Bochum Drawings Part 2, Netherlands

Page 1



Bart Lodewijks Bochum Drawings 2 Bobiennale Duitsland 13 t/m 23 juni 2019



De laatste keer dat ik lang van huis ben geweest, was een half jaar geleden; toen was ik in India. De tekeningen die ik daar maakte, lijken op de tekeningen hier in Bochum: er ontbreken dezelfde hoekjes aan, alsof ze niet helemaal compleet zijn. In Bochum maakte ik zeventien tekeningen plus één. Die ene, die de eerste moest worden, krijgt een aparte vermelding, want het is eigenlijk geen tekening, immers er kwam geen krijt aan te pas, hoewel er toch veel werk in ging zitten. Ik liep stuk op het verkrijgen van toestemming. Wat er van mijn inspanning overbleef, is een ontbrekend hoekje, een verhaal over een tekening die niet tot stand kwam.



EEN SLECHTE START MET EEN GOED EINDE Gebouwen hebben wortels, net als mensen, en dat probeer ik zichtbaar te maken in mijn tekeningen. 11-06-2019 
 Na een stevig ontbijt wandel ik het snikhete Bochum in en passeer een tankstation van de firma Aral; de verchroomde delen van de benzinepompen en het overwegend blauw gelakte, met aluminiumplaten afgewerkte station schitteren mij tegemoet. Glanzende sportwagens, four-wheel drives en luxe stationcars van befaamde Duitse merken rijden traag het terrein op en af, het perfecte decor voor een reclamespot. Een automobilist voert het tankritueel bijna mechanisch uit. De balans tussen mens en machine verontrust mij zeer. Vanaf de stoep hobbelt een scootmobiel met een in elkaar geknutseld aanhangwagentje het terrein op. Het karretje is volgeladen met boodschappentassen en helt


door een zo goed als lege achterband vervaarlijk naar rechts. De chauffeur draagt een zonnebril en heeft een vaal leren motorjack aan, waar met gaffertape emblemen opgeplakt zijn, waarschijnlijk trofeeën uit een vorig leven. Onder uit zijn pet van spijkerstof hangen slierten grijs haar. Op het stuur van de scootmobiel zijn een claxon gemonteerd en een grote achteruitkijkspiegel, zo een die je doorgaans op Amerikaanse trucks aantreft. Hij parkeert zijn hele hebben en houwen bij een grijze betonnen muur, waarop een bandendrukpomp is geïnstalleerd. Hij sleept zich uit de scootmobiel en als ik hem zie klungelen met het ventiel van de band, schiet ik hem te hulp. ‘Uw ventiel past niet op een autopomp’, zeg ik, ‘u heeft een verlengstuk nodig, anders kan er geen lucht in de band geperst worden.’ ‘Scheiße’, zegt hij, ‘al die systemen waar niets op past.’ Mijn ogen blijven rusten op de grijze betonnen muur: een perfect oppervlak voor een tekening, denk ik bij mezelf. Vanachter de glazen wand van het verkooppunt schudt de kassière met haar hoofd van ‘nee’. ‘We hebben geen verlengstuk’, zegt ze als ik in de zaak sta. ‘Is het misschien mogelijk om de chef te spreken?’ vraag ik. Ze wijst naar een man in een blauwe werkoveral die op een trapje fanatiek de schappen met frisdrank aan het bijvullen is. ‘Meneer’, zeg ik, ‘ik ben


met een groot tekenproject bezig en wil u vragen of ik enkele krijtlijnen op de grijze muur achter de bandendrukpomp mag aanbrengen.’ Het is alsof hij het in Keulen hoort donderen. Heb ik iets verkeerds gezegd? Hij heeft mij toch de scootmobielbestuurder te hulp zien schieten en kan dus concluderen dat ik geen kwaad in de zin heb? ‘Zo te horen kwam u voor een adapter?’ zegt hij geïrriteerd en kijkt naar de onfortuinlijke scootmobielbestuurder, die nog steeds aan het klooien is met het ventiel en de luchtslang. ‘Hij zal op zoek moeten naar een fietsenwinkel of iets dergelijks’, zegt de chef kortaf. Waarom zijn er ook zoveel verschillende systemen?, denk ik bij mezelf. ‘Ik kan u niet helpen,’ onderbreekt de chef mijn gedachten, ‘een verlengstuk voor een bandenventiel hebben we niet en over de muur heb ik geen zeggenschap. Voor toestemming moet u bij het hoofdkantoor van Aral zijn, pal hiertegenover.’ Ik kijk naar de overzijde van de straat en de moed zinkt me in de schoenen. Daar staat een enorm gebouw van glas en beton, een modernistische burcht met kantelen en honderden vensters waar je wel door naar buiten, maar niet naar binnen kunt kijken, een spiegelpaleis waar een legioen zakenlui weet ik veel wat bekokstoven, waar niemand zicht heeft op wat de ander precies in zijn schild voert,


laat staan dat ik de juiste persoon vind om toestemming te krijgen voor een krijttekening of iemand die weet waar de verlengstukken voor de bandenventielen liggen. Zodra ik weer buiten sta, rijdt de scootmobielbestuurder me hoopvol tegemoet, zijn karretje helt nog meer naar rechts dan zonet. ‘Scheiße, er is alleen nog maar meer lucht uit de band gegaan’, vloekt hij als hij doorheeft dat ik niets ben opgeschoten. ‘Ik ga in het gebouw hiertegenover vragen of ze een ventielverlengstukje voor u hebben’, beloof ik. ‘Bij Aral?’ ‘Ja, laten we samen gaan.’ Manmoedig steken we de weg over. ‘Woont u in Bochum?’ vraag ik. ‘Ja, in het appartementencomplex achter het pompstation.’ Bij de draaideur van het hoofdkantoor zegt hij liever buiten te willen wachten, waardoor ik in m’n eentje het gebouw betreed. ‘Dat de chef van het pompstation u niet meteen toestemming gaf, is natuurlijk logisch’, zegt Marcus, een vlotte kerel die belast is met de beveiliging van het hoofdkantoor. ‘Mensen kunnen moeilijk doen en we willen allemaal onze baan houden’, vervolgt hij. ‘Hebben jullie misschien een verlengstuk om een fietsventiel aan te sluiten op een autobandenpomp?’ verander ik het onderwerp. Marcus vindt het reuze


komisch dat ik om dit kleinood vraag . ‘Kom maar mee’, zegt hij. Door een labyrint van gangen en detectiepoortjes begeven we ons naar de kelder van het gebouw. Zonder lang te zoeken haalt hij uit een stalen gereedschapskist het felbegeerde koperen ventielverlengstukje. Bij het afscheid nemen vraag ik wat ik nu het beste kan doen met mijn tekenplannen. ‘Feitelijk gezien maakt de muur deel uit van de achterkant van het appartementencomplex. Als de bewoners u goedkeuring geven, moet u zelf weten wat u doet’, besluit hij. Blij met zijn woorden loop ik door de draaideur naar buiten, maar tot mijn schrik staat de scootmobielbestuurder niet meer op de afgesproken plek. Verdomme, nu ik hem nodig heb is de vogel gevlogen, vloek ik binnensmonds. Maar niet getreurd, als bewoner van het appartementengebouw zal hij mij vast niet belemmeren om op de muur te tekenen, daar is hij gewoonweg de man niet naar, houd ik mezelf voor. Ik krijg opeens haast: het is al bijna middag en ik heb nog geen krijtstreep gezet. Ik wandel de winkel van het pompstation binnen om de chef op de hoogte te brengen dat alles in kannen en kruiken is. ‘Ik heb toestemming’, zeg ik; het ligt zo dicht bij de waarheid dat het overtuigend klinkt. ‘Ik verbied u om op de muur te


tekenen’, reageert hij prompt. ‘Maar zojuist zei u dat ik toestemming op het hoofdkantoor aan de overzijde moest vragen; ik heb daar op uw aanwijzing werk van gemaakt…’, reageer ik gepikeerd. Hij laat me niet uitspreken: ‘Nee, ik vind het niet goed.’ ‘Bij de muur staat een hogedrukreiniger, ik beloof u dat ik de tekening na afloop zelf van de muur af zal spuiten. Waarom dwarsboomt u mij nu?’ ‘Omdat ik het niet goed vind’, zegt hij. Ik heb zin om hem te vertellen wat ik allemaal vind, maar meer dan ‘u bent een dwarsligger’ krijg ik er niet uit. Gefrustreerd verlaat ik de zaak. Een auto die net volgetankt is, raakt mij op een haar na, de bestuurder maakt een woedend gebaar en toetert. Alsof het in een land dat dagelijks zijn vrijheden roemt, niet is toegestaan je leven op het spel te zetten, foeter ik bij mezelf. Het ventielverlengstuk klem ik in mijn hand als een krijtje waarmee niet getekend kan worden. Ik loop naar de grijze muur en leg het op de bandendrukpomp, zoals het hoort.


12-06-2019 Bij mijn aankomst in Bochum barst het noodweer los; de stad wordt schoongespoeld voordat ik aan de slag ga. Op zoek naar een schuilplaats kom ik terecht bij een nachtclub waarvan de gevel uit de wind ligt, een plek die beschutting biedt tegen de regen. Ruggelings druk ik me tegen de muur, onder de neonreclame Golden Girls tabledance, en wacht totdat de bui is overgedreven. Mensen snellen met opgetrokken kragen en uitgeklapte paraplu’s voorbij, er is niemand die op mij let. In de stromende regen begin ik op de muur te tekenen.


12-06-2019 De crèmekleurige bakstenen gevel heeft een fijne structuur, hij reflecteert het licht op een aangename manier en het krijt komt goed tot zijn recht. Er zijn veel nachtclubs in Bochum, aan het uiterlijk waarvan sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw weinig is veranderd. Oppervlakkig gezien hebben de clubs iets afgeleefds, alsof ze ontzield zijn; alleen als je er oog voor hebt valt hun schoonheid op.


12-06-2019 De kalkrand die zich aan de zijkant van de tekenlat vormt, laat ik staan, zodat er ribbeltjes ontstaan, een reliëf dat schaduwen oplevert. Het is een soort acupressuur: concentratie creëren op één plek. Door kleinere vlakken her en der te herhalen probeer ik een buurt te omspannen.


12-06-2019 Later op de dag wijst een architect me erop dat de gevel van de nachtclub een beschermde status geniet. ‘Jaren geleden verving de eigenaar de gevel door een meer sexy voorkant en dat kwam hem duur te staan’, zegt de architect. ‘By the way, uw tekening doet mij denken aan de vlag van Jasper Johns.’


13-06-2019 Aangekomen op de plek waar ik wilde beginnen met tekenen, word ik weggeblazen door de grote hoeveelheid graffiti. Er is bijna geen plek meer vrij. Op de muur zijn namen, woorden, tekens en afkortingen gespoten, tags die vooral ‘I was here’ lijken te zeggen. Ik word weleens over één kam geschoren met mijn illustere voorgangers, maar met mijn tekeningen zoek ik juist toenadering tot de bewoners. Dat staat lijnrecht tegenover de ‘hit and run’-mentaliteit van ‘I was here’.


13-06-2019 Een bewoonster laat haar dwergpekinees uit; de kleine keffer springt blij tegen mij op. ‘Hij herkent mij van drie jaar geleden, toen ik op het billboard tekende’, zeg ik. Het is een beetje een gok, want ik ben er niet zeker van dat er toen een dwergpekinees tegen mij op sprong. ‘Is dat al drie jaar geleden?’ zegt de vrouw verbaasd. ‘Ja’, zeg ik en realiseer me dat ik als ik een staart had gehad, nu ook zou kwispelen.


13-06-2019 ‘Wat u met de krijtlijnen bedoelt ontgaat mij, maar rechtsonder lijkt het wel spinrag’, zegt de bazin van de dwergpekinees als ze terugkeert van de wandeling.


14-06-2019 Door de tekening aan de straatkant te laten verspringen naar de parking maak ik een verbinding met het private deel. De bewoners geven echter niet thuis, het is alsof niemand zorg draagt voor deze plek.


14-06-2019 Op de ontmoeting met de eigenaresse van de dwergpekinees na gebeurt er weinig sensationeels in de Rottstrasse.


14-06-2019 Graffitispuiters kiezen locaties die in onbruik zijn geraakt, want daar kunnen ze ongezien hun werk doen. Voor mij zijn dat minder goede plekken. Mijn tekeningen komen pas echt tot hun recht in dichtbevolkte buurten, waar niet te voorspellen valt wat er gebeurt als je ongevraagd op een muur begint te tekenen.


14-06-2019 Voordat ik de Rottstrasse verlaat, teken ik naast het billboard een groot, halfopen kader.


14-06-2019 Het lijkt alsof de krijtstrepen in de muur verdwijnen om op een andere plek in de stad weer tevoorschijn te komen.


15-06-2019 Een fietstocht door de stad leidt mij naar Bochum Hamme, een dichtbevolkte woonwijk waar mijn oog vorig jaar ook al op was gevallen.


15-06-2019 Voorbijgangers glimlachen als ze mij aan het werk zien. Aan de subtiliteit van de krijtlijnen en de beslissingen in de tekening kun je aflezen dat de mensen hier niet zo onverschillig zijn als in de Rottstrasse. Ik ben op mijn gemak, alsof ik overal mag tekenen.


15-06-2019 In de iets verderop gelegen Hermannstrasse teken ik zonder op of om te kijken verder, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.


15-06-2019 Aankloppen met de vraag of er op het appartementsgebouw gekrijt mag worden, zal onherroepelijk leiden tot een vertraging van het tekenproces, en dat is zonde van de zeven dagen die mij nog resten.


15-06-2019 Verleden jaar om deze tijd stond de paarse fiets op precies dezelfde plek. Overal tref ik fietsen aan en voor mijn poging de tekeningen deel te laten uitmaken van de stad zijn dit aansprekende locaties.


15-06-2019 Ik word opgeschrikt door een kuch van een nors kijkende, oude man, gekleed in een vaalblauwe stofjas, die mij vanuit de deuropening van het appartementsgebouw gadeslaat. Is dit Hermann, het heerschap naar wie de straat vernoemd is?


15-06-2019 ‘Hermann’ verschanst zich in de deuropening en wijst, zonder acht te slaan op de tekening, naar het krijtpoeder dat op de stoep is neergedaald. Of ik die ‘troep’ ook zelf weer opruim? ‘Ik verwacht dat de regen vanavond wel een handje zal helpen’, zeg ik. Hij denkt er het zijne van en verdwijnt weer in het gebouw.


16-06-2019 Vanaf de overzijde van de straat kijk ik naar de tekeningen en ben nog lang niet tevreden, maar besluit het erbij te laten; misschien brengt de dag van morgen nieuwe inzichten. Het valt mij nu pas op dat er ter hoogte van de straatlamp een grote vlek op de gevel zit. Een vlek van dezelfde omvang als het neergedaalde krijtpoeder op de stoep. Het heeft niet direct iets met Hermann te maken, al heb ik het gevoel dat hij me erop gewezen heeft.


16-06-2019 De volgende ochtend zijn alle tekeningen in de Hermannstrasse verdwenen en dat is duidelijk niet door de regen gekomen, want dan blijven er minuscule krijtdeeltjes op de muur achter. Waarschijnlijk heeft Hermann voor de nietsontziende regenbui gezorgd.


16-06-2019 De gemoedelijke sfeer die op straat heerst, maakt het moeilijk om mijn aandacht bij het tekenen te houden. ‘Het is zondag!’, hoor ik iemand zeggen.


16-06-2019 Op deze prachtige zondag vind ik een merkwaardige ontspanning: ik teken tot het hoogste punt waar ik zonder hulpmiddelen bij kan komen; met mijn armen langs mijn hoofd rek me op mijn tenen zo ver mogelijk uit.


16-06-2019 De tekening maakt samen met de verkeerspalen en de bomen deel uit van de straat.


17-06-2019 Door de inspanning die het tekenen vergt, gecombineerd met het mooie weer en het feit dat ik ongemoeid word gelaten, dreigt de straat voor mij naar de achtergrond te verdwijnen.


17-06-2019 Het witte krijt staat in contrast met het steenkoolzwarte verleden van deze buurt, een stadsdeel dat overigens veel welvarender is dan ik gedacht had.


17-06-2019 Moeders op bakfietsen met kinderzitjes en bijbehorend kroost rijden door de straat. Slechts af en toe passeren er oude mensen, die het gewicht van het industriële verleden met zich meedragen; in hun ogen smeulen de laatste restjes steenkool.


18-06-2019 Een fietstocht van drie kwartier brengt mij naar de rand van Bochum, een groene zone waarin de universiteit is gevestigd en in de jaren zestig van de vorige eeuw grote betonnen woontorens werden gebouwd om de massale toestroom van studenten en arbeiders uit Zuid- en OostEuropa het hoofd te bieden.


18-06-2019 Naarmate ik langer rondzwerf bekruipt mij het gevoel dat ik hier niets te zoeken heb. Waar zou ik op moeten tekenen? De publieke ruimte is geconfisqueerd door de auto’s, er zijn parkeerplaatsen, winkels, een atletiekbaan en groenzones met omheinde hondenuitlaatplekken. Het functionele en gecontroleerde karakter van de omgeving ‒ werkelijk alles is in banen geleid ‒ doet me bijna omkeren. Totdat ik in Im Westenfeld beland, een kronkelige dorpsstraat met keurige rijtjeswoningen, ingeklemd tussen hoge gebouwen en een metrostation.


18-06-2019 In Im Westenfeld onderscheidt een roodkleurige woning zich van de overige huizen. De verf is ongelijkmatig uitgerold, waardoor er een soort vlakverdeling op de gevel is ontstaan.


18-06-2019 In het rode huis woont de familie Tahiri, een gezin met twee dochters en één zoon. In 1992 verlieten zij Kosovo om hun geluk in Bochum te beproeven. ‘Duitsland is goed om geld te verdienen, maar de mensen kijken niet echt naar je om. Ik heb me ermee verzoend’, zegt de vrouw des huizes.


18-06-2019 In mijn gedachten projecteer ik een tekening aan de rechterkant, bij het raam. Mevrouw Tahiri kijkt me vragend aan, de reden van mijn onverwachte bezoek laat zich niet raden.


18-06-2019 ‘Het lijkt wel alsof jullie ooit brieven op de gevel hebben geplakt’, zeg ik. ‘Ik heb Duits, Engels en een beetje Frans geleerd om me hier te redden, maar ik heb het meeste aan mijn familie in Kosovo gehad. We hebben elkaar veel gebeld en geschreven.’ ‘Zie je wel,’ zeg ik, ‘jullie correspondentie kun je aflezen aan de gevel.’


18-06-2019 ‘Zou u het goed vinden als ik een krijttekening aanbreng op jullie huis, rechtsonder, bij het keukenraam?’, vraag ik aan mevrouw Tahiri. ‘Een krijttekening?’, reageert ze verbaasd, maar niet afwerend. ‘Ja, een tekening die aansluit bij jullie briefwisseling met de familie in Kosovo, een kader, een soort blanco vel papier.’ Met mijn handen geef ik aan hoe groot de tekening ongeveer wordt. ‘Ik heb Bochum met de fiets doorkruist op zoek naar een geschikte tekenplek. Jullie huis heeft de meest poëtische gevel die ik gezien heb’, zeg ik. ‘Het is niet


onbeleefd bedoeld, maar mogen we het er weer vanaf spoelen als de tekening ons niet zint?’ Ik knik, blij dat ik aan de slag kan: ‘Zodra de tekening klaar is, is hij van jullie en mogen jullie ermee doen wat jullie willen.’ ‘Wilt u koffie?’, vraagt meneer Tahiri en neemt de tekening in zich op. ‘Het lijkt wel gelinieerd briefpapier, waar we vroeger op schreven’, zegt hij, terwijl hij de bonen maalt in een koffiemolen die uit Kosovo komt.


19-06-2019 Frau Andrea woont tegenover de Kosovaarse familie en ze is al een paar keer naar buiten gekomen om te kijken wat ik in mijn schild voer. Met een meisje van amper één jaar op haar arm slaat ze mijn verrichtingen gade. Als ik naast het duo kom staan zegt ze: ‘Ik kan niet thuisbrengen wat u doet, maar het interesseert me wel, omdat ik muziekjuf ben in een Kindergarten, een plek waar ook veel met krijt gewerkt wordt. Deze ondeugd is mijn kleindochter Mira. We zijn twee handen op één buik.’


19-06-2019 ‘Misschien is het mooi als ik de tekening van de overburen voortzet op uw huis?’ opper ik voorzichtig tegen Andrea. ‘Hier zo’, zegt ze kordaat en duidt met haar vrije arm naar de muur rond het keukenraam, terwijl ze met de andere arm de kleine Mira stevig omklemt. ‘Net zo’n krijtwerk als bij de overburen, dat is een mooi idee, niet waar Mira?’ Het kleine meisje wijst gebiedend met haar mollige armpje naar de muur. Aan mij wordt geen keuze meer gelaten.


19-06-2019 Voordat ik aan de slag ga voorziet Andrea mij van een uitgebreide lunch, die we gezamenlijk nuttigen in haar kleine, sfeervol ingerichte keuken. ‘Mijn twee dochters wonen ook in Bochum,’ vertelt ze, ‘mijn ouders wonen een paar straten verderop en mijn zoon zit in Frankfurt, maar komt elk weekend naar huis. Ik woon hier nu bijna twintig jaar met mijn man. Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar na de oorlog werd dit huis gebouwd voor twee gezinnen; één familie op de begane grond en


één op de eerste verdieping. Bijna tien mensen op een oppervlak zo groot als een postzegel.’


20-06-2019 Ik werk altijd met een vooropgezet plan om houvast te krijgen op een plek, maar het proces van het tekenen is grilliger dan de rechte lijnen doen vermoeden. De omgeving is voortdurend in beweging: scooters, auto’s en spelende kinderen veroorzaken een hoog aantal decibellen. Soms leidt het verkeer zo af dat ik er niet in slaag om te tekenen. Al zijn er ook momenten dat je een kanon kunt afschieten zonder dat ik het merk.


20-06-2019 In een stevig aanzette lijn zit ongeveer één krijtje.


20-06-2019 Ik vraag me weleens af hoeveel krijtpoeder ik in de loop der jaren heb ingeademd.


20-06-2019 Het komt als een verrassing dat buurman Achim ook een tekening op zijn huis wil.


20-06-2019 Achim en de familie Tahiri kunnen goed met elkaar overweg.


20-06-2019 Een korte regenbui brengt even paniek teweeg bij de familie Tahiri. Ze willen de tekening afdekken met plastic folie zodat hij niet van de gevel spoelt.


20-06-2019 De bui drijft over, maar gezien de hoge luchtvochtigheid en de hoge temperatuur ‒ het is tegen de 30 graden ‒ gaat het vast onweren vanavond en dan verdwijnt de tekening alsnog.


20-06-2019 Zolang het droog blijft is er niets aan de hand. Andrea’s huis biedt een perfect zicht op het werk van vandaag.


21-06-2019 De volgende dag vertellen de Tahiri’s dat hun buren, een jong gezin dat mij al twee dagen met argusogen bekijkt, bij hen informatie kwam inwinnen over de krijttekeningen. ‘Typisch Duits dat ze dat aan ons vroegen en niet rechtstreeks aan u’, zegt mevrouw Tahiri. ‘We wisten niet wat we moesten antwoorden. Waar gaan de tekeningen eigenlijk over?’ vraagt ze. ‘Ze maken deel uit van één grote krijttekening die dwars over de wereld loopt’, zeg ik. Vragend kijkt het echtpaar me aan. ‘Gebouwen hebben wortels, net als mensen, en


dat probeer ik zichtbaar te maken in mijn tekeningen.’ Meneer Tahiri knikt instemmend: waarom ook eigenlijk niet, schijnt hij te denken. ‘Maar mag ik vragen waarom jullie huis rood is?’ vraag ik. Op zijn mobiele telefoon toont hij een foto van een roodgelakt bootje, dat zo te zien ronddobbert op een meer in Kosovo. Op de boeg is een zwarte, dubbelkoppige adelaar geschilderd. ‘De vlag van het Kosovaarse volk is rood met een zwarte, dubbelkoppige adelaar in het midden. Het ging mij te ver om een zwarte adelaar op mijn huis te schilderen,’ lacht hij schamper, ‘maar de kleur van de vlag leek me acceptabel.’


21-06-2019 ‘U mag ook op ons huis tekenen’, zegt buurvrouw Alex plompverloren. Ik word een beetje overvallen door haar uitnodiging, omdat haar man en hun jonge zoontje me nog steeds geen blik waardig keuren.


21-06-2019 ‘Een tekening op jullie gele gevel zal minder goed zichtbaar zijn dan op een rode ondergrond, misschien is ze zelfs wel onzichtbaar. Dat draagt een zeker risico in zich’, zeg ik, en ik vraag me af of ik blij ben met haar uitnodiging of dat ik tegen de klus opzie. ‘Mag ik vragen waarom jullie huis geel is?’ ‘Achter de gevel zitten isolatieblokken, door het verschil in temperatuur tussen binnen en buiten ontstaat er een soort blokkenstructuur op de gevel. Om de paar jaar moeten we ons huis wel van een nieuwe verflaag voorzien,


anders ziet het er gewoonweg niet uit. We kozen voor geel, maar het had net zo goed blauw kunnen zijn’, zegt ze.


22-06-2019 Frau Andrea vertelt dat haar opa in de oorlog aan het oostfront diende. ‘Hij stuurde geschilderde brieven naar huis en hield een dagboek bij. Wij hebben altijd gedacht dat opa door zijn artistieke inspiratie de verschrikkingen in de oorlog heeft weten te overleven.’ Ze legt enkele brieven uit die tijd op de keukentafel; het zijn liefdevolle berichten aan vrouw en kinderen, maar ook het lijden van de soldaten komt aan bod. ‘Na de oorlog is opa blijven schilderen, in de woonkamer hangt een werk van hem uit 1954.’


22-06-2019 We staan voor het schilderij van opa, waarop een Duits Alpenlandschap is afgebeeld. ‘Kunt u ook zo schilderen?’, vraagt Andrea. ‘Het is heel moeilijk, het vergt jaren oefening. Mijn opa schilderde ook, misschien dat ik in een volgend leven een poging waag’, zeg ik. ‘U bent meer van de krijtlijnen hè?’, zegt ze. ‘Misschien kan ik iets op de muur tekenen, om het schilderij van uw opa heen.’ ‘Met krijt?’, vraagt ze. ‘Ik denk het wel’, zeg ik. Even later ben ik aan het tekenen op de muur in de woonkamer. Andrea komt naast me


staan en zegt: ‘De wolken in het schilderij en de krijtlijnen passen bij elkaar.’


22-06-2019 De tekening in de Graf-Engelbertstraße komt onder bijzondere omstandigheden tot stand. Bewoner Marko speelt viool in de Bochumer Symphoniker. Tijdens het tekenen staan de ramen van het huis open en laat ik mij in vervoering brengen door zijn spel.


22-06-2019 Marko en zijn vrouw Nika steunen mijn deelname aan de Bobiennale; de tekening is een dankbetuiging.


23-06-2019 Niemand kan mij vertellen wanneer de vogel op de gevel van Am Alten Stadtpark 68 is neergestreken en tot welke soort hij behoort.


23-06-2019 Voor een pelikaan heeft hij een te korte snavel; bovendien heeft een pelikaan een behoorlijk lange nek en geen klauwen maar zwemvliezen.


23-06-2019 Een pelikaan staat symbool voor opofferende moederliefde, ze worden vaak afgebeeld met een door henzelf opengepikte borst, waardoor de jongen met bloed gevoed konden worden.


23-06-2019 ‘Ik weet haast zeker dat het een pelikaan voorstelt. Mijn kinderen zijn in dit huis opgegroeid en hebben het nooit slecht gehad’, zegt de bewoonster.


23-06-2019 Ik kijk naar de vogel en stel me voor hoe Bochum eruitziet als je vliegt.



Colofon Bart Lodewijks – Bochum Drawings Tekeningen, tekst en foto’s: Bart Lodewijks Redactie: Danielle van Zuijlen Eindredactie: Lucy de Boer Beeldbewerking: Huig Bartels Ontwerp: Roger Willems en Dongyoung Lee Uitgever: Roma Publications, Amsterdam Dit project maakt deel uit van de bobiennale festival der freien szene bochum. Op uitnodiging van adhoc, galerie januar, Kunstverein Bochum Speciale dank aan Christian Gode, Hugo Koch, Nika en Marco Genero. © Bart Lodewijks, 2019