Issuu on Google+

Ruimte voor duurzame energie

+ Digitalisering ruimtelijke plannen met vallen en opstaan + Verhandelbare ontwikkelingsrechten

3

+ Het nieuwe gezicht van het Ruhrgebied

maart 2010

ROM_0310.indd OMI

Lees verder

www.romagazine.nl

3/1/2010 7:05:15 PM


Betrokkenheid Bouwfonds Ontwikkeling staat sinds jaar

We houden nu al rekening met de betekenis

en dag met beide benen midden in de maatschappij. Onze betrokkenheid is ontstaan

van onze projecten voor toekomstige generaties. Denken vanuit die toekomstwaarde betekent kiezen voor kwaliteit boven kwan-

vanuit vijfenvijftig jaar aandeelhouderschap van ruim vijfhonderd Nederlandse gemeenten en wordt gevoed door het ďŹ jnmazige netwerk van onze regiokantoren. Wie zo betrokken is, kijkt vanzelfsprekend verder dan alleen naar de fysieke gebiedsontwikkeling.

ROM_0310.indd OMII

titeit, voor duurzaamheid boven snelle winst, voor slimme, integrale oplossingen en voor verantwoord rendement voor investeerders, eindgebruikers en de samenleving. Bouwfonds Ontwikkeling is onderdeel van Rabo Vastgoedgroep

3/1/2010 7:05:32 PM


Een gratis abonnement op ROmagazine……

iets voor u? Bent u werkzaam bij de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, dan kúnt u niet zonder een abonnement op het vakblad ROmagazine. Vakblad ROmagazine biedt actuele informatie over ontwikkelingen in het beleid, beschrijft best cases in de uitvoering van dat beleid en biedt een platform voor opinies over de ruimtelijke ontwikkeling. Het vakblad ROmagazine is gratis voor ambtenaren ruimtelijke ordening en milieu bij rijksoverheid, provincie, waterschappen, regiobesturen en gemeenten. ROmagazine vakblad voor de RO professional

Ga naar www.romagazine.nl en meldt u aan ROM_0310.indd 1

3/1/2010 7:05:33 PM


Redactioneel

Tegen We leven in de tijd van ´tegen´. Tegen het afmaken Noord/ Zuidlijn, tegen meer asfalt, tegen de kilometerheffing, tegen nieuwe grote uitleglocaties buiten de stad, tegen nieuwe bedrijvenparken, tegen de bouw van grote energiecentrales, afvalverwerkers, windparken, tegen nieuwe spoorlijnen, tegen megalomane bouwprojecten, tegen het kabinet, tegen de aanslag op de ouderdomsvoorziening, tegen de bezuinigingen, tegen de migranten, tegen de teloorgang van onze eigen cultuur… Met gemak is deze column met voorbeelden te vullen. Cultuurfilosofen wijten het aan een identiteitscrisis in onze samenleving, die maar niet weg weet met het vinden van nieuwe ‘ankers’ in tijden van globalisering. Ze wijzen op het vervliegen van onze klassieke idealen en een schrijnend gebrek aan nieuwe agenda’s. Politicologen signaleren een gebrek aan visionair leiderschap. Sociologen signaleren een autoriteitscrisis: de burgers pikken het niet meer.

Inhoud 4

ROm2 - Een balkon voor de binnenstad - Extra ritkilometers door schaalvergroting grondgebonden landbouw - Jonge steden willen sociale problemen vóór zijn - Netwerkstad Twente investeert in samenhangende stedelijke ontwikkeling - Regio trekt beurs voor spitsmijder - Nieuws uit Brussel - Column Het Hiernogmaals Voorbij

10 Verhandelbare ontwikkelingsrechten met overheid als regisseur

12 Het nieuwe gezicht van het Ruhrgebied

15 Brede financiering van het Deltafonds onmisbaar

18 Plannen voor een duurzame en democratische stad

Omgaan met veranderingen is een wezenlijk onderdeel van de vooruitgang. We lijken daar op dit moment moeilijk mee om te kunnen gaan. De algemeen gevoelde onvrede is koren op de molen van populistische stromingen. De uitslag van de laatste gemeenteraadsverkiezingen spreekt voor zichzelf. Je zult maar raadslid of bestuurder zijn in deze tijd. Zo euforisch het ene moment kan zijn, zo diep kun je vier jaar later vallen. En planologen en stedenbouwers worden er zeker ook niet vrolijker van. Er komt geen project meer van de grond. In een mum van tijd zijn tegenkrachten gemobiliseerd, die het planproces frustreren van ogenschijnlijk zo hard nodige en bijzondere projecten. Ze klampen zich vervolgens vast aan de crisis- en herstelwetgeving, maar ook dat dreigt een bezoeking te worden. Zowel de Raad voor de Rechtspraak als het parlement zet vraagtekens bij deze zogenaamde ‘versnelling’. De kernvraag is of veranderingen in deze tijd nog zijn op te leggen, zoals in de tijd van grote projecten in de 19de en 20ste eeuw. Veeleer lijkt het tijd voor veranderingsmanagement.

21 Duurzame energie, de ruimtelijke implicaties

30 Kanttekeningen bij de krimp 33 Vallen en opstaan met digitalisering van ruimtelijke plannen

35 Herstructurering glastuinbouw 42

RO-snippers

Agenda, recensies

é Marcel Bayer, hoofdredacteur

maart 2010 2

ROM_0310.indd 2

3/1/2010 7:05:33 PM


pag.

21

pag.

18

pag.

35

Trend

De smaakmakers

Praktijk

Duurzame energie, de ruimtelijke implicaties

Plannen voor een duurzame en democratische stad

Herstructurering glastuinbouw PrimAviera

Duurzaamheid van de energievoorziening is een agendapunt voor de overheid en de markt. De klimaatsverandering en de oplopende energiekosten dwingen tot ingrijpende wijzigingen van bouwprocessen (werkgebouwen en woningen) en inrichting van de ruimte. Veelal wordt bij lopende ruimtelijke projecten met kunst- en vliegwerk geprobeerd dit aspect in de plannen te krijgen, met vertraging en extra kosten tot gevolg. De grote winst zit ’m in het duurzaam denken meteen aan de voorkant van het planproces. Goede, geactualiseerde geografische informatie is daarbij cruciaal. Hoe bespaar je energie door een slimme ruimtelijke inrichting?

Interview met pioniers op het gebied van nieuw ruimtelijk denken! Zef Hemel, DRO Amsterdam, gelooft in de kracht van de visie en het beeld als sterke elementen in het planningsproces. Beide zijn naar de achtergrond gedrongen door het sectorale denken en het zoeken naar compromissen. Nu is de uitdaging om weer beeldend te ontwerpen met aandacht voor de belangen van alle betrokkenen. Vrijuit kunnen denken en werken is een voorwaarde.

Veel bestaande glastuinbouwgebieden zijn aan vernieuwing toe. De oorspronkelijke bedrijven hebben een te kleine schaalgrootte en de kassen en installaties zijn verouderd. Binnen deze gebieden bestaat weinig dynamiek en heerst, vanwege de huidige marktperspectieven, vaak een afwachtende houding bij de tuinders. Daardoor ontstaat van leegstand, verval en verpaupering. Bij een aantal bedrijven is sprake van ‘strijdig gebruik’: kassen worden voor allerlei functies gebruikt waarvoor ze oorspronkelijk niet zijn bedoeld, zoals opslag en handel, caravanstalling of zelfs hennepteelt. Om in deze gebieden de glasfunctie weer terug te brengen zijn sanering, opschaling en modernisering noodzakelijk. Een voorbeeld van zo’n herstructureringsproject is PrimAviera bij Rijsenhout – gelegen onder de rook van Schiphol – met een glastuinbouwgebied dat in de jaren zestig van de vorige eeuwa is ontstaan.

maart 2010 3

ROM_0310.indd 3

3/1/2010 7:05:36 PM


RO

Een balkon voor de binnenstad Vele jaren vormde het Oosterdokseiland, pal naast het Centraal Station in Amsterdam, een onherbergzame plek. Een drijvend Chinees restaurant was voor bezoekers de enige reden om er te komen. Nu klinkt er dagelijks het geluid van heimachines en worden langzaam de contouren zichtbaar van de grootste kantoorlocatie in de Amsterdamse binnenstad, met 80.000 m2. Maar het blijft niet bij kantoren; het is de bedoeling dat het Oosterdokseiland, afgekort tot ODE, een verlengstuk wordt van de binnenstad, met dezelfde mix van werken, wonen en ontspanning. Op dit moment zijn de Openbare Bibliotheek, het Conservatorium en het hoofdkantoor van TomTom er al neergestreken. Daar komen in de komende jaren nog driehonderd woningen, een hotel, een congrescentrum en diverse winkels, cafés en restaurants bij. Dankzij de ligging op het zuidwesten met het gezicht naar de stad zou de brede Oosterdokskade weleens tot het ‘balkon’ van Amsterdam kunnen uitgroeien. Onlangs werden de plannen gepresenteerd voor het Nijenburg-complex, een van de zes kavels van ODE. Grootste gebruiker is Vodafone, dat in 2012 met vierhonderd medewerkers zijn intrek neemt. ‘We waren op zoek naar een locatie die meer een ontmoetingsplaats was dan een kantoor,’ zegt Paul Smits, directeur Human Resources van het telecombedrijf. ‘We hadden natuurlijk ook voor de Zuidas kunnen kiezen, maar dat was ons toch te corporate. Voor een bedrijf dat voeling met de samenleving wil houden, is het belangrijk om op een plek te zitten die deel uitmaakt van de stad, waar het bruist en waar medewerkers gemakkelijk de deur uit kunnen om te lunchen. Werken is weliswaar steeds minder plaatsafhankelijk geworden, maar voor menselijk contact geldt dat niet. Een aantrekkelijke locatie is ook een middel om talent aan het bedrijf te binden.’ Opvallend is dat Vodafone heeft besloten om geen gebruik te maken van de parkeergarage voor 1650 auto’s die onder ODE wordt gebouwd. Medewerkers krijgen een ov- abonnement, leaseauto’s worden afgeschaft en

wie in de stad parkeert, krijgt de kosten niet vergoed. Een paar jaar geleden zouden het ondenkbare keuzes zijn geweest voor een bedrijf van een dergelijke omvang. Smits: ‘Deze locatie is uitstekend bereikbaar met alle soorten van openbaar vervoer, ook vanuit Schiphol. Dan moet je die kwaliteit ook benutten. De problemen die mensen

hebben met ov-gebruik is vaak een kwestie van onbekendheid. Maar dat kun je wegnemen. Zo hebben we bij een meeting ons internationale netwerk op Schiphol met een strippenkaart ontvangen en uitgelegd hoe het hier werkt. Vonden ze geweldig.’ é Martin de Jong

Extra ritkilometers door schaalvergroting grondgebonden landbouw Schaalvergroting in de grondgebonden melkveehouderij leidt de komende jaren tot vier miljoen extra tractorkilometers op plattelandswegen. Een analyse uitgevoerd door onderzoeksbureau ROM3D en Wageningen UR leidt tot deze conclusie. Oorzaak van het extra tractorverkeer is de toenemende afstand tussen boerenerf en landerijen door schaalvergroting. Hierdoor moeten voer en mest over steeds grotere afstanden getransporteerd worden via plattelandswegen. Dit betekent extra energiegebruik, extra uitstoot van CO2, meer wegonderhoud en het zal leiden tot onveiliger plattelandswegen. Het jaar 2009 was het jaar van de agrologistiek. Ongeveer dertig procent van het transportverkeer over de openbare weg hangt samen met vervoer van voedsel en

landbouwproducten. Centrale boodschap uit het jaar van de agrologistiek is dat slim clusteren en regisseren van transportstromen in de agroketen tussen verwerkende bedrijven tot winst in transportkilometers leidt. Dit betekent financiële voordelen voor de agrofood keten en een lagere milieubelasting. De voorbeeldprojecten in het kader van agrologistiek hebben de afgelopen jaren 2 miljoen ritkilometers winst opgeleverd. Er zou potentie zijn voor nog eens 5 miljoen ritkilometers winst.

Tegengesteld effect Clustering in de primaire landbouw levert echter een tegenovergesteld effect. Zo leidt schaalvergroting in de melkveehouderij ertoe dat van de huidige 18 duizend melkveehouders er rond 2020 nog circa 9

maart 2010 4

ROM_0310.indd 4

3/1/2010 7:05:40 PM


RO

duizend over zijn. Deze zullen gemiddeld groeien van 70 melkkoeien en 40 hectare nu naar 140 melkkoeien en 80 hectare in de toekomst. Het is reëel te veronderstellen dat de extra 40 hectare grond gedeeltelijk op afstand van het erf zal liggen. Als 20 hectare land in de toekomst op een afstand ligt van 1 kilometer van het erf betekent dit reeds dat een melkveehouder gemiddeld 200 ritten van 2 kilometer extra over de openbare weg zal rijden. Dit gegeven toegepast op alle 9 duizend overblijvende melkveehouders betekent bijna 4 miljoen extra voertuigkilometers afgelegd op plattelandswegen. De efficiëntievoordelen door grotere tractoren zullen dit niet kunnen compenseren. Ook in andere sectoren zoals de bollenteelt en de akkerbouw speelt deze problematiek.

Jonge steden willen sociale problemen vóór zijn

In gebieden die alleen voor de landbouw bestemd zijn, zullen de extra tractoren op de weg niet tot grote problemen leiden. Echter in het dichtbevolkte Nederland met haar verstedelijkt platteland worden veel smalle plattelandswegen ook intensief gebruikt door schoolgaande kinderen en recreanten. Letterlijk meer botsingen tussen tractoren en overige weggebruikers liggen daar voor de hand. Een indicatie voor deze problematiek is bijvoorbeeld het gegeven dat het totaal aantal verkeersongevallen in Nederland al jarenlang afneemt terwijl ongevallen waarbij landbouwvoertuigen betrokken zijn nagenoeg gelijk in aantal blijven. Andere effecten zijn hogere kosten voor wegonderhoud door bermschade.

Foto: Roel Dijkstra

Problemen

Z o e te r m e e r : v e r l a te n

Regionale aanpak

Investeer in hoger onderwijs en betaalbare woningen om jongeren vast te houden. Pak problemen van burgers zo vroeg mogelijk aan en stimuleer bewonersinitiatieven. Dat waren enkele praktische adviezen die beleidsmakers kregen op een onlangs georganiseerde conferentie over de toekomst van jonge steden met veel woningen uit de afgelopen veertig jaar.

De problematiek verschilt vermoedelijk per regio. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van factoren zoals type landbouw, verkaveling, dichtheid en breedte van plattelandswegen en medegebruik van wegen door burgers en recreanten. De onderzoekers willen dit nu ruimtelijk in beeld brengen. Op basis daarvan kunnen beleidsmakers van provincies en gemeenten gebiedsgerichte maatregelen voorstellen. Naast verkeerstechnische maatregelen en agrologistieke innovaties kan daarbij worden gedacht aan verbetering van de agrarische structuur door kavelruil en afgewogen ruimtelijke planning van locaties van groeiende landbouwbedrijven.

Burgemeester én gastvrouw van de conferentie over de vitaliteit van jonge steden, Annemarie Jorritsma, wond er in haar inleiding geen doekjes om. ‘We hebben al twee keer eerder geprobeerd om in het stedenbeleid binnen te dringen, maar het is nu eindelijk gelukt.’ Met dank aan ChristenUnie-Tweede Kamerlid Cynthia Ortega-Martijn. Zij diende in december 2007 een motie in om vijf middelgrote gemeenten met veel woningen uit de jaren zeventig en tachtig intensief te betrekken bij de opvolger van het Grotestedenbeleid. In de toekomst dreigen wijken in ‘new towns’ als Zoetermeer, Haarlemmermeer

en Almere maar ook plaatsen als Apeldoorn en Ede namelijk af te glijden. Jongeren trekken er weg, straten en pleinen zijn versleten en steeds meer bewoners kampen er met een opeenstapeling van problemen. Om deze ontwikkeling te keren en de steden vitaal te houden, hebben de vijf gemeenten met het ministerie van WWI onlangs een gezamenlijke uitvoeringsagenda opgesteld. Het delen van kennis over succesvolle projecten vormt daarin de rode draad. Minister Van der Laan drukte de steden in een videoboodschap op het hart ook te leren van de ervaringen met de wijkaanpak in de veertig aandachtswijken. ‘Jongeren in Zoetermeer zijn niet zo anders dan die in de Schilderswijk.’ Paul Schnabel, directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau, waarschuwde er juist voor om niet simpelweg goede projecten van elders te kopiëren. ‘Ga uit van je eigen pluspunten en bouw die verder uit.’ é Jaco Boer

maart 2010 5

ROM_0310.indd 5

3/1/2010 7:05:42 PM


RO

Netwerkstad Twente investeert in samenhangende stedelijke ontwikkeling De Netwerkstad Regio Twente (Almelo, Borne, Enschede, Hengelo en Oldenzaal) gaat de komende jaren belangrijke gebiedsontwikkelingen in de Innovatiedriehoek bundelen tot één samenhangende, stedelijke ontwikkeling. Met de Innovatiedriehoek wordt het gebied Centraal Station Hengelo/Hart van Zuid, Kennispark Twente in Enschede en de gebiedsontwikkeling Luchthaven bedoeld. Daarnaast willen de Netwerkstadpartners grote herstructeringsopgaven gezamenlijk gaan uitvoeren. Tot 2020 moet gemiddeld 60% hiervan binnen de steden gebouwd worden. Dit gebeurt door bedrijventerreinen en woongebieden onder de loep te nemen en aan te passen. Deze plannen staan in de vernieuwde Ruimtelijk-Economische Ontwikkelingsagenda (REO-agenda) van Netwerkstad Twente. De eerste ruimtelijke ontwikkelingsagenda van Netwerkstad stamt uit 2005. Het feit dat Netwerkstad Twente een belangrijke kennisregio is, is bepalend voor de stedelijke ontwikkeling van het gebied. Voorbeelden van grote, stedelijke herstructurerings- en transformatieprojecten zijn de spoorzones in Almelo, Borne, Enschede, Hengelo en Oldenzaal. Naast grote binnenstedelijke projecten worden ook projecten meegenomen die niet binnen de stad gerealiseerd kunnen worden, maar wel belangrijk zijn voor zowel de nabijgelegen

binnensteden als voor geheel Netwerkstad Twente. Voorbeelden hiervan zijn Waterrijk in Almelo en XL Businesspark Twente. De Netwerkstadpartners hebben afgesproken om de planning van kantorenlocaties en bedrijventerreinen onderling af te stemmen. Een andere ambitie is om een duurzaam en innovatief vervoersysteem te realiseren. Het huidige Agglonet, dat de OV knooppunten in Netwerkstad Twente verbindt, moet uitgebreid worden tot een Eurregionaal Agglonet. Daarbij horen nieuwe initiatieven als de fietssnelweg F35. Pilotprojecten zoals het Personal Rapid Transport System (openbaar vervoer in kleine voertuigen tot 6 personen op een geleideweg) en het Ongehinderd Logistiek Systeem (OLS) voor het goederentransport moeten leiden tot blijvende innovaties op het gebied van mobiliteit. Om de bereikbaarheid van en naar Netwerkstad te verbeteren wordt geïnvesteerd in transport over water en de bijbehorende watergebonden bedrijventerreinen. Ook moet de internationale treinverbinding met Berlijn versterkt worden en zet Netwerkstad in op de aanleg van de

zuidelijke randweg Borne tussen de afritten 29 en 30 van de A1. In de REO Agenda speelt duurzaamheid een belangrijke rol. Netwerkstad Twente wil hiervoor met publieke en private partners een actieprogramma opzetten. Daarin moet vastgelegd worden hoe energiebesparing en duurzaamheid in gebruik van materialen, vervoer en leefomgeving kan worden meegenomen in de herstructurerings- en transformatieplannen. Netwerkstad Twente wil in dat verband de verbinding tussen de groene ruimten in het gebied en het blauw (water) versterken door de ontwikkeling van de Groene Poort in Borne. Ook de ontwikkeling van de stadsranden als verbinding tussen stad en platteland past in dit streven.

Regio trekt beurs voor spitsmijder De stadsregio Arnhem-Nijmegen wist drie maanden lang dagelijks 1300 automobilisten uit de spitsfile voor de Waalbrug bij Nijmegen te lokken. Precies genoeg om de file te laten oplossen. De proef behelsde het belonen van gewenst gedrag: automobilisten die meededen, kregen voor elke dag dat ze de spitsfile meden vier euro. Werkgevers in de

regio zorgden voor fietsvergoedingen, flexibele werktijden en andere ondersteunende maatregelen. In totaal deden 6500 automobilisten mee aan de proef, die duurde van september tot december vorig jaar. Minister Eurlings van Verkeer en Waterstaat bejubelde het project Samen Leidend in Mobiliteit (SLIM). ‘De manier waarop u

maart 2010 6

ROM_0310.indd 6

3/1/2010 7:05:44 PM


RO

Minister Eurlings o verh andi g t ch eque vo o r sl i m mo bi l i tei tsmana gement

hier samenwerkt is top’, zei hij op 25 januari tegen een gehoor van lokale bestuurders. ‘Wij kunnen het hier zien: mobiliteitsmanagement werkt! Niet mensen uit hun auto jagen, maar mensen prikkelen om anders te reizen en ze te belonen als het lukt.’ Hij overhandigde een automobiliste uit Oosterbeek een cheque van 200 euro ‘voor erkenning dat u op een moderne manier reist en uw reispatroon aanpast.’ De vrouw had samen met haar man de meeste spitsmijdingen gerealiseerd. ‘Mijn man werkt bij de Hogeschool Arnhem-Nijmegen, ik bij een huisartsenpost in Groesbeek. Ik ga nu om kwart voor zeven weg en ben net voor zeven uur de brug over. Mijn man heeft een fiets gekocht.’

Volgens Eurlings wijzen de resultaten van SLIM op de haalbaarheid van de kilometerheffing. Daarbij betalen weggebruikers buiten de spits een basistarief en op sommige plekken en momenten een spitstarief. ‘Dus ook daar is het goedkoper om buiten de spits te reizen. Dat lijkt dus op dit systeem.’ Op het verschil, namelijk dat SLIM vrijwillig is en de kilometerheffing verplicht, ging hij niet in. Als voortzetting van de SLIM-proef staat nu een proef voor de hele regioring rond Arnhem-Nijmegen (A12, A50, A325) op stapel. Doel is om daar een jaar lang drie procent minder autoverkeer te krijgen. Tienduizend deelnemers kunnen meedoen en geld verdienen door de ring te vermijden in de spits (tussen 06.00 en 10.00 en tussen 15.00

en 19.00 uur). Wie een sluiproute neemt, zet zijn beloning op het spel. Dat is mogelijk doordat deelnemers via een gps-kastje in de auto in de gaten worden gehouden. De proef met de regioring kost zestien miljoen euro. Het meeste geld gaat naar de deelnemers. Die kunnen er maximaal 150 euro per maand en 1500 euro per jaar mee verdienen. Bestuursvoorzitter Jaap Modder van de stadsregio verwacht niet dat dit systeem na de proefperiode wordt voortgezet. ‘Dit is niet permanent bedoeld. Het is bedoeld voor een antwoord op de vraag: werkt een prijsprikkel? Of het belonen of straffen is, dat maakt niet uit.’ é Harry Perrée

maart 2010 7

ROM_0310.indd 7

3/1/2010 7:05:44 PM


Nieuws uit Brussel

Hoorzitting nieuwe Europees Commissaris voor Regionaal Beleid Regionaal beleid is een succesverhaal van Europese integratie en er is geen ander alternatief dan ermee door te gaan. Dat zei de Oostenrijker Johannes Hahn op 14 januari tijdens zijn hoorzitting in het Europees Parlement (EP) als de kandidaat voor de post van Europees Commissaris voor Regionaal Beleid in de nieuwe Europese Commissie voor de komende vijf jaar. Aangezien het Europees Parlement moet instemmen met de samenstelling van de Europese Commissie is het gebruikelijk dat alle commissieleden worden onderworpen aan een drie uur durend verhoor door het EP. Tijdens de hoorzitting toonde Hahn, die inmiddels aan zijn taak als commissaris is begonnen, zich een voorstander van een strategische en geïntegreerde benadering van het regionaal beleid. Hij gaf aan zich te zullen verzetten tegen elke poging om het regionale beleid weer aan de afzonderlijke staten over te laten en tegen de trend tot ‘sectorisatie’ van het EU-beleid, zoals de vraag naar aparte rampen- en klimaatfondsen. Op vragen van een Duits parlementslid over het toekomstige gebruik van het Europees Sociaal Fonds zei Hahn dat ‘Europa goed opgeleide mensen nodig heeft’, om succesvol te kunnen zijn op economisch gebied. Creativiteit moet volgens hem al vanaf de peuterzaal gepromoot worden. De nieuwe commissaris wil daarom dat een groter deel van het EU-budget voor regionaal beleid wordt besteed aan onderzoek, opleiding en innovatie maar ook aan infrastructuur. Dat is volgens hem nodig om de

concurrentiepositie van de EU te verbeteren en de EU te laten herstellen van de crisis. Reagerend op vragen van verschillende leden van het parlement naar de toekomstige financiering van het regionale en cohesiebeleid zei Hahn dat wat hem betreft het huidige financieringsniveau als een goede graadmeter kan dienen voor toekomstige budgetonderhandelingen. Hij voegde eraan toe dat hij zich sterk zal maken voor een behoorlijk budget, ‘maar daar heb ik wel jullie steun voor nodig’. CDA’er Lambert van Nistelrooij, woordvoerder regionaal beleid van de EVD-fractie in het Europees Parlement, constateerde na de hoorzitting dat Hahn ‘een goed zicht op de uitdagingen voor echt Europees beleid heeft en meer bepaald wat betreft het belang van het regionaal beleid hierin’. Van Nistelrooij is ook blij dat Hahn het begrip ‘territoriale cohesie’ samen met het Europees Parlement verder wil gaan uitwerken. De definitie van dit begrip, dat als een van de doelstellingen van de EU is erkend, is nog steeds niet exact vastgelegd binnen de EU. Het begrip is belangrijk voor Nederlandse gemeenten en provincies,

territoriale cohesie moet immers zorgen voor een gebiedsgerichte benadering bij de beleidsvorming op Europeesniveau. Overigens heeft Van Nistelrooij aangekondigd Hahn te zullen uitnodigen voor een bezoek aan Nederland.

Limburg voortrekker in grensoverschrijdend project hoogwaterbescherming stroomgebieden De Euregio Maas-Rijn, met de Limburgse gouverneur Léon Frissen als voorzitter, gaat leidinggeven aan een grensoverschrijdend project op het gebied van hoogwaterbescherming. Binnen dit zogenaamde FLOODWISE-project werken vijftien organisaties uit tien EU-lidstaten en drie niet-EU landen samen aan het ontwikkelen van een gezamenlijke strategie voor het invoeren van de nieuwe Europese Hoogwaterrichtlijn. Volgens deze richtlijn moeten de EU-lidstaten voor eind 2015 overstromingsbeheersplannen vaststellen, in uitvoering nemen en vervolgens elke zes jaar evalueren en bijstellen. De Europese Unie keurde het project eind vorig jaar voorwaardelijk goed en stelt 2 miljoen euro ter beschikking voor de uitvoering ervan. ‘We zijn momenteel bezig met de laatste aanpassingen die nodig zijn om een definitieve goedkeuring te krijgen en verwachten rond april van start te kunnen gaan’, aldus een woordvoerder van de provincie Limburg eind januari.

Steden en regio’s hebben voortaan meer te zeggen in de EU Het Verdrag van Lissabon dat op 1 december vorig jaar in werking is getreden, verbetert de positie van steden en regio’s in de besluitvorming van de EU. Bij de uitwerking van nieuwe wetgeving moet voortaan rekening gehouden worden met de expertise van regionale en lokale overheden. De vertegenwoordiger van steden en regio’s in Brussel, het Comité van de Regio’s (CvdR), moet voortaan dus vaker worden geraadpleegd.

Joh a n n e s Ha h n : ‘ H u i d i g e f i n a n c i e r i n g s n i v e a u k a n a l s e e n g o e d e g ra a d m e te r d i e n e n vo o r to e k o m s t i g e b u d g e to n d e r h a n d e l i n g e n .’

Het Verdrag van Lissabon moet de EU efficiënter en democratischer maken. Voor het eerst in haar geschiedenis erkent de EU ook uitdrukkelijk het versterken van de territoriale samenhang – naast de economi-

maart 2010 8

ROM_0310.indd 8

3/1/2010 7:05:46 PM


RO

sche en sociale samenhang – als een van haar fundamentele doelstellingen. Behalve de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie kan voortaan ook het Europees Parlement het Comité van de Regio’s raadplegen. Daarnaast kunnen de drie instellingen het CvdR om advies vragen over initiatieven op nieuwe beleidsterreinen, zoals het energie- en klimaatbeleid. Het CvdR heeft bovendien de mogelijkheid om in beroep te gaan bij het Hof van Justitie in Luxemburg indien zij vindt dat nieuwe Europese wetgeving indruist tegen het subsidiariteitsbeginsel, het beginsel dat besluiten zo dicht mogelijk bij de burger genomen moeten worden. ‘We zullen met de grootste omzichtigheid te werk gaan maar niet aarzelen ons recht uit te oefenen als dat ons inziens nodig is om ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving strookt met het subsidiariteitsbeginsel. We hopen echter dat de nieuwe Lissabonbepalingen die gericht zijn op een betere naleving van de subsidiariteit, niet alleen bij de goedkeuring van nieuwe EU-wetgeving maar al in de voorbereidingsfase, snel in praktijk worden gebracht, zodat het nooit zover hoeft te komen’, aldus CvdR-voorzitter Luc Van den Brande.

Financiële hulp voor steden en regio’s die investeren in duurzame energie Een nieuwe initiatief van de Europese Investeringsbank en de Europese Commissie helpt steden en regio’s om te investeren in hernieuwbare energie en initiatieven om efficiënter om te gaan met energie. Via ELENA, wat staat voor de Europese lokale energie assistentiefaciliteit, kan tot maximaal negentig procent van de kosten van de technische begeleiding die nodig is om grote duurzame investeringsprogramma’s voor te bereiden, gefinancierd worden. Met name investeringen in gebouwen, openbaar vervoer in steden en lokale energie-infrastructuur, zoals slimme elektriciteitsnetwerken, energie-efficiënte ICT en oplaadpunten voor elektrische auto’s, komen in principe in aanmerking voor een bijdrage via ELENA. Ook belangrijk voor de subsidietoekenning is of het project in principe ook in andere steden of regio’s zou kunnen worden toegepast. Voor meer informatie: www.eib.org/elana

Het Hiernogmaals Voorbij

Afhaalchinees Tot de Tweede Wereldoorlog konden mensen met voldoende vermogen hun eigen woning bouwen binnen heldere kaders van hun gemeente. De zo en in opdracht van onder meer verzekeringsmaatschappijen tot stand gekomen ‘jaren dertig’-woningen zijn nu nog zo populair dat hele retrowijken worden opgetrokken. Mensen staan ervoor in de rij en zijn zelfs bereid ervoor te overnachten in een tent voor de deur van de makelaar. Na 1930 is het particuliere initiatief vrijwel volledig afgenomen door overheden en later door een combinatie van overheden, ontwikkelaars, investeerders en beleggers. Die spraken al te graag over een woningmarkt, terwijl van een vrije markt geen sprake was. Grond noch locaties zijn vrije productiefactoren. Het is de kwantitatieve schaarste die maakte dat woningzoekenden alles uit de hand aten. Het ene object liep veel sneller dan het andere, maar zelfs de grootste modernistische misbaksels werden verkocht. Eigenlijk zat niemand ermee, want als een woning niet beviel was het ‘appeltje-eitje’ om hem fors beter door te verkopen. Woningen waren de afgelopen decennia minder een plek onder de zon dan een bankrekening met praktisch nut als bijproduct. De crisis heeft als een bliksemschicht duidelijk gemaakt dat ruim een derde van de Nederlandse gemeenten tot 2040 te maken krijgt met een bevolkingsdaling van meer dan 20%. Dat de gemiddelde koopkracht tot 2020 eerder stabiliseert dan stijgt. Dat banken een stuk terughoudender zijn om hypotheken, laat staan dubbele hypotheken te financieren. Dat op de schaal van Nederland een complete stad als Amersfoort te koop staat. En dat we snel werk moeten maken van duurzaam bouwen.

Mening voormalig heerser van de woningmarkt denkt bij duurzaam bouwen aan dubbelglas en gecertificeerd hardhout. Energieneutrale wijken zoals de Stad van de Zon in Heerhugowaard en Lanxmeer in Culemborg vormen vooralsnog hoge uitzonderingen, terwijl de kosten van energie bepalend zullen worden voor onze woonlasten en onze koopbereidheid. Naast technische innovaties impliceert duurzaam bouwen ook mentaal eigenaarschap van bewoners en gebruikers, opdat zij intrinsiek gemotiveerd blijven investeren in hun leefomgeving. Dit vereist een woonkwaliteit die voortkomt uit ideeën en wensen van particulieren en wordt verrijkt door een professioneel ontwerper. Het is de dialoog uit de jaren dertig, die tachtig jaar later ongetwijfeld tot eigentijdse topkwaliteiten kan leiden. Nu hangen we bij gebrek aan beter aan de kwaliteit van toen, alsof onze ontwikkeling heeft stilgestaan. Duurzaam bouwen vereist van overheden heldere kaders en goed voordenken. Niet net als in Almere ook het heien overlaten aan particulieren, die elkaar vervolgens met procedures in de haren vliegen. Uitgaan van regionale in plaats van lokale prognoses. Van marktpartijen vraagt het vooral een luisterend oor en oprechte belangstelling. Niet onmiddellijk een catalogus op tafel waar een klant een nummer kan aankruisen, alsof hij zakendoet bij een afhaalchinees. Niet volstaan met een marktscan door een anoniem callcenter maar voeren van gesprekken over de identiteit van een locatie en passende ontwikkelmogelijkheden. Zo hebben ook ontwikkelaars weer volop toekomst. é Peter van Rooy

petervanrooy@accanto.nl

é Boris Peters

maart 2010 9

ROM_0310.indd Sec3:9

3/1/2010 7:05:50 PM


Ruimtelijk bekeken

Verhandelbare ontwikkelingsrechten met overheid als regisseur

Plussen en minnen naar Amerikaans voorbeeld Verevening in het ruimtelijk beleid is hot. Steeds vaker wordt gezocht naar manieren om verliesgevende activiteiten te financieren uit winstgevende ontwikkeling. Volgens juriste Marjolein Dieperink mogen verhandelbare ontwikkelingsrechten daarbij niet over het hoofd worden gezien.

O

ok proefschriften worden soms uit nood geboren. In 2006 moest Marjolein Dieperink enkele maanden wachten op een werkvergunning nadat ze tijdelijk naar New York was verhuisd. Om de tijd te overbruggen kocht ze onder meer een Zoning Resolution van de stad, ofwel het bestemmingsplan. Zo werd haar aandacht gevestigd op het fenomeen verhandelbare ontwikkelingsrechten: in speciaal aangewezen zones hebben eigenaren van gebouwen de mogelijkheid om de ongebruikte ‘lucht’ boven hun hoofd te verhandelen aan ontwikkelaars elders in de stad, die

Rol overheid wordt faciliterend en transparanter daarmee het recht verwerven om extra etages te bouwen. De opbrengst – het record staat op dertig miljoen dollar – wordt benut door bijvoorbeeld kerken of theaters voor onderhoud en renovatie. Soortgelijke arrangementen zijn er in de Verenigde Staten voor de financiering van natuurgebieden of om grondeigenaren te compenseren in agrarisch gebied dat door de staat tegen sprawl wordt beschermd.

Elegant ‘Het is natuurlijk typisch Amerikaans om alles te willen verhandelen,’ zegt Dieperink. ‘Het mooie is dat winstgevende activiteiten meebetalen aan gewenste, verliesgevende activiteiten in een systeem dat door marktwerking wordt bepaald. Grondeigenaren profiteren niet zonder meer van een verruiming van het bouwregime, maar ze betalen ervoor in de vorm van een overdracht aan grondeigenaren die afzien

van ontwikkeling. Het is een helder en elegant vereveningsinstrument.’ Het onderzoek leidde tot een proefschrift over de toepasbaarheid van verhandelbare ontwikkelingsrechten in Nederland en een promotie cum laude begin dit jaar aan de Vrije Universiteit. De conclusie van Dieperink is dat verhandelbare ontwikkelingsrechten geen aantasting vormen van het eigendomsrecht en geen ingrijpende aanpassingen vereisen. Bovendien zouden ze een welkome aanvulling zijn op het bestaande instrumentarium voor grondbeleid: ‘Je moet het niet een-op-een overnemen. Zo draait het Amerikaanse systeem zuiver om de uitruil van vierkante meters. In Nederland zou het een meer kwalitatieve invulling kunnen krijgen. Ook is een goede regionale afbakening nodig. Met verhandelbare ontwikkelingsrechten hebben regionale overheden meer speelruimte om tot een verevening tussen winstgevende en verlieslijdende ontwikkelingen te komen, op een grondgebied dat groter is dan het exploitatiegebied van een specifiek project.’

Kwetsbaar Verevening is een thema dat op een groeiende belangstelling kan rekenen. De actuele ruimtelijke opgaven – herinrichting van het platteland met behoud van waardevolle landschappen, binnenstedelijke verdichting, herstructurering van bedrijventerreinen – zijn allemaal min of meer verlieslijdend. Overal wordt gezocht naar methoden om groen en onderhoud te financieren uit de opbrengst van nieuwe ontwikkelingen. Dat kan door de oprichting van regionale herstructureringsfondsen voor bedrijventerreinen, een trend die nog in de kinderschoenen staat, of door al wat langer bestaande ‘rood voor groen’- of ‘ruimte voor ruimte’-regelingen. Zo

maart 2010 10

ROM_0310.indd Sec3:10

3/1/2010 7:05:53 PM


mogen in Limburg ontwikkelaars meer realiseren dan het bestemmingsplan toestaat als ze tegelijkertijd een bijdrage leveren aan landschap en natuur. Dieperink is kritisch over deze vorm van verevening: ‘Bij dit soort regelingen gaat het om private contracten op basis van vrijwilligheid, dat maakt het kwetsbaar. Weliswaar regelt de wet nu wel een bevoegdheid voor gemeenten, maar de reikwijdte daarvan is onduidelijk. Meer principieel is het twijfelachtig als de ene overheid specifieke eisen aan grondeigenaren stelt om te mogen ontwikkelen en de andere niet. Verder blijft er natuurlijk het risico dat ontwikkelaars eerder gemaakte afspraken aanvechten. Vorig jaar nog heeft de Rechtbank Roermond een marktpartij in het gelijk gesteld die bezwaar maakte tegen een dergelijk contract. Bij verhandelbare ontwikkelingsrechten spelen deze problemen niet omdat het recht om te bouwen en de tegenprestatie inhoudelijk van elkaar zijn gescheiden. Het recht op ontwikkeling en op zelfrealisatie blijft overeind, er staat alleen een opslag tegenover in de vorm van een overdracht aan een andere grondeigenaar. Dat kan zowel een gemeente als een private partij zijn, zolang maar is verzekerd dat een verlieslijdende ruimtelijke activiteit plaatsheeft.’

Afdwingbaar Verhandelbare ontwikkelingsrechten staan sinds de Nota Grondbeleid uit 2001 op de politieke agenda. Met de invoering van de Grexwet in 2008 is het voor overheden eenvoudiger geworden om marktpartijen te laten meebetalen aan de aanleg van infrastructuur door middel van kostenverhaal. Daarvoor moet er wel een aantoonbare relatie zijn tussen de overheidsinvestering en de waardestijging

voor de grondbezitter. Tot een wettelijk en afdwingbaar vereveningsinstrument door baatafroming is het tot dusverre niet gekomen, mogelijk uit vrees dat een dergelijk instrument al snel als een extra belastingheffing zal worden uitgelegd. Dieperink heeft zich geconcentreerd op de haalbaarheid en de wenselijkheid van verhandelbare ontwikkelingsrechten, niet op de economische effecten: ‘Het belangrijkst is de acceptatie van een algemeen wettelijk vastgelegd vereveningsinstrument met de overheid als regisseur. Met de

R u i m te vo o r r u i m te , Roermond

Kragten, Limburg

Het recht om te bouwen en de tegenprestatie zijn inhoudelijk van elkaar gescheiden invoering van dit instrument kunnen overheden een meer transparante en faciliterende rol krijgen dan ze nu vaak hebben. Nu is er het probleem van de dubbele pet als gemeenten actief grondbeleid voeren: enerzijds verdienen aan de grondexploitatie en anderzijds vaststellen van ruimtelijk beleid. Bij particulier grondbezit krijgt de ene grondeigenaar een grondwaardestijging in de schoot geworpen door een verandering in het ruimtelijk beleid, terwijl de buurman achter het net vist. Ook daar zit een fundamentele onrechtvaardigheid in. De plussen en de minnen in de ruimtelijke ordening moeten beter aan elkaar worden gekoppeld.’ é Martin de Jong

maart 2010 11

ROM_0310.indd Sec3:11

3/1/2010 7:05:54 PM


Ruimtelijk bekeken

Het nieuwe gezicht van Het zal velen verbazen: het Duitse Ruhrgebied is Culturele Hoofdstad van Europa 2010. Wat eens een vervuilde industrieregio was, is nu één van de groenste gebieden van Duitsland met een cultuuraanbod dat vergelijkbaar is met Londen en Parijs. Over een regio die hardnekkige vooroordelen van zich probeert af te schudden.

O

p anderhalf uur rijden van de Nederlands-Duitse grens sta je midden in het Ruhrgebied. De voormalige kolen- en staalregio is een jaar lang Culturele Hoofdstad van Europa. Een mooie gelegenheid om eindelijk eens af te rekenen met het eenzijdige imago van de industrieregio. Van oudsher associeert het grote publiek het Ruhrgebied namelijk met ‘schoorstenen’, ‘milieuverontreiniging’ en ‘een grauw landschap’. Vanaf de jaren zestig hebben de regionale overheden kosten noch moeite gespaard om dat

negatieve beeld ten goede te keren. De boodschap: ‘u weet het nog niet, maar in het Ruhrgebied hebben we óók natuur, universiteiten, theaters en kastelen’. Voor die regiomarketing zijn de beste reclamebureaus ingehuurd en zo’n 170 verschillende advertenties en spotjes gemaakt. Totale kosten: zo’n dertig miljoen euro. Het mocht allemaal niet baten. Buitenstaanders lieten zich niet beïnvloeden en bleven erbij dat het Ruhrgebied een grijze, vervuilde industrieregio was die je maar beter kon mijden. Zo bleek

maart 2010 12

ROM_0310.indd Sec3:12

3/1/2010 7:05:55 PM


het Ruhrgebied uit een landsdekkende enquête in 1985 dat slechts één procent van de Duitsers graag in het Ruhrgebied zou willen wonen; zestig procent zei dat ze daar niet aan moest denken.

landschap: bestaande groenzones worden versterkt en er komen nieuwe bij. Zo ontstaat een vrij toegankelijk, aaneengesloten landschapspark volop vrijetijdsmogelijkheden. De IBA krijgt echter vooral bekendheid door haar keuze om industrieel erfgoed voor afbraak te behoeden en

Ruhr romantiek vanaf een hoo goven op L an d s c h a f t s p a r k D u i s b u r g - No rd

Foto: Peter Timmerman

Industriekultur Vanaf eind jaren tachtig realiseert het Ruhrgebied zich dat het roer om moet. In 1989 krijgt de stedenbouwer Karl Ganser van de deelstaat Noordrijn-Westfalen vijf miljard DM en tien jaar de tijd. Zijn opdracht is simpel: geef het Ruhrgebied een nieuw gezicht. Onder de titel Internationale Bauaustellung Emscherpark (IBA) gaat Ganser aan de slag. Om te beginnen wordt de sterk vervuilde rivier de Emscher – de riool van het Ruhrgebied – gezuiverd en aan de natuur teruggegeven. Daarnaast ontfermt de IBA zich over het

De IBA heeft meer effect dan welke campagne ook een tweede kans te geven. Die aanpak is niet alleen nieuw – tot dan toe werd er zoveel mogelijk gesloopt – maar ook goedkoop. De IBA selecteert in het Ruhrgebied ruim honderd mijnen, hoogovens en andere industriële complexen en èè maakt ze tot dragers van Industriekultur. De Jahrhunder-

maart 2010 13

ROM_0310.indd Sec3:13

3/1/2010 7:06:03 PM


Ruimtelijk bekeken

Schaatsers op het ter rein van de cokesfabr iek K okerei Z ollverein in Essen

Foto: Peter Timmerman

thalle in Bochum wordt bijvoorbeeld evenementenhal, de Gasometer (een grote gashouder) expositieruimte en de Duisburger Innenhafen recreatiegebied. Nieuw leven voor oude complexen!

Regionale trots De IBA heeft meer effect dan welke campagne ook: ze maakt de inwoners van het Ruhrgebied trotser op hun regio. Vroeger lieten de Ruhri’s bezoekers kastelen en parken zien onder het motto ‘kijk, dat hebben we hier ook’. Maar dankzij de IBA gidsen Ruhri’s hun gasten nu langs hun industriële monumenten en zeggen ‘kijk, dat hebben we alleen hier’. Ook de regiomarketeers sluiten aan bij die regionale trots:

Het Ruhrgebied ademt geen stof meer, maar toekomst vanaf de jaren negentig wordt het Ruhrgebied gepromoot als een eldorado van Industriekultur. Met de slogan ‘Der Pott kocht’ worden buitenstaanders uitgenodigd om het spannende industriële verleden van de regio te komen bekijken in de Route der Industriekultur. Deze strategie werkt beter dan de vorige, zo blijkt uit imago-onderzoek uit 2004: de meeste Duitsers associëren het Ruhrgebied weliswaar nog met industrie, maar steeds meer mensen zijn ook op de hoogte Gert-Jan Hospers en Peter Timmerman hebben onlangs het rijk geïllustreerde Het Ruhrgebied voor romantici geschreven, een alternatieve reisgids voor het Ruhrgebied. Het boek is vanaf begin maart 2010 verkrijgbaar bij Uitgeverij Smit van 1876.

van de unieke industriële erfgoed van de regio. 21% van de Duitsers kent de Route der Industriekultur en noemt spontaan het Bergbaumuseum in Bochum, de Gasometer in Oberhausen, de Villa Hügel in Essen en de Zeche Zollverein.

Geen stof, maar toekomst De innovatieve aanpak van de IBA blijft in de rest van de wereld niet onopgemerkt. In 2001 besluit de UNESCO de Zeche Zollverein in Essen – die lang op de nominatie stond om afgebroken te worden – op de werelderfgoedlijst te zetten. Terecht, want de Zeche Zollverein is als grootste mijn ter wereld hèt symbool van het industriële tijdperk. En in 2006 wordt bekend dat de stad Essen namens het Ruhrgebied Culturele Hoofdstad van Europa 2010 wordt. ‘Essen is het kristallatiepunt van de Europese discussie over de rol van cultuur in de Strukturwandel van oude industrieregio’s’, aldus het juryrapport, en ‘Het Ruhrgebied ademt geen stof meer, maar toekomst’. De Ruhri’s zelf reageren enthousiast op de uitverkiezing en dienen bij de projectorganisatie RUHR.2010 GmbH allerlei ideeën in. In 2010 vinden er in het hele Ruhrgebied meer dan 1500 evenementen plaats, van een culturele Autobahn-picknick op de A40 tot experimentele lichtkunst aan de Ruhr. Met industriecultuur als het hoofdthema van Ruhrgebied Europese Culturele Hoofdstad 2010 toont de regio de buitenwereld vol trots haar nieuwe gezicht. é Gert-Jan Hospers en Peter Timmerman

maart 2010 14

ROM_0310.indd Sec3:14

3/1/2010 7:06:10 PM


Hoor & Wederhoor

Brede financiering van het Deltafonds onmisbaar Het kabinet wil een Deltafonds inrichten als begrotingsfonds bij het Rijk. Daarmee mist het de kans op cofinanciering door provincies en vooral particuliere spaarders en institutionele beleggers. Roelof Balk bepleit een sterk Deltafonds tussen alle partijen, op afstand van Den Haag, om het Deltaprogramma vlot te trekken.

F

orse investeringen moeten Nederland beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. In het Deltaprogramma heeft de Deltacommissie van Cees Veerman de maatregelen op een rij gezet. De kosten bedragen zo’n 1,7 miljard euro per jaar tot 2100. De urgentie is groot. Nederland voldoet niet aan de huidige normen van veiligheid en die normen zijn achterhaald. Het klimaat verandert snel, de zeespiegel stijgt sneller dan verwacht en extreme rivierafvoeren nemen toe. Ook staat de zoetwatervoorziening onder toenemende druk. Uitstel van maatregelen is geen optie. De voorstellen zijn overgenomen in het Nationaal Waterplan van 2009. Binnenkort ligt de Deltawet die de kaders vastlegt in de Tweede Kamer. Voor de financiering wordt een Deltafonds gevormd, vanwege het langetermijnkarakter van de investeringen, de forse financiële omvang en de urgentie van nationale veiligheid waar conjuncturele factoren geen vat op mogen krijgen. Het kabinet belooft vanaf 2020 jaarlijks 1 miljard euro in het Deltafonds te storten. Voor de periode tot 2020 is nog niets geregeld. Komend decennium is dus financieel niet gedekt.

Een Deltafonds zonder geld Als het aan Financiën ligt, wordt het Deltafonds een Begrotingsfonds bij het Rijk. Dat is een spaarpotje op de rijksbegroting voor toekomstige uitgaven van het Rijk. Projecten kunnen worden uitgevoerd zodra de middelen in het begrotingsfonds zijn gestort. Voordeel van zo’n begrotingsfonds is dat een regelmatig stortingsritme kan worden vastgelegd en dat vertraging in de uitvoering niet betekent dat de middelen over de jaargrens vervallen. Maar bij de huidige rijksfinanciën biedt een begrotingsfonds voor het Deltaprogramma onvoldoende perspectief. Het

tempo van uitvoering staat of valt bij het daadwerkelijk gestorte rijksgeld. Zonder voeding is er geen zicht op investeringen. Een ingrijpende bezuinigingsronde wordt nu voorbereid. Het is zeer naïef om te denken dat de dekking voor de periode 2011-2020 alsnog gevonden kan worden. Wij moeten dus dringend uitzien naar andere financieringsbronnen. - Provincies zijn natuurlijk zeer interessant als cofinancier. Zij kunnen de magere jaren van het Rijk overbruggen. Nog steeds zijn enkele provincies zeer vermogend dankzij de privatisering van energiebedrijven. De roep van de kiezers om dit publieke vermogen aan te wenden voor maatschappelijk nuttige doeleinden zal luider worden, want het is ongepast als Rijk en gemeenten (fors) moeten bezuinigen terwijl provincies ‘bulken van het geld’. Elke inwoner van Nederland heeft baat bij investeringen in het Deltaprogramma. Het Deltafonds genereert een echt maatschappelijk rendement, in tegenstelling tot een provinciale bankrekening, al dan niet bij een IJslandse bank. Een Deltafonds onder neutraal bestuur kan voor de provincies een aanvaardbaar adres zijn voor het aanhouden van kapitaal. Een technocratisch begrotingsfonds in Den Haag kan die rol niet vervullen. - De kapitaalmarkt biedt eveneens grote kansen. Zowel institutionele beleggers (pensioenfondsen) als particuliere spaarders zoeken naar veilige investeringen met een solide rendement. • Pensioenfondsen moeten hun herstelplannen uitvoeren, die de dekkingsgraad op peil moeten brengen na de forse verliezen van de kredietcrisis. Riskante investeringen in aandelen of commercieel vastgoed zijn niet passend, of worden door DNB als toezichthouder èè

maart 2010 15

ROM_0310.indd Sec3:15

3/1/2010 7:06:25 PM


Hoor & Wederhoor

maart 2010 16

ROM_0310.indd Sec3:16

3/1/2010 7:06:27 PM


botweg afgewezen. Een belegging in een Deltafonds, met overheidsgerelateerde projecten als onderlegger, kan in die leemte voorzien. • Het particuliere spaarsaldo is ondanks de crisis zeer hoog. Maar het vertrouwen in aandelenbeleggingen is tot een nulpunt gedaald. Dat keert niet zomaar terug. Momenteel houden spaarders nog relatief grote voorzorgskassen liquide aan. Bij een (beginnend) herstel zal dit kapitaal een uitweg zoeken naar solide beleggingen voor langere termijn. Het Deltafonds biedt die uitweg. • Voor het aantrekken van particuliere spaarders is ‘groen beleggen’ een succesformule. Per saldo is dat voor de overheid nog goedkoper dan zelf lenen op de kapitaalmarkt, omdat op groen beleggen een extra premie zit die de belastingderving overtreft. Spaarders willen graag investeren in de duurzaamheid van hun leefomgeving en zijn daarnaast dol op elk belastingvoordeel. Het Rijk kan het forse potentieel van particuliere spaargelden eenvoudig aanboren. Het aanwijzen van de Deltaprojecten als duurzame (maatschappelijke) projecten volstaat. Deze brede en maatschappelijke financiering van het Deltaprogramma vereist wel een steviger Deltafonds dan een begrotingsfonds, een sterkere positionering en financiële taakstelling, en enige afstand van de rijksoverheid. Het Nationaal Groenfonds is hiervan een indrukwekkend voorbeeld, met de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur als het duurzame investeringstraject. Voor grondaankopen en particuliere natuuraanleg heeft het Groenfonds het groen

beleggen veelvuldig benut. Die kennis en ervaring moeten we ook voor dit majeure investeringstraject benutten.

Gebiedsontwikkeling en integrale financiering Bij de ontwikkeling van projecten worden marktpartijen zoals ontwikkelaars betrokken. Zij kunnen investeringen in veiligheid en waterberging combineren met woningbouw, energieopwekking, recreatie en natuurontwikkeling. De integrale financiering en kostenverevening die daarvoor nodig zijn, kan een technisch begrotingsfonds niet tot stand brengen. Een Deltafonds op afstand kan die wegen naar integraliteit wel ontsluiten.

Een dijk van een fonds! Den Haag verzet zich meestal tegen fondsvorming. Vooral Financiën heeft principiële bezwaren. Voor het Deltafonds maakt het kabinet terecht een uitzondering. Het zijn belangrijke investeringen die geen uitstel dulden. Maar de gekozen uitwerking, een technisch begrotingsfonds, is ongelukkig. Daarmee doet de overheid zichzelf tekort. Het ontneemt ons het zicht op aantrekkelijke cofinanciering. In tijden van bezuinigingen enerzijds en spaaroverschotten bij particulieren anderzijds is dat een kostbare fout. Zonder provincies, institutionele beleggers en particuliere spaarders kunnen we het wassende water niet aan. Een sterk Deltafonds op enige afstand van het Rijk biedt veel betere perspectieven. é Roelof Balk is directeur van Fondsenbeheer Nederland,

onderdeel van de Rabo Vastgoedgroep. Van 1995 tot 2008 was hij directeur van het Nationaal Groenfonds

Uitdagend Met interesse heb ik kennis genomen van de ideeën van de heer Balk. Hij geeft hiermee vanuit zijn eigen financiële expertise een bijdrage aan een geleidelijk op gang komend debat over de toekomstige financiering van het Deltaprogramma. Bij de huidige opzet van het Deltafonds is de voeding pas vanaf 2020 geregeld. Hoewel er zeker veel geld zal worden uitgeven aan waterveiligheid, zal er ook behoefte zijn aan extra financiering van projecten in de periode tot 2020. De manier waarop in deze behoefte voorzien kan worden, is een vraag die vooralsnog niet beantwoord is.

Het idee om een constructie op te richten naar analogie van het Groenfonds is daarbij een nadere verkenning waard, vooral als blijkt dat provincies en/of institutionele beleggers hiervoor belangstelling zouden hebben. Ik daag hen dan ook van harte uit om deze uitdaging aan te nemen en een concreet aanbod te formuleren. é Jacqueline Cramer, minister van Ruimte en Milieu

maart 2010 17

ROM_0310.indd Sec3:17

3/1/2010 7:06:53 PM


Interview

Zef Hemel over de Structuurvisie Metropool Amsterdam

Plannen voor een duurzame en democratische stad Foto’s: Nico Bogaards

Transformatie in plaats van uitleg, uitbreiding van centrumgebied tot aan de Ring, energieneutraal en productiegroen rond de stad, de kernstad opgenomen in regionaal verband; in tal van opzichten is de Structuurvisie Metropool Amsterdam 2040 een breuk met het verleden. ‘Het belangrijkst is dat we weer een echte visie hebben’, stelt Zef Hemel. Stedenbouw en planologie kunnen weer boven de projecten uitstijgen, op een sterk democratisch fundament.

D

enken over de toekomst van de metropool Amsterdam. Het Wibautjaar met debatten, lezingen en tentoonstellingen was vorig jaar voor de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) aanleiding om een aantal kwesties over stedelijke vraagstukken op de agenda te krijgen. Niet dat er helemaal niets gebeurde. Integendeel, het ging en gaat best goed met Amsterdam. Nog steeds wordt er overal in de stad gebouwd, constateert Zef Hemel. ‘Maar het ging minder goed met de planologie. Dat merkten we aan de werkverdeling binnen de dienst. We zijn een publieke dienst, maar we werken zakelijk, met marktconforme

tarieven. De stedenbouwkundigen hadden volle orderportefeuilles, ze werkten op projectbasis, terwijl de planologen alleen nog beleidswerk verrichtten voor het bestuur. En dat werd weggesneden.’ Dat beeld paste bij de tijdgeest, meent Hemel. ‘De afgelopen twintig jaar was het motto: minder beleid, minder regels, minder visie, maar wel bouwen! Projectmatig werken was het devies. Deze hele stad bestaat uit honderden uitvoeringsprojecten, zonder veel samenhang. We hebben een structuurplan van 2003, dat niet verder gaat dan 2010. Een veredelde projectenkaart, dat was het.’

maart 2010 18

ROM_0310.indd Sec3:18

3/1/2010 7:07:01 PM


Taboes Waren er dan helemaal geen visies meer? ‘Alles heette visie. We kwamen om in de prachtige boekwerkjes, brochures met mooie plaatsjes. Maar in werkelijkheid was er helemaal geen sprake van een echt gedeelde visie. Het hele denken was sterk gefragmenteerd. Als je zei dat de publieke zaak gediend was bij samenhang, dan getuigde dat van geloof in maakbaarheid. En dat was taboe.’ Waar zie je dat gebrek aan visie dan terug? ‘Op veel plekken. Wegprofielen veranderen, aansluitingen kloppen niet. De stadsdelen maken hun eigen bestemmingsplannen. Er zijn grootstedelijke projecten, stadsdeelprojecten en zogenaamde coalitieprojecten waarin de centrale stad en een stadsdeel samenwerken. Veel expertise is er niet meer. Die is uitbesteed aan de markt.’ Voor Hemel schuilt daarin ook een van de oorzaken van de problemen met de bouw van de Noord/Zuidlijn. ‘Veel problemen die we daar nu hebben, zijn terug te voeren op de afschaffing van het metrobureau na het gereedkomen van de Oostlijn. Hierdoor werden we afhankelijk van externe deskundigheid.’ Met enige regelmaat refereert Zef Hemel aan de hoogtijdagen van de stedelijke planning. Plan Zuid van Berlage, het AUP van Van Eesteren. ‘Juist vanwege die rijke traditie heb ik goede hoop dat het in Amsterdam weer kan gebeuren. Het is hier vaker voorgekomen dat de tijdgeest de totstandkoming van een samenhangende visie verhinderde. Sarphati heeft zich een slag in de rondte moeten werken en ontzettend veel tegenwerking van het gemeentebestuur gehad.’ Dan heb je nu toch het tij mee. De positie van de overheid op veel fronten heroverwogen… ‘Ik zie nog geen krachtige overheid terugkomen. We krijgen de komende jaren zelfs te maken met een van de grootste naoorlogse bezuinigingsoperaties. Dat gaan we ook in Amsterdam goed merken.’

Metropolitaan ‘Er is meer samenhang nodig, vooral planologische samenhang. Er is weer behoefte aan spannende, samenhangende verhalen over de stad. Metropolitane verhalen. We hebben daar de buurgemeenten, de groeikernen, de hele omgeving bij nodig. Het is zo klaar als een klontje dat het verhalen moeten zijn over duurzaamheid, over hoe je deze stedelijke regio zo duurzaam mogelijk kunt maken. Maar ook hoe je ’m economisch kunt versterken.’ De internationale conferentie Morgen/Tomorrow zat vol inspirerende, heel praktische verhalen die wereldwijd de urgentie voor en haalbaarheid van een radicaal andere koers voor stedelijke ontwikkeling aantonen. Hemel pikt er twee thema’s uit: de voedselproductie rond de stad en de energievoorziening. ‘Alle grote steden realiseren zich dat de doorgerationaliseerde voedselproductie, die Tim Lang

(hoogleraar Voedselbeleid aan de City University London, mb) aanduidt als de “supermarktrevolutie”, op zijn laatste benen loopt. Onze markten bieden nog maar mondjesmaat voedsel uit de directe omgeving aan. De distributiecentra zijn uit de stad verdwenen, die staan nu aan de snelweg midden in het land. In de prijs van ons voedsel zit de prijs die we met het milieu betalen niet verdisconteerd. Daar moet een alternatief voor komen. Metropolen zullen weer grotendeels zelfvoorzienend worden. Het helpt bovendien om ons platteland te revitaliseren. Hetzelfde geldt voor energie. De olieoverslag, de kolencentrales. Iedereen weet dat fossiele brandstoffen een aflopende zaak zijn. We leggen nu wel veel nadruk op de economie, maar waarom zou je meteen niet de slag maken om te investeren in een duurzame economie? Dat levert ook werkgelegenheid op. De steden zijn de sleutel: 75 procent van het energieverbruik zit in steden. De kringlopen moeten kleiner worden. Verdichting en vergroening bieden grote kansen. Daar zijn wereldwijd alle metropolen mee bezig. Neem New York. Burgemeester Bloomberg denkt in New York alleen al met de bestaande centrales dertig procent energiewinst te kunnen halen; voor een stad van twaalf miljoen en een republikeinse

Er is weer behoefte aan spannende, samenhangende verhalen over de stad burgemeester is dat opmerkelijk. Londen zet in op schonere energieproductie en het vergroenen van het openbaar vervoer. De metropolen moeten van elkaar leren, veel sneller dan nu gebeurt.’

Structuurvisie Hoe vinden deze ideeën hun weg naar de nieuwe structuurvisie? ‘In de structuurvisie wordt het groen geactiveerd: als natuurgebied en als productiegebied. In de Amstelscheg zitten nu nog maar vijf melkveehouderijen. Dat moeten er weer meer worden. We willen dat de boeren in de omgeving weer gaan produceren, op biologische basis, voor onze restaurants, onze scholen, onze verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, onze markten. Aan de schaalvergroting komt een einde. Samen met het ministerie van LNV en de provincie werken we aan een inhoudelijke agenda, veel meer op economische kansen gebaseerd dan op planologische paradigma’s als “het Groene Hart moet groen blijven”.’ Andere pijlers onder de structuurvisie zijn de uitbreiding van het centrumgebied tot aan de Ring A10 en op sommige plekken zelfs er overheen, de versterking van de Zuidflank en de ontwikkeling van de IJ-zone. ‘Het centrum heeft uit èè

maart 2010 19

ROM_0310.indd Sec3:19

3/1/2010 7:07:02 PM


Interview

is rendabel. Ook de Ringlijn die daarna is aangelegd – op tijden binnen het budget gerealiseerd – is een groot succes gebleken. Dus natuurlijk hebben we die Noord/Zuidlijn nodig.’

Democratie Verbeeldingskracht en vooral communiceren, zijn onmisbare vaardigheden van stedenbouwers en planologen, stelt Zef Hemel. Bij de DRO Amsterdam is dit uitgemond in ‘De Amsterdam Principles’, als leidraad voor de planningspraktijk. ‘Begin klein met een paar mensen die warm lopen voor een idee. Sluit vervolgens niemand uit en laat de groep groeien. Eerst de verhalen, de schetsen, dan de plannen. Hoe persoonlijker je de verhalen maakt, hoe krachtiger en overtuigender ze worden.’ Als illustratie hoe dat werkt, noemt Hemel de Vrijstaat Amsterdam, onderdeel van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam-Amsterdam 2009. ‘Burgers vertelden onze mensen bij de maquette hun eigen verhalen. Zij bleken ware kenners van het gebied en brachten hun betrokkenheid op onze mensen over. Dat levert inspirerende gesprekken op, met verrassende oplossingen, waar je als planoloog of stedenbouwer zelf nooit op was gekomen.’

zichzelf al een natuurlijke tendens naar alle kanten uit te breiden’, aldus Hemel. ‘De Westergasfabriek is daarvan een voorbeeld. Wat daar gebeurt, trekt de Staatsliedenbuurt en Bos en Lommer omhoog. Het Oostelijke Havengebied met Panama en het Lloyd-hotel is een ander voorbeeld. De archipel in het IJ biedt grote mogelijkheden. Daar zijn we nog maar twintig jaar mee bezig. We hebben een van de

Het centrum heeft uit zichzelf al een natuurlijke tendens naar alle kanten uit te breiden grootste waterfronten ter wereld. De hindercontouren op sommige plekken zitten ons weliswaar in de weg, maar de tijd werkt in ons voordeel. Ook het gebied van het Museumplein tot de Zuidas gaat in de toekomst bij het centrum horen. De Zuidas vormt straks het hart van de Zuidflank, een lange bundel infrastructuur en bedrijvigheid met een enorme dynamiek, die loopt van Hoofddorp, via Schiphol tot Zuidoost en de Arena naar Utrecht. We bouwen die Noord/Zuidlijn niet voor niets.’ Hemel snijdt bewust het heikele onderwerp aan. ‘De metroagenda was hier ooit een besmet onderwerp en lijkt dat nu opnieuw. Maar als hoogwaardig openbaar vervoer ergens in Nederland rendeert dan is het wel in Amsterdam. De Oostlijn

Niet meteen vanaf begin zwaar en groot inzetten dus? ‘Nee. Lever je vooral niet te snel uit aan de projectontwikkelaars. Ga niet te snel zelf tekenen. Start niet te vroeg een project. De afgelopen decennia is stadsontwikkeling vooral via grondposities gegaan. Het ging meteen over ontwikkelrecht en veel geld. De werkwijze was aanbodgericht. Dit moet anders. Praat in het begin liever niet over geld en bevoegdheden. Richt je op de inhoud en deel verhalen. De particuliere bouwer is een nieuwe speler; de burger is rijker geworden, kan zelf ook krediet krijgen. Net als in de Gouden Eeuw.’ Op dat vlak is er dus geen verschil tussen experts en bewoners? ‘Absoluut niet. De planning moet in die zin democratischer. Mijn eerste reflex over de Crisis- en herstelwet was dan ook negatief. Ik maak me zorgen als ik ministers hoor praten over doorzettingsmacht. Democratische mechanismen buiten werking stellen om het land economisch aan de praat te krijgen? We doen precies het tegenovergestelde. We maken het minder democratisch, terwijl de burgers alleen maar mondiger zijn geworden. Ik denk niet dat ze dit zullen accepteren.’ Een open, machtsvrije dialoog ligt aan de basis van een gedragen visie op Groot-Amsterdam. De DRO heeft er zelfs haar vergaderruimtes op laten inrichten. Overal staan nu ovalen tafels, met een massief blad, waar kaarten en tekeningen op kunnen liggen: ‘de beste stimulans voor een open debat’. PowerPoint-presentaties zijn vrijwel uitgebannen. ‘Zenden doen we niet meer. Wel tekenen, schetsen, verhalen vertellen, luisteren en meedenken.’ é Marcel Bayer

maart 2010 20

ROM_0310.indd Sec3:20

3/1/2010 7:07:02 PM


Trend

Duurzame energie vecht voor plek in planproces

‘Groene’ ontwikkelkracht Duurzame energie in woningen maakt een schaalsprong. Waren het eerst postzegelprojecten – zonnepaneeltje hier, windmolentje daar – nu gaan hele nieuwbouwwijken over op ‘groene’ energieopwekking. Projecten waarin hier al vroeg in de planvorming op wordt gezinspeeld, gedijen het best.

P

lantage de Sniep in Diemen. Het bedrijventerrein in de oksel van de snelwegen A1 en A10, waar ooit ’s lands eerste meubelboulevard stond, is nu een nieuwbouwwijk in aanbouw. Niets bijzonders, denk je dan. Mis. Onder de grond worden vergaande klimaatambities gekoesterd. De ruim 1200 woningen worden straks niet verwarmd met gas maar met bronwater. Het warmte-koudeopslagsysteem pompt in de zomer grondwater op voor verkoeling. Het opgewarmde water wordt elders in andere ondergrondse watervoerende lagen gebracht als warmtereservoir voor in de winter. Nieuw is de techniek niet. Zo’n duizend kantoren, winkelcentra en ziekenhuizen in ons land zijn er al mee voorzien. De toepassing van een collectief wko-systeem voor woningen op deze schaal is wel een primeur, volgens VROM zelfs een van de eerste grootschalige toepassingen wereldwijd. Milieumanager Bas van de Griendt van Bouwfonds Ontwikkeling, dat de nieuwe woonwijk samen met Dura Vermeer ontwikkelt en realiseert, licht toe dat het project is verworven via een prijsvraag. ‘Duurzaamheid was een belangrijk selectie- en gunningscriterium voor de gemeente.’ Bouwfonds legt de lat hoog met de wko. De huizen zijn gemiddeld tienduizend euro duurder. ‘Zaak is kopers goed uit te leggen dat ze niet alleen aan comfort en koeling winnen, maar de hogere kosten via de energienota terugverdienen.’ Bouwfonds spiegelt maandlasten van circa 110 euro voor, wat volgens Van de Griendt veel

lager is dan voor soortgelijke woningen zonder een wkosysteem. ‘De belangstelling voor de huizen is groot.’

Aanjager Zestig kilometer verderop in Heerhugowaard geldt voormalig wethouder Robbert Jan Piet als aanjager van de nieuwe wijk Stad van de Zon. ‘Al is het begonnen met ambtelijk aanjagen’, nuanceert hij in bescheidenheid. In de jaren tachtig

‘Gebouwen moeten “energetisch autonoom” zijn, dus minimaal zelfvoorzienend en CO2-neutraal’ openbaarde zich in de Noord-Hollandse gemeente al een fascinatie voor zonne-energie. In 1991 volgde het eerste rijtje huizen met zonnepanelen in ons land. ‘De zonnecellen waren duurder dan de rest van de woning. Maar als het in een rijtje kan, dachten wij, dan kunnen we net zo goed een èè C hr i s t i a a n H uy g e n s co l l e g e © R AU

maart 2010 21

ROM_0310.indd Sec3:21

3/1/2010 7:07:06 PM


Trend

Duurzame principes in Almere Duurzaamheid is een ontwerpopgave, vindt wethouder Adri Duivesteijn van Almere. Met het oog op de uitbreiding met 60 duizend woningen tot 2030 heeft de Flevostad de ‘Almere Principles’ opgesteld. Doel: zowel gemeente als markt tot een duurzame ontwikkeling van de stad inspireren. Het stevige oranjekleurige boekje in zakformaat beschrijft de vorig jaar bedachte brede ambitie voor een ecologisch, sociaal en economisch duurzaam Almere in 2030. Duivesteijn kreeg hulp van de vermaarde cradle to cradle-goeroe McDonough. ‘Je hebt wel een katalysator nodig.’ Almere is met particulier opdrachtgeverschap gestart en koos voor een andere manier van aanbesteden en verkavelen. Voor de stad geen blauwdrukken. De gemeente wil de creativiteit van de markt niet frustreren. ‘Ik ben voorstander van een benadering die uitgaat van mensen uitnodigen zelf met plannen te komen die duurzamer zijn dan wanneer je als gemeente zelf regels stelt.’ Particulier opdrachtgeverschap is volgens Duivesteijn ‘per definitie’ goed voor duurzaamheid. Het levert onder meer oplossingen op die zelfvoorzienend zijn in energie. Oplossingen die ook terug te vinden zijn in andere delen van Almere, zoals de locatie voor het Zonne-eiland van Nuon (7000 vierkante meter aan fotovoltaïsche cellen) en een ecologische milieustraat van de gemeente, die voor driekwart op zonnestroom draait. In het Columbuskwartier in de jongste wijk Almere Poort, nu nog grotendeels een woestijnvlakte, is een blok met 400 zonnewoningen (met een vijftien procent scherpere energieprestatiecoëfficiënt) in aanbouw. Daarnaast komen er 100 passiefhuizen. Als hoogtepunt verschijnt er in de wijk ook nog een Cradle to Cradle-woning die met vijftig vierkante meter rode (!) zonnecollectoren en windmolens op het dak volledig in eigen energie voorziet. ‘Wij stellen de kaders met onze duurzaamheidsrichtlijnen, maar de markt gaat daar nog eens overheen.’

hele wijk met zonnehuizen bouwen.’ Voor HeerhugowaardZuid, een Vinex-locatie met 6000 woningen, waren door de raad al vergaande energieambities geformuleerd. Maar eenvoudig was het niet. ‘We hebben een enorme slag moeten leveren. Door het behoorlijk falende rijksbeleid was de grond in handen van partijen waar we een stevig potje mee hebben moeten worstelen.’ De volgende uitdaging was het vinden van een geschikte architect. Piet: ‘Er zijn maar weinig architecten die zonnepanelen kunnen inpassen in stedelijke architectuur. In de jaren negentig had bijna niemand daar trek in, nu is dat anders.’ In 2002 werd begonnen met de bouw van het carré van de zonnewijk, geënt op de oervorm van Mexico City. Al twee derde van de 1600 huizen heeft zonnepanelen op het dak. Volgens een studie van adviesbureau New Energy Works is de september vorig jaar geopende woonwijk inmiddels meer dan CO2-neutraal. De huishoudens scheiden jaarlijks 6,5 duizend ton CO2 uit, maar door de aanwezigheid van de PV-cellen en de geplande drie windturbines (elk 2,3 megawatt) wordt er ruim 10,5 duizend ton CO2-uitstoot

vermeden. De bijdrage van de windmolens is substantieel, namelijk 17.000 megawattuur, terwijl het zonnecelvermogen (2,05 megawatt) goed is voor jaarlijks 1640 megawattuur aan elektriciteit.

Milieufreak Zonne-energie is niet meer voor de echte milieufreak. De woningen in de Stad van de Zon kregen elk 10.750 euro subsidie (op een totale meerprijs van 16.750 euro voor het erop schroeven van de zonnepanelen). De terugverdientijd voor de kopers wordt geschat op tien jaar. Maar daar was het architect en stedenbouwkundige Ashok Bhalotra niet om te doen. ‘Zo’n zonnewijk moet je gewoon bouwen’, zegt de geestelijk vader van Stad van de Zon. Volgens Bhalotra zijn projecten van deze omvang onmisbaar. ‘Het tempo moet hoger. Het moet vanaf nu om hele woonwijken gaan, niet meer om individuele systemen. Er komt zeker een moment dat er geen subsidie meer nodig is. Eigenlijk is het beledigend voor techneuten en bestuurders dat ze zonder subsidie niets kunnen doen.’ De vraag ‘Kunnen we duurzaam?’ wordt steeds vaker gesteld door ontwikkelaars, woningcorporaties en gemeenten, bespeurt directeur duurzame energie Ruben Verbaan van Dura Vermeer, ‘maar dat wil niet zeggen dat dit daadwerkelijk gebeurt’. Hij schat dat bij een op de vijf projecten een of ander duurzaam energiesysteem komt kijken. ‘Veel partijen weten niet wat het betekent om duurzame energie, zoals een wko-systeem, mee te nemen bij de planvorming, of wat het allemaal kost. Veel initiatieven mislukken, omdat opdrachtgevers zich dat onvoldoende realiseren. Dan komen ze van een koude kermis thuis. En soms ontbreekt gewoon de ambitie om echt door te zetten.’

‘Het moet vanaf nu om hele woonwijken gaan, niet meer om individuele systemen’ Nederland is nog niet gewend, stelt Verbaan, om het energievraagstuk in een ontwikkelingsproject te integreren. ‘Het liefst bellen we onderweg het energiebedrijf om een gasaansluiting te regelen. Gas is goedkoop en gemakkelijk beschikbaar.’ Ook Bhalotra constateert dat duurzame energie in ontwikkelingsprojecten niet vanzelfsprekend is. ‘Elke keer moet ik opnieuw beginnen om het onderwerp tussen de oren te krijgen. Terwijl het voor mij een logisch ingrediënt is, vergelijkbaar met de riolering en de watervoorziening. Met de technieken en materialen die we nu in huis hebben, kunnen we energieproducerende woningen bouwen.’

Windenergie Voor vermeende horizonvervuiler windenergie valt nog immer een wereld te winnen. In tegenstelling tot de

maart 2010 22

ROM_0310.indd Sec3:22

3/1/2010 7:07:09 PM


landelijke trend van maatschappelijk verzet en ellenlange procedures blijkt Etten-Leur echter een fervent voorstander. ‘Er wordt nauwelijks geklaagd, de overgrote meerderheid van de raad is voor’, zegt wethouder Jean-Pierre Schouw. In 2002 nam de 41 duizend inwoners tellende Brabantse gemeente een windpark (6,5 megawatt) in gebruik dat voor 2000 woningen stroom opwekt. Pas nog is de vergunningaanvraag gestart voor twee windparken (totaal: 30 MW) in het buitengebied. Paradepaardje van het Etten-Leurse klimaatbeleid is de wijk Schoenmakershoek, waar in totaal 1400 energiezuinige woningen staan. De conventionele verwarmingsketel heeft daarin plaatsgemaakt voor een warmtepomp. Een aantal woningen heeft zonnepanelen. De voorzieningen hiervoor zijn bij de bouw al aangebracht. Bij de planvorming van de wijk werden de duurzame-energieopties meegenomen. ‘Groot of klein, bij elk project nemen we die mogelijkheid mee’, zegt Schouw. ‘Met de markt kunnen we daar tot nu toe ook goede afspraken over maken.’ Er wordt inderdaad wat afgepolderd in de gebouwde omgeving. Het sectorakkoord Meer met Minder, in 2008 gesloten, moet de 2,4 miljoen bestaande woningen en andere gebouwen in ons land blijvend 30 procent minder energie laten gebruiken. In 2008 werd eveneens het Lente-akkoord bekrachtigd tussen overheid, bouwers en ontwikkelaars. Doel hiervan is het gebouwgebonden energiegebruik voor de hele nieuwbouw (woningen, kantoren en commercieel vastgoed) in 2011 met een kwart procent terug te brengen (vijftig procent in 2015, in 2020 volledig energieneutraal).

‘Aan dit convenant wordt niet getornd’, zegt Van de Griendt van Bouwfonds stellig. ‘Door de crisis zijn veel projecten in stukken geknipt. Voor de delen die volgend jaar de procedure ingaan, gaan dus strengere energie-eisen gelden. Iedereen moet eraan geloven.’

Onvoldoende Kan wel zijn, maar de convenantenaanpak loopt op zijn laatste benen. Minister Cramer van VROM heeft al aangegeven dat Meer met Minder onvoldoende bijdraagt. Ze wil met scherpere maatregelen komen, onder meer een verplicht energielabel-B voor huizenverkopers. De Tweede Kamer heeft daar wel oren naar. Wethouder Adri Duivesteijn van Almere heeft niet zo’n hoge pet op van convenanten ‘en al helemaal niet van marktpartijen die van alles beloven. Winstmaximilisatie is toch het streven in de markt.’ Normen stellen, zoals in het bouwbesluit, vindt Duivesteijn beter, maar er moet ook de mogelijkheid zijn aan regels te kunnen ontsnappen, namelijk als de duurzaamheidslat hoger kan. ‘Precies zoals het raar is dat iemand die een passief huis wil bouwen, niet kan ontsnappen aan de aansluiting op de stadsverwarming.’ Het voorbeeld komt uit Almere zelf. Aannemer BAM, die in het Columbuskwartier honderd passiefhuizen bouwt, is verplicht de woningen op het stadsverwarmingssysteem aan te sluiten. Een evident nadeel, want bij deze technologie gaat standaard per woning jaarlijks tien megajoule aan energie verloren. ‘Dat zijn keiharde gegevens’, zegt Van de Griendt èè NUON Z on n e - e i l a n d , A lmere

maart 2010 23

ROM_0310.indd Sec3:23

3/1/2010 7:07:09 PM


Trend

Diemen - De Sniep, situatieschets

van Bouwfonds. ‘De gemiddelde woning uit de bestaande voorraad verbruikt jaarlijks zo’n vijftig megajoule, een standaard nieuwbouwhuis met gasgestookte HR-ketel gemiddeld 25. Als de gemiddelde woning in 2015 nog maar 12,5 megajoule verbruikt, dan zijn bij die tien verloren megajoules de verhoudingen zoek. Dit zijn dilemma’s die bespreekbaar moeten worden.’ Duivesteijn is de laatste om dat te ontkennen. ‘In het contract met Nuon staat CO2-reductie centraal. Daar wilden we een bijdrage aan leveren. Nu zien we dat doelstellingen elkaar ook in de weg kunnen zitten. Dat contract hadden we niet zo absoluut moeten sluiten. Je moet de mogelijkheid open houden dat er nog vooruitstrevender oplossingen mogelijk zijn.’

Condoompjes Een uitspraak die duurzaamheidsarchitect bij uitstek Thomas Rau uit het hart is gegrepen. Allereerst is hij kritisch over de Nederlandse energieprestatiecoëfficiënt, kortweg EPC, een indexgetal dat de energieprestatie van nieuwbouw aangeeft. ‘Dat zijn duurzame condoompjes. Ze suggereren dat je safe

zit, maar ze zeggen niets over de levensvatbaarheid van een gebouw. En wat is het streven dan? Een gebouw met een EPC van 0,0 is niets meer dan een doodskist. Te goede isolatie leidt tot een ongezond binnenklimaat.’ Rau tekende onder meer voor het in 2011 op te leveren kantorencomplex Le Carré de Soie in Lyon dat zijn energie voor klimaatbeheersing en gebruik zelf opwekt en zelfs een overschot aan energie produceert. Hij pleit voor een fundamenteel andere

‘Soms ontbreekt gewoon de ambitie om echt door te zetten’ aanpak. ‘Toepassingen als een wko, nog los van het feit of het wel verstandig is met de temperatuur in de aarde te gaan knoeien, zijn vaak een sluitpost voor de laatste meters energiewinst. In feite is het een vijgenblad.’ Gebouwen moeten ‘energetisch autonoom’ zijn, vindt Rau, dus minimaal zelfvoorzienend en CO2-neutraal. ‘De overheid zou dit als doel verplicht moeten stellen. Hoe het gebouwd

maart 2010 24

ROM_0310.indd Sec3:24

3/1/2010 7:07:13 PM


Bodemschatten redden klimaat De aard- en restwarmteprojecten tuimelen over elkaar heen. In Gelderland willen Nijmegen en afvalverbrander ARN een warmtenet rond de nieuwe woningen in de Waalsprong leggen. Overijssel gaat met Kampen de tuinkassen in de Koekoekspolder verwarmen met warm water uit diepere aardlagen. De voorgespiegelde besparingen mogen er wezen: een aansluiting op het warmtenet in Nijmegen levert jaarlijks per woning zeventig procent minder CO2-uitstoot op dan bij

Warmte-koudeopslag heeft ook zijn beperkingen verwarming met aardgas. Overijssel hoopt op zeven kiloton minder broeikasgas jaarlijks, de uitstoot van ongeveer 2800 huishoudens. Toepassingen die gebruikmaken van de warmte van de bodem, zoals de warmtewisselaar en – op een groter schaalniveau – het warmte-koudeopslagsysteem lijken veelbelovend. Toch is energiedeskundige Teus van Eck kritisch als het om wko-systemen voor woonhuizen gaat. De standaardcombinatie wko en warmtepomp kan besparingen tot vijftig procent op verwarmen opleveren, maar het energierendement neem af, weet Van Eck, om het warme tapwater op de legionellavrije temperatuur van zestig graden Celsius te krijgen. ‘Warmtepompen zijn

voor een dergelijke temperatuursprong veel minder efficiënt en maken het soms noodzakelijk om extra ketels te plaatsen. Dat is slecht voor het energieplaatje. Dit is extra van belang bij nieuwbouw, omdat daarbij het aandeel warm tapwater gelijk of zelfs groter is dan het aandeel verwarming.’ Met een wko zijn forse investeringen in systeem en infrastructuur gemoeid. Bij dit soort collectieve systemen speelt volgens Van Eck vooral dat het uit financieel oogpunt gewenst is dat alle huizen in korte tijd klaar zijn. ‘Bouwplannen spreken vaak van één jaar. In de praktijk doet men er vijf jaar of langer over. Dat drukt zwaar op de voorinvesteringen, omdat er dan nauwelijks inkomsten zijn.’ De plannen in de Koekoekspolder zijn al realiteit in Rotterdam, waar een kassenoppervlak van zeven hectare met geothermie verwarmd wordt. Naar verluidt met succes. In Den Haag gaat de gemeente, samen met de energiebedrijven Eon en Eneco en drie woningcorporaties, zo’n vierduizend woningen verwarmen met diepe aardwarmte. Op 2000 meter diepte is het grondwater al 65 graden Celsius heet. Dit scheelt, zo is uitgerekend, jaarlijks 5000 ton CO2, zeventig procent minder uitstoot dan bij traditionele verwarming. Bij een geconcentreerde bouwdichtheid, zoals bij kassen en woonwijken, merkt Van Eck op, is onder de grond een groot oppervlak nodig. ‘Je kunt er niet een hele stad op aansluiten.’ èè He e r h u g o w a a rd , S tad van de Z on

maart 2010 25

ROM_0310.indd Sec3:25

3/1/2010 7:07:19 PM


Trend

Stad ontwikkelt zich richting stroom

K a ntorencomplex L e C a r ré d e S o i e , Lyon ©R AU

In 2020 rijden er in Nederland één miljoen elektrische auto’s rond. Dat zei minister-president Jan Peter Balkenende, zelf fervent autoliefhebber, tijdens de opening van de AutoRai vorig jaar april. Waarom zouden we elektrisch gaan rijden? Nou, vindt het kabinet, het is schoon, kost geen fossiele brandstoffen en maakt ons land dus minder afhankelijk van olie. Elektrisch vervoer past in een toekomst die draait op duurzame energie. Het teveel aan elektriciteit dat we opwekken met wind- en zonne-energie kunnen we inzetten om de batterijen van ons elektrische autopark op te laden. Nauwelijks nog is nagedacht over de ruimtelijke gevolgen van de elektrische auto. Stedenbouwkundig adviesbureau Posad deed dat wel in een recente studie. Onze steden zullen zich ontwikkelen in de richting van waar de stroom is, stelt directeur Boris Hocks van Posad. ‘Opladen aan de stekker thuis – 220 volt – duurt een volle nacht. We praten over enorme

Ruimtelijke gevolgen van elektrische auto nog nauwelijks in beeld hoeveelheden stroom. Als we allemaal om zes uur thuiskomen en de auto aan de oplader leggen, knallen de stoppen eruit in het trafohuisje op de hoek.’ Om dit te voorkomen, legt Hocks uit, wordt gewerkt aan zogeheten smart grids, intelligente elektriciteitsnetwerken die de stroomvraag verdelen. Daarnaast zullen er grote ‘elektra-tankstations’ komen die ook kunnen gaan functioneren als transferium, voorziet Hocks, gelegen aan de randen van steden bij de hoogspanningsnetten en gekoppeld aan het openbaar vervoer. ‘Daar komen straks honderden auto’s per dag langs. Interessante locaties voor bedrijven om zich te vestigen.’ Dit creëert schonere steden. Steden die ruimte geven aan nieuwe ontwikkelingen. De elektrische auto is stil en stoot geen schadelijke uitlaatgassen uit. Dat stelt ons in staat dichter op de (snel)wegen te bouwen.

wordt, mogen plannenmakers zelf bepalen. Maar als ze hieraan niet voldoen, krijgen ze geen vergunning, net zoals een onveilige auto de weg niet op mag.’ Rau beaamt dat het energiegebruik al bij het schrijven van de stedenbouwkundige visie aan de orde moet zijn. ‘Het is geen accessoire, maar een schaduwaspect dat over alle schijven loopt.’ Het nieuwe onderkomen van het Christiaan Huygens-college in Eindhoven, dat Rau heeft ontworpen, profiteert voor een groot deel van de energetische warmte van de 800 aanwezige leerlingen in de school. ‘We hebben aangetoond dat dit jaarlijks 130 duizend euro op de energierekening scheelt. Het gebouw is zelfs goedkoper om neer te zetten dan een vergelijkbaar conventioneel pand.’ Waarom wint hij dan niet alle aanbestedingen? ‘De pijn ligt bij de markt. Energiebedrijven verdienen niet aan de gebouwen die ik ontwerp’, antwoordt Rau. ‘Omdat ik het bestaande systeem niet bedien, is er veel weerstand. Maar dat is aan het veranderen. De overheid heeft steeds minder te besteden. Veel collega’s hebben het op dit moment moeilijk, wij kunnen het werk nauwelijks aan’, wijst de architect op de drukke bedrijvigheid in zijn Amsterdamse kantoortuin. é Pieter van den Brand

maart 2010 26

ROM_0310.indd Sec3:26

3/1/2010 7:07:35 PM


Trend

Lokale energiepotenties beter benutten Bij de keuze voor nieuwbouwlocaties wordt amper gekeken naar de mogelijkheden van lokale energiewinning. Dat is een gemiste kans, vindt hoogleraar klimaatontwerp en duurzaamheid Andy van den Dobbelsteen. Met behulp van ‘energiepotentiekaarten’ wist hij de provincie Groningen te overtuigen van een andere kijk op haar gebied.

H

oe kunnen we onze bedrijven en huishoudens van voldoende (schone) energie voorzien als de gasbel in Slochteren is leeggepompt? Die vraag legden de noordelijke

provinciebestuurders vijf jaar geleden voor aan een groep onderzoekers, onder wie Andy van den Dobbelsteen, sinds 1 april 2009 hoogleraar klimaatontwerp en duurzaamheid aan

E n e r g i e p o te n t i e s D e Groene Compa g n ie Ho o gez andS a p p e m e e r.

Andy van den Dobbelsteen heeft in opdracht van de gemeente Hoogezand-Sappemeer en de provincie Groningen de energiepotenties van de nieuwbouwwijk De Groene Compagnie in kaart gebracht. In de linkerkolom staan de potenties van verschillende duurzame energiebronnen voor de gemeente/regio. In de midden- en rechterkolom zijn deze vertaald naar de zevenhonderd hectaren en drieduizend nieuwe woningen van de nieuwe wijk. Potentiële energiebronnen zijn, behalve wind- en zonne-energie, hergebruik van restwarmte van kartonfabriek Kappa, verbranding van natuur-/bosafval, vergassing van kippenmest van

eierbedrijf Eifarm, benutting van bodemwarmte via verticale warmtewisselaars, opslag van warmte/koude in watervoerende bodemlagen (aquifers) en het benutten van diepgelegen aardwarmte (geothermie). Omdat de laatste drie energiebronnen zich moeilijk in getallen laten uitdrukken, zijn deze niet in de gedetailleerdere rechterkolom opgenomen. Wel valt op dat ook zonder deze voorzieningen er lokaal veel meer duurzame elektriciteit en warmte kunnen worden opgewekt dan voor de drieduizend huishoudens nodig is. De wijk kan daardoor uitgroeien tot een netto energieproducent.

èè

maart 2010 27

ROM_0310.indd Sec3:27

3/1/2010 7:07:39 PM


Trend

de TU Delft. De nog jonge civiel-bouwkundige had toen al veel onderzoek gedaan naar duurzaam bouwen en het inzetten van lokale omstandigheden bij het ontwerp van ‘schone’ gebouwen en buurten. Hij besloot met enkele anderen voor Noord-Nederland in kaart te brengen welke locaties uit energetisch oogpunt de beste ontwikkelingspotentie hadden. Uit een eerste inventarisatie bleek de streek rond Delfzijl erg goed te scoren. ‘Er is veel wind, qua ‘bezonning’ ligt het in de regio goed en de ondergrond biedt veel opslagmogelijkheden voor kooldioxide en het benutten van geothermie’, legt Van den Dobbelsteen uit. Bovendien kan er nog energie worden gewonnen uit biomassa.

Energetische bodemschatten TU Delft (i.s.m. WUR), a u te u r B ra m v a n d e r Gr inten.

Op verzoek van de provincie Groningen keek Van den Dobbelsteen voor het Provinciaal Omgevingsplan (POP) nog

iets nauwkeuriger naar de energetische ‘schatten’ in het hoge noorden. Behalve Delfzijl bleken nu ook de Eemshaven en het Lauwersmeergebied uit oogpunt van duurzaamheid aantrekkelijke verstedelijkingslocaties te zijn. Op de eerste plek kunnen volgens Van den Dobbelsteen met de restwarmte van fabrieken tientallen bedrijven en woningen worden verwarmd. Onder het Lauwersmeer bevindt zich op 3000 meter diepte water van 110-120 graden, dat na het einde van de gaswinning voor hetzelfde doel kan worden ingezet. De middeldiepe ondergrond (50-250 m) leent zich er bovendien goed voor koude-warmte opslag. Tot verrassing van Van den Dobbelsteen reageerden de provinciale bestuurders vrij positief op de uitkomsten van zijn onderzoek. Al worden er voor de locaties niet meteen bouwplannen opgesteld. ‘Ik besef heel goed dat ik met mijn inventarisaties maar een deel van de werkelijkheid belicht. Ik

maart 2010 28

ROM_0310.indd Sec3:28

3/1/2010 7:07:40 PM


kijk niet naar de kosten of bestuurlijke en juridische hindernissen. Delfzijl kampt bovendien met flinke demografische en economische krimp, terwijl het Lauwersmeergebied ecologisch erg waardevol is. Dan moet je wel drie keer nadenken, voordat je zo’n plek met woningen en bedrijven volbouwt.’

Klimaatneutrale tuinbouw De provincie heeft in haar recente POP wél aangegeven dat ze meer werk gaat maken van onder meer energiewinning uit biomassa. Bovendien wil ze in de Veenkoloniën gaan experimenteren met nieuwe energetische concepten om het gebied een economische impuls te geven. Van den Dobbelsteen heeft voor die plek al enkele ideeën geopperd. Je zou er bijvoorbeeld op grote schaal voedsel kunnen gaan verbouwen in kassen, die dankzij de toepassing van koude-warmteopslag en de inzet van overtollig kooldioxide van Groningse fabrieken klimaatneutraal kunnen functioneren. Als je op de naar het zuiden gerichte sheddaken van die kassen ook nog eens zonnepanelen legt en tussen de gebouwen windmolens plaatst, kun je van tuinders flinke energieproducenten maken. ‘We hebben berekend dat je voor een provincie die geen gebruikmaakt van fossiele brandstoffen, 250 vierkante kilometer aan PV-panelen en windmolens nodig hebt. Daarvan kan het grootste deel in de Veenkoloniën worden gerealiseerd.’

Boer als energieproducent Minder radicaal is het stedenbouwkundig plan voor een uitbreidingswijk in Hoogezand-Sappemeer, waar Van den Dobbelsteen bij is betrokken. Hierin worden verschillende strategieën gevolgd om de wijk zo duurzaam mogelijk te maken. Zo is er plaats voor individuele woningen die in hun eigen energiebehoefte voorzien. In een ander deel van de wijk

kan een eierboerderij aan een aantal huishoudens warmte leveren door vergassing van mest. In samenwerking met lokale boerenbedrijven kunnen ook woningclusters worden gebouwd, die hun energie gedeeltelijk betrekken van een biovergistingsinstallatie op het boerenerf. Later kan ook energie worden opgewekt door vergisting van eigen organisch afval. ‘Vroeger waren er allerlei juridische belemmeringen voor het realiseren van dit soort voorzieningen. Maar de wetgever is daar tegenwoordig minder streng in.’

S c h e t s: h o e w e r k e n d e vo orgestelde k l i m a a t n e u t ra l e e n energ ieproducerende kassen in de Ve enkoloniën.

‘Tabula rasa’ Niet elke gemeente ziet overigens heil in energieproducerende boeren. Zo bleef het op het stadhuis van Almere lange tijd stil, nadat Van den Dobbelsteen voor de nieuwe wijk

Duurzame energieproductie in Delfzijl, tuinbouw in de Veenkoloniën Almere-Oost een voorstel had ingediend, waarin onder meer landelijke woningen rond bestaande boerenerven worden geclusterd. Op die manier ontstonden energetisch zelfvoorzienende kernen met elk ongeveer dertig huizen. De gemeente wil deze boerderijen juist slopen. ‘Almere hecht minder waarde aan zijn korte agrarisch verleden’, aldus Van den Dobbelsteen. ‘Ze werken er liever vanuit een “tabula rasa”.’ Voor de relatief lage woningdichtheid die de nieuwe wijk waarschijnlijk zal kenmerken, kan hij weinig enthousiasme opbrengen. ‘Almere mag zich tot “cradle-to-cradle” hebben bekeerd, maar uit energetisch oogpunt zou deze opzet een verkeerde keuze zijn. Het biedt ook weinig draagvlak voor fatsoenlijk openbaar vervoer.’ é Jaco Boer

maart 2010 29

ROM_0310.indd Sec3:29

3/1/2010 7:07:41 PM


Forum

Zes misverstanden over krimp Bevolkingsdaling vraagt om een geheel nieuwe manier van denken en doen als het gaat om de ruimtelijke inrichting van ons land. Groei zit in onze genen. Structuren en systemen zijn uitsluitend gericht op groei. In dit artikel beschrijven we de zes misverstanden die zich manifesteren in een situatie van krimp. En we geven aan hoe op een meer adequate wijze met krimp kan worden omgegaan.

O

p internationaal schaalniveau is de trend zichtbaar van een afname van de bevolkingsgroei. Ook Nederland krijgt daarmee te maken. In de vorige editie van ROmagazine is in beeld gebracht hoe de trend van regio tot regio verschilt, en dus ook hoe de consequenties verschillen.

1 ‘We krimpen omdat we niet mogen bouwen’ Ga nz edi jk : communicatie laat te wensen over.

Foto: ANP

Welke wethouder geeft niet graag het startsein voor een nieuw te ontwikkelen woningbouwlocatie? Daarnaast is de verdiencapaciteit van het ‘rood’ jarenlang een welkome aanvulling geweest op de gemeentebegroting. Wanneer gemeenten te horen krijgen dat is uitgegaan van een te ambitieuze en te optimistische woningbouwprogrammering,

zijn vaak de woningbouwplannen al vastgesteld en de bouwvergunningen al vergeven. ‘Als we geen toestemming krijgen om te mogen bouwen, dan zullen we inderdaad gaan krimpen’, is dan een regelmatig te horen verwijt van gemeenten aan het adres van de provincie. Daar wordt vaak aan toegevoegd: ‘Nieuwbouw is nodig om het voorzieningenniveau in stand te houden. We moeten ruimte krijgen om te mogen bouwen voor onze eigen uitbreiding.’

maart 2010 30

ROM_0310.indd Sec3:30

3/1/2010 7:07:41 PM


De omslag in ons denken en doen van groei naar krimp begint met bewustwording. Wat zijn de demografische ontwikkelingen in een regio? Wat zijn trends in geboorte- en sterftecijfers? Welke migratiepatronen zijn zichtbaar? Dergelijke vragen dienen allereerst van een antwoord te worden voorzien. Om op basis daarvan de bewustwording te bevorderen dat de groei van de bevolking in Nederland afneemt, dat de samenstelling van onze bevolking verandert en dat in bepaalde delen van Nederland het aantal inwoners (fors) zal afnemen.

2 ‘Krimp is een tijdelijk fenomeen, een reguliere demografische golfbeweging’ Een krimpregio roept negatieve associaties op en wordt niet gezien als een gebied met een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Verleidelijk is het dan de krimp te ontkennen. Dat uit zich in het verwijzen naar reguliere demografische golfbewegingen, zoals die ook in het verleden hebben plaatsgehad. Ook in het begin van de jaren negentig was

immers sprake van leegstand in bepaalde delen van de woningvoorraad. Op basis van inzicht in de demografische ontwikkelingen in een regio, zijn als vervolgvragen aan de orde: wat zijn binnen deze ontwikkelingen de reguliere golfbewegingen? En wanneer gaat het om structurele demografische en ruimtelijk-economische veranderingen? Op basis van feiten, cijfers en uitkomsten van onderzoek is een nadere analyse vereist van de gevolgen van bevolkingsdaling. Op de terreinen van wonen (leegstand) en onderwijs (scholen onder de opheffingsnorm) zijn de gevolgen van krimp als eerste zichtbaar. Maar ook op andere terreinen als economie, arbeidsmarkt, mobiliteit, zorg, cultuur en welzijn heeft krimp gevolgen. En vooral: de financiën. Krimp kost geld. Immers, de bron van inkomsten die gepaard gaat met kwantitatieve groei, droogt op in een

Met minder mensen het niveau van welvaart en welzijn in stand houden of accepteren dat het welvaartsniveau lager wordt situatie van krimp. Realisatie van woningbouw kan niet langer gezien worden als verdiencapaciteit. Financiering voor voorzieningen vanuit woningbouw valt weg in een situatie van krimp. Ook op het terrein van de financiën is het dus van belang de gevolgen van bevolkingsdaling in beeld te brengen.

3 ‘Krimp biedt kansen’ Vooral stedenbouwkundige bureaus en architecten hebben de mond vol van de kansen die krimp zou bieden. Rapporten, conferenties en congressen krijgen bij voorkeur pakkende titels als ‘Krimp als kans’, ‘De kramp uit de krimp’, ‘Kansen voor nieuwe vitaliteit’ en ‘De nieuwe mogelijkheden van krimp’. Krimp biedt weliswaar kansen om kwaliteit van gebieden te verbeteren, maar te gemakkelijk wordt in dergelijke visies en plannen voorbijgegaan aan de investeringen die daarvoor nodig zijn en aan het feit dat daar niet of nauwelijks opbrengsten tegenover staan. Laat staan dat is onderzocht wie welke investeringen kan plegen. Het aantal daadwerkelijke voorbeelden in de praktijk in Nederland over welke kansen verzilverd zijn vanuit een krimpsituatie, is uitermate schaars. Het Topteam Krimp1 koos niet voor niets als titel voor hun rapportages aan Limburg en Groningen ‘Krimp als structureel probleem’. Het inzicht in feiten en cijfers en de integrale analyse van de gevolgen van bevolkingsdaling vormen het vertrekpunt voor èè

maart 2010 31

ROM_0310.indd Sec3:31

3/1/2010 7:07:54 PM


Forum

het realistisch duiden van de opgave. Die opgave is om met minder mensen het niveau van welvaart en welzijn in stand te houden of te accepteren dat het onvermijdelijk is dat het welvaartsniveau naar een lager niveau gaat. Voor een goed begrip van het proces van afscheid nemen van groei en het accepteren van krimp is een vergelijking bruikbaar met het rouwproces, zoals psychologe Elisabeth Kübler-Ross dat heeft ontwikkeld. Zij beschrijft in dit proces de fasen van ontkenning, emotie, vechten, aanvaarding en inspiratie. De stelling bij dit model is dat alle fasen doorlopen moeten worden om op realistische wijze tot nieuwe inspiratie te komen. De ervaring hierbij is ook dat dit een proces is van enkele jaren.

4 ‘De gemeente is verantwoordelijk voor de aanpak van krimp’ Vooral provincies, die zich de afgelopen periode hebben beraden op hun rol en kerntaken, reageren bij de confrontatie met krimp met de opmerking dat dit de verantwoordelijkheid is van de gemeente. Terwijl elke gemeente de ruimte wil krijgen om woningen te realiseren en het voorzieningenniveau wil verbeteren. Hierdoor ontstaat onderlinge concurrentie tussen gemeenten. Deze situatie laat zich illustreren met het ‘Chicken game’. De essentie van dit spel is dat als geen van de spelers toegeeft, dit voor beiden het slechtst mogelijke resultaat geeft. De verantwoordelijkheid laten bij de gemeente, met onderlinge concurrentie tot gevolg, leidt dan tot een situatie met voor beide partijen het slechtst mogelijke resultaat.

Demografische ontwikkelingen vereisen per definitie een analyse op het schaalniveau van een regio

5 ‘Toerisme en recreatie als nieuw economisch perspectief’ In veel visies en plannen staan toerisme en recreatie centraal als kansen voor nieuwe economische perspectieven voor een krimpregio. Zo wordt bijvoorbeeld in een krimpregio als ambitie geformuleerd om de inkomsten vanuit recreatie en toerisme te verdubbelen. Als dat al zou lukken, gaat het nog altijd niet om substantiële bedragen of voldoende nieuwe werkgelegenheid. De integrale analyse van gevolgen van bevolkingsdaling en een scherpe duiding van de opgave vormen de basis voor het ontwikkelen van een realistisch ruimtelijk-economisch perspectief voor krimpregio’s, waarbij de kansen vanuit recreatie en toerisme niet moeten worden overschat.

6 ‘Ganzedijk was een incident’ Met het laatste misverstand benadrukken we wat er misgaat als de bevolking niet serieus wordt genomen en er onvoldoende zorgvuldig wordt gecommuniceerd. Een krimpsituatie stelt bestuurders voor lastige keuzes. Met als meest herkenbaar voorbeeld (naast Ganzedijk) het moeten sluiten van scholen. Om dergelijke keuzes succesvol te kunnen doorvoeren, is zorgvuldige communicatie en het actief betrekken van bewoners cruciaal. é Carla de Rie, partner Lysias Consulting Group,

secretaris Topteam Krimp é Friso de Zeeuw, praktijkhoogleraar Gebiedsontwikke-

ling TU Delft, directeur Nieuwe Markten bij Bouwfonds Ontwikkeling Noot 1. Het Topteam Krimp (bestaande uit Hans Dijkstal en Jan Mans) bracht in 2009, in opdracht van minister Van der Laan en staatssecretaris Bijleveld, advies uit aan de krimpregio’s in Limburg, Groningen en Zeeland.

Voor gemeenten is het van belang uit te stijgen boven de eigen gemeentegrenzen en de eigen belangen. Demografische ontwikkelingen vereisen per definitie een analyse op het schaalniveau van een regio. De aanpak van gevolgen van demografische veranderingen vraagt om het vormen van regionale coalities. De verantwoordelijkheid van gemeenten laat onverlet dat een belangrijke rol is weggelegd voor de provincie. Zoals ook verwoord in het ‘Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling’ (november 2009) beschikken de provincies over drie instrumenten om tot bovenlokale afstemming te komen: • Sturingsinstrumenten (Wet ruimtelijke ordening). • Financiële toezichtsinstrumenten. • Eigen beleid, regelgeving en inspecties.

maart 2010 32

ROM_0310.indd Sec3:32

3/1/2010 7:08:01 PM


ROdigitaal

Invoeren van de Wro vraagt om organisatorische aanpassingen

De trendbreuk van digitale bestemmingsplannen Nagenoeg alle gemeenten hebben in de kwartaalmonitor van VROM over de invoering van de digitale onderdelen van de Wro aangegeven op tijd klaar te zijn voor de invoeringsdatum van 1 januari dit jaar. Hoe verliep deze voorbereiding en wat zijn de eerste ervaringen? Het bleek heel lastig te zijn om vanuit de ro-afdeling zelf een digitaal werkproces organisatiebreed in te voeren. Veel gemeenten hebben nog geen testervaring opgedaan en gaan digitaal meteen ‘live’ bij het eerste nieuwe ontwerpbestemmingsplan dit jaar, of met een van de andere planvormen in de Wro.

V

anaf 1 januari dit jaar, anderhalf jaar na de invoering van de nieuwe Wro, moeten nagenoeg alle ruimtelijke besluiten voldoen aan de RO Standaarden 2008 en tijdens de totstandkomingsprocedure digitaal en objectgericht voor iedereen raadpleegbaar zijn, dus ook in de ontwerpfase en liefst ook bij het vooroverleg tussen overheden en bij inspraak. Alle aanleiding voor gemeenten om dit technisch en procedureel complexe proces goed te organiseren, mede om het stranden van plannen bij beroepsprocedures wegens vormfouten zo veel mogelijk te voorkomen.

De ervaringen zijn tot nu toe wisselend. Gemeenten met een oplettende ro-medewerker die oog heeft voor het proces komen voorlopig goed tevoorschijn. De meeste gemeenten hebben echter geen organisatorische maatregelen genomen om de kwaliteit van het proces goed te borgen, zodat medewerkers vervangbaar zijn en er niet door een moment van onoplettendheid verkeerde dingen kunnen gebeuren. Digitaal werken vraagt om professionaliseren en gestructureerd werken. Binnen de beroepsgroep van de ro-medewerkers waar doorgaans hard, serieus en èè P ro j e c to r g a n i s a t i e b e s te m m i n g s p l a n n e n , Den Ha a g

maart 2010 33

ROM_0310.indd Sec3:33

3/1/2010 7:08:03 PM


ROdigitaal

met overgave wordt gewerkt, zijn dat toch tamelijk nieuwe begrippen.

Samenwerken is de kern ‘We dachten in Den Haag aanvankelijk dat de digitale aspecten gewoon op de bagagedrager mee konden bij de invoering van de Wro’, stelt Carsten Hof, programmamanager voor de kwaliteit van de digitale planvorming in de gemeente Den Haag. Ondanks gemotiveerde medewerkers bleek dat er binnen de huidige organisatie toch te veel schotten bestonden om dat succesvol te kunnen realiseren. Hof: ‘In relatief korte tijd hebben we vanuit de bestaande afdelingen die bijdragen leveren aan nieuwe bestemmingsplannen een projectorganisatie bestemmingsplannen (Probe) opgezet. Per plan wordt een planteam geformeerd dat begint met het opstellen van een startnotitie waarin naast te leveren capaciteit en doorlooptijd ook de programmatische uitgangspunten van het plan zijn vastgelegd. Centraal staat de intensieve samenwerking tussen de leden van een planteam waarin een tekenaar, een planoloog, een stedenbouwkundige en een planjurist gezamenlijk het ruimtelijke plan vorm geven. We gaan de werkprocessen beschrijven en optimaliseren. Het gehele meerjarenprogramma is nu strakker te

Er gaat winst ontstaan bij een digitaal ro-proces, het kan (merkbaar en meetbaar) sneller, beter en daardoor per saldo goedkoper programmeren en te budgetteren. Ook besteden we veel aandacht aan commitment bij de medewerkers gedurende het hele traject van eerste ideeën tot een onherroepelijk plan. De ‘productiemachine’ gaat steeds soepeler lopen. Gaat de burger er ook iets van merken en is het gegevensbeheer nu ook goed op orde? Hof: ‘Nee, dat zijn zaken waar we ons nog niet op hebben gericht. Onze eerste zorg was om het primaire proces van het maken van de plannen beter in de vingers te krijgen. We kunnen niet alles tegelijk oplossen.’

Meer dan een automatiseringsproject De invoering van digitale plannen komt voor ons zeker niet te vroeg, vindt Rob Kuenen, coördinator geo-informatie bij de gemeente Boskoop. ‘Digitale ruimtelijke plannen vervullen

Reacties op en vragen over dit artikel zijn welkom. Ook worden vragen, ideeën en voorbeelden vanuit de praktijk gevraagd voor de digitale onderwerpen die de komende maanden zullen verschijnen: digitale dossiervorming (1), structuurvisies (2), beroepsprocedures (3) en herzieningen (4).

een belangrijke schakel in de interne processen en naar buiten toe. Het implementeren van nieuwe wettelijke trajecten is voor ons business-as-usual. We begrijpen alleen nog steeds niet waarom de centrale overheid alle lopende i-projecten niet onderling beter weet af te stemmen op elkaar.’ Onze organisatie is door zijn omvang kwetsbaar op het gebied van kennis en vervangbaarheid, stelt Kuenen. ‘Daarom werken we, alvast op ro-gebied, graag samen met omliggende gemeenten, zoals in dit geval met buurgemeente Waddinxveen. Dat leverde bovendien een behoorlijk financieel voordeel op.’ Als andere gemeenten het lastig vinden om zich goed voor te bereiden op de invoering van digitale plannen komt dat wat hem betreft doordat het te vaak gezien wordt als alleen een automatiseringsproject met wat nieuwe software. Hij begrijpt heel goed de zorgen van veel ro-medewerkers die geen aanspreekpunt hadden binnen de organisatie voor het goed opzetten van een digitaal werkproces rond de Wro en bijbehorend gegevensbeheer. Gaat het dadelijk vanzelf goed, zodra het eerste plan digitaal gepubliceerd moet worden? ‘Het blijft spannend, want we hebben niet voldoende tijd gehad om de testfase goed te doorlopen. De software was uiteindelijk pas op het laatst beschikbaar en moest herhaaldelijk van updates worden voorzien. Ook op dat punt mag de centrale overheid zich aanrekenen dat de specificaties over het algemeen te laat worden bekendgemaakt. De software zelf voldoet aan het vereiste wettelijke minimum maar is nog verre van uitontwikkeld. Je kunt er goed een nieuwe planprocedure mee doorlopen, maar we hebben absoluut nog geen zicht hoe na verloop van tijd de vele onderling overlappende plannen en vervolgbesluiten en gedeeltelijke herzieningen overzichtelijk moeten worden bijgehouden. De RO Standaarden zijn op dat punt nog onvoldoende uitgekristalliseerd en beproefd.’ Gefaseerde invoering en op het juiste niveau insteken Een goed dWro-implementatietraject kent drie onderdelen: • Techniek. Is alle benodigde techniek operationeel, goed ingeregeld en is er voldoende deskundigheid voor de toepassing ervan? • Draaiboek. Kan iedereen op zijn terrein de onderdelen van het primaire planproces inhoudelijk goed plannen, uitvoeren en controleren? • Administratieve organisatie. Is de uitvoering van de gehele planprocedure, inclusief planbeheer, gegevensbeheer en dossiervorming voldoende gestroomlijnd en organisatiebreed verankerd? Doorgaans ligt de focus bij een van deze onderdelen. Het is uiteindelijk een verantwoordelijkheid van het management om te zorgen voor goede digitale werkomstandigheden zodat ro-medewerkers weer vooral op een productieve wijze met de inhoud aan de slag kunnen. é Bram van Hoeve, adviseur digitale ruimtelijke

ordening b.vanhoeve@rogem.nl

maart 2010 34

ROM_0310.indd Sec3:34

3/1/2010 7:08:16 PM


Praktijkdossier

Herstructurering glastuinbouw PrimAviera: de pragmatische aanpak PrimAviera bij Rijsenhout – gelegen onder de rook van Schiphol – is een nieuwbouw- en herstructureringsproject in de glastuinbouw dat op een vernieuwende manier aan sanering, opschaling en modernisering werkt. Dankzij intensieve samenwerking tussen de overheid en de ondernemers wordt het sierteeltgebied verlost van de verrommeling. Mede uit de ontwikkelingsinkomsten uit het nieuwe gebied wordt de herstructurering van het bestaande gebied betaald. Tegelijkertijd stelt de gemeente hoge eisen op het gebied van verduurzaming.

V

eel bestaande glastuinbouwgebieden zijn aan vernieuwing toe. De oorspronkelijke bedrijven hebben een te kleine schaalgrootte en de kassen en installaties zijn verouderd. Binnen deze gebieden bestaat weinig dynamiek en heerst, vanwege de huidige marktperspectieven, vaak een afwachtende houding bij de tuinders. Daardoor ontstaan leegstand, verval en verpaupering. Bij een aantal bedrijven is sprake van ‘strijdig gebruik’: kassen worden voor allerlei functies gebruikt waarvoor ze oorspronkelijk niet zijn bedoeld, zoals opslag en handel, caravanstalling of zelfs hennepteelt. Om in deze gebieden de glasfunctie weer terug

te brengen zijn sanering, opschaling en modernisering noodzakelijk. PrimAviera is zo’n gebied. Het is in de jaren zestig ontstaan en maakt deel uit van de Greenport Aalsmeer, een van de vijf Greenports in Nederland. Met 50.000 fulltime arbeidsplaatsen en een exportwaarde van circa 4,6 miljard euro is Greenport Aalsmeer een economische factor van nationale betekenis.

Oud en nieuw De gemeenteraad van de Haarlemmermeer, waartoe Rijsenhout behoort, heeft in juli 2006 de opdracht gegeven om het verouderde kassengebied van ruim 180 hectare te herstructureren. Daarnaast is 240 hectare nieuw kassengebied in ontwikkeling, ook voor de vestiging van grote sierteeltbedrijven. Een forse opgave die de gemeente niet alleen aankan. èè Aan de herstructureringsopgave kleven specifieke risico’s.

maaaarrt 2010 m maart 20 2 01 10 0 35 35

ROM_0310.indd Sec3:35

3/1/2010 7:08:19 PM


Praktijkdossier

Puzzelen met glas Een brede strook open weiland langs de A4 en onder de aanvliegroute van de Kaagbaan op Schiphol biedt de gemeente Haarlemmermeer en Greenport Aalsmeer de nodige schuifruimte voor de herstructurering van de glastuinbouw. De ‘groene long van het gebied’, vertelt André Rotteveel, die voor het Stallingsbedrijf Glastuinbouw Nederland (SGN) onderhandelt met tuinders over de verkoop, herplaatsing en koop van glastuinbouwpercelen in dit gebied.

ik niet van de gemeente ben, zijn ze opener naar mij.’ Soms gaat het tergend langzaam, is het wachten tot zich ergens een kans voordoet om te saneren, te verplaatsen of juist te investeren. Toch is een fors deel van het uitbreidingsgebied al in handen van de SGN en ook het aantal tuinbouwpercelen dat is opgekocht, loopt op. ‘Een kwestie van honing en azijn; een aantrekkelijk perspectief bieden voor ondernemers die meewerken, en vasthouden aan strakke regels op plekken waar je iets anders wilt.’ Wat dat laatste betreft, heeft de gemeente Haarlemmermeer ook een cultuuromslag doorgemaakt. ‘Wat betreft de tuinbouw is lang ingezet op beheer. Nu gaat het om handhaven en investeren.’

In de bebouwde kom van Rijsenhout is meteen duidelijk waarom dat zo hard nodig is. De bebouwing is een ratjetoe van klassieke tuinderwoningen, strakke moderne villas, sterk verouderde oude en ook nieuwe kassen. Het resultaat van jarenlang gedogen en vergunningverlening zonder een duidelijke toekomstvisie voor het gebied, legt Rotteveel uit. ‘De villa’s konden worden neergezet als agrarische bedrijfswoning, maar de mensen die er wonen hebben meestal niets met de glastuinbouw.’

Snel planologische duidelijkheid gewenst in de vorm van een structuurvisie en bestemmingsplannen De rommelige inrichting zet de ontwikkeling op slot. En dat moet veranderen, want dit gebied is als onderdeel van Greenport Aalsmeer perspectiefrijk. André Rotteveel wijst op de veredelingsbedrijven, die wereldwijd opereren. ‘Deze locatie is perfect, zo dichtbij Schiphol. Bovendien hebben we hier ruimte om uit te breiden.’

Honing en azijn Dan komen we bij een plek, midden in een woongebied, waar slopers bezig zijn een oude kas te ontmantelen. Dit doet Rotteveel zichtbaar goed. ‘Hier ben ik de afgelopen twee jaar mee bezig geweest. Deze kavels kunnen binnenkort in de verkoop voor nieuwbouw.’ Wekelijks zit hij bij tuinders en omwonenden aan de keukentafel om te praten over kansen en perspectieven in Nieuw Rijsenhout. ‘Het oliemannetje’, zo ziet hij zichzelf in de rol als intermediair tussen gemeente en tuinders. ‘Ik probeer altijd mee te denken met de ondernemer. En omdat

maart 2010 36

ROM_0310.indd Sec3:36

3/1/2010 7:08:37 PM


Op een paar plekken is al een aangesloten gebied van tientallen hectares uitgeefbare grond, waar nieuwe kassen geclusterd worden. ‘Het is nu zaak om snel grond te gelde te maken om de cash-flow op gang te houden’, zegt André Rotteveel. ‘de bottleneck is vooral de complexe ruimtelijke planvorming.’

Ondeelbaar en consequent PrimAviera is als project opgenomen in de Crisis- en herstelwet, maar het oliemannetje zou graag zien ‘dat we hier geen gebruik van hoeven te maken.’ In de ruimtelijke visie voor PrimAviera zijn bestaand Rijsenhout en de nieuwe locatie voor glastuinbouw onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een nieuwe weg in de vorm van twee hoefijzers zal het bestaande gebied met het nieuwe kassengebied verbinden, maar zodanig dat het bedrijfsgebonden verkeer uit het woongebied geweerd wordt. Er moet nu snel de nodige planologische duidelijkheid komen in de vorm van een structuurvisie en één of meerdere bestemmingsplannen. Ingrid Leemans, projectmanager voor

PrimAviera bij de Groep projecten en planeconomie van de Gemeente Haarlemmermeer, vertelt wat de afwegingen daarbij zijn. ‘Door eerst een structuurvisie inclusief een PlanMer te maken voor het hele gebied, nieuw en te herstructureren, waarborg je de onderlinge samenhang. Vervolgens kun je op voorhand of bij een concreet initiatief van een ondernemer meerdere locatiebestemmingsplannen uit gaan werken. In dit scenario worden de bijdragen aan het herstructureringsfonds geborgd door het afsluiten van anterieure overeenkomsten.’ Deze procedure zorgt ervoor dat eventuele gegadigden pas op termijn aan de slag kunnen gaan, bevestigt Leemans. Maar het grote voordeel is, volgens haar, dat tijdwinst wordt geboekt bij het maken van het bestemmingsplan. De totale doorlooptijd duurt uiteindelijk niet veel langer als bij de methode zonder structuurvisie. ‘Op dit moment zijn er, ondanks de economische crisis, enkele initiatiefnemers. Deze worden door SGN en de gemeente zo goed mogelijk gefaciliteerd.’

Rijsenhout: de rommelige inr ichting z e t de ontwik keling op slot

é Marcel Bayer

Foto: Nico Bogaards

maart 2010 37

ROM_0310.indd Sec3:37

3/1/2010 7:08:45 PM


Praktijkdossier

• Verwerving van de afzonderlijke kavels. Uiteraard is herstructurering niet mogelijk zonder de medewerking van zittende tuinders: hun wordt gevraagd hun kavels in te brengen. Als de verwerving niet of slechts langzaam minnelijk lukt, is het niet mogelijk om aaneengesloten kavels van de gewenste omvang te krijgen. Omdat geen sprake is van functieverandering is het niet duidelijk of de gemeente bij verwerving haar onteigeningsinstrumentarium kan inzetten. • Financiële risico’s. Bij herstructurering zijn de marges tussen kosten en opbrengsten klein. Als de herstructurering veel duurder uitvalt of langer duurt dan kan, legt dit een te groot beslag op het werkkapitaal van de gemeente. Deze financiële tegenvallers kan zij moeilijk opvangen. • De gemeente heeft onvoldoende marktkennis, niet alleen ten aanzien van de verwerving van bestaande kavels van zittende tuinders alsook voor de uitgifte aan nieuwe tuinders. Een deel van de nieuwe tuinders zal uit andere regio’s dan Greenport Aalsmeer komen.

K a ssen worden oneigenli jk gebr uik t , zoals hier als een fietsenstalling.

Foto: Nico Bogaards

De gemeente Haarlemmermeer heeft daarom bewust en in een vroeg stadium besloten om voor de realisatie van PrimAviera een nauw samen te werken met het Stallingsbedrijf Glastuinbouw Nederland (SGN). SGN beschikt over de benodigde specifieke kennis van de sector en is in staat om risicodragend in de herstructurering te investeren. De gemeente Haarlemmermeer en SGN hebben vooraf afspraken gemaakt over financiële verevening tussen het nieuwe kassengebied en de herstructurering.

Hiervoor hebben partijen een apart Herstructureringsfonds in het leven geroepen, dat gevoed wordt met een vast bedrag per uitgegeven vierkante kilometer in het nieuwe gebied.

Herstructureringsplan In juli 2009 heeft de gemeenteraad van de gemeente Haarlemmermeer het Herstructureringsplan PrimAviera vastgesteld. Dit plan geeft in woord en beeld inzicht in de ambities voor het te herstructureren glastuinbouwgebied rond Rijsenhout. Het Herstructureringsplan beschrijft de opgave en kwaliteitslag, die de gemeente en SGN samen in dit gebied willen maken. Daarbij wordt de maximale herstructureringsvariant ingezet: transformatie naar andere functies (woningbouw, bedrijventerreinen) is niet aan de orde. De herstructurering betreft maatregelen op gebiedsniveau, ten behoeve van een nieuwe verkeerstructuur, aanvullende groen- en waterstructuren en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voor de bedrijven is gestreefd naar optimale kavelgrootte en bedrijfsontsluiting, waarbij regels zijn gegeven voor de beeldkwaliteit, bouwvolumes en duurzame ontwikkeling. Het Herstructureringsplan biedt een duidelijk glastuinbouwperspectief voor de ondernemers en is aanleiding voor de gemeente om de handhaving van strijdig gebruik actief op te pakken. Deze duidelijkheid dient nu planologisch te worden gezekerd; het Herstructureringsplan vormt de basis voor het op te stellen bestemmingsplan en bijbehorende milieueffectrapportage. Deze overheidsgeïnitieerde herstructurering is echter een totaal andere opgave dan de ontwikkeling van een nieuw

maart 2010 38

ROM_0310.indd Sec3:38

3/1/2010 7:09:03 PM


PrimAviera en duurzaamheid Aan de ontwikkeling van PrimAviera stelt de gemeenteraad van Haarlemmermeer hoge duurzaamheidseisen. De gemeente Haarlemmermeer en SGN vertalen deze duurzaamheidsambities in praktische, werkbare oplossingen.

Een samenhangend watersysteem voor oppervlaktewater en gietwater In nauwe samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland is het waterhuishoudingsplan opgesteld. In de randen van het gebied wordt – ingepast in een groene setting – voldoende waterberging gerealiseerd om in natte periodes ‘droge voeten’ te waarborgen en in droge periodes voldoende regenwater beschikbaar te hebben. Voor de teelt hebben de tuinders schoon water nodig; door maximale zuivering en hergebruik van dit gietwater wordt de inzet van regenwater geminimaliseerd. Binnen PrimAviera wordt gewerkt aan de realisatie van een collectief gietwatersysteem. Middels de parkmanagement organisatie wordt vraag naar en aanbod van gietwater afgestemd tussen de tuinders onderling.

Energiereductie, energieopwekking en duurzame energie Uitgangspunt is een duurzame en innovatieve energiestructuur. Het energieverbruik moet omlaag en het aandeel duurzame energiedragers moet omhoog. Ook wordt gewerkt aan vermindering van de CO2uitstoot. In PrimAviera bestaan goede mogelijkheden voor het gebruik van warmte – koudeopslag, aardwarmte, energie uit afval (biogas) en realisatie van de ‘gesloten kas’. De meeste tuinbouwbedrijven wekken warmte op met een wkk-installatie. Daarbij worden ook CO2 en elektriciteit opgewekt; de teruglevering van elektriciteit aan het net is voor de tuinders een extra inkomstenbron. De mogelijkheden voor het terugleveren van deze elektriciteit aan het net moeten worden voor hen gewaarborgd zijn. Ook stellen de

gebied. De bestaande situatie heeft een eigen dynamiek. Maar door er een gezamenlijk perspectief overheen te leggen, willen de gemeente en SGN ‘sturen’ in de ontwikkelingen. De urgentie is immers in het gebied op een aantal plaatsen pijnlijk zichtbaar, met leegstaande bedrijven en vervallen kassen. Toch laat niet alles zich vooraf strak regisseren. Het tempo van de herstructurering hangt bijvoorbeeld sterk af van de bereidheid van huidige grondeigenaren binnen één cluster om te verkopen en zo de noodzakelijke schaalvergroting mogelijk te maken. Er is dus

wkk-installaties speciale eisen aan de gasdruk. Om deze voorzieningen te kunnen bieden, wordt de realisatie van een eigen energienet sterk overwogen.

Meervoudig ruimtegebruik Uitgangspunt in het gehele glastuinbouw gebied is meervoudig ruimtegebruik. Hierbij valt te denken aan meerlagen kassenteelt, benutten van de ‘hoogte’ binnen de kassen, logistieke functies op de begane

Bij herstructurering zijn de marges tussen kosten en opbrengsten klein grond en teelt op verdiepingsvloer, verdiept parkeren of gietwateropslag onder kassen.

Duurzaamheid door herstructurering De grootste milieuwinst wordt bereikt door de herstructurering van kassen zelf. Oude opstallen met slechte isolatiewaarden en verouderde installaties worden vervangen door nieuwe, moderne bedrijven. Energieverbruik, waterverbruik, lichtemissie en afvalproductie nemen sterk af. De herstructurering zorgt voor een toekomstbestendige ruimtelijke structuur in het gebied. De ruimtelijke kwaliteit neemt toe, onder andere door het versterken van de groenblauwe zones in het gebied. Vervallen kassen en andere verstoringen van de beeldkwaliteit gaan tot het verleden behoren. Het terugdringen van bedrijfsverkeer door de woonkernen vermindert de overlast voor bewoners. De herinrichting van de openbare ruimte en de duurzaamheidsambities komen de leefbaarheid in de woonkernen en de ruimtelijke kwaliteit in dit gebied sterk ten goede.

Extra financiële middelen Om de energieprojecten te realiseren en de herstructurering te versnellen heeft het project een bijdrage gekregen van € 6.000.000 vanuit het Nota Ruimtebudget.

een intermediair nodig die bedrijven actief opkoopt en deze gronden eventueel voor langere tijd in depot kan houden: SGN vervult deze functie. Daarnaast bepalen de ontwikkelingen aan de vraagkant in hoge mate het tempo van de herstructurering. Ook de glastuinbouw heeft op dit moment te maken met de invloeden van de economische recessie.

Clustergewijs en gefaseerd Een tweede dilemma is de commerciële onaantrekkelijkheid van deze vorm van herstructurering. De verwervingsprijzen èè

maart 2010 39

ROM_0310.indd Sec3:39

3/1/2010 7:09:07 PM


van oude kassen worden bepaald door ‘de markt’, waarbij een tuinder de kavel van zijn buurman opkoopt. De verkoopprijzen van geherstructureerde kavels liggen daar maar een fractie boven, uitgaande van beperkte sloop- en saneringskosten. In het geval van een integrale, gebiedsgerichte herstructurering worden ook hoge kosten gemaakt voor structuurverbeterende maatregelen; deze kosten worden dan niet gedekt uit de grondverkoop. Daarnaast is op de kavel soms sprake van een onrendabele top, bijvoorbeeld door hogere sloop- en saneringskosten. Of kavels worden ‘gedwongen’ opgekocht voor hogere prijzen vanwege de cruciale ligging binnen een grotere eenheid. Herstructurering kost dus meer dan dat het oplevert. Zonder aanvullende opbrengsten, fondsen en subsidies om de onrendabele toppen af te dekken komt een herstructureringsproces niet op gang. Daarbij gaat de kost ook nog eens voor de baat uit. De gemeente Haarlemmermeer en SGN onderkennen deze dilemma’s. Het herstructureringsplan voor PrimAviera beschrijft niet alleen de ruimtelijke ambities maar geeft ook een aanzet voor de weg naar uitvoering. In PrimAviera zetten partijen in op de clustergewijze aanpak. Het herstructureringsgebied is opgedeeld in een aantal clusters. Op basis van een grondige kennis van het gebied en de zittende ondernemers weten we wat er speelt en is duidelijk in welke clusters zich welke kansen voordoen. Het beschikbare werkkapitaal wordt a priori in deze clusters ingezet, bijvoorbeeld door actieve verwerving van kavels. Zo ontstaat een logische fasering in het gebied. Inmiddels heeft SGN ruim tien hectare grond in het eerste cluster in eigendom en zijn de eerste vervallen kassen gesloopt. De herstructurering wordt hiermee voelbaar en zichtbaar. Zittende bewoners en tuinders worden goed op de hoogte gehouden van de actuele ontwikkelingen en deze openheid creëert mogelijk extra kansen: tuinders worden geprikkeld hun gronden in te brengen. Deze clustergewijze aanpak neemt overigens niet weg dat tuinders uit andere clusters, die in onderling overleg tot herstructureringsoplossingen komen, niet worden gefaciliteerd. Hun wordt geen strobreed in de weg gelegd als zij zelf initiatieven ontplooien.

Bestemmingsplan: flexibel en maatwerk Om de benodigde planologisch-juridische zekerheid te bieden, zal voor het nieuwe en herstructureringsgebied een structuurvisie inclusief een PlanMer gemaakt worden. Vervolgens zullen één of meerdere locatiebestemmingsplannen gemaakt worden met bijbehorende milieueffectrapportage. Het vigerende bestemmingsplan uit de jaren zestig, dat ook de bestemming ‘kassen’ aangeeft, is op meerdere punten verouderd: zo moet bijvoorbeeld de toegestane bouwhoogte worden opgerekt van vier naar negen meter. Vanwege de lange looptijd en de vele onzekerheden moet het op te stellen bestemmingsplan flexibel van opzet zijn, zeker als het gaat om inrichting van de kavels. Per eenheid of cluster worden, in overleg met de zittende tuinders, nieuwe

tuinders en de directe omgeving, inrichtingsplannen gemaakt. Maatwerk in het bestemmingsplan kan worden ingebouwd door het toepassen van bijvoorbeeld de uitwerkingsplicht of de wijzigingsbevoegdheid. De gemeente Haarlemmermeer gaat daarnaast de gevallen van bedrijfsmatig strijdig gebruik actiever handhaven om niet-glastuinbouwactiviteiten tegen te gaan. Parkmanagement wordt ingezet als instrument voor kwaliteitsbehoud. Een lastig punt is de wijze waarop de verevening tussen het nieuwe en bestaande glastuinbouwgebied kan worden verankerd, bijvoorbeeld in een exploitatieplan. Niet alle gronden in het nieuwe gebied zijn in eigendom van SGN, waarmee de gemeente al duidelijke afspraken ten aanzien van verevening heeft gemaakt. Met de overige grondeigenaren zijn nog geen overeenkomsten gesloten. Het verankeren van financiële verevening tussen nieuwe te ontwikkelen gebieden en herstructurering van bestaande glastuinbouw biedt slechts beperkte mogelijkheden. De wet is niet op alle punten duidelijk. Zie mijn stukje in ‘praktijk puzzelen met glas’.

Financiering De gemeente Haarlemmermeer en SGN hebben afgesproken dat het nieuwe vestigingsgebied een substantiële bijdrage moet genereren om de herstructurering van het bestaande gebied te kunnen financieren. Bij gronduitgifte in het nieuwe gebied wordt een vast bedrag per vierkante meter gestort in het Herstructureringsfonds. Ook heeft het Rijk inmiddels een bijdrage toegekend uit het Nota Ruimtebudget. De financiering van de onrendabele toppen van de herstructurering in de eerste clusters is hiermee gewaarborgd. De uitgifteprijs in het nieuwe gebied is scherp bepaald, zeker in relatie tot andere glastuinbouwgebieden in West-Nederland. Als in praktijk hogere verkoopprijzen worden gerealiseerd dan zijn partijen eventueel bereid om deze extra opbrengsten direct ten goede te laten komen aan de herstructurering. Uiteraard wordt gekeken naar de mogelijkheden voor extra subsidiebijdragen vanuit het Rijk en de provincie. En in een beperkt aantal gevallen is een bestaande kassenlocatie toch niet geschikt voor de herontwikkeling tot duurzame glastuinbouw, bijvoorbeeld vanwege de te geringe omvang, geringe afstand tot bestaande woonbebouwing of vanwege de te geïsoleerde ligging. Als op deze locaties transformatie kan plaatsvinden naar bij-voorbeeld woningbouw dan worden de grondopbrengsten gestort in het Herstructureringsfonds. De gemeente Haarlemmermeer en SGN hebben zo gezamenlijk een inspanningsverplichting om extra budget te organiseren om daarmee de herstructurering ook op langere termijn te kunnen uitvoeren. é Philippine van der Schuyt, senior adviseur bij

Twynstra Gudde Adviseurs en Managers Projectmanager PrimAviera, in opdracht van de gemeente Haarlemmermeer (mei 2007 oktober 2009)

maart 2010 40

ROM_0310.indd Sec3:40

3/1/2010 7:09:07 PM


De Vereniging van Milieuprofessionals (VVM) is hét platform voor milieuprofessionals. De vereniging zet zich in voor alle milieuprofessionals, ervaren krachten en nieuw talent. De achtergrond van de leden is heel divers. Juist die variatie van werkgevers en disciplines maakt de VVM al ruim twintig jaar lang tot een wervend en inspirerend platform voor haar leden. Door de open cultuur komen intercollegiale contacten tot stand en is het mogelijk om discussie te voeren en opinies te vormen over alle mogelijke milieuonderwerpen.

Koppelen economische belangen aan natuurdoelen biedt ruimtewinst

Zo zijn er bij de herstructurering van de Arnhemse wijk Presikhaaf verblijfs-

ruimtes gecreëerd voor onder andere de gewone dwergvleermuis, de kleine watersalamander, de gierzwaluw en de boomklever. De kwaliteit van de leefomgeving wordt immers niet alleen bepaald door het tegenhouden van slechte ontwikkelingen, maar ook door het stimuleren van goede toevoegingen. En het leuke is dat winst voor de natuur meteen ook winst voor de bouwer, de beheerder en de omwonenden oplevert. Mensen blijken zich namelijk prettiger te voelen in een omgeving met een stukje ‘wilde’ natuur om de hoek, dan met een keurig ingezaaid en kort gehouden grasveldje. De gemeente kan vervolgens fors besparen op de onderhoudskosten. Ook bermen, bedrijvenparken en braakliggende terreinen kunnen een bijdrage leveren aan de natuur en aan een prettige leefomgeving. Er zijn talloze mogelijkheden: rugstreeppadden in een plas op een bedrijventerrein, oeverzwaluwen in het zanderige talud bij een verkeersknooppunt en

VVM Agenda

Bezoek voor actuele informatie en aanmelden onze site: www.vvm.info

We staan in Nederland de komende jaren voor een enorme opgave op het gebied van wonen, natuurontwikkeling, infrastructuur en werken. Maar onze ruimte is schaars en er wordt vanuit verschillende belangen beslag op gelegd. Door ruimtelijke ingrepen in samenhang met natuurdoelen te ontwikkelen kan dubbele winst ontstaan. Niemand zit erop te wachten om een bouwproces stil te laten leggen vanwege een natuurbelang. Vaak blijken de verschillende belanghebbenden echter pas daadwerkelijk met elkaar in contact te komen op het moment dat de zaak escaleert. Een goede voorbereiding kan hier veel ellende voorkomen. Sterker nog: als natuurbelangen al in het begin van het proces op de agenda staan, blijken er interessante nieuwe ontwikkelingen te kunnen worden ingezet.

Basiscursus Meten van emissies naar lucht Vrijdagen 9, 16 en 23 april (overdag) Amersfoort en Arnhem Filmvertoning: ‘The age of stupid’ aansluitend debat Maandag 12 april (overdag) Louis Hartloopercomplex, Utrecht

visdiefjes op een schelpeneilandje op een golfterrein. Wel zaak dus dat de verschillende partijen al in het begin van het proces bij elkaar aan tafel schuiven om de kansen te verkennen. Sinds 2009 hebben alle handhavende instanties in Nederland, via het Landelijk Overleg Milieuhandhaving (LOM), natuur benoemd als landelijke prioriteit. Tijdens de themadag Ruimtelijke Ingrepen en Natuur vond eind vorig jaar een eerste verkenning plaats van mogelijke winstpunten (zie: www.ruimtelijkeingrepenennatuur.nl). Alle voorbeelden van de dag en nog veel meer worden door het LOM verzameld in een boekje dat binnenkort verschijnt. Aanvullend verschijnt in Tijdschrift Milieu een artikelenserie over de mogelijkheden van groen op de kleursporen rood, grijs en blauw. é Bert Kaspers en Annette Mol,

VVM-sectie Vergunningverlening en handhaving

Omics in de milieubiotechnologie Donderdag 15 april (overdag) RIVM, Bilthoven

Milieubeurs 2010 12, 13 & 14 oktober Brabanthallen, ’s-Hertogenbosch

Nationale Milieudag 2010 Juni (precieze datum en locatie nog nader te bepalen)

VVM Adresgegevens Josquin des Prézstraat 1 Postbus 2195, 5202 CD Den Bosch Tel. 073-621 59 85 Fax 073-621 69 85 E-mail bureau@vvm.info Website www.vvm.info

Geurcongres 2010 Donderdag 16 september Saxion Hogeschool, Deventer

maart 2010 41

ROM_0310.indd Sec3:41

3/1/2010 7:09:07 PM


RO snippers

Aanbevolen lectuur Onder redactie van Robbert Coops (rcoops@schuttelaar.nl)

Toekomstige landschapskwaliteit

functies en gebouwen, zoals monumentale

Er is sprake van kwaliteitsverlies van het

ook de extra opgave van wethouder Marijke

karakteristieke Nederlandse landschap. Ondanks

Vos die een forse CO2-reductie bij de ontwikke-

alle kennis, regels en ervaringen leidt de aanleg

ling en realisatie voorstaat. Partners als Nuon,

van bedrijventerreinen, woonwijken en wegen

ABN AMRO, BAM en Valstar Simonis hebben

tot aantasting, die vaak niet meer te herstellen

zich daartoe in de zogenoemde. klimaattafel

is. De oorzaak daarvan is onder andere een te

verenigd. Kortom, er staat in Amsterdam-Noord

fragmentarische en beperkte ontwerpkennis

nog veel te gebeuren.

scheepsbouwhallen en hellingen. Daarbij komt

rond belevingswaarden van het landschap. Ook ontbreekt het – volgens de KNAW-publicatie

C A R OL I N E C O M B É  2 0 0 8  : A MS T E R DA M T E RU G A A N

‘De toekomst van het Nederlandse landschap’-

H E T I J ; WON E N E N W E R K E N A A N DE I J O E V E R S ,

aan een helder begrippen – en analysekader en

P L A NA MS T E R DA M , J R G . 1 9 , N R . 3 , G E M E E N T E

een generiek plan voor het landschapsontwerp

A MS T E R DA M / DI E N S T RU I M T E L I J K E OR DE N I N G ,

van de toekomst. Verschillende ministeries en

A MS T E R DA M

bestuurslagen zetten verschillende accenten, wat tot verwarring leidt. Daarnaast wordt geconstateerd dat inspraakpro-

Ondernemen met ruimte

cedures niet alleen leiden tot lange procedures, maar ook tot slechte keuzes, zoals bij de aanleg van de HSL is gebeurd. Het indertijd door minister-president Wim Kok gepresenteerde paarse compromis van ‘een tunnel onder het

woningen, bedrijven en culturele voorzieningen

natuurgebied van het Groene Hart’ was in deze

op beide IJoevers heeft dat op zijn geweten. Dat

vorm onzinnig. ‘Daar was geen ontwerper of

heeft niet alleen voor de stad en de stedelijke

ecoloog aan te pas gekomen en vergeten was dat

economie, maar ook voor het IJ zelf aanzienlijke

tunnels lange aanloopstroken kennen in beide

gevolgen. Dat geldt zeker voor de verbindingen

richtingen waardoor de lengte sterk toenam

tussen Amsterdam en de ‘nieuwe’gebieden;

terwijl de beoogde ecologische continuïteit in

openbaar vervoer (tram IJburg), water (IJ) of

het land boven de tunnel inmiddels volledig is

weg (IJboulevard) spelen een belangrijke rol,

verstoord door de aanleg van een tweebaans-

vooral zo lang de belangrijkste veranderingen op

veiligheidstraject’. Landschapsarchitect Dirk

vervoersgebied nog niet voltooid zijn. Aan het

Sijmons beschouwt dit als een triest en kostbaar –

Stationseiland dat vanaf 2012 of 2015? per dag

900 miljoen euro – voorbeeld van een geheel uit

300.000 reizigers moet verwerken en de Noord/

de hand gelopen inspraak en politieke ruilhandel,

Zuid-metrolijn wordt immers nog hard gewerkt.

waarvoor de hele Ecologische Hoofdstructuur

De ervaring met dergelijke ingrijpende transfor-

had kunnen worden gefinancierd.

matieprocessen blijkt – volgens Caroline

Recreatieondernemers leveren – vaak nog onbewust - een bijdrage aan een ‘duurzame leefomgeving’. Dat is een van de conclusies uit het advies ‘Groeten uit Holland’ van de VROM-raad. Het vormt ook een van de opgaven van de brancheorganisatie Recron om

Combé – een opmerkelijke les op te leveren. ‘Hoe J. B O U M A , J. B. OP S C HO OR E N L .A . G R O E N

langer de transformatie duurt, des te beter het is

20 08 : DE TO EKOMS T VA N HE T NE DE R L A NDSE

voor de kwaliteit van het ontstane milieu’. Meer

L A NDS C H A P; W E T E N S C H A PPE L IJK E BIJDR A

tijd leidt kortom tot meer ruimte voor variëteit

G E N A A N DE T O E KO M S T IG E L A N D S C H A P S K WA 

en stedelijke kwaliteit. Dat zal zich moeten gaan

L I T E I T, I SBN 97 8 90 698 4529 6, KONINK L IJK E

bewijzen bij de Noordelijke IJoever. Nu nog

N E DE R L A N D S E A K A DE M I E VA N W E T E N S C H A PPE N ,

bestaat het gebied uit een aaneenrijging van

A MS T E R DA M , 7 6 PAG .

bedrijfsterreinen, sommige verlaten, sommige volop in bedrijf. Het gaat om Buiksloterham, het voormalige terrein van de Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM)

IJ-oeverloos

en het Hamerstraatgebied; deze ‘ondergaan’

Binnenkort is Amsterdam niet meer de stad aan

een spannende ontwikkelingsstrategie waarbij

de Amstel, maar de stad aan het IJ. De bouw van

wordt uitgegaan van het behoud van bestaande

die maatschappelijke en bedrijfseconomische bijdrage beter te verankeren. Daarvoor zijn inspiratie en best practices van belang. In ‘Ondernemen met ruimte’ zijn die beide elementen vertegenwoordigd. Het blijkt voor ondernemers niet altijd gemakkelijk mee te doen aan gebiedsontwikkeling. De traagheid van procedures veroorzaakt door stapeling en verkokering maakt het perspectief van menig project ongewis. Ondanks de

maart 2010 42

ROM_0310.indd Sec1:42

3/1/2010 7:09:08 PM


Agenda

Cursus/studiedag bereidheid van recreatieondernemers om te investeren in een duurzame leefomgeving, energie, behoud van cultuurlandschappen en historie, natuur en waterveiligheid wordt de realisatie daarvan op de proef gesteld. Zo werd de aanleg van een klein natuurgebied door attractieark De Efteling keer op keer onmogelijk gemaakt. Het beoogde terrein dat nu nog bestaat uit ‘maïsvelden en hopeloos verwaarloosde, rommelige natuur’ wordt weer teruggebracht tot de oorspronkelijke landschappelijke kwaliteit. ‘Er komt weer heide, compleet met een schaapskooi, kudde en herder. Er komen velden met allerlei graansoorten. Het bomenbestand wordt gekuist. Wat er niet thuishoort gaat eruit, wat er wel thuis hoort wordt er bij geplant’, aldus Ronald van der Zijl. Maar het behoort niet tot de corebusiness, want dat is en blijft het exploiteren van het attractiepark. ONDE RNE ME N ME T RUIMT E, M I N I S T E R I E VA N L A N D B O U W, N AT U U R E N VOE D S E L K WA L I T E I T, V R O M  R A A D, I N N OVAT IE NE T W E R K , DE N H A AG / U T R E C HT 20 08 , I SBN 978 90 5059 346 5, 71 BLZ .

Rotterdam De Havenstad Rotterdam is toe aan een grondige update, waarbij bestaande kwaliteiten worden vernieuwd en aangevuld. Dat constateren onderzoekers van de Universiteit van Utrecht in het kader van

Utrechtse traditie is in deze studie gekozen voor een actor relationele benadering, die in Rotterdam goed toepasbaar lijkt vanwege de economische evolutie die de stad doormaakt. Het draait om de vraag wat de ruimtelijke effecten zijn van processen zoals co-siting, co-spourcing en co-flowing (en opmerkelijk genoeg niet van co-productie) en in hoeverre netwerkvorming de ontwikkeling van kennis en innovatie in de haveneconomie bevorderen. De huidige ruimtelijk-economische dilemma’s tussen staf en haven dateren al van enige tijd. Toch is er veel veranderd. Klassieke oplossingen werken niet meer om die dilemma’s te beslechten en de gemeente en het Havenbedrijf zijn niet langer de dominante factoren; ze blijven wel belangrijke toezichthouders en facilitators. Door de steeds grotere omvang en diepgang van zeeschepen en de toenemende mogelijkheid om via logistieke technieken tijdwinst te behalen verschuift het zwaartepunt zeewaarts (richting Maasvlakte). Dat biedt nieuwe economische kansen (absorptiecapaciteit), maar ook impulsen voor de realisatie van een duurzame havenstad, zoals indertijd ook in het kader van het ROM-Rijnmond project is bepaald. Om te kunnen anticiperen op nieuwe marktomstandigheden en milieueisen zullen ruimtelijke uitbreiding en transformaties onvoldoende soulaas bieden. Het vergt vooral nieuwe institutionele arrangementen.

Actualiteitencollege Crisis- en herstelwet Datum: donderdag 11 maart 2010 Plaats: Ministerie van VROM, Den Haag Informatie: HYPERLINK “mailto:buizer@nirov.nl” buizer@nirov.nl, tel. 070 30 28 473 Veilig spelen… Informatiedag over spelen en speeltoestellen Datum: 30 maart 2010 Plaats: CineMec in Ede Info: www.nen.nl, tel. 015 2 690 147 Cursus Multifunctionele stadslandbouw Landbouw vanuit stedelijk perspectief Data: 1 en 2 juni 2010 Plaats: Wageningen Info: www.wbs.wur.nl

Congres/conferentie Conferentie Beter Leefklimaat? Beter Onderzoek ‹–› Beter Beleid Datum: 7 april 2010 Plaats: 7 AM, Den Haag Informatie: HYPERLINK www.nwo.ml/gamon, www.nwo.nl/vam

O E D Z G E AT Z E M A , L U U K B O E L E N S E N B O U K E V E LDM A N 2009: VO OR B I J DE L O C K  I N ; E E N E CO N O M I S C H I N S T I T U T IO N E L E H E R P O S I T IO N E R I N G V VA N DE ROT T E R DA M S E H AV E N , U N I V E R SI T E I T VA N U T R E C HT E N S T IC HT ING C A L A MI T IJD, I SBN 978 90 6 6266 270 8, 96 BLZ .

een ‘brede verkenning maar mogelijke herstructurering van bedrijfsterreinenstrategie in het kader van de gewenste transitie van het mainportconcept’. Vanuit de huidige

maart 2010 43

ROM_0310.indd Sec1:43

3/1/2010 7:09:09 PM


In april! Ruimtelijk bekeken

Grounds for Change, de ondergrond in structuurvisie Drenthe Op dit moment wordt er in Drenthe, als 1e provincie, een aparte structuurvisie voor de ondergrond opgesteld. Daarnaast wordt er een vergunning aangevraagd voor een proefboring voor geothermie (ca. 2 km diep). Ook is binnenkort een stimuleringsprogramma voor WKO (warmte-koude opslag) bekend.

De Smaakmakers

Jeanne van Heeswijk Gemeenschapskunstenaar Jeanne van Heeswijk’ s methode valt op door de ingenieuze en creatieve middelen die worden gebruikt. Zo werden bij het ontwerp van een buurtpark middelbare scholieren op pad gestuurd met een digitale camera. De resultaten van hun onderzoek werden vervolgens in een mobiele designstudio in een computerprogramma geladen, die de beelden in een virtuele wereld met elkaar verbindt tot een beeldplan. Haar werkwijze blijkt zeer motiverend.

Trend

Meerdimensionale modellen bij ro-plannen Vaak werken planologen en ontwerpers in het platte vlak, zoals kaarten, om hun plannen aan het publiek of hun opdrachtgevers over te brengen. Deze tweedimensionale aanpak is niet voor iedereen te lezen en te begrijpen. Door te werken met driedimensionale visualisaties, vanuit ooghoogte positie, kan veel weerstand en misverstanden nog in het stadium van planvorming worden weggenomen.

Colofon Jaargang 28 nr. 3 maart 2010 ROmagazine is het maandelijkse vakblad voor de ro’er bij gemeente en provincie, de rijksoverheid, marktpartijen en maatschappelijke organisaties. ROmagazine biedt actuele informatie over ontwikkelingen in het beleid, beschrijft best cases in de uitvoering van dat beleid en biedt een platform voor opinies over de ruimtelijke ontwikkeling. Aan deze uitgave is de grootst mogelijke zorg besteed: voor onvolledige/onjuiste informatie aanvaarden auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor verbetering van onjuistheden houden zij zich aanbevolen. Redactieadres Reed Business bv Postbus 152 1000 AD Amsterdam telefoon: 020-515 91 89 of 06-485 200 20 e-mail: ROmagazine@reedbusiness.nl Redactie Marcel Bayer (hoofdredacteur), Max Rozenboom (eindredactie), Jaco Boer, Pieter van den Brand, Martin de Jong, Michel Robles, Marieke Vos Medewerkers Pieter van den Brand, Karin Broer, Tryntsje Dykstra, Addo van der Eijk, Mark Hendriks, Martin de Jong , Bas Husslage, Loek Kusiak, Sanne van der Most, Harry Perrée, Michel Robles, Ton van Rietbergen, Lucas Rozenboom (cover) Uitgever Frank Bakker Website www.romagazine.nl

Abonnementen/klantenservice Reed klantenservice Postbus 808 7000 AV Doetinchem telefoon: 0314-358 358, fax: 0314-358 161 e-mail: klantenservice@reedbusiness.nl ROmagazine is gratis voor ambtenaren milieu en ro rijksoverheid, provincie, waterschappen, regiobesturen en gemeenten. Aanmelden kan via website www.romagazine.nl. Jaarabonnement: • standaard € 169,95 incl. btw • studenten en VVM- en NIROV-leden € 89,95 incl. btw • meeleestarief (v.a. 2e abonnement op hetzelfde adres) € 78,75 incl. btw • losse nummers € 23,75 incl. btw excl. porti Abonnementen kunnen ieder moment ingaan, doch slechts worden beëindigd indien schriftelijk, telefonisch of per e-mail vóór 1 november van de lopende jaargang is opgezegd. Bij niet-tijdige opzegging wordt het abonnement automatisch met een jaar verlengd. Het volgende nummer van ROmagazine verschijnt in april. Uw opgegeven gegevens kunnen door Reed Business bv en geselecteerde bedrijven worden gebruikt voor het toezenden van informatie en/of speciale aanbiedingen. Indien u hiertegen bezwaar heeft, kunt u zich schriftelijk richten tot: Reed Business bv t.a.v. Adresregistratie Postbus 808 7000 AV Doetinchem ISSN 1571-0122

Advertenties Acquire Media Faradaystraat 4A 8013 PH Zwolle telefoon: 038-460 63 84 e-mail: info@acquiremedia.nl

maart 2010 44

ROM_0310.indd Sec1:44

3/1/2010 7:09:12 PM


klim

Bouwen aan stadsontwikkeling en toch bezuinigen? Dat vraagt om een creatieve inslag en nodigt uit tot innovatieve ideeën. Goed klimmen is meer dan de snelste weg naar boven volgen. Dat is met beleid je voeten neerzetten. Zorgen dat er voldoende verankeringspunten zijn. Het touw soms wat strakker aantrekken of juist laten vieren. Daarbij weet je je geborgd aan collega’s binnen de gemeente en bij gemeentelijke organisaties, inwoners, bedrijven en partners in de stad, want samenmakenwedestad.nl. Samen weer iets moois creëren uit deze economische bouwput. Met de beschikbare middelen toch je doel weten te bereiken. Klaar voor deze sportieve uitdaging? Solliciteer dan via www.werkenbijzwolle.nl.

www.werkenbijzwolle.nl ROM_0310.indd Sec2:III

Afdelingshoofd Stad & Landschap 36 uur Ervaren en mensgerichte manager met innovatief brein Stad en Landschap is verantwoordelijk voor juridische planologie, milieu en verkeer, monumenten en archeologie en wonen, stedenbouw en projectmanagement. De afdeling is onderdeel van het Expertisecentrum. Je zorgt samen met het MT voor verdere ontwikkeling van het Expertisecentrum vanuit jouw strategische en vakinhoudelijke inbreng. Ook beschik je over een uitstekend gevoel voor politieke en bestuurlijke verhoudingen. Bel voor meer informatie Willem van den Hul, (038) 498 26 29.

Zwolle heeft als enige gemeente in Nederland het certificaat Investor in People.

3/1/2010 7:09:13 PM


Nieuwe CDI-dieselmotoren

ECO Gear

ECO start/stop

De Sprinter BlueEFFICIENCY: Geen vuiltje aan de lucht! Schoner, zuiniger en rendabeler. De Mercedes-Benz

met bijna 50% wordt gereduceerd. Wel zo prettig voor uw

Sprinter BlueEFFICIENCY is niet alleen een veelzijdige

omgeving. En dat wordt niet voor niets door de overheid

bestelwagen waarmee u zeer efficiënt onderneemt,

beloond met een subsidie die op kan lopen tot wel

het is ook uw groene visitekaartje. Want met de Sprinter

€ 1.000,-. U rijdt al een Sprinter BlueEFFICIENCY vanaf

BlueEFFICIENCY kunt u nu al aan de EEV-normering

€ 20.459,-. Ga daarom snel langs bij uw Mercedes-Benz

voldoen: de strengst geldende norm waarmee de

dealer of kijk op www.mercedes-benz.nl/bestelwagens.

uitstoot van koolwaterstoffen ten opzichte van Euro 5

Maak er werk van.

ROM_0310.indd Sec2:IV

3/1/2010 7:09:14 PM


ROm 3 2010