Issuu on Google+

akkerbouw

fruit, bollen, bomen glastuinbouw agrarisch cultuurgoed agrarisch cultuurlandschap

Wist u overigens dat 10% van de Nederlandse grond bestaat uit bos/natuur, 20% uit bebouwing en 70% uit landbouwgrond? Voor de natuurliefhebber zijn talloze naslagwerken beschikbaar, zoals vogelgidsen, paddenstoelengidsen, plantengidsen, etc. Ook de liefhebber van stedentrips heeft een ruime keuze uit stadsgidsen. Maar voor liefhebbers van het Nederlandse platteland? Voor hen is er nu deze unieke Veldgids voor het platteland!

www.tirion.nl

www.roodbont.nl

platteland

vollegrondstuinbouw

De Veldgids voor het platteland geeft een praktisch antwoord op dit soort vragen. Compleet met kleurrijke foto’s en andere belangrijke activiteiten van de boer. De Veldgids voor het platteland is een onmisbaar naslagwerkje op al uw fiets-, wandel- en autotochten door het Nederlandse platteland.

voor het

weidedieren

Wat zijn dat voor gele bloemen op die akker? Welk koeienras graast daar in de wei? Wat doet de boer met die landbouwmachine? Wanneer wordt eigenlijk het graan of de maïs geoogst? Het lijkt allemaal zo gewoon, maar het Nederlandse platteland kent zo’n grote diversiteit dat veel vragen voor bezoekers vaak onbeantwoord blijven.

Veldgids

veehouderij

Ontdek het bijzondere Nederlandse platteland!

Veldgids voor het

platteland

Leeswijzer Welk koeienras staat daar in de wei? Zijn boerderijen echt verschillend per streek? Het zijn vragen waarop de Veldgids voor het platteland u een antwoord geeft. Met deze veldgids krijgt u een helder beeld van het Nederlandse platteland. Dan gaat het niet alleen om de teelt van gewassen of het houden van dieren op de agrarische bedrijven. Ook beschrijft de gids de weidedieren die u ziet, of de inrichting van de boerenerven. De Veldgids voor het platteland biedt een overzicht van de belangrijkste takken van de Nederlandse land- en tuinbouw. Dat zijn de veehouderij, de akkerbouw en de (glas)tuinbouw. De veehouderij kunt u onderverdelen in het houden van koeien (voor melk en vlees), varkens, kippen, schapen, geiten en paarden. Onder de akkerbouw kunt u onder meer de teelt van aardappelen, granen en bieten scharen. Daarnaast telen akkerbouwers tal van ‘kleinere’ gewassen, zoals graszaad. De tuinbouw kent een diversiteit aan bloemen-, planten-, bollen-, fruit- en groentelers, in de open grond en in de kas. Onder het kopje ‘Agrarisch cultuurgoed’ vindt u in de Veldgids voor het platteland de verschillende boerderijtypen die het Nederlandse platteland herbergt. Natuurlijk de stolpboerderij in Noord-Holland of de hoeveboerderij in Limburg maar mogelijk ook de voor velen minder bekende boerderijentypen, zoals de polderboerderij (Flevoland). Daarnaast is er ook aandacht voor ‘typische’ plattelandselementen: bakhuis, hooiberg en schaapskooi. Deze veldgids toont u niet alleen het platteland en al haar facetten. De gids beschrijft ook de ‘waarde’ van het platteland. Die waarde is niet alleen economisch maar ook recreatief. Het platteland is bij uitstek de plek om te wandelen en te fietsen, en te genieten van het mooie dat u ziet. Met deze gids krijgt u net iets meer achtergrond bij hetgeen u ziet bij een bezoek aan het platteland.


Inhoud Colofon

Voorwoord

5

Fruitteelt

Inleiding

7

Groei- en snoeivormen

156 158

Appel

160

Appel, peer

162

Auteur Jan Nijman

Veehouderij Rundvee

10

Peer, aardbei

164

Met medewerking van Hinke Fiona Cnossen, Kor Oldenbroek

Melkveestallen

24

Bes, druif

168

Water, mestopslag

28

Kers, pruim, bes

166

Fotografie Ad Taks, Berrie Klein Swormink, © Bluewren08_Dreamstime.com, © Bverbaan__Dreamstime.com, © Disordelrly_Dreamstime.com, © Ewan Chesser_Dreamstime.com, © Heide Dp_Dreamstime.com, © Hkratky_Dreamstime.com, © Inaquim_Dreamstime.com, © iStock Marcin Pawinski, © Ivonne Wierink_Dreamstime.com, © Iwka_Dreamstime.com, © Jodielee_Dreamstime.com, © Kenneth_Roberts_Dreamstime.com, © Kenneystud_Dreamstime.com, © Leshik_Dreamstime.com, © Phdwhite_Dreamstime.com, © Pietus_Dreamstime.com, © Radovan Smokon_Dreamstime.com, © Rasbak_wikimedia.org, © Robert Hardholt_Dreamstime.com, © Ruthblack_Dreamstime.com, © Ryszard Laskowski_Dreamstime.com, © Shumelki_Dreamstime.com, © Stevebylan_Dreamstime.com, © Trexec_Dreamstime.com, © Vchphoto_Dreamstime.com, © William Attard McCarthy_Dreamstime.com, ANBG, Arnold v/d Burg, AVS, Arabisch Volbloedpaarden Stamboek, De Bolster Biologische Zaden, Den Bosrand, Ed Asscheman, Elina Boerma, Erno Bouma, Frans Tijink (IRS) , Fries Hollands Rundvee Stamboek, Gerbera_Productschap Tuinbouw, GGI-Holland, Gijsbert Six, Guy Akkermans, Guy de Kinder, Han Hammink, Het Nederlandse Charolais Stamboek, Hypofocus, www.hypofocus.com, iStock_000006026954, iStock_000006862490, Lisbeth, Landstrom, iStock_000007666587, iStock_000008081482, iStock_000009438493, Jan Nijman, Jochem Ypma, Kees Scheepens, Luc Dedeende, Marijke van Oostende, Marleen Felius, Marrit van Engen, Monique Bestman, NAFV, www.angorageit.nl, Nederlands Piémontese Stamboek, NZO, Nederlandse Zuivel Organisatie, Piet Kroon, Plant Publicity Holland, PPO-AGV Lelystad, onderdeel Wageningen UR, Productschap Tuinbouw, RACM, Rik Hoogewoud, Rollin Verlinde_Vildaphoto.net, Stamboek Blonde d’Aquitaine, Stamboek Holland Dexter, Teunis Haveman, Ton van Schie, Twan Wiermans, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap, Valentijn te Plate, Vetvice/Jan Hulsen, VHGS, Frank de Smedt, Wies Beersma, Wildplaza.com, Wilma Taks, Wim Lanphen, de Hooiberg, www.dewulf.be, www.vanhoucke.be, www.werktuigdagen.be

Paarden

30

Schapen

38

Bollen en vaste planten

170

Geiten

46

Tulp, narcis, lelie, dahlia

172

Varkens

52

Zomerbloemen

174

Kippen

56 Boomkwekerij

176

Akkerbouw

62 Glastuinbouw

180

Weidedieren

116

Vormgeving Concept: Sandra Derksen grafisch ontwerp Opmaak: ZieZo Design Maarssen

Zoogdieren

118

Postbus 4103 7200 BC Zutphen T (0575) 54 56 88 F (0575) 54 69 90 E info@roodbont.nl I www.roodbont.nl © Roodbont B.V., juni 2009 Roodbont is onderdeel van Tirion Uitgevers Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgever en redactie hebben de inhoud van deze uitgave met grote zorgvuldigheid en naar beste weten samengesteld. Uitgever en redactie aanvaarden evenwel geen aansprakelijkheid voor schade, van welke aard dan ook, die het gevolg is van handelingen en/of beslissingen die gebaseerd zijn op bedoelde informatie. ISBN 978-90-8740-036-1 NUR 410

9

Mechanisatie

64

Granen

65

Mechanisatie granen

82

Agrarisch cultuurgoed

184

Aardappelen

84

Boerderijtypen

186

Bieten

90

Grassen

96

Agrarisch cultuurlandschap

196

Graszaad

102

Boomsoorten

198

Mechanisatie grassen

104

Afrasteringen

200

Zaden

106

Groenbemesters

112

Zoogdieren, vogels

120

Vogels

122

Natuurbeheer

128

Vollegrondstuinbouw

130

Koolsoorten

132

Bladgroenten

140

Looksoorten

144

Peulvruchten

148

Knol- en wortelgewassen

152

Trefwoorden

202

Adressen

204

Roodbont

206


Ontdek het Nederlandse platteland Wat is eigenlijk het ‘platteland’? In omvang is het platteland in ieder geval groter dan de steden. Uit de ‘officiële’ cijfers blijkt dat het platteland ongeveer tachtig procent van het Nederland beslaat en dat daarop ongeveer veertig procent van de Nederlandse bevolking woont. Dit betekent dat ons land nog altijd veel ‘platteland’ kent. Voor veel mensen staat het platteland gelijk aan rust en ruimte: minder mensen op een vierkante kilometer, weinig files en ruimte om te recreëren door te wandelen en te fietsen. Het platteland is voor veel mensen een gebied met boerderijen waar agrariërs vee houden of gewassen telen. In deze veldgids ligt daar ook de nadruk op. U vindt tal van beschrijvingen van bijvoorbeeld koeien- of paardenrassen, en van gewassen, zoals aardappels, suikerbieten en granen. Ook ’weetjes’, zoals het belang van bijen of de hoog- en laagstambomen in de fruitteelt, komen aan bod. Het platteland is meer dan een optelsom van agrarische bedrijven. Het platteland toont ook de verscheidenheid van Nederland. Zo zijn veel streken herkenbaar aan de boerderijtypen die u daar aantreft. Bekend voorbeeld is de stolpboerderij die u alleen in Noord-Holland aantreft. Ook dat is een kenmerk van het platteland dat u in deze veldgids vindt. Daarnaast zijn er nog tal van cultuurelementen die u op het platteland vindt, zoals het gerief- en pestbosje. Met deze veldgids kunt u het platteland ontdekken, wandelend of fietsend. En (opnieuw) kennis maken met de veelzijdigheid van het Nederlandse platteland.

6

7


Ontdek het Nederlandse platteland Wat is eigenlijk het ‘platteland’? In omvang is het platteland in ieder geval groter dan de steden. Uit de ‘officiële’ cijfers blijkt dat het platteland ongeveer tachtig procent van het Nederland beslaat en dat daarop ongeveer veertig procent van de Nederlandse bevolking woont. Dit betekent dat ons land nog altijd veel ‘platteland’ kent. Voor veel mensen staat het platteland gelijk aan rust en ruimte: minder mensen op een vierkante kilometer, weinig files en ruimte om te recreëren door te wandelen en te fietsen. Het platteland is voor veel mensen een gebied met boerderijen waar agrariërs vee houden of gewassen telen. In deze veldgids ligt daar ook de nadruk op. U vindt tal van beschrijvingen van bijvoorbeeld koeien- of paardenrassen, en van gewassen, zoals aardappels, suikerbieten en granen. Ook ’weetjes’, zoals het belang van bijen of de hoog- en laagstambomen in de fruitteelt, komen aan bod. Het platteland is meer dan een optelsom van agrarische bedrijven. Het platteland toont ook de verscheidenheid van Nederland. Zo zijn veel streken herkenbaar aan de boerderijtypen die u daar aantreft. Bekend voorbeeld is de stolpboerderij die u alleen in Noord-Holland aantreft. Ook dat is een kenmerk van het platteland dat u in deze veldgids vindt. Daarnaast zijn er nog tal van cultuurelementen die u op het platteland vindt, zoals het gerief- en pestbosje. Met deze veldgids kunt u het platteland ontdekken, wandelend of fietsend. En (opnieuw) kennis maken met de veelzijdigheid van het Nederlandse platteland.

6

7


rundvee > Bos taurus

10

Rundvee is en gedomesticeerde afstammeling van de in 1627 uitgestorven Europese oeros (Bos primigenius). De koe is het vrouwelijke rund, de stier het mannelijke dier. Nu gebruiken we de naam os voor een gecastreerde stier. Rundvee leeft van nature in kuddeverband. De kuddes zwerven door het land. De samenstelling van de groep wordt bepaald door de omgeving en de seizoenen. In de groep heerst een hiĂŤrarchie of rangorde. De groepen zijn meestal gezinsgroepen met een volwassen koe en haar dochters, hun kalveren en een of meerdere jonge stieren. De stieren verlaten de groep als ze volwassen worden, waarna ze zich aansluiten bij andere stieren en een stierengroep vormen. Iedere groep heeft zijn eigen territorium en tijdens het rondtrekken komen koeiengroepen de stierengroepen tegen. Heel oude stieren trekken zich terug in de randen van het terrein waar ze een klein territorium verdedigen. Runderen zijn herkauwers. Via een ingewikkeld verteringsproces zijn ze goed in staat om het celluloserijke gras te verteren. Ze eten vooral gras, de moderne koe in de zomer soms wel 90 kilo op een dag. In natuurlijke omstandigheden, zoals koeien die in natuurreservaten grazen, eten ze ook wel bramen, takken en twijgen. Rundvee wordt voor verschillende doelen gebruikt. Melkvee, in Nederland de belangrijkste groep, is er voor de productie van melk. Vleesvee heeft meer spiermassa, ze worden voor het vlees gehouden. Koeien met kalveren en ossen in natuurterreinen helpen de terreinen openhouden. Door het graasgedrag voorkomen ze verbossing en stimuleren ze de ontwikkeling van grasland en een gevarieerde vegetatie. Ossen werden vroeger in Nederland ook wel gehouden als trekdier. Er zijn wereldwijd meer dan duizend verschillende runderrassen. Er zijn melkveerassen, vleesveerassen, dubbeldoelrassen (rassen die zowel melk als vlees produceren) en rassen die, omdat ze zelfredzaam zijn, geschikt zijn voor natuurbeheer. Verschillende rassen zoals Holstein-Friesian, MRIJ, Fries-Hollands worden in een stamboek geregistreerd door het Nederlands Rundveesyndicaat, onderdeel van CR-Delta. Het aantal geregistreerde koeien bij het NRS (gegevens 2006 ) staat vermeld bij de verschillende rassen.

11


rundvee > Bos taurus

10

Rundvee is en gedomesticeerde afstammeling van de in 1627 uitgestorven Europese oeros (Bos primigenius). De koe is het vrouwelijke rund, de stier het mannelijke dier. Nu gebruiken we de naam os voor een gecastreerde stier. Rundvee leeft van nature in kuddeverband. De kuddes zwerven door het land. De samenstelling van de groep wordt bepaald door de omgeving en de seizoenen. In de groep heerst een hiĂŤrarchie of rangorde. De groepen zijn meestal gezinsgroepen met een volwassen koe en haar dochters, hun kalveren en een of meerdere jonge stieren. De stieren verlaten de groep als ze volwassen worden, waarna ze zich aansluiten bij andere stieren en een stierengroep vormen. Iedere groep heeft zijn eigen territorium en tijdens het rondtrekken komen koeiengroepen de stierengroepen tegen. Heel oude stieren trekken zich terug in de randen van het terrein waar ze een klein territorium verdedigen. Runderen zijn herkauwers. Via een ingewikkeld verteringsproces zijn ze goed in staat om het celluloserijke gras te verteren. Ze eten vooral gras, de moderne koe in de zomer soms wel 90 kilo op een dag. In natuurlijke omstandigheden, zoals koeien die in natuurreservaten grazen, eten ze ook wel bramen, takken en twijgen. Rundvee wordt voor verschillende doelen gebruikt. Melkvee, in Nederland de belangrijkste groep, is er voor de productie van melk. Vleesvee heeft meer spiermassa, ze worden voor het vlees gehouden. Koeien met kalveren en ossen in natuurterreinen helpen de terreinen openhouden. Door het graasgedrag voorkomen ze verbossing en stimuleren ze de ontwikkeling van grasland en een gevarieerde vegetatie. Ossen werden vroeger in Nederland ook wel gehouden als trekdier. Er zijn wereldwijd meer dan duizend verschillende runderrassen. Er zijn melkveerassen, vleesveerassen, dubbeldoelrassen (rassen die zowel melk als vlees produceren) en rassen die, omdat ze zelfredzaam zijn, geschikt zijn voor natuurbeheer. Verschillende rassen zoals Holstein-Friesian, MRIJ, Fries-Hollands worden in een stamboek geregistreerd door het Nederlands Rundveesyndicaat, onderdeel van CR-Delta. Het aantal geregistreerde koeien bij het NRS (gegevens 2006 ) staat vermeld bij de verschillende rassen.

11


veehouderij > rundvee

Koeien Dat koeien herkauwers zijn, kun je zien. Liggend op het gras liggen ze de hele tijd te kauwen. Dat doen ze omdat, wanneer de pens, de grootste maag, vol is met gras, kleine stukjes voedsel terugkomen in de mond (bek). Ze kauwen dan opnieuw, zodat het gras beter verteerd kan worden. Het herkauwde gras komt vervolgens via de slokdarmsleuf in de netmaag. Een koe heeft vier verschillende magen. In de netmaag wordt het voedsel verder verteerd. In de boekmaag wordt vocht uit het voedsel gehaald en in de lebmaag wordt het gras zo fijngemaakt dat het in de darmen kan worden opgenomen. Via de darmen worden alle belangrijke voedingsstoffen in het bloed opgenomen en door het lichaam gevoerd. Deze voedingsstoffen komen ook in de uier, waar de melk wordt gevormd. Koeien geven – net als alle vrouwelijke zoogdieren – melk nadat een kalf geboren is en ze twee jaar oud zijn. Ongeveer een keer per jaar krijgen ze een kalf. Vrouwelijke kalveren heten een vaars of vaarskalf. Een melkveehouder houdt een deel van de vaarskalveren zelf om later de melkkoeien te vervangen. Stierkalfjes zijn voor melkveehouders minder interessant. Die gaan vaak, als ze minimaal veertien dagen oud zijn als vleeskalf naar een kalverhouderij. Een pasgeboren kalf weegt gemiddeld veertig kilo. Vleeskalveren worden binnen een jaar tijd door de kalverhouders of kalvermesters gemest tot ze een gewicht van ongeveer tweehonderd kilo hebben. Dan worden ze geslacht. Jonge kalveren worden op het melkveebedrijf soms in aparte kalverhokken gehouden; deze zogenaamde ‘kalveriglo’s’ staan vaak in de buitenlucht met een kleine uitloopmogelijkheid. Kalveren in zulke hokken groeien gezond op. Er is minder kans op ziekten.

Melkvee Holstein-Friesian De Holstein-Friesian (HF) koe is de meest verspreide koe ter wereld. Ze komt in 128 landen voor. De koe is in Noord-Amerika ontstaan uit kruisingen met onder meer de Fries-Hollandse (FH) koe. Al in de 17e eeuw werden zwartbonte koeien uit Friesland naar Groot-Brittannië vervoerd vanwege hun goede melkproductie. Daar fokte men verder met die koeien, zo ontstonden de ‘British-Friesians’. En in de 19e eeuw begon men in de VS en Canada met de Nederlandse koeien te fokken. De Canadese Holsteins waren directe nazaten. Vanaf de jaren zeventig werd er geëxperimenteerd om tot productieverbetering te komen. De Nederlandse HF-koeien werden gekruist met de British-Friesians en daarna met de Holsteins uit Canada en de VS. Er ontstond een ras met grotere koeien en een goede melkproductie. De HF-koeien zijn nu in Nederland de meeste gebruikte melkkoeien. Ze komen in de zwarte en rode kleur voor.

KLEUR

zwart of rood en wit SCHOFTHOOGTE

145-155 cm GEWICHT

750 kilo DOEL

melkproductie 8500-9500 liter per jaar OORSPRONG

Canada, GrootBrittannië, Nederland AANTAL GEREGISTREERD

537.284 (zwartbont) en 72.660 (roodbont)

Jonge kalveren groeien snel. Eenjarige koeien heten een ‘pink’. Pinken krijgen voor het eerst kalveren als ze ongeveer 24 maanden zijn. Daarna zijn ze een melkkoe. Wanneer een koe ‘tochtig’ is, vruchtbaar, bespringt ze andere koeien en blijft zelf staan wanneer zij door een andere koe besprongen wordt. Ze kan dan bevrucht worden en dat gebeurt meestal op een kunstmatige manier (ki). De draagtijd is zo’n veertig weken. Tijdens de draagtijd blijft een koe melk produceren tot de laatste twee maanden van de dracht. Dan wordt een koe ‘droog’ gezet. Een droge koe is dus een koe die geen melk geeft.

12

13


veehouderij > rundvee

Koeien Dat koeien herkauwers zijn, kun je zien. Liggend op het gras liggen ze de hele tijd te kauwen. Dat doen ze omdat, wanneer de pens, de grootste maag, vol is met gras, kleine stukjes voedsel terugkomen in de mond (bek). Ze kauwen dan opnieuw, zodat het gras beter verteerd kan worden. Het herkauwde gras komt vervolgens via de slokdarmsleuf in de netmaag. Een koe heeft vier verschillende magen. In de netmaag wordt het voedsel verder verteerd. In de boekmaag wordt vocht uit het voedsel gehaald en in de lebmaag wordt het gras zo fijngemaakt dat het in de darmen kan worden opgenomen. Via de darmen worden alle belangrijke voedingsstoffen in het bloed opgenomen en door het lichaam gevoerd. Deze voedingsstoffen komen ook in de uier, waar de melk wordt gevormd. Koeien geven – net als alle vrouwelijke zoogdieren – melk nadat een kalf geboren is en ze twee jaar oud zijn. Ongeveer een keer per jaar krijgen ze een kalf. Vrouwelijke kalveren heten een vaars of vaarskalf. Een melkveehouder houdt een deel van de vaarskalveren zelf om later de melkkoeien te vervangen. Stierkalfjes zijn voor melkveehouders minder interessant. Die gaan vaak, als ze minimaal veertien dagen oud zijn als vleeskalf naar een kalverhouderij. Een pasgeboren kalf weegt gemiddeld veertig kilo. Vleeskalveren worden binnen een jaar tijd door de kalverhouders of kalvermesters gemest tot ze een gewicht van ongeveer tweehonderd kilo hebben. Dan worden ze geslacht. Jonge kalveren worden op het melkveebedrijf soms in aparte kalverhokken gehouden; deze zogenaamde ‘kalveriglo’s’ staan vaak in de buitenlucht met een kleine uitloopmogelijkheid. Kalveren in zulke hokken groeien gezond op. Er is minder kans op ziekten.

Melkvee Holstein-Friesian De Holstein-Friesian (HF) koe is de meest verspreide koe ter wereld. Ze komt in 128 landen voor. De koe is in Noord-Amerika ontstaan uit kruisingen met onder meer de Fries-Hollandse (FH) koe. Al in de 17e eeuw werden zwartbonte koeien uit Friesland naar Groot-Brittannië vervoerd vanwege hun goede melkproductie. Daar fokte men verder met die koeien, zo ontstonden de ‘British-Friesians’. En in de 19e eeuw begon men in de VS en Canada met de Nederlandse koeien te fokken. De Canadese Holsteins waren directe nazaten. Vanaf de jaren zeventig werd er geëxperimenteerd om tot productieverbetering te komen. De Nederlandse HF-koeien werden gekruist met de British-Friesians en daarna met de Holsteins uit Canada en de VS. Er ontstond een ras met grotere koeien en een goede melkproductie. De HF-koeien zijn nu in Nederland de meeste gebruikte melkkoeien. Ze komen in de zwarte en rode kleur voor.

KLEUR

zwart of rood en wit SCHOFTHOOGTE

145-155 cm GEWICHT

750 kilo DOEL

melkproductie 8500-9500 liter per jaar OORSPRONG

Canada, GrootBrittannië, Nederland AANTAL GEREGISTREERD

537.284 (zwartbont) en 72.660 (roodbont)

Jonge kalveren groeien snel. Eenjarige koeien heten een ‘pink’. Pinken krijgen voor het eerst kalveren als ze ongeveer 24 maanden zijn. Daarna zijn ze een melkkoe. Wanneer een koe ‘tochtig’ is, vruchtbaar, bespringt ze andere koeien en blijft zelf staan wanneer zij door een andere koe besprongen wordt. Ze kan dan bevrucht worden en dat gebeurt meestal op een kunstmatige manier (ki). De draagtijd is zo’n veertig weken. Tijdens de draagtijd blijft een koe melk produceren tot de laatste twee maanden van de dracht. Dan wordt een koe ‘droog’ gezet. Een droge koe is dus een koe die geen melk geeft.

12

13


vollegrondstuinbouw > knol- en wortelgewassen

Knol- en wortelgewassen Planten hebben verschillende manieren om ongunstige perioden te overleven. Een plant bestaat uit blad, stengel, wortel, bloemen en vruchten. In ons klimaat is de winter de ongunstige periode. Voor de winter sterven planten af en slaan reservevoedsel op in verdikte plantendelen: knollen, bollen of wortels. Een knol is een verdikte stengel of soms wortel: bieten, knolraap, radijsjes of dahlia. Ook een aardappel is een knol. Bollen bestaan vooral uit verdikte bladeren. Een ui is een bol. De rokken zijn de verdikte bladeren die op de bolbodem staan; de bolbodem is feitelijk de stengel. In het voorjaar kunnen de planten vanuit de knollen razendsnel stengels, bladeren en bloemen produceren. Die bladeren zijn sappig, voedselrijk. En als die bladeren zich ondergronds of in het donker ontwikkelen, blijven ze wit. Dan zijn ze nog smakelijker. De groente witlof is ontstaan uit de jonge bladeren van de witlofwortel die zich in het donker ontwikkelen. Witte asperges zijn de jonge stengels die zich ondergronds ontwikkelen.

Asperge Asparagus officinalis subsp. oficinalis

HOOGTE:

2 meter OOGSTTIJD:

Asperges zijn jonge stengels van de aspergeplant. De stengels groeien ondergronds, daarom zijn ze bleek. De teelt van asperges vindt vooral in Midden- en NoordLimburg plaats. Daar zie je ook vaak borden aan de weg, ook in het Duits: ‘Spargel’. Ook elders op de zandgronden in het zuiden en oosten van zijn telers de laatste decennia gestart met asperges. Het aspergeareaal bedraagt iets meer dan 2000 hectare.

eind maart-24 juni

Teeltinfo Kenmerkend voor asperges zijn de afgeplatte brede ruggen van aarde. Onder in die ruggen, groeien de aspergeplanten. Vanaf eind maart beginnen de planten uit te lopen. Wanneer de jonge scheuten tegen de bovenkant van de rug aantikken, zie je een klein scheurtje in de rug. Met een aspergemes kun je de scheuten uitsteken. De oogst gaat door tot de langste dag., 21 juni. Daarna moeten de planten uitgroeien tot een gewas om reservevoedsel voor het volgend jaar op te bouwen. Na het planten duurt het twee jaar voordat een plant volop produceert. Een aspergeplant gaat zo’n tien jaar mee. Daarna worden de planten gerooid en vindt er geen aspergeteelt meer plaats.

Kenmerken Rechtopstaande plant met twee centimer dikke stengels en voorzien van naaldvormige takjes. De bloemen zijn klein, wit en onopvallend. De bessen zijn oranjerood.

152

153


vollegrondstuinbouw > knol- en wortelgewassen

Knol- en wortelgewassen Planten hebben verschillende manieren om ongunstige perioden te overleven. Een plant bestaat uit blad, stengel, wortel, bloemen en vruchten. In ons klimaat is de winter de ongunstige periode. Voor de winter sterven planten af en slaan reservevoedsel op in verdikte plantendelen: knollen, bollen of wortels. Een knol is een verdikte stengel of soms wortel: bieten, knolraap, radijsjes of dahlia. Ook een aardappel is een knol. Bollen bestaan vooral uit verdikte bladeren. Een ui is een bol. De rokken zijn de verdikte bladeren die op de bolbodem staan; de bolbodem is feitelijk de stengel. In het voorjaar kunnen de planten vanuit de knollen razendsnel stengels, bladeren en bloemen produceren. Die bladeren zijn sappig, voedselrijk. En als die bladeren zich ondergronds of in het donker ontwikkelen, blijven ze wit. Dan zijn ze nog smakelijker. De groente witlof is ontstaan uit de jonge bladeren van de witlofwortel die zich in het donker ontwikkelen. Witte asperges zijn de jonge stengels die zich ondergronds ontwikkelen.

Asperge Asparagus officinalis subsp. oficinalis

HOOGTE:

2 meter OOGSTTIJD:

Asperges zijn jonge stengels van de aspergeplant. De stengels groeien ondergronds, daarom zijn ze bleek. De teelt van asperges vindt vooral in Midden- en NoordLimburg plaats. Daar zie je ook vaak borden aan de weg, ook in het Duits: ‘Spargel’. Ook elders op de zandgronden in het zuiden en oosten van zijn telers de laatste decennia gestart met asperges. Het aspergeareaal bedraagt iets meer dan 2000 hectare.

eind maart-24 juni

Teeltinfo Kenmerkend voor asperges zijn de afgeplatte brede ruggen van aarde. Onder in die ruggen, groeien de aspergeplanten. Vanaf eind maart beginnen de planten uit te lopen. Wanneer de jonge scheuten tegen de bovenkant van de rug aantikken, zie je een klein scheurtje in de rug. Met een aspergemes kun je de scheuten uitsteken. De oogst gaat door tot de langste dag., 21 juni. Daarna moeten de planten uitgroeien tot een gewas om reservevoedsel voor het volgend jaar op te bouwen. Na het planten duurt het twee jaar voordat een plant volop produceert. Een aspergeplant gaat zo’n tien jaar mee. Daarna worden de planten gerooid en vindt er geen aspergeteelt meer plaats.

Kenmerken Rechtopstaande plant met twee centimer dikke stengels en voorzien van naaldvormige takjes. De bloemen zijn klein, wit en onopvallend. De bessen zijn oranjerood.

152

153


fruitteelt >

Fruitsoorten als appels, peren, druiven en aardbeien zijn al eeuwenlang een belangrijk consumptieartikel. De Romeinen kenden fruitsoorten; in middeleeuwse kloosters vond fruitteelt plaats. De moderne fruitteelt dateert van het einde van de 19e eeuw. De kennis over teelt en vermeerdering van fruit groeide rond die tijd. Het was de start van gespecialiseerde fruitteeltbedrijven. De Betuwe is een bekend fruitteeltgebied. Maar fruitteelt, teelt van appels, peren, pruimen en kersen, vindt op meer plaatsen in Nederland plaats, vooral op vruchtbare kleigrond: in Zeeland, het westen van Noord-Brabant, Noord-Holland (Blokker), IJsselstreek (Olst-Wijhe) en in de Noordoostpolder rond Kraggenburg. Appels en peren noemen ze pitvruchten: ze bevatten meer zaden in de vorm van pitten. Pruimen en kersen zijn steenvruchten. Ongeveer 1,5 procent van de cultuurgrond in Nederland wordt in beslag genomen door de fruitteelt. In 1980 telde het CBS nog 5100 bedrijven met appels voor commerciĂŤle doeleinden. Dat zijn er nu nog een kleine 2600. De teelt van appels is in omvang nog steeds de belangrijkste teelt, maar het areaal krimpt. In 2006 bedroeg het appelareaal iets minder dan 10.000 hectare. De perenteelt besloeg toen iets minder dan 7000 hectare. Pruimen en kersen zijn bescheiden teelten, in totaal minder dan 1000 hectare. Professionele telers gebruiken vaak laagstammen: de bomen blijven klein. Voordeel is dat je de appels makkelijker kunt plukken, en dat de bomen na het planten vrij snel appels produceren. Na een jaar of tien worden de bomen gerooid. Hoogstam- en halfhoogstambomen vind je in oude boomgaarden of bij liefhebbers. Kleinfruit groeit aan struiken. De teelt van aalbessen (rode en witte), kruisbessen, en zwarte bessen vindt verspreid over het hele land plaats. Blauwe bessen, verwant aan onze bosbes, groeit het best op zure gronden: zandgronden in het zuiden en oosten van ons land. Aardbeien groeien, de naam zegt het al, dicht bij de grond aan kruidachtige planten. Het is qua omvang een belangrijke teelt. Arealen van kleinfruit in hectare in 2006 (bron: CBS): aardbeien

156

2300

zwarte bessen

500

rode bessen

280

blauwe bessen

260

wijndruiven

83

frambozen

40

bramen

25

overige kleinfruitstruiken 20 157


Veldgids voor het platteland