Page 1

Een ander klimaat Later is nu

“Hoe worden we de stad die wij willen zijn?” Marieke van Doorninck

“Ons probleem is niet de uitstoot van verkeerde gassen” Paul Kingsnorth

"Door het gewoon te dóen, krijg je mensen mee" Derk Loorbach


Rijnboutt magazine

2

Inhoud P.03 Voorwoord P.04 “Dit is niet ambities stapelen, het is werken aan de ideale stad”

Marieke van Doorninck, wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid Gemeente Amsterdam Tekst: Catja Edens

P.09 Lodewijk van Deysselbuurt, Amsterdam West P.10 Post Utrecht, Utrecht P.11 Backer+Rueb, Breda P.13 De mythe van de vooruitgang Tekst: Jan van Grunsven

P.16 “De bouwwereld zal een renovatiesector worden”

Derk Loorbach, directeur DRIFT en hoogleraar Sociaal-economische Transities Erasmus Universiteit Rotterdam Tekst: Mark Hendriks

P.20 Middenzone Gezondheidspark, Dordrecht P.21 Merwede, Utrecht

P.46 “Onze aannames kloppen niet”

Peter van Assche, architect en oprichter bureau SLA en lector Architecture & Circular Economy Academie van Bouwkunst Amsterdam Tekst: Willemijn de Jonge

P.22 P.50 De ontbrekende schakel Lutkemeerpolder in de kringloopgedachte Beeldbijlage Tekst en beeld: Rufus de Vries zijn wíj Tekst: Kirsten Hannema

P.26 Mens, ga tuinieren Tekst: Antonia Weiss

P.30 Panorama Julianadorp P.41 De walnotenboom

Tekst en beeld: Marleen van Driel

P.42 Het ontwerpproces als kralenketting

Matthijs Bouw, architect, stedenbouw­kundige en oprichter One Architecture & Urbanism (ONE) en Associate Professor of Practice Urban Resilience Certificate Program University of Pennsylvania Tekst: Jorinde Seijdel

P.52 “Weten dat ze er zijn is niet genoeg”

Jan Maas en Philomene van der Vliet, landschapsarchitecten en oprichters BOOM Landscape Tekst: Mark Hendriks

P.55 Doorslagzone, Nieuwegein P.56 Mobiliteit en gezondheid voor de toekomst van de stad Tekst: Richard Koek

P.61 Werf bij de Sluis, Muiden P.62 Hoogstraat, Rotterdam

Cover Horizon van Nederland Fotografie Alexander Gerst, ESA astronaut tijdens ISS missie 056 (bron: Earth Science and Remote Sensing Unit, NASA Johnson Space Center)


Rijnboutt magazine

3

Een ander klimaat Later is nu Niet eerder is het draagvlak voor binnenstedelijke plannen met een duurzaam ruimtegebruik zo groot. ‘Verdichting’ is hierbij het toverwoord. Gedacht wordt aan een sterke vergroeningsslag met een maximaal gebruik van bestaande voorzieningen en infrastructuur in combinatie met de nabijheid van mensen, banen en voorzieningen. De stad als voedingsbodem voor maatschappelijke vernieuwing, dat is het credo. Met vanzelfsprekend meer ruimte voor natuur, bossen en natuurinclusieve landbouw. COVID-19 en het ‘nieuwe normaal’ van de anderhalvemetersamenleving werpen op deze denkwijze een heel nieuw licht. Is dichtheid wel het antwoord op een duurzaam en gezond leven? Is het zo verstandig om met veel mensen dicht op elkaar te leven en te werken? Willen we nog in hoogbouw wonen? Wat is de toekomst van kantoren? Biedt thuiswerken niet evenveel mogelijkheden voor een creatief en succesvol leven? Hoe noodzakelijk zijn al die vervoersbewegingen eigenlijk? Aan een gedegen voorspelling hoe de coronacrisis op eigen bodem gaat uitpakken, waagt zich vooralsnog niemand. Er zijn de wensdenkers die in corona het kantelpunt zien voor een duurzamere toekomst. De aanpak waarmee de pandemie te lijf wordt gegaan, waaronder maatregelen die het klimaat niet helpen, toont echter weinig gevoel voor de urgentie van het klimaatprobleem. Zeespiegelstijging, het verlies aan biodiversiteit, droogte, hittestress: de korte termijn lijkt voorrang te krijgen op de lange. Onlangs publiceerde scheidend rijksbouwmeester Floris Alkemade De toekomst van Nederland, een essay over “De kunst van richting te veranderen”. Hierin besteedt hij aandacht aan de grote vraagstukken waar Nederland voor staat. Zoals de gevolgen van klimaatverandering, vergrijzing, energietransitie, verduurzaming van de landbouw en de nieuwe woningnood. Om in een interview in NRC Handelsblad hieraan in één adem de COVID19-pandemie te verbinden: “De coronacrisis noopt tot improvisatie, een vorm van intelligentie die we te weinig aanspreken” 1. In datzelfde gesprek zegt hij: “Er ontstaat een verlangen naar collectiviteit, we denken na over wat we delen. Het publieke domein en de stad krijgen meer betekenis. Dit is een les voor de omgang met de klimaatcrisis: niet alleen doen wat we moeten maar ook wat we willen.” 2 Dat we niet kunnen doorgaan op de oude voet, daarover lijkt het merendeel het eens; de urgentie

om te veranderen is ontegenzeggelijk aangetoond. We moeten de gelegenheid te baat nemen om de noodzaak van een gezonde stedelijkheid nog sterker te agenderen. Dat beperkt zich niet tot de stad maar strekt zich ook uit naar de gebieden daarbuiten. Om onze eigen vragen en gedachten hierover te spiegelen, hebben we voor dit twaalfde Rijnboutt Magazine met diverse deskundigen in het veld gesproken. We vroegen de Amsterdamse wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid naar de implementatie van het model van de Donuteconomie, de hoogleraar Sociaaleconomische Transities aan de Erasmus Universiteit naar de condities die aan de basis liggen van verandering, collega-ontwerpers en architecten naar het belang van (binnen-)stedelijk groen, architectuur en circulaire economie, en naar het ontwerpen met risico als richtinggevend perspectief. We verdiepten ons in de gedachtewereld van een voormalig milieuactivist, in de noodzaak van gedragsverandering voor sociale duurzaamheid, in het belang van tuinieren voor een gezonde stad, en in een andere benadering van mobiliteit, in de verwachting dat verdichting de motor van stedelijke transformatie blijft. Ook laten we zien we hoe wij zelf invulling geven aan een circulaire toekomst voor Julianadorp in het kader van Panorama Lokaal, een ideeënprijsvraag op initiatief van het College van Rijksadviseurs. We hopen met dit Magazine een begin te hebben gemaakt met het belichten van de rijkdom aan invalshoeken, waarbij we tevens hebben geprobeerd enkele richtingen te duiden binnen het hoe van de verandering.

Rijnboutt september 2020

1 Bernard Hulsman, “We leven in buitengewoon revolutionaire tijden.” Interview met Floris Alkemade, NRC Handelsblad, 16 juni 2020 > rijnboutt.nl/M12_bronnen 2 Ibidem


Rijnboutt magazine

4

In gesprek met wethouder Marieke van Doorninck

“Dit is niet ambities stapelen, het is werken aan de ideale stad” Tekst Catja Edens

Als een van de eerste steden ter wereld heeft Amsterdam gekozen voor het model van de Donuteconomie. In haar boek Doughnut Economics (2018) rekent de Britse econome Kate Raworth af met traditionele economische modellen die hebben gezorgd voor extreme ongelijkheid, financiële crises en een alarmerende aan­tasting van ons ecosysteem.


Rijnboutt magazine

5

Marieke van Doorninck Wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid bij de gemeente Amsterdam

Raworth's Donutmodel is gebaseerd op de aarde als eindig systeem en heeft een circulair karakter. De binnenste ring visualiseert de ondergrens voor basisvoorzieningen waaronder gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting. De buitenste ring staat voor het ecologisch plafond of wat we van de aarde kunnen vragen. Kort gezegd richt het Donutmodel zich op volwaardige leefomstandigheden voor alle mensen binnen de ecologische draagkracht van de aarde als geheel. Maar hoe zet je zo’n mondiaal model in werking? Het eenvoudige antwoord is: door ergens te beginnen. Amsterdam ging die uitdaging aan en zet inmiddels de eerste stappen. We spraken met Marieke van Doorninck, wethouder Ruimtelijke Ontwikkeling en Duurzaamheid over hoe Amsterdam eruit gaat zien als Donutstad en wat dit betekent voor de architectuur en ruimtelijke ordening van Amsterdam.

Wordt Amsterdam de eerste Donutstad ter wereld? “Met de Strategie Amsterdam Circulair hebben we hiervoor in elk geval een belang­rijke stap gezet. Die moet er namelijk voor zorgen dat Amsterdam in 2050 een volledig circulaire stad is. Met het model van de Donuteconomie van Kate Raworth kunnen we dat meer lading geven. Want ‘circulair’ is niet zomaar het nieuwste buzzwoord, het houdt in dat je op een wezenlijk andere manier omgaat met consumeren en produceren. “Het mooie aan de Donuteconomie is dat het een alomvattend raamwerk biedt waarin ecologische en sociale doelen samenkomen. En dat klopt weer helemaal met de signatuur van dit college van burgemeester en wethouders dat duurzaamheid en sociale inclusie als speerpunten heeft gekozen. Maar hoewel het college het model van de Donuteconomie


6

Rijnboutt magazine

“Circulair is niet zomaar het nieuwste buzzwoord” heeft omarmd, zijn we nog niet zover dat we in Amsterdam ons hele beleid volgens de beginselen van de Donut kunnen uitvoeren. De circulaire strategie is het begin. Daarbij heeft de coronacrisis gezorgd voor extra momen­tum. Het besef dat we de maatschappij anders moesten gaan inrichten, was tijdens de lockdown groter dan ooit. Iedereen ging nadenken over de waarde van dingen. Over de hoeveelheid spullen die we hebben bijvoorbeeld, over het belang van gezondheid en over de manier waarop we effectief stappen kunnen zetten om klimaatverandering tegen te gaan. De teneur was: hé, het kan echt anders en laten we daar dan ook nu mee beginnen.

verschillende soorten werk. Je hebt de mensen die heel technisch bezig zijn in bijvoorbeeld start-ups, maar ook de mensen die het handwerk doen. Er moet bedacht worden hoe je producten technisch slim in elkaar zet zodat ze lang meegaan en geschikt zijn voor reparatie en recycling, maar je hebt net zo hard de mensen nodig die reparaties uitvoeren of de producten uit elkaar halen. Daar zit vrij veel werkgelegen­ heid in. Je kunt hiervoor recyclecentra combineren met ambachtelijke bedrijven. Veel kun je lokaal doen. En de arbeid die niet lokaal maar internationaal wordt verricht, zal in ieder geval duurzaam moeten zijn – zowel in economisch als ecologisch opzicht.

“Het werd duidelijk hoe kwetsbaar de regio Amsterdam eigenlijk is met zijn vrij eenzijdige diensten- en bezoekerseconomie. Een circulaire economie kan Amsterdam weerbaarder en veerkrachtiger maken en is ook minder gevoelig voor de conjunctuur. Daarin staat productie centraal en wordt gewerkt in korte, gesloten ketens waarin grondstoffen telkens worden hergebruikt. Nu zie je dat grondstoffen nog over de hele planeet worden versleept om er met inzet van de goedkoopste arbeid nieuwe producten van te maken, die niet lang daarna weer in de verbrandingsoven belanden. Een circulair model betekent dat we veel intelligenter omgaan met onze grondstoffen, dat vervoersbewegingen worden geminimaliseerd en dat arbeid weer terugkomt in de regio.

Het Donutmodel richt zich op een combinatie van ecologische en sociale doelen. Hoe krijgt dat vorm in de stede­ lijke omgeving van Amsterdam? “Hiervoor is de Groenvisie die de gemeente Amsterdam onlangs heeft gepresenteerd een belangrijk instrument. Hoewel deze visie niet specifiek vanuit de Donutgedachte is ontwikkeld, levert ze wel belangrijke bijdragen op zowel sociaal als ecologisch vlak. Het doel van de visie is een stad waar iedereen prettig kan wonen zonder hittestress, met frisse lucht en met voldoende ruimte en groen. Aan de basis ligt een getrapte groenbeleving. Deze loopt op van kleinschalig groen in de vorm van geveltuintjes en plantsoenen naar buurtparken en wijkparken, en via stadsparken naar de groene scheggen 1 op het hoogste schaalniveau. Om dat waardevolle groen rondom de stad intact te kunnen houden terwijl het aantal inwoners van Amsterdam blijft groeien, zal het nodig zijn de stad verder te verdichten.

“Ook gaan we een heel ander soort bedrijvig­ heid zien, veel meer gericht op herstel en refurbishment. Het mooie aan de circulaire economie vind ik dat die ruimte biedt voor

1 De Amsterdamse scheggen zijn grote aaneengesloten groengebieden die vanuit het buitengebied, zoals het Gooi en de Kennemerduinen, diep de stad in steken. Voorbeelden zijn de Amstelscheg, de Brettenzone, Waterland, het Amsterdamse Bos en Diemerscheg. Bron: amsterdam.nl > rijnbout.nl/M12_bronnen > artikel BOOM Landscape, p. 52


Rijnboutt magazine

7

“De Donut­­economie richt zich op het idee van brede welvaart”

Dat betekent dat we heel goed moeten afwegen voor welke zaken we hier ruimte willen maken. Als je verdichting combineert met groen, betekent dat bijvoorbeeld ook dat je hoger moet gaan bouwen en de auto een andere positie moet geven. Daarnaast is multifunctioneel ruimtegebruik belangrijk, waarbij je kunt denken aan sportvelden op daken. Zo werk je aan een bereikbare en uitnodigende stad die mensen de ruimte biedt. Groen is belangrijk omdat het mensen echt gelukkiger maakt, maar je hebt natuurlijk ook betaalbare huizen nodig, voorzieningen en bereikbaarheid. “Het interessante van de Donuteconomie is dat die zich richt op het idee van brede welvaart. Dan gaat het over heel andere dingen dan extreem veel consumeren of verdienen. Het gaat over een goede basis voor iedereen. En dat betekent werk hebben en een fatsoenlijk dak boven je hoofd, goede sociale contacten en een prettige leef­ omgeving. Dat willen we in Amsterdam weer centraal stellen.”

“Bouwen in Amsterdam is lastig, dat wil je in een keer goed doen” En toch is vastgoed voor veel partijen nog steeds vooral een manier om geld te verdienen. Hoe kun je dat als stad veranderen? “In een traditionele ‘lineaire’ economie is groei de maatstaf voor welvaart. Dat betekent dat stijgende huizenprijzen worden gezien als een indicator voor succes. Hoe hoger de vastgoedprijzen, hoe groter de welvaart. Maar we moeten ons afvragen wat die welvaart eigenlijk betekent als grote groepen mensen geen betaalbare woning meer kunnen vinden in hun stad. De reden dat de Amsterdamse woningmarkt zo onder druk staat is niet alleen omdat we hier te weinig huizen hebben, het komt ook doordat woningen als een ideale belegging worden gezien voor

allerlei rondzwervend kapitaal. Er zijn in Amsterdam dure panden die in prijs al vijf keer over de kop zijn gegaan terwijl er nog nooit iemand heeft gewoond. Het is een geldgedreven verhaal dat alleen goed is voor de belegger en ervoor zorgt dat Amsterdam een onbetaalbare stad wordt. “Als gemeente spannen wij ons in voor een gemengde stad, onder meer met de 40-40-20-regel die een programmering van 40 procent gereguleerde huur, 40 procent middenhuur en koop en 20 procent dure huur en koop voorschrijft. Hierbij zie je dat er vooral een probleem is met de middenhuur, een lastig te reguleren segment van de woningbouwproductie. Waar corporaties zorgen voor sociale huurwoningen en de markt voor de duurdere woningen, vallen woningen met een middenhuur tussen wal en schip. Want stel dat je via de grondprijs of op een andere manier er als gemeente voor kunt zorgen dat er goede middenhuurwoningen komen, dan ben je die bij de eerste verkoop meteen weer kwijt. “Wooncoöperaties waarin burgers samenwerken aan een eigen woonproject bieden een interessante manier om die waardeonttrekking een halt toe te roepen. Omdat een coöperatief woonproject niet verkocht wordt, blijft de waarde ervan behouden in de vorm van woningen met een eeuwigdurende middenhuur. Inmiddels heeft wethouder Ivens het actieplan wooncoöperaties in het leven geroepen, met als doel om binnen twintig jaar 10 procent van de Amsterdamse woningbouw gerealiseerd te hebben via wooncoöperaties. Dat klopt eigenlijk heel mooi met de Donut-principes, omdat zo’n woonproject zowel sociale als ruimtelijke impact heeft. Verder geloven we dat je een prettige stad kunt maken door wonen en werken te combineren. Het punt is alleen dat we dat niet meer gewend zijn. Alles wat overlast geeft hebben we in het verleden plano­logisch van ons afgewerkt, soms zelfs naar andere werelddelen. We moeten dus goed kijken hoe de productieve


8

Rijnboutt magazine

“Hoe worden we de stad die wij willen zijn?”

bedrijvig­heid van de circulaire economie zich opnieuw kan verhouden tot wonen. Dat betekent misschien dat je de logistiek moet aanpassen of gaat werken met kleine clusters van bedrijven. Per gebied proberen we de ideale mix te vinden. Waarbij we minimaal 15 procent productieve bedrijvigheid aanhouden om te voorkomen dat het toch weer een beetje kantoorachtig wordt. Afhankelijk van het soort bedrijvigheid kijk je dan of hier gezinswoningen bij passen of misschien studentenwoningen.” Een ander doel is circulariteit in de bouwproductie. Hoe zorg je dat partijen daarmee aan de slag gaan? “Dat kunnen we allereerst – heel simpel – bereiken met regulering. Met het uitschrijven van circulaire tenders zorgen we voor een andere uitvraag naar de markt. Daarbij hanteren we hogere duurzaamheidsdoelstellingen dan van rijkswege gevraagd wordt. En dat is omdat we denken: bouwen in Amsterdam is lastig, dus dat wil je ook in een keer goed doen zodat een gebouw lang mee kan. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat energie in zo’n gebouw zelf moet worden opgewekt. “Als gemeente zeggen wij: dit is de kant die we opgaan en dat wordt over twee jaar niet opeens weer heel anders. Zo bieden we niet alleen houvast voor de lange termijn, maar zorgen we ook voor een level playing field voor alle marktpartijen. We zien hier ook niemand voor weglopen. Sterker nog: marktpartijen blijken juist lol te hebben in die uitdaging van duurzaamheid. Amsterdam kiest ervoor richting te geven en ruimte te bieden maar wil niet voorschrijven hoe het allemaal gebeuren moet. De bouwende partijen zijn veel beter in deze vraagstukken dan wij en komen telkens met verrassende nieuwe oplossingen. Als ik ergens een eerste paal mag slaan of bij een oplevering mag zijn, dan zijn mensen altijd ongelooflijk trots op het behalen van die duurzaamheidsdoelstellingen.

“Daarnaast werken wij als gemeente aan een ecosysteem voor de circulaire economie in Amsterdam en dat is ook voor de bouw van groot belang. Het gaat dan bijvoorbeeld om circulaire bouwmarkten waar materialen die vrijkomen bij sloop beschik­­baar worden gemaakt voor her­gebruik. Dat kunnen deuren en kozijnen zijn maar ook elementen van betonnen constructies. Zo ontstaat een materialenkringloop waarin afval niet meer bestaat. En hoewel dit soort dingen zich afspeelt op het niveau van de Amsterdamse regio, hebben ze een impact op een veel groter schaalniveau. Want wat betekent deze manier van bouwen aan je stad voor de CO2-uitstoot en de luchtkwaliteit, maar bijvoorbeeld ook voor arbeidsomstandigheden elders in de wereld? Think globally, act locally, daar gaat het om.” De ideale stad “Als Amsterdam moeten we onszelf de vraag stellen wat voor stad wij willen zijn en hoe we die stad willen worden. Het Donutmodel gaat over samenwerken en over het delen van kennis en voorzieningen. Daarom nodigen we alle Amsterdammers, bedrijven en ontwikkelaars uit om samen aan de stad te bouwen. Als we elkaars ver­halen kennen, kunnen we belangen combineren en ervoor zorgen dat die samen nog veel meer gaan opleveren. Het is belangrijk dat elk nieuw gebouw dat we realiseren Amsterdam en zijn toekomst belichaamt. Dan gaat het om groen, sociale inclusie, verduurzaming en schoonheid en het gaat om de verhalen: waar kom je vandaan, waar ga je naartoe en wat betekent het om hier te leven? Van ontwikkelaars krijgen we vaak te horen dat we ambities aan het stapelen zijn. Dan zeg ik altijd: we zijn bezig met de ideale stad.” Deelnemer gesprek Richard Koek Fotografie Ineke Oostveen


Rijnboutt magazine

9

Bron Stadsarchief Amsterdam / fotograaf onbekend

Toekomstbestendig door integraal verduurzamen

Lodewijk van Deyssel­ buurt Amsterdam West

De Lodewijk van Deysselbuurt in de westelijke tuinsteden van Amsterdam is dringend toe aan vernieuwing. De buurt, onderdeel van het roemrijke AUP en daarmee belangrijk stedelijk erfgoed, heeft anno 2020 de laagste leefbaarheidsscore van Amsterdam. Woningen voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd en de openbare ruimte heeft nauwelijks nog gebruikskwaliteit. Dat vraagt om meer dan fysieke ingrepen. Leidraad is het integraal verduurzamen. Naast maatregelen op het vlak van klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit, mobiliteit en ecologie is sociale duurzaamheid een belangrijke doelstelling. Een breed netwerk van maatschappelijke organisaties gaat samen met bewoners aan de slag. Door het aanpakken van de huidige woningbouwvoorraad en het toevoegen van nieuwe woningtypologieën, wordt de buurt voor de huidige bewoners verbeterd en worden nieuwe doelgroepen aangetrokken. De identiteitsdrager van de buurt is én blijft de Lodewijk van Deysselstraat. Zijn kenmerkende en monumentwaardige bebouwing krijgt een actieve plint met verschillende buurtgerelateerde functies, voordeuren aan de straat en kleine plantsoenen. Het groen wordt toegankelijker en krijgt gebruikswaarde voor meerdere doelgroepen. Opdracht Rochdale en Heijmans / gemeente Amsterdam


Rijnboutt magazine

10

Post Utrecht Utrecht

Van hoofdpostkantoor naar plek voor ontmoeting In 2011 sloot het laatste hoofdpostkantoor, de vestiging aan de Neude, zijn deuren. Het ontwerp uit 1918 van architect Joseph Crouwel had met een publieksentree aan de Neude en een expeditiehof aan de Oudegracht een duidelijke voor- en achterkant. Destijds een pragmatische keuze, maar voor de huidige Oudegracht als belangrijke winkelroute niet de best denkbare optie. Met de herbestemming komt hier verandering in. Op de plek van de voormalige expeditiehof heeft het gebouw een tweede voorkant met een nieuwe gevel en entrees voor winkels, een brasserie met uitzicht op het water en een auditorium. Deze uitbreiding is afwijkend vormgegeven, maar in connectie met het bestaande gebouw. De entree aan de Neude met de centrale hal voor de bibliotheek blijft de meest prominente publieksentree. De herbestemming komt tegemoet aan de wens naar een bibliotheek als een ontmoetingsplek voor de moderne stedeling, een ‘huiskamer voor de stad’. Opdracht a.s.r. real estate en MRP Development Interieur bibliotheek Zecc Architecten


Rijnboutt magazine

11

Voormalig industriegebied wordt gemengde stedelijke buurt Samen met het naastgelegen Klavers Jansen en Electron vormt Backer+Rueb het Creative District van Breda. Backer+Rueb wordt een gemengde stedelijke buurt op loopafstand van het station met werkruimtes, horeca aan de kade en andere publieke voorzieningen. De bestaande fabriekshallen en het kantoor worden met doorbraken, aanbouwen en spectaculaire toevoegingen op het dak de identiteitsdragers van het gebied. De centrale hal wordt een overdekte publieke ruimte die de Speelhuislaan verbindt met de kade en plaats biedt aan exposities en evenementen. De buurt, ontworpen voor zo’n 450 appartementen en gezinswoningen in alle categorieën, wordt autoluw. De publieke ruimte krijgt een zo groen mogelijk karakter, net als de daken. De hele buurt ademt het industriële verleden met kunst en design als over­koepelend thema. Opdracht Amvest Openbare ruimte Karres en Brands

1955 Backer+Rueb Bron Stadsarchief Breda / fotograaf onbekend

Backer+ Rueb Breda


12

Rijnboutt magazine


Rijnboutt magazine

13

Het pleidooi van Paul Kingsnorth

De mythe van de vooruitgang Tekst Jan van Grunsven

In het internationale debat over de klimaatverandering vertegenwoordigt de Engelse dichter en publicist Paul Kingsnorth een unieke stem. Te midden van een onwillige wereld, pleit hij voor een rigoureuze verandering van onze relatie tot de natuur. “De klimaatverandering is een ongeval dat ons overkomt. Een gevolg van onze levenswijze, en niets kan het tegenhouden. Het is een probleem zonder oplossing wat we moeten leren te accepteren. Sommigen dragen meer verantwoordelijkheid dan anderen, maar er is geen vijand die we de schuld kunnen geven 1.” Aan het woord is Paul Kingsnorth (1972), auteur van (onder andere) Bekentenissen van een afvallig milieuactivist. Een radicaal andere kijk op natuurbescherming (2019), een verzameling essays die getuigen van een “levensbeschouwing, die haar voedingsbodem vindt in de gedachte dat de samenleving (de politieke gemeenschap en haar instituties), en de cultuur van het kapitalisme waarmee ze is verbonden, niet geschikt zijn om de wereld te redden – en dat misschien ook nooit zijn geweest,” aldus De Groene Amsterdammer. We zoomen in. De wandelingen met zijn vader hebben hem gevormd. Eindeloze marsen, soms weken aan een stuk. Over grasland, bloeiende heide en gitzwarte kliffen aan zee. Hij ziet de zon opkomen boven de krijtheuvels van Wiltshire en voelt de uil die over zijn hoofd scheert, ’s avonds bij terugkeer over klam veengebied. Het is tijdens die wandelingen dat een onvoorwaardelijke liefde voor de natuur in hem Paradise 22, Sao Francisco Xavier, Brazil 2001 © Thomas Struth Chromogenic print 185,0 x 143,2 cm

ontkiemt – “gehechtheid” noemt hij het zelf, een “echte, doorvoelde verbondenheid” – om nooit meer te verdwijnen: de wereld is groter dan het jongetje dat jij bent. Groot is ook de ontsteltenis, frustratie, neerslachtigheid en razernij jaren later bij het zien van de alles ontwrichtende puinhoop die de mens maakt van een overvloedige, levende planeet. Vastberaden “de natuur te redden van de mens, en op te komen voor alles wat over het hoofd wordt gezien en niet voor zichzelf kan spreken”, sluit Kingsnorth zich als twintiger aan bij het milieuactivisme, destijds nog een hands on idealistisch initiatief. Maar vijftien jaar later keert hij de beweging gedesillusioneerd de rug toe. Het milieuactivisme is in de val gelopen die tegenstanders hebben gezet, luidt zijn oordeel, ten prooi gevallen aan de nuttigheidscultus van deze tijd. Met haar minimalistische en gesimplificeerde nadruk op een CO2-vrije energietransmissie is de beweging een heilloze weg ingeslagen. “Alsof ons probleem de uitstoot van verkeerde gassen is. En de oplossing het volplempen van de natuur met zonneparken en golfslagcentrales. We maken onszelf wijs dat dit ons gaat redden.” Om te voldoen aan onze huidige energiebehoefte is een continent vol zonnepanelen zo groot als Europa nodig. En de gebieden die zich daar bij uitstek voor lenen, zijn de gebieden waarvan de milieu­beweging ooit zei ze te beschermen: de lege, nog on­be­dorven natuur. “Bouw


Rijnboutt magazine

14

genoeg van ‘de juiste technologieën’, en snel genoeg,” smaalt Kingsnorth, “zodat we de energie kunnen genereren die we ‘nodig’ hebben zonder broei­kasgassen te produceren, en dan hoeven we het licht nooit meer uit te doen, dan is het onnodig om te minderen.” Samen met Dougald Hine schrijft hij het manifest Uncivilisation. The Dark Mountain Manifesto (2009). Het manifest, dat de vrijwillige terugtrekking uit een onwillige wereld beschrijft, is een oproep aan kunstenaars en schrijvers. “De crisis waarmee we worden geconfronteerd is niet een economische of politieke of technologische, maar een narratieve: de verhalen die we onszelf vertellen over onze plek in de wereld zijn gevaarlijk misplaatst, en het rechtzetten daarvan is (deels) een taak voor schrijvers en kunstenaars en al die anderen die met hun verbeelding een inkomen bij elkaar schrapen.” Onder de naam The Dark Mountain Project (2009-heden) vormt zich een wereldwijd netwerk van sympathisanten dat “de vooruitgang in het gelaat wil spugen”. Kingsnorth spreekt over een planetair rouwproces. “Het Dark Mountain Project stelt mensen in staat om samen te komen en te praten over de wanhoop die ze voelen over de toestand van de wereld en hun onvermogen om de dingen te veranderen die ze zo graag willen veranderen. Maar het is een begin, niet een einde. Als je je verlies accepteert en verwerkt, dan biedt dit ruimte om opnieuw na te denken over de grote vraag: hoe kan ik nog nuttig zijn?” Zes jaar na de publicatie van Uncivilisation drijven nieuwe inzichten Kingsnorth naar West-Ierland. Daar, in het afgelegen kustplaatsje Calway, verruilen hij en zijn gezin de stedelijke omgeving voor een bescheiden huis en een hectare grond. Zelf het land verbouwen, zijn eigen groenten telen. “Ik trek me terug uit het actievoeren en de demonstraties,” zegt hij hierover, “uit de discussies en de opgeklopte behoeften. Ik vertrek. Ik ga naar buiten en ga wandelen.”

ecosysteem dat reageert op de veranderende ver­houdingen binnen het geheel en dat zich herschikt tot weer een nieuw evenwicht is bereikt. “De aarde is evenzeer een proces als een ding,” doceert Kingsnorth, “ze verandert doorlopend. In deze periode van de geschiedenis zijn wij de kracht die haar laten kantelen naar een nieuwe toestand. Nu zullen we moeten leven met die toestand, hoe die ook mag zijn – voor zover we dat kunnen.” Voor haar bestaan heeft de aarde ons mensen niet nodig. Het probleem is, stelt Kingsnorth, dat de mens zich in zijn ontwikkeling – zijn ‘zegetocht naar beschaving’ – heeft ontworsteld aan alles wat primitief is, wild en ongerept. Met de Verlichting als mijlpaal, heeft zijn bewustzijn en intellect de mens vervreemd van zijn oorsprong: hij voelt zich er geen deel meer van. Het feit dat er een woord is voor ‘natuur’ vormt hiervan het bewijs – en geldt ‘de beschaving’ voor de mens niet als het toonbeeld van zijn distinctie? De mens staat buiten de natuur, nee: hij staat erboven. De natuur, de wereld om hem heen, is er voor hem. Het vormt het decor voor al zijn handelen: het is bruikbaar voor ont­ginning, grenzeloze exploitatie of het dumpen van afval. Veel van de natuurlijke rijkdom en schoonheid van de aarde is al verdwenen. De intrinsieke waarde van een bos – een waarde omwille van zichzelf – wordt niet meer herkend. Alleen de economische waarde telt, het winstbejag en het hiermee samenhangende streven naar (economische) groei. Dat brengt ons op een tweede probleem. Aan de basis van het kapitalistische systeem ligt ‘de mythe van de vooruitgang’. Het feit dat die mythe wereldwijd wordt omarmd, maakt het er niet eenvoudiger op. De mythe zegt: het is het recht van elke nieuwe generatie dat ze het beter krijgt dan de vorige, in termen van welzijn, geluk en materiële voorspoed. De mythe heeft geen boodschap aan een rapport als The Limits of Growth (1972) van de Club van Rome, dat waarschuwde voor de gevolgen van blinde expansie en het onstuitbare verlangen naar ‘meer’.

[Cut] Wikipedia: Een ecosysteem of oecosysteem bestaat uit organismen, hun abiotische omgeving en de wisselwerkingen tussen beide, binnen een afgebakende (geografische) eenheid. Voorbeelden van ecosystemen zijn een bos en de aarde als geheel, maar ook een individuele boom kan als ecosysteem worden beschouwd. Een ecosysteem is het geheel van dingen en hun eigenschappen, een naar een zeker evenwicht strevende toestand van de talloze wisselwerkingen waaruit het geheel bestaat. Het stijgen van de zeespiegel is een eigenschap van de dingen (het smelten van poolijs door de opwarming van de aarde), maar bovenal het gevolg van veranderende wisselwerkingen door toedoen van de mens. Ontkennen dat de mens als deel van het geheel in die veranderingen een sleutelrol vervult, is zoiets als beweren dat met de zeespiegel­ stijging ‘de natuur ingrijpt’. Het ontbreekt de natuur aan een moraal, er wacht ons geen ‘corrigerende’ straf. Het is het

En dus behandelen we de aarde als een supermarkt waarin het gratis winkelen is. Een bos is een hoeveelheid toiletpapier of een fabriek voor het maken van rubber. Maar de vraag overstijgt het aanbod. En de wind draait. Er is geen ‘beter’, er is geen ‘meer’. We zijn de eerste generatie in de geschiedenis van de mensheid, zegt Kingsnorth, die verantwoordelijk kan worden gehouden voor een ecocide die zijn weerga niet kent. “Je moet een prijs betalen, maar daartoe zijn we niet bereid. We willen taart eten zonder dik te worden.” [Cut] We zoomen uit. Daar staat hij, een man met zijn zeis en strohoed, een man die zich heeft ontslagen van de zelfopgelegde plicht de wereld te redden. Zijn zelfverwerkelijking heeft zijn blik op


Rijnboutt magazine

de wereld veranderd. “Dit is de conclusie die ik heb bereikt,” zegt hij, “en die vind ik ongemakkelijk, maar ook bevrijdend. De crisis die wij doormaken, de door onszelf veroorzaakte neergang van de natuur en de waarschijnlijke instorting van onze cultuur in de komende eeuw, is in wezen een spirituele crisis. Want dit moet toch een van de eerste beschavingen in de geschiedenis zijn waarin niets heilig is. We hebben geen notie van iets wat groter is dan onszelf.” Hij kijkt in de camera, glimlacht en vraagt aan niemand in het bijzonder: “Wat voor mens wil je zijn? Hoe kun je jouw schamele talenten inzetten om te doen wat je moet doen?” En geeft zelf het antwoord: “Werken aan jezelf, je normen en waarden. Bomen planten, grasmaaien. Alles wat binnen jouw mogelijkheden ligt.” Langzaam glijdt de camera over het Ierse landschap. We zien het plaatsje Calway van bovenaf, zijn huis, zijn zelf­ gemaakte kas, de kustlijn, de zee.

15

1 Voor dit artikel en de citaten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Paul Kingsnorth en Dougald Hine, “The Manifesto”, dark-mountain.net > rijnboutt.nl/M12_bronnen Thijs Kleinpaste, “Bevrijd van de mensheid. Het apocalyptische pessimisme van Dark Mountain”, De Groene Amsterdammer, 14 oktober 2015 Jaap Tielbeke, “Een glorieuze hunkering”, De Groene Amsterdammer, 19 oktober 2016 Paul Kingsnorth, “Beest”, Ambo-Anthos, Amsterdam 2017 “De beschaving voorbij. Paul Kingsnorth”, VPRO Tegenlicht, 16 december 2018 > rijnboutt.nl/M12_bronnen Paul Kingsnorth, “Bekentenissen van een afvallig milieuactivist. Een radicaal andere kijk op natuurbescherming”, Atlas Contact, Amsterdam-Antwerpen 2019 Ben van Raaij, “Westerse mens overschat zichzelf”, de Volkskrant, 16 mei 2020 Jaap Tielbeke, “Een beter milieu begint niet bij jezelf”, Das Mag Uitgevers, Amsterdam 2020

NAWOORD Het belang van Paul Kingsnorth voor het ruimtelijk ontwerp De menselijke wil om de omstandigheden naar eigen believen te veranderen, aan te passen aan wat hem goeddunkt, is een eigenschap die de mens veel heeft gebracht. Een veilig en comfortabel dak boven zijn hoofd bijvoorbeeld, en voedsel gedurende alle dagen. Dezelfde eigenschap heeft echter een schaduwzijde die er niet om liegt. De mens valt de twijfelachtige eer te beurt dat er een geologisch tijd­perk naar hem is vernoemd: het antropoceen. In zijn relatief korte bestaan is de mens zelf een geologische kracht gebleken die het ecologisch systeem van de aarde heeft doen kantelen. Klimaatadaptatie is waar we ons in allerijl op richten nu het tegenhouden van de veranderingen zelf een illusie blijkt. Veel denkkracht, creativiteit en investeringen gaan op dit moment uit naar een grote technofix. Een planeet vol zonnepanelen en windmolens. Het bemesten van de oceanen, reflectieschilden in de ruimte of andere vormen van geo-engineering. Het menselijk vernuft heeft ons ver gebracht, we komen wel met een oplossing, lijkt een wijd­ ver­breide gedachte. Dat Kingsnorth hier niet in meegaat en geo-engineering als desastreus kwalificeert, een middel erger dan de kwaal, is geen reden om hem als pessimist of doemdenker weg te zetten, wat in verschillende media gebeurt. Het doet zijn argumentatie geen recht, en erger: het plaatst hem buiten het discours. Terwijl we lering kunnen trekken uit zijn zelfverwerkelijking, zijn aanhoudende poging om zijn ‘gehechtheid’ aan de natuur – zo vanzelfsprekend voor het jongetje dat hij was – te hervinden en te herstellen. Dit streven is niet louter de persoonlijke zoektocht van een individu. In ‘een ander

gedrag’ wat die zoektocht veronderstelt, schuilt een boodschap aan iedereen. De tijd om je wil aan de natuur op te leggen is voorbij, lijkt Kingsnorth te zeggen. Met het oog op klimaat­adaptatie zullen we meer dan het opleggen van onze wil aan de omgeving (het landschap), mee moeten bewegen met de veranderingen die om ons heen plaatsvinden. In plaats van te vervallen in een defensieve reflex en ons met man en macht te verzetten tegen wat ons bedreigt, moeten we ontdekken hoe we ermee kunnen leven. Het klinkt wat ‘kinderlijk’ waardoor de essentie ervan ons lijkt te ontgaan, maar waar Kingsnorth op aandringt is niets minder dan de transitie van een egocentrisch bewustzijn (de mens staat centraal) naar een ecocentrisch bewustzijn (de natuur staat centraal). Het veronderstelt een breuk met hoe we de dingen gewend zijn te doen. Het betekent het einde van het ‘ik’-tijdperk ten gunste van het nieuwe ‘wij’. Het einde van de idee van ‘menselijke suprematie’ als iets dat ‘boven de natuur’ staat. Het vraagt om een paradigmawisseling binnen de ontwerppraktijk die zijn weerga niet kent, een fundamentele her­waardering van ‘ontwerper’ en ‘ontwerp’, van ‘gebruiker’ en ‘gebruik’. Wie zich meer bewust is van de effecten van zijn doen en laten en daarin meer de omgeving dan zichzelf laat spreken, maakt betere, duurzamere keuzes. Kingsnorth’s vraag “Wat voor mens wil je zijn?” is oprecht. De bereidheid die vraag te willen beantwoorden, is aan ieder persoonlijk.


Rijnboutt magazine

16

Transitiehoogleraar Derk Loorbach over de kunst van het veranderen

“De bouwwereld zal een renovatiesector worden”

Tekst Mark Hendriks

Om de omslag naar een duurzame en circulaire bouwsector voor elkaar te krijgen, moeten architecten en bouwbedrijven afscheid nemen van vertrouwde praktijken. Volgens hoog­leraar Derk Loorbach zijn innovatieve technieken en werkwijzen – die nu nog te weinig aandacht krijgen – nodig om traditionele partijen uit hun comfortzone te halen. “De bouwwereld zal een renovatiesector worden, zonder het gebruik van fossiele grondstoffen en ruwe materialen.”


Rijnboutt magazine

17

Tekst: Mark Hendriks

Derk Loorbach directeur van DRIFT en hoogleraar Sociaal-economische Transities Erasmus Universiteit Rotterdam

Het Zoomgesprek is nog maar enkele minuten gaande oud als Derk Loorbach, hoogleraar Sociaaleconomische Transities aan de Erasmus Universiteit en directeur van onderzoeksbureau Drift, gesprekspartner Marleen van Driel een gewetensvraag stelt. “Hoe komt het dat jij opdrachtgevers en collega’s nog steeds moet overtuigen van de noodzaak om duurzaam te bouwen?” Een goede vraag, vindt architect Van Driel, die binnen Rijnboutt duurzaamheid in haar portefeuille heeft. “Ik heb het gevoel dat we het als vak- en bouwwereld nog niet verinnerlijkt hebben, dat we nog te veel op de automatische piloot ons werk doen. En laten we wel wezen, we zitten in een conservatieve branche, waar financiële modellen de dienst uitmaken. Het voelt als het bijsturen van een groot schip.” Loorbach knikt. “In het transitiemanagement heet dat schip een ‘regime’, en dat regime is als een comfortzone. We zijn gewend geraakt aan hoe we de dingen doen. En die gewenning is diep verankerd: in opleidingen, procedures, aanbestedingsregels, marktstructuren en organisaties. Verandering vereist dat we de comfortzone verlaten.” Stijgende verbazing En dat is lastig, vervolgt Loorbach. “Bij verandering, zeker als die lijkt te zijn opgelegd, schieten we in een behoudende reflex. We zijn routinewezens en transities brengen tal van onzekerheden met zich mee. Een handjevol ondernemers vindt dat misschien leuk, maar de meesten van ons niet.”

Aanleiding voor het gesprek met Loorbach – een veelgevraagd spreker op congressen in binnenen buitenland – was een lezing die hij gaf op een bijeenkomst over stikstofvrij bouwen. Daar hoorde Van Driel hem zeggen dat we ondanks hoge ambities en de toegenomen aandacht voor circulair en anders bouwen maar bar weinig voor elkaar krijgen. “Ik vond het een boeiende en herkenbare analyse,” blikt Van Driel terug. “Het hangt in de lucht en we hebben het er steeds over, maar daadwerkelijk gebeurt er nauwelijks iets.” Loorbach lacht. “Na die lezing kreeg ik het verwijt cynisch te zijn, negatief. Maar ja, als we al veertig jaar praten over gezond bouwen, over energie­ leverende woningen, over transitieagenda’s, dan kijk je toch met stijgende verbazing naar al die bouwers die onder leiding van Maxime Verhagen (voorzitter van Bouwend Nederland, red.) op het Malieveld protesteren tegen de stikstofregels.”

“Verandering vereist dat we de comfortzone verlaten” Optimalisatie Die stikstofcrisis laat zien dat het ‘regime’ van de bouwwereld – en de comfortzone waarin bouw­ bedrijven zich bevinden – niet langer vol te houden is. “Kijk, de bouw heeft zijn wortels in de wederopbouwperiode en sindsdien draait de branche simpel gezegd om het draaien van productie. Maar de omstandigheden zijn veranderd. Het gaat niet langer


18

Rijnboutt magazine

“Transities worden geframed als overheids­projecten, waar kosten-batenanalyses op worden losgelaten”

om het huisvesten van een groeiende bevolking, en bovendien zijn we veel meer waarde gaan hechten aan duurzaamheid. De focus op productie en aantallen heeft zijn langste tijd gehad.” Van Driel merkt op dat we het huidige woningtekort op eenzelfde manier lijken in te vullen. Loorbach: “Zeker, maar waar zijn de aantallen die rondzingen op gebaseerd? Elk kabinet zegt dat er een tekort is en dat er gebouwd moet worden. De hele industrie is gebaat bij bouwen, bouwen, bouwen. Terwijl je de woningvraag ook als een herverdelingsvraagstuk kunt zien. Waarom verplaatsen we de werkgelegenheid niet naar gebieden waar veel gebouwen leegstaan?” Circulaire renovatiesector Natuurlijk blijft het bouwen van woningen de kerntaak, maar de manier waarop zal fundamenteel anders zijn. De bouwwereld zal voornamelijk een renovatiesector worden, waarin circulaire principes leidend zijn. Een sleutelrol is weggelegd voor nieuwe concepten en praktijken die buiten het regime ontstaan. “Dat zijn in beginsel niches, maar die worden langzaam­aan volwassen en groeien uit tot kiemen van verandering. Het is de kunst om die niches op het juiste moment te empoweren, door ze te verbinden, door kennisuitwisseling en door experimenten met bouwtechnieken en andere materialen financieel te ondersteunen. Het is van belang dat de overheid een gelijk speelveld creëert. Door aanbestedingsregels aan te passen, door aan bouwprojecten duurzame eisen te stellen en door nieuwe technieken, die vaak duurder zijn, een eerlijke kans te geven.” Als de niches volwassen worden, zo luidt Loorbachs redenering, worden ze vanzelf interessant voor traditionele partijen. “Die zien vroeg of laat in dat bestaande werkwijzen tegen grenzen aanlopen. Die experimentele nichepraktijken, die lange tijd

als alternatief en marginaal werden afgedaan, bieden ineens kansen. Er is een markt voor, bedrijven kunnen zich ermee onderscheiden.” Betere samenleving Dan komt de vraag op tafel of transities ook langzaam gaan omdat een zogenoemd ‘vooruitgangsverhaal’ ontbreekt. Leggen we niet te veel de nadruk op wat al die veranderingen ons gaan kosten, in plaats van wat ze ons op de lange termijn kunnen opleveren? Daar lijkt het aldus Loorbach wel op. “In historische transities voert het streven naar betere levens­ omstandigheden de boventoon: hygiëne in steden, democratische vernieuwing, iedereen een gasaansluiting, noem maar op. Natuurlijk gingen die veranderingen gepaard met strijd en tegenstand, maar dat gevecht draaide wel om het realiseren van een betere samenleving.” “Vechten we daar nu niet meer voor?” wil Marleen van Driel weten. “Het is inmiddels toch wel duidelijk dat op deze voet doorgaan desastreuze gevolgen heeft.” “Jawel,” antwoordt Loorbach, “maar dat kunnen we ons maar moeilijk voorstellen. We hebben het immers zo goed, dat er nauwelijks nog wat te wensen valt. Transities worden geframed als overheidsprojecten, waar kosten-batenanalyses op worden losgelaten. Dan blijkt dat van het gas afgaan best veel geld kost en roepen politieke partijen dat we het dan maar niet moeten doen.” Desondanks ziet Loorbach in de experimenten en initiatieven die buiten de regimes ontstaan een vooruitgangsverhaal waarin de contouren van een nieuw en beter regime stap voor stap zichtbaar worden: circulair, gezond, energieneutraal, natuurinclusief. “De laatste fase is dat innovatieve concepten en praktijken de norm worden. Dus ja, afscheid nemen van intensieve veehouderij, fossiele energie en beton als bouwmateriaal.”


Rijnboutt magazine

19

“Voor maatschappelijke veranderingen moeten structuren op de schop: hoe zaken georganiseerd zijn, hoe procedures verlopen”

Groene elites De coronacrisis laat zien dat we best kunnen veranderen als het moet. Toch is dat vooral op individueel niveau, meent Loorbach. “Ik geloof dat gezonder eten en een dagelijkse wandeling nog wel vol te houden zijn. Maar voor maatschappelijke veranderingen moeten structuren op de schop: hoe zaken georganiseerd zijn, hoe procedures verlopen.” Dat burgers dit zelf kunnen afdwingen, maakt Loorbach mee in zijn thuisstad Rotterdam, waar gepoogd wordt om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven. “De gemeente vindt dit ontzettend lastig. Maar wat blijkt: als mensen zelf stoepen claimen of parkeerplekken herinrichten, dwingen ze zo’n structuurverandering af.” Over burgers gesproken, critici menen dat de transitie naar duurzame energie sociale segregatie in de hand werkt, omdat kort gezegd alleen welgestelde mensen de omslag kunnen betalen. Loorbach ontkent dit risico niet, maar roept overheden ook op om het werk van ‘die groene elites’ te koesteren. “Zij kunnen helpen iets in gang te zetten waar straks iedereen van profiteert.” Alternatieve toekomsten In Rotterdam pleitte Loorbach met anderen ervoor om alle bewoners van sociale huurwoningen een nieuwe koelkast en wasmachine te geven, onder meer door met Miele of Siemens circulaire leasecontracten af te sluiten. “De uitstoot van CO2 zal dan enorm dalen, de investeringen heb je er zo uit. Ik begrijp niet dat geen enkele politieke partij hiermee aan de slag gaat.” Ook uit Rotterdam komt het idee voor een stadsdekkend deelsysteem voor elektrische auto’s, scooters en bakfietsen – waar elke inwoner automatisch lid van is. “Technisch kan het, de voordelen zijn enorm: schonere lucht, een voetgangersvriendelijke openbare ruimte, enzovoorts. En toch lukt het niet, omdat de gemeente, ondanks dat ze de kracht van

het voorstel ziet, het niet krijgt uitgevoerd, door aanbestedingsregels enzovoort. Terwijl ik denk: over tien jaar is dit systeem er gewoon, maar tot die tijd schaffen mensen nog wel een benzineauto aan.” Dan: “Dat is het hele punt. Zo’n gemeente kan zich maar moeilijk voorstellen dat zo’n rigoureuze verandering echt wel mogelijk is.” Van Driel: “Daar komen ontwerpers om de hoek kijken, want zij zijn – niet in de laatste plaats volgens henzelf – in staat om het onvoorstelbare voorstelbaar te maken.” Loorbach is het daar niet mee oneens, maar plaatst wel een kanttekening. “Het scheppen van alternatieve toekomsten is waardevol, maar ik merk dat vooral de weg ernaartoe bij veel mensen vragen oproept. Hoe komen we daar dan?”

“Door het gewoon te dóen, krijg je mensen mee” Voor Van Driel is dit zeer herkenbaar. “Hoe bereiken we de toekomst die we zelf schetsen?” Volgens Loorbach is het essentieel om er “morgen al” mee te beginnen. “Door het gewoon te dóen, krijg je mensen mee. Maak pilots of proeftuinen binnen een groter idee. Creëer een omgeving met degenen die zelf ook willen veranderen en probeer niet om anderen ergens van te overtuigen. Vertrouw erop dat ook die uiteindelijk mee zullen gaan.” Hij sluit af met een laatste tip. “Het helpt om in ontwerpscenario’s disrupties als uitgangspunt te nemen. In het geval van een eurocrisis of pandemie snapt iedereen dat zaken anders moeten. De omgekeerde weg helpt ook: we kunnen ons niet voorstellen dat over twintig jaar alles nog steeds is zoals nu.” Deelnemer gesprek Marleen van Driel Fotografie Ineke Oostveen


Rijnboutt magazine

20

Gezond leven in stedelijk woongebied

Visual Vero Visuals

Middenzone Gezond­ heids­park Dordrecht

De Middenzone is het gebied tussen het Albert Schweitzerziekenhuis en de Sportboulevard. De nabijheid van ziekenhuis en sportfaciliteiten vormt een natuurlijke aanleiding voor het realiseren van een stedelijk woongebied in een landschappelijke omgeving, met gezond leven als rode draad. De woongebouwen bieden ruimte aan zo’n 720 appartementen in alle categorieën, van sociale huur, middenhuur tot vrije sector huur en koop. Levendige plinten met commerciële en ondersteunende functies en entrees aan de straat zorgen voor een vanzelfsprekende relatie met de groene openbare ruimte, voorzien van sportvoorzieningen. In de gevels komen neststenen voor vogels en leefruimtes voor zoogdieren. Voor een deel worden daken van woongebouwen voorzien van zonnepanelen. Daarnaast zijn er grote daktuinen als moestuin voor de bewoners, die bijdragen aan een hoge biodiversiteit. Het project voorziet in elektrische deelauto’s en een gemeenschappelijke ontmoetingruimte. Opdracht Ballast Nedam Development

Visual Vero Visuals


Rijnboutt magazine

21

Merwede Utrecht

Nieuwe woonomgeving met hoogwaardig groen In de vernieuwing van Utrecht wordt sterk ingezet op gezonde en duurzame verstedelijking. Merwede is daarvan een voorbeeld. Gelegen aan het Merwedekanaal dichtbij het station wordt Merwede een wijk met 6000 woningen, met volop bedrijvigheid en een keur aan stedelijke voorzieningen. Rijnboutt ontwerpt circa een vijfde. Het plan kent een hoge dichtheid met nadruk op langzaam verkeer, veel groen en een inclusieve ontwikkeling. De bouwblokken zijn gemengd qua bestemming en typologie en herbergen appartementen en stadswoningen met verschillende bouwhoogten en groene binnentuinen. Er is veel aandacht voor circulariteit en duurzaam materiaalgebruik. De bouwblokken aan het kanaal openen zich naar het kanaalpark en zorgen voor een uitwisseling tussen tuin en landschap, tussen collectief en openbaar groen. Een speciale route centraal door het gebied (‘het Dwaalspoor’) versterkt de levendige menging van woonmilieus en voorzieningen. Opdracht G&S Vastgoed, Boelens de Gruyter, Round Hill Capital


22

Rijnboutt magazine

De ontbrekende schakel in de kring­­loop­gedachte zijn wíj Tekst Kirsten Hannema

Duurzaamheid leek tot nog toe vooral een technologisch ontwerpvraagstuk; hoe (re)organiseren we de kringloop van energie, water en materialen? Maar het besef groeit dat de grootste uitdaging misschien wel ligt in gedragsverandering en het creëren van draagvlak voor verduurzaming. Hoe kan ontwerp hierbij helpen? Tonnen beton, een paar duizend radiatoren en driehonderd gedateerde badkamers, dat zijn de bouwstenen van het Superlocal project in Kerkrade. Het doel: bouwen met 100 procent gerecycled materiaal, afkomstig uit drie naoorlogse hoogbouwflats die HEEMwonen transformeert tot sociale huurwoningen. Architectenbureau Maurer United bracht alles van waarde in kaart: materialen, plattegronden, maar vooral: de bewoners. Hun ideeën over wat goed is aan de flats en de buurt – ruime appartementen, het uitzicht, een hecht sociaal netwerk – zijn gebundeld in een zogenoemd Burenboek. Op basis van deze inventarisatie en een kostenanalyse is besloten om de helft van een flat te renoveren, terwijl de andere helft wordt herbouwd. Het geheel wordt voorzien van een grijswaterinstallatie die regenwater

Superlocal Pavilion (2017) door Maurer United Architects Foto Maurer United Architects


23

De grootste uitdaging ligt in het veranderen van het gedrag

zuivert en elke verdieping krijgt vermalers voor groenafval. Met het composteren van afval verdienen bewoners punten, die ze onder meer kunnen gebruiken voor de wasserette op de begane grond waar grijs water wordt gebruikt. Bewoners maken de stad Superlocal is onderdeel van de Inter­nationale Bau Austellung (IBA) Parkstad die in juli 2021 opent onder het motto ‘Bewoners maken Parkstad’. Dat klinkt misschien als een open deur; de stad ís immers een creatie van de mens. Maar als het gaat over duurzaam bouwen, speelde ‘de mens’ tot nog toe een beperkte rol.

1 Het sociologenpanel, “Sociologen: Compensatie lagere inkomens cruciaal voor slagen energietransitie”, socialevraagstukken.nl, 4 juni 2019 > rijnboutt.nl/M12_bronnen

De eerste duurzaamheidsgolf, die volgde op het Rapport van de Club van Rome (1972) en de oliecrisis, ging over het beperken van gebruik van fossiele brandstoffen, ofwel: isoleren. De tweede groene golf, in de jaren negentig, draaide om hightech klimaat­ gevels en installaties die het energieverbruik omlaag moesten brengen. Tien jaar later zetten chemicus Michael Braungart en architect William McDonough (her)gebruik van materialen op de internationale agenda met hun boek Cradle to Cradle: Remaking the way we make things, waarin ze de kringloopgedachte ‘waste = food’ introduceerden. Ondernemer Gunter Pauli breidde dit idee uit tot een integrale duurzaamheidsstrategie, gekoppeld aan nieuwe verdienmodellen: The Blue Economy. Missing Link De mens verscheen pas op het duurzame toneel in het manifest van cultuurtheorist Michiel Schwarz en ontwerper Joost Elffers, Sustainism is the new modernism (2010). Zij presenteren duurzaamheid als een nieuwe cultuur waarin wereldwijde ontwikkelingen en een veelheid aan (bottom-up) initiatieven samenkomen, die uitgaan van waarden als onderlinge verbondenheid, ecologisch en het lokale. Wereldwijd zijn er al 100 miljoen mensen bij deze beweging betrokken,

schrijven ze op hun website. Dat is een hoopgevende ontwikkeling. De IABR 2018 benoemde het gat tussen de (duurzame) samenleving waar we naartoe willen en het wetenschappelijk en techno­ logisch tekort om er te kunnen komen als The Missing Link. Maar bedenkend hoeveel mensen nog niet betrokken zijn bij het sustainism, rijst de vraag of zij niet dé ontbrekende schakel zijn in de circulaire economie-in-wording. En zo ja, hoe architectuur kan helpen om hen te mobiliseren. Windmolens, zonnepanelen, hoogbouw van hout; de hardware is beschikbaar. Waar het aan ontbreekt is de software: de kennis over het gebruik en de gebruikers. Zij zijn het immers die de groene revolutie moeten steunen en in de alledaagse praktijk brengen. Gedragsverandering Tot dusver waren duurzaamheid en klimaat vooral in handen van de bèta’s, ziet Tanja van der Lippe 1, hoogleraar Sociologie aan de Universiteit Utrecht. Maar “in toenemende mate is er het besef dat de grootste uitdaging misschien wel het veranderen van gedrag is, en niet zozeer technologische vernieuwing om duurzaamheid te bereiken.” Met energie­­ zuinige lampen, auto’s en vliegtuigen kunnen we de CO2-uitstoot reduceren (al blijkt dat mensen deze meer gaan gebruiken; het zogenoemde rebound-effect) maar de kern van de klimaatoplossing is dat we blijvend consuminderen. Daarnaast blijkt draagvlak cruciaal om de verduurzaming verder te brengen. Denk aan omwonenden die protesteren tegen de bouw van windmolenparken. “Weerstand is een wezenlijk element van democratie,” zegt Christian Broër, universitair hoofddocent Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Bovendien zijn mensen geneigd zich te verzetten tegen verandering. Daarom moeten we ons bekwamen


Rijnboutt magazine

24

Laten we wat we moeten veranderen combineren met wat we willen veranderen

in ‘de kunst van richting te veranderen’ zoals het essay heet dat rijksbouwmeester Floris Alkemade in maart publiceerde, over de – duurzame - Toekomst van Nederland. De crux is volgens hem om wat we moeten veranderen te combineren met wat we willen veranderen. Bijvoorbeeld door tegelijk met de verduurzaming van woningen in naoorlogse wijken de (thuis)zorg en publieke ruimtes te verbeteren. Draagvlak Hiervoor moet je weten wat bewoners waarderen aan hun omgeving, en welke verhalen hen daarmee verbinden. Door mensen vervolgens in het ontwerpproces te betrekken en mogelijke toekomstscenario’s te tonen, kun je weerstand overwinnen. “Superlocal heeft de sociale samenhang die er altijd was tastbaar gemaakt,” zegt Joost, overbuurman van ‘Flat D’. “Het project laat zien dat dit stukje Bleijerheide de moeite waard is om bewaard te blijven, en voor de mensen die vertrokken zijn om terug te keren. Wij overwegen nu zelf om de overstap naar de vernieuwde flat te maken 2.” We kunnen ook leren van de initiatieven die burgers zelf nemen op het gebied van duurzaam bouwen. Denk aan de energiecoöperatie in Nagele, die een ontwerpprijsvraag uitschreef voor de verduurzaming van het dorp. Of het plan van programmamaker Marjan de Blok voor de zelfvoorzienende drijvende wijk Schoonschip in Amsterdam Noord. Kleinschalige projecten die door hun experimentele karakter van grotere betekenis zijn. Nieuwe technieken kunnen zo worden getest, en breed gedragen projecten laten zien aan bedrijven wat consumenten willen. Dat kan hen stimuleren om zaken bij te stellen. Maar dan. Hoe kunnen architecten dat wat van culturele, emotionele en sociale waarde is opnemen in de kringloopgedachte, om steden volwaardig te verduurzamen?

Immaterieel erfgoed Het begint met de verschuiving van de focus op de bètakant van de architectuur – het materiële – naar de ‘zachte’ kant: het immaterieel erfgoed. Doordat de bouwopgave van nieuwbouw en uitbreiden is verschoven naar renovatie en herbestemming, werken we steeds meer met bestaande buurten en zittende bewoners. Met de introductie van de participatiesamenleving wordt hen gevraagd om mee te denken. Ook op het gebied van erfgoedbeheer wordt de mens meer betrokken. In 2003 ratificeerde Unesco het Verdrag ter bescherming van Immaterieel Erfgoed. In 2011 volgde de Recommendation on the Historic Urban Landscape (HUL). Deze staat voor een ‘holistische’ benadering van erfgoedontwikkeling ‘waarbij de doelen van erfgoedconservatie en sociale, culturele en economische ontwikkelingen worden geïntegreerd’. Om te testen hoe HUL in de praktijk kan werken maakte een groep Nederlandse ontwerpers onder leiding van architect Antoni Folkers de Atlas van Ng’ambo, een wijk in Zanzibar Stad die aan de vooravond van een grootscheepse stadsvernieuwing staat. Ze brachten de gebruiken, plekken en verhalen van bewoners in kaart, om deze te ‘recyclen’ in het nieuwe stedenbouwkundig plan. De Atlas is een stedenbouwkundige variant op het Burenboek. Moderniteit herzien Waarachtig duurzaam bouwen betekent dat we afscheid moeten nemen van het modernistische idee van de ideale stad, waarvan Le Corbusiers Ville Radieuse het bekendste voorbeeld is. De Nigeriaanse architect Mariam Kamara 3, die in 2019 een architectuurprijs van het Prins Claus Fonds won, stelt dat het tijd is om het begrip moderniteit te herzien. “Moderniteit […] gaat niet over stijl, het gaat over de toekomst verbeelden, met respect voor de mensen, de plek, het lokale

2 “Mensen maken IBA: Joost vertelt over Superlocal”, iba-parkstad.nl, 14 februari 2018 > rijnboutt.nl/M12_bronnen

3 Kirsten Hannema,“Moderne gebouwen in Afrika moeten niet lijken op Westerse wolkenkrabbers. Júíst niet”, de Volkskrant, 2 december 2019 > rijnboutt.nl/M12_bronnen


Rijnboutt magazine

25

Herbestemming Dandaji moskee in Niger tot bibliotheek (2019) door Mariam Kamara van Atelier Masomi Foto James Wang

klimaat, de geschiedenis,” zegt ze in een interview met de Volkskrant. Ontwerpen begint voor Kamara met praten met bewoners. Hoe leven ze, wat zijn hun zorgen en dromen? Ze laat kinderen tekeningen maken, drinkt koffie met hun ouders en filtert behoeftes uit hun verhalen. Zo waren het de dorpelingen die haar op het idee brachten om de oude moskee van Dandaji te herbestemmen tot bibliotheek. Voor Kamara is deze duurzame aanpak vanzelfsprekend. Het feit dat ze er in Nederland een prijs voor krijgt, toont dat

zo’n aanpak zich hier nog in de pioniersfase bevindt. Bouwen in bestaand stedelijk gebied, in samenspraak met gebruikers, is vele malen complexer dan een plan tekenen en een inspraakavond organiseren. Elke plek is anders, je moet met veel partijen samenwerken, die vaak tegen­ gestelde gevoelens en belangen hebben. Het zijn bij uitstek ontwerpers die dergelijke ‘puzzels’ kunnen oplossen. Vaststaat dat ze daarbij niet langer achter de tekentafel kunnen blijven zitten. Duur­ zaam bouwen begint met naar buiten gaan, het veld in.

"Moderniteit gaat niet over stijl, maar over het verbeelden van de toekomst"


26

Rijnboutt magazine

Inspiratie uit de geschiedenis voor de steden van morgen

Mens, ga tuinieren Tekst Antonia Weiss

“En dus scharrel ik deze stille dagen maar wat rond in en om het huis, waarbij een mens kennelijk vanzelf aan het tuinieren slaat.” 1 Zo vatte Volkskrantcolumnist Ibtihal Jadib begin mei haar leven in tijden van corona samen, en ongetwijfeld dat van veel mensen in Nederland. Thuis werkend, etend, lerend, sportend werd de tuin de toevlucht van velen, met recordomzetten voor de tuincentra. De pandemie lijkt daarmee een trend te versnellen die al langer zichtbaar is. Waar tuinieren eerst als een tijdverdrijf van oudere mensen werd gezien, is het in dit millennium geleidelijk uitgegroeid tot een hype. Niet alleen Michelle Obama liet zich trots tussen haar venkelbollen en courgettes vastleggen, talloze Instagrammers delen inmiddels hun tips en adviezen om het eigen balkon, tuin of vensterbank tot een groene oase of moestuin om te toveren. Door de grote media-aandacht lijkt het soms alsof tuinieren niet veel meer inhoudt dan af en toe water geven. Maar wie ooit zelf geprobeerd heeft om een stukje groen in leven te houden, weet dat niets minder waar is. Er moet bemest, geharkt, gesnoeid, gezaaid en geplant worden – en alles in het goede jaargetijde. Er moet worden gelet op luizen, muizen, slakken en schimmels. Of er is te veel of te weinig

water, zon of wind. We lijken er niet vaak bij stil te staan dat tuinieren een zekere kennis en affiniteit vereist, die vandaag de dag helemaal niet vanzelfsprekend is. Een beknopte geschiedenis van de tuinkennis In de agrarische en vroegstedelijke samenleving hoorde tuinieren bij de dagelijkse huishoudelijke taken. Het was dan ook vaak vrouwenwerk en een vaardigheid die vaak van moeder op dochter werd doorgegeven. Naarmate steden groeiden en er zich een rijkere middenklasse vormde die dit soort werk kon uitbesteden, werd de traditionele kennis van tuinieren beperkt tot een groep van professionele tuinmannen, slechts zelden tuinvrouwen. Bovendien werd het in dichtbevolkte steden voor de meerderheid van de werkende bevolking onmogelijk

1 Ibtihal Jadib, “Ik scharrel deze stille dagen maar wat rond in afwachting van een sobere ramadan,” de Volkskrant, 1 mei 2020 > rijnboutt.nl/M12_bronnen


Rijnboutt magazine

om een eigen tuin te bezitten. In plaats daarvan werden fruit en groente vanuit elders naar de stad gebracht. Tegelijkertijd werd tuinkennis vaker door middel van boeken, en vanaf de late 18e eeuw ook door tijdschriften verspreid, waarmee de mondelinge overdracht van deze kennis binnen het huishouden afnam.

2 Michael Pollan, “The Idea of a Garden in: Second Nature: A Gardener’s Education, Atlantic Monthly Press, New York 2003

Om de ruimtelijke en ideologische afstand tussen mens en natuur te verminderen, legde men vanaf de tweede helft van de 18e eeuw publieke parken of Volksgärten aan, die de stedelingen uitnodigden tot wandelen en reflectie. Van tuinieren was natuurlijk geen sprake in deze ‘schone natuur’. De vanzelfsprekende dagelijkse omgang met groen, die bij tuinieren hoort, zijn wij als samenleving op deze manier in de laatste tweehonderd jaar bijna volledig kwijtgeraakt.

Vandaag de dag is tuinkennis niet meer vanzelfsprekend De tuin als leerschool Ook al willen wij allemaal groenere steden, een gedegen kennis van tuinonderhoud lijkt wat overbodig voor stedelijke bewoners, die immers zelden een eigen tuin tot hun beschik­king hebben. Maar tuinkennis is goed beschouwd niet alleen van waarde voor degene die zelf met de handen in de aarde wroet. Sterker: om jezelf een tuinier te voelen, is een eigen stuk grond misschien niet eens vereist. De Amerikaanse auteur

Houtsnede van een tuinman door Hans Weiditz (16e eeuw)

27

Michael Pollan constateert dat ‘tuinieren’ vooral draait om een specifieke natuurethiek. Volgens hem komt het ‘tuinier zijn’ overeen met het besef dat er in het Antropoceen geen natuur bestaat die niet door de mens is beïnvloed. Wie tuiniert, neemt verantwoordelijkheid voor deze invloed en begint een ‘actief gesprek’ met de natuur. Dit in verschil tot de passief-romantische houding, die kenmerkend is voor de moderne samenleving. Tuinieren betekent niet alleen natuur bewonderen, maar vraagt vooral om een interactie in de vorm van het observeren, begeleiden en bewust omgaan met natuur 2. Het idee dat de mens door zijn werk in de tuin belangrijke lessen kan opdoen is beslist niet nieuw. De 18e-eeuwse filosoof JeanJacques Rousseau beschouwde tuinieren als een essentieel onderdeel van de opvoeding. In het begin van de 19e eeuw verschenen in Duitsland de eerste zogenoemde Kindergärten: kleuterscholen waar elk kind een eigen tuinperk kreeg om te cultiveren. Ook de Amsterdamse Schooltuinen, die dit jaar honderd jaar bestaan, passen in deze traditie. Gedurende een jaar krijgen scholieren van groep 6/7 hier toegepaste natuureducatie en hun eigen stukje tuin om te verbouwen. De gemeente heeft de ambitie om dit programma uiteindelijk toegankelijk te maken voor scholieren van alle leeftijden. Kennelijk heeft de tuin als onderwijsomgeving ook vandaag nog een enorm potentieel. Naast ethische lessen, biedt tuinieren ook een aantal praktische inzichten. Wie langere tijd tuiniert, leert over de rol van insecten en micro-organismen De Tiergarten in Berlijn (1772) Prent Daniel Nikolaus Chodowiecki Bron Rijksmuseum


Rijnboutt magazine

28

in het ecosysteem, over de circulatie van voedingsstoffen, over het belang van een gezonde bodem, maar ook over de nu al zichtbare gevolgen van klimaatverandering, om maar een paar dingen te noemen. Deze kennis zou juist in een tijdperk als het onze, waarin ecologisch verval overal ter wereld de realiteit is, tot de absolute basisopvoeding van ieder mens moeten horen. De verdere uitbreiding van schooltuinprojecten is hiervoor een belangrijke stap. Een stad wordt tenslotte pas echt groen als de hierbij behorende waardes zich ook in de hoofden van zijn bewoners nestelen, en vooral in die van de jongste generatie. Juist een stedelijke samenleving zou door het verdiepen van haar tuinkennis een cruciale stap richting een duurzame toekomst kunnen zetten.

Wie tuiniert, neemt verantwoordelijkheid voor de menselijke invloed op de natuur

Minder ‘schoon’, meer ‘nuttig’: ontwerpen voor een duurzame samenleving De visie van een ‘stad van tuiniers’ vraagt, naast basale tuinierskennis bij de bewoners, ook om een essentiële bijdrage van stedenbouwkundigen en (landschaps-)architecten. Terwijl openbaar groen al sinds de vroegmoderne tijd een belangrijk aandachtspunt in de stedenbouw is, is de traditionele verwachting onder ontwerpers dat het tuinieren uitsluitend achter het eigen hek mag plaatsvinden. In werkelijkheid zijn juist deze grenzen tussen privaat en publiek groen in steden als Amsterdam geleidelijk aan het verdwijnen omdat bewoners zelf voor gevel-, stoep- en boomtuinen zorgen en zo het stadsbeeld mede vormgeven. Deze ontwikkelingen nodigen uit tot een andere inrichting van openbaar groen, waarbij naast de scheiding tussen privaat en publiek groen ook de tegenstelling tussen ‘schone’ en ‘nuttige natuur’ opgeheven wordt.

Schoolwerktuinen in Amsterdam (1952) Foto Jan Peeterse Bron AD/DPG Media


Rijnboutt magazine

29

Gedurende de 18e en 19e eeuw werd het de mens afgeleerd zich publiek groen eigen te maken

3 Nate Gabriel, “The Work That Parks Do: Towards an Urban Environmentality” in: Social & Cultural Geography 12/21, maart 2011 > rijnboutt.nl/M12_bronnen

Het concept van het publieke groen als een ruimte die, in tegenstelling tot de tuin, juist niet bedoeld is voor het eigen gebruik, lijkt diep verankerd in onze huidige samenleving en ontwerpcultuur. Wij zien gemeenschappelijke groengebieden vooral als decoratieve achtergrond voor de wandelende, sportende of spelende stedeling. Dit is het resultaat van een historisch proces, waardoor het de mens is afgeleerd om zich publiek groen op een andere manier eigen te maken. Gedurende de 18e en 19e eeuw verschenen er overal in Europa en Noord-Amerika speciale parkwetten die het de bevolking verboden om hout te verzamelen, bloemen te plukken of fruit en noten op te rapen. Om dit gedrag verder in te dammen en de esthetische waardering van natuur te bevorderen, paste men ook de beplanting aan. Het Fairmount park in Philadelphia bijvoorbeeld, kende in zijn oorspronkelijke 19e-eeuwse ontwerp een aantal notenbomen. Eén keer per jaar waren deze bomen het feestelijke middelpunt van de zogenoemde nutting day, een dag waarop alle kinderen uit de stad samenkwamen om de noten in het park te verzamelen. Om een einde te maken aan de economische exploitatie van het park, werden deze bomen uiteindelijk omgehakt 3. Vandaag de dag zijn we niet verbaasd dat er in het Vondelpark geen fruitbomen staan. Maar zoals de bijdrage over een Haarlemse notenboom elders in dit magazine (zie pag. 41) laat zien, heeft juist de eetbare natuur de potentie om ruimtes op een nieuwe, onverwachte manier te verlevendigen en om nieuwe sociale rituelen te creëren. Om tuinkennis en ‘tuinethiek’ onder stedelingen te bevorderen, zou het openbare groen weer ‘nuttige natuur’ moeten tonen. De groeiende aandacht in de landschaps­ architectuur voor voedselbossen lijkt een stap in de goede richting. Maar het is ook duidelijk dat succesvolle ontwerpen van publiek groen niet meer alleen aan de tekentafel kunnen ontstaan. Neem

bijvoorbeeld het project Bloei & Groei, dat in 2018 in de Venserpolder een aantal moestuinen voor vrouwelijke buurtbewoners aanlegde en de vrouwen met behulp van ‘tuincoaches’ in het onderhoud van de tuinen ondersteunt. Gebouwd in de jaren tachtig, behoort de architectuur van de Venserpolder tot de modernistische typologie van compacte woonblokken met veel landschappelijk groen eromheen. Zoals in veel vergelijkbare woningbouwprojecten bleken de groengebieden weinig toegevoegde waarde voor de bewoners te hebben en eerder een oorzaak van sociale problemen te zijn. Door hier voor het eerst ‘nuttige natuur’ aan te leggen, heeft Bloei & Groei een belangrijke bijdrage geleverd aan de sociale cohesie van de wijk.

Succesvolle ontwerpen voor het openbare groen ontstaan niet aan de tekentafel Als de ambitie, naast ecologische, ook sociale duurzaamheid is, zal van ontwerpers een andere betrokkenheid vereist zijn, waaronder een nauwere samenwerking met bewoners, wijkwerkers en non-profit organisaties. Ontwerpen voor gemeenschappelijk groen zullen op een grotere mate van individuele toe-eigening moeten anticiperen, en daarmee de stedeling uitnodigen om als een ware tuinier zijn betrokkenheid bij de natuur de koesteren. Want bekwame tuiniers is wat de stad weer nodig heeft.


30

De zoete enclave

Panorama Julianadorp Panorama Lokaal is deel van een serie prijsvragen waarmee het College van Rijksadviseurs aandacht vraagt voor belangrijke maatschappelijke kwesties. Dit keer gaat het om kwetsbare wijken aan de stadsrand, gebouwd in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Destijds ontwikkeld vanuit een heldere en specifieke opvatting over leefbaarheid en saamhorigheid, zijn deze wijken nu door de tijd ingehaald. Wat betekent de vergrijzing voor hoe er straks wordt gewoond en gerecreëerd? Waaruit bestaat de toekomstige vraag naar voorzieningen? Wat voor effect hebben technologische ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit? Hoe kan het landschap bijdragen aan een (regionale) energietransitie?

en ruimtelijke opgaven in samenhang te bekijken, ontstaan er kansen voor nieuwe oplossingen. De deelname van bewoners en lokale stakeholders – omwille van draagvlak en hun diepgaande kennis van het gebied – is hiervoor even vanzelfsprekend als onmisbaar.

Op basis van een open inschrijving zijn voor de zeven locaties van de prijsvraag per locatie drie teams geselecteerd. In opdracht van de gemeente Den Helder heeft Team Rijnboutt (een samenwer­ king tussen Rijnboutt, Smartland, Planmaat en Servicewise) een visie uitgewerkt voor Julianadorp.

Het probleem van Julianadorp zit hem in de geringe synergie tussen het private recreatielandschap, het wat onsamenhangende dorpsgebied en het open polder­landschap. In het dorp overheerst een gevoel van gesloten­heid, dat in scherp contrast staat met het weidse landschap. Een blik op de kaart laat echter zien welke enorme kansen het gebied heeft in relatie tot de landschap­pelijke en economische omgeving.

Achtergronden Julianadorp ligt in de kop van Noord-Holland, tussen de Noordzee (westen) en het Noord-Hollands Kanaal (oosten). Aan de zuid- en noordzijde wordt het dorp begrensd door open polderland met bollenvelden. Het dorp maakt deel uit van de gemeente Den Helder en telt 15.000 inwoners. De kern van de opgave is om in samenspraak met de betrokkenen – waaronder de deelnemende gemeenten, corporaties, waterschappen en afgevaardigden van bewonersinitiatieven en het lokale verenigingsleven – te komen tot een “herinrichting van het openbaar domein door het maken van fysieke verbindingen op verschillende schaalniveaus”, aldus de prijsvraagformulering. Als einddoel voor Julianadorp formuleert de prijsvraag dat “Julianadorp tot een logisch samenhangend geheel wordt gesmeed; een dorp dat niet geïsoleerd in het landschap ligt, maar daar juist gebruik van maakt”. Nadrukkelijk wordt er gevraagd om een visie, niet om een kant en klaar ontwerp. Door meerdere maatschappelijke

Julianadorp is een uitzonderlijk dorp. Nog maar net honderd jaar oud zou je het ook als een ideaal dorp kunnen betitelen. Het heeft de juiste omvang om een gemeenschap te vormen, alles is op loopafstand, er zijn voldoende scholen, zorg- en andere voorzieningen, en het is er plezierig wonen. De ligging aan zee is goed voor een miljoen bezoekers per jaar.

Het begin van een visie Tegenover het onderkennen van problemen staat het ontdekken van kansen. Wat de situatie in Julianadorp bijzonder maakt, is de enorme potentie die het recreatielandschap biedt. Wat zou de toekomst van Julianadorp als recreatielandschap kunnen zijn? Kan een woongebied als een recreatiepark functioneren (en vice versa)? Welke sociale en economische processen zijn hiervoor nodig? Welke mogelijkheden bieden die? Voor welk scenario Julianadorp ook kiest: de toekomst van Julianadorp is er maar één en in essentie gelijk aan de toekomst van elke andere plek op deze wereld: die van een circulaire maatschappij. Het formuleren van een dergelijke gedachte is aanmerkelijk eenvoudiger dan het doordenken van de consequenties. Circulariteit, wat is dat eigenlijk? En wat betekent het begrip in de context van Julianadorp?


Rijnboutt magazine

Circulair en een ecocentrisch bewustzijn Voor de goede orde: de natuur is een ecosysteem waar wij als mensen een onlosmakelijk deel van zijn. De huidige klimaatveranderingen zijn het effect van de verstoring van de balans in het ecosysteem door toedoen van de mens. De symbiose tussen mens en omgeving waar bij natuurvolken sprake van is, is in onze moderne tijd ernstig verstoord. Circulair denken vraagt niet om een schone lei waarop je vanaf nul opnieuw begint, maar om een waardering van het bestaande, om wat er aan bronnen voorhanden is blijvend te kunnen hergebruiken. Circulair denken vraagt ook om een bewustzijnsverandering in de wijze waarop de mens naar zijn omgeving kijkt, hoe hij die omgeving en zijn plaats daarbinnen interpreteert en hoe hij beide in wederkerigheid benut. Deze bewustzijnsverandering is even allesomvattend als noodzakelijk, en betreft de omslag van een egocentrisch bewustzijn naar een ecocentrisch bewustzijn. Niet de mens staat centraal, maar de omgeving, luidt de boodschap. De tijd lijkt voorbij om in alles onze wil aan de omgeving op te leggen of defensief te reageren op wat er op ons afkomt. Dijkverhoging gaat Nederland in de klimaatcrisis niet redden. We moeten omgaan met onvoorspelbaarheid en risico’s, en – wellicht meer dan in onze Hollandse aard ligt – mee­bewegen in wat klimaatadaptatie van ons vraagt. Voor Julianadorp ligt er een unieke kans om zijn relatie met de omgeving te herdefiniëren. Om circulariteit en een ecocentrisch bewustzijn te omarmen als concepten die functioneren bij gratie van de verbinding.

31

Visie Voortbouwend op wat er is en inspelend op de klimaat­ veranderingen, is Julianadorp over dertig jaar een volledig circulair woon-werk-recreatielandschap. Zelfvoorzienend, gastvrij en op de omgeving gericht (ecocentrisch). Kringlooplandbouw, zorg en toerisme zijn de economische dragers en hebben dezelfde overkoepelende ecocentrische benadering. Door de sterke sociale en ecologische verbindingen is Julianadorp een thuis voor mens en dier. Volledig één met de omgeving, de zee en de polder in alles voelbaar. Landschappelijk gezien is het nieuwe Julianadorp een helder omzoomd tuindorp, waarin de oorspronkelijke morfologie van dorp en land afleesbaar blijft. Nieuw zijn de kustverbreding in combinatie met twee op de historie geïnspireerde zoetwaterverbindingen: ‘schulpweg’ en ‘polderlijst’. De schulpweg verbindt de woonkern Julianadorp met de Noordduinen en het strand. De polderlijst definieert en verbindt de dorpsrand met het omliggende landschap. Bij elkaar vormen zij de nieuwe condities voor een gevarieerd en hoogwaardig leefmilieu – Julianadorp als een veilige en zoete enclave. Het woon-werk-recreatielandschap is als een park georganiseerd. Het groen bestaat uit ‘landschappelijk’ groen (een natuurlijk glooiend ecologisch gebied dat onder meer het duinlandschap en een watersysteem met kwelmeer en kreken omvat), mogelijkheden voor sport en recreatie, en zoetwater landbouw (moestuinen). Wonen, zorg en toerisme zijn vermengd. De buurten worden bevolkt door tijdelijke (recreanten) en permanente bewoners. Voor zorgbehoevenden worden innovatieve woonvormen gecreëerd. Het toevoegen en aanpassen van


Rijnboutt magazine

32

woningtypes en bebouwing geschiedt door inbreiding. Bouw en verbouw van woningen vindt plaats volgens circulaire principes die voor Julianadorp zijn ontwikkeld. Het accent ligt op langzaam verkeer: fietsers en wandelaars krijgen prioriteit. Goede logistiek, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en gezondheid (beweging) staan voorop. Het gebied bevat een fijnmazig en wijdvertakt netwerk voor fietsers en wandelaars; de auto is er te gast. Een deel van het wegennet is toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. Aan deze hoofdroute liggen de kernen. Er zijn drie hoofdkernen en vier ondersteunende kernen voor het totale gebied. Ze vormen het sociale hart van de omliggende woonbuurten en bevatten (basis)voorzieningen waaronder winkels, onderwijs en dienstverlening. De buurten, opgenomen in het groen in de nabijheid van een kern, vormen kleinschalige, geborgen gemeenschappen. In de kernen is deelmobiliteit voor elektrische auto en fietsers ondergebracht (mobiliteitshubs). De kernen voorzien in alternatief vervoer voor de kleinere afstanden. In de energiebehoefte wordt voorzien door zonnepanelen op de woningdaken, waarbij de deelauto’s functioneren als batterij voor de opgewekte energie (piekspanningen). Voor de resterende energie- en warmtevraag is een regionale samenwerking geboden. Julianadorp 2050

Behalve de landbouw vormen recreatie en zorg de belangrijkste bronnen van inkomsten. Of het nu gaat om recreatieve activiteiten of om de vele therapeutische vormen die deel zijn van een zorgaanbod op maat: de dialoog met het landschap is leidend (ecocentrisch). Onderdeel vormt de participatie van zorgbehoevenden, tijdelijke en permante bewoners in een kringlooplandbouw, door gezamenlijk voedselproductie, -consumptie en -afval dichter bij elkaar te brengen. Het omliggende landschap is afgestemd op de behoeften van Julianadorp en bestaat uit kringlooplandbouw en natuur. Hier wordt de verbrakking van het landschap omarmd als een nieuwe kans die zijn eigen producten, programma en voorzieningen voortbrengt. In de Koegraspolder kunnen proeftuinen ontkiemen tot een nieuwe, circulaire agrarische economie voor de lange termijn. Het geheel wordt geborgd door de deelname van lokale stakeholders met oog voor duurzame en haalbare ontwikkelingsstrategieĂŤn.


Rijnboutt magazine

33

kringlooplandschap

buurten

kernen

mobiliteit en verbindingen

woon-werk-recreatielandschap


Rijnboutt magazine

34

Woon-werkrecreatielandschap Julianadorp krijgt een leefmilieu dat gebaseerd is op zoet water. Het dorp heeft zijn eigen watersysteem, met specifieke kwaliteiten en kansen. Voor het Julianadorp als een veilige en zoete enclave gaan we uit van een robuust watersysteem met meer oppervlaktewater, waar neerslag vertraagd kan worden afgevoerd en opgeslagen voor drogere perioden. Landschappelijk zetten we in op twee belangrijke schakels: een schulpweg en een polderlijst. De schulpweg verbindt de woonkern Julianadorp met de Noordduinen en het strand. De polderlijst articuleert en verbindt de dorpsrand met het omliggende landschap. De kust en het dorp worden landschappelijk met elkaar verenigd door een dubbele, op de historie geïnspireerde verbinding. De eerste verbinding betreft een te reconstrueren kreek, die direct achter de duinstrook begint. De kreek sluit aan op de bestaande waterstructuur van Julianadorp en maakt de nabijheid van de zee tot diep in het dorp voelbaar. Deels parallel hieraan wordt een tweede verbinding aangelegd in de vorm van een pad voor fietsers en

tuinbouwland­schap half open

zoetwater­ systeem

voetgangers, als een schulpweg zoals die gewoonlijk bij duindorpen aanwezig is en die doorloopt tot op het strand. Voor Julianadorp stellen wij een centrale as voor die begint in het dorp en overgaat in een ecoduct, dat ongelijkvloers de Zanddijk kruist en eindigt op het strand. De strandopgang betekent een aanmerkelijke verbetering in de bereikbaarheid van de zee voor de Dorpers, en tevens een extra stimulans om te gaan fietsen of wandelen. De polderlijst verbindt het dorp met de polder in de vorm van een halfopen tuinbouwlandschap met recreatieve mogelijkheden. Dit tuinbouwlandschap is ingericht op zoet grondwater, daardoor weelderig begroeid en door de wind beschut tegen de zee. Net als bij de schulpweg baseren we ons voor de polderlijst op andere duindorpen, zoals Oudorp op Goeree. Met een halfopen, recreatief tuinbouwlandschap krijgen ook de noord- en oostrand van het dorp een heldere begrenzing met de open polder. Dit recreatieve tuinbouwlandschap speelt een belangrijke rol in de voedselcirculariteit van Julianadorp. Het is een intensief beheerd en efficiënt productielandschap voor groenten en fruit, voor en door het dorp.

langzaamverkeersverbinding

recreatieve tuinbouw

wooncluster


Rijnboutt magazine

35

2020

2050

Mobiliteit en verbindingen De verbindingen voor langzaam verkeer worden geïntensiveerd en de straten ingrijpend vergroend. Door autobezit drastisch terug te brengen en over te schakelen op elektrisch deelgebruik kan het aantal auto’s in het dorp aanzienlijk worden teruggebracht. Zo ontstaat er een kans om van de straat een verblijfsplek te maken die de woonkwaliteit, veiligheid en sociale cohesie ten goede komt. De elektrische deelauto’s fungeren als batterij voor de energie die wordt opgewekt uit de zonnepanelen op elk dak in Julianadorp. Op deze wijze kan elektrische energie worden opgeslagen en worden piekspanningen op het elektriciteitsnet opgevangen. Dat beperkt de benodigde aanpassingen aan het energienet. Op regenachtige dagen voorzien 500 deelauto’s heel Julianadorp voor een halve dag van elektrische energie.

langzaamverkeersverbinding

middelhoge hagen of duintjes ter afscheiding

weg voor gemotoriseerd verkeer

groenverbinding zoetwatersysteem

mobiliteitshub Dorperweerth


Rijnboutt magazine

36

VVV De Pan (huis van transitie) recreatieverhuur horeca

parkeren in het ‘nieuwe‘ duin (uit het zicht)

seizoensbebouwing voor kiosks

strandverbinding (schulpweg)

← dorp

strand →

Kernen Verspreid over Julianadorp liggen verschillende kernen. Er zijn drie hoofdkernen en vier ondersteunende kernen voor het totale gebied. Ze vormen het sociale hart van de omliggende woonbuurten en zijn clusters voor voorzieningen zoals winkels, scholen, een artsenpost en bibliotheek. Alle kernen zijn te voet of met de fiets goed bereikbaar. Onderling verbonden met een route voor snelverkeer die aantakt op het regionale wegennet, zijn de kernen bereikbaar met de auto. De kernen zijn in hoofdlijnen al aanwezig. Voor een bestendige toekomst krijgen de verschillende kernen elk een eigen focus en karakter. Ze worden beter bereikbaar en krijgen een aantrekkelijker uitstraling met meer groen.

kwelmeer nollenlandschap

seizoensbebouwing parkeren in het ‘nieuwe‘ duin (uit het zicht)

strandverbinding (schulpweg)

VVV De Pan (huis van transitie) recreatieverhuur horeca


Rijnboutt magazine

37

2020

2050

Buurten Door de bloemkoolwijken en vakantieparken te ontdoen van alle elementen die het contact met de omgeving belemmeren, ontstaat er een open relatie met het omliggende landschap. Nieuwe en verbeterde randen voorzien hierbij in een natuurlijke overgang. Bewoners worden gestimuleerd om hun afscherming te vervangen door natuurlijke alternatieven: middelhoge groene hagen of duintjes. Zo ontstaat er vrij zicht op het landschap, waarbij voldoende veiligheid en privacy is gewaarborgd. Een verbeterde menging van wonen, zorg en toerisme wordt met een bestemmingswijziging ondersteund. Buurten met louter tijdelijke bewoners, zoals de huidige vakantieparken, behoren tot het verleden. De kuststrook wordt hierdoor ook voor Dorpers bewoonbaar.

schulpweg kreken nollen recreatiewoningen

� strand

middelhoge hagen of duintjes ter afscheiding

collectieve aanpassing seniorenappartementen gezamenlijke tuin

langzaamsverkeersverbinding groen speelplekken

dorp →


Rijnboutt magazine

38

Kringlooplandschap De doelstelling ‘grootschalig agrarisch’ voor de Koegraspolder kan onverminderd blijven bestaan, ook als besloten wordt om te stoppen met het doorspoelen van de polders met zoet water om verzilting tegen te gaan. Dat moment markeert de overgang naar zilte landbouw. Er wordt overgestapt op andere teelten die passen in een lokale circulaire economie, waaronder zilte aardappelen, graan, zeekraal en zeewier. Wanneer de verzilting verder doorzet, komt de kweek van krab, scholvis, zagers en oesters in aanmerking. Door het zout niet langer uit te spoelen naar de Waddenzee maar in een brakke proefboerderij te gebruiken, kan hiermee al worden gestart. In de Koegraspolder kunnen proeftuinen ontkiemen tot een nieuwe, circulaire agrarische economie voor de lange termijn.

hersteld watersysteem regulier onderhoud kleilaag niet aantasten

open polderlandschap

brakke proefboerderij kweek van zeewier, zeekraal, aardappelen

hersteld water­systeem regulier onderhoud kleilaag niet aantasten

brakke proefboerderij kweek van scholvis, zagers en oesters


Rijnboutt magazine

39

Bloemkoolwijk nieuwe stijl De woonbuurten in Julianadorp zijn ontworpen volgens de principes van de bloemkoolwijk. Bloemkoolwijken dateren uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw en kenmerken zich door een ‘bloemkoolstructuur’ van groepsgewijs, rond woonerven geplaatste woningen, waarbij het doorgaand verkeer over een ringweg (of een beperkt aantal hoofdwegen) wordt geleid. De woon­ erven liggen als bloemkoolroosjes aan de hoofdwegen, hebben maar één (rondlopende of doodlopende) toegang en zijn daardoor autoluw. Maar liefst een vijfde deel van de totale Nederlandse woningvoorraad bestaat uit bloemkoolwijken. Stedenbouwkundig en planologisch markeert de bloemkoolwijk een keerpunt binnen de Nederlandse stadsontwikkeling van na 1945. Het ontwerp is een reactie op de planningsdoctrine van de nieuwe zakelijkheid en de daarmee gepaard gaande strokenbouw en stempelstructuur. In sociaal-maatschappelijk opzicht is het de verbeelding van een nieuw tijdperk waarin ‘de menselijke schaal’ de boventoon voert. In functioneel opzicht vormt het een voortzetting van wat bekend stond als ‘de wijkgedachte’. De wijkgedachte Hoewel schatplichtig aan de garden city movement uit de 19e eeuw, stamt de wijkgedachte uit de tijd van de wederopbouw. Als een product van overwegend christelijk en conservatief gemeenschapsdenken, is het de stedenbouwkundige vertaling van ‘het gezin als hoeksteen van de samenleving’. Eind jaren zestig beleeft dit concept een doorstart, opgepoetst met linkse idealen en heropgevoerd door welzijnswerker en architect als goedbedoelende amateursociologen. De wijkgedachte gaat uit van een hiërarchische en overzichtelijke samenhang van de stad, met heldere fysiekruimtelijke relaties tussen de verschillende delen en functies. Beginnend met het kleinste deel, de woning, worden de relaties vormgegeven in een oplopende schaal naar buurt, wijk (stadsdeel) en de stad als geheel. De wijk vormt het centrale punt. Hier zijn de belangrijke voorzieningen ondergebracht en vindt de ontmoeting plaats tussen het individu en de gemeenschap. De wijkgedachte vormt de ideologische basis van een samenleving die aan het gezin (het individu) zijn plaats in het collectief (de gemeenschap) toekent. De wijkgedachte levert ook de aanzet voor een rekenkundig model waarin het verband tussen vraag (inwoners) en aanbod (programma) wordt vastgelegd. Elke aan de buurt of wijk toegewezen

voorziening wordt in oppervlak en aanbod becijferd naar het omschreven aantal gebruikers. Bijgevolg krijgt ook de openbare ruimte het oppervlak toegemeten dat de inwoners naar rato van hun aantal toekomt. Wat geldt op het niveau van de wijk, geldt ook voor de onderlinge relaties tussen de overige delen van de stad en het stedelijke leven als geheel. Wonen, werken, verkeer en recreatie worden in relatie tot elkaar gekwantificeerd en krijgen, ruimtelijk van elkaar gescheiden, elk hun plaats binnen het stedenbouwkundig ontwerp. De wijkgedachte geeft daarmee uitdrukking aan een (nieuwe) maatschappelijke consensus, waarin het stedelijke leven uit oogpunt van beheersbaarheid tot in het kleinste detail is gereguleerd en niets aan het toeval is overgelaten.

De opeenvolging van niveaus in beeld gebracht Gaston Bardet (1946)

Kritiek Van meet af aan is er kritiek op de wijkgedachte. De verwachtingen over het gemeenschapsleven op wijkniveau zijn irreëel, aldus tegenstanders, en getuigen van een antistedelijke mentaliteit 1. Met name de functiescheiding moet het ontgelden, maar ook het paternalisme en het klein­ burgerlijke ervan zijn mikpunt van spot. In retrospectief is het sowieso de vraag of de wijkgedachte wel ooit heeft gewerkt. Al vrij snel wordt de theorie door de praktijk ingehaald. De veranderingen maken korte metten met de tot dan toe geldende prognoses over aantal, herkomst (nationaliteit) en leeftijdsopbouw van de wijkbewoners. Zo leidt de toenemende individualisering in de samenleving tot een aanzienlijke daling van het aantal leden per gezin en een significante stijging van het aantal eenpersoonshuishoudens. Met de vergrijzing verdwijnt ‘het gezin als hoeksteen’ definitief uit beeld. De individualisering loopt parallel aan de komst van moderne, mobiele communicatiemedia, die de organisatie van het collectief ook buiten de directe leefomgeving


Rijnboutt magazine

40

mogelijk maakt. De teloorgang van het verenigingsleven, de diversificatie van arbeid en de versnippering van recreatie, sport et cetera over het domein van de stad/regio/land, illustreren de toenemende onafhankelijkheid van ‘territoriale nabijheid’ 2. Gaandeweg is het beeld van ‘de stad als organisme’ veranderd in dat van ‘de stad als netwerk’ 3. Panorama Julianadorp: de wijkgedachte ‘revisited’ Al gelden niet alle (grootstedelijke) problematieken in dezelfde mate voor Julianadorp – de bewonerssamenstelling is door de jaren heen overwegend ongewijzigd gebleven, i.e. overwegend blank, laag- en middengeschoold – toch zijn er genoeg overeenkomsten vast te stellen. Voor Julianadorp 2050 is nadrukkelijk gekozen voor een model waarbij ‘circulair’ en ‘ecocentrisch’ sleutelbegrippen zijn. De modernistische ontwerpmethode die het liefste start met een schone lei (tabula rasa), is hier niet van toepassing. Niet alles aan de wijkgedachte is ‘fout’ en achterhaald. Zo is het principe van ‘kleinschaligheid’ en ‘korte afstanden’ met het oog op duurzaamheid een kwaliteit. Wat goed was en functioneert, wordt – in aangepaste vorm – met Panorama Julianadorp voortgezet. Woonbuurten worden niet langer gedomineerd door een eenzijdig woningaanbod, maar het vermengen van wonen, zorg en toerisme staat borg voor een aangenaam, levendig en divers woon-werk-recreatieklimaat. Het accent van de woonerven op langzaam verkeer, is hiervoor doorgetrokken naar de schaal van Julianadorp als geheel. ‘Delen’ is de ‘nieuwe collectiviteit’. Dit betreft onder meer de levering van energie via een gemeenschappelijk systeem van zonnepanelen; de beschikking over elektrische deelauto’s en aansluitende vormen van deelmobiliteit (buurtbus), het onderbrengen van zorg en zorgbehoeften in het hart van de wijk; de rol van een recreatief tuinbouwlandschap voor de voedselcirculariteit, i.c. een intensief beheerd en efficiënt productielandschap voor groenten en fruit, voor en door het dorp. Wat de woningen betreft, voor een goede toekomst­ bestendigheid is voldoende doorstroming en vernieuwing van de woningen noodzakelijk. Een flink aantal woningen bevat materialen (asbest) die verwijderd moeten worden. Daarnaast voldoen ze in energetisch opzicht niet aan de huidige (en toekomstige) standaard. Een ingrijpende saneringsronde is onvermijdelijk. Het ligt voor de hand dat deze sanering wordt aangegrepen om tegelijkertijd hiermee de woontypologieën 4 voor het nieuwe woon-werkrecreatielandschap te realiseren.

Het ‘samen blijven doen’ is voorwaarde. Dit geldt niet alleen voor het streven naar een ‘volledig circulair woonwerk-recreatielandschap’, maar ook voor de juridische basis waarop zoiets mogelijk is. Een open proces en creatieve werkwijze kan leiden tot nieuwe en innovatieve vormen van collectiviteit, nieuwe gemeenschappen en woongroepen. Hierbij is het van belang om de ruimtelijke inrichting van woning en woonomgeving blijvend te beschouwen in samenhang met sociaal-maatschappelijke, economische, technologische en culturele ontwikkelingen.

1 Bart Tromp, “De wonderlijke terugkeer van de wijkgedachte”, Het Parool, 29 maart 2007 > rijnboutt.nl/M12_bronnen 2 Ibidem 3 Gemeenschapszin ligt aan de basis van de wijkgedachte, en daarmee aan die van de bloemkoolwijk. De transitie van ‘organisme’ naar ‘netwerk’ biedt nieuwe mogelijkheden voor die gemeenschapszin om zich te ontplooien, voor ruimte aan nieuwe collectieven. Rijnboutt Magazine #11 gaat nader op deze ontwikkelingen in. Zie hiervoor met name het vraaggesprek van Jorinde Seijdel met Martijn de Waal: “Netwerk-stedelijkheid en nieuwe collectieven”.

4 Niet alle werkzaamheden vinden plaats ‘op het werk’. Nu met de COVID-19-lockdown het gedwongen thuiswerken de meesten goed is bevallen, is het aannemelijk te denken dat we voortaan circa 40 procent van de werktijd thuis zullen werken. Dit vraagt om aanpassingen aan de woning (werkruimte aan huis) en aan de woonomgeving (meer faciliteiten voor lunch, ontspanning, sport): de wijk wordt weer meer de ‘maat der dingen’


Rijnboutt magazine

41

De walnotenboom Tekst en beeld Marleen van Driel Waarom is niet één op de tien bomen in de stad een notenboom? Die vraag stel ik mij nu ik een jaar aan een stadspark woon, met uitzicht op een bijzondere boom. Een walnotenboom. Het kleine park ligt in het historisch stadscentrum en wordt omzoomd door een autoluwe straat met herenhuizen. Het park bestaat uit een grasveld met eeuwenoude boomgroepen, bloemperken, slingerende wandelpaden en hier en daar een bankje. Anders dan bij de meeste stadsparken staat om het park geen hek. Het park is hierdoor een vanzelfsprekend onderdeel van zijn omgeving. Er wordt volop gespeeld, gesport en gewandeld. De walnotenboom staat solitair in het gras. In de vroege herfst geeft de boom noten. De bolster, die ongeveer drie maanden lang de noten heeft beschermd, valt op de grond en splijt open. Gedurende twee à drie weken laat de boom zijn noten vallen en kan er de hele dag door worden geraapt. Ik kijk door het raam en zie af en aan buurtbewoners die noten rapen. Een zakenman, op weg naar het werk, zet zijn aktetas tegen de boom en vult in alle rust een zakje. Ook bij mij thuis groeit de mand met noten gestaag. Mijn dochter van vier kent inmiddels de vaste rapers en helpt hen met het vullen van de tasjes. Een voorbijganger kijkt nieuwsgierig toe, sluit aan en vervolgt even later met een handvol noten weer zijn weg. Ik ben verbaasd over de diversiteit aan mensen die de boom als een magneet naar zich toetrekt: jong en oud, verschillende culturen en standen. Onder de brede, ronde kruin komt het allemaal samen. De boom toont de bindende kracht van de natuur. Het contact met die natuur, al is het een alleenstaande boom, is in staat om het sociale leven van de stadsbewoners op een vanzelfsprekende manier te activeren. Dat zet mij aan het denken. Dagelijks schrijven de kranten dat bomen het klimaat moeten helpen door CO2 op te vangen, de biodiversiteit te vergroten en hittestress tegen te gaan. Eurocommissaris Frans Timmermans pleit in zijn Green Deal voor 2 miljard meer bomen in Europa. Ook in de Groenvisie 2050 van Amsterdam (en met haar vele andere steden) is het toevoegen van bomen aan de stad een belangrijk speerpunt. Laten we goed nadenken over welke bomen waar geplant moeten worden. De bindende kracht van een notenboom misstaat nergens.


Rijnboutt magazine

42

Matthijs Bouw en ONE Architecture

Het ontwerpproces als kralenketting

Tekst Jorinde Seijdel

In de nacht van 29 op 30 oktober 2012 veroorzaakte de orkaan Sandy een ravage aan de oostkust van de Verenigde Staten, met gigantische verwoestingen en overstromingen. Het lager gelegen deel van New York moest geĂŤvacueerd worden, inclusief delen van Manhattan. In de beschutting van een Amsterdamse kroeg zagen architect Matthijs Bouw, oprichter en directeur van ONE Architecture, en zijn collega Bjarke Ingels van het Deense bureau BIG beelden van de natuurramp en verbaasden zich over de onvoorbereidheid van Amerika op een dergelijke catastrofe. Als ontwerpers deelden zij nadrukkelijk de overtuiging dat een natuurramp als Sandy een noodsituatie creĂŤert die als collectief vraagstuk behandeld moet worden en verschillende invalshoeken en dimensies moet integreren.


Rijnboutt magazine

43

Matthijs Bouw architect, stedenbouwkundige en oprichter ONE Architecture & Urbanism (ONE) en Associate Professor of Practice Urban Resilience Certificate Program University of Pennsylvania

“Klimaatadaptatie moet de achterstand van kwetsbare groepen corrigeren” Dit inzicht bleek in 2014 de prelude tot een succesvolle inzending van ONE en BIG voor de prijsvraag Rebuilt by Design, die in het teken stond van de wederopbouw van de Amerikaanse oostkust na de verwoestingen door Sandy. The Big U, zoals het gezamenlijke plan heette, resulteerde in een contract met de stad New York. Om te beginnen voor het East Side Coastal Resiliency Project – later kwam het Lower Manhattan Coastal Resiliency Project erbij – dat vanaf 2019 wordt uitgevoerd en vloedwerende maatregelen in de stad en het landschap integreert. Het omvat de herinrichting van East River Park, waterbouwkundige werken als dammen, sluizen en waterbergingen en de aanleg van recreatieve voorzieningen en wandel- en fietspaden. Deze gelaagde klimaatadaptatie-opgave bracht ONE naar New York, waar nu meer dan twintig mensen in dienst zijn. Binnen de Verenigde Staten werkt ONE inmiddels ook aan opdrachten in Boston, San Francisco en Houston. Nadat ook in New York het werk door toedoen van COVID-19 maandenlang stillag, komt Matthijs Bouw aan het woord over wat het vraagt van de ontwerper om de complexiteit en onomkeerbaarheid van klimaatverandering onder ogen te zien en op te vatten als een publiek en collectief project. Aan de orde komen kernbegrippen en methodieken van ONE zoals veerkracht, rechtvaardigheid/gelijkheid, risico, compartimentering en de integratie van ontwerp en proces. Veerkracht “Bij het werken aan The Big U wist ik aan­vankelijk niet veel van waterproblema­tiek. Ik had daar in Nederland geen bijzondere kennis over opgedaan. Klimaat­adaptatie is in Nederland nog sterk beïnvloed door allerlei paradigma’s en institutionele raamwerken rondom waterveiligheid, terwijl klimaatveranderingen versneld op ons afkomen, een grote

mate van onzekerheid bevatten en ook nog eens onomkeerbaar zijn. Het gaat om meer dan om het voorkomen van overstromingen en het aanleggen van dijken. De Nederlandse waterschappen zijn belangrijk, maar in de ontwerpopgaven zullen veel meer actoren betrokken moeten worden. “Door mijn gebrek aan specialistische kennis over waterproblematiek werd ik in de Verenigde Staten gedwongen heel veel vragen te stellen aan verschillende partijen en belanghebbenden – niet alleen aan collega’s en lokale overheden maar ook aan lokale gemeenschappen – om heel goed te luisteren en om inzichten, expertises, partijen en disciplines te verbinden. Hoe laat je het ontwerp, het project en de omgeving waarin je opereert zich op een slimme manier ontwikkelen, in samenhang tot klimaatverandering én tot elkaar? Hoe bouw je ‘resilience’, veerkracht, op? Hoe kun je stress­ factoren zoals de impact van overstromingen zo opvangen en verwerken dat er een transformerend vermogen en uiteindelijk structurele verbetering kan optreden binnen complexe fysieke, sociale en stedelijke systemen? Het gaat bij veerkracht dus niet in de eerste plaats om bescherming en afscherming, maar om het accepteren van risico’s en onvoorspelbaarheid. Dat is wat we in Amerika geleerd hebben, een land waar de beschermende werking van een overheid beperkt is. En met deze invalshoek werken we aan projecten en creëren we relaties met de gemeenschappen en de maatschappelijke orde waar we mee te maken krijgen.” Gelijke kansen “Het genereren van veerkracht kan bijdragen aan het corrigeren van historische achterstanden. Ook als je in Amerika de dingen beziet door een klimaatlens valt de grote sociale ongelijkheid op en realiseer je je dat die deels is ontstaan omdat een kleine groep mensen zich onze aardse bronnen heeft toegeëigend


Rijnboutt magazine

44

en geplunderd. Kwetsbare groepen ondervinden daar de negatieve consequenties van. Een onderdeel van klimaatadaptatie moet zijn er zorg voor te dragen dat dit meer gelijkgetrokken wordt en dat historische achterstanden gecorrigeerd worden. “Een aantal van onze projecten speelt zich af in de Lower East Side, in het gebied Two Bridges, waar de bevolking kwetsbaar is, voor het grootste gedeelte niet-wit en met een gemiddeld inkomen dat een tiende is van dat van inwoners van Manhattan. Het geld waarmee de projecten gefinancierd worden komt van de Federale Overheid, die na Sandy een financieringsmodel heeft bevochten waarin de bestedingen voor wederopbouw ten gunste moeten zijn van de kwetsbare bevolkingsgroepen. Het politieke gesprek hierover is voor onze ontwerp­opgave heel belangrijk. In gebieden waar we werk­zaam zijn met rijke mensen en bedrijven, zoals het Financial District en Battery Park City, kunnen andere instrumenten worden ingezet. Bijvoorbeeld een extra belasting ter compensatie voor de verminderde verzekeringskosten die gebouw­ eigenaren hier hebben. “Het gaat om de vraag wie de lasten van de energietransitie en klimaatadaptatie moeten dragen. Zijn dat bij nieuwbouwprojecten de huidige eigenaren of de toekomstige eigenaren, zijn dat de investeerders of is

The Big U (2014) Visual ONE Architecture

dat het publiek in het algemeen? In Amerika zijn de ongelijkheden weliswaar groter, maar deze vragen zullen ook in Nederland gaan spelen.” Risico “Risico speelt voor ons een rol omdat kleine veranderingen in de werkcontext grote effecten kunnen hebben, bijvoorbeeld voor de regelgeving. Op het niveau van een project maakt iedereen risicoinschattingen, niet alleen over het rondkrijgen van de financiering, maar ook over hoe er met onzekerheid dient te worden omgegaan – bijvoorbeeld aangaande politieke steun.

“Het gaat om de vraag wie de lasten van de energie­ transitie en klimaat­ adaptatie moeten dragen” “Maar je kunt er ook anders over nadenken: Socioloog Ulrich Beck had het over de risico­maat­ schappij waarin constant bedreigingen gevoeld worden en niemand meer verantwoordelijkheid wil nemen. Hoe werkt dit bij klimaatrisico? Wie heeft het veroorzaakt, wie loopt het risico en wie is er verantwoordelijk? Dit zijn sociologische én politieke vraagstukken.


Rijnboutt magazine

45

“Hoe kan er een lerende ontwerp­praktijk ontstaan?” East Side Coastal Resiliency Project (2017) Visual ONE Architecture

“Risico biedt invalshoeken om integraal en holistisch over vraagstukken na te denken, en een ontwerpproject zo te organiseren dat het de grootst mogelijke kans heeft op implementatie. Hoe kunnen we de risico’s minimaliseren en toewijzen aan de partij die het beste in staat is ermee om te gaan? Het is van groot belang, met name binnen ons specialisme van klimaatadaptatieprojecten, dat plannen lukken. Anders trekken financierende partijen en partners zich terug, gaat de continuïteit verloren en moet je weer opnieuw beginnen. Om tot resultaten te komen in dit nieuwe gebied is het extra belangrijk om alle moeilijkheden die zich voordoen te trotseren en ervan te leren. “In dit verband zijn er ontwerptechnieken, zoals fasering en compartimentering, die helpen om grip te houden op een projectplan en de onzekerheden ervan. Hoe bouw je genoeg speling in, zowel in fysieke zin als procesmatig? Hoe ga je om met flexibiliteit? Zijn er mogelijkheden om bepaalde investeringen meerdere doelen te laten dienen, zodat ze een breder draagvlak krijgen? Hoe ontwerp je zo dat je de lessen die je leert verderop in het proces weer kunt inzetten en er een lerende ontwerppraktijk ontstaat?” Compartimentering en complexiteit “Deze ontwerpbenaderingen hebben we toegepast bij de uitvoering van The Big U. Het gebied ervan beslaat tien mijl, dat is te groot om in één keer aan te pakken. We hebben het daarom opgedeeld in kleinere compartimenten die elk een kustverdedigende functie krijgen, maar ook een hoger gelegen plek incalculeren die bij overstroming droog blijft. Elk compartiment kan onafhankelijk functioneren. Als er ergens een breuk optreedt, blijft de rest werken. De compartimenten kunnen tevens los van elkaar worden ontwikkeld, zodat je de omvang van een deelproject kunt koppelen aan de geldstromen die er op dat moment zijn. Door compartimentering kun je makkelijker met de lokale gemeenschappen en diensten werken en van de te bouwen infrastructuur ook een sociale infrastructuur maken. Dat levert bredere steun voor het project op, zowel van de gemeenschap als van lokale politici.

“De compartimenten zijn systemen die in hun eigen tempo kunnen doorgroeien. Het zijn losse projecten die heel goed te managen zijn, een menselijke schaal hebben en minder risico’s opleveren zodat je integrale plannen kunt maken. We beschouwen The Big U als een kralenketting van lokale projecten. En we bouwen adaptieve capaciteiten in, zodat het aan allerlei toekomstige doelen kan voldoen en de inherente complexiteit in acht wordt genomen. “Ik geloof nogal in het je engageren met complexiteit. Dat stuitte in Nederland soms op weerstand. Maar wie weet komt het nu toch van pas bij het werken aan Resilience by Design, een klimaatadaptatie-opgave van regiometropool Amsterdam waar ONE zich aan verbonden heeft.” Deelnemer gesprek Jan van Grunsven Fotografie Eljee Bergwerf Voor meer informatie over het East Side Coastal Resiliency Project > rijnboutt.nl/M12_bronnen

ONE’s Justine Shapiro-Kline bij de Interactive Community Open House voor het Financial District and Seaport Climate Resilience Master Plan Foto ONE Architecture


46

Rijnboutt magazine


Rijnboutt magazine

47

Peter van Assche over architectuur en circulair denken

“Onze aannames kloppen niet”

Tekst Willemijn de Jonge

“Bij het schrijven van mijn intreerede realiseerde ik me dat een flesje water dat ik maar drie uur nodig heb, wel honderd jaar goed blijft. Is dat nou wel zo slim?” Peter van Assche is sinds oktober vorig jaar lector Architectuur & Circulair Denken aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Zijn missie is om de aannames waarop ons hele systeem gestoeld is te bevragen. Peter van Assche architect en oprichter bureau SLA en lector Architecture & Circular Economy Academie van Bouwkunst Amsterdam


Rijnboutt magazine

48

“De helft van onze afvalberg is getekend door ontwerpers” Hij is niet te verleiden tot uitspraken over goed of slecht, over wat we moeten doen en laten om in 2050 circulair te zijn. Uit die morele discussie haalt hij geen inspiratie. Peter van Assche onderzoekt, experimenteert en verbeeldt. Dat is wat ontwerpers in zijn ogen kunnen bijdragen aan de transitie. Hij vond het ontluisterend om te ontdekken dat meer dan de helft van onze afvalberg in gewicht uit de bouw en infrastructuur komt. “Dat is allemaal door ontwerpers getekend. Terwijl er veel idealisme in het vak zit, iedere architect wil werken aan een betere wereld. Toch koop ook ik een plastic flesje water, dat dan ook nog eens uit twee soorten plastic bestaat die je niet samen kunt recyclen. Waarom zouden we de dingen zo maken? Er zitten zo veel onlogische zaken ingebakken in het huidige systeem.” Nieuwe systeemlogica In zijn intreerede voor het lectoraat Architectuur & Circulair Denken kondigde hij dan ook aan op zoek te gaan naar een nieuwe systeemlogica. “Wij doen de dingen in onze wereld vanuit een bepaalde logica. Die is gestoeld op aannames. Maar die blijken vaak niet te kloppen. We dachten bijvoorbeeld dat het allemaal wel meeviel, het effect van rondrijden in een auto of het fokken van varkens. Die verkeerde uitgangspunten werken door in het hele economische stelstel. Is het nog wel zo logisch dat een varkensfokkerij met maar 9 procent wordt belast, maar dat voor menselijke arbeid een tarief van 36 procent geldt? Terwijl juist die mankracht super duurzaam is: je stopt er een boterham in en je kunt weer een halve dag vooruit.” Het bevragen van onze ingesleten denkpatronen is iets waarmee hij net een semester aan Cornell University in Ithaca (NY) heeft gevuld. De gedachte is dat als je iets aan de veronderstellingen verandert, het systeem eromheen automatisch meeverandert. Hij vroeg zijn studenten een circulair woonwerkgebouw binnen het nieuwe stedenbouwkundig plan van het Hamerkwartier in Amsterdam te ontwerpen: bedenk een circulaire strategie en zet deze in voor typologische vernieuwing

én als oplossing voor maatschappelijke vraagstukken. “Waar ik op heb gestuurd is dat circulair denken niet alleen om het gebruik van duurzame materialen gaat. Natuurlijk moet je niet te veel lijm en kit gebruiken, zodat alles ook weer gemakkelijk uit elkaar gehaald kan worden. Maar het behelst zoveel meer.” Van Assche liet de studenten hun ontwerp invoeren in Madaster, een platform dat materialenpaspoorten genereert en een score geeft voor circulariteit. Opvallend was dat de meest intelligente projecten niet het beste scoorden op de Madaster-schaal. Hij noemt het voorstel voor een verticaal park op de kop van Noord: een gigantische betonnen structuur waaraan allerlei gebouwen en functies kunnen worden gekoppeld en ook weer afgekoppeld. Madaster geeft een onvoldoende voor die enorme berg beton, maar gaat voorbij aan het feit dat hij wel 400 jaar goed blijft en dat de invulling uiterst flexibel is. “Ik wil hiermee het gesprek aanzwengelen over wat circulair zinvol is en wat niet. Als we denken in een circulair systeem, welke nieuwe typologieën kunnen er dan ontstaan?” Geen plan B Bij die zoektocht – hij trekt de vergelijking met Jonathan Swifts klassieker Gulliver’s Travels – is het raadzaam om niet direct in oplossingen denken, zegt Van Assche. Zelf heeft hij in ieder geval geen routekaart in zijn hoofd. Hij ziet meer heil in het vrije experiment, dat het ‘omdenken’ de ruimte geeft. Met bureau SLA laat hij zien dat innoveren relatief snel kan. In het Amsterdamse Noorderpark maakten ze samen met Overtreders W in een paar maanden tijd de Noorderparkbar: het eerste gebouwtje van Nederland dat volledig gemaakt is van tweedehands materiaal dat via Marktplaats is aangeschaft. Ze begonnen te bouwen zonder definitief ontwerp, het groeide al doende. Nu het toch over systemen doorbreken gaat: de welstands­ commissie besloot in het experiment mee te gaan en gaf een positief advies af voor een ontwerp dat nog niet vaststond. “Er is toen gevraagd naar ons

“De oplossing zit niet in Excelsheets maar in verbeelding”


49

“We gaan onszelf nog verrassen”

‘fall back scenario’, voor als het niet zou lukken. Dat hadden we helemaal niet. Want als je dat hebt, kun je erop rekenen dat het uiteindelijk toch plan B wordt. Wat ons risicobeheersingsmodel dan was? Zo veel mogelijk risico’s op elkaar stapelen, dan gaat er altijd wel íets goed.” Die andere grondhouding, het radicaal anders durven doen, ziet van Assche als een belangrijk ingrediënt voor een paradigmaverschuiving. Verandering begint tenslotte niet bij de gedachte aan wat er allemaal mis kan gaan. “De oplossing zit niet in Excel-sheets maar in verbeelding.” Upcyclen Kijkend naar nieuwe economische systemen, hanteren afvalverwerkers een ideaal model, volgens Van Assche. Ze krijgen geld aan de voor- én achterkant van het proces: voor het ophalen van hun grondstof en voor het product dat ze ervan maken. Het is alleen nog zo lastig om dat afval goed en mooi te kunnen recyclen. Met de Pretty Plastic Plant kaartten SLA en Overtreders W dat probleem aan. Door plastic huisvuil op kleur en soort te sorteren voordat je het verwerkt, wordt het geen onbestemd donkergrijs zoals men gewend is van gerecycled plastic. De kleur blijft goed en krijgt zelfs iets extra’s: kleine oneffenheden zorgen voor een mooi marmereffect. Een weggegooide shampoofles keert daarmee mooier dan eerst terug. Maar hiervoor moet er in de keten die het plastic ophaalt, sorteert, wast, versnippert en weer spuitgiet wel het een en ander veranderen – om het proces van de een beter aan te laten sluiten op het proces van de ander. Dat bleek zó ingewikkeld, dat de ontwerpers besloten die keten zelf in simpele vorm na te bouwen. Ze maakten zes machines die afzonderlijk van elkaar niets nieuws deden. De revolutie zat hem in het feit dat de machines samenwerkten en ze op één plek aan elkaar gekoppeld werden in een letterlijke kringloop. Eigenhandig werden daarmee zo’n 1500 ‘geüpcyclede’ plastic leien geproduceerd, inmiddels een gecertificeerd gevelmateriaal. Om het uit de niche van kleinschalig experimenteren te halen, zijn ze opnieuw gaan praten met de grote plasticverwerkers. Govaplast durfde het aan met recyclaat en is de productie nu aan het opschalen. Klein beginnen dus, om het daarna ook in groter verband te laten lukken. Van Assche: “Er zit een soort natuurlijke grootte aan een groep die slagvaardig is. Met tien man gaat het goed, met nog

acht erbij wordt het lastig. Mijn projecten bestaan bij de gratie van overzichtelijkheid. Als je zelf de regie niet houdt, vertroebelt en verwatert het.” Toch is de maatschappelijke winst juist te behalen door samenwerking met de grotere spelers in het veld. Circulariteit gaat nou eenmaal samen met collectiviteit. We kunnen ieder voor zich ‘goed’ bezig zijn met zonnepanelen, maar uiteindelijk zullen we dat collectief moeten gaan regelen, zodat een veel groter netwerk ontstaat dat tekorten en overschotten uitwisselt. Voor dat proces zijn nieuwe coalities nodig tussen klein en groot – niet alleen tussen de uitvoerders, maar ook tussen de bedenkers. Onder Malta Van Assche ziet dat opschalen wel gebeuren, ook gezien de sterke stedenbouwkundige traditie in Nederland, waarmee we een praktische tool in handen hebben om voor meer dan ons eigen tuintje te zorgen. In zijn rede schrijft hij dat de constatering dat we nu in het Antropoceen leven – waarin de invloed van de mens als een geologische kracht beschouwd wordt – weliswaar donkere toekomstscenario’s oplevert, maar tegelijkertijd hoopgevend is. In plaats van destructief te handelen, kunnen we er ook voor kiezen het tij te keren, en onze invloed aanwenden voor een duurzaam verblijf op deze aarde. We leven in een interessante tijd, die laat zien dat veranderen snel kan gaan, redeneert van Assche. “We hebben in een paar weken een onvoorstelbare transitie meegemaakt. Voor de coronacrisis was vliegschaamte meer een modewoord dan iets wat effect had. Wie had geloofd dat het vliegverkeer in een maand tijd met 90 procent zou kunnen verminderen? Alleen omdat de urgentie ineens voelbaar is? Dat wij van heel Europa het slechtst scoren op het gebied van duurzame energie – we staan op de 28e plaats, onder Malta! – heeft natuurlijk alles te maken met die aardgasbel waar we jaren aan gelurkt hebben. Drie jaar geleden had ik het niet geloofd, maar nu gaat die gasbel tóch dicht. Je hoeft als architect nu echt niet meer te discussiëren met een ontwikkelaar over wel of geen gas. Dat heeft mij best verrast. Ik denk dat we onszelf nog vaker gaan verrassen met wat er allemaal kan.” Deelnemer gesprek Marleen van Driel Fotografie Ineke Oostveen


50

Rijnboutt magazine

Beeldbijlage

Lutkemeerpolder Tekst en beeld Rufus de Vries “Voor mij als stadsbewoner werd de open skyline van de polder aan de rand van Amsterdam een ontdekking. Jarenlang ervaarde ik geen open skyline omdat ik in en tussen hoogbouw woonde en leefde. De Lutkemeerpolder is een voorbeeld van wat je moet behouden. Vormt de Lutkemeerpolder niet juist de reden om de bestaande stad te willen verdichten? "Voor deze beeldbijlage creëerde ik scènes met mensen in relatie tot hun omgeving. Dat doe ik in een combinatie van terloopsheid, een strakke regie en het samenbrengen van meerdere momenten. Op die manier bundel ik verschillende lagen, (kijk)richtingen en details van mensen en een ruimte in één foto.”


Rijnboutt magazine

51


52

Rijnboutt magazine

Het belang van de scheggen voor Amsterdam

“Weten dat ze er zijn is niet genoeg” “De scheggen zijn het schoolvoorbeeld van stadsrandproblematiek”

Jan Maas en Philomene van der Vliet landschapsarchitecten en oprichters BOOM Landscape


Rijnboutt magazine

53

Tekst Mark Hendriks

Landschapsarchitecten Jan Maas en Philomene van der Vliet van bureau BOOM Landscape deden ontwerponderzoek naar de betekenis en toekomst van de Amsterdamse scheggen. “Iedereen moet snappen hoe belangrijk ze zijn.” Stel je voor: een nachtburgemeester voor de Amsterdamse scheggen, de grote groengebieden – zoals de Amstelscheg, de Brettenzone, Waterland, het Amsterdamse Bos – die als vingers de stad insteken, tot aan de oude binnenstad toe. Volgens landschapsarchitecten Jan Maas en Philomene van der Vliet helemaal geen gek idee. “Zo iemand moet een hoeder zijn, een luis in de pels, die aan de bel trekt als de kwaliteit van de scheggen onder druk komt te staan.” Het idee komt uit het ‘Manifest van de Scheggen’ dat Maas en Van der Vliet eind vorig jaar uitbrachten. De tekst met elf aanbevelingen voor een betere omgang met het scheggenlandschap vormde het sluitstuk van hun rol als architect-in-residence bij architectuurcentrum Arcam, waarvoor ze een jaar lang het spotlicht richtten op de kenmerkende Amsterdamse groengebieden. Onbekend terrein De aanleiding om met de scheggen aan de slag te gaan, komt voort uit de constatering dat in Amsterdam een totaalvisie lijkt te ontbreken op hoe ontwikkelingen zich tot elkaar verhouden en tot de grote open ruimtes, zoals de scheggen. Dit werd pijnlijk duidelijk toen Maas en Van der Vliet een lezing bijwoonden over de ontwikkelingen rond het IJ – volgens beide landschapsarchitecten in feite ook een scheg. “Al die plannen liggen als losse snippers rondom het water,” vertelt Maas aan de vergadertafel van hun kantoor aan de KNSM-laan. “Ze hebben geen enkele relatie met de grote open ruimte in het midden.” Dat is verrassend, omdat de scheggen als onderdeel van het ‘vingerstadmodel’ uit het Algemeen Uitbreidingsplan van Cornelis van Eesteren grote bekendheid genieten. Maas en Van der Vliet knikken: “Het is als planologisch concept alom bekend. Maar weten dat ze er zijn is echt iets anders dan ze betekenis geven, ze een rol toedichten in de totstand­ koming van een duurzame en gezonde stad.”

Prachtig poldertje De ontwerpers verwijzen naar de vele kaarten die van de Amsterdamse regio verschijnen, zoals in de structuurvisie en in de documenten die de Metropoolregio Amsterdam (MRA) uitbrengt. Steeds staan de scheggen er keurig op, maar daar blijft het dan ook bij. Maas: “Alsof we er nooit meer iets aan hoeven te doen.” Hij vervolgt: “Ze zijn het schoolvoorbeeld van stadsrandproblematiek. Alles wat je niet in de stad wil, plan je daar, met als gevolg dat sommige scheggen er verkwanseld bij liggen, zonder kwaliteit.” Na een moment: “Ga maar eens naar de Lutkemeerpolder, een prachtig poldertje in het hart van de Scheg van West. Die wordt doodleuk volgebouwd met logistieke dozen.” Daarmee hebben de scheggen volgens Van der Vliet veel weg van het Groene Hart. “Ook dat is op papier een ijzersterk concept, maar in de praktijk wordt er telkens wat van afgesnoept.” Nukkig veenlandschap Jan Maas en Philomene van der Vliet onderzochten niet alleen hoe de kwaliteit en betekenis van de scheggen vergroot kunnen worden, maar ook welke rol ze kunnen spelen in de vraagstukken waar de moderne stad voor staat. Zoals energietransitie, klimaatadaptatie en de noodzaak tot woningbouw, maar ook het terugdringen van de CO2-uitstoot (door bodemdaling in de veenweiden komen flink wat broeikasgassen vrij). Van der Vliet: “Het doel was om opgaven en waarden te stapelen, zodat de potentie van iedere scheg vergroot wordt. Zo snappen wij allemaal waarom de scheggen belangrijk zijn.” Voor dat onderzoek werden vier ontwerpteams ingeschakeld die elk twee scheggen onder hun hoede namen. Naast BOOM waren dat de bureaus Karres en Brands, LAMA landscape architects en Flux landscape architecture. De opdracht: zoek uit hoe de scheggen productief kunnen zijn voor de stad. Of zoals Maas het zegt: “Hoe kunnen we het landschap weer nuttig maken?”

“Hoe kunnen we het landschap weer nuttig maken?”


Rijnboutt magazine

54

“Door opgaven en waarden te stapelen, snappen wij allemaal waarom de scheggen belangrijk zijn”

Zelf tekende BOOM aan de Brettenscheg, de groene wig die van het Westerpark tot Haarlem loopt. Dit gebied moet toegankelijk worden voor de vele stedelingen die aan de randen wonen, bijvoorbeeld door de aanleg van gaarden, volkstuinen of sportweides. Karres en Brands oppert om in de Amstelscheg ruimte te maken voor nieuwe natuur, natuurinclusieve landbouw en klimaatadaptatie – stuk voor stuk ingrepen waarmee veenvorming gestimuleerd wordt. De ontwerpers van LAMA bouwen een deel van het Amsterdamse Bos (met zes miljoen bezoekers per jaar de drukst bezochte scheg) om tot voedselbos. En Flux roept op om in de Zaanse scheg dertig miljoen bomen te planten. Daarmee krijgt het nukkige veenlandschap weer betekenis, onder meer als klimaatbuffer en recreatief boslandschap. Vrij nadenken Gedurende de ontwerponderzoeken was er plek ingeruimd voor een zogenoemd Parlement van de Scheggen, bedoeld om de groengebieden een ‘stem’ te geven. In het parlement – dat onder leiding stond van landschapsarchitect Dirk Sijmons – hadden dan ook vooral bewoners, boeren, natuurclubs, ontwikkelaars en beleidsmakers zitting. Cruciaal in het project waren de confrontaties tussen de ontwerpers en de parlementsleden tijdens door Arcam georganiseerde publieke bijeenkomsten. Volgens Jan Maas kwetsbare momenten, omdat je als ontwerper ‘onder je rokje wordt bekeken’. Glimlachend: “Je legt je eerste bevindingen en schetsen op tafel en een groep van wijzen vindt daar dan van alles van. En dat dan ook nog eens voor het oog van een publiek van bewoners, beleidsmakers en politici dat bepaald niet op zijn mondje is gevallen.” Die discussieavonden in Arcam bleken de grootste kracht van het project, blikt Philomene van der Vliet terug. “De gesprekken waren open, de aanwezigen heel flexibel. Alles was bespreekbaar. Daarin hadden we een voorsprong op de politiek, die sommige onderwerpen liever vermijdt. Wij konden bijvoorbeeld onomfloerst vraagtekens plaatsen bij het beleid om de Haarlemmermeer – onderdeel van de Scheg van West – elk jaar schoon te spoelen met miljoenen liters zuiver water, en dat alleen voor de landbouw.” Versnipperd gebied Memorabel was de avond over de Diemerscheg, waarin het debat alle kanten op ging. Dat kwam deels door de radicale voorstellen van Karres en Brands: óf we bouwen het gebied helemaal vol óf we maken er een bos van, waarvoor we het waterpeil omhoog gooien en fantastische stadsranden maken.

“Sommigen vonden het eigenlijk wel interessant om zo’n scheg volledig te gebruiken voor de woningbouwopgave,” herinneren Maas en Van der Vliet zich. “Anderen daarentegen spraken over de nachtegaal – en dat die een open en natuurlijk landschap verdient.” Het ontwikkel- en beheerplan dat onlangs voor de Diemerscheg gepresenteerd is, lijkt voort te borduren op het bosscenario dat Karres en Brands schetste. Ook daarin wordt gesproken over bosaanleg, waterbuffers en het verbinden van de polders. “De winst is,” aldus Van der Vliet, “dat er eindelijk een visie ligt waarmee het gebied samenhang krijgt, waarmee de neuzen dezelfde kant op worden gezet. Dat is hard nodig: niemand had grip op de Diemerscheg. Daar maakt dit plan hopelijk een einde aan: partijen worden gestimuleerd om samen te werken.”

“Eindelijk ligt er een visie waarmee het gebied samenhang krijgt. Hierdoor worden partijen gestimuleerd om samen te werken” Goede plannen De publicatie van het manifest – met onder meer aanbevelingen over planologische verankering, identiteit, investeringen, draagvlak en onderzoek – is volgens Maas en Van der Vliet goed ontvangen. Ook over media-aandacht hebben ze niet te klagen gehad. Betekent dit dan ook dat de scheggen een prominente plek hebben in de groenvisie die wethouder Laurens Ivens onlangs presenteerde? Dat valt helaas tegen, stelt Maas. “Die visie beperkt zich tot de stad Amsterdam, waardoor alleen over de koppen van de scheggen wordt gesproken. Wederom zijn ze netjes op de kaart gezet – maar, en dat is best frustrerend, zonder perspectief op de rol die scheggen spelen in de duurzame stad van de toekomst.” Van der Vliet had gehoopt op een pilotproject, om de bevindingen uit het ontwerpproject in de praktijk te testen. “Wat dat betreft heb ik hoge verwachtingen van het plan Amsterdam Wetlands, dat in feite de Waterlandscheg betreft. Dat is tenminste een integraal verhaal over recreatie, landbouw en natuur.” Deelnemer gesprek Richard Koek Fotografie Ineke Oostveen


Rijnboutt magazine

55

Hoogwaardige mix van wonen, horeca en groen Aan de oostzijde van het centrum van Nieuwegein bevindt zich de Doorslagzone. Een aantrekkelijke locatie om te wonen, met de kade van het Doorslagkanaal voor de deur, vlakbij het park Oudegein en alle stedelijke voorzieningen om de hoek. Een vallei-achtige opzet van vier woon­ gebouwen biedt naast vrije sector huur- en koopwoningen ook sociale huurwoningen en middenhuurwoningen. In de plint komt horeca en onder de woongebouwen wordt een parkeergarage gerealiseerd. Bewoners kunnen gebruik maken van elektrische deelauto’s. De hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe binnenstad wordt doorgezet met brede trappen, heldere routes, ruime voet- en fietspaden en vergroening. Op de terrassen van de vallei komen daktuinen en de woningen op de begane grond grenzen aan een binnentuin. Opdracht Koopmans Projecten/NEOO

Visual Arqui9

Doorslag­ zone Nieuwegein


Rijnboutt magazine

56

Mobiliteit en gezondheid voor de toekomst van de stad

Tekst Richard Koek

Nederland staat voor de uitdaging om tot 2035 ruim één miljoen nieuwe woningen te realiseren 1, om te verduurzamen en tegelijk de economie draaiende te houden. Dat bij deze enorme opgave wordt uitgegaan van stedelijke verdichting, ligt voor de hand. Het in één keer aanpakken van de hele opgave biedt een grote kans voor de verduurzaming van mobiliteit. Een sterke stedelijke verdichting gaat noodzakelijkerwijs gepaard met ruimtelijke concepten waarin gezondheid een centrale rol speelt. Door te kiezen voor een integrale aanpak kan aan alternatieven voor de auto meer ruimte worden gegeven. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Slim en duurzaam stadsvervoer kan een deel van de oplossing zijn om te kunnen verdichten. Met een nog grotere rol voor de fiets.


Rijnboutt magazine

1 Nationale Omgevingsvisie NOVI (juni 2019) 2 Het College van Rijksadviseurs hield in 2014 met NL-Fietsland een krachtig pleidooi om de keuze uit alternatieven voor mobiliteit te vergroten. Het recent bijna vastlopen van de wegcapaciteit en railcapaciteit en de toenemende drukte op fietspaden wijst uit dat dat pleidooi nog onverminderd nodig is, wat in het voorjaar van 2020 leidde tot “Naar een schaalsprong op de fiets” van hetzelfde CRa. Dit beleid wordt door steeds meer steden geconcretiseerd; als voorbeeld: Meerjarenplan Fiets 2017-2022, Amsterdam.nl > rijnboutt.nl/M12_bronnen 3 Thalia Verkade, “We gaan steeds sneller, maar komen geen seconde eerder thuis (en dat is een groot probleem)”, De Correspondent, 1 juni 2018 > rijnboutt.nl/M12_bronnen 4 College van Rijksadviseurs; Metromix (2019) 5 Het wegverkeer in Nederland zorgt voor 15 procent van de CO2-uitstoot en fijnstof. 6 Ministerie voor I&M, Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, 2018 7 Jos Gadet, “Deze crisis laat zien dat we vol in moeten zetten op de openbare ruimte”, gebiedsontwikkeling.nu, 21 april 2020 > rijnboutt.nl/M12_bronnen 8 De kenniseconomie kan daarbij ook niet zonder die grote aantallen dienstverleners in dat publieke domein. Dus maakt de dienstverlening in de openbare ruimte onlosmakelijk deel uit van die kenniseconomie. Nabijheid biedt ook ruimte voor een deeleconomie. Buurt- en mantelzorg zijn eenvoudiger te organiseren.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte stelde al in 2014 een krachtige aanpak voor die ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De ontwikkeling van overstapknooppunten tussen verschillende vervoersvormen, de optimale ruimtelijke inpassing van bestaande hoofdwegen (die vaak zijn aangelegd volgens inmiddels achterhaalde eisen) en ten slotte het sterker verweven van regionale en landelijke netwerken met het lokale netwerk zijn de drie belangrijkste opgaven op het gebied van stedelijke mobiliteit. De fiets vormt binnen deze opgaven een cruciale schakel 2. Ander mobiliteitsgedrag door ruimtelijke inrichting Ruimtelijk beleid en mobiliteit zijn nauw verbonden. De actieradius van verschillende vervoermiddelen vergroot onze dagelijkse leefomgeving 3. De ruimtelijke structuur en inrichting van de gebouwde omgeving beïnvloeden de mobiliteitskeuzes van mensen. Reisafstanden worden korter als voorzieningen dichter bij huis zijn. Waardoor meer tijd overblijft voor kwaliteit van leven of gezondere vervoerswijzen. De dichtheid en nabijheid van wonen en werken creëren draagvlak voor een hoge kwaliteit van openbaar vervoer en stimuleren om meer te gaan lopen of fietsen.

GWL-terrein, Amsterdam

57

Met de gezamenlijke aanpak van mobiliteitsgedrag en vestiging van kantoren en woningbouw in bestaand stedelijk gebied – bij voorkeur in de buurt van het openbaar vervoer – en met een mix van de functies ‘wonen’, ‘werken’, ‘horeca’ en ‘winkels’ wordt het ontstaan van ‘autolocaties’ voorkomen 4. Om de stad duurzaam, leefbaar en bereikbaar te houden is ander mobiliteitsgedrag noodzakelijk. De groeiende mobiliteitsbehoefte doet steden in hoog tempo vastlopen en zet de leefbaarheid onder druk. Een omschakeling van de auto naar andere mobiliteitsvormen van bewoners draagt sterk bij aan het verminderen van luchtvervuiling en CO2-uitstoot 5. Er rijden in Nederland nu acht miljoen auto’s, waar zestien miljoen parkeerplaatsen 6 voor zijn. Dat kost veel ruimte. Die ruimte kan nuttiger worden gebruikt. Gezonde verstedelijking Een sterke stedelijke verdichting gaat noodzakelijkerwijs gepaard met ruimtelijke concepten waarin gezondheid een centrale rol speelt. Jos Gadet betoogde in zijn crisiscollege van 2020 7 dat de openbare ruimte de ultieme plek voor sociale en economische interactie is. De kenniseconomie draait om de uitwisseling en het scherpslijpen van ideeën. Dat kan niet zonder de voedingsbodem van veel verschillende face-to-faceinteractie in het publieke domein 8.


Rijnboutt magazine

58

Laan van Nieuw Oost Indië, Den Haag Foto Kees Hummel

Vooral lopen en fietsen bevorderen de gezondheid en sociale interactie. Daar moet de stad dan wel geschikt voor zijn of voor worden gemaakt. Groenvoorziening speelt hierin een grote rol, zowel voor een aangename beleving, verbetering van de luchtkwaliteit, vasthouden van regenwater en tegengaan van hitte. Voor dagelijkse beweging is een goed ingerichte openbare ruimte essentieel: parken, pleinen, aangename straten. Dat alles goed met elkaar en met de grotere landschappelijke ruimte verbonden. En daarin verandert de betekenis van de auto als vervoermiddel 9. Het succes van de OV-fiets laat zien hoe groot de behoefte is aan flexibel natransport van openbaar vervoer naar de eindbestemming. Op steeds meer plekken staan deelfietsen bij bushaltes, maar ook deelauto’s en andere nieuwe vervoersvormen kunnen in onze mobiliteitsbehoefte voorzien. De ontwikkeling van mobiliteitsknooppunten moet de overstap van de ene vervoersvorm op de andere makkelijker maken.

Nieuwe ruimte Steden kunnen zo ingericht worden dat alternatieven voor de auto aantrekkelijker worden. Dit kan plaatsvinden met een duurzaam, alternatief vervoerssysteem. De toekomstige – gezonde – stad is nog meer ingericht en ontworpen voor mensen in plaats van voor voertuigen 10. Hierbij moet worden gedacht aan: • Straten en pleinen zijn levendige, multifunctionele ruimtes voor sociale ontmoeting, waar iedereen zich vrij kan bewegen en kinderen kunnen spelen; • Binnen bepaalde zones is alleen ruimte voor voetgangers en fietsers; • Centrale knooppunten van mobiliteit zorgen voor aansluiting en overstap op het openbaar vervoer en bieden allerlei vormen van deelmobiliteit; • Parkeren kan alleen ‘op afstand’, met uitzon­dering voor mensen die slecht ter been zijn; • Straten kunnen aan leefruimte winnen wanneer de ruimte voor auto’s sterk gereduceerd wordt 11. Deelmobiliteit en actief parkeerbeleid zijn in dit concept de sleutels tot de toekomstige wijk, naast andere vormen van stedelijke logistiek.

Een sterke stedelijke verdichting gaat noodzakelijkerwijs gepaard met ruimtelijke concepten waarin gezondheid een centrale rol speelt

9 Het Kenniscentrum Healthy Urban Living en het Platform Gezond Ontwerp hebben daarover beide breed gepubliceerd. 10 Natuur & Milieu presenteerde hiervoor in 2019 het concept ‘leefzone‘. Leefzones zijn groene compacte stadsgebieden waar mensen zich hoofdzakelijk lopend of fietsend verplaatsen en mobiliteit duurzaam is. De ruimtelijke inrichting van een leefzone maakt ander mobiliteitsgedrag logisch en aantrekkelijk. Zo’n nieuwe inrichting met autovrije leefruimtes en minder parkeergelegenheid is niet alleen goed voor het milieu en de luchtkwaliteit. Het draagt ook bij aan de leefbaarheid en het efficiënt gebruik van de schaarse ruimte in de stad. Een in ruimte­ beslag beperkter auto-infrastructuur zorgt voor meer leefruimte. 11 De openbare ruimte is van verblijfsgebied tot transportader verworden, de ruimte voor ontmoeting is beperkt en de hoeveelheid groen is afgenomen. Niet alleen op, maar ook onder de weg speelt ruimtegebrek een cruciale rol voor de verdere inrichting van de straat. Het initiatief Straad werkt hiervoor aan duurzame oplossingen onder- en bovengronds, in de publieke en de private ruimte, in het bestaand stedelijk gebied. Het integraal aanpakken van alle opgaven in de openbare ruimte komt ten goede aan de ruimte voor fiets en voetganger.


Rijnboutt magazine

59

Om de stad duurzaam, leefbaar en bereikbaar te houden is ander mobiliteitsgedrag noodzakelijk

Minder parkeergelegenheid Een parkeerplek beslaat zo’n twaalf vierkante meter. Op een parkeerplek past een schommel of een fietsenrek voor vijf tot tien fietsen. Vijf parkeerplekken vormen al het oppervlak van een appartement. Aanleg en onderhoud kosten maatschappelijk veel geld, waaraan parkeervergunningen maar een beperkte bijdrage leveren. Voor stedelijke verdichting moet het idee van ‘de auto voor de deur’ worden losgelaten. Het is in binnensteden ruimtelijk en financieel niet wenselijk en niet mogelijk grote aantallen (ondergrondse) parkeerplaatsen te realiseren. Gemeenten moeten in plaats van in parkeergarages, investeren in openbaar vervoer en mobiliteitsknooppunten waar verschillende vormen van (deel)mobiliteit samenkomen. Een kleinere hoeveelheid parkeerruimte is haalbaar:

Secoya, Papendorp Utrecht

• Er zijn grote verschillen in mobiliteitsbehoefte en autobezit van verschillende doelgroepen: de algemene trend is dat jongvolwassenen later een auto nemen. Inmiddels heeft een kwart van de Nederlandse huishoudens geen auto en in de binnensteden soms zelfs meer dan de helft; • Efficiëntere benutting van parkeerruimte door wonen en werken te mixen, wat leegstand van parkeerplekken voorkomt. Meer flexibiliteit van de werkplek, waaronder 40 procent van de tijd thuiswerken, vermindert de mobiliteitsbehoefte; • Verschillende nieuwe vervoersbedrijven (zoals Uber en Lyft) bieden een complementaire vervoerswijze aan. Auto-delen en rit-delen zijn dynamische oplossingen voor de vraag naar mobiliteit in een poging de manier waarop mensen zich verplaatsen te veranderen.


Rijnboutt magazine

60

Zijdebalen, Utrecht Foto Kees Hummel

Stedelijke logistiek anders georganiseerd Bij de verdichting van de stad verandert de mobiliteitsvraag. Ook de vraag naar goederen en diensten neemt toe. Hierdoor ontstaat ook ruimte voor nieuwe vormen van logistiek, het bevoorraden van de stad, het leveren van pakketten, het ophalen van afval. De eerste stap is het gebruik van kleiner, elektrisch materieel. ICT-diensten en aflevervoorzieningen beperken het aantal ritten. Ook afvalinzameling kan in andere vormen. Alles bedoeld om de openbare ruimte minder een mobiliteitsruimte en meer de gewenste leefruimte te laten vormen. Samen aan de slag Amsterdam creëerde eind jaren negentig op het GWL-terrein een autovrij woongebied. In steeds grotere delen van historische centra wordt de auto geweerd. Utrecht start in 2021 met de uitvoering van de Merwedekanaalzone, een stedelijk concept dat navolging vindt bij allerlei Nederlandse binnenstedelijke vernieuwingen. In de ‘City Deal Elektrische deelmobiliteit’ voeren zeven gemeenten pilots uit met deelmobiliteit en parkeerbeleid om autobezit en -gebruik te verminderen 12. In veel steden krijgt deel­ mobiliteit al langzaam vorm. Op steeds meer

plekken komen hoogwaardige fietsenstallingen, aangevuld met huurmogelijkheden voor snelle fietsen of transportfietsen. Samen met gemeenten en opdrachtgevers zijn wij als ontwerpers aan zet om experimenten met nieuwe mobiliteitsconcepten uit te voeren. Dit biedt kansen voor nieuwe woon- en leefmilieus. Het hierbij betrekken van bewoners en gebruikers is cruciaal. Nieuwe manieren van reizen vragen immers om een gedragsverandering. Pas als mensen de voordelen – zoals meer groen en veilige speelruimte voor kinderen, maar ook lagere kosten en meer gezondheid – zelf ervaren, zijn ze bereid andere keuzes te maken.

12 “Elektrische deelmobiliteit in stedelijke gebiedsontwikkeling”, agendastad.nl > rijnboutt.nl/M12_bronnen 13 Nieuwe mobiliteitsvisies in (gebieds)projecten van Rijnboutt: • • • • • • • •

Utrecht Merwede Den Haag AnnA Breda Backer+Rueb Haarlem Belcanto Dordrecht Middenzone Leiden Plesmanlaan Den Haag Schipperskwartier Nieuwegein Doorslagzone

In veel van onze recente projecten 13 wordt actief gewerkt aan die verandering. Autovrije buurten, geconcentreerde parkeervoorzieningen op afstand, optimale ruimte voor het stallen en gebruiken van fietsen, deelauto’s en -fietsen, mobiliteitshubs en aanbiedruimtes voor pakketjes. Daarmee ontstaat een groter verblijfsgebied, groen van karakter, dat volop mogelijkheden biedt voor wat van een openbare ruimte mag worden verwacht: spel, sport en ontmoeting.

Voor stedelijke verdichting moet het idee van ‘de auto voor de deur’ worden losgelaten


Rijnboutt magazine

61

Visual CIID

Werf bij de Sluis Muiden

Van historische scheepswerf naar streekeigen woonomgeving Lange tijd was de Schoutenwerf afgesloten, ontoegankelijk voor publiek. Met de transformatie tot woongebied wordt de werf weer van Muiden. Drie monumentale panden worden gerenoveerd en de werfmuur, als artefact van een voor de locatie zo kenmerkend verleden, blijft in zijn geheel behouden. Achter de werfmuur verschijnen op lokale kenmerken geĂŻnspireerde appartementengebouwen en stadshuizen die onderling verschillen, maar duidelijk familie zijn van elkaar. Een ondergrondse parkeergarage zorgt voor een autoluw gebied. De openbare ruimte wordt ingericht met houten vlonders, bomen en plaveisel met belijningen die herinneren aan de hellingbanen voor schepen. De inrichting beoogt, met behoud van de sfeer van de oorspronkelijke scheepswerf, de nieuwe woonomgeving aan te laten sluiten op het historische karakter van Muiden. Opdracht Schoutenwerf BV


Rijnboutt magazine

62

Eerste donorskelet in Nederland Drie bestaande panden aan de Hoogstraat 168-172 in Rotterdam (Kraaijvanger, Van den Broek en Bakema e.a.) zijn van binnen geheel getransformeerd en geschakeld tot een woon- en winkelcomplex, met de optie voor het realiseren van één grote winkel over meerdere verdiepingen. Enkel de gevels – afkomstig uit de wederopbouw­ periode van Rotterdam – zijn behouden. Het originele betoncasco daarentegen voldeed niet meer en is geheel vervangen door stalen balken en kolommen afkomstig uit andere gebouwen: een donorskelet. Deze manier van hergebruik is een primeur in Nederland. Samenwerkingspartner IMd heeft naar aanleiding van dit project een kwaliteits­ rapport geschreven voor het gebruik van donorstaal. Het heeft ertoe geleid dat tweede­­hands staal nu vaker wordt toegepast. Opdracht Kroonenberg Groep

Hoogstraat Rotterdam


Colofon Rijnboutt Magazine no. 12 Redactie Jan van Grunsven (hoofdredacteur), Marleen van Driel, Richard Koek en Janneke Griep, Carlijn Bosch Tekst Catja Edens, Kirsten Hannema, Mark Hendriks, Willemijn de Jonge, Jorinde Seijdel, Rufus de Vries, Antonia Weiss en Rijnboutt (Jan van Grunsven, Marleen van Driel, Richard Koek) Tekstcorrectie Monique Montanus Fotografie Alexander Gerst (cover), Ineke Oostveen en Eljee Bergwerff (portretten p. 5, 6, 17, 43, 46, 52), stadsarchief Amsterdam (p. 9), Kees Hummel (projecten Rijnboutt p. 10, 58, 60, 62), stadsarchief Breda (p. 11), Thomas Struth (p. 12), Maurer United Architects (p. 22), James Wang (p. 25), Jan Peeterse (p. 28), Marleen van Driel (p. 41), ONE Architecture (p. 45), Rufus de Vries (p. 50, 51) en Rijnboutt (overig) Illustraties en visuals Vero Visuals (p. 20), Hans Weiditz (p. 27), Daniel Nikolaus Chodowiecki (p. 27), Gaston Bardet (p. 39), ONE Architecture (p. 44, 45), Arqui9 (p. 55), CIID (p. 61) en Rijnboutt (overig) Vormgeving Thonik Druk NPN Drukkers Oplage 2.300 Copyright Rijnboutt bv / september 2020 We hebben alle moeite gedaan om de eigenaren van beeldrecht te achterhalen. Eigenaren van beeldrecht die we niet hebben bereikt, worden gevraagd zich in verbinding te stellen met Rijnboutt.


Rijnboutt magazine

1

Rijnboutt Moermanskkade 317 1013 BC Amsterdam T +31 (0)20 530 48 10 office@rijnboutt.nl www.rijnboutt.nl /rijnboutt @rijnboutt @rijnbouttnl

Profile for Rijnboutt

Rijnboutt Magazine #12: Een ander klimaat. Later is nu  

Niet eerder was het draagvlak voor binnenstedelijke plannen met een duurzaam ruimtegebruik zo groot. ‘Verdichting’ is het toverwoord. Een st...

Rijnboutt Magazine #12: Een ander klimaat. Later is nu  

Niet eerder was het draagvlak voor binnenstedelijke plannen met een duurzaam ruimtegebruik zo groot. ‘Verdichting’ is het toverwoord. Een st...

Profile for rijnboutt

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded