Page 1

SINDS 1970

SOCIOLOGISCH ANTROPOLOGISCH PERIODIEK

JAARGANG 44, NUMMER 2, FEBRUARI 2013

Rau

w

ep akgro

V

Olie

met

een

luch

tje

ie

Opin

n inore

M

iek

Gene

Polit

tica

FARC tie

le

ue Seks

ida intim

UZ

KE

ppij

ES

ha aatsc

M

Dru ECON

gsle

OME

N

Bondage

gali

sati

e

DE STU R O IN ZO EN M -ONDER E G N I R TI NA ERVA AGE - D TIMIDA E K J IN LI ND OON TJE BO KSUELE S R E E E E -P -S THE EN? N EEN B TPUNT EMOTIE D G N N I I E IS N VA BEH R ME ERKING SES - TW S - RAUW E I V W K N, NO UG OME JDENDE EPROG EER DR BOO N O L C RI KT RIE E , DE BEV EN ZIE EN REGU D N E IJS ER MA Nivelleren RKE TEN GR TERMIJN GALISE A B E N N S L I E G T 50 ST ELE RIN ET H CHTJE - - VERJA EEN FEE M W U S E EN I EN L RVIE NGL NTE E MET E N DE JU VELLER NI OLI ADEN I D EN SOAP IS ONDERDEEL VAN DE ELD VAKGROEP SOCIOLOGIE AAN DE


Redactioneel ‘Zo! Dat is snel, die tweede SoAP,’ kon ik u bijna horen denken toen u vanochtend, gister, daarnet (ik hoop niet vorige week) dit exemplaar van SoAP uit uw brievenbus of van uw deurmat viste en open sloeg. Ik moet u gelijk geven: dit was een hele snelle. Omdat we kwalitatief gezien willen blijven groeien heeft het feit dat u nu alweer de tweede editie van SoAP hebt ontvangen niets te maken met keihard sprinten, tijdsdruk en afraffeligheden. Integendeel, we lopen weer precies op schema! Nu kan ik met tal van drogredenen en vage excuses komen en u bijvoorbeeld gaan vertellen dat we het in verband met de voorspelde ‘apocalypse’ niet aandurfden om al zoveel energie in een nieuwe SoAP-editie te gaan steken. Waarom al die moeite als de wereld toch vergaat?! Gelukkig is niets minder waar gebleken en bestaan we met z’n allen nog gewoon. Nee, deze SoAP volgt de vorige zo snel op omdat juist die vorige ietwat vertraagd was. Zoals u misschien heeft gemerkt was de vorige editie nogal een grote. Maar liefst veertig pagina’s moesten onze vormgevers en eindredactie eind november vullen! Groeien is leuk, maar ten onder gaan aan ons eigen succes niet! Neem daarbij nog wat communicatieve missers met de drukker en vertraging is een feit. Daarom hebben we het deze keer iets anders aangepakt. We hebben gekozen voor kortere artikelen waarbij de auteurs bij het schrijven ervan nog scherper poogden te zijn. Maar vreest u alstublieft niet, gebrek aan kwantiteit betekent in ons geval niet automatisch gebrek aan kwaliteit. Wederom is er door de redacteurs veel en dikwijls goed werk verricht en ben ik daar persoonlijk erg trots op. Nu rest mij nog te zeggen: ‘Veel leesplezier,’ al denk ik dat u deze aanmoediging niet nodig hebt. En mocht u trouwens nog interesse hebben in een leuke SoAP-sticker, dan is deze gratis af te halen bij het Boumangebouw (of in Indonesië, of op het ministerie van defensie).

DEZE SOAP VAKGROEP INTERVIEW MET HELEEN BARKEMA..........................................4 DRIE ECONOMEN, VIER MENINGEN?.........................................8 PERSOONLIJKE ERVARINGEN VAN MINORSTUDENTEN.....10 IK GEEF DE PEN AAN - JACOB DIJKSTRA...................................11 BEHIND THE BOOK...........................................................................13

P&M OLIE MET EEN LUCHTJE...................................................................14 DNA-ONDERZOEK .............................................................................16 BAARMOEDERPOLITIEK...................................................................17 50 TINTEN GRIJS: DE BEVRIJDENDE WERKING VAN EEN BEETJE BONDAGE? .........................................................18 MIDDELPUNT.......................................................................................20 HELDENDADEN IN DE JUNGLE.....................................................22

OPINIE LEGALISEER EN REGULEER DRUGS..............................................26 SEKSUELE INTIMIDATIE HINDERNIS RAUWE EMOTIE..................................................................................29 VROUWENEMANCIPATIE................................................................30 NIVELEREN IS EEN FEEST. OF TOCH NIET?...............................32 VERJARINGSTERMIJNEN EN ZIEKTEPROGNOSES: INVLOED VAN GENETICA OP TIJD...............................................34 DE PIL VAN DRION..............................................................................35 THE BATTLE..........................................................................................38

Daan Bloem

Colofon Sociologisch Antropologisch Periodiek Contact: soap.groningen@rug.nl Vakgroep Sociologie t.a.v. ‘SoAP’ Grote Rozenstraat 31 9712 TG Groningen Jaargang 44, nummer 2, januari 2013 Drukwerk: Drukwerklab.nl Verzending: Rijksuniversiteit Groningen Lay-out: Kasper Nelissen, Frank Eskes & Michiel Zwijnenburg Cover: Frank Eskes SoAP-Logo: Thomas Bos Eindredactie: Daan Bloem Oplage : 600

Redactie Anna Herngreen Auke Beeksma Axel Land Chaim la Roi Daan Bloem David Duijst Dieko Bakker

Hannah Achterbosch Jeroen de Boer Kasper Nelissen Lisa Sipma Marion de Vries Marloes Kingma Meinze Brouwer

Melchior Kanyemesha Michelle Ruwen Michiel Zwijnenburg Miriam van Voornveld Nienke Tebbens Robin Luiten Ronald Kielman

VOLG ONS

@SoAP_Groningen facebook.com/SoAP-Groningen www.soapgroningen.nl


Jeroen de Boer

Het is wat je maakt tot wie je bent en ervoor zorgt hoe je in het leven staat

D

ecember ligt alweer achter ons, een maand die wordt geroemd om zijn gezelligheid en tevens een maand die ons meest kenmerkende traditie huisvest, Sinterklaas. Maar wat zijn nou tradities, wat voor nut hebben ze, en waarom zouden we ze moeten koesteren?

Tradities zijn evident in ons leven, we vinden ze terug in enorm veel aspecten van ons leven. Zo kun je denken aan de taal, het dialect of de woordkeuze die iemand hanteert, de manier waarop iemand of een groep zich kleedt, de doden eert, de wijze waarop men feest viert, elkaar begroet, proost, dineert enzovoort. Het heeft allemaal te maken met traditie. Het is een stukje cultuur wat je vanuit huis, opvoeding, studie en bijvoorbeeld werk meekrijgt. Het is wat je maakt tot wie je bent en ervoor zorgt hoe je in het leven staat. Bij tradities ligt het accent meestal op geschiedenis en continuïteit. De etymologische betekenis van traditie is terug te leiden tot overlevering of overdracht. Het zijn dus culturele handelingen die we doorgeven aan anderen, van generatie op generatie. Dit gebeurt bijvoorbeeld tijdens de opvoeding, of tijdens je studietijd. Maar daarnaast nemen jeugdigen ook veel over van leeftijdsgenoten, zogeheten peer groups. Tradities zijn daarnaast dynamisch. Zo zijn er tradities die verdwijnen: de dorpsslager die trots met zijn beste stuk(ken) vee, vaak de paaskoe of paasos, langs de deuren ging om de vaste klanten persoonlijk een stukje vlees uit te laten zoeken is passé. Er ontstaan daarnaast eveneens tradities en tradities worden aangepast, overgenomen of weer hervonden. Zo is bijvoorbeeld het academisch kwartiertje met een kwartier vervroegd, studieverenigingen bezigen zich sinds enkele jaren ook met constitutieborrels en de bachelor- en master bul die wordt verkregen aan onze toekomstige Alma Mater is sinds enige tijd ook weer verkrijgbaar in het Latijns. Hoe deze processen verlopen heeft deels te maken met de commitment van de groep om deze tradities in ere te houden. De ene groep in de maatschappij is er nou eenmaal vatbaarder voor dan de ander. Studenten zijn over het algemeen aardig traditioneel, denk aan studentenverenigingen, de kroegmores, de galamos, 21-diners enzovoort. Studenten komen dan ook veelal in aanraking met historisch gegroeide organisaties en verenigingen die een sterke culturele positie innemen binnen bijvoorbeeld Groningen, de Rijksuniversiteit Groningen, “founded in 1614” en bijvoorbeeld het G.S.C Vindicat atque Polit uit 1815. Allen hebben een cultureel erfgoed wat vaak naar voren komt bij zowel alledaagse als ceremoniële gelegenheden. Wat bij het laatste vaak uitmondt in een hoge mate van decorum met alle pracht en praal die de onderliggende tradities met zich meebrengen. Denk bijvoorbeeld aan de toga’s of paranimfen tijdens de verdediging van het proefschrift. Er wordt op meso niveau, zoals in buurtschappen of dorpen, grote waarde gehecht aan tradities. De sociale cohesie is daar vaak groter en er wordt veelal waarde gehecht aan de culturele identiteit. Het is niet voor niets dat op het platteland meer dialect, of streektoal zoals wie dat in goud Grönnegs nuimen, wordt gesproken. Ook als individu kennen we natuurlijk tradities, zo zijn er mensen die een overledene eren met een grafbezoek op een vaste datum waarop geproost wordt bij het graf. Maar ook op macro niveau wordt veel waarde gehecht aan tradities, zo is de jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei een moment waar veel mensen waarde aan hechten. Het is een dergelijke traditie als de dodenherdenking die laat zien waar wij als maatschappij vandaan komen, wat we hebben doorgemaakt en wat ons heeft gemaakt tot wie wij zijn. Wij zijn historisch gegroeid, en met tradities tonen wij dat wij dat niet zijn vergeten. De boodschap is dan ook, wees bewust van je afkomst en je achtergrond. Heb eerbied voor tradities want het maakt je deels tot wie je bent en hoe je in het leven staat. Tradities zijn er niet om hip mee te doen of om mee te patsen. Wees trots op je dialect, gebruik je dinnerjacket en smoking jacket waarvoor ze bedoeld zijn Het zijn de kleine dingen in het leven die het hem doen.

SOAP 3


VAK G VAKGROEP

ROE P

Het is weer februari, dĂŠ tijd voor twijfelende studenten om voortijdig te stoppen met hun studie en gauw een andere te kiezen voordat de overheid met sancties op de proppen komt. Februari is de maand dat veel jongeren zich bewust worden van het feit dat zij misschien toch niet de juiste keuze hebben gemaakt. Studieuitval komt voor bij bijna alle studies en wordt door de overheid steeds onaantrekkelijker gemaakt. Daarom wilde ik voor deze editie van SoAP graag speciale aandacht besteden aan iemand die het maken van keuzes iets gemakkelijker maakt. Deze persoon is bijna de directe reden van het feit dat ik sociologie ben gaan studeren en heeft mij een aantal cruciale inzichten over mijzelf en mijn kunnen gegeven: mevrouw Heleen Barkema, keuzecoach. Ik heb haar namens SoAP een paar vragen gesteld over haar beroep, die ze met alle plezier wilde beantwoorden.

4 SOAP


Daan Bloem

VAKGROEP

‘Het is belangrijk om je keuze onafhankelijk van anderen in je omgeving te maken’ Interview met Heleen Barkema, keuzecoach

H

oe lang ben je al actief als keuzecoach en hoe is het gekomen dat je voor jezelf begonnen bent? Ik ben inmiddels al iets meer dan drie jaar bezig als keuzecoach. Ik heb vijftien jaar werkervaring in het bedrijfsleven en daar hield ik me vooral bezig met organisatieontwikkeling en het coachen van volwassenen. De directe aanleiding voor het feit dat ik jongeren ben gaan coachen is misschien wel geweest dat ik destijds iemand coachte die mij vroeg of ik zijn zoon wilde helpen bij zijn studiekeuze. Op dat moment wist ik nog weinig over het huidige onderwijs, dus daar ben ik mij eerst in gaan verdiepen. Daarnaast heb ik aangeklopt bij een oude bekende waar ik ooit zélf een soortgelijke coaching van heb gehad. Ook moest ik me toeleggen op het coachen van jongeren, wat echt anders is dan het coachen van volwassenen. Ik zie zelf overigens een expliciet verschil tussen mijn werk als coach en het werk van een studieadviseur. Het coachen bestaat namelijk uit het iemand naar zichzelf laten kijken en op basis daarvan een studie/richting kiezen. Het moet uiteindelijk een keuze van jezelf zijn waar ook jij zelf achter staat!’ Hoe zou je beknopt jouw werkzaamheden als keuzecoach omschrijven? ‘De kern van mijn werk bestaat uit het coachen en begeleiden bij het maken van een goed onderbouwde, zelfstandige studiekeuze. Wanneer je zélf een keuze maakt kun je zelfbewuster, meer gemotiveerd en bewuster aan de slag gaan met een nieuwe studie. Het doel van mijn werk is dus dat jongeren een eigen keuze maken wat betreft hun studie of studierichting. Hierbij is het vooral belangrijk om deze keuze onafhankelijk van anderen in je omgeving te maken. Ouders, vrienden en familieleden

bedoelen het vaak goed, maar zijn niet altijd de beste raadgevers, ook omdat ze bepaalde verwachtingen hebben. Daarnaast heb je de kans dat er, als teveel mensen gaan adviseren, geen overzicht meer is, dat er uitstelgedrag wordt vertoond wat het kiezen van de juiste studie natuurlijk steeds moeilijker maakt. Uiteindelijk ga ik er vanuit dat jongeren best zelf keuzes kunnen maken maar dat zij soms gewoon de juiste vragen gesteld moeten krijgen zonder iemand met een eigen agenda, en dat ben ik.’ Wat is precies jouw doelgroep en van welke soort mensen krijg je de meeste aanmeldingen en waarom? ‘De meeste aanmeldingen krijg ik van leerlingen die in hun eindexamenjaar zitten of net geslaagd zijn voor hun eindexamen en niet kunnen kiezen. Daarnaast krijg ik ook veel aanmeldingen van studenten die gestopt zijn met hun studie of twijfelen aan hun studiekeuze. Ongeveer tien procent van de mensen die ik help zijn alumni die net zijn afgestudeerd en niet weten welke kant ze hun carrière op moeten sturen. De banen liggen natuurlijk niet voor het oprapen dus ook het kiezen van de juiste loopbaan na het studeren is weer een belangrijk keuzemoment waarbij onafhankelijk advies geen overbodige luxe is. Ik krijg aanmeldingen van zoveel verschillende mensen omdat ik in mijn werk meer als coach bekend sta die het maken van een keuze in een breder geheel stelt. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk dat je goed in je vel zit als je aan een nieuwe studie begint en ik help daarbij door je meer over jezelf te leren.’ Studieuitval is tegenwoordig een redelijk vaak voorkomend probleem. Wat is jouw visie op dit verschijnsel? ‘Ten eerste wil ik stellen dat twijfel en switchen van studie helemaal niet erg hoeven te zijn. De huidige opvat SOAP 5


VAKGROEP

Daan Bloem

Het coachen bestaat uit het iemand naar zichzelf laten kijken en hem op basis daarvan een studie of richting laten kiezen.

ting omtrent studiekeuze is dat deze in één keer goed moet zijn. Maar je ontwikkelt je als jongere nog tijdens je studie, dus verkeerde keuzes maken is dan niet erg en juist leerzaam. Het maken van een verkeerde keuze hoort net als twijfelen gewoon bij je persoonlijke ontwikkeling. Helaas zorgt de huidige regelgeving er echter voor dat dit twijfelen en overstappen steeds lastiger wordt gemaakt. Omdat studenten meer onder druk van de overheid komen te staan moet de keuze voor hun gevoel dus in één keer juist zijn, wat veel meer stress oplevert. En die stress is juist wat mensen die net aan een studie of nieuwe baan zijn begonnen niet kunnen gebruiken! Dus wat ik wil zeggen is dat twijfelen en switchen niet erg is, maar een onderdeel van je persoonlijke ontwikkeling. Eigenlijk is het dus erg belangrijk. Helaas laat de steeds veranderende regelgeving dit niet altijd meer toe. Wat wil je studiekiezers en loopbaankiezers aanraden en wat moeten zij zeker meenemen in hun studiekeuze? Het is erg belangrijk om vanuit je interesses te kijken naar wat voor werk je wilt gaan doen. Het is belangrijk om intrinsiek gemotiveerd aan een studie of baan te beginnen en het niet alleen te doen om het geld. Deze intrinsieke motivator zorgt er nog het meest voor dat je de studie waaraan je begint daadwerkelijk afmaakt. Voor mensen die graag een studie willen doen die ze erg leuk lijkt, maar bang zijn of het ze later wel aan een baan helpt: onderzoek van Stanford University heeft onlangs uitgewezen dat maar twee procent van de 6 SOAP

volwassen beroepsbevolking werkt in het beroep dat zij als achttienjarige voor ogen hadden. Je blijft je dus ontwikkelen en je interesses ontwikkelen zich met je mee! Daarnaast heeft onderzoek van het Research Center voor Education and Labourmarkets in Maastricht uitgewezen dat 27 procent van het totale aantal alumni binnen anderhalf jaar al buiten de gekozen opleidingsrichting werkt. Ook hier geldt weer dat het een kwestie van ontwikkelen is en vooral ervaringen opdoen is hierbij belangrijk. Je moet een diploma - op welk niveau dan ook - als rijbewijs zien. Het rijbewijs alleen zegt niks. Jijzelf bepaalt waar je heen rijdt.’ Wat wil je verder nog kwijt aan de studenten van Sociologie en de GMW-faculteit? ‘Ik vind dat studiekeuze niet te zwaar gemaakt moet worden. Het keuzeproces moet wel serieus worden genomen maar het moet vooral als leuk en inspirerend ervaren worden. Het is tenslotte ook interessant om eens goed naar jezelf te kijken. Hierbij is het prettig dat er mensen zoals ik zijn, wij zijn de extra tussenstap in je persoonlijke ontwikkeling. Op mijn site staat hoe ik werk en staan een aantal veel voorkomende valkuilen van jonge studiekiezers beschreven. Tot slot wil ik kwijt dat wanneer je als socioloog op dit moment niet tevreden bent met je studie, je altijd contact met mij op mag nemen (contactgegevens op de website) en als je dit interview en mijn advertentie uitknipt en meeneemt krijg je vijf procent korting op het traject!’


VAKGROEP

SOAP 7


VAKGROEP

Chaim la Roi

DRIE ECONOMEN, VIER MENINGEN? Een interview met Harry Garretsen over de economie en haar rol in de samenleving De economie is tegenwoordig bijna dagelijks onderwerp van gesprek. In de kranten heeft ze sinds jaar en dag haar eigen rubriek, maar ook ieder zichzelf respecterend praatprogramma meent woorden aan het onderwerp vuil te moeten maken. Met deze groeiende belangstelling groeit ook de kritiek op de economische wetenschap. Zet drie economen in één kamer en je krijgt vier meningen, is een veelgehoorde grap. Onder voorgenoemde titel organiseerde Forum Dwarsdiep op donderdag 15 november een debat. Onder de sprekers was naast Arnold Heertje en Bas Haring ook Harry Garretsen, hoogleraar internationale economie en bovendien decaan van de economie en bedrijfskunde faculteit van de Rug. Daar het debat nogal gedomineerd werd door een ontketende professor Heertje, was de avond minder verhelderend dan ik had gehoopt. Daarom toog ik op een druilerige dinsdagmiddag naar het Zernike, voor een vraaggesprek met professor Garretsen, over de economische wetenschap en haar rol in het maatschappelijke debat.

B

este meneer Garretsen, laten we bij de meest voor de hand liggende vraag beginnen: Wat is economie? ‘Economie is een wetenschap die keuzegedrag van personen, bedrijven of landen onderzoekt, waarbij het keuzegedrag plaatsvindt onder schaarste van tijd en middelen. Elk gedrag waar een afweging in zit, heeft een economische kant. Belangrijk is met name het verklaren van verschillen in economische uitkomsten en de totstandkoming hiervan op enig moment in de tijd en door de tijd heen.’ Zijn er gegeven deze ruime definitie dan ook niet-economische sociale vraagstukken? Is niet alles immers een keuze? ‘Nee. Interacties tussen mensen, groepsprocessen, hoe je beïnvloed wordt door bijvoorbeeld peers en hoe organisaties van binnen functioneren, daar houden economen zich veel minder mee bezig.’ Tijdens het debat trok met name professor Heertje fel van leer tegen de rationaliteitsassumptie. Mensen gedragen zich zoals ze zich gedragen, en daarmee basta was zo ongeveer zijn standpunt. Dit verbaasde mij, omdat ik dacht dat de rationaliteitsassumptie veelal de kern vormt van economische theorie. Wat is uw mening in deze? ‘Hij bekritiseerde volgens mij de assumptie van egoïstische nutsmaximalisatie, maar dat is een vrij enge invulling van rationele keuze. Mensen handelen inderdaad zoals ze handelen. Rationele keuze veronderstelt niet per se perfecte kennis en een gebrek aan onzekerheid, verre van dat. Rationele keuze betekent alleen maar dat je pro8 SOAP

Rationele keuze veronderstelt niet per se perfecte kennis en een gebrek aan onzekerheid, verre van dat.

beert weloverwogen keuzes te maken. Er is in de praktijk wel degelijk sprake van onzekerheid en bijvoorbeeld beïnvloeding door anderen, maar daardoor is een keuze nog niet irrationeel. Het is een beetje een semantische discussie. Rationele keuze wil in de basis alleen maar zeggen dat je in je analyse een keuzemodel van individueel handelen veronderstelt, dat weloverwogen is. Dat dat model op allerlei manieren imperfect is, daarmee kan rekening worden gehouden. ‘Het basismodel is volgens mij nuttig, al is het alleen maar om als ijkpunt te gebruiken in een wereld die ingewikkelder is dan dat. Met dit model wordt er geprobeerd economische uitkomsten te begrijpen door naar het individu terug te gaan. De praktijk is natuurlijk weerbarstiger. Maar dat betekent niet automatisch dat er afstand moet worden gedaan van het model op zich. Een ander uiterste is holistisch determinisme. De empirische waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. Dat economen de neiging hebben om van onderaf te beginnen en een zeker model van rationele keuze te veronderstellen, blijft volgens mij een goed startpunt om na te denken over waarom mensen doen wat ze doen. Bovendien zie ik het alternatief niet zo goed.’ Dat is een goed streven, maar een ‘rationeel ’keuzemodel wat de empirische werkelijkheid goed benadert is tot op heden niet gevonden. Is het daarom niet een goed idee de behoefte om te verklaren te laten varen en meer beschrijvend te werk te gaan, zo empirisch correct als mogelijk te zijn? ‘Daar ben ik dus op tegen. Een louter beschrijvende of


Chaim la Roi

VAKGROEP

nen de economie die politieke economie heet. Een leuk verschil is bijvoorbeeld dat tussen een natuurkundige en een econoom. De natuurkundige zal waarschijnlijk gevraagd worden zijn laatste onderzoek uit de doeken te doen, terwijl economen meer worden ingehuurd als deskundigen die ons in algemene zin moeten uitleggen hoe de wereld werkt. Economen hebben op dat punt wel degelijk wat te bieden, maar er is altijd een zekere spanning met wat je waar kunt maken.’

historische analyse is tricky, omdat daarin ook gauw causale trekken sluipen. Bijvoorbeeld door selectie in wat je beschrijft. Door middel van een beschrijving probeer je de werkelijkheid te begrijpen, in die zin is het ook een model. Daar sluipt ook altijd een causale redenering in, die veel moeilijker traceerbaar en toetsbaar is. Dan prefereer ik een model dat volstrekt helder is in wat het wel en niet doet.’ Zorgt die krampachtige volharding in het ‘rationele’ keuze-mode niet voor een gebrek aan innovatief denken? ‘Ik ben weliswaar een aanhanger van het rationele keuzemodel, maar ik zou willen pleiten voor methodologisch pluralisme. Juist omdat je weet dat jouw methode imperfect is, zou je ruimte moeten tonen voor andere methoden. Hierin zie ik niet een bepaalde hiërarchie. Ik zie voor- en nadelen aan allerlei methoden, maar ze bestaan gelukkig allemaal en dat moeten we vooral zo houden.’ Dan over naar de rol van de economie in het publieke debat. Tijdens het debat werd de negatieve invloed van de economische wetenschap op politieke besluitvorming afgedaan als economen die hun boekje te buiten waren gegaan. Er werd daarom gepleit voor een strikte scheiding tussen de economische wetenschap en politieke besluitvorming. ‘Wat vaak aanleiding geeft tot misverstanden, of een misverstand waar economen onbewust aan meewerken heeft te maken met de vraag: wat kun je in de praktijk met economische inzichten? Economen krijgen bijvoorbeeld vaak het verwijt dat ze de crisis niet hebben voorspeld. Dan plaats je de economie echter op een voetstuk en dat kan het helemaal niet waarmaken. Net zo goed mag ik van jou als socioloog niet verwachten dat je in een willekeurige wijk in de stad de criminelen aan kunt wijzen. De economie kan mechanismes aanwijzen, of voorspellen wat meer en minder waarschijnlijk is, of in termen van oplossingen uitspraken doen over wat meer en minder verstandig is. Het idee dat de econoom perfect weet hoe de werkelijkheid werkt en daar ook voorspellingen op kan baseren die wetenschappelijk deugen, is niet haalbaar. Dit probleem heeft een vraag- en aanbodkant. Economen, maar ook media werken er aan mee. Met een boude uitspraak haal je de krant.’ Is dit onderscheid wel zo duidelijk te maken? Veel economen onderzoeken dingen die politiek geladen zijn. ‘Economen hebben ook wel degelijk oog voor hoe politieke besluiten tot stand komen en hoe economie door elkaar lopen, kijk maar naar de levendige stroming bin-

U vindt dus niet dat de econoom zich zoveel mogelijk afzijdig van het maatschappelijke debat moet houden? ‘Nee, absoluut niet. Economie is een toegepaste wetenschap, die iets over de sociale werkelijkheid wil zeggen, zodat wij die werkelijkheid ook beter gaan begrijpen. Het gladde ijs betreft wat je op grond van de economische wetenschap wel of niet waar kunt maken in je uitspraken.’

Het idee dat de econoom perfect weet hoe de werkelijkheid werkt en daar ook voorspellingen op kan baseren die wetenschappelijk deugen, is niet haalbaar.

Op wat voor plekken zouden economen op hun plaats zijn om in de maatschappij levende misverstanden te nuanceren? ‘Het is denk ik belangrijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen wetenschappelijke inzichten en economisch beleid. Als dat teveel op elkaar zou vallen, doen we iets niet goed. Ik denk dat er op dat punt ruimte is voor verbetering. Als er economisch beleid is en een econoom zegt daar iets over, dan zal dat wel betekenen dat dat stoelt op onderzoek dat onomstotelijk iets uitwijst, is vaak de teneur.’ Hoe ziet u verbeterpunten op dat vlak voor zich? ‘Dat is lastig, maar ik denk ook dat daarin een verantwoordelijkheid voor de individuele econoom ligt. Ik als monetair econoom heb bijvoorbeeld de pretentie iets beter te weten hoe het verder zou moeten met de euro dan een leek, maar hoever je in je uitspraken kunt gaan is iets wat nogal eens misgaat. Het sterke punt van de economische wetenschap is dat het een analytische wetenschap is, die kosten en baten probeert af te wegen. Het CPB is een goed voorbeeld. Zij geven keurig aan wat de onzekerheidsmarges rond hun voorspellingen zijn en gaan dus behoorlijk genuanceerd te werk en geven voor- en nadelen van keuzes aan. Economen moeten echter uitkijken niet teveel op de stoel van de politicus te gaan zitten en te gaan voorschrijven wat goed is. Daar mogen economen weleens wat beter op letten.’

SOAP 9


David Duijst

VAKGROEP

N E G N I R A V R E E K J I L N PERSOO N E T N E D U T S VA N M I N O R In het derde jaar van de bachelor sociologie krijg je de kans om je studie te verbreden of juist te verdiepen. In een zoektocht naar de ervaringen van verschillende studenten bij hun minor ben ik in gesprek geraakt met twee heren. Deze twee Hollandse jongens zijn bezig met hun verbredende minor. Stef Hakkenes is bezig met de minor Filosofie en Jeroen de Boer deelt zijn ervaringen met de minor Misdaad en Straf.

Interview met Stef Hakkenes - Filosofie Waarom heb je voor de minor Filosofie gekozen? ‘Om eerlijk te zijn was het niet mijn eerste keuze. Dat was de educatieve minor, maar het bleek dat de deadline om je hiervoor in te schrijven al in mei was. Deze termijn was al verstreken. Met mijn eerste voorkeur uit de weg, twijfelde ik tussen de minor Religie in de Moderne Wereld en de minor Filosofie. ‘Ik wil het onderwijs in en met de minor Filosofie is de stap kleiner om naast leraar maatschappijleer wellicht ook leraar filosofie te worden. Als je naast de minor Filosofie nog 30 punten in de filosofie volgt, dan kan je de bachelor Wijsbegeerte van de Sociologie halen.’ Wat vind je leuk aan deze minor? ‘Het is niet vaag, in het begin had ik anders verwacht. Er komen vooral theorieën aan bod. Daarnaast krijg je ook een vak redeneren. Dit vak gaat voornamelijk om logica. Het is ook een grote minor. Initieel werd hier geen rekening mee gehouden en waren er stoelen tekort. Tegenwoordig is dit gelukkig opgelost. Door het formaat van de minor is het wel altijd gezellig.’ Wat valt je tegen in deze minor? ‘De toetsing; het zijn bij de tentamens altijd essayvragen. Ze vragen hierbij wel naar specifieke kennis 10 SOAP

van veel stof, waardoor het nog wel lastig kan zijn. ‘Als je gaat leren moet je geconcentreerd bezig zijn met de stof. Je moet er echt honderd procent mee bezig zijn en niet even tien minuten het boek erbij pakken.’ Zijn er overeenkomsten met sociologie? ‘De enige aansluiting waar ik aan kan denken is qua statistiek, maar dan in de zin dat ze de methode aan de kaak stellen. Ze vragen zich

Het is niet vaag, in het begin had ik anders verwacht

bijvoorbeeld af in hoeverre statistiek iets kan bewijzen. Ik denk dat dit ook in de normale bachelor bij wetenschapsfilosofie terug zal komen.’ Zou je deze minor aanraden aan andere studenten? ‘Ja. Het is een leuke minor, maar je moet wel bij jezelf nagaan of het in jouw toekomstbeeld past. Voor mij, met het onderwijs als doel, denk ik dat ik er echt wat aan heb. Als je het onderzoek in wil kan ik mij voorstellen dat het ook nuttig kan zijn. Als je het bedrijfsleven in wilt of het beleidsontwerp is het denk ik niet helemaal nuttig.’


David Duijst

VAKGROEP

Interview met Jeroen de Boer Misdaad en Straf Waarom heb je de minor Misdaad en Straf (een minor bij de faculteit rechtsgeleerdheid, red.) gekozen? ‘Ik zocht vooral toevoeging aan sociologie. Dan kom je snel bij Filosofie, Misdaad en Straf en Development Studies. Zelf vind ik criminologie interessant, dus de keuze viel op Misdaad en Straf.’ Wat vind je tot nog toe van de minor? ‘Bij strafrecht is het voornamelijk het wetboek interpreteren en het wetboek toepassen. Verder is het toch ook veel empirische

Je hebt er wat aan, anders dan bij bijvoorbeeld een minor sterrenkunde

wetenschap, zoals psychologie en criminologie. Het recht is vooral heel droog, het is weinig zelf nadenken. Het is simpel gezegd het wetboek toepassen en schema’s uitwerken. Strafrecht is voornamelijk het verbredende gedeelte van de minor. De andere colleges zijn een goede aansluiting op sociologie, deze geven een verdiepend beeld. Bij deze vakken moet je veel werken met theorieën.’ Hoe is de sfeer? ‘Vooral veel sociologen doen deze minor en de meeste omgang is toch met deze groep. Het lijkt op de faculteit een stuk onpersoonlijker. Je mist het coulante sfeertje van sociologie en de individuele aandacht die je hier gewend bent.’ Zou je deze minor aanraden aan andere studenten? ‘Jazeker, vooral als je al over de master richting Criminaliteit en Veiligheid zit na te denken. In dat geval kan je via deze minor veel voorkennis opdoen. Daarnaast geeft de minor een goede verdieping in de sociologie. Deze verdieping maakt de minor goed geschikt voor sociologiestudenten. Je hebt er wat aan, anders dan bij bijvoorbeeld een minor sterrenkunde.’

Ik geef de pen aan... Jacob Dijkstra In deze editie van SoAP is de pen aan Jacob Dijkstra, die wij allemaal kennen van onder meer de vakken Markt en Sociale Welvaart. Na het verschijnen van de eerste ‘Ik geef de pen aan’ vroeg Andreas Flache zich af of Jacob Dijkstra ons misschien iets wilde vertellen over de rationaliteit van conflicten tussen groepen. Zo geschiedde.

De Rationaliteit van Groepsconflicten Het sociale leven van mensen zit vol met mogelijkheden om via onderlinge samenwerking tot een verbetering van het individuele leven te komen. Als ouders zich gezamenlijk voor de school van hun kinderen inspannen, komt dit ten goede aan de kwaliteit van het onderwijs en daar profiteren alle kinderen van. Als buurtgenoten zich aaneensluiten en als groep zonnepanelen op de daken van hun huizen laten installeren, krijgt iedereen korting op de panelen, verbetert het milieu en worden sociale relaties hechter. Het grote vermogen tot samenwerken kan met recht gezien worden als het onderscheidende kenmerk van de menselijk soort. Dat mensen dit vermogen hebben, wil echter niet zeggen dat samenwerken altijd lukt of dat de samenwerking altijd goed verloopt en het gewenste resultaat heeft. Dikwijls is er bij samenwerking tussen individuen namelijk sprake van spanning tussen de individuele belangen en de belangen van de groep. Het komt vaak voor dat ook individuen die zich niet inspannen voor de groep toch kunnen profiteren van de inzet van anderen. Immers, ook de kinderen van ouders die nooit zitting nemen in de ouderraad profiteren van de verbeteringen in het onderwijs. Hierdoor hebben alle ouders, naast het verlangen naar goed onderwijs voor hun kinderen, ook een prikkel om andere ouders ‘voor de kosten te laten opdraaien’. Samenwerking is dus mogelijk, maar niet vanzelfsprekend en moet georganiseerd worden. SOAP 11


VAKGROEP

Jacob Dijkstra

Bij conflicten tussen groepen mensen spelen ook dikwijls samenwerkingsproblemen van de vorm hierboven beschreven. Zo willen veel burgers van een land in oorlog dat hun land de oorlog wint. Maar we zouden ook verwachten dat dezelfde burgers liever hun buurmeisje of –jongen naar het front zien vertrekken dan dat ze zelf moeten gaan. Immers, als de oorlog wordt gewonnen door andermans inspanningen profiteert iedereen daarvan, ook zij die niet vochten. Er doet zich bij groepsconflicten echter nog een tweede probleem voor: als de samenwerkingsproblemen binnen de groep worden opgelost (d.at is, veel mensen zijn bereid te vechten voor hun groep) vergroot dit het leed en de schade bij de tegenstander. Vanuit collectief perspectief, dus bezien vanuit het perspectief van beide groepen samen, is ‘binnengroepssamenwerking’ dan dikwijls niet optimaal: door het oplossen van samenwerkingsproblemen binnen beide groepen, gaat iedereen erop achteruit. Waarom vechten mensen dan toch? In beginsel zijn er op deze vraag twee mogelijke antwoorden te geven, die elkaar bovendien niet uitsluiten. Er kan allereerst sprake zijn van ‘binnengroepsliefde’, waarmee ik bedoel dat mensen vooral bijdragen aan het groepsconflict uit liefde voor hun medegroepsleden. Ten tweede kan er sprake zijn van ‘tussengroepshaat’, waarbij mensen vooral bijdragen aan het groepsconflict omdat ze de (leden van de) andere groep haten. Laten we dit respectievelijk de ‘liefdeshypothese’ en de ‘haathypothese’ noemen. Een deel van mijn huidige en recente experimentele onderzoeken gaat over het onderscheiden van deze twee verklaringen voor groepsconflict. Laat ik, zonder in te gaan op details van het experimentele ontwerp, een aantal hoogtepunten uit de resultaten op een rijtje zetten. Er is voorlopig in mijn (anonieme) groepsexperimenten weinig steun voor de haathypothese, hoewel de ‘minimale groep’theorie uit de sociale psychologie dat wel zou voorspellen. Volgens (stromingen binnen) deze theorie is de menselijke neiging tot het vormen van ‘bevooroordeelde evaluaties op grond van groepslidmaatschap’ zo sterk, dat zelfs waar het gaat om arbitrair samengestelde groepen in een experiment mensen leden van hun eigen groep voortrekken. In één van mijn onderzoeken heb ik gevonden dat mensen weliswaar medegroepsleden sterk voortrekken bij het verdelen van geldbedragen, maar dat dezelfde mensen veel minder bereid zijn medegroepsleden te bevoordelen als dat leden van de andere groep schaadt. Bovendien blijkt uit mijn onderzoek dat mensen méér bijdragen aan de collectieve actie van hun groep als dit een andere groep helpt (een situatie van laten we zeggen ‘groepsharmonie’) dan wanneer dit een andere groep schaadt (groepsconflict). Overigens zijn de bijdragen in situaties van groepsharmonie niet hoger dan de bijdragen in een controleconditie waar er helemaal geen andere groep in het spel was, dus van ‘tussengroepsliefde’ lijkt ook geen sprake. Ondanks het ontbreken van steun voor de haathypothese knokken mensen behoorlijk: gemiddeld dragen deelnemers aan de experimenten ruim de helft van hun mogelijke inzet bij aan het groepsconflict. Ook voor pure vredelievendheid is dus ook weinig steun. Uit verder onderzoek van Michael Mäs en mij blijkt dat communicatie (via de computer) binnen de groepen voorafgaande aan de individuele beslissingen om bij te dragen aan de collectieve actie van de groep een sterk positief effect heeft op de bijdragen. Nog steeds is er echter weinig steun voor de haathypothese, aangezien de bijdragen in groepsharmoniesituaties (waarbij groe12 SOAP

pen elkaar dus juist helpen) hoger blijven dan die in de groepsconflictsituaties. Uit een analyse van de inhoud van de tijdens de communicatie verzonden boodschappen komt iets heel interessants naar voren: de boodschappen die een zodanige positieve invloed hebben op de bijdragen aan het collectieve goed van de groep van dat we die invloed moeilijk aan toeval kunnen toeschrijven, zijn boodschappen van ‘positive reinforcement’. Het gaat hier om boodschappen van medegroepsleden die anderen aansporen toch ‘vooral zo door te gaan’. Boodschappen die verwijzen naar de negatieve relatie met de andere groep, waarin die andere groep slecht wordt afgeschilderd, of waarin de eigen groep wordt opgehemeld hebben daarentegen geen effect op de bijdragen. Dit duidt er mogelijk op dat conflicten tussen groepen

door het oplossen van samenwerkingsproblemen binnen beide groepen gaat iedereen erop achteruit. Waarom vechten mensen dan toch? meer worden gevoed door het verlangen van groepsleden hun eigen groep te beschermen en door processen (zoals communicatie) binnen de groep die gericht zijn op het sociaal belonen van inspanningen voor de groep, dan door haat jegens de andere groep. Het lijkt er voorlopig dus op dat de liefdeshypothese een betere verklaring voor het ontstaan van groepsconflicten biedt dan de haathypothese. Het is in ieder geval raadzaam om bij pogingen groepsconflicten op te lossen of te voorkomen veel nadruk te leggen op sociale processen binnen de groepen en op de houding van individuen jegens hun medegroepsleden.


Lisa Sipma

VAKGROEP

BEHIND THE BOOK Richard Layard

Sinds dit jaar hebben we in SoAP een nieuwe rubriek genaamd ‘Behind the book’. Hierin gaan we op zoek naar de persoon achter een van onze lesboeken. Wat is zijn of haar drijfveer, wat is volgens hem of haar het belang van sociologie en hoe ziet zijn/haar carrière er uit? SoAP zoekt het uit! Het vakgebied van sociologie is erg breed. Menig student bejubelt de studie juist om deze eigenschap. Het brengt echter ook een grote diversiteit van literatuur met zich mee. Van alle onderwerpen binnen de sociologie moeten studenten iets weten en dat resulteert vaak in meerdere boeken en soms enkele tientallen wetenschappelijke artikelen die gelezen moeten worden voor een vak. Een keer in de zoveel tijd echter, wordt er literatuur gepubliceerd die zo alomtegenwoordig is in de sociologie dat meerdere vakken ermee uit de voeten kunnen. Deze literatuur wordt dan een soort standaardliteratuur. Dit geldt ook voor het boek Happiness: Lessons from a New Science (2005) van de Engelsman Richard Layard. Richard Layard werd op 15 maart 1934 geboren in Engeland. Hij is vooral bekend geworden door zijn werk over werkloosheid en ongelijkheid. Dankzij dit werk zijn de wetten omtrent werkloosheid in Engeland aangepast en hebben tot op de dag van vandaag voor verbeteringen gezorgd. Hoewel Layard bekend staat als econoom, verbindt zijn werk verschillende onderzoeksgebieden zoals de neurowetenschap, sociologie, filosofie en psychologie. Layard is in zijn carrière senior onderzoeker geweest aan het Robbins Commitee on Higher Education. Vervolgens heeft hij als adviseur gewerkt voor verschillende organisaties in zowel Engeland als Rusland. In 2000 werd hij een lid van The House of Lords en werd zijn titel Baron Layard. Als econoom werd Layard opgeleid met het idee dat de rationele keuzetheorie de beste verklaring vormt voor menselijk gedrag. Hierbij wordt geld voornamelijk geïdentificeerd als motivatie voor menselijk handelen. Layard wist echter al vroeg in zijn carrière dat dit niet het hele verhaal is. Hij durfde buiten de getreden paden van de economie te treden en deed uitvoerig onderzoek naar geluk en het verband tussen sociale welvaart en financiële welvaart.

In zijn boek Happiness: Lessons from a New Science unificeert Layard zijn jarenlange onderzoeksbevindingen over geluk en schrijft deze op zeer leesbare wijze neer. In het boek zet hij uiteen dat we gedurende meer dan 60 jaar ons inkomen ontzettend hebben zien stijgen, maar dat ons geluksniveau vrijwel onveranderd is gebleven. Zijn bevinding is dat boven een bepaalde inkomensgrens, die de minimumlevensomstandigheden mogelijk maakt, geld eigenlijk weinig bijdraagt aan de verhoging van het geluksniveau. Heeft Layard hiermee het antwoord op de vraag ‘Maakt geld gelukkig?’ gevonden? Het antwoord is iets gecompliceerder dan slechts ‘nee’, maar wijst zeker niet richting een ‘ja’. Als geld dan zo’n kleine rol speelt in ons geluksniveau, wat maakt ons dan wel gelukkig? Layard benoemt zeven factoren die volgens hem in volgorde van belangrijkst naar minder belangrijk lopen en die het geluksniveau van een mens bepalen. Deze zijn: familierelaties, financiële situatie, werk, omgeving en vrienden, gezondheid, persoonlijke vrijheid en persoonlijke waarden. In 2012 schreef Layard met twee coauteurs het World Happiness Report waarin staat dat op Denemarken, Noorwegen en Finland na, Nederland het gelukkigste land ter wereld is. In het rapport benadrukte Layard nogmaals dat een simpele factor als het BNP niet bepalend is voor het geluksniveau van een volk. Dit rapport leidde tot verschillende conferenties tussen wereldleiders waarin bediscussieerd werd of het niet eens tijd wordt om niet het grootste inkomen per hoofd van de bevolking na te streven, maar juist het grootste geluksniveau. Richard Layard heeft in zijn lange, vruchtbare carrière veel betekent voor de wetenschap, maar waar wij hem het dankbaarst voor moeten zijn is dat hij veel mensen een nieuw inzicht verschaft over het idee van geluk. Niet langer is het vanzelfsprekend dat de grootste welvaart die nagestreefd wordt, van financiële aard moet zijn. Het geheim van het bereiken van geluk is eindelijk ontrafeld: ‘The secret is compassion towards oneself and others, and the principle of the Greatest Happiness is essentially the expression of that ideal.’ (Happiness: Lessons from a New Science, p. 235.).

SOAP 13


POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

E I L O MET EEN

E J T

LU

H C

In oktober van het vorige jaar ging een zeer spraakmakende en unieke rechtszaak van start voor de rechtbank van Den Haag. Vier boeren uit de Niger Delta in Nigeria spanden samen met de organisatie Milieudefensie een zaak aan tegen de Brits-Nederlandse multinational Shell. De boeren beschuldigen Shell van het bevuilen van hun landbouwgronden en eisen zowel een schadevergoeding als een complete schoonmaak. Shell beweert echter dat de vervuiling het gevolg is van sabotage van pijpleidingen en dat zij hiervoor dus geen verantwoording dragen. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat een Nederlands bedrijf terecht staat in eigen land voor milieuschade in het buitenland.

14 SOAP


Marion de Vries

POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

Sinds 1958, vanaf de vestiging van Shell in Nigeria, is er naar schatting 1,5 miljoen ton olie over de gronden van de Niger Delta gestroomd. Vruchtbare landbouwgronden zijn veranderd in door olie doordrenkte klei, in eens visrijke wateren is geen leven meer te vinden en op het schaarse drinkwater drijft nu permanent een laagje olie. De zorgen van de boeren zijn dus allerminst ongegrond. Zij en met hun hele gemeenschappen, zijn door de olielekkages nauwelijks meer in staat zich in hun levensbehoeftes te voorzien. Het contrast kan haast niet groter zijn wanneer je de situatie van deze mensen vergelijkt met die van het enorm winstgevende bedrijf Shell.

Een groot deel van de Nigeriaanse burgers is woedend over de activiteiten van Shell. Ondanks de grote winst die het bedrijf maakt op bronnen van Nigeria is er nog altijd sprake van een gebrek aan infrastructuur, investeringen en banen. Er is dus nauwelijks sprake van diffusie van welvaart naar de bevolking; sinds de komst van Shell is de bevolking er zelfs armer op geworden! Shell verdedigt zich tegenover zijn aandeelhouders met het argument dat negentig procent van de winst naar de Nigeriaanse regering gaat en er dus geen sprake is van exploitatie. Dat de bevolking hier niets van terug ziet door een falende en corrupte regering wordt er niet bij vermeld. In hun woede mobiliseren Nigerianen zich in rebellengroepen met sabotage en diefstal van olie tot gevolg. Shell benoemt deze praktijken dan ook als de oorzaak van de vervuiling en acht zich niet verplicht tot het betalen van schadevergoeding aan de lokale boeren. In een documentaire van Zembla wordt Shell niet alleen beticht van het bevuilen van grond en water, maar ronduit beschuldigd van het schenden van mensenrechten. Shell zou willens en wetens conflicten hebben veroorzaakt in lokale gemeenschappen door slechts een aantal individuen geld te bieden. Het oneerlijk verdelen van de vergoeding samen met de grote verdeeldheid binnen de gemeenschappen over de activiteiten van Shell, heeft geleid tot een interne verscheuring in de gemeenschappen met doden tot gevolg. Dat Shell zich bewust was van de gevolgen van zijn acties op het verergeren van conflicten blijkt uit een uitgelekt intern rapport uit 2003. De onrust die door dit beleid ontstond bij de dorpsbewoners werd de kop in gedrukt door soldaten van de regering. Het feit dat deze soldaten werden vervoerd in busjes van Shell geeft al aan hoe de regering en de multinational met elkaar verweven zijn.

Shell is volledig geĂŻnfiltreerd in alle lagen van de Nigeriaanse regering en geniet volledige bescherming. Meerdere pogingen tot veroordeling bij Nigeriaanse rechtbanken zijn daardoor op niets uitgelopen. Het volgende citaat komt uit een digitaal artikel van de NOS: “Als de Nederlandse rechtbank oordeelt dat het moederbedrijf Shell verantwoordelijk is voor de milieuschade die is aangericht door haar dochterbedrijf in Nigeria, kan dat internationaal grote gevolgen hebben. Westerse bedrijven moeten zich dan mogelijk in het buitenland aan dezelfde strenge regels over milieu en mensenrechten gaan houden als in eigen land. Anders dreigen ze in eigen land voor de rechter te worden gesleept.â€? Ik hoop dat het in Nederland wel tot een veroordeling komt en met een beetje geluk tot een reeks veroordelingen. Ik vind het ongelooflijk dat westerse bedrijven ongestraft grote winst kunnen maken op grondstoffen van ontwikkelingslanden met conflicten, milieudegradatie en onderontwikkeling tot gevolg. De uitspraak van de rechtbank zal eind 2012 begin 2013 volgen. Ik kijk er naar uit.

SOAP 15


POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

Meinze Brouwer

DNA-ONDERZOEK

W

e hebben allemaal de recente ontwikkelingen in de moordzaak van Marianne Vaatstra gevolgd. Veel keuze hadden we er niet in, de media gooiden ons land ermee dood, geleid door Peter R. de Vries. Het DNAonderzoek bracht namelijk een interessant maatschappelijk vraagstuk met zich mee: Waarom wordt niet van iedere Nederlander het DNA opgeslagen? Is het mogelijk om een nationale databank te maken? Zoals bij ieder groot maatschappelijk vraagstuk zijn er altijd financiĂŤle belemmeringen. Als DNA vergeleken wordt met de bestaande DNAprofielen in de databank van het NFI, kan dit simpelweg worden gedaan door een computer. Iedereen die ooit een aflevering van CSI heeft gezien, heeft wel een enigszins correct idee van deze procedure. Dit soort onderzoeken kosten niet al te veel geld, en zijn (volgens het NFI) dan ook maar een fractie van de kosten van een grootschalig DNAverwantschapsonderzoek, denk bijvoorbeeld aan alle politie en voorlichting die nodig zijn bij de DNA-afname. Deze kosten zouden dus wegvallen als het NFI het DNA van iedere Nederlander reeds in bezit had. Financieel gezien zou het dus op lange termijn een goed idee zijn. Op korte termijn zal het natuurlijk een hoge investering eisen: je zou van bijna iedere nederlander het DNA af moeten nemen, en al deze data moeten verwerkt en opgeslagen worden. Men kan zich voorstellen dat hier een aanzienlijke hoeveelheid werk voor nodig is. Al dit werk kost natuurlijk niet weinig, bovendien is het bewaren en het onderhouden van de database ook niet gratis. Op de lange termijn zouden deze kosten terugverdiend kunnen worden. Laten we als voorbeeld weer even de zaak Vaatstra aanhalen: Als er in de dertien jaar die nodig waren om de zaak op te lossen tien rechercheurs full-time aan de zaak hadden gewerkt, was het goedkoper geweest om een landelijk verwantschapsonderzoek te doen. Je kunt je voorstellen dat dit voor meerdere zaken het geval zou zijn, dus het is financieel gezien een goed idee om een landelijke DNA-databank te hebben. Geld is echter niet het enige probleem.

16 SOAP

Wettelijk gezien is het niet toegestaan om het DNA van iedere Nederlander op te slaan in een nationale databank. Voornaamste reden die tegenstanders van het idee geven is de schending van privacy, dit is echter niet het enige waar de wet op gebaseerd is. DNA-onderzoek mag alleen worden gedaan als het een misdrijf betreft waar een gevangenisstraf van minimaal 8 jaar op staat. Een korte google-search geeft echter dat er ook DNA-onderzoek is gedaan bij een aantal misdrijven waar 6 jaar voor staat. In deze gevallen betrof het een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf, dezen zijn later opgenomen in de wet. Bovendien staat er in de wet dat in het geval van een grootschalig DNA-onderzoek, zoals het geval zou zijn bij een landelijke databank, moet er toestemming worden gegeven door het Openbaar Ministerie en door de rechters. Deze toestemming hangt onder andere af van: Of het DNA-spoor dat wordt aangedragen als bewijs volledig is en daadwerkelijk te maken heeft met het misdrijf, of het misdrijf een grote hoeveelheid aandacht heeft gekregen onder de burgers (denk aan een tv-onderzoek van Peter R. de Vries) en of er door DNA-onderzoek met zekerheid een schuldige kan worden aangewezen. Tenslotte staat er in de wet dat DNA alleen vrijwillig mag worden afgegeven en dat het alleen mag worden gebruikt voor de zaak waarvoor het is afgegeven. Dit laatste deel zou irrelevant zijn in het geval van een databank, maar het eerste deel geeft natuurlijk een vitaal probleem: Het is volgens de wet dus niet mogelijk om iedereen te verplichten zijn of haar DNA af te geven. Bij het opstellen van een databank zou je hier dus tegen een muur lopen. De enige mogelijke oplossing is een verandering van de regels. Of deze versoepeling van de regels er ooit komt hangt af van onze politiek, zij bepalen de regels rond DNA-onderzoek en de mogelijkheden rond het opslaan van DNA.


Anna Herngreen

POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

BAARMOEDERPOLITIEK

Wetgeving en houding ten opzichte van abortus in de wereld

O

p 28 oktober overleed in Ierland de hindoestaanse Savita Halappanavar aan de gevolgen van katholieke wetgeving. Toen de zwangere tandarts naar het ziekenhuis kwam met ernstige complicaties en een verzoek tot abortus, kreeg ze te horen dat ze in een katholiek land leefde en dat abortus daar nou eenmaal verboden was (de Volkskrant, 14 november 2012). Dat meteen duidelijk was dat de foetus geen kans had om te overleven en dat Halappanavar in levensgevaar was, maakte voor de artsen niet uit. Pas toen de hartslag van de foetus definitief stopte, gingen de artsen tot verwijdering over. Enkele dagen later overleed Halappanavar, de vraag achterlatend waarom zij als hindoe onderworpen moest worden aan de katholieke overtuigingen van haar landgenoten. Abortus dus... Moeten we het daar nou nog over hebben? Baas in eigen buik, bla bla, dat is toch allemaal niet zo relevant meer in Nederland (met uitzondering van een kleine SGP-oprisping zo nu en dan, natuurlijk)? En inderdaad, in Nederland gaat het qua ongewenste zwangerschappen eigenlijk hartstikke goed. Nederlandse vrouwen zijn goed voorgelicht, doen veel aan preventie, worden hierdoor niet vaak ongewenst zwanger en plegen ook relatief weinig abortus (CBS, 2011). De lage abortuscijfers zijn opvallend, aangezien de Nederlandse abortuswetgeving vergeleken met die van andere landen behoorlijk tolerant is: abortus is beschikbaar voor iedere zwangere vrouw en mag tot 24 weken in de zwangerschap gepleegd worden. Dat er in Nederland dan toch relatief weinig abortus gepleegd wordt kan verklaard worden door onze tolerante cultuur als het gaat om abortus en anticonceptie. Hoewel anticonceptie niet het meest gemakkelijke gespreksonderwerp is tussen ouders en kinderen, berust er geen taboe op. ‘Het gebeurt toch wel, dus dan maar liever veilig’, lijken de meeste Nederlandse ouders te denken als het gaat om de liefdesrelaties van hun tienerkinderen, in plaats van het Amerikaanse ‘Abstinence, abstinence!’. En mochten je ouders dan toch zo ouderwets zijn, kan je gratis naar de huisarts voor een voorraadje microgynon. Aangezien de meeste ongewenste zwangerschappen zich onder tieners voordoen, scheelt het voor de abortuscijfers een heleboel dat de Nederlandse tieners zo goed voorgelicht zijn dat een abortus vaak niet nodig is.

“In Servië verkiest men het ouderwetse ‘voor het zingen de kerk uit’” was geïnformeerd, wist wat ze wilde, maar werd door de wet tegengehouden. Of kijk naar Marokko: vrouwen kunnen er hier weinig aan doen dat ze slecht geïnformeerd zijn, en moeten daar wel de gevolgen van dragen doordat ze niet toegestaan zijn abortus te plegen. Naast informatie is er dus zeker een goede wetgeving nodig. In Marokko probeerde men dit op te lossen met de beroemde (beruchte?) ‘abortusboot’ van Women on Waves: een boot die vrouwen van wal zou ophalen om ze in internationale wateren, zonder beperkende wetgeving, van een abortus te voorzien. Dat dit initiatief mislukte - de boot werd onder marinebegeleiding van de Marokkaanse kust verwijderd - was te verwachten, maar de hoop is natuurlijk dat de Women on Waves een golf van verontwaardiging door Marokko hebben laten gaan. Het zou mooi zijn als iedere Marokkaan nu hartstochtelijk voor het toestaan van abortus gaat pleiten. Want zoals wel blijkt moet er voor een betere omgang met ongewenste zwangerschappen een cultuurverandering ten opzichte van seks, abortus en anticonceptie plaatsvinden, niet slechts een wettelijke verandering, zoals in Servië.

Dat informatie en niet per se wetgeving voor een cultuur zorgt waarin minder abortussen worden gepleegd blijkt uit het tegenvoorbeeld Servië. In de Groene Amsterdammer van 15 november schrijft Joost van Egmond dat per jaar 9% van de Servische vrouwen een abortus laat plegen en dat het er niet ongewoon is als een vrouw in haar leven 10 abortussen ondergaat. Hoewel pil en condooms vrij (en vaak gesubsidieerd) te verkrijgen zijn, verkiezen de meeste vrouwen het ouderwetse ‘voor het zingen de kerk uit’, met een eventuele abortus voor als het mis gaat. Dit komt omdat het grootste deel van de bevolking (inclusief artsen!) slecht geïnformeerd is. Vrouwen denken dat ze aan zullen komen door de pil en (hoe ironisch) dat ze er onvruchtbaar van zullen worden. Gevolg is een enorm aantal abortussen, met de daarbij behorende verhoogde kans op onvruchtbaarheid, medische complicaties en emotionele schade. Met de conclusie dat verstandig omgaan met ongewenste zwangerschappen verklaard kan worden door een goede voorlichting zijn we er echter nog niet. Kijk maar naar het voorbeeld van Halappanavar. Ze

SOAP 17


POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

Hannah Achterbosch

50 tinten grijs: de bevrijdende werking van een beetje bondage?

I

In zes weken werd het boek meer dan 10 miljoen keer verkocht: 50 tinten grijs. Zonder te blikken of blozen wordt het boek geconsumeerd in de trein, het café en andere openbare gelegenheden. Erger nog, overal wordt het boek zonder gêne in details besproken. Deze “huisvrouwenporno”, zoals het in de volksmond wordt genoemd, is een hype. Aan de ene kant verbazingwekkend dat vrouwen zo, figuurlijk en letterlijk, opgewonden raken van een boek over SM, waarin de seks wordt gedomineerd door een man. Aan de ander kant bevrijdend, alsof meer dan 10 miljoen (huis)vrouwen een zucht slaken en zeggen: “eindelijk hebben we onze eigen porno waar we openlijk over mogen praten.” Tegenstrijdigheden in de vrouwelijke seksualiteit: onderdrukking, ja of nee Je zou denken dat na de jaren ‘60 vrouwen zich vrij genoeg zouden voelen om openlijk over seks te praten. Toch lijkt er nog nooit zo openlijk over seks te zijn gesproken sinds het uitbrengen van het boek “50 tinten grijs”. Het is alsof E.L. James in iets meer dan 500 pagina’s een nieuw soort feministische golf heeft veroorzaakt, waarin vrouwen elkaar gevonden hebben en met elkaar durven te praten over hun seksuele behoeftes. Toch roept het boek een tegenstrijdigheid op. Aan de ene kant lijkt het boek een bevrijding te bewerkstelligen aan de andere kant over door de man gedomineerde seks. Dit mag dan een verschrikkelijk aantrekkelijke man zijn, die rare seksuele behoeftes heeft door trauma’s uit zijn jeugd. Toch is dit een man die bepaalt wat er wel en niet gebeurt in bed. Niet alleen in de seks vindt een vreemde tweedeling plaats. Christian is niet alleen dominant over hoofdpersoon Ana in de zin van seks, maar is ook dominant als het gaat om – om in sociologisch verantwoorde termen te blijven – sociaal economische status. Christian is namelijk heel rijk. Christian heeft een eigen bedrijf waar hij zoveel geld mee verdient dat hij in de duurste hotels slaapt, mensen heeft die

18 SOAP

dag en nacht voor hem werken, een privé helikopter heeft en bovendien macht heeft over veel andere mensen. Ana daarentegen is een arme literatuur student, met een klein appartementje dat gedeeld wordt met een vriendin. Het lijkt net alsof Christian Ana niet alleen overheerst op seksueel gebied, maar ook op sociaal-economisch gebied. Liefde of seks? Echter, om een iets realistischer beeld van het boek te scheppen, ook tegenover de mannen die het niet gelezen hebben; het valt allemaal wel mee met die SM. De mannen die dit boek nog wilden lezen vanwege de opwindende seksscènes moet ik teleurstellen. Je zou zelfs kunnen stellen dat het boek meer om alle emoties achter de seks gaat, dan over de seks en de SM zelf. Ten eerste laat de eerste de eerste seksscène 120 pagina’s op zich wachten. Menig man zal waarschijnlijk afgehaakt zijn tijdens deze ellendig lange opbouw. Waar gaan die eerste 120 pagina’s dan over, is nu de grote vraag. De eerste 120 pagina’s gaan over Anastacia Steele, een jonge studente die bijna is afgestudeerd in Engelse literatuur en een extra zakcentje bijverdient door te werken in een bouwmarkt. Het is een ietwat stillig, verlegen meisje van het type stille wateren, diepe gronden en absoluut niet bijzonder mooi. Wat schetst onze verbazing, onweerstaanbare meneer Christian Grey valt voor dit niet bijzondere meisje. Het bovengenoemde bevat de eerste verklaring van de populariteit onder het boek. Vrouwen weten van zichzelf dat ze niet vierentwintig uur per dag onweerstaanbaar sexy zijn, maar willen wel dat de knapste man met veel status op hen valt. De eerste verklaring voor de populariteit van dit boek is dat vrouwen zichzelf herkennen in de hoofdpersoon. Verder hangt het boek aan elkaar van clichés die de populariteit van het boek verklaren. Het


Hannah Achterbosch

POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

eerste cliché is dat vrouwen gewild willen worden. Vrouwen willen niet zomaar seks met iemand, vrouwen willen seks met iemand die heel graag seks met hen wil. Hoofdpersoon Christian werpt zich op als uitermate jaloerse, bemoeizieke, controlerende en eigenlijk hopeloos verliefde minnaar. Deze minnaar wil niet zomaar seks, maar deze minnaar wil seks met jou! Alleen met jou! Het tweede cliché is dat Christian rijk is, rijk in geld en rijk in bepaalde seksuele ervaring. Zoals eerder genoemd, heeft de mannelijke hoofdpersoon uit het boek enorm veel geld, een goede baan en zijn zaakjes goed op orde voor de buitenwereld. Ook heeft hij al veel seksuele ervaring, waarbij maagdelijk hoofdpersoon Anastacia schril afsteekt. Het tweede cliché is dan ook: vrouwen vallen op status, ook als het aankomt op status in bed. Het derde cliché is dat vrouwen graag mannen willen redden. Deze man, door trauma’s uit zijn jeugd getekend, wordt gered door de liefde van eenvoudige hoofdpersoon Anastacia. Kortom, alle clichés over vrouwen zijn terug te vinden in dit zogenaamde controversiële boek. Toch moet in deze clichés wel een kern van waarheid schuilen, gezien de populariteit van het boek. Eigenlijk zijn al deze clichés te vatten in een zin en dat is: “vrouwen verbinden seks onlosmakelijk aan een relatie en/of liefde.” 50 tinten grijs: Het doorbreken van een taboe? De vraag die al die clichés bij mij oproepen is: Kan 50 tinten grijs gezien worden als het doorbreken van een taboe, of is dit boek juist een terugval na de bevrijdende seksuele moraal van de jaren ‘60?

alle traditionele ideeën, clichés, over een seksuele relatie tussen een man en een vrouw. Aan de andere kant lijken vrouwen nu een eigen porno te hebben ontwikkeld en dat zou gezien kunnen worden als vooruitgang. Vrouwen drukken dit boek onder hun man zijn neus en zeggen: “Dit is wat ik wil”. En dat is alles behalve traditioneel. Wat vrouwen eigenlijk willen zeggen is: “We doen alsof jij mag bepalen wat we gaan doen, maar je zorgt er wel voor dat ik ook aan mijn trekken kom”. Zoals ik het begrijp moeten mannen dus doen alsof ze dominant zijn, terwijl wij vrouwen eigenlijk bepalen wat er gebeurt. Snappen jullie het nog? Conclusie Mocht dit boek een vooruitgang zijn, dan is een vijfde cliché over vrouwen bevestigd: “Vrouwen zouden geen vrouwen zijn als ze niet een beetje ingewikkeld doen”. Om zich vrij genoeg te voelen om over seks te praten, moet blijkbaar eerst een boek geschreven worden. Ik wil niet oordelen over andermans seksuele behoeftes, net zo min als dat ik 50 tinten grijs wil veroordelen tot slecht boek. Daarnaast wil ik niet beweren dat de clichés die dit boek dragen allemaal niet op de waarheid gebaseerd zijn. Ten slotte heb ik ook geen antwoord op de vraag of dit boek een vooruitgang is in de seksuele ontwikkeling van vrouwen of niet. Wel wil ik alle vrouwen die dit boek als inspiratiebron gebruiken een tip geven: na meer dan 50 jaar na de eerste feministische golf en na meer dan 500 pagina’s huisvrouwenporno, wordt het nu eens tijd jullie man op ongecompliceerde, niet tegenstrijdige wijze uit te leggen wat jullie van hem verwachten in bed.

Ergens lijkt dit boek vooral een achteruitgang in de seksuele ontwikkeling van de vrouw. Je zou zelfs kunnen stellen dat we weer terug bij af zijn. Ten eerste hoeven vrouwen volgens dit verhaal alleen maar vrouw te zijn, en zorgt de man wel voor de rest, het geld. Ten tweede lijken vrouwen op zoek te zijn naar een dominante man, die hen geborgenheid geeft. Dit boek komt overeen met

SOAP 19


Voor het Middelpunt van deze SoAP hebben we Jelger van Zaane geïnterviewd. Of je nu eerste- of vijfdejaars bent, iedereen kent deze master-student wel. Door de jaren heen heeft hij voor Sociëtas in het bestuur, de introductiecommissie, de tripcie en de kasco gezeten. Om het dit jaar wat rustiger aan te doen maakt Jelger nu slechts deel uit van de Raad van Advies en de masterJV. Het onrecht wilde dat hij echter nog nooit op deze ereplaats in SoAP heeft gestaan. Nou Jelger, bij deze. “Ik ben momenteel nog aan het twijfelen. Ik blijf waarschijnlijk niet in Groningen. Ik zou bijvoorbeeld graag een half jaar weg willen gaan, om te reizen of te snowboarden. Aan de andere kant lijkt het me erg leuk om in Den Haag een functie bij de overheid te kunnen gaan vervullen, beleid of arbeidsvernieuwing lijken me erg interessant. Ik ben nu zeven jaar aan het studeren, en het is wel een keer klaar.”

Wat zijn je toekomstplannen na het afronden van je master Arbeid, Levensloop & Organisaties?

Middel


“Dat ik alle commissies gedaan heb! Dit gerucht is op een ALV ontstaan waar ik 3 à 4 dingen tegelijk deed. Bij het namen noemen ben ik steeds op gaan staan. Een ander gerucht is dat ik 43 zou zijn. Dat is niet waar, maar ik doe zelf wel vaak mee aan het grapje”.

Wat is het meest hardnekkige gerucht dat over jou de ronde doet?

“Ik heb binnen Sociëtas een hele leuke tijd gehad, nog steeds wel eigenlijk. Over de jaren heen is de vereniging wel enorm veranderd, het is onvergelijkbaar met vijf jaar terug. Ik vind het erg tof dat ik het op deze manier heb meegemaakt en mijn eigen steentje heb bijgedragen. Momenteel merk ik wel dat het voor mij op z’n einde loopt. De master kost me meer tijd dan dat de bachelor deed, dus ik kan niet zonder meer nog overal bij zijn. Daarnaast loopt mijn studie naar z’n einde toe, ik heb het idee dat ik hierdoor niet meer zo tussen de groep zit als eerder, en zelf zoek ik andere dingen op. Sociëtas is ontzettend leuk, maar er is meer te doen.”

Door de jaren heen ben je erg actief geweest bij Sociëtas, hoe kijk je terug op deze tijd?

“Terecht? Nee. Wel heel erg leuk.”

Zou je het terecht vinden als er een feest naar je wordt vernoemd?

Punt


POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

Nienke Tebbens

HELDENDADEN

S

HET LEVEN VAN EEN

tel je voor; je bent student Romaanse talen en Culturen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor je studie krijg je de mogelijkheid om op stage te gaan naar Pereira, in Colombia om Engelse les te geven op een privéschool. Eenmaal daar maak je kennis met de cultuur van het land en de heersende armoede. Na een jaar keer je terug naar Nederland met een koffer vol mooie verhalen en ervaringen. Voor veel studenten zal dit een herkenbaar verhaal zijn. Stage lopen in het buitenland lijkt onder studenten bijna vanzelfsprekend. Na hun stage keren de studenten meestal terug naar Nederland en blijven alleen de ervaringen over. Bij Tanja Nijmeijer liep dit echter anders. Zij was dusdanig gegrepen door de sociale ongelijkheid en armoede in Colombia dat ze besloot haar studentenleven in Groningen op te geven en terug te keren naar Colombia. Tijdens haar stage was ze bevriend geraakt met een lid van FARC en in 2001 besloot ze zich ook aan te sluiten bij deze beweging. Tanja kwam terecht in de jungle van Colombia waar ze als tolk te werk ging. In de jaren die daarop volgden zette Tanja zich in voor FARC en zou ze betrokken zijn geweest bij tientallen bomaanslagen. In 2007 werd Tanja’s dagboek gevonden waarin zij kritiek uitoefende op de leiding van FARC. Onlangs werd bekendgemaakt dat Tanja zou deelnemen aan de onderhandelingen tussen FARC en de Colombiaanse regering in Oslo. Net als tien jaar terug, toen Tanja zich besloot aan te sluiten bij de rebellenbeweging, stond Tanja nu opnieuw volop in de belangstelling. De hele wereld lijkt in de ban te zijn van de studente die haar vredige studentenleventje opgaf en koos voor de harde wereld in de jungle voor Colombia. De in Denekamp opgegroeide ex-studente snapt de commotie rond haarzelf echter niet. Zij vindt het alleen maar logisch dat zij haar leven heeft opgegeven om het kwaad in de wereld te bestrijden. Iedereen heeft vermoedelijk wel eens gehoord van FARC of in ieder geval van Tanja Nijmeijer. FARC (een afkorting voor “Fuerzas Armadas Revolucionarios de Colombia) is in 1964 ontstaan als tak van de Colombiaanse Communistische Partij. FARC opereert voornamelijk in Colombia maar heeft ook enkele activiteiten in de omliggende landen. De beweging zegt op te komen voor de arme in22 SOAP

woners van het Colombiaanse platteland en beschouwt zichzelf als een ‘gewapende politieke partij’. Het lijkt allemaal ontzettend mooi; opkomen voor de arme bevolking van Colombia en strijden voor vrede. Maar de contradictie valt meteen op; oorlog voeren om uiteindelijk vrede te creëren, klinkt vrij onlogisch. Het is moeilijk voor te stellen dat de strijd die gepaard gaat met bombardementen, mortieraanvallen, kapingen en afpersingen uiteindelijk voor vrede zou moeten zorgen.

“Het is moeilijk voor te stellen dat de strijd die gepaard gaat met bombardementen, mortieraanvallen, kapingen en afpersingen uiteindelijk voor vrede zou moeten zorgen.”

Voor Tanja is het echter zo klaar als een klontje. In een interview met Volkskrant gaf ze onlangs aan dat het voor haar zo logisch is om zich aan te sluiten bij de guerrillabeweging dat ze wanhopig wordt als anderen het niet begrijpen. Ze zegt gegrepen te zijn door de ongelijkheid in het land toen ze stage liep in het land. Democratie in het land bestaat volgens Tanja alleen op papier. De cursus marxisme die de Guerrillero’s binnen de organisatie krijgen heeft haar de wereld beter doen begrijpen. De twijfels die Tanja in haar dagboek en brieven uitsprak worden tijdens het interview door haar ondergraven. Ze geeft aan dat ze inderdaad kritiek had op FARC gezien het geen perfecte organisatie is. Het zou volgens haar ontbreken aan harmonie. Dit wordt volgens Tanja echter opgelost door middel van een gedragscursus. Blijkbaar is een gedragscursus voor de guerrillastrijders genoeg om de gebreken van de beweging te doen vergeten.


Nienke Tebbens

POLITIEK & MAATSCHAPPIJ

IN DE JUNGLE

GUERRILLASTRIJDSTER Dat Tanja haar leven volledig aan de organisatie wijdt blijkt wel uit het interview. De vele fouten die FARC heeft gemaakt worden door Tanja gladgestreken. Bomaanslagen waarbij Tanja zelf betrokken was waren volgens haar slechts ‘protesten’ waarbij geen doden zijn gevallen en het doden van de vijanden was onontkoombaar volgens de Nederlandse. “Wat zou je anders met de vijand moeten doen? Hem onderwijzen?” De acties van de beweging zouden volledig FARC-richtlijnen volgen. Hierdoor zouden burgers geen slachtoffer worden van de strijd die FARC voert. Nee, Tanja staat niet lang stil bij alle slachtoffers die de beweging op haar geweten heeft en rechtvaardigt de strijd volledig. Na de verkiezingen in 1986 bleek dat de doelstellingen van de beweging niet behaald konden worden via de legale weg – na een bescheiden succes van de partij werden leden stelselmatig uitgemoord door paramilitairen waarbij ook de Colombiaanse overheid betrokken zou zijn geweest - waardoor de beweging genoodzaakt zou zijn om andere middelen te gebruiken. Ze wijst erop dat Colombia zonder FARC weg zou zakken in de ellende. Zelfs de harde cijfers gaan er bij Tanja niet in; 80 procent van de Colombianen is voor een vredesakkoord en dus tegen de Guerilla’s en de steun aan de beweging is onder de bevolking erg mager; slechts 1 tot 5 procent zegt de beweging te steunen. Volgens Tanja zijn dit geen representatieve cijfers gezien de bevolking niet toe durft te geven achter de beweging te staan uit angst voor represailles van de overheid. “Pas als FARC de wapens neerlegt en in 2014 misschien al aan de verkiezingen deelneemt, zal blijken hoe groot de steun daadwerkelijk is”, aldus de guerrillastrijdster.

Van de Hollandse studente zelf lijkt weinig over te zijn. De jungle van Colombia heeft haar voorgoed getekend.

Ondanks het feit dat Tanja ons het gehele interview probeert te overtuigen van de goede bedoelingen van FARC geeft ze in het interview aan dat ze zichzelf niet hoeft te rechtvaardigen. “De strijd is gerechtvaardigd. We zijn in oorlog”. Dat deze oorlog mede veroorzaakt wordt door FARC zegt ze hier niet bij. Hoelang deze strijd nog zal duren moet nog blijken uit de vredesonderhandelingen tussen de Colombiaanse regering en FARC. Ondanks een hoop rivaliteit tussen de partijen zouden de onderhandelingen tot nu toe goed zijn verlopen. Tanja fungeert tijdens de onderhandelingen als vertaalster en woordvoerster. Vertalen lijkt een van haar sterke punten te zijn. Tijdens de interviews weet ze de idealen van FARC letterlijk te vertalen, ze lijkt volledig op één lijn te zitten met de beweging. Ook heeft ze in een interview met de Trouw aangegeven lid te willen blijven van de beweging wanneer de onderhandelingen wel tot een akkoord leiden. Ze wil blijven vechten voor de idealen die zij en FARC nastreven. Wat dat betreft kunnen we het met één ding eens zijn met Tanja; de stoomcursus Marxisme heeft van Tanja een goedgelovige guerrillastrijdster gemaakt. Van de Hollandse studente zelf lijkt weinig over te zijn. De jungle van Colombia heeft haar voorgoed getekend. Zonde, zou je zeggen. Als we Tanja zelf echter moeten geloven zouden we als landgenoten trots op haar moeten zijn. We hadden haar in Nederland moeten onthalen als een held, een onverschrokken krijger die haar leven heeft gegeven voor de armen. Misschien heeft Tanja wel gelijk en blijkt niet Tanja zelf maar de rest van de wereld al die tijd een bord voor zijn kop te hebben gehad. Wie zal het zeggen.

SOAP 23


Medezeggenschap with you! Binnen de Rijksuniversiteit Groningen hebben personeel en studenten inspraak in het beleid van de universiteit, de faculteiten en de opleidingen. Deze inspraak wordt ‘medezeggenschap’ genoemd en is via verschillende organen geregeld. De afbeelding hieronder laat in één overzicht zien hoe het op onze faculteit geregeld is.

Partij Student Belangen: Hannah Bijlsma Jessica Boer Dennis Ensing Roel Kleijkamp Iris Linneman

De faculteit GMW wordt bestuurd door het faculteitsbestuur. Dit bestuur heeft elk jaar een adviserend student-lid en wordt daarnaast geadviseerd door de faculteitsraad. De raad bestaat uit studenten (PSB & SvGMW) en personeelsleden en heeft dus een adviserende en controlerende functie. De opleidingsdirecteur staat aan het hoofd van de opleiding en wordt geadviseerd door de opleidingscommissie. Deze commissie bestaat, net als de faculteitsraad, uit studenten en docenten. Daarnaast houdt de opleidingscommissie actief contact met studenten en jaarvertegenwoordigingen en, indien nodig, met de faculteitsraad. Natuurlijk kun je met al je klachten/opmerkingen/ ideeën naar één van deze organen! Met één mail naar Partij Student Belangen (PSB) uit de faculteitsraad kun je zelf ook medezeggenschap geven en je stem laten horen. Wij zullen je vervolgens naar het juiste orgaan doorverwijzen. En wil je op de hoogte blijven van waar wij ons mee bezig houden?

Contact: psb.gmw@rug.nl.

OP ZOEK NAAR EEN LEERZAME (BIJ)BAAN? INTRAVAL is een sociaal-wetenschappelijk onderzoeks- en adviesbureau in Groningen. De werkterreinen zijn: • verslaving • leefbaarheid • welzijn • jeugd INTRAVAL heeft regelmatig plaats voor onderzoeksassistenten die op oproepbasis kunnen assisteren bij onderzoekswerkzaamheden. De werkzaamheden bestaan onder andere uit: • respondenten werven • enquêtes afnemen • observaties uitvoeren • data invoeren • interviews uitwerken Tevens zijn er verschillende stagemogelijkheden en werkervaringsplekken voor (bijna) afgestudeerde sociale wetenschappers. Geïnteresseerd? Neem dan contact op met Martin Haaijer.

Sint Jansstraat 2C www.INTRAVAL.nl info@ INTRAVAL.nl 050-3134052


OPINIE

Legaliseer en reguleer drugs!

Deel 1: Wat zijn drugs en waarom zijn ze verboden?

I

n 1912 werd in Den Haag de eerste internationale drugsconferentie georganiseerd. Diverse landen, waaronder Nederland, kwamen daar op initiatief van de V.S. overeen de productie, de handel en het gebruik van drugs actief te bestrijden door middel van repressie. Destijds bestond het geloof dat door de productie, de handel en het gebruik actief strafrechtelijk aan te pakken, men uiteindelijk een drugsvrije wereld zou kunnen creëren. We zijn inmiddels 100 jaar oorlogsvoering verder en een drugsvrije wereld lijkt verder weg dan ooit. De resultaten van ‘the war on drugs’ zijn dan ook op zijn zachts gezegd niet om over naar huis te schrijven. Tot op de dag van vandaag wordt er op grote schaal drugs geproduceerd, verhandeld en gebruikt en hierin valt bovendien geen dalende trend op te merken. Drugsproblematiek vormt nog steeds zowel internationaal als nationaal een serieuze bedreiging voor de maatschappij. Nodig tijd om de balans op te maken: is een drugsvrije wereld daadwerkelijk te bereiken, of is dit slechts een utopie? En wat voor zin heeft het verbieden van drugs? Moet de strijd worden doorgezet, of is het wellicht tijd om aan een andere aanpak van de drugsproblematiek te denken? In de komende reeks artikelen zal nader op dit onderwerp worden ingezoomd. Het is echter een ontzettend omvangrijk en complex onderwerp. Laten we daarom bij het begin beginnen: in dit eerste artikel wil ik vaststellen wat drugs nu precies zijn. Dus, wanneer wordt iets een ‘drug’ genoemd, en waarom eigenlijk?


Ronald Kielman Wanneer men de term drugs gebruikt, impliceert men daarbij een onderscheid tussen enerzijds drugs en anderzijds alle overige stoffen die levende organismen tot zich kunnen nemen, oftewel ‘niet-drugs’. Hoogst interessant om eens te bekijken waarin dit onderscheid ligt, wat is nu precies het verschil tussen ‘drugs’ en ‘niet-drugs’? Hoewel de meeste mensen duidelijk denken te weten wat drugs zijn, illustreert de Engelse taal op een prachtige wijze dat de term ‘drugs’ niet zo eenduidig is als men in eerste instantie zou denken. De Engelse taal maakt namelijk geen onderscheid tussen medicijnen en drugs: Engelsen kopen medicijnen in een ‘drugsstore’ en betalen tegelijkertijd belasting om de door de overheid gevoerde ‘war on drugs’ te bekostigen. Dat het onderscheid tussen medicijnen en drugs lastig is, blijkt bovendien uit het feit dat het in Nederland steeds vaker voorkomt dat medicijnen recreatief worden gebruikt. Hoestdrank bijvoorbeeld, werkt in hoge dosering als tripmiddel vanwege de stof dextromethorfan en wordt dus als zodanig gebruikt. Daarnaast wordt dexamphetamine, voornamelijk voorgeschreven bij mensen (vaak kinderen!) met de (symptoon)ziekte ADHD, door jongeren gebruikt voor wat extra energie op een feestje. Werd MDMA, de werkende stof in XTC, in de jaren ‘60 en ‘70 nog gebruikt in de psychiatrie ter ondersteuning van de behandeling van depressieve en neurotische patiënten, tegenwoordig is het middel ongelooflijk populair onder feestende jongeren/studenten omdat XTC de werking van de neurotransmitter serotonine verhoogd. Dit zorgt er onder andere voor dat de gebruiker een sterk empathisch vermogen ontwikkelt en zich energiek en gelukkig voelt. Of neem ketamine, een verdovingsmiddel voor mensen en dieren, dat wordt (in lagere dosering) gebruikt vanwege het ‘dromerige’ effect. Meer recent is ketamine in de belangstelling komen te staan vanwege zijn veronderstelde antidepressieve werking. Het moge duidelijk zijn dat het verschil tussen medicijnen en drugs uiterst discutabel is en eerder gezien moet worden als een linguïstische kwestie. Of wij iets als drugs of als medicijn bestempelen is volledig afhankelijk van het doel, de omgeving en de tijd waarin een middel wordt gebruikt. Desondanks lijken mensen in hun gangbare taalgebruik prima te weten wat drugs is, en wat niet. Neem nu eens heroïne: dat is, zo lijken de meesten toch wel overeengekomen, een drug. En cocaïne ook natuurlijk. Het zijn namelijk allebei poedertjes die opvallende effecten hebben op lichaam en geest. Duidelijk dus, dat zijn gewoon drugs. Klaar! Maar ligt dat wel zo simpel? Want suiker, ook een poedervormige stof die duidelijke effecten op het menselijk lichaam en geest heeft, is volgens de meeste mensen geen drug. Best vreemd als je er goed over nadenkt... Suiker is ook verslavend, het heeft een duidelijk effect op lichaam en geest, helpt daarnaast menig gebit naar de Filistijnen en kan,

OPINIE

bij de echte suikerjunks althans, gezondheidsproblemen zoals diabetes veroorzaken. Aan de andere kant is het ook wel weer begrijpelijk, want niemand wil natuurlijk bekend staan als junk en wanneer de gemiddelde Nederlander zo’n 38 kg per jaar van dit witte poeder tot zich neemt, dan kunnen we suiker maar beter niet als drugs bestempelen toch? En wat zeggen we over koffie: waarom is caffeïne geen drug? Of chocolade, dat werkt ook opwekkend en kan ook verslavend zijn? En wat te denken van iets onschuldigs als zout of nootmuskaat? Wanneer we puur uitgaan van de werking van deze stoffen, dan zouden al deze stoffen als drugs bestempeld moeten worden. Om over alcohol, het meest verbreide roesmiddel op aarde, nog maar te zwijgen... Hoe lastig het blijkt om tot een goede definitie van drugs te komen, hoe stellig is de Nederlandse overheid hierin. De overheid heeft in de bijlage van de Opiumwet namelijk alle stoffen die zij als drugs ziet, vastgelegd. Alle stoffen die in de bijlage van de Opiumwet staan zijn dus simpelweg drugs. Binnen de Opiumwet hanteert de overheid vervolgens een lijstensysteem waarin onderscheid wordt gemaakt tussen soft- en harddrugs. Softdrugs staan op lijst II en zijn, zo vertelt de website van de overheid (zie QR code boven), drugs waarvan de overheid vindt dat ze een toelaatbaar risico met zich meebrengen. Harddrugs staan op lijst I en zijn middelen waarvan de overheid vindt dat ze een onaanvaardbaar risico met zich meebrengen, voornamelijk op het gebied van de gezondheid, het verslavende effect en de openbare orde. Voor de minder begaafden onder ons die na deze overduidelijke uitleg van de overheid nog steeds niet begrijpen wat nu precies soft- en harddrugs zijn (ironie), geeft de overheid op haar website gelukkig nog even kort een paar voorbeelden van harddrugs: heroïne, amfetamine, LSD en XTC. Blijkbaar lijkt het de overheid slim om beleidsmatig niet alle drugs over één kam te scheren en daar valt natuurlijk wel wat voor te zeggen. Je kan bijvoorbeeld allereerst beargumenteren dat verschillende stoffen een verschillend effect hebben ten aanzien van de lichamelijke/fysieke schade voor de gebruiker, de afhankelijkheid van de drugs die door het gebruik ontstaat en de sociale effecten op bijvoorbeeld het gezin, de gemeenschap of de samenleving in zijn geheel. Om vervolgens te komen tot het argument dat deze verschillen tot uiting moeten komen in het beleid dat de overheid moet voeren ten aanzien van deze stoffen. Dat klinkt allemaal behoorlijk logisch. Op basis van deze redenatie zou de overheid, als zij per se zou willen werken met twee lijsten, het onderscheid tussen deze lijsten moeten baseren op basis van de zwaarte van deze verschillende effecten de middelen. Laten wij nu eens kijken of de overheid dit ook doet. Het SOAP 27


OPINIE

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft in 2009 onderzoek gedaan naar schadelijkheid van drugs (en alcohol en tabak), op basis van de eerder genoemde drie criteria: fysieke schade, afhankelijkheid en sociale schade. Figuur 1 geeft de resultaten weer, waarin een onderscheid wordt gemaakt op gebruikersniveau en populatieniveau. Wat meteen opvalt is dat, na crack en heroïne, de legale middelen alcohol en tabak een keurige(?) derde en vierde plek behalen in de drugsranking van het RIVM. Daarnaast valt op dat paddo’s en LSD, middelen die op lijst 1 staan en door de overheid dus worden beoordeeld als middelen die een ontoelaatbaar risico met zich meebrengen, helemaal onderin de ranking terug te vinden zijn. Ook andere drugs die op lijst 1 staan, zoals ecstacy (XTC) en ketamine, behalen een relatief lage score in de ranking. Daarnaast heeft minister Leers begin 2012 aangekondigd khat op lijst II van de Opiumwet te plaatsen, terwijl het volgens het RIVM heel erg meevalt met de schade die khat veroorzaakt. Kortom, het beleid dat de Nederlandse overheid voert op basis van het onderscheid tussen drugs en nietdrugs enerzijds, en tussen soft- en harddrugs anderzijds, is niet gebaseerd op de feitelijke schadelijkheid van de stoffen, maar lijkt eerder gebaseerd op volstrekte willekeur! Hoe komt het toch dat het Nederlandse drugsbeleid bij het onderscheid tussen soft- en harddrugs geen rekening lijkt te houden met de werkelijke schadelijke effecten? Verschillende antwoorden zijn te bedenken. Allereerst zou het te maken kunnen hebben met de zichtbaarheid van de effecten. Roken verkort de levensduur weliswaar met een flink aantal jaren, maar op korte termijn heeft roken geen uitzonderlijke effecten op de gezondheidstoestand van de gebruiker. Bij overige middelen die men doorgaans drugs noemt, ligt dit anders; vaak zijn de effecten hiervan duidelijk (op) te merken en lijkt het daardoor veel meer schade te veroorzaken dan bijvoorbeeld roken. Ten tweede bestaat de mogelijkheid dat met het verbieden van bepaalde middelen economische belangen zijn gemoeid, zoals bijvoorbeeld bij het verbod op hennep dat in 1937 in de V.S. van kracht werd. Het goedkope henneppapier vormde destijds namelijk 28 SOAP

Ronald Kielman

een grote bedreiging voor de chemische- en papierindustrie. Ten slotte wordt middelengebruik vaak, voornamelijk door religieuze groeperingen, als immoreel beschouwd. Los van de vraag of het gebruik van een bepaalde stof schadelijke effecten met zich mee brengt, wordt het gebruik in zichzelf als ‘fout’ en/of ‘zondig’ gezien. Een rationele grondslag voor het verbod van deze middelen is dan niet meer genoodzaakt, want het gebruik an sich is vanuit dit oogpunt al afkeurenswaardig. Samenvattend is het ontzettend lastig om tot een goede definitie van drugs te komen. Eigenlijk bestaat er geen duidelijk verschil tussen medicijnen en drugs: wat als drugs of medicijn wordt gezien, is in sterke mate afhankelijk van de omgeving waarin het gebruik plaats vindt, de achterliggende gedachte of de bedoeling van het gebruik, en de tijd waarin het gebruik plaats vindt. Ook het verschil tussen drugs en ‘niet-drugs’ is niet zo eenvoudig als het lijkt. Eigenlijk bepaald de Nederlandse overheid wat in Nederland drugs is. Alleen wanneer een middel in de bijlage van de Opiumwet is terug te vinden, is dit een drug. Daarbij maakt de overheid een onderscheid tussen soft- en hardrugs. Softdrugs (lijst II) zijn middelen waarvan de overheid vindt dat ze een toelaatbaar risico met zich meebrengen, terwijl harddrugs (lijst I) middelen zijn die een onaanvaardbaar risico met zich mee brengen. Echter, naar blijkt is deze beleidsmatige indeling niet op rationele gronden is gebaseerd. Uit onderzoek van het RIVM blijkt namelijk dat sommige middelen op lijst I amper schade met zich mee brengen, terwijl andere middelen die door de overheid niet als drugs worden bestempeld, een enorm grote schade veroorzaken! Blijkbaar hebben in het verleden andere overwegingen een rol gespeeld bij het bepalen van wat geen drugs, softdrugs of harddrugs is. Desondanks wordt er sinds 100 jaar een actieve ‘war on drugs’ gevoerd, met alle gevolgen van dien. Bij de negatieve gevolgen van de ‘war on drugs’ wordt echter niet zo vaak stilgestaan. Daarom zal ik in het volgende artikel ingaan op de externe effecten van deze oorlog, op (de overwegingen achter) het Nederlandse gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs en op de algemene bezwaren tegen drugsbestrijding.


Axel Land

OPINIE

RAUWE emotie

T

oen ik gistermiddag in de Albert Heijn van Groningen rondliep viel mijn oog op iets. Ik keek naar een bakje taugé en dacht: dat vind ik zelfs rauw lekker. Dat woordje, rauw. Het deed me plotsklaps denken aan een uitzending van Pauw en Witteman waarin Francis Kenter en haar zoontje aanschoven. Francis is misschien wel de definitie van rauw voedsel geworden sinds de media-aandacht voor haar zoontje de laatste tijd. Toch hanteer ik zelf liever de term verlept wanneer ik het over mevrouw Kenter heb. Verlepte huid om een mager karkas met manisch uitpuilende ogen. Een sektarisch geobsedeerde, zelfbenoemde voedingsdeskundige die haar zoontje lid van haar sekte heeft gemaakt. Datzelfde zoontje wordt al jaren gefilmd en is meerdere keren aan onderzoek onderworpen, zo vertelde het aangevreten kadaver tijdens Pauw en Witteman. Kritiek op het feit dat haar zoontje vitaminetekorten kende en niet goed groeide wuifde ze weg. Nee, haar zoontje leefde zoals het hoorde, en zij ook. Om mijn ergernis te bedaren besloot ik op andere dingen te gaan letten terwijl madame Kenter aan het raaskallen was. Ik genoot van de aanwezigheid van Peter R. de Vries diezelfde avond. Niemand fuckt met Peter. Of moet ik fokt zeggen, dat klinkt harder dan die zwakke ‘u’ in fuck. Hij was weer ouderwets aan het heersen aan tafel. Attendeer Peter op een nonexistente foute woordkeuze die hij maakt en je zult de rest van de avond alleen nog maar door een verbaal rietje communiceren. Francis bleef echter onverstoorbaar als een christelijke zendeling prediken dat wat zij deed het juiste was in de tegenwoordige maatschappij. Haar zoontje, geïndoctrineerd door zijn moeder leek het wel, wist eigenlijk niet waarom er ophef werd gemaakt. Dat baart de gemiddelde Nederlander zorgen. Kinderen weten eigenlijk niet beter. Je zag het. Haar zoontje wist ook niet beter.

ervaren die de mensheid heeft voortgebracht, waar is dat in godsnaam goed voor? Bewustwording over onze voeding is iets goeds. Wij Nederlanders zijn te dik. Maar wie ontneemt zijn of haar kind nu het zelf proeven en beoordelen van dat ietwat minder culinaire ijsje, snoepje of patatje? En in dit extreme geval: wie laat zijn kind alles rauw eten, ongeacht het feit dat medici dat als ongezond voor zijn groei en ontwikkeling bestempelen? Francis Kenter dus. Zulke doorgeslagen individuen laten wij nuchtere Hollanders graag in hun waarde. Maar in dit geval beslist zij niet enkel voor zichzelf, maar ook voor een klein jongetje. En op dat punt gaat het mis. Mensen gaan zich inleven en denken onbewust aan de situatie van hun eigen kinderen. Dat zijn pure, rauwe emoties. De commotie rondom de voeding van Francis Kenters zoontje is dan ook terecht naar mijn mening. Een ouder moet verantwoordelijk handelen ten opzichte van zijn of haar kind. Wat de ouder in kwestie voor halfgaar gedrag vertoont, zoals het niet eens half garen van het eigen eten, dat moet zij of hij zelf weten. Een kind zou echter later pas voor een dergelijke keuze moeten komen te staan en niet door zijn ouders een bepaald eetpatroon opgedrongen moeten krijgen waarvan de voedingswaarde discutabel is. Een dergelijk kind zou beschermd moeten worden tegen zijn ouders. En omdat wij met z’n allen een meelevend volkje zijn, voelen we de ouder in ons allemaal naar boven komen. En die reactie, is niets anders dan emotie.

Francis vervolgde haar relaas over wat er allemaal niet deugde aan de voeding van mensen tegenwoordig. Bakken is slecht. Braden en stomen? Slecht. Ik zou na een dag Francis-zijn al in de foetushouding in een hoekje zijn gaan liggen, huilend en schuimbekkend. Frituren slecht? Oke, tot daar aan toe. Maar als je panisch naar elke verpakking in de buurtsuper kijkt, vind je genoeg ingrediënten die legio pijnlijke manieren om te sterven bieden. Onredelijk moeten we natuurlijk ook niet zijn: het punt dat wij gezamenlijk te ongezond eten is een feit. En dat minder snoepen en dergelijke praktijken bevorderlijk zijn voor de gezondheid weten we ook allemaal. Maar om je zoontje nooit de culinaire hoogstandjes te laten

SOAP 29


OPINIE

Robin Luiten

Seksuele intimidatie hindernis vrouwenemancipatie

I

n SoAP van augustus 2012 is aandacht besteed aan een aantal misverstanden over het feminisme. Een van deze misverstanden is dat er in Nederland helemaal geen ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen zouden bestaan. In werkelijkheid is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in ons land inderdaad steeds kleiner geworden. Het percentage werkende en geschoolde vrouwen wordt hierbij vaak als graadmeter gebruikt. Iedereen zal onderkennen dat dit percentage de afgelopen decennia gemiddeld is toegenomen. Maar het scheppen van gelijke verhoudingen gaat verder dan werk en opleiding. Het gaat ook over gedrag en hoe we dagelijks met elkaar omgaan. En op dit terrein valt nog veel te winnen. Met de toegenomen seksuele intimidatie van vrouwen als de meest grote uitdaging. Er zijn meerdere aanwijzing die duiden op een toename van seksuele intimidatie van vrouwen in het sociale verkeer. Met name onder jongeren vormt seksistisch en intimiderend gedrag een steeds groter wordend probleem. Op school, op straat, in de stad of op feesten; steeds meer jonge vrouwen ervaren last van opdringerige jonge mannen die hen naroepen, uitschelden, achtervolgen of zelfs betasten. Dit leidt bij de jonge vrouwen tot angst, onzekerheid en soms zelfs een minderwaardgheidsgevoel. Helaas vrees ik dat dit gedrag - vanwege de hoge frequentie en dat er amper tegen wordt 30 SOAP

opgetreden - als normaal gezien gaat worden. Dit kan toch niet de norm worden? Daarom vind ik dat dit een grote hindernis vormt voor het streven naar gelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Gelukkig komt er steeds meer aandacht voor dit probleem. In de NRC van donderdag 2 augustus 2012 werd er in een artikel aandacht besteed aan ervaringen van jongeren. Diverse jonge vrouwen geven aan dat ze steeds vaker lastig gevallen worden door jongens. Sommige van deze jongens zijn niet ouder dan dertien of veertien jaar. De vrouwen worden door hen steeds vaker geconfronteerd met seksuele leuzen, scheldwoorden en handtastelijkheden. Dit leidt tot angst en onzekerheid. Een triest voorbeeld komt van een studente die dagelijks werd lastig gevallen en daardoor nog amper over straat durfde te gaan. Uiteindelijk heeft ze moeten verhuizen omdat ze zich niet meer veilig voelde in haar buurt. Het meest tekenende voorbeeld komt echter van een transseksuele man. Sinds zijn metamorfose tot vrouw kan hij ‘s avonds niet meer rustig over straat zonder uitgefloten en nagesist te worden. De operatie lijkt dus geslaagd, maar het heeft wel een nare bijsmaak. In het tv programma Hufters & Fatsoenrakkers op Ned. 3 (22-112012) kregen diverse jongeren het woord om zich te uiten over dit


Robin Luiten

OPINIE

onderwerp. De meiden deden verhaal over dat ze in bepaalde wijken niet meer over straat kunnen zonder geconfronteerd te worden met intimiderend gedrag van (groepen) jongens. Ze meldden geregeld commentaar te krijgen van vreemden over hun kleding en houding, of tot in den treure gevraagd te worden om hun telefoonnummer. En natuurlijk is uitschelden ook veelvoorkomend. Niet alleen op straat, maar ook op school en tijdens het stappen krijgen ze vaak mee te maken met dit gedrag. Voor de meiden heeft van zich afbijten vaak geen zin. Jongens geven hier vaak geen boodschap aan en soms verslechtert het zelfs de situatie. Hulp van derden is ook schaars. Deze durven vaak niet tegen dit asociale gedrag op te treden. Voor deze meiden is helaas het negeren van dit gedrag vaak de enige oplossing. De meiden zijn er klaar mee. Ze willen niet constant op moeten passen met wat ze zeggen, waar ze kijken en welke route ze moeten fietsen. Ook in België kampt men met dit probleem. In dit land is de documentaire ‘Femme de la Rue’ gemaakt. Daarin wordt getoond hoe een vrouw op de straten in Brussel regelmatig wordt geïntimideerd en uitgescholden door mannen. Bij verzoekjes om samen wat te gaan drinken of tussen de lakens te kruipen, geeft de vrouw aan niet geinteresseerd te zijn. ‘De aanhouder wint’ moeten de mannen denken, want ze blijven het proberen. Wat opvallend is, is dat er niet veel aanleiding voor deze mannen nodig is om de vrouw lastig te vallen. Slechts door haar aanwezigheid en haar zomerse kleding gaan de remmen bij de mannen los en worden ze verleid tot het asociale gedrag. Het zijn schokkende beelden die een impressie geven van het moderne Brusselse straatbeeld, dat veelal overeenkomt met die van steden in Nederland. In de diverse media komt helaas het beeld naar voren dat allochtonen zich bovenmatig veel schuldig maken aan dergelijk gedrag. Het zijn vaak allochtonen die intimideren, schelden en lastigvallen, zo blijkt uit de ervaringen van de jonge vrouwen. Frequenter én brutaler dan autochtone jongens. Het is belangrijk niet te generaliseren of dit af te doen als een integratieprobleem. Het beeld ontstaat echter wel dat traditionele opvattingen uit niet-westerse culturen een belangrijke rol spelen in dit verhaal. Het meest genoemde element is de opvatting van de allochtone man over de kleding van de Nederlandse vrouw. De kledingkeuze van een vrouw lijkt voor allochtone mannen regelmatig de aanleiding te zijn voor de negatieve reacties en bejegeningen.

vakkers of vuilnismannen. We kijken er niet meer van op als zij fluiten of roepen naar een passerende vrouw. “Hé, waar gaat die mooie meid naartoe dan!?” We zien het als seksistisch, misschien wel als brutaal of complimenteus, maar vooral als iets wat bij het gewone straatbeeld is gaan horen. Iedereen kent het stereotype van de fluitende bouwvakker. We vinden het eerder bijzonder als hij niet fluit. Zou datzelfde gaan gelden voor het groepje hangjongeren dat beledigende termen zoals ‘hoer’ en ‘slet’ aan willekeurige passerende meiden cadeau doet? Ik ben bang dat we die weg al zijn ingeslagen. Want wie treedt er tegen op? Loop jij naar die jongens toe om ze aan te spreken op hun gedrag? Waarschijnlijk denk je wel twee keer na, want je wilt zelf niet in de problemen raken. Begrijpelijk, maar hierdoor wordt dit gedrag praktisch wel getolereerd. Wie wijst deze jongens dan op de fatsoensnormen? Fatsoensnormen, een belangrijk begrip in de discussie rondom seksuele intimidatie. Ik ben zelf van mening dat bestaande fatsoensnormen een beetje aan het verwateren zijn. Welke wijze van omgang met elkaar classificeren we als respectvol? Wat voor gedrag moeten we van elkaar kunnen verwachten? In de huidige individualistische en multiculturele samenleving bestaan zoveel wereldbeelden, culturen, religies en waarden, dat het steeds lastiger wordt om hierover eenduidigheid te creëren. Dit heeft zijn weerslag op de omgangsvormen tussen mannen en vrouwen. Traditionele conventies zoals een vrouw voor laten gaan en de deur voor haar open houden, worden steeds zeldzamer. Nu kan je dat oubollig noemen, ik prefereer dit altijd boven het onrespectvolle gedrag tegenover vrouwen dat nu tot norm wordt verheven. Het wordt daarom tijd om de kern van de ‘oude’ fatsoensnormen weer aan te halen en te bekrachtigen. Gezien seksuele intimidatie al op jonge leeftijd voorkomt, lijkt mij dat er een grote rol is weggelegd voor ouders en scholen. Opvoeding en educatie zijn belangrijke middelen om seksuele intimidatie te bestrijden. Wanneer dit doel treft, wordt er een grote stap gezet om te voorkomen dat ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen al ontstaan op jonge leeftijd.

Illustraties: Tessa Zeilmaker

Op Ned 3. kon een gekleurde jongeman dat wel even toelichten. Naar zijn mening lokken de vrouwen dit uit door aandacht te vragen met ‘opzichtige’ en ‘ongepaste’ kleding. Hij lijkt niet te beseffen dat wanneer hij en zijn medestanders deze opvatting herhaaldelijk uitspreken, zij de vrouwen actief beperken in hun vrijheid om er uit te zien zoals de vrouwen dat zelf willen. Het is idioot dat vrouwen op deze manier bijna gedwongen worden om zich aan te passen omdat deze gasten schijnbaar niet met seksuele prikkels om kunnen gaan. Sterker nog, de mannen zijn hier probleemeigenaar en als er iemand aanpassingsgedrag moet vertonen dan zijn zij het wel. Zij krijgen blijkbaar een verkeerd beeld van de intenties van vrouwen in bepaalde kleding Een sexy geklede vrouw hoeft geen seks met Jan en alleman. En stel dat een vrouw bewust de aandacht op zichzelf probeert te vestigen met sexy kleding: dit betekent niet dat ze hiermee bewust onfatsoenlijk en intimiderend gedrag uitlokt. Ik voorzie het gevaar dat de genoemde vormen van seksuele intimidatie als normaal gezien gaan worden. Noem het inbedding in de samenleving. Een vergelijking kan getrokken worden met bouwSOAP 31


Marloes Kingma

OPINIE

e s i n e r e vell

t s e e en f

Ni

I

n september 2012 waren er na de val van kabinet Rutte I weer nieuwe verkiezingen. Iedereen zag de bui al hangen: er zouden weer weken of zelfs maanden voorbijgaan voordat er een nieuw kabinet gevormd zou worden. En dat juist in deze tijden van crisis. De onderhandelingen gingen echter in een razend tempo, mede dankzij het motto dat de PvdA en de VVD leken te hebben: elkaar iets gunnen. De uitkomst werd een regeerakkoord vol compromissen en uitruilen, waarbij de één meer zijn zin kreeg op het ene punt en de ander op het andere punt. Door het huidige regeerakkoord wordt de polarisatie in het politieke systeem bestreden. Nog nooit kwamen deze twee partijen zo dicht bij elkaar wat betreft het punt inkomensverdeling. De VVD is altijd een partij van de rijken geweest, de overheid mag zich volgens hen niet te veel mengen in de inkomensverdeling. Solidariteit mag niet afgedwongen worden, iets waar de overheid zich volgens hen al snel schuldig aan maakt. Voor de sociaaldemocraten ligt dit heel anders. De herverdeling van inkomens zou juist een belangrijke taak van de overheid moeten zijn om zo ongelijkheid te bestrijden. Dit is een klassieke strijd tussen sociaaldemocraten en liberalen, één die onoplosbaar lijkt. Dit regeerakkoord bewijst echter het tegendeel: zowel de VVD als de PvdA bepleiten nivellering om zo de economische crisis uit te komen. Het doet nog steeds wat vreemd aan, een liberale premier die de herverdeling van inkomens moet verdedigen. Of dit nu het resultaat is van een verloren ideaal van de VVD wil ik in dit artikel niet bespreken, hoewel dat ook een relevante en interessante vraag is. Wat ik namelijk interessanter vind, is of de maatregelen die het kabinet verzonnen heeft daadwerkelijk recht doen aan het principe nivellering. Nivellering is immers geen nieuw begrip. Nivellering is gestoeld op het gelijkheidsprincipe en doet een beroep op de solidariteit van het volk. Voorgaande kabinetten, zoals het kabinet Den Uyl-van Agt (1973-‘77), streefden nivellering na. Dit had toen echter andere vormen, vooral omdat ons land toen economisch zeer welvarend was. Nivellering betekende in die tijden investeren in onderwijs, welzijnswerk, cultuur en gezondheidszorg zodat iedere burger voldoende kansen had om succesvol te zijn. In de huidige tijden van economische crisis is van investeren geen sprake en wordt onder nivellering verstaan dat de rijken relatief meer moeten inleveren dan de armen. Er is een drietal argumenten aan te dragen voor waarom nivellering nu nodig is. Ten eerste moeten de huidige maatregelen de denivellering van de laatste jaren rechttrekken. Door een reeks van centrumrechtse kabinetten is er een trend gekomen

32 SOAP

Of toch niet? waarin het tegenovergestelde van nivellering is bewerkstelligd: de inkomensverschillen zijn groter geworden. Dit komt de economie niet ten goede en moet daarom bijgesteld worden. Gelijke verdeling van inkomens is wél bevorderlijk voor de economie. Als juist de laagste inkomens meer te besteden hebben komt dat voor een groter deel ten goede aan de economie aangezien een relatief groter deel van de bevolking dan meer te besteden heeft. Een tweede argument voor nivellering is dat er sprake is van een ongelijk profijt van de overheid. De rijken profiteren onevenredig van verschillende subsidies, zoals de hypotheekrenteaftrek en allerlei subsidies voor cultuur. Het derde, en misschien wel het kernargument voor nivellering, is de wetenschap dat armoede iedereen kan overkomen en iedereen dus behoefte heeft aan inkomensverdeling. Om dit argument te illustreren haal ik het principe van Rawls aan. Stel dat wij niet zouden weten welke positie wij zouden hebben in de toekomst. We bevinden ons achter een zogenaamde ‘sluier van ontwetenheid’. We weten niet of we in een goed of slecht milieu geboren zijn, arm of rijk zijn, lelijk of mooi zijn, gezond of gehandicapt zijn et cetera. De vraag die Rawls zich stelt is hoe de maatschappij ingericht zou worden als iedereen zich achter die sluier bevindt. Zouden we dan kiezen voor een liberaal systeem waarbij iedereen zichzelf moet zien te redden of zouden we kiezen voor een solidair systeem waarbij de rijken opkomen voor de armen – niet wetende wie rijk en arm zullen zijn? De uitkomst van dit gedachte-experiment is volgens Rawls dat een maatschappij gebaseerd op gelijkheid aangezien niemand het risico wil lopen arm ‘wakker te worden’ en zichzelf te moeten zien redden. Solidariteit is dus een beginsel dat uiteindelijk iedereen ten goede komt, omdat het als een verzekering werkt. Solidariteit houdt dus niet in dat je als rijke je hand over het hart strijkt en wat geld toestopt aan de armen, het is geen liefdadigheid. Solidariteit komt ten gunste van iedereen in de maatschappij omdat iedereen belang heeft bij een groeiende economie en iedereen behoefte heeft aan de zekerheid dat in het geval je arm wordt, je kan overleven door financiële steun van de overheid.

ni·vel·le·ren (werkwoord; nivelleerde, heeft genivelleerd) 1. verschillen verkleinen; gelijkmaken


Marloes Kingma

OPINIE

De vraag is nu of de huidige maatregelen van het kabinet de bovenstaande argumenten bewerkstelligen. Nog voor het kabinet beëdigd was, ontstond er al commotie over een maatregel uit het regeerakkoord: het inkomensafhankelijk maken van de zorgpremie. Deze maatregel zou ervoor zorgen dat naarmate je meer geld verdient, je een hogere zorgpremie moet betalen. Na een aantal berekeningen bleek echter al dat deze maatregel, in combinatie met andere maatregelen, ervoor zou zorgen dat vooral de middeninkomens in hun portemonnee werden geraakt en de hoogste inkomens per saldo minder hoefden te betalen. De vergissing werd snel rechtgezet door Rutte, maar het zette wel de toon van het debat. Als we kijken naar de overgebleven maatregelen zien we dat we niet echt kunnen spreken van het een evenredig profijt van de overheid. De rijken hebben nog steeds voordeel, vooral door het nieuwe stelsel van belastingen. De hypotheekrente wordt weliswaar ingeperkt maar via de arbeidskorting en de heffingskorting gaan juist de tweeverdieners met een hoog inkomen (boven de 94.000 per jaar) erop vooruit. Tweeverdieners met een laag inkomen (onder de 32.900) en een midden-inkomen (tussen de 32.900 en 65.800) gaan er echter op achteruit ten opzichte van het originele regeerakkoord. Daarnaast zorgen maatregelen als de versobering van de WW uitkering en de versoepeling van het ontslagrecht ook niet voor een gunstigere positie van de armen. Van rechttrekking van de denivellering is dus nog niet echt sprake. Volgens verschillende berekeningen zullen de maatregelen ook niet zorgen voor economische groei aangezien het totaal pakket aan bezuinigingen de nivellering te niet doet. Van echte solidariteit kunnen we, naar mijn mening, niet spreken. Zolang men denkt dat het om een vorm van liefdadigheid gaat zal er nooit een goed beeld bestaan van nivellering. De basis ligt uiteindelijk in het idealisme achter een dergelijke maatregel, daar zou een beroep op gedaan moeten worden. Solidariteit zou iets moeten zijn wat iedereen nastreeft en waarvan iedereen zich beseft er belang bij te hebben. De maatregelen vanuit de overheid horen daarbij aan te sluiten en op die manier uitgelegd te worden. De schouders ophalen en zeggen ‘ach jongens, iedereen zal moeten bezuinigen’ is naar mijn mening niet voldoende. De politiek zou een moraal moeten uitdragen die meer om het lijf heeft dan ‘je moet elkaar iets gunnen’.

SOAP 33


OPINIE

Miriam van Voornveld

Verjaringstermijnen en ziekteprognoses: invloed van genetica op tijd Hoeveel tijd kunnen we aan? – interview met Hans Harbers

H

ans Harbers werkt op dit moment als Universitair Hoofddocent Filosofie van Wetenschap, Technologie & Samenleving aan de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen, maar is socioloog van oorsprong. In 1971 begon hij aan zijn studie sociologie, waaraan hij 1989 promoveerde. Daarnaast was hij actief als redacteur van SoAP en tijdens het college van Filosofie van Wetenschap, Technologie en Samenleving deed hij een interessante uitspraak over genetica: “Genetica speelt met tijd”. Reden genoeg voor een goed gesprek! Genetica speelt met tijd. Door middel van prenatale genetische diagnostiek kan er tegenwoordig al een blik op de toekomst worden geworpen. Hiermee kan worden vastgesteld wat de kans is dat een ongeboren kind voor zijn/haar vijftigste borstkanker krijgt. Ook kan er met DNA technieken worden gekeken hoe groot het risico is dat een persoon bijvoorbeeld darmkanker krijgt. Door dit soort uitspraken kunnen mensen bepaalde diëten toepassen, preventieve onderzoeken doen en een andere levensstijl aannemen. Een mogelijk toekomstig probleem wordt op die manier omgezet in een probleem dat nu speelt. Daarnaast zorgen DNA-testen ervoor dat het verleden je kan achtervolgen. Door DNA-testen in rechtspraak kunnen oude zaken weer oplaaien. Helemaal nu de verjaringstermijn in sommige gevallen helemaal is opgeheven. Zaken die voorheen gesloten zouden zijn, kunnen tegenwoordig dankzij genetisch sporenonderzoek weer actueel worden en worden soms zelfs opgelost. DNA bewijs in de rechtspraak en DNA-diagnostiek in de gezondheidszorg trekken het verleden en de toekomst dus naar het heden. Aan de ene kant zijn deze ontwikkelingen in de genetica voor de rechtspraak voordelig. Denk aan de zaak Marianne Vaatstra waar na een grootschalig DNA onderzoek de dader uiteindelijk is achterhaald. Genetica heeft bij het oplossen van deze zaak dus een grote rol gespeeld. Het feit dat we meer grip krijgen op ziektes hoeft ook zeker geen negatieve verandering te zijn. Maar de vraag is: hoeveel tijd kunnen we eigenlijk aan? Hoeveel willen we weten van de toekomst en hoeveel verleden willen we met ons mee slepen? Zoals Hans Harbers het zo mooi verwoordde: “Het bestaan moet een redelijke mate van lichtheid hebben om het dragelijk te houden. Je moet niet te veel tijd op je nek hebben, dan bezwijk je onder de zwaartekracht van al die tijd. Dat verleden dat steeds gerepresenteerd wordt, die toekomst waar je alsmaar rekening mee moet houden. Alles naar het nu trekken is een slecht iets”. Denk maar aan het steeds maar terug kijken in de tijd. Wat is er gebeurd met ‘geen oude koeien uit de sloot halen’? DNA mag tegenwoordig wel oneindig lang houdbaar zijn, maar is die persoon of zijn identiteit nog wel dezelfde? Is een man van 60 nog steeds dezelfde 34 SOAP

man als de 18 jarige die een moord pleegde? Sinds het afschaffen en verlengen van verjaringstermijnen kunnen er zaken worden opgelost, ver nadat het delict überhaupt heeft plaats gevonden. Maar de regering heeft amper rekening gehouden (of allerminst niet eens in overweging genomen) wat het normatieve statement was. “De verjaringstermijn kan normatief gezien maatschappelijke en morele rust opleveren. Noties als vergeten en vergeven, geen oude koeien uit de sloot halen”, aldus Hans Harbers. Wat is er gebeurd met de instelling dat we niet langer achteruit moeten kijken? Dat we opnieuw beginnen en vooruitkijken? Daarnaast zitten er ook negatieve kanten aan het vooruitblikken op ziektes. Wanneer een zwangere vrouw te horen krijgt dat het kind dat ze zal krijgen een grote kans heeft op het syndroom van Down, moet ze binnen enkele weken een besluit nemen over iets wat haar hele toekomst zal beïnvloeden. Wordt het het kind houden of wordt het abortus? Wanneer ze het kind behoudt, kunnen er vragen opspelen als ‘wat als ik toch..’, maar wanneer ze ervoor kiest om abortus te plegen kunnen ook gewetenskwesties een rol spelen. Aan zo’n diagnose zitten heel wat neveneffecten. Daarom zijn er ook mensen die het niet willen weten. De kracht van het niet willen weten. Hans Harbers: “Stel dat we op een gegeven moment zo ver zijn, dat we wanneer we met een kind met het syndroom van Down lopen, we scheef in de Albert Heijn worden aangekeken. Je had toch de keuze om dat niet te laten komen? Moeten wij daar nou aan mee betalen?” Hoe je het ook wendt of keert, de tijd verstrijkt. Hoewel genetica dan met de tijd mag spelen, elke dag wordt je toch een stukje ouder. Daarom tot slot een wijze les van Hans Harbers: Carpe Diem. Pluk de dag, en dan vandaag!


Dieko Bakker & Michelle Ruwen

OPINIE

T N U P T TWIS De Pil Van Drion

M

isschien heeft u er al wel een keer van gehoord: de zelfdodingspil, oftewel de pil van Drion. Er is al vaak discussie over geweest in de media en andere instanties. H. Drion is de discussie begonnen over de zelfdodingspil op 19oktober 1991, door te zeggen dat er zo’n pil op de markt moet komen. Vanaf daar barstten de discussies en gesprekken los. Zo ook bij ons. We hoorden van een incident dat zich op 28 oktober dit jaar voordeed. Een 59-jarige man uit Zeist kwam aanrijden bij de spoorbomen en zag een vrouw op de rails staan. De man deed een poging haar te redden, maar daarbij kwam de man om en raakte de vrouw zwaargewond. Een paar dagen later overleed de vrouw aan haar verwondingen. Door dit voorval werd de kwestie van de zelfdodingspil weer aangewakkerd. Moet je een zelfdodingspil voor iedereen beschikbaar maken zodat zulke ongelukkige incidenten minder voor gaan komen? De pil werkt namelijk als volgt: je neemt eerst de eerste pil, daarna heb je een paar dagen bedenktijd en dan neem je de tweede pil, waarna je op een humane manier sterft. De man die de pil heeft ontwikkeld, H. Drion, geeft zelf aan dat de pil alleen bedoeld is voor mensen boven de 75 jaar, die eigenlijk wel ‘klaar zijn met leven’. Maar sommigen willen deze pil voor elk huishouden beschikbaar maken, zodat ook mensen van andere leeftijden beschikking hebben over de pil van Drion. Er zijn discussies gaande of er niet in elk huishouden zo’n pil aanwezig moet zijn. Vandaar ook dat dit twistpunt gewijd is aan het onderwerp: de zelfdodingspil. Onze redacteuren Michelle en Dieko geven hun ongezouten mening

Naar mijn mening maakt zo’n zelfdodingspil het wel erg makkelijk om zelfmoord te plegen. Als ze deze pil in elk huishouden aanbieden, en een persoon zit na te denken over zelfdoding, is de stap tot zelfdoding veel kleiner dan zonder deze pil. De pil zorgt ervoor dat je geen pijn hebt en rustig wegzakt, en daardoor is de kans groter dat de persoon toch wordt overgehaald om (op deze manier) zelfmoord te plegen. Het is dan ook naar mijn mening een enorm slecht idee om deze pil in elk huishouden aan te bieden. Stel je voor dat een persoon in een financieel slechte situatie zit. Dat komt aannemelijk vaak voor, vooral nu met de economische crisis. Als deze persoon dan ook nog in een slechte periode van zijn leven zit, kan hij depressief worden en zelfdoding gaan overwegen. Als de stap naar zelfdoding zo klein wordt gemaakt, gaan de mensen met bosjes het graf in door die pil. We willen natuurlijk niet hebben dat er om - even overdreven gezegd - een koud bakje koffie al zelfmoord gepleegd wordt.

Moet er, voor wie dat wil, een pil komen waarmee iemand zijn of haar eigen leven kan beëindigen? Iedereen heeft naar mijn idee het recht om alle beslissingen over het eigen leven te nemen zolang die beslissingen geen gevolgen voor anderen hebben. Er is geen geldige reden om tegen iemand die alleen op de wereld is, die alleen rekening hoeft te houden met zichzelf, te zeggen dat hij niet mag bepalen of hij verder wil leven. Het uitgangspunt bij het beantwoorden van de bovenstaande vraag moet dan ook zijn dat jezelf het leven benemen mag; in elk geval in de omstandigheid dat anderen daar geen last van hebben. Wat dit probleem zo lastig maakt is dan ook dat zelfdoding wel gevolgen heeft voor anderen. Sterker nog, het is voor iedereen in de omgeving van het slachtoffer een erg ingrijpende ervaring. De beslissing om zelfmoord te plegen is een beslissing die je niet alleen voor jezelf maakt maar ook voor je familie, je vrienden en je collega’s. Zij moeten er na je overlijden mee leven dat je er niet meer bent. De vraag is dan, maakt de invoering van een zelfdodingspil deze pijn erger?

SOAP 35


OPINIE

Dieko Bakker & Michelle Ruwen

Ik denk dat het mogelijk is om een zelfdodingspil legaal te maken en ervoor te zorgen dat de pijn die anderen moeten ondergaan minder wordt. Een legale, pijnloze en schone manier om te sterven, maakt zelfdoding bespreekbaar. Het haalt het taboe van zelfmoord af waardoor het hopelijk minder vaak voor zal komen dat een familie totaal verrast wordt door de zelfmoord van bijvoorbeeld hun zus, vader of zoon. Het maakt de dood zelf ook aangenamer voor de omgeving. De familie en vrienden kunnen een laatste bezoek brengen aan een ongeschonden lijf van iemand die vreedzaam gestorven is, in plaats van een kluwen aan lichaamsdelen dat van het spoor geschraapt is. De machinist en de conducteur die het schrapen moesten doen, worden ook veel leed bespaard. Een zorg is wel dat door een kleiner taboe op zelfdoding, indien de drempel om een einde aan je leven te maken lager wordt, het aantal zelfdodingen misschien wel toe zal nemen. Dit effect, als het bestaat, moet afgewogen worden tegen de positieve effecten die ik besproken heb. Een probleem hierbij is dat het legaliseren van zelfdoding nog nooit is ingevoerd; er zijn geen gegevens over dit soort vragen.

DISCUSSIE Stel je voor, er is een hypothetisch geval waarin duidelijk is dat iemand onherstelbaar klaar is met het leven en dat deze persoon geen naasten meer heeft die hem of haar in leven willen houden. Zouden we die persoon dan een pil mogen geven om zelfmoord mee te plegen? Ja. Ik vind dat het beslissen over je eigen leven een keuze moet zijn die je zelf kan maken, zolang je er niet te veel pijn en last voor anderen mee veroorzaakt. In dit geval zijn er geen anderen om pijn en last te krijgen en hebben we het over iemand die zeker weet dat hij of zij dood wil. Dan moeten we dat niet tegen willen houden.

Nee. Als je iemand die dood wil een pil geeft is dat toch een soort goedkeuring van het sterven. Je zou het zelfs een aanmoediging kunnen noemen. We moeten nooit willen dat iemand sterft. Dat iemand sterft is nooit iets goeds, dus we moeten het ook niet goedkeuren door het legaal te maken. Daarnaast, ook als er niemand is die je mist is er altijd nog iemand die je dood vindt.

Ja dat laatste is waar, maar als iemand naar een ziekenhuis of zoiets gaat om die pil in te nemen, zijn de mensen die je dood vinden daarvoor opgeleid en er aan gewend. Dat is beter dan dat iemand je thuis of op straat dood vindt.

Maar dat lijkt me wel heel erg een uitzondering. Als je het precies op die manier zou kunnen regelen mag het, maar dat zal niet vaak gebeuren. En als je dan toch dood moet zijn er ook nog wel andere manieren om dat te doen dan zo’n pil. Je kan ook zelf een zelfdodingspil maken.

Ja, maar die andere manieren zijn vaak bloederig of in elk geval gruwelijk om tegen te komen. Als die mensen nou een legale pil zouden hebben kunnen ze dat de rest van de wereld in elk geval besparen. De meeste mensen die zelfmoord plegen doen dat toch best impulsief, die hebben niet de tijd genomen om zelf de spullen te verzamelen om een zelfdodingspil te maken.

Maar met zo’n legale pil duurt het toch juist dagen voor je dood bent?

36 SOAP


Dieko Bakker & Michelle Ruwen

OPINIE

Ja maar dan kunnen mensen die nu dood willen wel direct wat doen om dood te gaan, de eerste pil nemen. Dan hebben ze de stap alvast gezet. Hopelijk is dat dan genoeg voor ze en kunnen ze dan wachten op de tweede pil, en misschien zelf van mening veranderen.

En is het wel zo dat die zelfdoding impulsief is?

We hebben het opgezocht: het valt eigenlijk best mee met hoe impulsief zelfdoding is. Volgens een rapport van het WHO pleegden in het jaar 2000 wereldwijd 1,1 miljoen mensen zelfmoord. Hiervan deden maar 0,2 miljoen dit zonder plannen te maken. Impulsieve zelfdodingen bestaan dus en zijn niet onbelangrijk, maar dit argument geldt lang niet voor iedereen.

Ik denk dat het zelfs als we er geen zelfdodingen mee kunnen voorkomen de moeite waard is om zo’n pil in te voeren. Er zullen denk ik heel weinig extra mensen sterven door zo’n pil van Drion. De stap om dood te gaan is al zo groot dat nog steeds alleen de meest overtuigde mensen een einde zullen maken aan hun leven. Tegelijk helpt het wel om zelfmoordgevoelens bespreekbaar te maken als we het legaal maken. En al redden we er niemand mee, de mensen die een einde aan hun leven gaan maken doen het met zo’n pil in elk geval op een voor alle andere mensen die er wat mee te maken hebben minder traumatiserende manier.

Ja de zelfdodingen die gebeuren worden er wel schoner van, maar er zullen er ook meer van komen. Het taboe dat nu op zelfdoding zit is juist goed als het sommige mensen ervan overtuigt dat zelfmoord geen goede oplossing is.

CONCLUSIE We zijn het er over eens dat er een heel erg hypothetisch geval is waarin eenzelfdodingspil altijd een goed idee is. Als het gaat om iemand die door niemand gemist wordt, die dood wil en daar nooit meer op terug zal komen, die ook zonder pil een einde aan zijn of haar leven had gemaakt en die de pil neemt op een manier waar degene die hem of haar dood vindt geen trauma aan overhoudt mag het. Over hoe dicht we daarbij in de praktijk in de buurt moeten komen om het acceptabel te maken, en ook over hoe dichtbij het zou lukken om te komen, zijn we het niet eens geworden. Wel vinden we allebei dat het heel interessant zou zijn om te zien wat er nou echt zou gebeuren als een zelfdodingspil ergens als experiment zou worden ingevoerd. Het moet in elk geval zo zijn dat een zelfdodingspil geen extra doden oplevert.

SOAP 37


THE BATTLE OPINIE

Om te vieren dat er nieuwe SoAP-stickers zijn gemaakt is er bij deze Battle weinig tekst. In plaats daarvan was de Battle van deze SoAP: “wie kan de SoAP-sticker op de meest originele plaats plakken?” Lantaarnpalen, informatiebordjes in Indonesië, de wang van het Vrijheidsbeeld, Das Kapital van Marx, waar hangen ze niet?

38 SOAP


OPINIE

N.B.: SoAP is niet verantwoordelijk voor wat derden met onze stickers doen. SOAP 39


Ook een keer iets bereiken in dit leven? Doe mee aan de nieuwste wedstrijd van SoAP. In deze editie staan overal kleine SoAP-logo’s verstopt. Degene die als eerste het goede aantal SoAP-logo’s dat in deze SoAP staat op onze Facebook post, wint een SoAP-pet! Ga op zoek naar DIT logo. Alle SoAP-stickers op de battlepagina tellen niet mee. Alle kleuren logo’s tellen.

Haarscherp drukwerk, tegen de scherpste prijs!

DrukwerkLab.nl

We maken het je gemakkelijk, het logo hieronder telt ook mee! (cadeautje!)

Februari SoAP 2013  

SoAP uitgave 2 februari 2013

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you