Page 1

themamagazine 2017

1


Voorwoord Het Poortgebouw van Slot Zuylen opent voor de eerste keer officieel zijn deur, want hier staan meubels die Gerrit Rietveld heeft gemaakt. Vanwege het 100-jarig bestaan van De Stijl in 2017 kan het kleine toegangsdeurtje dit jaar niet gesloten blijven. We blazen het stof van de meubels en ontsluieren hun oude verhalen. De Poort, de statige en robuuste toegang tot het terrein, heeft altijd al een speciale aantrekkingskracht op mij uitgeoefend. Wat was het spannend om als kind even een kijkje te nemen in dat vrijwel altijd gesloten gebouw. De smalle trap naar boven en de ontdekking van een kamer met een schouw, meubels en gebruiksvoorwerpen. Je stapte even terug in de tijd. Als vanzelf kwamen de mooiste beelden naar boven: hoe vroeger de poortwachter met zijn gezin daarboven woonde, zonder water maar met een gemak; hoe hij de ophaalbrug kon ophalen en neerlaten. Ik hoorde pas later dat de meubels door Gerrit Rietveld zijn gemaakt, want het leek alsof ze er al eeuwen stonden, onder het stof en omringd door vele spinnenwebben. Het was een geweldige plek, want vanuit de Poort is er uitzicht naar alle kanten. Ik heb nog voorgesteld om er te gaan wonen tijdens mijn studietijd, maar tot mijn teleurstelling mocht dat niet van mijn grootmoeder, omdat het daar niet veilig genoeg voor mij zou zijn. Ik ben verheugd dat we deze bijzondere plek dit jaar met onze bezoekers kunnen delen.

Inhoudsopgave

Een goedbewaard geheim 3 De betonbaron 4 Rietveld senior 8 Archiefkast voor Slot Zuylen 11 De jonge Gerrit Rietveld 15 Het 16-eeuwse Poortgebouw 18 Meubelensemble Poortgebouw 20 In den stijl van dien tijd 23 Mijn eerste ameublementje 24 Gerard van de Groenekan 25 Interview met Nico Hijman 26 Op weg naar De Stijl 28 De Stenen Kamer 32 De Stoel (1932) 35

Colofon

Uitgave: Stichting Slot Zuylen 2017 Gastcurator: Nico Hijman Redactie: Gerbrand Korevaar (conservator) Eindredactie en vormgeving: Arjan den Boer Fotografie: Alex Bunjes e.a. Met dank aan: Lucette Bruinsma en collega’s van 100 jaar De Stijl, Jurjen Creman, Piet Dekker, Vincent van Drie, Romein van der Drift, Natalie Dubois, Martine Eskes, Gerrie Kuiken, Marije Lieuwens, Bertus Mulder, Egbert Rietveld en Caecilia Thoen. Werken © Gerrit Rietveld c/o Pictoright Amsterdam 2017

Speciale dank gaat uit naar Nico Hijman, die onvermoeibaar en met groot enthousiasme veel nieuws heeft ontdekt over de geschiedenis van Rietveld in Slot Zuylen. We zijn dank verschuldigd aan de subsidiënten die de herstelwerkzaamheden aan het poortgebouw en de conservering van de Rietveld-meubels mogelijk hebben gemaakt. Ook bedanken wij alle bruikleengevers: Leo Becker, Herman Bunjes, Centraal Museum (Utrecht), Bert Degenaar, Nico Hijman, Jack van Osnabrugge, Antiquariaat Ernie Quist (Dordrecht), Het Utrechts Archief, enkele leden van de familie Van Tuyll van Serooskerken en partner Het Nieuwe Instituut. Speciale dank gaat uit naar Ronald Willemsen voor zijn genereuze bruikleen van een serie Rietveld-meubels. Deze themapresentatie kon alleen tot stand komen dankzij de enorme inzet van onze medewerkers en vrijwilligers. Lucile van Tuyll van Serooskerken, voorzitter Tentoonstelling Centraal Museum


Een goedbewaard geheim Eén van de best bewaarde geheimen van Slot Zuylen is dat de beroemde Utrechtse meubelmaker en architect Gerrit Rietveld (1888-1964) er zijn carrière begon. Hij maakte in 1905-06 een serie meubels voor het laat-middeleeuwse Poortgebouw. In het kader van het 100-jarig bestaan van kunststroming De Stijl is er dagelijks een exclusieve bezichtiging van het normaal gesloten Poortgebouw.

Tijdens de eerste grote overzichtstentoonstelling van Gerrit Rietveld in 1958 is een iconische foto gemaakt van de op dat moment al beroemde architect en ontwerper. U ziet hem op de cover van dit magazine: gezeten op een eenvoudige rechte stoel toont hij in zijn linkerhand een miniatuurversie van zijn vermaarde zigzagstoel uit 1932. Met die foto lijkt Rietveld te zeggen: hier kom ik vandaan, ik begon traditioneel met een ambachtelijk zeer kundig gemaakte stoel, maar hier kwam ik op uit: experimenteel ontwerp dat de meubelkunst van de twintigste eeuw in een nieuwe richting stuurde… Die rechte stoel waar Rietveld op zit maakte hij voor Slot Zuylen.

en inspireerde tot de themarondleiding Rietveld in Slot Zuylen. Vernieuwing aan de Vecht (22 april t/m 24 september 2017). Bezoekers maken kennis met de jonge en leergierige ontwerper in wording, zijn vader die ook meubels maakte voor Slot Zuylen, en de opdrachtgever, een vernieuwingsgezinde baron. Tegelijkertijd is in het Centraal Museum (t/m 11 juni 2017) een van de Zuylense stoelen te zien op de expositie Rietvelds Meesterwerk: Leve De Stijl! Dankzij een diepgravend en geïnspireerd onderzoek van meubelrestaurator en gastcurator Nico Hijman is het verhaal over Rietveld in Slot Zuylen vertakt en verdiept. Een bijzondere ontdekking is een ontwerptekening voor een archiefkast in het huisarchief, die kan worden toegeschreven aan de jonge Rietveld, gemaakt toen hij een jaar of 12 oud was. Daarnaast blijkt het ontwerp van een ruimte in het kasteel, de zogenaamde Stenen Kamer, een brandpunt van internationale invloeden van grote architecten en ontwerpers als Berlage en Frank Lloyd Wright. Vernieuwing aan de Vecht!

Iedereen kent Rietvelds zigzagstoel, of anders wel zijn revolutionaire rood-blauwe lattenstoel. Veel minder mensen zijn bekend met de meubels die hij maakte voor Slot Zuylen, nog geworteld in de conventionele meubelkunst van zijn tijd. De associatie ligt dan ook niet voor de hand. In een historisch kasteel, waar de geschiedenis heel nabij voelt, verwacht je geen meubels van een toonbeeld van moderniteit. Juist die frictie boeit

Rietveldmeubels in Slot Zuylen (collectie Ronald Willemsen)

Gerbrand Korevaar

3


Frederik Leopold Samuel Frans van Tuyll van Serooskerken 1858-1934 In 1900 kreeg Slot Zuylen een nieuwe kasteelheer die opgeleid was als ingenieur. Zijn voorliefde voor beton wist hij te combineren met een grote interesse in het verleden. Met vele vernieuwingen heeft hij Slot Zuylen ‘klaargestoomd’ voor de 20e eeuw. Én hij introduceerde vader en zoon Rietveld in het kasteel.

Betonbaron “Dat de wonderen de wereld nog niet uit zijn blijkt nu ook weder. Laat mij je van harte feliciteren, al is het ook erg laat, met het onverwachte geluk en de eer die je ten deel is gevallen… Kijk wel goed na of de constructie der balkenlagen juist is anders zoude ik de schenking maar liever niet aanvaarden. En nu adieu Monsieur le Seigneur de chateau: mijne vriendelijke groeten aan de edele vrouwe van Zuylen,” schreef Werner van Tuyll van Serooskerken in februari 1899 aan zijn broer Frederik Leopold Samuel Frans baron van Tuyll van Serooskerken (1858-1934). Kort daarvoor had deze achterneef van zijn familie in Zuilen gehoord dat hij Slot Zuylen tot zijn woonhuis mocht maken en de titel van heer van Zuilen, Westbroek, Serooskerke en Oud-Beyerland zou ontvangen. Kennelijk tot enige verbazing van zijn naasten.

ontstond er een breuk in de familielijn: Willem René van Tuyll stierf kinderloos. Toen in 1899 ook zijn weduwe overleed, erfde de achterneef uit Arnhem het kasteel. Frederik was in 1885 getrouwd met Johanna Wilhelmina Schimmelpenninck (1864-1922), die ook uit een voornaam adellijk geslacht stamde. Hun enige zoon, Frederik Christiaan Constantijn (1886-1958), zou later in de voetsporen van zijn vader treden. De in Delft opgeleide Frederik (senior) was civiel ingenieur en vervulde na zijn afstuderen diverse functies bij de Rijks- en Provinciale waterstaat, bij de gemeentewerken in Arnhem en als ingenieur bij de waterschappen De Regge en De Schipbeek in Overijssel. Hij doorliep dus een burgerlijk carrière voordat zijn afkomst het verdere verloop van zijn leven bepaalde. Kort na zijn vestiging in Zuilen in 1900 werd de partijloze baron lid van de Provinciale Staten. Zijn beroepsachtergrond droeg bij aan zijn benoeming tot heemraad (bestuurslid) van diverse waterschappen en tot hoogheemraad van Lekdijk Bovendams. Van 1911-1916 was de baron burgemeester van Zuilen, waarna zijn zoon hem

Adellijk geslacht De adellijke familie Van Tuyll van Serooskerken bewoonde Slot Zuylen sinds het midden van de 17e eeuw. Het kasteel ging van zoon op zoon. Twee generaties na de 18e-eeuwse schrijfster Belle van Zuylen (Isabella van Tuyll van Serooskerken) 4


Versierd kasteel bij de intocht in 1900 (archief Slot Zuylen)

opvolgde. Hij was president-kerkvoogd van de Nederlands Hervormde gemeente en bekleedde tientallen bestuursfuncties, van de lokale fanfare tot en met het historisch genootschap.

mastklimmen, touwtrekken, hindernisloop, zaklopen en koekhappen. Er was gratis bier en brood, maar alleen voor de Zuilenaars die daarvoor bonnen hadden ontvangen. Een muziektent, draaimolen en een poffertjeskraam trokken veel aandacht. ‘s Avonds werd het nog drukker toen J.W. Merkelbach, een Amsterdammer die zich specialiseerde in demonstraties van moderne techniek zoals toverlantaarns, een vertoning gaf met zijn cinematograaf. Met een projector op een schuit projecteerde hij filmbeelden op een doek boven de Vecht. De Zuilenaars keken hun ogen uit van dit moderne visuele schouwspel, vooral toen beelden van die ochtend van de baron met zijn vrouw en kind “op het doek werden getoverd”.

Fiere riddertijden Op 9 mei 1900 was het hele dorp Zuilen ‘in feestdos getooid’ vanwege de grootse intocht van de nieuwe ambachtsheer en -vrouwe. Veertig man te paard met gekleurde pet en sjerp, herauten en trompetten en dertig voetgangers, een corps muzikanten en een viertal rijtuigen voor de feestcommissie en de lokale notabelen. De schoolkinderen zongen een welkomstlied. Het Slot was rijkelijk versierd met wapenschilden, sparrengroen, bloemen en lampions. De hoeven van de paarden over de brug en onder de poort klonken hol. “Onwillekeurig doemden taferelen uit overoude tijden voor ieders geestesoog op, taferelen uit de fiere riddertijden, waarin ook de heeren van Zuylen hunne rol op het wereldtooneel speelden”, aldus een geïmponeerde verslaggever van het Utrechts Nieuwsblad. De toegestroomde menigte vermaakte zich met volksspelen:

Vernieuwing aan de Vecht Nadat de baron had besloten naar Zuilen te verhuizen ging hij op zoek naar een aannemer voor allerlei werkzaamheden ter herstel van zijn nieuwe huis. Zijn technische achtergrond heeft ongetwijfeld een grote rol gespeeld bij de voortvarendheid waarmee hij Slot Zuylen vernieuwde. Een Maarssense notaris beval de baron de bekende 5


Utrechtse architect C.J Houtzagers aan, bij wie Gerrit Rietveld van 1904-08 lessen zou volgen. Volgens de referentie was dit een man naar het hart van de baron: ‘stipt, ijverig, deskundig en vertrouwt’. Maar uiteindelijk kiest Frederik voor de Utrechtse bouwkundige A.J. Vreeswijk, die de bestekken zou opmaken voor allerlei werkzaamheden, van riolering tot schilderwerk.

de muur nog goed was bracht hij betonbekleding aan. Maar ook elders schroomde hij het gebruik van dit nog tamelijk nieuwe materiaal niet. Gelukkig is de baron altijd met oog voor de geschiedenis te werk gegaan: hij heeft bij zijn restauratiewerkzaamheden en vernieuwingen zo veel mogelijk de historische kenmerken van het kasteel in tact gelaten.

Voor al de Tussen 1900 werkzaamheden Portret door Henriëtte van Marken, 1909 (Slot Zuylen) en 1917 hield die hij in Zuilen de baron een uitvoerde had de notitieboek bij baron natuurlijk waarin hij al zijn veel personeel werk aan het huis nodig. Die per jaar noteerde. timmermannen, Zo bracht hij loodgieters, gangverwarming sjouwers en aan, kocht andere werklui nieuwe kachels, vond hij zorgde voor merendeels in bliksemafleiders, de omgeving zette de buitenkant van het Slot, van het Slot zoals in Zuilen, opnieuw in Maarsseveen, de grondverf, Maarssen of verving plafonds, Utrecht. De baron restaureerde het noteerde wie hij Poortgebouw, in dienst nam en kocht nieuwe wat hij ze betaalde. wijnrekken, Dat ging niet altijd verplaatste tegels goed, zo huurde uit omringende hij in maart 1911 huizen en een sjouwer in die boerderijen een maand later naar de gang, al weer moest bouwde een vertrekken, want nieuwe porseleinkast, etc. De baron voerde niet hij was “vrij lui, niet sterk”, aldus de baron. Uit de alleen vernieuwingen door in het huis, maar ook winter van datzelfde jaar stamt ook een lijst van in de pachtboerderijen rond het kasteel, zoals de maar liefst 25 werknemers, waarbij hij specifiek de bouw van een nieuwe hooiberg of de aanleg van religieuze gezindte (hervormd of gereformeerd) een gierput. van zijn personeel heeft genoteerd. In die periode werden onder meer de huidige Bellekamers Betonbaron opgeknapt en de hele buitenzijde van het Slot werd Het regelmatige gebruik van beton bij zijn geschilderd. herstelwerkzaamheden heeft geleid tot de bijnaam de betonbaron. Door zijn professionele achtergrond Orde op zaken was Frederik zeer goed thuis in de constructie van De baron had een grote interesse in de geschiedenis waterbouwkundige werken. In de loop van de 19e van zijn familie en onderkende het belang van de eeuw werden meerdere landhoofden, brugpijlers en plek en de eeuwenoude tradities in Slot Zuylen. Hij kademuren in beton uitgevoerd. Die techniek paste besloot het huis en de inventaris te ordenen, en Frederik ook toe bij het herstel van de kademuur waar nodig te herstellen en restaureren. Een van tussen de poort en de brug in 1900. Waar nodig zijn eerste acties was een globale ordening van het verving hij de fundering door een betonlaag en waar archief van Huis Zuilen, onder begeleiding van de 6


Werk- en betaalboekje met handtekening J.C Rietveld (midden), mogelijk door een knecht gezet (Archief Slot Zuylen)

Locarno In 1919 vertrok Frederik uit Zuilen en vestigde zich in de Achterhoek. In 1922 overleed zijn vrouw Johanna. Het legaat dat hem toekwam na het overlijden van Johanna heeft hij niet geaccepteerd. Hij liet het merendeel na aan hun zoon Frederik, die ondertussen met zijn gezin in Slot Zuylen woonde. In 1923 hertrouwde hij in Gelderland met jonkvrouwe Judith Calkoen (1874-1941).

zeer deskundige rijks- en gemeentearchivaris van Utrecht, S. Muller Fzn. De opdracht voor het maken van archiefkasten aan de vader van Gerrit Rietveld vloeide hier direct uit voort. Ook inventariseerde de baron zijn eigen en nieuw geërfde schilderijenbezit in een boek. Per schilderij reserveerde hij één bladzijde en hij noteerde de voorstelling, de vervaardiger en de datering. Alle schilderijen kregen in het inventarisboek een nummer, dat ook in rood achterop de schilderijen werd geschilderd. Hij nam eerst de schilderijen op die al aanwezig waren op Slot Zuylen en daarna de schilderijen die hij zelf had ingebracht. Ook liet de baron een serie schilderijen restaureren bij de Amsterdamse restaurator J.A. Hesterman.

De laatste periode van zijn leven was de baron “zonder woonplaats en reizende in het buitenland”. Frederik van Tuyll van Serooskerken overleed in 1934 te Locarno in Zwitserland, en werd begraven te Muralto. Hij was al ziekelijk in de jaren voor zijn overlijden. Hij liet diverse brieven na met daarin schetsontwerpen voor zijn graf en aanwijzingen voor de begrafenis. De baron was tot in zijn laatste levensjaren iemand die orde en structuur nastreefde – in zijn werk, huis en leven. Zijn onderzoekende geest leidde hem naar het roemrijke verleden van zijn voorgeslacht. Dankzij zijn documentatiedrift en zorg voor het archief weten we nu veel over de geschiedenis van het huis. Hij bracht vader en zoon Rietveld naar Slot Zuylen. Van zijn vernieuwingen – uitgevoerd met respect voor haar lange geschiedenis – plukken we tot op de dag van vandaag de vruchten.

Graf te Muralto

Gerbrand Korevaar 7


Johannes Cornelis Rietveld 1860-1933

Rietveld senior

Een Utrechtse meubelmaker Deze straat maakte deel uit van de grote stadsuitbreiding aan de oostkant van Utrecht en was bedoeld voor de gegoede middenstand. Het gezin woonde eerst op Poortstraat 84, vijf jaar later betrokken ze hun huis met werkplaats op nr. 98. Jan nam in 1892 een knecht in dienst en adverteerde in 1894 in Het nieuws van den dag: “Te Utrecht wordt direct gevraagd een bekwame meubelmaker… J.C. Rietveld, Poortstraat 84”. In de daaropvolgende jaren plaatste hij veelvuldig advertenties waarin meubelmakers werden gevraagd, vaak met de toevoeging ‘tegen hoog loon’ en ‘zoo spoedig mogelijk’. Dat de meubelwerkplaats groeide valt goed te verklaren: het aantal inwoners van de stad Utrecht verdriedubbelde tussen 1851 en 1917. Vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw vestigde de elite zich aan de oostzijde van de stad, een ontwikkeling die gunstig was voor Jan Rietveld met zijn daar gevestigde atelier.

De beroemde ontwerper en architect Gerrit Thomas Rietveld (1888-1964) was de zoon van meubelmaker Johannes Cornelis Rietveld en Elisabeth van der Horst. Vader Jan, zoals diens roepnaam luidde, was in 1860 geboren in een schoenmakersgezin aan de Massegast, een steegje in de Utrechtse binnenstad. Rond 1868 verhuisde de familie naar de Stevensfundatie, een hofje met vijftig woningen voor protestantse handwerkslieden en een loods waar zij hun ambacht konden uitoefenen. Jan trad echter niet in de voetsporen van zijn vader: in 1882 stond hij bij de Stevensfundatie vermeld als meubelmaker. Na het huwelijk met Elisabeth van der Horst in 1886 verhuisde het jonge paar naar een nieuwbouwhuisje in de Ooftstraat, eigendom van architect Izaak van Lunteren. Daar werden de eerste twee kinderen geboren, Jan en Gerrit. De zaken gingen blijkbaar goed voor vader Rietveld, want in 1891 betrok het gezin een woonhuis met werkplaats aan de Poortstraat.

Ooftstraat 14 (midden), Gerrits geboortehuis

8


J.C. Rietveld en een ontwerp van zijn hand (rechts)

Meubelmakerij Jan Rietveld verstond zijn vak, zo blijkt uit bewaard gebleven meubelen van zijn hand, waaronder enkele archiefkasten in Slot Zuylen. De constructiewijze is degelijk en de detaillering van de ornamenten en profiellijsten getuigt van vakmanschap. Uit het door hem geschreven bestek voor de kasten blijkt ook een grote vakinhoudelijke kennis. Waar vader Rietveld als zoon van een schoenmaker zijn kennis en ervaring had opgedaan is onbekend. Een ambachtsschool werd in Utrecht pas in 1877 opgericht. Wellicht volgde hij aan een burgeravondschool voortgezet lager onderwijs met aandacht voor beroepsgericht praktisch onderwijs. Vanwege de explosieve groei van de stad Utrecht waren er in ieder geval veel meubelmakerijen waar hij het vak in de praktijk heeft kunnen leren.

Eind 19e eeuw waren de kleine meubelmakerijen nauwelijks gemechaniseerd. Slechts enkele hadden een machine op stoom of water- of windkracht. Ook in de werkplaats van vader Rietveld, die ongeveer 40 m2 groot was, zal een machine aanvankelijk hebben ontbroken. Het benodigde hout zal hij hebben betrokken bij de diverse stoomhoutzagerijen die de stad Utrecht telde. In 1908 verdubbelde Jan Rietveld met een uitbouw de omvang van zijn werkplaats aan de Poortstraat. Een paar jaar later liet hij zich in adresboeken zelfs vermelden als meubelfabrikant. Clientèle Het is mogelijk dat vader Rietveld een protegé was van de eerder genoemde architect Izaak H.J. van Lunteren (1843-1921). Deze was een prominent lid van het Utrechtse genootschap Kunstliefde, dat veel vooraanstaande en adellijke leden telde, waaronder ook baron Van Tuyll van Serooskerken. Wellicht bracht Van Lunteren hem in contact met hooggeplaatste klanten.

Een voorbeeld van een bedrijf dat, net als Jan Rietveld, zowel nieuwe meubels maakte als oude meubels restaureerde, was dat van H.C. Menger, “allerbeste op het gebied van restaureren der prachtige kunstproducten onzer laat-middeleeuwse voorvaderen”. Dit bedrijf voerde vanaf 1874 opdrachten uit voor de directeur van het Stedelijk Museum in Utrecht annex stadsarchivaris Samuel Muller Fzn. Deze heeft na 1900 ook baron Van Tuyll van Serooskerken van Slot Zuylen bijgestaan met het op orde brengen van zijn archief.

Jan Rietveld had ongetwijfeld ook profijt van zijn relaties met geloofsgenoten. De streng gelovige man was actief lidmaat van de Gereformeerde Doleantiekerk en bezocht de Oosterkerk aan de Maliebaan (in 1984 gesloopt). De zoon van de predikant van deze kerk was de architect en

9


Opvolger? De jonge Gerrit groeide op rond de meubelmakerij aan de Poortstraat, samen met zijn broers Jan, Wim en Frans en twee jongere zussen, Marie en Sjaan. Zijn één jaar oudere broer Jan was wegens zijn zwakke gezondheid ongeschikt om het vak van meubelmaker uit te oefenen. Broer Wim, ruim een jaar jonger dan Gerrit, was zo onhandig dat zijn vader hem geen zaag en hamer toevertrouwde, althans volgens familieherinneringen.

meubelontwerper Piet Klaarhamer (1874-1954), die zijn meubelontwerpen bij het atelier van Jan Rietveld liet uitvoeren. Klaarhamer werkte kort voor 1900 enkele jaren op het bureau van architect Petrus Johannes Houtzagers (18571944), die ook in de Oosterkerk kerkte. Houtzagers had een belangrijke Utrechtse clientèle. Zo bouwde hij in 1890 de Oranjesociëteit Sic Semper. Hij werkte ook voor de bankiersfamilie Kol en de welgestelde familie Verloop, die beide door huwelijken geparenteerd waren aan adellijke families, waaronder verwanten van de familie Van Tuyll van Serooskerken. Jan Rietveld – en later ook zijn zoon Gerrit – leverde verschillende bijdrages aan Houtzagers ingrijpende verbouwingen van de Utrechtsche Hypotheekbank aan de Drift in Utrecht. Houtzagers was in 1900 ook aanbevolen aan baron Van Tuyl van Serooskerken om renovatiewerkzaamheden aan Slot Zuylen uit te voeren, maar uiteindelijk kreeg een andere Utrechtse bouwkundige die opdracht.

Wim was hoogbegaafd en kon dankzij een toelage van een anonieme weldoener doorleren. Na verscheidene universitaire studies te hebben gevolgd in Leiden werd hij leraar Klassieke Talen, en zou kort voor zijn overlijden in 1929 promoveren aan de Universiteit van Amsterdam. De zes jaar jongere broer Frans bleek evenmin geschikt voor het meubelvak en zou onderwijzer worden. Het was tweede zoon Gerrit die in 1900, direct na het verlaten van de lagere school, bij zijn vader in de leer ging. Hij zou, weliswaar met onderbrekingen, jarenlang met hem blijven samenwerken. Nico Hijman

Vergaderzaal Utrechtsche Hypotheekbank, Drift 17 (HUA)

10


Archiefkast voor Slot Zuylen Gerrit Rietvelds eerste ontwerptekening?

Nadat Frederik baron Van Tuyll van Serooskerken het legaat met Slot Zuylen had geaccepteerd, trof hij in 1900 een huis aan waarin structuur aangebracht moest worden. Een van zijn eerste acties was de ordening van het familie-archief. De baron liet aanpassingen doen op de tweede verdieping. Hij noteerde: “De kleine kamer achter de groote logeerkamer werd van een steenen vloer voorzien… De verandering had ten doel een muizenvrij vertrek in te richten ten behoeve van de bewaring der archiefstukken.”

Om het waardevolle archief veilig te kunnen bewaren moest er ook een nieuwe kast komen. In 1901 bestelde de baron een archiefkast bij J.C. Rietveld, de vader van Gerrit. Hij had de naam van de meubelmaker mogelijk doorgekregen van de Utrechtse archivaris Samuel Muller, die hem adviseerde over het archief. Dankzij deze kast kwamen de baron Van Tuyll van Serooskerken en de familie Rietveld met elkaar in contact.

11


Dankzij een bewaard gebleven ontwerptekening, een schriftje met een bestekomschrijving en diverse aantekeningen, is de levering van de archiefkast precies te volgen. Het begon met een brief van 16 april 1901 van baron Van Tuyll van Serooskerken aan de meubelmaker Jan Rietveld met enkele opmerkingen over een door Rietveld verstrekte ontwerptekening. De baron gaf aan dat er een familiewapen op de kast moest komen – een alliantiewapen van Van Tuyll van Serooskerken en Schimmelpenninck, de familie van zijn vrouw – maar een kroontje hoefde niet. Wel moesten de sleutels in het wapen van Schimmelpenninck duidelijker uitkomen. In het bestek in het schriftje is een nauwkeurige omschrijving opgenomen van de werkzaamheden, maatvoering en houtkwaliteiten. Zo moest bijvoorbeeld ‘kwartiersgezaagd’ eikenhout worden toegepast, waarbij de boomstam eerst in de lengte in vieren wordt gezaagd, waarna uit elk ‘kwartier’ planken gezaagd worden die haaks op de jaarringen staan, met als resultaat

stabiel hout en evenwijdige lijnen. Verder werd er aangegeven dat de kast binnen twee maanden na bestellen zou worden geleverd voor een prijs van fl. 370,-. We weten ook precies wanneer de kast gereed was; op de voorzijde van het schriftje staat genoteerd: “Archiefkast, geleverd 23 sept 1901”. Ontwerptekening De ontwerptekening is bijzonder nauwkeurig, maar bij nadere beschouwing blijkt: de horizontale verbindingsregels aan de onder- en bovenzijde van het raamwerk van de deuren ontbreken. De deurconstructie is daarmee onvolledig, wat niet te plaatsen is bij een vakkundig en ervaren meubelmaker als Jan Rietveld. Ook in zijn bestek was de constructie van de deur helder omschreven: “De deuren… als raamwerk te verbinden, de verbinding bestaat uit gat en pen”. Op de niet-gesigneerde tekening heeft de baron, met een pijl naar een deurstijl, hierover een opmerking heeft geplaatst: ‘rondloopend, ook boven, hadden bedoeld’. Als het niet vader Rietveld was die deze tekening maakte, wie kan dan de tekenaar zijn


Interieur Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams, Keistraat 9, 1977 (HUA)

Stijl Baron Van Tuyll had voor de kast gekozen voor de rond 1900 in gegoede kringen vertrouwde neo-renaissancestijl. Waarschijnlijk heeft hij een concreet voorbeeld aangedragen: de imponerende neo-renaissance betimmering in de zaal van het Hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams aan de Keistraat in Utrecht. De baron was daar hoogheemraad (bestuurslid van het waterschap), en archivaris Muller verzorgde er het archief. De archiefkast in Slot Zuylen vertoont veel gelijkenis met de betimmeringen en archiefkasten in de Keistraat, die in 1894 ontworpen waren door architect E.G. Mentink.

geweest? Was het misschien de jonge Gerrit? Toen de tekening gemaakt werd werkte hij net een jaar bij zijn vader, nadat hij in 1900 de lagere school had verlaten. In een interview in 1932 gaf Gerrit Rietveld aan dat hij als jongen een grote liefde had voor tekenen en daaraan “vrijwel elke vrije minuut die hij had” besteedde. Ook vertelde Rietveld later aan architect Bertus Mulder, met wie hij een goede band had, dat hij door zijn vader “van school gehaald” werd omdat hij “voor Slot Zuylen meubilair moest tekenen”. Vanwege het technische karakter van de tekening is deze moeilijk te vergelijken met andere vroege Rietveld-tekeningen, maar op grond van deze argumenten kunnen we toch aannemen dat hij is gemaakt door de nog onervaren meubelmakersleerling Gerrit Rietveld. Met deze toeschrijving is in de collectie van Slot Zuylen het prilste werk ontdekt van de beroemde ontwerper.

De basisopzet van de Zuylense archiefkast is klassiek. Het ontwerp gaat uit van de kwadratuur: alle maten zijn gebaseerd op het hart van de stijlen. De hoogte van de kast is gelijk aan de breedte, zoals gebruikelijk was bij klassieke kasten. De neo-renaissance ‘aankleding’ van de kast vertoont de nodige variatie. Zo is de plint bescheiden uitgevoerd met afwijkende profielen. Het houtsnijwerk van de decoratieve consolestukken bovenaan de pilasters (schijnzuiltjes) heeft een eigentijdse ‘twist’. Het in rococostijl uitgevoerde houtsnijwerk van het alliantiewapen wijkt sterk af van de strenge renaissancestijl. Aan de wens van de baron dat “de sleutels in het wapen van zijn vrouw wat beter moeten uitkomen” gaf Rietveld gehoor door ze extra groot uit te voeren.

Gerrit had zijn eerste tekenlessen mogelijk gevolgd bij Geert Folkertsma (1847-1912), een tekenleraar en kunstenaar die met zijn gezin vanaf 1894 in de Poortstraat woonde, net als de familie Rietveld. De zoons van Folkertsma waren leeftijdgenoten van Gerrit. Jan Rietveld zal zijn zoon duidelijke aanwijzingen hebben gegeven over de te tekenen kast, zoals over de maatvoering en de ontwerpstijl van de decoraties. De jonge Gerrit zal naast de ontwerptekening ook zijn bijdrage hebben geleverd aan de vervaardiging. 13


Uitvoering Aan de kast zien we dat in de meubelmakerij van Rietveld alles met de hand werd afgewerkt; het eventuele gebruik van machines mocht beslist niet zichtbaar zijn. De enige machinale zaagsporen zijn enigszins zichtbaar aan een kleine lade binnenin de kast. Een opvallend en uniek kenmerk van Jan Rietvelds werkwijze vormt de afwerking van het onbehandelde hout aan de binnenzijde, inclusief de planken: hij schuurde dat consequent en zorgvuldig dwars op de nerfrichting. Het doel van deze arbeidsintensieve methode zal zijn geweest om een soort mattering aan te brengen, waardoor een rustig ogend kastinterieur ontstond. De kast was blijkbaar naar wens. Om meer archiefstukken te kunnen bergen leverde Jan Rietveld later namelijk nog twee enkeldeurs kasten, in stijl en uitvoering sterk vergelijkbaar met de grote kast. Een van deze twee kasten moet enigszins ingebouwd hebben gestaan; alleen aan de voorzijde is de kast volledig uitgevoerd. Alle kasten zijn tegenwoordig tentoongesteld in de Stenen Kamer, een ruimte op de tweede verdieping van Slot Zuylen.

Het huisarchief Welke documenten werden in de archiefkasten van Rietveld bewaard? Frederik baron Van Tuyll van Serooskerken liet ze maken om het huisen familiearchief in te bewaren, vol kwetsbare en bijzondere documenten vanaf de late middeleeuwen. De baron deed veel onderzoek naar de familiegeschiedenis en stelde stambomen samen met behulp van archivarissen uit het hele land.Voor de ordening van het archief kreeg hij advies van de Utrechtse rijks- en gemeentearchivaris Samuel Muller Fzn. De baron toonde in 1908 de hoogtepunten van het archief aan het tijdschrift Buiten (zie ook p. 23). “Het neusje van den zalm vormen de brieven en twee buitengewoon mooie exemplaren van een Album Amicorum met zeldzaam fraai uit de hand geteekende en gekleurde wapens en letters.” Een van deze ‘vriendenboeken’ dateert uit 1612-13 en bevat een getekende ‘skyline’ van Utrecht. Het was van Swana van Ledenberg, de vrouw van Adam van Lokhorst, die enkele jaren later Slot Zuylen kocht.

Nico Hijman

“Merkwaardige brieven en paperassen bevat het archief,” vervolgde Buiten. “Van alle aanzienlijke personen, wier namen gemeenzaam zijn voor wie de vaderlandsche geschiedenis beoefent, zijn daar brieven aanwezig.” Als voorbeeld werden de Hertog van Alva, koning Filips II van Spanje en Willem van Oranje genoemd, hoofdrolspelers tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Tegenwoordig wordt het huisarchief bewaard bij Het Utrechts Archief, waar de klimatologische omstandigheden zijn afgestemd op papier en perkament. Ook is het archief daar raadpleegbaar voor onderzoekers. In de oude archiefkasten, die tegenwoordig in de Stenen Kamer staan, worden allerlei andere paperassen bewaard.

14


De jonge Gerrit Rietveld Meubelmakerszoon ontwikkelt zich Gerrit Rietveld werkte na het verlaten van de lagere school zes lange dagen in de week in de meubelmakerij van zijn vader en leerde daar dus al jong het meubelmakersvak. Vanaf 1904 ging hij daarnaast avondonderwijs volgen op het gebied van tekenen en ontwerpen. Deze periode, waarin Rietveld onder andere zijn stoelen voor het Poortgebouw in Slot Zuylen zou vervaardigen, stond in het teken van zijn ontwikkeling tot zelfstandig meubelmaker en ontwerper. De meubels in het atelier Rietveld werden voornamelijk in een historiserende stijl gemaakt. In zijn latere herinneringen heeft Gerrit Rietveld daarover gezegd dat hij de zware meubels met hun snij- en profielwerk haatte en dat hij ze lelijker vond dan hun originele voorbeelden. Toch werden er ook fijner uitgevoerde meubelstukken vervaardigd in de jaren dat Gerrit bij zijn vader werkte. Dat blijkt uit het meubilair dat te zien was op de eerste overzichtstentoonstelling van Rietvelds werk, in 1958 gehouden in het Centraal Museum in Utrecht. In het zogenaamde ‘Oude vak’ stonden een bijzettafeltje, een stoel en een theetafel die in de meubelmakerij van Jan Rietveld waren gemaakt. De stoel en bijzettafel vertonen stijlkenmerken van de Nieuwe Kunst, de Nederlandse variant van de Art Nouveau.

Gerrit Rietveld, ca. 1905

Avondonderwijs Na het volgen van de Burgeravondschool, bestemd voor leerlingen die overdag werkten, nam Gerrit van 1904 tot 1906 lessen in vormgeving, constructie en kunst bij een bekende: de meubelontwerper en architect Piet Klaarhamer, die zijn meubels bij het atelier Rietveld liet uitvoeren. Klaarhamer had in 1904 een bureau aan de Herenstraat geopend en gaf in de avonduren les over architectuur en meubelkunst. Klaarhamers grootste inspiratiebron was de belangrijke architect H.P. Berlage, met wie hij bevriend raakte. Daarnaast werd hij beïnvloed door Pierre Cuypers (op wiens bureau hij had gewerkt), de Utrechter P.J. Houtzagers en de Amerikaan Frank Lloyd Wright. Bij zijn ontwerpen hanteerde Klaarhamer net als

De eerste meubels die Gerrit helemaal zelf maakte waren in 1904 te zien op een tentoonstelling van huisvlijt van de Volksbond tegen Drankmisbruik, afdeling Utrecht. De vereniging hield een drukbezochte driedaagse tentoonstelling in caférestaurant Buitenlust aan de Maliebaan. In de categorie van 12- tot 16-jarigen met 96 inzenders werd de 16-jarige G. Th. Rietveld onderscheiden met een bronzen medaille voor zijn theetafel en boekentafel. De feestelijke prijsuitreiking vond plaats in de grote zaal van Tivoli. Er zijn van deze meubels geen afbeeldingen bekend. De wedstrijd zal voor Gerrit een extra aanmoediging zijn geweest om zich verder in het vak te verdiepen. 15


‘Het oude vak’, tentoonstelling Gerrit Rietveld, 1958 (Rietveld Schröderarchief / Centraal Museum)

Berlage proportie- en harmoniesystemen zoals het kwadratuur. Daarbij werden de maatverhoudingen bepaald door herhaalde ompassering van cirkels in en om vierkanten. Ook bij zijn leerlingen benadrukte Klaarhamer het belang van een geometrisch ontwerpsysteem. Later zou Gerrit Rietveld over Klaarhamer zeggen: “Ik heb aan hem de ondergrond van mijn vakkennis te danken… Hij was een der zeer weinigen die volkomen overtuigd was van Berlages begrippen omtrent de grote waarde van maatverhoudingen van ruimte en massa in de architectuur: de maten van zelfs de kleinste details werden door hem afgeleid van een voor elk werk opnieuw, geheel functioneel verantwoorde eenheidsmaat.”

16 jaar kregen er onderricht in kunstvakken als boetseren, beeldhouwen, houtsnijden, handtekenen en schilderen. De directeur van de school was de architect P.J. Houtzagers, die er zelf les gaf in vaktekenen en stijl- en ornamentleer. Teken- en schilderlessen, ontleedkunde en proportieleer kreeg Gerrit Rietveld van Titus van der Laars. Andere docenten waren de bekende edelsmeden Jan Brom en Anthonie Begeer. Gerrit volgde deze avondschool, met elf lesuren in de week in de periode oktobermaart, van 1904 tot en met 1908.

Kunstnijverheid Gerrit schreef zich in 1904 niet alleen in voor de lessen bij Klaarhamer, maar ook voor de avondschool van het Utrechtsch Museum van Kunstnijverheid aan de Wittevrouwenkade. Dat deed hij wellicht op aanraden van Klaarhamer, die tien jaar eerder zelf deze avondcursus had gevolgd. Leerlingen vanaf 16

Behalve het volgen van de lessen werd van de leerlingen vrije studie verwacht in het museum en de bibliotheek. Gerrit was een goede leerling: hij kreeg tweemaal een prijs “wegens betoonde vlijt en getrouw schoolbezoek” en in 1908 ook nog als “veelbelovende leerling”. Uit deze periode zijn tekeningen bewaard gebleven die Gerrit wellicht in het kader van zijn lessen maakte, onder meer van de Keulse Dom van het portaal van de Utrechste Domkerk. Ze zijn te zien op de presentatie in Slot Zuylen.


Inspiratiebronnen Naast het kunstzinnige onderricht kon de jonge Rietveld kennisnemen van kunst en architectuur via diverse tijdschriften. Zijn vader was geabonneerd op L’art Décoratif en Art et Décoration. Bij Klaarhamer had hij inzage in de tijdschriften Architectura, Dekorative Kunst, The Studio, Deutsche Kunst und Dekoration en het Bouwkundig Weekblad. Via Klaarhamer zal Gerrit ook de belangrijkste publicaties van Berlage gekend hebben. Een andere inspiratiebron lag voor Gerrit letterlijk om de hoek in Utrecht-Oost: het Stedelijk Museum van Oudheden in het pand Het Hoogeland aan het einde van de Biltstraat (later opgegaan in het Centraal Museum).

Lodewijk XV-stijl vervaardigden,zijn bewaard gebleven (zie p. 10). Het houtsnijwerk en de schilderingen werden door Gerrit uitgevoerd. Enkele jaren later werd in een tweede fase de grote kamer van de boekhouding van de Hypotheekbank op de eerste verdieping ingericht. De kasten en de betimmering zijn hoogstwaarschijnlijk ook door vader Rietveld vervaardigd. Er zijn sterke overeenkomsten met de archiefkasten die de Rietvelds eerder voor Slot Zuylen maakten. De unieke ‘handtekening’ van Rietveld senior – dwarse schuursporen op het onbehandelde hout aan de binnenzijde – is ook hier te vinden. Waarschijnlijk in hetzelfde jaar als het werk voor de Hypotheekbank maakte de inmiddels 17-jarige Gerrit Rietveld zijn eerste zelfstandige meubelontwerp in opdracht. Daarvoor keerde hij terug naar Slot Zuylen. Nico Hijman

Overdag bleef Gerrit tot en met 1906 als meubelmaker bij zijn vader werken. In dat jaar schakelde de architect Houtzagers – tevens tekenleraar van Gerrit – de Rietvelds in bij een verbouwing van de vergaderzaal van de Utrechtsche Hypotheekbank aan de Drift. De lambrisering, betimmering, deuren, geschilderde bovendeurstukken en de schoorsteen die zij in

onder Kamer boekhouding Utrechtsche Hypotheekbank, 2010 boven Domportaal, Gerrit Rietveld, ca. 1905 (Rietveld Schröderarchief / Centraal Museum)

17


Het 16e-eeuwse

Poortgebouw

Het Poortgebouw is een van de oudste delen van Slot Zuylen. Het gebouwtje ademt nog de sfeer van een Middeleeuws kasteel, omdat het onaangeraakt is bij een grote verbouwing in het midden van de 18e eeuw. Wel is het rond 1905 gerenoveerd.

Het Poortgebouw is waarschijnlijk rond 1530 neergezet in dezelfde laat-gotische stijl waarin het gehele slot in die periode was opgetrokken. Edelman Willem van Rennenberg, kind aan huis bij het Bourgondische hof in Mechelen, was via zijn vrouw Cornelia van Culemborg eigenaar geworden van Slot Zuylen. Hij realiseerde een pied-à-terre in Zuilen door de ruïne van een oude woontoren te laten vervangen door een indrukwekkend gebouw, compleet met poortgebouw en koetshuis. Het geheel is mogelijk ontworpen door de Vlaamse architect Rombout II Keldermans, die o.a. Kasteel Vredenburg bouwde voor keizer Karel V.

Een poortgebouw was noodzaak ter bescherming van het terrein, maar het prominente torenachtige bouwwerk werkte ook statusverhogend. Poortwachters zijn er al lang niet meer, maar het getraliede venster boven de doorgang en de schilddragende stenen leeuwen herinneren nog aan de bewakingsfunctie. Vanuit hier had de wachter ver zicht over de vlakke landerijen. Begin 20e eeuw werden bij restauratiewerkzaamheden in de zijmuur zelfs schietgaten gevonden met eikenhouten steunen voor de musketten. Ook zijn de schijven waarover de kettingen van de voormalige houten ophaalbrug liepen, nog goed zichtbaar.

Poortgebouw in: ‘Buiten’,1908

19e-eeuwse tekening van de schouw, J.G. Horsthuis (RCE)

18


Aan weerszijden van de poort sieren tegenwoordig wapenschilden van de familie Van Tuyll van Serooskerken de voorgevel, maar die zijn pas later aangebracht. Binnen voert een smalle trap naar de vroegere kamer van de poortwachter. Hier staat een monumentale, zandstenen gotische haard met in de kap heraldische versieringen, waaronder het wapen van Cornelia van Culemborg. Verder biedt een kast opslagruimte en is er een klein ‘gemak’.

Restauratie Frederik baron Van Tuyll van Serooskerken liet het Poortgebouw rond 1905 geheel renoveren. In september 1904 maakte de baron, die opgeleid was als ingenieur, zelf een opname van de benodigde werkzaamheden. Ook vroeg hij in een brief aan het archief in Utrecht of men hem kon helpen met de identificatie van defamiliewapens op de schouw, die onder een pleisterlaag vandaan waren gekomen. Tot slot kregen vader en zoon Rietveld toen de opdracht voor een serie meubels die aansloten bij de historische sfeer van het gebouwtje.

19


Meubelensemble in het Poortgebouw

Gerrit Rietvelds eerste opdracht hoogstwaarschijnlijk al zijn vader geassisteerd bij de vervaardiging van de archiefkasten voor Slot Zuylen.

In 1905 liet Frederik baron van Tuyll van Serooskerken het 16e-eeuwse Poortgebouw restaureren. Voor het interieur van de poortkamer schakelde de baron kort daarop Rietveld & Zoon in, die hij al kende van de archiefkasten die ze in 1901 voor hem hadden gemaakt. Gerrit nam – voor het eerst – het ontwerp van het meubilair voor zijn rekening. Dat het ontwerp van Rietveld junior was, kunnen we concluderen uit foto’s en de catalogus van diens eerste overzichtstentoonstelling in het Centraal Museum in 1958, en Rietvelds mondelinge toelichting een jaar later in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Een van de stoelen uit het Poortgebouw werd toen getoond als Rietvelds eerste ontwerp. Daarbij stond nog abusievelijk het jaar 1900 vermeld; wellicht kwam deze datering van Gerrit Rietveld zelf en liet zijn geheugen hem in de steek. Hij had immers in 1901

20

Betimmering en meubilair De in het Poortgebouw aangebrachte betimmering bestaat uit eenvoudig uitgevoerde deuren en een zoldering met sleutelstukken onder de balken, vormgegeven in gotische stijl. Het meubelensemble bestaat uit een tafel, drie stoelen en een wandbordenrek. Of er ooit een vierde stoel heeft bestaan is niet bekend. Het gehele ensemble is uitgevoerd in eikenhout. Het bordenrek werd in 2004 bij een inventarisatie van het meubilair aangetroffen in het depot van Slot Zuylen. Uit stilistisch overeenkomsten en ‘matchende’ ophangpunten en -ogen bleek dat het uit het Poortgebouw kwam. In de poortkamer zijn ophangpunten voor twee rekken aanwezig, maar over een tweede bordenrek is verder niets bekend.


Overeenkomst Gerrits stoelen in de poortkamer vertonen opvallende gelijkenis met een stoel van Klaarhamer, in 1904 getoond op een tentoonstelling van de Vereeniging Voor de Kunst in Utrecht. Dat is niet verwonderlijk: Stoel Klaarhamer, 1904 Klaarhamer liet zijn ontwerpen door meubelmakerij Rietveld uitvoeren, en Gerrit volgde bovendien lessen bij hem. De eenvoud van beide ontwerpen komt vooral naar voren bij de rugleuningen. De bescheiden decoraties zijn in beide gevallen in overeenstemming met de ontwerpregels van Berlage: “Plaatsen voor versiering zijn beperkt, want deze mogen de constructie niet verbergen…” Het wandbordenrek kent vergelijkbare gotische ornamenten als de stoelen en tafel, maar heeft daarnaast andere, verrassende ornamenten. Zo dienen gestileerde hogels (gotische gekrulde blad- of bloemvormen) als ondersteuning van de planken. De stijl van dit bordenrek is duidelijk minder rationalistisch en lijkt meer op een stoel uit het atelier Rietveld die in 1958 werd tentoongesteld in het zogenoemde ‘Oude vak’ in het Centraal Museum.

Functionalisme Aan de eenvoudig maar weloverwogen uitgevoerde meubelen is te zien dat de functie centraal stond bij het ontwerp. De aangebrachte ornamenten refereren rechtstreeks aan de gotische stenen schouw en de sleutelstukken onder de plafondbalklaag (zie p. 19). Het ontwerp zelf is daarmee echter nog niet neogotisch, de ontwerpstijl die eind 19e eeuw populair was. De hoofdvorm blijft namelijk helder en gaat uit van het moderne principe form follows function. We zien in het ontwerp de weerslag van de moderne denkbeelden van Rietvelds leermeester Piet Klaarhamer, en daarmee indirect die van Berlage: “Je hebt een systeem nodig om een constructieve vorm te krijgen. Pas als je je aan het systeem houdt, ontstaat er schoonheid van vorm. Regel maakt schoonheid.” Gerrit was een voorbeeldige leerling, want naast deze denkbeelden paste hij ook de bijbehorende proportieleer toe: we zien bij de stoelen een heldere uitvoering van de kwadratuur. de maten en verhoudingen zijn gebaseerd op omcirkelingen, zoals een reconstructie van de ontwerpmodule laat zien (boven). 21


Uitvoering De tafel en de stoelen zijn met verlijmde penen gatverbindingen in elkaar gezet. Ze zijn ook voorzien van toognagels: houten nagels waarmee houtverbindingen worden vastgezet. De gebruikte toognagels lopen echter niet taps toe en zijn niet overal door-en-door toegepast. Constructief dragen ze daarom weinig bij; ze zullen als decoratief element zijn bedoeld. De gesneden zwikken (hoeksteunen) in de binnenhoeken zijn decoratief maar laten de constructie toch duidelijk zichtbaar. De stoelzittingen bestaan uit een losliggende plank: een logische keuze in het onverwarmde en vochtige Poortgebouw. De poortwachterskamer kan alleen bereikt worden via een smalle trap. Omdat de tafel groter is dan de doorgang, zal Gerrit hem in de werkplaats aan de Poortstraat hebben voorbereid en ter plekke in elkaar hebben gezet. Rietvelds tafel is en blijft dus onlosmakelijk verbonden met het Poortgebouw van Slot Zuylen. Nico Hijman

Toen de meubels in het Poortgebouw ontstonden, tekende Gerrit Rietveld ook de rococo-stoel van de baron in de eetkamer van Slot Zuylen, misschien om een kopie te maken. Door dit soort schetsmatige tekeningen waarbij een stoel wordt ontleed, ontwikkelde Rietveld al op jonge leeftijd een scherp oog voor de constructie van meubels. Deze tekening is voor de presentatie in Slot Zuylen in bruikleen gegeven door partner Het Nieuwe Instituut.

22


Poortkamer in: ‘Buiten’, 1908

In den stijl van dien tijd In dit poortgebouw, dat aan de buitenzijde de wapenschilden draagt van Zuylen en van Utrecht, komt men langs een flauw kronkelende trap, die onder een merkwaardig kruisgewelf omhoog voert, in de kamer der wachten, welke met een schouw uit de helft der 16de eeuw, de fraaie oude tinnen serviezen en meubels in den stijl van dien tijd, door den tegenwoordige eigenaar typisch historie-getrouw is ingericht. Deze eerste beschrijving van het door Gerrit Rietveld vernieuwde interieur van het Poortgebouw komt uit het tijdschrift Buiten van 21 maart 1908. Het citaat doet niet direct denken aan Rietveldmeubels, maar ze gaan er wel over. Twee jaar eerder had baron Van Tuyll de poortkamer immers door Gerrit Rietveld laten herinrichten als een soort gotische stijlkamer. De meubels ‘in den stijl van dien tijd’ waren dus gloednieuw.

De auteur van het stuk over Slot Zuylen was redacteur E. Ruempol, een veelschrijver over historie en reizen. In het exemplaar in de kasteelbibliotheek heeft baron Van Tuyll van Serooskerken met rode pen diverse doorhalingen en correcties aangebracht. Zo voegde hij een ontbrekende ‘n’ toe achter zijn naam en verving in het bovenstaande citaat ‘wapenschilden van Zuylen en Utrecht’ door ‘wapenschilden van Tuyll van Serooskerken’.

Buiten was een ‘geïllustreerd weekblad aan het buitenleven gewijd’, geïnspireerd op het Engelse blad Country Life. Het bestond van 1907 tot 1936. Aan de advertenties te zien werd het vooral gelezen door eigenaren van kastelen en buitenplaatsen.

De fotograaf die in 1908 Zuylen bezocht en ook het interieur van het poortgebouw vereeuwigde, was August Frederik Wilhelm Vogt (1871-1922). Hij legde het Nederland van kort na 1900 vast voor diverse bladen en de ANWB-serie Ons Eigen Land. Voor Buiten bezocht hij kastelen en buitenplaatsen.Vogt reisde te voet, per rijwiel of motorfiets, later met een Simplexbakfiets en soms per automobiel, door het hele land. In 1910 deed hij in Buiten verslag van een maandenlange reis door Nederland in een kleine woonwagen.

23


GERRIT RIETVELD:

Mijn eerste ameublementje In 1958 was de eerste grote overzichtstentoonstelling van Rietvelds werk in het Centraal Museum in Utrecht, getiteld Rietveld. Bijdrage tot de vernieuwing der bouwkunst, ingericht door Rietveld zelf. Hier werden onder andere zijn lattenleunstoel (1918) en zigzagstoel (1932) getoond. Ook een van de stoelen uit het Poortgebouw van Slot Zuylen was tentoongesteld. Op een bord dat er boven hing stond: 1e ontwerp in 1900, poortkamer slot Zuilen, met een grote foto van de stoelen en tafel in het Poortgebouw. Deze datering was zes jaar te vroeg; wellicht had Rietveld na meer dan vijftig jaar het Poortgebouw verward met de eerdere archiefkasten voor Slot Zuylen. Rietveld ging tijdens de tentoonstelling zittend op zijn eerste ontwerp op de foto, met in zijn hand een miniatuur van zijn latere zigzagstoel. In 1959 werd een kleinere variant van dezelfde tentoonstelling gehouden in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ook hier bepaalde Rietveld zelf de inrichting. De Zuylense stoel was er waarschijnlijk niet zelf te zien, maar wel een foto, waarbij Rietveld zelf tijdens een rondleiding vertelde:

Ik ben al heel vroeg in het vak gekomen doordat mijn vader een meubelmakerij had, die werkte voor klanten zoals op oude kastelen enzo. Zo was ik al heel vroeg, op m’n elf-en-een-half jaar, van school af gehaald om een ontwerp te maken voor een ameublementje in een poortkamer in Zuilen.

zo’n gotische proportie had. Dat zat me natuurlijk een klein beetje in de vingers, en dat ziet u misschien ook in later werk… U ziet wel dat ik ook niet van de oude stijlen ben afgehaakt, omdat ik ze niet mooi vond. Of omdat ik het niet goed kon maken, want ik had het vak goed geleerd. Maar ik ben ermee uitgescheden omdat het geen voldoening gaf. Ik zag er geen toekomst in. Want alles wat je maakte in die oude stijlen was eigenlijk slechter dan wat de mensen in die tijden zelf maakten.

U ziet hier het eerste ontwerp. Dat is toen dus bij m’n vader uitgevoerd, ik heb er zelf ook het een en ander aan gedaan, en het heeft me later verwonderd toen ik het in een blad van oude kastelen zag, dat het 24


Gerard van de Groenekan Rietvelds meubelmaker

Gerard van de Groenekan kwam in 1917 als 13-jarige bij Gerrit Rietveld werken en voerde tot 1971 al diens meubels uit. Hij kende Rietvelds werk als geen ander, maar had de meubels in het Poortgebouw van Slot Zuylen tot op hoge leeftijd niet gezien. In 1990 bezocht hij met F.C.C. baron van Tuyll van Serooskerken het Poortgebouw en barstte in tranen uit: “Dit is het enige uit het oeuvre van Rietveld dat ik nooit gezien had. Maar ik herken het wel, want Rietveld zelf heeft er mij meermaals over verteld. Nu kan ik sterven.� Van de Groenekan overleed in 1994. 25


Een bijzondere ontdekking Interview met Nico Hijman

Meubelrestaurator Nico Hijman (1953) is gastcurator van de presentatie Rietveld in Slot Zuylen. Hij raakte gefascineerd door de vroege Rietveld-meubelen en deed er veel onderzoek naar.

Hoe ben je meubelrestaurator geworden?

Samen met je collega Vincent van Drie heb je veel voor Slot Zuylen gewerkt?

Als zoon van een timmerman – geboren en getogen in de Utrechtse wijk Zuilen – ben ik mij na een bouwkundige opleiding gaan richten op de restauratie van meubilair en houten objecten. Die stap was kleiner dan het lijkt, want een meubel is eigenlijk een gebouw in het klein. Inmiddels werk ik al 35 jaar met veel voldoening als meubelrestaurator. Elk meubelstuk heeft zijn verhaal en ik probeer als het ware in de ziel van het meubel te kruipen om dat boven te krijgen. Mijn vader maakte al zelf meubels voor bij ons thuis, en ik heb in de jaren tachtig bijvoorbeeld voor een klant twee Berlijnse stoelen van Rietveld nagemaakt, die ik toen ben gaan opmeten in het Rietveld Schröderhuis.

In 2004 mochten we de meubelcollectie van Slot Zuylen inventariseren. Van de kelder tot de zolder onderzochten we de conditie van zo’n 600 objecten. We troffen houtworm aan, waarna alle aangetaste stukken in een luchtdichte tent een maand lang zijn blootgesteld aan pure stikstof. Zonder giftige stoffen is zo de houtworm succesvol bestreden. Meubels die er slecht aan toe waren hebben we vervolgens in ons atelier in Utrecht gerestaureerd. Wat was je eerste reactie op de Rietveld-meubelen in het Poortgebouw? 26


Het was heel verrassend, je verwacht het niet bij een kasteel. Er is ook nooit ruchtbaarheid aan gegeven. Eerst hadden we gezonde twijfel of het wel klopte; het is heel ander werk dan je van Rietveld kent. Toen ben ik me in de ‘jonge Rietveld’ gaan verdiepen en viel alles op zijn plaats. De datering 1900 die Rietveld er later zelf aan gaf kon niet kloppen: hij was toen nog maar 12 en kwam net van school. Hij gaf in een interview ook toe dat hij slecht was in data. In het archief van Slot Zuylen vonden we dat het Poortgebouw in 1905-06 verbouwd is, en daarmee passen de meubels precies in Rietvelds ontwikkeling. We wilden dit opmerkelijke begin van Rietveld graag delen met het publiek, maar dat was lastig vanwege de slechte toegankelijkheid van het Poortgebouw. Geweldig dat dit nu wel kan!

We hebben besloten dit zo te laten en de stoelen alleen goed schoon te maken en te conserveren met was. Naar aanleiding van de Rietveld-meubels heb je je ook verdiept in de inrichting van de Stenen Kamer? Die kamer is intrigerend en vernieuwend, een weerspiegeling van de voorkeur van de jonge baron (F.C.C. van Tuyll van Serooskerken): eenvoud en soliditeit. Waarschijnlijk was hij, of de maker vande kamer, goed op de hoogte van de ontwerpstromingen van zijn tijd. De muren zijn uitgevoerd à la Berlage, de betimmering is in de ‘prairiestijl’ van architecten als Frank Lloyd Wright, en de stoelen lijken op die van de Amerikaanse meubelontwerper Stickley. Vanwege het meubilair dat Gerrit Rietveld eerder voor Slot Zuylen maakte, in combinatie met de invloed die de Prairiestijl rond 1915 op hem had, en overeenkomsten met zijn latere ontwerpen, heb ik onderzocht of de inrichting van hem kan zijn geweest. Archiefonderzoek leverde echter niets op. Om de bevindingen te delen hebben we onlangs in Slot Zuylen een ontmoeting met Rietveld-experts gehouden. De conclusie was dat de betimmering en het meubilair weliswaar bijzonder zijn, maar dat er onvoldoende aanwijzingen zijn die in de richting van Rietveld wijzen. Het onderzoek heeft wel veel nieuwe gegevens opgeleverd over de Stenen Kamer.

Je hebt in 2004 ook een bijzondere ontdekking gedaan op de zolder van Slot Zuylen? Dat was iets waar je als Rietveld-liefhebber alleen maar van kunt dromen. Tijdens de inventarisatie ontdekten we op zolder een wandbordenrek met vergelijkbaar houtsnijwerk als het Rietveldmeubilair van het Poortgebouw. Samen met de conservator togen we met het rek onder de arm naar de poortkamer. De drie ophangpunten aan de wand bleken precies overeen te komen met de ophangogen van het rek. Zo hebben we een heel vroeg Rietveld-object aan de vergetelheid onttrokken! Wat maakt de Rietveld-stoelen en -tafel volgens jou bijzonder? Gerrit was pas 17 jaar toen hij ze maakte! Het rationele ontwerp, volgens het principe van ‘vorm volgt functie’, past helemaal in die tijd en ademt de eenvoud van de Arts & Crafts-beweging. Tegelijkertijd passen de gotische elementen perfect in de poortkamer met z’n gotische schouw en de sleutelstukken onder de plafondbalken. Hoe is de staat van de meubels en heb je veel moeten restaureren? Ze zijn meer dan 100 jaar oud, maar verkeren nog helemaal in originele staat. Wel is er wat vuil- en vochtschade door de omstandigheden in het Poortgebouw. Er zat vliegen- en duivenpoep op het hout en de lijmnaden in het tafelblad en een stoelzitting zijn door vochtwerking en krimp losgeraakt. 27


Op weg naar De Stijl Rietvelds verdere ontwikkeling terugbracht: poten, zitting en rug. Hij gebruikte goedkoop vurenhout voor de constructie en een strook tuigleer als zitting. De rugleuning werd ook gevormd door een leren strook, met siernagels vastgezet. Rietveld maakte het bankstoeltje waarschijnlijk naar voorbeeld van een stoel van de Amerikaan Gustav Stickley (1858-1942), afgebeeld in het tijdschrift The craftsman van mei 1903.

De samenwerking met zijn vader viel Gerrit Rietveld niet makkelijk. Jan Rietveld was streng gereformeerd en hard in de leer. Zijn kinderen waren beducht voor hem en ook tussen Gerrit en zijn vader boterde het niet goed. Toen Gerrits talenten werden opgemerkt door de zilversmid Anthonie Begeer – die les gaf aan de avondschool van het Utrechtsch Museum van Kunstnijverheid – maakte hij in 1907 de overstap. Bij Gerrits besluit zal hebben meegewogen dat hij niet zo’n geschikt gestel had voor het zware meubelmakerswerk.

Kunstliefde In zijn zucht naar kennis volgde Gerrit in de winter van 1909-1910 colleges kunstgeschiedenis bij de Utrechtse hoogleraar en kunstkenner Willem Vogelsang. Waarschijnlijk had Carel Begeer hem deze aanbevolen. Vogelsang was met een aantal eigentijdse kunstenaars bevriend, onder wie Theo van Doesburg, Bart van der Leck en Erich Wichmann. Het kunstzinnige milieu beviel Rietveld wel: in 1909 werd hij lid van het Utrechtse Schilder- en Teekenkundig Genootschap Kunstliefde, waar ook de baron Van Tuyll van Serooskerken lid van was geweest.

Gerrit werkte van 1907 tot 1911 als tekenaar en modelleur voor medailles, zilverwerk en andere siervoorwerpen bij de grote edelsmederij van Begeer aan de Oudegracht. De artistieke leiding was in handen van de zoon, de talentvolle Carel Begeer (1883-1956). Hij was ook verantwoordelijk voor het tekenonderricht aan de leerlingen, waaronder Gerrit Rietveld. Jaren later, in 1954, schreef Rietveld aan Carel Begeer: “Zelfs in mijn zogenaamde ‘Stijl’-tijd was ik mij Gerrit Rietveld, bankstoeltje bewust van de rijkdom die U (collectie Jack van Osnabrugge) aan een lijn kon geven”. Begeer In juni 1910 werd werk van was zeer actief in de Utrechtse Kunstliefde-leden getoond kunstwereld, schakelde bekende ontwerpers in op de Utrechtse Provinciale tentoonstelling van en ontwierp zelf ook niet onverdienstelijk. Kunst, Handel en Nijverheid. Kunstliefde deed hierbij een beroep op Gerrit als meubelmaker, Gerrit bleef in deze jaren bij zijn ouders in de die een tafelstellage vervaardigde voor het tonen Poortstraat wonen en stond zijn vader af en toe van prenten en schilderijtjes. Van Gerrit zijn enkele bij in de werkplaats. Tot en met 1909 werd hij in schilderijen bekend die te zien waren op een adresboeken nog vermeld als meubelmaker. In 1908 ledententoonstelling van Kunstliefde in het voorjaar maakte hij nog een linnenkast in de stijl van Berlage. van 1912. Eén daarvan is een portret van Anthonie Wellicht onder invloed van zijn lessen bij Klaarhamer Begeer, overleden om 1910, waarschijnlijk gemaakt maakte hij ook meubels naar eigen ontwerp. Het in opdracht van diens zoon Carel. De schilderijlijst later door Rietveld zogenoemde bankstoeltje, een met houtsnijwerk is vermoedelijk door Gerrit vroeg werk van hem, was tot het allernoodzakelijkste Rietveld zelf vervaardigd. 28


Terugkeer Van 1904 tot zijn vertrek bij Begeer eind 1911 had Gerrit zich breed en kunstzinnig kunnen oriënteren zonder tot een definitieve keuze te komen. Eigenlijk had hij het meubelmakersvak nooit vaarwel gezegd. In 1911, het jaar waarin hij trouwt met Vrouwgien Hadders (1883-1957) en een eigen woning betrekt, besluit hij terug te keren naar de werkplaats van zijn vader, waar hij dan ook eigen werk kan maken. Dit besluit was wellicht ingegeven door een tweede cursus die hij bij Klaarhamer volgde, nu met de nadruk op architectuur. Mogelijk zal Berlages uitspraak, “een meubel is eigenlijk een gebouw in het klein en een gebouw een meubel in het groot”, hem inzicht hebben gegeven in zijn toekomstige mogelijkheden. Ter gelegenheid van zijn eigen huwelijk vervaardigde Gerrit in 1911 een tweedeurs kast op een onderstel, die sterk leek op een kast van Berlage uit 1895. De ontwerpen van deze architect vormden blijkbaar nog steeds een grote inspiratiebron. Behalve een wieg en bolderwagen voor zijn kinderen, en meubilair voor de architect H.G.J. Schelling, zijn er uit deze tijd niet veel meubels bekend. Hij zal zeker meer meubels hebben ontworpen, maar omdat hij voor zijn vader werkte bleven die ontwerpen anoniem. Ook voor baron Van Tuyll van Serooskerken van Slot Zuylen bleven Rietveld & Zoon nog werk uitvoeren, zo blijkt uit

Avery Coonley House, Frank Lloyd Wright

een betaling van februari 1914. Het is niet bekend om welk meubel dit ging. Frank Lloyd Wright In 1915 werd Gerrit door J.G.N. Verloop gevraagd om meubilair te maken voor diens zomerhuis in het dorpje Huis ter Heide. Dit was door de jonge architect Robert van ‘t Hoff ontworpen in de ‘prairiestijl’ van de Amerikaan Frank Lloyd Wright. Sinds de uitgave in 1911 van de zogenoemde ‘Kleine Wasmuth’, een Duits boek met het werk van Wright, oefende deze veel invloed uit op Nederlandse architecten, met Berlage als grote promotor. Rietveld moest het meubilair deels naar voorbeelden van Frank Lloyd Wright maken en deels naar eigen ontwerp. Hij vervaardigde onder meer een serie exacte kopieën van door Wright in 1908 ontworpen stoelen voor het Avery Coonley House. Rietvelds meubilair voor Verloop is verloren gegaan; slechts een ontwerptekening voor een buffetkast bleef bewaard. De kennismaking met de stijl van Frank Lloyd Wright had grote invloed op Gerrit Rietveld. De functionele bouwwijze en geometrische vormentaal spraken hem aan. Hij omarmde de ruimtelijkheid van Wrights open plattegronden waarbij ruimtes in elkaar overlopen, onder andere door grote dakoverstekken. Deze facetten zijn later terug te zien in Rietvelds lattenmeubelen en het Rietveld Schröderhuis.

29


Rietveld op de eerste versie van zijn lattenleunstoel, met zijn medewerkers voor de werkplaats aan de Van Ostadelaan, 1918 (Rietveld Schröderarchief / Centraal Museum)

Eigen werkplaats Botsende karakters en opvattingen leidden regelmatig tot conflicten tussen vader en zoon Rietveld. In het voorjaar van 1917 besloot de inmiddels 28-jarige Gerrit een eigen meubelmakerij te beginnen. Hij betrok een winkelpand met bovenwoning aan de Adriaen van Ostadelaan. In zijn nieuwe werkplaats werd Rietveld al snel bijgestaan door drie leerjongens. Naast zijn werk aan traditionele opdrachten kon hij als eigen baas experimenteren zonder rekening te hoeven houden met de heersende smaak.

gebruik van zo basaal mogelijke vormen en een minimum aan kleuren. Op aanraden van architect Robert van ‘t Hoff sloot Gerrit Rietveld zich in 1919 bij De Stijl aan. “Het meest verblijdend is te bemerken, dat hoewel ik steeds alleen stond er anderen zijn die eveneens voelden en dachten”, schreef Rietveld aan Van Doesburg. Het tijdschrift De Stijl gaf bredere bekendheid aan Rietvelds meubelexperimenten. In het julinummer van 1919 werd de kinderstoel afgebeeld die hij gemaakt had voor het eerste kind van architect Schelling. In het najaar volgde de publicatie van Rietvelds houten lattenleunstoel, een voorloper van de bekende rood-blauwe stoel. Deze eerste versie had zijpanelen onder de armleuningen en was nog niet gekleurd. Rietveld begon als eerste kindermeubels van kleur te voorzien, zoals de kinderstoel voor Schelling. Rond 1923 gaf hij een kinderkruiwagen en bolderkar voor het eerst de kenmerkende primaire kleuren, kort daarna gevolgd door de iconische rood-blauwe stoel.

De experimentele meubels die Rietveld aan de Van Ostadelaan maakte sloten aan bij de ideeën van de De Stijl-beweging. Kunstenaar en schrijver Theo van Doesburg had het tijdschrift De Stijl in 1917 opgericht, bijgestaan door de schilders Bart van der Leck, Piet Mondriaan, Vilmes Huszár en de architecten J.J.P. Oud en Jan Wils. De leden streefden naar een radicale hervorming van de kunst, die recht deed aan de grote veranderingen in de wereld. Kenmerkend voor hun werk was het 30


Rietveld Schröderhuis In 1912, toen Gerrit Rietveld nog voor zijn vader werkte, bracht hij samen met hem een antiek bureau naar het advocatenkantoor van Frits Schröder aan de Biltstraat. Diens vrouw Truus vond het bureau niet mooi en discussieerde met Rietveld senior over antiek en modern. Later kwamen vader en zoon terug voor reparatiewerkzaamheden, waarbij Truus en Gerrit in gesprek raakten over moderne woninginrichting. Bijna tien jaar later vroeg Truus Schröder Gerrit Rietveld om haar kamer in het huis aan de Biltstraat onder handen te nemen. Hij schilderde de wanden in grijstinten en schermde de ramen bovenaan af. Na de dood van haar man gaf zij Rietveld in 1924 opdracht een nieuw woonhuis voor zichzelf en haar drie kinderen te ontwerpen aan de Prins Hendriklaan.

schuil gingen onder een laag verf, werden de bakstenen muren van het Rietveld Schröderhuis gepleisterd. De grijze en witte muren en zwarte kozijnen contrasteren met elementen in de primaire kleuren rood, blauw en geel. Truus Schröder heeft zelf een belangrijk aandeel gehad in het ontwerp van het huis. Zij had uitgesproken ideeën over hoe ze wilde wonen. Soberheid was voor Truus een basisvoorwaarde: zij wilde niet geleefd worden maar actief leven. Het was ook haar nadrukkelijke wens om de woonvertrekken op de eerste verdieping onder te brengen, wat haar een gevoel van vrijheid gaf. Rietveld heeft de indeling van de woonverdieping flexibel gehouden door het gebruik van schuifwanden. Het Rietveld Schröderhuis is een van de iconen van de 20e-eeuwse architectuur, een baken van modernisme en vernieuwing. Een paar kilometer verderop aan de Vecht koos de baron in Slot Zuylen niet voor radicale vernieuwing, maar voor aanpassingen en verbeteringen met respect voor de bouw- en bewoningsgeschiedenis. Het is fascinerend te bedenken dat dezelfde Gerrit Rietveld hier in zijn jonge jaren een bijdrage aan heeft geleverd. Ook de volgende generatie bewoners van Slot Zuylen zou erin slagen eigentijdse ontwikkelingen een plaats te geven in het eeuwenoude kasteel.

Het Rietveld Schröderhuis vormde voor Rietveld de stap van meubelmaker naar architect. Voortbouwend op zijn eigen meubelontwerpen en de principes van De Stijl ontwierp hij een asymmetrische compositie, met een radicaal en vernieuwend resultaat. Opvallende kenmerken zijn de speelse vlakverdeling en de vloeiende overgangen tussen binnen en buiten. Zo ontbreekt de hoekstijl in het raam op de hoek van de eerste verdieping. Net als het hout van Rietvelds stoelen in deze periode Rietveld Schröderhuis (Rietveld Schröderarchief / Centraal Museum)

31


De Stenen Kamer

Op de tweede verdieping van Slot Zuylen ligt een kamer die vanwege de gemetselde muren de Stenen Kamer wordt genoemd. Deze ruimte is tegenwoordig met 19e-eeuwse meubels, wapens, scheepsmodellen en opgezette dieren ingericht als een herenkamer, waar na de jacht met een goed glas wijn de lokale politiek of het geschoten wild werd doorgenomen. Uit familieverhalen is echter bekend dat het in de laatste bewoonde decennia van Slot Zuylen een jongensslaapkamer was. Op een oude foto is voor een wand een gordijn te zien. Hierachter stonden vroeger twee Auping-opklapbedden tegen een betimmering – tamelijk Spartaanse bedden volgens de overlevering – die bij het slapengaan omlaag werden gekanteld.

De Stenen Kamer is niet altijd een slaapkamer geweest. Het was in 1692 “de camer van de Jonkvrouwe” en werd in 1899 de Groene Kamer genoemd. Frederik Leopold Samuel Frans baron van Tuyll van Serooskerken gaf de ruimte toen hij in 1900 Heer van Zuilen werd een meer specifieke functie. Een van de eerste vernieuwingen die hij doorvoerde was de aankoop van een biljarttafel van de Berlijnse firma Neuhusen’s, die hij in de Stenen Kamer plaatste. Deze baron hield zijn boekhouding en correspondentie tot aan zijn vertrek uit Zuilen vrij nauwkeurig bij, maar hij vermeldt niets over een verdergaande verbouwing van de Stenen Kamer. Na zijn vertrek in 1919 gingen zijn zoon Frederik Christiaan Constantijn van Tuyll van 32


Serooskerken en diens vrouw Lucile Agnes van Lynden met hun kinderen in Slot Zuylen wonen. De rijkere kinderschare noopte tot het creëren van extra slaapruimte, en zo werd het biljartzaaltje omgevormd tot jongensslaapkamer. Wanneer dat precies is gebeurd is nog onbekend. Eerlijkheid Wat meteen opvalt in de kamer zijn de ruwe baksteen wanden. Nergens anders in Slot Zuylen is de structuur zo zichtbaar, niet verborgen achter kleurrijk behang of achter wit pleisterwerk. Die stenen muren zijn uitgevoerd in rode baksteen en gemetseld in zogenaamd Noors verband, een metselverband dat begin vorige eeuw zijn intrede deed. Hoewel het vernieuwende hiervan tegenwoordig misschien moeilijk te zien is, getuigen die bakstenen toch van een radicale vernieuwing in Slot Zuylen: “Alleen om der wille van het eerlijk tonen van de constructie”, zoals de belangrijke architect H.P. Berlage begin vorige eeuw stelde. De wanden weerspiegelen het rationalisme dat vanaf eind negentiende eeuw opgang deed als reactie op de historiserende stijlen. Strak, zakelijk, weinig decoratie, ‘eerlijk’ materiaalgebruik en met een blik op de toekomst. Dat is in Slot Zuylen mooi te zien door het contrast met andere ruimtes.

Stenen Kamer, ca. 1950

breed onder de aandacht gekomen van Europese architecten en ontwerpers. Machines De Nederlandse architect H.P. Berlage was er zo enthousiast over dat hij na een reis naar Amerika de belangrijkste promotor van Wrights visie en werk werd. Hij schreef erover in 1912: “Het werk aanpassen aan de mogelijkheid van de machine is het ideaal. De architect van deze tijd mag geen belangrijker opgave kennen dan het gebruik van dit moderne werktuig, zo uitgebreid als dit slechts mogelijk is! … Maar verder heerst zonder enigerlei concessies op de meest brutale wijze het utiliteitsbegrip, zowel wat de constructie betreft als de voor de machinale uitwerking berekende vormen. Hard, strak en stug… Het werk maakt een archaïsche indruk… Grote stoelen en zware tafels zijn ongeveer het enige meubilair. Het overige, kasten en buffetten, maakt deel uit der betimmering. Deze is in zeer simpele vormen gehouden. Als hoofdmotief van het interieur heeft zich, naast de centrale verwarming, gehandhaafd de omvangrijke, doorgaans in baksteen uitgevoerde, open haard.”

Direct rechts naast de ingang bevindt zich een eikenhouten betimmering met zitjes rond een schouw en vitrinekasten, waarin onder meer archeologische voorwerpen en glaswerk zijn opgesteld. Op de open haard zijn familiewapens van Van Tuyll en Van Lynden aangebracht, die er op wijzen dat de nieuwe bewonersgeneratie hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk was voor deze betimmering en het vernieuwde metselwerk. De brede opbouw, het contrast met de bakstenen en het laten spreken van de houten betimmering rond de haard, vertoont de invloed van de vermaarde Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Door een publicatie over zijn werk uit 1911 onder de titel Frank Lloyd Wright, Chicago, waren zijn ontwerpen

Berlage en Gerrit Rietvelds leermeester Piet Klaarhamer zagen evenals Wright het belang van de machine voor de maatschappij en de kunst. Nieuwe materialen, zoals het toegepaste triplex in de betimmering in Slot Zuylen, werden verwelkomd. Wrights ontwerpen zijn aards te noemen, wat zich uit in het gebruik van natuurlijke materialen en horizontale lijnen en hoge plinten. De sterk horizontale nadruk gaf de huizen van Wright een sfeer van warmte, comfort en veiligheid. Ook huiselijkheid was belangrijk; de open haard met daaromheen zitjes of zitkasten (banken met bergruimte), vormen vaak het middelpunt van Wrights woningontwerpen. Deze moderne inzichten hebben duidelijk hun weerslag gekregen in de inrichting van de Stenen Kamer. 33


F.B. Carter dwelling, Walter Griffin, 1909

Ontwerper Wie was verantwoordelijk voor deze ingreep in Slot Zuylen, die door interieurexperts wordt gezien als uitermate modern en in deze periode bijna zonder gelijke in Nederlandse kastelen en buitenhuizen? Aanvankelijk leek het onderzoek te leiden naar Gerrit Rietveld, onder meer omdat Slot Zuylen voor hem bekend terrein was en hij in zijn jonge jaren meubilair maakte in de stijl van Wright. Zelf heeft Gerrit deze kamerinrichting echter nooit genoemd, en ook in de vrij gedetailleerde notities over restauraties van Frederik van Tuyll ontbreekt werk aan deze kamer. Dat Rietveld de betimmering ontwierp na zijn baanbrekende lattenstoel uit 1919 is minder waarschijnlijk.

Solide stoelen Het meubilair van Frank Lloyd Wright en zijn stijlgenoten wordt gekarakteriseerd door rechte lijnen en rechthoekige vormen. Aan de Arts & Crafts-beweging ontleenden zij een voorkeur voor soliditeit en eenvoud. Die vormentaal beïnvloedde vele meubelontwerpers aan de andere kant van de oceaan. Dat is bijvoorbeeld te zien aan Gerrit Rietvelds zogenaamde bankstoeltje, vermoedelijk ontstaan naar voorbeeld van een afbeelding in het Amerikaanse tijdschrift The Craftsman van mei 1903 van Gustav Stickley. Deze invloedrijke Amerikaanse ontwerper en meubelfabrikant verzorgde solide en eenvoudige meubels met weinig versiering. Op de zolder van Slot Zuylen zijn tijdens het onderzoek twee rechttoe-rechtaan vormgegeven stoelen en een leunstoel gevonden die ook invloed van deze stijl vertonen. Oorspronkelijk waren er zes stoelen die waarschijnlijk deel uitmaakten van een vollediger gemeubileerde inrichting in de Stenen Kamer. Helaas zijn die meubels niet op waarde geschat en verloren gegaan. De rechte stoelen – die veel sporen vertonen van de machinale vervaardiging – hebben een vergelijkbare hoogte als de zitjes bij de open haard. Door wie ze zijn gemaakt is vooralsnog onbekend, maar duidelijk is dat de maker de opvattingen van Berlage van 1912 deelde en dus op de hoogte was van de actuele ontwikkeling in de meubelkunst, zowel in Nederland als ver daarbuiten.

Misschien moeten we denken aan de Amsterdamse architect Jan de Bie Leuveling Tjeenk (1885-1940), een vriend van Berlage die in 1912 ook een reis maakte door de Verenigde Staten. Daar bestudeerde hij de nieuwe architectuur en ontmoette Walter Burley Griffin, een oud-medewerker van Wright die in zijn stijl werkte. Jan de Bie ontwierp in 1921 Villa Pasadena voor de toenmalige burgemeester van Zeist, C.J. baron Tuyll van Serooskerken, die verwant was aan de Van Tuylls in Zuilen. De Bie’s ontwerpen zijn schatplichtig aan de stijl van Walter Griffin, die in 1909 een ruimte ontwierp met opvallende overeenkomsten met de ombouw rond de open haard van de Stenen Kamer.

Nico Hijman

34


De Stoel door Gerrit Rietveld in: De werkende vrouw, 1932 (Rietveld Schrรถderarchief / Centraal Museum) 35


Pfältzer-Birnie Fonds

De activiteiten van Slot Zuylen worden mede 36mogelijk gemaakt door de Provincie Utrecht

Themamagazine Rietveld in Slot Zuylen  

Het Poortgebouw van Slot Zuylen opent voor de eerste keer officieel zijn deur, want hier staan meubels die Gerrit Rietveld heeft gemaakt. Va...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you