Page 1

19

Studievereniging informatiewetenschappen Amsterdam - januari 2008


Van de redactie

Kristine Bende

Eindelijk weer een Cavia. Dat was lang geleden. Het ging niet zo goed met de Cavia. Eerst was er niemand die de layout wilde doen. Vervolgens studeerde de eindredacteuren af en ging de hoofdredacteur weg. Het ging niet zo goed met de Cavia.... Het gaat nu wel weer een beetje beter. Er zijn weer mensen ge誰nteresseerd in ons leuke blaadje. Want het kan echt een leuk blad zijn. Met interviews met belangrijke mensen die onze studies verzorgen. Met mooie verhalen van afgestudeerde. Met handige info over keuzevakken die wel of niet leuk zijn om te volgen. En natuurlijk met een leuke puzzel, zodat je even kan relaxen tijdens al dat studeren. Als jij ook nog iets wilt doen voor de Cavia of als je een leuk idee hebt voor de Cavia, kom dan naar de VIA kelder of mail naar c@svial.nl.

Van de voorzitter

Vasco Visser

Pas twee maanden in mijn voorzitterschap is het einde van dit bestuursjaar alweer in zicht. Een deel van de voorgenomen doelstellingen zijn nog niet gehaald. Hier wordt wel hard aan gewerkt door het bestuur en de relevante commissies. Op moment van schrijven wordt bijvoorbeeld hard gewerkt aan een nieuwe website. Deze nieuwe site moet het makkelijk maken nieuwe en verbeterde diensten aan te bieden. Zo komt er bijvoorbeeld een interactieve tentamenbank, waarbij studenten zelf uitwerkingen van (oefen)tentamens kunnen posten. Bij de aankomende bestuurswissel zal ik mij weer verkiesbaar stellen als voorzitter. Wanneer ik herkozen word ga ik mijn best doen om de VIA toegankelijker en intressanter te maken voor haar leden.

2


Inhoud

Cavia 19

4. 5. 13. 14. 16. 18. 20.

Logische puzzel Interview Bert Bredeweg: Kunstmatige intelligentie A glass of water De autonomie van mijn robot Echo2: een AJAX framework Filmreview: Return of the killer tomatoes De notie van het experiment in de wetenschap

Cavia 19 is een uitgave van studievereniging VIA en wordt gratis verspreid. Deze uitgave is van januari 2008. Contact Plantage Muidergracht 24 1018TV Amsterdam (020) 525 5520 c@svia.nl Redactie Wouter ter Beek, Kristine Bende, Marvin Jacobsz Opmaak Wouter ter Beek, Vasco Visser Advertenties Bel met de VIA voor meer informatie Š 2008 Studievereniging VIA.

3


Logische Puzzel

Dave van Soest Het gekleurde deel van het diagram moet worden opgedeeld in gebieden van ieder vijf vakjes groot. Er mogen niet meerdere gebieden met dezelfde vorm voorkomen, d.w.z. gebieden die d.m.v. een combinatie van spiegelingen en/of rotaties precies op elkaar passen. Verder geven de getallen buiten het diagram aan hoeveel verschillende gebieden in de betreffende rij of kolom voorkomen. Een van de gebieden is al ingevuld.

4


Interviewreeks opleidingsdirecteuren

Bert Bredeweg: Kunstmatige Intelligentie

Wouter Beek (Master of Logic) Wat doet een opleidingsdirecteur zoal? Misschien is het goed om te beginnen met op te merken dat een opleidingsdirecteur iets anders is dan een onderwijsdirecteur. De twee termen lijken namelijk veel op elkaar en kunnen derhalve voor verwarring zorgen. Bij het OWII1 is de onderwijsdirecteur de eindverantwoordelijke van 2 het instituut, maar hij is minder nauw betrokken bij elke opleiding afzonderlijk. Dat is de taak van de opleidingsspecifieke opleidingsdirecteur. De opleidingsdirecteur is verantwoordelijk voor een specifieke opleiding. In mij geval is dat de Bachelor Kunstmatige Intelligentie. Mijn taak bestaat vooral uit het aansturen van de verschillende onderdelen die samen de studie constitueren en controleren. Dus met name het docententeam, dat bestaat uit de docenten die een groot deel van het onderwijs binnen de Bachelor verzorgen3. Maar ����������������������������������������� Onderwijsinstituut Informatiewetenschappen 2 Jan Bergstra ���������������������������������������� Het docententeam van de Bachelor AI be-

even essentiële onderdelen zijn natuurlijk de examencommissie4, de opleidingscommissie5, en het overleg binnen het OWII. In de opleidingscommissie weegt de mening van studenten overigens mee, de helft van de leden van die commissie bestaat immers uit studenten. staat uit Bert Bredeweg, Leo Dorst, Ulle Endriss, Ale Jan Homburg, Theo Janssen, Remco Scha en Ingmar Visser. ������������������������������������������ Leo Dorst is voorzitter van de examencommissie. ����������������������������������������� Theo Janssen is voorzitter van de opleidingscommissie.

Bert Bredeweg

5


Het idee van docententeams bestaat trouwens nog niet zo heel lang. Voor de invoering van het Bachelor/Master-systeem waren er weliswaar docenten die les gaven binnen de opleiding AI, maar tussen hen vond nog geen afstemming of overleg plaats binnen een formeel teamverband (al zal er natuurlijk wel overleg hebben plaatsgevonden).

van de opleidingsdirecteur, zie je bijvoorbeeld bij de facilitaire diensten. Denk hierbij aan de beschikbaarheid van computers, de roostering van de lokalen, etc. Dit wordt binnen de FNWI8 bepaald. Ook hier geldt weer dat ik wensen heb, en deze ook kenbaar maak, en daar wordt ook wel rekening mee gehouden, maar de uiteindelijke beslissing over dit soort onderwerpen ligt niet bij mij. De ICT-voorzieningen zijn bijvoorbeeld allemaal centraal geregeld. Daarnaast moet ik ook de kwaliteit van de opleiding in de gaten houden en proberen te waarborgen. Dit gebeurt aan de hand van de feedback die de betrokken partijen mij geven (zoals de opleidingscommissie, het docententeam, individuele studenten, e.d.). Dit is allemaal wat er binnen de UvA gebeurt, dus binnen onze opleiding. Daarnaast is er ook nog de afstemming met vergelijkbare opleidingen aan andere universiteiten, op zowel nationaal als internationaal niveau.

Maar ‘aansturen’ klinkt als een rol op louter management-niveau. Ik bedoel, Uw taak is toch meer dan enkel het samenbrengen van deze verschillende onderdelen? Jazeker. Ik ga ook over het curriculum. Dat realiseren we dus binnen het docententeam. Daarnaast ben ik verantwoordelijk voor het behalen van de doelen die onze opleiding voor ogen heeft. Maar mijn invloed strekt bijvoorbeeld niet zo ver dat ik ook bepaal wie er wel en niet in het docententeam zitting nemen, of wie er wel of niet worden aangenomen om in de Bachelor les te geven. Ik heb natuurlijk mijn wensen, ik kan wel aangeven dat we een bepaald iemand nodig hebben. Maar de uiteindelijke eindverantwoordelijke voor of wij deze mensen dan ook daadwerkelijk krijgen zijn de directeuren van het ILLC6 en het IvI7. Eenzelfde soort beperking m.b.t. de invloed

Waaruit bestaat de afstemming op internationaal niveau dan? Nederland neemt, qua AIopleidingen, in de wereld een unieke positie in. Bijna nergens anders bestaat er een Bachelor AI. Meestal is het een specialisatie-richting binnen een Bachelor in Computer Science

6 Institute for Language, Logic and Computation. De directeur is Frank Veltman. 7 Informatics institute. De directeur is Pieter Adriaans.

���������������������������������������� Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica.

6


of wordt het als een vervolg Master op zo’n Bachelor aangeboden. Dus de mate waarin we kunnen afstemmen op internationaal niveau is beperkt. Er is wel een zogenaamd Computing Curricula 20019, waarin de doelstellingen staan waaraan een Computer Science opleiding moet voldoen. Maar dat is dus niet specifiek voor AI. Daarnaast zijn er ook nog Europese richtlijnen, maar ook die zijn algemeen en hebben niet specifiek betrekking op AI. Binnen Nederland zijn er echter wel specifieke AI-gerelateerde instanties. Zo is er het KION10 overleg waarin de afstemming tussen de verschillende opleidingen plaatsvindt.

de eerste plaats vakinhoudelijk. We zijn bijvoorbeeld duidelijk anders dan de opleiding in Utrecht, die is meer filosofisch georiënteerd. We zijn ook anders dan de opleiding in Groningen, daar ligt een de nadruk op het sensorische aspect, op de bewerking van signalen en dergelijke. In Nijmegen staat de cognitie centraal. Wij richten ons echter meer op robotica, in de brede zin van het woord. Denk hierbij aan een vak als Computer Vision, maar ook aan vakken die hieraan vooraf gaan, zoals bijvoorbeeld Lineaire algebra. Wij zijn meer technisch als het ware, hetgeen zich ook uit in de hoeveelheid programmeren, wiskunde en logica in het programma. In de tweede plaats profileren we ons door de kwaliteit van ons onderwijs. Daar zijn in het verleden, daar doe ik niet geheimzinnig over, wel eens problemen mee geweest. We zijn eind 2001 door de inspectie minder goed gewaardeerd. Er is toen een aantal studenten zo vrij geweest om ten overstaan van de visitatiecommissie hun hart te luchten over tekortkomingen die de opleiding in hun ogen had. Daar is op zich natuurlijk niets mis mee, en ze hadden inhoudelijk misschien nog wel gelijk ook, maar de opleiding heeft daar geen voordeel van ondervonden, integendeel. Zo publiceerde Elsevier deze cijfers 4 jaar achtereen in haar ‘keuzegids hoger onderwijs’ zonder

Wanneer we kijken naar de situatie in Nederland, dan is er volop keuze voor iemand die AI wil gaan studeren. Er worden maar liefst zes Bachelor-opleidingen aangeboden (Maastricht, Nijmegen, Groningen, Utrecht,UvA en VU). Hoe probeert U de opleiding aan de UvA ten opzichte van deze andere opleidingen te profileren? Dat doen we op twee manieren. In 9 Computing Curricula 2001 for Computer Science (of CC2001) is ontwikkeld door de Joint Task Force on Computing Curricula IEEE Computer Society en de Association for Computing Machinery (ACM). ���������������������������������������� Kunstmatige Intelligentie Opleidingen Nederland.

7


zich af te vragen of er tussentijds wellicht iets was verbeterd. Heel vervelend, en onjuist. Verder speelt denk ik ook wel mee dat UvAstudenten in het algemeen mondiger lijken dan studenten bij andere universiteiten. Dat heeft ook met ons imago te maken. De UvA wordt vaak gezien als de universiteit waar zaken minder strak geregeld zijn, waar ruimte is voor afwijkende meningen. Dit is natuurlijk ook de charme van de UvA. Onze studenten zijn daardoor misschien vrijer en tonen meer initiatief. Dat vrije karakter vind ik ook zeer belangrijk, ik zie daar de voordelen wel van in. Maar in het geval van de visitatie was het verloop minder gelukkig. Begrijp mij overigens niet verkeerd, kritiek moet wel geuit en besproken worden. Maar het is de kunst om het zo te doen dat het effectief is en niet juist meer schade aanricht.

Utrecht, met een 7.3, en wij hebben een 6.8. Dat is dus nog maar een half punt verschil en we blijven, naar ik aanneem, stijgen. Overigens moeten we deze cijfers ook weer niet al te serieus nemen, het gaat immers om een soort van enquête waarbij steekproefsgewijs studenten om hun mening wordt gevraag. De accreditatie van de NVAO11 is veel belangrijker. Want binnenkort is er weer een nieuwe accreditatie van de opleiding? Precies. Die zal in de komende maanden gaan plaatsvinden. Ik heb goede hoop dat we er dit keer goed doorheen zullen komen. Misschien is het nuttig om op te merken dat er tegenwoordig wel wat meer op het spel staat. Voorheen betrof het een visitatie, een soort van evaluatie. Wanneer er iets niet goed was dan werd dat gemeld aan het bestuur en werden er verbeteringen gesuggereerd. Tegenwoordig is het anders, een accreditatie bepaalt nu of een opleiding wel of niet haar licentie behoudt. Als het oordeel van de commissie negatief uitvalt, houdt de opleiding op te bestaan. Daarom hebben de studenten er zelf ook belang bij dat de accreditatie goed verloopt, anders zitten zij straks zonder diploma en met een opleiding

Staat de opleiding dan zo slecht aangeschreven? Stond. Inmiddels zijn we al weer flink op de andere AI-opleidingen in Nederland ingelopen, althans volgens de getallen van Elsevier’s keuzegids. Ik zal die cijfers er even bijpakken. [Dr. Bredeweg zoekt enige tijd op zijn Apple, vervolgens komt hij met de precieze cijfers.] Het ligt allemaal heel dicht bij elkaar, statistisch gezien zijn er geen verschillen. Het hoogste cijfer heeft de opleiding in

����������������������������������������� Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie

8


die niet meer bestaan.

binnen de Bachelor een betere aansluiting op elkaar gekregen. Tegelijkertijd zijn we echter ook genoodzaakt om de kosten in de gaten te houden. Vanaf volgend jaar zal het vak Datastructuren dan ook samen met Informatica studenten worden gegeven. Dit is een vak waarvoor we die samenvoeging wenselijk achten. Hetzelfde hebben we in het verleden gedaan met Databases. Maar over het algemeen willen we met name in het eerste jaar van de Bachelor een duidelijk eigen gezicht waarborgen. In het derde jaar, wanneer mensen een beeld hebben van welke richting ze uit willen, en het meer om specialisaties gaat, ligt het meer voor de hand om vakken eventueel te delen met andere opleidingen.

Wat zijn de mogelijke gevolgen van zo’n accreditatie? Tegenwoordig moeten we alle aanpassingen al aangebracht hebben voordat de accreditatiecommissie de opleiding bezoekt en uiteindelijk tot haar oordeel komt. De afgelopen jaren hebben we dan ook geprobeerd de opleiding zo goed mogelijk op de kaart te zetten. Een punt van kritiek tijdens de vorige visitatie was dat onze opleiding niet voldoende eigenstandig was. We hadden toen veel overlap met Informatica en Informatiekunde. Ook was er nog geen vast docententeam. Met de invoering van het Bachelor/ Master-systeem is dat allemaal veranderd. Toen zijn alle vakken 100% AI-vakken geworden. Dit zelfstandig maken van de Bachelor is een goede zet geweest. Natuurlijk kun je een aantal vakken in principe wel met Informatica en/of Informatiekunde delen. De kerninhoud is soms namelijk hetzelfde. Maar wanneer je de vakken exclusief voor je eigen opleiding geeft, kun je je tijdens de behandeling van die kerninhoud al gaan richten op specifieke toepassingen die binnen het vakgebied van jouw opleiding interessant zijn. Je ziet dat bijvoorbeeld bij Lineaire Algebra. Leo Dorst geeft het met het oog op het vervolgvak Computer Vision. Daardoor hebben de vakken

Je hoort zo veel over rendementsverhoging in het onderwijs. Wordt daar binnen de Bachelor AI ook over gesproken? Zeker, het is een steeds belangrijker wordend thema. Maar er is veel onduidelijkheid en verschil van mening over wat precies onder een ‘goed rendement’ moet worden verstaan. Het kosten en baten verhaal is complex. Strikt genomen is het bijvoorbeeld niet duidelijk hoeveel een les of een opleiding kost. En ook niet hoeveel een student nu precies oplevert. Het CvB12 en de faculteiten zijn daar druk mee bezig. Men wil ���������������������������������� College van Bestuur (van de UvA)

9


uiteindelijk met een rekenmodel komen waar dat alles in verdisconteerd is. Aan de hand daarvan moet dan de rendabiliteit van een opleiding of van een vak kunnen worden bepaald. Wel zit er, naar mijn mening, in het huidige systeem een fout. Vroeger kregen opleidingen per afgeleverde Doctorandus een bonus. Tegenwoordig krijg je die bonus wanneer iemand een Master-diploma haalt. Er is dus geen bonus voor de student die alleen een Bachelor afrond. Dat vind ik niet fair in de nieuwe situatie waarbinnen een Bachelor en Master als zelfstandige opleidingen worden gezien. Maar hoe worden (of hoe worden in de toekomst) die kosten en baten aangaande studenten en opleidingen bepaald? Wordt er in het rekenmodel ook verdisconteerd dat je een maatschappelijk relevante studie hebt gedaan? Het is niet zo dat een onrendabel vak ook per definitie meteen moet verdwijnen, of dat een minder rendabele opleiding meteen wordt gestopt. Er kunnen andere redenen zijn om een vak of een opleiding te behouden. Bijvoorbeeld om als universiteit een breed keuzeaanbod te kunnen bieden, en als onderwijsinstelling serieus te worden genomen. Onder dit soort ‘buiten de kosten om bestaande redenen’ zou ook ‘maatschappelijk 10

nut’ kunnen worden genoemd. Maar in de gangbare kosten en baten berekeningen worden dit soort dingen vooralsnog niet verwerkt. Zijn er ideeën om het rendement van de opleiding te verhogen? Bijvoorbeeld door strengere eisen op te leggen aan mensen die aan de Bachelor beginnen? Op dit moment hebben we natuurlijk al een aantal eisen. Zo moeten mensen op de Middelbare School een profiel kiezen met wiskunde. Wat je wel merkt is dat het niveau van het wiskunde-onderwijs op de Middelbare Scholen de laatste tijd meer is gaan differentiëren. Sommige studenten hebben weinig of geen moeite om de aansluiting te maken, maar anderen lopen bij de Wiskunde vakken tegen een barrière op. Dit zouden we bijvoorbeeld kunnen voorkomen door in de toekomst een wiskundetoets in te voeren die studenten moeten halen voordat ze aan de Bachelor mogen beginnen. Maar het is de vraag een dergelijke toets iets uithaalt. Er zijn immers nog andere redenen waarom studenten minder goed studeren. Eén daarvan is de overstap van de gecontroleerde omgeving van de Middelbare School naar de veel lossere Universiteit waar meer eigen initiatief wordt verwacht. Vaak gaat deze cultuuromslag ook nog eens gepaard met de overstap van het


wonen bij de ouders naar zelfstandig wonen, en de twee veranderingen kunnen elkaar dan versterken. En, niet te vergeten, Amsterdam trekt natuurlijk ook nog. Verder zouden strenge eisen mensen kunnen afschrikken. Dat zou zonde zijn. Sommige mensen modderen eerst een jaartje of twee wat aan, maar zien daarna het licht. Ze moeten ‘even’ hun draai vinden, maar dan kunnen het alsnog zeer succesvolle studenten worden. Ze kosten wel meer geldt dan mensen die hun opleiding in één ruk afmaken. Het is vervolgens een politieke keuze of je als gemeenschap bereidt bent om die één of twee jaar tijd voor hen te bekostigen. Mijn persoonlijke mening hierover is de volgende: voor sommige mensen duurt het gewoon een paar jaar langer. Ik denk dan: “So be it.” Ik ben geen voorstander van de verdere bezuinigingsmaatregelen en de overdreven nadruk op rendement. Studenten moeten zich echter wel realiseren, dat wanneer ze het oneens zijn met dit soort politieke beslissingen, ze dan moeten gaan protesteren. Maar daar lijken studenten de laatste jaren niet veel voor te voelen. Men maakt zich veel te weinig druk over het behoud van eerder verworven privileges.

maatregelen in opstand komen. Dat laat ik aan mijn meer linkse collega-studenten over. Ja dat liberale sentiment speelt tegenwoordig bij veel van onze studenten. Dat was in het verleden anders. Er speelt natuurlijk ook wel mee dat tegenwoordig best veel zaken goed geregeld zijn. Misschien is er gewoon veel minder reden om je te verzetten. Dat zie je ook bij de verkiezingen he. Zodra mensen bepaalde vrijheden ontberen verzetten ze zich fel, dan strijden ze voor hun rechten. Wanneer ze die vervolgens hebben verkregen wordt men weer rustiger, met name de navolgende generaties. Misschien is het een noodzakelijke golfbeweging. Wat vindt U van de VIA? Geen uitgesproken mening over. Lijkt mij goed dat deze er is. Eh, even denken. Ik heb wel de indruk dat niet altijd alle jaargangen even goed vertegenwoordigd en even enthousiast zijn. Dus daar zit wellicht nog een punt voor verbetering? Verder weet ik het niet. Ik vind het wel goed dat er een studievereniging is. De VIA doet regelmatig iets aan belangenbehartiging van studenten en organiseert best veel evenementen, borrels en lezingen bijvoorbeeld.

Is er ook plaats voor de VIA Ik zou niet zo snel tegen dit in het nieuwe gebouw in de soort rendements-verhogende Watergraafsmeer? 11


Dat zou ik niet weten, dat is een OWII-ding. Dat zal voor de VIA trouwens wel een grote verandering kunnen betekenen. De OWII gaat namelijk binnenkort verdwijnen, dan bestaat er dus geen aparte unit Informatiewetenschappen meer. Alle Bachelor opleidingen van de FNWI komen dan samen in één FNWI Bachelor school. Dan moet deVIAzich misschien ook gaan herpositioneren. Bovendien komen de Bachelor en de Master organisatorisch verder uiteen te liggen, doordat deze naar verschillende organisatorische units gaan binnen de FNWI. Misschien moet de VIA zich dan uitsluitend nog op de Bachelor-opleidingen gaan richten? Maar dat zijn zaken van het VIA bestuur, daar heb ik in principe geen zeggenschap in. Maar ik ben heel benieuwd naar wat ze gaan doen. Wat vindt U eigenlijk van de op handen zijnde overstap naar de Watergraafsmeer? Het heeft veel voordelen denk ik. We zijn dan minder verspreid, alles ligt bij elkaar. Nu worden onze studenten en ook docenten van het ene naar het andere gebouw gestuurd. Dat gaat ten koste van de kwaliteit, bijvoorbeeld door het ontbreken van informele contacten. Toen wij13 voorheen in het A-gebouw op de 9e verdieping zaten, waar ook een practicumzaal was,

zag ik studenten regelmatig buiten de reguliere lessen om. Dat is veel beter. Men kan even een informeel praatje houden en studenten weten je te vinden wanneer ze je nodig hebben. Nu is dat allemaal veel lastiger. Bovendien krijgen we hier een mooi, nieuw gebouw. En als je dat vergelijkt met waar we nu soms les moeten geven... Ik bedoel, je kent gebouw I toch? Geen internet, amper een scherm voor de projector, werkelijk droevig. Wat voor een indruk geeft dat bij eerstejaars? Ik ben laatst wezen volleyballen in de sporthal van de VU. Dan kom je daar dus op een campus waar alles bij elkaar ligt en alle faciliteiten aanwezig zijn, en ik moet zeggen, dat zag er best aardig uit “to be honest’. Zoiets gaan wij dus ook krijgen. In de watergraafsmeer wordt immers ook studentenhuisvesting gerealiseerd. Dat is goed. Het enige nadeel is dat we niet mee in de stad zitten, maar ik fiets het stuk nu zelf elke dag, en mij maakt het niet uit. Zo ver is het nu ook weer niet. De voordelen van bij elkaar zitten in een nieuw gebouw, overtreft de eventuele nadelen, is mijn indruk.

����������������������������������� Human computer studies laboratory

12


Advertentie

Glass of water

Christel van den Oever

With the “The Glass of Water” you feel better, instantly. The most essential part of our everyday life is probably the glass of water. As a child whenever you weren’t feeling well, your leg was broken or you entire family had just been slaughtered to death there was probably always someone around who would offer you a glass of water. But what happens now when you’re in an unpleasant or harmful situation and nobody is around? The biggest advantage of our product “The Glass of Water” is that it is no longer necessary for other people to be around to offer you a glass of water. WE ARE OFFERING YOU A GLASS OF WATER. How often has it occurred to you that you needed a friend around to offer you that special glass of water and nobody was around? Thanks to our product “The Glass of Water” you won’t need this friend anymore. ISN’T IT GREAT? The glass of water has always had and will always have a big role in our society. That is why we are proud to present to you “The Glass of Water”. “The Glass of Water” is a product of NotfromtheSink Inc. With the “The Glass of Water” you feel better, instantly. ORDER NOW!! And you will never have to go without. NotfromtheSink Inc

13


Verhaal

De autonomie van mijn robot

Willem Dribbelhuus (Tweedejaars Informatica) En toen kwam onvermijdelijk het slibte en hij, in plaats van vooruit te moment waarop hij het huis zou ver- rijden, alleen nog maar in cirkeltjes laten. Domme computers worden kon spinnen. Dat moet nog geweest slim, dat is zeker. Maar toch deed zijn vóórdat hij zijn slef-repair kit het me pijn na zo’n lange tijd van ingebouwd had gekregen. Wanneer hem verwijderd te moeten zijn. Hij- was dat? 1999. Ja, domme robots zelf daarentegen had geen emoties, worden slim... En hoe hij aanvankemaar probeerde mij, aan de hand lijk de weg in de keuken, diezelfde van een regel-gebaseerde database keuken waarin we ons nu bevonden van menselijk gedrag, te troosten. en zo bedroefd waren om zijn verZijn mechanische armpje legde zich trek, niet had kunnen vinden omom mijn schouder heen en uit één dat hij steeds tegen de stoelpoten of ander compartiment in zijn blik- opbotste. Dat moet nog vóórdat hij ken binnenste trok hij een smette- van GPS gebruik is gaan maken zijn loos witte zakdoek te voorschijn, geweest. Wanneer was dat? 1993. veegde de tranen van mijn gezicht. Ja, domme robots worden slim... En Mijn vader en moeder stonden eveneens onwennig in de keuken. Hoe afscheid te nemen van iemand die als een tweede kind voor hen geworden was? De slingers die diagonaal het plafond van hoek tot hoek sierden, benadrukten de treurigheid van het geheel. Aanvankelijk was de sfeer nog ontspannen geweest. We hadden lachend oude anekdotes opgehaald. Wat wil zeggen: hij haalde alle anekdotes uit zijn op menselijke humorwaarde geïndexeerde register en wij hadden om deze verhalen, zoals altijd, hartelijk moeten lachen. Zoals toen die keer dat zijn linker wieltje 14


hoe hij in de jaren ‘70 bij ons in huis was gekomen: zo groot als een koelkast was hij geweest. Trillend en bibberend had hij zich nauwelijks één meter kunnen verplaatsen. ‘Shakey’ hadden de kinderen in de buurt hem gekscherend genoemd. Dat moet nog geweest zijn vóórdat hij die compacte IC ingebouwd had gekregen. Wanneer was dat? 1978. Ja, grote robots worden klein... Maar nu was het dan zo ver, het moment waarop hij dan echt zou vertrekken was aangebroken. De wijde wereld wilde hij in, helemaal naar America reizen. Er viel immers nog zó veel waar te nemen, vond hij. In America aangekomen zou hij bij de NASA gaan solliciteren om op Mars als ‘rover’ te mogen worden ingezet. De ultieme vorm van autonomie, zo zei hij zelf. Geen mens die je een handje komt helpen, twee maal daags een radiosignaaltje naar de basis op aarde versturen en dat was alles: eindelijk op eigen rupsbandjes staan! Hij reed nu de keuken uit, de gang door, de voordeur uit, de straat op. Mijn ouders en ik stonden gedrieën in de deuropening en keken hem na. Aan het einde van de straat gekomen hield hij nog één keer stil, draaide zich om, maakte met zijn pneumatisch aangedreven handje een zwaaiend gebaar in de lucht en verdween toen voorgoed.


Rapportage

Echo2:

Swing programmeren voor de browser

Nico Klasens (Finalist IT Group, nico@finalist.com) Dit artikel is een inleiding in Echo2, een framework dat helpt bij het schrijven van een AJAX web applicatie. Net iets meer dan een jaar geleden introduceerde Jesse James Garret de term AJAX (Asynchronous JavaScript and XML). Inmiddels weet iedereen wel welke technieken gebruikt worden en hoe ze zouden moeten samenwerken. Nog steeds is er redelijk wat verbeelding nodig om een goede applicatie te maken met het AJAX concept. Ajax schrijf niet veel voor. Er wordt bijvoorbeeld nergens vertelt waar de staat van de gebruiker wordt bewaard en hoe gesynchroniseerd moet worden tussen de client en server. Het communicatie protocol kan XML zijn, maar ook JSON (JavaScript Object Notation) of een eigengemaakt protocol is mogelijk. Het Echo2 platform heeft een framework ge誰mplementeerd dat AJAX-gebaseerd is en alle verbeelding wegneemt. Het Echo2 platform gebruikt objecten en event om de gebruikers interface te veranderen en probeert daarbij HTML, HTTP en JavaScript zoveel mogelijk te ver-

bergen. In veel gevallen hoeft de ontwikkelaar alleen maar Java te kennen en de manier hoe Swing werkt. Het Echo2 platform heeft zijn eigen grafische componenten, objecten, listeners en event, maar ze lijken erg veel op die van Swing. Echo2 gebruikt op sommige plaatsen dezelfde namen. Door het framework lijkt het erop alsof je een standalone desktop applicatie aan het schrijven bent, omdat session management en clientserver synchronisatie al geregeld worden. De enige twee dingen die

16


je moet doen om een Echo2 applicatie te laten weten dat het gebruikt wordt op het web is door een ApplicationInstance class en servlet te implementeren. De Applicatie instance bewaart de staat van één gebruiker. De servlet maakt en retourneert een ApplicationInstance voor elke gebruiker. Echo2 kan op basis van de ApplicationInstance de hele gebruikers interface opnieuw opbouwen. De vernieuw knop levert dezelfde staat van de client terug zoals die was voor het vernieuwen. De applicatie instance bevat een hiërarchie van componenten waarvan het window object het begin is. Elk component heeft properties en stylesheets om de weergave en gedrag te bepalen, Echo2 gebruikt geen layoutmanagers om de componenten te presenteren. In plaats daarvan wordt een LayoutData object gebruikt zodat het omringende componenten hoe het component gepresenteerd moet worden. Er zijn op het moment nog niet veel componenten die anderen componenten kunnen weergeven in een layout, maar het zijn er genoeg om een simpele applicatie te maken. Echo2 is een event-driven applicatie. De volledige control flow gebeurt door event in een Echo2 applicatie. Elk component heeft methodes om event listeners te registeren. Een Echo2 ontwikkelaar maakt een button met een ActionListener zodat de gebruikers interface en staat ver17

anderd worden wanneer erop geklikt wordt. Dit is hetzelfde zoals je het in Swing zou doen. Zelfs de naamgeving is hetzelfde. Echo2 verstuurt een client event naar de server doormiddel van xml. De server gooit het event zodat de applicatie code de staat van de componenten hiërarchie kan veranderen. Aan het eind van de request stuurt de server in xml terug naar de client welke componenten zijn veranderd gedurende het request. De client JavaScript code verandert de inhoud van de browser zodat het weer in sync is met de server. Een ontwikkelaar moet alleen listeners registreren als hij ze nodig heeft ander reageert de gebruikers interface een stuk minder. Op dit moment zijn de invoercomponenten compleet genoeg om een goede data-invoer applicatie te maken. Er zijn nog geen invoercomponenten met geavanceerde opties zoals validatie en formattering, maar dat is alleen een kwestie van tijd. Het developer forum heeft al een aantal aardige aanvullingen. Echo2 is zeer zeker het bekijken waard bij het evalueren van web applicatie frameworks voor een intranet applicatie. Het reageert erg goed en het maakt het implementeren van AJAX gebaseerde applicatie erg makkelijk. Bekijk http://www. nextapp.com/platform/Echo2/echo/ en beslis voor jezelf.


Filmreview

Return of the Killer Tomatoes (1988)

Ivo Singer

Het lijkt wel alsof alle winkels tegenwoordig DVD’s verkopen tegen prijzen waar toch maar weinig mensen echt rijk van zullen worden. Soms zitten daar echter onverwachte pareltjes tussen, die je zeker niet mag missen! Return of the Killer Tomatoes is er zo een. Of het nou de Killer Tomatoes zijn, de nog jonge George Clooney of het rolmodel voor iedere vrouw, Tara Boumdeay: iedereen heeft wel een reden om deze film te moeten zien! Tien jaar na de Tomatenoorlog is nog steeds niet iedereen bijgekomen van het rode gevaar. In de nadagen van deze oorlog zijn tomaten overal in Amerika verboden en moet onze sympathieke held Chad dit rode gemis op zijn pizza’s op creatieve manier compenseren. Voor de liefhebbers bakken hij en zijn makker Matt (Clooney) de heerlijkste pizza’s met chocola, jam en pindakaas. Werkend in de pizzeria leek het leven Chad gunstig gezind en wanneer de liefde van zijn leven Tara met legendarische woorden de zaak binnen komt wandelen, lijkt het leven zijn stoutste dromen te overtreffen. De liefde van Chad’s leven is niemand minder dan de schoonmaakster, kokkin en weergaloze minnares van professor Gangreen. Wanneer blijkt dat haar vreemde afwijkingen het gevolg zijn van het feit dat zij eigenlijk een tomaat is, slaan de stoppen door bij Chad. Als neefje van een van de helden van de tomatenoorlog is hij opgevoed met een gegronde angst voor deze angstaanjagende groente! Zoals het hoort overwint de liefde en Chad gaat naar haar op zoek, maar dat is nog niet alles! Professor Gangreen blijkt namelijk niet alleen de ideale vrouw te kunnen creëren, maar hij heeft ook nog eens een groot plan om de wereld te veroveren met tomatenmensen! 18


Hoewel tomaten enorm angstaanjagend kunnen zijn, hoef je niet bang te zijn dat je bij deze film onder je stoel belandt. De film neemt zichzelf ook niet al te serieus en wordt regelmatig onderbroken voor het nodige commentaar. In het begin van de film blijken we zelfs een prijs te kunnen winnen als we de telefoon opnemen met het geheime codewoord! Met een super oubollige soundtrack, een rondborstige dame in nood, rambo’s bij de vleet, een wannabe-nieuwslezer Igor met het IQ van een banaan, met harige èn niet-harige tomaten is deze film superflauw, maar daarom wel weer heel grappig. Van de special effects moet deze film het ook niet hebben, maar deze passen perfect binnen het sfeertje van een B-film. Zal Chad zijn enige echt ware liefde van zijn leven weten te vinden? Zullen de moordlustige tomaten de wereld overnemen? En wie wordt de winnaar van het grote belspel en neemt de jackpot van 9 dollar en 22 cent mee naar huis? Voor het antwoord op al deze vragen zul je toch echt de film moeten gaan kijken. Als je van melige films houdt is deze film zijn twee euro meer dan waard!

19


Artikel

De notie van het experiment in de wetenschapstraditie

Gerard Spong (Schakeljaar Informatiekunde) Wat wordt er eerder geassocieerd met ‘de natuurwetenschapper’ dan zijn gehuld zijn in een witte jas en het hem omringende, steriele laboratorium? Deze omgeving is speciaal ontworpen om experimenten te kunnen doen die in het alledaagse leven niet voorkomen (of slechts binnen deze kunstmatige setting voldoende kunnen worden geïsoleerd en/of uitvergroot zodat het verdere theoretisering toestaat). Echter is dit standaardbeeld van de natuurwetenschapper zeer recent. De natuurwetenschappen bestonden reeds zeer vele eeuwen alvorens de moderne notie van het experiment, en de daaraan verbonden zijnde praktijk van het laboratorium, hun intreden deden. Alvorens wij een korte blik zullen werpen op de notie van het experiment in de klassieke natuurwetenschappen, is het noodzakelijk in aanmerking te nemen dat het gebruik van de term ‘natuurwetenschappen’ voor de designatie van een wetenschapsgebied ten tijde van de Klassieke tijd, de Middeleeuwen of de Moderne tijd een anachronistisch gebruik van de term behelst. Aangezien ons hier de ruimte ontbreekt

om het verschil steeds afdoende duidelijk te maken, zullen wij met de term ‘natuurwetenschappen’ de wetenschapsgebieden aanduiden die in vroeger tijden het meest aansloten bij ons hedendaagse begrip van die term.1 �������������������������������������� Het domein, de methode en de institutionele vormgeving van het wetenschapsgebied van de fysica, zoals wij dat heden ten dage kennen, is gedurende de laatste eeuwen ontstaan. Men kan deze term derhalve niet eenduidig toepassen op de wetenschapstraditie van de Oudheid, waarin er bijvoorbeeld nog een nauw verband bestond tussen wat wij nu astronomie, astrologie, wiskunde, optische natuurkunde en statische natuurkunde noemen. Merk op dat het huidige onderscheid tussen astronomie en astrologie – de eerste een volwaardige wetenschap, de tweede een pseudo-wetenschap – in de klassieke periode nog niet bestond. Het is evident dat een groot aantal fenomenen, wiens behandeling wij nu tot de natuurwetenschappen rekenen, destijds daarin niet werden behandeld. Voorbeelden hiervan zijn elektriciteit en chemie. Daarnaast behoorde tot de bovengenoemde klassieke wetenschap een gebied wat men met de term ‘harmonica’ aanduidt, maar wat tegenwoordig niet meer bestaat. Dit was een onderdeel van het klassieke wetenschappelijke onderzoek, waarin toonsoorten en intervallen op wiskundige wijze werden beschreven, en hun onderlinge werking werd

20


De klassieke natuurwetenschappelijke traditie In de klassieke natuurwetenschappen werden geen experimenten gedaan.2 Dit wil niet zeggen dat deze wetenschappen daardoor ook niet-empirisch waren, dit waren zij wel degelijk. Ze baseerden zich dus wel op waarnemingen, maar niet op experimentele waarnemingen. De waarnemingen waarop de klassieke wetenschappen zich baseerden waren veelal de alledaagse waarnemingen die niet-wetenschappers eveneens maken. Er was, in die zin, geen sprabepaald. Merk op dat het klassieke deel-onderzoeksgebied van de harmonica ook niet overeenkomt met - of een onderdeel is van - de moderne muziekwetenschappen, die weliswaar gedeeltelijk hetzelfde domein bestuderen, maar dit aan de hand van fundamenteel andere aannames en met behulp van fundamenteel andere methodes doen. Een indicatie van het verschil tussen beide vormen van muziekwetenschap wordt duidelijk door de reeds beschreven distantie die er heden ten dage bestaat tussen de natuurwetenschappen en de moderne muziekwetenschap, die dan ook bij de humaniora is ondergebracht. 2 Met deze term duid ik de natuurwetenschappelijke traditie gedurende zowel de Oudheid als ook de continuatie daarvan gedurende de Middeleeuwen aan. Deze traditie bleef gedurende deze periode qua onderzoeksdomein, methode en experimentatie (voor zover deze bestond) relatief gelijk en verkreeg pas tijdens de Wetenschappelijke Revolutie een fundamenteel ander karakter.

ke van waarneming als actief proces. Men hoefde zijn blik niet specifiek te richten op het een of andere aspect van de werkelijkheid. Het ligt in de alledaagsheid van de waarneming van de werkelijkheid besloten dat er geen sprake is van actieve observatie. Bekendheid met het functioneren van de natuur werd zo voorondersteld. De zijdelingse observaties die gedaan werden hadden meestal een kwalitatief karakter. Meetinstrumenten die speciaal waren ontworpen voor metingen in de wetenschappelijke praktijk ontbraken. We vinden in deze periode dan ook geen omvangrijke kwantitatieve observaties. Dit is ook de reden waarom er in de klassieke natuurwetenschappen zo vaak sprake is van het gebruik van gedachtenexperimenten. Aangezien de kennis van de wereld die men in deze wetenschapspraktijk gebruikte common-sense kennis was, kon men een experiment evenzogoed in zijn hoofd doen voltrekken. Het opzetten van dit experiment in de echte wereld was niet nodig. Zelfs het epitoom van de wetenschappelijke revolutie, Galileo zelf, maakte nog uitgebreid gebruik van gedachtenexperimenten om zijn theorie te onderbouwen3. Gedurende de bloei ����������������������������������������� Onder de Galileo-exegeten bestaat er onenigheid over de mate waarin deze gebruik maakte van het gedachte-experiment. Het blijkt vaak lastig na te gaan te zijn of een door hem beschreven experiment in het echt of slechts in gedachte ten uitvoer is

21


die de niet-experimentele klassieke wetenschappen gedurende de latere Middeleeuwen (vanaf de dertiende eeuw) ondervonden, ontstond een in institutioneel opzicht weinig opzienbarende, maar in intellectueel opzicht zeker niet te verwaarlozen parallelle wetenschapsvisie, die aan het experiment een centralere rol toedichtte. Deze traditie vangt al zeer vroeg aan, in ieder geval met het werk van Grosseteste (1168-1253), en loopt door de hele latere Middeleeuwen heen.4

Het Baconiaanse experimentalisme

gebracht. In een aantal gevallen is er wel zekerheid: de resultaten die worden beschreven komen op moderne onderzoekers absurd over en ze kunnen niet op eenvoudige wijze uit de beschreven experimenten volgen; soms ook was de in die tijd voorhanden zijnde apparatuur niet voldoende ontwikkeld om de beschreven experimenten te kunnen uitvoeren. Zie Kuhn1977c. p. 193-194. And: “On some occasions he [=Galileo] proclaimed that the power of his mind made it unnecessary for him to perform the experiments he described. On others, for example when considering the limitations of water pumps, he resorted without comment to apparatus that transcended the capacity of existing technology.” Kuhn1977d. p . 49. ��������������������������������������� Voor een karakterisering van deze Middeleeuwse experimentele wetenschapstraditie, zie Crombie1953. Een voorbeeld van de propagatie van de ideeën binnen deze traditie is de invloed van de optica van Roger Bacon (12141292) op Pecham en Witelo, en via hen op Kepler.

De Baconiaanse wetenschappen moeten dus gedeeltelijk als een continuatie van laat-Middeleeuwse denkbeelden worden beschouwd. Dit neemt niet weg dat zij, gedurende de Wetenschappelijk Revolutie, door enige fervente voorvechters onder de aandacht werden gebracht. Er is echter geen sprake van een duidelijke doorbraak van de experimentele traditie in deze periode. Het is niet zo dat de traditionele natuurwetenschappen werden omgevormd door de experimentele methode, en dat vanaf dat moment observatie en experimentatie aan theorievorming vooraf zijn gegaan. De twee tradities, de klassieke natuurwetenschappen en de Baconiaanse experimentele wetenschappen bleven nog geruime tijd in betrekkelijke afzondering van elkaar voortbestaan.5 Waar de klassieke wetenschappen zich reeds in de late Middeleeuwen in de curricula van de Europese universiteiten hadden gevestigd, bleven de Baconiaanse wetenschappen nog gedurende de gehele achttiende eeuw van de academiën uitgesloten. Zij werden veelal door amateurs bedreven.6 Er wordt soms aangenomen dat het revolutionaire karakter van de modern-experimentele beweging ������������������������������������������� “Into the nineteenth century the two clusters, classical and Baconian, remained distinct.” Kuhn1977b. p. 48. 6 Kuhn1977b. p. 51.

22


schuilt in het doen van experimenten in het algemeen. Maar dit is, wanneer men de continuatie met de middeleeuwse experimentele traditie in ogenschouw neemt, niet waar.Het grote nieuwe element aan de Baconiaanse ‘nieuwe wetenschap’ ligt in een verandering van visie ten aanzien van het experiment. Daar waar in vroeger tijden het experiment bedoeld was geweest om conclusies te demonstreren die op theoretische wijze al waren bereikt of werden vermoed (het experiment als complementair aan de theorie), moet volgens Francis Bacon en zijn volgelingen het experiment het primaat boven de theorie krijgen. Dit beeld breekt duidelijk met dat van de klassieke traditie, waarin empirische observaties op een alledaagse wijze de theorie ondersteunden. Het experiment bij de moderne experimentalisten is er om de natuur juist van haar alledaagse voorkomen te ontdoen en haar te dwingen zichzelf prijs te geven. Deze agressieve notie van ‘dwingen’ zou in de klassieke, Aristotelische natuurwetenschappelijke traditie nog ondenkbaar zijn geweest. Wanneer men immers zich ten doel stelt om de natuurlijke orde van de objecten in het universum te bestuderen, zou men deze natuurlijke gang van zaken verstoren door in deze werkelijkheid dwingend in te grijpen.7 7 Deze agressieve inmengingen in de natuurlijke gang van zaken worden binnen de

23

Het nieuwe experimentele beeld breekt echter ook met dat van de hierboven aangehaalde laat-Middeleeuwse experimentele traditie. Practiseerders binnen deze traditie maakten weliswaar op grotere schaal gebruik van het experiment, en zij reikten hiermee voorbij de empirische kennis van enkel het alledaagse, maar voor hen fungeerden de experimentele resultaten altijd nog als demonstraties van conclusies die ook reeds op theoretische wijze waren Aristotelische oorzakelijkheidsleer geclassificeerd als causa efficiens. Deze werden niet bestudeerd in de klassieke fysica. Binnen deze wetenschap stond de causa formalis centraal. Zo ziet men dat de klassieke wetenschapsopvatting, door de nadruk te leggen op een ander soort oorzaken, de notie van experiment en de notie van het laboratorium uitsluit. Het is niet toevallig dat de notie van causaliteit die in de moderne wetenschappen heerst in termen van wat men in de Aristotelische oorzakelijkheidsleer met de term causa efficiens zou aanduiden (het zogenaamde ‘trekken en duwen’). Kuhn1977a. p. 24-25. De andere drie oorzaken (causa materialis, causa formalis en causa finalis) komen op ons vreemd over, het primaat van de causa efficiens in onze tijd is duidelijk aanwezig. Het is heel erg moeilijk om de andere drie causa toe te passen op een natuurkundig probleem. We hebben het meestal over het standbeeld in Athene (het idee van de kunstenaar, het materiaal waar het uit gemaakt is en het nut van meer beelden in Athene), maar we zijn niet in staat om ver voorbij dit voorbeeld te reiken. (Het beeld in Athene is een voorbeeld van een manier van denken is ons geheel vreemd is.)


verkregen, of in ieder geval aan de hand van de theorie werden vermoed. Het experiment was dus zeer belangrijk en had als functie de verbondenheid tussen experiment en theorie aan te tonen, maar bleef steeds primair ten opzichte van het experiment. De nieuwe experimentele visie contrasteert hier duidelijk mee, daar het experiment nu primair ten opzichte van de theorie wordt gezien.8 Dit uit zich dan ook in een minachting voor theorievorming in het algemeen.9 De overige eigenschappen van de moderne experimentele traditie volgen nu uit de hierboven beschreven fundamentele afwijkingen van de 8 Experimentatie als verificatie van of als ondersteuning voor een reeds bestaande theorie, de notie van het experiment in de Middeleeuwse experimentele traditie van Grosseteste en Roger Bacon, valt niet geheel weg en blijft naast de notie van het experiment als basis voor theorievorming bestaan. Deze twee noties spreken elkaar niet tegen en worden dan ook vaak in één en dezelfde persoon verenigd. Bijvoorbeeld in Boyle: “Boyle notes that the new assumptions [van de aanhangers van de mechanische filosofie] lacked as yet extensive experimental verification.” [Burtt1932. p. 163] 9 ”Since the reach of human knowledge is so small in comparison with the totality of being, it is ridiculous to attempt the projection of great systems; better to have a little knowledge which is certain because based on experiment, and is growing, though always incomplete and fragmentary, than to construct large speculative hypotheses of the universe.” [Boyle, Robert. Collected Works. Vol. I. p. 695]

voorgaande wetenschapstradities. Zo is, wanneer empirische kennis ‘diepe kennis’ is, wanneer zij verkregen wordt door de natuur te dwingen zichzelf prijs te geven, het voltrekken van gedachtenexperimenten geheel nutteloos. Immers door de natuur in een niet-natuurlijke positie te dwingen reageert zij niet zoals men op grond van alledaagse kennis en intuïtie zou vermoeden. Vandaar ook dat de voorstanders van de moderne experimentele methode tegen dit soort gedachtenexperimenten fulmineren. Het is niet zo dat er vóór 1600 niemand was die experimenten deed die de natuur in een niet-natuurlijke positie trachtten te dwingen om zo haar ware aard te doorgronden, maar degene die dit soort van experimenten voltrokken werden (en worden) over het algemeen niet tot de wetenschappelijke traditie gerekend. Het waren de alchemisten die reeds ver voordat Francis Bacon zijn programma voor het hervormen van de wetenschappen presenteerde, experimenteerden en de natuur trachtten bloot te leggen. En zelfs ten tijde van Francis Bacon en Robert Boyle, en de twee eeuwen daarna, bleef deze vorm van experimentatie van vele officiële instituties buitengesloten (zoals hierboven reeds is aangegeven).

24


De notie van het experiment in de huidige wetenschapsbeoefening Laten we nu in retrospectie kijken naar de veranderingen die de Baconiaanse notie van het experiment heeft teweeg gebracht in de huidige wetenschapspraktijk. Deze retrospectieve visie wordt mogelijk door de intensivering van de afgelopen halve eeuw in de bestudering van de geschiedenis van de wetenschap (een ontwikkeling die veel raakvlakken heeft met de filosofie van de wetenschap10). Het standaardbeeld van de hedendaagse wetenschap werd aan het begin van dit artikel reeds kort besproken. Bij dit beeld hoort een tweeledige notie van het experiment. In de eerste plaats wordt het experiment gezien als een manier om een voorgestelde theorie te testen. Hierin herkennen we de notie van het experiment zoals ontstaan in de laat-Middeleeuwse traditie. Daarnaast wordt het experiment gezien als exploratiemiddel, als het middel bij uitstek op grond waarvan nieuwe theorieën kunnen worden opgesteld. In dit tweede aspect van de moderne notie van het experiment herkennen we de Baconiaanse opvatting. Het eerste aspect is zonder meer van toepassing. In de moderne

natuurwetenschappen wordt veelvuldig geëxperimenteerd. Er worden speciale instrumenten ontwikkeld en speciale omgevingen (laboratoria) gebouwd om de werkelijkheid in overeenstemming te doen laten blijken met de aangehangen theorie. Het Baconiaanse, exploratieve aspect van het experiment, vinden we echter niet terug in de dagelijkse praktijk van de onderzoeker. Experimenten worden nooit om wille van zichzelf voltrokken, zij zijn niet de basis voor verdere theorievorming. Vooral in de moderne natuurkunde ligt de experimentele methode zo ver ingebed in de theorie en is het in de experimentele setting gebruikte instrumentarium gebaseerd op zo vele aannames die met een specifieke theorie geassocieerd zijn, dat er van het onbezonnen, exploratieve experiment geen sprake kan zijn.11

Conclusie De Baconiaanse notie van het experiment wordt vaak als centraal aan de moderne wetenschapspraktijk of aan wetenschap in het algemeen gedacht.

����������������������������������������� Wat geldt voor de ontwikkeling van theorieën, geldt ook voor de aanpassing ervan. Helaas staat de toegestane ruimte mij niet toe hier over uit te wijden, maar de explicatie hiervan moet gezocht worden in de volgende richting: er is geen criterium op basis waarvan een voltrokken experiment �������������������������������������� Voor de banden tussen wetenschapsge- een wetenschapper kan dwingen om zijn of schiedenis en -filosofie, zie Kuhn1977d. haar theorie aan te passen.

25


Bestudering van de wetenschapsgeschiedenis toont aan dat een dergelijke notie niet noodzakelijk is voor het bestaan van een natuurwetenschappelijke traditie (zij heeft eeuwen zonder haar bestaan). Bestudering van de hedendaagse wetenschapstraditie toont aan dat deze notie van het experiment eigenlijk nooit voorkomt. Het experiment is altijd zeer ver ingebed in de theorie en de verkregen uitkomsten zijn altijd van tevoren geprognosticeerd (anders zou men at random meetinstrumenten moeten maken).

Kuhn, T.S. 1977b. ‘Mathematical versus Experimental Traditions.’ In: The Essential Tension. Selected Studies in Scientific Tradition and Change. Chicago&London: The University of Chicago Press. p. 31-65. Kuhn, T.S. 1977c. ‘The Function of Thought Experiment in Modern Physical Science.’ In: The Essential Tension. Selected Studies in Scientific Tradition and Change. Chicago&London: The University of Chicago Press. p. 178-224.

Kuhn, T.S. 1977d. ‘The Relations between the History and the PhiBibliografie losophy of Science.’ In: The EsBurtt, E.A. 1932. The Metaphysi- sential Tension. Selected Studies in cal Foundations of Modern Physical Scientific Tradition and Change. Science. London: Routledge&Kegan Chicago&London: The University of Chicago Press. p. 3-20. Paul. Crombie, A.C. 1953. Robert Grosseteste and the Origin of Experimental Science, 1100-1700. Oxford. Kuhn, T.S. 1977a. ‘Concepts of Cause in the Development of Physics.’ In: The Essential Tension. Selected Studies in Scientific Tradition and Change. Chicago&London: The University of Chicago Press. p. 3-20.

26


Cavia 19  

Cavia 19 van de VIA