kans op mishandeling het grootst is …4..., bij ouders die niet of minder dan 16 uur per week werken en bij ouders die het huilen excessief vinden. Risicogroepen zijn bovendien gezinnen …5..., gezinnen met een culturele achtergrond die geweld toestaat en gezinnen die sociaal geïsoleerd zijn. Vorig jaar kregen de advies- en meldpunten kindermishandeling 6000 meldingen over babymishandeling. ‘Treurig genoeg, …6…’, zegt onderzoekster S.P. Verloove-Vanhorick. ’We vermoedden al dat 5 tot 10 procent van de baby’s mishandeld wordt. Alleen is er nu een connectie gelegd tussen …7…’ De hoogleraar kindergezondheidszorg hoopt …8… waarop ouders met hun huilende kinderen omgaan. ’Ze moeten zich bewust zijn van de risico’s die een veel huilende baby loopt. Vooral wanneer ouders aangeven …9… en het gezin sociaal onder druk staat’, aldus Verloove-Vanhorick. Ouders moeten verder leren …10… gaan. Huilen hoort bij zuigelingen, een zuigeling van één maand oud huilt bijvoorbeeld gemiddeld anderhalf uur per dag. Verloove-Vanhorick: ‘Helaas vragen de verpleegkundigen door tijd- en geldgebrek nauwelijks naar het huilgedrag van baby’s. …11… en slapen. Juist omdat huilen zo veel stress met zich meebrengt, hoort dat onderwerp bij de consultatiebureaus aan bod te komen.’

A het huilen en het gewelddadig gedrag van ouders B met een sociaal-economische achterstand C maar voor ons zijn die cijfers niet schokkend D Vaak blijft het bij een algemeen praatje over eten E om op een goede manier met het gehuil om te F van de ouders hardhandig ingrijpt tijdens het huilen, G zijn of haar baby te mishandelen

NEDERLANDS OP MAAT

Door Annelieke Dijkstra


18

Training 1 Teksten lezen

H dat consultatiebureaus meer zullen gaan letten op de manier I bij ouders uit niet-westerse landen J om het huilen van hun kind tegen te gaan K dat hun baby erg veel huilt

1.4 Intensief lezen Soms kom je tijdens het globale lezen een stukje tegen waar je alles van wilt weten. Of een stukje waar je echt niets van begrijpt. Dan wordt het tijd over te schakelen naar een andere leesstrategie, namelijk die van het intensieve lezen.. Je leest en herleest. Je zoekt woorden op in een woordenboek. Je leest heel precies totdat je helemaal snapt hoe iets werkt of wat je moet doen. Intensief lezen is dus begrijpend lezen. Intensief lezen doe je als er van je verwacht wordt dat je alles van een bepaalde tekst begrijpt, bijvoorbeeld als je er een toets over krijgt of als je tijdens een presentatie iets heel precies moet uitleggen. Hierna volgen opdrachten waarbij je intensief moet lezen om ze goed te kunnen doen.

9

Opdracht Schoonmaken Lees de informatie over schoonmaakmethodes. Lees daarna hoe iemand „ zijn schoonmaakwerk doet. Bepaal bij elke bewering of die juist of onjuist is. 1 Natte methode: de traditionele manier van schoonmaken. U reinigt met een interieurdoekje vanuit een emmer met water en toegevoegde hoeveelheid schoonmaakmiddel. Met de tijd wordt het water in de emmer steeds vuiler. Daarmee verspreidt u vervuiling. Door toepassing van een twee-emmersysteem voorkomt u verspreiding. Het schoonmaakmiddel wordt vaak vanuit de verpakking in de emmer gegoten of via dopjes in de emmer gedoseerd. Overdoseren (tot 40%) is in de praktijk gangbaar. Daardoor is het verbruik aan schoonmaakmiddel hoger dan bij de spraymethode. 2 Spraymethode: het schoonmaakmiddel wordt in de gewenste werkoplossing vanuit een sprayflacon op het schoonmaakdoekje gesprayd (en niet op het oppervlak!). De doekjes worden tussentijds gereinigd in een emmer met schoon water. De werkoplossing is veel geconcentreerder dan bij de traditionele natte reinigingsmethode.


Training 1 Teksten lezen

19

1

Ondanks deze hogere concentratie verbruikt u veel minder schoonmaakmiddelen doordat u het middel op het doekje sprayt.

microvezeldoekje kan zonder schoonmaakmiddel eenzelfde reinigingsresultaat bereikt worden. Het microvezeldoekje bestaat uit 70% polyester en 30% polyamide en kan 500 keer gewassen worden (tot 90 °C zonder wasverzachter en chloor). Het doekje wordt klamvochtig gebruikt (niet te nat) samen met één emmer schoon water. Vuil hecht zo goed aan de vezels dat de doekjes na de schoonmaakbeurt niet met gewoon water uitgespoeld kunnen worden. Het dient in de wasmachine gewassen te worden zodat het opnieuw gebruikt kan worden!

Anwar heeft deze instructies gelezen en hij gaat aan het werk. Hieronder „ staan enkele handelingen van Anwar. De vraag is of deze volgens de instructies uitgevoerd worden. Lees de schoonmaakinstructie door en bepaal of Anwar op de juiste „ manier handelt. 1

Anwar werkt met de natte methode. Hij heeft twee emmers met water. Hij doet in beide emmers wat schoonmaakmiddel en gaat aan

het werk. Doet hij dat goed? 2 Anwar doet een dopje schoonmaakmiddel in een van de emmers. Voor de zekerheid een extra half dopje. Doet hij dat goed? 3 Anwar maakt zijn werkdoekje nat en spuit wat schoonmaakmiddel op het aanrecht. Daarna wrijft hij het oppervlak schoon. Doet hij dat goed? 4 Anwar heeft een microvezeldoekje gepakt. Hij maakt het nat en reinigt een kastje in de keuken. Daarna spoelt hij het doekje uit. Hij maakt daarna nog een ander kastje schoon. Doet hij dat goed?

10 Opdracht Wel of niet mogen doen Wat je mag, moet en kunt doen als helpende Zorg & Welzijn (Z&W), „ staat keurig omschreven. Lees de bevoegdheden goed door. Bepaal daarna of je de handelingen die beschreven staan wel of niet mag uitvoeren.

NEDERLANDS OP MAAT

3 Schoonmaken met microvezeldoekje en zonder schoonmaakmiddel: met een


20

Training 1

Teksten lezen

Kwalificatie helpende Zorg & Welzijn, niveau 2 Samenvatting van taken De helpende Z&W voert hoofdzakelijk begeleidende en verzorgende taken uit. Ook bestaat een deel van het werk uit huishoudelijke taken. In alle gevallen gaat het om het ondersteunen van en bijdragen aan de zorg-, hulp- en dienstverlening aan de cliënt. Verantwoordelijkheid De uitvoering van taken gebeurt onder verantwoordelijkheid van een begeleider of hoofd van een voorziening. Deze verantwoordelijkheid heeft met name betrekking op de planning en evaluatie van werkzaamheden. De helpende Z&W is zelf verantwoordelijk voor de organisatie en systematische uitvoering van eigen werkzaamheden. Complexiteit De helpende Z&W is in staat eenvoudige, weinig complexe taken uit te voeren. Deze zijn vooral routinematig en worden volgens standaardprocedures uitgevoerd.

Handelingen 1

Je maakt voor jezelf een werkplanning voor de komende week. Dat mag wel – niet.

2 Je geeft een ouder wat adviezen over hoe ze om kan gaan met haar autistische zoon. Dat mag wel – niet. 3 Een bewoner vraagt of je haar plantjes elke dag wat water wil geven. Je zegt dat je het graag doet, maar daarvoor is de huishoudelijke dienst, jij hebt het al druk genoeg. Dat mag wel – niet. 4 Je hebt gezien dat een meisje uit je groep regelmatig veel blauwe plekken heeft. Je meldt dat aan de afdeling jeugdzorg van de gemeente. Dat mag wel – niet. 5 Je schrijft in het overdrachtschriftje dat Kelly vandaag heel brutaal was en dat de ouders haar maar een standje moeten geven. Dat mag wel – niet. 6 Je geeft een cliënt die hoofdpijn heeft een paar aspirientjes. Dat mag wel – niet.


Training 1 Teksten lezen

woorden kennen. verbindingswoord

geeft aan

maar toch, echter of hoewel

tegenstelling

ook, bovendien, vervolgens of ten eerste, ten

opsomming (ook tijdsvolgorde)

tweede, eerst, daarna, voordat waardoor, doordat, daardoor

oorzaak

daarom, omdat, waarom

reden

mits, op voorwaarde dat, als

voorwaarde

dus, kortom

conclusie

zo, bijvoorbeeld

noemen van een voorbeeld

11 Opdracht Lezen en verbinden Lees de onderstaande tekst. Er zijn verbindingswoorden weggelaten. Vul „ de juiste verbindingswoorden in. Kies uit de woorden die onder de tekst staan

Een man die met een showvliegtuigje van de Zuid-Afrikaanse luchtmacht meevloog, heeft op bijzondere wijze het toestel verlaten. De piloot van de testvlucht begon een beetje te stunten …1… de man naar voren schoof op zijn stoel. Vermoedelijk wilde hij …2… iets pakken om zich aan vast te houden …3…. pakte hij per ongeluk de hendel van de schietstoel. Het ding werd …4… meteen geactiveerd en de passagier schoot door het perspex dak honderd meter de lucht in. Gelukkig had hij een parachute bij zich, …5… hij de blunder wist te overleven. Dat was volgens experts …6… echt een mazzeltje.

In te vullen woorden: toen, toch, waardoor, daardoor, maar, waardoor

NEDERLANDS OP MAAT

tussen delen van een zelfde zin, tussen zinnen en tussen alinea’s. Als je een tekst goed wilt begrijpen moet je de betekenis van verbindings-

1

Verbindingswoorden Verbindingswoorden zijn woorden in een tekst die verbanden aangeven

21


22

Training 1 Teksten lezen

Verwijswoorden In een tekst staan ook verwijswoorden. Dat zijn woorden die verwijzen naar andere woorden in de tekst. Ze worden gebruikt om woorden niet onnodig te herhalen. Bij het lezen van een tekst is het belangrijk dat je ziet naar welke woorden de verwijswoorden verwijzen. verwijswoord

voorbeeldzin

ze

Deze mensen werken met de nieuwste computers. Ze kunnen daardoor heel ingewikkelde berekeningen maken.(‘Ze’ verwijst naar mensen niet naar computers)

die

De cliënt met de bril die daar loopt, is 97 jaar! Het woord ‘die’ verwijst naar cliënt en niet naar de bril!

dit, dat, het

Het schilderij dat ik ophing hangt scheef. Ik zal proberen het recht te hangen. Ik kwam te laat op school. Dat zal mij niet weer gebeuren (‘dat’ verwijst naar te laat komen).

wat

Het mooiste wat ik gezien heb. Hij is heel goed in wiskunde, wat hem goed van pas zal komen. Alles wat ik weet, heb ik opgeschreven. Wat hij zegt is niet waar.

wie

De leidster met wie ik samenwerk (Niet: De leidster waarmee ik samenwerk!)

12 Opdracht Lezen en verwijzen Naar welke woorden verwijzen de vet gemaakte woorden? Bij het eerste „ verwijswoord is het antwoord al gegeven. Het is eens iets anders. Hangouderen in het Groningse Stadskanaal krijgen een hangplek op een industrieterrein. (1) Ze (= de hangouderen) waren niet langer welkom in het centrum. De winkeliers klaagden dat de bejaarden maar één kopje koffie bestelden en vervolgens hielden (2) ze de halve dag de tafeltjes bezet. Daardoor bleven andere klanten weg. Een ondernemer schiet de hangouderen nu te hulp en heeft naast (3) zijn zaak op een industrieterrein een hangplek voor (4) hen gemaakt. ‘(5) Ze zitten er droog en uit de wind en (6) men kan gratis koffie en thee krijgen,’ zegt (7) hij. De (8) plek wordt vrijdag geopend.


Training 1 Teksten lezen

23

1

13 Opdracht Combinatie • Kies steeds het juiste verbindingswoord (de cijfers die op de stippelijnen staan). • Vul in naar welke woorden de onderstreepte woorden verwijzen.

Voedselallergie 1 Lekker eten willen we allemaal wel, (…1…) er zijn mensen die niet zomaar alles kunnen eten wat ze willen. 2 (…2...) je last hebt van een voedselallergie, reageert het afweersysteem heel sterk op bepaalde eiwitten die in eten zitten. 3 Eiwitten zijn stoffen die heel belangrijk zijn voor het lichaam. Zij (...) helpen bijvoorbeeld bij het maken van je spieren, haren en nagels. 4 Eiwitten krijg je uit verschillende soorten eten. Er zijn (…3...) verschillende soorten eiwitten. 5 (…4…) je een voedselallergie hebt, ben je voor bepaalde eiwitten allergisch. 6 Jouw afweersysteem kan deze eiwitten dan niet aan en kan ze (…) niet verteren. 7 Is een van jouw ouders allergisch voor bepaald voedsel, dan is er 25% kans dat jij dat (…) ook bent. Als allebei je ouders een voedselallergie hebben, dan is de kans dat jij dat (…) ook krijgt, wel 50%. 8 Veel kinderen hebben last van een koemelkallergie, vooral kleine kinderen. (…5… ) hun darmen nog niet helemaal zijn ontwikkeld kunnen ze (...) de eiwitten in melkproducten (dus ook vla, yoghurt en roomijs) niet aan. 9 Vaak verdwijnt deze allergie (…) wel als ze (...) ouder worden. 10 Bij elke allergie krijg je weer hele andere klachten. (…6…) kan je bij een koemelkallergie vreselijke buikpijn of diarree krijgen, (…7…) bij een allergie voor noten of fruit daar (…) helemaal geen last van hebben.

A zo B doordat C maar D als E maar F dus G doordat

NEDERLANDS OP MAAT

Lees de tekst. „


24

Training 1 Teksten lezen

1.5 Instructies lezen Op school en in je latere beroep zul je vaak te maken krijgen met het opvolgen en soms ook het geven van instructies. Een instructie is een mondelinge of schriftelijke aanwijzing hoe iets gedaan of gemaakt moet worden. Een instructie geeft aan hoe iemand in een bepaalde situatie moet handelen. Bijvoorbeeld hoe je iemand moet verbinden, maar ook hoe je een spel moet spelen. Instructies moeten zo opgeschreven of verteld worden dat iedereen ze kan opvolgen. Het valt niet mee om een instructie zó op te schrijven of te vertellen dat deze in één keer te begrijpen is.

14 Opdracht Instructie opvolgen Lees de tekeninstructies en doe precies wat er wordt gevraagd. „ We gaan een kleine tekening maken. Je hebt daarvoor een leeg blaadje nodig van ongeveer 20 x 20 cm. Je tekent een horizontale lijn van 10 cm midden op je papier. Aan het rechteruiteinde van deze lijn, trek je een verticale lijn recht naar beneden. Deze lijn is ook 10 cm lang. Aan het einde van deze tweede lijn trek je een rechte lijn naar links van 5 cm. Aan het einde daarvan, trek je weer een lijntje omhoog (verticaal) van 5 cm. Vervolgens trek je aan het einde van deze laatste lijn een streepje naar links van 3 cm en aan het einde daarvan weer een lijntje van 1 cm recht naar beneden. De laatste lijn loopt vanaf het linkeruiteinde van de eerste lijn die je hebt getekend, naar het uiteinde van de laatste lijn die je hebt getekend. Vergelijk je resultaat nu met dat van klasgenoten. Als het goed is, hebben jullie allemaal dezelfde tekening.

15 Opdracht Tinteltuininstructies Bij peuterspeelzaal Tinteltuin is er voor de leiding een lijstje met voor„ schriften gemaakt. Hierop staat wat je kunt doen als een peuter te ver gaat in zijn gedrag. Hieronder staan de belangrijkste voorschriften uit de lijst. Lees de voorschriften van Tinteltuin door. Onder deze voorschriften staan een paar situaties.


Training 1 Teksten lezen

3 Probeer negatief gedrag om te zetten in positief gedrag. Doe iets samen. Als het lukt, prijs je het kind. 4 Als de drukke of koppige momenten niet te hevig zijn, kun je de peuter het beste negeren. Vaak wordt hij dan vanzelf weer rustig. Als het kind te ver gaat, maak dat dan meteen duidelijk. Blijf consequent en duidelijk. Nee is Nee! 5 Als het kind blijft volhouden, kijk het dan eerst recht in de ogen en geef vervolgens duidelijk aan wat je wilt (of niet wilt). Maak daarbij gebruik van de intonatie van je stem en spreek in korte zinnen. 6 Ook al snapt het kind misschien niet alles wat je zegt, zorg dat het een mededeling is en niet een vraag. Een vraag geeft het kind de ruimte om nee te zeggen. 7 Bij sommige kinderen werkt vasthouden kalmerend. Anderen kalmeren beter door ze even in afzondering te plaatsen. Na afloop troosten.

Lees wat Annika doet om het gedrag van het kind te veranderen. „ Handelt ze volgens de voorschriften? Wat zou jij anders doen? 1

Dave rent en vliegt heen en weer. Hij botst daarbij tegen andere kinderen aan. Annika roept tegen hem: ‘Wil je daar eens snel mee ophouden?’

2 Dave staat voor de deur van de speelgoedkast. Hij wil de deur openmaken, maar dat lukt niet. Hij wordt boos en schopt tegen de deur. Annika gaat naar hem toe en maakt de deur voor hem open. 3 Dave rent rond en schreeuwt vieze woorden. Annika doet net of ze het niet hoort en helpt Oran met het uitdoen van zijn jas. 4 Dave maakt ruzie met Sander. Dave wil spelen met de auto waarmee Sander speelt. Hij duwt Sander weg en pakt de auto. Sander houdt de auto stevig vast en begint te gillen. Dave wordt boos en maakt een schoppende beweging naar Sander. Annika zegt tegen Dave dat hij niet mag schoppen. Ze zet hem een paar meter verderop en geeft hem een soortgelijke auto.

NEDERLANDS OP MAAT

2 Schopt of slaat hij of gaat hij dingen kapotmaken, stel dan duidelijke grenzen. Geef niet toe. Het kind moet leren dat het met een driftbui niets kan bereiken.

1

Voorschriften 1 Zorg dat het kind zichzelf, anderen of de omgeving niet beschadigt.

25


26

Training 1 Teksten lezen

Tabellen of diagrammen In teksten staan soms ook tabellen en diagrammen. Deze zijn bedoeld om overzicht te krijgen als er veel feiten (meestal getallen) worden genoemd.

16 Opdracht Afbeelding lezen Kijk goed naar de onderstaande cirkeldiagrammen en beschrijf in het „ kort wat je ziet. Wat is er te zien op de diagrammen?

(Bron: Geslaagden voor het vmbo-examen naar richting, 2006)

1 Meisjes volgen vaker de theoretische leerweg. 2 … 3 … 4 …

17 Opdracht Stappenplan gehoorverlies Lees het onderstaande stappenplan over wat er gaat gebeuren als je ge„ hoorverlies hebt. Bepaal daarna bij elke bewering of die juist of onjuist is.


Training 1 Teksten lezen

27

1 NEDERLANDS OP MAAT

1

Als er gehoorverlies ontdekt wordt, dan volgt er een bezoek aan de audicien, maar je kunt ook meteen een KNO-onderzoek (Keel Neus

en Oor-onderzoek) laten doen door de arts. 2 Na het KNO-onderzoek volgt er een proefvoorschrift. 3 De audicien schrijft het proefvoorschrift. 4 Na het aanpassen volgt een proefperiode. 5 Na de controle en de fijnregeling wordt het toestel geleverd door het gehoorcentrum. 6 De KNO-afdeling stuurt het definitieve voorschrift. 7 Het Hoorcentrum schrijft een proefverslag en dat wordt door KNO gecontroleerd. 8 Het Hoorcentrum schrijft daarna een definitief verslag. 9 Binnen het Hoorcentrum houdt men zich alleen bezig met gehoorapparaten meten en aanpassen en niet met KNO-onderzoek.


28

Training 1 Teksten lezen

18 Opdracht Goed lezen en combineren. Lees de onderstaande tekst met symbolen goed door. Zet de tekst bij de „ juiste symbolen. Noteer alleen het nummer van de tekst in de rechterkolom.

Wassymbolen Er bestaan vijf eenvoudige symbolen om problemen met wassen te voorkomen.

Voor elk van deze symbolen zijn er verschillende varianten mogelijk die een eigen betekenis hebben : 1 Wassen 1 Wassen niet toegelaten, enkel chemisch reinigen (stomerij) 2 Enkel wolwasprogramma 3 Enkel handwas 4 Mildere wasbehandeling vereist (eventueel trommel half laden of 2 maal zoveel water gebruiken), vaak een antikreukprogramma 5 Hoogste temperatuur waarop u het artikel kunt wassen


Training 1 Teksten lezen

29

1

2 Bleken, Strijken, Chemisch reinigen en Drogen

2 Niet chemisch reinigen 3 Een stip: 110° C; twee stippen: 150° C; drie stippen: 200° C 4 Niet drogen in droogmachine 5 Geen chloorhoudende middelen toegestaan 6 Reinigen met speciale betekenis (voor de professionele reiniger) 7 Niet strijken 8 Chloorhoudende bleekmiddelen toegestaan

NEDERLANDS OP MAAT

1 Eén stip: droogmachine op lagere temperatuur; twee stippen: droogmachine op normale temperatuur


30

Training 1 Teksten lezen

19 Opdracht Intensief lezen Lees de tekstjes en kies bij elke bewering of die juist of onjuist is. „ 1 Eén op de drie jongeren heeft tegenwoordig een beugel. De kans is dus groot dat je een paar mensen kent die behandeld worden door een orthodontist. Misschien heb je zelf ook wel een beugel, of zul je er binnenkort een krijgen. A De meerderheid van de jongeren heeft een beugel. B De kans dat je zelf een beugel hebt, is één op drie.

2 Veel mensen denken dat de orthodontist alleen maar tanden ‘rechtzet’. Dit is gedeeltelijk ook wel waar: aan het eind van de behandeling heb je mooie rechte tanden en passen je kiezen goed op elkaar. Hier komt echter meer bij kijken dan alleen het verplaatsen van tanden of kiezen. Ook je kaken moeten in een goede positie worden gebracht en er moet een evenwicht worden bereikt tussen gebit, tong, wangen en lippen. A Een orthodontist zet niet alleen je tanden recht, maar ook je kaak. B Het werk van een orthodontist beperkt zich niet tot het rechtzetten van tanden en kiezen.

3 De orthodontist kijkt naar je gebit en naar je gezicht, hij maakt röntgenfoto’s en gipsmodellen. Hij beoordeelt ook in hoeverre je kaken nog zullen groeien. Vervolgens maakt hij een keuze uit de diverse soorten beugels die er zijn. De beugel is afgestemd op jouw gebit en op het gewenste eindresultaat. A De keuze van de beugel wordt bepaald door de röntgenfoto’s en de gipsmodellen. B Als je kaken nog groeien, zal de orthodontist daar rekening mee moeten houden.


Training 1 Teksten lezen

31

1

4 Bij de meeste orthodontische behandelingen worden verschillende soorten beugels

tot een paar jaar. A De kans is groot dat je gedurende de behandeling verschillende soorten beugels krijgt. B De kans is groot dat je gedurende de behandeling een mooi en stabiel gebit krijgt.

20 Opdracht Nog eens intensief lezen Lees de tekstjes en kies bij elke bewering of die juist of onjuist is. „ Dyscalculie 1 Dyscalculie is een woord dat minder vaak gebruikt wordt dan dyslexie. Veel mensen hebben wel eens gehoord of gelezen over dyslexie. Maar als je praat over dyscalculie, zie je vaak vragende gezichten: Wat is dat nu weer? Dyscalculie is een woord dat je in twee stukken kunt verdelen. Dys betekent: niet en calculus betekent: rekenmethode, manier van rekenen. Wanneer je last hebt van dyscalculie heb je problemen met rekenen. A Het andere woord voor dyslexie (dyscalculie) hoor je niet zo vaak. B Het woord dyscalculie roept vragen op bij veel mensen.

2 Elke dag op school, thuis en in de winkel moet je weer rekenen. Denk je eens in: elke dag weer iets moeten doen wat je niet goed begrijpt. Toch moeten mensen met dyscalculie dat iedere dag weer. Dat noem ik nog eens doorzetten! En vaak krijgen ze ook nog van school huiswerk mee om extra te oefenen! Je begrijpt dat dyscalculie heel vervelend is. A Dyscalculie is heel vervelend voor mensen die er last van hebben. B Dyscalculie is voor iedereen vervelend.

NEDERLANDS OP MAAT

gebruikt. Als alles volgens plan verloopt heb je aan het eind van de behandeling een mooi en stabiel gebit. De duur van de behandeling kan variĂŤren van enkele maanden


32

Training 1

Teksten lezen

3 Dyscalculie kan op meer manieren voorkomen: Het kan zijn dat een kind met dyscalculie er heel lang over doet om sommen tot 20 uit het hoofd te leren. Optellen en aftreken gaat niet automatisch. A Een kind met dyscalculie kan geen sommen tot 20 uit het hoofd leren. B Rekenen met sommen onder de 20 gaat voor niet-dyscalculie automatisch.

4 Het kan zijn dat een kind met dyscalculie getallen niet goed op volgorde kan zetten en schrijven. Als de getallenrij verder dan 20 gaat, raakt het in de war, het raakt de tel kwijt. Het duurt heel lang voor dat kind tot 20 kan rekenen. Als het dan lukt, komt het volgende probleem: de getallen tot 100. Het schrijven van en rekenen met grote getallen gaat niet goed. A De oorzaak van het rekenprobleem is vooral de volgorde van de getallen. B De oorzaak van het rekenprobleem is vooral het schrijven van getallen.

5 Het kan zijn dat een kind met dyscalculie niet goed weet hoe het de sommen uit moet rekenen. Het kan wel goed tellen, maar weet niet hoe een rekenopgave opgelost kan worden. En als er dan ook nog verschillende manieren zijn om een som op te lossen, raakt het helemaal de kluts kwijt. Alle denkweggetjes lopen dwars door elkaar heen. A Het probleem is dat er wel geteld kan worden, maar dat er te veel manieren zijn om te tellen. B De verschillende manieren waarop sommen opgelost kunnen worden, is voor het kind verwarrend.

Nederlands op maat deel 1  

Nederlands op maat deel 1

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you