Roma Aeterna 7.II Rome & Europa (najaar 2019)

Page 1

34


Labrys Reizen De specialist voor al uw Romereizen Labrys Reizen organiseert groepsreizen op maat naar Rome voor scholen, universiteiten, verenigingen en privégroepen. Vraag een vrijblijvende offerte aan! Daarnaast organiseert Labrys inschrijfreizen naar Rome o.l.v. deskundigen. Een greep uit ons aanbod: 28 februari t/m 4 maart 2020 * De ontdekking van de Oudheid in Rome o.l.v. oudheidkundige & schrijfster Willemijn van Dijk i.s.m. de Volkskrant. Zie: labrysreizen.nl/reizen/volkskrant-rome 6 t/m 11 maart 2020 * Italië voor kerkhervormers - een unieke reis van Assisi naar Rome o.l.v. Stijn Fens en Wouter Kurpershoek i.s.m. Trouw. Zie: labrysreizen.nl/reizen/trouw-kerkhervormers 6 t/m 11 april 2020 * Fascisme in Italië o.l.v. dr. Willem Melching en m.m.v. prof. dr. Maarten van Rossem. i.s.m. Historisch Nieuwsblad. Zie: labrysreizen.nl/reizen/fascisme-italie

024-3822110 info@labrysreizen.nl labrysreizen.nl

Alle reizen zijn inclusief co 2- compensatie.

35


Tijdschrift voor de kunsten en wetenschappen van de Eeuwige Stad

Jaargang 7, aflevering II Rome en Europa Amsterdam 2019 Deze uitgave kwam in december 2019 tot stand in samenwerking met de

1


Inhoudsopgave

2

Kaart van de locaties van Rome in dit nummer

3

Inleiding | Rome en Europa

4

Beeldbijdrage | Een ArchaĂŻsche amazone in Rome en Europa Suzan van de Velde

6

Artikel | Het raadsel van het Latijn Tycho Maas

8

Artikel | De Villa Mills: Een vergeten bizar landhuis bovenop de keizerlijke paleizen van de Palatijn. Gerard Olthof

19

Beeldbijdrage | Rome als speelbal van ironische wendingen in de Europese geschiedenis Victor Broers & Rogier Kalkers

34

Artikel | Het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius: Een rollenspel Jo’anne van Ooijen

36

Artikel | Alle wegen leiden naar Rome Leo Baeten en Guus Wesselink

46

Artikel | Jan van Scorel in het Belvedere: Een analyse van zijn Nederlands-Italiaanse netwerk Gaila Jehoel

52

Beeldbijdrage | Rome als speelbal van ironische wendingen in de Europese geschiedenis Victor Broers & Rogier Kalkers

66

Artikel | Stad van stichting, stad van verzet: over een rechter, Rome en de EU Niels Graaf

68

Artikel | De archieven van Pius XII De redactie

78

Essay | Imperium sine fine, ook in de 21e eeuw? Victor Broers

82


Van de Velde 1. Horti Sallustiani Maas 2. Tempel van Jupiter Optimus Maximus 3. Academia Latinitati Fovendae (ALF), per adres Academia Belgica (Via Omero 8) Olthof 4. Villa Mills / Museo Palatino 5. Palazzo Apostolico (kamer van kardinaal Da Bibbienna in het Vaticaans paleis) 6. Villa Ruspoli-Giraud Beeldreportage 7. Viale delle Mura Gianicolensi (ter hoogte van #31)

Van Ooijen 8. Capitolijnse Musea 9. Piazza del Campidoglio Baeten en Wesselink 10. Via Trionfale 11. Porta Salaria 12. Porta Appia (Porta San Sebastiano) Jehoel 13. Cortile del Belvedere 5. Palazzo Apostolico 14. Santa Maria dell’Anima 15. Palazzo Venezia 16. Rione Ponte

Beeldreportage 15. Palazzo Venezia Graaf 9. Piazza del Campidoglio 17. Quirinaal De redactie 18. Borgia-toren (Vaticaanse archieven) Broers 19. Palazzo Chigi

3


Inleiding: Rome en Europa Roma Aeterna 7.II (najaar 2019)

R

ome en Europa kunnen niet zonder elkaar. Al meer dan twee millennia vormt Rome een centrum van macht, religie en cultuur voor het continent, in een voortdurend veranderende relatie. Eeuwenlang was Rome het politieke hart van het Rijk waaraan ze haar naam gaf. Later, rond 700, schreef de Engelse monnik Beda Cum cadet Roma cadet et mundus, ‘Valt Rome, dan valt de wereld’. Voor Beda, aan de rand van de toenmalige bekende wereld, was de Eeuwige Stad na de kerstening van Engeland een belangrijk referentiepunt. Ook het Heilige Roomse Rijk ontleende niet zonder reden zijn naam aan de caput mundi, stad der steden, en de Europese Economische Gemeenschap, later uitgegroeid tot de Europese Unie, heeft zijn oorsprong in het Verdrag van Rome uit 1957. In de uitgave van Roma Aeterna die voor u ligt staat die dynamische relatie tussen Rome en Europa centraal. De inmiddels vertrouwde blik op de Eeuwige Stad laten we dit keer sturen door de vraag wat de verhouding in verschillende tijden gevormd heeft. Welke Romeinse erfenissen hebben een Europese uitstraling? Zoals gewoonlijk slaan we de brug tussen verleden en heden, maar daarnaast richten we speciaal voor dit nummer de blik ook vooruit. Wat is de rol van Rome in de 21ste eeuw?

Bij wijze van proloog relativeert Suzan van de Velde de opvatting dat het klassieke Rome een beginpunt is voor Europese identiteit. Aan de hand van een – waarschijnlijk Grieks – beeldje uit de 6e eeuw v.Chr. laat zij zien dat het materiële landschap van het oude Rome zelf een weergave is van al de uithoeken van de wereld die zij bestuurde. Het klassieke Rome is een scharnierpunt in het aantrekken van de wereld en het later uitzenden over de wereld. Sinds de Oudheid heeft de taal van de Romeinen de Eeuwige Stad en het continent verbonden: het Latijn is een rode draad door de Europese geschiedenis. Maar wat is het nu nog behalve een toeristische curiositeit en een in de volksmond dode taal? Beginnend in het klassieke Rome en eindigend in het heden betoogt Tycho Maas dat het Latijn zo succesvol is doordat het voortdurend met zijn tijd is meegegaan zonder zijn verleden uit het oog te verliezen. Wat zegt dat voor de toekomst? Gerard Olthof zoomt in op dé heuvel die van symbolisch belang is voor velen die zich sinds Romulus met de macht en eeuwigheid van Rome in verband hebben willen brengen: de Palatijn. Tot in de 19e eeuw is gedacht dat de Villa Mills het woonhuis van keizer Augustus moest zijn. Tegenwoordig weten we dat het Domitianus’ Domus Augustana is. Olthof beschrijft hoe deze ‘bizarre’ villa een plek van toe-eigening voor heel Europa kon worden en toch in de vergetelheid is geraakt, totdat recent onderzoek zich op de fresco’s in de villa begon te richten. Jo’anne van Ooijen gaat in op het misschien wel bekendste ruiterstandbeeld van Europa. Vanaf zijn hoge plek op het Capitool heeft het beeld van Marcus Aurelius de eeuwen onder zich voorbij zien trekken. Het is een kunstwerk dat in de Oudheid, Middeleeuwen en moderne tijd uiteenlopende rollen heeft gespeeld maar dat, zo betoogt Van Ooijen, altijd – tot ver buiten Rome – een icoon van de Eeuwige Stad is gebleven. Recente restauratie zal dat belang ook voor de toekomst garanderen. ‘Alle wegen leiden naar Rome’. Leo Baeten en Guus Wesselink nemen deze gevleugelde uitspraak

4

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl


letterlijk door te laten zien hoe Middeleeuwse en hedendaagse pelgrimsroutes in Europa nog altijd uitgaan van het oud-Romeinse wegennetwerk. Het gebruik van de wegen is door de tijd veranderd maar het gezegde is – juist ook in materieel opzicht – actueel gebleven. De bijdrage is een vrucht van de speciale samenwerking tussen Roma Aeterna met de Vereniging Pelgrimswegen naar Rome; een tegenbijdrage van Roma Aeterna zal bij de Vereniging in de komende uitgave van hun tijdschrift Omnes verschijnen. Gaila Jehoel onderzoekt de band tussen vroegmodern Rome en Europa vanuit kunsthistorisch perspectief. Ze gaat in op een onderbelicht aspect van het leven van Jan van Scorel, portretschilder van de Nederlandse paus Adrianus VI en de eerste Noord-Nederlandse kunstenaar die zich vestigde in het Belvedere in het Vaticaan. Jehoel laat zien dat de schilder tijdens zijn jaren in Rome een netwerk opbouwde dat aan de basis stond van een succesvolle latere carrière in de Lage Landen. Europabreed netwerken blijkt in de 16e eeuw net zo actueel als nu. Het belang van Rome in recentere jaren heeft in deze Roma Aeterna een politieke invalshoek. Niels Graaf beschouwt in zijn artikel de rol van de Eeuwig Stad vanuit de ondertekening van het Verdrag van Rome in 1957, de basis van de Europese Unie. Ook bespreekt hij hoe hiervan de eerste (juridische) weerstand tegen de invloed van de EU uitging. Graaf toont ons hier op treffende wijze het duale karakter van de relatie die Rome altijd met het Europese project heeft gehad. Waar het belang van Rome in Europa centraal staat, kan het Vaticaan niet onbreken. Begin 2018 bracht de redactie een bijzonder bezoek aan de Vaticaanse diplomatieke archieven. We blikken in dit nummer terug op dat bezoek. Aan de hand van de archieven van oorlogspaus Pius XII, die komend jaar openbaar zullen worden gemaakt, schetsen we het belang van deze archieven voor het hele continent. Achter de imposante Sint-Pieter schuilt een bijna even indrukwekkend diplomatiek apparaat. Hoe sturend is het Vaticaan precies achter de schermen van de Europese geschiedenis? De lange cultuurgeschiedenis van Rome is vaak het begin van een fascinatie voor de stad, maar de slotbijdrage van deze Roma Aeterna richt zich op de toekomst. In zijn essay kijkt Victor Broers vanuit geopolitiek perspectief vooruit. De uitdagingen waarmee Europa vandaag wordt geconfronteerd, zullen Rome opnieuw een centrale rol in het continent kunnen geven, maar hoe precies? De redactie heeft bij het samenstellen van de historische vlootschouw over Rome en Europa zoals u die nu voor zich heeft diversiteit van inhoud en van vorm nagestreefd. Onder het motto ‘een foto zegt meer dan 1000 woorden’ brengt Rogier Kalkers daarom, verspreid over dit nummer, enkele plekken in Rome in beeld die weinig uitleg nodig hebben om de verbeelding te prikkelen. Als deze Roma Aeterna iets duidelijk maakt, is het dat cultuur altijd in beweging is. De oude Romeinen maakten er zelf geen geheim van dat zij cultureel graag leentjebuur speelden bij hun oosterburen, de Grieken. De Griekse mythologie trekt op haar beurt die lijn nog weer verder oostwaarts. Zeus werd eens verliefd op Europa, een wonderschone prinses uit Sidon, een stad in het tegenwoordige Libanon. Hij verscheen aan haar als een vriendelijke stier, nam haar op zijn rug en zwom in één ruk naar zijn geboorteplaats Kreta. Zo symboliseert de mythe het doorgeven of toeëigenen van cultuur, van beschaving tot beschaving. Het zit Europa in de genen. Wij wensen u veel leesplezier. Victor Broers, Tycho Maas en Warja Tolstoj Hoofdredacteurs

5


Een Archaïsche amazone in Rome en Europa Suzan van de Velde

O

p het eerste gezicht lijkt het niet zoveel, deze kleine sculptuur van een schutter of ­Amazone (fig. 1). Dit beeldje is te dateren in de 6e eeuw v.Chr. en is uitgevoerd in een Archaïsche stijl. Het is gemaakt van marmer, afkomstig van het eiland Paros. Oorspronkelijk zal het voor het grootste gedeelte beschilderd zijn geweest maar de pigmenten zijn verloren gegaan. Gebaseerd op deze kenmerken zouden we dit beeld als ‘Grieks’ kunnen beschouwen; een origine in het oude Griekenland lijkt inderdaad hoogstwaarschijnlijk. De Amazone is echter gevonden in Rome in de archeologische context van een publieke hortus uit de Romeinse Keizertijd. Deze zogeheten ‘Tuinen van Sallustius’, een van de vele tuincomplexen in het oude Rome, gelegen in de moderne wijken Sallustiano en Ludovisi, waren gevuld met een overvloed aan sculpturen in verschillende stijlen en materialen, sommigen al meerdere eeuwen oud en afkomstig uit vele uithoeken van het Romeinse rijk. Het materiële landschap van de tuinen was een reflectie van zowel de stad als het Romeinse wereldrijk.

Vanaf de grote Romeinse veroveringen, beginnend in de 3e eeuw v.Chr., werd Rome overspoeld door ‘non-lokale’ objecten. Objecten werden tijdens militaire expedities geroofd uit hun originele context en naar Rome gebracht waar zij tijdens triomftochten werden geïntroduceerd en vervolgens op publieke plaatsen tentoongesteld. De stad raakte op den duur gevuld met ‘vreemde’ artefacten. Geconfronteerd met de plotselinge aanwezigheid van zowel de geschiedenis als de geografische reikwijdte van het jonge Romeinse rijk was het aan de Romeinen om hun relatie tot deze voorwerpen vast te stellen. Ook onze Amazone was onderdeel van dit proces. Opgesteld in Rome op een geheel nieuwe wijze had het ‘Griekse’ beeld de potentie om te verwijzen naar de Archaïsche periode, een periode die op dat moment ook deel was geworden van de geschiedenis van het Romeinse rijk. Maar zij speelde een misschien nog wel veel grotere rol als een geïntegreerd onderdeel van de Romeinse cultuur en daardoor als voorbeeld voor de Archaïsche stijl die steeds vaker door de Romeinen werd gebruikt. Aangespoord én mogelijk gemaakt door dit soort objecten vormde zich iets van een identiteit die ‘Romeins’ genoemd kan worden. Dit was niet de eerste of laatste keer dat een groep ‘kunst’-objecten, waaronder een grote hoeveelheid Griekse beelden, aan de wieg stond van een nieuwe identiteit en maatschappij op het Italische schiereiland. In 1888 werd onze Amazone ontdekt tijdens opgravingen vlakbij de via Boncompagni. In de laatste helft van de 19e eeuw onderging Rome een periode van grote urbanisatie. Tijdens de vele bouwprojecten werd een enorme hoeveelheid objecten uit het antieke Rome, waaronder een groot deel beelden en sculpturen, gevonden. Zulke beelden waren niet nieuw en werden al meerdere eeuwen verzameld, maar hadden nu extra impact doordat zij zich in korte tijd in zulke grote aantallen presenteerden. Deze invloed liet zich tot ver buiten Rome gelden. De 19e eeuw was echter een periode van grote omwentelingen in niet alleen Italië maar heel Europa, en bracht politieke en sociale onrust wat in vele landen leidde tot een proces van hernieuwde identiteitsvorming. Als bouwsteen voor de identiteit van een vernieuwde maatschappij greep men naar wat ook in de Romeinse tijd succesvol was gebleken als hernieuwd fundament. Vanuit heel Europa kwamen verzamelaars en geleerden naar Rome op zoek naar aanwinsten voor de nieuw gestichte nationale musea in hun landen. Tegelijkertijd werd men zich ook in Rome steeds meer bewust van de be-

6

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl


Fig. 1: Beeld van een amazone, eind zesde eeuw v. Chr., Parisch marmer, h 69 cm, Capitolijnse Musea - Centrale Montemartini Rome. Foto: Barbara Malter, Archivio Fotografico dei Musei Capitolini, © Roma - Sovraintendenza Capitolina Ai Beni Culturali.

langrijke rol die ‘hun’ sculpturen konden spelen en plaatste vele van deze objecten in de Romeinse nationale musea. Vele musea in Europa kregen een afdeling ‘klassieke’ archeologie als legitimering van de nationale geschiedenis. Op deze manier werd de oudheid onderdeel gemaakt van de gedeelde geschiedenis van Europese natiestaten. Het Romeinse rijk had op innovatieve wijze een identiteit gevormd door middel van de materiële cultuur die zich – aanvankelijk onbekend en misschien zelfs bedreigend – had aangediend uit al haar geografische uithoeken. Dit in essentie multiculturele ‘klassieke’ Rome en haar objecten, zoals de Amazone, een Romeins object met Griekse origine, werden nu Europees gemeengoed.

7


Het raads el van he t Latijn Tycho Maas

E

en Romereiziger kan zich er onmogelijk aan onttrekken: Latijn. Het is de taal van de oude Romeinen, de taal van inscripties uit de middeleeuwen en de renaissance, en de taal van het wekelijkse radionieuwsbulletin dat het Vaticaan in mei 2019 lanceerde.1 Maar is het Latijn op dit moment nog meer dan een toeristische curiositeit (fig. 1)? Jan Bloemendal neigt ernaar om het Latijn ‘de meest succesvolle en invloedrijke taal aller tijden’ te noemen.2 Wat in de buurt van Rome begon als het dialect van een stam die zich Latijnen noemde, groeide uit tot de taal van het Christendom en werd dé 17e-eeuwse taal van wetenschap in Europa. In deze bijdrage overweeg ik het Latijn als Europees erfgoed. Net als Bloemendal volg ik het breed aanvaarde drieluik van het Latijn als ‘levende taal’ in de oudheid, middeleeuwen en renaissance, maar ik kijk ook kort naar de late oudheid en recentere jaren.

Fig. 1 Curiositeit of levende taal? Een pinautomaat in Vaticaanstad met instructies in het Latijn om de pas in te voeren en gebruik te maken van de diensten: ‘Inserito scidulam quaeso ut faciundam cognoscas rationem’.

8

Raadsels en onderwijs vormen twee rode draden door dit stuk. Iedere cultuur en samenleving kent raadsels, en veel bekende Europeanen schreven raadsels, bijvoorbeeld Da Vinci, Cervantes, Shakespeare, Goethe.3 Maar raadsels zijn niet voorbehouden aan intellectuelen. Nog steeds herinnert bijna iedereen zich raadsels van het schoolplein of uit de klas. Raadsels zijn niet voor niets al sinds de oudheid een geliefd didactisch middel: ze leren kinderen én volwassenen spelen met taal en nieuwe verbanden in de wereld rondom hen zoeken.4 Ik begin met oud-Romeinse raadsels en kijk daarna naar de laat-Romeinse raadselverzamelaar Symphosius. Vervolgens bespreek ik een lesboek

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

van de 11e-eeuwse Luikse schoolmeester Egbert en een dialoog van Erasmus. Ik sluit af met een blik op moderne initiatieven voor living Latin. Latijn staat aan de basis van onderzoek naar oude culturen, is een sleutel tot een Christelijk-allegorische wereld, en een stratum voor cultuurkritiek. Tijdens de drie millennia die deze vijf vensters omvatten zijn de betekenis en het gebruik van de taal dus voortdurend veranderd, hoewel er, in de woorden van latinist Terence Tunberg, altijd een kritische massa van Latijnsprekenden en Latijnlezenden is blijven bestaan.5 Dat is het fascinerende raadsel van het Latijn. Romeinse aenigmata Hij is tegenwoordig een van de minder bekende goden uit de Romeinse mythologie: de grensgod Terminus. Zijn verering kwam voort uit een cultus rond grensmarkeringen: eenvoudige vierkante stenen die later werden voorzien van zijn kenmerkende hoofd met dikke haarbos en baard (fig. 2). De Romeinen stelden een jaarlijks offerfeest in, de Terminalia, op de laatste dag van het Romeinse kalenderjaar, en er werd voor hem een steen op het Capitool opgericht, die onveranderd is blijven staan toen op dezelfde plek een tempel werd gebouwd voor oppergod Jupiter. De godheid kwam sym-


bool te staan voor het blijvend karakter van het Romeinse Rijk en zijn grenzen.6 Over standvastigheid en Terminus’ plek op het Capitool gaat het misschien wel oudste authentiek Romeinse raadsel dat ons is overgeleverd.7 We kennen het dankzij Aulus Gellius, een Romeins taalgeleerde uit de 2e eeuw: Semel minusne an bis minus sit, nescio; An utrumque eorum, ut quondam audivi dicier, Iovi ipsi regi noluit concedere. Of het éénmaal of tweemaal te weinig is, weet ik niet, Of allebei, zoals ik eens heb horen zeggen, Voor Jupiter zelf, de Koning, wilde hij niet wijken.8

dit raadsel.10 Is het een gesprek tussen een man en een vrouw?11 Waarschijnlijk moeten we mulier (vrouw) als een drachtige zeug interpreteren, want de grap zit hem welzeker in het woord sui: dat kan afgeleid zijn van zowel sus, zwijn, als se, zichzelf. RAADSEL Een vrouw was zwanger van een zoon, gelijk aan haarzelf / een zwijn. Hij is niet de mijne, en hij lijkt niet op mij, maar ik zou willen dat hij de mijne was. Romeinen gebruikten raadsels in allerlei contexten. Vergilius (1e eeuw v.Chr.) schrijft in zijn derde Bucolicon bijvoorbeeld over een raadselwedstrijd tussen ene Menalcas

Fig. 2 Een grenssteen met de Romeinse grensgod Terminus, hier afgebeeld op een ontwerpschets voor Erasmus van Rotterdam. De tekst luidt ‘concedo nulli’, ik wijk voor niemand. Hans Holbein de Jongere. Pen en penseel, 315 x 210 mm.

Gellius geeft zelf niet de oplossing. De oudst-bekende oplossing op papier is die van de Italiaanse humanist Angelo Poliziano (1454-1494). De geleerde Giglio Gregorio Giraldi (1479-1552) bespreekt die in zijn Aenigmata (1507): er is in de eerste plaats een woordspel rond semel (eenmaal), bis (tweemaal) en utrumque eorum (beide). De optelsom met minus geeft driemaal min: ter-minus. Een tweede aanwijzing vinden we in de slotzin. Een ander authentiek Romeins raadsel kennen we dankzij een inscriptie uit Pompeii, waarin gespeeld wordt met betekenissen van ‘sui’: ZETEMA Mulier ferebat filium similem sui. Nec meus est nec mi similar, sed vellem esset meus.9 Romeinen noemden raadsels aenigmata, naar hun Griekse voorbeelden. Aenigmata gaan uit van een woordspel of dubbele betekenis; er wordt gezocht naar een nieuwe analogie tussen twee objecten, zoals ook in

9


Fig. 3 Manuscript met aankondiging van de raadsel van Symphosius, ‘Poeta metricae artis peritia praeditus’. Laattiende-eeuws, vroeg-elfdeeeuws.

en ene Damoetas – de winnaar mag met het meisje Phyllis trouwen.12 De wedijveraars konden zo hun vindingrijkheid en intellect aantonen. Raadselwedstrijden – fictief of niet – dienden vooral ter vermaak en waren populair als geleerd tafelamusement. Suetonius schrijft in zijn Vita divi Augusti (Het leven van Augustus, 2e eeuw) over feestmalen tijdens de Saturnalia, een carnavalesk Romeinse feest. Dinergasten geven er voorwerpen rond waarop raadsels zijn aangebracht. Deze konden gaan over geschiedenis, filosofie, vreemde woorden en

taalproblemen. Het doel was om ‘de geest wat afleiding te bieden in de vorm van plezierige en inhoudelijke gesprekken’.13 Deze tweeslag van het raadsel – het plezier van de verrassing en het uitdagen van begrip – maakt het in de late oudheid en vroege middeleeuwen een populair didactisch middel. Op Klassieke leest geschoeid De Saturnalia vormen ook de achtergrond voor een van de beroemdste raadselverzamelingen die de oudheid met de middeleeuwen verbindt: de Aenigmata Symphosii, Raadsels van Symphosius. Over Symphosius is niks bekend buiten de honderd raadsels die hij heeft verzameld. Zelfs over de datering van zijn werk of persoon bestaat discussie, hoewel de vroege 5e eeuw inmiddels breed aanvaard wordt. In de inleiding beweert de auteur dat hij de raadsels heeft geïmproviseerd na een levendig diner: ‘Bij de jaarlijkse feestdagen van Saturnus speel ik altijd hetzelfde spelletje – na het feestmaal en na de zoete drankjes toe – temidden van gekke kletstantes en praatgrage jongens’.14 Elk raadsel bestaat uit drie dichtregels (hexameters) die dermate gepolijst zijn dat men Symphosius wel in de 3e of zelfs 2e eeuw heeft willen plaatsen. Lees ze hardop en prosodie, assonantie, alliteratie en binnenrijm vallen direct op. Daarbij zijn de onderwerpen opvallend Klassiek, dat wil zeggen minder Christelijk dan onderzoekers wel hebben willen aannemen voor die tijd.15 Een voorbeeld is onderstaand raadsel: gezocht is een nimf uit de Klassieke mythologie. Virgo modesta nimis legem bene servo pudoris; Ore procax non sum, nec sum temeraria linguae; Ultro nolo loqui, sed do responsa loquenti. Als kuise jongedame houd ik mij aan de regels van goed gedrag; Ik ben niet schaamteloos in mijn taal, en

10


ook niet onbezonnen in gesprekken; Ik spreek nooit voor mijn beurt, maar mijn antwoord blijft nooit uit. De raadsels van Symphosius trokken diepe sporen in het onderwijs van de middeleeuwen en de renaissance. Ze werden veelvuldig vertaald in verschillende talen van Rome tot aan de andere kant van het Kanaal (fig. 3). Aldhelm van Sherbonne, bisschop van Malmesbury, schreef in de 7e eeuw raadsels met een Christelijke inslag.16 Onder zijn voornaamste bronnen rekent hij het Oude Testament, maar als het op stilistiek aankomt prijst hij Symphosius, de ‘vers-poëet, grondig ervaren op het gebied van metriek’.17 Maar van Symphosius leerde je niet alleen mooi Latijn. Zoals het raadsel over de nimf Echo illustreert, waren er aan raadsels wijze lessen over normen en waarden te ontlenen. We hoeven dan ook niet verbaasd te zijn dat zeven van Symphosius’ raadsels zijn opgenomen in een tekst die speciaal geschreven was voor het onderwijs van een van de zonen van de eerste keizer van het Heilige Roomse Rijk, Karel de Grote (8e eeuw).18

drukkunst sloot het kernachtige karakter van een raadsel goed aan bij de onderwijstechniek van lezen, analyseren en memoriseren.21 Maar inhoudelijk sloot het vooral ook goed aan bij het Goddelijke raadsel van de wereld. Voor met name de vroeg-middeleeuwse schoolmeester waren mensen, dieren en dingen (inclusief grammatica en de overige artes liberales of vrije kunsten) allereerst tekenen van boven de wereld. Er vond een verschuiving plaats van het zoeken naar analogiën in taal, naar het interpreteren van de wereld als allegorie: alles was een symbool van Gods plan, als een raadsel dat op te lossen was. Zo behield ook het Latijn zijn relevantie: als een uitverkoren sleutel tot een Christelijke wereld, en als een verbindend element in een uitdijend Christendom.22

Fig. 4 Het enige bekende manuscript van Egbert van Luiks Fecunda Ratis, gedateerd op ongeveer 1050. In de marge de aankondiging van Roodkapje. (De puella a lupellis servata, Over het meisje dat gered werd van wolven. (2.472-485)).

Voordat ik inga op het belang van het raadsel in de Christelijke middeleeuwen wil ik benadrukken dat raadsels niet alleen voorbehouden waren aan de kleine, hogere sociale klasse van het literaire en intellectuele kaliber-Symphosius. Middeleeuwse kinderen leerden namelijk al raadsels sinds Donatus’ Ars Grammatica (midden 4e eeuw) een standaard-schoolboek was geworden. In zijn Commentum artis Donati schrijft de 6e-eeuwse grammaticus Pompeius dat zelfs kleine kinderen elkaar raadsels voorleggen: ‘Een raadsel is wat zelfs kleine kinderen al doen als spel, als ze elkaar vragen stellen die niemand begrijpt’.19 Pompeius noemt direct een voorbeeld dat populair zou blijven tot in de Renaissance: ‘Mijn moeder baarde me, en wordt dan weer geboren uit mij’.20 De oplossing is ijs. In een middeleeuwse wereld zonder boek-

11


De profane allegorie De 11e-eeuwse schoolmeester Egbert uit Luik maakte er een ware kunst van om allerhande profane lectuur voor zijn leerlingen stichtelijk uit te leggen. Voor zijn schoolboek Fecunda ratis, ‘rijkbeladen schip’, putte hij veel uit de Bijbel en de kerkvaders.23 Ook interpreteerde hij Romeinse dichters binnen een Christelijke context, zoals hier Vergilius, die in Egberts tijd als Christelijk profeet en poëet werd gelezen; zijn vierde Bucolicon werd wel geïnterpreteerd als voorafschaduwing van de komst van Christus.24 Jij, die zonder kritisch commentaar de teksten van Vergilius ter hand neemt, Knaagt slechts aan de buitenste bast van een onbereikbare binnenkant.25 In Fecunda ratis staat niet het raadsel als analogie centraal, maar de morele lessen die in de verhalen ‘verborgen’ lagen. Dit diende als opstap voor het ontsluiten van de kerkvaders en de Bijbel, en Romeinse auteurs in het origineel. Het boek was een cursus allegorisch lezen. Om die reden hoeven we niet verbaasd te zijn dat Klassieke fabels, bijbelse vertellingen en middeleeuwse spreekwoorden, mythen, en volksverhalen er gebroederlijk naast elkaar staan. Uniek zijn de gelatiniseerde stukken van de Vos Reynaerde en Roodkapje (fig. 4). Middeleeuwse versies van nog altijd populaire spreekwoorden en gezegden werden opgenomen om soortgelijke redenen: ‘een gegeven paard moet je niet in de bek kijken’ gaat niet over paarden maar over aanvaarden en waarderen van de omstandigheid waarin je je bevindt.26 Wat betreft taal zal Fecunda ratis Egberts leerlingen grondig hebben voorbereid op de uiteindelijke Christelijke en Klassieke literatuur. Zijn woordenschat en zinsbouw zijn zeker niet de eenvoudigste. Regelmatig voegt Egbert dan ook grammaticalesjes in, die ons een uniek inkijkje geven in middeleeuws taalonderwijs:

12

Iets is candidus, als het wit wordt door inspanning; als het van nature wit is, noemen we het albus. Alius betekent ‘een uit velen’, alte betekent ‘een van twee’.27 Taalkundigen zeggen similis illius en similis illi; zo maken ze onderscheid tussen ‘ik lijk op hem in zeden’ en ‘ik lijk op hem in uiterlijk’.28 Aangezien de inhoud van de volksverhalen en spreekwoorden bij veel leerlingen al bekend zal zijn geweest, konden die zich dus toeleggen op het perfectioneren van hun taalbegrip. Egberts boek was zeker niet bedoeld voor beginners, maar voor leerlingen die de Bijbel, kerkvaders en Romeinse Klassiekers al bijna ter hand konden nemen. De opbouw van Fecunda ratis onderstreept het doel van Egberts onderwijs. Het begint met een- en tweeregelige spreuken en weerspiegelt hiermee de Disticha Catonis, een verzameling spreuken, toendertijd toegeschreven aan de Romeinse staatsman Cato, en een standaard-schoolboek uit de middeleeuwen. In dit eerste gedeelte geeft Egbert ook de meeste van zijn grammaticalessen. Geleidelijk krijgt de leerling steeds langere gedichtjes voorgelegd, elk met een eigen titel. De inhoud wordt nu steeds vaker ontleend aan Christelijke bronnen en aan dierfabels die teruggaan op de Griek Aesopus. Er zijn stukjes over Augustinus, Samson en de ark van Noach, en het gedrag van allerhande dieren dient de mens tot voorbeeld. Aan het slot geeft Egbert aan dat hij zijn leerlingen ver genoeg geleid heeft: in een allegorisch envoie geeft de roerganger zijn rijkbeladen schip over aan Gods hand. Met de val van Rome in 476 was formeel een einde gekomen aan het West-Romeinse rijk waar het Latijn zijn oorsprong heeft. Ongeveer 500 jaar later bloeit de taal onder Egberts handen met een Klassieke grammatica en Romeins gevoel voor stijl. Maar het Latijn en het aenigma dienden inmiddels een ander doel: ze functioneerden vooral


als verbindend element van, en sleutel tot een almaar uitdijende Christelijke wereld. Dat sloot (met terugwerkende kracht) ook steeds meer van de Klassieke cultuur in. Smakelijker in het Latijn Na de hoogtijdagen van het raadsel in de middeleeuwen werd het genre verder gecultiveerd in de renaissance. Enerzijds begon men terug te kijken naar de oudheid. Zo werd Symphosius herontdekt als drager van Klassieke cultuur. Rond 1540 vertaalde de Duitser Joachim Camerarius de raadsels voor het eerst in het Grieks, en ook nam hij er 17 in het Latijn op in zijn Elementa Rhetoricae. Dat Symphosius zijn actualiteit lang wist vast te houden, blijkt wel uit een heruitgave uit 1602: het raadselboek van de Duitser Nicolaus Reusner bevat alle 99 dan nog bekende raadsels in het Latijn met uitbreidingen en toevoegingen.29 De humanist Erasmus (ca. 1500) nam de grensgod Terminus als zijn persoonlijke herkenningsteken: hij staat afgebeeld op zijn zegelring, op houtsneden, en ook op zijn herdenkingsteken in de Munsterkerk te Bazel, de stad waar hij in 1536 overleed (fig. 5).30 Ondanks dit actualiseren van de Klassiek-Romeinse wereld was er een groot verschil met het Latijn van de oudheid en de vroege middeleeuwen: het was niemands moedertaal meer. Aan de andere kant werd Latijn ook nog steeds niet alleen geleerd om Klassieke (Latijnse) teksten te kunnen lezen, maar juist om alledaags in te communiceren. Erasmus schrijft bijvoorbeeld dat clerici Latijn gebruiken wanneer ze elkaars moedertaal niet spreken, en de dichter John Milton (ca. 1650) adviseert de Engelse jeugd om in het buitenland de Italiaanse uitspraak van het Latijn aan te houden, omdat die het gangbaarst is.31 Het Latijn werd in de renaissance een Europese wereldtaal die een bijna onbegrensd toepassingsgebied kende, van wetenschap tot keukentafel. Een van de belangrijkste genres waarvan men zich in de middeleeuwen en renaissan-

ce bediende om Latijn te leren, was het colloquium. De colloquia scholastica of colloquia familiaria waren korte Latijnse dialogen, met name bedoeld voor schoolgebruik, met het vocabulaire voor alledaagse gesprekken. Het zijn nadrukkelijk niet de Neo-Latijnse dialogen waarin in navolging van Cicero of Plato allerlei filosofische onderwerpen bediscussieerd werden, maar korte vraag-antwoord-stukjes waarmee elke leerling te maken kreeg.32 Deze gesprekjes lenen zich – net als raadsels! – goed voor overhoringen: de leraar stelt een vraag, en de leerling antwoordt volgens het voorbeeldgesprek in het boek. Een roemrucht voorbeeld van dergelijke colloquia zijn Erasmus’ Familiarum colloquiorum formulae, Modellen voor informele gesprekken. Erasmus begon zijn korte dialogen voor de schooljeugd in 1519 en breidde het aantal daarna bij elke herdruk uit. Terugkerende thema’s zijn onder veel meer wijzen van groeten, spellen, en levenswijsheden, en wat theologie. Op de vraag hoe je een ouder iemand beleefd kan aanspreken, luidt het antwoord ‘noem hem vader of heer’, en op de vraag hoe je je geliefde meer intiem kan begroeten, luidt het antwoord ‘mijn schatje, mijn hartje, schoonheid’. Volgens het titelblad biedt het boekje de leerlingen ‘niet alleen verfijnd taalgebruik maar bovendien ook voorbereiding op het leven’.33 Die voorbereiding op het leven moeten we in de breedste zin interpreteren. Met iedere dialoog die Erasmus toevoegde, werd het boekje meer iets voor de volwassen lezer dan voor de schooljeugd.34 In Erasmus’ latere dialogen wordt de samenleving steeds op theatrale wijze op de hak genomen: soldaten, monniken, kooplui, prostituees – niemand blijft gespaard. Een voorbeeld is Erasmus’ gesprek tussen de Abt en de Geleerde vrouw, volgens Johan Huizinga ‘[h]et hoogtepunt van zijn gave als dialoogschrijver’.35 Erasmus voert er de monnik Antronius ten tonele die zich drukker maakt om zijn leven van weelde dan zijn

13


geestelijke bestaan. Vanuit een vrees voor competitie (zo nemen we aan) wil Antronius ook niet dat de monniken onder hem al te belezen zijn. De abt wordt om deze opvatting volledig in zijn hemd gezet door zijn belezen gesprekspartner Magdalia, nota bene een vrouw, die hem kritische vragen stelt. Dat is op zichzelf al saillant. Maar impliciet levert Erasmus ook kritiek op het intellectuele, academische milieu van zijn tijd: de boeken die aangehaald worden in de dialoog zijn middeleeuwse interpretaties van Bijbelse en Klassieke teksten. Erasmus en andere humanisten wilden zich hiervan afkeren, want ontleenden meer waarde aan een bestudering van de originele teksten, zonder tussenkomst van middeleeuwse interpreten. Erasmus’ dialogen waren enorm populair. Dat was uiteraard niet in de eerste plaats dankzij de gelaagde subversiviteit die ook toen al een flinke intellectuele bagage veronderstelde. De populariteit was vooral gelegen in de dirécte kritiek in combinatie met het eenvoudige taalgebruik. Erasmus zelf noemt zijn dialogen-Latijn kinderlatijn. Dat geeft de gesprekken over politieke intrige, seksuele escapades en onzedige gedachten een ironisch-opvoedkundige tint. Huizinga: ‘Een belangrijk deel van het genot, dat de Colloquia nog kunnen geven, zit in het proeven van de latijnsche woorden en zinnen in hun bouw en beteekenis, in de prikkelende verrassing, dat dit alles zich in het latijn zoo smakelijk liet zeggen’.36 Hoe het ook zij, het boekje werd in 1526 verboden door de theologische faculteit van de Sorbonne (Parijs), die oordeelde dat de teksten immoreel en onkuis waren. Erasmus schreef als een reactie Apologia waarin hij (natuurlijk in het Latijn) beargumenteert dat hij (wat betreft theologische controversen) alleen maar helpt om de jeugd zelf zijn mening te laten vormen. Het mocht niet baten: na zijn dood werden in 1562 de tekstjes alsnog in Nederland verboden en in 1564 kwamen ze na het Concilie van Trente

14

(1545-1563) onder Paus Pius IV op de Index van verboden boeken terecht. Het verbod op de dialogen bevestigt hun populariteit en invloed, en onderstreept ook het succes van de korte vraag-antwoord-vorm. De renaissance voltrok zich dus beslist ook voor het Latijn als taal. Er werd actief teruggekeken naar de oudheid, vaak om de middeleeuwen heen. Daarbij kwam een uitvoerige literatuur als gevolg van overzeese ontdekkingen buiten Europa en wetenschappelijke doorbraken en intellectuele conflicten dichter bij huis. Al met al kreeg het Latijn vanaf de 16e eeuw het misschien wel breedste toepassingsgebied dat het ooit gehad heeft. Wie spreekt, die blijft Erasmus’ opzettelijk ‘kinderlijke Latijn’ ten spijt is de ‘prikkelende verrassing’ in recentere eeuwen steeds minder toegankelijk geworden. Het (bijna) wegvallen van Latijn als spreektaal heeft enorme gevolgen gehad voor de aandacht voor de taal en de plek in de samenleving. Latijn zou als taal van onderricht als laatste zijn afgeschaft in Leiden, nadat een hoogleraar rechten begin 20e eeuw (zo gaat het verhaal) gezegd zou hebben claude fenestram, ‘doe het raam dicht’. De studenten noteerden de zin als collegedictaat. De hoogleraar herhaalde zijn verzoek. De studenten onderstreepten nu zijn woorden. Aan de andere kant is in recentere eeuwen de universitaire bestudering van het Latijn opgebloeid. Volgens sommigen bestaat daar een spanningsveld: ‘We denken dat Latinistiek en Klassieke taal en cultuur als vakgebied al eeuwenoud zijn, maar dat is niet zo’, verwoordt Ribeiro Leite van de universiteit Espirito Santo in Brazilië het probleem.37 ‘Klassieke talen zoals we die nu kennen zijn grotendeels een 19e-eeuwse uitvinding. Latijn werd, mede onder de handen van Duitse filologen, een Wissenschaft. De teksten werden een soort museale objecten die door de eeuwen waren overgeleverd: je kon er


niet meer mee in dialoog treden; ze spraken tót je. Zo’n eenrichtingsverkeer is dodelijk voor een taal, en uiteindelijk ook voor de taal als vakgebied, als je niks doet.’ Maar spreken en academische bestudering kunnen ook complementair zijn, weet Leite. Hij was een van de 100 deelnemers aan het 14e internationale congres van de Academia Latinitati Fovendae, de ALF, in 2007. De organisatie heeft geen Engelse of volkstalige naam, maar in het Nederlands zou het zoiets zijn als de Academie voor de bevordering van Latijn. Het lijkt een normaal congres waarbij academici presentaties houden maar dan gaat alles in het Latijn. Toch neemt het ledenaantal toe. Toen de ALF in Rome werd opgericht, in 1966, was Latijn als medium voor publicaties over het vakgebied al ongebruikelijk maar nog niet onmogelijk. Leden honoris causa waren onder meer Giuseppe Saragat, president van Italië van 1964 tot 1971, en kardinaal Antonio Bacci, Latijns secretaris van de Paus. Het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, ook wel bekend als Vaticanum II, was net afgelopen en in het Latijn gehouden. De ALF had als internationale organisatie een gemeenschappelijke taal nodig en het leek niet alleen logisch dat discussies over het Latijn in het Latijn werden gevoerd, maar ook wenselijk. Een keuze voor een van de wereldtalen Engels of Russisch, zo werd gevreesd, zou een politiek statement inhouden dat de ALF niet wilde maken. Hoewel het aantal Latijnsprekenden wereldwijd steeds verder afnam tijdens de jaren ’70 en ’80, is er sinds de jaren ’90 een duidelijke opwaartse trend in Living Latin. Er worden wereldwijd steeds meer initiatieven ontplooid, vaak met groot succes. In 1997, nog vroeg genoeg in de dagen van het internet om de url www.latin.org te bemachtigen, werd SALVI opgericht, Het Amerikaanse onderzoeksinstituut voor levend Latijn. Deze organisatie vraagt zich af wat er gebeurt als we Latijn op school weer

leren zoals een levende taal, dus via spreken en schrijven. Het doel is niet per se om volzinnen te maken zoals Cicero, maar om weer actief in dialoog te kunnen treden met het verleden, en zo de bestudering van Latijnse teksten te verrijken, zowel van degene binnen als buiten de Klassieke canon.

Fig. 5 Houtsnede van Erasmus, de rechterhand rustend op een grenssteen van Terminus. Hans Holbein de Jongere. Houtsnede (door Veit Specklin), 285 x 152 mm.

15


Deze herleving van het gesproken Latijn slaat breed aan, niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in Europa. ‘Toen ik in 2007 voor het eerst naar een ALF-congres kwam’, zei Michael Fontaine, universitair docent Classics aan Cornell University, ‘viel me direct op dat er zoveel jonge deelnemers zijn. Bovendien zijn er behalve academici vooral ook veel docenten uit het voortgezet onderwijs. Dan weet je dat er voor de toekomst van het vakgebied iets interessants staat te gebeuren.’ In de woorden van John Kuhner, president van SALVI: ‘We zijn de afgelopen 22 jaar uitgegroeid van een experiment tot een vakgebied met academische erkenning. De eerste leerstoel Living Latin is een feit. In mijn optiek kan het spreken van Latijn alleen maar bijdragen aan het behoud van de academische studie. Door Latijn als levende taal aan te bieden plaatsen we onszelf weer in een lange traditie, die de afgelopen 150 à 200 jaar even een klap heeft gekregen. Begrijp me niet verkeerd: levend Latijn kan, mede dankzij de ontwikkeling van taalgevoel, zeker complementair zijn aan Classical Studies, maar het beginpunt is totaal anders’. Hij is even stil en besluit dan glimlachend met een spontane aaneenschakeling van Latijnse woorden: non taliter qualiter, sed totaliter aliter’, ‘[het is] niet zozeer zo, maar totaal anders’. Het illustreert wat hij zojuist betoogd heeft. Zoals het van nature gaat met een taal, is Latijn voortdurend meeveranderd met zijn tijd. Raadsels en onderwijs laten zien dat Latijn zich tijdens zijn lange geschiedenis steeds heeft aangepast aan de veranderende behoeften van zijn gebruikers. De taal is gegroeid van een Romeinse taal tot drager van het christelijk geloof tot Europese wereldtaal, gebruikt van keukentafel tot laboratorium. Het draagt zowel het vreemde als het eigene van heden en verleden in zich. Dat maakt het uniek – en wie weet tijdloos – Europees erfgoed.

16

1. Hebdomada Papae, de week van de Paus. 2. J. Bloemendal, Latijn. Cultuurgeschiedenis van een wereldtaal (Amsterdam 2016), 7. 3. Psychologen vroeger hebben raadsels wel in verband gebracht met de oermenselijke zucht naar kennis en inzicht. E. Lindley, ‘A Study of Puzzles with Special Reference to the Psychology of Mental Adaptations’, American Journal of Psychology VIII (1897), 484. 4. Zie bijvoorbeeld K. Schiltz, ‘The culture of the enigmatic from Classical Antiquity to the Renaissance’, Music and Riddle Culture in the Renaissance (Cambridge 2015), 22-64. 5. T. Tunberg, ‘The Way Many Aspired to the Eloquence of the Few: The Neo-Latin Colloquium’, in: Van Deusen en Koff (eds.) Mobs: an Interdisciplinary Inquiry (Leiden 2012), 189-202. 6. De dies anni extremus, laatste dag van het jaar, viel op 23 februari. Zie Ovidius, Fasti II, 639-684. 7. Raymond Ohl, die zich langdurig heeft beziggehouden met Latijnse raadsels, laat zien dat de Romeinen ook op dit gebied van hun cultuur veel leenden van hun oosterburen: ‘The more sober-minded Roman was not so prone to riddling as was the mentally agile Greek’. R. Ohl, ‘Symphosius and the Latin Riddle’, in: The Classical Weekly 25 (1932), 209. De oude Grieken koesterden geestelijke inventiviteit als deugd, en Aristoteles noemde een aenigma een plezierige vorm van misleiding: het houdt zowel de steller als de oplosser scherp. De oude Grieken kenden een lange traditie van raadsels, die ze in twee groepen verdeelden: ‘aenigma’ en ‘griphos’. K. Ohlert, Rätsel und Rätselspiele der Alten Griechen (Berlin 1912), 17-22. 8. Gellius (Noctes Atticae, 130-180) citeert Varro, De Sermone Latino ad Marcellum, XII.6. Vertaling N. van der Blom, ‘Erasmus en Terminus’, Hermeneus 28/8 (1957), 153-158. 9. CIL.IV.1877. Vertalingen in dit artikel zijn van de auteur, tenzij anders vermeld. 10. Ohl (1932, 209). Het gaat dan niet om raadsels zoals ‘Wanneer ik lieg, en toegeef dat ik lieg, lieg ik dan of vertel ik de waarheid?’ (Aulus Gellius 18.2). Hoewel dit volgens Gellius een aenigma is, gold het in de oudheid als een logisch probleem. Er is geen sprake van analogie. 11. Over de interpretatie van het raadsel, zie: Kwapisz en anderen (eds.), The Muse at Play: Riddles and Wordplay in Greek and Latin Poetry (Berlijn, 2012). 12. Raadsels oplossen om iemands hand te winnen is een


bekende gemeenplaats uit de westerse en niet-westerse raadseltraditie. Zie Schiltz (2015), 26. 13. Deze toelichting op de Saturnalische feestmalen komt van Aulus Gellius, een waardevolle bron van informatie over Romeinse raadsels. (‘[…] demulcentes eum paulum atque laxantes iucundis honestisque sermonum inlectationibus’ (Noctes Atticae, XVIII.2)). 14. ‘Annua Saturni dum tempora festa redirent / perpetuo semper nobis sollemnia ludo, / post epulas laetas, post dulcia pocula mensae, / deliras inter vetulas puerosque loquaces.’ (Inleiding). 15. Van de 100 raadsel zijn er ons 99 bekend. 16. A. Juster (vert.), Saint Aldhelm’s Riddles (Toronto 2015). 17. ‘Poeta versificus, metricae artis peritia praeditus’. 18. Disputatio regalis et nobilissimi iuvenis Pippini cum Albino scholastico (Gesprek van de koninklijke en meest adellijke jongen Pippin en de geleerde Alcuin), standaardeditie Daly-Suchier (eds.) (1939). Er bestaat discussie over welke zoon van Karel de Grote bedoeld wordt. 19. ‘Aenigma est, quo ludunt etiam parvuli inter se, quando sibi proponunt quaestiunculas, quas nullus intellegit’. Geciteerd uit: H. Keil (ed.) Grammatici latini (Leipzig 1868), vol. V, 305. 20. ‘Mater me genuit, eadem mox gignitur ex me’. Idem, 311. 21. F. H. Whitman, ‘Medieval Riddling: Factors Underlying Its Development’, Neuphilologische Mitteilungen 71 (1970), 177–85. 22. Deze allegorische mentaliteit had zijn wortels in de Christelijke oudheid. Augustinus schreef bijvoorbeeld: ‘Er is sprake van een allegorie als iets op een bepaalde manier klinkt in taal, maar iets anders betekent in ons begrip. Christus wordt bijvoorbeeld het lam genoemd (Jo. 1.29), maar is Hij vee? Christus is een leeuw (Op. 5.5) maar is Hij een beest? Christus is een rots (1 Cor. 10.4), maar is Hij stug en hard? [...] Dit verschijnsel noemen we een allegorie’. Augustinus, De doctrina christiana 3.5.9. Er bestaat een uitvoerige literatuur over allegorie bij Augustinus, zie L. Poland, ‘Augustine, Allegory, and Conversion’, Literature and Theology 2.1 (1988), 37-48. 23. Fecunda Ratis is beschikbaar in Engelse vertaling met paralleltekst in het Latijn. R. Babcock (vert.), The Well-Laden Ship. Egbert of Liège (Cambridge MA 2013). 24. D. Comparetti, Vergil in the Middle Ages (Prince­ ton 1996). 25. Qui sine commento rimaris scripta Maronis, / Inminus nuclei solo de cortice rodis. 1.923-924. 26. Gratis equo oblato non debes pandere buccas (1.128).

27. Candidum erit, quod cura facit; natura quod, album. / Ex multum alius, de binis dicitur alter. 1.365-366. 28. Grammatici “similis” dicunt “illius et illi: / moribus illius distare et vultibus illi. 1.925-926. 29. Aenigmatographia sive Sylloge Aenigmatum et Griphorum Convivialium ex variis auctoribus collectorum (Frankfurt). Het raadsel schuift hier richting de emblemata, die andere grote raadselvorm, die zijn opkomst kent in de vroegmoderne tijd. Een prent met titel en kort bijschrift illustreerde een morele les. 30. D. Napoletano, Terminus en Erasmus (2014), vrij raadpleegbaar via academia.edu. 31. P. Mesnard (ed.), ‘Dialogus Ciceronianus’, Des. Erasmi Roterodami opera omnia 1.2 (Amsterdam 1971), 654655. T. Tunberg, ‘Observations on the Pronunciation of Latin during the Renaissance’, The Classical Outlook 82.2 (2005) 68-71. 32. Leerlingen in de middeleeuwen en renaissance begonnen al vroeg met Latijn: na de eerste twee jaar “stampen” stelden veel scholen de eis dat leerlingen (en natuurlijk hun docenten) op school alleen maar Latijn praatten. A. Willemsen, Back to the School­yard. The Daily Practice of Medieval and Renaissance Education (Turnhout 2008). D. Sheffler. Schools and Schooling in Late Medieval Germany: Regensburg, 1250-1500 (Leiden 2008). 33. ‘Familiarum colloquiorum formulae […] non tantum ad linguam puerilem expoliendum utlies verum etiam ad vitam instituendam’. 34. J. Huizinga, ‘De schrijver der Colloquia’, De Gids 100 (1936). 35. Huizinga (1936, 39). Latijnse titel: Colloquium abbatis et eruditae. 36. Huizinga (1936, 39). 37. Een deel van deze paragraaf komt uit een interview door John Kuhner en Tycho Maas, in het Engels verschenen als J. Kuhner, ‘Global Latinists. On Latin as an alive and spoken language’, New Criterion 36.6 (2017). Afbeeldingen Fig 1: Foto auteur. Fig 2: Bazel, Kupferstichkabinett, inv. 1662. 158. Fig 3: British Library London, Royal MS 12 C

xxiii (f93r).

Fig 4: Dombibliotheek Keulen, codex 196. Fig 5: Bazel, Kupferstichkabinett, inv. X.2128.

17


De Villa Mills

E e n ve r g e t e n b i z a r l a n d h u i s b ove n o p de ke i z e r l i j ke p a le i z e n va n de Pa l a t i j n . 1 Gerard Olthof

W

ie rond 1855 de Palatijn beklom om de ruïnes van de keizerlijke paleizen te bekijken, zag iets heel anders dan vandaag de dag. Op het zuidoostelijke deel van de heuvel stond een groot, roze geschilderd en architectonisch bijzonder huis in het midden van een uitgestrekte tuin (fig. 1). Het was lang eigendom geweest van de Schot Charles Andrew Mills (1760-1846); reisgidsen uit die periode noemden dit huis en de tuin daarom doorgaans de Villa Mills.2 In die tijd meenden de archeologen dat hier ooit het woonhuis van keizer Augustus (27 v.Chr.-14 n.Chr.) had gestaan; tegenwoordig weten we dat het gaat om het privé-paleis van keizer Domitianus (81-96 n.Chr.), de Domus Augustana. Op een plattegrond uit 1913 zien we de villa driedimensionaal afgebeeld (fig. 2), waaruit meteen valt op te maken dat het gebouw met zijn neo­gotische pronkfaçade een uitzonderlijke verschijning moet zijn geweest op de antieke keizerheuvel. De Villa Mills werd begin vorige eeuw gesloopt om de opgravingen van de antieke keizerpaleizen mogelijk te maken, die we vandaag kunnen bezoeken; slechts een later aangebouwde vleugel is bewaard gebleven, waarin sinds 1936 het Museo Palatino is gehuisvest (fig. 3). Desalniettemin was het bouwwerk in zijn bloeiperiode een beroemde verschijning.

Dit artikel besteedt aandacht aan de geschiedenis van de villa en de opgravingen die er werden verricht. Het sluit aan bij de toegenomen belangstelling voor de Palatijn door de zeer recente openstelling van de Loggia Mattei met haar fraaie fresco’s, die onderdeel was van de villa. Het probeert daarnaast een antwoord te vinden op de vraag wie verantwoordelijk was voor de wel heel bijzondere architectuur en vormt zo een aanvulling op de mooie monografie van de Italiaanse historica Maria Elisa Garcia Barraco.3 1. DE VILLA OP DE PALATIJN DOOR DE EEUWEN HEEN Adellijke families en een Franse geestelijke De Palatijn is de geboorteplaats van Rome. Tijdens de periode van de republiek was het een geliefde woonplaats van rijke senatoren. De keizers uit de 1e en 2e eeuw lieten er hun paleizen bouwen; in de Middeleeu-

18

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

wen was de heuvel grotendeels verlaten. Een zware aardbeving in het jaar 847 verwoestte een groot deel van het keizerlijke complex, waardoor het middelste gedeelte van de heuvel zelfs bijna ontoegankelijk werd. Mogelijk heeft Otto III, koning van Duitsland en keizer van het Heilig Roomse Rijk, rond het jaar 1000 nog geprobeerd er zijn regeringszetel te vestigen.4 In de 16e eeuw nam de belangstelling voor de Palatijn toe en enkele adellijke families verwierven er stukken grond. Verreweg het grootste deel van de heuvel kwam in handen van de familie Farnese. Kardinaal Alessandro Farnese (1520-1589) liet de ruïnes van het paleis van Tiberius bedekken met een laag aarde, legde er schitterende tuinen op aan en bouwde er een buitenverblijf. Ook andere families waren er actief. Zo kwamen de Rancioni in het bezit van een flink deel van de helling tegenover de Circus Maximus en van het zogenaamde Stadion van Domitianus. De families Colonna en Stati verwierven rond


1515 het grondstuk waarop de ruïnes stonden van de Domus Augustana en de Domus Flavia. Beide families bezaten ongeveer de helft van dit grondstuk, waar zij ook opgravingen verrichtten. De familie Stati liet in en op de ruïnes van het paleis van Domitianus een buitenhuis bouwen, waarbij ook een loggia hoorde. Dit buitenhuis en de grond waarop het stond kwamen later bekend te staan als Villa Mills. Paolo Mattei kocht rond 1561 het complex en waarschijnlijk toen ook het grondstuk van de familie Colonna. Het moet in de jaren daarna een aanzienlijk gebouw zijn geweest, want de familie Mattei herbergde er een deel van haar omvangrijke collectie beeldhouwwerken.5 De volgende eigenaar, graaf Spada, die het in 1689 in zijn bezit kreeg, deed er tussen 1720 en 1727 belangrijke vondsten (onder andere diverse gebroken beelden van marmer en brons) en

ontdekte enkele ondergrondse ruimtes. De beelden en andere voorwerpen verdwenen in privécollecties of werden verkocht, zoals dat in die tijd gebruikelijk was. Voor de resten van de keizerlijke gebouwen zelf was lange tijd weinig belangstelling. Von Hülsen en Rast parafraseren wat een niet nader geïdentificeerde Fransman in het midden van de 19e eeuw over de Palatijn schreef: ‘Steeds weer woelden de ploegende boeren stukken marmer in allerlei kleuren en vormen uit de grond op, die ooit de muren van de keizerlijke paleizen gedecoreerd hadden; ze konden er niets mee doen en gooiden ze op een hoop in hun tuinen. De enkele reizigers die de Palatijn met een bezoek vereerden stopten ze in hun zakken en lieten er mozaïeken van maken.’6 In het midden van de 18e eeuw kwam het grondstuk in handen van graaf Pietro Mag-

Fig. 1: Ansichtkaart van de Villa Mills uit ongeveer 1900.

19


Fig. 2: Plattegrond van de Palatijn uit 1913, detail. Links van de Villa Mills staat het bouwdeel waarin sinds 1936 het Museo Palatino is gehuisvest. Het oudste deel van de villa, dat bijna tegen het zogenaamde Stadion van Domitianus stond, is om onduidelijke redenen niet ingetekend.

nani, die het waarschijnlijk in 1776 doorverkocht aan de Franse geestelijke Rancoureil. Deze wilde vooral geld verdienen met opgravingen, die uitgevoerd werden door de architect Giuseppe Barberi (1746-1809). Rancoureil legde een deel van de ruïnes uit de keizertijd bloot en stootte op de eerste verdieping van het keizerlijke paleis, waar hij drie kamers vond. Maar hij vernielde veel ‘and sold even the bricks and stones of the historical sanctuary to a stonecutter in the Campo Vaccino named Vinelli’, zo meldde de bekende archeoloog Rodolfo Lanciani (1845-1929) in 1897 verontwaardigd.7 Nu was er in die tijd bijna niemand voorzichtig en bedachtzaam bij archeologisch onderzoek; archeologie was nog geen wetenschap. Er werden op min of meer willekeurige plaatsen gaten in de grond gegraven op zoek naar beelden en andere waardevolle schatten; er werd weinig of niets schriftelijk vastgelegd. Rancoureil schermde zijn opgravingsterrein angstvallig af voor buitenstaanders. Hij liet het zelfs door een grote hond ’s nachts bewaken. Een medewerker van de architect en graficus Giovanni Piranesi (1720-1778),8 Benedetto Mori, wist deze hond met voer af te leiden en kon vervolgens een platte-

20

grond van de ruïnes maken.9 Ook andere archeologen oordeelden negatief over de werkzaamheden van de Franse geestelijke. Alfonso Bartoli (1874-1957), de leidende archeoloog bij de opgravingen onder de Villa Mills in de jaren twintig van de vorige eeuw, schreef dat die gebeurden zonder wetenschappelijke criteria en zonder technisch inzicht; ze werden beestachtig uitgevoerd en waren te vergelijken met het werk van een boer die koortsachtig zocht naar een schat.10 Rancoureil verkocht het grondstuk drie jaar later en in 1785 kwam het in handen van de familie Brunati, die het waarschijnlijk in 1794 doorverkocht aan de familie Colocci. Toen Charles Andrew Mills (1760-1846) en zijn vriend William Gell (1777-1836) samen in 1818 het grondstuk en het huis kochten van de weduwe van markies Colocci, was het verlaten, verwaarloosd en vervallen, net als overigens de Tuinen van Farnese en de rest van de heuvel.11 Charles Mills en William Gell Charles Mills erfde in 1792 van zijn vader een bedrag van £ 10.000 en enkele suikerplantages in een Engelse kolonie in het Caribische gebied. Over zijn jeugd en opleiding is bijna niets bekend.12 Waarschijnlijk bleef hij ongehuwd en had hij geen kinderen. Van 1809 tot 1817 bekleedde hij een hoge functie bij de douane in Guadeloupe, een oorspronkelijk Franse kolonie die toen Engels bezit was. Om onduidelijke redenen werd hij in 1817 uit zijn functie ontheven, waarna hij naar Rome vertrok. Hij was echter ook vaak in Londen en onderhield uitstekende contacten met prinses Caroline van Brunswijk, de echtgenote van de beoogde Britse troonopvolger, die hem en William Gell later ook opzocht in hun woning op de Palatijn. Toen Caroline door haar echtgenoot – inmiddels koning George IV – van overspel werd beschuldigd en er een scheiding dreigde, vond er in 1820 een proces plaats in het House of Lords in Londen, waarbij Charles Mills en William Gell optraden als getuigen à decharge.


William Gell studeerde in Cambridge en was archeoloog, maar vooral topograaf en tekenaar. Hij publiceerde diverse werken en had een stevige naam opgebouwd.13 In 1807 werd hij lid van de Royal Academy of Arts en toegelaten tot de Society of Dilettanti.14 De archeoloog Antonio Nibby (1792-1839) en de schrijvers Walter Scott (1771-1832), Lord Byron (1778-1824) en Thomas Moore (1779-1852) behoorden tot zijn vriendenkring. Naast een goede vriend, was hij enkele jaren kamerheer en persoonlijk secretaris geweest van prinses Caroline. Zij ondersteunde hem financieel, net als de Society of Dilettanti dat deed. Gell woonde afwisselend in Napels en Rome, waar hij actief deelnam aan het sociale leven. Hij liet de woning op de Palatijn waarschijnlijk in 1821 over aan Charles Mills, wellicht ook met het oog op de forse kosten die de noodzakelijke verbouwing met zich zou gaan meebrengen,15 maar logeerde er als hij in Rome was.16 Charles Mills legde op het noordelijke deel van het grondstuk een rozentuin aan, plantte er sinaasappel- en vijgenbomen en kweekte er druiven (fig. 4). Op het zuidelijke stuk, richting Circus Maximus, werden vooral cipressen geplant, net als langs de lange oprijlaan die vanaf de poort aan de Via di S. Bonaventura naar de woning leidde. Daarnaast verbouwde hij de villa en breidde haar

aan de noord- en vooral westkant uit,17 in en op het paleis van Domitianus, net als de familie Stati 300 jaar eerder had gedaan. Verder bracht hij decoraties aan. William Gell schilderde zijn zitkamer in ‘all the bright staring colours’ die hij kon krijgen, terwijl een kennis in zijn appartement een fries voor hem schilderde met ‘one hundred men, women, horses and chariots.’18 De villa was in de tijd van Charles Mills een plaats waar veel welgestelde Engelsen die in Rome woonden elkaar regelmatig ontmoetten. Ook logeerden er vaak Engelse gasten tijdens hun reis door Italië. Charles Mills en William Gell waren oude vrienden van elkaar, maar er is een aanwijzing dat hun verhouding na verloop van jaren verslechterde.19 Gell overleed in 1836, nadat hij enkele jaren kampte met een zwakke gezondheid. Of Charles Mills uitgebreid opgravingen heeft gedaan is niet duidelijk; wel meldt Lanciani dat Mills op een diepte van anderhalve meter een meer dan twee meter lange zuil vond van giallo antico.20 Mogelijk had die toebehoord aan de zuilenrij die om de nabijgelegen tempel van Apollo stond. Nibby vertelt dat Mills een stuk loden leiding

Fig. 3 (links): Museo Palatino. Fig. 4 (rechts): Luigi Rossini, Particolare della villa Brunati sul Palatino, ca. 1825, pentekening.

21


vond met de naam van Domitianus en dat hij de drie eerder door Rancoureil ontdekte kamers toegankelijk maakte door er een trap te bouwen.21 Einde van de Engelse periode Charles Mills bleef in de villa wonen tot zijn overlijden in 1846. Zijn laatste rustplaats is op het bekende protestantse kerkhof bij de piramide van Cestius. De letters en cijfers op zijn grafsteen, die nauwelijks meer te lezen zijn, vermelden uitsluitend ‘Charles Andrew Mills Esq 1846’. Henry Morton schreef in zijn bekende reisverhaal dat geen van de familieleden bereid was de zorg voor het graf op zich te nemen of daarvoor te betalen.22 De erfgenamen van Charles Mills hebben de villa waarschijnlijk snel verkocht, mogelijk al in 1846. De koper was Robert Smith (1787-1873), militair, ingenieur-architect en kunstschilder. Hij diende van 1815 tot 1819 en van 1822 tot 1832 in Brits-Indië bij de Bengal Engineers en had bij zijn vroege afscheid de rang van kolonel bereikt (fig. 5). Hij was getrouwd met de zeer vermogende Julia Adelaine Vitton de Claude. Over zijn verblijf op de Palatijn is weinig bekend, behalve dat hij een afvoerbuis vond die leidde naar het riool in de vallei tussen Fig. 5: Raja Jivan Ram, Colonel Robert Smith, 1830, olieverf, h 29cm x b 25 cm, British Library, London.

22

Palatijn en Aventijn, en dat hij de keizerlijke gebouwen beschadigde toen hij een weg liet aanleggen tussen zijn huis en de Via dei Cerchi.23 Zeker is dat de tuinen van de villa, net als voorheen, vrijdags opengesteld bleven voor het publiek. Het is waarschijnlijk dat Robert Smith gedurende langere periodes in het buitenland verbleef. De reden voor zijn vertrek uit Rome en de latere verkoop van de villa is niet zeker. Waarschijnlijk hing het samen met de zeer ernstige wijze waarop hij in 1850 zijn vrouw had mishandeld, als gevolg waarvan hij de stad moest verlaten.24 In 1856 werd de Villa Mills betrokken door de nonnen van de Orde van Onze Lieve Vrouwe Visitatie, die er 30.000 scudi voor hadden betaald. Zij moesten tijdens de revolutie van 1848-1849 hun klooster aan de Via dell’Umiltà overhaast verlaten en waren sindsdien tijdelijk ondergebracht in het cisterciënzerklooster van S. Susanna alle Terme. Voor de toeristen betekende deze verhuizing dat de tuinen van de Villa Mills niet langer bezocht konden worden. Omdat bleek dat de villa niet zo geschikt was als klooster, kreeg na ongeveer tien jaar de architect Virginio Vespignani (1808-1882) de opdracht om een nieuw kloostercomplex te ontwerpen. Hij schetste een groot bouwwerk bestaande uit drie vleugels, waarvan de eerste tegenwoordig onderdak biedt aan het museum. De nieuwe gebouwen waren qua oppervlakte het viervoudige van het vroegere huis van Charles Mills.25 De bouw van het nieuwe complex startte in 1868, maar werd in 1870 stilgelegd. Op dat moment was de eerste vleugel gereed en een deel van de tweede.26 Rome, en dus ook de Palatijn, behoorde sinds dat jaar tot het grondgebied van het Italiaanse koninkrijk en men wilde nieuwe opgravingen verrichten naar de keizerlijke bouwresten. De nieuwbouw werd later hervat, maar zou uiteindelijk kleiner worden dan ontworpen in 1868. Ook de inrichting werd gewijzigd, zoals blijkt uit de plattegrond die M. Giammiti in 1895 maakte.27 De nonnen mochten er dus vooralsnog blijven wonen, maar in 1903 liet de regering


weten dat zij definitief moesten vertrekken.28 Professionele archeologen aan het werk Op het grote terrein van de Villa Mills startten in 1906 de opgravingen onder leiding van Alfonso Bartoli (fig. 6). Twee jaar later werden ze stilgelegd, omdat de nieuwe hoofdarcheoloog van het Forum Romanum en de Palatijn, Giacomo Boni (1859-1925), zich eerst wilde richten op de Domus Flavia, gelegen naast de Villa Mills. Na het overlijden van Boni hervatte Bartoli in 1927 echter het archeologisch werk, waarbij de Villa Mills tot de grond toe afgebroken werd. In 1936 rondde Bartoli zijn werk af. Het gehele terrein was gemiddeld drie meter afgegraven tot het niveau uit de tijd van keizer Domitianus, waarbij ongeveer 200.000 m2 zand was afgevoerd. Veel van de door Bartoli en zijn voorgangers (onder wie Pietro Rosa (1810-1891)) op de Palatijn opgegraven voorwerpen werden ondergebracht in een nieuw museum op de Palatijn, het Museo (of ‘Antiquario’) Palatino. Dit vond onderdak in de eerste vleugel die de nonnen vanaf 1868 hadden laten bouwen op de fundering van het keizerlijke paleis. Er vonden vooraf nog een aantal bouwkundige wijzigingen plaats. Zo werd het dak verlaagd en kwam aan de voorzijde een open trap. Het museum werd in 1936 geopend.

Cupido en vier muzen; de tweede met een voorstelling van het huwelijk tussen Hercules en Hebe in aanwezigheid van Jupiter en twee vrouwelijke figuren (zie fig. 7). Ten slotte acht rechthoekige fresco’s met afbeeldingen van Venus, Apollo en zes muzen (zie fig. 8). Enkele jaren later kregen schilders uit de school van Rafaël de opdracht om enkele levensgrote fresco’s met scènes uit de mythe van Venus op de muren te schilderen. In de tijd dat Smith en Gell eigenaar van de villa waren, konden de fresco’s nog bewonderd worden. In de 19e-eeuwse reisgids van L. Maison wordt vermeld dat ‘in een kamer op de benedenverdieping ziet men een mooie portico gemaakt met vier grijze granieten zuilen, met fresco’s van Rafael, voorstellende Venus en de nimfen’.30 In 1825 liet Mills de muurfresco’s met de mythe van Venus in de loggia restaureren door Pietro Camuccini (1761-1833),31 een van

Fig. 6: Opgravingen onder de Villa Mills in 1909 op een foto gemaakt door de Amerikaanse archeologe Esther Boise Van Deman (1862-1937), bewaard in de bibliotheek van de American Academy te Rome.

2.RENAISSANCISTISCHE PLAFOND- EN MUURFRESCO’S De familie Stati had na 1520 een loggia laten bouwen bij hun buitenhuis op de ruïnes van het paleis van Domitianus. Baldassare Peruzzi (1481-1536) – of volgens anderen Giu­ lio Romano (1499-1546) – kreeg rond 1525 de opdracht om fresco’s aan te brengen op het plafond van deze loggia, die tegenwoordig de Loggia Mattei wordt genoemd, naar de latere eigenaar.29 Het waren er maar liefst 22. Allereerst twaalf medaillonfresco’s met de tekens van de dierenriem. Daarnaast twee grote rechthoekige voorstellingen: de eerste met een mythologische scène van Venus,

23


Fig. 7: Baldassare Peruzzi, Het huwelijk tussen Hercules en Hebe, ongeveer 1525, fresco, h 35,2 cm x b 68,3 cm.

de meest bekende restauratoren uit die tijd, die ongeveer 10 jaar daarvoor de Graflegging van Rafaël onder handen had genomen. Of de restauratie een succes was valt te betwijfelen. De Duitse conservator en kunstschilder Johann Passavant (1787-1861), die de schilderingen rond 1835 in situ zag, merkte op dat de fresco’s ‘so stark übermalt sind, dass die ursprüngliche Ausführung nicht mehr beurtheilt werden kann.’32 Passavant vermeldt dat het kopieën betreft van fresco’s die Rafaël juist voor zijn vroege dood schilderde in de verwarmde kamer van kardinaal da Bibbiena (1470-1520) in het Vaticaanse paleis. Deze muurfresco’s in de Loggia Mattei werden rond 1850 toegeschreven aan Rafaël, maar later aan een van zijn leerlingen, Giulio Romano (1499-1546) of Raffaellino del Colle (1490-1566), die daarbij waarschijnlijk kartons van de grote meester als voorbeeld gebruikte, maar de fresco’s veel groter schilderde dan de originelen. Passavant beschreef de kamer waar de schilderingen hingen nauwkeurig en noteerde dat er vijf grote muurfresco’s waren, drie op de achtermuur en twee op de rechter muur.33 Hij merkte op dat op de linker muur geen fresco was aangebracht. Daarnaast zag hij twee kleinere fresco’s boven de deuren: een aan de buitenkant boven

24

de toegangsdeur en twee boven de deuren in de rechter zijmuur. De eerste liet Cupido met een boog zien, de tweede drie slapende nimfen die beslopen worden door een faun. Passavant meldde ten slotte dat in de lunet boven de lege linker muur een fresco was te zien van de ontmanning van Uranus door Saturnus. Een extra fresco? Kuise nonnen en een frivole Venus Deze fresco’s werden in het midden van de 19e eeuw van de muur genomen en overgebracht op canvas. In 1861 kwamen ze in bezit van tsaar Alexander II van Rusland en ze bevinden zich nu in de Hermitage te Sint-Petersburg.34 De collectie die de Hermitage uit de Villa Mills bezit bestaat echter niet uit zeven maar uit acht fresco’s, zes grote en twee kleinere. De Hermitage presenteert dus nog een zesde fresco (zie fig. 9) met een scène uit deze mythe, die door Passavant niet werd genoemd en die dezelfde grootte heeft als de andere vijf.35 Dit fresco laat in het bovenste gedeelte zien hoe Uranus door Saturnus wordt ontmand; aan de onderkant is een vreedzaam rivierlandschap weergegeven. Eerder in zijn boek beschrijft Passavant de originele fresco’s van Rafaël in de kamer


van kardinaal da Bibbiena in het Vaticaanse paleis. Hierbij noemt hij ook De Geboorte van Venus. Dit fresco laat volgens hem aan de bovenzijde de scène van de ontmanning zien, terwijl aan de onderkant de geboorte van Venus uit zeeschuim is afgebeeld. Hij is er behoorlijk van onder de indruk: ‘In de afbeelding van Venus heeft Rafael geprobeerd alle charmes van de vormen van een jong vrouwelijk lichaam te laten zien en haar onbevangen afgebeeld, zoals past bij een nog onschuldige jeugdigheid’.36 In haar studie over de Villa Mills heeft Maria Elisa Garcia Barraco alle fresco’s van de Hermitage uit de Villa Mills afgebeeld.37 Het grote fresco met de scène van de ontmanning van Uranus en het rivierlandschap noemt zij echter De Geboorte van Venus en zij vermeldt dat het hier een gedeeltelijk omgewerkt fresco betreft.38 De vraag is wat er precies is gebeurd. Logisch zou zijn dat in de Villa Mills ook het fresco met de geboorte van Venus zou zijn geschilderd. De linkerwand komt, gelet op de chronologie van de mythe, daarvoor het meest in aanmerking. Het feit dat de scène met de ontmanning juist boven dit lege veld was aangebracht, wijst ook in die richting. Dat Passavant hier een lege wand aantrof, kan erop duiden dat het frescodeel met de geboortescène eerder is verwijderd, terwijl het deel met de ontmanning wellicht is verplaatst naar de lunet.

plaatst in de Loggia Mattei, waar ze sinds kort weer bewonderd kunnen worden. 3. NEOGOTISCHE FACELIFT EN BIZARRE DETAILS: CHARLES MILLS OF ROBERT SMITH? Het is de vraag wie in de 19e eeuw de Villa Mills haar extravagante uiterlijk heeft gegeven. Bijna altijd wordt beschuldigend gewezen naar Charles Mills. De econoom en filosoof John Stuart Mill noemde eind januari 1855 in een brief aan zijn echtgenote de villa ‘one of the most gimrack erections possible’.42 Baron John Cam Hobhouse Broughton, die uitgebreid verslag deed van zijn reizen door Italië, merkte op dat het gebouw ‘with its Chinese monsters and its Dutch garden and high clipped hedgerows (…) has entirely disfigured this portion of the Palatine’.43

Fig. 8: Baldassare Peruzzi, Urania, muze van de astronomie, ongeveer 1525, fresco, h 89,2 cm x b 52,5 cm.

De verkoop van de muurfresco’s heeft alles te maken met het hierboven beschreven vertrek van Smith. De grootste kamer van de villa, met de daarin opgenomen loggia, werd door de nonnen ingericht als eetzaal; de fresco’s werden verwijderd, want de nonnen vonden de frivole afbeeldingen van de mythe van Venus niet gepast.39 Wellicht heeft Robert Smith bij de voorbereidingen van de verkoop een rol gespeeld.40 De 22 plafondfresco’s van Peruzzi werden in het midden van de 19e eeuw verkocht aan een particulier en net na de Tweede Wereldoorlog aangekocht door het Metropolitan Museum of Art in New York.41 Sinds 1989 zijn ze uitgeleend aan de Italiaanse staat en terugge-

25


kort artikel aan Charles Mills wijdde, vatte de mening van de archeologen over de Villa Mills te midden van de oude keizerlijke ruïnes samen met de woorden ‘de archeologen hebben, met enkele uitzonderingen, altijd rond het gebouw van Mattei-Mills rondgelopen als de duivel en heilig water’.48 Maar niet alleen wetenschappers waren afwijzend. De in de 19e eeuw zeer bekende reisgids van Murray vermeldde in 1853: ‘the house is an exaggerated specimen of the grotesque – half Chinese, half Gothic – and offers a singularly ridiculous contrast with the class of scenery and ruins by which it is surrounded’.49 Ook latere reisgidsen wezen verwijtend naar Mills. Zo schreef de bekende gids van Michelin dat Mills de villa die de familie Mattei had laten bouwen veranderde in een ‘soort romantisch kasteel’ en noemde het ‘dit extravagante bouwwerk’.50 De Nederlandse beeldhouwer en schilder Huib Luns (1881-1942), die in de jaren dertig van de vorige eeuw twee boeken publiceerde met beschrijvingen van wandeltochten in Rome,51 was misschien nog wel het minst negatief. Hij liet weten dat Charles Mills een villa bouwde ‘in raar-gotischen stijl’.52

Fig. 9: School van Rafaël, Venus en Adonis, ongeveer 1527, fresco overgebracht op canvas, h 262 cm x b 140 cm, Hermitage, Sint-Petersburg. Image is used from www.hermitagemusum.org, courtesy of The State Hermitage Museum, St. Petersburg, Russia.

26

Ook archeologen lieten zich negatief uit. Bartoli schreef dat Charles Mills een slechte smaak had,44 en Lanciani mopperde dat Mills ‘caused the Casino (…) to be reconstructed in the Tudor style with Gothic battlements and raised two Chinese pagoda’s, painted in crimson, over the exquisite bathrooms used by the founder of the Empire.’45 Pietro Romanelli (1889-1981), die net als Bartoli en Lanciani archeologisch onderzoek deed op de Palatijn, karakteriseerde het gebouw dat Charles Mills had neergezet als ‘een monument van storende uitbundigheid op de meest klassieke plek van het antieke Rome’.46 Zijn collega Giuseppe Lugli (1890-1967) liet zich in vergelijkbare woorden uit.47 Livio Jannattoni, die een

Vroegere reisgidsen en tijdgenoten aan het woord Het oordeel over Mills is scherp, maar het is opvallend dat deze en andere afwijzende uitspraken werden gedaan op het moment dat Charles Mills al was overleden en soms zelfs nadat Robert Smith, de volgende eigenaar, het huis had verkocht. Tijdgenoten die de Villa Mills bezochten in de periode dat Mills er woonde, van 1818 tot 1846, zijn neutraal, positief of zelfs lyrisch. De bekende schrijfster van reisverhalen Mariana Starke (1762-1838) sprak neutraal over een ‘modern edifice’.53 De Franse schrijver Stendhal bezocht de villa aan het eind van de jaren twintig van de 19e eeuw. Hij wijdt in zijn bekende Promenades dans Rome niet uit over de villa’s van Rome, maar presenteert wel een lijst van meer dan 15 villa’s ‘waar we het meeste plezier aan hebben beleefd’.54 Amoia


en Bruschini merken op dat op deze lijst de Villa Mills helemaal bovenaan prijkt.55 Als de Villa Mills een bijzonder uiterlijk had, zou Stendhal dit hebben vermeld, want op zijn lijstje stond ook de Villa Giraud, waarvan hij de architectuur kenschetste als ‘bizarre’.56. Wie het uiterlijk van deze villa vergelijkt met die van de latere Villa Mills ziet treffende overeenkomsten, zodat het voor de hand ligt dat, indien de Villa Mills er ook bijzonder uitzag, de altijd kritische Stendhal er zeker een opmerking over zou hebben gemaakt.57 Hetzelfde valt op in de reisgids van Giuseppe Romano uit 1836.58 Marguerite Blessington (1789-1849) schreef in mei 1828 dat ze een aantal uren heeft doorgebracht in ‘the beautiful Villa Palatina’, waar ze haar gastheer aantrof ‘seated in a paradise of his own creation, based on the ruins of the palace of the Caesars’.59 Richard Temple-Nugent (1797-1861), de latere hertog van Buckingham, noteerde op 14 november 1828 in zijn dagboek: ‘The house is pleasantly fitted up, and commands a beautiful prospect.’60 Harriet Leveson-Gower (1785-1862), gravin Granville, was blijkbaar zo enthousiast dat ze veel moeite deed om Charles Mills te bewegen het aan haar te verhuren. Charles Mills weigerde, hoewel hij jaren eerder wel op een verzoek van anderen was ingegaan.61 Bijzonder is de uitgebreide beschrijving van George Head (1792-1855), die tussen 1838 en 1842 drie keer een langere periode in Rome verbleef. Hij hoorde er dat Charles Mills voortdurend afwezig was in verband met de malaria die op de Palatijn zou heersen. Aan het woonhuis van Mills, dat hij klein vond, is hem blijkbaar niets opgevallen,62 behalve de portico die in de 16e eeuw werd gebouwd. Ook anderen die de Villa Mills in deze periode bezochten, spraken in hun verslag alleen in algemene termen over de woning, of noemden die helemaal niet en beperkten zich tot een beschrijving van de tuinen en het uitzicht.63

van 1853 en 1858 zo scherp was in het oordeel, sloeg in de eerste editie uit 1843 nog een heel andere toon aan. Over de architectuur van de woning van Mills kwam de lezer niets te weten, maar de gids schreef wel dat ‘Mr. Mills has given the whole villa an air of comfort in a striking manner with the ruins of the Imperial palace.’64 De reisgids van M. Valery gebruikte soortgelijke bewoordingen: ‘een charmante woning (...) nu bewoond door een Engelsman, de heer Charles Mills, die er als gastheer optreedt met oneindige beleefdheid’.65 Een alternatieve theorie Garcia Barraco meent dat Robert Smith verantwoordelijk is voor de aparte architectuur van de Villa Mills. Volgens haar vond Smith hier de ruimte die geschikt was voor zijn gedurfde bouwkundige project: ‘gotische onderdelen in combinatieren met Indiase en oosterse. De resultaten waren nog meer bizar, de villa werd verrijkt met pinakels en torens, maar met ook pagodes, en bungalowsoverstekende woongedeeltes en hangende terrassenbalkons’.66 Elders in haar studie betoogt ze echter dat niet met

Fig. 10: Jean-Louis Tirpenne, Veduta di villa detta Vigna Palatina, ongeveer 1830, litho, h 18,1 cm x b 24,5 cm, Istituto Nazionale di Archeologia e Storia dell’Arte, Rome.

Ook reisgidsen uit deze periode waren positief. De gids van Murray die in de editie

27


Fig. 11: Giovanni Dosio, Roma, 1561, Bibliothèque nationale de France, Parijs. Zie voor een ander voorbeeld de kaart van de Engelse topograaf John Senex (1678-1740). Fig. 12: Giambattista Nolli, Nuova pianta di Roma, 1748, detail. De universiteit van Oregon in de VS heeft bij deze kaart de zgn. ‘Nolli Map Engine’ gemaakt. Hiermee kan de kaart tot in de kleinste details worden bekeken en via de button ‘Satellite Image’ kan bovendien een luchtfoto van Rome vloeiend over de kaart worden geprojecteerd. Zie: www. bopen.it/nolli_imgs/nollimap.html

28

zekerheid bekend is wanneer de villa precies het neogotische uiterlijk kreeg en wat precies de onderdelen zijn die door Charles Mills, respectievelijk Robert Smith zijn toegevoegd.67 Diane James biedt meer duidelijkheid in een artikel over Redcliffe Towers, een kasteel aan de kust in de Engelse stad Paignton, gebouwd rond 1855.68 De architect was Robert Smith, de toenmalige eigenaar van de Villa Mills. Zij wijst erop dat Smith rond 1820 in India zijn bungalow op bijzondere wijze verbouwde. Later bouwde hij in de stad Nice nog een groot kasteel (Château de l’Anglais). Hij financierde dit alles door verkoop van een grondstuk in Engeland en uit de grote erfenis die zijn overleden vrouw hem naliet. James merkt op dat deze gebouwen treffende gelijkenissen vertonen met de Villa Mills zoals wij die kennen uit beschrijvingen en foto’s. De beschrijving die zij geeft van de vormgeving van de gebouwen in India, Engeland en Frankrijk (met termen als ‘eccentric’, ‘fusion of styles’, ‘octagonal corner towers’, ‘arcaded gothic loggia’, ‘petal-shaped battlements and union domes’, ‘fused Indian, Italian and Gothic motifs’) doet inderdaad sterk denken aan de beschrijvingen die we kennen van de Villa Mills. Diverse afbeeldingen in haar artikel

bevestigen de overeenkomsten. Haar conclusie luidt dat het Robert Smith was die de villa op de Palatijn zo ingrijpend heeft aangepast. Dat de bezoekers van de Villa Mills, in de tijd dat Charles Mills eigenaar was, nergens melding maken van een bijzondere architectuur, beschouwt zij daarbij als aanvullend bewijs.69 James meent dat Henry Morton zich vergiste, toen hij schreef dat door toedoen van Charles Mills ‘the Villa Spada emerged as the Villa Mills, complete with pinnacles, battlements, casements and cloisters.’70 In reisgidsen en reisverslagen zijn enkele expliciete aanwijzingen te vinden voor de stelling dat inderdaad Robert Smith verantwoordelijk was voor de bijzondere architectuur van de villa. De Amerikaanse schrijfster Caroline Kirkland (1801-1864) bezocht de villa in de zomer van 1848, dus kort nadat Robert Smith deze had gekocht. Ze constateerde dat de tuinen verwaarloosd waren, maar dat het uitzicht prachtig was. Het huis vond ze maar ‘a common looking pasteboard affair (…) under the hands of carpenters.’71 Wellicht was zij hier getuige van de verbouwing in opdracht van Robert Smith. Een andere aanwijzing vinden we in een Franse reisgids, waarin we lezen dat ‘de Villa Palatina, onlangs bij buitenlanders nog be-


ter bekend onder de naam Villa Mills, is na de dood van de eigenaar misvormd door de recente bouw van een soort Indiase pagode, en nu een klooster geworden van de nonnen van de Visitatie.’72 Wat vertellen afbeeldingen en plattegronden ons? Naast de contemporaine schriftelijke bronnen over de Villa Mills bestaat er een mooie tekening van de hand van de Franse kunstenaar en lithograaf Jean Louis Tirpenne (1801-1878), die ons het huis laat zien vanaf de zuidzijde (fig. 10). De tekening is waarschijnlijk gemaakt in 1830 of 1831, dus redelijkerwijs ruimschoots nadat Charles Mills zijn verbouwing had afgerond. We zien een lieflijk gebouw, bestaande uit enkele vleugels, maar geen spoor van neogotische elementen en bijzondere decoraties, laat staan bizarre architectuur. De latere Villa Mills werd al vroeg op plattegronden van de stad afgebeeld, bijvoorbeeld op de plattegrond van de Italiaanse architect Giovanni Dosio (1533-1611) uit 1561 (fig. 11). Een bekende en zeer nauwkeurige kaart van Rome, waarop zelfs de kleinste details te zien zijn, werd gemaakt door Giambattista Nolli (1701-1756) in 1748. Hierop staat prominent een ‘Villa Spada’ afgebeeld;

er zijn duidelijk twee bouwdelen te zien (fig.12). Deze plattegrond lijkt veel op een exemplaar dat toebehoorde aan Rodolfo Lanciani en gedateerd wordt tussen 1750 en 1850.73 Omdat op deze laatste plattegrond alleen enkele opgravingen in het noordelijke deel van de Domus Flavia te zien zijn, lijkt het waarschijnlijk dat de kaart komt uit ongeveer 1800. Ook deze plattegrond laat de villa nog in twee bouwgedeeltes zien. Pas op veel jongere plattegronden zien we dat de beide delen van het huis compleet met elkaar zijn verbonden. Op de plattegrond die Vespignani rond 1865 maakte, ten behoeve van de nieuwbouw van het klooster, is te zien welk deel de oorspronkelijke villa was, wat later werd aangebouwd en welk deel als nieuwbouw was bedoeld.74 Deze laatste afbeelding lijkt ook veel op de plattegrond die is opgenomen in de eerste Rome-gids van de Touring Club Italiano uit 1925, waarop zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde twee keer een halfronde uitbouw te zien is (fig. 13). Kleurenafbeeldingen van de villa zijn nauwelijks te vinden. Edward Theodore Compton (1849-1921) lijkt een stuk van de villa min of meer toevallig afgebeeld te hebben in zijn schilderij van de ruïnes van de keizerlijke paleizen (zie fig. 14). Tot besluit Charles Mills kocht in 1818 de villa die vanaf

Fig. 13: Plattegrond van de Palatijn in de Touring Club Italiano-gids uit 1925, detail.

29


Fig. 14: Edward Compton, Kaiserpalast am Palatin in Rom, ongeveer 1873, olieverf, h 32 cm x b 43,2 cm, Dorotheum, Wenen.

de 16e eeuw bovenop de ruïnes van het keizerlijke paleis op de Palatijn stond. Hij verbouwde de villa en liet de aanwezige 16e-eeuwse fresco’s restaureren. Zijn huis, dat hij aanpaste aan zijn eigen smaak, was een trefpunt voor Engelsen die tijdelijk in Rome woonden. Robert Smith, die het huis na de dood van Mills kocht, is verantwoordelijk voor de bizarre architectuur van de villa, zoals we die kennen van oude foto’s; contemporaine bronnen tonen dat duidelijk aan. Het verwijt dat archeologen en reisgidsen Charles Mills hierover maakten is onterecht. Vanaf de 16e eeuw werden er opgravingen in en rond de villa gedaan. Om het keizerlijke paleis bloot te kunnen leggen werd de villa in de jaren dertig van de vorige eeuw volledig afgebroken. Toen de archeologen in 1906 startten met de sloop van de Villa Mills om het er onder gelegen keizerlijke paleis bloot te

30

leggen, beschreef de kunsthistoricus Arturo Jahn-Rusconi het huis dat ooit aan Charles Mills had behoord als volgt: ‘Troosteloos en verlaten, door zijn vensters zonder ramen – stille ogen zonder pupillen –, door zijn bouwvallige torens, door zijn neergestorte balkons, door zijn muren die afbladderen en dreigen in te storten, lijkt het nu een huis van geheimen en angst, een spookhuis.’75 Ook dat is nu verleden tijd. Alleen de Loggia Mattei, die in de villa was opgenomen, overleefde de opgravingen. Een deel van de schitterende fresco’s, die in de 19e eeuw werden verkocht, is hier gelukkig inmiddels weer in situ te zien – zo is er toch nog iets van dit bijzondere wooncomplex op de Palatijn te bewonderen.


1. Met dank aan Joep Rietveld en Rudy Schipperen voor het

16. Volgens sommige auteurs vond de verkoop pas in 1834

becommentariëren van dit artikel, en aan de Herzogin Anna

of 1835 plaats. Zie bijvoorbeeld W. Wroth in Dictionary of

Amalia Bibliothek te Weimar, de British Library te Londen

National Biography XXI (London 1890) 115-117. De auteur

en de Hermitage in Sint-Petersburg voor het zonder kosten

schrijft dat Gell van 1820 tot zijn dood in Italië woonde en

ter beschikking stellen van materiaal.

voegt eraan toe: ‘He had a small house with a pleasant gar-

2. Andere gebruikte namen waren Villa Stati, Villa Mattei,

den in Rome.’

Villa Stati-Mattei, Villa Spada, Villa Palatina, Villa Mills-

17. Zie A. Nibby, Roma nell’Anno MDCCCXXXVIII II

Smith, Casino Palatino, Casino Mills en Casino Spada-Mills.

(Roma 1839) 467.

3. M.E. Garcia Barraco. Villa Mills sul Palatino e la Domus

18. Brief van William Gell aan de gravin van Blessington, d.d.

Augustana (Roma 2014).

4. D. Bruno, Region X. Palatium, in: A. Carandini en P. Ca-

rafa, The Atlas of Ancient Rome, Vol. I, (Princeton/Oxford

2017) 265, noot 4. Zie echter ook: R. Hunsucker, Dromen

van Otto III. Over een mid-deleeuws keizerpaleis op de Pala-

6 juni 1828, in: R.R. Madden (ed.), Literary life and correspondence of the Countess of Blessington II (London 1855) 56.

19. H.V. Morton, A Traveller in Rome (Cambridge, Mass. 1984, oorspr. 1957) 420, met een korte biogra-fische schets van Charles Mills in een appendix. Morton schrijft dat Hen-

tijn dat nooit bestaan heeft, in: Roma Aeterna, jg. 6 (2018),

ry Fox in mei 1830 ‘… found Mills and Gell a couple of que-

afl. 1&2, 76-85.

rulous old bachelors whose friendship had evidently become

5. P. Hoffmann, Le ville di Roma e dei dintorni (Roma 2017)

threadbare’ en citeert daarbij Fox:‘… both snapped at each

69.

other, but Mills was quite the aggressor. They evidently have

6. ‘Immer wieder wühlten die ackernden Landleute aus

a strong dislike for the other under the pretence of great re-

dem Boden Marmorstücke jeder Art und Farbe, die einst

gard.’

die Wände der Kaiserpfalzen bekleidet hatten; sie wussten

20. Lanciani (1897) 141.

mit ihnen nichts anzufangen und warfen sie zu Haufen in

21. Nibby II (1839) 419-420.

ihren Gärten. Die wenigen Reisenden, die den Palatin eines

22. Morton (1957) 247.

Besuches würdigten, füllten sich damit die Taschen und lies-

23. Lanciani (1897) 141.

sen daraus Mosaiktafeln fertigen.’ H. von Hülsen en J. Rast,

24. Het incident en de nasleep ervan worden uitgebreid uit

Rom. Führer durch die ewige Stadt (Darmstadt 1960) 75.

de doeken gedaan door John Cass, de zaakgelas-tigde van de

7. R.A. Lanciani, The Ruins and Excavations of Ancient

Verenigde Staten bij de Heilige Stoel, in een brief aan zijn

Rome (New York 1967, oorspr. 1897) 141.

Minister van Buitenlandse zaken. Zie G.W. Wybbe, ‘The

8. Volgens sommige auteurs betreft het Francesco Piranesi

United States and the Papal States’, The Foreign Service

(1757-1810), de zoon van Giovanni.

Journal 44 (1967) 28-31 en 47-50, waarin de desbetreffende

9. Lanciani (1897) 141.

brief van Cass integraal is opgenomen.

10. A. Bartoli, ‘La Villa Mills sul Palatino’, Rassegna Contem-

25.

poranea 1 (1908) 89-102, aldaar 99.

11. Dit blijkt bijvoorbeeld uit J.Ch. Eustace, A Classical Tour

Through Italy I (London 1851, oorspr. 1813) 226-227 en Ch.A.

Zie

https://exhibits.stanford.edu/lanciani/catalog/

cd015rt5851 voor een plattegrond van de begane grond van het complex en https://exhibits.stanford.edu/lanciani/catalog/dj500vs3593 voor een plattegrond van de verdieping.

Eaton, Rome in the nineteenth century I (Edinburgh 1820)

26. I. Iacopi, en G. Tedone, ‘Palatino: Domus Flavia, Domus

226.

Augustana, Stadio Domiziano, Antiquario Palatino’, in: A.

12. Zie https://www.ucl.ac.uk/lbs/person/view/ 26099.

Conticello (ed.), Condotte nei restauri (Roma 1992) 153-176,

13. Onder andere over Troje en Pompeï, zoals The Topo-

graphy of Troy and its vicinity illustrated and explained by drawings and descriptions etc. (London 1804) en Pompeiana.

aldaar 173. 27. Ib. 28. In 1905 verhuisden de nonnen naar de Villa Odescalchi

The Topography of Edifices and Ornaments of Pompeii (Lon-

en vervolgens, vanwege ruimtegebrek, in de jaren veertig

don 1817-1818).

naar een nieuw gebouwd klooster aan de Via Galla Placidia.

14. Dit genootschap werd opgericht in de eerste helft van de

29. In de Loggia Mattei bevinden zich ook fresco’s uit de

18e eeuw door rijke, adellijke heren die de Grand Tour naar

nabijgelegen Aula Isiaca (“Zaal van Isis”). Deze zijn aan het

Italië hadden gemaakt. Het genootschap, dat zestig leden

eind van de 1e eeuw n.Chr. gemaakt en werden in het begin

telt, bestaat nog steeds en bevordert de studie van de Griekse

van de 20e eeuw hiernaartoe over-gebracht.

en Romeinse klassieke wereld.

30. ‘dans une chambre du rez-de-chaussée de la maison, on

15. Garcia Barraco (2014) 80.

voit un joli portique formé par quatre colonnes de granit

31


gris, avec des fresques de Raphaël qui représentent des Vénus et

I (Roma 1929) 286. Voor dit artikel is de Engelse editie van het

des Nymphes.’ L. Maison, Rome vue en huit jours (Paris 1846)

boek gebruikt.

33. Zie voor vergelijkbare beschrijvingen: G.M. Roma-no, Guida Metodica di Roma e suoi Contorni (Roma 1836) 614 en L. Piale

ne Mattei-Mills, salvo poche eccezioni, come il diavolo e l’acqua

et al., Hand-Book or New Guide of Rome and the Environs accor-

santa’ Jannattoni (1987) 318-319.

31. Sommige historici menen dat deze restauratie gebeurde door

Rome and its Environs (London 1853) 241. Het betreft hier de

diens broer Vincenzo (1771-1844).

derde editie. In de vijfde editie van dit boek zijn de woorden

32. ‘so stark übermalt sind, dass die ursprüngliche Ausführung

an exaggerated spe-cimen of the grotesque weggelaten en is het

nicht mehr beurtheilt werden kann.’ J.D. Passavant, Rafael von

woord ridiculous vervangen door disagreeable; zie: J. Murray, A

ding to Vasi and Nibby (Rome 1854) 123.

49. J. Murray, A Handbook for Travellers in Central Italy II:

Urbino und sein Vater Giovanni Santi I (Leipzig 1839) 284.

Handbook of Rome and its Environs (London 1858) 801.

tekening van Angelo Uggeri (1754-1837), die is opgenomen in S.

ook G. Masson, Stergids Rome (Den Haag 1993) 94; M. Erasmo,

33. Ib. 285. De beschrijving van Passavant komt overeen met de Ferrari, ‘Diplomazia, collezionismo e arte nella Roma del secondo Settecen-to: il contributo dell’agente imperiale Giovanni Francesco Brunati’, Atti della Accademica Roveretana degli Agiati

50. Rome (De Groene Gids van Michelin) (z.p., z.j.) 173-174. Zie Strolling through Rome. The definitive walking guide to the eternal city (London/New York 2015) 139.

51. H.H. Luns, Eerste tien wandelingen in Rome (Rotterdam

257 (2007) 107-147, aldaar 127.

1930) en Tweede tien wandelingen in Rome (Rotterdam 1931).

34. Zie https://www.hermitagemuseum.org/wps/portal/hermi-

52. Luns (1931) 13.

tage/digital-collection/01.+paintings/. Het be-treft de nummers

53. M. Starke, Travellers on the continent and likewise in the

29859, 29860, 29869, 29870 en 29871 (grote fresco’s) en 29873 en 29874 (kleine fres-co’s).

Island of Sicily (London 1833) 151. Zie ook J. Donovan, Rome Ancient and Modern and its Environs IV (Rome 1846) 276.

35. Zie vorige noot; het betreft nummer 29875.

54. Vertaling redactie. Stendhal, Promemades dans Rome,

36. ‘In der Figur der Venus hat Rafael alle Reize der Zeichnung

Deuxième série (Paris 1866) 280. Zie over de totale lijst van

eines jugendlichen weiblichen Körpers zu entfalten versucht und

de volgens Stendhal belangrijkste bezienswaardigheden het

dem Ausdruck und der Stellung eine Unbefangenheit gegeben,

instructieve artikel van R. Haassen, ‘Rome in tien dagen. Een

die eine noch un-schuldige Jugend vortrefflich bezeichnet’ Pas-

afsluitende emmerlijst van Stendhal’, Roma Aeterna 6 (2018)

savant (1839) 279.

150-163.

37. Garcia Barraco (2014) 107-108.

55. A. Amoia en E. Bruschini, Stendhal’s Rome: Then and Now

38. Ib. 108. De Hermitage noemt het werk Landschap met Ouranos en Saturnus in de Wolken. 39. Ib. 34.

(Roma 1997) 67. 56. Stendhal (1866) 280. 57. De Villa Giraud is tegenwoordig bekend onder de naam

40. Ib., onder verwijzing naar L. Jannattoni, ‘Uno scozzese sul

Palatino. La Villa neogotica di Charles Andrew Mills’, Strenna

Villa Ruspoli-Giraud. Het gebouw ligt aan de Via di Porta San Pancrazio en huisvest de Spaanse ambassade. Ook anderen die

dei Romanisti (1987) parte 1, 303-326, aldaar 317.

in Rome verbleven maken wél een bijzondere opmerking over

41.

de architectuur van de Villa Giraud, maar niet over die van de

Zie

https://www/metmuseum.org/art/collection/se-

arch/437274.

Villa Mills. Zo noemde George Head (1782-1855) de Villa Gi-

42. F. Mineka en D.L. Lindley (eds.), The Later Letters of John

raud ‘remarkable for the eccentric style of the architecture’

Stuart Mill 1849-1873 (Toronto 1972) 307.

en schreef hij de over Villa Mills dat ‘the mansion (…) is only

visits from the year 1816 to 1854 II (London 1859) 105. Het bezoek

Tour of Many Days III (London 1849) 168 en Ib. II 69-70.

43. J. Cam Hobhouse Broughton, Italy: Remarks made in several

remarkable on account of its portico’. Zie: G. Head, Rome. A

aan de Villa Mills vond plaats in 1854. Zie voor een vergelijkbaar

58. G.M. Romano, Guida Metodica di Roma e suoi Contori-

oor-deel: Ch. Hülsen, Forum und Palatin (München 1926) 79 en

G. Virtue, ‘The Emperor on the Palatine’, in The Art Journal 25

ni (Roma 1936). Over de Villa Mills schreef de gids dat op het hoogste punt van de Palatijn ‘è questa villetta assai grandiosa

(1863) 202-205, aldaar 203.

per la sue positione e nel tempo stesso singolare per esser col-

44. Bartoli (1908) 100.

locata sopra la parte più nobile del palazzo imperiale’ (614),

45. R.A. Lanciani, New Tales of Old Rome (Boston 1901) 325-326.

terwijl de lezer over de Villa Giraud vernam dat ‘questa villa il

46. Vertaling redactie. P. Romanelli, Der Palatin (Roma 1982) 13. Voor dit artikel is de Duitse editie van het boek gebruikt. 47. G. Lugli, The Classical Monuments of Rome and its Vicinity

32

48. ‘Gli archeologi hanno girato sempre attorno alla costruzio-

di cui migliore ornamento è il casino di bizzarra for-ma’ (616). 59. M. Blessington, The Idler in Italy III (London 1840) 1-2.

60. The private diary of Richard, Duke of Buckingham and


Chandos, K.G. II ( London 1862) 17. Zie ook G.S. Hillard, Six Months in Italy I (Boston 1853) 300.

61. F. Leveson-Gower (ed.), Letters of Harriet, Countess Granville, 1810-1845 II (London 1894) 339-340.

Afbeeldingen: Fig. 1: afbeelding in publiek domein. Bron: https://commons. wikimedia.org/w/index.php?search=Villa+Mills&title=Special%3ASearch&go=Go#/media/File:Postcard_of_Villa_Mills_

62. G. Head, Rome. A Tour of Many Days II (London 1849) 69-

(ca._1900).jpg

70. Zie ook noot 11.

Fig. 2: deze plattegrond hoort bij: A.D. Tani, The Index Guide

63. Zie bijvoorbeeld J. Whiteside, Italy in the Nineteenth Centu-

ry. Contrasted with Its Past Condition II (London 1848) 228 en C. Taylor, Letters from Italy to a Younger Sister (London 1840) 230.

to Rome. A Roman Encyclopaedia of Topographical, Historical and Artistic Information for the use of Travellers, Rome 1913. Fig. 3: foto auteur.

Catherine Taylor bezocht de Villa Mills in januari 1835.

Fig. 4: S. Ferrari, ‘Diplomazia, collezionismo e arte nella Roma

64. J. Murray, Handbook for Travellers in Central Italy, including

del secondo Settecento: il contributo dell’agente imperiale Gio-

the Papal States, Rome, and the Cities of Etruria (London 1843) 473. 65. Vertaling redactie. M. Valery, Voyages Historique et Littéraires en Italie, pendant les années 1826,1827 et 1828 ou l’indicateur Italien IV (Paris 1833) 59. Zie ook voor soortgelijke reacties: W.A.

Becker, Handbuch der Römischen Alterthümer nach den Quellen bearbeitet I (Leipzig 1843) 416, noot 34; A. Ritter von Tscha-bus-

chnigg, Buch der Reisen. Bilder und Studien aus Italien, der Schweiz und Deutschland (Wien 1842) 210; F.F. Fleck, Wissenschaft-

liche Reise durch das südliche Deutschland, Italien, Sicilien und

vanni Francesco Brunati’, Atti della Accademica Roveretana degli Agiati 257 (2007) 107-147, aldaar 127.

Fig. 5: https://imagesonline.bl.uk/?service=asset& action=show_zoom_window_popup&language=en&asset=143708&location=grid&asset_list= 3929,168034,168035,168002,168010,166005,15439 5,153705,7864,143708,143736,24147,35688,29250,24 785,24669,14281,15100&basket_item_id=undefined Fig. 6: afbeelding in publiek domein: Bron: https://commons. wikimedia.org/wiki/File:Palatine_(Rome,_Italy),_Villa_

Frank-reich I.1 (Leipzig 1937) 186; Maison (1846) 33.

Mills_on_top_of_the_Domus_Augustana_(2).jpg

66. ‘accostare l’elemento gotico a quello indiano ed orientale. I

Fig. 7: foto auteur.

resultati furono ancora più bizzarri, la villa si arricchì di pinnacoli

Fig. 8: foto auteur.

e torri, ma anche di pagode, bungalow e terrazzini sospesi’ Garcia

Fig. 9: zie: www.hermitagemuseum.org/wps/portal/hermita-

Barraco (2014) 34.

ge/digital-collection/01.+paintings/29860

67. Ib. 84, noot 64.

Fig. 10: zie: https://purl.stanford.edu/sj959wm0671. De teke-

68. D. James, ‘A fairy palace in Devon. Redcliffe Towers, built

ning behoort tot de collectie van Rodolfo Lanciani, die is on-

by Colonel Robert Smith (1787-1873), Ben-gal Engineers’, in: M.

dergebracht in het Istituto Nazionale di Archeologia e Storia

Finn en K. Smith (eds.), The East India Company at Home, 1757-

dell’Arte te Rome, en is digitaal beschikbaar bij de University

1857 (London 2018) 277-292. 69. Ib. 287.

70. Ib. Zie ook Morton (1957) 419.

of Stanford in de VS. Fig. 11: afbeelding in publiek domein. Bron: https://gallica.bnf. fr/ark:/12148/btv1b53043057p.r=dosio?rk=42918;4.

71. C.M. Kirkland, Holidays abroad; or Europe from the West II

Fig. 12: afbeelding in publiek domein. Bron:

(New York 1849) 17.

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Giovanni_Bat-

72. ‘la Villa Palatina, mieux connue naguère des étrangers sous le

tista_Nolli-Nuova_Pianta_di_Roma_(1748)_08-12.JPG

nom de Villa Mills, et qui, défigurée depuis la mort du proprié-

Fig. 13: L.V. Bertarelli, Guida d’Itália del Touring Club Italiano,

taire, par la construction toute récente d’une espèce de pagode

Itália Centrale IV: Roma e Dintorni (Milano 1925) tussen p. 416

indienne, est devenue un couvent des Religieuses de la Visitati-

en 418.

on.’ Rome en dix jours ou Manuel du voyageur dans cette capitale

Fig. 14: afbeelding in publiek domein. Bron: https://com-

(Rome 1865) 35. De eerste uitgave ver-scheen in 1849.

mons.wikimedia.org/w/index.php?title=Special:Search&li-

73. Zie https://purl.stanford.edu/dx888zy2326.

mit=500&offset=0&ns0=1&ns6=1&ns12=1&ns14=1&ns100=1

74. Zie https://purl.stanford.edu/cd015rt5851.

&ns106=1&search=Edward+Compton&advancedSearch-cur-

75. ‘Desolata e abbandonata, per le sue finestre senza vetri - muti

rent={%22namespaces%22:[6,12,14,100,106,0]}#/media/Fi-

occhi senza pupille - per le torrette cadenti, per i balconi precipi-

le:Edward_Theodore_Compton_Palatin_in_Rom.jpg

tati, per le mura che si scrostano e pericolano, essa sembra oggi una casa di mistero e di paura, una maison hantée.’ A. Jahn-Rus-

coni, ‘La Villa Mills sul Palatino’, Emporium. Rivista Mensile Illustrata d’Arte-Letteratura, Scienze e Varietà 34/140 (1906) 158.

33


Rome als speelbal van ironische wendingen in de Europese geschiedenis, deel I Victor Broers & Rogier Kalkers

I

n 1798 slaat Napoleon Bonaparte een bres in de stadsmuur van Rome, waarna hij de stad verovert. Hij roept de op revolutionaire en antiklerikale leest geschoeide Romeinse Republiek uit, die echter niet lang stand houdt.

Ruim vijftig jaar later, in 1849, proberen Mazzini en consorten het opnieuw. Naar voorbeeld van Napoleon roepen zij de Tweede Romeinse Republiek uit. Paus Pius IX wijkt uit naar het Koninkrijk Napels en roept de hulp in van de Europese katholieken. Wonderbaarlijk genoeg geeft Louis Napoleon (de latere keizer Napoleon III) onder grote druk van pausgezinde Franse katholieken gehoor aan deze oproep. De Fransen belegeren de stad, en hoewel het defensief onder leiding van Garibaldi lang standhoudt, behalen de belegeraars uiteindelijk de overwinning in de slag bij de Porta San Pancrazio op de Gianicolo. Pius IX kan terugkeren naar Rome, herstelt de Pauselijke Staat, en met haar de stadsmuur waarop hij de hier rechts getoonde inscriptie plaatst.1 Met zijn hulp bereikt Louis Napoleon ironisch genoeg exact het tegenovergestelde van wat Napoleon Bonaparte 50 jaar eerder probeerde te bewerkstelligen. In 1871 halen de revolutionairen alsnog hun gram. Nadat de Pauselijke Staat ingelijfd is bij het inmiddels verenigde Italië en Rome is uitgeroepen tot hoofdstad van deze nieuwe natiestaat wordt er een tweede gedenksteen aan de stadsmuur bevestigd.2 1. Vertaald: ‘In het jaar des Heren 1850 hebben senaat en volk van Rome (S.P.Q.R.), op gezag van paus Pius IX, de muren van de Gianicolo, waar ze het begaven [en] ingestort waren tijdens het uit de stad verjagen van de vijanden door de moed van de Fransen, gerepareerd [en] hersteld.’ 2. Vertaald: ‘4 juni 1871, op gezag van de senaat en het volk van Rome (S.P.Q.R.), twintig jaar nadat het Franse leger deze verscheurde stadsmuur binnendrong, de Romeinen opnieuw prijsgevend aan de priesterlijke heerschappij, Rome vrij en herenigd met Italië, eert degenen die standvastig vechtend gevallen zijn ter verdediging van het vaderland.’

Fig. 1a: Melchiorre Fontana, Assalto delle truppe francesi a Roma nel 1849, ca. 1850. Afbeelding in publiek domein, bron: Wikimedia Commons.

Fig. 1b: Twee inscripties op de stadsmuur rond de Gianicolo: rechts het pauselijke gedenkteken uit 1850 voor de restauratie van de stadsmuur; links het door de jonge Italiaanse Staat opgerichte gedenkteken voor hen die vielen voor de verdediging van het vaderland. Foto: Rogier Kalkers, © Roma Aeterna.

34

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl


35


Het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius Een rollenspel Jo’anne van Ooijen In het leven der mensen zijn rechtvaardigheid, waarheid, zelfbeheersing en standvastigheid de hoogste kwaliteiten. Marcus Aurelius, Overpeinzingen, III, 6.1

T

er gelegenheid van de 2750e verjaardag van de stad Rome vond op 21 april 1997 onder grote belangstelling de onthulling plaats van het bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (fig. 1). Er was feestelijk vuurwerk, want na zestien jaar afwezigheid was de beeltenis van de keizer terug op het Campidoglio. Het onthulde beeld betreft een exacte replica, vervaardigd met de nieuwste technieken. Daarvoor zijn computersimulaties gecombineerd met traditionele giettechnieken uitgevoerd door de Romeinse Munt. Op korte afstand van de onthulde replica staat het origineel, dat na een jarenlange intensieve restauratie weer in volle glorie kan worden bewonderd in de Musei Capitolini. De aanleiding voor de restauratie van het origineel, waarvoor het moest worden verwijderd van zijn eeuwenlange standplaats op het plein, was een bomaanslag op de Capitolijnse heuvel in 1979. Onderzoek wees uit dat het beeld in zorgwekkende staat verkeerde. Niet zozeer de bom maar de tand des tijds en zware luchtvervuiling hadden geleid tot corrosie en ernstige beschadigingen die noodzaakten tot de verwijdering van het beeld in 1981 en een jarenlange restauratie. Er is veel tijd, aandacht en geld besteed aan het behoud van dit ruiterstandbeeld. Het is duidelijk dat er groot belang aan het beeld wordt gehecht. Waar is dat belang in gelegen? Wat is precies de betekenis van dit beeld, waardoor het als één van de iconen van Rome wordt beschouwd? Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag komt aan het licht dat die betekenis in de loop der eeuwen variaties heeft ondergaan, afhankelijk van de verschillende locaties, functies en rollen die het beeld in verschillende contexten heeft bekleed. In dit artikel wordt onderzocht hoe het ruiterstandbeeld in diverse programma’s als toepasselijk boegbeeld heeft gefunctioneerd (fig. 2).

36

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

De status van een ruiterstandbeeld Al vanaf de Griekse Oudheid drukt een ruiterstandbeeld een hoge status uit. Dat prestige hing oorspronkelijk samen met het behoren tot de exclusieve bovenlaag die zich het bezit van een paard kon veroorloven. Het laten vervaardigen van een ruiterstandbeeld was een voorrecht dat als zeer eervol gold en in sommige perioden slechts onder bepaalde voorwaarden werd verleend.2 Het prestige van een bronzen beeld hangt bovendien samen met het vereiste vakmanschap en de hoge materiaalkosten die de vervaardiging ervan met zich meebrengt. Vele ruiterstandbeelden zijn hergebruikt door de ruiterfiguur of soms zelfs door al-


leen het hoofd te vervangen. De meeste bronzen zijn in latere tijden omgesmolten voor hergebruik in andere monumenten of wapens, zodat er slechts enkele bewaard zijn gebleven.3 Het beeld van Marcus Aurelius wordt vermoed het enige bewaard gebleven antieke bronzen ruiterstandbeeld te zijn (fig. 3). De memoria van Marcus Aurelius Marcus Aurelius Antoninus, geboren in 121 en tot keizer benoemd in 161, was geliefd onder de Romeinen. Hij had een brede opleiding genoten en onderscheidde zich van andere keizers door zijn ideeën over rechtvaardigheid, deugdzaamheid en het streven naar een waarachtig leven die hij neerlegde in zijn geschrift ‘τα εις εαυτόν’ (letterlijk: ‘aan zichzelf’), vertaald als ‘Overpeinzingen’ of ‘Meditaties’. Uit de beschikbare bronnen (waarbij bedacht moet worden dat dit Romeinse bronnen zijn) komt het beeld naar voren van iemand die zijn ideeën als mens en als heerser daadwerkelijk in de praktijk probeerde te brengen.4 Het rijk maakte onder het bestuur van Marcus Aurelius een stabiele en welvarende periode door. Hij bracht zelf veel tijd door op veldtochten om de grenzen veilig te stellen. In 176 keerde hij in triomf terug naar Rome (fig. 4). Het ruiterstandbeeld wordt gedateerd tussen 161 en 180 maar de meeste onderzoekers houden het jaar 176 aan, uitgaande van de veronderstelling dat het beeld is vervaardigd in het kader van het eerbetoon ter gelegenheid van de overwinning op de Germanen.5 De vroegste locatie van het ruiterstandbeeld is onbekend. Suggesties variëren van het Forum Romanum tot het huidige Piazza Colonna, nabij de zuil van Marcus Aurelius. Ongeacht waar het beeld oorspronkelijk heeft gestaan, over de betekenis van het beeld bestaat geen twijfel. De traditionele functie van een ruiterstandbeeld in de Romeinse samenleving was de uitdrukking van heerschappij en macht. Marcus Aurelius’

triomfen aan de brede grenzen van het rijk bevestigden zijn heerschappij en waarborgden vrede en stabiliteit in het immense rijk. Het lijdt geen twijfel dat dit ruiterstandbeeld een eerbetoon (honos) vormde en dat het diende tot behoud van de herinnering (memoria) aan de keizer en zijn verrichtingen.

Fig. 1: Ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (replica), brons, 4.24 m. x 3.87 m., Piazza del Campidoglio, Rome.

De vormgeving van het beeld geeft die uitdrukking van macht bovendien een element van moeiteloosheid en vanzelfsprekendheid. Marcus Aurelius zit zelfverzekerd en ontspannen op zijn paard, in losse zit en met lichte teugelvoering in zijn linkerhand.

37


Fig 2: Étienne du Pérac, ‘Zicht op het Campidoglio zoals heringericht door Michelangelo’ uit: Speculum Romanae Magnificentiae, 1569, ets, 37.6 × 55 cm, Metropolitan Museum of Art, New York.

Zijn uitgestrekte rechterarm maakt een gebaar dat uitdrukking geeft aan adlocutio, het toespreken en gebieden van het volk. De afwezigheid van inspanning of dwang versterkt het gezag dat dit beeld moet hebben uitgestraald, dat mede was gebaseerd op de associatie met deugdzaamheid en rechtvaardigheid. De ‘keizers’ in het Lateraans paleis Na de val van het West-Romeinse rijk in de 5e eeuw trof de meerderheid van beelden uit de antieke periode het lot van vernieling, bedelving, roof, hergebruik als spolia of, in het gunstigste geval, vergetelheid. Antieke elementen boetten algemeen aan betekenis in, niet in de laatste plaats in de eigen Romeinse omgeving. Ook het ruiterstandbeeld verdween enkele eeuwen uit de overlevering en suggesties over het lot van paard en ruiter berusten op weinig meer dan veronderstellingen. In de schriftelijke bronnen duikt het beeld

38

weer op in de 10e eeuw op het plein voor de San Giovanni in Laterano, inmiddels onder de bijnaam caballus Constantini (fig. 5).6 Algemeen wordt aangenomen dat het beeld in ieder geval reeds vanaf de 8e eeuw op die locatie stond, waar het gezien zou zijn door Karel de Grote tijdens zijn bezoeken aan Rome in 774 en 800.7 Een aanwijzing daarvoor vormt de realisatie van de keizerlijke palts in Aken door Karel de Grote, ook aangeduid als campus lateranensis. Het was een onderdeel van zijn streven naar een nova roma voor de vormgeving van het Heilige Roomse Rijk en voor zijn imago als opvolger van de Romeinse keizers en gelijke van de paus. Om dit te bewerkstelligen werden verschillende Romeinse visuele elementen geapproprieerd. Het programma voor de keizerlijke palts was gebaseerd op het Lateraanse complex, met inbegrip van de plaatsing van een laat-antiek ruiterstandbeeld op een prominente plaats voor het paleis, waartoe het beeld van Theodorik uit Ravenna naar Aken werd overgebracht.8


In Rome leefde ondertussen de aanname dat de ruiter Constantijn de Grote voorstelde.9 De vraag of die veronderstelling geleidelijk is ontstaan als een oprechte vergissing of dat daaraan de bewuste verspreiding van onjuiste informatie van de zijde van de Kerk ten grondslag heeft gelegen, kan niet met zekerheid worden beantwoord maar is een belangrijke vraag om bij stil te staan. De misvatting dan wel constructie dat het standbeeld Constantijn voorstelde, paste gunstig in het totaalbeeld dat door de pausen in het Lateraan werd nagestreefd. Het belang van Constantijn in de beeldvorming rond de Kerk was groot. Hoewel ernstig wordt betwijfeld of Constantijn zich liet bekeren tot het christelijk geloof, is zijn erkenning van het Christendom als toegestane godsdienst van doorslaggevend belang geweest voor de vroege Kerk. Er kwam immers niet alleen een einde aan de Christenvervolgingen maar de Kerk kon nu ook in de openbaarheid een proces van institutionalisering doormaken.

in de 4e eeuw: het Constitutum Constantini of de Donatio Constantini. Volgens deze legende zou Constantijn het wereldlijk gezag aan Sylvester hebben overgedragen nadat hij was besmet met lepra en door de paus werd genezen (fig. 6). Bij deze machtsoverdracht werd de bisschop van Rome bovendien boven de andere bisschoppen gesteld (ook) wat betreft het wereldlijk gezag. Het is niet precies bekend wanneer de legende is ontstaan of wanneer het vervalste document dat als bewijsstuk diende werd vervaardigd maar algemeen wordt aangenomen dat de legende in mondelinge vorm in de 8e eeuw al verspreid was.10 De Kerk had in die periode toenemende behoefte aan een juridische legitimering vanwege concurrentie met de Byzantijnse keizers in Constanti-

Fig. 3: Anoniem, ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, ca. 176, brons, deels verguld, 4.24 m. x 3.87 m., Musei Capitolini (inv.nr. S 3247), Rome.

Naast die algemene motivering voor de adoptie van het ruiterstandbeeld in de hoedanigheid van Constantijn als ‘boegbeeld’ op de prominente plaats voor de San Giovanni, laten zich ook meer specifiek politieke motieven aanwijzen. In de eerste plaats onderstreepte de verbintenis met Constantijn als eerste christelijke keizer de anciĂŤnniteit van de Kerk, via een gezaghebbende stamboom. In de tweede plaats werd de parallel met de wereldlijke macht van de Romeinse keizertijd bewust benadrukt. Naast zijn religieuze autoriteit werd het Lateraans complex tot in het Noorden gezien als exemplarisch voor het machtscentrum van een wereldlijk heerser. Ook in organisatorisch opzicht bouwden de pausen voort op de klassieke fundamenten van het keizerrijk. Niet in de laatste plaats was de verbintenis met Constantijn van groot belang voor de legitimering van de claim op de wereldlijke macht. Die claim was gebaseerd op de legendarische schenking van het wereldlijke gezag door Constantijn aan paus Sylvester I

39


die hij naliet van deugdzaamheid en rechtvaardigheid ofwel het exemplum virtutis in stand bleef. In die bronnen wordt vermeld dat de bevolking van Rome de caballus Constantini niet zozeer in het kader van het christelijk erfgoed ofwel het Patrimonium Petri plaatste maar meer in het algemeen beschouwde als ideaalbeeld van rechtvaardig bestuur.14 De veronderstelling dat het ruiterstandbeeld Constantijn voorstelde en de bijbehorende connotaties zorgden ervoor dat het beeld gedurende vele eeuwen voor het Lateraans complex is blijven staan en het lot bespaard is gebleven dat bijna alle andere antieke bronzen standbeelden in de loop van de Middeleeuwen ten deel viel: de smelterij. Zo vervulde het beeld wisselende rollen in de memoria: achtereenvolgens ter herinnering aan de filosoof-keizer Marcus Aurelius, aan de ‘christelijke’ Constantijn en als algemeen toonbeeld van deugd en rechtvaardigheid. Fig. 4: Anoniem, Reliëf van de Triomf van Marcus Aurelius na zijn overwinning op de Germanen, marmer, 3.50 m. hoog, Musei Capitolini (inv.nr. MC 0808), Rome.

40

nopel en de groeiende machtsbasis van het Karolingische huis in het Noorden.11 Het is niet uitgesloten dat de plaatsing van het ruiterstandbeeld in de hoedanigheid van Constantijn rechtstreeks onderdeel uitmaakte van een doelbewuste enscenering rondom de Donatio Constantini, erop gericht om deze geloofwaardig te maken en te onderbouwen met visuele middelen.12 In dat geval zou het doelbewuste karakter van de plaatsing en identificatie van het beeld een nog extra ideologische waarde krijgen.

Object van studie en identificatie In de loop van de 14e en 15e eeuw werd de bestudering van de klassieke Oudheid steeds nauwkeuriger. Die studie richtte zich ook op resten van gebouwen en beelden, waaronder het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Het beeld werd onderwerp van artistieke studie. Door verspreiding van tekeningen en modellen kreeg het beeld steeds bredere bekendheid en ging het, naast zijn religieuze en politieke betekenis, op esthetische gronden deel uitmaken van de kunsthistorische canon.

Dat het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius gedurende deze eeuwen van zijn werkelijke identiteit werd beroofd staat in tegenstelling tot de oorspronkelijk beoogde memoria van de persoon van Marcus Aurelius. De rol die het beeld kreeg toebedeeld in het politieke machtsspel staat ook in contrast met de door Marcus Aurelius bepleite ethische opvattingen.13 Uit verslagen uit de 12e eeuw blijkt echter dat de herinnering

De nauwkeurige bestudering van het beeld in vergelijking met andere overgeleverde antieke resten deed het vermoeden rijzen dat het ruiterstandbeeld niet Constantijn de Grote voorstelde. De baard was daarvoor een voor de hand liggende aanwijzing. Enkele andere keizers waren aanvankelijk nog mogelijke kandidaten maar omstreeks 1480 werd de identificatie als Marcus Aurelius gebaseerd op zorgvuldige vergelijking van


de gelaatstrekken met portretten op munten, afbeeldingen op medaillons en reliĂŤfs op monumenten en triomfbogen.15 De vaststelling dat het beeld niet Constantijn was, betekende voor de Kerk het verlies van een icoon in een zorgvuldig geconstrueerd programma. Marcus Aurelius, hoewel bekend als een goed en rechtvaardig keizer, was niet alleen niet christelijk, maar heeft bovendien op grote schaal Christenen vervolgd, al zijn ethische principes ten spijt, en kon om die reden de rol die het beeld als pseudo-Constantijn al die eeuwen vervulde niet continueren.

Naast de juiste identificatie van het beeld en daarmee ook het herstel van de antieke functie van memoria aan de persoon van Marcus Aurelius herleefde de waardering van antieke bronzen beelden, zodat het risico van omsmelten kleiner werd. Marcus Aurelius heeft in zijn heidense glorie nog bijna zestig jaar voor het Lateraan gestaan voordat de Kerk besloot hem te verplaatsen. De rol van het ruiterstandbeeld in dienst van de Kerk was daarmee echter nog niet uitgespeeld. Van Lateranen naar Campidoglio De verplaatsing van het ruiterstandbeeld

Fig. 5: Filippino Lippi, De Triomf van Thomas van Aquino, ca. 1489, fresco, Santa Maria sopra Minerva, Capella Carafa, Rome. Op de achtergrond aan de linkerzijde is het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius te zien voor het Lateraans Paleis.

41


van het Lateraan naar de Campidoglio vond in 1538 plaats in opdracht van paus Paulus III Farnese, tegen de wil van het Kapittel van het Lateraan. Het was eveneens tegen de wil van Michelangelo, die was belast met het ontwerpen van het nieuwe plein op de Capitolijnse heuvel (fig. 7). Het beeld van Marcus Aurelius moest de centrale focus van het plein worden; een prominente plaats. De paus stond dus opnieuw een eervolle plaats voor het beeld voor ogen, ook nu de identiteit als heidense keizer (en christenvervolger) bekend was. Wat was de beweegreden voor deze verplaatsing? De visie van Paulus III was een restitutio van de Campidoglio aan het volk, het herstel van de functie van het plein als centrale plaats voor het volk, zoals dat in de Oudheid was geweest. Het ruiterstandbeeld kreeg hiermee opnieuw de functie van memoria toebedeeld, ditmaal de herinnering aan het antieke Rome, juist op deze plaats. Dat Marcus Aurelius deze functie kreeg hing samen met de hem toegeschreven eigenschappen waarmee Paulus III zich vereenzelvigde. Fig. 6: Anoniem, Donatio Constantini, 13e eeuw, fresco, SS. Quattro Coronati, Capella Sylvestri, Rome.

Twee jaar eerder, in 1536, bracht Karel V een bezoek aan Rome, met in zijn gezelschap de uitgever van het boek Libro Aureo de Marco Aurelio, een lofzang op de deugdzaamheid van Marcus Aurelius als verlicht

heerser.16 Dit werk raakte in omloop aan het pauselijk hof in Rome, en Marcus Aurelius kwam bekend te staan als exemplum virtutis.17 Zijn nieuwe hoofdrol op de Campidoglio had dan ook tot doel het fungeren als ideaalbeeld van de Romeinse heerser, zodat de aanspraak op soevereiniteit kon worden verheven tot iets edels. Het handgebaar van adlocutio onderging een subtiele maar belangrijke verschuiving van betekenis: van toespreken en gebieden naar het gebieden van vrede. De nadruk kwam zo te liggen op de continuĂŻteit van de Pax Romana. Paus Paulus III, die onder meer had bewerkstelligd dat Karel V en Frans I vrede sloten, beschouwde zichzelf als nobele vredestichter en in die capaciteit als voortzetter van een antiek ideaal. De prominente plaatsing van het beeld en de inscripties en wapens op de sokkel, door Michelangelo vervaardigd, brengen die boodschap glashelder over: Paulus III verbindt zijn naam aan dit beeld en identificeert zichzelf met Marcus Aurelius als voorbeeldig deugdzaam leider en vredestichter. Om die profilering en vereenzelviging verder te onderstrepen vertoont ook het beeld van Paulus III op zijn grafmonument in de St. Pieter, gemaakt door Guglielmo della Porta (1552) hetzelfde handgebaar dat vrede stichten aanduidt. Van Campidoglio naar the aesthetic gaze Vanaf de Renaissance heeft het vakmanschap en de kunstzinnigheid waarmee het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius is vervaardigd veel bewondering gewekt en op grote schaal navolging gekregen. De ruiterstandbeelden voor Gattamelata door Donatello te Padua, voor Colleoni door Verrocchio te VenetiĂŤ, en voor Cosimo I door Giambologna te Florence vormen slechts het begin van een lange lijst navolgingen: het beeld heeft een duidelijk traceerbaar spoor achtergelaten in de Westerse kunstgeschiedenis. Naast de creatieve navolging die het beeld heeft gekregen, zijn tussen de

42


16e en 20e eeuw ook vele kopieën gemaakt. Deze kopieën, zowel op werkelijke schaal als in het klein, werden aangekocht in onder andere Engeland, Frankrijk en de VS.18 Ook talloze, meestal lovende en soms kritische, geschreven beschouwingen en prenten hebben de bekendheid van het beeld verder vergroot (fig. 8).19 Terwijl het beeld zelf al die eeuwen op zijn plaats op de Campidoglio bleef, nam zijn iconische status zo alsmaar toe en raakte zijn kunsthistorische faam wijd verspreid. Sinds 1981 was het originele beeld verwijderd uit de publieke ruimte, eerst ten behoeve van de restauratie in de ateliers van het Istituto Centrale di Restauro en sinds 1990 vanwege de plaatsing in de Musei Capitolini.20 Deze situatie illustreert een actueel debat in de hedendaagse kunstgeschiedenis: de vraag of verwijdering uit een context betekenisverlies meebrengt alleen

al vanwege de betekenisverandering. Tegelijkertijd is er ook een recontextualisering: door de plaatsing in een museum krijgt het beeld een ander publiek, dat de gepresenteerde stukken in het museum benadert als kunst en ze aanschouwt met een aesthetic gaze, die wordt gekenmerkt door een zekere afstandelijke beoordeling. Ook in deze situatie is sprake van manipulatie aangezien opstelling, belichting en de beschikbaar gestelde aanvullende informatie sturen hoe de toeschouwer het beeld ervaart en waardeert. Marcus Aurelius verblijft op dit moment onder een glazen dak, zonder echte sokkel dus lager dan de originele plaatsing, waardoor nauwkeuriger bekijken mogelijk is maar de originele beleving is veranderd (fig. 9). Net zoals in eerdere situaties liggen ook aan deze opstelling bewuste overwegingen ten grondslag. Dit roept opnieuw vragen op over beeldvorming en herinnering: welk verhaal vertelt het beeld in zijn huidige con-

Fig. 7: Louis de Caullery, ’Zicht op het Campidoglio, Rome (met een fictieve zuil links)’, ca. 1621, olieverf op paneel, 49.7 cm. x 71 cm., s.l. Foto: Sotheby’s, Sale N08952.

43


Om paard en ruiter voor de toekomst te behouden is het beeld binnen de muren van de Musei Capitolini aan een nieuw hoofdstuk begonnen. Ondertussen staat de replica midden op de Campidoglio, in het middelpunt van de belangstelling en in de focus van ontelbare digitale camera’s. In de veelbewogen geschiedenis van het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius is de maker van dit beeld in anonimiteit gehuld gebleven en daardoor volledig buiten beschouwing gebleven. Aan die onbekende kunstenaar wordt hierbij toch een moment van aandacht en bewondering gewijd.

Fig. 8: Nicolas Beatrizet en Cornelis Bos, ‘Marcus Aurelius’ uit: Speculum Romanae Magnificentiae, ca. 1550, gravure, 36.7 x 25 cm., Metropolitan Museum of Art, New York.

text? Zijn de antieke en christelijke context nog even relevant? In ieder geval kan worden vastgesteld dat de grondige restauratie en de kostbare vervaardiging van de replica aangeven dat er nog steeds grote waarde aan het beeld wordt gehecht. Conclusie Het rollenspel dat het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius in de loop van bijna twee millennia heeft gespeeld illustreert hoe beelden kunnen worden ingezet ten dienste van doelbewuste ensceneringen. De geschiedenis van dit beeld vertoont lijnen van continuïteit die naast de fysieke aanwezigheid van het beeld ook gevonden worden in de aspecten van deugd en exemplum die vrijwel ononderbroken aanwezig zijn. In andere opzichten is er sprake van onderbrekingen en transformaties: de opvallendste is de identiteitswisseling, die de basis vormde voor de vergaande manipulatie waarvoor dit beeld is ingezet.

44


1. Marcus Aurelius, Overpeinzingen XI, 10 en III, 6 (vert. Stichting Ars Floreat, Amsterdam 2006). 2. Zie bijv. M.T. Cicero, In Marcum Antonium Orationes

14. N. Gramaccini, Mirabilia. Das Nachleben antiker Statuen vor der Renaissance (Mainz am Rhein 1996), p. 151.

15. De identificatie als Marcus Aurelius werd gedaan rond

Philippicae V, 41 en R. Wünsche, ‘Der Keiser zu Pferd. Zum

1473-4 door Bartolomeo Sacchi, secretaris van paus Sixtus

Erscheinungsbild des Marc Aurel’, in: D. von den Burg,

IV, zie vermeldingen door Haskell & Penny (1985), p. 255.

(ed.), Marc Aurel. Der Reiter auf dem Kapitol (München

16. Baumstark (1999), p. 91.

1999), p. 68.

17. Het eigen werk van Marcus Aurelius werd pas in 1588

3. Een ander beroemd maar in 1796 vernietigd antiek bron-

uitgegeven.

zen ruiterstandbeeld was de ‘Regisole’, dat aanvankelijk in

18. Haskell & Penny (1982), p. 253-254.

Ravenna en later in Pavia stond.

19. Bijv. Vasari, Winckelmann, Caylus en Henry James; zie

4. Zie bijv. Cassius Dio, Ρομαϊκη Ίστορία, hfdst. LXXII. Ver-

Haskell & Penny (1982) voor een korte schets van de ont-

taling bijv. E. Cary (Cambridge MA 1914-1927).

vangst van het beeld door de eeuwen, p. 254-255.

5. Een vroege datering wordt gebaseerd op de vaststelling van

20. De restauratie is uitgevoerd onder leiding van Alessan-

gezichtstype III, daterend tussen 161 en 169. Gezichtstypes

dra Melucco Vaccaro in 1987-1988. Naar aanleiding hiervan

werden echter ook later nog toegepast in beeltenissen. De

is verschenen: A. Melucco Vaccaro & A. Mura Sommella

vaststelling van type III sluit een (iets) latere datering der-

(eds.), Marco Aurelio. Storia di un monumento e del suo

halve niet uit. Wünsche (1999), p. 76 en C. Parisi Presicce,

restauro (Milaan 1989).

‘Il Monumento equestre di Marco Aurelio. Scheda storia-archeologica’, in: A. Melucco Vaccaro & A. Mura Sommella

Afbeeldingen

(eds.), Marco Aurelio. Storia di un monumento e del suo

Fig 1: Bron: Wikimedia Commons, foto: Jastrow.

restauro (Milaan 1989) p. 24- 26.

Fig 2: Bron: Wikimedia Commons, foto: Metropolitan Mu-

6. Het Liber Pontificalis Ecclesiae Romanae uit 966 onder

seum of Art.

paus Giovanni XIII vermeldt het beeld als ‘caballus Con-

Fig 3: Bron: Wikimedia Commons, foto: Torquatus.

stantini’. F. Haskell & N. Penny, Taste and the Antique: The

Fig 4: Bron: Wikimedia Commons, foto: Matthias Kabel.

Lure of Classical Sculpture. 1500-1900 (New Haven 1982), p.

Fig 5: Bron: Wikimedia Commons, foto: Peter1936F.

252. I. Herklotz, ‘Der Campus Lateranensis im Mittelalter’,

Fig 6: Bron: www.understandingrome.com

in: Römisches Jahrbuch für Kunstgeschichte 22 (1985), p. 24.

Fig 7: Foto: auteur.

7. Haskell & Penny (1982), p. 252.

Fig 8: Bron: Wikimedia Commons, foto: Metropolitan Mu-

8. R. Baumstark, ‘Das Nachleben der Reiterstatue’, in: Von

seum of Art.

den Burg (1999), p. 79 en L. Lachenal de, ‘Il Monumento

Fig. 9: Anoniem, ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, ca. 176, brons, deels verguld, 4.24 m. x 3.87 m., Musei Capitolini (inv.nr. S 3247), Rome. Bron: Wikimedia Commons, public domain. Foto: Torquatus.

nel Medioevo fino al suo trasferimento in Campidoglio’, in: Melucco Vaccaro & Mura Sommella (1989), p. 129. 9. Dit blijkt o.a. uit verslagen van openbare strafvoltrekkingen aan de voet van de caballus Constantini, zoals vermeld in het Liber Pontificalis uit 966. Herklotz (1985), p. 24. Haskell & Penny (1982), p. 252. 10. Stellingen met betrekking tot de datering van het schriftelijke document variëren ruwweg van 750 tot 850. Herklotz (1985), p. 37. 11. De claim op het wereldlijk gezag gebaseerd op de Donatio werd ook ingeroepen tijdens de investituurstrijd tussen de paus en diverse vorsten. Ook nadat de legende als zodanig was ‘ontmaskerd’ in de vijftiende eeuw door de humanisten Lorenzo Valla en Nicolaas van Cusa, bleef gerefereerd worden aan de Donatio. 12. Zie bijv. Baumstark (1999), p. 80. 13. Ervan uitgaande dat die opvattingen kunnen worden afgeleid uit zijn overgeleverde geschriften zoals Overpeinzingen, zie noot 1.

45


Alle wegen leiden naar Rome Leo Baeten en Guus Wesselink

I

n de 12e eeuw schreef de cisterciënzermonnik Alanus de Insulis dat ‘duizenden wegen de mensen al eeuwenlang naar Rome leiden’. Zijn opmerking leeft vandaag de dag voort als het gezegde omnes viae Romam ducunt, alle wegen leiden naar Rome. Het was natuurlijk niet de bedoeling van de vrome monnik uit Lille om te beweren dat er meerdere mogelijkheden zijn om het ware doel of de kern van het geloof te bereiken. Hij verwees slechts naar de pelgrimtraditie om vanuit het hele continent naar Rome te trekken om de graven van Petrus en Paulus te bezoeken.

De gewoonte om de tocht naar de zetel en het centrum van de katholieke kerk te aanvaarden is in de huidige tijd nog onveranderd. De pelgrimswegen naar Rome zijn levend verleden: de route die de hedendaagse pelgrim volgt is grofweg dezelfde als die van zijn middeleeuwse voorganger. Sterker nog: de basis voor de middeleeuwse pelgrimsroutes werd gevormd door het imposante wegennet dat de oude Romeinen in hun wereldrijk hadden aangelegd. Uiteindelijk loopt de hedendaagse pelgrim dus over gelaagde geschiedenis, want over wegen die al door de Romeinen werden aangelegd, hoewel met een ander doel dan om pelgrims te bedienen. Dit artikel gaat in op beide kanten van deze geschiedenis. Het prille begin van de Romeinse wegen Wanneer we het tegenwoordig over Romeinse wegen hebben bedoelen we daarmee doorgaans de grotere verbindingswegen tussen steden. De Romeinen waren niet de eersten die grote wegen aanlegden: in het oude Egypte (ca. 3300 – 1300 v.Chr.) en in het Perzische Rijk (ca. 650-330 v.Chr.) bestonden al dergelijke wegen. Maar de Romeinen waren degenen die stelselmatig aandacht besteedden aan deze infrastructuur als basis van hun groeiende rijk. Het wegennet dat zij aanlegden verbond belangrijke plaatsen met elkaar en verbond de uithoeken van het rijk met de hoofdstad Rome.

46

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

De Via Appia was de eerste Romeinse weg die over een lange afstand aangelegd werd. De weg is genoemd naar Appius Claudius, die als censor (volksteller) onder meer als taak had om publieke werken aan te besteden. De weg begon op het Forum Romanum en liep door naar Brindisi aan de zuidoostkust van Italië. De aanleg begon in de 4e eeuw v.Chr., een tijd dat de expansie van Rome binnen Italië nog in volle gang was, en de weg speelde een belangrijke rol in het vestigen en handhaven van de Romeinse macht in Zuid-Italië. De weg als teken van macht en controle kreeg ook op andere manieren gestalte. Zo ontsnapten in 73 v.Chr. gladiatoren uit een gladiatorenschool in Capua. Onder aanvoering van Spartacus, een slaaf uit Thracië, begonnen zij hun vrijheidsstrijd. Die leek aanvankelijk succesvol maar in 71 v.Chr. werden de opstandelingen door Romeinse legioenen verslagen. Na de nederlaag werden ongeveer zesduizend volgelingen van Spartacus stuk voor stuk gekruisigd langs de Via Appia, die dwars door het gebied liep waarin de schermutselingen hadden plaatsgevonden. Het was een wreed voorbeeld van dat Rome via het wegennet haar macht snel en overal kon doen gelden. Een wegennet ontstaat Na de aanleg van de Via Appia bleven de


Romeinen wegen bouwen in hun uitdijende imperium. Het Romeinse wegennet was in Europa ongeëvenaard wat betreft de uitgestrektheid en de verfijning van de bouwkundige technieken. In moerassig gebied werd de weg aangelegd op hoge pijlers. Om verzakkingen te voorkomen was de fundering soms vijf meter diep en werd het geheel voorzien van een ingenieus drainagesysteem. De dichter Statius (45-96) loofde de techniek waarmee de Via Domitiana, de kustweg van Sinuessa naar Putcoli, werd aangelegd:

‘Het werk begint allereerst met het maken van groeven, het banen van een weg en met het door diep spitwerk geheel en al uithollen van de grond. Het volgende werk is het op andere wijze weer vullen van de uitgegraven groeven en een fundament leggen voor het gebogen wegdek, opdat de grond niet bezwijkt en een verraderlijke bodem niet een onbetrouwbare basis is voor de bovenop gelegen stenen. Het afsluitende werk is het bijeenhouden van de weg door middel van steenblokken, aan beide zijden bij elkaar gelegd.’1

Fig. 1: Het Romeinse wegennet omspande op zijn hoogtepunt grote delen van Europa en het Middellands Zeebekken. Kaart: Rogier Kalkers.

47


De Romeinse wegen waren voornamelijk bedoeld voor militair gebruik, namelijk om een snelle verplaatsing van troepen en voorraden naar de frontlinies of naar opstandige gebieden te garanderen. Van Romeinse soldaten werd verwacht dat zij met volle bepakking – een gewicht van ongeveer veertig kilo – een mars van ongeveer 50 kilometer in vijf uur konden afleggen. De gemiddelde snelheid waarmee een Romeins leger zich verplaatste lag overigens wat lager en bedroeg ongeveer 30 kilometer per dag. Aangezien de wegen waren gebouwd met marcherende soldaten in het achterhoofd waren ze breed en recht en namen ze de kortste route waar het landschap dat toeliet.

Fig. 2: Toegangspoorten in de Aureliaanse stadsmuur en de belangrijkste Romeinse uitvalswegen. Kaart: Rogier Kalkers.

Op het hoogtepunt omspande het Romeinse wegennet de landen in het huidige West-Europa en de gebieden rondom de Middellandse Zee (fig. 1). Het bestond uit meer dan 380 belangrijke wegen van in totaal meer dan 80.000 kilometer. Een direct gevolg van de militaire insteek was dat di-

recte oost-west-verbindingen van ondergeschikt belang bleven. De hoofdwegen leidden als de spaken in een wiel alle naar de Eeuwige Stad. Niet minder dan 19 van de hoofdwegen die tot aan de hoofdstad voeren, gaan die ook binnen (fig. 2). Enkele belangrijke zijn de Via Salaria en Via Nomentana die samenkomen binnen de Aureliaanse muren, de Via Tiburtina die zich bij de Via Collatina voegt en Rome binnenkomt bij de Porta Tiburtina, de Via Latina die bij de Porta Latina de stad binnengaat, de Via Appia (bij de Porta Appia), de Via Sacra en Ardeatina die met de Via Ostiensis vanuit de haven binnenkomen (bij de Porta Osteniensis), en ten slotte de Via Flaminia die vanuit Rimini de stad binnenkomt door de Porta Flaminia. Alanus kon vanuit Lille dus terecht opmerken dat alle wegen naar Rome leiden. Tot slot: hoewel het wegennet in eerste aanleg bedoeld was om snelle legerverplaatsingen naar opstandige gebieden mogelijk te maken, dienden de wegen ook handelaren, reizigers en koeriers. Gaandeweg ontstonden er veel dorpen en steden langs de wegen, die een graantje meepikten van al dit verkeer. Om de duizend passen werden mijlpalen oftewel milliaria neergezet om de reizigers te laten weten hoe ver en in welke richting de dichtstbijzijnde stad lag (fig. 3). De meeste mijlpalen lieten ook weten hoe ver Rome nog was. Toen in de 8e eeuw de pelgrimage naar Rome op gang kwam, konden pelgrims dankbaar gebruik maken van het bestaande wegennet en al zijn gedegen infrastructuur. Historische pelgrimsroutes Middeleeuwse pelgrims waren zich in toenemende mate bewust van de Romeinse oorsprong van veel wegen. Vroege routes en verblijfplaatsen onderweg ontleenden zij aan oude bronnen. Een van de oudst-bekende bronnen over het Romeinse wegennet is het Itinerarium provinciarum Antonini Augusti, een ‘Romeinse reisgids van alle provincies’ uit de 3e eeuw n.Chr. Hij

48


zou afkomstig zijn van keizer Marcus Aurelius Severus Antoninus, beter bekend als Caracalla (keizer van 198-217 n.Chr.), en is bijgewerkt tot het eind van de 4e eeuw. Het is geen kaart, maar een lijst van plaatsnamen waarlangs je je kon bewegen als je over grotere afstanden reisde.2 Voor latere pelgrims was de Peutingeriana, of Peutingerkaart, een belangrijk uitgangspunt. De kaart is in 1265 gemaakt door een monnik in Colmar (Frankrijk). De kaart ligt in Wenen maar de universiteit van Stanford heeft op basis van deze kaart een interactief computermodel gemaakt van het wegennetwerk in het hele Romeinse Rijk. Het stelt de bezoeker in staat om zelfs reistijden te berekenen in verschillende jaargetijden, zoals een middeleeuwse pelgrim dat ook gedaan zal hebben.3 Als we kijken naar de huidige hoofdroutes die pelgrims tegenwoordig door Europa lopen dan zien we dat 1600 jaar na de val van het West-Romeinse Rijk nog heel veel tracés samenvallen met de oude Romeinse heirwegen (fig. 4). De ervaren Romewandelaars zullen de namen van de oorspronkelijke Romeinse wegen onderweg verschillende keren zijn tegengekomen en erover hebben gelopen of gefietst. Soms zijn de oorspronkelijke Romeinse plaveisels bewaard gebleven en anders zijn er vaak naambordjes boven een moderne Italiaanse asfaltweg. Twee van de bekendste pelgrimsroutes die in de middeleeuwen ontstonden volgen vandaag de dag nog het tracé van enkele Romeinse wegen: die naar Santiago de Compostela (de Camino Frances) en Rome (de Via Francigena).

caud als pseudoniem is gebruikt. De Camino Frances, de Franse weg, begint bij de Ibañeta-pas, de doorgangsroute van Frankrijk naar Spanje, en loopt via Burgos en Leon door tot het meest westelijke puntje van het Europese vasteland. Voor de Romeinen was dit het einde van de wereld; zij noemden de plek dan ook Finisterre. In het Galicisch is de plaats nu bekend als Fisterra en wordt die beschouwd als het eindpunt van de pelgrimstocht naar Santiago. Even na Puenta la Reina wordt tastbaar dat de Camino Frances een oude Romeinse weg is; pelgrims lopen daar nog een stukje over een Romeinse weg. Via Francigena In 990 reisde de Engelse priester Sigeric, na zijn benoeming tot aartsbisschop van Canterbury, naar Rome voor het ontvangen van het pallium, een witte stola die kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders als ereteken droegen. Over zijn reis maakte Sigeric een reisverslag waarin hij de namen noteerde van de plaatsen waar hij op zijn terugreis overnachtte. De route van Sigeric is de oudst-bekende beschrijving van een pelgrimsroute vanuit England via Noord-Frankrijk naar Rome. Later zou dit de canonieke route worden voor pelgrims

Fig. 3: Romeinse mijlpaal langs de Via Romana XVIII in het uiterste noorden van Portugal. Foto: Júlio Reis.

De Camino Frances wordt beschreven in de Codex Calixtinus, een geschrift uit de 12e eeuw met adviezen, regels, routes en liederen voor pelgrims die vanuit Frankrijk naar Santiago reisden. Het handschrift is genoemd naar paus Calixtus II (1119-1124), wiens naam door de schrijver Aimery Pi-

49


Fig. 4 (links): Pelgrimsroutes in Europa. Kaart: Rogier Kalkers. Fig. 5 (rechts): Pelgrim op oud-Romeins wegdek buiten Rome.

50

die vanuit of via Noord-Frankrijk naar Rome reisden. Hieraan ontleende de route zijn naam: Via Francigena betekent ‘weg van de Franken’ of ‘weg vanuit Frankrijk’. De Via Francigena begint in Engeland bij de kathedraal van Canterbury. Bij Dover wordt het Kanaal overgestoken naar Calais en via Noord-Frankrijk en Zwitserland wordt Italië bereikt via de Grote Sint-Bernhardpas. In de Po-vlakte gaat hij richting Pavia. Vanaf Pavia loopt de weg naar Fidenza over een oude Romeinse heerweg, de Via Emilia. Toscane wordt doorkruist van Lucca naar Siena en verder zuidelijk over de Via Cassia,

de oude Romeinse heerweg tussen Genua en Rome. De binnenkomst in Rome gaat langs de oude Via Trionfale, de weg waarlangs de legioenen na een succesvolle veldtocht triomfantelijk Rome binnentrokken. Lang niet alle Romewandelaars vandaag de dag zijn zich ervan bewust dat zij met hun aankomst delen in zowel een van de oudste pelgrimstradities, als in een oud-Romeins gebruik. Onderdeel van een eeuwenoude geschiedenis Er zijn nog vele andere pelgrimswegen die uithoeken van Europa met Rome verbin-


den en daarbij het tracé van de Romeinse heirbanen volgen. Zo is er de Via Claudia Augusta die vanuit Duitsland over de Reschenpas naar Merano, Trento en Venetië voert, en de Via Romea Germanica die vanuit Stade bij Hamburg over Innsbruck en de Brennerpas gaat. De Via Domitia volgt het tracé van de eerste verbindingsweg met Gallië. En pelgrims naar Jeruzalem die vanuit Rome naar het zuiden lopen doen dit via de Via Appia naar Brindisi. Deze summiere opsomming laat zien dat de hedendaagse pelgrimswegen naar Rome een lange historie hebben die zich uitstrekt over heel Europa. Gedurende 2000 jaar zijn de functie en betekenis van de wegen meermalen veranderd. Het wegdek heeft eerst de voeten gedragen van miljoenen soldaten, handelaars en koeriers. In de middeleeuwen werd door pelgrims dankbaar gebruik gemaakt van het bestaande wegennet dat meer dan 1000 jaar eerder door de Romeinen was aangelegd. Opvallend is dat de duizenden pelgrims sindsdien nog op vele plekken over het originele Romeinse plaveisel lopen: een tastbaar verband tussen Europa en Rome dwars door tijd en ruimte (fig. 5). Wie nu, 2000 jaar na de aanleg van de wegen, zijn voet- of bandensporen achterlaat

op zo’n eeuwenoud stukje weg is onderdeel van een indrukwekkende geschiedenis: vanuit alle hoeken van Europa leiden nog altijd dezelfde wegen naar Rome.4

1. Silvae 4.3. 2. https://omnesviae.org/nl 3. http://orbis.stanford.edu 4. Zie voor meer informatie https://pelgrimswegen. nl en http://en.antiquitatem.com/all-roads-leadmen-to-rome-viae-romanae Afbeeldingen Fig. 1: © Roma Aeterna. Fig. 2 © Roma Aeterna. Fig. 3: Afbeelding in publiek domein, bron: Wikimedia Commons. Fig. 4: © Roma Aeterna, bron: Cammini Europei in Rete. Fig. 5: Foto: auteur.

51


Jan van Scorel in het Belvedere Een a n a l ys e va n z i jn N e de rl ands -I taliaans e ne twerk Gaila Jehoel

J

an van Scorel (1495-1562) (fig. 1) was de eerste kunstenaar uit de Noordelijke Nederlanden die zich vestigde in het Belvedere, de hooggelegen villa op het Vaticaanse grondgebied (fig. 2).1 Daar behoorde hij tot de familia van de Nederlandse paus Adrianus VI, geboren als Adriaan Florisz. (14591523), van wie hij in zijn atelier portretten schilderde. Toen hij na Adrianus’ dood naar de Lage Landen terugkeerde, had hij een rijk netwerk opgebouwd dat in zijn verdere carrière een centrale plek innam. De kern van zijn netwerk bevond zich in Utrecht, waar hij zich na een kort intermezzo in Haarlem definitief vestigde. Zijn relaties strekten zich, volgens de normen in de vroegmoderne tijd, voornamelijk uit naar land- en streekgenoten. Uit Van Scorels netwerk blijkt dat zijn opdrachtgevers, behorend tot de aristocratische elite, door heel Europa (familie)banden onderhielden. Zij waren reislustiger dan tot nog toe bekend en onderhielden, net als de enkele internationaal opererende kooplieden, louter contacten met mensen uit de eigen sociaaleconomische laag. Het Nederlandse netwerk in Italië Aan het begin van de 16e eeuw was het in de steden Rome, Venetië en Florence gebruikelijk dat land- en streekgenoten dezelfde wijken bewoonden en zich rondom bepaalde kerkgemeenschappen centreerden. Dankzij deze segregatie en het geringe aantal Nederlanders dat in de steden woonde, bestonden er nauwe banden die men verstevigde door onderling huwelijken te sluiten of handelsrelaties aan te gaan. Jan van Scorel kon, na zijn aankomst in Italië, van deze bestaande relaties gebruik maken. Na een reis door de Duitse landen en Oostenrijk arriveerde Jan van Scorel in 1519 in Italië, waar hij zich eerst in Venetië vestigde. In de Dogenstad waren in deze periode, voor zover bekend, geen Noord-Nederlanders woonachtig, maar wel enkele Vlamingen. Deze kleine gemeenschap ressorteerde onder de omvangrijkere Duitse Natione. Zij woonden en werkten rondom de Fondaco dei Tedeschi, het gebouw naast de Rialtobrug aan het Canal Grande dat eeuwenlang het centrum voor de Duitse handel in Venetië was (fig. 3). Handelsfamilies als de

52

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

Augsburgse Fuggers hielden er kantoor en stuurden hun jongste telgen naar de handelsmetropool. In 1519 was Daniël van Bombergen (ca. 1483-1553) een van de ponentini (buitenlanders) die in de Fondaco kantoor hield. Kunstenaarsbiograaf Karel van Mander (1548-1606) vermeldde hem expliciet in zijn biografie van Van Scorel en schrijft dat de twee bevriend raakten.2 Van Bombergen was een Antwerpse koopman met Haarlemse wortels die zich in Venetië tot toonaangevend drukker van Judaïca ontpopte. Hij combineerde dit met de handel in luxeartikelen als tapijten en schilderijen en bezat een uitgestrekte kennissenkring. Vlaamse schilderijen waren zeer gewild onder de geletterde Venetiaanse elite. Als drukker maakte hij deel uit van de geleerde, taalkundige gemeenschap rondom de universiteit van Padua, die als vrijzinnig bekend stond. Om de Hebreeuwse uitgaven te laten drukken had hij toestemming nodig van de Venetiaanse senaat en voor het drukken van de Babylonische Talmud die van het Vaticaan. Voor dit laatste boek, dat een ver-


spreiding tot in Ethiopië kende, ontving hij in 1518 persoonlijk toestemming van paus Leo X (1475-1521).3 Het netwerk van Daniël van Bombergen zou voor Jan van Scorel van groot belang blijken te zijn. Een introductie bij de paus Een van de belangrijkste personen via wie Daniël van Bombergen in contact stond met Rome en het Vaticaan was Felice del Prato (ca. 1460- 1539). Deze bekeerde Jood diende namens de drukker bij de Venetiaanse senaat verzoeken in. Toen Del Prato in 1518 naar Rome verhuisde werd hij opgenomen in de naaste groep medewerkers (de familia) van kardinaal Egidio da Viterbo (1469- 1532) die eveneens uit Venetië afkomstig was. Da Viterbo was, op verzoek van Leo X in 1517 en 1518 naar Spanje gereisd voor diplomatiek overleg met Adriaan Florisz.4 Da Viterbo zou, na het overlijden van Leo X in december 1521, ook op Adriaan stemmen. Da Viterbo had zich in Rome gevestigd nabij de Santa Maria dell’Anima, de kerk die in het centrum van de Duitse gemeenschap

lag.5 Zijn familia woonde daar ook. Vanuit Rome ging Felice Del Prato door met het behartigen van Van Bombergens belangen, ditmaal rechtstreeks bij de Vaticaanse curie, het bureaucratische bestuursorgaan van het Vaticaan. Na de benoeming van Adrianus VI werd Felice del Prato door een goede vriend van Da Viterbo naar Spanje gezonden, om de nieuwe paus te vergezellen op diens reis naar Rome.6 Naast het geletterde Venetiaanse netwerk bestonden er nog twee kanalen via welke Van Bombergen contact kon leggen met de pasbenoemde paus. Een van die kanalen was het netwerk rondom de parochiekerk van Antwerpen, de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Daniëls vader Cornelis († 1526), die samen met Daniëls broers de zaken in Antwerpen waarnam, behoorde tot de gilde van Onze-Lieve-Vrouwe-Lof, het internationale genootschap waaraan de belangrijkste kooplieden van de stad verbonden waren. Hij bestuurde de broederschap enkele jaren en schonk het kapittel van de kerk een in

Fig. 1: Cornelis van Noorde (mogelijk) naar Jan van Scorel, Twaalf leden van de Jeruzalembroederschap te Haarlem, 1741-1795, potlood, pen en penseel op papier, h 19,4 × 45 cm, Rijksmuseum, Amsterdam, RP-T-1905-121.

53


Venetië gedrukt breviarium.7 Een aanzienlijk deel van de 22 aan dit kapittel verbonden kanunniken combineerde dit met een hoge functie bij de curie. De Onze-Lieve-Vrouwekerk was aantrekkelijk voor kanunniken omdat ze deelden in de opbrengsten van de exploitatie van het gebied rondom de kerk (het zogenaamde immuniteitsgebied).8 Tot de invloedrijkste kanunniken van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel behoorden A­dr­iaan Florisz., Willem van Enckenvoirt (1464-1534) (fig. 4) en de Duitse kardinaal Johan Ingenwinckel (1469-1535).9 De laatste twee behoorden tevens tot de bestuurders van de eerder vermelde Santa Maria dell’Anima in Rome. Nabij deze kerk woonden de meest vermogende en invloedrijkste Nederlanders, Vlamingen en Duitsers, zoals bankier Jakob Fugger, die in de Rione Ponte

54


een huis bewoonde waarvan de buitenkant met fresco’s was beschilderd door Perino del Vaga. Naast hem woonde een ‘Gerard uit Utrecht’.10 Het derde Romeinse contact van Daniël van Bombergen was de bankier Willem Pietersz. Ook hem vermeldt Van Mander als belangrijk opdrachtgever van Jan van Scorel, die net als de schilder na de dood van de paus terug naar de Lage Landen vertrok en vanuit Mechelen aan Van Scorel opdrachten gaf.11 Pietersz. was een neef van Daniël en trad op als bankier voor de Vlaamse en Nederlandse gemeenschap in Rome. Pietersz. was ook een naaste vriend van Willem van Enckenvoirt en behoorde tot diens familia. Onder Adrianus VI zou hij uitgroeien tot pauselijk bankier waardoor hij onder meer verantwoordelijk werd voor een groot deel van de geldstromen die van en naar de Nederlanden gingen.

staande posities. Jan van Scorel had voor de paus een aantal belangrijke voordelen. Hij was, zover bekend, de enige kunstenaar uit de Noordelijke Nederlanden die in Italië was en zodoende relatief nabij Rome woonde en kennis van Italië en het Italiaans had. Daarnaast - van groot belang voor een vrome paus - was Van Scorel in 1519 op pelgrimsreis naar Jeruzalem geweest, een tocht die slechts voor enkele vooraanstaande Nederlanders was weggelegd. Vermoedelijk vormden deze elementen voor de paus een uitstekende aanbeveling om de jonge kunstenaar in dienst te nemen. Een uitzonderlijke positie in het Belvedere Vanaf het voorjaar van 1522 tot mei 1524 woonde en werkte Jan van Scorel in Rome. Tijdens Adrianus’ pontificaat kon hij terecht in het Belvedere, dat in ieder geval vanaf 1512 kunstenaars huisvestte.13 De villa

Fig. 2 (links boven): Maarten van Heemskerck, Zicht op het Belvedere, 1532-1536, pen in bruin met wassing op papier, h 26,6 x b 40,3 cm, vol. II, fol. 36r., Kupferstichkabinett, Staatliche Museen zu Berlin, Berlijn, inv. 79D2A. Fig. 3 (links onder): Fondaco dei Tedeschi, Venetië. Foto: Wolfgang Moroder. Fig. 4 (rechts): Onbekende kunstenaar, Portret van Willem van Enckenvoirt, 1525-1534, Klooster der Zwartzusters-Augustinessen, Mechelen. (Fotoreproductie door J.J.A. van Winsen, begin 20e eeuw, 21 x 17 cm, Het Utrechts Archief, inv. 104515.)

Kortom, dankzij de hierboven geschetste contacten was Daniël van Bombergen de aangewezen persoon om Jan van Scorel in Rome te introduceren. Een goed voorstelbaar scenario (helaas ontbreken de documenten om het te bewijzen) is dat Daniël voor Jan van Scorel bemiddelde en daarbij gebruik maakte van zijn verwantschap met Pietersz. en zijn directe contact met Felice del Prato. Via Pietersz. was er contact met hoge Romeinse kringen: hij behoorde immers tot de familia van Van Enckenvoirt, die door Adrianus was aangesteld. Vanuit Rome hield Van Enckenvoirt Adrianus per brief en koerier op de hoogte van de Romeinse ontwikkelingen. Hij deed tevens voorstellen voor de aanstelling van nieuwe ambtenaren. Tijdens zijn reis vanuit Spanje, die van januari tot augustus 1522 duurde, ontving de paus minstens 1800 verzoekschriften, waarvoor hij de meereizende vertrouwelingen en andere opvarenden, zoals Felice del Prato, kon consulteren.12 Adrianus stond al snel bekend om zijn neiging landgenoten in te zetten op vooraan-

55


terst elegante grote en kleine kamers, zowel door het materiaal als door de plaats’.17 In de kamers waren perspectivische plattegronden te zien van de belangrijkste steden en landschappen van het Italiaanse taalgebied, ‘op z’n Vlaams’ (fig. 5).18 Vanuit deze vertrekken kon Adrianus VI uitzien op de beeldentuin (fig. 6) met daarin antieke beelden als de Laocoön. Van Scorels vertrekken grensden aan die van de paus. ‘In een ander deel, maar wel eraan vast [aan de vertrekken van de paus], aan je linkerhand, tref je een oneindige hoeveelheid kamers, kamertjes en salons.’ In een van deze kamers ontmoetten de Venetianen een schilder van ‘minder dan 30 jaar oud’.19 Het wordt algemeen aangenomen dat deze bron Jan van Scorel beschrijft, die op dat moment 23 jaar oud was. Op de oudste tekeningen van de 16e-eeuwse plattegrond van het Belvedere is te zien dat de paus zijn vertrekken op de begane grond had (fig. 7). De Venetiaanse beschrijving hield vermoedelijk in dat Jan van Scorel bóven de paus woonde, op de eerste (en bovenste) verdieping.20 Op de plattegrond staat de ‘oneindige hoeveelheid’ kamers waar volgens de ambassadeur sprake van was, en in een aantal van deze ruimten staat Fig. 5a: Bernardino Betti (Pinturicchio), Plattegrond van een van de steden Rome, Florence, Milaan, Genua, Venetië of Napels, [1484-1487], Vaticaanse Musea, Rome. Fig. 5b: Bernardino Betti (Pinturicchio), Vermoedelijk Rome met op de achtergrond het Belvedere, [1484-1487], Vaticaanse Musea, Rome.

56

Belvedere - afkomstig van bel videre (‘mooi (uit)zicht’) - was oorspronkelijk gebouwd als onderdeel van het verdedigingsbolwerk. Voor de pausen bleek de villa tevens een uitstekende plek voor een verkoelende zomerretraite van het apostolisch paleis.14 Getuige het dagboek van de pauselijke ceremoniemeester verbleef Adrianus VI vaak in het Belvedere, waar hij veel van zijn overleggen liet plaatsvinden.15 Er werden ook gasten rondgeleid, zoals een delegatie Venetiaanse ambassadeurs. Dankzij het verslag van hun bezoek aan het Belvedere in mei 1523 krijgen we een idee hoe de villa er destijds uitzag.16 De kamers van Adrianus VI, die hij voor zichzelf had laten inrichten, werden door de gezant beschreven als ‘een keten van ui-


geschreven dat het stanze per la familia zijn, kamers voor de vertrouwelingen van de paus (fig. 8).21 Net als Donato Bramante, Leonardo da Vinci en Baccio Bandinelli voor hem, behoorde Jan van Scorel tot dit selecte gezelschap.22 De kunstenaars werd verzocht in het Belvedere te verblijven om daar voor de pausen variërende werkzaamheden te verrichten.23 Bramante ontwierp er de Sint-Pieter, Da Vinci schetste de villa waar hij verbleef (fig. 9) en Bandinelli maakte er een kopie van de Laocoön voor de Franse koning François I. Jan van Scorel schilderde in het Belvedere aan twee portretten van de paus, waarvan er een in kopievorm is overgeleverd (fig. 10).24 Rome als politiek centrum voor de Lage

Landen Onder Adrianus’ pontificaat groeide Rome uit tot een centrum voor Nederlanders. Tijdens zijn pausschap waren er 179 geestelijken uit de Lage Landen aan de curie of het pauselijk hof verbonden.25 Binnen deze groep bleken met name diegenen die tot de pauselijke familia behoorden van doorslaggevend belang voor de carrière van Jan van Scorel. Een groot deel was uit het bisdom Utrecht afkomstig, dit was tevens de groep die het meest groeide onder Adrianus VI. In totaal waren er 25 personen uit het bisdom Utrecht, daarvan reisden 18 na Adrianus’ benoeming naar de Eeuwige Stad.26 Onder hen waren Anthonis Taets van Amerongen († 1543) (fig. 11), die kamerheer bij de paus werd, en Albert Pigge (1490-1542), die tot

Fig. 6: Het huidige beeldenhof van de Cortile del Belvedere, verkleind in de zeventiende eeuw. Sinds de late achttiende eeuw is er een zuilengalerij bijgebouwd aan de binnenzijde, waardoor het hof kleiner werd en een octogonale vorm kreeg. Foto: Jean-Pol Grandmont.

57


theologisch adviseur werd benoemd.27 Een aanzienlijke groep clerici combineerde het ambt bij de curie met werkzaamheden voor hogergeplaatste ambtenaren die net als zijzelf uit het noorden afkomstig waren.28 Zo had Johan Ingenwinckel zeven clerici uit de Lage Landen in dienst.29 Deze geestelijken maakten zo in Rome deel uit van geconstrueerde familienetwerken, de eerdergenoemde familiae. Voor curialen vormden ze een substituut voor de natuurlijke familie, zeker wanneer deze familie zich buiten Rome bevond. Een van de sleutelfiguren binnen het curiale web was Willem van Enckenvoirt. Adrianus VI stelde hem aan als datarius, waardoor hij verantwoordelijk werd voor de toekenning van prebenden en beneficies.30 Vervolgens kwam er een stroom benoemingen op gang die typerend was voor een laatmiddeleeuws curiaal. Dergelijke geestelijken begunstigden op de eerste plaats verwanten en streekgenoten.31 Van Enckenvoirts overgeleverde correspondentie toont een voortdurend contact tussen hem en zijn zwager en zaakgelastigde Gerard Michiels (ca. 1474-na 1548) die in ‘s-Hertogenbosch verbleef.32 Daarnaast beheerste Van Enckenvoirt de contacten met de noordelijker gelegen regio’s van de Lage Landen, zoals het bisdom Utrecht. Na het plotselinge overlijden van Adrianus VI op 14 september 1523 zou hij hier nog jarenlang de vruchten van plukken. Terug naar de Nederlanden Na de voortijdige dood van Adrianus VI reisde een groot deel van zijn vertrouwelingen terug naar de Lage Landen, waar ze, met name in Utrecht, vooraanstaande posities zouden innemen. Voor Jan van Scorel bleken deze relaties van doorslaggevend belang te zijn, bijvoorbeeld toen hij het door Adrianus VI op zijn sterfbed geschonken kanonikaat wilde innemen. Zijn aanvraag voor het kanonikaat werd ondersteund door Willem

58


Taets († 1554), broer van Anthonis Taets van Amerongen en neef van Herman II, reeds in 1517 een prebende van de kerk.33 Twee andere voormalige leden van de pauselijke familia, Peter van der Male en Nicolaas van den Poorten, hadden beiden een kanonikaat verworven bij Oudmunster.34 Zodoende waren de topfuncties bij Oudmunster en een kwart van de kanonikaten toegekend aan personen die Jan van Scorel, dankzij hun gezamenlijke relatie met de voormalige paus, welgezind waren.

van Lokhorst (ca. 1488-1559) die Van Scorel in de zomer van 1523 in Rome ontmoette. Willem was kanunnik bij de Mariakerk, waar Van Scorel in 1528 een kanonikaat zou bemachtigen (fig. 12). Willems vader was Herman II van Lokhorst (1453-1527), die tijdens zijn jeugd bevriend raakte met Adriaan Florisz. Samen met zijn zoon werd hij testamentair executeur van Florisz.’ Utrechtse nalatenschap. Herman speelde daarnaast een belangrijke rol in het kerkelijke landschap van Utrecht, waar meer voormalige medewerkers van de Nederlandse paus te vinden waren.

Bij de Domkerk kon Van Scorel tevens gebruik maken van de contacten die hij tijdens zijn pelgrimstocht naar Jeruzalem had opgedaan. In Utrecht konden pelgrims namelijk lid worden van de Jeruzalembroederschap. De reis was slechts voor een heel select gezelschap (financieel) mogelijk, waardoor de elite uit de regio Utrecht hier verzameld was. Regelmatig combineerde dit gezelschap het lidmaatschap met een functie van aanzien binnen het stadsbestuur of een kapittel. Zo

Fig. 7 (links boven): Anoniem (Italiaans), Begane grond van de Cortile van het Belvedere, ca. 1720-1727, George III Topographical Collection, 75K-vol.I, fol. 5, British Library, Londen. Fig. 8 (links onder): Anoniem (Italiaans), 1e Etage van de Cortile van het Belvedere, ca. 1720-1727, George III Topographical Collection, 75K-vol. I fol. 60, British Library, Londen. Fig. 9 (rechts boven): Leonardo da Vinci, Schizzo della villa di Innocenzo VIII al Belvedere, 1514, pen in bruin op papier, Codex Atlanticus, fol. 213v. Fig. 10 (rechts onder): Philips Galle, naar Jan van Scorel, Paus Adrianus VI, gravure, b 16 × h 11,5 cm. Rijksmuseum, Amsterdam, RP-P-OB-6903.

Herman II van Lokhorst was proost bij Oudmunster, de kerk die samen met de aangrenzende Dom tot de meest vermogende van de vijf Utrechtse kapittelkerken behoorde (fig. 13, 14). De kanunniken van deze kerken waren universitair geschoold, bereisd en bezaten een internationaal netwerk. Het Oudmunster dekenaat, samen met het proosdijschap de meest aanzienlijke functie, werd ingenomen door Willem van Enckenvoirt. Verder bezaten verwanten van de familie Van Lokhorst, zoals Willem

59


Fig. 11: Anthonis Mor, De Utrechtse domheren Cornelis van Horn en Anthonis Taets van Ameronghen, 1544, olieverf op paneel, h 74 x b 96 cm, Gemäldegalerie der Staatliche Museen, Berlijn, inv. 585A. Foto: Sailko (detail).

60

waren Anthonis Taets van Amerongen, Dirck van Lokhorst en Anthonis Sael zowel lid van het Domkapittel als Jeruzalemganger. Dirck, eveneens een verwant van Anthonis, had na zijn pelgrimstocht in 1523 Rome bezocht, waar zijn oom op dat moment was.35 Zodoende was in totaal een vijfde deel van de prebenden in het Domkapittel vergeven aan leden die Jan van Scorel kende vanuit de Jeruzalembroederschap of uit Rome. Deze korte uiteenzetting heeft ten doel de relaties tussen de internationale klerikale elite en de geletterde aristocratie zichtbaar te maken en aan te geven dat deze kringen, zeker in den vreemde, waar slechts ruimte was voor een kleine groep vermogende

kooplieden, sterk vervlochten waren.36 Van Scorel kreeg reeds op jonge leeftijd toegang tot deze elite. Jan van Scorel was een veelzijdig kunstenaar met een uitzonderlijke carrière. Dankzij zijn kosmopolitische ervaring kon hij uiteindelijk een unieke positie innemen in het Hollandse culturele leven van de 16e eeuw. Van Scorels loopbaan laat zien dat een succesvolle carrière, net als heden ten dage, voor het grootste deel afhankelijk is van het vermogen van een kunstenaar om een rijk en internationaal netwerk op te bouwen. Een dynamiek die te lang onderbelicht is gebleven.


1. Dit artikel is een bewerking van enkele hoofdstukken uit mijn proefschrift Het culturele netwerk van Jan van Scorel; schilder, kanunnik, ondernemer en kosmopoliet. 2. K. van Mander, Het schilder-boeck, facsimile van de eerste uitgave, Haarlem 1604 (Utrecht 1969) fol. 235r. 3. L. Goldschmidt, Der Babylonische Talmud (Charlottenburg 1896) i; D.W. Amram, The makers of Hebrew books in Italy: being chapters in the history of the Hebrew printing press (Philadelphia 1909) 162. 4. K.M. Setton, The Papacy and the Levant (12041571), vol. III: the sixteenth century to the reign of Julius III (Philadelphia 1984) 167, 183. De geleerde had in 1515 Maximiliaan I verzocht om steun voor een expeditie tegen de Turken. Dat was vermoedelijk de reden

voor Leo X om hem naar Spanje te sturen, aangezien Adriaan Florisz. daar als vertegenwoordiger van Karel V actief was. 5. D. Rijser, Raphael’s Poetics: Art and Poetry in High Renaissance Rome (Amsterdam 2012) 209. Hij woonde naast het klooster van Sant’Agostino. Net als in Venetië lag het centrum van de boekdrukkunst in Rome nabij de Duitse kern, te weten de Santa Maria dell’Anima en het nabijgelegen Piazza Parione, het huidige Piazza di Pasquino. P. Partner Renaissance Rome, 1500-1559: a portrait of a society (Berkeley 1979) 186. 6. A. Mazzotta, ‘Gabriele Veneto e un ritratto dimenticato di Giovanni Bellini’, Prospettiva, rivista di storia dell’arte antica e moderna 134-135 (z.d.) 5. Die goede vriend was Gabriele Veneto (1468-1537), die het

Fig. 12: Pieter Jansz. Saenredam, De Mariakerk met de Mariaplaats in Utrecht, 1633, olieverf op paneel, h 110 x b 140 cm, Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam.

61


Fig. 13: Reconstructie van de Domkerk omstreeks 1670.

62

opzichterschap van de orde van de Augustijnen overnam van Da Viterbo na zijn benoeming tot kardinaal. 7. In 1483 werd Cornelis van Bombergen lid van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouwe-Lof, waar hij in 1491 en 1492 tot rentmeester en regeerder werd gekozen; Breviarium Antverpiense (Venetië 1496). Het breviarium is gemaakt voor ‘les députés de Doyen et du Chapitre’. 8. Zie bijvoorbeeld W.H. Vroom, De Onze-Lieve-Vrouwe-kerk te Antwerpen: de financiering van de bouw tot de Beeldenstorm (Antwerpen 1983) 87; R.A.E. op de Beeck, De gilde van Onze-Lieve-Vrouwe-Lof (Antwerpen 1978) 21-22 en de publicaties van Filip Vermeylen, bijvoorbeeld F.R.R. Vermeylen, ‘The Art of the Dealer: Marketing Paintings in Early Modern Antwerp’, in: H. Cools, M. Keblusek en V.B. Noldus (ed.), Your humble servant: agents in early modern Europe (Hilversum 2006) 109-122. De immuniteit was het gebied rondom een kerk dat onder het bestuur van de kerk viel. Op dit terrein stonden huizen die werden verhuurd. Ook werd hier meestal de wekelijkse markt gehouden, of vonden andere verkopen plaats in door handelaren gehuurde panden. De handelaren betaalden huur of droegen een deel van de inkomsten af. Het terrein van de Onze-Lieve-Vrouwekerk was groot en men verhuurde tevens panden aan ambachtsgilden (die er verkopen organi-

seerden) en boekdrukkers. De aan deze kerk verbonden kanunniken verkregen een deel van de inkomsten die zo vergaard werden. 9. Over Johan Ingenwinckel zie A. Schulte, Die Fugger in Rom, 1495-1523: mit Studien zur Geschichte des kirchlichen Finanzwesens jener Zeit (Leipzig 1904) 289-306. 10. D. Gnoli, ‘Descriptio Urbis o censimento della popolazione di Roma avanti il Sacco, Borbonico’, in: Archivio della R. Società Romana di Storia Patria 17 (1894) 432. Volgens een volkstelling uit 1527. 11. Van Mander (1969) f. 236r. ‘...een banckier op Room, daer hy te Room seer gemeen mede was, geheeten Willem Pieters, heeft hy ooc veel fraey stucken gemaeckt.’ 12. G. Negri, Lettere de’ principi I (1564) (Venetië 1581) 88. 13. J.S. Ackerman, The Cortile del Belvedere, Studi e documenti per la storia del Palazzo Apostolico Vaticano 1-3 (Vaticaanstad 1954); H.H. Brummer, The statue court in the Vatican Belvedere (Stockholm 1970); H.H. Brummer, ‘On the Julian Program of the Cortile delle Statue in the Vatican Belvedere’, in: M. Winner, B. Andreae en R. Krautheimer (ed.) Il Cortile delle Statue: Akten des internationalen Kongresses zu Ehren von Richard Krautheimer, Rom, 21- 23 Oktober 1992 (Mainz 1998) 67-82; C.L. Frommel, ‘I tre progetti bramanteschi per il Cortile del Belvedere’, in: M. Winner, B. Andreae en R. Krautheimer (1998) 17-66; S. Deswarte-Rosa, ‘Francisco de Holanda et le Cortile di Belvedere’, in: M. Winner, B. Andreae en R. Krautheimer (1998) 389-410; P. Liverani, ‘Antikensammlung und Antikenergänzung’, in: Petra Kruse (ed.), Hochrenaissance im Vatikan, 1503-1534 (Bonn 1999) 227-235; F.E. Keller, ‘Das rechte Bein des Commodus: Van Heemskercks Skulpturenstudium in Statuengarten des vatikanischen Belvedere’, in: Rom zeichnen. Maarten van Heemskerck 1532-1536/7 (Berlijn 2012) 11-24. 14. Ackerman (1954) 6. Dr. Rossana Nicólo, conservator Architectuur Vaticaanse Musea, bezoek 1 juli 2016: de Villa Belvedere is gebouwd op de restanten van een verdedigingsconstructie die behoorde tot het Bastion del Belvedere. 15. G.B. Brown en L.S. Maclehose (ed.), Vasari on technique: being the introduction to the three arts of design, architecture, sculpture and painting, prefixed to the lives of the most excellent painters, sculptors and architects (New York 1960) 116: paus Clemens VII


verbleef hier eveneens graag. M.G. Aurigemma, ‘Il Fiammingo Adriano VI, le arti e la cultura’, in: Storia dell’arte 88 (1996) 321-333. 16. De Venetiaanse gezant is de enige contemporaine schriftelijke bron over de villa. 17. M. Sanuto, I diarii di Marino Sanuto (1496-1533) (ed. F. Stefani, G. Berchet en N. Barozzi) XXXIV (Venetië 1892) 225-226; ‘...una frotta di camere e camerini molto gentili, sì di fabbrica come di sito: e questo è l’alloggiamento del papa.’ 18. De meeste daarvan waren geschilderd door Pinturicchio (ca. 1454-1513) en zijn fragmentarisch overgeleverd. In ieder geval de steden Milaan, Rome, Genua, Florence, Venetië en Napels waren geschilderd. 19. Sanuto (1892) 204-217. Het bezoek is opgetekend als ‘Sumario dil viazio di oratori nostri, andano 112 a Roma a dar la obedientia a Papa Hadriano Sexto.’ De beschrijving van het bezoek telt dertien pagina’s. Voor Sanuto, zie D.S. Chambers, ‘The Diaries of Marin Sanudo: Personal and Public Crises’, in: D.S. Chambers (ed.), Individuals and institutions in Renaissance Italy (Aldershot 1998) 1-33; M. Sanuto, P.H. Labalme en L.S. White (ed.), Venice, cità excelentissima: selections from the Renaissance diaries of Marin Sanudo (Baltimore 2008); G. Murano, ‘Una collezione di testi copiata da Francesco Sanuto (sec. XV med.)’, in: Aevum: Rassegna di scienze storiche, linguistiche e filologiche 28 (2008) 491-504; Sanuto (1892) 226; ‘Da un’altra parte, pur contigua a questa, da man manca, vi sono infinite camere e camerini e salotti, in uno dei quali abita un pittore fiammingo molto excelente per quello che si vede per alcuni quadri tenìa lì dove lavorarava, zoè dui retrate dil Papa tanto simili che parve di veder lui; ma li retrati, sì dipenti come impressi, che si vendono lì in Roma, non lo somegliano’; M. Sanuto, P.H. Labalme en L.S. White (ed.), Venice, cità excelentissima: selections from the Renaissance diaries of Marin Sanudo (Baltimore 2008) 165. 20. Volgens dr. Rossana Nicólo, conservator Architectuur Vaticaanse Musea, conversatie 1 juli 2016, waren er op de eerste etage ook ‘stanzolino della medisemo appartemento’: kleine kamers die bovenin de hoge ruimten waren gebouwd. 21. Sanuto (1892) 226; ‘... vi sono infinite camere e camerini e salotti ...’. 22. G. Vasari-Milanesi, Le vite de’ più eccellenti pittori, scultori ed architettori (ed. G. Milanesi) VII (Florence 1568) 489.: ‘[…] e abitava in Belvedere […]’ over

Donato Bramante. Voor Da Vinci zie L. Beltrami, Documenti e memorie riguardanti la vita e le opere di Leonardo da Vinci (s.l. 1919) doc. 218; Ackerman (1954) 46, 155, doc. 17; C. Pedretti, Leonardo architetto (Milaan 1978) 238: in 1514 schreef Da Vinci bij een tekening in zijn schetsboek: ‘... Addi 7 di luglio a ore 23 a Belvedere nello studio fattomi dal Magnifico, 151.’; A. Nesselrath, ‘Il Cortile delle Statue: luogo e storia’, in: M. Winner, B. Andreae en R. Krautheimer (1998) 12; C. Nicholl, Leonardo da Vinci: the flights of the mind (Londen 2004) 460, 462, 560, noot 8. Voor Bandinelli zie L.A. Waldman, Baccio Bandinelli and art at the Medici court: a corpus of early modern sources (Philadelphia 2004) en N. Hegener, Divi Iacobi

Fig. 14: Arnoud van Buchel, Oudmunsterkerk, pen in zwart, 29,2 x 19,5 cm, in: Monumenta passim in templis ac monasteriis Trajectinae urbis atque agri inventa, ca. 1610-1620, p. 32. Het Utrechts Archief, Utrecht, inv. 37130.

63


Eqves: Selbstdarstellung im Werk des Florentiner Bildhauers Baccio Bandinelli 159 (München 2008). 23. Van Scorel was geen opzichter van de kunstcollectie van het Vaticaan, maar was over het Belvedere ‘gesteld’, wat, in lijn met Max Friedländer (M.J. Friedländer, Die altniederländische Malerei, 12: Pieter Coecke van Aelst, Jan van Scorel (Leiden 1935) 122: ‘machte ihn zum Aufseher oder Verwalter’) te interpreteren is als een huismeesterschap. Dat hij hierin de opvolger van Rafaël zou zijn is het gevolg van een foutieve interpretatie van de bron, die reeds is rechtgezet door J.K.G. Shearman (J.K.G. Shearman, Raphael in early modern sources (1483-1602) (Rome/New Haven 2003) 3, 207-211). De functie van opzichter van de beeldencollectie werd pas in 1534 ingesteld (S. Deswarte-Rosa, ‘Francisco de Holanda et le Cortile di Belvedere’, in: M. Winner, B. Andreae en R. Krautheimer (1998) 391). 24. Sanuto (1892) 226; A. Buchelius, Arnoldus Buchelius ‘Res pictoriae’: aanteekeningen over kunstenaars en kunstwerken voorkomende in zijn Diarium, Res pictoriae, Notae quotidianae, en Descriptio urbis Ultrajectinae (1583-1639), ed. G.J. Hoogewerff en J.Q. van Regteren van Altena (’s-Gravenhage 1928) 64: beschreef een exemplaar in Leuven en een stuk dat Jan van Scorel aan de Mariakerk schonk; Van Mander (1969) f. 236r.: Jan van Scorel ‘… wrocht […] voor den Paus eenige stucken, oock den Paus nae t’leven…’. Voor het portret in het Centraal Museum uit ca. 1625 en de kopieën, zie M.A. Faries en P. Klein, ‘Panels and Dendrochronology: Works by Jan van Scorel and Other Masters in the Centraal Museum’s Collection’, in: L.M. Helmus, D. Tamis, J.R.J. van Asperen de Boer et al. (ed.), Catalogue of paintings 1363-1600: Centraal Museum Utrecht (Utrecht 2011), cat. 16, 281-285. 25. Zie voor de Romeinse curie omstreeks 1522 onder meer C.W. Maas en P. Herde, The German community in Renaissance Rome, 1378-1523 39 (Rome 1981); P. Partner Renaissance Rome, 1500-1559: a portrait of a society (Berkeley 1979); Tewes Götz-Rüdiger, Die römische Kurie und die europäischen Länder am Vorabend der Reformation 95 (Tübingen 2001); D. Rezza, Il capitolo di San pietro in vaticano, dalle origini al xx secolo, vol. I: La storia e le persone (Vaticaanstad 2008); gegevens uit: W.A.J. Munier, ‘De curiale loopbaan van Willem van Enckenvoirt vóór het pontificaat van Adriaan VI’, in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 1 (1959) 129-168. 26. Zie voor een algemeen overzichtswerk voor Duitstaligen, Nederlanders en Vlamingen in Rome: C.W. Maas

64

en P. Herde, The German community in Renaissance Rome, 1378-1523 39 (Rome 1981); Rezza (2008). 26. Voor Pigge zie J.W.C. van Campen, ‘Kleine Mededelingen’, in: Maandblad van ‘Oud Utrecht’, jaargang 29, nr. 3 (maart 1956) 28; W.A.J. Munier, ‘De curiale loopbaan van Willem van Enckenvoirt vóór het pontificaat van Adriaan VI’, in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 1 (1959) 129-168; W.A.J. Munier, ‘Correspondentie van Jan Slacheck uit de jaren 1529-1530’, in: Mededelingen van het Nederlands Historisch Instituut te Rome 7 (1965); M. Verweij (ed.), De paus uit de Lage Landen Adrianus VI, 14591523: catalogus bij de tentoonstelling ter gelegenheid van het 550ste geboortejaar van Adriaan van Utrecht (Leuven 2009). 27. Voor deze vorm van begunstiging zie bijvoorbeeld W. Reinhard, Freunde und Kreaturen: ‘Verflechtung’ als Konzept zur Erforschung historischer Führungsgruppen: Römische Oligarchie um 1600 (Müchen 1979); F.W. Kent en P. Simons, ‘Renaissance Patronage: an introductory Essay’, in: F.W. Kent en P. Simons (ed.), Patronage, art, and society in Renaissance Italy (Oxford 1987) 1-21. 28. A. Schulte, Die Fugger in Rom, 1495-1523: mit Studien zur Geschichte des kirchlichen Finanzwesens jener Zeit (Leipzig 1904) 289-306; G. Brom, Archivalia in Italië (’s-Gravenhage 1908) nr. 269, 96. 29. Verweij (2009) 8; J. Touber, ‘Willem van Enckenvoirt and the Dutch Network in Rome in the First Quarter of the Sixteenth Century’, in: H. Cools, C. Santing en H. de Valk (ed.), Adrian VI: a Dutch Pope in a Roman Context Fragmenta vol. 4 (2012) 377. Een kanonikaat (in dit geval van de paus) ontvangen is niet hetzelde als er een bezitten en er inkomsten uit ontvangen. Na de toekenning van het kanonikaat moest Van Scorel een kerk vinden die hem wilde inwilligen. Dit was een uitermate politiek proces, aangezien er veel gegadigden waren en kerken bij uitstek zelf wilden bepalen wie ze een kanonikaat toekenden. Als eerste stap in dit proces bemachtigde Van Scorel een prebende, wat betekent dat hij uitzicht kreeg op een kanonikaat bij die specifieke kerk. Vervolgens moest hij aan aanvullende eisen voldoen (zoals een jaar en een dag in Utrecht wonen) voordat hij de inkomsten uit het kanonikaat kon ontvangen. Een kanonikaat was zeer gewild, omdat het de drager na admissie annex toelating ervan een regelmatig en vast inkomen in het vooruitzicht stelde. Voor Jan van Scorel was dit, als buitenechtelijk kind zonder recht op een erfenis of vaste betrekking, een uitermate


benijdenswaardige claim. 30. A. van den Bichelaer, ‘Van kapelaan tot kardinaal. De rol van netwerken bij de carriere van Meierijse geestelijken in de late Middeleeuwen: Aert boest, Jan van Loemel en Willem van Enckenvoirt (ca. 1465-1535)’, in: H. de Kok (ed.), Van papen en pastoors, de seculiere geestelijkheid in de Kempen 8 (Turnhout 1997) 29-30. 31. W.A.J. Munier, ‘Uit de correspondentie van een Nederlands curieprelaat, Willem van Enckenvoirt (14641534)’, in: Nederlandse Historische Bronnen 10, (’s-Gravenhage 1992) 1-5: er zijn tien overgeleverde brieven uit de periode 15 maart 1515 en 13 oktober 1519. Gerard Michiels was zakenman en reisde veel tussen Antwerpen, Mechelen en Leuven; A.H. Schuttelaars, Heren van de raad: bestuurlijke elite van ’s-Hertogenbosch in de stedelijke samenleving, 1500-1580, diss. Katholieke Universiteit Nijmegen (Nijmegen 1998) 224, 423, 471: van origine afkomstig uit Eindhoven, werd hij in ‘s-Hertogenbosch schepen in 1537 en trad in 1536 toe tot de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Uit de brieven blijkt regelmatig overleg met kanunniken van de Bossche Sint-Jan, de deken van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap en de kerken en kloosters in het gebied, waarvoor Van Enckenvoirt de zaken regelde. 32. B.A.J. van Hoven van Genderen, De heren van de kerk: de kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late middeleeuwen, diss. Universiteit van Amsterdam (Zutphen 2003) 332, 358. 33. G. Brom, Archivalia in Italië (’s-Gravenhage 1908) 90, 149; Verweij (2009) 185; B.A.J. van Hoven van Genderen, De heren van de kerk: de kanunniken van Oudmunster te Utrecht in de late middeleeuwen, diss. Universiteit van Amsterdam (Zutphen 2003) 193, 223, 377; Adriaan Florisz. begunstigde in totaal vier van zijn studenten van de universiteit te Leuven met een prebende bij Oudmunster: Willem van Enckenvoirt, Jan d’Edel, Nicolaas van den Poorten en Peter van der Male. 34. W. Schneider, Peregrinatio Hierosolymitana. Studien zum spätmittelalterlichen Jerusalembrauchtum und zu den aus der Heiliglandfahrt hervorgegangen nordwesteuropäischen Jerusalembruderschaften, diss. Universiteit Berlijn (Münster 1982) 273. Dirck van Lokhorst behoorde via zijn moeder tot de familie Taets. 35. Zie bijvoorbeeld J. Pollmann, ‘Dienst en Wederdienst. Patronage en de kunst van het netwerken in het ancien régime’, in: W. Frijhoff en L. Wessels (ed.), Veelvormige dynamiek: Europa in het ancien régime, 14501800 (Amsterdam en Heerlen 2006); M. van Gelder, Trading places: the Netherlandish merchants in early

modern Venice (Leiden 2009) 131. Hoe verder weg van het thuisland, hoe sterker de banden en hoe kleiner de verschillen tussen het noorden en zuiden van de Nederlanden. Afbeeldingen Fig. 1: Afbeelding in publiek domein, bron: http://hdl. handle.net/10934/RM0001.COLLECT.234910. Fig. 2: Afbeelding in publiek domein, bron: https:// smb.museum-digital.de/index.php?t=objekt&oges=98359. Fig. 3: Afbeelding in publiek domein, bron: https:// commons.wikimedia.org/wiki/File:Fondaco_dei_tedeschi_di_sera.jpg. Fig. 4: Afbeelding in publiek domein, bron: Beeldbank Tekeningen en Prenten, Het Utrechts Archief, https://hetutrechtsarchief.nl/onderzoek/resultaten/ archieven?miview=inv2&mivast=0&mizig=210&miadt=39&miaet=14&micode=BEELDBANK_TEK_PRENT&minr=41513154. Fig. 5a: Foto: auteur. Fig. 5b: Foto: auteur. Fig. 6: Afbeelding in publiek domein, bron: https:// commons.wikimedia.org/wiki/File:0_Cortile_Ottagono_-_Museo_Pio-Clementino_-_Vatican_(1).JPG. Fig. 7: © British Library, Londen. Fig. 8: © British Library, Londen. Fig. 9: © Uitgeverij Mondadori, bron: www.codex-atlanticus.it. Fig. 10: Afbeelding in publiek domein, bron: http:// hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.115150. Fig. 11: Afbeelding in publiek domein, bron: h t t p s : / / c o m m o n s .w i k i m e d i a . o r g / w i k i / F i le:Anthonis_mor,_i_canonici_della_cattedrale_di_Utrecht_Cornelis_van_Horn_e_Anthonis_ Taets_van_Ameronghen,_1544.JPG. Fig. 12: © Museum Boijmans van Beuningen, bron: https://www.boijmans.nl/collectie/kunstwerken/2603/ gezicht-op-de-mariaplaats-en-de-mariakerk-te-utrecht. Fig. 13: © Erfgoed Gemeente Utrecht, bron: http:// www.bouwgeschiedenisutrecht.nl/project/ontwikkeling-domplein/. Fig. 14: Afbeelding in publiek domein, bron: https:// www.hetutrechtsarchief.nl/onderzoek/resultaten/ archieven?mivast=39&mizig=210&miadt=39&miaet=1&micode=Hss_Van_Buchel_Monumenta&minr=38112748&miview=inv2

65


Rome als speelbal van ironische wendingen in de Europese geschiedenis, deel II Victor Broers & Rogier Kalkers

M

et goedkeurende glimlach kijken Benito Mussolini en zijn gast van de dag Adolf Hitler naar de juichende menigte op Piazza Venezia, onder het iconische balkonnetje vanwaar de Duce diverse beroemd geworden redes zou uitspreken.

Het is 7 mei 1938 en Hitler is voor het eerst op bezoek bij zijn grote idool naar wie hij op dat moment nog erg opkijkt (bij zijn tweede bezoek aan Rome in 1942 zouden die rollen inmiddels zijn omgedraaid). De stad is voor de gelegenheid uitbundig versierd met fascistische en nationaal-socialistische symbolen, in veel straten hangt een rode vlag met hakenkruis gebroederlijk naast de tricolore. Gast en gastheer zijn vastberaden om hun landen en de rest van Europa naar hun wereldbeeld vorm te geven. Op het moment dat deze foto werd genomen had het er alle schijn van dat zij hierin zouden slagen. Heden ten dage, ruim tachtig jaar later, is het balkon er nog altijd en hebben swastika’s plaatsgemaakt voor Europese vlaggen. Toch zijn er de afgelopen jaren Europa-kritische partijen tot de landelijke regering en het stadsbestuur toegetreden. Is het balkon louter een plek van herinnering geworden, of heeft het nog maatschappelijke urgentie?

Fig. 2a: Pietro Canton, Hitler e Mussolini affacciati al balcone di Palazzo Venezia sorridono e guardano verso la folla, 7 mei 1938, Rome, foto, 18 x 24 cm. © Archivio Storico Istituto Luce Cinecittà.

Fig. 2b: De Italiaanse driekleur en Europese vlag boven het balkon van Palazzo Venezia, 4 november 2019, Rome. Foto: Rogier Kalkers, © Roma Aeterna.

66

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl


67


Stad van stichting, stad van verzet: O v e r e e n r e ch te r , R o me e n de E U Niels Graaf

R

ome herinnert. Op het binnenhof van het Palazzo dei Conservatori, een van de Capitolijnse musea, hangt een opmerkelijk, maar onopvallend plakkaat. Klassieke omlijsting, twee meter breed, anderhalve meter hoog, tekst in het Latijn – geen toerist kijkt er naar op of om.1 Even verderop wachten tenslotte de veel populairdere antieke en barokke kunstschatten. Op het gevaar af te vervallen in anekdotisme: toen de schrijver van dit stuk te lang voor het plakkaat bleef staan, merkte een attente suppoost op dat het object geen onderdeel vormt van het museum. Daarin had hij niet helemaal ongelijk. Ondanks het gebruik van het Latijn komt het plakkaat uit de 21e eeuw. Het is geplaatst in 2004 en de tekst luidt als volgt:

‘Op de 29e dag van de maand oktober, in het jaar des Heren 2004, op deze zeer heilige Capitolijnse heuvel, de citadel van de zegenrijke stad en de wereld, in de beroemde en verheven zaal die vernoemd is naar de Horatii en Curatii, hebben de regeringsleiders van de naties die verenigd zijn in de Europese Unie, een verdrag ondertekend over de vaststelling van een constitutie, opdat met één geest, één wil en één doel de Europese volkeren zich verenigen als het lichaam van één volk.’ (fig. 1)2 Het zijn woorden die verwijzen naar de ondertekening van een verdrag dat uiteindelijk een doodgeboren kindje zou blijken. In 2005 schoten Franse en Nederlandse kiezers in hun europareferenda met een onverbiddelijk Non en Nee de plannen voor een Europese grondwet af. Wat rest is een te vroeg opgehangen plakkaat - in het Latijn. Je vraagt je bijna af waarom de tekst nooit is weggehaald: het nee tegen de Europese Grondwet was ten dele ook een protest tegen juist dit soort grootspraak. Wat dat betreft vormt het plakkaat ook een mooie illustratie van één kant van de relatie tussen

68

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

de stad Rome en de EU. Eén kant inderdaad, de relatie heeft sinds de oprichting van de EU namelijk altijd twee zijden gekend. Rome faciliteerde weliswaar het ceremoniële decor van de Europese eenwording, maar was ook de eerste stad die zich keerde tegen het Europese avontuur. De geschiedenis van Brussel en Rome is er een van twee heuvels en twee palazzi. Een gewaagde stelling die een bescheiden uiteenzetting verdient. Om met het eerste Romeinse palazzo te beginnen: de reden waarom de Europese grondwet van 2004 juist werd ondertekend in één van de stadspaleizen van de Capitolijnse musea gaat terug tot 1957. Het was in dit palazzo, in de Sala degli Orazi e Curiazi, waar op 25 maart 1957 door de regeringsleiders van West-Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Luxemburg het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag ter oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie werd ondertekend (fig. 2). Deze verdragen van Rome, zoals ze in de volksmond genoemd worden, zijn de stichtingsakten van de Europese Unie. Naast veel technische details werd in deze


documenten vastgelegd dat er naar moest worden gestreefd ‘de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren’.3 De tweede gang naar Rome in 2004 ter ondertekening van de Europese Grondwet moet begrepen worden in deze traditie, evenals de herdenking van de Verdragen van Rome in 2017 (waar Angela Merkel de eurokritische Cinque Stelle burgemeester van Rome Virginia Raggi voorbijliep).4 Het heeft er in ieder geval veel van weg dat de eeuwige stad is verworden tot een lieu de mémoire voor het Europese project.5 Een bekend verleden voor een nieuw Europa De keuze voor Rome als geboortestad van de Europese eenwording was geen toevallige. Tijdens de voorbereidingen in 1957 was de Belgische minister van buitenlandse zaken Paul-Henri Spaak daarover helder. Hij stelde voor om de ceremonie te organiseren in Rome omdat het ‘de meest verheven van onze hoofdsteden’ was, en ‘dan al drie keer Europa de beschaving bracht’.6 Daarmee doelde Spaak op het Romeinse Rijk, de ‘ver-

lichting’ die het katholieke geloof had gebracht en tot slot de Europese eenwording. Deze retoriek moet begrepen worden in de context van de nasleep van twee verwoestende wereldoorlogen. Minder romantisch is de kanttekening dat het pleidooi van de Belg toch vooral een quid pro quo was voor het Italiaanse meestemmen voor Brussel als Europese hoofdstad. Of ambtenaren in de Belgische hoofdstad met deze keuze gelukkig zijn, is de vraag. Rome als het decor van ondertekening was natuurlijk geen vreemde keuze. Het was de manier om een uniek project – de Europese eenwording – te funderen op een herkenbaar en gedeeld verleden. In het barokke Rome triomfeerde de Europese geschiedenis. De stad was hoofdstad van het Romeinse Rijk en later de hoofdstad van de Katholieke Kerk, dus zowel een wereldse hoofdstad als een religieuze. Door te varen op dit kompas van de geschiedenis hoopte men het Europese project aan het publiek voor te stellen als passend in een lange traditie. Tijdens de ceremonie verkondigde de Duitse bondskanselier Adenauer wat

Fig 1: Plakkaat ter herinnering Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, 2004, marmer, Musei Capitolini, Rome.

69


de zuidkant ligt het Forum Romanum, het centrum van de oudheid. Daarmee was de gekozen locatie, ingebed tussen de restanten van het Romeinse rijk, een voortdurende (fysieke) herinnering aan de centrale rol van de stad in de westerse geschiedenis.8 Ook de zaal waar de regeringsleiders plaats namen, de Sala degli Orazi e Curiazi, was niet zonder betekenis. Onder een hemel van fresco’s die de ontstaansgeschiedenis van Rome uitbeelden, werd het verdrag getekend (fig. 3). Aan beide uiteindes van de tafel stonden barokke beelden van pausen Urbanus VIII Barberini en Innocentius X Pamphili. De boodschap was duidelijk: het oude blijft, de EU stapelt zich er slechts bovenop. Slechts een nieuw hoofdstuk werd toegevoegd aan een al klassiek verhaal.

Fig 2: Verdrag van Rome ondertekend door de regeringsleiders in de Sala degli Orazi e Curiazi, 25 maart 1957, Archief van de Raad van Europa.

dat betreft al dat ‘Europa geen waardigere setting had kunnen vinden voor deze bijeenkomst dan zijn meest eerbiedwaardige stad’.7 Meer dan Parijs, Amsterdam, Luxemburg of Brussel, was Rome naar vorm en inhoud een Europese stad. Die herkenbaarheid moest duidelijk maken dat het Europese project niet een artificieel product was van de naoorlogse periode, maar een vanzelfsprekende vervolgstap. Het was wat dat betreft zowel een flirt met de geschiedenis als met de eeuwigheid. De keuze voor Rome was het erkennen van een traditie en een poging om de EU daarin op te nemen. Plaats van herinnering De plaats van tekening in Rome was ook niet toevallig. Het Palazzo dei Conservatori staat op de Capitolijn, de voornaamste van de zeven heuvels van Rome, op de fundamenten van de tempel ter ere van oppergod Jupiter. Het is het hart van de stad waar de symbolieke en de fysieke herinnering aan het oude Rome altijd nabij is: voor de ingang van het palazzo staat het bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Aan

70

Dan de ceremonie zelf. Klokslag zes uur in de namiddag was de zaal gevuld. De burgemeester van de stad opende ‘in naam van het Eeuwige Rome’. Daarna greep de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Martino het ogenblik aan om een nieuwe ‘era in de geschiedenis van de Europese volkeren’ aan te kondigen. Voor de tekening van de verdragen kon beginnen, sprak de Luxemburgse minister van buitenlandse zaken Bech met gevoel voor de klassieken: ceterum censeo Europa esse construendum. Daarop tekenden de aanwezige regeringsleiders de blanco vellen papier: de onderhandelingen hadden tot het laatste moment geduurd en er was geen tijd meer om de tekst in de vier officiële talen te verspreiden. Om 18:53 zat het er na minder dan een uur op. De Nederlander Linthorst Homan legde als laatste zijn pen neer. Een minutenlang applaus volgde. Ook in een ander gedeelte van de stad werd dit nieuws enthousiast ontvangen: vanuit het Vaticaan werden de klokken geluid – en de rest van de kerken in de stad volgden. Ook werd het bericht verspreid dat er werd gehoopt dat de ondertekening de aankondiging was van een nieuw tijdperk.9 Roberto Ducci, de Italiaanse voorzitter van de Groupe de Rédaction van het Verdrag,


schreef terugblikkend met enig gevoel voor historische sensatie: ‘In het Palazzo Senatorio werden de oude klokken geluid. Hun plechtige galm vermengde zich met die van de bronzen trompetten en weergalmde door de eindelijk serene lucht. [….] Op het plein waren nu veel meer mensen, sommigen juichten en schreeuwden. Ik en een paar van mijn vrienden stuurden onze chauffeur met de dienstauto weg en kozen ervoor om via de klassieke trappen de Capitolijn te verlaten, op weg naar de huizen van de Colonna’s. Dit was inderdaad, zo voelden we, de meest verheven plek op aarde, de plek waar het Palladium van Troje de stad en de wereld al millennia had beschermd, waar de goden van verre stammen het burgerschap hadden gevonden, waar het altaar van

de Nieuwe Alliantie het heiligdom van Jupiter de almachtige had vervangen en waar Michelangelo ter ere van de Renaissance het mooiste monument had neergezet. En hier, diezelfde middag, waren de deuren van hoop opengeslagen zo leek het - voor ons en voor miljoenen mannen en vrouwen, die nu konden uitkijken naar een gelukkigere toekomst’.10 Ooh ooh Italië Maar er was ook een ander Rome. Hoewel de Italiaanse politiek in de eerste decennia zeer positief tegenover het Europese project stond,11 was niet de gehele trias politica tevreden over de ontwikkeling. Op één van die andere zeven heuvels van de stad, op de Quirinaal, in het Palazzo della Consulta, manifesteerde zich buiten het zicht van het grote publiek één van de eerste eurosceptische tegenzetten (fig. 4). In dit stadspaleis

Fig 3: Ondertekeningsceremonie Verdrag van Rome in Sala degli Orazi e Curiazi, 25 maart 1957.

71


Fig 4: Palazzo della Consulta, Corte costituzionale italiana.

was sinds 1948 de Corte costituzionale gevestigd, het Italiaanse Constitutionele Hof. Institutioneel geboren uit de verloren Tweede Wereldoorlog, is de voornaamste taak van dit Hof het bewaken van de Italiaanse constitutie van 1948 en de daarin vervatte fundamentele rechten tegen parlementair wettelijk onrecht. Het fascisme lag nog vers in het geheugen – en daarmee het besef dat wetten ook besmet kunnen raken.12 In de praktijk betekende dit dat de Corte als een van de belangrijkste ‘organi di garanzia’ van de naoorlogse constitutionele ordening in staat was om regelgeving te toetsen aan de Italiaanse constitutie.13 Alleen de lagere rechtsbanken kunnen een wet ter controle aandragen bij dit Hof. Als de <Corte> een wet classificeert zijnde in strijd met de Italiaanse grondwet, is het alsof die wet is ingetrokken.14 Aanvankelijk kwam de Europese Unie niet in het vaarwater van de Corte, maar dat veranderde op 5 februari 1963. Dat lag overigens niet per se aan de Europese Unie, maar aan de handelswijze van het Hof van Justitie

72

van de Europese Gemeenschappen (tegenwoordig: Hof van Justitie van de Europese Unie). Op die dag wees het Hof, dat gevestigd is in Luxemburg, een belangrijk arrest af, waarin de Nederlandse overheid een hoofdrol speelde. Wat was er aan de hand? Het bedrijf Van Gend en Loos daagde de Nederlandse overheid voor de rechter in Luxemburg omdat het meer invoerrechten moest betalen voor een Duits product (fig. 5). Een dergelijke verhoging van invoerrechten was in strijd met het Verdrag van Rome. Het Luxemburgse Hof liet het echter niet bij deze constatering, maar vermeldde ook nog even dat het Verdrag van Rome ‘een nieuwe rechtsorde’ had gecreëerd. Dit stond niet expliciet in het verdrag, maar was volgens de EU-rechter op te maken uit het het Verdrag van Rome als het gelezen wordt naar ‘de geest, de structuur en de bewoordingen’.15 Die interpretatiecriteria boden een hoop vrijheid - je kunt er alle kanten mee op. De onduidelijkheid die daar het onvermijdelijke gevolg van was, werd onder Italiaanse juristen (maar ook zeker Duitse) niet gewaardeerd. Een jaar later reageerde daarom de Corte, in een zaak over nationalisatie van de elektrische industrie in Italië, met het Costa v. E.N.E.L.-arrest. Het Italiaanse constitutionele hof stelde hier dat de relatie tussen Europees en nationaal recht simpel was: het meest recente stuk regelgeving ging voor.16 Dat was geen onschuldig statement. Het betekende dat de Italiaanse overheid door het uitvaardigen van een nieuwe nationale wet op zeer simpele wijze Europese regelgeving kon omzeilen – een nieuwe wet heeft immers voorrang. Dat was natuurlijk een zeer onwenselijke ontwikkeling vanuit het Brusselse perspectief en de reacties waren gemengd. Zo legde Maurice Lagrange, de toenmalige Advocaat-Generaal van het Luxemburgse Hof, met enige dramatiek de nadruk op ‘de rampzalige gevolgen [en die uitdrukking is werkelijk niet overdreven] die een dergelijke jurisprudentie zou hebben voor het functioneren van het in-


stitutionele stelsel van het E.E.G.-Verdrag en bijgevolg voor de gehele toekomst van de gemeenschappelijke markt’ (fig. 6). Hij vervolgde tegelijkertijd met de mededeling dat hij geen ogenblik veronderstelde dat: ‘Italië, het land dat steeds in de voorste gelederen heeft gestaan bij het bevorderen van de Europese gedachte, Italië, het land van de conferentie van Messina en het Verdrag van Rome, geen constitutioneel middel zou weten te vinden om het de Gemeenschap mogelijk te maken voort te bestaan in volledige overeenstemming met de bij het gemeenschappelijk handvest ingestelde regels.’17

gezet […] dit impliceert dat hun [van de lidstaten] soevereine rechten definitief zijn beperkt, zodat latere eenzijdig afgekondigde wettelijke voorschriften, die tegen het stelsel van de Gemeenschap ingaan, iedere werking ontberen’.18 Dit wegzetten van nationaal recht klinkt dreigend, net zoals de expliciete erkenning dat de soevereiniteit van de lidstaten is beperkt, maar was uiteraard noodzakelijk om een gemeenschappelijke markt te creëren met gelijke regels. Vanuit de lidstaten werd er wel wat gemord, maar de kritiek richtte zich vooral op het punt dat een ‘vreemde’ EU-rechter dacht te weten wat er bedoeld was in het Verdrag van Rome.19

De geboorte van een rechtsorde en de costituzionalisti italiani Nog hetzelfde jaar wees het Luxemburgse Hof het beroemde (en gelijknamige) Costa v. E.N.E.L.-arrest. Daarin verkondigde het Hof dat EU regelgeving ‘op grond van zijn bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht opzij kan worden

In 1970 barstte er breed gedragen kritiek los onder Italiaanse juristen.20 Toen ging het Hof in Luxemburg in het arrest Internationale Handelsgesellschaft nog een stap verder door te stellen dat het Europees recht zelfs voorrang had op nationale constituties.21 Het idee was tot dusverre dat het primaat van het Europese recht stuk liep op de beFig 5: Gezicht op de goederenloods van Van Gend & Loos te Leiden, met een vrachtwagen van Van Gend & Loos, foto, 1957, h 13 cm x b 18 cm, Het Utrechts Archief.

73


ginselen van de nationale grondwetten. In het Palazzo della Consulta werd deze boodschap door de Corte Costituzionale met ergernis ontvangen.22 Dat was niet heel vreemd. Het betekende in feite een degradatie van de nationale constituties tot provinciaal recht. De consequentie daarvan was volgens costituzionalisti italiani bitter - nationale constitutionele hoven waren blijkbaar slechts provinciale rechtbanken. Als de Corte akkoord ging met

deze ‘memo’ ging ze eigenlijk akkoord met een degradatie. Boven de nationale grondwetten zou voortaan het almachtige Europese recht zweven. Alleen het Hof in Luxemburg had daar iets over te zeggen. Extra pijnlijk was dat er na de oorlog langzaam maar zeker een ‘constitutioneel patriotisme’ was gegroeid rondom de Italiaanse grondwet en het Hof. Deze instituten lieten niet alleen zien dat Italië had geleerd van het fascisme, maar boden ook iets nieuws om trots op te zijn, hetgeen dan ook verleden tijd zou zijn.23 Daarnaast kwam de vraag op of het wel zo verstandig was om alle controlebevoegdheden aan Brussel uit te besteden. Grondrechten waren in de Europese verdragen niet te vinden.24 Roma locuta, causa finita Een reactie bleef dan ook niet lang uit, het Italiaanse Hof pareerde snel. In het arrest Frontini ging de Corte voor de eerste keer uitgebreid in op het wezen van de Europese rechtsorde en in niet mis te verstane bewoordingen. Vanaf de Quirinaal werd onomwonden geclaimd dat het ‘eigenlijk niet nodig is om op te merken’ dat beperkingen van de soevereiniteit gefundeerd op het Verdrag van Rome geenszins uitstrekken tot de ‘fundamentele principes van onze constitutionele orde en de onvervreemdbare rechten van de mens’. En even belangrijk: de Corte behield zich het recht voor het EU-verdrag en de daarop gebaseerde EU-regelgeving en beleid van EU-instituties te toetsen aan deze rechten en mogelijk onconstitutioneel te verklaren.25 In andere woorden: Rome kon het Verdrag van Rome buiten toepassing verklaren. Op die manier bleef Italië heer en meester over zijn lot. Volgens de Corte moest het worden uitgesloten dat de EU ooit de bevoegdheid aan zichzelf zou toekennen om fundamentele rechten en principes te schenden. Hoewel de normale Italiaanse wetgeving lager gewaardeerd werd dan de Europese regelgeving, de constitutie torende er nog steeds bovenuit. Met deze juridische conclusie had

74


het Romeinse Hof zich weer gekroond tot hoogste autoriteit.26 Op de Quirinaal lag immers nu de bevoegdheid om te beslissen of er sprake was van ‘fundamentele constitutionele beginselen’. Roma locuta, causa finita. Dit had uiteraard consequenties voor de beeldvorming. Waar de Eeuwige Stad gedurende een lange tijd geassocieerd was met het Verdrag van Rome, en in analogie daarmee met de geboorte van de Europese Unie, vervaagde dit beeld behoorlijk nadat het Italiaanse constitutionele Hof vanaf de Quirinaal een blok aan het been van het Europese project werd.

Fig 6 (links): Portret van Maurice Lagrange, 19481967. Fig 7 (rechts): Portret van Marta Cartabia, 2017. Foto: Max Allegritti.

Controlimiti: een Romeins exportproduct Het veranderende imago van Rome werd vooral gestimuleerd door de opleving van een intensieve discussie over de achterliggende ideeënwereld van de Corte. Onder Italiaanse rechtsgeleerden werd er meer en meer gesproken over het bestaan van zogenaamde controlimiti - de inperking van limiteringen van de Italiaanse soevereiniteit - ter bescherming van de principi inviolabili in de Italiaanse constitutie.27 Dit was geen instrument om het Europese project te breken, maar enkel een eeuwig voorbehoud vanuit de Eeuwige Stad: een veiligheidsmechanisme dat in werking treedt bij grove misstanden van de Europese Unie. Hoewel deze opvatting tot op de dag van vandaag binnen de Corte en onder Italiaanse juristen leeft, ligt de blijvende betekenis ervan elders in Europa. Het arrest Frontini en de theorie van controlimiti is het belangrijkste constitutionele exportproduct van Italië uit de recente geschiedenis. Het meest duidelijke voorbeeld daarvan vinden wij in Duitsland. Een jaar na Frontini wees het Bundesverfassungsgericht, het Duitse Constitutionele Hof, het Europese project nogmaals op zijn grenzen. In het beroemde Solange-arrest stelde het Duitse Hof dat zolang de EU geen grondrechtenbescherming biedt die gelijkwaardig is aan de Duitse constitutionele ordering, EU-regelgeving ‘ge-

75


woon’ getoetst werd aan de Duitse Grondwet.28 Dit was een variatie op Romeinse woorden. In 1986 werd de invloed van de eerdere beslissing van het Italiaanse constitutionele Hof nog duidelijker. In het zogenaamde Solange II arrest werd er expliciet verwezen naar de Romeinse voorloper. Ook in Duitsland was er een bepaalde ‘identiteit van de constitutionele orde’ die te allen tijde verdedigd moest worden.29 Andere constitutionele hoven - van Madrid, Parijs tot Praag – volgden in de jaren daarna.30 Hoewel de Duitse doctrine duidelijk werd geïnspireerd door het eurosceptische voorbeeld uit Rome, raakte deze ‘Romeinse oorsprong’ gedurende de loop der decennia in de vergetelheid. De reden daarvoor is simpel: de Corte blies al snel minder hoog van de toren en het Duitse Hof vervulde de rol van blaffende hond met verve.31 Dat betekent niet dat het Italiaanse Hof nu netjes in lijn loopt met Brussel. Marta Cartabia, vice-president van de Corte, stelde in 2018 nog onomwonden: ‘Als je mijn kinderen vraagt, “Waar komen jullie vandaan” zullen zij nooit zeggen: “Ik kom uit Europa”(…) Zij kwalificeren zichzelf als Italiaan. (…) Het Europese integratieproject is de nationale kant vergeten. De Europese identiteit is gefundeerd op de natiestaat – niet tegen de natiestaat. Dit laatste is een misvatting waar de EU schuldig aan is’ (fig. 7).32 Het zijn woorden die botsen met de tekst die is afgebeeld op het intrigerende plakkaat in het Palazzo dei Conservatori. Daarop wordt verteld over hoe ‘de Europese volkeren zich verenigen als het lichaam van één volk’. Deze combinatie van uitersten laat zien dat er niet één Rome is. De tegenpolen symboliseren de tweeledige verhouding van Rome en Brussel. De Eeuwige Stad legitimeerde het Europese project door haar op het Capitool de nodige historische fundamenten te verschaffen, maar schiep tegelijkertijd op de Quirinaal een traditie van euroscepsis. Om te komen waar wij zijn

76

begonnen: de geschiedenis van de relatie tussen Europa en Rome is er een van twee heuvels en twee palazzi.

1. Met dank aan Frits van Oostrom die mij in Rome op het spoor zette van de cultuurhistorische omlijsting van Europese verdragen en Bastiaan van Ganzen voor zijn scherpe observaties in het Palazzo dei Conservatori. 2. DIE XXIX MENSIS OCTOBRIS AD MMIV IN HOC SACRATISSIMO CAPITOLINO COLLE ALMAE URBISQUE TERRARUM ARCE IN PRAECLARA AUGUSTAQUE EXEDRA AB HORATIIS ET CURATIIS NUNCUPATA NATIONUM IN UNIONE EUROPEA CONIUNCTARUM SUMMI MODERATORES FOEDUS DE CIVITATIS FORMA CONSTITUENDA UT EUROPAE GENTES IN POPULI UNIUS CORPUS COALESCERENT UNO ANIMO UNA VOLUNTATE UNO CONSILIO OBSIGNAVERUNT (vertaling door auteur). 3. Preambule, Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, 1957, 11. 4. Voor de beelden zie: https://tv.iltempo.it/hometv/2017/03/26/video/lei-e-la-sindaca-la-merkel-snobba-virginia-raggi-1026725/. 5. L. Kunhardt, European Union: The Second Founding the Changing Rationale of European integration (Baden-Baden 2008) 70. 6. H. Hansen-Magnusson en J. Wüstenberg, ‘Commemorating Europe?: Forging European Rituals of Remembrance through Anniversaries’, Politique européenne, 37 (2012) 44-70, 24. 7. F. Knipping, Rom 25. Marz 1957: Die Einigung Europas (München 2004) 10. 8. Voor meer informatie over deze plaats van herinnering: J. Moralee, Rome’s Holy mountain. The Capitoline Hill in Late Antiquity (OUP 2018). 9. Voor een uitgebreid verslag van de ceremonie zie: Knipping (2004). 10. Hansen-Magnusson en J. Wüstenberg (2012) 30. (vertaling auteur) 11. Zie over deze verhouding: Nicola Lipo, Giovanni Piccirilli, The Italian Parliament in the European Union (Oxford 2017). 12. Voor een uitgebreider historisch portret: M. Cap-


pelletti, Il controllo giudiziario di costituzionalità delle leggi nel diritto comparato (Milaan 1968). 13. G. Silvestri, Le garanzie della Repubblica (Giappichelli 2009). Een rijke algemene inleiding in de Italiaanse rechtscultuur biedt: E. Colombo – L.A.H. Kvestad, ‘An Introduction to Italian Legal Culture’ in S. Koch - J. Ø. Sunde – (eds), Comparing Legal Cultures, Fagbokforlaget, 2019 (forthcoming). 14. M. Cartabia, ‘Of Bridges and Walls: the “Italian Style” of Constitutional Adjudication’, Italian Journal of Public Law>, 1 (2016) 47. 15. W. T. Eijsbouts, Het verdrag als tekst en als feit. De wedergeboorte van het Europese recht uit het vallen van de Berlijnse Muur (Amsterdam 2002) 11; H. Lindahl, ‘Acquiring a Community: The acquis and the institution of European legal order’, European law journal 9 (2003), 433-450. 16. . Corte costituzionale italiana, Costa v. Enel e soc. Edisonvolta, 7 March 1964, Foro Italiana (1964 I, 465). 17. A. Oppenheimer, The Relationship Between European Community Law and National Law: The Cases (Cambridge 2003) 59. 18. Hof van Justitie van de Europese Unie, Case C-6/64 Flaminio Costa v E.N.E.L. (1964; 585). 19. Zie voor bijvoorbeeld Duitsland: B. Davies, Resisting the European Court of Justice: West-Germany’s confrontation with European law, 1949-1979 (Cambridge 2012). 20. P. Ruggeri Laderchi, ‘Report on Italy’, in: A. Slaughter, A.S. Sweet, J.H.H. Weiler, The European Court and National Courts - doctrine and jurisprudence (Oxford 1997) 147-170, 152. 21. Hof van Justitie van de Europese Unie, Internationale Handelsgesellschaft (1970;114). 22. Voor een geschiedenis van de omgang van het Hof met het Europees recht zie: F. Sorrentino, ‘La Costituzione italiana di fronte al processo di integrazione europea’, in Quaderni costituzionali, (1993). 23. Giuseppe Dossetti, ‘Costituzione e Riforme’, Quaderni costituzionali, 2 (1995) 262. 24. Marta Cartabia, ‘Of Bridges and Walls: the ‘Italian Style’ of Constitutional Adjudication’, Italian Journal of Public Law, 1 (2016) 50. 25. Voor het debat over deze interpretatie, zie: Corte costituzionale italiana, Frontini (1973, 2; 372) annotatie van Barile; L. Sorrentino, ‘La Tutela dei Diritti Fondamentali nell’Ordinamento Comunitario ed in Quello Italiano’, in M. Cappelletti & A. Pizzorusso, L’ influenza del diritto europeo sur diritto italiano,

(Milaan 1982) 35-49. 26. Corte costituzionale italiana (1973). 27. M Cartabia, Principi inviolabili e integrazione europea (Milaan 1995). 28. Bundesverfassungsgericht, Internationale Handelsgesellschaft, ‘Solange I’ (1974; BVerfGE 37, 271); 5 Duits Constitutioneel Hof, 29 mei 1974, BVerfGE 37, 271, § 56 (‘Solange-I’). 29. Bundesverfassungsgericht, Wünsche Handelsgesellschaft, ‘Solange II’ (1986; BVerfGE 73, 339). 30. Voor een intrigerende transfergeschiedenis: J.H. Reestman, The Franco-German Constitutional Divide : Reflections on National and Constitutional Identity’, European Constitutional law review (2009); L, Besselink, ‘National and Constitutional Identity before and after Lisbon’ Utrecht Law Review 6 (2010). 31. Corte costituzionale italiana, Granital, (1984, CC 170/84) Common market Law review, 756, annotatie van G. Gaja. 32. Zie het interview op: law.nyu.edu/news/ emile-noel-lecture-marta-cartabia-constitutional-court-italy-jean-monnet-center-international-and-regional-law-justice (geraadpleegd op 01-092019). Afbeeldingen Fig. 1: Foto: auteur. Fig. 2: Afbeelding in publiek domein, bron Wikimedia Commons. Fig. 3: Afbeelding in publiek domein, bron Wikimedia Commons. Fig. 4: Foto: Rogier Kalkers © Roma Aeterna. Fig. 5: Foto: W.P.F.M. van Schaik. Afbeelding in publiek domein, bron: Wikimedia Commons. Fig. 6: Afbeelding in publiek domein, bron: National Archives United States of America. Fig. 7: Afbeelding in publiek domein, bron: Wikimedia Commons.

77


De archieven van Pius XII Van de redactie

B

egin 2018 bracht de redactie van Roma Aeterna een bijzonder bezoek aan Vaticaanstad. Wij werden er ontvangen en rondgeleid door Prof. Dr. Johan Ickx, Minutant en Verantwoordelijke voor het Historisch Archief van de Afdeling voor de Betrekkingen met de Staten van het Staatssecretariaat van de Heilige Stoel. Hij beheert het archief in opdracht van Mgr. Paul Richard Gallagher, Secretaris voor de Relaties met Staten, “minister van Buitenlandse Zaken” van het Vaticaan. De archieven die onder Ickx’ verantwoordelijkheid vallen zijn uniek. Ze gaan terug tot de Franse revolutie en behoren tot de compleetste diplomatieke archieven van Europa sinds die tijd. ‘Als gevolg van de Franse revolutie en de herverkaveling van Europa tot de natiestaten die we nu kennen’, zo vertelde Ickx, ‘heeft het Vaticaan zijn diplomatieke apparaat grondig herzien. Die herziening heeft de basis gevormd voor zowel het moderne diplomatieke netwerk als voor het archief dat we nu hebben.’

Fig 1 (rechts): Monseigneur Pacelli, de latere paus Pius XII, 1920, Berlijn.

In 2010 werd Ickx naar het Staatssecretariaat geroepen door Paus Benedictus XVI met de opdracht het archief te moderniseren en het toegankelijker te maken. Sindsdien zijn onder zijn leiding meer dan een miljoen documenten gedigitaliseerd. Ook werd de Borgia-toren verbouwd om nieuwe (digitale) onderzoeksruimtes te huisvesten. ‘Het archief beslaat vele kilometers aan planken. Mensen die hier de weg niet kennen, hebben zeer veel moeite om er iets te vinden’, aldus Ickx. ‘Daarnaast kampen wij, zoals elk archief, met het gegeven dat de tand des tijds originele documenten verweert. Doordat we nu alles scannen en digitaal beschikbaar maken met een daartoe speciaal ontworpen virtuele inventaris zullen externe onderzoekers veel makkelijker veel meer informatie uit het oorspronkelijke bronnenmateriaal kunnen halen.’ Het is op zichzelf bijzonder dat zo een oud, omvangrijk archief op deze schaal wordt ontsloten. Daarbij moeten we bovendien overwegen dat de Vaticaanse archieven zeer waardevol zijn in een bredere, Europese context. Het Vaticaan is als staat weliswaar niet neutraal maar wel altijd formeel onpartijdig gebleven. De bewaarde documenten geven dus een unieke kijk op het reilen en

78

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl

zeilen van Europa en meer in het bijzonder op de diplomatieke besluitvorming. Die heeft dikwijls achter gesloten deuren plaatsgevonden of de neerslag ervan is achter gesloten deuren bewaard. Pius XII, oorlogspaus Tijdens ons bezoek heerst er nog een serene stilte in de Borgia-toren. Toch is er – los van het unieke karakter van het archief – een specifieke reden om te veronderstellen dat de vernieuwde onderzoeksruimtes binnenkort druk bezet zullen worden door onderzoekers uit heel Europa en ver daarbuiten. Enige tijd na ons Vaticaanse bezoek maakte Paus Franciscus namelijk bekend dat met ingang van 2 maart 2020 de archieven van oorlogspaus Pius XII worden opengesteld. Dit tot groot genoegen van met name joodse en katholieke historici, die hier decennialang op hebben aangedrongen. Op de dag dat de archieven voor het publiek toegankelijk worden zal het exact 80 jaar geleden zijn dat de Italiaanse kardinaal Eugenio Pacelli tot Paus werd gekozen en begon aan een lang en roerig pontificaat. Op 2 maart 1939 bevond Europa zich in een van de donkerste episoden uit zijn geschiedenis. De meeste landen waren nog niet hersteld


79


van de Eerste Wereldoorlog en hadden in de jaren ’20 en ’30 bovendien een zeer omvangrijke economische crisis doorgemaakt. Nog maar 10 jaar eerder had de vorige Paus, Pius XI, met de Italiaanse dictator Benito Mussolini overeenstemming bereikt over de verhouding tussen de Kerk en de Italiaanse Staat. Dit zogeheten Verdrag van Lateranen bleek echter een jong en wankel evenwicht. Italië erkende ermee de soevereiniteit van de Heilige Stoel, verhief het rooms-katholicisme tot staatsgodsdienst van Italië, en compenseerde het Vaticaan financiëel voor eerder in beslag genomen bezittingen. Hoewel het Vaticaan tot dan toe in tijden van oorlog een strikt onpartijdigheidsbeleid had gevoerd, werd mede door dit verdrag de druk om partij te kiezen voor het bewind van de dictator en zijn bondgenoten steeds verder opgevoerd. Krap een jaar na de inwijding van Pius XII brak de Tweede Wereldoorlog uit. Het is deze periode uit Pius’ pontificaat waarvoor onderzoekers verreweg de meeste belangstelling hebben. Er bestaat namelijk de nodige controverse over de positie van het Vaticaan en de rol die Pius XII (niet) zou hebben gespeeld in dit alles. Er zijn veel naoorlogse critici die menen dat Pius zich onvoldoende zou hebben ingespannen voor joodse minderheden in Europa en andere slachtoffers van de Holocaust. Het Vaticaan zou hebben weggekeken en het Duitse bewind zijn gang hebben laten gaan. Om deze reden dringen Joodse organisaties als Yad Vashem al jaren aan op openstelling van de archieven. Ook katholiek historici en algemeen geschiedkundigen uit alle geledingen van de Europese samenleving kijken halsreikend uit naar het moment dat dit gebeurt. Men zal zich dan voor het eerst, en gezamelijk, op basis van materiaal uit eerste hand een beeld kunnen vormen van de Europese diplomatieke besluitvorming in deze kwestie vanuit het perspectief van het Vaticaan. Een nieuw tijdperk Nu de archieven van zijn pontificaat vol-

80

gend jaar open zullen gaan, zullen onderzoekers na lange tijd een beeld kunnen vormen van de houding die Pius XII (achter de schermen) in de Tweede Wereldoorlog heeft aangenomen. Het dominante beeld van zijn lakse houding ten aanzien van het handelen van het Naziregime en de rol van Mussolini hierbij zou volgens Ickx met de openstelling van de archieven de komende jaren wel eens aanzienlijk bijgesteld kunnen worden. De afgelopen jaren heeft de Vlaming veel werk verricht om alle archiefstukken met betrekking tot Pius XII bijeen te brengen. Hierbij zijn documenten gevonden die tot dan toe nooit aan het licht zijn gekomen. In 2017 publiceerde Ickx al het boek De oorlog en het Vaticaan, waarin hij nieuw licht laat schijnen op het geheim verzet dat diverse geestelijken opzetten na de brand van Leuven. Bij deze tragische gebeurtenis aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ging de historische Universiteitsbibliotheek volledig in vlammen op en hebben Duitsers op gruwelijke wijze de bevolking van Leuven uitgemoord. Pacelli, toen nog monseigneur, werkte in die periode als Secretaris van de congregatie voor Buitengewone Kerkelijke Aangelegenheden. Vanuit deze positie heeft hij, zo toont Ickx in zijn boek aan, een zeer prominente rol gespeeld in de organisatie van het anti-Duitse geheime verzet dat vanuit Rome werd opgezet. Normaal opent het Vaticaan de archieven van elk van de opvolgers van Petrus pas 70 jaar na diens overlijden. Voor Pius XII zou dat betekenen dat zijn archieven op zijn vroegst zouden opengaan in 2028. Dat dit voor het moderne Europa lang zou duren besefte ook de vorige (Duitse) Paus Benedictus XVI. Hij gaf in 2006 dan ook opdracht voor de start van het grootschalige project om alle documenten bijeen te brengen om ze voor onderzoek toegankelijk te maken. Franciscus zet het werk van zijn voorganger voort. Dat Paus Franciscus nu heeft besloten om te breken met een Vaticaanse traditie door de archieven van Pius


Fig. 1: Johan Ickx toont de redactie van Roma Aeterna enkele documenten uit het Historisch Archief.

XII vroegtijdig te openen is bijzonder. ‘De kerk is niet bang voor de geschiedenis’, zei hij in zijn bekendmaking. Vanaf 2 maart 2020 zijn de historici aan zet. Mogen deze voor Europa zo belangrijke diplomatieke archieven de komende jaren bijdragen aan verdere verwerking van een van de donkerste perioden uit de geschiedenis van ons continent. Wij danken professor Ickx en zijn collega’s voor hun baanbrekende werk en voor hun gastvrije ontvangst. Afbeeldingen: Fig 1: Afbeelding in publiek domein, bron: Bibliothèque Nationale de France. Fig 2: Foto: Rogier Kalkers. © Roma Aeterna.

81


ESSAY: Imperium sine fine, ook in de 21e eeuw? Victor Broers

H

is ego nec metas rerum nec tempora pono: imperium sine fine dedi (Aan hen stel ik geen paal en perk in macht en in tijd; hun geef ik een rijk zonder einde)1, zo had de almachtige oppergod Jupiter eens bepaald. Volgens Vergilius, die Jupiters woorden optekende in zijn epische stichtingsmythe, was hiermee het lot van de stad die in 753 v. Chr. door Aeneas werd gesticht definitief bezegeld: Rome zou tot het einde der tijden over de wereld heersen. Lang was Rome machtig, al zou Vergilius waarschijnlijk stilvallen van verbijstering als hij in staat was geweest om vanuit onze tijd terug te kijken op de ontwikkeling van de macht van Rome in de twee millennia na zijn dood. Hij had immers nog niet kunnen vermoeden dat het vanaf de 4e eeuw niet Jupiter en de zijnen maar die Christelijke God was die Rome ongekend machtig en invloedrijk zou maken. In de 20e eeuw echter zag Rome, als gevolg van secularisering en veranderende politieke verhoudingen in Europa, haar invloed op ons continent gestaag afnemen. Tegenwoordig wordt zij door menig Europeaan dan ook eerder beschouwd als openluchtmuseum dan als een invloedrijk bestuurscentrum. Is er aan een lange cyclus van komen en gaan van Romes macht in onze tijd definitief een einde gekomen? Of zal de stad ons verrassen en opnieuw een invloedrijke positie verwerven in het Europa (en de wereld) van de 21e eeuw? Een stad in verval De ontwikkeling van Rome als culturele, religieuze en politieke Caput Mundi is een unieke geschiedenis die zich uitstrekt over meerdere millennia. De opkomst van Rome en haar invloed als wereldstad in de oudheid zijn al lange tijd een populair onderwerp van studie. Vanaf de publicatie van The History of the Decline and Fall of the Roman Empire door Edward Gibbon in 1776 hebben velen zich over vragen gebogen als ‘hoe kon het Romeinse Rijk zich zo succesvol ontwikkelen?’ en ‘hoe kon Rome als het epicentrum van dat rijk haar positie zo lang bestendigen?’ Een eenduidig antwoord op de vraag naar Romes succes is nog altijd niet gevonden. Sommigen leggen de nadruk op de structuur van de Romeinse staatsinrichting, anderen op de militaire strategieën en de unieke manier waarop Rome andere volkeren inlijfde. Ook naar de geboorte van Romes tweede leven, als centrum van de christelijke wereld, is nog altijd veel (wetenschappelijke) interesse. Wat opvalt in studies naar Rome als bestuurscentrum is dat zij de invloed van Rome op het reilen en zeilen van Europa veelal als een fenomeen van het verleden beschouwen. Op het eerste gezicht is dat begrijpelijk. Wie vandaag de dag de stad bezoekt wordt weliswaar getrakteerd op een unieke caleidoscoop der historie, maar ziet daar bovenop vooral een stad van voortdurende bestuurlijke chaos, frustrerende vriendjespolitiek, grote afvalproblemen, achterstallig onderhoud en armoede. Kortom: niet een stad die de toon zet in de moderne vaart der volkeren, maar een die vooral ook lijkt te stagneren in lethargie en verval. Jonge Romeinen trekken massaal weg: zij zoeken hun heil liever in Milaan, Turijn of buiten Italië. Het gevoel van jonge Romeinen en toeristen is te begrijpen. In de Europese politieke arena is Rome sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog veel van zijn invloed verloren. Weliswaar behoort Italië (met Rome als hoofdstad) tot een van de zes founding fathers van de Europese Ge-

82

Roma Aeterna 7.II (najaar 2019) www.romaaeterna.nl


meenschap (de voorloper van de EU), maar het zwaartepunt van de besluitvorming binnen dit samenwerkingsverband heeft de afgelopen decennia duidelijk ten noorden van de Alpen gelegen. Regelmatig werd Rome overtroefd door Brussel, Parijs en Berlijn - en de les gelezen aangaande haar economisch beleid. In de afgelopen tien jaar is er bijna geen jaar voorbij gegaan waarin de Italianen niet hun begroting en fiscale plannen voor het volgende jaar hebben moeten aanpassen op aanwijzing van de Europese Commissie. In 2011 bereikte de onderdanige positie van Rome en de Italianen een voorlopig dieptepunt toen premier Silvio Berlusconi zich genoodzaakt zag af te treden onder druk van de Noord-Europese politiek leiders Angela Merkel en Nicolas Sarkozy, die hem zagen als een bedreiging voor de aanpak van de Eurocrisis (fig. 1). ‘Rome is definitief gevallen, de barbaren hebben gewonnen’, zo luidde een veel gehoorde uitspraak in Rome in die dagen.

Fig. 1: De Italiaanse minister-president Silvio Ber­­lusconi tussen overleggende wereldleiders op de G8 top in L’Aquila in juli 2009. Foto: Pete Souze, het Witte Huis.

Rome: de eeuwig terugkerende stad Voor wie de huidige staat van de stad en de politieke staat van Italië als uitgangspunt neemt is het verleidelijk om toe te geven aan de ‘Avondlandmelancholiek’ waar menig Romein zich heden ten dage in wentelt. Wat er dan nog van Rome rest is slechts een educatief toneel waarop middelbareschooldocenten ieder jaar een week lang een groep gymnasiasten achter zich aan slepen. Het risico bestaat dat wij hiermee het belang van de positie van het Rome van vandaag sterk onderschatten. Ter verruiming van onze kijk op de stad wil ik eens een blik op de toekomst richten. Voordat we dit doen is het wellicht goed om een moment stil te staan bij het feit dat Rome tijdens haar lange bestaan regelmatig als machtscentrum is opgegeven. Ook hierin kent zij ironisch genoeg

83


Fig. 2: China’s One Belt, One Road plan voor de aanleg van een nieuwe zijderoute. Kaart: Rogier Kalkers.

haar eigen, lange traditie. In het begin van de 4e eeuw gaf Keizer Constantijn Rome als hoofdstad op voor het toenmalige Byzantium, dat kort na zijn verhuizing werd omgedoopt tot Constantinopel. De verhoudingen in het Romeinse Rijk waren zodanig veranderd dat een bestuurlijke herinrichting noodzakelijk bleek. Rome voldeed qua ligging en qua stadstructuur niet langer aan de eisen. Een ander voorbeeld vinden we een kleine 1000 jaar later, in Romes tweede leven, als bestuurscentrum van de Christelijke wereld. Aan het begin van de 14e eeuw verkeerde Europa in een roerige periode van sterk schuivende machtsverhoudingen, waarbij de Duitse Keizer en de Franse Koning streden om de macht. In dit voortdurende politieke schaakspel deed Koning Philips IV in 1309 een opmerkelijke zet: hij wist zijn landgenoot Paus Clemens V ervan te overtuigen om de zetel van de Heilige Stoel te verplaatsen naar Avignon. Met dit verlies van het Pauselijke hof raakte Rome sterk in verval, totdat begin 1377 Paus Gregorius XI besloot zich weer in Rome te vestigen. In tegenstelling tot veel andere steden en machtscentra in onze geschiedenis is het verhaal van Rome geen mono-cyclisch verhaal van opkomst en verval. Het is bovenal een verhaal van vooraf vaak onmogelijk geachte transformatie en heruitvinding. De bijnaam Eeuwige Stad dankt zij dan ook niet zozeer aan continue, stabiele positie van Caput Mundi (hoofdstad van de wereld) maar juist aan het feit dat mensen in verschillende tijden, van verschillende culturen, van binnen en van buiten Rome, de stad telkens weer opnieuw bezochten en als basis namen voor een toekomst. Finis of een nieuw hoofdstuk? Of je nu van Rome houdt of haar vervloekt, de Eeuwige Stad zou weleens een grotere stempel kunnen gaan drukken op het Europa van de 21e eeuw dan zij in de afgelopen decennia heeft gedaan. Niet omdat de hedendaagse Romein zich zo proactief opstelt. Ook niet vanwege Romes mythische verleden waaruit de laatste tijd soms schaamteloos geput wordt door complot-predikende augurs die uit de vlucht van de uil van Minerva menen te kunnen concluderen dat Europa ten onder gaat. Rome zal belangrijk blijven, eenvoudigweg door haar ligging in de wereld, een epicentrum waar culturen, ideeĂŤn en handelsstromen samenkomen. Om het belang hiervan te begrijpen is het goed om ons licht te werpen op een aantal krachtenverschuivingen die momenteel

84


in onze wereld gaande zijn. Nu al, maar zeker ook in de komende decennia zal Europa worden geconfronteerd met heel andere uitdagingen dan waarvoor zij 70 jaar geleden gesteld werd toen men de basis legde voor wat uiteindelijk de Europese Unie zou worden. Het naoorlogse Europese project kwam voort uit de noodzaak om een stabiele, vreedzame as te creëren tussen Frankrijk en Duitsland. Het resultaat is een succesvol Europees samenwerkingsverband dat geen precedent kent. Om dit Europa voort te zetten in de komende eeuw zullen we echter moeten erkennen dat de uitdagingen van vandaag en morgen zich niet zozeer manifesteren op de as Parijs-Berlijn maar in Oost-Europa, de Balkan en het mediterrane gebied. Over welke zichtbare en minder zichtbare uitdagingen en krachtenverschuivingen hebben we het dan concreet? Een zeer belangrijke geopolitieke krachtenverschuiving hangt samen met de ontwikkeling van de Chinese ‘Zijderoute over zee’. Westerse media hebben er weinig aandacht voor dat de Aziatische grootmacht al sinds de jaren ’90 aan een kolossaal One Belt, One Road-initiative bouwt (fig. 2). Met dit project domineert China in toenemende mate de belangrijkste handelsroutes naar Europa. China doet dit onder meer door in alle tussenliggende landen infrastructuren op te kopen en haar eigen handelsstandaarden op te leggen. Aanvankelijk was dit vooral een project van wegen en spoorwegen en liepen de belangrijkste trajecten richting Noord-Europa. Maar dat is inmiddels veranderd. Sinds een aantal jaar heeft China zijn focus verlegd naar Zuid-Europa. Momenteel werkt het land aan een handelsroute die rechtstreeks van Oost-Azië, via Oost-Afrika naar Italië en Griekenland loopt. Dit traject is veel stabieler, minder afhankelijk van Rusland en vergt een kleiner aantal complexe partnerschappen met de landen die tussen China en Europa liggen. Bijkomend voordeel voor de Chinezen is dat zij op deze manier de grondstoffen die zij op grote schaal delven uit Afrikaanse mijnen op de Europese markt kunnen brengen. De centrale vraag voor Europa is waar die handelsstromen aan land komen. Griekenland was aanvankelijk een goede kandidaat, nadat de Chinese rederij Cosco in 2016 de haven van Piraeus voor een spotprijs had gekocht. Dit werd mogelijk dankzij het beleid van de noordelijke Eurolanden. Op het meest kritieke moment in de Eurocrisis eisten zij, in ruil voor hun financiële steun, van de Griekse regering dat die diverse staatseigendommen zou verkopen om schulden af te lossen. Qua logistiek, schaal en toegang tot industriegebieden heeft Italië de Chinezen echter veel meer te bieden. De regering in Rome weet dit. De afgelopen tijd sloot zij dan ook verschillende akkoorden met de Chinezen, die inmiddels hard aan het investeren zijn geslagen in havensteden als Bari en Brindisi (fig. 3). Zo hoopt Italië (met Rome voorop) de komende jaren de nieuwe spil te worden in het mediterrane gebied wat betreft de handel met Azië en Afrika. Hier vaart Rome in stilte een eigen koers, zonder zich al te veel van de andere Europese lidstaten en hun belangen aan te trekken. Duitsland, Nederland en Frankrijk kijken vanaf de zijlijn toe en kunnen tot nu toe weinig meer doen dan dat. Frankrijk realiseerde zich dit al in een vroeg stadium. Het was oud-president Nicolas Sarkozy die, toen hij in 2008 op staatsbezoek was in Marokko, reeds het idee lanceerde tot de oprichting van een Mediterrane Unie. Hij stelde voor om een handels- en samenwerkingsverband van landen rond de Middellandse Zee op te richten dat rekening houdt met de rest van Europa maar wel volledig onafhankelijk van de Europese Unie kan opereren. Sarkozy deed dit duidelijk om het initiatief weer naar Frankrijk toe te trekken, in plaats van Rome en Athene de leiding te

85


laten nemen in diverse ontwikkelingen. Met name bij de Noord-Afrikaanse landen werd het plan met enthousiasme ontvangen maar kort daarna zou de Arabische Lente (in 2011) het project in een la doen verdwijnen. In 2016 pakte de Griekse premier Tzipras het initiatief op en deed een nieuwe uitnodiging aan de betrokken landen. Zijn motief hiervoor was overduidelijk om weerstand te bieden tegen de dwingende invloed die Frankrijk en Duitsland sinds het uitbreken van de Eurocrisis hadden uitgeoefend. Dit werd door de Italiaanse regering in Rome koeltjes beantwoord omdat zij, volgens diverse diplomatieke bronnen, op de achtergrond inmiddels zelf werkte aan een soortgelijk plan. Een veel zichtbaardere ontwikkeling die zorgt voor belangrijke krachtenverschuivingen in Europa is natuurlijk de migratie en de grote humanitaire uitdaging die ermee samenhangt. De afgelopen jaren vonden reeds vele duizenden vluchtelingen op tragische wijze de dood in de Middellandse Zee in een poging Europa te bereiken. De uitbraak van de Arabische Lente en de gewapende conflicten die deze in gang zette deed de migratie fors toenemen. Toch is het een breed gedragen misverstand dat het hier gaat om een nieuw en tijdelijk fenomeen. Al in de jaren ’80 en ’90 vluchtten honderdduizenden Afrikanen vanwege de structurele werkeloosheid, uitzichtloosheid, stagnerende economieën en de dictatoriale onderdrukking in zo’n beetje alle Noord-Afrikaanse landen. Dit zijn veelal problemen waaraan Europa overigens in niet onbelangrijke mate heeft bijgedragen; onder andere door lokale machthebbers in het zadel te houden omwille van geopolitieke- en handelsbelangen. Volgens instituten als de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de UNHCR, die de migratie al decennia lang monitoren, is het ook naïef om te denken dat de toename van tijdelijke aard zal zijn. Op basis van de demografische prognoses (lees: de exponentiele toename van bevolkingsaantallen in Noord-Afrika) alleen al, verwachten de meeste experts dat vele miljoenen Afrikanen de komende decennia zullen migreren naar de Balkan en naar Europa. Onvoldoende voedselproductiecapaciteit en chronisch gebrek aan drinkwater in hun eigen landen beletten hen eenvoudigweg te blijven. Daar kunnen we in Noord-Europa een hoop van vinden, maar het zijn uiteindelijk de zuidelijke lidstaten, en met name Italië, die hier als eerste direct mee te maken hebben. De opstelling van de regering in Rome heeft direct zijn weerslag op de politiek van andere landen in Europa. En de afgelopen tijd werd al duidelijk dat Rome, ondanks grote externe druk, ook op dit onderwerp er niet langer voor terugdeinst om volledig haar eigen koers te varen. Hedendaagse omstandigheden veranderen dus opnieuw de verhouding tussen Europa en Rome. Of het nu gaat over migratie, de toegang tot grondstoffen of de handel met Afrika en Azië, op al deze fronten zijn andere en intensievere vormen van samenwerking nodig, met Italië en andere mediterrane landen, dan de Brusselse onderhandelingstafel met haar bestaande verhoudingen kan bieden. Bovengenoemde dynamieken spelen weliswaar ook in Griekenland en in mindere mate ook in Spanje, maar daar geldt dat de noordelijke lidstaten nog druk kunnen uitvoeren middels hun eurocrisis-gerelateerde steun aan beide landen. Italië kampt overigens met gelijksoortige financiële problemen. De Italiaanse overheid heeft naar verhouding de grootste schuld van Europa. Haar schulden zijn daarbij zo groot in absolute omvang dat het zelfs de rijke Eurolanden de pet te boven gaat. Mocht het land werkelijk niet meer in staat zijn om zijn financieringslasten te voldoen, is Italië dus eenvoudigweg te groot om te worden gered. Daarmee kan Rome politiek druk zetten. De huidige regering is bereid om te onderhandelen met Europa maar zij stelt zich lang niet meer zo toegeeflijk op als zij de afgelopen decennia heeft gedaan. Ondertussen kan Europa weinig doen, want als het fout gaat met Italië heeft de Eurozone als geheel wellicht nog wel meer last dan Italië zelf. Dit draagt bij aan de invloedsfeer die Rome

86


stilletjes aan voor zichzelf aan het herwinnen is. Grootschalige immigratie en het aangesloten blijven bij snel verschuivende handels- en grondstoffenstromen zijn natuurlijk slechts twee uitdagingen uit een veel bredere pallet waar ons continent de komende decennia mee te maken krijgt. Zij zijn echter bepalend genoeg om het bijzondere Europese samenwerkingsproject dat decennia geleden werd gestart te maken of te kraken. En in beide uitdagingen heeft Rome, als hoofdstad van Italië en als belangrijk zenuwcentrum in de mediterrane wereld, een sleutelrol te vervullen.

Fig. 3: De haven van Bari bij nacht. Foto: Manfrys.

Het naoorlogse Europa van de laatste decennia van de 20e eeuw was primair georiënteerd op het ideaal van een open wereld waar machtspolitiek samen kwam te hangen met handelspolitiek. Vrijhandel met de Angelsaksische wereld stond centraal. In dat Europa vormde Rome (als historische Caput Mundi) eerder een symbolische belichaming van 3000 jaar Europese beschavingsgeschiedenis dan een geopolitieke speler van belang. In de wereld van tegenwoordig zijn die oude zekerheden in toenemende mate aan verandering onderhevig. Politieke ontwikkelingen in zowel de Verenigde Staten als in het Verenigd Koninkrijk dwingen Europa om zijn verhouding tot de Angelsaksische wereld kritisch te evalueren. Aangezien die focus op het Westen de afgelopen decennia zo bepalend is geweest voor de (Noord- en West-)Europese identiteit, dwingt die Europa in feite om zichzelf opnieuw uit te vinden. In dit zoekende Europa ligt veel ruimte voor Rome, en voor Italië, om in de 21e eeuw een stuk van haar oude, politieke invloed te herwinnen. 1. Vergilius, Aeneis I, v. 278-279 Afbeeldingen Fig 1: Afbeelding in publiek domein, bron: The Official White House Photostream. Fig 2: © Roma Aeterna, bron: The Economist. Fig 3: Afbeelding in publiek domein, bron: Wikimedia Commons.

87


Auteursbiograf ieën Baeten en Wesselink Leo Baeten en Guus Wesselink zijn actief bij de Vereniging Pelgrimswegen naar Rome. Zij schreven hun bijdrage in het kader van een samenwerking met Roma Aeterna. Broers Victor Broers is publiek denker en Europa-expert. Hij studeerde rechten aan de Universiteit van Amsterdam en verdiepte zich in economie en geopolitiek aan de London School of Economics. Hij werkte voorheen in Den Haag en Brussel voor het Nederlands Ministerie van Financiën en heeft tegenwoordig zijn eigen adviesbureau (Victor Broers Consultancy) op het gebied van grote systeem transities. Tevens is Victor is oud hoofdredacteur van Roma Aeterna. Graaf Niels Graaf studeerde geschiedenis en rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is als promovendus verbonden aan de Universiteit Utrecht en doet (historisch) onderzoek naar de rechtswetenschappelijke omgang met de EU in Duitsland, Frankrijk, Italië en Nederland. Jehoel Gaila Jehoel (1971) is in 2019 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd op Het culturele netwerk van Jan van Scorel: schilder, kanunnik, ondernemer en kosmopoliet. Ze studeerde aan drie kunstacademies, de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. Als kunsthistoricus is ze gespecialiseerd in de kunstmarkt, netwerken en de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Ze doceert Kunstgeschiedenis en Kunsteducatie aan de Hanzehogeschool, waar ze tevens een onderzoeksleerlijn voor de Master Leiderschap ontwikkelde. Ze verzorgt het vak KMCII bij de master Kunst, Markt & Connaisseurschap van de Vrije Universiteit. Daarnaast leidt ze rond op kunstbeurzen als TEFAF en PAN.

Maas Tycho Maas (1988) is promovendus aan het Amsterdam School for Cultural Analysis (ASCA, Universiteit van Amsterdam) en aan de Universiteit van Stellenbosch, Zuid-Afrika. Zijn onderzoek richt zich op beeldvorming over inheemse Zuid-Afrikaanse bevolkingsgroepen in literatuur. Hij is daarnaast docent Latijn en Nederlands in het voortgezet onderwijs, hoofdredacteur van Roma Aeterna en redacteur bij Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur. Olthof Gerard Olthof (1954) studeerde Geschiedenis aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hij werkte daarna als docent, conrector, rector en onderwijsbestuurder. In 2017 publiceerde hij een reisgids over Rome: Drie keer Rome. 25 Wandelingen langs monumenten van keizers, pausen en fascisten (Den Haag 2017). Sinds 2018 heeft hij een reisbureau, Amor-Roma, dat culturele reizen voor kleine groepen geïnteresseerden naar de Italiaanse hoofdstad organiseert. Van Ooijen Jo’anne van Ooijen (LLM, MA) is jurist en kunsthistorica. Zij behaalde in 2012 cum laude haar Master in de kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden met een specialisatie in de vroegmoderne periode. Naast haar werk als jurist voor het Rijk werkt zij freelance als kunsthistorica, onder andere voor de Ethische Codecommissie voor Musea. Zij houdt zich bezig met schrijven over kunst- en architectuurgeschiedenis, in het bijzonder over ‘gelaagde’ objecten die zij aanduidt als palimpsesten en over hun rol en betekenis voor de bestudering van materieel cultureel erfgoed. Van de Velde Suzan van de Velde is promovenda aan de Universiteit Leiden, waar zij ook haar bachelor en master Klassieke Archeologie behaalde. Haar promotie onderzoek richt zich op de introductie en impact van Griekse originele sculpturen in Republikeins Rome en is onderdeel van het door NWO gesubsidieerde Zwaartekracht programma ‘Anchoring Innovation’.


34


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.