Page 1

AziĂŤ in Slot Zuylen

Thema-magazine 2016 1


Voorwoord

Inhoudsopgave Azië in Slot Zuylen

Wat was het spannend om als kind samen met mijn nichtje stiekem de deur van de Gobelinzaal te openen en naar binnen te glippen om in de donkere zaal vol bewondering naar de Chinese knikpoppen te kijken. Maar daar bleef het niet bij: als door een magneet aangetrokken even aan de baard van de man trekken en een zetje tegen de kin van de vrouw geven leverde iedere keer weer een prachtig schouwspel op. Alsof ze het hadden afgesproken knikten zij in de maat en bleven eindeloos knikken. Maar de zaal was verboden gebied voor de kinderen en in de gang moesten we goed kijken of we niet gezien waren. En zelfs dan kregen we een standje van grootmoeder, want die had de poppen natuurlijk zien knikken in de Gobelinzaal…

Lakwerk 5 De knikpoppen gerestaureerd

8

Chine de commande 13 Japonse rok 17 Zijdebalen 18 Een hoorn van een of ander dier

22

VOC-kist met ambitie 23 De Indische neef 24 Parelmoer en pigmenten

Samen deelden we herinneringen aan NederlandsIndië, waar mijn nichtje geboren was en haar vader als marine-officier tijdens de Slag om de Javazee was omgekomen. Wat Chinees porselein op een kast, een Japanse lakdoos met handschoenen op een plankje. Azië was in het huis altijd wel ergens subtiel aanwezig.

28

Chinoiserie inlegwerk 29 Het weekendhuis Nieuw Zuylen op Java

30

Leesvoer voor de armchair traveler

33

Belle van Zuylen 34

Toen het Grote Huis een museum werd veranderde er veel. Een ware schok was voor mij het verdwijnen van de knikpoppen uit de Gobelinzaal. Jarenlang waren ze verbannen, eerst zelfs naar de wc, en later kregen ze als museaal ‘onbelangrijke’ objecten een plek op de grote zolder. De conditie van de poppen ging in de loop der jaren hard achteruit. Nadat ze werden herontdekt ontstond het plan de poppen weer in ere te herstellen. Een ingrijpende restauratie was niet alleen noodzakelijk, maar bleek gelukkig ook technisch en financieel mogelijk.

Ni Haifeng 34

Colofon Uitgave: Stichting Slot Zuylen 2016 Redactie: Gerbrand Korevaar Eindredactie en vormgeving: Arjan den Boer Fotografie: Michiel Bunjes, Trudelies de Graaf, Frank van der Pol e.a.

Deze bijzondere restauratie vormt de aanleiding voor het thema 2016. De keuze voor Azië is van groot belang: door vanuit dit perspectief nieuw en gericht onderzoek in de collectie en de geschiedenis van het slot te doen komen nieuwe verhalen naar boven over de bewoners en hun banden met Azië door de eeuwen heen. Het verrijkt het verhaal dat Slot Zuylen deelt met haar bezoekers.

Met dank aan: Daniël Beuman, Jan van Campen, Piet Dekker, Ann Demeester, Nico Hijman, Henk Langejans, Maud Schermer, Gert van Schuppen, Lucile van Tuyll, Netty van der Tak, Het Utrechts Archief, Rijksmuseum, Textielmuseum.

We zijn veel dank verschuldigd aan de subsidiënten en donateurs die de restauratie van de knikpoppen mogelijk hebben gemaakt. Ook bedanken wij alle bruikleengevers: Museum De Domijnen (Sittard), Universiteitsbibliotheek Utrecht, Het Utrechts Archief, Bert Degenaar, Carolina Verhoeven en zes leden van de familie Van Tuyll van Serooskerken. De prachtige thema-presentatie ‘Azië in Slot Zuylen’ kon alleen tot stand komen dankzij de enorme inzet van onze medewerkers en vrijwilligers. Lucile van Tuyll van Serooskerken, voorzitter Stichting Slot Zuylen

3

2


Azië in Slot Zuylen Het is 1692. De heer van Zuylen, Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, is net overleden. In de winter woonde hij met zijn gezin in de stad Utrecht, in de zomer in het prachtige Slot Zuylen, gelegen op een steenworp afstand van de Vecht. Later we een korte rondgang maken over de bel-etage van zijn zomerhuis en er enkele bijzondere voorwerpen uitlichten.

In zijn slaapkamer treffen we een schrijftafeltje met flesjes Oost-Indische olie, enkele Japonse rokken (een soort comfortabele kimono’s), een klein Indisch tafeltje en een Japanse wandelstok met een zilveren knop. We lopen door naar een bijkamer en stuiten onder meer op een rood gelakt theedoosje en een Indische boog. Vandaar naar het theekamertje; een vrij kleine ruimte, maar we kijken onze ogen uit en wanen ons in exotische oorden. Aan de wand schittert een zijden behang. Er staat veel porselein, zoals thee-, koffie- en chocoladekopjes, schoteltjes en bloempotten, 123 stuks in totaal, zowel Chinees als Europees. Verder Chinese beeldjes, een parasol, twee Oost-Indische schilderijtjes, verlakte theedozen, kokosnoten met zilverbeslag, een Oosterse pijlen-boog, een vergulde Oost-Indische doos, een parelmoeren bakje, ivoren kandelaars en nog meer ivoor, waaronder wat ‘raar draaiwerk’. In het voorraadkamertje ernaast staan zes stoelen bekleed met Oost-Indische stof. In de eetkamer vinden we uiteraard meer porselein en aan de wand, tussen de levensgrote portretten van de voorouders van Hendrik Jacob, hangen twee OostIndische schilderijen met zwarte lijsten. Midden in de

voorname Gobelinzaal, waar het zijde subtiel glanst in de draden van het geweven wandtapijt, staat een groot bed met een groene sprei van zijdedamast, dezelfde stof die ook voor gordijnen is gebruikt. Verder vinden we elders in het huis nog een zakje Oost-Indisch geld, een grote VOC-kist, twee Aziatische kamerschermen, sitsen (handbeschilderde stof uit India) tafelkleden en spreien... Het is duidelijk. De introductie van Aziatische pracht en praal in Westerse interieurs is niet aan de 17e-eeuwse bewoners van Slot Zuylen voorbijgegaan. Na de oprichting van de VOC in 1602 nam de Aziatische import een vlucht en vonden exotische kunst- en gebruiksvoorwerpen, specerijen en grondstoffen uit China, Japan en Indonesië in grote hoeveelheden hun weg naar woonhuizen in het Westen. Er ontstond een voorliefde voor bijzondere objecten en materialen, zoals porselein, lakwerk, ebbenhout, ivoor en zijde. Het bezit van exotische voorwerpen getuigde onder de Westerse gegoede burgerij en aristocratie van goede smaak. Azië in huis betekende status, rijkdom en kennis van de wereld.

Theekamertje Slot Zuylen

3


einde van de eeuw zeker niet meer exclusief – porselein in allerlei soorten en maten was tot in de burgerlijke interieurs doorgedrongen – maar het in één ruimte samenbrengen van diverse Oosterse voorwerpen bleef wel bijzonder. De porseleinkamer was vaak de meest exclusieve en indrukwekkende kamer in een voornaam huis.

Namiddag, Pieter van den Berge, begin 18e eeuw (Rijksmuseum)

Thee, koffie en chocolade Dat Hendrik Jacob en zijn vrouw Anna Elisabeth van Reede met de inrichting van Slot Zuylen hun vooraanstaande maatschappelijke positie wilden tonen, blijkt bijvoorbeeld uit de serie voorouderportretten in de eetkamer, waarmee Hendrik Jacob zijn voorname afkomst etaleerde. Het zal hun gasten danig hebben geïmponeerd. Het theekamertje vervulde een vergelijkbare functie. En dat niet alleen vanwege de verzameling exotische voorwerpen. In de tweede helft van de 17e eeuw verspreidde het drinken van thee, koffie en chocolade zich door Europa. Theedrinken tijdens een deftige conversatie werd daarbij een typisch vrouwelijke bezigheid. Het was een ontspannend maar voornaam en beschaafd huiselijk ritueel, waarmee de vrouw des huizes goede sier maakte. Het Aziatische porselein dat ter decoratie werd gebruikt kreeg daarmee ook een praktische functie. De extreem dure drank werd geserveerd in de kostbare kopjes, die ook nog eens hittevast en vederlicht waren. Ook koffie won aan populariteit. Terwijl mannen dat buitenshuis dronken in populaire koffiehuizen, organiseerden vrouwen koffiebijeenkomsten, vaak in Aziatische kabinetten in de private vertrekken. De intieme en luxueuze setting voor een koffie- en theeritueel in Slot Zuylen getuigde van de voorname levensstijl van de bewoners.

Amalia van Solms De inrichting van het buitenverblijf van de familie van Tuyll van Serooskerken, vooral die van het theekamertje in 1692, was volgens de heersende mode, die vooral werd bepaald door interieurontwikkelingen aan het hof. Een bijzondere presentatie van Aziatische voorwerpen was een kabinet dat rond 1654 door Amalia van Solms (1602-1675), de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik, in haar privé-appartementen in Huis ten Bosch werd ingericht. Ze toonde er voor het eerst in samenhang Chinees en Japans lakwerk, parelmoeren voorwerpen en hoogstwaarschijnlijk haar collectie van 398 stuks porselein: de meest kostbare voorwerpen die men toen kon verzamelen. Dit soort exotische interieurelementen waren uitermate geschikt om de vooraanstaande rol van dit prominente geslacht te benadrukken. Het gebruik van Aziatische importproducten als statussymbool werd overgenomen door de adel en vooraanstaande families. Azië in huis was aan het

e

4


Lakwerk Er was in het Westen veel vraag naar Chinees en Japans lakwerk. Allerlei voorwerpen, van dienbladen tot kamerschermen en van schaaltjes tot grote kisten, werden voorzien van een laagje hars afkomstig uit de Rhus Vernicifera, een boom die voorkwam in China, Japan en Korea. Kenmerkend is het hard ogende zwarte of rode oppervlak, gedecoreerd met allerlei voorstellingen en motieven in bijvoorbeeld goud of parelmoer. Zo rond 1785 ontstond in Japan de mogelijkheid om lakwerk-versieringen naar Europese prenten te bestellen, zoals medaillons met portretten van beroemde historische figuren, plaques met al dan niet historische stadsgezichten of kleine lakdoosjes. Ze zijn uitgevoerd in goud en zilver makie, een decoratietechniek waarbij goud- en metaalpoeders, variërend in fijnheid, werden uitgestrooid in natte lak. Op deze manier werden heel gedetailleerde voorstellingen in fijne lijnen gemaakt.

a

In particuliere verzamelingen bevinden zich twee kleine ronde doosjes met een afbeelding van Slot Zuylen en twee met een gezicht op het dorpje Zuylen aan de Vecht (a). Beide voorstellingen zijn ontleend aan gravures van Daniël Stoopendaal uit het boek De Zegepralende Vecht uit 1719.Van twee doosjes is bekend dat ze uit familiebezit stammen. In de periode dat dit soort doosjes werden gemaakt woonde Willem René van Tuyll van Serooskerken in Slot Zuylen. Lakdoosjes met specifieke voorstellingen werden meestal op bestelling gemaakt via goede connecties. Misschien is de opdracht van Willem René uitgegaan, want we kunnen aannemen dat hij zulke contacten had via zijn kinderen. Zijn zoon Hendrik stierf in 1805 in Batavia. Zijn dochter Jacoba Elisabeth vertrok in 1815 naar de Oost met haar echtgenoot Godert van der Capellen, die er hoofd werd van de koloniale regering van Java en later Gouverneur Generaal van Nederlands-Indië.

b

Andere 18e- een 19e-eeuwse lakwerk voorwerpen in Slot Zuylen delen een kostbare en exotische uitstraling vanwege de gebruikte materialen. Een Japans koperen tabaksdoosje, dat teruggaat op een Westers voorbeeld, toont op de deksel een havengezicht, ingelegd in parelmoer (b). In de logeerkamer staat naast het bed een Japanse documentendoos (fubako), die in Zuylen werd gebruikt voor het opbergen van handschoenen (c). Een klein doosje (kōdansu) werd in Japan gebruikt voor een wierookceremonie. In de drie lades werden het gerei en geurend hout bewaard (d). Twee vrouwen in een landschap en een vogel op een twijg sieren een Chinese doos op gouden pootjes, die na decennia weer terug is in Slot Zuylen dankzij een bruikleen (e).

c

5

d


Moerbei op het terras van Slot Zuylen

Azië in de tuin Wie de tuin van Slot Zuylen bezichtigt treft ook daar Azië aan, in koriander, Chinese Anjer, rabarber, Chinese zomeraster en fazantenbes. Niet te missen is de zwarte moerbei (in de witte variant huist de zijderups) op het terras, die oorspronkelijk uit ZuidwestAzië komt. Eeuwenlang is gedacht dat deze was geplant door Jacoba van Beieren, maar een rekening uit 1755 vermeldt een ‘Moerbeje boomen’. Het Rozenperk is een kleuren geurrijke herinnering aan Aziatische botanische finesse. Rozen werden in het oude China voor het eerst als tuinplanten gebruikt.Via Perzië vervolgde de bloem zijn weg naar Europa. Hoogtepunt van de rozencultuur was de tuin van kasteel Malmaison, aangelegd door ‘rozenkeizerin’ Josephine, echtgenote van Napoleon. Uit vanuit China geïmporteerde rozen werden allerlei nieuwe soorten gekweekt. Het rozenperk van Slot Zuylen is in 1997 bij de Slangenmuur aangelegd met soorten afkomstig van de Britse kweker David Austin, die veel Chinese rozen heeft geherintroduceerd. Meer Aziatische geursensaties ervaart de bezoeker achterin de tuin, bij de pindakaasboom. Als je de bladeren tegen elkaar wrijft, ruiken deze naar pindakaas.

Horror vacui De aanwezigheid van Azië in Slot Zuylen zette zich voort in de 18e en 19e eeuw. Toen in 1776 een inventaris werd opgemaakt van de bezittingen van Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken (17061776), de vader van de beroemde schrijfster Belle van Zuylen, was er nog steeds veel Chinees en Japans porselein. We vinden bijvoorbeeld een blauwe Japanse bierkan, een Oost-Indisch theeservies en een Japanse schaal met een ooievaar. Maar er waren ook een Chinees koffertje, een Oost-Indische kist en verlakte theedoosjes. In het Saleth (de Gobelinzaal) worden ‘twee Egiptische beelden’ van pleisterwerk vermeld. Misschien doelde men hier op twee Chinese knikpoppen die nu zijn gerestaureerd en voor het eerst weer zijn te zien in het interieur. Ook uit documenten en foto’s uit de latere 19e en vroege 20e eeuw blijkt dat Azië binnen handbereik was in het huis aan de Vecht. Rond 1900 had Slot Zuylen een eclectisch interieur: het vermengen van voorwerpen uit verschillende tijden en plaatsen was de mode. Woonvertrekken werden vaak rijkelijk gedecoreerd en volgestouwd met meubels, kamerplanten, porselein en snuisterijen. Aan de wanden hingen schilderijen of prenten op behangsels met drukke motieven. Ramen en deuren werden dikwijls omlijst met geplooide draperieën. Gewend als we zijn aan minimalistische interieurs, is die horror vacui (angst voor het lege) tegenwoordig wellicht moeilijk te waarderen. Maar die visuele overdaad is ook boeiend, te meer omdat ook Aziatische en exotische voorwerpen een natuurlijke plek vonden in die uitbundige interieurs. Wereld binnen handbereik De geschiedenis heeft haar tol geëist: zijde is vergaan, meubels zijn versleten, porselein is gebroken of werd verkocht, zoals tijdens een veiling van voorwerpen uit Slot Zuylen in 1918. Lang niet alle objecten die in boedelbeschrijvingen vermeld werden zijn nog terug te vinden in de collectie. Gelukkig zijn er genoeg Aziatische voorwerpen bewaard gebleven, zodat Azië niet alleen op papier bestaat in Slot Zuylen. Wie tegenwoordig een bezoek brengt aan het kasteel, zal in de eetkamer bijvoorbeeld een Chine de commande-servies van rond 1740-1750 aantreffen. Alle 144 onderdelen zijn er nog, niet in de laatste plaats dankzij de persoonlijke aandacht die de vrouw des huizes volgens de overlevering aan het servies besteedde door het eigenhandig te wassen en drogen. In het huis staan enkele kussenkasten, die werden gebruikt voor linnengoed. Ze zijn in de tweede helft van de 17e eeuw gemaakt van palissanderfineer en ebbenhout, mede geïmporteerd uit Azië. Het diepzwarte materiaal is ontzettend hard, maar toch konden er decoratieve patronen in worden geschaafd, zoals aan de voorzijde mooi is te zien. De aanblik van het glimmende hout bij fonkelend kaarslicht moet prachtig zijn geweest. Op een van die kasten staat een Japans Imari kaststel van rond 1700. Imari is een Europese verzamelnaam van porselein dat via de gelijknamige Japanse havenstad naar het Westen werd verscheept. De vazen hebben vooral bloemmotieven; de kleuren blauw, rood en goud zijn kenmerkend voor dit type porselein. Her en der in het huis staan robuuste VOC-kisten die getuigen van de levendige handel 6


met de Oost. Maar er is nog meer Azië in Slot Zuylen, soms meer verscholen in de details. Zijde is met wol de voornaamste grondstof voor het wandtapijt in de Gobelinzaal. In de bibliotheek is de wereld binnen handbereik via tijdschriften, antropologische studies over bijvoorbeeld Japan en Nederlands-Indië, botanische werken en reisverslagen. Het gezicht van Azië Slot Zuylen was natuurlijk niet uniek wat betreft deze aanwezigheid van Azië, ook in andere huizen en buitenplaatsen in de Vechtstreek en daarbuiten luisterde Aziatische schoonheid het Hollandse interieur op. Na de restauratie van Slot Zuylen in de jaren 80 is de theekamer gereconstrueerd en er zijn allerlei Aziatische voorwerpen opgenomen in het interieur. De meest tot de verbeelding sprekende objecten, de Chinese knikpoppen, waren echter naar de zolder verdwenen. Dat heeft ze geen goed gedaan, maar dankzij de herontdekking in het depot en de restauratie, geeft dit aimabele stel Azië weer een gezicht in Slot Zuylen. Gerbrand Korevaar, conservator Slot Zuylen Met dank aan Menno Fitszki voor zijn adviezen over de Japanse voorwerpen uit de collectie. 7


De knikpoppen gerestaureerd

Maud Schermer in haar atelier

Helder licht stroomt rijkelijk naar binnen en wordt weerkaatst in glazen potjes met transparante vloeistoffen. Er hangt een lichte geur van lijm in de bescheiden ruimte. Op een wit vel zit een flinke klodder gips en enkele toetsen verf. Gebruikte wattenstaafjes vullen een plastic bakje. We zijn in het atelier van glas- en keramiekrestaurator Maud Schermer, waar de afgelopen maanden hard is gewerkt. Schermer, oorspronkelijk opgeleid als kunsthistorica, is actief als restaurator van alles wat breekbaar en fragiel is. In haar geoefende handen krijgen voorwerpen van verzamelaars, antiquairs en musea hun oorspronkelijke glans, vorm en functie terug.

Ze werkte onder andere voor het Rijksmuseum, het Haags Gemeente­ museum en het Catharijneconvent. De objecten die Schermer onder handen krijgt variëren van Delfts aardewerk en Chinees porselein tot Leerdam-glas of een levensgrote porseleinen Ara-papegaai. Onlangs heeft ze een bijzondere opdracht voltooid: de restauratie van twee laat18e-eeuwse Chinese knikpoppen uit de collectie van Slot Zuylen. De poppen waren in de loop der tijd zo gehavend geraakt dat ze niet tentoongesteld konden worden in het historisch interieur. Schermer was de aangewezen persoon om daar verandering in te brengen. Hoe ging zij te werk? 8


Is het de eerste keer dat je knikpoppen hebt gerestaureerd?

Kun je iets meer vertellen over het materiaal? De poppen bestaan uit in zeer laag vuur gebakken klei. Aan de onderen binnenkant is te zien dat de klei hier en daar wat roder is dan elders, meestal een teken dat er lokaal wat meer ijzeroxide in de klei zat. Er zijn allerlei sporen aan de binnenkant van de opbouw van de poppen: uitgesmeerde klei, in lagen opgebouwd, waarschijnlijk voor een deel met mallen gemaakt. De armen zijn vastgezet met houten pinnen die aan de binnenkant te zien zijn. Misschien zitten er in de klei wel meer houten pennen, maar die zijn niet te zien. In de literatuur is er weinig te vinden over hoe dit soort poppen gemaakt werden.

Deze knikpoppen zijn echt heel bijzonder, je komt ze als restaurator niet vaak tegen. Ik heb dit soort objecten nog niet eerder gerestaureerd. Over het algemeen ben je als keramiek- en glasrestaurator in Nederland veel bezig met Delfts blauw aardewerk of Chinees porselein – dat is toch net iets anders. Dan werk je met een glanzend materiaal dat wel breekbaar is, maar toch hard en stevig. Deze poppen zijn van heel licht gebakken klei gemaakt, en daardoor kwetsbaar omdat ze extreem gevoelig zijn voor vocht. Net als kleitabletten uit het Midden Oosten bijvoorbeeld, die ik ook wel eens onder handen heb gehad. Als je een kleine schilfer in water zou doen, valt het als poeder uit elkaar. Bij klei die op een hogere temperatuur gebakken is, gebeurt dat natuurlijk niet.

De knikpoppen zijn bovenaan beschilderd met water- of olieverf op een witte grondering, misschien gips of kalk. Op de onderste helft is papier gebruikt als ondergrond voor de schildering. Dit was erg gescheurd, en hier ontbrak ook veel van de klei. Uit een hand van één van de poppen staken griezelige metalen pinnen als vingers, krom gebogen als een klauw. Dit ‘geraamte’ moet de beeldhouwer een stabiele basis hebben gegeven voor het kneden van de kleine handen. De knikpoppen waren vooral aan de onderkant erg beschadigd, de man nog meer dan de vrouw. Er zaten scheuren in de klei en er ontbraken delen waardoor de pop niet goed meer kon staan.

De eerste keer dat ik iets vergelijkbaars tegenkwam was bij het Rijksmuseum. Ik heb daar enkele jaren in het restauratie-atelier gewerkt voor de heropening van het museum in 2013. Er kwam toen een beeldje het atelier binnen van een Hollandse koopman, rond 1770 vervaardigd door de beroemde Chinese kunstenaar Chitqua. Een kleine pop, geen knikpop trouwens, van heel licht gebakken klei met een koude beschildering, ongebakken dus. Het had het ook nog eens sporen van vele oude restauraties. Dan kies je soms alleen voor een preventieve maatregel, of iets heel beperkt schoonmaken, omdat het materiaal zo kwetsbaar is.

Er is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld schilderijen, weinig onderzoek gedaan naar dit soort objecten. Hoe heb je je voorbereid?

Er is een verschil tussen conservering en restauratie. Conservering is een beperkte behandeling met als doel verslechtering van de conditie van het object tegen te gaan. Bij restauratie gaat men een stap verder om het object zo veel mogelijk in originele staat terug te brengen. Dan worden bijvoorbeeld breuklijnen, kleine beschadigingen en grotere ontbrekende delen aangevuld en geretoucheerd. De twee Zuylense knikpoppen waren nog nooit eerder gerestaureerd; het beeld werd daardoor dus niet vertroebeld. Ik moest bij deze poppen wel wat verder gaan dan alleen schoonmaken!

Het belangrijkste is om contact te zoeken met mensen die er ervaring mee hebben. In eerste instantie ben ik te rade gegaan bij enkele collega’s van het Rijksmuseum. Ik wist dat zij met de kleine Chitqua-pop zijn bezig geweest, en veel kennis hebben over enkele bijzondere Tang-paarden uit de collectie. Het Rijksmuseum heeft ook twee soortgelijke knikpoppen, die we in het depot hebben bekeken. Ook in het Museum Volkenkunde in Leiden konden we knikpoppen bestuderen in het depot, en met de conservator spreken over hun 9


Knikpoppen in het depot van het Rijksmuseum

restauraties. Verder was er wel wat literatuur over ongebakken klei-restauraties. Ook heb ik overlegd met enkele docenten van de restauratie-opleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Tot slot heb ik contact gezocht met de restaurator van de Royal Collections in Londen, omdat zij in het verleden een aantal knikpoppen hebben behandeld.

dat er verdonkering optrad van de klei of de beschildering. Dat kan snel gebeuren, maar ik had testjes gedaan om te bepalen welke middelen goed uitpakten. Toen het geheel weer stevig was kon ik verder met schoonmaken. Ik heb verschillende droge en natte methodes en middelen geprobeerd. Helaas waren er veel donkere schimmelachtige plekken die wel wat lichter werden, maar niet verdwenen. Vervolgens heb ik zoveel mogelijk beschadigingen opgevuld met zacht materiaal dat goed bij te werken is. De onderkant van de mannelijke pop, waar veel klei ontbrak, is aangevuld met een tweecomponentenmateriaal. Om het gewicht van de pop te dragen moet dit namelijk heel sterk zijn. Op dat harde materiaal heb ik zacht materiaal aangebracht dat bijgeschuurd kon worden.

Welke stappen heb je gevolgd tijdens de restauratie? De poppen waren erg stoffig, dus heb ik eerst met penseel en kwast loszittend vuil en stof verwijderd. Ik moest voorzichtig zijn waar het oppervlak heel fragiel was, de beschildering los zat en de klei diepe scheuren had. Vervolgens heb ik de fragiele kleidelen vastgezet met consolideermiddel, een soort lijm. Enkele barsten zijn ge誰mpregneerd, en aan de oppervlakte heb ik het papier en de loslatende beschildering vastgezet. Ik moest daarbij voorkomen

10


Daarna zijn de poppen geretoucheerd met acrylverf of een medium met losse pigmenten. Om het beeld zo rustig mogelijk te krijgen heb ik vrij veel bijgewerkt. Er waren enkele opvallende donkere druipers van vuil op het gewaad van de man te zien. Die gingen niet weg bij het schoonmaken, en zijn met wat verf bedekt.

ontbraken zijn voeten. Eerst wilden we dat zo laten, maar om de figuur stabieler te laten staan was het gewenst om er voetjes bij te maken. Ik had een schoentje kunnen maken met een bepaald patroon, zoals ik die zag bij een knikpop in Museum Volkenkunde die er heel erg op lijkt. Maar ik heb toch gekozen voor een neutrale ronde neus van de schoen, omdat je anders teveel invult naar mijn gevoel. Wel is de groene basiskleur van de onderkant aangevuld zodat een rustiger beeld ontstaat.

Wat was het moeilijkste aspect van de restauratie? Naast het hanteren van het onstabiele materiaal vond ik het een moeilijke keuze hoe ver je kon gaan met aanvullen en retoucheren. De beelden waren zo gehavend dat je in het begin niet weet hoever je moet gaan om een rustig beeld te verkrijgen. In overleg met de conservator van Slot Zuylen hebben we besloten meer kleine beschadigingen op te vullen en meer retouches te doen dan ik eerst van plan was. Daarnaast was het lastig om in te schatten hoe schoon het oppervlak kon worden. Dat het niet lukte al het oppervlaktevuil te verwijderen was jammer, maar dat moet je accepteren. Teveel schoonmaken is niet goed voor het oppervlak, en dan kan de schade nog groter worden dan voorheen.

De handen van de mannelijke knikpop ontbreken geheel, er zijn alleen ijzeren pinnen zichtbaar. De handen van de vrouwelijke pop zijn iets beter bewaard, vooral de hand die een doek vasthoudt. De andere hand was er af; een klauwtje van verbogen ijzeren vingers. Deze hand is niet aangevuld, maar wordt los naast de pop bewaard. Het zou teveel afleiden. Waar ben je het meest tevreden over? De hoofdjes zijn zo ongelofelijk fijn gemaakt en beschilderd, dat was echt een feestje om te restaureren en ik ben erg tevreden over het resultaat. Er waren stukjes van de oren weg, de gezichten hadden storende beschadigingen en vlekken. Nu die deels gemodelleerd en geretoucheerd zijn zie je direct weer de kwaliteit van deze objecten. Maar het mooiste vind ik toch het geheel. Het feit dat de knikpoppen weer in volle glorie te zien zijn op de plek waar ze vele jaren geleden stonden…

Wat waren de meest ingrijpende handelingen? De onderkant van de mannelijke figuur was zo beschadigd dat er een hele onderrand bijgemaakt moest worden, met plooival en al. Lastig wat betreft het modelleren van de vorm en omdat de beschildering rondom zo kwetsbaar was. Ook

Ja-knikkers in Slot Zuylen Slechts een klein rukje aan een lange baard, gemaakt van echt mensenhaar. Of een zacht zetje tegen het gerimpelde voorhoofd. Dat was alles wat er nodig was om twee opmerkelijke Aziatische beelden – Chinese knikpoppen uit de late 18e eeuw – in de collectie van Slot Zuylen in beweging te krijgen. Dan knikten, en

knikten en knikten ze. Dat was niet altijd handig. Zo kwam Frederik van Tuyll van Serooskerken, die een eeuw geleden met zijn familie in Slot Zuylen kwam wonen, er namelijk achter dat zijn kleinkinderen stiekem aan de twee exotische kunstvoorwerpen hadden gezeten.

11


Deze knikpoppen werden tussen ca. 1780 en 1810 speciaal voor de export gemaakt in de gebieden rond de belangrijke Chinese havenstad Kanton. De schepen, zwaar beladen met kostbare goederen als koffie, thee en specerijen, werden als laatste met dergelijke lichtere handelswaar opgevuld. Eenmaal in het Westen verhandelden tussenpersonen de exotische voorwerpen. Knikpoppen als de exemplaren in Slot Zuylen hebben hun weg gevonden naar huizen en collecties in Amerika en Europa. In Nederland vinden we ze bijvoorbeeld in de stadhouderlijke collecties van Willem IV, de Amsterdamse wijnhandelaar Jan Rijke Vincentsz., of de Haagse jurist Jean Theodore Royer. Uit de taxaties van deze poppen blijkt dat het destijds dure voorwerpen waren.

binnen handbereik. De poppen getuigen van de smaak voor Aziatica en Aziatische voorwerpen onder de vooraanstaande Nederlandse burgerij en aristocraten. Wanneer de poppen precies in de collectie van Slot Zuylen terecht zijn gekomen is niet met zekerheid te zeggen. In een inventaris uit 1776 van Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken worden er in het Saleth (de huidige Gobelinzaal) ‘twee Egiptische beelden’ van pleisterwerk vermeld. In dit soort bronnen wordt de geografische herkomst van exotische voorwerpen nog al eens door elkaar gehaald. Zou men het hier over de knikpoppen hebben gehad? De poppen stonden in de vroege 20e eeuw in ieder geval op de hoeken van de schouw in de belangrijkste ruimte van het gebouw, de Gobelinzaal.Terwijl in de huidige presentatie de nadruk ligt op het kamervullende wandtapijt, was de ruimte destijds, zoals gewoon in de 19e eeuw, een eclectisch ingericht geheel. Dit is mooi te zien op een oude interieurfoto van de schouw uit ongeveer 1906. Opmerkelijk is dat de inrichting op en rond die schouw – door de Chinese vazen op de grond en het Imari porselein op de kast rechts – een uitgesproken Aziatisch karakter had, dat vanuit hedendaags perspectief een wonderlijke combinatie vormde met het wandtapijt, de 17e-eeuwse portretten van Moreelse en Honthorst en het haardscherm. Azië was een vanzelfsprekend onderdeel van het interieur.

Er was in het Westen vraag naar dit soort kostbare en exotische sculpturen, omdat ze het beeld van China als land van ongekende rijkdom – een schatkamer – bevestigden. Men bewonderde de virtuositeit van de Chinese handwerksman, die uitzonderlijke voorwerpen vervaardigden met veel verschillende fraaie materialen die zorgvuldig werden bewerkt. Een hooggeplaatste familie liet zijn exotische objecten graag zien aan de gasten. De detaillering van de afwerking en het ingenieuze mechaniek waardoor het hoofd ging knikken zal men zeer hebben bewonderd. Bovendien gaven de poppen de Nederlander een beeld van het uiterlijk van Chinezen. Zo kwam een verre wereld

12


Chine de commande tafelservies, 1740-1750 (Slot Zuylen)

Chine de Commande waarvoor in Europa een markt was ontstaan. Voor een groot deel waren dat voorwerpen die in China in het geheel niet gebruikt werden: borden, schalen, series vazen voor op de kast: het werd allemaal uitsluitend voor de buitenlandse afzetmarkt gemaakt. Dit porselein wordt daarom wel aangeduid met de term Chine de commande, omdat het op bestelling van de Europese kooplui is gemaakt. Vaker wordt de term echter gereserveerd voor Chinees porselein dat precies Europese voorbeelden volgt. Eigenlijk zijn Europese vormen en Europese motieven onverwachte fenomenen in Chinees porselein, want toen de eerste stukken aankwamen aan het begin van de eeuw, was de bewondering voor de technische volmaaktheid en aantrekkelijke beschilderingen groot.

Toen Nederlandse kooplieden kort voor 1600 voor het eerst naar Azië voeren om daar handel te drijven, behoorde porselein tot de zeer begeerde koopwaar. Het harde, stralend witte porselein, in blauw beschilderd met exotische motieven en voorzien van een strak glanzend glazuur, was vele malen fraaier en beter van kwaliteit dan alles wat pottenbakkers in Europa in deze periode konden maken. De Portugezen hadden in de 16e eeuw porselein mondjesmaat uit Azië meegebracht, maar de Nederlandse kooplieden, vanaf 1602 verenigd in de VOC, maakten er een echt handelsproduct van. Ze probeerden goedkoop in te kopen, grotere aantallen aan te voeren en een bredere afzetmarkt te veroveren. En dat lukte. In de loop van de 17e en 18e eeuw werd het steeds gebruikelijker porselein in huis te hebben, niet alleen voor de meest welgestelden, maar ook voor de middengroepen en uiteindelijk ook voor mensen met een smalle beurs. Mosterdpotten of bierkruiken De porseleinproducenten in China – hun ovens bevonden zich in het binnenland, in Jingdezhen, provincie Jiangxi – leverden wat de Europese kooplieden in Azië wilden hebben, het porselein

Bierkan met hoogwaardigheidsbekleder in landschap, 1635-1650 (Rijksmuseum)

13


Maar toch stuurden Nederlandse consumenten en handelaren al in de jaren 20 van de 17e eeuw in hout uitgevoerde modellen van Europees eeten drinkgerei, dat ze graag in Chinees porselein uitgevoerd wilden hebben, naar China. Het duurde nog tot 1635 tot ze er eindelijk in slaagden deze voorbeelden van Chine de commande (in de nauwere betekenis van het woord) geleverd te krijgen. Het zijn fraaie, maar ook wonderlijke voorwerpen. De vormen volgen precies tinnen mosterdpotten of Duits steengoed bierkruiken, maar de decors zijn Chinees: vaak doorlopende voorstellingen van Chinezen in een landschap.

te zorgen dat de laatste aanhangers van het oude bewind geen bestaansmogelijkheid hadden en zich uiteindelijk onderwierpen. Voor het porseleingekke Europa had dit grote gevolgen. De vraag bleef bestaan, maar het aanbod viel weg. De VOC reageerde door porselein in Japan te gaan bestellen. De Japanse porseleinindustrie was – geheel anders dan in China – nog heel jong. Pas in de 17e eeuw werd op kleine schaal porselein voor de eigen Japanse markt geproduceerd. Nu ook Japan geen Chinees porselein meer kon inkopen, werd die productie snel opgevoerd. En daar kwamen de bestellingen van de VOC nog bij. Bijzonder van het porselein dat de VOC vanuit Japan naar Nederland bracht is dat het dikwijls behalve in blauw ook in andere kleuren beschilderd was. Het paste uitstekend bij de smaak van de tijd. Rond 1670-1680 kwam dat bontgekleurde Japanse porselein op de markt en vond zijn plaats in het intussen rijkere en kleurrijkere Nederlandse interieur.

Bont gekleurd Japans porselein De VOC had in deze jaren een handelsvestiging op het eiland Formosa (Taiwan) voor de Chinese kust. Chinese handelaren voeren daarnaartoe en brachten de bestellingen over naar de porseleinbakkers in Jingdezhen. Dat werkte heel goed, totdat de Nederlanders met geweld van het eiland verjaagd werden door de machtige krijgsheer Coxinga. In China was een strijd gaande tussen de aanhangers van de oude Ming-dynastie (Coxinga was de belangrijkste speler in dit kamp) en de Mantsjoes die vanuit het noorden China binnenvielen, en uiteindelijk in 1644 een nieuwe dynastie vestigden, de Qing-dynastie. Gevolg van deze strijd was niet alleen dat de Nederlanders hun handelspost kwijt waren, maar ook dat de uitvoer van porselein uit China meer dan 30 jaar stilviel. De ovens waren beschadigd door de strijd en de Qingmachthebbers, de winnaars van de successieoorlog, sloten de Zuid-Chinese kust jarenlang af om ervoor

Het werken met een uitgebreider kleurenpalet vereiste een ingewikkelder techniek. Blauw wordt op het ongebakken porselein geschilderd; dit wordt vervolgens voorzien van een laag glazuur, gebakken en het stuk is klaar. De andere kleuren zijn niet bestand tegen de hoge temperatuur die nodig is voor het bakken van porselein. Deze kleuren worden geschilderd op een porseleinen voorwerp dat al helemaal klaar is; vervolgens wordt het stuk nog eens gebakken, op een lagere temperatuur, om de kleuren – emails – te laten hechten. De belangrijkste kleuren die aan het blauw werden toegevoegd zijn rood en goud, soms aangevuld

Imari kaststel, eind 17e eeuw (Slot Zuylen)

Theegoed, eind 17e eeuw (Slot Zuylen)

14


Chine de commande tafelservies, 1740-1750 (Slot Zuylen)

met groen, geel, zwart, aubergine. Stukken met beschilderingen in deze kleurencombinatie zijn bekend als Imari-porselein, naar de haven vlakbij de Japanse porseleinovens, vanwaar uit het verscheept werd. Imari-porselein werd zo geliefd dat het later ook in China werd gemaakt. Bij Japans porselein is het blauw wat donkerder, het glazuur wat dikker en waar het zich ophoopt groenig. Ook het porselein zelf is vaak iets dikker en zwaarder. Zo zijn Japanse en Chinese stukken vaak toch te onderscheiden.

theekoppen en schotels werden aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia naar Nederland verscheept. Tafel- en theeserviezen Nog één keer veranderde het perspectief ingrijpend. In 1727 besloot de VOC niet langer af te wachten wat de Chinese jonken in Batavia aanbrachten, maar een handelspost in China zelf te openen, in de havenstad Kanton. Andere Europese landen waren hen al voorgegaan en hier, in China zelf, konden de VOC-kooplieden veel preciezer bepalen wat zij wilden hebben. Het sturen van voorbeelden – wat in de Formosa-periode al met succes werd toegepast – werd hier vervolmaakt. Tafelserviezen en theeserviezen, bestaande uit allerhande verschillende – maar steeds geheel Europese – vormen die een eenheid vormden doordat steeds hetzelfde decor werd geschilderd, ontwikkelden zich tot courante handelsgoederen. Het VOC-schip Geldermalsen, dat in 1752 is vergaan en waarvan de lading in de jaren 80 is geborgen, geeft een goed beeld van het porselein dat de VOC in deze periode invoerde. Een fraai voorbeeld van een dergelijk servies, vervaardigd in de periode 1740-1750, bevindt zich in Slot Zuylen. De opengewerkte dekselknoppen zijn bijzonder evenals de handvatten die zijn vormgegeven als lotusvruchten.

Theedrinken Juist toen de productie van Japans porselein goed op gang was gekomen, keerde de rust in China terug. De Chinese overheid hief in 1684 het verbod op overzeese handel voor Chinese jonken op en al snel stroomde het Chinese porselein, zowel blauw-wit als veelkleurig, weer naar de vertrouwde afzetmarketen. De VOC wachtte aanvankelijk af wat de Chinese jonken naar Batavia brachten. In Europa waren twee trends bepalend voor het soort porselein dat ingekocht werd. Uitstallingen van grote aantallen kleine vazen, kommen en andere objecten werden geliefd. In de 19e een 20e eeuw werd dit bekend als étagèregoed. Het theekabinet in Slot Zuylen is een voorbeeld van een ruimte waar aan het eind van de 17e eeuw veel van dit soort porselein stond opgesteld. In de tweede plaats was het drinken van thee een wijdverbreide gewoonte aan het worden. In een boedelbeschrijving van Slot Zuylen uit 1693 komt een groot aantal series van koppen en schotels voor, vooral in Chinees porselein, maar ook in een imitatie daarvan, in Delfts aardewerk. Het étagèregoed, en zeer grote aantallen

Zeeland De VOC bestelde dit serviesgoed, maar daarnaast konden VOC-dienaren voor eigen rekening speciale bestellingen doen. Vanaf de jaren 30 van de 18e eeuw werden serviezen met familiewapens geliefd. Een tekening of prent van het familiewapen en 15


Eetzaal Slot Zuylen, ca. 1907

Bord met wapen van Zeeland, 1700-1725, decor deels 19e eeuw (Rijksmuseum)

aanwijzingen voor de vorm en decoratie van het decor werden aan een relatie binnen de VOC meegegeven. Deze bestelde dit servies en verscheepte het zelf naar huis. De VOC hanteerde regels voor de hoeveelheid souvenirs en particuliere handelswaar die opvarenden van de VOC schepen mee mochten nemen. De bewoners van Slot Zuylen hebben een dergelijk servies niet besteld, maar van hun huisvriend Gijsbert Jan van Hardenbroek is bekend dat hij in 1763 een uitgebreid wapenservies bestelde. Verwant aan deze wapenserviezen zijn de grote schotels met wapens van provincies uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De functie van deze schotels is niet bekend, maar uit een veilingcatalogus uit 1918, toen porselein en andere kunstvoorwerpen van Slot Zuylen werden verkocht, is duidelijk dat dergelijke schotels hier aanwezig waren. Er was een groep van maar liefst 33 schotels in verschillende formaten met het wapen van Zeeland. Dit decor was waarschijnlijk aantrekkelijk voor de familie vanwege de laat 15deeeuwse Zeeuwse oorsprong van het geslacht Van Tuyll van Serooskerken (vermoemd naar de heerlijkheid Serooskerke op Walcheren).

In ieder geval moet het een overrompelend decoratief ensemble hebben opgeleverd, ofwel op de gedekte tafel, ofwel uitgestald in een porseleinkast of hangend in armaturen aan de wand. Op een foto van rond 1907 is te zien hoe een deel van de borden toen, omringd door nog veel meer porselein, werd gepresenteerd naast de schouw in de eetkamer in Slot Zuylen. De bewondering voor Chinees porselein was in de loop van vele jaren veranderd. Europese fabrieken waren er uiteindelijk (1709) in geslaagd zelf porselein te maken en daarmee verloor China, als land waar iets ongekends, iets bijna magisch werd gemaakt, een deel van zijn glans. Maar nog steeds gold dat ‘alles’ in keramiek in China kon worden besteld en werd geleverd. Tot aan het eind van de 18e eeuw bleef China de producent van betaalbaar, fraai serviesgoed, met vormen en decors die op bestelling geheel naar wens geleverd konden worden: Chine de commande. Jan van Campen, conservator Aziatische exportkunst, Rijksmuseum 16


Japonse rok Anna Elisabeth van Reede (16521682), die met haar man Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken in Slot Zuylen woonde, was puissant rijk. Dat maakte Gerard Hoet (1648-1733) zichtbaar door haar te portretteren in een ‘Japonsche rok’ van kostbare zijde. Deze gewaden werden in Nederland geïntroduceerd door VOC-notabelen, die ze geschenk kregen van de Japanse shoguns tijdens hun jaarlijks bezoek aan het hof. De VOC zag er wel brood in en ging ze verkopen in het Westen. Japonse rokken werden populair vanwege hun exotische uiterlijk en het draagcomfort, eerst bij mannen en later ook bij vrouwen en kinderen. De wijde snit maakte ze geschikt als wat we tegenwoordig een thuispak zouden noemen, ter afwisseling van de strakke dracht buitenhuis. Qua pasvorm lijkt de Japonse rok op een kimono: de voor- en achterkant lopen door en er is geen naad over de schouders. Volgens een inventaris uit 1692 bezat Hendrik Jacob, de man van Anna Elisabeth, drie Japonse rokken, waarvan één van sits: handbeschilderd katoen uit India. In Slot Zuylen is een Japonse rok uit ongeveer 1770 bewaard die volgens de overlevering van de lievelingsbroer van schijfster Belle van Zuylen was. Zelf trouwde zij in 1771 in een jurk van Satin des Indes (Indisch-wit zijdesatijn). Trouwen in het wit was destijds zeer ongebruikelijk. Het grootste zijden element in Zuylen is het wandtapijt, rond 1670 geweven van wol en zijde. De inventaris uit 1692 noemt verder zijden dekens, spreien, gordijnen en behang. Er was ook een ‘een wieltje om sijde op te winden’ – een haspel zoals men in zijdefabrieken gebruikte, maar dan voor thuisgebruik of als curiositeit?

17


Zijdebalen

David van Mollem en familie door Nicolaas Verkolje, 1740 (Rijksmuseum)

Niet zo ver van Slot Zuylen, net buiten de stad Utrecht, lag in de 18e eeuw de buitenplaats Zijdebalen. Hier diende Aziatische import niet alleen ter decoratie maar ook als grondstof. Ruwe balen zijde uit Perzië, India, China en Japan werden er met behulp van waterkracht tot draad gesponnen. Dit was zo lucratief dat de eigenaar een prachtig buitenhuis vol kunst kon bouwen, omringd door een indrukwekkende tuin met exotische gewassen.

Ontstaan Vanaf ongeveer 1650 bloeide de zijdenijverheid in de Nederlanden, aangewakkerd door de zijdeimport van onder meer de VOC. In de ‘vreedzame’ textielindustrie werkten veel doopsgezinden (Mennisten), die daar soms schatrijk mee werden. Amsterdam was het handelscentrum, maar de arbeidsintensieve verwerking vond in kleinere steden plaats, zoals Haarlem en Utrecht, waar de loonkosten lager waren.

de twijnmolens aan. Twijnen is het om elkaar heen draaien van dunne zijdedraden tot een dikkere, bruikbare draad – net zoals wol en katoen gesponnen worden. De ruwe balen zijde – waaraan de fabriek z’n naam dankte – arriveerden over de Vecht uit Amsterdam. Ze waren uit Azië geïmporteerd door de Amsterdamse tak van de familie Van Mollem. Na verwerking op Zijdebalen ging het zijdegaren per schip terug naar Amsterdamse weverijen om er kleding van te maken. Na enkele jaren liet Jacob van Mollem, die eerst aan het Janskerkhof woonde, een huis bouwen naast het bedrijf. Hij overleed in 1699. Het was zijn zoon David van Mollem die Zijdebalen in de 18e eeuw tot volle bloei zou brengen.

In 1681 begon de doopsgezinde Jacob van Mollem net buiten de Utrechtse Weerdpoort een zijdefabriek in een oude volmolen. De Westerstroom, een zijwatertje dat hier met enig verval in de Vecht uitkwam, dreef via een waterrad 18


Zijdeproductie De twijnmolens van Zijdebalen waren bijzonder geavanceerd voor die tijd. De familie van Mollem wist de arbeidskosten zo laag mogelijk te houden, enerzijds door mechanisatie, anderzijds door vrouwen en kinderen te laten werken. Er was zelfs een afspraak met het stadsbestuur om arme (wees-)kinderen aan te leveren, een soort tewerkstelling dus. Dit was destijds onomstreden. Zo kon het werk waar elders twintig sterke mannen voor nodig waren in Zijdebalen door waterkracht en twee spotgoedkope krachten worden gedaan. Aan deze besparing verdiende Van Mollem goud geld. Vanwege de hypermoderne mechanisatie werd Zijdebalen regelmatig bezocht door geïnteresseerde buitenlanders. De gasten werden hartelijk ontvangen, maar kregen niet alle bedrijfsgeheimen te zien en mochten geen (aan-) tekeningen maken. De beroemdste bezoeker was Peter de Grote tijdens z’n tweede reis naar Holland in 1717. De tsaar verwondde zich nog bijna toen hij met zijn hand het waterrad wilde tegenhouden. Een paar jaar later bezocht zijn bibliothecaris Zijdebalen, samen met een lakei. Deze Johann Schumacher was maar liefst twee weken te gast. Z’n lakei was in werkelijkheid een ingehuurde wetenschapper die onopgemerkt de werking van de machinerie analyseerde en noteerde. Russische spionage aan de Vecht!

Zijdebalen in het boek De Zegepraalende Vecht, 1719

Model twijnmolen van Zijdebalen, 18e eeuw (Textielmuseum)

Een enkel waterrad dreef deze hele twijnmachine, die verdeeld was over twee verdiepingen. In de onderste verdieping waren negen twijnbanken; in elke twijnbank zaten 144 spoelen. Zo werden in dat vertrek 1296 zijdedraden tegelijk getwijnd. Bij elke zijdespoel was een haspel, die op dezelfde wijze werd rondgedreven en onder het twijnen de zijde ophaspelde. Op de bovenste verdieping werd de ongetwijnde zijde gespoeld. Alles werd in beweging gebracht door verbinding met dat ene waterrad, zodat alles vanzelf scheen te gaan. Zweedse geleerde Bengt Ferrner, 1759

19


&

Tegeltableau Zijdebalen, 1719 (Centraal Museum)

Zijdebalen Zuylen Kwamen de bewoners van Slot Zuylen, de familie Van Tuyll van Serooskerken, weleens op Zijdebalen? Daarvoor zijn geen concrete bewijzen, maar de kans is groot. Zijdebalen was in de 18e eeuw immers wereldberoemd en de Van Tuylls passeerden het complex regelmatig op weg van en naar de stad Utrecht. De officiële functies van de heer van Zuylen, zoals het lidmaatschap van de Staten van Utrecht, brachten hem ongetwijfeld in contact met de prominente ondernemer Van Mollem. Ze deelden ook zakelijke belangen: zowel David van Mollem als Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken was aandeelhouder van de Utrechtsche Compagnie, een speculatieve investeringsmaatschappij met onder meer een plantage in Suriname, waarmee het overigens slecht afliep. De kunstenaars waarmee de Van Mollems en de Van Tuylls zich omringden waren ook deels dezelfde. De schilders Gerard Hoet en Guillaume de Spinny kwamen zowel op Zijdebalen als Zuylen. Best mogelijk dus dat tuinliefhebber Belle van Zuylen (dochter van Diederik Jacob) door de grote tuin van Zijdebalen heeft gewandeld, al heeft zij er niet over geschreven.

…Ten dienst der koopmanschap, bij ‘t stadig ommezwaaien Van ‘t kunstig waterrad, zien duizend klossen draaien En duizend haspels, elk mijn David ten gewin, Gelaân met dierbre zij’, het kostlijk wormgespin. De rijke Ganges moet, zowel als d’andre stromen, De Tiber, d’Indus en d’Eufraat, ten offer komen En leevren deze schat aan d’eedle koopvaardij, Die ze over ‘t ruime meer voert aan het scheeprijk IJ, Alwaar deze oogst van zijde, uit zoveel vreemde landen Ontvangen, wordt bezorgd in mijn Van Mollems handen… Uit: Zijdebalen, hofdicht door Arnold Hoogvliet, 1740

Tuin van Zijdebalen 20door Jan de Beijer, 1745


Lusthof Kwamen de bezoekers uit binnen- en buitenland oorspronkelijk voor de zijdefabriek, vanaf ongeveer 1740 vormde de tuin de hoofdattractie. David van Mollem had deze stapsgewijs uitgebreid tot een enorme taartpunt die zich 700 meter uitstrekte van de Vecht tot voorbij de huidige Amsterdamse Straatweg. Dit lusthof was voorzien van lanen met hagen, priëlen, heuvels, vijvers, fonteinen, beeldengroepen en tuinvazen. Ook liet David een oranjerie, theater, labyrint, schelpen- en mineralengrotten en een grote toegangspoort aanleggen. Daarbij diende Versailles als voorbeeld. De overdadige luxe lijkt in strijd met de doopsgezinde levensovertuiging van Van Mollem, die enige soberheid vereiste. David wist beide echter probleemloos te combineren. Hij hield zich intensief bezig met theologie, deed veel aan liefdadigheid en in de tuinaanleg was religieuze en moralistische symboliek verwerkt. Een schilderij gemaakt voor Davids 70e verjaardag toont hem met z’n familie temidden van alle rijkdommen – maar hij wijst zijn kleinzoon op een prent van de Barmhartige Samaritaan, en draagt zelf een ‘eenvoudige’ zwarte Mennistenjas. Neergang In 1746 overleed David van Mollem. Zijn schoonzoon Jacob Sijdervelt zette het bedrijf voort. De familie hield conform Davids testament ook de tuin in stand, met hoge onderhoudskosten. Eind 18e eeuw moest de waterkracht gedeeld worden met een naastgelegen katoenfabriek, waardoor de opbrengst afnam. Zijdebalen werd inmiddels bestierd door de weduwe van Davids kleinzoon. Begin 19e eeuw werd Zijdebalen slachtoffer van de economische malaise. Het werd nog slechts ‘uit familiezucht voor de oprichters, als wel uit liefdadigheid voor enige inboorlingen’ (lokale werknemers) draaiende gehouden. In 1816 moest Zijdebalen worden gesloten en drie jaar later werd de inventaris geveild. Zoals bepaald in het testament van David van Mollem werd het huis, nu de familie het niet meer kon onderhouden, afgebroken. De tuin werd hoveniersgrond. Later kwamen er bedrijven zoals de Lubro-bakkerij. Ter plekke herinnert niets meer aan de exotische buitenplaats, behalve de naam. Momenteel verrijst er de nieuwe woonwijk Zijdebalen. Arjan den Boer, rondleider Slot Zuylen

21

&

Zijdebalen Azië Hoewel de tuinaanleg vooral Italiaans en Frans van stijl was, waren er ook Aziatische invloeden. Een inventaris uit 1746 vermeldt potten met aloë’s, citrus-, pisang-, dadel-, koffie- en ananasplanten, die overwinterden in de Oranjerie. Oosters of in ieder geval exotisch waren verder de Turkse Tent, de goudvis- en karpervijver en kleurrijke schelpen- en mineralengrotten. In het grote huis verzamelde Van Mollem kunstvoorwerpen uit alle windstreken, waaronder porselein en Oosterse tapijten. Hij beschikte over een uitgebreide bibliotheek van 600 boeken over onder meer theologie en tuinaanleg, maar ook veel reisverslagen. Zelf reisde David van Mollem niet verder dan Italië, maar in 1727 haalde hij een wereldreiziger in huis die hem uit de eerste hand over Azië kon vertellen. Het was Cornelis de Bruijn, die rijk geïllustreerde reisboeken had gepubliceerd. Behalve het Midden-Oosten bezocht hij ook Ceylon en Java. Toen hij in de schulden raakte mocht De Bruijn op Zijdebalen komen wonen. Van Mollem, ‘genoopt door een Christelijk medelijden, verzorgde de vermoeide en geheel afgesloofde reiziger’ tot diens dood in datzelfde jaar.


Monumenta Van Buchel, ca. 1620 (Het Utrechts Archief)

Een hoorn van een of ander dier Woonde er begin 17e eeuw een vooraanstaande VOC-er in Slot Zuylen? Dat beweert in ieder geval de Utrechtse oudheidminnaar Aernout van Buchel of Buchelius (1565-1641) in zijn Monumenta, een drietal handschriften met beschrijvingen en tekeningen van grafzerken, wapenborden, inscripties en andere historische bijzonderheden uit kerken en kloosters in Utrecht en omgeving.Volgens Buchelius woonde Steven van der Hagen rond 1620 in Slot Zuylen. Zeker is dit echter niet; het kasteel was toen eigendom van Adam van Lockhorst, die er rond die tijd zelf ging wonen.

Onlangs heb ik een bezoek gebracht aan Steven van der Hagen, admiraal van Oost-Indië, zoals de bevelhebber van de Oost-Indische vloot heet. Hij woont op Slot Zuylen aan de Vecht, en toen ik het eens goed bekeek, zag ik dat het bouwwerk stevige muren en een nog vrij nieuw dak had […] Ik zag daar ook tussen andere exotische voorwerpen een hoorn van een of ander dier, ter grootte van een rund of een paard. Hoe het beest eruit zag, had de admiraal zelf niet gezien, want die hoorn hadden zijn mannen in de bossen gevonden.

Van der Hagen was niet zo maar een Azië-ganger. Hij was de eerste admiraal van de VOC, die was opgericht in 1602.Van der Hagen vertrok eind 1603 met zijn vloot naar de Oost met de opdracht de inter-Aziatische handel op te zetten. Door het internationale handelsnetwerk dat daaruit voortkwam – en de latere activiteiten van Nederland als koloniale macht – vonden exotische kunst- en gebruiksvoorwerpen, specerijen en grondstoffen uit China, Japan en Indië in grote hoeveelheden hun weg naar de woonhuizen van de Westerse elite. Zo ook naar Slot Zuylen. Interessant is dat Buchelius schrijft dat er al in 1620 exotische voorwerpen waren in het huis. Was er toen al een beetje Azië aan de Vecht?

Uit: Monumenta door Buchelius, ca. 1620 (vertaling Latijnse tekst: Het Utrechts Archief)

22


VOC-kist met ambitie Compagniekisten danken hun naam aan de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Ze werden gemaakt in de stad Batavia op Java, Colombo in Sri Lanka, Amsterdam en in andere VOC-vestigingen. Dit exemplaar uit de collectie van Slot Zuylen is vervaardigd van de tropische houtsoort padoek.VOC-dienaren werden (met hun bezit) veelvuldig overgeplaatst naar een andere vestiging in Azië en ook bij de repatriëring naar Nederland namen ze hun eigendommen mee. Dan werd zo’n kist gevuld met goederen of reisbenodigdheden. Compagniekisten hadden vaak standaard afmetingen en waren aan de bovenzijde voorzien van stevige knoppen, zodat ze makkelijk te vervoeren en te stapelen waren in de volgeladen boten, een beetje zoals de containers die tegenwoordig de wereldzeeën overgaan.

Bijzonder aan deze kist is dat hij met die lades aan de onderkant al duidelijk de ambitie heeft een kast te zijn. In de VOC-periode, maar ook in latere tijden, werden de kisten onderdeel van huishoudens in het Westen en er werden, om optrekkend vocht van de vloeren tegen te gaan, onderstellen toegevoegd. Slot Zuylen heeft er meerdere en ze zijn al eeuwenlang onderdeel van het interieur, zoals we weten uit oude inventarissen: al in 1692 stond er ‘een groote Oostindise kist met koper beslagh’ (mogelijk waar de huidige logeerkamer is) en in 1776 werd er een Oost-Indische kist vermeld in de overloop op de tweede verdieping. Nico Hijman

Om hun karige salarissen aan te vullen floreerde de smokkel onder werknemers uit alle VOC-regionen, waardoor de schepen excessieve hoeveelheden particuliere lading te verstouwen kregen.Vanaf de vroege 18e eeuw werd bepaald dat kisten voor privégebruik standaard afmetingen moesten hebben. Hoe hoger je rang, hoe groter je kist mocht zijn en hoe meer je er mee mocht nemen. Deze kisten werden in opdracht van de VOC gemaakt en waren voorzien van een brandmerk. Ze waren normaliter slechts versierd met een geelkoperen slotplaat en hengsels, maar later in de 18e eeuw werd deze kist verrijkt met een artistiek uitgezaagd hoekbeslag.

23


Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein

De Indische neef Zonder kennis van Aziatische kruiden en medicijnen hadden de Westerse keuken en de geneeskunde er anders uitgezien. De man op deze anonieme krijttekening heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd. Hij speelde ook een grote rol bij de introductie van Azië in het leven van de familie Van Tuyll van Serooskerken.

Indiase regio Malabar. De serie verscheen tussen 1678 en1693 en wordt tegenwoordig gezien als een van de belangrijkste publicaties over Aziatische planten. In dienst van de VOC Hendrik Adriaan heeft een groot deel van zijn leven in de Oost doorgebracht. Dankzij daadkrachtig optreden, kennis van zaken en nauwe banden met de inheemse bevolking doorliep hij een indrukwekkende carrière bij de VOC. Naar eigen zeggen was hij 14 toen hij rond 1650 van huis vertrok. Waar hij de rest van zijn tienerjaren doorbracht is onduidelijk – hij heeft in ieder geval geen wetenschappelijke opleiding gevolgd – maar op zijn twintigste diende hij als adelborst (een adellijke aspirant-officier) voor de VOC. Na een tussenstop in Kaap de Goede Hoop arriveerde hij in mei 1657 in Batavia (het huidige Jakarta op Java). Batavia was toen het belangrijkste handelscentrum en het hoofdkwartier van de VOC in heel Azië. In Kaap de Goede Hoop, Batavia en Ceylon (nu Sri Lanka) ontlook Van Reedes fascinatie voor exotische fauna. In de jaren 1663-1667 doorkruiste hij Malabar, een regio in de huidige deelstaat Kerala aan de zuidwestkust van India. Hij bewonderde de weelderige tropische natuur en kwam op vriendschappelijke voet met inheemse vorsten. Zijn grote wens werd om de flora van dit gebied, en dan vooral de geneeskrachtige planten, tot in detail te leren kennen en te documenteren.

De man oogt zelfbewust, trots en onverschrokken. Links van het midden is het wapenschild te zien van de machtige familie Van Reede, die een leidende rol speelde in het politieke, bestuurlijke en culturele leven in de provincie Utrecht. De Van Reedes waren in de 17e eeuw nauw gelieerd aan de familie Van Tuyll van Serooskerken. Op basis van gelijkenis met een prent van rond 1684, én omdat dit werkje vermoedelijk al in 1692 in Slot Zuylen hing, is vastgesteld dat het Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein (1636-1691) moet zijn. Hij was een oom van Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken, de heer van Zuylen, en is bekend geworden als samensteller van de Hortus Malabaricus, een monumentale 12-delige serie over planten in de

Van 1670-1677 was Van Reede commandeur (een soort gouverneur, maar met minder territoriale macht) van Malabar. Zijn voornaamste taak was om het verminderde gezag van de VOC te herstellen, maar behalve met het bouwen van vestingen hield hij zich ook bezig met het kweken van tropische gewassen. Hij bleef in Malabar tot 1678, toen 24


hij voor zes jaar terugkeerde naar Nederland en weinig voor de VOC deed. Daar kwam verandering in toen hij in 1684 werd benoemd tot Commissaris Generaal, de hoogste bestuurder in Indië, met de opdracht een einde te maken aan de corruptie binnen de VOC. Van Reede moest in de zogenaamde Westerkwartieren (het tegenwoordige India, Bangladesh, Pakistan, Iran, Irak en het Arabische Schiereiland) de verboden handel voor eigen rekening van VOC-ambtenaren tegengaan. Op 15 december 1691 stierf hij aan boord van het schip De Drogterland voor de kust van Bombay. Hij werd met groot ceremonieel vertoon begraven in Surat, aan de noordwestkust van het huidige India.

beschreven. Van Reede werkte samen met zo’n 200 lokale verzamelaars die hem zaden, vruchten en stekjes gaven. Deze werden geteeld in de tuinen van de VOC. Honderden exemplaren van de beschreven planten werden naar Nederland verscheept om daar te bestuderen. In de winter van 1678, het jaar waarin het eerste deel van de Hortus Malabaricus verscheen, had Van Reede een groot herenhuis in Mijdrecht gekocht en kon zich dus heer van Mijdrecht noemen. Hij woonde in die periode echter voornamelijk in Utrecht. In 1679 werd hij opgenomen in de Ridderschap van Utrecht en later in de Staten van Utrecht, een zetel die hij gemeen had met zijn neef Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken.

Hortus Malabaricus In de Hortus Malabaricus beschrijft Van Reede zo’n 700 planten uit Malabar, in samenwerking met natuurkundigen, medici en botanici uit Nederland en India. Van Reede wilde het Westen de enorme verscheidenheid van de flora in Malabar laten zien, en was obsessief in zijn streven die diversiteit vast te leggen en aan te tonen dat zijn onderzoek voldeed aan de wetenschappelijke eisen van Westerse experts. De toepassingen en het medicinale gebruik van de verschillende planten worden erin behandeld. Waar ze groeien, het blad, bloemen, fruit, kleur, geur en smaak en hun praktisch nut worden tot in detail

Toen Van Reede in Nederland verbleef, waar hij binnen de familie van Reede bekend stond als de ‘Indische neef ’, was hij druk met de samenstelling van de Hortus Malabaricus. Hij heeft de diverse delen van de serie aan belangrijke relaties en familieleden opgedragen, en in de inleiding van deel vier, dat gaat over vruchtbomen, prijkt de naam van Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken. Hij memoreert in de begeleidende tekst hun nauwe vriendschap. De verbondenheid tussen de twee, die dus veel verder gaat dan een bestuurlijke band,

Jan Luyken, Begrafenis van Hendrik Adriaan van Reede, 1692 (Rijksmuseum)

25


Opdracht aan Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken in Hortus Malabaricus IV, 1683 (Universiteitsbibliotheek Utrecht)

Conostegia rufescens Naudin, illustratie uit de Hortus Malabaricus IV door (Universiteitsbibliotheek Utrecht)

blijkt niet alleen hieruit. Van Reedes zuster Agnes, die jaarlijks 200 gulden van hem kreeg, was weduwe van Reinoud van Tuyll van Serooskerken en woonde bij haar zoon Hendrik Jacob in Slot Zuylen. In 1682 werd Hendrik Adriaan benoemd tot voogd van de kinderen van Hendrik Jacob. Toen Van Reede in 1684 naar Azië vertrok, stelde hij zijn huis in Utrecht ter beschikking aan de Van Tuyll van Serooskerkens.

Serooskerken, stond ‘een cleijn indiaens stoeltje’, in de eetkamer hingen ‘twee Oostindise schilderijen met swarte lijsten’, in het geschilderde kamertje naast de eetkamer stonden ‘ses stoelen van Oostindisch stoff met cidse overtrecksels’. Helaas zijn deze voorwerpen niet meer te identificeren in de collectie, maar het is duidelijk: Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein heeft veel bijgedragen aan de introductie van Azië in het leven van de familie Van Tuyll van Serooskerken. We kunnen slechts gissen hoe groot zijn invloed precies was. Zouden er bijvoorbeeld zaden of stekjes die Van Reede uit de Oost had meegenomen gekweekt zijn in de tuin van Slot Zuylen? Heeft hij misschien Aziatische specerijen geïntroduceerd in de keuken? Zou hij de medicinale werking van Aziatische kruiden hebben gedeeld met zieke familieleden?

Oosterse voorwerpen Hendrik Adriaan moet een geliefde oom zijn geweest. In 1692 hingen twee portretten van hem in Slot Zuylen, ‘int cleijn eetcamertje’ ter plekke van de huidige bibliotheek en in ‘de sael’ (de huidige eetkamer), een belangrijk statievertrek. Er stonden in het huis ook Oosterse voorwerpen opgesteld uit het bezit van Hendrik Adriaan. In de slaapkamer, het privédomein van Hendrik Jacob van Tuyll van 26


Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein, 1683

Hendrik Jacob van Tuyll van Serooskerken in Japonse rok, detail schilderij door Gerard Hoet, ca. 1678 (Slot Zuylen)

Zat hij wellicht met Hendrik Jacob in de huidige Gobelinzaal, en heeft hij daar aan de hand van de exotische vogels verteld over zijn avonturen in Malabar, waar hij ongetwijfeld ook bijzondere dieren heeft gezien? Zou hij betrokken zijn geweest bij de aankoop van de maar liefst drie Japonse rokken die Hendrik Jacob bezat?

uit 1692 noemt onder meer veel porselein, Oost-Indische schilderijtjes, verlakte theedozen, kokosnoten met zilver beslag, een Oosterse pijlen-boog, een vergulde Oost-Indische doos, een parelmoer bakje en ‘noch eenigh raer gedraijd ivoorwerk’. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er voor de inrichting van deze ruimte geen beroep is gedaan op Hendrik Adriaan van Reedes grote kennis van de Aziatische cultuur.

Tegenwoordig geeft het theekamertje in Slot Zuylen met het Chinese Kangxi-porselein, de Japanse lakkist en het ebbenhouten kunstkabinetje een indruk hoe het er ooit uitzag. De ruimte – gebruikt voor het nuttigen van de toen nog dure en exclusieve Aziatische drank – was eind 17e eeuw gevuld met nog meer exotische voorwerpen. De inventaris

Gerbrand Korevaar, conservator Slot Zuylen Met dank aan An Hullshof Pol, die wees op de link tussen Hendrik Adriaan van Reede, Azië en Zuylen.

Afbeeldingen uit de Hortus Malabaricus zijn hier te vinden: http://plantgenera.org/volumes.php?id_publication=959

27


Parelmoer en pigmenten Stelt u zich voor. Het is grijs buiten. U schrijft een brief aan uw tante aan dit schrijftafeltje, in een vrij donkere kamer van een aanzienlijk, maar ook wat koel huis. Wat zou er uit de pen rollen, met de blik afdwalend van het gestreepte schrijfblad naar de bijzondere vogels en de kleurrijke bloemen erboven? Tot wat voor gedachten dit schrijftafeltje inspireerde weten we natuurlijk niet, maar alleen functioneel zal dit (letterlijk) schitterende voorwerp niet zijn geweest. Het was op zijn minst een blikvanger in het huis van de bewoners van Slot Zuylen, een geraffineerd voorbeeld van zogenaamd Nagasaki Aogai handwerk, een techniek waarbij

vaardige ambachtslieden op inktzwarte lak decoratieve voorstellingen creĂŤerden met parelmoer en pigmenten. Dit meubelstuk is in het midden van 19e eeuw gemaakt in de Japanse havenstad Nagasaki, speciaal voor de Westerse markt. Lakwerk met parelmoer was ontzettend populair, en werd op allerlei voorwerpen toegepast, van dienbladen tot naaitafeltjes en van kleine brievendoosjes tot tabaksblikjes. Met dit soort voorwerpen die teruggaan op Europese voorbeelden introduceerden voorname families AziĂŤ in hun woonhuizen als een exotische attractie.

28 28


Chinoiserie inlegwerk In de 18e eeuw was Chinoiserie – imitatie en navolging van Chinese en Oost-Aziatische stijlen – erg populair. Dit schrijftafeltje laat zien hoe Chinese invloeden werden verwerkt in Westerse meubels. De marqueterie (het inlegwerk) laat op en rond een afgebeelde tafel allerlei objecten zien. De stijl lijkt naïef, maar is in feite een gestileerde versie van Chinoiserie zoals die in Parijs in de mode was. Meubelmakers namen decoraties in lakwerk over van kamerschermen uit de Kangxi-periode (eind 17e, begin 18e eeuw).Via het handelscentrum Coromandel – de zuidoostkust van India – was deze lakwerkkunst naar Europa gekomen. De randen van zulke kamerschermen waren gedecoreerd met vazen,

29

kannen, mandjes, theepotten en schrijfgerei – motieven die ook zijn terug te zien op deze tafel. In een opengeslagen schrift is de tekst JA SOWAR DE TAFEL IS KLAR niet geheel foutloos gegraveerd. De opluchting die uit de tekst spreekt, doet vermoeden dat een leerling hiermee zijn werkstuk als voltooid beschouwde. Dát het een leerling was blijkt uit de vreemde plaats van het schrift op de hoek van de tafel. Dat was om een foutje te verhullen; het balkje linksonder het tafelblad sloot namelijk niet goed aan op de voorpoot! Nico Hijman


Het weekendhuis Nieuw Zuylen op Java Slot Zuylen op Java? Het lijkt een wonderlijke gedachte, maar ergens hoog in de bergen in de buurt van Soerabaja stond jarenlang een huis genaamd Nieuw Zuylen, met aan de wanden foto’s van Slot Zuylen. Hoe is dat zo gekomen?

Op Paasmaandag 1 april 1929 werd in Slot Zuylen de Nederlandsche Christen Officieren Kring (NCOK) opgericht, een platform voor christen-officieren bij de Nederlandse strijdkrachten. Drie jonge adelborsten, J.F. van Dulm, C.W.Th. baron van Boetzelaer en K.G. Tiel, hadden de hulp ingeroepen van Frederik baron van Tuyll van Serooskerken en diens vriend, Jhr. K.A.A. von Steiger, die als een soort geestelijk vaders optraden. Adellijke families leverden vanouds veel diplomaten, politici en hoge militairen. Door het bijeenbrengen van lokale Bijbelkringen wilde men de afnemende aandacht voor het christendom binnen de strijdkrachten pareren en het geestelijk leven stimuleren. Het geloof bleef altijd een leidraad in het leven van Van Tuyll van Serooskerken. Hij was jarenlang voorzitter van de Johanniter Orde, een adellijke hulporganisatie op protestants-christelijke grondslag, en was actief in de Nederlands Hervormde Kerk. Slot Zuylen was de thuisbasis van de NCOK in Nederland, maar zelfs in Indië kreeg de organisatie voet aan de grond, in een huis dat Nieuw Zuylen werd genoemd.

die in Engeland in het interbellum succesvol was door Bijbelstudies te combineren met weekendkampen en sportactiviteiten. De vriendelijke en ontspannen sfeer tijdens die bijeenkomsten had een brede aantrekkingskracht: men creëerde een warm en gastvrij thuis voor gelovigen.

Kameraadschap en saamhorigheid De NCOK was geïnspireerd op de Nederlandse Christen Studenten Vereniging en de Officers Christian Union,

30

Van Tuyll van Serooskerken wilde iets soortgelijks bereiken in Slot Zuylen, en dat lukte: “Onder het stralendste zonlicht dat maar te bedenken was, kwamen Zaterdagmiddag tegen theetijd de talrijke gasten voor de Zuylense bijeenkomst geleidelijk opdagen. Officieren der artillerie, Genie, Cavalerie, Infanterie en Marine, actief dienend of tot de reserve behoorend, sommigen vergezeld door hun echtgenoten, eenige burgerbelangstellenden – zij allen rukten vreedzaam de Slotpoort binnen.“ Zo schreef men over een conferentie van de NCOK in Slot Zuylen tijdens een warm weekend in de zomer van 1929. De dagen waren gevuld met Bijbelbesprekingen, zingen buiten bij de hut of binnen bij de piano (“de slechte naam dat Hollanders niet kunnen zingen was hier zeker onverdiend”), spontane gesprekken tijdens wandelingen en kerkbezoek. De huiselijke en ongedwongen sfeer werd in een verslag van het weekend geprezen. Dit beeld wordt volmondig bevestigd door

Nieuw Zuylen te Tretes


de heer Berend Nagtglas die, in de voetsporen van zijn vader, van jongs af aan nauw betrokken was bij de NCOK en van 1964 tot 2001 zetelde in het moderamen (het bestuur). Zijn herinneringen zijn in dit artikel verwerkt. Als de heer Nagtglas terugdenkt aan NCOKbijeenkomsten dan herinnert hij zich ook de bijzondere sfeer van kameraadschap, vriendschap en saamhorigheid, vertrekkend vanuit een Bijbelse grondslag. Binnen de kring heerste geen militaire hiërarchie, oudere en jongere officieren gingen gemoedelijk met elkaar om.

Op 17 april 1930 werd het NCOK-huis geopend in Tretes, een dorpje dat op 800 meter hoogte in de bergen ligt, op ongeveer 1,5 uur rijden onder Soerabaja. Het werd al meteen Nieuw Zuylen genoemd. Het grote vrijstaand huis werd gemeubileerd gehuurd voor een schappelijke prijs. Een weids uitzicht over een vlakte voerde het oog naar de zee, en in de avonduren glinsterden de lichtjes van Soerabaja en Pasuruan aan de horizon. In de uitgestrekte tuin bood een zwembad verkoeling.

Nieuw Zuylen in Tretes De activiteiten van de NCOK breidden zich al snel uit tot buiten de Nederlandse landsgrenzen. Militairen van Zeeen Landmacht werden vaak voor korte of langere tijd in het buitenland gestationeerd, zo ook in NederlandsIndië. De families vertrokken vanuit Rotterdam en zo’n anderhalve maand later kwam men aan op Java. Net als moderne expats zochten ook toen de Nederlanders elkaar op. Gemotiveerd door de goede ervaringen thuis werd door jonge zeeofficieren die lid waren van de NCOK een kring opgericht in de stad Soerabaja, gelegen in het oostelijk deel van Java. Een drijvende kracht was dominee Samuel van Hoogstraten, die van 1927-1945 zendingswerk verrichtte op Java en ook een bekende was van de familie Van Tuyll van Serooskerken. Zijn brieven geven een mooi beeld van zijn werkzaamheden. Zoals Slot Zuylen tijdens de bijeenkomsten een tijdelijk thuis bood aan christen-officieren, werd ook op Java gezocht naar een eigen plek waar men in alle rust en omringd door de natuur kon samenkomen. Het huis moest een centrum worden waar de kringleden (de mannen met hun gezin) de vrije weekends en de verlofdagen konden doorbrengen. De weekends werden, zoals Van Hoogstraten schreef in een brief, “gebruikt zur Erholung, lichamelijk en geestelijk”. Officieren die geen lid waren konden ook deelnemen.

De eerste dag was er een bijeenkomst met negen leden en twee hulpleden (meestal vrouwen van leden). Gedurende die eerste week kwamen de meeste leden een kijkje nemen, maar hoewel er vijftien slaapplaatsen waren vertrokken veel gasten ‘s avonds vanwege het wachtlopen aan boord en kwamen de volgende ochtend weer terug. Er werden “opgewekte Engelse hymnen gezongen en er is door meerderen, eenvoudig, maar echt gebeden”, aldus dominee Van Hoogstraten. Het was duidelijk dat het huis aan een behoefte voldeed. Eerebijtring Het thuisfront werd op de hoogte gehouden via nieuwsbrieven “uit het land van de wuivende klappers” waarin van tijd tot tijd allerlei kleine en grote gebeurtenissen, mededelingen en bespiegelingen werden gedeeld. Hierin werd bijvoorbeeld aankomst en vertrek van leden vermeld, maar ook NCOK-baby’s werden vreugdevol en humoristisch verwelkomd: de “eerebijtring met de linten werd aangeboden aan het ½ hulplid, de eerste die zich niet in de algemeene gesprekken gemengd heeft, Juffrouw Nanna Nagtglas Versteeg.” We lezen in die nieuwsbrieven ook hoe de weekenden in Tretes werden doorgebracht. Ernstige Bijbelbesprekingen werden afgewisseld met zwemmen, paardrijden, bergsport en wandelingen. Men dronk Engelse thee

31


en at bijvoorbeeld een warme macaronischotel – “eenig gezellig”, zo staat in een verslag. Om 5 uur werd gezamenlijk de vlag neergehaald. Naast Bijbelbeschouwingen werd er ook gesproken over het doel van de NCOK, de wereldpolitiek en het thuisfront. Soms bezocht men een Javaanse toneelvoorstelling of organiseerde een filmavond, “terwijl ook de viering van het Oud-Hollandsch St. Nicolaasfeest niet vergeten wordt”. Nieuw Zuylen in Tjlaket In 1934 huurde de NCOK een nieuw weekendhuis in Tjlaket, 900 meter boven de zee gelegen tussen Prigen en Trawas, met uitzicht op de bergen Welirang en Ardjoeno. Het panorama was fenomenaal: “alleen te begrijpen door het te beleven.” Buiten stond een vlaggenmast en was een zwembad. De heer Nagtglas, die als peuter en kleuter van 1939-1943 vele weekenden in Tjlaket doorbracht, herinnert zich de verkoeling daar na de intense hitte in Soerabaja, ondanks de tropische temperaturen soms gekleed in een wollen truitje. In het huis waren drie slaapkamers, een grote eetkamer en een slaapzaal. In een fotoalbum in de collectie van Slot Zuylen staan enkele foto’s van het interieur. We zien de zitkamer met een piano waarmee de liederen werden begeleid. Erboven hangen foto’s van onder meer Slot Zuylen. In het bijschrift staat: “Herinneringen!” In 1937 schreef een lid dat je in het weekendhuis tot rust kwam van het hectische Indische leven in Soerabaja. “Je bent vrijer en voelt je dichter bij God, hoort zijn stem duidelijker. Ook komt Holland naderbij.” Leden prezen de “gezellige familiegeest die ontstond tussen vreemden door het contact met Jezus.” Het thuisfront werd wel node gemist, “de zoo vertrouwde omgeving van eigen huis en eigen familie in Nederland.”

Tjlaket (foto B. Nagtglas)

compote en een kerstkrans toe. Op tafel deden omgekeerde wijnglazen met rood papier dienst als kandelaars. Maar: “Toch hebben we ook niet alleen de wijnglazen van den onderkant bekeken!” Na de verovering van Java door de Japanners eind 1942 wordt Nieuw Zuylen nog enige maanden bewoond door enkele vrouwen en hun kinderen. De mannen waren gevangen gezet in een Jappenkamp of overleden in de strijd (zoals de zoon van Frederik van Tuyll van Serooskerken, Alexander, tijdens de slag op de Javazee). De achtergebleven vrouwen hadden geen geld voor de huur en de Javaanse eigenaar bood het huis kosteloos aan. Uiteindelijk werden ook zij in een kamp ondergebracht. Na de oorlog werd het huis weer in gebruik genomen. Het zwembad werd omringd door oranje bloemen en de door de Japanners aangelegde moestuin werd vervangen door een tennisveld en een rozentuin. Men trachtte de draad weer op te pakken. De bijeenkomsten hadden echter niet enkel meer een Bijbels karakter, zo werd bijvoorbeeld het “communistisch probleem” aangekaart tijdens levendige discussies die tot laat op de avond duurden.

Wijnglazen van den onderkant De gouden jaren van het kringleven bij de NCOKafdeling Soerabaja waren van 1930-33; daarna ging het volgens berichten in de nieuwsbrieven achteruit. Deels werd dit geweten aan het vele varen dat de kring uit elkaar trok. De Kringavonden werden ook minder bezocht door jongeren, die vaak vrijgezel waren. In de nieuwsbrief werd hun gebrekkige medeleven betreurd. De blijdschap was groot toen in 1936 het kerstfeest weer goed werd bezocht. Het diner mocht er zijn: schildpadsoep, asperges met eieren, gebraden gans met

Gerbrand Korevaar, conservator Slot Zuylen

Met dank aan Berend Nagtglas voor alle informatie en het materiaal. De citaten zijn afkomstig uit NCOK-nieuwsbrieven en de publicatie: Renée van Hoogstraten (redactie), Als steeds Uw Samuel. Brieven van ds. S.A. van Hoogstraten op Java (1927-1945), 2001.

32


D. Murray Smith, Round the world: a story of travel compiled from the narrative of Ida Pfeiffer, 1868

Leesvoer voor de armchair traveler De bewoners van Slot Zuylen hoefden het grote huis niet te verlaten om zich in verre oorden te wanen. In de bibliotheek was de wereld binnen handbereik, via tijdschriften, antropologische studies en reisverslagen. Een mooi voorbeeld is een Engelstalig verslag uit 1868 van de reisherinneringen van de Oostenrijkse Ida Laura Pfeiffer (1797-1858). Pfeiffer was een markante vrouw, wereldreiziger en schrijfster van reisboeken. Nadat haar kinderen het huis uit waren besloot ze op haar 45e haar droom na te volgen en de wereld te gaan bereizen. Het voerde Pfeiffer in 1846 (de eerste van twee wereldreizen) naar Zuid Amerika, Tahiti, India, Perzië, Klein-Azië en China. In China trok Pfeiffer via de Portugese kolonie Macau, tegenwoordig een gokparadijs, met een boot naar Kanton. Uit veiligheidsoverwegingen als vrouw in een vreemd land en om de mensen en hun cultuur ongestoord te kunnen bestuderen droeg ze vaak mannenkleren. In het boek beschrijft ze de gewoonten van de Chinezen. Alle stereotypen komen voorbij: het eten met stokjes, de ingebonden voeten, de haardracht, de hygiëne. Maar ook schrijft ze over de manier van straffen, hoe Chinezen de dood ervaren, het maken van thee. Het boekje was ideaal voor de ‘armchair traveler’; de reislustige die genoeg had aan een boek, een stoel en de verbeelding om het buitenland te betreden.

33 33


Belle van Zuylen In de boeken en brieven van de beroemdste bewoner van Slot Zuylen, de schrijfster Belle van Zuylen (1740-1805), speelt Azië nauwelijks een rol, wat echter niet wil zeggen dat ze zich afsloot voor de wereld om haar heen. Integendeel. Haar denken en karakter getuigen van een open houding en een onvoorwaardelijke interesse in de wereld. Ze was internationaal georiënteerd, zoals overigens kenmerkend was voor de kringen waarin ze zich begaf, sprak diverse talen en correspondeerde in het Frans met mensen in heel Europa.

Ni Haifeng Het Grote Fluisterspel tussen Oost en West Het China dat bestond in de hoofden (en geschriften) van Westerlingen die voor het eerst met het ‘Grote Continent’ in aanraking kwamen, was een bont patchwork van feit, fabel en fantasie. In de 13e-eeuwse verslagen van Marco Polo, maar ook in bijvoorbeeld de in Nederland erg populaire geïllustreerde reisverslagen van Johan Nieuhof (1665), werden levendige observaties en wonderlijke wetenswaardigheden aan elkaar gekoppeld. Voor de hand liggende gegevens werden toen nog niet vermeld. Zo heeft Marco Polo het nooit over thee, Chinese kalligrafie of de Grote Muur en komen in de ‘levensechte’ illustraties van Nieuhof vaak rustende wandelaars en lastezel-drijvers voor, figuurtjes uit het repertoire van de Nederlandse 17e-eeuwse landschapschilderkunst. In al deze verslagen worden nauwkeurige beschrijvingen van landschappen, zeden en gewoontes vanzelfsprekend samengesmolten met verhalen over mythische dieren en wilde speculaties. We weten inmiddels dat de ontmoeting tussen West en Oost vaak leidde tot dit soort ‘verbastering’. Wat vreemd en exotisch was, werd vaak aangepast aan het vertrouwde en bekende. ‘Nieuwe’ gewoontes, voorwerpen en beeldmotieven, werden telkens weer vertaald en daardoor ook veranderd. Het lijkt nog het meeste op het klassieke fluisterspelletje ‘Chinese Whispers’. Bij iedere stap gaat er in het communicatieproces (meer) informatie verloren. De boodschap die de laatste uiteindelijk verwoord, lijkt nog maar nauwelijks op de informatie van de eerste.

Haar internationale houding blijkt al in een brief uit 1768 – ze woonde nog in Slot Zuylen – waarin ze een van haar jeugddromen beschrijft: “Ik zou van het land van iedereen willen zijn!” Want wat Belle het meeste hinderde waren grenzen, zowel tussen landen als tussen standen en religies. Ze heeft dit haar leven lang benadrukt. In een brief aan haar vriend Benjamin Constant zegt ze over een Fransman: “Ik ben geen Française, in zijn ogen is dat soms een gebrek van mij. En hij is een Fransman, wat soms (tussen ons gezegd) ook in mijn ogen een gebrek is van hem. Jij en ik waren van geen enkel land als we samen waren.”

Dit soort continue transformatie- en vertaalprocessen spelen een belangrijke rol in het werk van de in Nederland wonende Chinese kunstenaar Ni Haifeng (Zhoushan, 1964). Sinds hij afstudeerde aan de Academy of Fine Arts in Hangzhou, in 1986, onderzoekt hij in zijn werk taal en betekenis, vervreemding en identiteit. In een reeks vroege werken experimenteerde hij bijvoorbeeld met Nonsense Calligraphy, teksten die er echt uitzien maar onleesbaar en betekenisloos zijn. Sinds Ni Haifengs verhuizing naar Nederland in 1995 speelt de wisselwerking tussen zijn nieuwe thuisland en zijn vaderland een duidelijke rol in zijn werk. De zevendelige reeks foto’s Self-Portrait as Part of the Porcelain Export History (1999-2001) vertrekt vanuit het gegeven dat ‘echte’ dingen zelden puur of onvermengd zijn, dat wat we kennen als ‘exotisch’ heel vaak al is aangepast aan onze eigen smaak. In deze reeks zelfportretten probeert de kunstenaar niet om zichzelf zo realistisch of waarheidsgetrouw af te beelden, maar hij gebruikt zijn eigen lichaam als schilderdoek. Hij markeert zijn lijf met de geschiedenis van de porseleinhandel door het te beschilderen met een combinatie van ‘Nederlands-Chinese’ porseleinmotieven en met beschrijvingen van Chine de commande in Westerse studies. Haifeng laat ons zien en voelen dat niks in wezen 100% authentiek of puur is, maar dat het gros van de ideeën en dingen waarmee we ons omringen het product zijn van een intercultureel vertaalproces, van wederzijdse beïnvloeding tussen ‘hier’ en ‘daar’. Ann Demeester, directeur Frans Hals Museum / De Hallen Haarlem 34


Door als Chinese immigrant de geschiedenis van de porseleinhandel op mijn eigen huid – de grens van mijn lichaam – te tekenen, wilde ik een knipoog geven naar de absurditeit en nietszeggendheid van een begrip als ‘culturele identiteit’. Ik heb voor die tatoeages traditionele Chinese ontwerpen gebruikt, en patronen van het 17e-eeuwse Chine de Commande-porselein: ontworpen in het Westen met Westerse decoraties naar Westerse smaak, maar gemaakt in China. Ik wilde die vreemde wisselwerking van culturen laten zien. Ni Haifeng

Self-Portrait as Part of the Porcelain Export History no. 7,4 en 5 (achterzijde: no. 6), 1999-2001. Collectie Sittard-Geleen, in langdurige bruikleen aan Museum De Domijnen

35


36

Azië in Slot Zuylen  

Thema-magazine 2016. Gedrukte versie verkrijgbaar in de museumwinkel à € 3,50. Lees hoe Aziatische voorwerpen als porselein, lakwerk en zij...

Azië in Slot Zuylen  

Thema-magazine 2016. Gedrukte versie verkrijgbaar in de museumwinkel à € 3,50. Lees hoe Aziatische voorwerpen als porselein, lakwerk en zij...

Advertisement