Issuu on Google+

Lees verder

Rekenen & tekenen

+ Communityplanning: smeerolie bij bouwplannen + Diep en duurzaam + Nieuwe Wro: geen trendbreuk in structuurvisies

9 september 2010

ROM_09_2010.indd OMI

www.romagazine.nl

9/3/2010 3:09:27 PM


Regie en versnelling in gebiedsontwikkeling

De nieuwe werkelijkheid: Tekenen en Rekenen

StrateGis is een innovatief bedrijf gevestigd in Voorburg, dat zich richt op het versnellen en verduurzamen van gebieds- en vastgoedontwikkeling. StrateGis heeft een aantal onderscheidende diensten en softwareproducten ontwikkeld, met als rode draad integraal en interactief tekenen en rekenen. StrateGis is marktleider in deze opkomende discipline.

Drs. Ignace van Campenhout, projectmanager bij Gemeentewerken Rotterdam: “Samen met StrateGis hebben we een scenarioGIS oplossing ontwikkeld. Hiermee konden we op een snelle en inzichtelijke manier modelberekeningen vergelijken. Dit heeft ons geholpen met zowel het keuzeproces als het verkrijgen van draagvlak”

De StrateGis methode: 1. Sneller plannen maken 2. Inzicht in meer planvarianten 3. Kostenbesparing 4. Draagvlak vergroting 5. Kwaliteitsverbetering 6. Verbeterde communicatie

Nieuwe technologieën toegankelijk StrateGis Groep te Voorburg, een TNO Spin-off uit 2006, maakt werkelijkheid van de academische belofte van Tekenen en automatisch Rekenen. Voortbouwend op 30 jaar onderzoekservaring bij TNO en TU Delft, hebben de oprichters van StrateGis de Gebiedsontwikkelaar ontwikkeld, het enige commercieel verkrijgbare pakket voor daadwerkelijk integraal Tekenen en Rekenen. Niet alleen financiële rekenmodellen zijn gekoppeld aan ruimtelijke plannen, maar ook geavanceerde duurzaamheidsmodellen. Inmiddels is de software al bij meer dan 50 klanten ingezet, ondermeer bij gemeenten, provincies, en projectontwikkelaars. Drs. Robin Seijdel: “Goedkoper, beter en sneller door toepassing van Systems Engineering in gebiedsontwikkelings projecten. Met een gedegen stappenplan zetten we onze kennis in voor de (actuele) vraagstukken. Dit kunnen bijvoorbeeld heroriëntaties zijn. Een gebiedsontwikkelingstraject is vastgelopen, wordt opnieuw opgestart of dient doorgerekend te worden aan de hand van de nieuwe GREX wet. Op projectmatige wijze, vaak met klant-workshops en rapportages met internettoegang tot de plannen, pakken we dit aan. Als organisaties verder vertrouwd raken met de nieuwe manier van werken gaan we vaak nog een stap verder: integrale informatiehuishouding waardoor niet alleen enorme kwaliteitswinst maar ook significante kostenbesparingen op bijvoorbeeld externe consultants gerealiseerd wordt.”

Dr.ir. Hans Schevers vult aan: “Met onze flexibele software spelen we ook in op nieuwe ontwikkelingen in de markt. Zo hebben we het Exploitatieplan conform de nieuwe GREX wet direct in onze softwaremodellen geïntegreerd. Onze bestaande klanten kunnen met deze module met een druk op de knop de gevolgen zien voor hun bestaande projecten. Dus zonder onnodig dure handmatige herberekeningen, en zonder de kans op fouten door deze handmatige herberekeningen.” “Ook gaan wij verder dan alleen de financiële component: ook stedenbouwkundige en duurzaamheids modellen zijn een integraal onderdeel van onze software.” Meer weten over de StrateGis manier van werken? Schrijf u in voor een van de vrijblijvende workshops op www.strategis.nl.

7. Regie houden

Door tekenen en automatisch rekenen.

StrateGis | Groep

StrateGis | Groep

ROM_09_2010.indd OMII

9/3/2010 3:09:43 PM


Een gratis abonnement op ROmagazine……

iets voor u? Bent u werkzaam bij de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, dan kúnt u niet zonder een abonnement op het vakblad ROmagazine. Vakblad ROmagazine biedt actuele informatie over ontwikkelingen in het beleid, beschrijft best cases in de uitvoering van dat beleid en biedt een platform voor opinies over de ruimtelijke ontwikkeling. Het vakblad ROmagazine is gratis voor ambtenaren ruimtelijke ordening en milieu bij rijksoverheid, provincie, waterschappen, regiobesturen en gemeenten. ROmagazine vakblad voor de RO professional

Ga naar www.romagazine.nl en meldt u aan ROM_09_2010.indd 1

9/3/2010 3:09:43 PM


Redactioneel

Natuurlijk Je zult maar een konikpaard, edelhert of heckrund zijn en in de Oostvaardersplassen aan je lot zijn overgelaten. Keer op keer kom je in het nieuws, omdat jouw ‘beschermers’ bakkeleien over het al dan niet ondersteunen in moeilijke tijden. Als je zelf had mogen kiezen, was je hoogstwaarschijnlijk niet eens terechtgekomen op deze meest doorgeplande postzegel op deze aardbol. De jaarlijkse nationale discussie over het bijvoeren van het ‘wild’ in de Oostvaardersplassen is tekenend voor hoe we zijn doorgeschoten in het natuurbeleid. De manier waarop de EHS is bedacht en de Flora- en Faunawet vorm heeft gekregen, zijn andere schrijnende voorbeelden.

Inhoud 4

ROm2 - Duurzaam vastgoed - Groeisteden - Overijssel en ruimtelijke kwaliteit - Zuinig maakt slim

8 Nieuws uit Brussel 9 Column Het Hiernogmaals voorbij 10 De meerwaarde van ‘communityplanning’

12 Proeftuin Noord-Nederland 14 Structuurvisies nog niet in de geest nieuwe Wro

17 Centralisering vastgoedbeleid Waardevolle en kwetsbare natuurgebieden vragen om aandacht en bescherming, zeker. Natuur moet de ruimte krijgen, vanwege haar intrinsieke waarde en de kwaliteit van ons leven. Maar je helpt de natuur niet door er een hek omheen te zetten. De natuur is niet gebaat bij het krampachtig vasthouden aan in beton gegoten ruimtelijke contouren en al helemaal niet aan het soortenfetisjisme van neoconservatieve ‘natuurbeschermers’. Ze zitten de realisatie van de EHS juist in de weg! Er is waarschijnlijk niets zo dynamisch als de natuur, mits deze de kans krijgt om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Dat betekent dat er robuuste corridors moeten komen, op sommige plekken gevrijwaard van menselijke drukte, maar zeker ook met de nodige schuifruimte. Waarom kan wonen in lage dichtheden niet samengaan met natuurontwikkeling? Waarom moeten werkgelegenheid en recreatie altijd en overal gezien worden als bedreiging voor natuurwaarden? In hun recente advies ‘Adaptatiestrategie voor een klimaatbestendige natuur’ breken de Wageningen UR en het Planbureau voor de Leefomgeving een lans voor een ander natuurbeleid. Mede gezien de klimaatsverandering zou niet het behouden van plant- en diersoorten per gebied, maar het vergroten van het aanpassingsvermogen van de natuur het nieuwe uitgangspunt moeten zijn. Het is een meer dan interessante visie. Geef natuur de ruimte en koppel deze, waar mogelijk, aan andere ruimtelijke functies. Dat is goed voor de biodiversiteit, goed voor ons eigen welbevinden en goed voor de economie.

impuls voor ruimtelijke ordening

19 De ambitie om iets moois te maken 22 Rekenen & tekenen 32 3d-modelleren en visualiseren, nu ook ondergronds!

34 ROdigitaal 36 Zwakke schakels, sterke aanpak 42 Diepe ondergrond is de bouwsteen voor bovengrondse uitdagingen

46

RO-snippers

Agenda, recensies

é Marcel Bayer, hoofdredacteur

september 2010 2

ROM_09_2010.indd 2

9/3/2010 3:09:44 PM


Vlekkenkaart ruimtelijke ontwikkelingen: Omgevingsbeleid provincies. Ondiep ruimtegebruik, Zoals ondergronds bouwen en infrastructuur, WKO.

pag.

22

pag.

19

Potenties van de Ondergrond voor Opslag en Winningen: CO2-opslag, Afvalopslag, Opslag perslucht, Geothermie, winning olie en gas.

pag.

De bodemfuncties: 1. Informeren 2. Dragen 3. Reguleren 4. Produceren

42

Thema

De smaakmakers

Praktijk

Rekenen & tekenen

De ambitie om iets moois te maken

Diepe ondergrond is de bouwsteen voor bovengrondse uitdagingen

Als ontwerpers en planeconomen samenwerken in het planproces, dan levert dat ruimtelijk goede en financieel haalbare plannen op. Zeggen de pleitbezorgers van rekenen & tekenen. ‘In een weide is zo’n beetje elk plan wel rendabel te maken, maar grond wordt steeds schaarser. Dan moet je ontwerpers en rekenaars samen laten optrekken. Rekenaars moeten daarvoor vormentaal leren, tekenaars moeten zich realiseren dat elke streep die ze zetten geld kost’, zegt Peter van Haasteren van de gemeente Rotterdam. In het trendartikel aandacht voor opleidingen, praktijkvoorbeelden en de voordelen en valkuilen van het combineren van rekenen & tekenen.

Yttje Feddes is de tweede Rijksadviseur voor het Landschap. ‘Mijn taak is het geven van praktische adviezen over grote projecten die voorliggen, maar ook over beleidsontwikkelingen die inwerken op het landschap.’ De zorgen die Nederlanders zich maken over de verrommeling van het landschap zijn toegenomen, terwijl het aantal landschapsarchitecten bij LNV is afgenomen. Naarmate de overheid het idee van de maakbaarheid van Nederland heeft losgelaten, zijn ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland minder gestructureerd aangepakt. Maar we moeten niet in die verrommelingsdiscussie blijven hangen. Dat veroorzaakt een fatalisme waar niemand wat aan heeft. Als we weer de ambitie zouden hebben om iets moois te maken, dan kán dat ook.

De groeiende behoefte aan alternatieve energiebronnen en de steeds striktere doelen voor het behalen van emissiereducties maken het gebruik van de diepe ondergrond voor duurzame ontwikkelingen steeds aantrekkelijker. Ook zijn er veel mogelijke gebruiksfuncties in de diepe ondergrond. Maar dat betekent niet dat het gebruik ervan tegelijkertijd of op dezelfde plek kan plaatsvinden.

september 2010 3

ROM_09_2010.indd 3

9/3/2010 3:09:46 PM


RO

Verwarring en scepsis over duurzame vastgoedontwikkeling Duurzaam vastgoed heeft in Nederland nog een lange weg te gaan. Die conclusie drong zich op tijdens het Groene Lente Festival dat eind mei door NEPROM, BNA en VNG in Rotterdam werd georganiseerd. Waar buitenlandse ontwikkelaars en beleggers al volop in groene gebouwen investeren, overheerst in Nederland verwarring en ongeloof over nut en rendement.

Het waren niet de minsten die ’s ochtends de verzamelde Nederlandse vastgoedbedrijven probeerden te overtuigen van het belang van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Zowel hoogleraar Noreena

Hertz van de Duisenberg School of Finance, Erasmus Universiteit en University of Cambridge als het voormalig hoofd cityplanning van de stad Vancouver, Larry Beasley, drukte de congresdeelnemers op

het hart aan de slag te gaan met het vergroenen van hun sector. In een van de vele middagworkshops liet vastgoedhoogleraar Piet Eichholtz van de

Eerste echt duur z ame cong reslocatie; A luminium Centr um in Ho uten.

Foto: Metanet.nl

september 2010 4

ROM_09_2010.indd 4

9/3/2010 3:09:50 PM


RO

Rommers reageren

Groeisteden Universiteit Maastricht ook overtuigend zien dat groene gebouwen in de Verenigde Staten het afgelopen jaar – net als in 2007 – hogere huren en verkoopresultaten opleverden. In New York bleek in slechts twee jaar tijd het aantal duurzame vastgoed vierkante meters zelfs te zijn vervijfvoudigd. Toch konden Nederlandse ontwikkelaars en beleggers het nauwelijks geloven toen Eichholtz aangaf, dat een eigenaar 95 procent van elke dollar aan energiebesparing kon terugverdienen via hogere huren. Liep Nederland achter op de Verenigde Staten of was het onderzoek ondeugdelijk? Directeur Joost Bomhoff van de winkelbelegger Unibail-Rodamco hield de zaal nog voor, dat je in ieder geval kon beginnen met het terugdringen van de enorme energieverspilling in gebouwen. In de afgelopen drie jaar had zijn bedrijf zo al 30 procent op de kosten kunnen besparen. Maar daarmee verdween de scepsis over nut en rendement van groene investeringen niet. De verwarring werd nog groter toen Agentschap NL (opvolger van SenterNovem) aangaf dat het vergroenen van bestaande gebouwen niet altijd duurzamer is dan de nieuwbouw van energieneutrale kantoren. Alles hangt af van het specifieke gebouw. Op een andere bijeenkomst werd later duidelijk dat de herontwikkeling van bestaande (lege) gebouwen sowieso de eerste jaren niet van de grond zal komen. Volgens ontwikkelaars hebben belemmerende overheidsregels, weigerachtige banken en de slechte ligging van veel gebouwen van herbestemming een hoofdpijndossier gemaakt. é Jaco Boer

De problematiek in de zestiger- en zeventigerjarenwijken in de groeigemeenten wordt een van de belangrijkste opgaven voor stedelijke vernieuwing. De feitelijke ontwikkelingen laten zien dat langer talmen tot structurele problemen leidt, temeer daar ‘het regenererend vermogen van deze wijken’ bescheiden is. Het is onvermijdelijk dat wijkverbetering niet op korte termijn te realiseren valt. Een geconcentreerde aanpak over een lange reeks van jaren is noodzakelijk. Daar is een ‘stayersmentaliteit’ voor nodig, gebaseerd op een langetermijnvisie en -strategie en langdurig ‘commitment’ van alle betrokken partijen. Veel steden zijn in de tweede helft van de vorige eeuw fors gegroeid. Er is vaak sprake van een éénzijdig en éénvormig woningaanbod en ingrijpende veranderingen op het gebied van bevolkings- en inkomensontwikkeling. In sommige wijken met veel ééngezinswoningen groeit het aantal alleenstaanden, neemt het aantal gezinnen af en neemt de vergrijzing toe. Er ontstaan daar concentraties van lagere inkomens, werkloosheid en stapeling van schuldenlasten bij bewoners. Mede daardoor dreigt een overschot van kwalitatief verouderde ééngezinswoningen en onderhoudsachterstand, ook van de openbare ruimte. Deze deels sociaaleconomische ontwikkelingen zijn te typeren als waardedaling, verval en stijging van maatschappelijke kosten. Het zal duidelijk zijn dat zonder ingrijpen deze wijken verder zullen afzakken. Om de waarde van de woningen en woonomgeving hier te behouden zal dan ook geïnvesteerd moeten worden in onderwijsen sportvoorzieningen. Niet alleen de overheid, maar (vooral ook) corporaties, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties staan hier aan de lat.

moeten worden dat ze probleemwijken worden. Bestuurlijke erkenning van de noodzaak van preventie en preventieve maatregelen is een eerste stap. Preventie, uitgewerkt in maatschappelijke doelen en indicatoren, kan worden opgenomen in de verdeelsleutels van de middelenstromen van het Rijk naar gemeenten. Per wijk zal bezien moeten worden hoe beter aansluiting kan worden gevonden bij de belangen van bewoners. Ook de mismatch tussen vraag en aanbod van woningen zal daarin betrokken moeten zijn. Sociale, fysieke en beheersmaatregelen moeten slim gecombineerd en georganiseerd worden. Om dat alles te realiseren zijn gerichte investeringsprogramma’s nodig die leiden tot structurele oplossingen bij het veranderen en consolideren van de gehele stad. Daarvoor zal duidelijk moeten zijn wat de veranderopgave is en wat daarvoor de maatschappelijke mogelijkheden zijn. Een belangrijke voorwaarde is uiteraard een evenwichtige balans tussen de bestaande stad en de nieuwbouwlocaties. De aanpak van de jaren zestig- en jaren zeventig-wijken in de groeigemeenten vraagt om maatwerk. Er bestaan grote verschillen, zoals de fasering van de ontwikkeling van de stad en verschillen in de regionale woningmarkt. Om hierop adequaat in te kunnen spelen is een ommezwaai van generiek naar specifiek beleid noodzakelijk. Ook hier is het de uitdaging om samen met partners het regenererend vermogen van de wijk te versterken. Door een gecombineerde inzet de sociaal economische positie van de bewoners te versterken en het behoud en mogelijk waardestijging van de woningen en de woonomgeving te stimuleren kan dat bereikt worden. é Robbert Coops,

Voor wijken van groeikernen en-steden zal – nu het nog kan – vooral voorkomen

strategisch adviseur bij Schuttelaar & Partners (rcoops@schuttelaar.nl)

september 2010 5

ROM_09_2010.indd 5

9/3/2010 3:09:51 PM


RO

Overijssel werkt aan ruimtelijke kwaliteit Alle betrokkenen bij ruimtelijke opgaven in de provincie Overijssel krijgen de beschikking over verschillende hulpmiddelen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Ze hebben de beschikking over een gereedschapskist met twaalf nieuwe adviezen, een speciale ervensite en een inspiratieboek voor industrieel erfgoed. Het samenwerken aan de kwaliteit van de ruimte in Overijssel breidt zich steeds verder uit. Na de oprichting van AtelierOverijssel in 2006 – als onafhankelijke werkplaats waar uiteenlopende organisaties nauw samenwerken aan de ruimtelijke kwaliteit – en verankering van de provinciale ambities in de nieuwe Omgevingsvisie van de provincie (2009), zijn nu ook alle andere betrokkenen bij ruimtelijke opgaven aan zet. Van burgers en ontwerpers tot adviesbureaus en overheden. Tijdens het symposium ‘De kwaliteit van het resultaat’

in de Creatieve Fabriek in Hengelo presenteerde de Provincie Overijssel een speciale gereedschapskist met nieuwe adviezen, aanbevelingen en concrete tips, specifiek afgestemd op alle doelgroepen. Gerard Elferink, oud-wethouder van de gemeente Raalte gaat de werkplaats voor ruimtelijke kwaliteit de komende twee jaar leiden. Gedeputeerde Theo Rietkerk (Ruimte, Wonen en Milieu) onderstreepte in Hengelo het economisch belang van werken aan ruimtelijke kwaliteit. ‘Het is geen luxe, maar

maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor het vestigingsklimaat voor bedrijven, bewoners, en voor de toeristische mogelijkheden van een gebied. Het nadenken over en werken aan kwaliteit is voor iedereen. Iedereen kan het maken én verknallen.’ De adviezen gaan over thema’s als mobiliteit, stationsomgevingen, de vrijetijdseconomie, stadsrandzones en bijvoorbeeld de mogelijkheden voor het vormen van energielandschappen in Overijssel. De toolbox voor ruimtelijke

Uit ‘L evende Er ven 1’, een uitgave van AtelierO ver i jssel.

AtelierOverijssel

september 2010 6

ROM_09_2010.indd 6

9/3/2010 3:09:51 PM


RO

vormen samen ‘het DNA van het landelijk gebied’. Ze bepalen in belangrijke mate het aanzien van het landschap. Dit is een actueel onderwerp door de grote dynamiek op en rond erven. Hun aanzien, omvang, gebruik en betekenis veranderen in hoog tempo. De website biedt gebruikers de helpende hand om dit in goede banen te leiden. Daarnaast overhandigde gedeputeerde Dick Buursink het inspiratieboek ‘Voltooid verleden tijd, inspirerende voorbeelden van herbestemd industrieel erfgoed’, aan drie Overijsselse architecten. Projecten van hen zijn als voorbeeld in het boek opgenomen. Het inspiratieboek is in opdracht van de provincie samengesteld door Het Oversticht, partner van AtelierOverijssel.

kwaliteit is online beschikbaar op de nieuwe website Overijsselis.nl. Ook zijn tijdens het vaksymposium twee andere nieuwe instrumenten gepresen-

teerd. Gedeputeerde Rietkerk lanceerde een speciale ervenwebsite (Erveninoverijssel.nl) die agrariërs, burgers, overheden en ontwerpbureaus helpt bij veranderingen op erven. De duizenden erven in Overijssel

AtelierOverijssel is de werkplaats voor ruimtelijke kwaliteit van Het Architectuurcentrum Twente, de Dienst Landelijk Gebied, Kunst & Cultuur Overijssel, Landschap Overijssel, Het Oversticht, de Provincie Overijssel en de waterschappen. Voor meer informatie: www.atelieroverijssel.nl.

Rommers reageren

Krachtig Mijn complimenten voor de columns in ROmagazine die ik met genoegen lees: de spijker op de kop en goed geformuleerd.

nieuwe Structuurvisie, de bijbehorende Verordening en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

Goed om herontwikkeling van gebouwen en ruimte te koppelen aan ons aller ‘geluk’ dat zeker niet is gebaat bij kaalslag en mechanisch voortgaande uitleg.

Voor alle nieuwe ontwikkelingen in landelijk gebied is een ontheffing van Gedeputeerde Staten nodig.

Ik reageer hierbij op de column ‘Pannenkoek’ en de suggestie daarin voor krachtig rijksbeleid: ‘een nee-tenzij voor nieuwe uitleg van woningen, kantoren en bedrijven’. Dit principe is inmiddels in NoordHolland als beleid vastgesteld met onze

Gemeenten moeten eerst aantonen dat er geen binnenstedelijke ruimte is voor de betreffende ontwikkelingen. Nut en noodzaak van de nieuwe ontwikkeling moeten zijn aangetoond. Als er wat dat betreft ‘groen licht’ is, is voorts een advies van de onafhankelijke Adviesraad Ruimtelijke Ontwikkelingen (ARO) nodig, die GS

bij alle ontheffingsaanvragen adviseert op het punt van ruimtelijke kwaliteit. Toetsingskader voor deze ARO is de genoemde Leidraad. Met zulk krachtig provinciaal beleid is er verder geen krachtig rijksbeleid meer nodig, maar niet alle provincies willen zover gaan, omdat veel provincies nog kiezen voor zachtere instrumenten (die dan ook voorspelbaar zachtere resultaten zullen opleveren). é Ton van Laar,

provincie Noord-Holland, directie Beleid, sector Ruimtelijke Inrichting

september 2010 7

ROM_09_2010.indd 7

9/3/2010 3:09:51 PM


RO

/ Nieuws uit Brussel

Zuinig maakt slim De noodzaak om te bezuinigen op de rijksuitgaven is een kans om hervormingen te realiseren, die nodig zijn voor een duurzame samenleving en een internationaal concurrerende economie. Verduurzaming van de samenleving kan heel goed samen gaan met bezuinigen. Dit stellen de Raad voor het Landelijk Gebied, de Raad voor Verkeer en Waterstaat en de VROM-raad in hun gezamenlijk advies ‘Maak ruimte voor vernieuwing, investeren en besparen in het fysieke domein’. In het fysieke domein als geheel valt veel te besparen, stellen de raden. Ontkokeren van nationaal beleid leidt tot efficiencywinst in de rijksbegroting en tot een betere en snellere regionale uitvoering van beleid. De raden bevelen aan om sterk in te zetten op integraal werken via de Wet ruimtelijke ordening en ruimte te geven aan besturen op regionaal niveau. Bij aanleg en onderhoud van infrastructuur zijn, door doelmatiger te werken en door de infrastructuur over een reeks van jaren te financieren, op korte termijn forse besparingen op de rijksbegroting te halen. De raden bevelen aan om beprijzing van het autogebruik in kleine stappen in te voeren en gebruik te maken van al functionerende ict-systemen. Zonder beprijzing is veel extra geld nodig om

dezelfde bereikbaarheid te kunnen garanderen. De betekenis van natuur voor een duurzame samenleving en voor het in stand houden van biodiversiteit maakt het noodzakelijk om in te zetten op het voltooien van de Ecologische Hoofdstructuur. Doorslaggevend daarvoor is het aanboren van private financieringsmogelijkheden en verbinding met andere beleidsdoelen. Overschakelen naar energiegebruik uit hernieuwbare bronnen is onvermijdelijk, dus moet de transitie naar een energiehuishouding gebaseerd op hernieuwbare bronnen in 2050 zijn afgerond. De raden bevelen aan om publieke middelen vooral in te zetten voor de ontwikkeling van innovatieve technieken en om te kiezen voor beprijzen en te normeren in plaats van subsidiëren.

Regio’s bezorgd over subsidariteitsbeginsel Het recente voorstel van de Europese Commissie om sancties op te leggen aan landen die zich niet aan de EU-begrotingsregels houden kan in strijd zijn met het subsidariteitsbeginsel. Die waarschuwing uitte de voorzitster van het Comité van de Regio’s, Mercedes Bresso, half juli in Madrid. Een van de maatregelen die de commissie voorstelt is dat de subsidies uit EU-fondsen zoals bijvoorbeeld het Cohesiefond of het Europees Sociaal Fonds kan worden stopgezet voor landen die hun begrotingstekort te hoog laten oplopen. Landen zouden dan geen aanspraak meer kunnen maken op geld uit bijvoorbeeld het Europees Sociaal Fonds of het Cohesiefonds.

Mercedes deed een oproep aan alle nationale en regionale overheden om samen het subsidariteitsbeginsel te verdedigen, zo nodig zelfs via de rechter. Ze voegde eraan toe dat dat niet betekent dat er nu meteen naar de rechter gestapt zal worden. Een rechtsgang zal slechts als laatste redmiddel gebruikt worden. Het subsidariteitsbeginsel gaat over de taakverdeling tussen de EU, nationale en regionale overheden. Het principe is dat hogere instanties geen besluiten of maatregelen moeten nemen die beter op een lager niveau kunnen worden genomen. é Boris Peters

Regels structuurfondsen vereenvoudigd Sinds eind juni zijn de regels om geld uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds te krijgen vereenvoudigd. Zo kunnen kleinschaligere milieuprojecten voortaan door de EU-lidstaten worden goedgekeurd, zonder dat er nog toestemming van de Europese Commissie nodig is. Daardoor kunnen ze sneller van start gaan. Verder wordt de procedure om programma’s te herzien eenvoudiger, zodat ze sneller aangepast kunnen worden aan nieuwe uitdagingen. Grote projecten kunnen voortaan door meer dan een programma worden gefinancierd. De bouw van een stuk autoweg kan voortaan bijvoorbeeld door verschillende regionale programma’s worden meegefinancierd. Onder de oude regels was dat niet mogelijk.

september 2010 8

ROM_09_2010.indd 8

9/3/2010 3:09:52 PM


Het Hiernogmaals Voorbij

Blauwkapel

en Cohesiefonds Ook krijgen landen een langere periode om in 2007 toegewezen gelden uit te geven. Geld dat eind 2009 niet was uitgegeven had eigenlijk teruggestort moeten worden. Door deze verlenging kan Nederland 4 miljoen euro die anders teruggestort had moeten worden alsnog gebruiken. Voor heel de EU-gaat het om 220 miljoen euro. De maatregelen moeten volgens EU-commissaris Johannes Hahn (Regionaal Beleid) ‘de liquiditeitsproblemen helpen indijken en de bureaucratie verminderen om de toegang tot de fondsen te verminderen. Als projecten in het veld sneller kunnen worden uitgevoerd, dan biedt dat de nationale en regionale economieën in deze tijden van crisis een helpende hand’. é Boris Peters

Het verhaal is bekend. Nederland heeft zijn rijkdom te danken aan de strategische ligging aan de Noordzee. Vier rivieren stromen er in uit en scheepvaart was dominant voor transport van goederen. Omdat elk voordeel zijn nadeel heeft, hebben we waterschappen opgericht. Vanaf de middeleeuwen zorgen die voor droge voeten en pas sinds kort ook voor waterkwaliteit. In 1798 is Rijkswaterstaat in het leven geroepen om definitief een einde te maken aan overstromingen, die veel slachtoffers en kosten maakten. Later werden provincies verantwoordelijk voor grondwater, gemeenten voor riolering en waterleidingbedrijven voor drinkwater. De organisatie van ons waterbeheer is nimmer ontworpen maar is ons overkomen. Vriend en vijand zijn het er over eens dat de organisatie efficiënter kan. De discussie gaat over de hoogte van de mogelijke besparing op de zes miljard die er in Nederland jaarlijks in omgaat. Onmiddellijk daar achteraan volgt de vraag wie wat moet doen om tot de besparing te komen. Sinds de nota ‘Omgaan met water’ uit 1985 zijn hierover duizenden rapporten geschreven en congressen gehouden. De belastingbetaler heeft miljarden betaald voor tot niets verplichtende inspanningen van bestuurders, ambtenaren en adviseurs. Alleen al de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water heeft meer dan een half miljard euro gekost, zonder dat de verplicht betalende burger er ook maar iets van terug ziet. Congressen die ‘gratis’ zijn en op werkdagen worden gehouden trekken niet zelden duizend deelnemers uit het hele land. Als een bedevaart naar een blauwkapel. Steevast met als resultaat dat ‘we’ geweldig bezig zijn en het estafettestokje moeten doorgeven. Maar welk stokje? En wie anders verkeert in de luxe al vijfentwintig jaar betaald te mogen borrelen over eigen belangen? Parallel aan deze klucht neemt het belang van goed waterbeheer over de hele wereld toe. Mogelijk als gevolg van klimaatverandering nemen tekorten en overschotten toe. Wekelijks sterven

meer dan 40.000 mensen aan ziekten door verontreinigd drinkwater. Nederland beschikt op wereldschaal over een kwart van de watertechnologische kennis. De wereldwatermarkt bedraagt ruim 800 miljard per jaar. De jaarlijkse groei is tien procent. Toch daalt ons relatieve aandeel al vele jaren op rij. Verklaringen hiervoor zijn de versnipperde organisatie, adviesbureaus die nog steeds eerder soleren dan krachten bundelen en fors achterblijvende innovatie. Waar marktpartijen en kennisinstellingen een voortrekkersrol zouden moeten hebben, zijn het de waterschappen die voor hun eigen praktijk iets aan innovatie doen. In bestuurlijke zin zijn we toe aan een klimaatverandering van formaat. In fysieke zin is een programma als Ruimte voor de Rivier vooralsnog een witte raaf. In dat kader wordt rivierverruiming echt gerealiseerd in goed overleg met bewoners en gebruikers. Dat Nederland een delta is en in beginsel alles in huis heeft om de wereld te laten zien dat we ook in tijden van klimaatverandering prima met water kunnen leven, staat als een huis. Dat we het mondjesmaat en dan waarschijnlijk tegen te hoge kosten doen, komt voort uit gevestigde belangen. Elke partij predikt integrale oplossingen maar wel vanuit zijn eigen perspectief. Dit leidt tot standpunten over kubieke meters piekberging en waterberging, centimeters doorzicht van oppervlaktewater, prijsvragen met boven de realiteit zwevende oplossingen in de sfeer van nijlpaarden en zeekoeien, discussies over opbrengsten van makelaarswater et cetera. Het wordt hoog tijd voor mentale dijkdoorbraken. We kunnen ons in moreel en economisch opzicht de vrijblijvendheid van de afgelopen kwarteeuw niet langer permitteren. é Peter van Rooy

petervanrooy@accanto.nl

september 2010 9

ROM_09_2010.indd 9

9/3/2010 3:09:53 PM


Ruimtelijk bekeken

De meerwaarde van ‘communityplanning’ boven traditionele inspraak

Bewoner tekent mee aan nieuwe Molenbuurt In Wormer mochten bewoners tijdens een tweedaags ontwerpfestival meedenken over de vernieuwing van hun wijk. Binnen een week lag er een stedenbouwkundige schets op tafel, waar alle partijen enthousiast over waren. ‘Communityplanning’ bleek opnieuw een goede methode om mensen nauwer te betrekken bij sloop of nieuwbouw in hun buurt.

E

en wijkje waar jonge gezinnen en ouderen in betaalbare woningen gezellig met elkaar samenleven. Waar kinderen zich op brede stoepen en in schooltuintjes kunnen uitleven en gierzwaluwen voldoende nestplekjes vinden. Ook een duurzame buurt met led-lantaarns en zonnepanelen op de daken. Delen van gesloopte huizen zouden er opnieuw moeten worden gebruikt, terwijl straatnamen kunnen verwijzen naar de geschiedenis van de plaatselijke papier- en cacaofabriek. De brede school zou er na de sloop van de kerk moeten uitgroeien tot het nieuwe hart van de buurt. Ruim honderd bewoners van de Molenbuurt en omliggende wijken waren het na twee dagen van wandelen, tekenen en discussiëren in grote lijnen met elkaar eens over de nieuwe opzet van dit deel van Wormer. Op het ontwerpfestival in

Communityplanning: iedereen heeft verstand van wonen het dorpstheater hadden ze onder leiding van onafhankelijke begeleiders met elkaar nagedacht over de nieuwe wijk, die ontstaat na de sloop en nieuwbouw van de zestig jaar oude woningen. Een jaar daarvoor waren de buurt en de woningcorporatie Wormerwonen, die er bijna alle huizen bezit, samen tot de conclusie gekomen dat er flink moest worden ingegrepen om de wijk ook in de toekomst aantrekkelijk te houden. De huurders hadden daarbij aangegeven dat ze bij het ontwerp van de nieuwe woningen en straten betrokken wilden worden. De corporatie vond dat een goed idee. De gesprekken waren tot dan toe immers plezierig verlopen. En Wormerwonen vond het belangrijk dat er zo veel mogelijk draagvlak zou ontstaan voor de nieuwe buurt.

Alternatief voor inspraak Op dat moment werd Clara Overes bij het project betrokken. Met haar bedrijf IS Maatwerk had ze in andere gemeenten al met veel succes bewoners laten meedenken over nieuwbouwprojecten via de methode van ‘communityplanning’. In 2001 had ze in Engeland voor het eerst kennisgemaakt met deze bijzondere vorm van bewonersparticipatie. ‘Ik was zo enthousiast over de resultaten, dat ik besloot het concept in Nederland te introduceren.’ Vijf jaar later werd het in Meppel met een volledig Engels team voor het eerst in de praktijk uitgeprobeerd. Al snel volgden andere steden en dorpen als Geleen, Renkum en Zwolle. Overal raakten bestuurders en bewoners enthousiast over de resultaten van deze alternatieve vorm van bewonersinspraak. De grondgedachte achter ‘communityplanning’ is dat iedereen verstand heeft van wonen. Mensen die elke dag in hun wijk rondlopen, hebben volgens Overes vaak heel creatieve ideeën voor het aanpakken van hun buurt. ‘Ze kennen de sterke en zwakke kanten als geen ander.’ Anders dan bij traditionele inspraakvormen mogen van Overes ook zo veel mogelijk mensen over de vernieuwing meedenken. ‘Voor bestuurders is dat vaak even wennen. Ze praten liever met een klein groepje bewoners. Maar dat levert veel minder op.’ Communityplanning heeft nog een ander voordeel boven de traditionele inspraak. Tijdens de gesprekken over de wijk leren bewoners andere buurtgenoten beter kennen. Dat levert soms mooie voorbeelden van eigen initiatief op, verklaart Overes. ‘In Renkum besloten enkele bewoners om regelmatig samen een buurtschouw te organiseren. Bovendien ging het imago van de wijk er bij omwonenden flink op vooruit.’

september 2010 10

ROM_09_2010.indd 10

9/3/2010 3:09:54 PM


Vaste opbouw De methode van ‘communityplanning’ kent een vaste opbouw. Zo bepaalt de opdrachtgever eerst de kaders waarbinnen bewoners over de nieuwe wijk mogen discussiëren. In mini workshops worden deze met andere partijen als architecten en gemeenteambtenaren besproken. Vervolgens praten bewoners onder leiding van Overes op een tweedaags ontwerpfestival in kleine groepjes over hun wensen en dromen. Tijdens wandelingen door de wijk zoeken ze naar aanknopingspunten voor de nieuwe wijk. En aan het einde worden alle resultaten van de deelsessies uitvoerig met elkaar besproken. IS Maatwerk toetst de bewonerswensen met de opdrachtgever vervolgens op financiële haalbaarheid en vertaalt deze naar een stedenbouwkundige schets. Precies vijf dagen later wordt deze op dezelfde plek aan alle partijen gepresenteerd en kunnen de schetsen door de opdrachtgever worden uitgewerkt tot een definitief stedenbouwkundig plan. Overes stelt aan de opdrachtgever wel een aantal voorwaarden om de ‘communityplanning’ op een goede manier te laten verlopen. Zo moeten er van tevoren heldere afspraken worden gemaakt over de uitgangspunten van de nieuwe wijk. ‘Dan weten bewoners waarover ze wel en niet kunnen discussiëren.’ Het succes van de methode staat of valt ook met de inschakeling van een onafhankelijk begeleidingsteam. ‘Alleen als de opdrachtgever het proces uit handen geeft, blijft de discussie zuiver en krijg je goede resultaten.’ In de zes plaatsen waar Overes communityplanning tot nu toe heeft ingezet, is dat uiteindelijk ook gelukt.

Ouderen en gezinnen Terug naar de Molenbuurt in Wormer. Overes is erg te spreken over de ideeën die de bewoners op het ontwerpfestival leverden. ‘Er zaten echt pareltjes tussen.’ Dat er relatief veel ouderen op de bijeenkomst af kwamen en hun wensen daardoor de boventoon voerden, vindt Overes geen bezwaar. ‘Zolang je maar in de gaten houdt dat ook de ideeën van andere groepen in de wijk een plek krijgen.’ Ze heeft wel geprobeerd om meer jonge gezinnen naar het evenement te trekken. Op de

lokale weekmarkt werden mensen doelbewust aangesproken en op de tweede dag streek het ontwerpfestival neer in de buurtschool om ouders beter te kunnen bereiken. ‘Gelukkig begrepen veel senioren heel goed, dat gezinnen soms iets anders willen dan zijzelf. Daar hielden ze ook rekening mee.’

Wor me r : m e e d e n k e n over wijkvernieuwing

Theo Krijnen, directeur van Wormerwonen, kijkt ook met voldoening terug op het ontwerpfestival. ‘Van tevoren was ik toch een beetje bang dat er onuitvoerbare ideeën uit zouden rollen. Maar de meeste mensen waren heel realistisch. Gevoelsmatig kost deze aanpak wel veel tijd. Vooral de aanloop duurt lang, maar je krijgt er veel draagvlak voor terug. Ik zou het een volgende keer daarom zo weer doen.’

Tevreden bewoners Op de corporatie rust wel de verantwoordelijkheid om na het sprankelende ontwerpfestival de vaart erin te houden. Deze zomer wil Krijnen dan ook het stedenbouwkundig plan afronden, zodat de gemeenteraad tegen het einde van het jaar knopen kan doorhakken. Dick Wijnands, die als voorzitter van de lokale huurdersvereniging nauw is betrokken bij de vernieuwing van de Molenbuurt, heeft niet het idee dat mensen ongeduldig beginnen

De methode van ‘communityplanning’ kent een vaste opbouw te worden. ‘We worden door de corporatie ook goed op de hoogte gehouden van de voortgang van de plannen. Binnenkort hebben we weer een bewonersavond waarop we worden bijgepraat.’ Ook hem is de communityplanning goed bevallen. ‘Vanaf het begin zijn we bij de plannen betrokken geweest. Over heel veel zaken mochten we meepraten. Zelfs over de randvoorwaarden waarbinnen bewoners over de nieuwe wijk mochten discussiëren. Sommigen kwamen tijdens het ontwerpfestival met een argwanende blik naar binnen, maar waren aan het einde van de dag bijna niet meer weg te slaan.’ é Jaco Boer

september 2010 11

ROM_09_2010.indd 11

9/3/2010 3:09:54 PM


Ruimtelijk bekeken

Proeftuin Noord-Nederland

Provincies sterker door bundelen ruimtelijke taken De provincies vrezen de verwachte bestuurlijke herindeling door een nieuw kabinet. In verkiezingsprogramma’s en adviezen werd hun bestaansrecht in de huidige vorm betwijfeld. De provincies trekken het initiatief weer naar zich toe. Groningen, Friesland en Drenthe willen ruimtelijke taken bundelen met die van het Rijk en waterschappen.

H

et middenbestuur lag de afgelopen maanden flink onder vuur. De werkgroep-Kalden, een van de twintig ambtelijke werkgroepen die samen 30 miljard euro aan bezuinigingen moesten vinden en verantwoordelijk voor besparingen op het openbaar bestuur, schetste twee scenario’s: hef alle provincies op en creëer 25 regiogemeenten of maak vijf tot acht grote provincies boven een hondertal

Een Dienst Landelijk Gebied kan de EHS beter realiseren bij meer decentrale vrijheid

Voorstel Samengevat behelst het voorstel de integratie van de watertaken van provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat, decentralisatie van de N-wegen, overname van de Dienst Landelijk Gebied en decentralisatie van het ILG-beleid (Investeringsbudget Landelijk Gebied). Inmiddels heeft een eerste overleg tussen de drie commissarissen der Koningin en de ambtelijke top van Binnenlandse Zaken plaatsgevonden. De noordelijke bestuurders vonden gehoor in de hofstad, zegt de Groningse commissaris Max van den Berg. Al houdt de onzekerheid van de verwachte bestuurlijke herindeling de

gemeenten. De Raad voor het Openbaar Bestuur stelde in haar advies ‘Het einde van het blauwdrukdenken’ dat de provincies knel zitten tussen een decentraliserend Rijk en opschalende gemeenten en dat één nieuwe decentrale bestuurslaag op termijn onvermijdelijk is. De politiek nam het provinciebashen dankbaar over in de verkiezingsprogramma’s. Groningen, Friesland en Drenthe deden een opbouwende tegenzet. Dit voorjaar stelden zij in een brief aan staatssecretaris Bijleveld voor van de drie noordelijke provincies een proeftuin te maken voor de overdracht van rijkstaken in die sectoren die sinds het bestuursakkoord tussen Rijk en provincies als kerntaken gelden voor de provincies: ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, mobiliteit en infrastructuur. Op regionaal economisch gebied werken de drie provincies al samen met Den Haag en Brussel in het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).

september 2010 12

ROM_09_2010.indd 12

9/3/2010 3:10:06 PM


partijen nog in een houdgreep. ‘Vanzelfsprekend was er het nodige voorbehoud, gegeven de demissionaire status van het kabinet, maar het idee werd positief ontvangen. Binnenlandse Zaken denkt in eenzelfde richting. Natuurlijk zijn de andere ministeries, en ook Rijkswaterstaat, nog niet bij de discussie betrokken. Zij hebben in de komende formatie alle speelruimte nodig voor het eigen institutionele lijfsbehoud. Hetzelfde geldt voor de waterschappen waar provincies en gemeenten al een bod op hebben gedaan en die vechten voor hun voortbestaan. Maar al die organisaties zitten in het veld en hun mensen werken met plezier samen met onze mensen. Integratie is dan ook geen onlogische stap. Wij hebben in onze brief de meest verregaande vorm, de overdracht van organisaties, voorgesteld, maar het is natuurlijk ook mogelijk ze voorlopig zelfstandig te laten blijven. Bij Binnenlandse Zaken zien ze in het voorstel een mogelijkheid voor een nieuw kabinet om snel met een stuk bestuurlijke vernieuwing te beginnen. Er komt op korte termijn een Haagse delegatie naar het noorden en ik hoop dat we in het najaar de eerste stappen kunnen zetten.’

Besparing Met de integratie van rijks- en waterschapstaken in de provinciale kerntaken zouden tientallen miljoenen te besparen zijn op het gebied van beheer, uitvoering van taken, inkoop en aanbesteding en aansturing. Bovendien zou het de wind uit de zeilen halen van herindelers die het mes in de provincies willen zetten. De bestuurders denken echter ook meer ‘slagkracht’ te creëren en beter invulling te kunnen geven aan de regierol in het landelijk gebied, aldus Van den Berg. ‘Door sectorale opdeling is de mate waarin bij de aanleg van een weg of bij stedenbouw rekening wordt gehouden

met de gevolgen voor ruimte, natuur en milieu vooral theoretisch. Omdat die mensen straks in één ruimtelijk gebied bij elkaar zitten, kun je ruimte, natuur en milieu veel beter op elkaar afstemmen. Als het bijvoorbeeld gaat om de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur dan denk ik dat een Dienst Landelijk Gebied ook beter functioneert bij meer decentrale vrijheid.’ In de brief werd nog gesproken van de uiteindelijke vorming van een landsdelige blauwe en groene dienst. Hoe en op welke termijn de taken bestuurlijk geïntegreerd kunnen worden, is volgens Van den Berg van ondergeschikt belang; hij wil vooral beginnen. ‘Ik heb geleerd dat steggelen over de structuur heel lang kan duren. Wij willen bijvoorbeeld de N-wegen overnemen, maar het moet niet zo zijn dat geplande aanleg of onderhoud blijft liggen omdat de discussie over het eigenaarschap drie jaar duurt. We moeten het proces in gang zetten, prioriteiten stellen, bewegen, en dan zullen de voordelen blijken. Laten we beginnen met intensief samenwerken. Het gaat niet over opheffen maar om integratie en eenvoudiger aansturen. Pas als iedereen het daarover eens is, kun je overgaan naar één gezamenlijke dienst voor bijvoorbeeld water die dan wordt aangestuurd door de provincies. Er komt geen nieuwe bestuurslaag, de Provinciale Staten zijn politiek verantwoordelijk. De vestiging van de diensten kan dan over de drie provincies worden verdeeld.’

L OFA R- p ro j e c t , g e s u b s i d i e e rd d o o r S N N

Foto: www.lofar.org

é Peter Lievense

september 2010 13

ROM_09_2010.indd 13

9/3/2010 3:10:07 PM


Ruimtelijk bekeken

Structuurvisies nog niet in de geest nieuwe Wro De nieuwe Wro heeft nog niet tot een trendbreuk in structuurvisies geleid. Wel zijn de inzichten over rollen en verantwoordelijkheden van partijen bij ruimtelijke ontwikkelingen de afgelopen twee jaar sterk veranderd. De beoogde uitvoeringsgerichtheid vertaalt zich niet in een andersoortig en ontwikkelingsgericht kader. Bovendien blijkt uit analyse van ruim honderd vastgestelde (ontwerp)structuurvisies dat gemeenten terughoudend zijn met de koppeling van ruimtelijk aan grondbeleid.

D

e taak om een structuurvisie vast te stellen is na 1 juli 2008 geleidelijk door gemeenten opgepakt. Er resteert nog een behoorlijke opgave. De verschillende mogelijkheden en eisen lijken niet allemaal duidelijk: zo wordt er erg verschillend omgegaan met de instrumenten voor het grondbeleid. Ook is er in structuurvisies nog weinig aandacht voor de plan-m.e.r.-procedure en de natuurtoets. De digitale raadpleegbaarheid van de structuurvisie kan beter. In bijna alle gevallen is de structuurvisie op de site van de gemeente beschikbaar. Bij minder dan een kwart is de structuurvisie ook op ruimtelijkeplannen.nl te zien. De structuurvisies worden nog vooral als document gemaakt en nauwelijks voor een webomgeving.

Detailniveau De structuurvisie geeft volgens de Wro de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling aan. De wet gaat niet in op het gewenste detailniveau. Ook uit nadere regelgeving is weinig af te leiden. De vastgestelde structuurvisies laten een grote variatie aan beschrijvingen en aanduidingen zien. Zo komen algemene uitspraken voor als: ‘de unieke ligging van de gemeente moet verder versterkt worden door de verbindingen

naar omliggende kwaliteiten te verbeteren.’ Ook opmerkingen over de uitvoering scheppen niet altijd duidelijkheid: ‘Duurzaamheid en samenwerking spelen een belangrijke rol bij de beleidsuitvoering.’ In andere structuurvisies wordt wel vrij gedetailleerd de voorgenomen ontwikkeling beschreven, bijvoorbeeld: ‘In deze kern is een ontwikkeling met zo’n twintig woningen voorzien, waarvan tot 2016 elf woningen gebouwd kunnen worden.’ Of: ‘de locatie x, tegenover winkelcentrum y, zal worden herontwikkeld voor de realisatie van circa 170 appartementen, parkeervoorzieningen en overige aan woningbouw gerelateerde doeleinden.’ De aanduidingen op de plankaart zijn ook divers. In de meeste gevallen is er een plankaart met vooral globale aanduidingen, zoals sterren en pijlen. In de overige gevallen wordt vaker gekozen voor meer gedetailleerde aanduidingen waarin zelfs kavels begrensd zijn.

Bovenplans De Wro legt een relatie tussen enkele instrumenten voor het grondbeleid en de structuurvisie. Zo kan een fondsbijdrage worden gevraagd voor bovenplanse kosten. Voor deze

september 2010 14

ROM_09_2010.indd 14

9/3/2010 3:10:08 PM


locaties moet een structuurvisie zijn vastgesteld die aangeeft welke bestedingen ten laste komen van het fonds (artikel 6.13, lid 7). Toepassing kan bestaan in het financieel verevenen tussen locaties. De opbrengst van de plus-locatie kan worden gebruikt voor de ontwikkeling op de min-locatie. Een ander instrument betreft de bijdrage aan een ruimtelijke ontwikkeling op basis van een vastgestelde structuurvisie (artikel 6.24). De structuurvisies gaan zeer wisselend om met deze instrumenten. Ongeveer een derde van de structuurvisies gaat niet op het grondbeleid in. Dit betekent dat hiermee impliciet of expliciet geen gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheden. Dit kan zijn geformuleerd als: ‘In dit stadium kunnen nog geen concrete projecten worden aangewezen waar een bijdrage aan ruimtelijke ontwikkeling en/of verevening aan de orde is.’ Van de overige structuurvisies geeft ongeveer de helft aan dat de structuurvisie geen basis biedt voor deze instrumenten. Het grondbeleid wordt in deze gevallen waarschijnlijk op andere wijze geregeld.

Vraagtekens Er bestaat nogal wat onduidelijkheid over de strekking van de instrumenten en de manier waarop ze kunnen worden gebruikt. Dit leidt tot een verscheidenheid aan regelingen en vraagtekens bij de concrete invulling ervan. De gemeentes die aangeven de instrumenten te gebruiken doen dit in algemene termen, zoals: ‘De functie van een structuurvisie bij kostenverhaal is nog omgeven met veel vragen en onduidelijkheden. In hoeverre de mogelijkheden feitelijk worden toegepast, wordt nog nader onderzocht. De Structuurvisie geeft wel de basis om alle vormen van kostenverhaal te benutten.’ Vaak geeft een structuurvisie een opsomming van specifieke ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor gemeenten een bijdrage wensen te ontvangen, dan wel projecten die gezien hun samenhang in aanmerking komen voor verevening (al dan niet met aanwijzingen over eventuele fondsvorming). Een voorbeeld is opgenomen in tabel 1. Ook verwijzen structuurvisies regelmatig naar een later op te stellen uitvoeringsprogramma.

In een uitzonderlijk geval noemt de visie ook de bedragen of de verdeelsleutel. Plan-MER Het is mogelijk dat voor een structuurvisie de procedure van plan-MER moet worden gevolgd. Ook een passende beoordeling in het kader van Natura 2000 kan wettelijk verplicht

De structuurvisies worden nog nauwelijks voor een webomgeving gemaakt zijn. Veel structuurvisies gaan hier niet op in. In verreweg de meeste structuurvisies is geen beschrijving opgenomen waarom een plan-MER of passende beoordeling al dan niet nodig is. Slechts voor een klein deel van de structuurvisies is daadwerkelijk een plan-MER opgesteld. Een voorbeeld waarin de afweging wel wordt gemaakt, is: ‘In de voorliggende structuurvisie worden geen besluiten genomen èè

Tabel 1 Investeringen dragen bij aan:

Ruimtelijke ontwikkelingen

- De belevingskwaliteit van de woonomgeving (uitzicht, groen, water en de inrichting - Ontwikkeling multifunctionele accommodatie. van de openbare ruimte). - Ontwikkeling kanaalzone. - De functionele kwaliteiten van de woonomgeving (parkeren, sporten, spelen, wandelen, bereikbaarheid en basisvoorzieningen). - De sociale kwaliteiten van de woonomgeving (sociale veiligheid, buurtcontact en het verminderen van overlast). - De bereikbaarheid van woningen, voorzieningen en bedrijvigheid voor inwoners, ondernemers en toeristen. - Het imago, de uitstraling en de aantrekkelijkheid als recreatiegemeente, waardoor toeristen worden verleid om langer te verblijven en bestedingen te verrichten.

september 2010 15

ROM_09_2010.indd 15

9/3/2010 3:10:09 PM


Ruimtelijk bekeken

Tabel 2 Voorbeeld verdeelsleutel toerekening van de kosten van bovenwijkse voorzieningen Verkeersmaatregel

Baathebbende ontwikkeling

% toe te rekenen verkeer

% toe te rekenen algemene middelen

Wegvak 1

• Woonuitbreiding A • Woonuitbreiding B • Woonuitbreiding C

• 50% • 25% • 25%

25%

Verkeersmaatregelen weg

• Woonuitbreiding D • Economische ontwikkeling Z • Recreatief bedrijf Y

• 60% • 30% • 10%

25%

Rotonde

• Woonuitbreiding D • Economische ontwikkeling Z • Recreatief bedrijf Y

• 25% • 25% • 50%

25%

Middengeleider

• • • • •

• • • • •

10%

Recreatief bedrijf Y Grootschalige recreatie X Economische ontwikkeling S Woonuitbreiding A Woonuitbreiding B

over (locaties van) m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Er worden wel m.e.r.-plichtige activiteiten genoemd in deze structuurvisie, maar de locaties zijn al aangewezen (...) of worden nog aangewezen (...) en/of er is al een m.e.r.-procedure gestart.’ Planhorizon Ruim honderd gemeenten hebben een gemeentebrede (ontwerp)structuurvisie vastgesteld na 1 juli 2008. Dat betekent dat ruim driehonderd gemeenten nog een structuurvisie moeten vaststellen. De meeste structuurvisies, ruim een derde, hebben 2020 als planhorizon. Veel gemeenten, ruim twintig procent, kiezen voor een langere planhorizon, waarbij de ontwikkelingsrichting voor 2030 wordt gegeven. Er zijn ook gemeenten die geen planhorizon aangeven.

10% 40% 20% 15% 15%

Gelet op de huidige onzekere situatie voor wonen en werken is dit wellicht begrijpelijk. Vanuit de uitvoeringsgerichtheid van de Wro lijkt een streefbeeld gewenst, dat ook ingaat op de termijn en fasering van (samenhangende) ontwikkelingen. Kwaliteit Het begrip ruimtelijke ontwikkeling kan in de bijstelling van de Wro in bredere zin worden uitgelegd. Dat maakt de weg vrij voor structuurvisies die ingaan op de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Structuurvisies gaan in op het sociaal maatschappelijk functioneren van wijken, maar ook op ‘plekken voor ontmoeting’. Sommige structuurvisies doen zelfs uitspraken op aanpalende beleidsvelden als onderwijs, zorg, cultuur en sport. Zo zijn in verschillende visies uitspraken opgenomen over: ‘Het actief zijn van zo veel mogelijk inwoners op het gebied van sport, cultuur en recreatie’. Ook komen uitspraken voor over: ‘Het realiseren van een ononderbroken leer- en ontwikkelingslijn voor jongeren’. Deze uitspraken geven richting aan beleid, maar hebben niet per definitie ruimtelijke consequenties. Meerdere structuurvisies Gemeenten kunnen overigens ook kiezen voor het vaststellen van meerdere structuurvisies: een aparte structuurvisie voor het buitengebied en een visie op de verschillende kernen. In enkele gevallen kiezen gemeenten ervoor om een recent structuurplan (van vóór 1 juli 2008) opnieuw vast te stellen, met eventueel enkele wijzigingen. Hoewel dit slechts sporadisch voorkomt, kan dit wel zorgen voor een vloeiende doorloop van het ruimtelijke beleid en een efficiënte inzet van capaciteit. De eerste visies die vlak na invoering van de Wro zijn vastgesteld, vallen bijna allemaal in deze categorie. é Ivo Liefferink

Arjan Brink (Arjan.Brink@arcadis.nl) ARCADIS

september 2010 16

ROM_09_2010.indd 16

9/3/2010 3:10:09 PM


Hoor & Wederhoor

Centralisering vastgoedbeleid impuls voor ruimtelijke ordening Gemeenten moeten koersen naar professionalisering en centralisatie van de vastgoedstrategie en het vastgoedbeheer vanuit een overkoepelende gemeentelijke visie op grond en vastgoed. Zo’n strategie zal de gemeenten gezamenlijk een financieel voordeel van acht miljard euro opleveren. Bovendien kan de ruimtelijke ordening op lokaal niveau daarmee een belangrijke impuls krijgen.

A

ls een nieuw kabinet forse bezuinigingen gaat doorvoeren, zullen veel gemeenten hun inspanningen voor ruimtelijke ordening op een laag pitje draaien. Dat is nu reeds zichtbaar in de gemeente Amsterdam, waar het merendeel van de bouwprojecten is bevroren. Er is echter een betere manier voor gemeenten om de dreigende financiële tekorten het hoofd te bieden. Het opzetten en doorvoeren van een integraal grond- en vastgoedbeleid met een centrale en professionele aansturing, levert miljoenen euro’s op en geeft een kwaliteitsimpuls aan de ruimtelijke ordening. Vooral de bedrijfsmatige aanpak van maatschappelijk vastgoed is broodnodig voor het realiseren van de maatschappelijke doelen binnen de steeds geringere financiële ruimte.

Verspilling Veel gemeenten moeten de slag nog maken. Dit blijkt elke keer weer als het gemeentelijke grond- en vastgoedbeleid wordt doorgelicht door rekenkamercommissies of accountants. Onlangs constateerde bijvoorbeeld de rekenkamercommissie van Veenendaal dat het gemeentelijke vastgoedmanagement te wensen overlaat. Het inzicht in inkomsten en uitgaven is beperkt en er is geen informatie over uitbesteden van vastgoedtaken. De gemeente Boarnsterhim raakte vorig jaar zelfs in financiële problemen door het vastgoedbeleid, vooral door de bouw van een nieuwe school. Miljoenen euro’s waren besteed aan externe bureaus, zonder dat er èè zelfs maar een steen was gelegd.

èè

september 2010 17

ROM_09_2010.indd 17

9/3/2010 3:10:09 PM


Hoor & Wederhoor

Nieuw is de kritiek op het vastgoedbeleid allerminst. Drie jaar geleden bleek dat het grondbeheer van de gemeente Amsterdam een rommeltje was. Er zou zelfs voor 21 miljoen euro aan foute boekingen zijn gedaan. Het in 2007 in gang gezette herstelprogramma ging jaren duren, wist men toen al. In Leiden waarschuwde de rekenkamercommissie dat het gemeentelijke grondbeleid leed aan een gebrek aan consistentie. Het resultaat van dit gebrekkige grond- en vastgoedbeleid dreigt menige gemeente nu parten te spelen. Op de website van de VNG wordt becijferd dat een aantal gemeen-

Financiële zeperds met vastgoedprojecten halen regelmatig de media ten de artikel-12-status kan verkrijgen vanwege de bouwcrisis. Nieuwbouw gaat voor veel minder van de hand dan gemeenten hebben begroot. Tal van ontwikkelaars willen uit bouwprojecten stappen die ze samen met gemeenten zijn aangegaan. Daardoor blijven inkomsten van gemeentelijke grondexploitatiebedrijven ver achter bij de begrotingen.

Macht Bestaande machtsstructuren in de gemeentelijke organisatie belemmeren de omslag in denken en werken. Vastgoedbeleid is vaak versnipperd over diverse diensten die langs elkaar heen werken. Door deze kleinschaligheid ontbreekt de expertise die nodig is voor een hoogwaardige en rendabele ruimtelijke ordening. Grond en vastgoed worden bovendien regelmatig ingezet om politieke doelen te realiseren, zonder dat duidelijk is welke maatschappelijke doelen ermee zijn gediend. Financiële zeperds met vastgoedprojecten halen regelmatig de media, zoals het XL Businesspark Twente in de gemeente Almelo. Van de 180 hectare op het bedrijvenpark is slechts 11,2 hectare verkocht. Wat nu al leidt tot een exploitatietekort van 2,3 miljoen euro.

Professionalisering van het grond- en vastgoedbeleid levert indrukwekkende resultaten op, zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht. Volgens conservatieve schattingen beheren gemeenten voor minstens 80 miljard euro aan grond en gebouwen. Een beter beleid van deze bezittingen kan wel tien procent voordeel opleveren aan efficiency en beter gebruik. Jaarlijks kan acht miljard euro beschikbaar komen voor de ruimtelijke ordening van gemeente.

Daadkracht Een aantal gemeenten is begonnen met het centraliseren van dit beleid, onder andere door het vastgoed in een centraal bedrijf te bundelen waar een integrale strategie wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Een gemeente als Den Helder heeft daar al stappen in gemaakt door het vastgoedbeleid te centraliseren en in lijn te brengen met het centrale grondbeleid. Zo wil de marinestad nieuwe impulsen geven aan de ruimtelijke ordening die beter te realiseren zijn als het grond- en vastgoedbeleid is gecentraliseerd en coherent gemaakt. Deze bijstelling van beleid vraagt echter visie en doorzettingsvermogen. Gemeenten als Enschede en Dordrecht hebben ervaren dat het tijd en energie kost om de beleidswijzigingen door te voeren. Zij moeten bestaande structuren reorganiseren, waarbij zij op tegenstand vanuit de organisatie stuiten. Toch is deze weg de enige waarlangs gemeenten hun ambities op het gebied van ruimtelijke ordening kunnen realiseren. Hoe beter zij hun grond- en vastgoedbeleid in evenwicht brengen met hun economische belangen, hoe beter zij de crisis doorstaan. Wat hiervoor nodig is, zijn een heldere visie op vastgoed en grondbeleid, een kranige besluitvorming en vooral daadkracht. é Stephan Lutters

e-mail: stephan.lutters@hevo.nl Hevo adviseert bij complexe huisvestingsopgaven

september 2010 18

ROM_09_2010.indd 18

9/3/2010 3:10:14 PM


De Smaakmakers

De ambitie om iets moois te maken De tuinbouw en het landschap, dat zijn geen vrienden. De fruitteelt wordt aangekeken op het afschaffen van de hoogstammer. De vollegrondsgroenteteelt pakt het te grootschalig en rationeel aan. En de glastuinder, tja. Toch ziet Yttje Feddes nog hoop.

Y

ttje Feddes is de tweede Rijksadviseur voor het Landschap. Samen met de Rijksbouwmeester, van wie we er in de loop der eeuwen al zeer velen gehad hebben en de met de Rijksadviseurs vormt ze het College van Rijksadviseurs. Dit college gaat over het aangezicht van Nederland. Feddes is een landschapsarchitect die haar sporen ruimschoots verdiend heeft. Uit de praktijk weet ze waar haar professie de laatste decennia geweest is. Van de grote en rationeel uitgevoerde projecten uit de jaren vijftig en zestig

(grootscheepse ruilverkaveling, alles recht getrokken) naar het ecologisch tuinieren van de jaren zeventig en tachtig (natuurdenken, alles kronkelig en groen en blauw). En nu weer terug naar grotere lijnen en dingen niet meer verstoppen maar duidelijk maken zo dat je kunt zien wat hun functie is.

Hoeveel invloed heeft een rijksadviseur? ‘Mijn taak is het geven van praktische adviezen over grote projecten die voorliggen, maar ook over beleidsontwikkelin-

èè

september 2010 19

ROM_09_2010.indd 19

9/3/2010 3:10:19 PM


De Smaakmakers

Fe ddes: ‘L aat z e aan die subsidies m e e r e i s e n s te l l e n .’

gen die inwerken op het landschap. In eerste instantie adviseer ik de minister van LNV. Ik geef gevraagd én ongevraagd advies. Nu ben ik bezig onderzoek te doen voor een advies over de intensieve veehouderij en de impact die die sector heeft op het landschap. Zo intensief ben ik nog niet met de tuinbouw bezig geweest. Maar ik heb over de glastuinbouw wel gesprekken gevoerd met de commissie-Nijkamp, die nu een visie aan het schrijven is op de Greenports en de modernisering en de verduurzaming van de glastuinbouw. In

‘Er mag geen meter weg, want het is allemaal belangrijk’ die commissie zit niemand met een landschapsachtergrond, dus daarom hebben ze mij geraadpleegd over een aantal punten waar ze mee bezig waren. En verder heb ik veel contact met het Innovatienetwerk Groene Ruimte, waar men ook veel bezig is met de glastuinbouw. Zij proberen zich echt te richten op toekomstgerichte concepten en vooruitstrevende ondernemers, die een voorbeeld kunnen vormen.’

Verdient de tuinbouw niet meer landschappelijke aandacht? ‘De Greenports-visie is iets waar ze bij LNV veel mee bezig zijn. De glastuinbouw is ook een sector waar een hoop geld wordt verdiend. De Nederlandse landbouw is niet meer alleen de koe in de wei en de boer die achter de ploeg loopt.’

Maar een zwakte van die sterke sector is dat minimaal de helft het geen gezicht vindt. ‘En misschien nog wel meer. En dat vind ik zelf ook. Het Westland is het beste voorbeeld. Dat is historisch zo

gegroeid, steeds verder dichtgeslibd met kassen. Er mag geen meter weg, want het is allemaal belangrijk. Maar met dezelfde oppervlakte glas is toch een veel betere landschappelijke en stedebouwkundige lay-out te maken. Met meer onderscheid de hoofdwegen waarlangs dat zware verkeer dat zo’n sector met zich meebrengt zich afwikkelt, de woonlinten waar de tuinders wonen en die je mooier kunt maken en een groen raamwerk dat daar doorheen loopt en dat ruimte geeft aan natuur en recreatie. Dat ontbreekt nu helemaal. Als je als fietser dat gebied in gaat en je hebt je al door dat zware verkeer heen geworsteld, dan kom je op doodlopende weggetjes of een doolhof waar geen logica in is te ontdekken.’

Is het niet juist goed om gebieden te hebben met een zo sterke identiteit als het Westland? ‘In en om het Westland wonen miljoenen mensen, die op een mooie dag graag naar het strand willen. Die kunnen in de file naar Hoek van Holland gaan staan. Maar ze zouden ook graag de fiets willen pakken en de kortste weg hemelsbreed door het Westland willen nemen. Maar daar op een normale en een beetje prettige manier doorheen komen is nu eigenlijk ondoenlijk. Ik denk dat Nederland te klein is om gebieden te hebben met een eigenheid die puur monofunctioneel is. Er mag best een overheersende functie zijn, zoals bijvoorbeeld ook op de Veluwe het geval is. Maar het zou raar zijn als vanwege de natuur niemand de Veluwe op zou mogen. Dat geldt ook voor het Westland. Je moet in Nederland een evenwicht vinden. Voor alle tuinbouwgebieden in het westen geldt dat ze zich bevinden in een ongelofelijke dichtbebouwd deel van Nederland met en grote druk op de grond. Daar kun je niet hele gebieden bestemmen voor alleen maar kassen en praktisch gezien ze verder afsluiten voor alle andere functies.’

september 2010 20

ROM_09_2010.indd 20

9/3/2010 3:10:19 PM


Yttje Feddes Yttje Feddes (56) is Rijksadviseur voor het Landschap. Ze studeerde in 1980 af als landschapsarchitect aan de Landbouwuniversiteit Wageningen. Ze werkte onder meer bij Staatsbosbeheer, Ingenieursbureau Amsterdam en H+N+S Landschapsarchitecten. In 2006 richtte zij samen met Berdie Olthof het bureau Feddes/Olthof landschapsarchitecten op. Daarnaast is zij gastdocent aan de Academie van Bouwkunst.

Hoe kunnen we dat praktisch veranderen? Het lastige met glas is natuurlijk dat je niet eenvoudig met kavelruil de structuur van een gebied wat beter op orde kunt krijgen. Herstructurering in oudere glastuinbouwgebieden wordt natuurlijk nu ook wel gedaan, maar heel kleinschalig. Daarom moet je voor die gebieden zoals het Westland een masterplan hebben, waarin al die reconstructies voor de komende 25 jaar of misschien nog wel langer een bijdrage leveren aan een landschap dat economisch en infrastructureel goed in elkaar zit. Zo’n visie mis ik. Ik heb gewerkt aan de versterking van de duinen in het Westland. Daar wordt dan door de overheid voor honderden miljoenen in die duinen geïnvesteerd, daar kun je meteen van profiteren door van de binnenduinrand wat moois en interessants te maken. Nu staan de kassen tot aan de voet van de duinen. Er kan nog net een fietspad tussen en er zitten ook nog een paar kleine campings tussen geklemd. Daar wat moois van maken kost helemaal niet veel glas. Maar door de plek waar je ze weghaalt, die zo cruciaal is in de beleving van de mensen, bereik je daar heel veel mee. Met twee heel smalle doorsteken langs de noord- en de zuidrand van het Westland kom je er niet. Tuinders snappen dat zelf heel goed. Als er een gebied met overheidsgeld wordt aangepakt, dan nemen ze ook de gelegenheid te baat om hun bedrijfswoning op een mooiere en slimmere plek neer te zetten. Ik pleit er niet voor om het Westland op te heffen of om de oppervlakte glas te verminderen. Ik begrijp ook heel goed vanuit het functioneren van een glastuinbouwgebied dat je concentratie wilt. Dat je binnen een uur je glaszetter of de monteur van je bemestingsinstallatie voor de deur wilt hebben als het nodig is. Vanuit een oogpunt van duurzaamheid en innovatie is dat ook handig en slim, ook al zijn dat dan geen doelen die direct met de beeldkwaliteit van een gebied te maken hebben. Maar daarnaast moeten ook functies plaats krijgen. Je hoeft niet dat héle gebied recreatief interessant te maken, maar laat er wel een aantal hoofdlijnen doorheen lopen. De oude kreken die nog door het Westland lopen, zou je ook beter vrij kunnen spelen zodat veel meer mensen er wat aan hebben. En buiten dat groene raamwerk ben ik dan van mening dat aan de functionaliteit van een kas ook geen beperkingen moeten

worden opgelegd. Dat is onzin. Dat hoort bij een moderne bedrijfsvoering. Dat geldt ook voor nieuwe gebieden buiten de Randstad. Wijs een aantal andere gebieden aan waar concentratie kan plaatsvinden en zorg ervoor dat ook die gebieden nog wel toegankelijk en aantrekkelijk blijven voor de rest van de bevolking. Openbaarheid van een sector is zo belangrijk. Iedereen weet wel dat de tuinbouw belangrijk is voor de economie. Maar dat iedereen het ook lelijke gebieden vindt, dat kan je gaan opbreken. Dat zie je nu in zekere zin ook met de intensieve veehouderij gebeuren. Dat is een probleem dat de glastuinbouw voor moet zijn.’ Lastig om dat probleem voor te zijn als heel Nederland klaagt over verrommeling. Feddes ziet daar vooral een taak voor de overheid. ‘De zorgen die Nederlanders zich maken over de verrommeling van het landschap zijn toegenomen, terwijl het aantal landschapsarchitecten bij LNV is afgenomen. Naarmate de overheid het idee van de maakbaarheid van Nederland heeft losgelaten, zijn ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland minder gestructureerd aangepakt. Maar we moeten niet in

‘Mensen zijn bang geworden van iedere verandering’ die verrommelingsdiscussie blijven hangen. Dat veroorzaakt een fatalisme waar niemand wat aan heeft. Als we weer de ambitie zouden hebben om iets moois te maken, dan kán dat ook. Maar mensen zijn bang geworden van iedere verandering. Het zou altijd slechter worden. Maar er zijn natuurlijk heel grote delen van Nederland die gewoon prachtig zijn en die ook mooier zijn geworden dan ze waren. Als je dat niet ziet, dan wordt het een ongenuanceerd verhaal. Die defaitistische houding slaat het vormgeven van mooie nieuwe ontwikkelingen dood.’

Hoe kunnen we dat defaitisme keren? ‘Het Rijk moet in elk geval in de grote projecten de ambitie hebben om mooie nieuwe landschappen te maken. De Deltacommissie met de wateropgave, woningbouwuitbreidingen, nieuwe snelwegen… En dat geldt ook voor landbouwkundige projecten. De ministeries zijn nu meer subsidiegevers geworden. Laat ze aan die subsidies meer eisen stellen. Niet om alles van voor tot achter te regelen. Maar wel bedenken op hoger niveau: waar komen die gebieden in het land terecht? En hoe maken we er bijzondere landschappen van die zijn te ervaren als meer dan alleen maar bedrijventerreinen, waar niemand iets te zoeken heeft?’ é Ton van der Scheer

september 2010 21

ROM_09_2010.indd 21

9/3/2010 3:10:20 PM


Trend

Rekenen & tekenen

Moeizaam verbinden van twee ‘bloedgroepen’ Snellere processen en haalbare plannen: dat is het resultaat van in samenhang rekenen en tekenen. Omdat bijvoorbeeld een duur stuk te verwerven grond vanaf het begin niet wordt meegenomen in een ontwerp, of omdat niet groter wordt ontworpen dan waar vraag naar is. Dat zeggen de pleitbezorgers van het combineren van tekenen en rekenen. Het verbinden van beide ‘bloedgroepen’ blijkt in de praktijk echter niet mee te vallen.

A

ls geld een sturende factor is, krijg je geen goede plannen. ‘Maar het is wel een belangrijke factor in het sturen op haalbaarheid’, stelt Peter Paul van Loon, universitair hoofddocent Bouwinformatica aan de TU Delft. Hij pleit al jaren voor het bij elkaar brengen van tekenen en rekenen. Hij doelt daarbij zowel op het financiële rekenen aan haalbaarheid van de plannen, als het uitrekenen van bijvoorbeeld het aantal parkeerplaatsen of de waterberging in een gebied. Zijn pleidooi past in deze tijd van economische crisis, leegstand en krimp, want ontwerpers en rekenaars kunnen samen plannen maken waarin ruimtelijke kwaliteit en financiële haalbaarheid in evenwicht zijn.

Belangen afwegen Door tekenen en rekenen samen te brengen en te laten ondersteunen door (computer)modellen, kunnen bovendien diverse ontwerpvarianten tot stand komen. Dat maakt een plan flexibeler, omdat met een verandering van de omstandigheden het plan relatief eenvoudig aangepast kan worden. Het

En toen verwierp de wethouder het plan vanwege het aantal parkeerplaatsen… project Schieoevers in Delft illustreert dit. Pim Zevenhuizen was teamhoofd RO bij de gemeente Delft toen het Masterplan Schieoevers werd vormgegeven. Dit is een gemengd industriegebied ten zuiden van het centrum. De stad rukte echter op ‘en dan moet je je afvragen of de bedrijvigheid wel op de juiste plek zit en welke ruimte er is voor woningbouw’, zegt Zevenhuizen. Hij vroeg Adecs uit Delft om het ontwerpproces te begeleiden. Adecs ontwikkelt hulpmiddelen om tekenen en rekenen te combineren, ter ondersteuning van de procesbege-

leiding. Voor Schieoevers werd hun computermodel gebruikt: het rekent verschillende varianten van de inrichting van een gebied uit – ontwerp en rekenwerk worden direct gekoppeld. ‘Ik wilde voor Schieoevers het hele kluwen van belangen – van wonen, verkeer, milieu en economie – bij elkaar brengen en dacht dat dit model daarbij goede ondersteuning zou bieden. Gaandeweg bleek dat alle partijen op deze manier uitstekend konden samenwerken.’ De werkwijze was als volgt: in interviews met alle betrokkenen werden vooraf de criteria en randvoorwaarden voor de gebiedsontwikkeling vastgelegd. Vervolgens werd een inrichtingsmodel gemaakt waarmee de partijen allerlei varianten kunnen tekenen. In gezamenlijke sessies werden diverse alternatieve inrichtingen van het gebied getekend, waarbij het achterliggende model de gevolgen van de keuzes liet zien voor bijvoorbeeld de hoeveelheid woningbouw en arbeidsplaatsen. Ook gaf het model een overzicht van de kosten en baten. In het Masterplan dat op deze manier voor Schieoevers werd gemaakt, konden alle partijen zich vinden. De wethouder schoof het echter terzijde, omdat het aantal arbeidsplaatsen in het gebied erdoor zou afnemen.

Voorwaarden stellen ‘Als ambtelijk eindverantwoordelijke zou ik een volgende keer zelf bij de gesprekken met de wethouders zijn en ze uitleggen hoe belangrijk het is om de voorwaarden goed te formuleren’, zegt Zevenhuizen achteraf. Hij is inmiddels overgestapt naar de gemeente Westland, waar hij het model weer zou gebruiken als het nodig is. ‘Door rekenen en tekenen op deze manier te combineren, kun je een echte belangenafweging maken tussen alle factoren die meespelen bij gebiedsontwikkeling. Doe je dat niet, dan wint doorgaans de wethouder met de grootste mond.’ De gemeente Amsterdam is al een aantal jaren bezig om tekenen en rekenen te combineren. ‘We denken dat èè

september 2010 22

ROM_09_2010.indd 22

9/3/2010 3:10:20 PM


L au re n s k w a r t i e r, R o t te rd a m

Foto: Roel Dijkstra

september 2010 23

ROM_09_2010.indd 23

9/3/2010 3:10:24 PM


Trend

Integrale modellen P

lanologen en projectleiders die integraal aan plannen willen tekenen en rekenen, kunnen daarvoor terugvallen op verschillende modellen die elk vanuit een eigen benadering zijn opgesteld. Zo kan er worden gewerkt met een computermodel dat

binnen vooraf gestelde randvoorwaarden verschillende ontwerpvarianten naast elkaar uitrekent (een besliskundige benadering). Het plan Schieoevers in Delft uit het hoofdverhaal is op die manier met hulp van Adecs uit Delft tot stand gekomen. Een benadering die ook erg tot

Schieoevers , Delft

Foto: MR

september 2010 24

ROM_09_2010.indd 24

9/3/2010 3:10:30 PM


de verbeelding spreekt, is het ontwerpen en plannen via interactieve ‘games’. In een vorig nummer van ROmagazine is daar al eens uitgebreid aandacht aan besteed. Als spelregels gelden meestal de vooraf gestelde randvoorwaarden. TNO heeft in de afgelopen drie jaar ook veel ervaring opgedaan met een rekenmodel vanuit een evaluatieve benadering. In het programma ‘Urban Strategy’ zien projectleiders en bestuurders binnen enkele minuten via

3D-kaarten de consequenties van hun wensen op zaken als geluidsbelasting, luchtkwaliteit, externe veiligheid en bodemkwaliteit. Dankzij de snelle rekentijd en de onderlinge koppeling van afzonderlijke modellen kan er voortaan in ontwerpateliers op hetzelfde moment worden getekend, gerekend en nagedacht over de geschiktheid van verschillende varianten. Urban Strategy is onder meer gebruikt bij de inspraak van enkele gemeenten op de MER voor de verbreding van snelweg A1. Hier bleek de milieubelasting van de verbreding in veel gevallen twee keer zo groot te worden als Rijkswaterstaat had voorgerekend. In het Rotterdamse project Stadshavens is het model ook ingezet voor het verkennen van de mogelijkheden en belemmeringen van woningbouw in het havengebied. Daarnaast brengt TNO Spin-off StrateGis uit Voorburg (sinds 2006) een vergelijkbaar pakket op de markt, met een sterke financiële en duurzaamheidscomponent. Het pakket wordt onder andere ingezet voor Tekenen & automatisch Rekenen voor de centrale rekenkamer van Schaalsprong Almere, en Hogeschool Utrecht leidt middels een onderwijslicentie haar studenten op in gebruik van de software. Een vierde benadering bij integrale teken- en rekenmodellen is ten slotte die van de 3D-modellering. Gebouwen worden daarbij in driedimensionale tekeningen weergegeven waarbij aan de verschillende onderdelen prestatie-eisen ‘gehangen’ kunnen worden. Zo werkt de Rijksgebouwendienst (Rgd) op dit moment met andere partijen in de bouwsector aan een gestandaardiseerd Bouwwerk Informatie Model (BIM). Daarin kunnen betrokken partijen tijdens de ontwerp-, bouw- en beheerfase geïntegreerd alle informatie en wijzigingen over materialen, installaties, kostprijzen en planning efficiënt via een gemeenschappelijk 3D-model met elkaar uitwisselen. In de aanloop naar BIM werkt de Rgd zelf al met digitale dossiers en projectsites waarin partijen uiteenlopende informatie gekoppeld aan tweedimensionale bouwtekeningen met elkaar delen. Nog dit jaar staat er ook een BIM-pilot op het programma bij de bouw en het beheer van rijksgebouwen door marktpartijen via PPSconstructies. Bovendien wil de Rgd binnenkort experimenteren met het vastleggen en beheren van brandveiligheidsinformatie in een BIM. é Jaco Boer

september 2010 25

ROM_09_2010.indd 25

9/3/2010 3:10:32 PM


Trend

L au re n s k w a r t i e r R o t te rd a m ,

Foto: Roel Dijkstra

planvorming sneller verloopt en dat je betere plannen krijgt als je beide combineert’, zegt Willem Kap, hoofd planbegeleiding bij het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam. ‘Vroeger ging een ontwerp een paar keer heen en weer tussen ontwerper en rekenaar. Dan gaat op een gegeven moment de tijd dringen en worden onder tijdsdruk bezuinigingsmaatregelen afgedwongen. Dat leidt doorgaans niet tot een evenwichtig plan.’ Nu rekenaars en tekenaars meer samenwerken, meestal in een team binnen een projectbureau, komt het tot een integralere afweging. De gemeente ontwikkelde een werkboek en een ééndaagse cursus om deze samenwerking te ondersteunen. ‘De rekenaars leren daar een beetje tekenen en de tekenaars leren meerekenen’, zegt Kap. ‘Het gaat niet altijd goed hoor, er worden nog wel ontwerpen gemaakt zonder dat er aan gerekend is. Maar er is wel heel veel overleg en men luistert naar elkaars argumenten.’ Volgens Evelyn Wilms, directeur van Adecs en ook regelmatig als ‘rekenaar’ werkzaam bij gemeenten, zijn lang niet alle gemeenten zo ver: ‘Ik zou dolgraag met de ontwerpers willen meedenken. Maar ik heb nu vaak moeite om als “rekenaar” de tekeningen boven water te krijgen.’ De projectleider speelt hier een belangrijke rol, want die zou beide ‘bloedgroepen’ vanaf het begin moeten verbinden. ‘In de praktijk zie je echter dat lang niet elke projectleider dat overzicht heeft. Welke insteek hij kiest, is erg afhankelijk van zijn eigen achtergrond’, zegt Wilms.

Samen optrekken De combinatie van tekenen en rekenen is niet nieuw, maar met de huidige computertechnologie wel veel gemakkelijker te realiseren. De modellen worden veelomvattender en alles kan worden uitgerekend op een laptop. Ze bieden een soms onthutsend verhelderende kijk op ontwerpen. Van Loon noemt de ontwikkeling van het Laurenskwartier in Rotterdam, het gebied achter de Laurenskerk dat herontwikkeld wordt. ‘Er lag een mooie visie van een architect, maar bij de doorrekening bleek dat het plan 30 procent te veel oppervlakte aan winkels en woningen bevatte. Zoveel vraag is er

helemaal niet, dus dat ontwerp was niet bruikbaar.’ Een ander voorbeeld, dat Adecs uitvoerde voor de gemeente Amersfoort: het ontwikkelen van een kantoorlocatie, die vanwege hoge verwervingskosten en onder meer de beperkte ruimte qua geluidshinder en luchtvervuiling niet haalbaar bleek. ‘De gemeente zag er vanaf’, zegt Wilms. ‘Elke streep die je zet kost geld. Als je als ontwerper begrijpt welke elementen duur zijn, dan verloopt het planproces veel vloeiender’, zegt Peter van Haasteren, hoofd Beleid Gebiedsontwikkeling bij het Ontwikkelings Bedrijf Rotterdam (OBR). Hij is een warm pleitbezorger van tekenen en rekenen. Hij gaf zelfs een interne cursus planeconomie aan de landschapsarchitecten en ontwerpers van de gemeente. Rotterdam laat nu bij alle grote, nieuwe gebiedsontwikkelingsprojecten de betrokken vakdisciplines samenwerken in ateliers. ‘Eerst moet je ervoor zorgen dat rekenaars de vormentaal van ontwerpers snappen en dat ontwerpers begrijpen hoe een financieel plaatje eruitziet. Vervolgens moet je beide groepen zo veel mogelijk met elkaar in contact brengen’, omschrijft Van Haasteren de werkwijze van de gemeente. Ontwerper, planeconoom en werkencoördinator (met kennis van civiele techniek) trekken samen op in de planvorming en dat levert een ‘goede kwaliteit plannen tegen lagere kosten op’. Van Haasteren noemt een voorbeeld: ‘Als je water in een gebied gaat plannen, of een parkeergarage, dan kun je dat beter niet doen op een plek met vervuilde grond die mag blijven liggen.’ Een combinatie van tekenen en rekenen is geen garantie voor een geslaagd project, stellen de geïnterviewden. Daarvoor moeten de doelen en randvoorwaarden van tevoren helder zijn gesteld. ‘Zodat tekenaars en rekenaars binnen die kaders verder kunnen werken’, zegt Wilms. Nog steeds kan de politiek of bestuurlijke top dan iets anders beslissen, zoals bij Schieoevers in Delft. Maar dan is het falen van het project in elk geval niet te wijten aan onkunde of onwil bij de samenwerkende ontwerpers en rekenaars. é Marieke Vos

september 2010 26

ROM_09_2010.indd 26

9/3/2010 3:10:34 PM


De ‘cultuurclash’ naar voren halen

Planopleidingen gaan voor ‘ateliers’ Interdisciplinair denkende planvormers hebben de toekomst, nu stedelijke (ver)bouwopgaven alsmaar ingewikkelder worden. Teamgeest, ook tussen visionaire ‘tekenaars’ en de realistische rekenmeesters is onontbeerlijk. Opleidingen krijgen dat door. Nu de toekomstige werkgevers nog…

‘H

et is waar’, zegt Pascal Heynen: ‘Integratieve planvorming gebeurt nog te weinig en als opleidingen zijn wij daar medeschuldig aan. Maar we zijn ook slachtoffer. De maatschappij vraagt meestal sollicitanten met een duidelijk, sectoraal, profiel. Integralisten, wat kunnen die eigenlijk, vragen ze dan.’ Heynen is coördinator bij de Saxion hbo-opleiding RO en Planologie. Net als andere beroepsopleidingen op (steden)bouwkundig gebied, staat Saxion voor de taak om studenten klaar te stomen voor de gecompliceerde beroepspraktijk.

Kwaliteitsverlies Stedelijke ontwikkeling wordt steeds lastiger, sinds Nederland in crisissfeer de halleluja fase van goedkope massabouw heeft verlaten. Het komt nu aan op herstructureren. Maar geldstromen en ambities verschrompelen, projecten worden vertraagd en opgeknipt. Fijnmazig maatwerk en ‘duurzaamheid’ – lees: aanpasbare bouw – zijn het parool. Meer dan ooit vraagt dat om vernieuwende planprocessen, beseffen docenten. Maar de realiteit is vaak het

S t uden ten aan h et we rk , A c a de mie vo or B o uwkunst , Rotte rd a m

september 2010 27

ROM_09_2010.indd 27

9/3/2010 3:10:51 PM


Kent u de vernieuwde kennisbank Schuldhulpverlening al? www.kennisbankschuldhulpverlening.nl Met de vernieuwde kennisbank Schuldhulpverlening kunt u aan de hand van een stappenplan het gehele minnelijke traject schuldhulpverlening doorlopen gebaseerd op de NEN-norm. Van aanmelding en intake tot de schuldregeling en de nazorg. Tevens vindt u er alle relevante informatie over de herzieningen binnen de Wsnp. Ter verdieping is er allerlei achtergrondinformatie zoals parlementaire ontwikkelingen, onderzoeken en praktijkvoorbeelden. Neem snel een kijkje op www.kennisbankschuldhulpverlening.nl en vraag een vrijblijvende productdemonstratie aan.

ROM_09_2010.indd 28

9/3/2010 3:10:54 PM


Kloof tussen architect en bouwers nekt Maastrichtse campus I

n de afgelopen jaren zijn er verschillende bouwprojecten uit de hand gelopen, omdat ontwerpers en planeconomen te weinig met elkaar aan één tafel zaten. Ook in Maastricht liep in 2009 mede om deze reden de ontwikkeling van een universiteitscampus naar een veelgeprezen ontwerp van de Spaanse architect Santiago Calatrava spaak. Nadat de verwachte bouwkosten binnen een jaar waren opgelopen van 165 miljoen naar 225 miljoen euro, legden de bestuurders van de lokale woningcorporatie Servatius de bouw van het complex stil. ‘De architect was niet vertegenwoordigd in het bouwteam. Het tekenen en rekenen vond daardoor in gescheiden werelden plaats’, verklaart Interimdirecteur Bedrijfsvoering Roland Marx van Servatius openhartig. Bovendien werden volgens hem de tekeningen op verzoek van de betrokken partijen regelmatig aangepast, zodat het voor het bouw-

team onmogelijk was om tot een definitieve bouwsom te komen. Bij de start van de bouw was er zelfs nog geen definitief ontwerp en had de universiteit als hoofdgebruiker nog geen enkel contract ondertekend die haar tot huur of koop van de gebouwen dwong. Een financieel debacle leek voorgeprogrammeerd. Het bestuur greep uiteindelijk in, maar had volgens Marx te laat door wat er precies aan de hand was. ‘De projectorganisatie was te ver van de moederorganisatie af komen te staan, waardoor er dingen zijn gebeurd die niet hadden mogen plaatsvinden.’ Ondanks de perikelen blijft Servatius betrokken bij de ontwikkeling van een kleinere ‘life & science’campus op dezelfde locatie. Al moet deze wel passen binnen de ‘nieuwe’ kernactiviteit van de corporatie: woningbouw en -beheer. é Jaco Boer

tegenovergestelde: risicomijdende, standaardwerkprocessen. En die wáren al problematisch, door ‘verschotting’ tussen betrokken partijen en sectoren.

‘Milieu’ en ‘Verkeer’, maar ook de tekenaars (planologen, stedenbouwkundigen en architecten) en rekenaars (planeconomen en vastgoedjuristen) – allemaal werken ze

èè

september 2010 29

ROM_09_2010.indd 29

9/3/2010 3:10:55 PM


Trend

vanuit eigen afdelinkjes, met eigen subculturen. Wederzijds is sprake van dedain. Gevolg: haperende planvorming, kostbare mislukkingen en kwaliteitsverlies.

Kennisuitwisseling Een voorbeeld is de tot op de centimeter uitgerekende catalogusbouw, verfoeid door architecten, maar favoriet bij cijferende projectontwikkelaars. En tja, die laatsten bezitten veelal de grond en, als enigen, ook precieze ervaringsdata en over kosten en opbrengst per ontwikkelde kubieke meter. Steeds vaker komen ontwikkelaars zelf met (uitgewerkte) projectinitiatieven. Wég innovativiteit… Maar sinds de omslag naar een vraagmarkt maken zelfs ontwikkelaars zich zorgen. ‘Zonder partners die snappen waarover je het hebt, kom je niet verder’, zegt Bas van de Griendt, milieumanager bij Bouwfonds MAB Ontwikkeling en docent bij diverse opleidingen. Grote ontwikkelbedrijven zetten eigen scholingstrajecten op, waar eigen én externe projectenmanagers de reflexen worden bijgebracht van het integraal plannen maken, inclusief het delen van kennis met ontwikkelpartners. De vorig jaar gestarte Bouwfonds Academie is precies bedoeld voor zulke onderlinge ‘pooling’ van expertise, vertelt Bouwfonds kennismanager Anne-Marie van Iwaarden. ‘We werken met drie niveaus: naast laagdrempelige lunchlezingen en eendaagse thematische “in-company” trainingen, is er een Masterclass Voorwaartse Integratie van zeven maal twee dagen.

Die Masterclass draait om projectorganisatie, verbinden van inhoud en proces en omgaan met belangen. Eén middag wordt gezamenlijk modelmatig aan een project gerekend. Maar niet om het rekenmodel zelf helemaal te leren hanteren. Daarvoor hebben we onze afdeling gebiedseconomie.

Ontwerpateliers Ook reguliere opleidingen verzetten de bakens. Maar nergens staat het teken-rekendilemma centraal. Bij integratief project- en vastgoed management komen nog zoveel méér belangentegenstellingen en andere facetten kijken, benadrukken de studiecoördinatoren stuk voor stuk. Wat opleidingen willen, is reeds in het onderwijs bruggen slaan: de kloof verkleinen tussen de bevlogen ontwerper en de afstandelijke cijferaar. Vrijwel allemaal maken ze daarom gebruik van interdisciplinair projectonderwijs. Aan de hand van echte of fictieve projecten zetten opleidingen studenten vanuit verschillende achtergronden of deel opleidingen bijeen in ‘ontwerpateliers’. Naast het conceptuele ontwerpen komt ook financiële haalbaarheid aan de orde, soms (net als bij de Bouwfonds Academie) aangevuld met ‘duurzaamheid’ of vastgoedjuridische aspecten.

Driehoek Neem de Academie voor Bouwkunst Rotterdam. Studenten – allemaal werkzaam in de stedenbouwkundige beroepspraktijk – krijgen daar onder meer colleges planeconomie, vertelt

Saendelft: groeistuipen in H

et voordeel van een strakke planning is dat er geen geld wordt verspild. Het nadeel is dat er helemaal niets mis mag gaan, want anders verandert ‘alles klopt precies’ al snel in ‘er klopt niets meer van’. In Saendelft, de grote stadsuitbreiding in ZaanstadNoord, kunnen ze erover meepraten. Door een onderschatting van het aantal leerlingen moet een flink stuk van het enige park in de wijk worden opgeofferd aan een semipermanente uitbreiding van de bestaande school. Ook komen er 24 parkeerplaatsen naast het park bij, om opstoppingen van autorijdende ouders rond de school tegen te gaan. Het plan is het sluitstuk van jarenlang heen en weer schuiven met noodlokalen op andere locaties in de wijk. Het begon allemaal met een verkeerde prognose van het aantal leerlingen. Al in 2002 waarschuwde de Gemeenschappelijke Exploitatie Maatschappij (GEM) de gemeente dat het aantal leerlingen in de wijk de verwachtingen oversteeg: in de planning was te weinig rekening te

houden met de aantrekkingskracht van de school op kinderen uit dorpen in de omgeving. Op dat moment waren de ruimtes boven de basisschool, waarvan de bedoeling was dat ze eerst als leslokalen en later als

Leerlingenaantallen onderschat, noodlokalen in het groen woningen zouden worden gebruikt, al verkocht; door het gedwongen schrappen van woningen in de nabijheid van de Forbo-fabriek dreigde Saendelft het afgesproken aantal woningen niet te halen. Niemand is echt blij met de locatie voor de nieuwe school. Wijkbewoners verzamelden een slordige duizend handtekeningen tegen de aantasting van het park, en de direct omwonenden vragen zich af hoe ‘tijdelijk’ het

september 2010 30

ROM_09_2010.indd 30

9/3/2010 3:10:56 PM


directeur Chris van Langen, die overigens gemerkt heeft dat de ‘ontwerpers’ het rekenwerk niet altijd aantrekkelijk vinden. ‘Een cultuurverandering is nodig, dat staat vast.’ Voor directeur Karen Welp van Neerlands enige (sic!) expliciete beroepsopleiding planeconomie, bij de SCOBE Academy in Den Bosch, is het uitgangspunt ‘de driehoek projectmanagement-planeconomie-juridica’. Het SCOBEcurriculum voorziet in ‘verdieping en verbreding’ voor schoolverlaters en praktijkmensen met enige vakervaring. Bij de ‘ateliers’ schuiven medestudenten aan van de andere studierichting: vastgoedrecht. Welp: ‘Wij leren trainees uit hun hokjes te komen en hun competenties in dienst te stellen van het totale project. Niet onmiddellijk alles op ‘haalbaarheid’ dichtrekenen, maar samenwerken aan kwaliteit.’

Versnellen Voor meer ervaren (minstens vijf jaar) projectmanagers is er de tweejarige Masterstudie City Developer van de Erasmus Universiteit, TU Delft en het gemeentelijk Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam. De MCD wil ‘strategen’ kweken, mensen die flexibel kunnen schakelen en ‘gevoel hebben’ voor alle betrokken disciplines. ‘Vroeger werden grote projecten alleen toevertrouwd aan managers met twintig jaar ervaring’, vertellen coördinatoren Jeroen van Haaren en Peter Pol. ‘Wij dachten: kunnen we het vereiste competentieniveau niet sneller bereiken?’

een te krap

Ook voor de MCD-studenten vormt hun uiteenlopende werkkring onlosmakelijk onderdeel van de opleiding. Voor haar realistisch opgezette ‘referentieprojecten’ put de MCD-organisatie onder meer dankbaar uit de multidisciplinair georganiseerde Rotterdamse ontwikkelpraktijk.

Leerzaam Dat het initiële beroepsonderwijs merendeels sectoraal is, vinden Pol en Van Haaren niet bezwaarlijk: ‘Sectorspecialisten blijven gewild. Eventuele behoefte aan strategische verdieping komt bij praktijkmensen pas gaandeweg’. Volgens Pascal Heynen van Saxion blijkt het echter ‘ontzettend leerzaam voor studenten om de cultuurclash tussen vakgebieden (en daarmee de waardering voor integraal werken) naar voren te halen tot in de opleiding’. Zowel in het theoretische onderwijs als tijdens rollenspelen bij het projectonderwijs combineert Saxion daarom conceptueel met planeconomisch denken. ‘Bovendien zijn de opleidingen planologie, stedenbouwkundig ontwerp en vastgoedmakelaardij ondergebracht in één “academie”. In de projectgroepen zetten wij studenten uit die verschillende hoeken doelbewust bij elkaar.’ é Michel Robles

www.avbr.nl www.scobe.nl www.mastercitydeveloper.nl www.saxion.nl

jasje verlies van hun uitzicht is. De gemeente denkt dat andere locaties nog meer problemen met zich meebrengen en wil zich, wijs geworden door eerdere ervaringen, niet vastleggen op de periode dat de uitbreiding er zal staan. En het motto van Saendelft was nog wel ‘wonen in het groen’. De scholencarrousel is overigens niet de enige groeistuip van de wijk. Door een te strakke parkeernorm en een op veel plaatsen krap bemeten openbare ruimte staan auto’s geparkeerd op plekken waar ze niet waren bedoeld en moet openbaar groen wijken voor extra parkeerplaatsen. Opstartproblemen horen natuurlijk bij jonge wijken, maar het zal vast geen toeval zijn dat juist op twee kostenposten – onderwijshuisvesting en openbare ruimte – blijkt te zijn beknibbeld bij de opzet. De gevolgen, ruimtelijk én financieel, zijn voor later. Penny wise, pound foolish zou een Brit zeggen.

S a e n d e l f t : s t u k p a r k w o rd t o p g e o f fe rd a a n u i t b re i d i n g s c h o o l

Foto: Martin de Jong

é Martin de Jong

september 2010 31

ROM_09_2010.indd 31

9/3/2010 3:10:57 PM


Forum

3d-modelleren en visualiseren, nu ook ondergronds! In het aprilnummer van ROmagazine is uitgebreid aandacht besteed aan drie- en zelfs vierdimensionaal modelleren en visualiseren van de omgeving ter ondersteuning van het ontwerp- en planproces. Daarbij worden visualisaties ingezet om te komen tot een integraal ontwerp en om de communicatie met de verschillende stakeholders makkelijker te maken. Het prikkelen van het voorstellingsvermogen van de betrokkenen, of dat nu bestuurders, architecten, burgers of boeren zijn, is cruciaal om tot een gedragen aanpak te komen, aldus Tjeerd Koopmans van MWH Global.

E

Spoortunnel in a a n b o u w, D e l f t

Foto: MR

en aspect dat nog onvoldoende belicht wordt, is de wereld ónder onze voeten, terwijl dit wel steeds belangrijker wordt binnen de ruimtelijke ordening. Bij bovengrondse plannen hebben de meeste mensen wel een voorstelling van hoe het er nu uitziet en hoe het eruit kan gaan zien. Wat 3d-visualisaties zo’n nuttig instrument maakt, is dat mensen ook het juiste plaatje voor zich hebben. Van de ondergrond daarentegen hebben maar weinig mensen een beeld.

Ondergrond We hebben het idee dat we er niet zo veel van weten en zoals zo vaak geldt: ‘onbekend maakt onbemind’. Reden

voor de meeste ro’ers om zich er maar niet druk over te maken. Maar eigenlijk is er heel veel te vinden in die ondergrond en zijn er behoorlijk veel aspecten waar je bij de bovengrondse indeling rekening mee moet houden. Denk maar eens aan het voorkomen van archeologische vindplaatsen, zoals overblijfselen van prehistorische bewoning. Of aan grondwater dat langzaam door de zandlagen stroomt en daarbij eventuele bodemverontreinigingen meevoert, maar waarin je in de zomer ook warmte op zou kunnen slaan voor gebruik voor verwarming in de winter (warmte-koudeopslag). En in de bodem komen klei- en veenlagen voor die bij zware belasting in kunnen gaan klinken, waardoor er in de bovenstaande gebouwen en

september 2010 32

ROM_09_2010.indd 32

9/3/2010 3:10:58 PM


Spoorzone, Delft

Afbeelding: MWH

infrastructuur scheuren kunnen ontstaan. Of juist zandlagen die je, als je toch moet graven, elders kunt gebruiken om terreinen mee op te hogen. Allemaal redenen om bij het planproces al terdege rekening te houden met die ondergrond.

DINO Wil je het ontwerp- en planproces ĂŠcht integraal maken, dan zul je dus ook de ondergrondse wereld in je modellen en visualisaties op moeten nemen. En dat is niet gemakkelijk, juist omdat het zo lastig is om een goede voorstelling van die ondergrond te maken. Gelukkig zijn er ook voor het modelleren en visualiseren van de ondergrond tegenwoordig goede technieken en zijn er steeds meer gegevens beschikbaar om deze modellen op te baseren, zoals de Data en Informatie Nederlandse Ondergrond (DINO) van TNO (Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen).

Spoortunnel

in Twente door AkzoNobel, bij het inzichtelijk maken van de verzakkingsproblematiek bij nieuwbouwwijken in de gemeente Urk of bij de voorbereiding van de aanleg van de spoortunnel door de binnenstad van Delft. Bij dit laatste project kan de verantwoordelijke aannemer (Dura Vermeer) zelfs op elke plek langs het tunneltracĂŠ virtueel in de ondergrond afdalen om te kijken uit wat voor materiaal deze is opgebouwd, wat de milieukundige kwaliteit van dit materiaal is en bij welke graafwerkzaamheden dit vrij gaat komen. Deze geoviewer, die speciaal voor de Delftse spoortunnel ontwikkeld is, is op elk moment via internet benaderbaar. Ook de gemeente Delft heeft er toegang toe en kan zo de werkzaamheden in de ondergrond volgen, bijhouden hoeveel grond er is afgegraven en waar deze naartoe is gebracht. Wilt u meer informatie over het modelleren en visualiseren van de ondergrond en hoe u dit kunt gebruiken binnen het plan- en ontwerpproces, neem dan contact op met Tjeerd Koopmans (Tjeerd.Koopmans@ mwhglobal.com; 026-751 38 92).

Het modelleren en visualiseren van de ondergrond en de toepassing hiervan bij grootschalige ontwikkelingen heeft zijn waarde inmiddels al veelvuldig bewezen, bijvoorbeeld bij het zoeken van toekomstige ondergrondse zoutwinlocaties

september 2010 33

ROM_09_2010.indd 33

9/3/2010 3:11:10 PM


ROdigitaal

RO Standaarden op Europese leest

Afstemming gewenst en van elkaar leren Vrijwel alle gemeenten hebben in de eerste helft van dit jaar succesvol hun nieuwe bestemmingsplannen online gepubliceerd volgens de RO Standaarden 2008. Dankzij de zorgvuldige voorbereiding en invoering van de digitale standaarden heeft Nederland nu ogenschijnlijk een flinke voorsprong op de ontwikkeling die in veel Europese landen gaande is. Nu de afstemming nog.

T

och wijkt de lijn die Nederland volgt in een aantal opzichten sterk af van de ontwikkelingen om ons heen. Omdat bij ons de digitalisering als een geïsoleerd gis-probleem is benaderd, zijn we eigenlijk nog maar half op weg. Bovendien is geen rekening gehouden met de ontwikkeling die zich voordoet in het Nederlandse ro-planningsstelsel. Deze ontwikkeling in de richting van een vergunningstelsel op Angelsaksische grondslag krijgt juist dankzij de digitalise-

Steeds dikkere bestemmingsplannen en structuurvisies staan de uitvoering in de weg ring een extra impuls. Zo draagt het succes van het digitale bestemmingsplan eraan bij dat dit een steeds minder centraal sturingsinstrument wordt en de RO Standaarden dus de focus moeten en verleggen naar de totstandkoming van de ruimtelijke vergunning, online-toeslagen en interactieve besluitvorming.

Het enkele jaren terug in opdracht van VROM ontwikkelde concept van ‘bestemmingsplan nieuwe stijl’ past goed in de geleidelijke ontwikkeling naar een ruimtelijke vergunning.

Het Angelsaksische voorbeeld De fundamentele herziening van de Wro heeft geleid tot een eigentijdse sturingsfilosofie en een wettelijke verankering van digitale plannen. In de afgelopen twee decennia is in ordenend Nederland het besef doorgedrongen dat het maken van steeds dikkere bestemmingsplannen en structuurvisies de uitvoering in de weg staat. Bestemmingsplannen zijn vaak conserverend, behoorlijk gedetailleerd en voorzien van binnenplanse ontheffingsmogelijkheden om denkbare ontwikkelingen niet op voorhand weg te geven. De vangnetfunctie tegen ongewenste ontwikkelingen wordt steeds verder afgezwakt door projectbesluiten en straks de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Deze laatste figuur komt direct overeen met het kerninstrument uit het Angelsaksische ro-stelsel, de planning permission, de planologische toestemming voor een ruimtelijk initiatief. Dat stelsel is niet limitatief-imperatief ingericht, waarbij een bouwvergunning geweigerd moet worden bij strijdigheid met het geldende planologische kader. In de Angelsaksische wereld hoeft een bestemmingsplan veel minder in juridische termen eenduidig te zijn. Het krijgt veel meer de vorm van ontwikkelzones en bijbehorende ‘ruimte’. Steeds meer sectorale regelgeving in ons land en in Europa is rechtstreeks kaderstellend voor ruimtelijke ontwikkelingen. Juist in een digitale omgeving is dit goed te ontsluiten, zodat de latere doorwerking in het bestemmingsplan alleen nog een formeel juridische stap is die in het Angelsaksische model geen meerwaarde meer heeft omdat gemotiveerd afwijken altijd direct mogelijk blijft. Tenslotte sluit het Angelsaksisch model goed aan bij de trend om ruimte te geven aan private projectplannen en de uitvoering en financiering te regelen in exploitatieplannen.

september 2010 34

ROM_09_2010.indd 34

9/3/2010 3:11:10 PM


Europese standaarden In alle Europese lidstaten stellen overheden hun planologische besluiten beschikbaar via de eigen website. Juist in de landen waarin weinig centrale regie plaatsvindt op het gebied van standaarden zijn gemeenten het verst met een breed opgezet geo-loket, zoals in Spanje, Italië en Finland. In landen als België, Duitsland, Denemarken, Zweden en bij enkele Italiaanse provincies worden standaarden ontwikkeld, die vergelijkbaar zijn met ‘onze’ IMRO en RO Standaarden. Geen van deze landen kiest echter voor een primaat bij de digitale versie. Dat geeft meer ruimte voor maatwerk en bandbreedte bij het maken van digitale plannen. Alleen Denemarken heeft een wettelijk geregelde beschikbaarstelling waarbij eerst gezorgd is voor de centrale ontsluiting van alle huidige geldende plannen en besluiten. Er is hier een zeer gebruiksvriendelijk en breed opgezet centraal loket gemaakt op basis van volledige en actuele brondata met bijbehorende metadata. Denemarken staat hiermee binnen Europa op eenzame hoogte. Toch is de planinhoud zelf niet verder objectgericht gemaakt. Deze enorme hoeveelheid aan goed ontsloten plannen maakt helder dat het idee binnen RO-online om de plannen ‘plat te slaan’ tot één laag met dé vigerende bestemming nooit kan werken. In Portugal en Frankrijk is eveneens een centraal landelijk planregister beschikbaar. Dit wordt actueel gehouden doordat het al jaren verplicht is om plannen, nu ook digitaal, voor te leggen aan de centrale overheid. Portugal biedt alle informatie tevens in wms-service en vormt een toonbeeld van schoonheid door eenvoud. In Duitsland bestaat een uitgebreid stelsel van gml-normen waarbij overheidsbreed alle domeinen zijn uitgewerkt. Voor ruimtelijke ordening geldt daar de XPlanung als standaard die verbonden is met het City-gml (algemene open standaard) en navolging vindt in andere landen richting Oost-Europa zoals Oostenrijk, Macedonië en Roemenië. Maar ook in Duitsland is geen verplichte toepassing van deze standaarden. Bovendien wordt ook hier de planinhoud zelf nauwelijks fijnmazig gecodeerd.

In Groot-Brittannië staat het planning portal centraal met het proces van aanvragen en verlenen van een planning permission. Hier gaat het juist om het ondersteunen van het proces zelf, het ontsluiten van bijbehorende informatie en het

Bestemmingsplan is geen integratiekader meer maar volgend stroomlijnen van interactiemogelijkheden met directe koppeling naar gemeentelijke planinfo. Er worden weboplossingen aangeboden voor e-inspraak en e-petitions. Zeer bruikbaar allemaal!

Europese stroomlijning Hoe verder? Het past Nederland om voor de eigen succesformule van de RO Standaarden breder draagvlak te verkrijgen bij de andere lidstaten van de EU. In de Inspire-richtlijn is al geregeld dat ruimtelijke data in een type systeem moet worden opgeslagen dat uitwisseling op Europees niveau mogelijk maakt. Omdat de verschillende ro-stelsels redelijk vergelijkbaar zijn en ook in Nederland is gebleken dat het een enorme zoektocht is om een robuust digitaal systeem te kunnen realiseren, levert onderlinge afstemming altijd winst op. De beginvraag moet echter niet zijn om een uitgebreide geo-database te bouwen maar het ruimtelijke besluitvormingsproces optimaal te laten verlopen. De basis daarvoor dient een Europose norm te zijn voor het kunnen vastleggen van de besluitgebieden met metadata voor alle denkbare vormen van ruimtelijke overheidsbesluiten en bijbehorende procesdocumenten. é Bram van Hoeve,

adviseur digitale ruimtelijke ordening b.vanhoeve@rogem.nl

september 2010 35

ROM_09_2010.indd 35

9/3/2010 3:11:10 PM


Forum

Zwakke schakels, sterke aanpak

Lessen voor het Deltaprogramma en het Deltafonds Bij de prioritaire zwakke schakels aan de kust is veiligheid nadrukkelijk gekoppeld aan ruimtelijke kwaliteit. Deze integrale aanpak met een regierol voor provincies en de inbreng van gemeenten biedt waardevolle lessen voor lopende en toekomstige versterkingstrajecten, en specifiek voor de organisatie van het Deltaprogramma en de opzet van het Deltafonds. Integraal denken en werken zijn geen keus meer, maar een noodzaak.

I

n 2003 zijn acht prioritaire zwakke schakels benoemd. Het betreft locaties in de kust waar de waterkering bestaat uit duingebied en/of zeedijk die op een termijn van twintig jaar niet meer aan het wettelijke veiligheidsniveau voldoet. Oplossingen voor de verbetering van die zwakke schakels zijn in planstudies onderzocht, onder regie van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. Deze planstudies

zijn opgesteld via een integrale en decentrale aanpak. Dit betekende dat vanuit het perspectief van het verbeteren van de veiligheid én van ruimtelijke kwaliteit (dubbeldoelstelling) in samenwerking met alle betrokken partijen moest worden gekomen tot oplossingsvarianten voor de zwakke schakels.

Effectieve prikkel De voorwaarde die het Rijk stelde aan de financiering is een eerste vernieuwing. Het definitieve fiat voor de kustversterkingsmaatregelen zou worden gegeven wanneer ook de ruimtelijke kwaliteit, zowel in de planvorming als de uitvoering, inhoudelijk en financieel geborgd zou zijn door betrokken partijen. Puur en alleen vanuit veiligheidsperspectief zou de keuze voor het opbrengen van grote hoeveelheden zand op en voor de kust van Scheveningen en Noordwijk meer voor de hand liggen. Omdat de ruimtelijke kwaliteitsdimensie via de financieringsvoorwaarden verknoopt was in de aanpak voor de zwakke schakels is gekozen voor alternatieven die meer ruimtelijke kwaliteit boden, in de vorm van een ‘dijk in boulevard’- en ‘dijk in duin’-variant.

Verruiming van de scope Het tweede vernieuwende element betreft het procesontwerp. Het Rijk legde de verantwoordelijkheid voor de planstudies bij de provincies neer. Door middel van een beschikking hebben provincies subsidie gekregen voor bekostiging van de uitvoering van de planstudie. De provincies hebben deze middelen aangewend om de samenwerking aan de planstudies door middel van gebiedsprocessen te organiseren. De meerwaarde van de samenwerking in de gebiedsprocessen lag met name in het feit dat in een aantal gebieden partijen hun doelen niet alleen hadden kunnen verwezenlijken. Bij een aantal zwakke schakels constateerden de

september 2010 36

ROM_09_2010.indd 36

9/3/2010 3:11:11 PM


waterbeheerders dat alleen het verbeteren van de veiligheid van de zwakke schakels, zonder aandacht voor ruimtelijke kwaliteit, weerstand zou opleveren. Tegelijkertijd constateerden sommige gemeenten dat een kwaliteitsimpuls niet haalbaar was geweest, zonder deze te verbinden aan de maatregelen gericht op het verbeteren van de veiligheid. Met de nauwere betrokkenheid van provincies en gemeenten in het planstudieproces werd de inbreng van de ruimtelijke kwaliteitscomponent geborgd. Deze aanpak dwong de waterbeheerders, die gewend waren vanuit een veiligheidsen beheerperspectief naar de zwakke schakels te kijken, hun blik te verbreden en naar ‘vernieuwende’ oplossingen te zoeken die ook recht doen aan de ruimtelijke kwaliteit. Ook het tijdig en adequaat communiceren met burgers, bedrijven en belangenorganisaties bleek een belangrijke succesfactor om te komen tot een breed gedragen alternatief. In Zuid-Holland werden deze partijen door de waterbeheerders betrokken nog voordat de versterkingsalternatieven werden ontwikkeld, zodat hun inbreng meegenomen kon worden in de planontwikkeling.

Meerwaarde Het toekennen van een regierol aan de provincies heeft in belangrijke mate bijgedragen aan realisatie van de

‘dubbeldoelstelling’, omdat het de provincies in positie bracht om integrale gebiedsprocessen te organiseren tussen waterbeheerders (verantwoordelijk voor veiligheid) én gemeenten en provincie (verantwoordelijk voor ruimtelijke

B o ulevard, No ordwi jk

Foto: Roel Dijkstra

Voor een geslaagde aanpak is een goede organisatie van het besluitvormingsproces essentieel kwaliteit). Het blijkt dat de provincies door dit procesontwerp én door de voorwaarde dat alleen integrale oplossingsvarianten zouden worden gefinancierd, in de positie waren om tot adequate en breed gedragen voorkeursalternatieven voor de kustversterking te komen. Essentieel om de aanpak ook daadwerkelijk te laten slagen is een goede organisatie van het besluitvormingsproces, waarbij aansluiting op de bestaande bestuurlijke verhoudingen de primaire succesfactor blijkt. Zo bleek deze factor uit onderlinge vergelijking van de provincies van grote invloed op de vertraging die in Noord-Holland is opgelopen met de planstudies. De ambtelijke projectorganisatie bleek achteraf

èè

september 2010 37

ROM_09_2010.indd 37

9/3/2010 3:11:13 PM


Forum

onvoldoende toegerust om de bestuurlijke samenwerking te dragen. De betrokken partijen concluderen dat de aanpak van de zwakke schakels niet kan worden beschouwd als een alternatief voor de meer traditionele, sectorale wijze van ontwikkeling van kustversterkingsplannen, maar als de enige mogelijkheid om in de toekomst tot een integraal kustbeleid te komen. Deze integrale aanpak is daarmee niet zozeer een nieuwe optie om kustversterkingsplannen op te stellen, maar dé basis voor toekomstige versterkingen. De ontstane samenwerkingsverbanden worden ook voor toekomstige kustversterkingsplannen van groot belang geacht.

Bestuurlijke verhoudingen Wij zien twee belangrijke lessen voor het Deltaprogramma op grond van de ervaringen met de zwakke schakels. 1. Zoek aansluiting bij bestaande bestuurlijke verhoudingen Het Deltaprogramma gaat over de langetermijnveiligheid van ons land en de zoetwatervoorziening en vloeit voort uit het advies van de commissie-Veerman (2008). Bij het opstellen van het Deltaprogramma wordt gezocht naar samenhang met beleidsdoelen op andere beleidsterreinen, zoals natuur en ruimtelijke kwaliteit. Het Deltaprogramma kent zes gebiedsgerichte deelprogramma’s. De ervaring met de prioritaire zwakke schakels leert dat een adequate organisatie van het planproces, afgestemd op de bestaande bestuurlijke verhoudingen, van cruciaal belang is. Dit vraagt (in elk geval voor de kust) maatwerk in de organisatie van de deelprogramma’s, omdat de bestuurlijke verhoudingen tussen provincie, waterschappen en gemeente langs de kust sterk verschillen. Zo heeft de provincie Zuid-Holland haar regierol ‘op afstand’ ingevuld, door de verantwoordelijkheid van de uitwerking van de planstudies bij de waterschappen neer te leggen. Deze aanpak paste bij de bestuurlijke verhoudingen omdat de betrokken waterschappen over voldoende kennis en capaciteit beschikten om met de gemeenten tot een evenwichtige afweging van veiligheid en ruimtelijke kwaliteit te komen. Op momenten dat deze processen stagneerden, vervulde de provincie haar rol door op de voortgang van het proces te sturen. In Zeeland heeft de provincie juist een complementaire rol in de samenwerking tussen de (kleinere) gemeenten en waterschappen. De provincie Zeeland heeft dan ook meer inhoudelijk de regie gevoerd, door een projectbureau Zwakke Schakels in te richten en het secretariaat daarvan te voeren. Om de organisatie van integrale planprocessen in de kust toe te snijden op de verschillende regionale bestuurlijke verhoudingen ligt een decentrale aansturing in onze ogen dan ook het meest voor de hand.

Integrale financiering 2. Zorg voor integrale financiering van planvorming én uitvoering De ervaring leert dat de zwakke schakels meer ruimtelijke kwaliteit hadden opgeleverd, wanneer ook de financiering van de uitvoering op nationaal niveau een meer integraal karakter had gehad (en niet alleen bij de planvorming). Bij de zwakke schakels waren alleen financiële middelen voor versterking vanuit het ministerie van V&W beschikbaar. Andere ministeries leverden geen structurele financiële bijdrage voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (m.u.v. het ministerie van VROM via de FES-gelden). Deze situatie blijft vooralsnog bestaan met het Deltafonds. Het Deltafonds wordt zowel voor als na 2020 vooralsnog uitsluitend gevoed met geld van de begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en kan (vooralsnog) alleen dekking bieden voor uitgaven ter borging van de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening. Bijkomende maatregelen op aanpalende beleidsterreinen zoals natuur, milieu, recreatie, die voortvloeien uit de beoogde ‘integrale aanpak’ van het Deltaprogramma moeten vooralsnog worden bekostigd uit de sectorale budgetten van de betrokken departementen. Wanneer deze middelen niet beschikbaar komen, is het de vraag of de sectorale watermaatregelen daadwerkelijk zijn te realiseren. De ervaring met de zwakke schakels leert immers dat een integrale aanpak geen keus meer is, maar een noodzaak. En om aan die integrale aanpak invulling te geven, moet het Rijk de juiste financiële en organisatorische randvoorwaarden stellen. Een brede financiering van het Deltafonds, zoals ook bepleit in ROmagazine 3, maart 2010 pag 15-17) is er daar één van. Het Deltaprogramma heeft een planhorizon tot 2100. Het Deltafonds biedt de optie tot voorfinanciering. Deze combinatie maakt het in principe mogelijk maatregelen voor de verre toekomst (op basis van no regret) al in het heden te realiseren. Daarvoor moeten dan wel adequate ruimtelijkeconomische argumenten worden aangevoerd. Denk bijvoorbeeld aan additionele zandsuppleties met een effect voor vijftig tot honderd jaar, waarmee een extra brede kuststrook ontstaat die ruimte biedt aan ruimtelijk-economische ontwikkelingen in de kust. Uitgaand van het idee dat veiligheid en ruimtelijke kwaliteit gekoppeld moeten zijn in het kustbeleid, vraagt dit een ruimtelijke visie op de kust en een investeringsagenda, met een planningshorizon die daarbij past. é Noor Bouwens en Ronald van Ark

Noor.bouwens@dhv.com Ronald.vanark@dhv.com Procesevaluatie planstudies prioritaire Zwakke Schakels in de kust. Het in samenhang verbeteren van de veiligheid en ruimtelijke kwaliteit, ministerie van Verkeer en Waterstaat, 2009.

september 2010 38

ROM_09_2010.indd 38

9/3/2010 3:11:25 PM


Praktijk

Pilots SKB-project BodemGebieden

Vraag en aanbod van ondergrondinformatie bij gebiedsontwikkeling W

elke rol speelt ondergrondinformatie in een traject van gebiedsontwikkeling? Hoe speelt het spel zich af van vraag en aanbod? Om welke ondergrondinformatie vragen gebiedsontwikkelaars? Met welk aanbod komen ondergrondspecialisten? Hoe komen onwetende vragers en wervende aanbieders bij elkaar? In het SKB-project Bodem4Gebieden, uitgevoerd door H2Ruimte en Carthago in nauwe samenwerking met de gemeente Rotterdam en de provincie Zeeland, is het spel van vraag en aanbod van ondergrondinformatie praktijkgericht in beeld gebracht en zijn stappen gezet om vraag en aanbod beter te structureren. Voor twee pilots, de Kop van Feijenoord en Oost-Zeeuws-Vlaanderen, is een proces van

ontmoetingen georganiseerd tussen gebiedsontwikkelaars en ondergrondspecialisten. In de ontmoetingen is gewerkt aan gedeelde urgenties en gezamenlijke kwaliteitsambities voor een gebied. Deze vormen een belangrijke basis om elkaars professionele positie te herkennen, te waarderen en te benutten. Het onderling vertrouwen groeit en een dialoog over bruikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van geleverde informatie is een logisch gevolg. Bodem4Gebieden leert dat een intelligente samenwerking tussen mensen van verschillende diensten en afdelingen leidt tot een veel betere afstemming van vraag en aanbod van ondergrondinformatie. En dat levert veel op: in gebiedskwaliteit én in klinkende munt.

Kop van Feijenoord

Beter gebruik van ondergrondinformatie in gebiedsontwikkeling De Kop van Feijenoord in Rotterdam is een stedelijke herstructurering op en rondom de spoortunnel onder de stad. De stedenbouwkundige opgave is om het litteken van het spoortunneltracé te helen en de verbindingen van de wijk met haar directe omgeving te verbeteren.

E

en nieuwe brug in het verlengde van de Willemsbrug en een tramontsluiting van het gebied maken onderdeel uit van de herstructurering. Het ruimtelijk programma voorziet

in de toevoeging van 1500 woningen onder meer op de spoortunnel en door herontwikkeling van een voormalig fabrieksterrein. Een aantal wooncomplexen komt in

èè

september 2010 39

ROM_09_2010.indd 39

9/3/2010 3:11:25 PM


Praktijk

K op van Fe i j enoord: visiebeeld 2 uit con ce p t v i s i e 2 0 0 8

aanmerking voor sloop en vervangende nieuwbouw. De ontwikkeling van een aantal prominente verblijfsplekken en herprofilering van bestaande straten moet zorgen voor een kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte.

antwoord komt routinematig in de vorm van technische kaarten, meetgegevens en bodemprofielen. Veel basismateriaal, weinig interpretatie, weinig oog voor de betekenis voor de planvorming en niet in de taal van de ontvanger.

Een consortium van projectontwikkelaars, woningbouwcorporatie en enkele diensten van de gemeente Rotterdam hebben een masterplan opgesteld. In de voorbereiding van dit plan is de ondergrond niet leidend. De visie is grotendeels ‘los van de ondergrond’ tot stand gekomen. Toch is er informatie over de ondergrond aangeleverd getuige de anekdote van de steekwagen. ‘Op een goede dag wordt er zonder al te veel commentaar een steekwagen met bodeminformatie aangeleverd. Al die informatie is puur vakwerk: boorgegevens, bodemkaarten en computeruitdraaien inclusief een overkoepelende technische rapportage. Meer informatie kun je je niet wensen. Maar wat moet je ermee?’

Deze gang van zaken is niet uitzonderlijk bij gebiedsontwikkeling. Toch is dit een gemiste kans. Feitelijke informatie wat waar in de ondergrond zit (bijvoorbeeld kabels en leidingen) biedt zicht op potentiële belemmeringen, die zwaar kunnen drukken op de exploitatie en direct raken aan de haalbaarheid van het plan. Bovendien biedt informatie over bodemgesteldheid en eigenschappen van de ondergrond inzicht in de kansen van een gebied. Denk aan versterking van de identiteit door gebruik van archeologie en aan warmte-koudeopslag.

Feitelijke informatie, wat waar in de ondergrond zit , biedt zicht op potentiële belemmeringen die direct raken aan de haalbaarheid van het plan Zo schetst Gauke Weg van het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam de communicatie en samenwerking tussen de meer planningsgerichte en de meer technische afdelingen. Het voorbeeld Kop van Feijenoord illustreert twee manco’s over de rol van de ondergrond bij gebiedsontwikkeling. Allereerst ontbreekt in projectteams kennis van en interesse in de ondergrond. Ten tweede worden informatievragen te vaak als vaste routine neergelegd bij specialisten. Het

Pilot In 2009 is er voor de Kop van Feijenoord een pilot gestart om de informatievoorziening tussen de planvormende partijen en de technische, informatieleverende partijen beter te structureren. Het Team Planadvies Ondergrond van Gemeentewerken heeft het voortouw genomen met een werkwijze die veel aandacht besteedt aan de wisselwerking tussen vraag en aanbod van ondergrondinformatie. Communicatie met de vragende partij is een speerpunt: waar bevindt het proces zich, welke informatie is nu cruciaal, in welke vorm wil de klant dit hebben, welke vragen roept tussentijds gepresenteerde informatie op? Zo ontstaat zicht op de wensen van de klant, groeit er een band en is er de mogelijkheid om andere opties op tafel te leggen in de vorm van ‘heb je ook gedacht aan...?’ Naast risico’s van de ondergrond komen zo ook de kansen in beeld. De resultaten van de pilot zijn veelbelovend. Als onderdeel van de pilot heeft het team een ‘Quick Scan Atlas’ van de ondergrond gemaakt met veel aandacht voor de interpretatie

september 2010 40

ROM_09_2010.indd 40

9/3/2010 3:11:25 PM


en leesbaarheid van de kaarten. De ontvangende partijen waren positief: ‘Eindelijk kaarten die we kunnen lezen, en die de aandacht vestigen op relevante zaken’ en ‘zo’n atlas willen we in het beginstadium voor alle projecten’.

Het Team Planadvies Ondergrond stemt af tussen ondergrondspecialisten en vormt de brug naar de planvormende partijen. Vereist is dat dit team vaardig is om technische, gebieds- en beleidskennis samen te brengen.

Samenwerken

Informatie op maat

Om planvormende partijen inzicht in de potentiële belemmeringen en in de baten van de ondergrond te bieden, is een benadering nodig waarin de afzonderlijke technische ondergrondspecialismen onderling samenwerken en samenwerken met stedenbouwkundigen en planeconomen.

De pilot Kop van Feijenoord leverde bij de fase van het proces passende informatie op over onder meer de kosten voor bodemsanering, de (on)mogelijkheden voor ondergronds bouwen in relatie tot grondwaterpeilen en de uitgiftehoogte van bouwgrond. Dit is van belang voor de verlegging van kabels en leidingen en voor wie de kosten hiervan moet dragen. Dit zijn onderwerpen met een directe doorwerking in de grondexploitatie. Een andere opbrengst is dat zaken terug op de agenda kwamen na eerst te zijn afgevallen (bijvoorbeeld warmte- en koudeopslag) of juist eerder zijn geagendeerd (bijvoorbeeld drukte in de ondergrond werkt belemmerend voor de inrichting van de openbare ruimte: waar kan een boom nog wortelen?). De Kop van Feijenoord leert dat kansen van de ondergrond voor gebiedsontwikkeling benutten alleen lukt als er sprake is van dialoog over ondergrondinformatie. Als de steekwagen met bodemprofielen plaatsmaakt voor een gedeeld inzicht en gedeelde visie op de ondergrond.

K op van Fe ye noord: l u c h t fo to m e t spoortunnel op inzetkaart

é Willem van Deursen, Carthago Consultancy Zicht op oude spoorbrug op verhoogd talud

é Henk Puylaert, H2Ruimte

september 2010 41

ROM_09_2010.indd 41

9/3/2010 3:11:26 PM


Praktijk

Diepe ondergrond is de bouwsteen voor bovengrondse uitdagingen De diepe ondergrond was lang ‘terra incognita’, maar komt steeds vaker in beeld als oplossing voor bovengrondse problemen en uitdagingen. Er is ruimte voor bijvoorbeeld opslag van CO2 of de winning van aardwarmte. Maar zonder een duurzaam en samenhangend bodembeleid ontstaan onwenselijke situaties.

D

e groeiende behoefte aan alternatieve energiebronnen en de steeds striktere doelen voor het behalen van emissiereducties maken het gebruik van de diepe ondergrond voor duurzame ontwikkelingen steeds aantrekkelijker. Zo wordt in toenemende mate aardwarmte gebruikt voor verwarming van gebouwen en woningen en zijn er initiatieven voor ondergrondse opslag van aardgas of CO2. En dat

De vlekkenkaart voor de drie noordelijke provincies biedt tal van aanknopingspunten voor beleid

De samenhang tussen de verschillende bodemlagen weergegev e n a l s e e n tom p o e s (Duijn et al. (2009), TNO-notitie ‘B oveng rondse ambities e n p o te n t i e s i n d e d i e p e o n d e r g ron d : e e n afwe g ingssystematiek ’).

zijn nog maar drie van de vele voorbeelden waarbij de ‘diepe ondergrond’ mogelijkheden biedt voor het oplossen van bovengrondse ambities. TNO en Deltares brachten voor de provincies Drenthe, Groningen en Friesland in kaart hoe die boven- en ondergrondse functies zich tot elkaar verhouden en welke mogelijkheden er liggen voor lokaal, regionaal, provinciaal of landelijk beleid. De gehanteerde methode is ook voor andere overheden een goede basis voor duurzaam beleid. Vlekkenkaart ruimtelijke ontwikkelingen: Omgevingsbeleid provincies.

Ondiep ruimtegebruik, Zoals ondergronds bouwen en infrastructuur, WKO.

Potenties van de Ondergrond voor Opslag en Winningen: CO2-opslag, Afvalopslag, Opslag perslucht, Geothermie, winning olie en gas.

De bodemfuncties: 1. Informeren 2. Dragen 3. Reguleren 4. Produceren

Tompoes Er zijn veel mogelijke gebruiksfuncties in de diepe ondergrond. Maar dat betekent niet dat het gebruik ervan tegelijkertijd of op dezelfde plek kan plaatsvinden. Een voorbeeld: als ondergrondse warmte wordt geproduceerd, kan niet vanzelfsprekend op dezelfde plaats ook CO2 worden opgeslagen. Daarnaast zijn er effecten op de andere bodemlagen. Zo moet voor de winning van bijvoorbeeld aardwarmte een put worden geslagen. Deze gaat door de ondiepe ondergrond en heeft een bovengrondse aansluiting. Belangrijk dus om daarmee rekening te houden tijdens het inrichten van het ‘maaiveld’ (ofwel de bovengrond) en de onderliggende bodemlagen. De verschillende bodemlagen zijn te vergelijken met een tompoes: onderop een harde korst, daarboven een tussenlaag en een mooie toplaag. Als er iets niet deugt aan een van de ingrediënten, dan smaakt de hele tompoes niet. Eenzelfde samenhang vertonen de diepe en ondiepe bodemlagen en de bovengrond. Het gebruik van de diepe ondergrond kan daarom niet zonder een duurzaam bodembeleid. In dat beleid moeten de drie lagen in samenhang behandeld worden. Gebeurt dat niet, dan ligt een ruimtelijke crisis van de diepe ondergrond in het verschiet.

Vlekkenkaart Overheden hebben nog nauwelijks beleid voor het gebruik van de diepe ondergrond. Vreemd is dat niet. Het is niet gemakkelijk om een dergelijk duurzaam en samenhangend bodembeleid te ontwikkelen, want verschillende overheden hebben verschillende belangen, sturingsinstrumenten en verantwoordelijkheden. Daarnaast is er een veelheid aan ondergrondse gebruiksfuncties, die elk hun eigen kenmerken hebben. In de provincies Drenthe, Groningen en Friesland biedt de ondergrond mogelijkheden voor onder meer zoutwinning, aardgaswinning, oliewinning, diepe aardwarmte, CO2-opslag, gasopslag en persluchtopslag. Tijdens het project Diep en Duurzaam zijn deze ondergrondse gebruiksfuncties vergeleken met documenten zoals

september 2010 42

ROM_09_2010.indd 42

9/3/2010 3:11:27 PM


provinciale omgevingsplannen van de drie provincies, plannen op het gebied van klimaat en energie en de structuurvisies van grotere gemeenten. Daarnaast is ook gekeken naar landelijke ambities (bijvoorbeeld op het gebied van ondergrondse CO2-opslag) en gevolgen van Europees beleid. Op basis van deze kennis is een ‘vlekkenkaart’ gemaakt. Daarop is te zien waar welke gebruiksmogelijkheden concurreren bij het maken van keuzes, of waar juist kansen liggen. Zo levert de vlekkenkaart informatie over welke gebruiksmogelijkheden eventueel vlak naast elkaar liggen, welke technieken nodig zijn om die mogelijkheden te realiseren (bijvoorbeeld een put, of het gebruik van de bovengrondse ruimte) en welke effecten die technieken op de andere bodemlagen kunnen hebben. Daarnaast kunnen op basis van die vlekkenkaart aanbevelingen worden gedaan voor gebruiksfuncties die nog niet in beeld zijn en/of waarvoor nog geen beleid is. De vlekkenkaart voor de drie noordelijke provincies biedt tal van aanknopingspunten voor beleid. Zo laat de ‘vlekkenkaart’ zien dat in (of onder) Friesland tal van gebieden geschikt zijn voor de opslag van aardgas en CO2 in lege gasvelden. In Drenthe blijkt vooral de factor tijd van belang te zijn. Hoe verder in de tijd, hoe meer het potentieel voor aardgas of CO2-opslag lijkt af te nemen. Deze invloed is ook te zien in Groningen: het opslagpotentieel in lege aardgasvelden verschilt in tijd en verschilt voor de opslag van aardgas of CO2.

De provincie Drenthe heeft op basis van het resultaat van het project Diep en Duurzaam een ontwerp-structuurvisie voor de ondergrond opgesteld (besproken in ROmagazine, 4 april 2010, red.). De afwegingsstrategie die is ontwikkeld tijdens Diep en Duurzaam is dus een praktisch stappenplan voor het ontwikkelen van duurzaam en samenhangend beleid. Ondergrondse gebruiksfuncties en bovengrondse ambities kunnen er uitstekend mee in kaart worden gebracht en aan elkaar worden gekoppeld.

First frontier Ook bestuurders en beleidsmakers kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het – op duurzame wijze – benutten van de mogelijkheden in de diepe ondergrond teneinde bovengrondse ambities te ondersteunen en verzilveren. In plaats van de ondergrond te beschouwen als ‘last frontier’, zouden zij deze moeten gaan zien als bouwsteen voor nieuwe ruimtelijke ontwerpen. Het is daarom van groot belang dat ook planologen, stedenbouwkundig ontwerpers, bestuurders en beleidsmakers de diepe ondergrond zien als ‘first frontier’. De ondergrond biedt kansen om onze bovengrondse, duurzame ambities optimaal te benutten. Duurzaam en samenhangend beleid is hierbij onmisbaar. é Mike Duijn en Muriel van der Kuip (TNO),

Mike.duijn@tno.nl; muriel.vanderkuip@tno.nl é Linda Maring (Deltares)

Linda.maring@deltares.nl

Oost-Zeeuws-Vlaanderen

Dialoog met meerwaarde Oost-Zeeuws-Vlaanderen is een overwegend agrarisch gebied met een rijke cultuurhistorie. De regio bestaat uit een overgang van de hogere Vlaamse zandgronden naar de laag gelegen Zeeuwse Delta. Het gebied is in de Tachtigjarige Oorlog zwaar bevochten. Zowel door de Spanjaarden als door de Staatsen werden veelvuldig dijken doorgestoken om gebieden te inunderen. Hierdoor is een landschap ontstaan van dijken, kleine polders en kreken (voormalige getijdegeulen). In de regio loopt een aantal projecten vanuit de provincie Zeeland.

Z

o wordt het oude veerhaventerrein Perkpolder getransformeerd tot een gebied voor wonen, recreatie en natuurontwikkeling. Verder vindt realisatie van EHS plaats, wordt een robuuste ecologische natte-as vanuit het Zoommeer naar de Belgische kust aangelegd, vindt natuurcompensatie voor de verdieping van de Westerschelde plaats (o.a. ontpoldering Hedwigepolder) en vinden infrastructurele

werken plaats zoals de aanleg van de Sluiskiltunnel onder het Kanaal Gent-Terneuzen en de wegverdubbeling van de weg van Terneuzen naar Zelzate. Een groot aantal van deze projecten wordt vanuit de provincie aangestuurd door de afdeling Gebiedsontwikkeling. Het stadium waarin de diverse projecten zich bevinden èè

september 2010 43

ROM_09_2010.indd 43

9/3/2010 3:11:28 PM


Praktijk

de afdeling Gebiedsontwikkeling zich veelal niet bewust was van de enorme hoeveelheid gegevens die binnen de provincie beschikbaar zijn over de ondergrond. Daarnaast bleek dat veel kaarten een legenda hebben die lastig is te begrijpen of door het kleurgebruik van de kaart verkeerde associaties opriepen. In een tweede sessie werd dit nauwgezet per kaart bekeken en werd door een medewerker Ondergrond een toelichting gegeven over de kaart.

Eye opener

Ho eve van der Meulen i n ’s He er A b t skerke

Foto: Provincie Zeeland

verschilt sterk, variërend van voorstudie voor planontwerp tot vergevorderd in de uitvoering. De grote gemeenschappelijke deler van de projecten is dat ze gericht zijn op een kwaliteitsimpuls voor de regio (economisch, landschappelijk, ecologisch en recreatieve).

Verspreid Opvallend is dat tot dusver bij geen van de projecten de ondergrond expliciet bij het planontwerp was betrokken. Natuurlijk worden bepaalde ondergrondaspecten wel sectoraal meegewogen. Zo is het bodemtype behoorlijk voorwaardenscheppend bij aanleg van EHS en wordt bij elk gebiedsproject vroeg of laat wel gekeken of bodemverontreiniging en archeologie tot de belemmerende factoren behoren. Met deze constatering wordt direct doorgestoten tot de kern. Onbekend maakt onbemind. De relatie tussen de afdeling Gebiedontwikkeling, met de afdeling Ruimte, en de afdeling Water en Natuur is prima. Een relatie met de afdeling Milieu (waar bodem/ondergrond onderdeel van uitmaakt) was er vooralsnog niet. Op zich niet verwonderlijk omdat bodem zich binnen de provincie tot voor kort eigenlijk beperkte tot bodemchemische aspecten zoals bodemsaneringen. Andere ondergrondthema’s lagen sectoraal verspreid over diverse afdelingen. Hierdoor kwam de integrale meerwaarde van ondergrond binnen gebiedsprojecten nooit uit de verf. Dit in tegenstelling tot thema’s als ruimtelijke ordening en water.

Verandering Om hier verandering in te brengen en de kansen die de ondergrond biedt zichtbaar te maken, is door de provincie Zeeland het stimuleringsprogramma ’t Zeeuws Bodemvenster gestart. Een onderdeel daarbinnen was een pilot in 2009 waarin een aantal ondergrondmedewerkers van de afdeling Milieu samen met een aantal medewerkers van de afdeling Gebiedsontwikkeling aan de hand van kaartmateriaal over de ondergrond van Oost-Zeeuws-Vlaanderen de dialoog met elkaar aanging. De pilot bestond uit meerdere werksessies waarin beschikbaar kaartmateriaal gezamenlijk werd bekeken en besproken. Bij de eerste sessie viel direct op dat

Voor velen van de afdeling Gebiedsontwikkeling bleek het ‘praatje bij het plaatje’ de eye opener te zijn. Al pratend werden toepasbaarheid en meerwaarde van de kaarten voor gebiedsprojecten steeds duidelijker. Voor afdeling Milieu was de eye opener dat het aanleveren van kaartmateriaal sterk vraaggestuurd moet plaatsvinden. Zo kan bij een archeologische verwachtingskaart de legenda uitgedrukt worden in hoge tot lage verwachtingswaarden. Evengoed kan de legenda echter uitgedrukt worden in het wel of niet moeten uitvoeren van archeologisch vooronderzoek of zelfs in het aantal benodige euro’s archeologisch onderzoek per hectare. Per stadium waarin een gebiedsproject zich bevindt kan de wijze waarop de legenda is opgesteld verschillend zijn. Een kaart is dus geen statisch product maar een flexibel communicatieinstrument binnen het proces van gebiedsontwikkeling. Hiermee samenhangend bleek dat de lay-out en de legenda van een kaart mede bepalend zijn of een bepaald ondergrondthema als belemmerend of juist als kans wordt gezien. Voor afdeling Gebiedsontwikkeling en afdeling Milieu was een belangrijke les dan ook om voortdurend met elkaar in dialoog te zijn. Zowel formeel aan de vergadertafel maar ook informeel op de gang bij het koffieapparaat. Daardoor is voor de één duidelijk wat de ander te bieden heeft en is voor de ander duidelijk wat de één graag wil of zou moeten hebben.

Inbedding en doorwerking Nu op de helft van 2010 kan rustig gezegd worden dat de pilot de relatie tussen afdelingen Gebiedsontwikkeling en Milieu sterk heeft verbeterd. Als vervolg op de pilot heeft een workshop over bodeminformatie plaatsgevonden met de hele afdeling Gebiedsontwikkeling, de ondergrondmedewerkers worden betrokken bij visievorming over gebiedsprojecten en technische expertise wordt gevraagd bij projecten die momenteel in uitvoering zijn. Daarnaast is afdeling Gebiedsontwikkeling zelf workshops voor gemeenten gaan aanbieden om vanuit de ondergrond met langetermijngebiedsvisies aan de slag te gaan, daarbij ondersteund door de afdeling Milieu. Al met al een goed voorbeeld waarbij een pilot daadwerkelijk tot opstap naar een verbrede samenwerking diende. é Walter Jonkers, Provincie Zeeland, afdeling Milieu é Martin Wissenkerke,

Provincie Zeeland, afdeling Gebiedsontwikkeling

september 2010 44

ROM_09_2010.indd 44

9/3/2010 3:11:28 PM


De Vereniging van Milieuprofessionals (VVM) is hét platform voor milieuprofessionals. De vereniging zet zich in voor alle milieuprofessionals, ervaren krachten en nieuw talent. De achtergrond van de leden is heel divers. Juist die variatie van werkgevers en disciplines maakt de VVM al bijna 25 jaar lang tot een wervend en inspirerend platform voor haar leden. Door de open cultuur komen intercollegiale contacten tot stand en is het mogelijk om discussie te voeren en opinies te vormen over alle mogelijke milieuonderwerpen.

Ideale samenwerkingsvormen rond de Wabo en de Wro RO- en milieuprocedures naast, niet na elkaar! Integrale vergunningverlening en planvorming met de Wabo en de nieuwe Wro. Hoe zet u deze processen in gang? Deze discussiebijeenkomst biedt u een brede blik in de toekomstmogelijkheden.

zich op de veranderingen in de dagelijkse praktijk van ruimtelijke ordening en milieu.

Programma

B. Inbreidingslocatie C. Infraproject D. Natuur in de omgeving E. Juridische invalshoek F. Pilotbedrijf 10.30 uur Koffiepauze 11.00 uur Parallelsessies – ronde 2 Herhaling van de praktijkcases - zie hierboven 12.00 uur Plenaire terugkoppeling en afsluiting 12.30 uur Lunch

De vroege vogel-bijeenkomst van VVM, ROmagazine en de Vereniging voor Waterstaat en Landinrichting richt

8.15 uur Inloop 8.45 uur Opening 8.50 uur Plenaire deel met twee openingssprekers: 1. De WABO en de noodzaak van een integrale benadering De WABO is meer dan een wettelijke verplichting. Het gaat om het stroomlijnen van het vergunningenaanvraag en verlening. Centrale vraag is wat de instelling van de WABO voor cultuurverandering in de totstandkoming van ruimtelijke plannen vergt. 2. Vol verwachting klopt ons hart… Klanten - marktpartijen en burgers wachten op de vereenvoudiging van de procedures. Wat is de uitdaging voor de praktijk van de planvorming? 9.30 uur Parallelsessies – ronde 1 6 praktijkcases: A. Saneringslocatie

VVM Agenda

Bezoek voor aanmelden en actuele informatie onze site: www.vvm.info

De nieuwe wetgeving voor het omgevingsrecht biedt volop mogelijkheden om milieuaspecten meteen mee te laten lopen in de planprocedures. Integraal ruimtelijke denken en werken dus. Naast het werken met één loket voor de omgevingsvergunning en het stroomlijnen van procedures, vraagt dit om het leveren van efficiente planningspraktijk: van de aanvrager en de vergunningverlener. De centrale opgave is dan ook het scheppen van de juiste condities en de ideale samenwerkingsvormen in de planvorming.

Life after Gore, part 4: The Chinese energy revolution Maandag 13 september Kivi Niria, Den Haag Debat ‘Gezagswaarde van de wetenschap in een veranderende maatschappij’ Dinsdag 14 september Nieuwspoort, Den Haag Pleidooi voor klokkenluiderschap Dinsdag 14 september Antropia, Driebergen

Verdere informatie Organisatie: VVM-Sectie Vergunningverlening en Handhaving i.s.m. ROmagazine en de Vereniging voor Waterstaat en Landinrichting. Datum: Woensdag 22 september 2010 Tijd: 8.15 - 13.00 uur Locatie Zalencentrum Aristo, Utrecht Kosten VVM-leden € 60,- / Studentleden € 20,- / Niet-leden € 110,- excl. BTW Aanmelden is mogelijk via de VVMwebsite www.vvm.info, of door een mail te sturen naar bureau@vvm.info.

Geurcongres 2010 Donderdag 16 september Saxion Hogeschool, Deventer

Zorgplicht Donderdag 30 september Regardz Eenhoorn, Amersfoort

Producentenverantwoordelijkheid voor recycling Donderdag 16 september Gouda

Milieubeurs 2010 Inclusief diverse VVM workshops en bijeenkomsten 12, 13 & 14 oktober Brabanthallen, ’s-Hertogenbosch

Ideale samenwerkingsvormen rond de Wabo en de Wro Woensdag 22 september Aristo, Utrecht

Vrijwillige ‘No Net (Biodiversity) Loss’ Vrijdag 29 oktober Antropia, Driebergen

september 2010 45

ROM_09_2010.indd 45

9/3/2010 3:11:30 PM


RO snippers

Schemergebied

Waterbeheer in internationaal perspectief

Rijkswaterstaat van binnenuit

2010 is het VN-jaar van de Biodiversiteit. Alleen

Water Policy Entrepreneurs is een omvangrijk

Bert Keijts, tot voor kort directeur-generaal

daarom al is het nuttig op wetenschappelijke

boek over de rol van leiderschap bij grootschalige

Rijkswaterstaat, hoeft geen spijt te hebben

basis te bezien of en in hoeverre bedrijven op

veranderingen in het internationale waterbe-

van de opdracht aan onderzoeksjournalist

vrijwillige basis een reguleringsstrategie voor

heer. Het verscheen in een periode dat zowel

Marcel Metze – die samen met Hans Boom

het behoud en duurzaam gebruik van agrobiodi-

Frankrijk als Engeland geteisterd werd door fikse

alweer enige tijd geleden een opzienba-

versiteit daadwerkelijk formuleren en uitrollen.

overstromingen. Het leverde daar veel commotie

rend boek over de totstandkoming van de

Is zelfregulering in dit opzicht betrouwbaar of

en economische schade op, die deels voorkomen

Betuweroute schreef – om openhartig en van

moeten samenleving en overheid toch een meer

hadden kunnen worden wanneer daar professio-

binnenuit het reorganisatieproces van deze

geformaliseerde vorm afdwingen? De overheid

neel waterbeheerorganisaties actief zouden zijn

dienst te beschrijven. Weliswaar kon deze

heeft agrobiodiversiteit gedefinieerd als soorten-

en door investeringen in duurzame en innova-

publicatie in deze vorm pas verschijnen na

rijkdom van planten, dieren, insecten en micro-

tieve oplossingen.

allerlei politiek en juridisch gedoe (Kamervra-

organismen in een landbouwgebied. Er worden

Ook in ons land is discussie over waterbeheer

gen, rechtbankuitspraken) maar ‘Veranderend

daarbij drie niveaus onderscheiden: genetische

gaande, zeker na het verschijnen van het

getij’ geeft een nauwkeurig, gedocumenteerd

diversiteit direct betrokken in de landbouwpro-

advies van de commissie-Veerman, over veilig-

en zeker geen rellerig beeld van de noodzake-

ductie, biodiversiteit met een life-supportfunctie

heid, over bezuinigingen in het kader van het

lijke en door de politiek en markt afgedwon-

en biodiversiteit met een landschapsecologische

nieuwe kabinetsakkoord en het opheffen van

gen vernieuwing van deze twee eeuwenoude

functie.

waterschappen in het kader van deregulering

en machtige dienst.

Mariëtte van Amstel die aan de Universiteit

en bezuinigingen. Er is bij dat alles – zo blijkt

Verzakelijking, afslanking (van 12.000 naar

van Utrecht op dit onderwerp promoveerde

ook uit de gepresenteerde internationale cases

9.000 ambtenaren), integriteit en centralisa-

heeft onder andere de fysieke omgeving laten

– sprake van veel bestuurlijk opportunisme

tie zijn de leitmotieven; de bouwfraude en de

monitoren of initiatieven van agrarische

en minachting van wetenschappelijke kennis.

nieuwe vormen van aanbesteden spelen bij

bedrijven, zoals telers, ook hebben geleid

Beide (Nederlandse) auteurs stellen vast dat

dat proces op de achtergrond en zo nu en dan

tot een verbetering van biodiversiteit in

noodzakelijke transities slechts kunnen worden

ook op de voorgrond mee, waarbij de realisatie

landbouwgebieden. Maar ook hier blijkt:

gerealiseerd door middel van pilotprojecten en

van complexe infrastructurele projecten als de

garanties worden niet gegeven. (RC)

experimenten waardoor de haalbaarheid van

Tweede Coentunnel, Betuweroute of HSL als

alternatieven kan worden getest en strategische

testcases fungeren.

M A R IË T T E VA N A MS T E L  VA N S A A N E  2 0 0 8  :

steun bij (wisselende) coalities kan worden

Een fascinerend boek dat het imago van

T W I L IG H T O N S E L F  R E G U L AT ION ; A S O C IO  L E G A L

gevonden. Daardoor kan effectiever worden

Rijkswaterstaat in een historisch en actueel

E VA LUAT IO N OF CON S E RVAT IO N A N D S U S TA IN A B L E

geanticipeerd, ook op (bijna-)rampen van

perspectief plaatst. (RC)

U S E OF AG ROBIODI V E R S I T Y B Y I N D U S T RY

ernstige droogte of wateroverlast. (RC) M A R C E L M E T Z E  2 0 1 0  : V E R A N DE R E N D G E T I J;

S E L F  R E G U L AT ION, N E DE R L A N D S E G E O G R A F I S C HE S T U DI E S N R . 3 6 2 , KON I N K L I J K N E DE R L A N D S

DAV E HUI T E M A E N S A NDER MEIJER INK 2009:

R I J K S WAT E R S TA AT I N C R I S I S, U I T G E V E R I J B A L A N S ,

A A R DR I J K S K U N DIG G E N O O T S C H A P / C OPE R N IC U S

WAT E R POLIC Y E N T R E PR E NEUR S; A R E SE A RC H

32 6 BL Z . I S BN 9 7 8 9 0 5 0 1 8 9 7 1

IN S T I TU U T, U T R E C HT. I SB N 0169 4839, 168 B LZ .

COMPA NION TO WAT E R T R A N SI T ION S A ROUND T HE G L OB E, EDWA R D ELG A R PUBL I SHING , C HELT E NHA M, I SBN 184 33 9315 8, 411 BLZ ., PR IJS: 150 EURO.

september 2010 46

ROM_09_2010.indd 46

9/3/2010 3:11:30 PM


RO snippers

Agenda

Rommers Visser: directeur Mobiliteit & Ruimte, Movares Ir. Gert Visser is benoemd tot directeur van de Movares-divisie Mobiliteit & Ruimte. Als manager van de afdeling Bouw & Vastgoed werkt Visser (45) sinds 2001 bij Movares. Hij heeft bijgedragen aan de verbreding van de divisie Mobiliteit & Ruimte. In zijn nieuwe functie zal hij de focus leggen op het versterken van de positie van Movares in de vroege planfase van projecten. De Movares-divisie Mobiliteit & Ruimte houdt zich bezig met duurzame transformatie en ontwikkeling van binnenstedelijke gebieden en gebouwen, d vaak in complexe vervoersknooppunten.

Best: nieuwe directeur Limburg, DHV Robert Best (50) is aangesteld als directeur van de regio Limburg van advies- en ingenieursbureau DHV. De heer Best werkt sinds 1999 bij DHV en is goed bekend met de Limburgse regio. Hiervoor was hij directeur Assetmanagement bij DHV. Hij volgt in deze functie mevrouw Vermijs op, die directeur van DHV’s business unit Vastgoed is geworden. DHV bedient de Limburgse markt met ongeveer 100 adviseurs h Airport. Voor zowel overheid als bedrijfsleven voert het bedrijf vanuit Maastricht projecten uit op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, verkeer, water, bouw en assetmanagement.

Congres/debat Begrotingsdebat 2010 Tijdens het begrotingsdebat 2010 wordt de ideale woningmarkt geschetst. Wat kan de eerste stap zijn van het nieuwe kabinet op het met prikkeldraad versperde pad van de woningmarkt? En wat moeten we daarvan terugzien in de rijksbegroting voor het komende jaar? Datum: 28 september 2010 Plaats: Nieuwspoort, Den Haag Info: www.nirov.nl Het Nationaal Bedrijventerreincongres 2010 Bedrijventerrein 2.0, alles is anders. Datum: 7 oktober Plaats: RDM-terrein, Rotterdam Info: www. nationaalbedrijventerreincongres.nl Stedenbouw Na de Crises Van Ontplanning tot Veranderkunde Datum: 14 oktober 2010 Plaats: De Rijtuigenloods, Amersfoort Info: www.bnspcongres.nl Gebiedscommunicatiecongres Draagvlakcommunicatie, omgevingscommunicatie en marketingcommunicatie vervullen een belangrijke rol in het realiseren van succesvolle gebiedsontwikkeling. Datum: 18 november 2010 Plaats: IJsselstein Info: www.ciron.nl

Prins: directeur Business Development, DHV Dr. Vic Prins (1952) is de nieuwe directeur Business Development van de DHV Groep, wereldwijd leverancier van advies- en ingenieursdiensten. Hij rapporteert aan de Raad van Bestuur en is lid van de Executive Council. Prins versterkt in deze functie de internationale samenwerking binnen de DHV Groep. Als lid van de besturen van een aantal buitenlandse dochterondernemingen bevordert hij gerichte samenwerking tussen bedrijfsmaatschappijen. Hij zorgt er onder meer voor dat k groepsbrede producten sneller op de markt komen. De heer Prins was van juni 2006 tot juli 2010 directeur Ruimte en Mobiliteit bij DHV. In deze rol leerde hij de Nederlandse activiteiten van DHV goed kennen. Daarvoor was hij directeur en CEO van DHV’s Zuid-Afrikaanse dochter SSI.

september 2010 47

ROM_09_2010.indd Sec1:47

9/3/2010 3:11:32 PM


In oktober! Trend

Slimme mainports Het is tijd voor een nieuwe ruimtelijke inbedding van Schiphol en de Rotterdamse haven. In de mainports wordt steeds minder toegevoegde waarde en werk gecreëerd met de kernactiviteiten logistiek en transfer van goederen en passagiers.

Ruimtelijk bekeken

Tijdelijke ordening Tijdelijke ordening is actueel. Door toenemende dynamiek in de stad en de opkomst van de creatieve ‘industrie’ worden gebouwen tijdelijk omgetoverd tot hotel, tentoonstellingsruimte, kantoor, werkplaats, nachtclub, congrescentrum, etc. Voorbeelden van toepassingen van tijdelijke ordening zijn er volop, maar hoe zit het met de regels?

Praktijk

Sturen op stedelijke kwaliteiten: internationale advocatuur in Amsterdam Voor stadsbestuurders en stedenbouwkundigen in de gemeente Amsterdam is een grondige analyse van een beroepssector zoals de internationaal georiënteerde advocatuur een machtige en actuele bron van informatie. Het is van belang voor gemeentebeleid om hieruit kennis te putten ten gunste van de stedelijke ontwikkeling op een prominente plek zoals de Zuidas.

Colofon Jaargang 28 nr. 9 september 2010 ROmagazine is het maandelijkse vakblad voor de ro’er bij gemeente en provincie, de rijksoverheid, marktpartijen en maatschappelijke organisaties. ROmagazine biedt actuele informatie over ontwikkelingen in het beleid, beschrijft best cases in de uitvoering van dat beleid en biedt een platform voor opinies over de ruimtelijke ontwikkeling. Aan deze uitgave is de grootst mogelijke zorg besteed: voor onvolledige/onjuiste informatie aanvaarden auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor verbetering van onjuistheden houden zij zich aanbevolen. Redactieadres Reed Business bv Postbus 152 1000 AD Amsterdam telefoon: 020-515 91 89 of 06-485 200 20 e-mail: ROmagazine@reedbusiness.nl Redactie Marcel Bayer (hoofdredacteur), Max Rozenboom (eindredactie), Jaco Boer, Pieter van den Brand, Martin de Jong, Michel Robles, Marieke Vos Medewerkers Karl Bijsterveld, Pieter van den Brand, Karin Broer, Tryntsje Dykstra, Addo van der Eijk, Mark Hendriks, Martin de Jong , Bas Husslage, Loek Kusiak, Sanne van der Most, Harry Perrée, Michel Robles, Ton van Rietbergen, Lucas Rozenboom (cover) Uitgever Heleen Kooistra Website www.romagazine.nl

Abonnementen/klantenservice Reed klantenservice Postbus 808 7000 AV Doetinchem telefoon: 0314-358 358, fax: 0314-358 161 e-mail: klantenservice@reedbusiness.nl ROmagazine is gratis voor ambtenaren milieu en ro rijksoverheid, provincie, waterschappen, regiobesturen en gemeenten. Aanmelden kan via website www.romagazine.nl. Jaarabonnement: • standaard € 169,95 incl. btw • studenten en VVM- en NIROV-leden € 89,95 incl. btw • meeleestarief (v.a. 2e abonnement op hetzelfde adres) € 78,75 incl. btw • losse nummers € 23,75 incl. btw excl. porti Abonnementen kunnen ieder moment ingaan, doch slechts worden beëindigd indien schriftelijk, telefonisch of per e-mail vóór 1 november van de lopende jaargang is opgezegd. Bij niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Het volgende nummer van ROmagazine verschijnt in oktober. Uw opgegeven gegevens kunnen door Reed Business bv en geselecteerde bedrijven worden gebruikt voor het toezenden van informatie en/of speciale aanbiedingen. Indien u hiertegen bezwaar heeft, kunt u zich schriftelijk richten tot: Reed Business bv t.a.v. Adresregistratie Postbus 808 7000 AV Doetinchem ISSN 1571-0122

Advertenties Acquire Media Faradaystraat 4A 8013 PH Zwolle telefoon: 038-460 63 84 e-mail: info@acquiremedia.nl

september 2010 48

ROM_09_2010.indd Sec1:48

9/3/2010 3:11:33 PM


Workshop uitnodiging “Tekenen en Rekenen” bij gebiedsontwikkeling Vrijblijvende workshops voor overheden, projectontwikkelaars, woningbouwverenigingen en adviesorganisaties. Per workshop 5 - 7 deelnemers.

Stuur een email naar: info@strategis.nl onder vermelding van

Wanneer, waar: 5, 12 en 19 oktober van 13.30 tot 16.00 uur in Voorburg Meer data op www.strategis.nl Wat: Introductie in Gebiedsontwikkeling 2.0: Tekenen & Rekenen. Door wie: StrateGis | Groep – Marktleider op het gebied van Tekenen & Rekenen.

“Workshop” en de gewenste datum.

Voor wie: bestuurders en medewerkers op het gebied van Projectontwikkeling, Ruimtelijke Ordening, Gebiedsontwikkeling, Planologie, Financiën en Organisatie Inrichting.

Of ga naar www.strategis.nl

StrateGis | Groep Herenstraat 122 2271 CL Voorburg 070-3874460 info@strategis.nl

StrateGis | Groep

ROM_09_2010.indd Sec2:III

9/3/2010 3:11:34 PM


Samenspel Het ontwikkelen van aantrekkelijke woongebieden is als een puzzel: alles moet precies in elkaar passen. Het is een langdurig en gecompliceerd proces. En goed samenspel, zo weten we door onze 65 jaar ervaring, zorgt voor het succes. Daarom brengen we liefst al bij aanvang betrokken partijen bij elkaar, zoals gemeenten, woningcorporaties, belangengroepen en consumenten. Zodat we samen zorgvuldig de juiste verbindingen kunnen maken. Met inbreng van onze kennis en kunde

ROM_09_2010.indd Sec2:IV

als professionele partner, en natuurlijk ons financiĂŤle uithoudingsvermogen. Dit samenspel maakt het mogelijk de puzzel op te lossen en werkelijk innovatieve, duurzame woonconcepten te ontwikkelen. Met als resultaat een toekomstbestendige gebiedsontwikkeling, met een vanzelfsprekende kwaliteit voor de mensen die er straks nog heel lang zullen wonen.

Bouwfonds Ontwikkeling is onderdeel van Rabo Vastgoedgroep

9/3/2010 3:11:35 PM


ROm 9 2010