Page 1

thema-magazine 2018

1


Voorwoord Opnieuw wordt een ‘verborgen’ deel van de collectie uit het depot tevoorschijn gehaald om in de oorspronkelijke omgeving, in het Grote Huis, getoond te worden. De door de familie en andere bewoners gebruikte voorwerpen zijn weer even, voor één zomer, te zien. Ze zijn klein, maar hebben dan wel een groot verhaal.

Inhoudsopgave Kleine voorwerpen, grote verhalen

3

Belle van Zuylen en de mode

6

Waaiers 9 Miniatuurportret 10

We hebben tijdens eerdere jaarthema’s in Slot Zuylen op vergelijkbare wijze onderdelen van de collectie op een heel andere manier laten zien en ervaren. We laten nu ook objecten zien die normaal gesproken niet opgenomen zijn in de vaste opstelling. Maar zo was het met accessoires vroeger eigenlijk ook; ze werden bij speciale gelegenheden gebruikt en mochten dan gedragen worden. Daarna werden ze ook altijd weer zorgvuldig opgeborgen.

De handen van vriendschap

Wat is er dan eigenlijk zo bijzonder aan deze accessoires? Dat je kon zien dat je bij een bepaalde familie hoorde? Voor mij persoonlijk waren de accessoires op zich niet echt bijzonder, al waren ze soms erg mooi en uniek. Bij deze voorwerpen horen de herinneringen en de verhalen, daardoor gaan ze leven en krijgen ze karakter. Zoals het speldenkussen op de kaptafel van grootmoeder, waarin uiteenlopende spelden, soms met rood wit blauwe of oranje strikjes, waren geprikt, klaar voor gebruik. Maar ook haar broche die zij vrijwel dagelijks opspeldde.

Colofon

Ik hoop dat u zal genieten van deze themarondleiding en de vele verhalen en bijbehorende tradities die we met u willen delen. Lucile van Tuyll van Serooskerken, voorzitter Stichting Slot Zuylen

11

Zegelring 12 Huisschoenen & Turkse muiltjes

13

Ceremonieel vertoon 14 Hoge zije 16 Steek 17 De accessoires van het personeel

18

Sentimental jewelry 20 Jongensportret glanst weer

23

Baby’s van stand 26

Uitgave: Stichting Slot Zuylen, 2018 Tekst en redactie: Gerbrand Korevaar (conservator) Eindredactie en vormgeving: Arjan den Boer Fotografie: Michiel Elsevier Stokmans (omslag) en Alex Bunjes Met dank aan: Ninke Bloemberg, Alex Bunjes, Centraal Museum (Utrecht), Sophie van Gulik, Rob Johannesma, Gerrie Kuiken, Het Utrechts Archief, Kathleen Mahieu, Bianca du Mortier, Ileen Montijn, Leonie Sterenborg, Lucile van Tuyll van Serooskerken, Marjon Tijmes, het team en de vrijwilligers van Slot Zuylen, en enkele anonieme bruikleengevers.


Kleine voorwerpen, grote verhalen De speciale rondleiding Adel & accessoires. Kleine voorwerpen, grote verhalen verkent aanvullingen op de kleding tot op de vierkante centimeter. De kleine en vaak kwetsbare voorwerpen worden doorgaans bewaard op planken en in lades in het depot. Een selectie is een aantal maanden te zien in de kamers van Slot Zuylen, het voormalige woonhuis van de adellijke familie Van Tuyll van Serooskerken.

worden vermeld naast een serie andere juwelen (broches, armbanden, manchetknopen) of kleine accessoires zoals een waaier, een haarkam en enige “gouden en fantaisievoorwerpen”. Een stockjen of rotting Helaas zijn deze voorwerpen tegenwoordig niet meer terug te vinden in de collectie van Slot Zuylen. Ze zijn in de voorbije eeuwen verkocht, nagelaten aan familie, verloren, of misschien wel gestolen. We weten het meestal niet. Wel zijn er soms bijzondere anekdotes uit de archieven opgedoken waarin een accessoire onverwacht een hoofdrol speelde. Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken werd in 1665 Heer van Zuilen door te trouwen met zijn stiefzus en achternicht Anna Elisabeth van Reede. Anna Elisabeth was toen dertien jaar, haar echtgenoot tien jaar ouder. Ook voor die tijd was zij een uitzonderlijk jonge bruid. Anna Elisabeths moeder was toen zij nog een baby was al overleden, en zij erfde daardoor op 4-jarige leeftijd het grootste deel van het bezit van haar grootouders Swana van Ledenbergh en

Tien brillant-jes In de boedelinventaris van de vader van Belle van Zuylen uit 1776 wordt een lijst “van Juwelen etc. gemaakt goud en Zilverwerk en van Medailles, Juwelen, Antiques etc.” beschreven. Daarin vinden we “Een ringetje met drie bril-lantjes… Een dito met Tien brillant-jes”, en “Een Egret met Honderd Brillanten.”. In de late negentiende eeuw wordt in het bezit van de douairière mevrouw Van Weede, “1 paar diamanten oorbellen” genoemd van maar liefst 300 gulden. Het setje wordt in waarde slechts overtroffen door een aantal schilderijen. De kostbare kleinoden

3


en in de afgelopen decennia hebben nazaten ook veel ‘Zuylense’ voorwerpen in bruikleen gegeven en geschonken. Een speurtocht in het depot levert veel moois op: zijden pantoffelschoentjes, Turkse muiltjes, een Chinese visitekaarthouder, de rijglaarsjes van de laatste baron die in Slot Zuylen woonde met zijn gezin, kanten kindermutsjes, een prachtige parasol, wandelstokken, militaire onderscheidingen, livreijassen met knopen met het familiewapen en zelfs een bh-bandje. De uiteenlopende voorwerpen getuigen niet zozeer van de rijkdom van de adellijke familie Van Tuyll van Serooskerken, maar geven een boeiend inkijkje in het dagelijks leven op het kasteel en de levensstijl van de voormalige bewoners. Zelfrepresentatie Naast hun praktische nut – een parasol beschermt tegen de zon en een hoed tegen de regen – laten accessoires ook zien wie je bent en waar je vandaan komt: de afkomst en de kringen waarin je je begeeft. Dat was vroeger zo, en nu nog steeds. Mensen etaleren imago of status door zorgvuldig gekozen juwelen, een bizar hoofddeksel of een uitgesproken zonnebril. Denk aan de gouden Rolex van een makelaar, de parelketting van een typische VVD-dame of

Anna Elisabeth van Reede door Gerard Hoet, 1678

Adam van Lockhorst. Ze was daardoor steenrijk: zij bezat onder andere Slot Zuilen met inboedel en omliggende landen, een steenoven met de arbeiderswoningen, een stadshuis in Utrecht, het recht om tienden (belasting op opbrengst van het land of de veestapel) te heffen in Westbroek, Jutphaas, Schalkwijk en Maarssenbroek, en ook de rechtspraak in deze gebieden. En dit ging door haar huwelijk dus allemaal naar Hendrik Jacob Van Tuyll van Serooskerken, tot woede van haar vader Gerard van Reede, die het beheer over deze grote erfenis had willen hebben. In de winter van 1663 trok Van Reede daarom woedend naar de kerk van Westbroek om daar met ‘een stockjen of rotting [wandelstok] inde hant’ een raam met de familiewapens van Anna Elisabeth’s grootouders Van Ledenbergh en Van Lockhorst kapot te slaan. Nadat hij de ladder is afgeklommen gaat hij opnieuw naar boven om het werk af te maken: ook de kroon boven de wapens maakt hij kapot met zijn wandelstok. Rijglaarsjes Deze wandelstok is ongetwijfeld in de commotie verdwenen, maar gelukkig zijn er wel veel andere accessoires bewaard gebleven. Dat maakt de collectie van Slot Zuylen ook zo bijzonder. Er zijn in 1952 veel alledaagse voorwerpen overgedragen aan het museum

H.C.E. barones van Tuyll van Serooskerkenvan Pallandt (1833-1907)

4


de pet van een rapper. Of, dichter bij huis misschien, de trouwring die je verbondenheid met een partner laat zien. Anders dan rond 1900 is tegenwoordig de familie waarin je geboren bent niet meer alleen leidend in de zelfrepresentatie. Het gaat nu meer om de subcultuur waartoe je je rekent of je verworven economische positie. Adelspecialist Ileen Montijn schrijft over het modebeeld rond 1900: “Strak ingeregen in een corset dat je kon horen kraken als zij bewoog, met haar japon die zo lang was dat de rok door een stootkant moest worden beschermd tegen de fluimen op de stoep, met een voile die haar gezicht iets mysterieus gaf, met glacé handschoenen, een enorme hoed met veren, met een vos en wat al niet. Als zij iets liet vallen kon zij nauwelijks bukken om het op te rapen, en hollen was ondenkbaar.” En over een heer van stand: “Mijnheer met zijn hoge hoed en dito boord, een kraag van astrakan, een wandelstok met zilveren knop en een zegelring was eveneens van mijlen afstand te herkennen als notabel.“ Kleding en accessoires waren essentieel voor het imago van de adellijke elite.

Zakdoek uit 1856 met de initialen van Frederik Johan Constantijn Schimmelpenninck (1829-1906). Gemaakt door zijn vrouw Johanna Wilhelmina Hodshon (1833-1904) als cadeau voor zijn verjaardag.

alle omstandigheden verplicht. De Van Tuylls gingen vroeger zelfs met een mutsje op naar bed.”, aldus Lucile van Tuyll van Serooskerken, die veel herinneringen heeft aan de tijd dat haar grootouders op het kasteel woonden. Aan de eeuwig gebreide wollen onderbroeken en hemden denkt Lucile van Tuyll niet met plezier terug. “Grootmoeder breide heel veel; zij was altijd bezig. Als ze niet met een breiwerkje zat, borduurde ze. Het hoorde bij de opvoeding van een meisje dat je al jong leerde breien. Grootmoeder had daar een geraffineerd maniertje voor bedacht. Sinterklaas gaf ons/ mij op een dag een grote knot groene katoen. Daarmee moest ik aan de slag. In die knot had zij op verschillende plaatsen cadeautjes verstopt, die kwam je al doende tegen. De knot voortijdig afrollen, was er niet bij!”. Zo blijkt een gebreide wollen onderbroek indirect te getuigen van de strikte opvoeding die de adellijke kinderen genoten op Slot Zuylen.

Met een mutsje naar bed Die zelfrepresentatie en de manier waarop men met mode omging was onder de laatste generatie Van Tuylls die in Slot Zuylen woonde tamelijk ingetogen, wat ook te maken had met de protestantse achtergrond van de familie. “Als de decolletés iets te diep waren uitgesneden, werden ze van een passend achtergrondje voorzien. Rokken moesten op lengte zijn. Hoedjes waren vroeger onder

5


Guillaume de Spinny, Portret van Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken (Belle van Zuylen), 1759

Belle van Zuylen de mode 6


Belle van Zuylen werd geboren op Slot Zuylen als dochter van Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken en Helena Jacoba de Vicq. Met uitzondering van de winters woonde Belle tot haar huwelijk in 1771 aan de Vecht. Ze had van jongs af aan een brede belangstelling, wat niet vaak voorkwam bij meisjes van adel. Zij woonde colleges natuurkunde bij aan de Utrechtse Universiteit en volgde privé-lessen wiskunde. Naast schrijven, studeren en filosoferen hield zij zich bezig met tekenen, componeren en tuinieren. Belle was een originele denker met verlichte ideeën die vaak botsten met de traditionele opvattingen van haar tijd, familie en stand. Ze schreef gedichten, romans en toneelstukken, maar vooral haar brieven getuigen van haar intelligentie, vrije geest en uitzonderlijke taalgevoel.

Marie Antoinette, de modekoningin: Hofdame in robe de cour. Pietro Antonio Martini naar Jean Michel Moreau, 1777

Kant, poeder en liefdesbriefjes Belle heeft zich niet veel uitgelaten over mode, maar de kleding en accessoires op een jeugdportret door Guillaume Spinny laten zien dat Belle in haar kledingkeuze op dat moment een vrouw van haar tijd was. Ze is nog jong, een jaar of 18. Ze heeft een blos op de wangen en gaat gekleed zoals voorname jonge dames van haar leeftijd gewoon waren. Frankrijk was leidend en de mode werd bepaald door het hof van Lodewijk XV en met name door diens maîtresse, Madame de Pompadour.

dames waren in de late jaren vijftig van de achttiende eeuw nog niet zo in de mode, het haar moest het hoofd zo klein mogelijk tonen. Belle heeft een gerimpeld blauw-wit lint om haar nek, een zogenaamd collerette. Je ziet ze vaak op modeprenten uit die tijd en bijvoorbeeld op een qua kleding zeer verwant portret van haar nichtje Isabella Agneta van Lockhorst (1732-1765), dat vorig jaar met een portret van haar zusje aan Slot Zuylen is geschonken. Het halsaccessoire oogt als een echo van de ooit zo prominent aanwezige kragen van een eeuw eerder. Behalve als modeartikel, had het stukje stof en kant ook een praktische functie. Hierin kon een voorname dame een liefdesbriefje bewaren dat haar werd gegeven tijdens een bal door een postillion d’amour, een soort liefdespostbode die door een heer van stand met een amoureus bericht op pad werd gestuurd.

Belle draagt een rijk met kant afgezette lichtblauwe japon met een blauw-wit keurs strak om het bovenlichaam. Dit losse lijfje liep meestal uit in een punt, die de slanke ingesnoerde taille extra moest accentueren. Deze zogenaamde robe à la Française was komen overwaaien uit Frankrijk en vanaf ca. 1750 het uitgaanstenue voor modebewuste dames van adel en de bourgeoisie. Bovenaan het decolleté is een randje kant zichtbaar dat aan het hemd is bevestigd dat onder het korset gedragen wordt. Ook de strakke driekwarts mouwen zijn met kant afgezet. Om de schouders draagt Belle een deels transparante blauw-witte kanten omslagdoek. Belles gepoederde en gefriseerde (gekrulde) kapsel is opgemaakt met blauwe bloemetjes, met rechts ernaast een witte aigrette, een juweel met veren dat tot in de twintigste eeuw populair is gebleven. De benaming voor dit uitwaaierend accessoire is afkomstig van de Franse term voor een zilverreiger, die enkele verlengde veren op de kop heeft. Pruiken voor

Een kleed voor mijn Dogter Dat Belle op de hoogte was van de laatste mode uit Frankrijk verbaast natuurlijk niet gezien de adellijke en internationaal georiënteerde kringen waarin zij zich begaf. Zelf reisde ze ook. Zo was ze bijvoorbeeld in 1750 in Parijs, waar ze de hofschilder van Lodewijk XV ontmoette, Maurice Quintin de la Tour. Ook de reizen die haar familie ondernam om inkopen te doen brachten haar in contact met buitenlandse mode. De notities in een kasboek van Slot Zuylen vermelden in juni

7


1752 “een reis naar Parijs” voor de aanschaf van kostbaar porselein, zilver, maar ook veel stoffen. In hetzelfde kasboek is op 27 maart 1759 de volgende uitgave geboekt: “Aan Casteele voor Stof, tot een kleed voor mijn Dogter, I.A.E. van Tuyll van Serooskerken f. 68. 40.” Vader van Tuyll heeft dus een duur stuk stof gekocht voor een jurk van zijn dochter. Misschien is deze lap wel te zien op het in hetzelfde jaar geschilderde portret.

of kunst, dat was waar Belle over schreef. Of over de positie van de vrouw. Belle van Zuylen was kritisch over de verhouding tussen mannen en vrouwen in de achttiende eeuw. Hoewel progressieve tijdgenoten in dit tijdperk van de Verlichting vrijheid en gelijkheid predikten, kwam daar in de praktijk voor de vrouw niet veel van terecht. Dat ondervond Belle zelf en ze zag het ook bij jonge vrouwen in haar omgeving. Volgens haar had dat te maken met de opvoeding en het keurslijf dat jonge meisjes werd opgelegd. Dat vrouwen bijvoorbeeld in mindere mate tot de culturele productie hebben bijgedragen, lag volgens Belle aan de inferieure opvoeding die zij genoten, voornamelijk bestaand uit handwerken en muziek, het aanleren van de etiquette en zich kleden naar de laatste mode. In 1765 schreef ze aan James Boswell: “… als ik lees, is het het beste in ieder genre, en met een plezier dat mij soms de zorg voor mijn toilet en dan weer mijn verplichtingen laat vergeten.” Belle van Zuylen laat zich graag meenemen naar de wereld van de fictie, waarin ze haar aardse zorgen over uiterlijk en kleding even achter zich kan laten. Hoewel handwerk daar soms bij kon helpen, zoals blijkt uit een mooi citaat over het huwelijk in een brief aan Benjamin Constant uit 1794: “Gisteren, bordurend aan een halsdoek voor mej. l’Hardy, was ik van plan tegen haar te zeggen: ‘Doe niet een van die alledaagse huwelijken die de doorsneemens goed vindt omdat ze niets verleidelijks of verrassends hebben. Doe eerder een zonderling dan een onbeduidend huwelijk waarbij je je dood zou vervelen en waarbij iedereen je ertoe zou veroordelen je meer dan genoeg gelukkig te voelen.”

Helaas is geen enkel kledingstuk of accessoire bewaard gebleven waarvan met zekerheid kan worden gezegd dat het van Belle van Zuylen was. Wel is uit correspondentie bekend dat Belle voor bijzondere gelegenheden jurken uit Parijs bestelde. Zo schreef Belle op 8 november 1767 voor het huwelijk van stadhouder Willem V en Wilhelmina van Pruisen: “Mijn japon is vanochtend uit Parijs gekomen.” Het oordeel van tijdgenoten over Belles kledingsmaak was echter niet altijd positief. Een onbekende schreef rond die tijd: “Alleen mademoiselle Van Zuylen heeft mij niet geraadpleegd over de keuze van haar aankopen, die getuigen dan ook niet van goede smaak.” Blijkbaar was Belle ook op het gebied van kleding soms eigenzinnig. Zij droeg bijvoorbeeld als een van de eersten in Holland een witte jurk op haar trouwdag. Trouwen in blauw of rood was destijds gebruikelijker. Een onopzettelijke nonchalance Als we afgaan op haar brieven lagen Belle’s primaire interesses niet bij kleding en mode, wat niet wil zeggen dat ze er geen oog voor had. In oktober 1768 schreef ze aan haar geheime liefde Constant d’Hermenches scherpzinnig over de dracht van een overleden peetoom: “zijn kleding lijkt als door een onopzettelijke nonchalance rijk en uiterst keurig“. Dit soort bespiegelingen zijn echter zeldzaam – literatuur, filosofie, politiek Ooftstraat 14 (midden), Gerrits geboortehuis

Afbeelding: Guillaume de Spinny, Portret van Isabella Agneta van Lockhorst (1732-1765)

8


Wat een elegantie geeft een waaier een vrouw in handen, als ze er tenminste mee weet om te gaan! Wuiven, fladderen, tonen, verbergen, openspreiden, inklappen... al naar gelang de omstandigheden. O, ik wil wedden dat er onder alle parafernalia van de mooiste en best geklede vrouwen ter wereld geen accessoire is waarmee ze zo’n groot effect kan bereiken.

s er

Wa ai

Madame de Staël (1766-1817)

Van accessoire met praktisch nut — verkoeling bieden of vliegjes wegwuiven — ontwikkelde de waaier zich vanaf de vroege zeventiende eeuw tot statussymbool voor dames van stand. In die periode werd de uitvouwbare waaier het meest populair, ten koste van de stokwaaier. In de daarop volgende eeuwen werd de waaier een onlosmakelijk onderdeel van het modebeeld, gebruikt bij officiële gelegenheden, in het theater, op reis, tijdens wandelingen én thuis. Een waaier was ook een populair cadeau en werd speciaal aangeschaft voor bruiloften en begrafenissen.

Waaiers

Waaiers zijn door de eeuwen heen van allerlei materiaal gemaakt, van kant en ivoor tot papier of veren. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontstonden de meest overdadige waaiers. Het bovenstaande fraaie exemplaar uit 1890-1910 is gemaakt van pauwenveren en parelhoen met een schildpadmontuur (handvat). Voorname vrouwen lieten zich graag met een waaier in de hand schilderen of fotograferen. Een bijzondere foto toont jonkvrouw Maria Susanna Schimmelpenninck (1867-1902), de jongere zus van Johanna Wilhelmina Schimmelpenninck, die in 1900 met haar echtgenoot Frederik van Tuyll van Serooskerken in Slot Zuylen kwam wonen.

9


Miniatuurp

ort

t e r

De band tussen de familie Van Tuyll van Serooskerken en het Koningshuis was van oudsher warm, vriendschappelijk zelfs. Vele portretten en foto’s van de Oranjes getuigen van die vaderlandsliefde. Hoe dit portretje in het bezit is gekomen van de familie Van Tuyll van Serooskerken is onbekend. Op een formaat van 313 x 24 millimeter schilderde de Vlaamse schilder Alexandre Delatour rond 1830 namelijk Marianne van Oranje-Nassau (1810-1883), dochter van Willem Frederik, de latere koning Willem I. Marianna trouwde in 1830 met haar neef Albrecht van Pruisen, van wie zij in 1849 na een getroebleerd huwelijk scheidde. Tijdens haar turbulente leven reisde ze onder meer door Europa en huwde haar koetsier, Johannes van Rossum. Hierdoor was zij niet langer welkom aan het Nederlandse hof.

Delatour was hofschilder van koning Willem I en Willem II. Het portretje is gevat in een gouden medaillon met een rand waarin oorspronkelijk steentjes of parels zaten. Dit soort portretten waren sinds de zestiende eeuw ontzettend populair aan Europese hoven, en werden ook wel gemonteerd in een ring, armband of in de negentiende eeuw ook op tabaks-, snuif- en toiletdozen. Het stelde de eigenaar in staat de geliefde persoon altijd bij zich te dragen. Deze gewoonte, ontstaan in Frankrijk en Engeland, waaierde uit over Europa en bleef bestaan tot diep in de negentiende eeuw. Toen werd de fotograaf de concurrent van de portretschilder en verving de pasfoto het miniatuurportret.

10


De handen van vriendschap Deze portefeuille is gemaakt in het laatste kwart van de achttiende eeuw en de huisvlijt straalt er van af. Met diverse borduurtechnieken zijn langs de randen kleurrijke bloempatronen aangebracht. In het midden staat op een zijde de inscriptie Des Mains De L’amitie, de handen van vriendschap.

Dit soort portefeuilles dienden destijds ook als geschenk bij verlovingen en huwelijken. Door de geborduurde inscriptie is duidelijk dat deze portefeuille ook een vriendschappelijk gebaar was. Misschien is hij wel geschonken ter gelegenheid van het huwelijk van Maria’s zuster met Willem René in 1771.

Op de andere kant lezen we het monogram SMD, dat door een scherpe gids van Slot Zuylen in verband is gebracht met Maria Suzanne Dierquens (1746-1826). Dit was de schoonzus van de broer van Belle van Zuylen, Willem René van Tuyll van Serooskerken, heer van Zuylen van 1776 tot 1839.

In de achttiende eeuw zat in dergelijke portefeuilles voor dames vaak een klein zakboekje, waarin men notities maakte, bijvoorbeeld over de laatste schandaaltjes, kleding, minnaars of ziektes. Helaas staan er geen slaapkamergeheimen in het exemplaar in Slot Zuylen, maar wisselkoersen van Europese munten.

11


Zegelring

Als er één accessoire kenmerkend is voor de adel, dan is het de zegelring. Amy Groskampten Have schreef in 1937: “De goedgeklede man zal geen diamant aan zijn vingers dulden, noch aan zijn vest of das. Een zegelring met wapen (indien geen wapen dan ook geen zegelring en zeker geen zegelring met een monogram en ook s.v.p. geen blinde zegelring met ongegraveerde steen) en eventueel een trouwring is de enige versiering aan een mannenhand.”

en documenten. Zo vormde de zegelring eeuwenlang een garantie dat een afspraak daadwerkelijk werd nagekomen en een exclusief teken van een persoonlijke macht en rijkdom. Het wapen wordt meestal aangebracht in het edelmetaal van de ring of in een in de ring gezette steen. Bij mannen wordt het familiewapen over het algemeen afgebeeld in een wapenschild met bijbehorende versieringen. Ongetrouwde vrouwen hebben het wapen in een ruit staan, getrouwde vrouwen, indien van toepassing een alliantiewapen, in een ovaal schild. Binnen de familie Van Tuyll van Serooskerken was het traditie dat de kinderen een zegelring ontvingen ter gelegenheid van de belijdenis des geloofs, rond het achttiende levensjaar. Dit exemplaar is rond 1955 gemaakt en wordt nog gedragen door de tegenwoordige Heer van Zuylen.

De zegelring is ontstaan in de tijd dat ridders door blazoenschilders herkenbare tekens (één of meerdere symbolen zoals figuren, dieren, kruizen etc.) lieten aanbrengen op hun schilden. Die tekens, die uitmondden in familiewapens, werden vanaf de dertiende eeuw doorgevoerd op documenten, grafstenen, kleding, vlaggen en ook op ringen. Deze ringen werden praktisch gebruikt voor het verzegelen van brieven

12


De baron van Slot Zuylen zal de modderige weilanden rond het kasteel niet met deze schoenen hebben betreden. Dit waren sjieke pantoffels, voor thuisgebruik. Deze instapschoenen met rechte neus uit ongeveer 1840 zijn gemaakt van beschilderd fluweel. Langs de rand loopt een koord ter versteviging van de pasvorm, en met extra lint ter decoratie van de wreef. Net als nu droeg men in de negentiende eeuw ochtendkleding die comfortabel was. Bij de ochtend hoorden ook specifieke accessoires zoals huismutsen, mitaines (vingerloze handschoenen voor de dames) en dit soort huisschoenen of muiltjes. Anderen zagen je in principe niet in deze kleding. Op een merk aan de binnenkant van de schoenen is lezen dat ze zijn gemaakt door de Parijse schoenmaker Fortiot.

Huisschoenen Goud, zilver en pailletten sieren deze glinsterende slofjes. Gebruiks- en siervoorwerpen waren in de zeventiende en achttiende eeuw populair als souvenirs uit Istanbul, het vroegere Constantinopel. Ze werden als relatiegeschenk of souvenir meegebracht naar het Westen. De zool en de lage hak zijn van dik ongekleurd leer, de binnenzool is van fijn rood leer. De neuzen zijn geheel overdekt met opgenaaid zilverdraad, waarop met gouddraad een geabstraheerd bloemmotief is geborduurd.

Turkse muiltjes Zijn dochter, met de indrukwekkende naam Johanna Philippa Frederike Caroline Constance van Knobelsdorff (1796-1852), was de tweede vrouw van Gerrit graaf Schimmelpenninck. Hij was weer een voorvader van Johanna Schimmelpenninck die in 1900 met haar man in Slot Zuylen kwam wonen. En zo maakten deze muiltjes de reis Van Istanbul naar Oud-Zuilen.

Deze Turkse muiltjes zijn afkomstig uit het bezit van de in Berlijn geboren Pruisische luitenant-generaal Friedrich Wilhelm Ernst von Knobelsdorff (1752-1820). Hij was vanaf 1790 Pruisisch vertegenwoordiger aan het hof in Constantinopel.

13


Ceremonieel vertoon In Slot Zuylen hangt een portret van Vincent Johan Reinier van Tuyll van Serooskerken (1792-1840), een neef van Belle van Zuylen. Op zijn borst pronken drie onderscheidingen: een Militaire Willems-Orde derde klasse, een Legion d’Honneur en een Herdenkingskruis 1830-31. Toen dit militaire portret onlangs werd gekocht van zijn nazaten, zaten de echte onderscheidingen nog aan de lijst bevestigd. Zowel de geportretteerde zelf als de erfgenamen koesterden deze accessoires, die getuigen van een eeuwenoude militaire traditie bij de adel. Van harnas naar onderscheiding Een militaire loopbaan als legerofficier was traditioneel een vanzelfsprekende levensinvulling voor jongemannen van adel. Men diende vaak bij de cavalerie, want het paard onderscheidde de ridder (de ruiter) van het voetvolk. Het harnas (met name het kuras en de helm) was tot in de achttiende eeuw het archetypische ‘kledingstuk’ op portretten van ridders of heren van adel. Nog tot in de vorige eeuw werd het harnas gebruikt op portretten voor bijvoorbeeld de adellijke leden van de Ridderlijke Duitsche Orde in Utrecht.

ze herkenbaar waren. Die tekens verwezen altijd naar de adel. Symbolen die in die tijd ontstonden keerden eeuwen later nog terug op kleding en accessoires. F.C.C. baron van Tuyll van Serooskerken, de laatste bewoner van Slot Zuylen, was bijvoorbeeld lid van de Johannieter Orde en draagt op een portret uit 1926 naast zijn burgemeestersketen een Johannieter kruis op links op zijn borst.

De ridders van bijvoorbeeld de protestantse Johannieter Orde of de katholieke Maltezer Orde droegen onderscheidingstekens waarmee

14


Militaire Willems-Orde In de Franse tijd (1795-1814) was de Nederlandse bevolking vertrouwd geraakt met een stelsel van ridderorden en onderscheidingen dat de Republiek der Verenigde Nederlanden nooit had gekend. Het huidige decoratiestelsel vindt zijn oorsprong in 1815, toen de juist gekroonde Koning Willem I zowel de Militaire Willems-Orde als de Orde van de Nederlandse Leeuw instelde. Beide orden waren gebaseerd op verdiensten, en dus niet meer alleen verbonden met afkomst en adeldom.

gelegenheden te laten zien dat men zich op eervolle wijze voor de goede zaak heeft ingezet. Door het dragen van eretekens laat je jezelf als goed voorbeeld zien dat navolging verdient. Er zijn tal van regels rondom het dragen van onderscheidingen, die per krijgsmachtonderdeel verschillend kunnen zijn. Een onderscheiding kan nooit los gezien worden van de oorkonde, het bewijs dat de onderscheiding gedragen mag worden. Als je als Nederlander een ceremonie bijwoont in bijvoorbeeld Rusland dan mag de smoking volgens lokale gewoonten vol worden gehangen met ordetekenen. In Nederland zijn de regels meer ingetogen. De verschillende decoraties worden naast elkaar gedragen, de belangrijkste het dichtst bij het hart, en dan aflopend naar links. Bijvoorbeeld eerst de Militaire Willemsorde, dan de Orde van de Nederlandse Leeuw, de Orde van Oranje Nassau etc. Buitenlandse eretekens mogen alleen met toestemming van de koning gedragen worden, en moeten dan achter de Nederlandse aansluiten. Het is strafbaar om onderscheidingen onbevoegd te dragen, en bij een begrafenis moeten ze thuis blijven: alle eer moet dan naar de overledene gaan.

De Willems-Orde bestaat uit vier klassen, toegekend “tot belooning van uitstekende daden van moed, beleid en trouw, bedreven door diegenen, welke, zoo ter zee als te lande, in welke betrekking ook, en zonder onderscheid van stand of rang, Ons en het Vaderland dienen.” Deze orde is de oudste en hoogste onderscheiding van het Koninkrijk der Nederlanden en wordt tegenwoordig nog slechts zelden toegekend. De eerder genoemde Vincent van Tuyll van Serooskerken heeft er dus ook een mogen ontvangen. In zijn vaders voetsporen had Vincent een militaire carrière. Hij werd in 1807 page van koning Lodewijk Napoleon en vanaf 1809 officier van de cavalerie. In 1812 trok hij als ritmeester (kapitein bij de cavalerie) naar Rusland, waarvoor hij het Legion d’Honneur, de hoogste en belangrijkste Franse nationale onderscheiding, verwierf. Later schopte hij het tot adjudant van de prins van Oranje (18301839), de toekomstige koning Willem II, en in 1839-1840 tot kolonel. Bij Koninklijk Besluit van 31 augustus 1831 verkreeg Van Tuyll de Militaire Willems-Orde derde klasse voor zijn verrichtingen tijdens de Tiendaagse Veldtocht, die eerder die maand had plaatsgevonden ter onderdrukking van de Belgische opstand. Het goede voorbeeld Het dienen van vorst en vaderland was een tweede natuur voor de familie Van Tuyll van Serooskerken, het geslacht dat sinds het midden van de zeventiende eeuw eigenaar was van Slot Zuylen. Dat is ook zichtbaar op portretten die al eeuwen in het huis hangen, vooral portretten van Van Tuylls in officierskleding met op de borst onderscheidingen of eretekens. Militaire onderscheidingen vormen voor de drager een officiële blijk van erkenning en waardering voor heldhaftige daden. Het behoort tot een goede militaire traditie om tijdens openbare

F.C.C. van Tuyll van Serooskerken door Frans Oerder, 1926

15


Hoge zije Op de binnenzijde van deze hoge hoed staan de initialen van Frederik Leopold Samuel Frans baron van Tuyll van Serooskerken, die in 1900 in Slot Zuylen kwam wonen met zijn vrouw en zoon. Na een aanvankelijke kritische ontvangst — “passersby panicked at the sight,” aldus een Engelse krant in 1797 — waren hoge hoeden van zwarte zijde geleidelijk aan in de mode gekomen. De driekantige steek verdween uit het straatbeeld om plaats te maken voor hoofddeksels in de vorm van een zwarte kachelpijp. Hij was eerst geliefd onder Britse dandy’s, maar nadat Prince Albert hem omarmde, werd de ‘hoge zije’ in de tweede helft van de negentiende eeuw een mainstream accessoire voor de hogere sociale klassen. De hoed werd gedragen tijdens zakelijke en formele gelegenheden, maar ook gebruikt als modieus accent bij de vrijetijdsbesteding. In combinatie met een donkere overjas en een pantalon was de hoge hoed rond 1900 een onmisbaar statussymbool van een heer van stand, zowel overdag als ‘s avonds. Een hoed beschermde het hoofd, maar diende vooral om iemand te begroeten. Het afnemen gebeurde naargelang de sociale stand. Dat standsverschil zal in Zuilen rond 1900 te zien zijn geweest aan de hoofddeksels: de baron droeg zijn hoge hoed, en de meeste inwoners van het dorp droegen een pet.

16

16

Frederik Christiaan Hendrik baron van Tuyll van Serooskerken (1835-1904) en zijn zwager baron Van Pallandt van Oud-Beyerland, ca. 1880


Steek Frederik Christiaan Constantijn baron van Tuyll van Serooskerken, de laatste bewoner van Slot Zuylen, was van 1950 tot zijn overlijden in 1958 opperkamerheer van Koningin Juliana. Dat was in de negentiende eeuw een erefunctie geworden voor heren van adel. Wilhelmina had er maar liefst 85, maar dat aantal nam geleidelijk af onder haar troonopvolger Juliana. Tegenwoordig heeft de Koning de beschikking over een kamerheer uit iedere provincie en Amsterdam. Ze adviseren en ondersteunden de Hofhouding, en worden betrokken bij voorbereiding en uitvoering van grote evenementen en ontvangsten. Aan zijn ceremonieel uniform — klein tenue en groot tenue (galakostuum) — is de (opper)kamerheer in functie herkenbaar. Het uiterlijk van deze kostuums is voor de laatste keer tot in de kleinste details vastgelegd in 1897 en tot ver in de twintigste eeuw niet wezenlijk veranderd. De stof, de borduursels, de epauletten (schouderstukken), het degen, de knopen, de positie van vijf loze knoopsgaten op de borst — ieder detail is minutieus omschreven. Er waren ook strikte reglementen die nauwkeurig aangaven wanneer welk ambtskostuum gedragen moest worden aan het hof. Een foto van Frederik Van Tuyll van Serooskerken toont hem in zijn groot tenue dat werd gedragen bij de opening van de Staten-Generaal, bij galapartijen en verder als het door de koningin werd gevraagd. Een steek in de collectie stamt van zijn klein tenue, dat bijvoorbeeld werd gedragen bij grote audiënties of bij het vertegenwoordigen van de koningin in het binnenland. Frederik Christiaan Constantijn baron van Tuyll van Serooskerken (1886-1958) in groot tenue, ca. 1950

17

17


De accessoires van het personeel In Slot Zuylen was altijd veel personeel werkzaam, dat zich volgens bepaalde gebruiken kleedde. Een adellijk accessoire bij uitstek was de knoop met het familiewapen die de werkkleding van de koetsier en de knecht in Slot Zuylen sierden. Het hoofd van de dienstmeid in het kasteel moest worden bedekt met een frisse witte muts.

gingen vermijden om niet als knecht te worden aangezien. In Slot Zuylen werd rond 1900 door de koetsiers en de knechten een sobere, zwarte livreijas gedragen, met eronder een rood of een rood-wit gestreept vest. De jas werd gesloten met een rij verzilverde knopen met het familiewapen, een erfenis van de kleurrijke heraldische personeelskleding uit de eeuwen ervoor. Het wapen van de familie Van Tuyll van Serooskerken dat gebruikt is op deze knopen bestond uit de grond, drie hondenkoppen (brakken, jachthonden) op een vlak, twee wildemannen met een houten knots als schildhouders, en een kroon. Dit soort accessoires hadden een bloeiperiode in de negentiende eeuw, maar na de Tweede Wereldoorlog is het fenomeen langzaam uitgestorven. De livreien voor de koetsier en de knecht werden meestal op maat gemaakt door kleermakers uit de buurt. Een hoge hoed met een rozet op de rand hoorde ook bij het kostuum van de koetsier. Zoals blijkt uit de labels, winkelde de familie Van Tuyll bij de Utrechtse hoeden- en pettenfabriek N. de Haan, die als slogan hanteerde: “Zonder hoed van N. de Haan is u niet gekleed”.

Livreien Zoals tegenwoordig het KLM-personeel herkenbaar is aan de blauwe bedrijfskleding, zo had in de negentiende eeuw een adellijke familie een herkenbare livrei. De livrei is het uniform dat gedragen werd door sommige mannelijke leden van het huis- en bedrijfspersoneel zoals de butler, de koetsier (later chauffeur) en de bedienden. Het woord is afgeleid van het Franse werkwoord livrer, dat ‘leveren’ betekent. De livrei getuigde van een maatschappelijke positie en de status van een familie, maar ook de werknemer was er trots op: het gaf prestige. De heraldische familiekleuren en accessoires van een livrei werkten onderscheidend, en lieten de verbondenheid zien met de familie. In de zeventiende eeuw was blauw populair voor de livreien, waardoor heren van stand deze kleur

18


Bij iedere boom een vent Achter de livreiknopen schuilt de microeconomie die Slot Zuylen was in de eerste helft van de vorige eeuw. Het kon er toen een drukte van belang zijn. Vele dorpelingen en mensen van elders vonder er werk. In het dorp leefde een prachtig gezegde over het buitenpersoneel van het Groote Huys in de jaren voor de oorlog: “In het bos van Van Tuyll staat bij iedere boom een vent te slapen”.

dan niet bediend. Dit was wel het geval bij de lunch en het diner. De huisknecht droeg dan een livrei met een vest in de Zuylense kleuren roodwit. Ook als de bel ging werd de deur geopend door de huisknecht in zijn rood-wit gestreepte jasje. Hij nam een boodschap aan en haalde een antwoord in de vorm van een klein briefje bij de barones. Slechts wanneer het bezoek tot de intimi behoorde, mocht men doorlopen, maar dat was een uitzondering.

Naast de kokkin, een keukenmeisje en een huisknecht waren er in Slot Zuylen verschillende werkmeisjes, een linnenmeisje, een dienstmeisje, een kinderjuffrouw, een secretaresse en een naaister werkzaam. Buitenshuis waren dat een palfrenier (koetsier, later chauffeur) en acht man tuinpersoneel. Alleen al in en om het huis konden dus gelijktijdig zo’n 20 mensen aan het werk zijn.

De werkmeisjes droegen tijdens de werkdag doorgaans een wit schort over hun jurk. Men vond het toen belangrijk dat de vrouwen die hielpen in de huishouding een ‘frisse’ indruk maakten. Op het hoofd droegen ze een kleine muts, een symbool van ouderwetse degelijkheid, frisheid en orde. Zoals ook af te leiden is uit een foto van een drietal Zuylense dienstboden raakte oude mutsen die het haar bedekten (‘kornet’ genoemd) rond 1900 uit de mode. De vrouwen dragen een soort kransje van een paar lagen geplooide tule, vermoedelijk bevestigd op een ring van ijzerdraad. Haarspelden en een kinband houden het op zijn plaats. Het is bekend dat dienstboden zelf vaak een hekel hadden aan die hoofddeksels, die dienstbaarheid maar ook ondergeschiktheid uitdrukten. Of dat ook gold voor Chrisje, Anna en Elsje kunnen we niet meer vaststellen.

Terwijl de familie gedurende de dag haar eigen beslommeringen had, hield het personeel het huishouden van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat draaiende. Nadat het personeel ’s morgens al in de keuken aan het werk was geweest, ging men ontbijten. De familie ontbeet in de eetkamer, omringd door de levensgrote portretten van opeenvolgende generaties heren van Zuylen. Het ontbijt werd hier van tevoren door het personeel klaargezet, maar er werd

De dienstbodes Chrisje, Anna en Elsje en J. Verbouw op de brug voor Slot Zuylen. Uit het album van F.C.C. baron van Tuyll van Serooskerken

19


Sentimental jewelry

Rouwcollier Dit rouwcollier van glaskralen en cameeën van gegoten glas is rond 185060 gemaakt. Op de weggeslepen achtergrond komen de verfijnd weergegeven portretten van diverse klassieke personages mooi tot hun recht. Motieven en stijlvormen uit de klassieke oudheid waren onder Napoleon al heel populair. Met de toename van het toerisme en de populaire Grand Tour ontdekte men Italië nog meer, waardoor dit soort decoraties in het midden van de negentiende eeuw zeer geliefd waren.

In het beroemde etikettenboekje Hoe hoort het eigenlijk van Amy GroskampTen Have uit 1937 is een hoofdstuk gewijd aan de gewoonten rondom de rouw. Ze beschrijft hoe de verwerking van een verlies verliep: na een overlijden ging men van de zware rouw, naar de halve rouw, en tot slot de lichte rouw. Afhankelijk van de streek duurde iedere fase een aantal weken of maanden, soms tot meerdere jaren in totaal. In iedere fase gelden bepaalde kleding- en leefregels en waren speciale sieraden en accessoires nodig.

Er zijn allerlei lokale verschillen, maar in het algemeen kan worden gezegd dat eenvoud en soberheid in de rouwkleding onontbeerlijk zijn. Mannen mochten tijdens de rouw geen zilveren of gouden horlogekettingen, dasspelden en (manchet)knopen dragen. “Bij rouwkleeding wordt geen goud gedragen, noch juweelen. Alleen parels kunnen bij rouw worden gedragen, echter niet bij zwaren rouw. (alleen zwarte parels). … Bont valt buiten rouw: bruin of grijs bont mag bij rouw worden gedragen mits het niet te modieus van snit zij. Zij, die in zwaren rouw gaan zullen dit vanzelf vermijden.”, zo schrijft Groskamp-Ten Have.

2020


Gitzwart In de praktijk was het niet zo zwart-wit. Al sinds de zestiende eeuw werden rouwjuwelen gebruikt voor de verschillende fasen van de rouw. Maar in de negentiende eeuw neemt het gebruik van speciale rouwaccessoires een vlucht. Na het overlijden van de Engelse Prins Albert in 1861 ging zijn weduwe Koningin Victoria (behalve bij ceremoniële gelegenheden) decennia in het rouwzwart gekleed. Door juwelen van het fossiele git (ook wel bekend als Gagaat) bij de rouwkleding te dragen maakte zij in de negentiende eeuw deze halfedelsteen populair onder de gegoede klasse. Van oudsher werd het fossiele git al gevonden aan de voet van de kliffen in het Noord-Engelse vissersplaatsje Whitby, en in de ateliers in het stadje werd het bewerkt tot sieraden. Git is goed te bewerken waardoor er relatief makkelijk initialen of symbolen in gezet kunnen worden. Als het goed geslepen is heeft het ook een mooie glans. Een goedkoper alternatief werd gevonden in geslepen en gematteerd zwart glas (‘Frans git’) en in hout of gehard rubber (caoutchouc) dat in diverse vormen kon worden geperst. ‘Toilettes’ voor rouw en halve rouw uit de winkels van Arnoult-Lecomte, 1846 (Rijksmuseum)

Fer de Berlin In de vroege negentiende eeuw werden Duitse burgers door de (Pruisische) Koninklijke familie opgeroepen hun gouden en zilveren sieraden in te wisselen voor nieuwe sieraden gemaakt van fijn gietijzer. Van het geld dat de patriottische daad opbracht kocht men wapens voor de oorlog tegen Frankrijk. Deze sieraden staan bekend als Fer de Berlin en hadden vaak als opschrift: ”Gold gab ich für Eisen” (ik gaf goud voor ijzer) of “Für das Wohl des Vaterlands” (voor het welzijn van ons vaderland). Een aantal fijn gemaakte armbanden en oorbellen uit 1830-40 zijn in Slot Zuylen terecht gekomen. Vanwege de donkere kleur van het materiaal werden deze ook als rouwjuwelen gedragen.

21


Het voorbeeld van Victoria vond in grote delen van Europa en Amerika navolging. Vooral aan de rouwkleding en rouwjuwelen van vrouwen in de betere kringen werd eind negentiende eeuw veel aandacht besteed. Ook in Slot Zuylen, waar een reeks gitzwarte haarspelden, broches, knopen, colliers, armbanden en gespen worden bewaard die zijn gedragen door de laatste generaties van de familie Van Tuyll van Serooskerken. Maar schijn bedriegt, op een aantal uitzonderingen na komt het merendeel niet uit Whitby. Ze zijn vooral gemaakt van gegoten glas of ander diepzwart materiaal, zoals hout of gietijzer.

De meeste juwelen zijn waarschijnlijk niet gebruikt tijdens de eerste weken van de zware rouw, daarvoor zijn ze te decoratief, maar toen er al iets meer mogelijk was volgens de rouwetiquette. Een nazaat van de familie Van Tuyll van Serooskerken kan zich herinneren dat haar grootmoeder, die tot 1951 woonde in Slot Zuylen, vaak een rouwjuweel of rouwkleding droeg. Verdriet om het verlies van naasten was een dagelijks onderdeel van het leven in de uitgestrekte adellijke families.

Haar De Engelsen hebben er een mooie term voor: sentimental jewelry: juwelen gemaakt ter herinnering aan een specifieke persoon of gebeurtenis. In de negentiende eeuw was het veelvoorkomend om haar van overledenen te verwerken in broches en armbanden, die werden gedragen tijdens de maandenlange rouwperiode. In Slot Zuylen is een aantal jaar geleden in een blik op zolder zo’n juweel

22

gevonden, een medaillon met een plukje haar. Zoals een briefje vermeldde is de lok van een zusje van Everdine Suzette van Pallandt-van der Staal (1804-1885), de grootmoeder van Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken die in 1900 heer van Zuylen werd. Ze heette Julie en het accessoires is in 1822 gemaakt vanwege haar dood.


Jongensportret glanst weer interview met restaurator Pauline Marchand

Pieter Nason, Portret van een jongen in jagerskleding, 1679

23


Een geliefd schilderij in Slot Zuylen is een jongensportret uit 1679 van de Haagse schilder Pieter Nason (ca. 1612-1690). De dromerige blik van de jongen, de levendige stofuitdrukking en de weelderige plooival laten goed zien waarom Nason een gezocht portretschilder was. Het onbekende jongetje is afgebeeld als jonge jager in een fantasiekostuum, rijkelijk voorzien van accessoires. Restaurator Pauline Marchand uit Rotterdam, die al enkele jaren aan de preventieve conservering van de schilderijencollectie werkt, heeft het jongensportret onlangs onder handen genomen.

De kleuren zijn heel anders na de vernisafname, had je dat verwacht? De vernislagen haalden eigenlijk alle diepte uit het geheel. Doordat de vernis sterk vergeeld was leek bijvoorbeeld het jurkje of jasje van de jongen goudkleurig, terwijl het nu haast purperrood is. Als restaurator kan je dat vooraf al inschatten, dus voor mij was het geen verrassing. Je kunt namelijk aannemen dat de kanten kragen en mouwen eigenlijk wit zijn, en dat is dan mijn referentie voor de mate van vergeling. De kleding en accessoires lijken niet erg praktisch voor de jacht?

Wat was de aanleiding voor de restauratie? De belangrijkste reden tot behandeling was conservering van de verflaag, om het schilderij toekomstbestendig te maken. De verf liet door veroudering plaatselijk los. Door dikke oude vernislagen was er ook een soort spanning op het verfoppervlak opstaan. Om de verf goed vast te kunnen zetten moest ik de oude vuil- en vernislagen verwijderen. Dat doe ik laag voor laag met ingedikt oplosmiddel en wattenstaafjes, een tijdrovende klus. Dat het schilderij er door de schoonmaak beter uit is gaan zien, is een mooie bijkomstigheid, maar het was niet het doel van de behandeling.

24

Het jongetje draagt eigenlijk een soort verkleedkostuum, want hij liep er in het dagelijks leven niet zo bij. De kleding is geïnspireerd op de oude Romeinen en was bedoeld om zijn voorname afkomst en rijkdom te laten zien. Vandaar de sandaaltjes met klassieke reliëfkopjes en de struisvogelveren op zijn hoed, die ook is voorzien van juwelen en parels. Zijn zijden sjaaltje is erg interessant. Het lijkt witte zijde met gouddraad, maar het goud is niet verguld maar met verf geschilderd. Links draagt het jongetje ook nog een boog en een koker vol gekleurde pijlen. Ook zijn hond draagt een accessoire: een leren halsband met gouden beslag!


Wat vind je zelf het leukste detail? Het mooist vind ik de handen en het gezicht. Zeker na de vernisafname zie je aan het handje vele toontjes roze, met een beetje blauw, rood, en geel. Het lijkt daardoor of er echt bloed door stroomt, net als je eigen hand. En het gezicht is ook prachtig: het licht in die ogen, met een beetje vocht onderin dat de bolling accentueert. Wat ik ook leuk vind zijn de in verhouding erg korte beentjes. Dat heeft de schilder bewust zo gedaan. Het is wat je noemt in het verkort geschilderd, bedoeld om van onderaf te bekijken. Het schilderij heeft dus waarschijnlijk boven een deur of boven een schouw gehangen — in wat voor huis dan ook, want we nemen aan dat het oorspronkelijk niet voor Slot Zuylen werd gemaakt, maar later in bezit van de familie daar is gekomen.

en het schilderij opnieuw bedoekt. Dat wilzeggen dat ze er een nieuw doek achter hebben geplakt, omdat het oude bros is geworden of vergaan zodat de verf geen ondergrond meer heeft om op te hechten. Dit schilderij van Nason heeft echter nog z’n raam met originele opspanning door de kunstenaar zelf gemaakt, een uniek document van bijna 400 jaar oud! Het is ook nooit eerder gerestaureerd op twee gerepareerde gaten na. Het was voor mij heel bijzonder om aan zo’n origineel schilderij te werken. Om de unieke kenmerken te behouden heb ik er een nieuw raam met een ondersteunend doek los achtergezet zonder de originele opspanning aan te tasten. Is het schilderij nu weer als nieuw? 400 jaar veroudering haal je er niet meer uit! Denk aan craquelure (scheurtjes in de verf) en verkleuring. Ook na afname van de latere vernislagen zijn de kleuren anders dan toen het schilderij net af was. De blaadjes zijn nu bijvoorbeeld bruin terwijl ze oorspronkelijk knalgroen moeten zijn geweest. De veroudering is ook een deel van de geschiedenis en dat moet je accepteren. Ik vergelijk het wel eens met plastische chirurgie, met botox-injecties ga je er beter uitzien maar je wordt nooit meer 20!

Ook de achterkant is voor jou interessant? Een restaurator wil eigenlijk liever de achterkant zien dan de voorkant. Want daaraan kan je veel aflezen over de conditie en de geschiedenis van een schilderij. Wat dit schilderij uniek maakt is dat het nog op z’n originele doek en spanraam zit. Bij misschien wel 99% van de schilderijen uit de zeventiende eeuw is het spanraam vervangen

25

25


Baby’s van stand Kinderkleding van jongens en meisjes was eeuwenlang kleding voor volwassen in miniatuurformaat. Niet-zindelijke jongens en meisjes droegen tot halverwege de negentiende eeuw een jurk, wat het verschonen veel makkelijker maakte. Na de kleutertijd kregen jongens een driedelig pak, net als hun vaders. Meisjes kregen net als hun moeder een japon aan. Pas aan het einde van de achttiende eeuw deed speciaal voor kinderen gemaakte kleding deed z’n intrede. In de negentiende eeuw waren matrozenpakjes populair voor jongens, zowel bij formele als informele gelegenheden. Daarbij werden bijvoorbeeld rijglaarsjes gedragen van zacht bruin leer, zoals die van Frederik Christiaan Constantijn van Tuyll van Serooskerken.

Speciaal voor dit thema is een doopjurk in bruikleen gegeven die in 1871 is gemaakt door kasteelvrouwe Francesca Margaretha van Weede voor de zoon van de toenmalige huismeester, meneer Wijnen. De doopjurk is in de familie bewaard gebleven, regelmatig gebruikt, en is nu na bijna 150 jaar weer even terug in Slot Zuylen.

Frederik (Frits) is ook gedoopt in een doopjurk die van generatie op generatie is gebruikt. Niet uit zuinigheid, maar uit traditie. De witte doopjurken waren versierd met kant en ook de rijk gedecoreerde doopmutsjes uit de vroege negentiende eeuw waren niet alleen functioneel. De kleding droeg de importantie van de jonge drager met verve uit: baby’s van stand!

26


Frederik Christiaan Constantijn baron van Tuyll van Serooskerken (1886-1958) als kind, ca. 1890

27


Constantia Maria jonkvrouw van Weede (1861-1932) en Alexander Frederik baron van Lynden (1856-1931)

28

Profile for Slot Zuylen

Themamagazine Adel & Accessoires  

Themamagazine 2018 Adel & Accessoires - Kleine voorwerpen, grote verhalen verkent verfijnde aanvullingen op de kleding tot op de vierkante c...

Themamagazine Adel & Accessoires  

Themamagazine 2018 Adel & Accessoires - Kleine voorwerpen, grote verhalen verkent verfijnde aanvullingen op de kleding tot op de vierkante c...

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded