Page 1

SINDS 1970 APRIL 2021

Het recht van de sterkste Alumni-editie

Met gastschrijver Frank Hindriks Interview met Arjan Noorlander Scriptieprijswinnaars Columns, essays en meer 1


Sociologisch Antropologisch Periodiek April 2021

Contact Vakgroep Sociologie t.a.v. ‘SoAP’ Grote Kruisstraat 2/1 9712 TS Groningen Commissie 2020-2021 Voorzitter Secretaris Penningmeester Hoofdvormgever Promotor & vormgever Eindredacteur

Geertje op de Hoek Leendert Ekkelboom Joep van Rijn Ineke van Beek Renske Kleefstra Siebren Kooistra

Auteurs Drukkerij Zalsman Groningen Oplage 2200 Verzending Rijksuniversiteit Groningen Lay-out Yasmin Portz SoAP-Logo Thomas Bos Redactie-e-mail soap.redactie@gmail.com Originele foto voorblad Shaun He Originele foto achterblad Dylan Shaw

Rita Smaniotto Lisa Janssen Gadourek scriptieprijscommissie Joep van Rijn Rieneke Dalmolen Roy Krijger Stefan Vos Siebren Kooistra Kees Aarts Gemma Ridder Marleen Rijpkema Gabriël Anthonio Ferdinand Mertens Zoltán Lippényi David Vos Frank Hindriks Rie Bosman Arie Glebbeek Anna van der Meulen Daniël Veennema Franck Fluitman Bauke van der Kooij

Beste lezer, De alumni-editie die voor u ligt, gaat over sterk zijn, over de vraag wie de macht heeft en over waar die macht vandaan komt. De welbekende term ‘survival of the fittest’ komt uit de dierenwereld, waar Darwin het ontwikkelingsproces van allerlei soorten uitploos. Het recht van de sterkste is daar niet zo eenduidig: soms zijn het de kleurrijkste veren, andere keren zijn het juist de schutkleuren, of de spiermassa om naar de top van de ‘apenrots’ te vechten. In onze samenleving is het recht van de sterkste misschien wel net zo min eenduidig. Uiterlijke kenmerken zijn ook van belang in de mensenmaatschappij, maar de stukken van deze editie brengen daarnaast een ander patroon naar voren. Waar de vogels nooit hebben overlegd over welke kleur het mooiste zal worden bevonden, spreken mensen elkaar voortdurend. Het recht van de sterkste blijkt in deze editie vaak een sociale afspraak, waarbij verschillende contexten leiden tot verschillende machtsverhoudingen tussen mensen. Deze editie is alleen mogelijk dankzij de inspanningen van onze redactie. Zij hebben het schrijfwerk geleverd dat deze editie vult met teksten over onder meer fit zijn, afspraken over macht, de zwakkeren en emancipatie. Zij hebben deze editie daarnaast verrijkt met interviews (bijvoorbeeld met niemand minder dan Arjan Noorlander). Tot slot kon de boekbespreking van Rie Bosman en Arie Glebbeek deze alumni-editie ook zeker niet ontbreken. Al onze redactieleden willen wij dan ook hartelijk danken voor hun bijdragen. Alle alumni, vakgroepleden, studenten en andere lezers wensen wij (nog altijd vanuit huis) veel leesplezier toe.

Liefs, de SoAP-commissie 2


VOORWOORD Rita Smaniotto Darwins principe van natuurlijke selectie, ook wel ‘survival of the fittest’, wordt nogal eens misbruikt om onderdrukking en ongelijkheid goed te praten. “Kijk maar naar de natuur,” zo luidt het argument, “daar winnen de sterksten ook van de zwakken”. Slavenhandelaars, grootindustriëlen en fervente vleeseters rechtvaardig(d)en hun gedrag door deze parallel te trekken. Het grootste bezwaar tegen dit argument dateert van ver voor Darwin geboren werd. Op basis van hoe de dingen ZIJN kun je geen conclusie trekken over hoe de dingen ZOUDEN MOETEN zijn. Doe je dat wel, dan maak je je schuldig aan de ‘is-ought fallacy’, zo leert ons de filosoof David Hume. Gelukkig trappen sociologen over het algemeen niet in deze dwaling. Een samenleving waarin het recht van de sterkste geldt impliceert ofwel een wetteloze toestand, ofwel een samenleving waarin verschillen in levenskansen gelegitimeerd zijn. Sociologen houden daar niet van: in beide gevallen is de sociale cohesie - in Gronings jargon: de sociale welvaart - in het geding. Zo kunt u in deze alumnieditie lezen over de uitwassen van de vrijemarkteconomie (zie het artikel over de platformeconomie van Marleen Rijpkema en dat van Siebren Kooistra over de kledingindustrie). Daarnaast zijn er meerdere stukken waarin de mechanismen worden ontleed waardoor ongelijkheid gehandhaafd blijft, variërend van ongelijke schooladviezen voor kinderen van lage versus hoger opgeleide ouders (Lisa Janssen), tot de ‘burgerparticipatiekloof’ (Davis Vos) en het gebrek aan politieke interesse van veel lager opgeleide jongeren (Rieneke Dalmolen). Maar er is nog een ander bezwaar tegen de vergelijking. ‘Het recht van de sterkste’ past bij het beeld van een wereld waarin voortdurend bloed vloeit omdat de sterkeren de zwakkeren als maaltje verorberen dan wel met geweld onder de duim houden. Dat beeld klopt natuurlijk niet: in de natuur is samenwerking wijdverspreid. Denk aan de stokstaartjes die bij een naderend roofdier hun leven in de waagschaal stellen door met waarschuwende kreten de aandacht op zich te vestigen. En denk aan de poetsvissen die doodgemoedereerd rondscharrelen tussen de tanden van hun ‘klanten’. Wat ook genuanceerd moet worden is het beeld van de alpha-aap die zijn positie op het topje van de apenrots in stand houdt door zijn groepsleden genadeloos naar beneden de trappen. De positie van de alpha-aap is louter gebaseerd op fysieke macht, zo is het idee. In het artikel van Frank Hindriks wordt hiertegenover de legitieme of ‘deontische’ macht gesteld. De Nederlandse primatoloog Frans de Waal liet in de jaren ’80 van de vorige eeuw al zien dat macht uitoefenen, ook bij apen, meer is dan je ondergeschikten een pak slaag geven als ze zich niet naar je zin gedragen. Hij wees erop dat veel apensoorten een sterk geformaliseerde staatshiërarchie hebben. Iedere aap weet precies waar hij zich bevindt op de ladder. Via ‘geritualiseerde gedragingen’, zoals vlooien, grijnzen en grommen, wordt die hiërarchie voortdurend geconsolideerd. Interessanter nog is dat een alpha-aap met een stabiele machtspositie opvallend genereus is naar zijn onderdanen: hij beslecht conflicten, biedt troost en staat anderen toe om eerst te eten. Dat is niet verwonderlijk, stelt De Waal, want hij behoudt zijn positie alleen zolang zijn groepsgenoten hem accepteren. Is de statushiërarchie instabiel, dan wordt grof geweld echter niet geschuwd. Na het lezen van de artikelen van Kees Aarts en Gabriël Anthonio zult u constateren dat een succesvolle alpha-aap verdacht veel lijkt op Machiavelli’s idee van een goede heerser. Volgens Frans de Waal is er dus te weinig aandacht voor de affectieve component in de relatie tussen de alpha-aap en zijn onderdanen. “The hierarchy is a cohesive factor, which puts limits on competition and conflict” schrijft hij in zijn beroemdste boek “Chimpanseepolitiek” uit 1982. Paradoxaal genoeg lijkt die affectieve component van macht in de westerse samenleving een steeds kleinere rol te gaan spelen. Zie het essay van Zoltán Lippényi waarin hij zijn zorgen uit over de teloorgang van het relationele contract tussen staat en burger. Tot slot nog een derde bezwaar. ‘Het recht van de sterkste’ is een weinig accurate vertaling van Darwins ‘survival of the fittest’. Nog meer dan de oorspronkelijke term werkt hij verwarring in de hand. Want wat zijn de fitste individuen? Zijn dat de grootste, sterkste, meest dominante individuen? Nee, de fitste individuen zijn de individuen die het beste zijn aangepast aan hun omgeving. Aangezien de omgeving veranderlijk is kan evolutie zomaar een andere richting inslaan. De huidige corona-periode is een mooi voorbeeld van zo’n veranderde omgeving waarin plotseling andere eigenschappen voordelig zijn dan voorheen. Dat laat ook Stefan Vos zien in zijn quasi-evolutionaire perspectief op de student in coronatijd. Als social distancing een blijvertje is zou het zelfs kunnen dat de troostende woorden van Anna van der Meulen, gericht aan de introverten onder ons: “jullie tijd komt nog wel”, bewaarheid worden. 3


Inhoud Marie Jadoha (1907-2001) 34

5 Kansenongelijkheid in het onderwijs Mens & Maatschappij scriptieprijs

Ferdinand Mertens

Lisa Janssen & mede-auteurs

De kracht van de introvert 37

8 Winnaar Gadourek scriptieprijs

Anna van der Meulen

Gadourek scriptieprijscommissie

Crisis van het sociale contract en de 38 misplaatste discussie over vrijheid

10 Interview met Arjan Noorlander

Zoltán Lippényi

Joep van Rijn

Burgerparticipatie laat politieke 40 ongelijkheden niet als sneeuw voor de zon verdwijnen

13 Nieuwe ronde, nieuwe kansen Rieneke Dalmolen

14 Sociale media en criminaliteit: een bewogen relatie

David Vos

De Paradox van ‘‘Het recht van 42 de sterkste’’: Fysieke kracht en deontische macht

Roy Krijger

20 De succesvolle student

Frank Hindriks

Stefan Vos

De Tirannie van Verdienste. Over de 44 toekomst van de democratie. Michael Sandel (2020)

21 Recht en macht in de kledingindustrie Siebren Kooistra

Rie Bosman & Arie Glebbeek

24 Wetten en wapenen Kees Aarts

A strongman by any other name 48

27 Het mysterie van de wisselwinkel

Daniël Veennema

Gemma Ridder

Is zwak het nieuwe normaal? 50

28 Het recht van de sterkste: durfkapitaal, de platformeconomie een ZZP-constructies

Franck Fluitman

Verlengen 51

Marleen Rijpkema

Bauke van der Kooij

30 Het Recht van de sterkste en de Macht van de zwakkeren: Een reflectie op het coronatijdperk met behulp van Machiavelli Gabriël Anthonio

4


Gelijke kansen voor leerlingen met lageropgeleide ouders bij de overgang naar het voortgezet onderwijs? Onderzoek naar schoolloopbanen en perspectieven van beslissers

Lisa Janssen (foto), Gijs Huitsing, Ben ter Beek & Anneke Timmermans 5


Winnaar van de Mens & Maatschappij Masterscriptieprijs 2020

bespreek ik leerkrachten: het self-fulfilling prophecy effect, waardoor leerkrachtverwachtingen kunnen doorwerken in gedragingen en prestaties van leerlingen. Ten derde wordt besproken hoe kenmerken van het Nederlandse onderwijssysteem zoals vroege selectie en stratificatie ongelijkheid verklaren.

Het artikel is een kers op de taart, want mijn eigen schoolloopbaan startte op het vmbo

K

Paarsgewijze matching Vervolgens kon de dataverzameling van start: uit de database van het schoolbestuur werd informatie verzameld van 62 leerlingen met en zonder een leerlinggewicht. Een leerling met een leerlinggewicht wordt gezien als een leerling met achterstanden als één of beide ouder(s) laagopgeleid zijn. Bij een leerling met een leerlinggewicht hebben beide ouders een opleiding onder mbo-niveau. Bij een leerling zonder leerlinggewicht is er wel ten minste één ouder die een opleiding van mbo-niveau of hoger heeft afgerond. In het onderzoek zijn dus twee groepen vergeleken: leerlingen met laagopgeleide ouders en leerlingen met middelbaar- of hogeropgeleide ouders. Verder zijn leerlingen met en zonder leerlinggewicht middels paarsgewijze matching gekoppeld op basis van drie kenmerken: de leerlingen zaten op dezelfde basisschool, ze hebben hetzelfde geslacht, en ze scoorden gelijk op een Cito-rekentoets in groep 7. Door te matchen op een rekenscore verwachtte ik dat leerlingen cognitief gelijk waren.

ortgeleden won ik de Scriptieprijs’20 van het tijdschrift Mens & Maatschappij. Deze scriptie schreef ik ter afsluiting van de Master Sociologie aan de RUG (zie afbeelding). In mijn scriptie onderzocht ik of gelijk-presterende leerlingen uit verschillende sociale milieus gelijke kansen krijgen in de schoolloopbaan van groep 8 tot en met de derde klas. In maart verscheen het artikel dat ik schreef samen met Gijs Huitsing, mijn begeleider tijdens mijn scriptieperiode, Ben ter Beek (O2G2) en Anneke Timmermans.1 Het artikel is een kers op de taart, want mijn eigen schoolloopbaan startte op het vmbo.

Ongelijkheid in de overgang van groep 8 naar de eerste klas Uit de analyse van de kwantitatieve studie (Studie 1) blijkt dat leerlingen met en zonder leerlinggewicht gemiddeld hetzelfde schooladvies kregen. Ook scoorden zij gemiddeld gelijk op de Cito-eindtoets. Je zou daarom verwachten dat deze gelijkpresterende leerlingen met gelijke adviezen ook op hetzelfde niveau in de eerste klas worden geplaatst.

Mijn droom was om mijn schoolloopbaan, de Master Sociologie af te sluiten met een onderzoek naar kansengelijkheid in het onderwijs. Deze kans kreeg ik bij het schoolbestuur Openbaar Onderwijs Groningen. Met het schrijven van het theoretisch kader startte ik met het beschrijven welke actoren en factoren rondom de leerling invloed hebben op zijn of haar kansen. Ten eerste bespreek ik ouders: hun sociaaleconomische positie en verwachtingen. Eén aspect is de informatie-asymmetrie tussen ouders met verschillende opleidingsniveaus en de verschillen in studiekeuzes die daaruit voortkomen. Ten tweede

1

Dat bleek echter niet het geval: leerlingen met laagopgeleide ouders zaten in de eerste klas op een lager niveau dan leerlingen met middelbaar- of hogeropgeleide ouders. Ondanks gelijke prestaties startten ze op een verschillend niveau in de eerste klas. Het verschil dat ontstond bij het adviseringsen plaatsingsproces is een half niveau: leerlingen met laagopgeleide ouders startten gemiddeld rond de kaderberoepsgerichte leerweg en theoretische leerweg (kb/tl). Leerlingen met middelbaar- of

Het artikel is te vinden met de shortDOI https://doi.org/f3qq

6


hogeropgeleide ouders zitten gemiddeld boven dit niveau. In het tweede en derde schooljaar van het voortgezet onderwijs worden de verschillen tussen de twee groepen leerlingen kleiner.

minder weerstand in vergelijking met hogeropgeleide ouders. Dat vo-beslissers soms leidend zijn verklaart mogelijk ook waarom de schooladviezen gelijk waren maar leerlingen op verschillende niveaus in het voortgezet onderwijs terechtkwamen.

Mogelijke verklaringen vanuit de praktijk Als socioloog weet ik hoe belangrijk het is om de waarom-vraag te beantwoorden om vervolgens, indien wenselijk, beleidsimplementaties te formuleren of vervolgonderzoek uit te voeren. Daarom werd de onderzoeksvraag in de kwalitatieve studie (Studie 2) als volgt: Waarom starten gelijkpresterende leerlingen op een verschillend niveau in de eerste klas? Ik ging in gesprek met 19 ‘beslissers’, onderwijsprofessionals die betrokken zijn in de overgang van groep 8 naar de eerste klas. Daarbij probeerde ik helder te krijgen welke factoren beslissers meewegen in deze overgang. Daarbij maakte ik onderscheid tussen twee soorten beslissers: beslissers in het basis/primair onderwijs, po-beslissers, en beslissers in het voortgezet onderwijs, vo-beslissers.

Ten slotte schreef ik aanbevelingen voor het schoolbestuur. Ten eerste het verduidelijken van de rolverdeling tussen po- en vo-beslissers bij de overgang van groep 8 naar de eerste klas. Daarnaast is het relevant om in gesprek te gaan met beslissers: herkennen zij zich in de resultaten van dit onderzoek en achten zij het terecht dat zij ondersteuning van ouders en afwijkend gedrag van leerlingen meewegen? Zijn aanpassingen wenselijk? Verder is het voor vervolgonderzoek nuttig zijn om te kijken naar de overwegingen van lageropgeleide ouders bij de schoolkeuze voor het voortgezet onderwijs. Op die manier wordt ook de rol van ouders duidelijk. Vervolg Ik ben dankbaar dat ik mocht afstuderen met een onderzoek als dit. Ik weet hoe lastig het is om op te stromen, omdat ik zelf heb ervaren hoe ingewikkeld het onderwijssysteem in elkaar zit en in welke mate leerkrachtverwachtingen invloed hebben. In de tweede klas kreeg ik een mentor die hoge verwachtingen had, en deze met me deelde. Hij heeft mijn kansen vergroot en tegelijkertijd heb ik ze gepakt. Ik stroomde op naar vmbo-tl, daarna naar de havo om me verder te ontwikkelen. Deze praktijkervaring in combinatie met mijn sociologische kennis zet ik nu in om kansengelijkheid en sociale inclusie in het onderwijs te bevorderen. Tot en met maart was ik trainee bij de gemeente Groningen in team onderwijs. Nu ben ik werkzaam bij de Gelijke Kansen Alliantie, een programma van het Ministerie van OCW, om op landelijk niveau de kansengelijkheid van jongeren te bevorderen.

Welke factoren nemen beslissers mee? Allereerst nemen zowel po-beslissers als vo-beslissers de mate van ondersteuning van ouders mee. Ouders met een lage opleiding bieden naar verwachting minder ondersteuning. Po-beslissers nemen soms onbewust deze factor mee in de advisering. In tegenstelling tot sommige vo-beslissers, die -expliciet- aangeven dat gebrek aan ondersteuning van ouders kan leiden tot plaatsing op een lager niveau. Een tweede factor die vo-beslissers meenemen in het plaatsingsproces is afwijkend gedrag van leerlingen. Sommige beslissers geven aan dat afwijkend gedrag meer betrokken moet worden bij de formulering van het schooladvies. Het is volgens deze vo-beslissers een reden om leerlingen lager te plaatsen dan de cognitieve prestaties impliceren. Wie beslist? Vervolgens is er ook onderzocht wie van deze beslissers leidend zijn bij het bepalen van het niveau in de eerste klas. Alhoewel het schooladvies, en daarmee de po-beslisser, wettelijk leidend is in de overgang blijkt dit soms niet het geval. Deze beslissers geven aan dat ze terughoudendheid merken bij vo-beslissers. Daarnaast geven vobeslissers aan dat ze soms met ouders in gesprek gaan om leerlingen te plaatsen op een lager niveau. Lageropgeleide ouders bieden daarbij mogelijk

Referentie Janssen, L. A., Huitsing, G., Ter Beek, B., & Timmermans, A. C. (2020). Gelijke kansen voor leerlingen met lageropgeleide ouders bij de overgang naar het voortgezet onderwijs? Onderzoek naar schoolloopbanen en perspectieven van beslissers. Mens & Maatschappij, 96(1), 7-30. https://doi. org/10.5117/MEM2021.1.002.JANS 7


‘‘Een eigen huis een plek onder de zon Alles kan een mens gelukkig maken: Laudatio voor Marilie Odding, winnaar van de Gadourek scriptieprijs 2020 Wie ooit had voorspeld dat René Froger de theoretische basis zou bezingen voor een prijswinnende sociologische scriptie zou voor gek zijn verklaard. De scriptie over geluksgevoelens van dak- en thuislozen die Marilie Odding heeft geschreven lijkt op zijn minst beïnvloed door de Topper die bij alle edities aanwezig was (de geïnteresseerde volger van dit muziekensemble weet dat Gerard Joling in de editie van 2009 ontbrak, maar dit terzijde).

en

van hebben dan een ander. Maar het bijzondere van Oddings scriptie is dat dit uitgangspunt getoetst wordt op een populatie die meestal nauwelijks iets heeft dat van materiële waarde is: dak- en thuislozen.

Het is niet eens een bijzin in het werk van René Froger, maar het refrein van een van zijn grootste hits dat naadloos aansluit op de verklarende thematiek van de scriptie van Marilie Odding. Het gaat specifiek om de volgende regels: “Een eigen huis / een plek onder de zon / en altijd iemand in de buurt die van me houden kon / Toch wou ik dat ik net iets vaker / iets vaker simpelweg gelukkig was / oho”. De kenner ontdekt hier sociologische concepten die zowel in het werk van Odding als Froger centraal staan: geluk, deprivatie en erbij horen (overigens is de tekst voor Froger geschreven door Henk Westbroek, in 1976 afgestudeerd als socioloog – wat de inhoudelijke kwaliteit van de tekst waarschijnlijk grotendeels verklaart).

De uitdagende hoofdhypothese van de scriptie is dan ook dat langdurig dak- en thuislozen even gelukkig zijn als andere Nederlanders, en gelukkiger dan recentelijk dak- en thuislozen. De opzienbarende bevinding is inderdaad dat langdurig dak- en thuislozen even gelukkig zijn als een steekproef van Nederlanders in het algemeen. Beide groepen geven hun leven ongeveer een 6 op een schaal van 1 tot 10. Het blijkt echter dat daken thuislozen die dat recentelijk overkwam minder gelukkig zijn. Zij becijferen hun geluksgevoelens met ongeveer een 5,5. Dit verschil verklaart Odding doordat langdurig dak- en thuislozen aan hun situatie gewend geraken, en hun nieuwe leefsituatie accepteren. De empirische toets van dit veronderstelde mediatie-effect liet echter zien dat er wel een effect is van de acceptatie van hun nieuwe sociale identiteit op geluk, maar dat dit acceptatieniveau niet verschilde voor recentelijk of langdurig dak- en thuislozen.

Allereerst het concept geluk. Meerdere generaties vragen zich net als Froger af waarom we niet iets vaker simpelweg gelukkig zijn. Volstaat de materiële weelde waarin we leven dan niet? In navolging van Froger stelt ook Odding dat de welvaart die ons in de eenentwintigste eeuw omringt, onvoldoende is om onze geluksgevoelens constant te houden. Toch is Odding niet de eerste die het werk van Froger als uitgangspunt neemt en ons een spiegel voorhoudt. Een bestseller als “Happiness: Lessons from a new science” (Richard Layard, 2005, vertaald als “Waarom zijn we niet gelukkig?”) wees al op het belang van een goed referentiekader, en dat geld niet gelukkig maakt, tenzij we er misschien meer

“Is er dan iemand in de buurt om van te houden?” horen we Froger nagalmen. Odding test ook of tevredenheid met sociale relaties effect heeft op geluksgevoelens. En het blijkt dat de vervulling van de fundamentele behoefte om ergens bij te horen inderdaad een sterk positief effect heeft op geluksgevoelens. Dak- en thuislozen vinden de vervulling van die behoefte mogelijk door zich te identificeren met anderen in eenzelfde situatie. Uit gemodereerde mediatie-analyses bleek dan ook dat de kans bestaat dat juist sociaal ontevreden recentelijk dak- en thuislozen hun sociale identiteit in mindere mate accepteren, wat mogelijk leidt tot minder geluksgevoelens. 8


Ondanks het gebrek aan verschillen in geluksgevoelens tussen langdurig dak- en thuislozen is er reden tot zorg. Het afgelopen decennium is het aantal dak- en thuislozen verdubbeld tot vermoedelijk meer dan veertigduizend mensen. De situatie van dak- en thuisloosheid is vaak uitzichtloos, en gaat gepaard met sociale stigma’s, psychische problematiek, verslavingen, en betrokkenheid bij criminaliteit. Deze scriptie laat dan ook zien hoe veerkrachtig de mens is, om ook in deze ongelukkige situatie toch geluksgevoelens te kunnen ervaren.

altijd iemand in de buurt die van me houden kon Een ongelukkige situatie van weliswaar andere orde zijn de omstandigheden waarin deze scriptie is geschreven. De afstudeertrajecten van het mastercohort 2019-2020 kregen in het voorjaar van 2020 een enorme spaak in de wielen door de eerste landelijk ‘lockdown’ als gevolg van de coronapandemie (en op moment van schrijven worstelt ook het studentencohort van 2020-2021 hiermee). Na een jaar zucht Nederland onder alle maatschappelijke en sociale beperkingen. Het interessante is dat Oddings scriptie ook hier zowel verklaring als hulp kan bieden. Tijdens deze pandemie lijkt een deel van de jongeren ondanks alle materiële welvaart steeds somberder en ongelukkiger te worden. Het gemis aan contact met anderen is groot, en de aanschaf van nieuwe spullen kan het gebrek aan sociale contacten niet compenseren. De scriptie van Marilie Odding laat echter zien dat juist acceptatie van onze nieuwe sociale identiteit mogelijk positief kan bijdragen aan onze geluksgevoelens. Marilie, wij willen je van harte feliciteren met het knappe werk dat je hebt opgeleverd in moeilijke omstandigheden. De Gadourek scriptieprijs 2021 komt jou terecht toe. De Gadourek scriptieprijscommissie, Gijs Huitsing Jacob Dijkstra Mark Huisman Rie Bosman

toch wou ik dat ik net iets vaker, iets vaker simpelweg gelukkig was’’ 9


INTERVIEW Het recht van de sterkste in de journalistiek Joep Van Rijn Zoals de lezer ongetwijfeld niet ontgaan zal zijn, is de titel van deze editie ‘Het recht van de sterkste’. Dat deze editie vlak na de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 uitkomt zal ook duidelijk zijn. Deze combinatie leek me een uitstekende gelegenheid om te onderzoeken in hoeverre het recht van de sterkste een rol speelt binnen de politiek én binnen verslaggeving over politiek. Daarom interviewde ik Arjan Noorlander, verslaggever Den Haag voor NOS. Omdat dit interview ongeveer vier weken voor de verkiezingen heeft plaatsgevonden, heb ik geen bespreking van de uitslag.

Arjan Noorlander Bron: Volkskrant

Denk je dat het recht van de sterkste een rol speelt binnen de journalistiek? “Als medium speelt het recht van de sterkste natuurlijk een rol. De NOS is natuurlijk het grootste mediabedrijf van Nederland, met de meeste kijkers en luisteraars op tv en op de radio en we hebben natuurlijk de website en app die heel vaak bezocht worden. En je merkt dat het heel erg helpt dat je van de NOS bent als je iemand wil interviewen of deuren wilt openen die anders dicht blijven. Ik heb natuurlijk zelf ook een naam opgebouwd, maar die deuren gaan niet open als ik niet van de NOS ben. Dus als ik ontslagen word en ik bel een politicus op, dan zegt hij waarschijnlijk ‘bel mijn secretaresse maar….’, of ‘ik probeer wel een afspraak te plannen’. Binnen een bedrijf, zoals de NOS, speelt het recht van de sterkste ook een rol. Binnen de Haagse verslaggeving zijn bijvoorbeeld de duiders, degenen die het nieuws op televisie vertellen, ‘de top van de apenrots’, dus die staan bovenaan de hiërarchie. Dit zijn de mensen met ervaring die al een tijd bij de NOS werken. De verslaggevers, dus de mensen die het verhaal leveren, zijn vaak minder ervaren en zijn vaak nog bezig met naar boven klimmen op de ladder. Dit is ook zichtbaar bij de contacten, dus je ziet dat de contacten op het hoogste niveau, dus met de premier en de vicepremier, heel vaak door de duiders wordt gedaan, terwijl de contacten met Kamerleden veel meer bij minder ervaren verslaggevers liggen. Zo kan ik bijvoorbeeld een appje sturen naar premier Rutte, waardoor ik uit de eerste hand achtergrondinformatie die ik zoek krijg. Maar het is niet de bedoeling dat de hele NOS met hem gaat appen, daar heeft hij geen tijd voor.”

10

Je zei al dat de NOS de sterkste positie heeft binnen de media, maar is er ook een verschil in hoe de berichtgeving werkt over verschillende platforms? “Media gebruiken vaak hun invloed, maar gebruiken ook hun politieke gekleurdheid om verhalen te krijgen. Als de VVD bijvoorbeeld plannen heeft om het autorijden goedkoper te maken, dan zie je dat die vaak in De Telegraaf geplaatst worden, omdat het autorijdend publiek vaak De Telegraaf leest. Maar de plannen van linkse partijen worden vaker in Het NRC of De Volkskrant geplaatst, omdat die kranten meer linkse lezers trekken. Dit doet de NOS niet. Omdat we door de belastingbetaler betaald worden moeten we altijd neutraal zijn. Dus we zullen de plannen van politici altijd van alle kanten belichten en we zullen altijd doorvragen. Dit maakt het nieuws vaak wat minder spannend, maar je merkt aan de omvang van het aantal kijkers en luisteraars dat mensen hier toch behoefte aan hebben. Als er bijvoorbeeld een ramp is gebeurd, of mensen willen weten wat er precies gezegd is, dan zie je dat mensen toch naar de NOS gaan.”


Het recht van de sterkste op het binnenhof Welke bestuurder is nu de sterkste speler, ook vanuit een media oogpunt? “Het is heel simpel wie de sterkste speler is, dat is Mark Rutte. Dat geldt niet alleen voor de media, maar voor iedereen in de politiek. Hij is al tien jaar de premier van Nederland. Dat is toch dé belangrijkste rol in Nederland en hij trekt aan alle touwtjes. Het is natuurlijk ook belangrijk om in de gaten te houden hoe de VVD ervoor staat in de peilingen, en dat is nu beter dan ooit. Mark Rutte is dus onweersproken de machtigste man van Den Haag; als hij iets wil, dan gebeurt het.”

Blijft dat zo?

“Maar het is niet de bedoeling dat de hele NOS met hem gaat appen, daar heeft hij geen tijd voor.”

“Dat blijft spannend. De verkiezingen zijn over vier weken, dus dan zullen we pas een echt antwoord hebben. Toch staat hij er goed voor in de peilingen, dus lijkt de kiezer hem zijn fouten en de kritiek te vergeven. En hij regeert natuurlijk al heel lang, dus veel mensen zien op het moment geen betere keuze. Net voor de coronacrisis zag je dat de VVD historisch laag in de peilingen stond, dus dat mensen de VVD een beetje zat waren. Toen zag je ook dat de machtspositie van Rutte afnam, toen begonnen andere partijen een beetje tegenwicht geven en met andere plannen komen. Maar toen kwam de coronacrisis en dan zie je dat mensen toch weer achter Rutte aan gingen lopen, want dat doe je in crisistijd. ‘Rally around the flag’, zoals Amerikanen dat zouden zeggen, om elkaar heen staan, en om die ene leider. Rutte profiteert hiervan, en je ziet dat zijn macht op andere vlakken ook erg groot is. Dit is iets wat je in elk Europees land terugziet. Mensen vergeven de fouten van hun leider en willen heel graag in hem geloven, omdat ze geen beter alternatief zien. We willen graag een sterke leider die ons uit de crisis haalt, en Mark Rutte speelt die rol. Hij heeft de ervaring, en in persconferenties gaat hij opeens waardig praten, en dan zegt hij opeens ‘landgenoten’ tegen ons, waardoor het heel waardig klinkt. Daar willen we graag in geloven, en dat is wat er gebeurt. Maar als corona begint af te nemen, en mensen gaan weer naar andere onderwerpen kijken, dan zal de kritiek ook weer toenemen. De VVD zal dan dalen in de peilingen en daarmee zal ook de machtspositie van de VVD afnemen en zullen er weer andere lijsttrekkers opduiken die hem harder aanpakken. Het is natuurlijk niet zeker dat dit ook gaat gebeuren, en als de VVD op 17 maart weer wint, zullen ze de komende vier jaar weer machtig zijn. Je ziet ook dat Ruttes tactiek veranderd door de coronacrisis. Rutte gebruikt heel erg de coronacrisis om zijn positie te verdedigen. Hij zegt: ‘Ik doe het al tien jaar, ik doe het in deze crisis, mij kun je het meest vertrouwen, dus stem nog een keer op mij.’ Maar die andere partijen kunnen niet veel meer daar tegenover zetten dan: ‘Nee, je moet mij vertrouwen, niet Rutte. Ook al doe ik het niet al tien jaar, en ook al heb ik niet die ervaring, vertrouw mij alsjeblieft.’ Dat is natuurlijk niet een hele sterke positie. Die partijen willen daar heel graag over in debat met Rutte, maar Rutte zegt dat hij het vooralsnog te druk heeft met de corona-bestrijding, dus dat hij geen tijd heeft voor debatten. En als een tegenstander gaat beginnen over het klimaatbeleid of het jongerenbeleid, dan kan Rutte zeggen: ‘Ik ben corona aan het oplossen, ik ben een crisismanager.’ En veel kiezers denken dan ook: ‘Val die man daar niet mee lastig.’ Dat is het lastige van deze campagne. Maar we hebben nog vier weken, en je ziet altijd dat het de laatste drie weken over hele andere onderwerpen gaat. Je merkt ook dat die politieke tegenstanders daarop inzetten. Rutte gaat volgende week wél met een paar debatten meedoen, dus dan hebben de tegenstanders nog één kans om te laten zien dat ze het beter kunnen. Een soort race naar het einde dus. Rutte zal proberen het beeld van de sterke leider vast te houden, terwijl de andere partijen dit zullen proberen te ondermijnen. Dit kunnen dus nog drie spannende weken worden, waar de debatten erg fel kunnen worden.

Maar is zo’n rechtszaak tegen de avondklok niet een teken dat zijn macht al begint af te brokkelen? “Dat zou je wel denken. Hij is een politicus dus als hij wordt teruggefloten door zo’n rechter, moet hij zich daaraan houden. Het kabinet had dit beter moeten regelen. Toch merk je dat mensen hem dit niet aanrekenen, ze vinden dat dit soort dingen kunnen gebeuren en verwachten dat Mark dit weer zal oplossen. Je ziet dus elke keer dat dit niet blijft plakken, en bij de NOS vragen we ons ook elke keer af of dit dan hetgene is dat hem gaat raken. Ook het debat over de avondklok kan datgene zijn. Elke keer kan het dat mensen hem opeens zat zijn en dat zijn machtspositie begraven wordt, maar tot nu toe is dat niet gebeurd. Er komt natuurlijk vroeg of laat een moment dat mensen hem echt niet meer gaan geloven, dat mensen hem echt zat zijn, en dan is het afgelopen met Rutte.”

11


Wat vind je van peilingen? “Peilingen zijn natuurlijk lastig, want als een partij haar mening uit en ze zien dat ze twee weken later zakken in de peilingen, dan gaan ze datgene wat ze eigenlijk vinden niet meer zeggen, omdat ze bang zijn om hun kiezers te verliezen. En er zijn natuurlijk heel veel peilingen, elke week wel een paar, dus die hebben een veel grotere impact op de politiek dan politici willen toegeven, want die zeggen altijd: ‘Peilingen zijn momentopnames, volgende week zijn ze weer anders.’ Maar stiekem zitten ze er natuurlijk wel naar te kijken. Dat vertroebelt natuurlijk wel het felle debat van standpunten, omdat je geneigd bent je zwakjes aan te passen aan die peilingen. Ze zijn leuk, ze zijn interessant om te zien en ze zijn een goede indicator van hoe de macht ligt, maar het vertroebelt ook het ideeëndebat, en in die zin zijn ze weer minder goed.” Wat denk je over partijpolitieke overwegingen binnen de politiek? “Ik denk dat de partijpolitiek heel belangrijk is. Het grote verschil tussen het bedrijfsleven en de politiek is dat de politiek over idealen, toekomstbeelden zou moeten gaan. Ambtenaren voeren uit, bedrijven verdienen geld, dus daar gaat het minder over de idealen en vergezichten. De politiek is er om over de toekomst met andere politieke partijen in debat te gaan. Dan krijg je een ideeënstrijd. Door dat debat kom je uiteindelijk tot een gezamenlijk toekomstbeeld, en als dat dan een meerderheid krijgt, is dat wat je met je coalitie gaat doen. Er kan dus niet genoeg ruzie en debat binnen de politiek zijn, omdat dan alle standpunten op tafel gebracht worden, en daar probeer je dan uiteindelijk uit te komen, om zo het land verder te brengen. Er is wel angst voor, mensen houden niet van ruzie en mensen willen niet laten zien dat ze het er niet mee eens zijn, want dan zijn ze lastig en dan gaan mensen denken dat ze alleen maar ruzie maken. Maar eigenlijk is die ruzie alleen maar goed, want door tegen elkaar in te gaan kom je tot de beste standpunten. Mark Rutte breekt deze discussies, want zijn strategie, en sowieso de hele maatschappij, is heel erg consensusgericht. Maar dat is niet goed, want zolang je op de inhoud speelt, is een beetje ruzie maken en dan maar zien waar je uitkomt beter.”

“Maar eigenlijk is die ruzie alleen maar goed, want door tegen elkaar in te gaan kom je tot de beste standpunten.” Je zegt dat politiek bedoeld is om een toekomst voor het land te bepalen, maar is het dan wel verstandig om partijen elke vier jaar te laten strijden voor nieuwe stemmers? “Ja, de democratie is lastig, omdat je hiermee de mogelijkheid om langer dan vier jaar aan de toekomst te werken doorkruist. Om echt langdurig beleid te kunnen maken zul je eigenlijk een dictatuur nodig hebben, want een dictator heeft soms twintig tot dertig jaar de tijd om de boel op orde te krijgen, maar het nadeel van een dictator is dat er niets tegenin te brengen is als hij ontspoort. Dus je zou kunnen zeggen dat de democratie van alle slechte opties om een land te regeren de beste is. Het is in ieder geval de meest open versie, de versie waarin de burger de meeste inspraak heeft, alleen is er wel elke vier jaar de kans dat alles omver gegooid wordt, en dat is een groot nadeel aan de democratie. Niets aan te doen.”

12


Nieuwe ronde, nieuwe kansen Rieneke Dalmolen

De verkiezingen komen er weer aan, wat betekent dat we weer volop kunnen genieten van verkiezingsprogramma’s die gepresenteerd worden, politici die hun beste beentje voor zetten in de debatten, en peilingen waar je lang over kunt speculeren. Allemaal erg boeiend, maar als puntje bij paaltje komt bepaalt het aantal stemmen wie ons kikkerland mag gaan regeren. Dat is het uiteindelijke streven van de politieke partijen die Nederland kent. Opvallend is dat er met ieder van de afgelopen verkiezingen meer nieuwe partijen meededen dan met de verkiezing daarvoor. Ook opvallend: Hoe vaak hebben die nieuwe partijen een groot aantal zetels kunnen veroveren? Nu begrijp ik ook wel dat je als nieuwe partij niet zomaar zo groot wordt als een VVD, maar toch heb ik respect voor de ambitie. De waarschijnlijkheid dat je als nieuwe partij überhaupt zetels te pakken kunt krijgen is namelijk vrij nihil. Toch blijven er altijd nieuwe partijen ontstaan die zich bij de grote partijen hopen te voegen. Een nieuwe partij opstarten doe je wanneer je het helemaal niet of nauwelijks eens bent met partijen die al bestaan. Met als uiteindelijk doel om zoveel mogelijk mensen te betrekken bij jouw visie. Een nieuwe partij met andere standpunten dan al bestaande partijen, kan mogelijk mensen aantrekken die dezelfde standpunten hebben. Maar Nederland is een land dat probeert vast te houden aan traditie. Uit een onderzoek van Joris Boonen aan de KU Leuven (2015) blijkt dat ouders veel invloed hebben op de politieke voorkeur van hun kinderen. En dit is terug te zien wanneer er daadwerkelijk gestemd moet worden. Jongeren weten nog niets van de politiek. Ze weten niet welke partij welke standpunten aanhoudt, of gaan er gewoonweg vanuit dat wat hun ouders stemmen de juiste keuze wel zal zijn. En dat is jammer. Niet omdat nieuwe partijen hierdoor geen schijn van kans hebben, maar omdat juist laagopgeleide jongeren hierdoor niet de kans krijgen om te participeren (Herbots & Elchardus, 2010). Politieke participatie hangt namelijk sterk af van zowel het opleidingsniveau als de opvoeding van jongeren. Juist dat maakt dat jongeren later bijvoorbeeld hetzelfde als hun ouders stemmen. Of sterker nog, helemaal niet stemmen. Om dan te kunnen verklaren waardoor het lagere opleidingsniveau van jongeren ontstaat, kom ik weer terug op de ouders. Kinderen die laagopgeleid zijn, hebben dit vaak vanuit huis meegekregen door laagopgeleide ouders (Lott, 2001). En aangezien laagopgeleiden minder politiek participeren worden jongeren niet genoeg geïnformeerd over de politiek op jongere leeftijd. Laat staan dat ze geprikkeld worden om interesse in de politiek te tonen op latere leeftijd. Hierdoor is de kans groter dat jongeren stemmen op een partij die eigenlijk niet past bij hun standpunten. Uiteraard zijn het niet alleen de jongeren die bepalen wie er zetels bemachtigen. Maar de jongeren zijn wel het startpunt voor volgende generaties. Je politieke voorkeur kan namelijk veranderen. En de enige manier waarop je daar achter komt is door meer interesse te tonen in de politiek en erin te participeren. Uiteindelijk zijn wij het die moeten gaan bepalen wie plaatsneemt in de Tweede Kamer. Alleen aan de hand van onze stemmen komt er een regering. Wij zijn de sterksten, en hebben het recht om te bepalen wie ons kikkerland mag gaan leiden.

Referenties

Hooghe, M., & Boonen, J. (2015). The intergenerational transmission of voting intentions in a multiparty setting: An analysis of voting intentions and political discussion among 15-year-old adolescents and their parents in Belgium. Youth & Society, 47(1), 125-147. https://doi.org/10.1177/0044118x13496826 Herbots, S., & Elchardus, M. (2010). De groei van jongeren naar democratisch burgerschap en de verschillen naar onderwijstype. Pedagogiek, 30(1), 75-93. Lott, B. (2001). Low-income parents and the public schools. Journal of Social Issues, 57(2), 247–259. https://doi.org/10.1111/0022-4537.00211 Lucas George Wendt

13


Sociale media en criminaliteit: Een bewogen relatie Roy Krijger

S

ociale media hebben een onmisbare rol gekregen in onze samenleving. WhatsApp heeft SMS bijna volledig vervangen. Een krant is al snel ingeruild voor een IPad of tablet. Via Skype is het mogelijk om iemand aan de andere kant van de wereld te spreken en Instagram en Facebook laten voortdurend zien waar ons (sociale) netwerk zich mee bezighoudt. Er kunnen werkafspraken ‘op afstand’ worden gehouden, het is niet meer noodzakelijk om voor informatie naar de bibliotheek te gaan en het is eenvoudig om snel in contact te komen met anderen. Sociale media maken dingen mogelijk die eerder lastig of onmogelijk waren.

Het organiserende vermogen van de samenleving lijkt in een stroomversnelling te zitten.

Het ‘theatrale’ leven verplaatst zich gedeeltelijk naar een online omgeving waar individuen zich vaak beter voordoen dan dat ze daadwerkelijk zijn.

Sociale media hebben ook een bijdrage geleverd aan de enorme opkomst van burgerinitiatieven. Steeds vaker is op te merken dat mensen in actie komen op het moment dat een maatschappelijk probleem zich voordoet. Via onlinekanalen worden grote groepen mensen opgeroepen om actie te ondernemen tegen een problematische situatie. Daarnaast kunnen sociale media ervoor zorgen dat een onderwerp onder de aandacht wordt gebracht en dat burgerbewegingen voor dit onderwerp op gang worden gebracht. Zo hebben sociale media het verhaal achter de Black Lives Matter beweging wereldwijd weten te verspreiden. Het organiserende vermogen van de samenleving lijkt in een stroomversnelling te zitten. Echter, deze ontwikkeling heeft ook nadelige gevolgen. Naast het feit dat sociale media kunnen worden ingezet voor positieve doeleinden, worden sociale mediakanalen ook ingezet voor kwaadwillige doeleinden. De laatste jaren, en zeker afgelopen jaar, is dit steeds duidelijker naar voren gekomen. De ‘Coronazomer’ van 2020 was een rumoerige periode waar meerdere rellen in verschillende steden hebben plaatsgevonden. Een opvallende constatering bij deze rellen was de rol die sociale media hadden bij de totstandkoming. ‘Relvloggers’ riepen op om te komen rellen en via sociale mediakanalen werd gecommuniceerd over de uitvoering. Hetzelfde was te herkennen tijdens de ‘avondklokrellen’. Sociale media lijken dus van invloed te kunnen zijn op het ontstaan van crimineel gedrag. Momenteel worstelen autoriteiten om een passend antwoord te vinden. In dit essay wordt de rol van sociale media op de risicofactoren van (jeugd)criminaliteit beschreven. Veel invalshoeken zijn van toepassing op zowel jeugd- als volwassenencriminaliteit. Hier en daar wordt een korte toespitsing gemaakt naar jeugdcriminaliteit. Ten eerste wordt er gekeken naar de inhoud van de content op sociale media en de invloed daarvan op onze ‘virtuele maatstaf’. Ten tweede wordt er beschreven welke invloed sociale media hebben op het wegvallen van sociale kaders en welke invloed sociale media hebben op onze zelfcontrole. Daarop volgt nog een conclusie.

14


Een eerdere waarschuwing van sociologische grondleggers

al., 2014). Dit kan op twee manieren: (1) opwaartse en (2) neerwaartse vergelijking. Bij de eerste vorm vergelijkt een individu zichzelf met ‘superieure’ mensen met positieve kenmerken. Bij de tweede vorm vergelijkt een individu zichzelf met ‘inferieure’ mensen met negatieve kenmerken. Op sociale media zijn mensen meer geneigd om zichzelf opwaarts te vergelijken met anderen (Roberts et al., 2014).

Émile Durkheim (1858-1917), één van de grondleggers van de sociologie, heeft zich onder meer bekommerd over modernisering en heeft daarbij sociale cohesie als uitgangspunt genomen. Durkheim stelde dat menselijk gedrag wordt gereguleerd door de gemeenschap waarin het individu zich bevindt. Menselijk gedrag wordt niet alleen door materiële (economisch rationele) Het type posts dat meestal te vinden is op sociale contexten gevormd, maar ook door iets wat iemands mediakanalen zijn posts over iets leuks dat iemand bewustzijn overstijgt: de gemeenschap. Mocht deze heeft meegemaakt. Informatie over minder leuke gemeenschap wegvallen, dan valt daarmee ook het situaties wordt vaak buiten beschouwing gelaten kader voor menselijk gedrag weg terwijl een individu (Pempek et al., 2009). Individuen presenteren zich wel een behoefte heeft aan een dergelijk kader. veelal positiever dan de realiteit is en willen een Snelle maatschappelijke veranderingen kunnen beeld creëren waaruit duidelijk wordt dat ze ertoe dit kader doen vervagen, waardoor verlangens doen en dat ze worden geaccepteerd door anderen. Dit staat ook wel bekend als de selfonbereikbaar en ongelimiteerd worden presentation bias (Igoe & Sullivan, (Durkheim, 1897). Op deze manier kan De moderne 1993). Sociale media zijn hiervoor een er normonzekerheid en normloosheid, cultuur is uitgelezen mogelijkheid. ook wel anomie genoemd, ontstaan. gericht op het presteren en doet Het gevolg is dat mensen zich steeds aan Merton nam de interesse van Durkheim voortdurend het vergelijken zijn met onrealistische in het ontstaan van anomie over. Merton een beroep op voorstellingen van anderen. Socioloog stelde dat de Westerse samenleving het ‘scorende Goffman omschreef het leven vanuit een overmatig veel nadruk legt op het vermogen’ van dramaturgisch perspectief: het leven bereiken van materiële welvaart en een een individu. kan worden gezien als een voorstelling hoge sociale status (Junger et al., 2011,

waarin individuen bepaalde, en p. 158). De moderne cultuur is gericht meerdere, rollen vervullen en derden op het presteren en doet voortdurend Niks mis mee zou het publiek zijn (Van Ostaijen, 2020). een beroep op het ‘scorende vermogen’ je zeggen. Het probleem van de berichten op van een individu (Van Ostaijen, sociale media kan in de geest van 2020). Niks mis mee zou je zeggen. Goffman als volgt worden omschreven: Maar wat als individuen niet kunnen voldoen aan dat beroep op het scorende vermogen? “We doen ons op de frontstage beter voor dan De kans is aanwezig dat er dan anomie ontstaat. dat we op de backstage daadwerkelijk zijn”. Het Anomie ontstaat volgens Merton namelijk als er een ‘theatrale’ leven verplaatst zich gedeeltelijk naar een discrepantie is tussen de (culturele) doeleinden en online omgeving waar individuen zich vaak beter de legitieme middelen om deze doelen te bereiken voordoen dan dat ze daadwerkelijk zijn. (Junger et al., 2011). Zowel Durkheim als Merton komen tot de conclusie dat de omgeving waarin een De enorme groei van de rol en het gebruik van individu zich bevindt van invloed is op individueel sociale media in onze maatschappij zou Durkheim gedrag. Wat heeft dit te maken met sociale media en naar alle waarschijnlijkheid zorgen baren. De de invloed op het ontstaan van (jeugd)criminaliteit? kaders voor het menselijk gedrag zijn grotendeels Het antwoord hierop kan worden gevonden in de verdwenen op sociale media. Overal kan informatie zogenoemde ‘toneelvoorstelling’ van de sociale worden gevonden en sociale media staan vol met de media: het gebruik van sociale media en de inhoud onrealistische voorstellingen van andere spelers in onze samenleving. Al deze positieve berichten zorgen van posts. voor een ‘nieuwe (virtuele) maatstaf’. Verlangens Sociale media maken het mogelijk om verbonden kunnen hierdoor onbereikbaar worden. Eigenlijk lokt te zijn met anderen en sociale interactie te de content van sociale media ons uit om te blijven onderhouden. Opvallend is dan ook de constatering streven naar een betere rol in de toneelvoorstelling dat het merendeel van de gebruikers meer tijd van sociale media. Onderzoek bevestigt de rol van besteedt om andere mensen te bekijken, dan om media in het presenteren of het benadrukken van zelf berichten te plaatsen (Pempek et al., 2009). dit soort positieve beelden. Dit soort beeldvorming Deze constatering kan worden gekoppeld aan sociale scherpt de relatieve deprivatie aan en het verhoogt vergelijking. Individuen hebben een innerlijke drang de druk om zelf ook dergelijk materieel succes te om zichzelf te vergelijken met anderen (Roberts et behalen (Cullen & Messner, 2007; Rock, 2002). 15


Echter, op een gegeven moment komt de ‘functiebeschrijving van de rol’ buiten individuele mogelijkheden te liggen waardoor verlangens onhaalbaar worden. De kans op het ervaren van een discrepantie tussen doeleinden en legitieme middelen om deze doelen te behalen, zoals Merton beschreef, zal hierdoor groter worden. Daarmee wordt de kans op het ervaren van anomie ook groter. Deze ervaring kan zorgen voor het ervaren van een innerlijke frustratie, of zoals Merton dit noemt: strain (Junger et al, 2011). Het ervaren van strain kan een aanleiding zijn om via illegale (criminele) middelen de doeleinden te behalen die we voorgeschoteld krijgen op sociale media.

crimineel en antisociaal gedrag. Hierbij worden langetermijnuitkomsten geprefereerd boven kortetermijnbevrediging. De opkomst van het internet en de sociale media zet deze zelfcontrole onder druk. Kenmerkend voor de 21e eeuw is de informatisering binnen onze samenleving (CPB & SCP, 2000). Met informatisering wordt gedoeld op de maatschappelijk sociale ontwikkeling dat we als samenleving (permanent) online leven (Pleysier et al., 2011, p. 31). (Bijna) alles is tegenwoordig online te vinden. Van welke ingrediënten je nodig hebt voor je avondmaal tot hoe je een bom zou kunnen maken. Daarnaast worden voornamelijk leuke dingen uit het leven gedeeld in de hoop op sociale erkenning en gedragsbevestiging. Sociale media spelen met haar informerende en sociaal verbindende karakter een grote rol in de informatisering van de samenleving. Dergelijke maatschappelijke ontwikkelingen zorgen ervoor dat sociaal-normatieve kaders totaal veranderen. Socioloog Bauman omschrijft dit als liquid modernity: contexten worden onoverzichtelijker, normen onduidelijker en identiteiten flexibeler (Pleysier et al, 2011). Door het vervagen van contexten doet deze maatschappelijke ontwikkeling een voortdurend beroep op onze zelfcontrole (zie figuur 1). Misschien wel meer dan vroeger als er wordt gekeken naar het online aanbod.

Kortom, een individu heeft behoefte aan een kader waarbinnen het gedrag plaatsvindt. Eenieder heeft een behoefte aan een bepaalde mate van sturing omdat behoeften en verlangens anders ongelimiteerd en onbereikbaar kunnen worden. De massale opkomst van sociale media heeft dit kader doen vervagen. Daarbij zijn berichten op sociale media vaak gericht op positieve dingen uit het leven. Doordat mensen zichzelf veelal opwaarts vergelijken met anderen op sociale media wordt de kans groter op het ervaren van strain. Een oplossing om met strain om te gaan is om via een illegale weg de doeleinden te bereiken. Een onrealistische voorstelling op de frontstage kan zodoende leiden tot criminele besluiten op de backstage.

Daarbij is het zo dat in de online samenleving veel sneller individuele behoeften kunnen worden vervuld dan in de ‘echte’ samenleving. Met bijvoorbeeld een foto op Instagram wordt binnen no-time een groot aantal likes binnengehaald en via Facebook is een vriend sneller gemaakt dan in het echt. Terugkerend in de ‘echte’ samenleving moet er vaak veel meer moeite worden gedaan om de innerlijke behoeften bevredigd te zien worden. Op deze manier kan er een discrepantie ontstaan tussen de online en offline bevrediging, die ervoor zorgt dat we blijven grijpen naar de online middelen. Ook bij kinderen en jongeren kan dit het geval zijn. Hierdoor bestaat de kans dat zij steeds verder uit het zicht raken van hun ouders in de offline wereld. Dit terwijl juist ouders een belangrijke, al dan niet de belangrijkste, factor zijn om kinderen normen en waarden én zelfcontrole aan te leren (Gottfredson & Hirschi, 1990).

Gevangen in een escalerende bubbel zonder zelfcontrole

Vorige paragraaf werd afgesloten met de veronderstelling dat bepaalde voorstellingen op de frontstage kunnen leiden tot crimineel gedrag op de backstage. In deze paragraaf wordt er ingegaan op de vraag waarom niet iedereen solliciteert naar een criminele rol en waardoor sommigen wel de criminele rol willen. Hirschi stelde de vraag waarom mensen géén crimineel gedrag vertonen. Zijn antwoord hierop was dat de mate van zelfcontrole een leidende factor is om de verleiding van criminaliteit te weerstaan (Gottfredson & Hirschi, 1990). Zelfcontrole kan worden omschreven als de weerbaarheid van een individu om zich te onthouden van

Figuur 1: Baumans liquid modernity.

16


Een lage zelfcontrole is volgens deze redenatie dan avondklokrellen aan het begin van dit jaar. Toezicht ook te wijten aan een gebrekkige opvoeding. Hirschi en controle werd vervangen door sociale ophitsing en Gottfredson onderscheiden vier factoren die van rellende jeugd. Via kanalen als Snapchat en bepalend zijn voor het aanleren van zelfcontrole: Telegram wisten grote groepen jongeren elkaar te (1) de mate waarin ouders geven om hun kinderen bereiken en spraken zij, net zoals bij de ‘Coronaen binding met hun kinderen hebben, (2) de mate rellen’ afgelopen zomer, af om te gaan rellen. Er waarin ouders gedrag van kinderen monitoren en werd opgeroepen om vrienden mee te nemen en controleren, (3) de mate waarin ouders inzien dat als het kon ook vuurwerk of zelfs molotovcocktails kinderen ‘verkeerd’ gedrag vertonen en (4) de mate (Grosfeld, 2021). (Jeugd)groepen uit verschillende waarin ouders kinderen bestraffen steden moesten elkaar ‘overtreffen’. In een voor het verkeerde gedrag privégroep op Telegram van Rotterdamse Vroeger spraken (Gottfredson & Hirschi, 1990). Nu jongeren werden berichten gestuurd als kinderen af de online platforms haar intrede ‘We moeten viraal gaan. We gaan ** met vriendjes hebben gedaan in de samenleving Rotterdam domineren’ (Oosterom, 2021). uit hun klas spelen niet alleen ouders een In plaats van dat dit gedrag werd afgekeurd en wisten de grote rol in het socialisatieproces, werd het bevestigd en beantwoord. Dit werd ouders vaak maar lijken ook online platforms pijnlijk duidelijk tijdens de avondklokrellen waar ze waren. te fungeren als een (relatief waar tijdens livestreams punten uit werden nieuw) referentiekader. gedeeld aan de relschoppers Misschien zelfs het meest (Grosfeld, 2021). Doordat Nu is het voor invloedrijke referentiekader. Dit nieuwe (jeugd)groepen elkaar ophitsten kinderen mogelijk referentiekader maakt het voor ouders ontstond er een vicieuze cirkel om via de online een stuk lastiger om het gedrag van die steeds verder escaleerde. Ook platforms in contact kinderen te monitoren en mogelijk te het organiserende vermogen te komen met bestraffen. van dit soort groepen is enorm contacten waarvan toegenomen. Waar het vroeger de ouders soms het Het is eenvoudig en het kost vaak weken duurde om rellen als deze bestaan niet eens niets om een account aan te maken op voor te bereiden, wordt nu met weten. bijvoorbeeld Facebook, of Snapchat. een oproep in één keer een grote Eenmaal binnen deze online platforms massa bereikt. Sociale media is er allerlei soorten informatie te vinden en kan er bieden een podium aan eenieder om content te contact worden gelegd met wie je maar wilt. Vroeger plaatsen en hebben vaak een gebrekkige of trage spraken kinderen af met vriendjes uit hun klas controle op de inhoud. en wisten de ouders vaak waar ze waren. Nu is het voor kinderen mogelijk om via de online platforms Een bijkomend gevaar is de algoritmiek achter in contact te komen met contacten waarvan de de online platforms. In de documentaire “The ouders soms het bestaan niet eens weten. Als Social Dilemma” (Orlowski, 2020) is te zien dat kinderen vroeger een programma wilden bekijken, dit soort gratis platforms enkel uit zijn op de dan moesten zij dit vaak voor de televisie in de schermtijd van gebruikers en dat zij persoonlijke woonkamer bekijken. Nu is het mogelijk om achter informatie gebruiken voor andere doeleinden, zoals een laptop, mobiel, tablet of welk beeldscherm dan advertenties. “Als je op een gratis platform zit en ook programma’s te bekijken. je weet niet precies wat het product is, dan ben je waarschijnlijk zelf het product” (Orlowski, 2020). In dit online tijdperk is het vele malen makkelijker Alles wat een gebruiker op deze platforms doet om met mensen in contact te komen en video’s te wordt bijgehouden: welke foto’s er worden geliket, bekijken. Dit geldt ook voor de ‘verkeerde’ mensen met wie de persoon bevriend is en hoelang er naar en voor ‘verkeerde’ video’s, zoals het geval was bij een foto wordt gekeken. Het gaat dit soort platforms de avondklokrellen. De opkomst van het sociale er vooral om dat gebruikers content te zien krijgen mediagebruik onder jeugdigen maakt het voor de waar ze geïnteresseerd in zijn, of eigenlijk content ouders dus lastiger om te voldoen aan de factoren waarvan algoritmes denken dat zij er geïnteresseerd voor het ontwikkelen van zelfcontrole (Gottfredson in zijn. Dit allemaal om gebruikers zo lang mogelijk & Hirschi, 1990). Sociale media zijn immers vaak te binden aan het scherm. Op deze wijze worden vrij toegankelijk en overal bereikbaar. Ook buiten gebruikers in een online ‘bubbel’ gehouden. de woonkamer waar ouders minder of geen zicht en controle hebben. Doordat gebruikers in een soort ‘bubbel’ worden gehouden, wordt hun beeld van de wereld steeds De negatieve openbare invloeden van sociale media bevestigd. Gebruikers met ander klikgedrag krijgen waren pijnlijk te herkennen in de dynamiek van de hele andere content te zien. In de bubbel zit niet 17


Conclusie

enkel ‘echt’ nieuws maar ook fake news. Doordat gebruikers in hun eigen bubbel leven en hier steeds opnieuw in worden bevestigd is het lastig om echt van fake te onderscheiden. Door de sociale bevestiging in de bubbels worden gebruikers niet tegengesproken. In de echte wereld is dan ook te zien dat dit soort platforms bijdragen aan de polarisatie van de samenleving waarbij verschillende groepen in de samenleving, of eigenlijk verschillende online bubbels, steeds vaker tegenover elkaar komen te staan. In de documentaire is te zien hoe dit momenteel gebeurt met enkele complottheorieën over het coronavirus en de daaruit voortvloeiende gewelddadige demonstraties. In een online bubbel wordt verkeerd gedrag niet bestraft en waarschijnlijk niet eens gemonitord. In deze bubbel is het dan ook haast onmogelijk om zelfcontrole te ontwikkelen. Een gebruiker van een dergelijk platform bevindt zich immers onder gelijksoortigen die sociale controle doen vervangen in sociale bevestiging. Was dit ook niet zichtbaar tijdens de avondklokrellen? Een kritische waardendiscussie blijft hierdoor uit, terwijl deze discussie juist van groot belang is om normoverschrijdend gedrag tegen te gaan (Van Ostaijen, 2020). Gedrag wordt op sociale media nauwelijks gemonitord of bestraft waardoor zelfcontrole op koers ligt om de grootste verliezer te worden van de opkomst van het krachtige fenomeen ‘sociale media’.

In dit essay zijn twee invalshoeken besproken die ingaan op de invloed van sociale media op de risicofactoren van criminaliteit. Kortgezegd gingen deze over het ontstaan van een strain door een onrealistische voorstelling op sociale media en over het continue beroep op zelfcontrole. De beschreven verklaringen laten enkel zien dat sociale media van invloed kúnnen zijn op het ontstaan van crimineel gedrag. Natuurlijk betekenen deze verklaringen niet dat sociale media van iedereen een crimineel maken. Het kan ons ook krachtiger maken míts de juiste balans wordt gevonden. Zo moeten niet alleen beelden van de pop-up rellen een ‘hot topic’ zijn. Juist de beelden van de weerstand zouden een ‘hot topic’ moeten zijn. Een vergelijkbare trend met de pop-up rellen in Nederland van afgelopen zomer was in 2011 zichtbaar in Londen (Oltman & Levintova, 2011). Ook daar zorgden vooral jeugdige groepen voor rellen en veel schade. Echter, tijdens deze rellen was er een bijzonder omslagpunt in de kracht van sociale media te herkennen. De trending hashtag #Londonriots werd ingeruild voor #Riotcleanup (Klok, 2012). Buurtbewoners, winkeliers en medewerkers namen het heft in eigen handen. Honderden mensen maakten onder andere de straten schoon en repareerden beschadigingen net zolang totdat de rellen ophielden. Met deze maatschappelijke tegenreactie gaf de gemeenschap een signaal af dat de rellen niet thuishoren in de samenleving. Een ontwikkeling die hiermee in de uitgangspunten van de Broken Windows theorie past (Klok, 2012). Sociale controle hoeft dus niet te verdwijnen, maar kan ook opbloeien op sociale media. Het voorbeeld in Londen laat duidelijk beide kanten, zowel positieve als negatieve, van sociale media zien. Het maakt ons krachtiger maar tegelijkertijd ook zwakker. Goed om te zien was dat de positieve kant, de afkeuring van de samenleving, ook te zien was in Nederland gedurende de avondklokrellen. Vele lokale initiatieven deden zich voor en werden getoond op sociale media. Zo verzamelden boeren en voetbalsupporters zich om ‘hun stad’ te beschermen tegen de relschoppers. In Nederland ontstond de hashtag #Wijzijnmetmeer om de afgunst tegen de relschoppers kenbaar te maken (RTL Nieuws, 2021).

#Londonriots #Riotcleanup Terugkomend op de vraag waarom mensen ‘solliciteren’ naar een criminele rol, dan kan dit komen door een gebrek aan zelfcontrole. De nagenoeg onbegrensde mogelijkheden van sociale media zorgen voor een voortdurend beroep op onze zelfcontrole. Maar deze sociale media maken het ontwikkelen van zelfcontrole lastig doordat ouders gedrag minder gemakkelijk kunnen monitoren en bestraffen. Daarnaast zorgt de sociale media bubbel dat verkeerd gedrag eerder wordt bevestigd dan verafschuwd. Zelfcontrole komt hierdoor steeds meer onder druk te staan. Er is nog te weinig onderzoek gedaan om een eenduidige uitspraak te doen of het continue beroep op zelfcontrole in de online wereld en de online bubbels zorgen voor minder zelfcontrole en crimineel gedrag. Eerder beschreven voorbeelden, zoals de avondklokrellen en de complottheorieën over Corona, doen wel een relatie vermoeden.

WIJ ZIJN MET MEE 18

R


Tot slot, sociale media bieden ons veel kansen en mogelijkheden, maar ook veel risico’s en gevaren. Met het ontstaan van sociale media is een nieuwe ‘tweede’ wereld toegevoegd aan de onze: een virtuele wereld die een eigen omgang en aanpak vereist. Een wereld die het leven kan verrijken mits de juiste balans wordt gevonden. Alleen op deze manier kan er worden genoten van een realistische voorstelling op sociale media, kan verkeerd online gedrag worden gemonitord en bestraft en kan er op een maatschappelijk geaccepteerde wijze online worden geleerd van elkaar. Niet als gebruiker in een bubbel, maar als mens in een nieuwe virtuele omgeving. Daarom is de juiste balans van groot belang en heeft eenieder de maatschappelijke verantwoordelijkheid om deze balans te vinden, te herstellen en te bewaken.

Dit essay is een kortere tekst, gebaseerd op een langer essay met een bredere invalshoek. In het langere essay wordt ook beschreven in hoeverre sociale media invloed hebben op het aanleren en imiteren van gedrag. Benieuwd naar het volledige essay? Dit is te vinden op de website van SoAP in de post Sociale media en criminaliteit: “Een bewogen relatie”. Ten tijde van het uitbrengen van deze editie staat de post op de hoofdpagina, maar het blijft onder het menu Archief , bij Archief Website, bij 2021 26/03 terug te vinden.

Referenties Centraal Planbureau, & Sociaal en Cultureel Planbureau. (2000). Trends, dilemma’s en beleid. Essay over ontwikkelingen op langere termijn. Centraal Planbureau. Cullen, F. T., & Messner, S. F. (2007). The making of criminology revisited: An oral history of Merton’s anomie paradigm. Theoretical Criminology, 11(1), 5-37. https://doi.org/10.1177/1362480607072733 Durkheim, E. (1897). Le Suicide. Les Presses Universitaires de France. Gottfredson, M. R., & Hirschi, T. (1990). A general theory of crime. Stanford University Press. Grosfeld, T. (2021, 2 februari). Rellen voor meer views op social media: ‘Steek die Jumbo in de fik!’. Het Parool. https://www.parool.nl/ps/rellen-voor-meer-views-op-social-media-steek-die-jumbo-in-de-fik~bfd1feba /?referrer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F Igoe, A.R., & Sullivan, H. (1993). Self-presentation bias and continuing motivation among adolescents. The Journal of Educational Research, 87(1), 18-22. https://doi.org/10.1080/00220671.1993.9941161 Junger, M., Sagel-Grande, I., & van Dijk, J. (2011). Actuele criminologie (7e druk). Sdu. Klok, T. (2012, 17 mei). Met sociale media meer sociale controle. https://www.socialevraagstukken.nl/ social-media-social-control/ Oltman, S., & Levintova, H. (2011). What’s Happening With the London Riots? https://www.motherjones. com/politics/2011/08/whats-happening-london-riots/ Oosterom, E. (2021, 31 januari). Rellen in 2021: élke seconde was live te volgen via sociale media. ‘Heb sieraden en lig nu in een tuin’. Algemeen Dagblad. https://www.ad.nl/binnenland/rellen-in-2021-elkeseconde-was-live-te-volgen-via-sociale-media-heb-sieraden-en-lig-nu-in-een-tuin~a6e47811/ Orlowski, J. (Regisseur). (2020). The social dilemma [Film]. Netflix. Roberts, L., Rose, J.P., & Vogel, E. (2014). Social comparison, social media, and self-esteem. Psychology of Popular Media Culture, 3(4), 206-222. Rock, P. (2002). On becoming a victim. In C. Hoyle,  and R. Wilson (Red.), New Visions of Crime Victims. Hart Publishing. RTL Nieuws. (2021, 26 januari). Veel Nederlanders pikken de rellen niet en laten dat nu horen: ‘We zijn het spuugzat’. https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5210913/nederlanders-rellen-wij-zijn-metmeer-grotere-groep Pempek, T. A., Yermolayeva, Y. A., & Calvert, S. L. (2009). College students’ social networking experiences on Facebook. Journal of Applied Developmental Psychology, 30(3), 227- 238. https://doi.org/10.1016/j. appdev.2008.12.010. Pleysier, S., Rodenhuis, W., Stol, W., Tielenburg, C., & Timmer, J. (2011). Basisboek integrale veiligheid (2e druk). Boom Lemma. Van Ostaijen, M. (2020). Wij zijn ons. Een kleine sociologie van grote denkers (3e druk). Boom.

19


De succesvolle student

I

Stefan Vos

n 1835 kwam het zeilschip de Beagle aan bij de Galapagoseilanden. Een van de bemanningsleden was Charles Darwin, vooral bekend van de evolutietheorie. Darwin kwam erachter dat de vinken er op ieder eiland anders uitzagen. Elke vogel had een snavel die aangepast was aan het voedsel dat op dat eiland te vinden was. Voor het eten van zaden is een grote sterke snavel nodig om de zaden te kunnen breken, terwijl er voor insecten juist een smalle scherpe snavel nodig is om ze tussen de boomschors weg te kunnen pikken. De vinken die een snavel hebben die past bij het voedsel in de omgeving, kunnen makkelijker eten vinden en overleven dus ook makkelijker. Ze zijn het best aangepast en hebben zogezegd het recht van de sterkste. Een bekendere term hiervoor is ‘Survival of the Fittest’.

We zijn inmiddels bijna een jaar onderweg met het coronavirus en ik denk dat het tijd is om te kijken naar de evolutie van de ‘succesvolle student’. De kroegtijger hoeft zich niet meer in de club te bewijzen en is inmiddels veranderd in een gesteriliseerde huiskat. Na twee biertjes en een half shotje tequila (wat was de volgorde ook alweer?) ligt deze huiskat in coma op de bank. Een eigenschap die nu veel meer van belang is, is de wil om te wandelen. Er is een soort wedstrijd gaande welke student de meeste rondjes om het Noorderplantsoen kan lopen. De ‘succesvolle student’ doet er al snel minstens twee per dag. De strijd om het college van 9:00 uur te volgen is er nog steeds, maar heeft een andere vorm aangenomen. Waar je jezelf eerst brak naar de collegezaal moest slepen is nu een ander probleem ontstaan. De wekker kan nu om 8:55 uur en de laptop kan gewoon naast je in bed. De ‘succesvolle student’ onderscheidt zich door dit college daadwerkelijk te volgen en actief mee te doen. Deze stap lijkt erg makkelijk, maar het is o zo makkelijk om je nog even om te draaien of om Netflix aan te zetten (kijktip: “Altered Carbon”).

Anno 2021 zijn de Darwinvinken geen dagelijks nieuws meer, maar ze zijn wel degelijk relevant. Ten tijde van het coronavirus is het goed om te kijken welke studenten zich het best aanpassen aan hun omgeving. Voor het coronavirus waren er een aantal eigenschappen die van groot belang waren voor het behalen van de titel ‘succesvolle student’. Deze student is het sterkste soort student, en beschikt over capaciteiten om het studentenleven gemakkelijk te overleven. Als eerste was het belangrijk om goed te kunnen ‘tanken’. Daarmee bedoel ik uiteraard niet het bijvullen van de brandstoftank van de Renault Clio. Een echte student droeg de bijnaam kroegtijger. Een diersoort dat met gemak vijftien glazen bier en zes shotjes tequila (eerst het zout, dan de tequila en als laatste het citroentje!) naar binnen werkte op een gemiddelde dinsdagavond.

In de tentamenperiode hoeven we op dit moment de oranje binnenkant van de Aletta Jacobshal niet te zien, maar de tentamens gaan wel door. De tentamens vinden nu plaats vanachter onze laptop, op onze studentenkamers. Het is geen zaak meer om brak je hertentamen te halen. Wat veel meer van belang is, is niet afgeleid raken tijdens een tentamen. Als je serieuze dingen moet doen zijn de kleine dingetjes op je bureau vaak ineens heel interessant. Als je het als student weet te presteren om niet de achterkant van je deodorantbus te lezen of het aantal nietjes in je nietmachine te tellen en je gewoon te focussen op je tentamen, ben je in deze tijd een ‘succesvolle student’. Wat mij betreft ongeacht het resultaat op het tentamen.

Als deze student dan om zeven uur ’s ochtends de binnenstad verliet en, al dan niet op zijn eigen fiets, zijn weg naar zijn bed vond, kwam de tweede belangrijke eigenschap naar voren. De moed om de wekker weer om 8:30 uur te zetten voor het hoorcollege van 9:00 uur. Een student die deze prestatie dag in dag uit vol kon houden mocht zich bijna een ‘succesvolle student’ noemen.

Er heeft voor mijn gevoel wel degelijk evolutie plaatsgevonden onder studenten in het afgelopen jaar. De benodigde eigenschappen om de sterkste student te zijn, zijn veranderd in deze tijd. Wellicht is het ook een goed moment om de evolutietheorie van Darwin in een modern jasje te steken. Over 150 jaar heeft men het hopelijk niet over Darwinvinken, maar over Darwinstudenten. Toch ga ik ervan uit dat dit slechts bij een korte verandering van eigenschappen blijft. Deze gesteriliseerde huiskat hoopt snel weer een kroegtijger te worden.

Ik zeg bijna, want er ontbreekt nog één essentiële eigenschap. Deze eigenschap werd alleen gebruikt in een tentamenperiode. Het is het lef om de avond voor het hertentamen tegen je huisgenoten te zeggen: “Vooruit, ik drink één biertje mee.” Iedereen weet dat het drinken van één biertje slechts een mythe is. Als je het hertentamen dan haalde was je wat mij betreft met recht een ‘succesvolle student’.

20


Een inleiding en een interview met een expert over leefbare lonen Siebren Kooistra Anne van Lakerveld is, aldus de website van de Fair Wear Foundation, een economisch socioloog. Dan zijn er misschien studenten die denken “Economisch socioloog, hoe word je dat?” Nou ja, in het geval van Anne van Lakerveld begon dat proces aan University College Utrecht. Hier studeerde ze sociologie, politicologie en economie,

E

r zijn al langere tijd zorgen over slechte arbeidsomstandigheden   en mensenrechtenschendingen in de internationale kledingindustrie  (Anner, 2018, p. 4). De problemen in de kledingindustrie zijn regelmatig in het nieuws, maar verandering is traag en complex (van de Keuken, 2015; de waarbij ze geboeid raakte door het snijpunt van Volkskrant, 2014; Witteman, 2018). Sinds de ramp met het Rana Plaza-complex in 2013 is er de drie disciplines. Om dit door te zetten volgde veel werk gemaakt van een betere naleving van ze een master Sociologie aan de Universiteit van veiligheidsvoorschriften (Anner, 2018). Maar een Lancaster, waar economische sociologie een moeilijkere kwestie is de invoering van ‘leefbare specialisatietraject was. Ze heeft ook International lonen’: lonen waarmee een werknemer in ieder geval een realistische bijdrage kan leveren aan de Development Studies gestudeerd. Vervolgens basisbehoeften van het huishouden waartoe de is ze aan het werk geweest bij verschillende werknemer behoort, en ruimte overhoudt om te organisaties gericht op het bevorderen van sparen voor bijvoorbeeld een nieuw gasstel of een verantwoorde bedrijfsvoering, om uiteindelijk bij opleiding voor de kinderen (Fair Wear Foundation, z.j.). Om te onderzoeken waarom juist leefbare de Fair Wear Foundation aan het werk te gaan. lonen lastig te verwezenlijken zijn, interviewde ik economisch socioloog Anne van Lakerveld (zie kader voor een korte loopbaanschets). Zij coördineert initiatieven ter bevordering van leefbare lonen door de Fair Wear Foundation (www.fairwear.org). Om met Anne tot de kern te kunnen komen maar ook mensen die minder bekend zijn met arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie ingang te geven gebruik ik een aantal andere bronnen als context.

Veel bereikt, alleen het is afhankelijk van het perspectief dat je daarin kiest. Waar het gaat om het bevorderen van leeflonen is er volgens Anne van Lakerveld, “veel bereikt, alleen het is afhankelijk van het perspectief dat je daarin kiest.” In het inzichtelijk maken van de verdeling van geld over de productieketen is al veel bereikt. Dat is op zich al een prestatie. De productieketen is namelijk verdeeld over verschillende landen en verschillende onafhankelijke bedrijven (Bergene, 2007). In de afgelopen decennia waren fabrieken vaak gevestigd in Latijns-Amerika (ArmbrusterSandoval, 2003). Maar op dit moment is ZuidOost Azië de bekendste regio (Mezzadri, 2010). Daarnaast worden het Midden-Oosten en NoordAfrika belangrijkere locaties (Bakker, 2020). En het is moeilijk, aldus Anne, om te bepalen hoe een prijs uiteindelijke doorvertaalt naar een loon met die veelheid aan bedrijven (dus winstmarges en kosten) en landen (dus belastingen). Dat neemt niet

1 2

weg dat de prijs die de consument betaalt het loon van de arbeider bepaalt. Ten minste, wanneer alle tussenliggende kostenposten en marges verrekend zijn. Als wel bepaald kan worden hoe de prijs verdeeld wordt, geeft dat een fabriek bijvoorbeeld de mogelijkheid om te protesteren tegen verdere prijsverlagingen. De fabrikant kan laten zien dat tegen een bepaalde prijs niet geleverd kan worden met een normaal winstmarge, een redelijk loon en onderhoud aan het fabrieksgebouw. Met dat inzicht worden kledingmerken gedwongen om bewust na te denken over de gevolgen van hun inkoopstrategie. Uiteindelijk wordt hiermee van een top-down prijsstructuur1 overgegaan naar een bottom-up prijsstructuur2. Maar daarmee is tot nu toe alleen de neerwaartse druk op de lonen verminderd. Het verhogen van de

Simpel geformuleerd: consumentenprijs – marges – vaste kosten = loon. Simpel geformuleerd: consumentenprijs = marges + vaste kosten + loon.

21


stimuleren kan ook het steunen van imperfecte initiatieven een signaal geven (waarbij het bijvoorbeeld gaat over de H&M Conscious Collection). Kan technologische vooruitgang ook nog iets toevoegen aan het introduceren van leefbare lonen? Volgens Anne kan technologie wel iets bijdragen, maar is het uiteindelijk een hulpmiddel, geen oplossing. Ze geeft als voorbeeld de sokkenindustrie3: “Wat je ziet in de sokkenindustrie, dat sommige sokken met hele eenvoudige machines worden gemaakt waarbij er nog heel veel handwerk komt kijken. Wat heel slecht is voor de ogen omdat het zo’n priegelwerk is. En wat we dus zien in de sokken is dat dat echt veel meer geautomatiseerd wordt. Waardoor er dus iemand alleen maar knoppen indrukt.”

lonen wordt de volgende stap. Daar is vooruitgang vooralsnog beperkter, waarbij volgens Anne meespeelt dat de stappen in de productieketen over meerdere bedrijven verdeeld zijn. Het is namelijk gebruikelijk dat één fabriek meerdere afnemers heeft, en één kledingmerk kleding laat produceren door meerdere fabrieken. Dan heeft één merk dat meer betaalt maar een beperkte invloed op de lonen, “omdat op het moment dat één van de tien of vijftien klanten bereid is om die extra bijdrage te doen, dan heb je uiteindelijk maar een vijftiende deel hoger loon.” Waaraan Anne toevoegt: “Maar de praktijk is helaas zo dat zelfs een vijftiende deel van een hoger loon nog steeds een dusdanig positief effect kan hebben op de leefomstandigheden van de werkers in de kledingfabriek dat we daar toch al heel blij mee zijn.”

Dat is op zich mooi, maar met die automatisering zijn er minder mensen nodig per product. Dan is het zaak om ervoor te zorgen dat mensen ergens anders aan de slag kunnen als ze niet meer nodig zijn voor het handwerk aan de sokken. En bij die bescherming van werknemers worden vakbonden volgens Anne van belang. Zij geven de werknemers in de kledingindustrie de mogelijkheid om zich te verenigen en zich uit te spreken. Op dit moment is het echter ook een realiteit van de kledingindustrie dat het aan vakbondsvrijheid schort, een conclusie die Anne deelt met veel academici (e.g., Anner, 2018; Mezzadri, 2010). En waar wel vakbondsvrijheid is, beperkt de concurrentie in de industrie de onderhandelingsruimte voor vakbonden.

Als de prijs dan zo’n grote rol speelt, welke verantwoordelijkheid hebben wij, consumenten, dan in deze productieketen? De mensen die kleding kopen zijn in hun aankopen vooralsnog bovenal geïnteresseerd in de prijs van de kleding (McNeill & Moore, 2015), en kledingmerken zijn onderling in een felle concurrentiestrijd verwikkeld (Anner, 2018). Dit betekent dat kledingmerken een prikkel hebben om hun stukprijzen zo veel mogelijk te drukken. Hier is Anne van mening “dat een consument daar wel verantwoordelijkheid in heeft”, maar dat het te makkelijk is om de verantwoordelijkheid geheel op de consument af te wentelen. “Want uiteindelijk denk ik dat een consument er tot op zekere hoogte ook gewoon op moet kunnen vertrouwen dat de producten die in de winkel liggen onder goede omstandigheden gemaakt zijn. En dat daarbij dus in eerste instantie een bedrijf de verantwoordelijkheid heeft om dat op een goede manier te regelen.” Dat wordt nog duidelijker met het besef dat goedkope kleding niet per definitie onder slechte omstandigheden is geproduceerd, dure kleding evenmin per definitie onder goede.

Uit dit interview is duidelijk geworden dat er al een belangrijke eerste stap is gemaakt met het transparanter maken van de prijsstructuur. Daarmee is een brug gelegd naar een industrie waar het loon niet langer het overblijfsel is van de afzetprijs na alle winstmarges en kostenposten. In plaats daarvan moet de afzetprijs volgen uit de stapeling van lonen, belastingen en winstmarges (zoals in de meeste industrieën gebruikelijk is). Maar voor de volgende stap moeten er nog meer merken, fabrieken en overheden in beweging komen.

De praktijk is helaas zo dat zelfs een vijftiende deel van een hoger loon (…) dat we daar toch al heel blij mee zijn.

Wat volgens Anne wel helpt, is om bedachtzamer te worden over de kleding die we kopen. Daarmee kunnen we ons realiseren dat iemand werk heeft geleverd voor de kleding die we dragen. En dat inzicht corrigeert misschien het beeld van kleding als wegwerpproduct. Om die bedachtzaamheid te

3

Waar de arbeidstijd per product niet zoals bij andere kleding gemeten wordt in minuten, maar in seconden.

22


Referenties Anner, M. (2018). Binding Power: The Sourcing Squeeze, Workers’ Rights, and Building Safety in Bangladesh Since Rana Plaza. Penn State University, Center for Global Workers’ Rights. https://ler.la.psu.edu/gwr/documents/ CGWR2017ResearchReportBindingPower.pdf Armbruster-Sandoval, R. (2003). Globalization and transnational labor organising: the Honduran maquiladora industry and the Kimi campaign. Social Science History, 27(4), 551-576. Bakker, M. (2020, 12 januari). Made in Marokko: Zo werd Tanger de nieuwe hotspot voor fast fashion. de Volkskrant. https://www.volkskrant. nl/nieuws-achtergrond/made-in-marokkozo-werd-tanger-de-nieuwe-hotspot-voor-fastfashion~bb8dc8c3/ Bergene, A. C. (2007). Trade unions walking the tightrope in defending workers’ interests: Wielding a weapon too strong? Labour Studies Journal, 32(2), 142-166. https://doi. org/10.1177/0160449X07299703 Fair Wear Foundation. (z.j.). Living wages and the Fair Wear Code of Labour Practices. https:// www.fairwear.org/programmes/lw-colp McNeill, L., & Moore, R. (2015). Sustainable fashion consumption and the fast fashion conundrum: Fashionable consumers and attitudes to sustainability in clothing choice. International Journal of Consumer Studies, 39(3), 212-222. https://doi.org/10.1111/ijcs.12169 Mezzadri, A. (2010). Globalisation, informalisation and the state in the Indian garment industry. International Review of Sociology, 20(3), 491-511. https://doi.org/10.1080/03906701.2010.511910 van de Keuken, T. (2015, 3 januari). Als ‘kledinginkoper’ naar Bangladesh. de Volkskrant. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/ als-kledinginkoper-naar-bangladesh~b5c01002f/ de Volkskrant. (2014, 3 juni). Bangladesh weigert kledingfabrieken te sluiten. https://www. volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/bangladeshweigert-kledingfabrieken-te-sluiten~bb323175/ Witteman, J. (2018). Het Westen eist nieuwe kleren. Nog sneller. Nóg goedkoper. En o ja, veiliger. de Volkskrant. https://www.volkskrant.nl/nieuwsachtergrond/het-westen-eist-nieuwe-kleren-nogsneller-nog-goedkoper-en-o-ja-veiliger~b531ea77/

23

Francois Le Nguyen


Wetten en wapenen Kees Aarts

H

et recht van de sterkste geldt wanneer de sterkste zich juist niets hoeft aan te trekken van recht of onrecht. Wie zou er zo sterk zijn dat hij zich deze houding kan permitteren? In de afgelopen coronazomer herlas ik niet zoals veel mensen “De Pest” van Camus, maar “De Heerser” en de “Discoursen” van Machiavelli. Deze boeken las ik voor het eerst als middelbare scholier, voor een examenwerkstuk Geschiedenis (nou ja, vooral “De Heerser” dan). Machiavelli is voor een politicoloog nooit heel ver weg, maar hem systematisch herlezen bleek een bijzondere ervaring. Daarbij komt dat beide boeken uitstekende Nederlandse vertalingen kennen.* Niccolò Machiavelli leefde van 1469 tot 1527, dus zo’n 58 jaar. Over de eerste helft van zijn leven is weinig bekend; de tweede helft valt weer uiteen in twee delen. In 1498, op zijn 29e, werd hij hoofd van de Tweede Kanselarij van Florence, een soort ‘secretaris buitenland’ voor het stadsbestuur. En ruim veertien jaar later, in 1512, moest hij die betrekking opgeven toen de Medici familie (weer) aan de macht kwam in zijn stad. In het jaar daarop trok hij zich terug in een dorpje buiten Florence. In de veertien jaar hierna, tot aan zijn dood, wijdde hij zich vooral aan zijn schrijfwerk, terwijl hij bleef hopen op een terugkeer in de politiek die niet kwam.

De Heerser

Deze grondlegger van het denken over de moderne staat stelt dat de voornaamste fundering van elke staat (‘machtsvorm’) tweeledig is: ‘goede wetten en goede wapenen’. Hij vervolgt:

“En omdat er geen goede wetten kunnen zijn als er geen goede wapenen zijn, en er omgekeerd, als er goede wapenen zijn, automatisch ook goede wetten zijn, zal ik het hier verder niet meer hebben over de wetten, maar over de wapenen.” (De Heerser, XII) Na enkele hoofdstukken over hoe een leger eruit zou moeten zien (Machiavelli had een obsessie met huursoldaten), gaat hij dieper in op hoe de politieke leider, de heerser zelf zich zou moeten opstellen. Hier zijn enkele van de passages te vinden waardoor hij, behalve beroemd, ook berucht is geworden. Na de vaststelling “dat iedereen die macht uitoefent, ernaar moet streven dat hij voor barmhartig en niet voor wreed wordt gehouden”, draait hij de betekenis van deze begrippen radicaal om. Wreedheid is eigenlijk barmhartigheid wanneer er chaos, doodslag en plundering mee worden voorkomen. Wreedheid is doortastend. Voor een heerser is het goed om zowel bemind als gevreesd te worden, maar als het erop aankomt, heeft hij er meer aan gevreesd te worden. De mensen zijn immers in het algemeen ‘ondankbaar, wispelturig en huichelachtig’, en als het erop aankomt heb je weinig aan hun zogenaamde trouw (De heerser, XVII). Wapenen en wreedheid helpen de macht van een heerser te vestigen en te behouden, maar daarmee is zijn arsenaal nog niet uitgeput. Een heerser kan zich ook bedienen van zijn eigen waarheid, en zijn macht versterken met onwaarheden en leugens. Is dat erg? Alweer begint Machiavelli met een geruststelling: “Hoe prijzenswaardig het is als een machtig man zijn woord houdt en rechtschapen en eerlijk leeft, begrijpt iedereen”. Om meteen te vervolgen dat juist de machthebbers die hun woord niet hielden, “grote dingen tot stand hebben gebracht” en de eerlijken hebben overtroefd. Ook hier is doortastendheid een grote deugd. Hij benoemt ‘twee manieren van strijden’: door middel van wetten, of door middel van geweld. De wetten horen bij de mens, het geweld bij het dier. Een goede heerser moet zowel mens als dier kunnen zijn. Machiavelli’s ideaal is de centaur, half dier en half mens en sinds Harry Potter een alom bekende mythologische figuur. Maar anders dan de klassieke centaur (een paard met mensenromp en -hoofd) neemt Machiavelli twee andere dieren als voorbeeld: de vos en de leeuw. * De edities die ik hier citeer, zijn: De Heerser. Vertaald en toegelicht door Frans van Dooren. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep 2002; Discorsi: Gedachten over staat en politiek. Vertaald, ingeleid en toegelicht door Paul van Heck. Amsterdam: Ambo 1997. 24


“De leeuw kan zich namelijk niet verdedigen tegen valstrikken, en de vos niet tegen wolven. Hij moet dan ook een vos zijn om de valstrikken in de gaten te hebben, en een leeuw om de wolven schrik aan te jagen.” (De Heerser, XVIII) Daarop volgt direct het advies: “Zij die zich louter en alleen als leeuw gedragen, doorzien de zaken niet. Een verstandig heerser kan noch mag dus zijn woord houden wanneer dit hem schade berokkent en wanneer de redenen, die hem tot zijn belofte gebracht hebben, zijn weggevallen”. En hij richt zich tot zijn doelgroep:

“Als de mensen allemaal goed waren, zou dit advies niet juist zijn. Maar omdat ze slecht zijn en ze ook ten opzichte van jou hun woord niet zullen houden, hoef jij dit evenmin tegenover hen te doen.” (De Heerser, XVIII) In het hierop volgende hoofdstuk bespreekt Machiavelli hoe de heerser in deze morele jungle door gematigd en wijs maar bovenal duidelijk en consequent (dus doortastend) beleid zijn positie kan beschermen, en daarmee zijn tegenstanders in binnen- en buitenland de wind uit de zeilen kan nemen.

Twee helden

Deze gedachten, slechts een kleine greep uit “De Heerser”, worden gelardeerd met voorbeelden uit de Oudheid en uit Machiavelli’s eigen tijd, en maken duidelijk waarom zijn werk tijdloos is geworden. Het zou echter verkeerd zijn om Machiavelli’s roem helemaal of zelfs grotendeels te herleiden tot “De Heerser”. Centraal in dit boek staan zoals gezegd ‘de wapenen’ waarover een (alleen)heerser kan beschikken. ‘De wetten’ spelen de hoofdrol in zijn eerdere, omvangrijke werk “Discoursen”. Het contrast tussen beide boeken komt naar voren in de twee door Machiavelli meest bewonderde leiders. In “De Heerser” is dat de zoon van paus Alexander VI, Cesare Borgia. Van 1499 tot 1503 maakte deze gebruik van een inval van de koning van Frankrijk in Noord-Italië om de streek Romagna (met steden als Imola, Forli en Urbino) te veroveren. Borgia kreeg daarbij steun van een van de machtigste Romeinse families, de Orsinis. Toen de Orsinis zich realiseerden dat Borgia hen boven het hoofd groeide, liet hij de kopstukken van de familie en hun aanhangers vermoorden als in een scene uit “The Godfather”. Hij benoemde een meedogenloze zetbaas die namens hem het bestuur van de Romagna op orde moest brengen – en toen de streek weer rustig was, liet hij diezelfde zetbaas in het openbaar in twee stukken hakken en zo tentoonstellen. Alleen door de dood in 1503 van zijn vader, de paus, en zijn eigen dood op 31-jarige leeftijd enkele jaren later, is Borgia niet nóg groter geworden. Machiavelli kende hem persoonlijk en bewonderde zijn doortastendheid en energie. In de “Discoursen” is de ideale leider op het eerste gezicht de tegenvoeter van Borgia, namelijk de Romeinse bestuurder Quintus Fabius Maximus (275-203). Deze had de bijnaam Cunctator – ‘de Draler’ gekregen, vanwege zijn grote behoedzaamheid in de oorlog tegen de Carthaagse legeraanvoerder Hannibal. Hij vermeed consequent om slag te leveren, en bleef Hannibal slechts achtervolgen door Italië. Die behoedzaamheid maakte hem aanvankelijk niet populair – totdat zijn critici het wel tot een veldslag met Hannibal lieten komen en bij Cannae in 216 in de pan werden gehakt. Fabius kwam hen te hulp, en zijn bijnaam werd een geuzennaam. Fabius was de juiste man op het juiste moment: “. . . de fortuin wilde dat deze wijze van opereren goed harmonieerde met de tijd” (Discoursen, III:9:5). Maar de titel van dit hoofdstuk is: “Wie altijd voorspoed wil kennen, dient mee te veranderen met de tijd”, en daarin schoot Fabius later tekort. Zijn bedachtzame aanpak was “een kwestie . . . van geaardheid en niet van vrije keuze”, en “als hij zijn zin gekregen had, was Hannibal nu nog steeds in Italië geweest.”

De Discoursen

Niet alleen staat de doortastendheid van Cesare Borgia in contrast met de draler Quintus Fabius, ook het goede staatsbestuur ziet er in de “Discoursen” heel anders uit dan in “De Heerser”. De “Discoursen” is een complex boek. Het is in naam een commentaar op de eerste tien boeken van het hoofdwerk van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius, maar Machiavelli ontziet zich niet om ver buiten de stof van Livius te gaan. De opzet van het boek is deels thematisch: de drie boeken waaruit de “Discoursen” bestaat gaan achtereenvolgens ruwweg over de binnenlandse politiek van het oude Rome, haar buitenlandse politiek, en enkele belangrijke Romeinen uit die tijd. De hoofdstukken hebben – net als in ‘‘De Heerser’’ – steeds een stelling als titel (bijvoorbeeld: “Afgedwongen beloften hoeven niet gehouden te worden”), die vervolgens wordt beargumenteerd met voorbeelden uit de oudheid, de middeleeuwen, en Machiavelli’s eigen tijd. 25


Machiavelli’s waardering is in de “Discoursen” echter veel minder afhankelijk van de doortastendheid van de politieke leider(s), en veel meer van hun gematigdheid en vooruitziende blik. Die gematigdheid vindt hij in de vroege jaren van de Romeinse Republiek, voordat de burgeroorlog en de daarop volgende keizers Rome, in zijn ogen, in het verderf stortten. De “Discoursen” kan worden gelezen als een pleidooi voor goede wetten, voor machtsdeling, en voor bestuurlijke checks en balances. Hier staan dus niet de wapenen, maar de wetten centraal. Dit heeft te maken met de uiteenlopende probleemstellingen in deze twee boeken. In “De Heerser” gaat het allereerst over de vraag hoe je een staat kunt stichten, veroveren of erven en deze vervolgens kunt behouden. Voor Machiavelli is dit een taak voor één leider. In de “Discoursen” gaat het vooral over de vraag hoe je een staat moet besturen. Dat is een gezamenlijke taak voor leider en volk, die wordt geregeld in een goede staatsinrichting. De “Discoursen” bespreken hoe de ambten van de Romeinse Republiek – zoals consul, dictator, volkstribuun – met hun bevoegdheden en beperkingen eraan bijdroegen om ieders stem in het bestuur te laten klinken zonder dat de regering krachteloos werd. En telkens als een van die ambten gecorrumpeerd dreigde te raken (een dictator die te lang aanbleef, tribunen die zich meer richtten op hun achterban dan op de Republiek) ging het ook met Rome minder goed, totdat Julius Caesar een einde maakte aan de republikeinse traditie, en “de eerste tiran van Rome” werd, “dat zo voorgoed zijn vrijheid verloor” (Discoursen, I:37:20).

Macht om de macht

Je zou nu kunnen denken dat Machiavelli in gevestigde staten per se een vorm van rechtsstaat, of ‘Rule of Law’ zou willen zien. Alleen in een rechtsstaat worden rechtsbeginselen zoals vrijheid, gelijkheid en grondrechten immers systematisch boven de grillen van politieke leiders gesteld. Maar dat zou een onzinnige achterafinterpretatie zijn. Het moderne idee van een rechtsstaat bestond nog niet. Machiavelli was bovendien, buiten zijn enthousiasme voor vrijheid en afkeer van tirannie, allerminst een verdediger van zo’n rechtsstaat. De goede wetten, machtsdeling en checks en balances verheerlijkt hij alleen en uitsluitend omdat ze effectief blijken te zijn voor het voortbestaan van een politiek systeem, niet vanwege hun intrinsieke waarde. Indien nodig, kan hard optreden door een leider veel beter werken dan een minzame, aardige houding; en andersom ook. Soms is hard optreden gewoon niet verstandig, bijvoorbeeld als je slachtoffer sterker is dan jijzelf:

“Daarom ook zei een verstandig iemand dat voor het voeren van een gewelddadig bewind in een staat een bepaald krachtsverschil nodig was tussen de pleger en het slachtoffer van geweld.” (Discoursen, III:22:13). Als die krachtsverschillen er niet zijn, is een zekere mate van machtsdeling verstandig. Als ze worden miskend, betekent dat meestal de ondergang van je heerschappij. Ook in de gevestigde staat heeft de sterkste dus alle recht, maar het is belangrijk deze zich daarbij niet misrekent. Machiavelli’s gedachten over politiek zijn altijd extreem gevonden, vooral doordat de staat en de staatsmacht er een absolute waarde in vertegenwoordigen. Maar ‘fundamenteel’ is een betere karakterisering dan ‘extreem’. Bij Machiavelli staat het openbaar bestuur niet ten dienste van het goede leven, de maatschappelijke welvaart of de ontwikkeling van zijn burgers. Het openbaar bestuur is er voor het openbaar bestuur, nergens anders voor. Deze verabsolutering van de politiek heeft een functie: Machiavelli probeert er zijn visie op staat en politiek zo helder mogelijk mee voor het voetlicht te brengen. Zonder een sterk bestuur, dat behoedzaam maar doortastend, en toegesneden op de tijden is, kan er van vrijheid, soevereiniteit, en welvaart namelijk helemaal geen sprake zijn – laat staan van een rechtsstaat. Referenties Machiavelli, N. (1997). Discorsi: Gedachten over staat en politiek (P. van Heck, Vert.). Ambo. Machiavelli, N. (2002). De heerser (F. van Dooren, Vert.). Athenaeum - Polak & Van Gennep. 26


s

Het mysterie van de wisselwinkel

inds ongeveer anderhalf jaar woon ik op mezelf in een studio. Een nieuwe plek betekende ook een nieuwe supermarkt om heen te gaan, en daarbij kwamen dus ook nieuwe wandelroutes. Nieuwe looproutes maken mij altijd heel erg enthousiast, weer een nieuwe omgeving en daarbij nieuwe plekken te ontdekken. Tijdens één van mijn eerste wandelingen naar de supermarkt liep ik al gelijk tegen zo’n plek aan. Het was een soort kast in de muur, met een aantal spullen erin. Ik zag het vanaf de overkant van de straat, dus op de terugweg besloot ik aan die kant van de stoep te gaan lopen. Naast het kastje hing een bord waarop stond:

Gemma Ridder

Wisselwinkel. Soms heb je spul waar je niets mee doet. Soms ligt het in de weg, of kan iemand anders het beter gebruiken. Daarom… de wisselwinkel. Ruil hier je oude spullen in voor nieuwe.

Vanuit mijn kamer kan ik de wisselwinkel zien en als ik erlangs loop kijk ik altijd even welke spullen erin liggen. Het bijzondere aan de wisselwinkel vind ik dat ik gedurende het afgelopen anderhalf jaar nog nooit iemand bij de wisselwinkel gezien heb. Ik zie dat de spullen in de winkel veranderen, maar ik heb nog nooit iemand iets in de winkel zien leggen of eruit zien halen. Voor mij is de wisselwinkel dus een groot mysterie. Als ik erover nadenk zouden er verschillende mensen moeten zijn die een rol hebben bij de wisselwinkel. Allereerst heb je mensen nodig die hun spullen in de wisselwinkel willen leggen, laten we deze mensen de wisselgevers noemen. Dan heb je ook de mensen die spullen uit de wisselwinkel pakken, door mij nu wisselpakkers genoemd. Als het echt om een wissel gaat, kan één persoon natuurlijk tegelijkertijd een wisselgever en -pakker zijn. Naast de personen die de spullen daadwerkelijk wisselen, wordt de wisselwinkel ook onderhouden. Af en toe ligt er wat troep, zoals een leeg kauwgompakje, in de winkel, maar deze spullen zijn vaak de dag erna ook al weer weg. Tot slot heb je nog de mensen zoals ikzelf, de toeschouwers die kijken wat er gebeurt rondom de wisselwinkel. De wisselwinkel zouden we kunnen beschouwen als een soort common-pool resource, dus een gemeenschappelijke hulpbron die rivaliserend is, maar waar uitsluiting niet mogelijk is. Voor het opzetten van zo’n beheersvorm is er collectieve actie nodig. Dit lijkt precies op wat er ook bij de wisselwinkel gebeurt. De wisselwinkel bevat meerdere deelnemers, en deze deelnemers dragen allemaal bij aan deze winkel. Daarbij is het ook heel makkelijk om te freeriden, namelijk als je alleen een wisselpakker bent. Hoewel deze wisselpakkers niks terugleggen, stopt de collectieve actie niet. Wel is het hierbij van belang dat er ook wisselgevers zijn. Aangezien de wisselwinkel bijna nooit leeg ligt, zal dit wel goed gaan. Heel kleinschalig zijn mensen dus samen een collectieve actie begonnen, en dat vind ik een heel

27

mooi en intrigerend idee. Het doet me nog meer deugd om te bedenken dat er mensen zijn die heel veel baat hebben bij dit mooie initiatief. Nu blijft de wisselwinkel een groot mysterie. Het hele verhaal over de common-pool resource en de collectieve actie heb ik zelf om de wisselwinkel heen gebouwd. Hoewel er een grote kans is dat het zo werkt, heb ik nog nooit iemand bij de winkel gezien. Misschien is het wel altijd hetzelfde koppel wisselgever en -pakker, of wordt de wisselwinkel gerund door één persoon die zelf spullen in de winkel legt en deze er ook weer uithaalt. Totdat ik iemand bij de winkel zie, zal het een mysterie blijven en tot dat moment zal ik langs de wisselwinkel blijven lopen en van het mysterie blijven genieten. Dat is dan het fijne van mysteries, je kan er je eigen verhaal omheen bouwen.


Het recht van de sterkste:

durfkapitaal, de platformeconomie en ZZP-constructies

Marleen Rijpkema

H

et recht van de sterkste is een onderwerp dat ook op de markt van vraag en aanbod vele vormen aanneemt. Met de opkomst van platformbedrijven en de stijging van het aantal ZZP’ers, verandert de markt aanzienlijk. Dit biedt kansen, maar veel personen die ondernemen of werkzaam zijn in deze ketens ervaren de keerzijde.

buurt kan zien, maar helaas blijft er voor je favoriete pizzarestaurant weinig over wanneer je je bestelling via Thuisbezorgd plaatst. Thuisbezorgd is namelijk ook groot geworden dankzij durfkapitaal. Door haar diensten in eerste instantie ontzettend goedkoop aan te bieden, waar aanbieders en consumenten gretig gebruik van hebben gemaakt, is Thuisbezorgd dé plek geworden waar je naartoe gaat om iets lekkers te bestellen. Horeca ondernemers zagen hun verkopen eerst enorm stijgen, doordat consumenten hun aanbod veel beter wisten te vinden. Dat is dan ook de toegevoegde waarde van Thuisbezorgd: alle opties overzichtelijk in één app. Hierdoor zijn de aanbieders echter ook afhankelijk geworden van Thuisbezorgd, aangezien de consument gewend is geraakt aan het gemak. Dit geeft Thuisbezorgd de macht om de tarieven voor horeca ondernemers omhoog te gooien. Als je een pizza bestelt bij je favoriete pizzarestaurant, gaat in plaats van de oorspronkelijke 6% nu maar liefst 30% van de verkoopprijs naar Thuisbezorgd (inclusief bezorging). De horecaondernemers zijn in het nauw gedreven, doordat ze zonder de app niet langer voldoende bestellingen binnen krijgen. Het durfkapitaal geeft grote bedrijven als Thuisbezorgd eigenlijk een monopolie, waarbij ‘eerlijke concurrentie’ ver te zoeken is. Via eenzelfde verdienmodel zijn Amazon, Spotify en Netflix de markt aan het veroveren. Om in woorden van Lubach te spreken: “Het plan is de grootste worden, en dan winst maken.” Wanneer de concurrentie door verkoopprijzen onder de kostprijs eenmaal is teruggedrongen, kunnen de prijzen omhoog gegooid worden. De consument betaalt immers toch wel als er geen alternatief meer beschikbaar is…

Het satirische programma ‘Zondag met Lubach’ opende als eerste mijn ogen. Waar het oude vertrouwde kapitalisme uitgaat van het idee dat eerlijke concurrentie zal leiden tot de beste balans tussen vraag en aanbod, blijkt deze markt vandaag de dag geregeerd te worden door de sterksten. Grote bedrijven zoals Uber, Spotify, Netflix, Airbnb en Amazon draaien enorme verliezen, waarbij producten en diensten aangeboden worden tot ver onder de kostprijs. In een situatie met eerlijke concurrentie zouden deze partijen logischerwijs niet kunnen overleven, waardoor ze de markt moeten verlaten. Maar toch lukt het al deze partijen om te blijven voortbestaan, en tegelijkertijd een groot deel van de markt te veroveren. Sterker nog, de lage prijzen maken deze bedrijven zo geliefd dat ze afstevenen op een markt waarin bijna alle concurrenten zijn verdwenen. En dat is precies wat deze bedrijven beogen. Door gebruik te maken van zogeheten durfkapitaal van durfkapitalisten, kunnen de bedrijven lange tijd verlies lijden zonder failliet te gaan. Hierdoor zijn deze bedrijven in staat om grote delen van de markt te veroveren, waar bedrijven zonder enorm kapitaal niet tegenop kunnen. Zo verdwijnen de reguliere taxichauffeurs uit het straatbeeld, maar ook jouw favoriete pizzarestaurant ervaart de gevolgen van ‘het recht van de sterkste’.

Ook de tegenwoordig veelgebruikte ZZP-constructie legt het recht van de sterkste bloot. Waar het eerst zo veel kansen bood, is het nu vooral een manier om gebruik te maken van goedkope en flexibele arbeid. Een voorbeeld waarbij ZZP’ers geen ondernemers maar verkapte laagbetaalde en flexibele werknemers zijn (of volgens de literatuur precarious workers), is te

Thuisbezorgd is een typisch voorbeeld van een platformbedrijf, waarop vraag en aanbod naar bijvoorbeeld werk, goederen, communicatie, geld, informatie of entertainment bij elkaar worden gebracht. Voor de consument is het ontzettend handig dat je in één overzicht alle pizzarestaurants in de

28


dankzij het recht van de sterkste laat de economie zoals wij deze kennen op veel punten steken vallen.

zien bij PostNL. Ongeveer 60% van de chauffeurs die jouw pakketjes komen bezorgen is niet in dienst van PostNL, maar zelfstandig ondernemer. De constructie betekent in de praktijk dat chauffeurs vaak niet meer dan 4000 euro bruto omzet krijgen, als alle kosten worden afgetrokken blijft er circa 1800 euro netto over (Heijne & Noten, 2020). Bij dit bedrag zitten voorzieningen voor werknemers niet inbegrepen: de ZZP’er is zelf verantwoordelijk voor zaken als pensioen en verzekeringen. En de bus? Die is ook van de ZZP’er zelf. Let er maar eens op. Een deel van de bussen waarin je pakketjes worden bezorgd zijn inderdaad van PostNL, maar het grootste deel van de tijd komen je pakketjes aan in een witte bus waarop staat dat wordt bezorgd “in opdracht van” PostNL. Tijdens de Corona crisis is het aantal pakketjes dat wordt bezorgd in recordtempo gestegen, maar vertaalt dit zich ook in hogere lonen voor de pakketbezorgers? Helaas niet: de pakketbezorgers moeten juist nog harder werken en méér pakketten bezorgen om dezelfde omzet te genereren dankzij dalende prijzen voor het verzenden van een pakket.

op de winst. Het credo ‘hard werken wordt beloond’ lijkt in onze huidige economie niet meer te gelden. Voor wie geïnteresseerd is in hoe dit kan, doet er goed aan om het boek “Fantoomgroei” van Sander Heijne en Hendrik Noten te lezen. Ondertitel: “Waarom we steeds harder werken voor steeds minder”.

Bijkomend ontstaat een concurrentie op loon, doordat de ene chauffeur zich nog goedkoper aanbiedt dan de andere chauffeur. Een ‘slimme’ chauffeur zegt bijvoorbeeld tegen PostNL dat hij twintig chauffeurs kan leveren, maar heeft met slechts zes chauffeurs concrete afspraken gemaakt. De overige veertien chauffeurs selecteert hij door de goedkoopste chauffeurs te vinden, waardoor één chauffeur er met het extra ‘loon’ vandoor gaat. De andere chauffeurs die ook heel hard werken, kunnen vervolgens amper rondkomen.

Wil je je verder verdiepen in het onderwerp? Bekijk dan eens deze literatuur, met onder andere de eerder genoemde boekentips.

Kortom: het recht van de sterkste is in veel facetten van de markt te ontdekken. Maar dankzij het recht van de sterkste laat de economie zoals wij deze kennen op veel punten steken vallen. Vooral met het oog op het milieu en de ongelijke verdeling van (brede) welvaart en welzijn. Naar mijn idee ligt de oplossing niet zo zeer in alle afzonderlijke problemen verhelpen, maar in een verandering van het systeem. Een systeem dat rekening houdt met de capaciteit van de aarde én het welzijn van al haar bewoners. Oftewel: leven in een donuteconomie, zoals beschreven door Kate Raworth. Om af te sluiten met een positieve noot, biedt haar nieuwe vorm van economie bedrijven een hoopvolle denkwijze om de mondiale problemen van de 21e eeuw op te lossen!

Referenties Campbell, I., & Price, R. (2016). Precarious work and precarious workers: Towards an improved conceptualisation. The Economic and Labour Relations Review, 27(3), 314-332. https://doi. org/10.1177/1035304616652074 Coyle, D. (2017). Precarious and productive work in the digital economy. National Institute Economic Review, 240, 5-14. https://doi. org/10.1177/002795011724000110 Heijne, S., & Noten, H. (2020). Fantoomgroei: Waarom we steeds harder werken voor steeds minder (4e ed.). Atlas Contact. Lubach, A. (2020). Capitalism: Zondag met Lubach (S11 E1) [Video]. Youtube. https://www.youtube.com/ watch?v=VIc5crNUBBU Raworth, K. (2019). Donuteconomie: In zeven stappen naar een economie voor de 21 eeuw (10e ed.). Nieuw Amsterdam Sociaal Cultureel Planbureau. (2015). De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025. Sociaal en Cultureel Planbureau.

En af en toe even een pauze nemen? Helaas, dat zit er ook niet in. Wanneer een chauffeur een kwartier lang geen pakketje scant, wordt geen tijd gerekend en dus niet uitbetaald. Logisch dat je niet betaald krijgt voor vrije tijd zal je denken, maar in de file staan of even inen uitladen kost zo veel geld voor de pakketbezorgers. De baten die de toename in pakketten oplevert, komen dan ook vooral ten goede aan PostNL. Mocht de vraag ooit weer krimpen, kan PostNL gemakkelijk van de bezorgers af. Dit fenomeen van groei waar ‘werkenden’ niks van terug zien is echter niet uniek. De Nederlandse economie is de afgelopen veertig jaar met tientallen procenten gegroeid, maar de reële gezinsinkomens zijn niet of nauwelijks gestegen. Ondanks dat we met zijn allen steeds slimmer, innovatiever en productiever worden, komt dit vooral ten goede aan een selecte groep die aanspraak maakt

29


Het Recht van de sterkste en de Macht van de zwakkeren: Een reflectie op het Coronatijdperk met behulp van Machiavelli. Gabriël Anthonio

T

Inleiding

ijdens mijn studie voor maatschappelijk werk aan de Horst (1989) In Driebergen en later in de sociale wetenschappen (1992) aan de Vrije Universiteit in Amsterdam is het werk van Machiavelli (1469-1527) nauwelijks aan de orde geweest. Als Machiavelli al genoemd werd, was dat vaak met een negatieve ondertoon. Het beeld dat van deze auteur geschetst werd was die van een adviseur voor de machtswellusteling die er alleen op gericht is om zijn positie te behouden en leugens, moord en doodslag niet schuwt. Maar daarmee praten we misschien een paar eeuwen na Machiavelli’s leven nog steeds naar oude voorstellingen, zonder te weten of deze schets van de man wel klopt. Want het waren de elite en de kerk die Machiavelli in de ban deden, zijn werk verwerpelijk vonden en hem in een kwaad (duivels) daglicht stelden. In een van zijn voorbeelden legt Machiavelli uit dat het voor een heerser van een klein gebied beter is om een paar adellijke rivalen om het leven te brengen, je zonen vervolgens met hun dochters te laten trouwen, en daarmee je gebied en familie in één klap te vergroten. Beter dan de voortdurende grensoorlogen tussen al die Italiaanse Koninkrijkjes, waarbij men voortdurend in angst leefde en duizenden burgers om het leven kwamen. Machiavelli pleitte behalve voor dit soort pragmatisme ook voor een duidelijke scheiding van staat en kerk, hetgeen de machtige Katholieke Kerk uiteraard niet beviel. Tijdens mijn studie en promotietraject aan de Universiteit van Humanistiek in Utrecht (2002-2006) ben ik mij in Machiavelli gaan verdiepen. Die verdieping, het lezen van zijn werk en commentaren daarop, heeft zich in de jaren daarna voortgezet. Wie zich verdiept in het werk van Machiavelli komt al snel tot de verrassende conclusie dat hij helemaal geen ongebreidelde en amorele machtsuitoefening predikte, integendeel! Aan de hand van een paar inzichten uit het bekendste werk van Machiavelli, “de Vorst”, zullen we naar het ‘Recht van de Sterkste en de Macht van de Zwakkere’ kijken en die vervolgens in het licht van de Coronapandemie en -maatregelen plaatsen. Aan het eind komen theorie en praktijk bij elkaar, en is er plaats voor relativering om hier niet opnieuw te vervallen tot een vorm van eenzijdigheid of reductionisme.

De auteur:

Prof. dr. Gabriël Anthonio is bijzonder hoogleraar in de Sociologie van Leiderschap, Organisaties en Duurzaamheid bij Sociologie aan de RUG. Hij is sinds 2016 vast redactielid van SoAP. Zijn recent verschenen boek, de Vorstenspiegel (2020) behoort tot de top 100 best verkochte managementboeken en is verkozen tot ‘Boek van de Week’ in Januari 2021.

30


Machiavelli, diplomaat en auteur Niccolo di Bernardo dei Machiavelli werd geboren op 3 mei 1469 en overleed op 21 juni 1527. Hij studeerde rechten, werd op jonge leeftijd al de secretaris (1489-1512) van het bestuur van de Florentijnse Republiek. Kort daarna (1513-1515) schreef hij “de Heerser” (Machiavelli, 2019), ook wel vertaald als de Prins of de Vorst, dat tot de categorie vorstenspiegels behoorde. Na zijn functie als secretaris was hij nog een tijdje diplomaat, maar werd vervolgens verbannen en schreef in relatieve eenzaamheid verder aan zijn politieke werken. Wij gebruiken in dit artikel alleen een aantal aspecten uit “de Heerser”. Een vorstenspiegel is een stichtelijk traktaat, bedoeld als advies aan een (aankomende) vorst of heerser (Anthonio, 2020). In tegenstelling tot eerdere filosofische of theologische teksten, die vooral het deugdzame (christelijke) leven en leiderschap behandelden, was dit een confronterende tekst. Geen traktaat met vrome of utopische gedachten meer, maar een handleiding gestoeld op theorie en de (harde) praktijk van alledag, waar ook moord, doodslag en verraad een rol speelden. Een wereld die hij als secretaris van de Medici-clan van nabij meemaakte, met bedreigingen, complotten, verbanning en excommunicatie. De elite, zowel de adel en rijke grondbezitters als de Kerk, deden hier van harte aan mee. Theorieën of stellingen worden in zijn werk opgevolgd door spraakmakende voorbeelden van hoe coalities werden gesloten, en macht gewonnen of juist verloren kon worden (Beeckman, 2020). De kerngedachte van Machiavelli’s werk is gestoeld op het idee van de rechten van de sterkste; tegelijk houdt hij rekening met de niet te onderschatten macht van de zwakkeren (Machiavelli, 2019). De Elite Versus het Volk Wat neemt Machiavelli waar als hij vanuit macht en onmacht, de sterke en de zwakkere naar de politieke arena kijkt? Hij meent het volgende te zien: Het volk verlangt ernaar om in vrijheid en welvaart te leven. De elite, de adel, landeigenaren en de Kerk streven ernaar om het volk te overheersen. In een samenleving is dus steeds sprake van een spanning tussen het volk en de elite vanwege die tegengestelde belangen. Die spanningen lijken een harmonieuze samenleving te ondermijnen. Machiavelli beweert op dit punt het tegenovergestelde. Uit deze conflicten ontstaan wetten en regels die tegelijkertijd de positie van de elite bevestigen en de vrijheid van het volk bevorderen, mits ze op de juiste wijze gekanaliseerd worden. Voorwaarden zijn dat de elite conflicten niet met machtsuitoefening de kop indrukt of negeert, maar erkent. Ook moet het volk op allerlei manieren van inspraakmogelijkheden en invloed worden voorzien. Machiavelli pleit hiermee voor een democratische republiek, waarmee hij meer dan andere tijdgenoten pleit voor inspraak, benoemingsrecht en klachtrecht voor het volk. Niemand staat daarbij boven de wet, vooral de elite niet. Deze spanningen tussen het volk en de elite in een samenleving ontkennen of vermijden is dus het domste wat een leider in de ogen van Machiavelli kan doen. Een leider moet de spanningen juist vruchtbaar zien te maken, zoeken naar de juiste balans om rellen te voorkomen en tegelijk niet te veel besturingsmacht uit handen te geven, omdat het land dan in een chaos verzandt. Volgens Machiavelli heeft het volk leiding en gezag nodig, maar moet het volk ook niet worden onderschat. Als een deel van het volk massaal en woedend in opstand komt wegens gevoelens van onmacht is er geen houden meer aan. Ook niet voor de elite en haar legers. Er is dus een recht van de sterkste (elite), maar de macht van de zwakkere (volk) moet niet onderschat worden! 31

Machiavelli nader bekeken Machiavelli onderschrijft dus het idee van het recht van de sterkte, het recht om te heersen over anderen. Tegelijk wijst hij machthebbers op de gevolgen van onredelijke onderdrukking van het volk. Als hun onvrede geen uitweg en gehoor vindt, komen ze in opstand. Politiek bedrijven is dus macht uitoefenen, en tegelijk deze macht delen met het volk langs de lijnen van een democratisch instrumentarium. In wezen zet Machiavelli hiermee de vriendjespolitiek die zowel bij de adel en grondbezitters als bij het bestuur van de Kerk, met haar eigen interne processen van bisschoppelijke en pauselijke benoemingen, buitenspel. Het is dus logisch dat het werk van Machiavelli door de elite en kerkleiding in eerste instantie controversieel wordt verklaard. De praktijk: Corona, de elite en het volk Deze spanning tussen leiders en het volk is ook in deze tijd voelbaar. Niet iedereen heeft begrip voor allerlei vrijheidsbenemende maatregelen die vanwege de Coronapandemie worden genomen. Het zijn dezelfde kritische geluiden en vormen van protest als te horen waren ten tijde van de opkomst van de surveillancesamenleving na 9/11. Ook in deze periode van dreiging en angst werden maatregelen doorgevoerd die als tijdelijk werden geïntroduceerd, maar feitelijk nooit meer zijn verdwenen. Als we van Europa naar Amerika reizen, worden we aan allerlei procedures onderworpen waarvan we ons kunnen afvragen of die nog wel proportioneel en daarmee gerechtvaardigd zijn. In toenemende mate roeren actiegroepen zich tegen de Coronamaatregelen, waarbij sommigen menen dat er sprake is van een complot door de elite. De politiek, de media en rechterlijke macht spelen onder één hoedje. Zij spelen samen een onrechtvaardig of duister spel om het volk op een onnodige en buitenproportionele manier haar vrijheden te ontnemen. Daarbij nemen ze zelf de regels niet zo nauw. Voorbeelden daarvan zijn het huwelijk van minister Grapperhaus, het kerkbezoek van minister Bijleveld en de schaatspartij van minister Hoekstra. Ministers die allerlei beperkingen aan het volk opleggen en de Coronaregels zelf niet naleven. Juist de beperkingen waar premier Rutte het meest op hamert. Als de elite die regels overtreed - zich blijkbaar onder en boven de wet stelt


- zet dat kwaad bloed bij de bevolking. Intussen is er een naam voor bedacht: een Grapperhausje…

spiraal terechtkomen. We krijgen steeds meer opstanden en verzet enerzijds, en strengere maatregelen, zoals boetes en allerlei tijd- en plaatsverboden, anderzijds.

Het zijn in de ogen van Machiavelli domme acties, die getuigen van onkundig leiderschap.

Machiavelli zou in deze tijd een waarschuwende vinger, misschien wel vuist opsteken. Als men niet oppast breekt er een oncontroleerbare opstand uit onder het volk tegen de elite, de bestuurders van dit land. Een opstand die de elite zelf heeft veroorzaakt, doordat ze zich te vaak boven de wet heeft gesteld en het volk buitenproportioneel in haar vrijheden heeft beperkt.

Politiek leiderschap dat ontkent of onvoldoende doorheeft dat er onder de oppervlakte altijd sprake is van spanning tussen de elite en het volk. Een spanning die ten tijde van een crisis zeer zorgvuldig moet worden gekanaliseerd. Gebruik de spanning dus om goed en open debat met alle partijen te voeren, maar wakker die spanning niet aan door jezelf boven de wet te stellen. Op dit moment spelen er nog een aantal andere netelige kwesties. Bijvoorbeeld het CO2 dossier, waarbij de overheid haar eigen klimaatdoelstellingen niet haalt en burgers geconfronteerd worden met relatief snel doorgevoerde snelheidsbeperkingen (van 130 naar 100 km). Of de pijnlijke kwestie van de kinderopvangtoeslag, waarbij de belastingdienst grote groepen burgers (30.000) onterecht als fraudeur heeft behandeld. Ondertussen spelen in de discussies over allerlei Coronamaatregelen niet alleen de uitvoering, maar ook de formele en wettelijke grondslagen een rol. Houdt de elite, de overheid, zich bij haar leiderschap en besluitvorming zelf aan de wet? Het recht van de sterkste, in een noodsituatie In hoeverre kan of mag de overheid zich in een noodsituatie macht toe-eigenen en de democratische besluitvorming buitenspel zetten? Actiegroepen die rechtzaken tegen de staat voeren en winnen zijn mogelijk een voorhoede van wat er komen gaat. Groepen als Urgenda, die in 2018 een rechtszaak won inzake de CO2 normen. Of Stichting Viruswaarheid, die een rechtszaak in eerste aanleg heeft gewonnen over de avondklok. Toenemende onvrede ontstaat volgens Machiavelli als de sterksten hun recht naar het idee van het volk of grote groepen misbruiken. Hiermee worden de ‘zwakkeren’, het volk, onbedoeld opgestookt om in opstand te komen. Dat wakkert aan de andere kant de angst van de elite aan, gevoed door de behoefte om grip te hebben op het volk. Met deze uitvergroting van de spanning tussen elite en volk kunnen we in een negatieve

De relativering van Machiavelli’s denken Vanuit het perspectief van Machiavelli kunnen we in deze Coronatijd aan de vooravond staan van een zeer roerige periode, waarbij het volk, al dan niet met geweld, in opstand gaat komen en de elite er op haar beurt alles aan zal doen dit met geweldsmiddelen te onderdrukken. Dat is een verontrustend idee. Misschien is dat wel het doel van Machiavelli’s denken, voorbeelden en adviezen: politieke leiders onrustig maken. We kunnen ons vanuit die onrust dus serieus afvragen of het in deze tijd tot een massale en gewelddadige opstand van het volk tegen de vrijheidsbeperkende Coronamaatregelen komt. Volgens anderen wordt de soep niet zo heet gegeten als die door Machiavelli wordt opgediend. Tevens wil ik mij hier niet bezondigen aan reductionisme, en ben ik als optimist ook altijd op zoek naar uitnodigende perspectieven die ons tot nader onderzoek uitdagen. Er zijn ook andere, minder verontrustende perspectieven denkbaar. Bijvoorbeeld een idee dat Aristoteles reeds onderschreef, dat van de redelijke (redenerende) mens. Hoewel die redelijkheid wel gecultiveerd moet worden. Machiavelli laat de invloed en macht van onderwijs en onderzoek buiten beschouwing. De weg van de vorming van jonge mensen tot helder redenerende en argumenterende burgers kan op een redelijke manier problemen in de samenleving oplossen (IJsseling, 1999). Machiavelli gaat uit van de spanningen tussen het volk en de elite, het draait om macht en een zekere mate van vrijheid. Je kunt die spanning ook beschouwen als de behoefte van ieder mens om zich verbonden te weten met elkaar en hogere idealen, er dus bij te willen horen. Machiavelli gaat voorbij aan een antropologische invalshoek waarbij groepsrituelen, bijvoorbeeld het eren van het hogere of een ideaal, een verzoenende en verbindende werking kunnen hebben op groepen mensen, juist in tijden van transformatie of crisis (Weisfelt, 2005). Machiavelli neemt de strijd om de macht en dreigend geweld als uitgangspunt. Hij gaat voorbij aan de kracht van geweldloosheid, zoals Ghandi in zijn filosofie en streven naar harmonie uiteenzet (2006). En tot slot gaat Machiavelli voorbij aan netwerkvorming binnen sociale groepen, ook binnen de elite. Een deel van de elite wil zich wel degelijk verplaatsen in het leven van het gewone volk, en is bereid haar behoefte aan controle te delen met anderen. Madeleine Albright (2006), voormalig Minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten (1997-2001), pleit in haar autobiografie voor internationale leidende coalities, die over landgrenzen en religies heen het welzijn van alle mensen bevorderen. Een coalitie waarbij het gewone volk zich vertegenwoordigt, gehoord en gezien voelt. Bij deze laatste gedachte zijn we toch weer terug bij één van de grondpatronen in het denken van Machiavelli. De elite heeft het recht van de sterkste, maar houdt wel degelijk rekening met de macht van de zwakkeren, het volk. 32


Slotbeschouwing Machiavelli’s gedachtegoed is naar mijn idee, ondanks controversiële elementen, behulpzaam bij ordenen van een aantal gedachten over het recht van de sterkste. Het is Machiavelli zelf die er de macht van de zwakkeren aan toe had kunnen voegen. Machiavelli’s werk is bedoeld als vorstenspiegel, een advies aan de heersende elite. Hij geeft een duidelijk signaal af: ontken en vermijd de onderhuidse spanning in een samenleving tussen elite en volk niet. Maak deze spanning vruchtbaar door die langs democratische lijnen, politiek, media en recht te laten lopen. Sta als machthebber niet boven de wet. Niet in de politieke beleidskeuzes en de uitvoering, maar ook niet in je persoonlijke gedrag. Dit gedachtengoed van Machiavelli is mogelijk ook te vertalen naar andere machtsverhoudingen, zoals die van de docent en de student, de zorgmanager en de verpleegkundige en die van de arts en de patiënt. Maar dit voert voor nu te ver. Mogelijk kunnen we hier op een ander moment, in een volgend artikel, nog aandacht aan besteden. Er zijn naast Machiavelli nog andere, minder verontrustende perspectieven om het thema nader te onderzoeken. Deze perspectieven zouden we ook op het thema ‘het recht van de sterke’ kunnen projecteren, juist in deze tijd van een pandemie. Maar laten we onszelf ook behoeden voor de behoefte aan geruststelling of een vorm van rationalistisch escapisme. Het recht van de sterkste kent een houdbaarheidsdatum. Die komt snel dichterbij als de zwakkeren, het volk, niet gezien en gehoord worden. Laat Machiavelli ons nog maar even verontrusten, het gevoel van onbehagen bij de elite versterken en het volk duiden. Deze groeiende spanning langs democratische weg kanaliseren is de leiderschapsopgave van het nieuwe kabinet. Dat leiderschap zou moeten streven naar het vruchtbaar maken van de (groeiende) spanning tussen de elite en het volk, teneinde een aantal netelige kwesties in onze samenleving op te lossen.

Het recht van de sterkste kent een houdbaarheidsdatum

“ Referenties

Anthonio, G.G. (2020). De Vorstenspiegel, Een denkraam voor leiders, professionals en andere beïnvloeders. Boom. Albright, M. (2006). De Macht en de Almacht, Over Amerika, God en de toestand in de wereld. Amsterdam. Beeckman, T. (2020). Machiavelli’s lef, Levensfilosofie voor de vrije mens. Boom. IJsseling, S. (1999). Macht en onmacht, Essays. Boom. Machiavelli, N (2019). De heerser (F. van Dooren, vert.). Polak & Van Gennep. Wiesfelt, P. (2005) De wetten van de stam, De oerwetten van het systeem en de consequenties van individu, groep en organisatie. Uitgeverij Nelissen. 33


Marie Jahoda (1907-2001) Ferdinand Mertens

B

ij lezing van het moedige verhaal van Janet Veldstra moest ik eraan denken dat ten tijde van mijn studie sociologie in Groningen, nu net vijftig jaar geleden, geen enkel boek dat we bestudeerden in de studie geschreven was door een vrouw. Er was een uitzondering, maar dat was een boek met meerdere auteurs en twee daarvan waren vrouw. Over één van die vrouwen wilde ik het altijd eens hebben, omdat ik haar gedurende mijn professionele leven altijd in gedachten heb gehouden én er recent aanleiding is om haar weer nadrukkelijker te bestuderen en te benutten. De vrouw over wie ik het heb is de Oostenrijkse Marie Jahoda (1907 – 2001) en het boek waarvan zij één van de auteurs was, was een methodologie boek: “Research Methods in Social Relations” van Claire Selltiz, Marie Jahoda, Morton Deutsch en Stuart W. Cook (1959). En niet veel later kwam ik bij Empirische Sociologie haar naam weer tegen. Ook nu niet als enige auteur maar met nog twee mannen, waarvan er een, Paul Lazarsfeld, haar man werd: “Die Arbeitslosen von Marienthal: Ein soziografischer Versuch” van Marie Jahoda, Paul F. Lazarsfeld en Hans Zeisel (1933). Deze studie behoort tot de klassieken van de sociologie! Alhoewel haar naam dus wel in Groningen rondging hebben we het nooit expliciet over haar gehad! arie Jahoda werd geboren in een Joods milieu in het Wenen van het begin van de vorige eeuw. Een periode die voor goed begrip van de geschiedenis van de sociale wetenschappen van eminent belang is geweest. Veel van de onderzoekers uit die jaren verlieten Oostenrijk na de bekende ‘Anschluss’ in 1938 met nazistisch Duitsland en kwamen weer terug in Europa in de gedaante van Amerikaanse of Engelse wetenschappers. Wat mij altijd gefascineerd heeft aan de biografieën van deze wetenschappers, is dat hun werk in de sociologie veelal verbonden was met een sterk maatschappelijk engagement. Marie Jahoda was een actief sociaal-democraat en meende dat politiek en wetenschap twee verschillende dingen zijn. Daarmee sloten ze elkaar zeker niet uit, eerder het tegendeel. De studie naar de werklozen van Marienthal waar haar naam mee verbonden is, kwam voort uit een suggestie van de leider van de Oostenrijkse socialisten, Otto Bauer (1881-1938), ten tijde van de grote economische crisis die volgde op de beurscrash van 1929. In het Oostenrijk van nu is een hernieuwde belangstelling voor het werk van hun ‘Vertriebene’, en voor Marie Jahoda heeft dat geleid tot de oprichting van een Onderzoekinstituut met haar naam én met die van Otto Bauer aan de Universiteit van Linz (Marie Jahoda – Otto Bauer Institut office@jbi.

or.at). Dat nieuwe instituut heeft haar belangrijkste werken opnieuw uitgegeven, waaronder haar dissertatie. Die was mij tot nu toe ook onbekend en heb ik recent kunnen lezen. Voor onderzoekers de moeite waard om te zien hoe nauwkeurig zij levensbeschrijvingen – biografieën – van mensen die tot haar onderzoekspopulatie behoorden, maakte. Om te voorkomen dat dit stukje alleen

Marie Jahoda. By Open Media Ltd. is licensed with CC BY-SA 3.0. https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0

F

erdinand Mertens (1946) studeerde van 1971 tot 1973 sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na in 1976 te zijn afgestudeerd in combinatie met zijn werk aan de Technische Hogeschool Twente, promoveerde hij in 1981 aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn wetenschappelijke carrière zette zich daarna voort met aanstellingen als Hoogleraar Bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (1995-1997) en Hoogleraar Toegepaste Bestuurskunde aan de Technische Universiteit van Delft (2005-2011). Binnen het openbaar bestuur was hij van 1977 tot 2005 werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, laatst als Inspecteur-Generaal van het Onderwijs. Daarna werd Mertens Inspecteur-Generaal Verkeer en Waterstaat. Van 2005 tot 2013 was hij lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, naast lidmaatschap van diverse adviesgroepen.

34


In hun onderzoek “bleek dat vrouwen

maar ‘name-dropping’ is wil ik graag nog wat kwijt over de Marienthal studie. Otto Bauer wilde meer weten over wat werkloosheid met mensen doet en of de werkloze naarmate de werkloosheid langer duurt, inderdaad meer radicaliseert en in opstand komt – een opvatting die onder verwijzing naar Marx in linkse kringen de dominante was1. De onderzoekers onder leiding van Paul Lazarsfeld (1901 – 1976) zagen de vraagstelling van Bauer als een uitdaging die ze graag met de zich toen vormende empirische sociaalwetenschappelijke benadering te lijf wilden gaan. Zij plaatsten hun onderzoek, en het ontwerp daarvoor, in de lijn van de wijze waarop tot dan geprobeerd was meer empirisch inzicht te krijgen in hoe de samenleving – en niet alleen de individuen – ervoor staat. Immers, al sinds de 19e eeuw werd er geprobeerd op meer systematische wijze inzicht te verkrijgen in hoe de mensen in de samenleving leefden, wat hun omstandigheden waren en vooral ook welke verschillen er in die omstandigheden vast te stellen waren. Een bekende vorm die met name in Engeland tot ontwikkeling kwam was die van de hoorzittingen, al dan niet direct verbonden met de volksvertegenwoordiging. Ook in Nederland kenden we deze vorm. Bekend voorbeeld is de parlementaire enquête naar de arbeidsomstandigheden van kinderarbeid in de industrie tegen het eind van de 19e eeuw. In deze enquêtes werden de inzichten ontleend aan getuigenissen van direct of indirect betrokkenen. De kwaliteit van de kennis die daarmee ontstond was uiteraard afhankelijk van de kring van getuigen en vooral van de kwaliteit van de ondervraging. De onderzoeksmatige benadering die in de 19e en begin 20e eeuw ontstond ging allereerst uit van de systematische ordening van de gegevens die er in allerlei bestanden reeds beschikbaar waren, zoals burgerlijke stand, belastingdossiers, huisvestingsgegevens, lonen en prijzen. De individuele leefomstandigheden, laat staan de beleving van de situatie, kwam nog maar beperkt aan de orde. Een belangrijke bijdrage van Lazarsfeld, Jahoda en Zeisel was dan ook om hier wel aandacht voor te hebben.

sneller liepen en dat de werkloze mannen steeds langzamer gingen lopen.

’’

in Marienthal, maar de fabriek ging in 1931 failliet, de arbeid verdween en vrijwel het hele dorp werd werkeloos. Het was in die context dat het onderzoek, waarvan de dagelijkse leiding en de verslaglegging in handen van Marie Jahoda was gelegd, werd uitgevoerd. Bij het ontwerp van het onderzoek was Paul Lazarsfeld als methodologisch al meer ervaren onderzoeker leidend; de kennis van de sociografische en andere vormen van empirisch maatschappijonderzoek werden in het bijzonder door Hans Zeisel ingebracht. Zeisel laat in een bijlage in de publicatie zien hoe de ‘empirische samenlevingskunde’ zich tot dan toe ontwikkeld had. Lazarsfeld was als onderzoeker vertrouwd met de stand van zaken in de empirisch georiënteerde psychologie, en zo ontstond een idee over een studie waarin psychologie en sociologie – die beiden, zeker de sociologie, nog nauwelijks bestonden – het referentiekader vormden en waarin de mens bestudeerd werd in zijn sociale context. Marie Jahoda duidde de studie dan ook als sociaalpsychologisch, een aanduiding waarin zijn haar hele leven naar terug verwees als het om haar inbreng ging, ook al werkte zij later vooral met en tussen empirische sociologen. De drie Marienthal-onderzoekers werden gedreven door een methodologische belangstelling om op een verantwoorde manier meer te weten te komen dan uit de onomstreden feiten en cijfers af te leiden was. Zo registreerden zij de loopsnelheid van mensen, stelden de verschillen vast tussen mannen en vrouwen en zagen die loopsnelheid als een indicator voor apathie en moedeloosheid. In hun onderzoek bleek dat vrouwen sneller liepen en dat de werkloze mannen steeds langzamer gingen lopen. De mannen waren werkeloos maar de vrouwen die de verantwoordelijkheid hadden voor het huishouden liepen sneller, want hun taak was vanwege de schaarste alleen maar moeilijker geworden.

De studie van Lazarsfeld, Jahoda en Zeisel, die gepubliceerd werd onder de titel “Die Arbeitslosen von Marienthal”, probeerde dieper inzicht te krijgen in wat werkeloosheid met een samenleving doet. Ze namen de casus Marienthal, een industriedorp dat in de 19e eeuw was ontstaan en waarin textielnijverheid het gehele dorp van arbeid voorzag. In de eerste decennia van de 20e eeuw was het redelijk goed leven

1 Otto Bauer was een ‘heel groot sociaal-democratisch politicus’ die over de belangrijke politieke thema’s van die tijd diepgaande studies schreef. Het project dat Bauer aan Lazarsfeld en Jahoda suggereerde sloot aan op zijn toen verschenen (1931) studie naar de doelmatigheidsbeweging (o.a. Taylor’s Scientific Management) in de industrie. Bauer stelde daarin de vraag welke doelmatigheid nagestreefd moet worden. Het belang van deze studie werd internationaal direct onderkend waarvan de Nederlandse uitgave/vertaling getuigt die reeds in 1932 verscheen: “Kapitalisme en Socialisme na den Wereldoorlog: Goede en verkeerde rationalisatie” (Bauer, 1932). Voor een biografie over Bauer: “Otto Bauer: Tragödie oder Triumph” (Leichter, 1970). 35


Zij bedachten ook vormen van betrokkenheid bij het leven van de te onderzoeken personen. Zo verzamelden zij kleding in Wenen en die werd in Marienthal aan de mensen beschikbaar gesteld. De onderzoekers gingen met kleren rond en maakten van het contact dat daardoor ontstond gebruik om tot interviews te komen. In die interviews maakten zij zorgvuldige analyses van de feitelijke gang van zaken in de gezinnen: hoe was de dagindeling, wat werd er gegeten, hoe werd het geld besteed werd en welke manieren er ontwikkeld waren om met de beperkte uitkeringen konden omgaan. Kortom, hoe de mensen overleefden. Ook werd nagegaan hoe het sociale leven in het dorp te lijden had onder de werkloosheidssituatie, hoe de deelname in verenigingen veranderde, hoe de politieke belangstelling zich ontwikkelde en wat met de kennisname van nieuwsmedia zoals dagbladen gebeurde. De onderzoekers waren gedurende de tijd van het onderzoek regelmatig in Marienthal te vinden. Daarbij stonden zij zoveel mogelijk ongedwongen in contact met de mensen maar gaven tegelijkertijd hun ogen en oren de kost! Uit die wijze van werken blijkt dat de onderzoekers meer wilden doen dan feiten verzamelen, maar ook dat ze niet vanuit theoretische concepten de samenleving te lijf gingen. De studie maakte bij publicatie indruk, vooral in de politiek en de vakbeweging, omdat de resultaten lieten zien dat de werkeloosheid geen vanzelfsprekende motor zou zijn voor actiebereidheid onder arbeiders maar eerder leidde tot passiviteit. De werklozen verloren hun geloof in de gemeenschap en raakten gedemoraliseerd. Het onderzoek werd uitgevoerd tussen 1931 en 1933. Twee jaar later belandde het boek op de brandstapels van de nationaalsocialisten en Oostenrijk was voor intellectuelen, wetenschappers met een Joodse achtergrond niet meer veilig. In de periode van het onderzoek trouwde Marie Jahoda met Paul Lazarsfeld. Het huwelijk was helaas van korte duur, ze scheidden in 1934, omdat, zo Jahoda, Lazarsfeld “ongeschikt voor het huwelijk” was. Beiden zagen zich genoodzaakt Oostenrijk te verlaten; Marie pas na een gevangenschap van een klein jaar. Gedurende de oorlog verbleef zij in Engeland, Lazarsfeld en hun dochter Lotte gingen naar Amerika. In 1945 ging ook Marie naar Amerika en zij keerde later terug naar Engeland in 1958 om haar leven te delen met de Engelse Labour-politicus Austen Albu.

Bij deze willen we Ferdinand Mertens hartelijk bedanken voor zijn bijdrage over de vrouwelijke socioloog Marie Jahoda. Zijn inzending bracht de redactie op het idee van een nieuwe rubriek, met teksten over belangrijke vrouwelijke sociologen, zij zijn vaak minder zichtbaar dan mannelijke collega’s. Daarom zijn we op zoek naar enthousiaste alumni, studenten of vakgroepleden die graag een vrouwelijke socioloog zouden willen belichten in de alumni-editie. Denkt u een bijdrage te kunnen leveren, stuur uw stuk dan naar: soap.redactie@gmail.com

Referenties Bauer, O. (1932). Kapitalisme en socialisme na den wereldoorlog: Goede en verkeerde rationalisatie. Querido. Jahoda, M., Lazarsfeld, P. F., & Zeisel, H. (1975). Die arbeitslosen von Marienthal: Ein soziographischen versuch (Suhrkamp ed.). Suhrkamp. Leichter, O. (1970). Otto Bauer: Tragödie oder triumph. Europa Verlag. Selltiz, C., Jahoda, M., Deutsch, M., & Cook, S. W. (1959). Research methods in social relations (2e ed.). Holt. 36


De kracht van de introvert

A

Anna van der Meulen

ls middelbare scholier was ik enigszins verlegen en hield ik me een beetje op de achtergrond. Ik genoot het meeste als ik aan het tekenen was en sprak het liefste één op één met vriendinnen af. Opvallen, aanwezig zijn en het gesprek voeren in de klas leken dé vaardigheden te zijn die je als middelbare scholier nodig had om aardig gevonden te worden. Ik voelde mij hier ongemakkelijk bij, en kwelde mezelf met het besef dat ik niet zo’n persoon was. Inmiddels ben ik minder verlegen, en weet ik mij beter een houding te geven in situaties waar ‘gek doen’ de norm is. Ik heb de afgelopen jaren geleerd mij aan te passen en niet meteen in mijn schulp te kruipen. Ik heb altijd gedacht dat dit bij mijn persoonlijke ontwikkeling hoorde, dat het gewenst is dat iedereen aanwezig en opvallend is, en je daar naartoe moet werken. Kortgeleden ben ik op een TED-talk van Susan Cain gestuit. Zijzelf heeft vergelijkbare ervaringen uit haar jeugd. Een voorbeeld dat mij is bijgebleven, gaat over de ervaring met haar eerste zomerkamp. Bij haar thuis bestond een gezellige avond vaak uit het samen lezen van boeken. Dit was dan ook één van haar favoriete bezigheden. Door met elkaar te zijn voel je elkaars aanwezigheid, maar heb je ook de mogelijkheid om rond te lopen in je eigen fantasie en te verdrinken in het boek dat je leest. Toen ze naar zomerkamp ging, verwachtte ze dat dit vergelijkbaar zou zijn, maar dan nog leuker. Dit bleek natuurlijk niet waar te zijn. Tijdens het zomerkamp stond ‘out-going’ zijn centraal en zagen anderen haar als ‘mellow’. Ze begon te beseffen dat de kwaliteiten van een introvert niet per se gewenst waren in haar omgeving, en begon eraan te werken om meer zoals een extravert te zijn. Toch voelde het voor haar alsof er iets niet klopte. Waarom zou iedereen ernaar moeten streven om de eigenschappen van een extravert te hebben?

tot hun recht komen in de Westerse samenleving zoals die nu is ingericht. Introverte mensen nemen op een andere manier waar, en pikken subtiliteiten op die anderen mogelijk over het hoofd zien. Ook zijn ze vaak creatief ingesteld, en kunnen ze unieke inzichten leveren voor beter leiderschap. Om ze deze inzichten te laten delen, moeten introverten op een subtiele manier worden gestimuleerd, hier de ruimte voor krijgen en zich comfortabel genoeg voelen. Deze bevindingen kunnen goed worden toegepast op het onderwijs. Vaak wordt er nu gebruik gemaakt van open-classroom concepten, waarbij de leerlingen of studenten in één groep worden geplaatst om te overleggen. Het gevolg hiervan is dat de conversatie wordt geleid door de meest dominante stemmen in het gezelschap. Hierdoor zullen sommige stemmen niet of nauwelijks worden gehoord, waardoor inzichten die kunnen bijdragen aan de beste uitkomst mogelijk niet kunnen worden meegenomen. Ook is het goed dat leraren en docenten zich ervan bewust worden dat studenten op verschillende manieren in elkaar steken en soms ook anders benaderd moeten worden. Zo kan het bijvoorbeeld averechts werken om een leerling erop aan te spreken dat hij of zij weinig toevoegt aan het gesprek. Indien deze leerling introvert is, doet diegene hoogstwaarschijnlijk wel actief mee, maar voelt hij of zij zich niet comfortabel genoeg om te spreken. Een uitspraak zoals deze kan dan hard aankomen, en vergroot de kans dat die leerling zijn of haar mond blijft houden. Coöperatief leren kan een oplossing bieden in het onderwijs. Hierbij wordt individuele reflectie en groepsdenken gecombineerd. Doordat leerlingen eerst de kans krijgen om individueel een mening te vormen en deze voor te bereiden, is het waarschijnlijker dat zij zich zelfverzekerd en comfortabel genoeg voelen om deze met de groep te delen en erover in discussie te gaan.

Ongeveer een derde tot de helft van de populatie kan worden gezien als een introvert. Echter, in de Westerse samenleving, waar extravertisme centraal lijkt te staan, kunnen introverten snel over het hoofd worden gezien. In tegenstelling tot wat velen denken, zijn introverte mensen niet per se verlegen. Wat hen onderscheid van de rest is dat zij gevoeliger zijn voor prikkels (lees: ook sociale prikkels). Daardoor zijn introverte mensen snel overprikkeld. Om met deze prikkels om te kunnen gaan, hebben introverten meer tijd voor zichzelf nodig en kunnen ze dichtklappen als ze hier niet de ruimte voor krijgen. Extraverten gedijen daarentegen goed op (sociale) prikkels en stimulatie.

Kortom, het is belangrijk om een ‘safe space’ te creëren waarin iedereen zich op zijn of haar gemak voelt om zijn of haar inzichten en meningen te delen. Op deze manier zullen bijkans alle inzichten naar boven komen, wat betere uitkomsten oplevert voor de samenleving. Het is belangrijk dat zowel introverten als extraverten begrijpen hoe zij zelf in elkaar zitten en hoe anderen van hen verschillen. Ook zouden introverten zichzelf niet langer moeten kwellen met de gedachte dat er iets mis met hen is; jullie leven in een samenleving die nog niet zo goed weet hoe de introvert omarmd moet worden.

Beide vormen en alle vormen ertussenin zijn belangrijk in de samenleving. Elk brengt namelijk zijn eigen kwaliteiten met zich mee. Net zoals Susan Cain pleit ik er dan ook niet voor dat één van deze vormen beter is dan de andere. Het gemis is nu enkel dat de eigenschappen van introverten niet altijd

Referenties Cain, S. (2012). The power of introverts. TED. Opgehaald van https://www.ted.com/talks/ susan_cain_the_power_of_introverts Cain, S. (2013). Quiet: The power of introverts in a world that can’t stop talking. Broadway Books.

37

Susanne Schwarz


Crisis van het sociale contract en de misplaatste discussie over vrijheid Zoltán Lippényi

In hoeverre mag de staat de vrijheid van burgers beperken om te zorgen voor hun veiligheid en gezondheid? Deze vraag krijgt vanwege het coronavirus veel aandacht, en brengt ons terug naar een oud filosofisch debat rondom het sociaal contract tussen de staat en burgers. Het sociaal contract verleent de staat het alleenrecht om geweld te gebruiken om de maatschappelijke orde te handhaven, aldus de klassieke maatschappijfilosofen John Locke, Thomas Hobbes en Jean-Jacques Rousseau. Mensen willen volgens de verlichtingsfilosofen immers niet in een natuurtoestand leven waarin het sterkste zegeviert, waarin ‘de mens de mens een wolf is’. We zijn dus bereid om een deel van hun vrijheid af te staan aan de staat, maar hoe ver mag het gaan? Breekt het contract niet langzaam af door afnemend draagvlak onder burgers om een deel van hun vrijheid in te leveren? In dit korte essay beargumenteer ik dat het sociale contract wel in een crisis verkeert, maar de crisis al langer bestaat dan de huidige noodsituatie. De oorzaken van de crisis van het sociale contract liggen ook niet bij een beperking van onze handelingsvrijheid. Het moderne sociaal contract in onze samenleving is breder dan het contract dat de filosofen van de verlichting hebben geschetst. Het gaat niet alleen om bescherming tegen geweld, gewaarborgd door de rechtsstaat: het gaat om sociale zekerheid, die de burgers verwachten van de verzorgingsstaat. Niet alleen bescherming tegen fysiek geweld van de sterkste, maar ook bescherming tegen een competitieve markteconomie waarin de sterkste ook zegeviert.

De oorzaken van de crisis van het sociale contract liggen ook niet bij een beperking van onze handelingsvrijheid.

Ik stel dat wat we vandaag meemaken een erosie is van dit ruimere sociale contract tussen staat en burgers. Ik stel ook dat het niet komt omdat de staat te veel beperkingen oplegt aan haar burgers. Integendeel, het komt omdat de staat haar burgers in grote mate heeft losgelaten. In mijn betoog grijp ik naar het concept van het ‘psychologisch contract’, ontwikkeld door een naamgenote van de Franse filosoof, de organisatiewetenschapper Denise Rousseau. Rousseau contrasteert twee vormen van een sociaal contract: het transactionele en het relationele contract. Het transactionele contract dient het doel om iets wat waarde heeft (meestal goederen en arbeid) uit te ruilen, waarna de relatie tussen de contracterende partijen stopt met bestaan. In een relationeel contract heeft de relatie zelf waarde, en het contract dient het doel de relatie in stand te houden. Een relationeel contract behoeft meer investering: een langdurige relatie veronderstelt een grotere mate van toewijding van de partijen dan een simpele ruilrelatie. En hierdoor zijn relationele contracten kwetsbaar voor gevallen waarin niet wordt voldaan aan de verwachtingen van één van de partijen. Het toepassen van het concept van het psychologische contract helpt om de crisis van het sociale contract te begrijpen. In organisaties, waar de theorie oorspronkelijk op is toegespitst, wordt het relationele psychologische contract in stand gehouden door verwachte wederzijdse waardering tussen de organisatie en de werknemer, en de daarop gebaseerde bereidheid om te investeren in de relatie. De organisatie geeft blijk van de waardering in concrete en symbolische daden: de organisatie committeert zich bijvoorbeeld aan de werknemer door het aangaan van een langdurig arbeidscontract en het bieden van ontwikkelingskansen. De werknemer laat haar waardering zien via goed burgerschap in de organisatie, ‘organisational citizenship’. Een vergelijkbare dynamiek speelt zich af tussen de staat en haar burgers. Volgens het ideaalbeeld van een goed functionerende democratie bekommert de staat zich met de welzijn van mensen die als burgers actief participeren in de samenleving. Een goed functionerende democratie impliceert dus een relationeel psychologisch contract tussen de staat en de burgers. Of het relationele contract valt of staat, hangt ervan af of er wordt voldaan aan verwachtingen van wederkerigheid. Wanneer de werknemer

38


(...) een erosie van een breder, relationeel contract tussen staat en burgers.

voelt dat de organisatie niet voldoet aan de verwachtingen van een relationeel contract - goed burgerschap wordt niet tegemoetgekomen met zekerheid en toekomstperspectief voltrekken zich onwenselijke processen. Het gevoel niet gewaardeerd te worden vermindert de bereidheid van mensen om zich in te zetten voor de organisatie. Einde goed burgerschap. Het relationele contract degradeert tot een transactioneel contract waarbij arbeidsuren worden uitgeruild voor loon en door de ‘contractbreuk’ ontstaat wantrouwen, waardoor zelfs de transactionele relatie dreigt te vervallen. Een relationeel concept van sociaal contract tussen de staat en burgers was kenmerkend voor de drie naoorlogse decennia in Westerse landen. Niet alleen bij het vormgeven van beleid, maar ook bij de manier waarop politiek werd beoefend - door zoeken naar compromis, coöperatie en wederkerigheid - stond een relationele benadering centraal. Het afbouwen van de verzorgingsstaat in de afgelopen decennia leidt in mijn optiek tot een erosie van een breder, relationeel contract tussen staat en burgers. In de jaren ’80 en ’90 interpreteerden velen de liberalisering positief, als de toename van individuele vrijheid tegenover en bemoeizuchtige en controlerende overheid. Belangstelling voor individuele vrijheid is begrijpelijk in het historische context van de Koude Oorlog, hoewel sociaaldemocratische landen in Noord-Europa er een levend bewijs van zijn dat vrijheid en de verzorgingsstaat elkaar niet uitsluiten. Er bestaat trouwens consensus over dat een koerswijziging, hier in Nederland en andere continentale landen in mindere mate dan in Amerika en Engeland, vanwege economische redenen niet te voorkomen was. “Er is geen alternatief”, zoals de befaamde doctrine van de jaren ’80 luidde. De erosie en crisis van het sociale contract is echter een onbedoeld gevolg van deze koerswijziging. Aan ene kant, door de terugkeer van de ‘nachtwakerstaat’ lijkt ook een natuurtoestand terug te keren. Niet als fysiek geweld waarin de sterkste zegeviert, maar in

de vorm van maatschappelijke en economische marktcompetitie waar de sterkste - en de slimste de bovenhand heeft en weinig of niets overblijft voor de verliezers. Deze toestand is onzeker of ‘precair’, niet alleen voor de verliezers, maar ook voor de winnaars die voortdurend competitief moeten blijven om hun status te behouden. Dit verklaart echter nog niet waarom het sociale contract in crisis verkeert. Mensen zouden zich immers kunnen aanpassen aan een ‘nieuw contract’ dat een minder ruimere taakopvatting van de staat en een meer transactionele relatie tussen de staat en de burgers voorschrijft. Maar de decennia van betrokkenheid van de staat waardoor de samenleving voorheen ongekende welvaart en sociale zekerheden kende - maakt niet zonder slag of stoot plaats voor een stelsel waarin men veel minder bescherming en zekerheid kan verwachten. En acceptatie door burgers komt zeker niet eenvoudig als goed burgerschap en ‘participatie’ in de samenleving nog steeds van hen verwacht worden. De crisis van het sociale contract wordt dus verklaard door de ervaring van de breuk met een relationeel psychologisch contract tussen staat en burgers. De eenzijdige ‘opzegging’ van het naoorlogse sociale contract door de staat leidt niet alleen tot een de toenemende mate van onzekerheid. Omdat niet voldaan wordt aan verwachtingen van wederkerigheid leidt het ook tot individualisme, terughoudendheid om te participeren, en - zorgwekkend voor het functioneren van de democratie - groeiend wantrouwen in maatschappelijke instituties. Volgens een recent rapport van Eurofound scoren Nederlanders gemiddeld een zesje - net voldoende - op algemeen vertrouwen in de nationale overheid, de Tweede Kamer, de rechtsstaat en de politie. Geweld door burgers is incidenteel en kleinschalig, zeker in vergelijking met opstanden en revoluties in de geschiedenis. Wantrouwen jegens instituties is echter wijdverbreid. Het getuigt van een crisis, en een moeizame transitie van een relationele naar een transactionele opvatting van de relatie tussen staat en burgers. De huidige coronacrisis dwingt ons om het debat over de rol van de staat en diens relatie tot burgers te herdefiniëren. Echter, dit debat moet zich niet richten op vrijheid versus veiligheid, maar op een meer fundamentele kwestie: wat mogen burgers van de overblijfselen van de welvaartsstaat verwachten, en willen we eigenlijk liever minder dan wel meer vrijheid?

39


Burgerparticipatie laat politieke ongelijkheden niet als sneeuw voor de zon verdwijnen David Vos

D

Met de Troonrede van 2013 kreeg de actieve bijdrage van burgers aan de maatschappij een benaming. De ‘participatiesamenleving’ werd het credo van het vorige decennium. De overheid neemt een meer terughoudende rol aan en laat meer over aan mensen zelf. Waarom zou de gemeente immers het groen in de straat onderhouden als bewoners dat ook zelf kunnen doen, en misschien zelfs wel beter? Op deze manier kan iedereen zijn steentje bijdragen en doen sociale ongelijkheden er niet meer toe. Dat is althans de theorie. Uit mijn eind vorig jaar afgeronde masterscriptie blijkt dat er ook in het geval van burgerparticipatie nog steeds duidelijke verschillen zijn tussen degenen die wel en niet deelnemen. Zeker als het gaat om hogeren lageropgeleiden. Toch komen er uit het onderzoek ook aanknopingspunten naar voren om een participatiesamenleving te creëren waarin daadwerkelijk iedereen mee kan doen.

e wens om burgers meer te betrekken bij politiek en besluitvorming wordt in veel overheidsbeleid steeds duidelijker zichtbaar. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de toevoeging van een apart participatiehoofdstuk in het Klimaatakkoord, en de invoering van de toekomstige Omgevingswet waarin burgers ruim baan wordt geboden om invloed uit te oefenen op de inrichting van hun woon- en leefomgeving. Ook op lokaal niveau nemen mensen steeds vaker zelf het initiatief. Zo zijn inwoners van Sauwerd zelf de supermarkt gaan runnen toen deze uit het dorp dreigde te verdwijnen en wordt er in de Groningse Oosterparkwijk geëxperimenteerd met een door loting verkozen wijkraad. Al deze nieuwe vormen van participatie zouden tegelijkertijd een oplossing kunnen bieden voor een ander, fundamenteler probleem: de ‘diplomademocratie’. In een boek uit 2011 met deze titel wordt breed uiteengezet dat hogeropgeleiden beduidend meer politieke invloed hebben dan lageropgeleiden (Bovens & Wille, 2011). Daarmee komt de democratische legitimiteit van het politieke proces onder druk te staan, wat bijvoorbeeld blijkt uit de grotere invloed die hogeropgeleiden hebben op overheidsbeleid (Schakel & Van der Pas, 2020). Het recht van de sterkste in optima forma, zou je kunnen zeggen. Met nieuwe vormen van participatie wordt op allerlei manieren gepoogd deze kloof tussen mensen van verschillende opleidingsniveaus te overbruggen. Het aanpakken van de diplomademocratie met nieuwe vormen van participatie lijkt een goed streven, maar pakt in de praktijk niet altijd even succesvol uit. Uit mijn onderzoek rijst het beeld dat hogeropgeleiden in vormen van burgerparticipatie nog altijd duidelijk oververtegenwoordigd zijn in vergelijking met lageropgeleiden. Hiervoor komen verschillende redenen naar voren. Zo blijkt het politieke vertrouwen een rol te spelen. Hogeropgeleiden hebben over het algemeen vaker het idee dat politici ontvankelijk zijn voor hun ideeën en hier ook echt naar willen luisteren. Dit vertaalt zich vervolgens in een hogere bereidheid tot participatie: mogelijk zijn mensen pas bereid zich in te spannen voor de publieke zaak, als zij er ook op kunnen vertrouwen dat overheden en andere instituties iets met hun ideeën en inbreng doen. Bij lageropgeleiden leeft vermoedelijk vaker het idee dat hun inzet ‘toch geen zin heeft’. Waarom zou je je immers druk maken over een kwestie waar je voor je gevoel uiteindelijk toch geen echte invloed op hebt?

40


Daarnaast speelt in beperkte mate ook het bredere en sterkere formele netwerk van hogeropgeleiden een rol. Zij hebben meer ‘bruikbare’ contacten, bijvoorbeeld via hun werk of door het lidmaatschap van verenigingen. In deze contexten doen zij bovendien ervaring en kennis op die goed van pas komen in burgerinitiatieven. Dat kunnen concrete vaardigheden zijn, zoals het opstellen van een begroting of plan van aanpak, maar ook ‘zachtere’ vaardigheden als samenwerken en politieke sensitiviteit. Andere organisatievormen vormen zo, in de woorden van de Amerikaanse econoom Gary Becker (1964), een leerschool voor vormen van collectieve actie. Bovendien zijn hogeropgeleiden door hun bredere en sterkere netwerk vermoedelijk ook beter op de hoogte van lokale en maatschappelijke thema’s en de manier waarop zij zich hiervoor kunnen inspannen. Voordat iemand overgaat tot actie tegen bijvoorbeeld de komst van een windmolenpark of een kerncentrale, is het immers belangrijk eerst goed voor ogen te hebben wat de potentiële nadelige gevolgen hiervan zijn en welke mogelijkheden er zijn om hiertegen een vuist te maken.

steken zijn ook burgerinitiatieven vaak nergens. Daarmee wordt zicht geboden op een mogelijke, gedeeltelijke oplossing van de burgerparticipatiekloof. Kort gezegd zou het advies kunnen luiden: werf lageropgeleiden op hun competenties. Voor sommigen is het opstellen van een financiële jaarrekening of het doorspitten van lastige beleidsstukken niet altijd even makkelijk of interessant. Toch kunnen hun andere ervaringen en vaardigheden wel degelijk van groot belang zijn voor de voortgang en het uiteindelijke succes van een burgerinitiatief. Door lageropgeleiden, en mogelijk ook andere ondervertegenwoordigde groepen, actief op te zoeken en hun vaardigheden te benutten, laat je hen zien dat ze het initiatief echt verder kunnen helpen en onderstreep je hun toegevoegde waarde. Met deze les in het achterhoofd kan ervoor worden gezorgd dat het ‘recht’ op participatie voortaan niet alleen meer bij de ‘sterkste’ groep hogeropgeleiden ligt. Meer informatie of de volledige scriptie lezen? Neem dan contact op met David via drfvos@outlook.com.

Bij lageropgeleiden leeft vermoedelijk vaker het idee dat hun inzet ‘toch geen zin heeft’

Referenties

Toch biedt het onderzoek ook perspectief. Perspectief op het overbruggen van de burgerparticipatiekloof. Uit mijn onderzoek komt namelijk ook naar voren dat lageropgeleiden hun weg beter weten te vinden naar meer lokale vormen van participatie, in de eigen straat of buurt. Met name wanneer de vergelijking wordt gemaakt met vormen van inspanning gericht op landelijke of mondiale kwesties. In interviews met verschillende deelnemers aan lokale initiatieven in de provincie Groningen geven lageropgeleiden aan dat hun praktische vaardigheden op lokaal niveau beter tot hun recht komen. Zo benoemde één van de geïnterviewden dat zijn ervaring als kok in de horeca uitstekend van pas komt in de Dorpshuiskamer waarvoor hij actief is. De duidelijke en overzichtelijke kaders van een lokaal initiatief en de ‘aanpakkersmentaliteit’ die hier heerst lijken daarmee beter aan te sluiten bij de participatiewensen van lageropgeleiden. Niet voor niets wordt tegenwoordig ook wel gesproken over ‘praktisch’ en ‘theoretisch’ geschoolden in plaats van hoger- en lageropgeleiden. Zonder mensen die de handen uit de mouwen willen én kunnen

Becker, G.S. (1964). Human Capital: A theoretical and empirical analysis, with special reference to education. University of Chicago Press.

Bovens, M., & Wille, A. (2011). Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Uitgeverij Bert Bakker. Schakel, W., & Van der Pas, D. (2020). Degrees of influence: Educational inequality in policyrepresentation. European Journal of Political Research. Online voorpublicatie. https://doi.org/10.1111/14756765.12405

41


Mike Arney

De paradox van “Het recht van de sterkste”: Fysieke kracht en deontische macht Frank Hindriks De gorilla die het hoogst op de apenrots zit, is het sterkst. Die heeft de meeste seks. De andere mannetjes hebben het nakijken. Als zij de alfaman uitdagen, dan zullen ze daar spijt van krijgen. De sterkste handhaaft zijn positie namelijk met fysiek geweld. Tegelijkertijd hebben ze er allemaal baat bij als ieder zich daarnaar schikt. De alfaman beschermt namelijk de groep. Maar heeft de leider van een troep gorilla’s ook ergens recht op? Je zou kunnen denken dat hij zijn recht opeist als hij het gevecht aangaat met een rivaal. Maar de keerzijde van een recht is een plicht. En rivalen hebben geen plicht om de positie van de alfaman te respecteren. Nog sterker, een krachtige rivaal heeft alle reden de strijd aan te gaan. Als hij wint, dan verstoot hij daarmee de leider en neemt zijn positie over. De frase ‘Het recht van de sterkste’ heeft iets paradoxaals. Rechten zijn bedoeld om belangen te beschermen. En die hoeven alleen maar beschermd te worden als mensen zich in een kwetsbare positie bevinden. De sterkste heeft dus geen rechten nodig, zou je denken. Die is een alfaman. Toch ligt het niet zo eenvoudig. Onder mensen moet iemand rechten hebben om de sterkste te zijn. Die kan daar dan misbruik van maken. Als het recht van de sterkste geldt, dan worden rechten met voeten getreden.

42


De sterkste heeft dus geen rechten nodig, zou je denken.

Macht verboden. En het kan zo zijn dat je niet de plicht hebt om iets niet te doen. Dan is het toegestaan. Vanwege deze verbanden reikt het begrip deontische macht verder dan plichten en omvat het verboden en permissies. En omdat je rechten kunt definiëren in termen van plichten, vallen ook die onder deontische machten.

Vladimir Poetin, Recep Tayyip Erdogan en Donald Trump, in ieder geval toen hij nog president was, zijn goede voorbeelden. Dankzij een invloedrijke positie laten zij het recht van de sterkste gelden. Hoe werkt dit nu eigenlijk? Fysieke kracht is iets anders dan sociale macht. Thomas Hobbes ging ervan uit dat de fysieke verschillen tussen mensen onderling klein zijn. Een klein tenger meisje kan zich natuurlijk in een bepaalde situatie bedreigd voelen door een grote gespierde man. Maar in grotere groepen zijn dit soort verschillen niet bepalend. Ook al heeft Poetin een uitstekende conditie, dit kan van Trump niet gezegd worden. En toch had ook Trump veel macht (en wie weet nog steeds).

De rol die iemand heeft binnen een organisatie bestaat uit deontische machten. Een docent heeft rechten, waaronder het vaststellen van deadlines. Een dokter heeft de plicht zieken te genezen, voor zover mogelijk. En een dominee moet zieltjes redden. In principe geeft een rol de persoon die haar bekleed redenen om bepaalde dingen te doen. Hetzelfde geldt voor de mensen om haar heen, zoals studenten, patiënten en gelovigen. Mensen die hun rol goed vervullen ontlenen daar vaak een bepaald gezag aan. De mensen om hen heen schrijven dan meer gewicht toe aan de redenen die ze hebben.

Sociologen verbinden macht met legitimiteit. Daarmee slaan ze de spijker op de kop. Maar het is belangrijk goed zicht te hebben op wat dit betekent. Macht heeft met redenen te maken (net zoals rechten gepaard gaan met plichten). Iemand die macht heeft kan invloed uitoefenen op de redenen van anderen. Denk bijvoorbeeld aan een rechter die haar hamer gebruikt om mensen tot de orde te roepen, aan een verkeersagent die verkeer omleidt en aan een docent die een deadline geeft voor het inleveren van een opdracht.

De gorilla die zijn ‘recht’ doet gelden heeft gewoon de meeste fysieke kracht. Maar iemand die dat als mens doet, kan een iel mannetje of vrouwtje zijn. Hij of zij heeft wel sociale macht nodig. En die is dus deontisch. Dergelijke macht kan ook informeel zijn. Denk bijvoorbeeld aan een maffiabaas. Ook die heeft (sociale) rechten en plichten, in ieder geval binnen eigen kring. Verder kan sociale macht prima samengaan met fysiek geweld. Maar iemand die echt sterk is, zal daar niet zelf zijn of haar handen aan vuil maken.

De macht van de overheid wordt ondersteund door haar geweldsmonopolie. Zij is de enige partij die in een beschaafd land het recht heeft om geweld te gebruiken, met behulp van de politie of het leger. Maar macht kan ook bestaan zonder de dreiging van fysiek geweld. De filosoof John Searle (1995, 2010) legt dit uit met behulp van het begrip deontische macht. ‘Deontisch’ heeft betrekking op plichten. Maar je kunt ook verplicht zijn iets niet te doen. Dan is het

Van sociale macht kun je misbruik maken. Je kunt dissidenten in de gevangenis gooien, transmensen hun rechten afpakken of de grondwet aanpassen zodat je langer kunt regeren. Zo ondermijn je de rechtstaat voor eigen status en gewin. En dat dus mede dankzij je rol of positie. Dan geldt het recht van de sterkste. Prof. dr. Frank Hindriks is hoogleraar Ethiek, Sociale en Politieke Filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is tevens directeur van het Centre for Philosophy, Politics and Economics van de Rijksuniversiteit. Zijn onderzoek richt zich op sociaal-ontologische vraagstukken, politieke filosofie en ethiek.

Referenties Searle, J. (1995). The Construction of Social Reality. The Free Press. Searle, J. (2010). Making the Social World: The Structure of Human Civilization. Oxford University Press. 43


De Tirannie van Verdienste. Over de toekomst van de democratie. Michael Sandel (2020) Rie Bosman en Arie Glebbeek Is Meritocratie iets goeds of iets slechts? Voor de bedenker van de term, de Engelse socioloog Michael Young, was het in zijn boek “The Rise of the Meritocracy 1870-2033” (gepubliceerd in 1958) duidelijk het laatste. De spelregels van de meritocratie en de bijbehorende opkomst van een nieuwe elite van hogeropgeleiden zouden de samenleving onvermijdelijk doen ontwrichten. Het gekke is dat in de politiek en in de onderwijspraktijk de term ‘meritocratie’ juist als een geuzennaam werd omarmd. Hij drukte uit dat iedereen een goede maatschappelijke positie voortaan door eigen prestaties moest ‘verdienen’ (‘merit’). Dit zou een radicale breuk vormen met de oude situatie waarin kinderen van rijke en aanzienlijke ouders hun rijkdom en posities eenvoudig konden overerven, en waarin het onderwijssysteem (als tussenschakel) overwegend als ‘standenonderwijs’ was ingericht. In een meritocratie zouden alle kinderen gelijke kansen krijgen om in het onderwijs te bewijzen wat zij waard zijn. Aldus konden ook kinderen uit lagere milieus toegang verwerven tot de hogere sporten op de maatschappelijke ladder.

Het is steeds duidelijker geworden dat er aan deze visie twee problemen kleven. Al tientallen jaren geleden wezen kritische onderwijssociologen erop dat ‘gelijke kansen’ een fictie is. Het onderwijs is bij uitstek het toernooiveld voor kinderen van hoogopgeleide ouders en (waar dat niet genoeg is) hebben die ouders tal van hulpbronnen om de onderwijsloopbaan van hun nakomelingen effectief te ondersteunen. “Education cannot compensate for society”, zo drukte onderwijssocioloog Basil Bernstein het al een halve eeuw geleden uit. Toch blijven de meeste politieke partijen, verkiezingswinnaar D66 voorop, deze fictie van gelijke kansen omarmen. Er moet steeds meer geld in het onderwijs worden gestopt om haar na te jagen.

En ja, daartoe rekenen we ook nadrukkelijk alle sociologiestudenten, want het gaat bij uitstek ook over jullie meritocratische maatschappij- en zelfbeeld.

Het tweede probleem is zo mogelijk nog venijniger. Ongeacht de mate waarin ‘gelijke kansen’ worden gerealiseerd, creëert de meritocratische onderwijsselectie een nieuwe verliezersklasse die zich tot op het bot miskend en vernederd voelt. Niet voor niets liet Michael Young de denkbeeldige schrijver van zijn toekomstvisioen op gewelddadige wijze omkomen tijdens een ‘populistische revolte’ in 2033. Het is nu 2021. Is er ooit een betere sociologische toekomstvoorspelling geschreven? In zijn nieuwe boek “The Tyranny of Merit” (2020) adresseert de vooraanstaande filosoof Michael Sandel de beide fundamentele problemen van de meritocratie op actuele en niet mis te verstane wijze. Het is een boek dat alle sociologen zouden moeten lezen. En ja, daartoe rekenen we ook nadrukkelijk alle sociologiestudenten, want het gaat bij uitstek ook over jullie meritocratische maatschappij- en zelfbeeld.

Michael Sandel, hoogleraar politieke wetenschappen aan Harvard, schreef belangrijke boeken als “Justice” en “What money can’t buy”, maar is vooral beroemd geworden door zijn openbare online colleges over rechtvaardigheid. Al zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands, en ook “The Tyranny of Merit” lag al in het jaar van verschijnen in de Nederlandse boekhandel onder de titel: “De Tirannie van Verdienste. Over de toekomst van de democratie” (2020). In zeven zeer toegankelijk geschreven hoofdstukken met treffende titels betoogt Sandel wat er mis is met het ongebreidelde geloof in de meritocratie. Eerst even terug naar de theorie. 44


Centraal in het meritocratische ideaal staat het postulaat van gelijke kansen, op basis van de volgende redenering: (1) In een meritocratie mag selectie in het onderwijs enkel op basis van bekwaamheid (IQ, aanleg) en geleverde prestaties plaatsvinden, en (2) als er maar gelijke kansen zijn in de verdeling van personen over ongelijke posities, is daarmee de ongelijkheidsstructuur zelf gelegitimeerd. Dat die bereikte posities op zichzelf gekenmerkt worden door ongelijkheid is geen probleem, als de weg erheen maar gelijke kansen biedt aan alle hordelopers. Een meritocratie met een ‘level playing field’ biedt dus gelijke kansen op ongelijke maatschappelijke posities, en onderwijs heeft in de deze redenering een sleutelpositie. ‘De sleutelmacht van de school’, zoals Ph. J. Idenburg dat in Nederland al in de jaren vijftig noemde. Ook in het boek van Sandel speelt onderwijs een centrale rol. Sandel begint zijn boek met een treffend voorbeeld van de praktijken bij de SAT-toets, het uiterst competitieve en selectieve toelatingsexamen tot een universitaire opleiding in de Verenigde Staten, met name als het om de Ivy League en andere prestigieuze universiteiten gaat. De toegang tot deze felbegeerde opleidingsinstituten is (in elk geval op papier) meritocratisch georganiseerd, wat betekent dat degenen die worden toegelaten op basis van eigen verdienste hun toelating hebben verdiend en recht hebben op alle daaruit voortvloeiende voorrechten. Ouders getroosten zich grote inspanningen, ook financiële, om voor hun kinderen toegang tot de meest selectieve instituten te verwerven. Leerlingen zijn hun hele schoolloopbaan verwikkeld in een ‘wapenwedloop’ om de juiste cijfers te halen, het juiste CV samen te stellen en de hoogste SAT-score te behalen. De druk is zó groot, dat veel ouders grote sommen geld betalen aan extra onderwijsondersteuning en bijlessen, of over gaan tot alternatieve en zelfs frauduleuze manieren waarop toegang kan worden bemachtigd. De publieke reacties op deze meer en minder legitieme middelen laten echter altijd eensgezind zien dat toelating uitsluitend gebaseerd dient te zijn op eigen talent en verdienste: aan de legitimiteit van dat principe wordt niet getornd. Sandel doet dat wél, en hij koppelt de obsessie van ouders om voor hun kinderen een plaats op een topuniversiteit te bemachtigen aan de toenemende ongelijkheid in de samenleving. Een studie aan een topuniversiteit garandeert niet alleen een maatschappelijke positie en een welvarend bestaan voor hun kinderen, maar geeft daaraan een meritocratisch cachet: ze hebben het ‘zélf verdiend’ door eigen talent en inspanning. Het ‘verdienen’ komt ook tot uitdrukking in de titel van het eerste hoofdstuk, “Winnaars en verliezers”. In dit hoofdstuk staan de gevestigde partijen en elites tegenover de woedende populistische bewegingen in Europa en de VS: de winnaars en de verliezers van de “technocratie en marktvriendelijke mondialisering”. Er zijn twee diagnoses van deze onvrede: ten eerste vijandigheid jegens immigranten en etnische minderheden, en ten tweede de snelle technologische veranderingen die veel laaggeschoolden van hun werk en hun toekomst hebben beroofd. “Het is niet moeilijk te begrijpen hoe geloof in markt en technologie de weg heeft gebaand voor de huidige populistische onvrede. De marktgedreven versie van de mondialisering heeft tot groeiende ongelijkheid geleid en bovendien gevoelens van nationale identiteit en vaderlandsliefde van hun waarde beroofd” (p. 31). Sandel voegt aan die beide diagnoses een belangrijke derde verklaring toe. De nieuwe technocratische, mondiale en marktvriendelijke omstandigheden hebben “veel arbeid van haar waardigheid … beroofd en veel mensen uit de arbeidersklasse achtergelaten met een gevoel dat ze vrijwel 45

geen macht hebben over hun eigen leven en geen enkel respect genieten” (p. 30). De beschrijving doet denken aan de ‘Strangers in their own land’ met wie Arlie Hochschild sprak voor haar gelijknamige boek uit 2016. Sandel benadrukt dat het meritocratische ethos resulteert in veranderende condities voor maatschappelijke erkenning en waardering; het feliciteert de winnaars, maar kleineert de verliezers. Bij de winnaars leidt dit tot hoogmoed, bij de verliezers tot vernedering, ressentiment, en wrok. Denk aan de Brexit, denk aan de gele hesjes in Frankrijk. Ewald Engelen sprak in de Groene van “het terechte chagrijn van de praktisch geschoolden”. In de Verenigde Staten heeft dit tot een politieke verschuiving geleid waarin arbeiders en laagopgeleiden, die traditioneel Democratisch stemden, zich steeds meer tot de Republikeinen hebben gericht en op Trump hebben gestemd of het Capitool hebben bestormd. Omgekeerd stemmen hoogopgeleiden juist in toenemende mate Democratisch. In Nederland zien we bij de recente verkiezingen hetzelfde patroon. Sandel is een erudiet en meeslepend schrijver. In het volgende hoofdstuk analyseert hij de geschiedenis van de ‘eigen verdienste’ met behulp van de Bijbel, de Reformatie, Weber en Durkheim, en de grondleggers van de Verenigde Staten, om te eindigen met Martin Luther King, Obama en Trump.


Sigmund 22 maart 2021, door P. de Wit, geraadpleegd op https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/sigmund~ba7b0503/ ©Peter de Wit 2021

In “De retoriek van het opklimmen” komen we op het bekende terrein van de sociale mobiliteit: de belofte dat iedereen het zover kan brengen als eigen aanleg en inspanning dat toelaten. De werkelijkheid is anders: de explosief stijgende ongelijkheid van de afgelopen decennia heeft niet geleid tot grotere sociale mobiliteit. Integendeel: de bevoorrechte klassen in de samenleving doen er alles aan om hun privileges door te geven en de klasse-positie van hun kinderen te waarborgen. De meritocratie wordt, net als de aristocratie, erfelijk. Maar nu niet via bezit van land of goederen, maar via – desnoods duur gekocht – onderwijs. Een parentocratie, zoals Britse socioloog Philip Brown dit model al in 1990 noemde. Sandel beschrijft deze sleutelmacht van diploma’s als Credentialisme en noemt dit “het laatste aanvaardbare vooroordeel” in de bijbehorende hoofdstuktitel. “In een tijd waarin racisme en seksisme in diskrediet zijn geraakt (….) is credentialisme de laatste maatschappelijk aanvaardbare vorm van discriminatie” (p. 134). Dit wordt nog versterkt doordat de elites zich totaal niet generen voor hun vooroordelen en hun negatieve houding ten opzichte van laagopgeleiden, maar wijzen op individuele verantwoordelijkheid, een negatief oordeel dat de betrokkenen ook zelf (gaan) delen (p.135).

Sandel bespreekt ook dezelfde diploma-democratie die voor Nederland werd beschreven En door Marc Bovens en wat doet het Anchritt Wille (2011) meritocratische en dezelfde gestresste ‘bijlesgeneratie’ uit het vertoog met degenen boek van Louise Elffers wiens talenten (2017) en waarschuwt: onvoldoende marktwaarde “Een compleet politiek beleid optrekken hebben? Hoe moeten rondom het idee dat zij een waardig en een universitair diploma waardevol leven een basisvoorwaarde is voor waardige arbeid en leiden? maatschappelijke achting heeft een ondermijnende uitwerking op het democratische leven. Het berooft mensen zonder universitair diploma van hun waarde, voedt vooroordelen tegenover laagopgeleide leden van de samenleving, sluit de meeste arbeiders uit van een gekozen ambt en leidt tot het ontstaan van een politieke tegenstroom.” (p. 147). Uiteraard heeft deze de facto uitsluiting van laagopgeleiden uit de politiek ook grote consequenties voor de prioriteiten en de besluitvorming op de politieke agenda. Ook daar zijn de gevestigde partijen en de elites de winnaars.

Het principe van de eigen verdienste blijft in alle analyses over de VS fier overeind: “De boog van het morele universum mag dan buigen naar rechtvaardigheid, maar God helpt degenen die zichzelf helpen” (p. 84). Zo krijgen de winnaars ook nog eens Gods zegen.

In de laatste twee hoofdstukken gaat het over de twee domeinen die centraal staan in de meritocratische opvatting van succes: onderwijs en werk. Vooral hoofdstuk 7, “De waardering van werk”, en de conclusie “Verdienste en het algemeen welzijn” zijn sterk. Het is volgens Sandel onjuist om ervan uit te gaan dat de marktwaarde van een bepaalde baan een afspiegeling is van de bijdrage aan het algemeen welzijn. Hij laat de onjuistheid van deze aanname overtuigend zien aan de hand van de buitenproportionele inkomens in de financiële dienstverlening. Dit is een van de centrale vragen van het boek: waarom hebben de getalenteerden onder ons de buitensporige beloningen verdiend waarmee marktgedreven samenlevingen succesvolle mensen overladen? En wat doet het meritocratische vertoog met degenen wiens talenten onvoldoende marktwaarde hebben? Hoe moeten zij een waardig en waardevol leven leiden?

46


Regelrecht aangrijpend is de beschrijving van de wanhoopssterfte, deaths of despair, een term bedacht door twee economen van Princeton die ontdekten dat de gemiddelde levensverwachting in de VS in de periode 2014-2017 voor het eerst in honderd jaar afnam en voor lageropgeleide blanken al vanaf 1998. Case en Deaton (2020) stelden vast dat de sterftecijfers stegen door een epidemie van sterfgevallen door zelfdoding, een overdosis drugs, en leverziekten als gevolg van alcoholmisbruik. Zij ontdekten bovendien dat ‘wanhoopssterfte’ vrijwel geheel plaatsvond onder mensen zonder universitair diploma, een afspiegeling, volgens Case en Deaton, Het “van het langzaam verloren gaan van een levenswijze van de witte, minder hoog opgeleide arbeidersklasse.” (p. 146). Een sterkere meritocratische aanwijzing van de uitzichtloosheid van de ‘verliezers’ is bijna niet ideaal is geen mogelijk.

oplossing voor ongelijkheid, het is via onderwijs en sociale mobiliteit een rechtvaardiging van ongelijkheid.

De conclusie van het boek is als volgt samen te vatten: “Een perfecte meritocratie laat weinig ruimte voor de solidariteit die kan ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan begunstigen of zwaar kan treffen. Dat is de reden waarom ‘loon naar verdienste’ een vorm van tirannie is – een onrechtvaardig regime.” (p. 39). Niet dat verdienste niet belangrijk is, maar “Onze technocratische versie van de meritocratie heeft de band tussen verdienste en morele oordelen verbroken.” (p. 43).

Michael Sandel heeft een zeer belangrijk boek geschreven, een must-read voor elke socioloog. Het meritocratische ideaal is geen oplossing voor ongelijkheid, het is via onderwijs en sociale mobiliteit een rechtvaardiging van ongelijkheid. Misschien is het zelfs wel een versterker van ongelijkheid: het streven naar het meritocratisch ideaal heeft de ongelijkheid alleen maar scherper gemaakt. Het is de grote verdienste van Michael Young dat hij dat in 1958 al voorzag. Michael Sandel laat ruim 60 jaar later onverbloemd zien welke onverbiddelijke gevolgen de meritocratie heeft voor solidariteit, voor de democratie, en vooral voor de verliezers zelf.

Referenties Bovens, M. & Wille, A. (2014). Diplomademocratie: over de spanning tussen meritocratie en democratie. Bert Bakker. Brown, P. (1990). ‘The third wave’. Education and the ideology ofparentocracy. British Journal of Sociology of Education, 11(1), 65-85. Case, A., & Deaton, A. (2020). Deaths of despair and the future of capitalism. Princeton University Press. Elffers, L. (2017). De bijlesgeneratie: opkomst van de onderwijscompetitie. Amsterdam University Press. Hochschild, A. (2018). Strangers in their own land. Anger and Mourning in the American Right. The New Press. Sandel, M. J. (2020) De Tirannie van Verdienste. Over de toekomst van de democratie. Ten Have. Young, M. (1958). The Rise of the Meritocracy 1870-2033. Thames and Hudson.

47


A strongman by any other name Daniël Veennema

Donald Trump heeft eigenlijk geen introductie nodig. De voormalige president van de Verenigde Staten is in zijn vier jaar aan de macht wereldwijd een berucht figuur geworden. Met zijn recente verlies tegen Joe Biden is hij voor nu wat meer naar de achtergrond getreden. Zoals het nu lijkt is hij echter niet uitgesloten van een nieuwe gooi naar het presidentschap in 2024. Animo onder het Amerikaanse electoraat lijkt zeker aanwezig. Zo’n 54 procent van de Republikeinse stemmers geeft momenteel aan dat ze Trump in 2024 weer zouden willen zien als de Republikeinse presidentskandidaat (Yokley, 2021). Daarmee komen we aan bij mogelijk het vreemdste fenomeen rondom Trump: de ware persoonlijkheidscultus die rond hem is ontstaan.

48


L

os van zijn imago onder ons in Nederland, was Trump zeker een machtige man. Als president van de Verenigde Staten had hij een ongekend grote invloed op de wereldpolitiek. De president kon zelfstandig enorm veel verzetten. Dit hebben we ook vaak meegemaakt, wanneer Trump door simpelweg een papiertje te tekenen alle immigratie uit meerdere landen kon stopzetten voor een lange periode (Amnesty International UK, 2017).

een angst voor veranderende culturele normen en waarden. De angst die leeft onder deze mensen geeft een verlangen naar zo’n ‘sterke man’. Binnen de bubbel waarin deze mensen leven is Trump hiermee langzaamaan uitgegroeid tot een reddend, beschermend figuur. Dit maatschappelijke concept van een ‘sterke man’ en deze president die gezien wordt als een redder worden langzaam één. Wat overblijft is een voor buitenstaanders vreemde karikatuur. Uiteindelijk is de leider van een land toch maar een mens. Een politicus wordt verkozen om mensen te representeren. In een democratie zou het erom moeten gaan of jij wil dat deze persoon jou en jouw waarden representeert in de politiek. Een gezonde afstand van politici bewaren is altijd een goed idee. Kritisch blijven om wie jou representeert is belangrijk. We kunnen hopen dat mensen politici zoals Trump in de toekomst meer accepteren zoals ze zijn als politicus, en misschien wat minder de focus leggen op zijn wel of niet bestaande ‘masculiniteit’.

Dan heb je het concept van een ‘sterke man’. Hoe dit vorm krijgt zal uiteraard verschillen tussen verschillende landen en culturen. Over het algemeen is het gebaseerd op een maatschappelijk idee van masculiniteit. Voor de lezer roept ‘sterke man’ of ‘grote man’ misschien bepaalde beelden op, ook verbonden met bepaalde ideeën die ten grondslag liggen aan onze patriarchale samenleving. Een sterke man geeft leiding, neemt het voortouw. Het is een gespierde man, die zijn land en familie beschermt. De combinatie van president Trump en de gespierde ‘sterke man’ klinkt misschien vreemd. Trump heeft ongelooflijk veel macht gehad in zijn presidentschap. Zijn uiterlijk staat echter ver van het stereotype beeld van een masculiene leider. Toch lijken deze twee beelden in de hoofden van veel Trump-aanhangers verenigd te worden. Een voorbeeld is te zien in de afbeelding links. Trump wordt afgebeeld als een hele sterke, gespierde man. Op het internet zijn eindeloos veel voorbeelden te vinden van Trump afgebeeld als zeer gespierde man, als een trotse nationalist met de Amerikaanse vlag, als empathische familieman.

Referenties Amnesty International UK. (2017, 21 augustus). A licence to discriminate: Trump’s Muslim & refugee ban. https://www.amnesty.org.uk/ licence-discriminate-trumps-muslim-refugeeban Yokley, E. (2021, 16 februari). Trump Emerges From Impeachment Trial With Sturdy Backing From GOP Voters. Morning Consult. https://morningconsult.com/2021/02/16/ trump-gop-support-impeachment-poll/

Wat exact de reden is voor dit fenomeen, is lastig te zeggen. De persoonlijkheidscultus rond Trump is überhaupt lastig te begrijpen. Veel factoren hebben een rol gespeeld in de bizarre manier waarop veel mensen in de Verenigde Staten Trump tot een ware vrijheidsstrijder hebben gemaakt. Om dit te begrijpen is het beeld van Trump dat in Nederland heerst weinig inzichtgevend. Voor ons is deze vreemde fanart van Trump misschien wel het opvallendste stukje van de verheerlijking die rondom hem bestaat. Trump is in de ogen van zijn volgers haast onaanraakbaar. Mensen die binnen deze groep vallen krijgen van alle kanten te horen hoe goed Trump het doet. Ze horen het op het nieuws dat ze consumeren. Ze lezen het in de Facebookgroepen waar ze in zitten. Ze horen het van hun vrienden en collega’s. Aan de andere kant is er ook weer een sterke angst aanwezig. Vooroordelen zijn vaak gegrond in angst en onbegrip. Een grote angst voor ‘radical communist’ Joe Biden, een angst voor immigratie, 49


Is zwak het nieuwe normaal? Franck Fluitman

Zwak was niet normaal volgens Darwin. Hij heeft het vast nooit zo letterlijk gezegd, maar zijn evolutietheorie impliceert het. Zwakke individuen waren niet opgewassen tegen de wrede natuur. Om een kans op overleven te hebben was mentale en fysieke gezondheid een noodzakelijk goed. Om de overlevingskansen van een soort te vergroten heeft de natuur er alles aan gedaan om te zorgen dat de sterkste genen worden doorgegeven. Mannen met een sterke fysieke en mentale weerbaarheid waren aantrekkelijker voor de vrouwen, en hadden hierdoor een grotere kans om zich voort te planten en hun genen door te geven. Natuurlijk hebben wij als mensen, net als andere dieren, tevens onze kansen weten te vergroten door in groepen te gaan samenwerken. Hierdoor werd empathie, net als weerbaarheid, een genetisch voordeel. Zij die beter konden samenwerken, konden immers beter overleven. Door de eeuwen heen is onze cirkel van empathie steeds groter geworden. Eerst reikte die niet verder dan mensen van de eigen stam, tegenwoordig zijn mensen in staat empathie te voelen voor mensen die niks anders met hen gemeen hebben, dan het mensen zijn. Goede doelen voor hulp aan arme landen zijn hier een mooi voorbeeld van.

Een zwakkere gezondheid is evolutionair gezien ongunstig voor zowel het individu als de groep. De overlevingskansen van het individu nemen natuurlijk af. Maar het helpen van de zwakkeren brengt ook kosten met zich mee binnen een groep. Iemand die ziek is moet immers door iemand verzorgd worden. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat de natuur hier rekening mee gehouden heeft. Zo sluiten honden met een verzwakt immuunsysteem zichzelf af van de roedel (Corrigan, 1998). Zelfs als de andere honden proberen deze weer bij de roedel te krijgen, lukt dat niet. De mens is tegen de natuur in gegaan en is het als morele verplichting gaan zien om de zwakkeren te helpen. Het is een vooruitgang dat wij oudere mensen niet in het bos achterlaten, geestelijk beperkten niet wegstoppen in een kelder en zieken niet afschieten als een paard met een gebroken been. Het is mooi dat je op oudere leeftijd nog, met wat hulp, kan genieten van je oude dag en je bij ziekte wordt geholpen door de moderne geneeskunde. Het is mooi dat wij zover zijn gekomen. Dit heeft alleen wel tot gevolg dat mensen minder verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gezondheid, want als je ziek wordt, wordt je toch wel geholpen. Mensen zien een gezond leven als een last, in plaats van iets goeds. Dat je zwak mag zijn, betekent echter niet dat je ook zwak moet zijn.

Zwak zijn is zo normaal geworden, dat de helft van de mensen lijdt aan overgewicht (Rosman, 2019). Wat voor impact dit op je gezondheid heeft blijkt wel als we even een kijkje nemen op de IC’s, waar ook ter wereld. Deze zijn veelal gevuld met mannen met overgewicht. Natuurlijk is zwakke gezondheid niet altijd iemands eigen schuld. Bepaalde aandoeningen zijn nou eenmaal erfelijk. Het is alleen wel een feit dat de hele wereld plat ligt omdat we de zwakkeren willen helpen. Een gedeelte daarvan is zwak door eigen toedoen, hoewel vaak onbewust. Ik zeg niet dat we met een volledig gezonde bevolking niets hadden gemerkt van het corona virus. Ik weet alleen wel vrij zeker dat de kosten vele malen lager hadden gelegen. Nu zijn er ook zeker veel mensen die het tij keren en wel gezond leven. Dit moet ook wel, want tot dusver blijft een massale gezondheidscampagne van de overheid uit. Corona is immers een probleem van IC-capaciteit, niet één van algemene gezondheid. Jammer, want minder zwakkere mensen betekent minder kosten voor de maatschappij. Pak daarom je maatschappelijke verantwoordelijkheid en neem je gezondheid in eigen hand. Een maatschappij is immers enkel zo sterk als zij die hem dragen. Ga sporten, eet wat groenten, ga eens vasten en neem wat vitamine D. Gun je lichaam wat, gun jezelf wat. Maak jezelf gezond. Maak sterk het nieuwe normaal.

Referenties Corrigan, F. M. (1998). Depression: Immunological resignation of the will to live? Medical Hypotheses, 50(1), 9-18. https://doi.org/10.1016/s0306-9877(98)90171-2 Rosman, C. (2019, 27 november). Nederlanders steeds langer én steeds zwaarder. Algemeen Dagblad. https://www.ad.nl/binnenland/nederlanders-steeds-langer-en-steeds-zwaarder~a3f876511/

50


7 Verlengen Bauke van der Kooij

Laat ik meteen tot mijn punt komen: de week is te kort. Niet de werkweek, niet het weekend: de week. Kijk, dat een jaar een jaar is, snap ik, want in die tijd draait de aarde (bij benadering) om de zon heen. En dat een dag een dag is, snap ik ook wel weer, want in die tijd draait de aarde om zijn eigen as. Maar dat een week een week is, slaat eigenlijk helemaal nergens op. Waarom is een week zeven dagen? Natuurlijk schiep God de aarde in zeven dagen, en baseerden de Babyloniërs de zevendaagse week op een kwart van de maankalender, maar dat vind ik niet afdoende. En juist omdat er niet zo’n verzadigende reden voor is als voor de dagen en de jaren, vind ik best dat we de lengte van de week ter discussie mogen stellen.

Onze maatschappij is zó ontzettend ingericht op deze week van zeven dagen, dat elke verbetering van de lengte van de week een ongelooflijke maatschappelijke verbetering teweegbrengt. Mijn voorstel is dan ook een week van negen dagen: een werkweek van zes dagen, en drie dagen weekend. Nu is het zo dat je maandag niet productief bent na het weekend, op donderdag het weekend al ruikt en vrijdag de hele dag verlangt naar het weekend. Dan is het eindelijk weekend, knipper je twee keer met je ogen en is het alweer maandagochtend. Niet genoeg tijd om productief te werken, en ook niet genoeg tijd om bij te komen van je werkweek. Als dit systeem nou objectief het beste zou zijn, is dat prima, maar nogmaals, dit systeem is al duizenden jaren oud en in vierhonderd voor Christus liepen er een stuk minder arbeidssociologen en HR-managers rond dan vandaag. Als je het even omrekent, heb je in zo’n week maar twee van de zeven dagen weekend: zo’n 28,6%. Een opkomende trend is de vierdaagse werkweek, waarbij je dus vier dagen werkt en drie dagen weekend hebt (ongeveer 42,9%). Een negendaagse week zit hier precies tussenin: daar heb je ongeveer 33,3% van je week weekend. Ik stel ook voor om hierin twee ‘vaste’ weekenddagen te doen (eigenlijk net als nu) en één flexibele weekenddag. Dan kan je dus zelf bepalen of je deze aan je weekend plakt (dus zes dagen werkt, en dan een extra lang weekend hebt) of deze in het midden van de week doet om even uit te rusten om er weer productief tegenaan te kunnen (dus bijvoorbeeld drie dagen werkt, één dag vrij hebt, drie dagen werkt en twee dagen vrij hebt). Natuurlijk heeft dit haken en ogen, en ongetwijfeld zijn er ook vele nadelen te bedenken. Maar ik kan me gewoon niet voorstellen dat dit systeem van duizenden jaren oud ‘toevallig’ het meest productieve is. Wat een meer productieve week is, weet ik ook niet, maar de vanzelfsprekendheid van de huidige weeklengte is eigenlijk gebaseerd op niks. Om nu nog een ingrijpende verandering door te voeren in de weeklengte is waarschijnlijk ook niet meer te doen, en dat is best jammer. Want nu moeten we eeuwig leven met een weeklengte, waarvan we nooit zullen weten of die de beste is.

51


Lieve lezer, Bedankt voor het lezen van deze alumni-editie van SoAP! Liet u alles vallen om dit blad te lezen, zelfs tijdens uw verhuizing? Voorkom lege vleugels en teleurstelling; geef uw adreswijziging door aan: alumni@rug.nl (Hier kunt u ook terecht voor uitschrijvingen)

Neem contact met ons op via: Soapgroningen

@Soapgroningen

www.soapgroningen.nl

@SoAP-Groningen

soap.redactie@gmail.com

Profile for SoAP Groningen

SoAP Alumni 2021  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded