Issuu on Google+

HET

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs maart 2011 | tweede jaargang | nummer 3

Btw over privégebruik vakantiewoning ‘Ik ben een blauwe staatssecretaris’ Fiscaal-strafrechtelijke issues Knelpunten bij toepassing innovatiebox in het mkb


DE

■ ■ ■

Inhoud

Colofon Het Register Vaktijdschrift van het Register Belastingadviseurs uitgegeven door Reed Business bv.

Register Belastingadviseurs Brenkmanweg 6, 4105 DH Culemborg tel.: (0345) 54 70 00 www.rb.nl

Redactieadres Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam Coördinatie bureauredactie Ivonne Hartendorp tel.: (020) 515 93 19 e-mail: ivonne.hartendorp@reedbusiness.nl

Redactieraad Mr. D.J. (Dick) de Korte FB (hoofdredacteur) Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk FB Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks CB Mr. W.J.M. (Wil) Vennix FB Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont

Uitgever Drs. H.E. (Heleen) Kooistra Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam

Verenigingsnieuws Register Belastingadviseurs Afdeling Communicatie Brenkmanweg 6 4105 DH Culemborg

18

Btw over privégebruik vakantiewoning Fiscaal

14

‘Ik ben een blauwe staatssecretaris’ Interview met mr. drs. F.H.H. (Frans) Weekers

Nieuwsrubriek Deze rubriek staat onder redactie van het Nederlands Redactie Instituut

Jurisprudentie en Wetgeving Deze rubriek staat onder redactie van Licent Academy

Advertenties Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD Amsterdam

Advertentieverkoop Dick-Paul van Stam tel.: (020) 515 93 41 e-mail: dickpaul.van.stam@reedbusiness.nl Sandra Nicolai tel.: (020) 515 93 40 e-mail: sandra.nicolai@reedbusiness.nl

Abonnementen en lezersservice Reed Business bv Afdeling Customer Contact Postbus 808, 7000 BA Doetinchem tel.: (0314) 35 83 58 e-mail: customercontact@reedbusiness.nl www.elsevierfiscaal.nl

De redactie

4

Nieuws – zaken – mensen

5

8

13

23

Rijk rijker, lokaal armer? Fiscaal

Centraal aandeelhoudersregister Column – Prof. dr. J.J.M. (Sjaak) Jansen

‘Kwaliteit in beeld gebracht’

Abonnementsprijzen

In de praktijk – Mr. Diana de Vries

Prijs jaarabonnement: € 165,06 ex btw (6%) Prijs los nummer: € 20,85 ex btw (6%) RB-leden ontvangen Het Register uit hoofde van hun lidmaatschap.

Fiscaal-strafrechtelijke issues

Basisvormgeving

Fiscaal

26

Jurisprudentie en wetgeving

31

Fiscaal

37

Het Verenigingsnieuws

41

VerheulCommunicatie.com, Alphen a/d Rijn © Register Belastingadviseurs Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs. Op alle aanbiedingen, offertes en overeenkomsten van Reed Business bv zijn van toepassing de voorwaarden welke zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam. ‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs/ Reed Business bv en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

Knelpunten bij toepassing innovatiebox in het mkb

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

3


DE

Redactie Aandacht voor gemeentelijke belastingen Hoewel de gemeentelijke belastingen niet het domein zijn waar de doorsnee belastingadviseur op excelleert zijn er op dit terrein toch enkele interessante ontwikkelingen gaande. Hiermee doel ik niet zozeer op de ingezette tariefsverhogingen voor de OZB om de lagere opbrengsten vanwege de dalende prijzen van woningen te compenseren. Een eerste ontwikkeling die aandacht verdient is het arrest van de Hoge Raad inzake de zogenoemde Fierensmarge (zie HR 22 oktober 2010, nr. 08/02324). Deze marge achtte de Hoge Raad in strijd met het Eerste Protocol van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Dit zal tot gevolg hebben dat ook waardeverschillen van minder dan vijf procent tot vermindering van aanslagen zullen leiden. Of dit tot meer bezwaar- en beroepschriften zal leiden is maar de vraag. Een tweede ontwikkeling is het oordeel van de Nationale ombudsman inzake het ambtshalve verminderen van aanslagen voor de gemeentelijke belastingen (zie Nationale ombudsman 3 november 2010, nr. 2010/312). De ombudsman is van oordeel dat voor de gemeentelijke heffingen ambtshalve verminderingen op een zelfde wijze dienen plaats te vinden als voor de rijksbelastingen, namelijk over een periode van vijf jaar. Op zich lijkt dit een erg logische gedachtegang, maar de vraag is gewettigd wat hiervan terecht zal komen. In de eerste plaats houdt het oordeel van de Nationale ombudsman een aanbeveling in. De vraag is nu in hoeverre de betreffende gemeente hier gevolg aan zal geven. Het zou me niet verbazen indien de gemeente dit om budgettaire redenen gewoon naast zich neer zal leggen. Daarnaast is het ook maar de vraag in hoeverre andere gemeenten zich gaan houden aan deze aanbeveling. In de tweede plaats moet worden gerealiseerd dat de Nationale ombudsman slechts bevoegd is tot oordelen over het beleid van gemeenten die hebben aangegeven dat zij zich onder het toezicht van de ombudsman willen stellen. Dit zijn bepaald niet alle gemeenten in Nederland. Zo zijn er gemeenten die gemeend hebben hiervoor een eigen oplossingen te moeten kiezen. Het is mij bekend dat de gemeenten in Zeeland een eigen ombudsman in het leven hebben geroepen. Afgevraagd mag worden of deze functionaris dezelfde kwaliteit levert als de Nationale ombudsman. Het vermoeden is niet geheel ongegrond dat deze Zeeuwse ombudsman vooral dient om misplaatste gevoelens van chauvinisme te voeden van de bestuurders in de kleinste provincie. Ook zijn er gemeenten die gewoon nergens aan meedoen en ook geen enkele regeling kennen inzake een ambtshalve vermindering. In die gevallen kan hooguit een poging worden ondernomen bij de burgerlijke rechter. Uit de hiervoor geschetste ontwikkelingen kunnen twee conclusies worden getrokken. Allereerst is het hoogst noodzakelijk dat het gemeentelijk belastinggebied wordt geĂźniformeerd. Het is van de gekke dat we over uniformering in Europees verband spreken en gemeenten nationaal niet tot afstemming kunnen komen. Daarbij hoort het uitbreiden van het gezag van onze Nationale ombudsman tot de gemeentelijke overheden. Ten slotte kan worden geconcludeerd dat het gemeentelijk belastinggebied best wel interessant is. â– 

Mr. D.J. de Korte FB Hoofdredacteur Het Register

4

Het Register | maart 2011 | nummer 3


HET

■ ■ ■

Nieuws - zaken - mensen Fiscaal voordeel elektrische fiets Bedrijven die een fiets met overkapping en elektrische trapondersteuning aanschaffen voor hun medewerkers, kunnen rekenen op een fiscaal voordeel. Dit staat in de Milieulijst 2011 voor MIA- en Vamil-subsidieregelingen. Hierop staan milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen waarvoor fiscale voordelen gelden indien bedrijven er in investeren. De voordelen kunnen oplopen tot veertig procent. Wat een overkapping voor een fiets is, staat overigens niet nader omschreven. Op de Milieulijst 2011 staan tal van bedrijfsmiddelen waarvan de aankoop door bedrijven ook vorig jaar fiscaal vriendelijk werd behandeld. Het gaat zoal om openbaar oplaadpunten voor elektrische voertuigen, geluidarme opbouw voor voertuigen, lithiumhoudende accu’s voor elektrische auto’s en mobiele werktuigen, elektrisch aangedreven voertuig, hybride aangedreven bestelauto, aardgasauto voor zakelijk vervoer, zeer zuinige personenauto, elektrisch aangedreven voertuig.

Plan indexering eigenwoningforfait ingetrokken Het kabinet trekt het wetsvoorstel indexering eigenwoningforfait in. Hiermee wil zij voorkomen dat het fiscale toptarief op steeds meer woningen van toepassing wordt. Voor woningen met een WOZ-waarde vanaf 1.020.000 euro (prijspeil 2011) geldt een opslag. Nu wordt het grensbedrag jaarlijks geïndexeerd (door inflatiecorrectie). In het wetsvoorstel stond dat dit bedrag zou bevriezen, waardoor het toptarief in de toekomst op steeds meer huizen van toepassing zou zijn. Het kabinet vindt die ontwikkeling ongewenst en heeft daarom besloten het wetsvoorstel in te trekken.

Winkeliers sluiten convenant met Belastingdienst Brancheorganisatie CBW-MITEX en de Belastingdienst hebben eind januari formeel een nieuw brancheconvenant gesloten voor de meer dan 7.500 ondernemingen (17.500 winkels in wonen, mode, schoenen en sport) die zijn aangesloten bij CBW-MITEX. In het convenant zijn binnen de kaders van de huidige wetgeving verschillende praktijksituaties uitgewerkt. Zo is in het convenant onder meer een afspraak opgenomen over de waarde van verplicht gedragen kleding bij aankoop daarvan door medewerkers van kledingzaken. Deze biedt ondernemers duidelijkheid over de ruimte die zij hebben om zonder hoge kosten het personeel in de laatste collectie te laten lopen. De inhoud van het vorige convenant dat de Belastingdienst in 2008 sloot met de Centrale Branchevereniging Wonen CBW, een rechtsvoorganger van het huidige CBW-MITEX, is opgenomen in het nieuwe convenant.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

5


■ ■ ■

Snellere Europese btw-teruggaaf bij eurocommissaris Staatssecretaris Weekers van Financiën heeft bij eurocommissaris Semeta aangedrongen op actie om de trage EU btw-teruggaaf aan Nederlandse ondernemers sneller te laten verlopen. Weekers deed dit tijdens een werkbezoek van de eurocommissaris aan de douane in Rotterdam eind januari. Hiermee brak hij een lans voor Nederlandse ondernemers die lang moeten wachten op btw-teruggaaf door de Europese Unie.

Een van de problemen is dat er geen dwingende termijn voor de teruggaaf is vastgelegd door de Europese Commissie. Daarnaast zijn er verschillen in de toepassing van de regels, waardoor btwteruggaven in andere landen soms op de plank blijven liggen. Zo heeft Luxemburg voor bijna duizend teruggaafverzoeken nog steeds geen ontvangstbevestiging gestuurd. Oostenrijk accepteert geen correcties op de binnen de Europese Unie afgesproken manier.

De trage afhandeling van btw-teruggaaf komt doordat Europese lidstaten de Europese regels voor de btw verschillend interpreteren. Nederland heeft alle aanvragen voor een btw-teruggaaf aan het buitenland doorgegeven.

Verkeersboete is vorm van beloning Dat het niet vanzelfsprekend is een verkeersboete door je bv te laten betalen, blijkt uit een uitspraak van Hof Amsterdam. De zaak betreft een directeur-grootaandeelhouder die in Zwitserland op de bon werd geslingerd wegens te hard rijden. Hij reed 126 kilometer per uur over een weg waar een snelheidslimiet gold van 80 kilometer per uur. Als bedrijfseigenaar liet hij de boete (ruim 3.500 euro) betalen door zijn bv. Hof Amsterdam vond het zakelijk belang van de overtreding niet erg aannemelijk, temeer daar het ging om een nogal forse snelheidsoverschrijding. De persoonlijke elementen voerden in deze zaak de boventoon, aldus de uitspraak. Daarom mag de boete worden gezien als een vorm van beloning, waarover loonbelasting en premie volksverzekeringen geheven kunnen worden.

6

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Trage automatisering speelt Belastingdienst parten De IT-systemen die de Belastingdienst hanteert, moeten zo snel mogelijk worden vervangen door één centraal systeem voor toeslagen. En wel heel snel. Die boodschap zond de Tweede Kamer begin dit jaar aan het ministerie van Financiën. De parlementariërs zijn ontevreden over het tempo waarin de modernisering van de it geschiedt. Na twee jaar bouwen aan één it-systeem voor huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderopvangtoelage en kindgebonden budget. Al twee jaar wordt er gebouwd aan dit nieuwe systeem, maar nog altijd is het niet klaar. Ook is het nog onbekend wanneer dit nieuwe systeem beschikbaar zal zijn. Kritiek hierop werd verwoord door de vaste Kamercommissie voor Financiën in de persoon van CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt tijdens een overleg over de Belastingdienst. Kamerleden van andere partijen deelden de kritiek. Niet alleen de automatisering ligt onder vuur, ook het toekennen van toeslagen; bedragen worden onjuist vastgesteld en het duurt te lang voordat de fouten zijn hersteld. De Belastingdienst wil het nieuwe systeem uitgebreid testen om te voorkomen dat het na de ingebruikname allerlei kinderziekten vertoont.


■ ■ ■

Transfer pricing melkkoe voor belastingdiensten

Werkkostenregeling raakt vrijwillige brandweer

Het verhogen van de staatsinkomsten door middel van belastingheffing, blijft belangrijk voor tal van landen. Dit omdat zij anders moeite blijven houden om hun schulden weg te werken. Transfer pricing (interne verrekenprijzen) is één van de voornaamste instrumenten voor hogere belastingheffingen.

Het CvA (College van Arbeidsverhoudingen) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) heeft gemeenten gewezen op de gevolgen van de werkkostenregeling voor de beloning van vrijwillige brandweerlieden. Op dit moment krijgen vrijwillige brandweerlieden vergoedingen voor oefeningen, cursussen, brandbestrijding, hulpverlening en langdurige aanwezigheid. Deze vergoedingen kennen een belastingvrije voet van136 euro per jaar en twee euro per activiteit.

Dat komt naar voren uit onderzoek onder 877 multinationals in 25 landen door Ernst & Young. Uit dat onderzoek blijkt dat bedrijven over de hele wereld meer prioriteit geven aan transfer pricing. Bijna een derde zegt het personeelsbestand te gaan uitbreiden en bijna twee derde is van plan meer externe adviseurs in te schakelen. Bijna een kwart maakt melding van intensiever gebruik van software. Deze conclusies publiceerde Ernst & Young in de januari-uitgave van de Global Transfer Pricing Survey. Sinds eerder onderzoek in 2007 hebben de belastingdiensten in verschillende rechtsgebieden aanzienlijk meer mankracht ingezet op transfer pricing (TP). De behandeling van onderzoeken is verder gecentraliseerd, en belastingdiensten hebben een strategische, op risico gebaseerde aanpak opgesteld om prioriteit te geven aan TP-inspecties. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de belastingdiensten meer nadruk leggen op financieringstransacties en servicetransacties tussen bedrijven onderling, terwijl ze tegelijkertijd nog steeds veel belangstelling aan de dag leggen voor transacties die verband houden met intellectuele eigendomsrechten.

Gemeenten die nog geen gebruik maken van de werkkostenregeling kunnen deze regeling handhaven. Maar degenen die zijn overgestapt op de werkkostenregeling, moeten hun vergoedingen voor de vrijwillige brandweer wijzigen. De belastingvrije voet en de vaste vergoeding komen te vervallen, zo is door het CvA besloten. Het CvA treedt op als werkgeversorganisatie van de Nederlandse gemeenten. Het CvA raadt gemeenten aan om de jaar- en/of uur vergoeding aan leden van de vrijwillige brandweer aan te wijzen als eindheffingbestanddeel. ‘Anders vormen die gehele vergoedingen belast loon voor de brandweermedewerkers’, aldus het College van Arbeidsverhoudingen in een brief aan de gemeenten. ‘Het CvA raadt werkgevers aan de kosten aan te wijzen om te voorkomen dat de nettovergoeding lager wordt.’

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

7


■ ■ ■ ■ ■

Heffingen

Verschuiving belastingdruk van rijk naar gemeenten

Rijk rijker, lokaal armer? Het regeerakkoord van kabinet-Rutte staat in het teken van een vergaande sanering van de overheidsfinanciën. Het kabinet wil door decentralisatie van diverse taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden de lokale (decentrale) overheden fors laten bijdragen aan een ‘lean & mean’-overheidsapparaat. Hierbij hoort wel een duidelijke verdeling van de taken met bijbehorende financiële middelen.

D Dennis Vecht Mr. D.J. Vecht is senior adviseur Adviesgroep Vastgoed, Economie & Legal bij Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud in Oosterhout en directeur van het Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden (ESBL).

e inzet van het kabinet om de belastingdruk naar gemeenten te verschuiven heeft echter veel weg van oude wijn in nieuwe zakken, met bovendien een hoog omgekeerd Robin Hood-gehalte; stelen van de armen en geven aan de rijken. Een grootschalige overheveling van taken naar de lokale overheden leidt immers tot grote financiële knelpunten bij met name gemeenten.

Gemeentefonds Gemeenten zijn voor hun inkomsten voor een groot deel afhankelijk van de uitkeringen uit het Gemeentefonds. Dat fonds wordt gevoed door belastinggeld afkomstig uit de belastingopbrengsten van het rijk. Jaarlijks krijgen gemeenten de zogenoemde algemene uitkering van het rijk om een deel van hun uitgaven te kunnen betalen. Het kabinet is van plan om vanaf 2012 het Gemeentefonds evenveel te laten groeien of krimpen als de nettorijksuitgaven. Deze methode wordt ‘trap op, trap af’ genoemd waarbij voor gemeenten geldt dat wie van de trap afvalt, gauw beneden is. Bij de verdeling van het Gemeentefonds hanteert het rijk voor de individuele gemeenten onder andere de volgende gegevens en maatstaven: ■ het aantal inwoners; ■ het aantal jongeren; ■ het aantal uitkeringsgerechtigden; ■ de oppervlakte van het land; ■ de grootte van de watergebieden. Doordat veel factoren en maatstaven de hoogte van de uitkering van de individuele gemeenten kunnen bepalen, wordt ook wel eens oneerbiedig gesproken over de ‘toverformule’ voor de verdeling van de inkomsten uit het Gemeentefonds. Slechts weinigen is het gegeven om dit verdelingsmechanisme te doorgronden. Gevolg hier-

8

van is dat ook geringe wijzigingen van één of meerdere gegevens of van een van de meer dan zestig (!) maatstaven van de formule, de uitkeringen onevenredig kunnen beïnvloeden met alle mogelijke gevolgen voor de desbetreffende gemeenten van dien. De noodzaak tot bezuiniging kan dus ook ontstaan doordat een gemeente minder krijgt uitgekeerd uit het Gemeentefonds. Gemeenten moeten daarom altijd bedacht zijn op mogelijke tegenvallers nog los van het in te zetten kabinetsbeleid.

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Lokale heffingen Naast de uitkering uit het Gemeentefonds kunnen gemeenten door het heffen en innen van de lokale belastingen inkomsten vergaren. Van de gemeentelijke belastingen zijn de onroerendezaakbelastingen (OZB) de belangrijkste. Op dit moment zijn er daarvan drie, namelijk één voor eigenaren van woningen, één voor eigenaren van niet-woningen en één voor gebruikers van nietwoningen. Ook de andere gemeentelijke heffingen, van hondenbelasting tot parkeerbelastingen en van afvalstoffenheffing tot bouwleges, leveren inkomsten voor gemeenten op. Hierbij moet worden bedacht dat gemeenten minder dan het rijk mogelijkheden hebben om de belastingen ‘pijnloos en onzichtbaar’ te heffen. In vergelijking met de loonheffingen die op het salaris worden ingehouden of de accijnzen die onzichtbaar in de voertuigen worden getankt, zijn de gemeentelijke belastingen pijnlijk zichtbaar voor de burger (hoewel de absolute bedragen lager zijn dan de genoemde heffingen van het rijk). Elk jaar valt in de meeste gemeenten immers medio februari de WOZ-beschikking met de aanslag gemeentelijke heffingen letterlijk en figuurlijk op de deurmat. Door de expliciete zichtbaarheid van de gemeentelijke belastingen is de weerstand daartegen relatief veel groter


■ ■ ■ ■ ■

dan die tegen de rijksbelastingen, zoals de inkomstenbelasting en de loonheffingen. Ook bij de motorbrandstofverkooppunten (lees: benzinepompen) is nog geen belastingoproer ontstaan omdat er geen diesel of benzine, maar accijnzen worden getankt. Gevolg hiervan is dat gemeenten een uiterst terughoudend beleid voeren met betrekking tot hun belastinggebied. Hoewel vaak anders wordt gesuggereerd en geïnsinueerd, zijn gemeenten bevreesd voor het opleggen van belastingverzwaringen aan hun burgers en bedrijven. Daarentegen neemt het kabinet maatregelen die, simpel gesteld, de rijken rijker maken. Het huidige kabinet trekt bijvoorbeeld een plan van het vorige kabinet in om meer woningen onder het hoogste belastingtarief te brengen. In het kader van het crisispakket stelde het kabinetBalkenende namelijk een speciaal belastingtarief in voor woningen met een WOZ-waarde van meer dan € 1 miljoen. Bovendien zouden in die plannen steeds meer woningen onder die zogenoemde ‘villabelasting’ gaan vallen doordat de grens van € 1 miljoen niet met de algemene waardestijging (indexering) van de woningen zou meestijgen. Het huidige kabinet heeft nu besloten die grens toch de indexering te laten volgen. De minister van Financiën heeft besloten het plan in te trekken, omdat hij vindt dat indexering nodig is om de belasting een villabelasting te kunnen blijven noemen. Gevolg hiervan is dat het kabinet optisch gezien de ‘rijken’ ontziet en de ‘armen’ de kinderen van de rekening (lees: de bezuinigingen) laat worden. De lastenverzwaringen worden zodoende uiteindelijk afgewenteld op de meest kwetsbare doelgroepen.

Decentralisatie van de Jeugdzorg van de provincies naar de gemeenten levert niet zonder meer een door het kabinet verwachte doelmatigheidswinst op van € 300 miljoen. De Raad voor de financiële verhoudingen (hierna: Rvf), het adviesorgaan van de regering dat de regering en het parlement adviseert over hoe de beschikbare financiële middelen van het rijk het beste kunnen worden verdeeld over gemeenten, provincies en waterschappen, is van mening dat al door aanpassing van de wet- en regelgeving, de procedures en de financieringsstructuur doelmatigheidswinst te behalen valt. Volgens de Rvf moeten gemeenten de vrijheid en verantwoordelijkheid krijgen om daadwerkelijk inhoud te kunnen geven aan een integraal lokaal jeugd- en gezinsbeleid. Gelet op de omvang en de complexiteit van het beleidsterrein valt te verwachten dat veel gemeenten zullen moeten zoeken naar onderlinge samenwerking en krachten moeten bundelen. Het huidige bestaande financieringsarrangement vormt echter een rem op een doelmatige

Overheveling van taken De rijksoverheid is al gedurende enkele jaren bezig eigen taken over te hevelen naar de decentrale overheden. Ook gemeenten krijgen hiervan hun portie. Zo is het kabinet-Rutte voornemens de regelingen van de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet sociale werkvoorziening en de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten onder te brengen in één nieuwe wettelijke regeling. De uitvoering van die nieuwe regeling moet dan volgens het kabinet door de gemeenten gebeuren. Daarbij geeft het regeerakkoord aan dat de taakstellende besparingen voor het rijk leidend zijn voor de komende regeling. Dit geldt ook bijvoorbeeld voor de Jeugdzorg. Om de onderhavige problematiek helder te maken ga ik hierna ter illustratie in op de Jeugdzorg. Het regeerakkoord voorziet in een forse taakuitbreiding van gemeenten op het gebied van welzijn en zorg. Het de vraag of het onderbrengen van dat brede pakket van zorguitgaven en bijbehorende taken in de algemene uitkering uit het Gemeentefonds niet tot onevenwichtigheden leidt. Gemeenten worden daardoor onder andere extra gevoelig voor (wisselende) economische ontwikkelingen.

Het kabinet is van plan om vanaf 2012 het Gemeentefonds evenveel te laten groeien of krimpen als de nettorijksuitgaven; de ‘trap op, trap af ’-methode waarbij geldt dat wie van de trap afvalt, gauw beneden is.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

9


■ ■ ■ ■ ■

Heffingen

aanwending van financiële middelen door gemeenten. De Rvf adviseert daarom een volledige integratie van alle beschikbare middelen voor de uitvoering van de taken in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering van het Gemeentefonds op te nemen, zonder allerlei beperkende bepalingen. De Rvf voorziet tevens dat de decentralisatie en bundeling van middelen voor een regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt gepaard zal gaan met een forse korting op de beschikbare budgetten in verband met het beperken van aanspraken van de groep van mogelijke (nieuwe) rechthebbenden. Dit leidt er onder andere toe dat meer mensen het risico lopen duurzaam afhankelijk te worden van een uitkering. De druk op de bijstand maar ook op andere vormen van gemeentelijke zorg zal groter worden, met alle bijbehorende kosten van dien. Een goed verstaander begrijpt daarom al snel dat het kabinet bedoelt dat de kosten die het rijk met onder andere deze operatie bespaart, door de extra taken onder andere bij de gemeenten neer te leggen, niet tot gevolg zal hebben dat die kosten nu aan de gemeenten worden vergoed. De gemeenten moeten er dus niet op rekenen dat het budget wordt verruimd en het rijk deze extra taken gaat financieren. Integendeel, het rijk wentelt de bezuinigingen af op de gemeenten door wel de taken te decentraliseren, maar geen of onvoldoende middelen voor die taken ter beschikking te stellen.

‘Taakgericht heffen’ De Vereniging voor Belastingwetenschap heeft begin 2010 het Rapport van de Commissie onderzoek belastingen lokale overheden (Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nummer 239) het licht doen zien. De titel van dit rapport is ‘Taakgericht heffen’. In dit praktijkgerichte en lezenswaardige rapport heeft de commissie, onder voorzitterschap van de secretaris van de Waarderingskamer, geconstateerd dat het hebben van een eigen belastinggebied voor onder andere gemeenten voortvloeit uit het Handvest inzake lokale autonomie. Ook in dit geval bepaalt ‘Europa’ tot op zekere hoogte de inrichting van onze maatschappij. Ook is het eigen belastinggebied van groot belang om de waarde van het geld te kennen. Geld dat men ‘gratis’ verkrijgt, zoals het winnen van een prijs, geeft men in de regel immers sneller uit dan geld dat men zelf heeft verdiend. Bij dat laatste worden in gemeenten namelijk politieke keuzes gemaakt en prioriteiten gesteld. Ook heeft eigen geld verdienen voor een gemeente grenzen, aangezien men dit bij de eigen burgers en bedrijven ophaalt. Gemeenten worden direct met de gevolgen daarvan in koopkracht en uitgavenpatroon van die burgers en bedrijven geconfronteerd, dus zijn gemeenten in de regel veel terughoudender dan het rijk bij het invoeren en verhogen van belastingen.

10

Het Register | maart 2011 | nummer 3

De commissie heeft onderzoek gedaan naar de aard van de opgedragen, gedeelde of eigen taken die decentrale overheden (zoals gemeenten) verrichten en wat, voor zover het gaat om gedeelde taken, de beleidsvrijheid (ook in financiële zin) daarbij is. De commissie is verder tot de conclusie gekomen dat eigen taken van gemeenten ook met eigen middelen moeten worden gefinancierd. Dat klinkt weliswaar logisch, zo stelt de commissie, maar dit is nu bij lange na niet het geval. Gemeenten moeten dus een groter belastinggebied creëren dan nu het geval is. Met andere woorden, treedt het rijk financieel terug onder overheveling van meerdere uitvoeringstaken naar de gemeenten, dan moeten gemeenten meer eigen financiële armslag krijgen om die taken te kunnen uitvoeren en te bekostigen. Dat zou met name bij gemeenten moeten leiden tot een zeer aanzienlijke verruiming van de eigen (belasting) middelen onder gelijktijdige terugtreding van het rijk.

Consequenties taakgericht heffen Hoewel het om een rapport van de Vereniging voor Belastingwetenschap gaat is het leerzaam om na te gaan welke gevolgen, weliswaar theoretisch beschouwd, het taakgericht heffen met zich zal brengen. De commissie doet in haar rapport zo’n 35 aanbevelingen. Zo beveelt de commissie in dit kader onder andere aan: ■ het opnieuw invoeren van de OZB-gebruikersbelasting op woningen; ■ de baatbelasting af te schaffen onder gelijktijdige invoering van een infrastructuurheffing; ■ de verplichte vrijstellingen in de OZB af te schaffen en de daaruit voortvloeiende meeropbrengst terug te sluizen naar het bedrijfsleven door middel van tariefsverlaging. De belangrijkste aanbeveling die de commissie dus doet is het gebruikersdeel van de OZB op woningen opnieuw in te voeren. De afschaffing ervan in 2006 was volgens de commissie ‘een niet met inhoudelijke argumenten onderbouwde, doch slechts door electorale overwegingen (OZB, weg ermee) ingegeven ingreep van de landelijke wetgever in de autonomie van gemeenten’. Door de OZB te halveren – € 1 miljard – is het aandeel van de belastingplichtigen zonder stemrecht in de totale belastingopbrengst van gemeenten sterk toegenomen. Het zwaartepunt van de gemeentelijke belastingheffing is namelijk meer en meer komen liggen bij belastingplichtigen die niet zijn gerechtigd te stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen, zoals bedrijven en nietinwoners. Voorbeelden zijn behalve de OZB voor nietwoningen, de woonforensenbelasting en de reclameen toeristenbelasting. Daarmee wordt het principe ‘no taxation without representation’ ernstig geweld aan gedaan. Anders gesteld, de democratische legitimatie van de belastingen wordt er sterk door aangetast. Verder moet het wat de commissie betreft afgelopen zijn met de verplichte OZB-vrijstellingen. Deze vaak door het rijk genomen beslissingen betekenen niet alleen een nadeel van € 0,5 miljard voor gemeenten,


■ ■ ■ ■ ■

maar ze versmallen bovendien het draagvlak van de belasting. Door de OZB-vrijstellingen van niet-woningen blijft meer dan de helft van de waarde buiten de heffing. De meeropbrengst van afschaffen van de vrijstellingen zouden gemeenten overigens moeten terugsluizen naar het bedrijfsleven in de vorm van lagere tarieven.

dwarsverbanden met de heffingen van de andere decentrale en centrale overheden zijn hierbij van belang. In de regel leidt het afschaffen van de ene belasting tot het invoeren of verhogen van een andere belasting. Per saldo schieten de belastingbetalers er daarom bij bezuinigingen van de rijksoverheid niets mee op, integendeel.

Gevolg van de hernieuwde invoering van de OZB-gebruikersbelasting voor woningen is dat de huurders, vaak al de meest kwetsbare groep burgers, weer belasting moeten gaan betalen over de waarde van hun huurhuis waar ze part noch aandeel in hebben. De infrastructuurheffing zal ertoe leiden dat de gebruikers van bedrijfsobjecten meer dan in het verleden in een belastingheffing zullen worden betrokken en dat deze door het wegvallen van de OZB-vrijstellingen naar hun gevoel nog meer belasting gaan betalen. Het invoeren van een belasting is immers sneller gedaan dan het afschaffen ervan (denk hierbij aan het ‘kwartje van Kok’).

Ook moeten de gemeentelijke belastingplannen inzicht geven in het zogenoemde brutonettotraject. Dus een beschouwing geven waaruit blijkt dat de (bruto)belastingopbrengsten die in de gemeentekas hadden moeten vloeien dat per saldo niet zullen doen, omdat belastingschulden worden kwijtgescholden, oninbaar worden of niet in een belastingaanslag kunnen worden geformaliseerd. Onderdeel van het plan moet ook een realistische inschatting zijn van de omvang van het bedrag dat naar verwachting niet kan worden geïnd als gevolg van bezwaar- en beroepsprocedures. De belastingbetalers moeten dus inzicht krijgen in de reële belastingcapaciteit die de gemeente kan genereren om de door het rijk veroorzaakte tekorten te kunnen dekken.

‘Heitje voor een karweitje’ Een ‘heitje (een kwartje in de guldenstijd) voor een karweitje’ was oorspronkelijk een slagzin voor een actie in de jaren vijftig van de vorige eeuw waarbij padvinders allerlei klusjes deden om geld in te zamelen. Toegepast op de huidige situatie van de gemeenten zou dit betekenen dat deze voor het uitvoeren van de ‘karweitjes’ voor het rijk de bijbehorende ‘heitjes’ zouden moeten kunnen innen. Helaas volgt dat niet uit de voornemens uit het regeerakkoord. Integendeel, het kabinet wentelt de lastenverlichting van het rijk af op de decentrale overheden onder het motto ‘trap op, trap af ’. Aangezien de trap van bovenaf wordt schoongeveegd blijven de gemeenten met het stof zitten. Ook het stof moet echter worden opgeruimd en dus zullen de gemeenten naar middelen gaan zoeken binnen de mogelijkheden van het eigen belastinginstrumentarium. De uitkomst staat daarbij eigenlijk al bij voorbaat vast; meer inkomsten genereren betekent meer en hogere gemeentelijke belastingen.

Lastenverzwaringen Zoals uit het voorgaande blijkt zullen de ingezette bezuinigingen bij het rijk worden afgewenteld op de decentrale overheden. Met name de gemeenten zullen hiervan het slachtoffer worden en deze afwenteling doorvertalen naar hun ingezetenen. De burgers en bedrijven krijgen daardoor uiteindelijk de rekening van het rijk via de gemeentelijke heffingen gepresenteerd. De gemeenten zullen daarom hun belastingpalet (het geheel aan mogelijkheden voor het heffen en innen van belastingen) moeten aanspreken om de gaten die in de begrotingen gaan vallen te dichten. Dat deze belastingplannen tot veel onvrede onder de contribuabelen zal leiden is evident. De gemeentelijke belastingplannen moeten in dit kader het gehele fiscale instrumentarium helder en inzichtelijk in beeld brengen. Ook de onderlinge verbanden tussen de verschillende heffingen binnen de gemeenten en de

Lokale belastingplannen stellen daarbij de gemeenteraad in staat onderbouwde (politieke) keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Bovendien wordt een vergelijking mogelijk van het belastingbeleid van gemeenten onder-

Kretologie houdt zelden daadkracht in ling en kan er zo nodig tussen gemeenten of gemeentelijke samenwerkingsverbanden worden afgestemd. Als bijvoorbeeld de gemeenten in een regio van plan zijn fiscale maatregelen te treffen om het voor het bedrijfsleven aantrekkelijker te maken zich op hun bedrijfsterreinen te vestigen, wordt de effectiviteit ervan bevorderd als ze zodanig worden vormgegeven dat ze niet leiden tot een intergemeentelijke belastingconcurrentie maar juist tot een gemeenschappelijke regionale vestigingsstimulans.

Ter afsluiting De door het rijk ingezette bezuinigingen zullen tot gevolg hebben dat de lasten worden afgewenteld op de decentrale overheden. Doordat het rijk de handen schoonwast door de taken dicht bij de bron te laten uitvoeren maar daarvoor niet de financiële middelen ter beschikking wenst te stellen, zullen de belastingen van onder andere gemeenten stijgen in zowel tarief als aantal. Ook voor dit kabinet geldt, zelfs nog sterker dan de voorgaande kabinetten, dat kretologie zelden daadkracht inhoudt. Het ‘geen woorden, maar daden’ helpt dit voetbalseizoen Feyenoord (nog) niet eens, om van het kabinet nog maar te zwijgen. Met name de burgers en bedrijven in de gemeenten zullen de komende tijd het gelag betalen, hoe helder en inzichtelijk de rekening ook wordt gepresenteerd. ■

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

11


COL UMN

Centraal aandeelhoudersregister Sjaak Jansen Prof. dr. J.J.M. Jansen is lid van de Afdeling advisering van de Raad van State en hoogleraar belastingrecht aan de Juridische Faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Recentelijk zijn we geconfronteerd met een initiatiefnota van de leden Ed Groot en Jeroen Recourt van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Deze leden maken zich ernstig zorgen over fraude met bv’s en dan vooral over zwendel met vastgoed. Criminelen kunnen zich te gemakkelijk verschuilen achter onduidelijke constructies met rechtspersonen, aldus de opstellers van de nota. Daar moet iets aan worden gedaan. Maar bij een bv hoort toch een aandeelhoudersregister en de notaris onderzoekt toch de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper, zult u denken. De initiatiefnemers weten dat ook wel, maar constateren dat de notaris soms niet kan achterhalen wie de aandeelhouders zijn. In de praktijk blijkt het aandeelhoudersregister slecht te worden bijgehouden en het komt voor dat het register zoek is. De notaris kan dan alsnog proberen het aandeelhoudersregister te ‘reconstrueren’, maar dit is tijdrovend en niet altijd mogelijk. Nog ondoorzichtiger wordt het als rechtspersonen worden vertegenwoordigd door andere rechtspersonen. De notaris moet daarom van Groot en Recourt meer instrumenten krijgen om onderzoek te doen naar de natuurlijke personen die werkelijk schuil gaan achter een bv. Hoe kan dat instrument worden vormgegeven? De samenstellers van de nota stellen onder meer voor te komen tot een openbaar register voor aandelen in bv’s en niet-beursgenoteerde nv’s, vergelijkbaar met het Kadaster. Dit centraal aandeelhoudersregister moet worden geïntegreerd in het Handelsregister zoals de Kamers van Koophandel die bijhouden. Daarbij moeten feiten worden geregistreerd die voor de rechtstoestand van aandelen in besloten en (niet-beursgenoteerde) vennootschappen van belang zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan gegevens van de gerechtigden, gegevens van certificaathouders, of de houders van de aandelen een aanmerkelijk belang hebben, of de vennootschap een onroerendezaaklichaam (OZL) is et cetera. Het register moet openbaar toegankelijk zijn. Het bijhouden van het register wordt via een legesheffing bij de betrokken partijen in rekening gebracht. De initiatiefnemers hebben mijn sympathie. Je kunt met goed fatsoen niet tegen fraudebestrijding zijn. Maar daar houdt het wat mij betreft dan ook mee op. De administratieve lasten die dit voorstel met zich meebrengt, staan naar mijn mening in geen verhouding tot het beoogde doel. En hoe zit het met de bescherming van de privacy? Voor wat dit laatste betreft, kan mij worden tegengeworpen dat ook het Kadaster openbaar toegankelijk is. Het belang van het Kadaster voor het rechtsverkeer is naar mijn mening echter van een andere orde dan het belang dat met de initiatiefnota wordt nagestreefd. Inmiddels heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie Fred Teeven aangegeven dat hij niet negatief staat tegenover het openbare register, maar dat hij nog onderzoek dient te doen naar de voor- en nadelen van zo’n systeem. Wat mij betreft kan de staatssecretaris zich de moeite besparen. Gewoon niet doen. ■

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

13


■ ■ ■ ■

‘Ik ben

Fotograaf: Roel Dijkstra

Frans Weekers 1967 Geboren te Weert 1992 Doctoraal Financiële economie VU 1993 Doctoraal Nederlands recht 1994 – 1998 Advocaat 1998 – 2002 Tweede Kamerlid VVD 2003 – 2007 Voorzitter MKB Limburg 2003 - 2010 Tweede Kamerlid VVD 2010 – heden Staatssecretaris van Financiën

14

Het Register | maart 2011 | nummer 3


HET

■ ■ ■ ■

Interview Frans Weekers neigt naar ‘minder belastingen’

een blauwe staatssecretaris’ Aan zijn fiscale agenda werkt hij nog, maar Frans Weekers deinst er niet voor terug vast een glasheldere toezegging te doen. ‘Als ik met een vereenvoudigingsagenda kom, is daarvan niet de bedoeling dat de lasten worden verzwaard. De belofte die ik doe, is dat ik hiermee niet stiekem een nettolastenverzwaring probeer door te voeren.’ Door Lex van Almelo

D

e ondernemer moet zich bezighouden met ondernemen. Hij moet niet kijken hoe hij aan de fiscus kan verdienen, maar hoe hij kan verdienen aan zijn producten. Iedereen begrijpt dat je een fair share moet afdragen aan de schatkist. Mijn taak is te zorgen dat ik de wet- en regelgeving begrijpelijker maak en houd. Desondanks blijft het nodig om de ondernemer te begeleiden in het woud van de fiscale wet- en regelgeving. De belastingadviseur is wat dat betreft de steun en toeverlaat van de ondernemer. Ik zie voor de fiscaal adviseur ook een belangrijke rol als tussenschakel met de Belastingdienst. Voor de ondernemer is het belangrijk dat hij meer zekerheid krijgt over en inzicht in zijn fiscale positie, zodat hij niet jarenlang in onzekerheid hoeft te verkeren over de beslissing die hij heeft genomen. Dan is het van belang dat de fiscaal adviseur open is over zaken die niet bij voorbaat helder zijn en deze – in het kader van horizontaal toezicht – op gelijke voet bespreekt met de Belastingdienst.

Pleitbezorger

U ziet de belastingadviseur dus als tussenschakel? Ja. Hij is geen verlengstuk van de Belastingdienst. Hij wordt tenslotte door de ondernemer betaald. Maar wat je wel mag verwachten van een professionele intermediair is dat deze overleg voert met de inspecteur en zelf actief bespreekpunten aandraagt.

Als wij kunnen vertrouwen op de kwaliteit en integriteit van de intermediair, kunnen wij ook veel gemakkelijker afspraken maken dan wanneer je voortdurend achterom moet kijken. Zo’n open houding past ook bij het beleid van het kabinet. Wij willen uitgaan van vertrouwen in de samenleving en van vertrouwen in pro-

En welke rol ziet u dan voor de beroepsorganisatie zoals het Register Belastingadviseurs? Die moet in het Becon-overleg signalen afgeven over hoe regelingen werken in de praktijk van alledag en informatie doorgeven aan haar leden. Een andere belangrijke rol is dat zij oog heeft voor het zelfreinigend vermogen. Als je verwacht dat de autoriteiten jou zien als volwaardig gesprekspartner dan mogen de autoriteiten ook verwachten dat de brancheorganisatie het kaf van het koren scheidt, zodat ook aan die zijde eerlijk zaken wordt gedaan. Dat zie je terug bij de horizontaaltoezichtconvenanten die wij voor het mkb afsluiten met de fiscale adviseurs.

‘Als je toevallig in de buurt bent, kom je dan ook?’

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

15


■ ■ ■ ■

Interview

fessionals. Burgers en professionals die zich houden aan de regels willen wij niet lastigvallen met controle.

pappenheimers over die we met harde tucht moeten benaderen.

Dus minder boekencontrole? De uitgebreide boekencontroles zul je altijd als stok achter de deur moeten hebben. We willen die ouderwetse stok vooral inzetten op dat segment waar je nog niet bij voorbaat de zekerheid hebt dat ze zich compliant gedragen en de handhavingscapaciteit richten op de wat zwakkere plekken. We willen bedrijven dus niet lastigvallen als je weet dat je ze kunt vertrouwen. Maar daarvoor moet je wel afspraken maken en daar zou de beroepsgroep nog wel iets kunnen doen.

Wijzigingen doorgeven

Genoeg pappenheimers die we met harde tucht moeten benaderen U ziet de beroepsgroep dus als pleitbezorger van horizontaal toezicht? Nou, ik hoop dat zij daarvan ook de voordelen inziet dankzij dit interview en andere gesprekken. Ik heb een paar weken geleden een spontane sms gekregen van een paar kantoren, die niet tot de grote jongens behoren. “Wij ondertekenen aanstaande dinsdag een convenant met de Belastingdienst. Als je toevallig in de buurt bent, kom je dan ook?” Het lukte me niet om daarbij te zijn. Maar het laat zien dat er beweging in zit. Je wilt niet dat ondernemers en autoriteiten met de rug naar elkaar toe staan of dat ze in een vechthouding staan.

Oude stempel Omdat ik hier dus heel sterk in geloof, doe ik niet alleen een appel op mijn eigen dienst. Daar zijn natuurlijk ook mensen die denken vertrouwen is goed, maar controle is beter. Voor intermediairs is zo’n convenant een keurmerk van de Belastingdienst. Daarmee kun je er op vertrouwen dat je met een andere houding wordt benaderd dan iemand die zegt: ik doe het uiterste om de fiscus een poot uit te draaien. Van daaruit doe ik ook een appel op de beroepsgroep: trek nu samen schouder aan schouder op.

Belastingadviseurs kijken met een zekere huiver naar de aangekondigde bezuinigingen op de Belastingdienst. Want gaat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit? Kun je met een kleinere dienst dezelfde kwaliteit leveren? Ik ben overtuigd van wel. In de eerste plaats zijn er nog heel wat slagen te maken door slimmer te werken en processen beter op elkaar te laten aansluiten. We doen nu bijvoorbeeld veel meer met elektronisch berichtenverkeer en we zijn bezig met de ontwikkeling van een portal waarbij iedere toeslaggerechtigde zijn eigen persoonlijke domein krijgt. Dat persoonlijke domein wordt dit jaar nog ingevoerd, zodat de kosten van die uitvoering omlaag gaan. Ik hoop de portal voor álle belastingplichtigen nog binnen deze kabinetsperiode te realiseren. Daarbij ga ik er dan wel van uit dat er pas in 2015 nieuwe verkiezingen zijn. Kun je via die portal bijvoorbeeld gemakkelijker zelf wijzigingen doorgeven? Ja. Als je bijvoorbeeld btw-aangifte doet en er later achter komt dat er iets niet klopt of ergens pas later documenten voor hebt, kun je via de portal gemakkelijk een wijziging op je aangifte indienen. Dan is het dus niet nodig om bezwaar te maken tegen de aanslag op je eigen aangifte. En als iemand toch bezwaar maakt, bellen wij hem op, want dan is het veel sneller duidelijker waar het eigenlijk om gaat. En andersom, naar de Belastingdienst bellen? Ik wil dat alle belastingplichtigen die niet kunnen worden geholpen door de BelastingTelefoon uiteindelijk ook doorverbonden kunnen worden met de inspecteur of een andere specialist. Dat geldt in de eerste plaats natuurlijk voor de intermediair en de belastingadviseur. We zijn nu bezig met een pilot die we in de loop van het jaar uitrollen over het hele land. Een overheidsloket kan natuurlijk nooit anoniem zijn. Je zult altijd ook over je zaak moeten kunnen spreken met een behandelend ambtenaar.

Minder faciliteiten

Ik wil met een stofkam door de faciliteiten heen Zei u net eigenlijk: ik heb ook binnen de Belastingdienst nog wel wat zieltjes te winnen, omdat er nogal wat inspecteurs van de oude stempel zijn? Je ziet natuurlijk diverse stromingen, dat spreekt voor zich. Maar je ziet ook een stroming die buitengewoon goede ervaringen heeft met het horizontaal toezicht. Voor degenen die het beste kunnen werken vanuit de habitat waarbinnen zij zijn opgevoed – de oude stempel en het verticale toezicht – blijven er nog genoeg

16

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Met alleen slimmer werken en gebruik van nieuwe technieken kom je er niet. We moeten zaken ook eenvoudiger maken. Zo gaan wij kijken naar al die verschillende grondslagenversmallers voor specifieke doelgroepen. Dat zie je niet alleen bij ondernemersfaciliteiten, maar ook in de sfeer van toeslagen. Er zijn er zoveel dat wij door de bomen het bos niet meer zien. Daar wil ik met de stofkam doorheen. Ik werk nog aan een fiscale agenda en zal daarin met voorstellen komen. Dat zal niet altijd eenvoudig zijn, want iemand die een speciale faciliteit heeft raakt die niet graag kwijt. En daar komt dan een meer algemene regeling voor terug? Ja. Kijk, als ik met een vereenvoudigingsagenda kom, is daarvan niet de bedoeling dat de lasten worden ver-


■ ■ ■ ■

zwaard. Als je de verschuivingen binnen een bepaalde bandbreedte kunt aanbrengen, is daar misschien wel draagvlak voor in de Tweede Kamer. Die heeft er bij de behandeling van het Belastingplan op aangedrongen dat wij zo’n vereenvoudigingsslag maken. De belofte die ik wil doen is dat ik hiermee niet stiekem een nettolastenverzwaring probeer door te voeren.

Vergroeningstaks De belastingwetgeving wordt gebruikt als pakezel voor allerlei niet-fiscale doelstellingen. Laat u dat toe? Bent u wat dat betreft purist of instrumentalist? Je hebt tal van instrumenten, van piepklein tot heel groot, die ooit om begrijpelijke redenen zijn ingevoerd… maar als je mij vraagt bent u ook zo’n ‘instrumentalist’ dan zeg ik: nee, nee. Ik houd van kerstbomen, maar alleen in de kersttijd en niet in de fiscale wetgeving. Ik zeg er nog één ding bij: ik houd ook niet van kerstbomen die worden opgetuigd door fiscaal adviseurs. Het is misschien vloeken in de kerk, maar ik houd van eenvoud, robuustheid, fraudebestendigheid, transparantie, want dat dient uiteindelijk ook het draagvlak voor een eerlijke belastingheffing. Maar soms wordt er om politieke redenen toch voor gekozen om een bepaalde doelstelling te bereiken via de belastingwetgeving… Onze belastingwetgeving bevat ook niet-fiscale doelstellingen. Denk aan milieudoelstellingen. Een groot deel

van de kamer dringt ook aan op een verdere vergroening van het fiscale stelsel. Ik denk dat wij vooralsnog aan onze taks zitten als het gaat om vergroening. Let wel, er is niets mis mee om zwaar milieuvervuilende activiteiten zwaarder te belasten. Je moet ervoor oppassen dat je in Nederland zo ver voor de troepen uitloopt dat er geen internationaal level playing field meer is en je je eigen bedrijven de nek om aan het draaien bent. Als het nevendoel zo belangrijk is en de fiscale prikkels voor het nevendoel zo goed werken, komt het primaire doel in het gedrang.

Niet stiekem een netto lastenverzwaring doorvoeren Ik ben een blauwe staatssecretaris, die vindt dat de belastingen er primair zijn om de schatkist te vullen voor de publieke voorzieningen die wij in dit land met elkaar willen bekostigen. Ik moet erop letten dat belastingheffing zo min mogelijk verstorend werkt op de economie; dat werken uiteindelijk loont, dat ondernemen loont. Ik heb niet de neiging om meer belastingen te heffen, maar ik heb de neiging om te kijken of wij niet naar minder belasting toe kunnen. ■

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

17


■ ■ ■ ■

Btw

Btw over privégebruik

vakantiewoning Steeds meer particulieren kopen een recreatiewoning als belegging maar ook voor eigen vakanties. Verhuur van een vakantiewoning kan leiden tot ondernemerschap voor de btw, waardoor de voorbelasting op de woning kan worden teruggevorderd. Tussen volledige aftrek van voorbelasting en eigen gebruik van de woning bestaat een spanningsveld. Geeft de btw een eigenaar wel de rust die met een vakantiewoning is bedoeld?

W Johan Mathijssen Mr. J.W.M. Mathijssen FB is belastingadviseur bij WEA Accountants & Adviseurs in Middelburg.

Jan Remijn J. Remijn is fiscalist bij WEA Accountants & Adviseurs in Goes.

e belichten een aantal btw-aspecten van de vakantiewoning die zowel zakelijk als privé wordt gebruikt. Voor een algemene beschouwing van de vermogensetikettering verwijzen wij graag naar de bijdrage van Thijs Bijlard en Ad Fruijtier in Het Register nummer 12, december 2010.

verblijf houden. De verhuur van een vakantiewoning is dus belast met btw. In post b11 van tabel I behorende bij de Wet OB is vastgelegd dat het verstrekken van logies in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar voor een korte periode verblijf houden, is belast tegen het lage tarief van 6%.

Exploitatie vermogensbestanddeel

Verschillende huurovereenkomsten

Op grond van artikel 7, lid 2, onderdeel b Wet op de Omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) kan bij de verhuur van een vakantiewoning ondernemerschap ontstaan. Er is immers sprake van een exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Voor het voldoen aan de definitie van ‘exploitatie’ wordt in het algemeen verondersteld dat er regelmatig of voortdurend moet worden verhuurd. In de resolutie van 18 juli 1983, nr. 283-9975, was hieromtrent bepaald dat er bij verhuur van een vakantiewoning sprake is van een exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in gevallen waarin een vakantiewoning ten minste 140 dagen per jaar wordt verhuurd. Deze resolutie is inmiddels ingetrokken en het 140-dagencriterium is niet in een ander besluit geïncorporeerd. Als een eigenaar de vakantiewoning voornamelijk verhuurt en er zelf af en toe gebruik van maakt zal over ondernemerschap voor de btw geen twijfel bestaan.

In de praktijk wordt vaak gebruikgemaakt van de diensten van een verhuurkantoor of exploitant van een vakantiepark. Daarbij blijken er verschillende vormen van huurovereenkomsten te zijn. In grote lijnen kunnen ze worden onderscheiden in twee categorieën, namelijk bemiddelingsovereenkomsten en overeenkomsten op basis van een zogenoemde commissionairsregeling.

Hoewel de verhuur van onroerende zaken als hoofdregel is vrijgesteld, bestaat er volgens artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 2 Wet OB een uitzondering op de vrijstelling voor de verhuur binnen het kader van het vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar voor korte periode

18

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Bij bemiddelingsovereenkomsten bemiddelt een partij bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen een eigenaar van een woning en een vakantiegast. De eigenaar verhuurt dus rechtstreeks aan de vakantiegast tegen 6% btw. De bemiddelaar stuurt een factuur voor zijn provisie waarover 19% btw is verschuldigd, omdat er voor deze prestatie geen sprake is van verhuur in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf. Bij de commissionairsregeling sluit de commissionair op eigen naam maar op order en voor rekening van een ander overeenkomsten af. In de praktijk betekent dit meestal dat de eigenaar de woning verhuurt aan de exploitant van een vakantiepark en de exploitant de woning vervolgens verhuurt aan de vakantiegast. De commissionairsregeling is voor de omzetbelasting geregeld in arti-


■ ■ ■ ■

kel 4, vierde lid Wet OB. Er is in dat geval voor de btw sprake van twee prestaties, namelijk verhuur van de eigenaar aan de exploitant en verhuur van de exploitant aan de vakantiegast. Beide prestaties zijn belast met het verlaagde tarief. Binnen de verschillende categorieën is vervolgens nog een onderscheid te maken. Er zijn overeenkomsten waarin eigen gebruik is verboden, overeenkomsten waarbij eigen gebruik is gemaximeerd op een aantal dagen of weken en er zijn overeenkomsten waarbij de invulling van het eigen gebruik flexibel is. Dit onderscheid is met name van groot belang voor het bepalen van de gevolgen voor de btw van het privégebruik van de woning.

Oude regeling voor privégebruik woning Tot en met 2010 kon de eigenaar de gehele voorbelasting op de woning van de fiscus terugvorderen, mits de woning tot ondernemingsvermogen werd bestempeld. Naar aanleiding van het arrest Charles en Charles-Tijmens van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) van 14 juli 2005, C-434/03, vond met ingang van 1 januari 2007 correctie voor het privégebruik plaats in het jaar van ingebruikneming en de volgende negen jaar op basis van artikel 4, lid 2, onderdeel a Wet OB juncto artikel 5a van Uitvoeringsbeschikking Omzetbelasting 1968 (hierna: UB OB). Met een dienst onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de ondernemer als voor dit goed volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De gelijkstelling met een dienst geldt voor onroerende zaken, roerende zaken en voor onderhoud, verbetering

en later ook herstel en verbouwing van een goed. Voor overige uitgaven geldt een correctie van de voorbelasting als bedoeld in artikel 15 Wet OB. In de wettekst van 2007 was neergelegd dat de breuk om te komen tot een correctie wegens privégebruik was gebaseerd op de formule: (aantal dagen privégebruik/aantal dagen privégebruik en aantal dagen dat de woning is gebruikt voor bedrijfsdoeleinden) x de uitgaven van de woning, gedeeld door tien in geval van een woning. Volgens deze formule telde de periode dat de woning niet was verhuurd (leegstand) niet mee in de noemer van de breuk. Al in 2007 heeft de staatssecretaris van Financiën bij besluit van 21 augustus 2007, nr. DV2007/51M, aangegeven dat de regels zoals opgenomen in artikel 5a, tweede lid UB OB (teksteditie 2007) moesten worden gewijzigd. Formeel is de wijziging van kracht geworden vanaf 1 januari 2008 en materieel is terugwerkende kracht naar 1 januari 2007 verleend. Volgens deze nieuwe regeling moet de maatstaf van heffing voor het privégebruik van de woning worden bepaald aan de hand van het werkelijke privégebruik. Handvatten om te komen tot de bepaling van het werkelijke privégebruik zijn daarbij niet gegeven. Ook volgens deze regeling blijft ongewis hoe moet worden omgegaan met leegstand van de woning.

Oude regeling in de praktijk In de praktijk wordt vaker de stelling ingenomen dat als de woning wordt verhuurd met een in de overeenkomst – bemiddeling of commissionair – afgebakend aantal dagen of weken (bijvoorbeeld twee weken) eigen gebruik, met

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

19


■ ■ ■ ■

Btw

een uitdrukkelijke opdracht van de eigenaar aan de exploitant of bemiddelaar de rest van het jaar de woning te verhuren, het eigen gebruik wordt bepaald aan de hand van de breuk: vastgelegd maximumaantal dagen eigen gebruik/365 dagen op jaarbasis. De woning staat immers buiten de afgesproken periode van eigen gebruik niet aan de eigenaar ter beschikking. Bij een overeenkomst met een grotere flexibiliteit om de woning zelf te gebruiken ligt de bepaling van het privégebruik lastiger. De woning staat de eigenaar immers meer ter beschikking ongeacht of de eigenaar daadwerkelijk gebruikmaakt van de woning. De vraag of de dagen van leegstand dan ook in de noemer moeten worden meegenomen wordt in de praktijk door de fiscus negatief beantwoord. De fiscus valt in die gevallen terug op de formule uit de wettekst 2007 die inmiddels is gewijzigd en baseert zijn standpunt op het arrest van het HvJ EG van 26 september 1996, kenmerk C-230/94 (Enkler).

Overgangsregeling De oude regeling zoals hiervóór beschreven geldt voor de aanschaf van vakantiewoningen vóór 1 januari 2011. Op grond van de overgangsregeling geldt de wetgeving van 2010 ook voor aangegane verplichtingen met betrekking tot vakantiewoningen in 2010, waarbij de ingebruikneming pas in 2011 of later plaatsvindt maar waarbij al ten minste één bouwtermijn in 2010 is voldaan.

Privégebruik inventaris telt mee bij bepaling aftrek voorbelasting

zaken, zoals opgenomen in artikelen 11 tot en met 15 UB OB, van overeenkomstige toepassing verklaard.

Inventaris Merkwaardig is dat voor roerende zaken de nieuwe regeling niet van toepassing is. De Technische Herzieningsrichtlijn biedt de lidstaten hiertoe wel de ruimte, maar de Nederlandse regering heeft ervoor gekozen hier geen gebruik van te maken. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 400, nr. 3) is hierover gezegd dat mede gelet op de samenhang met de bredere problematiek van het privégebruik van roerende zaken ervoor is gekozen om thans te volstaan met het implementeren van de bepaling voor de onroerende zaken. Voor de vakantiewoning betekent dit dat voor de vaak toch wel aanzienlijke investering in inventaris de sinds 2007 geldende regeling blijft bestaan. De voorbelasting die drukt op de aanschaf van inventaris is zodoende nog steeds volledig aftrekbaar. Waar in verband met privégebruik voor de investering in de onroerende zaak een beperking van de aftrek van voorbelasting met een tien jaar durende herzieningsregeling geldt, is voor de investering in de inventaris gedurende vijf jaar de fictieve dienst van artikel 4, lid 2, onderdeel a Wet OB van toepassing. De maatstaf van heffing van deze fictieve dienst is gelijk aan de door de ondernemer gemaakte kosten van verwerving en vervaardiging, onderhoud, herstel, verbetering en verbouwing, voor zover deze betrekking hebben op het privégebruik. Voor de kosten van verwerving en vervaardiging geldt dat deze jaarlijks voor een vijfde deel in aanmerking worden genomen en ze na afloop van het vierde jaar van ingebruikname op nihil worden gesteld.

Algemene voorbelasting Onroerende zaken met ingang van 1 januari 2011 Vanaf 2011 geldt voor het privégebruik van onroerende zaken een nieuwe regeling. Deze is ontstaan door implementatie per 1 januari 2011 in de Wet OB van Richtlijn 2009/162/EU van 22 december 2009. Met deze Technische Herzieningsrichtlijn is de door het arrest Charles en Charles-Tijmens ontstane keuze voor ondernemingsvermogen komen te vervallen in het geval er naast zakelijk gebruik van het vermogensbestanddeel ook sprake is van privégebruik. Artikel 168bis van de btw-richtlijn bepaalt nu dat aftrek van voorbelasting van een goed dat ook voor privégebruik of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, slechts mogelijk is naar evenredigheid van het gebruik ervan voor de bedrijfsactiviteiten. Dit artikel is vrijwel letterlijk overgenomen in artikel 15, lid 1 Wet OB. Hiermee zijn we weer terug bij de hiervóór beschreven oude regeling, zoals die gold vóór het arrest Charles en Charles-Tijmens. Tevens is bepaald dat de regeling van de fictieve dienst van artikel 4, lid 2, onderdeel a Wet OB niet meer van toepassing is op het gebruik van de onroerende zaak voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Daarnaast is in artikel 15, lid 6 Wet OB de herzieningsregeling voor onroerende

20

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Naast de voorbelasting in verband met de onroerende zaak, de voorbelasting in de kosten van verwerving en vervaardiging van roerende zaken en de voorbelasting in kosten van onderhoud, herstel, verbetering en verbouwing van de roerende zaken, is er ook nog voorbelasting die niet tot deze categorieën behoort. Hiertoe zullen de algemene kosten behoren, bijvoorbeeld de kosten die met de verhuur hebben te maken. De voorbelasting in deze kosten zal op basis van artikel 15 Wet OB aftrekbaar zijn voor zover deze kosten worden gebruikt voor belaste handelingen. Voor de hand ligt hier de in de zaak Enkler vastgestelde formule te gebruiken voor het bepalen van het niet aftrekbare deel van de voorbelasting. De vraag is echter welke belaste handelingen aan de orde zijn. Vanzelfsprekend is de verhuur in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf een belaste handeling. Daarnaast is op grond van artikel 4, lid 2, onderdeel a Wet OB het privégebruik van de inventaris een belaste handeling geworden. De verhouding tussen privégebruik en belast gebruik waarmee bij de aftrek van voorbelasting wordt gerekend zal daardoor anders worden. Van 2007 tot en met 2010 was ook het privégebruik van de onroerende zaak een belaste handeling. In die periode waren er daardoor twee soorten handelingen ten aanzien


■ ■ ■ ■

van de vakantiewoning, namelijk belaste verhuur in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf en belast privégebruik. Andere handelingen waren niet aanwijsbaar. Dit zou ertoe leiden dat tot en met 2010 alle voorbelasting ter zake van de vakantiewoning aftrekbaar was (met daar tegenover een afdracht wegens de fictieve dienst bestaande in het privégebruik). De Belastingdienst stelt in de praktijk dat privégebruik geen aftrek van voorbelasting kan creëren. Toch wordt daar ook anders over gedacht. Zie bijvoorbeeld advocaatgeneraal De Wit in de (afsluitende) zaak Charles en Charles-Tijmens (conclusie van 5 juli 2006, nummer 37 689, V-N 2006/42.15) die in overweging 3.10 van zijn conclusie stelt dat op grond van het systeem van de richtlijn belanghebbenden voor 100% belaste handelingen verrichten.

Tarief fictieve dienst De Nederlandse regering heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid om ook voor privégebruik van roerende zaken een beperking van aftrek van voorbelasting in te voeren. Hierdoor blijft de fictieve dienst ten aanzien van de vakantiewoning ook in 2011 zijn belang houden. Daarbij komt de vraag naar het van toepassing zijnde tarief aan de orde. Zoals hiervóór is aangegeven is in post b11 van tabel I bij de Wet OB het verstrekken van logies in het kader van het vakantiebestedingsbedrijf onder het verlaagde tarief gebracht. De fictieve dienst dient ertoe de eigenaar die privé gebruikmaakt van zijn woning gelijk te behandelen als een consument-vakantiegast. Op grond hiervan moet op het privégebruik eveneens het verlaagde tarief worden toegepast. Hiertegen pleit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Wolfgang Seeling (HvJ EG 8 mei 2003, C-269/00) waarin is vastgesteld dat privégebruik geen verhuur is en daardoor niet in de vrijstelling van verhuur van onroerende zaken kan delen. Deze stelling kunnen we volgen, omdat het streven van het hof is dat de correctie wegens privégebruik plaatsvindt via heffing over de fictieve dienst. Deze heffing gaat verloren als die dienst zou zijn vrijgesteld. Bovendien hoort een vrijstelling eng te worden uitgelegd. Echter, het verstrekken van logies binnen het kader van het vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar voor een korte periode verblijf houden, maakt juist een uitzondering op de vrijstelling van verhuur van onroerende zaken. Een enge uitleg van de bepaling is daarmee niet meer aan de orde. Dit schept ruimte om tot toepassing van het verlaagde tarief te komen.

Kleineondernemersregeling Een eigenaar van een vakantiewoning zal in het algemeen, door de toepassing van het verlaagde tarief, te maken hebben met een beperkte jaarlijkse afdracht van btw. In die situatie zal de kleineondernemersregeling van artikel 25 Wet OB van toepassing zijn. Het effect van de correctie wegens privégebruik zal zich daardoor slechts voordoen in de jaren waarin de investeringen leiden tot een teruggaaf van omzetbelasting.

Dit kan anders zijn voor buitenlandse eigenaren van een vakantiewoning. Volgens de Wet OB is de kleineondernemersregeling slechts van toepassing op de in Nederland gevestigde ondernemer. Inmiddels heeft het Hof van Justitie in de zaak Ingrid Schmelz (HvJ EG 26 oktober 2010, C-97/09) bepaald dat deze regeling niet in strijd is met de btw-richtlijn, in de situatie van een Duitse eigenaar van een in Oostenrijk gelegen vakantiewoning. In lijn met hetgeen advocaat-generaal Kokott in zijn conclusie in deze zaak stelde heeft de staatssecretaris al in zijn besluit van 25 januari 2007 (nr. CPP2006/2469M, V-N 2007/11.18) vastgelegd dat de kleineondernemersregeling wel van toepassing is voor de buitenlandse eigenaar van een woning, mits deze uitsluitend in Nederland prestaties verricht.

Praktische regeling De correcties wegens privégebruik blijken met name in 2011 buitengewoon complex te zijn. Om te voorkomen dat een ellenlange discussie met de fiscus ontstaat over de correctie wegens privégebruik kan worden gedacht aan een huurovereenkomst waarbij de eigenaar de woning volledig en zonder eigen gebruik verhuurt aan de exploitant of via de bemiddelaar en – als hij zijn woning zelf wenst te gebruiken – de eigenaar zijn woning terughuurt van de exploitant of via de bemiddelaar. In een besluit van de staatssecretaris van Financiën van 7 januari 2004 (nr. CPP2003/3090M) wordt bevestigd dat er van eigen gebruik in die situatie geen sprake is. In genoemd besluit wordt geen melding gemaakt van de voorwaarden waaronder de eigenaar van de exploitant/ bemiddelaar kan terughuren. In theorie zou de correctie wegens privégebruik met een lage huurprijs kunnen worden omzeild nu de Wet OB ook geen correctiemechanisme kent op de hoogte van de vergoeding. Met de juiste verhuurvoorwaarden kan een correctie wegens privégebruik aldus worden voorkomen.

Terughuren van woning kan correctie wegens privégebruik voorkomen Conclusie De eigenaar van een vakantiewoning die deze meer dan incidenteel verhuurt, zal worden aangemerkt als ondernemer in de zin van de omzetbelasting. Dat hij door ook privé gebruik te maken van de woning te maken krijgt met een ondoorgrondelijk systeem van correcties in verband met dat privégebruik, zal hij zich bij de aanschaf van de woning niet hebben gerealiseerd. Dat de regeling door zowel de fiscus, de belastingplichtige als veel adviseurs niet wordt overzien, blijkt uit het aantal procedures over deze materie dat door het Europese Hof van Justitie is beslecht. Het bezit van een vakantiewoning is om deze reden ook een genot voor de fiscale beroepsbeoefenaar. De praktijk zou echter gebaat zijn bij een eenvoudiger regeling. ■

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

21


IN

■ ■ ■

De praktijk ‘Kwaliteit in beeld gebracht’ Tot in detail beschrijft het RB Kwaliteitsha Kwaliteitshandboek andboek welke processen een belastingadviseur moet m doorlopen voor een geoliede praktijk. Abstracte begrippen uit het Reglement voor de Beroepsuitoefening van het RB (RBU) zoals ls deskundigheid, eerlijkheid en zorgvuldig-heid zijn concreet gemaakt. Een rugsteun voor elke belastingadviseur en zijn mede-werkers, maar ook voor de startende adviseur die een eigen praktijk wil opzetten. Diana de Vries van het RB: ‘We hebbben dit geschreven in de overtuiging dat leden met dit handvat vanuit hun eigen inzicht hun processen nader zullen invullen.’ Door Henk Vlaming

‘V

oordat we begonnen met het schrijven van het RB Kwaliteitshandboek, hebben we ons eerst verplaatst in de praktijk van de belastingadviseur. We wilden een hulpmiddel bieden dat zo dicht mogelijk aansluit bij de dagelijkse praktijk van onze leden. Waar krijg je als fiscale dienstverlener zoal mee te maken, zo vroegen wij ons af?’ Diana de Vries, een van de auteurs van het RB Kwaliteitshandboek, legt uit hoe het handboek de leden praktisch ondersteunt. Ze werkt bij het Bureau Vaktechniek van het RB. Alle processen waar belastingadviseurs mee te maken krijgen heeft ze samen met haar collega’s van het Bureau Vaktechniek beschreven.

Fotograaf: Herbert Wiggerman

Toegankelijkheid en toepasbaarheid waren daarbij een belangrijke leidraad.

Zichtbaar maken ‘Er zit een verhaal achter het RB Kwaliteitshandboek’, zegt De Vries. ‘We hebben dit geschreven in de overtuiging dat leden vanuit hun eigen inzicht hun processen nader zullen invullen. Het is ook bedoeld om hierover in gesprek te komen met leden en onderling informatie uit te wisselen. Zo wordt het begrip kwaliteit verder ingevuld. We willen stap voor stap zichtbaar maken wat je tegenkomt in de dagelijkse praktijk van een belastingadviseur en hoe je er het best mee kunt omgaan. Daarbij

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

23


■ ■ ■

In de praktijk

hebben we de wet- en regelgeving als uitgangspunt genomen, plus uiteraard het RBU. Maar we hebben ook de dagelijkse praktijk voor ogen gehouden, de praktische vragen die de belastingadviseurs tegenkomen. Dan kom je al snel op het spanningsveld tussen de regels en de dagelijkse praktijk. Niet altijd lopen processen zoals je ze hebt uitgedacht. Aangiften van je klanten moeten op tijd zijn, maar dan moeten je klanten ook op tijd leveren. Wat doe je als je goed wilt adviseren, terwijl je klanten er geen geld voor over hebben? Wat te doen als de klant zijn rekeningen niet betaalt? Dan neem je afscheid, maar je hebt ook nog je zorgplicht als belastingadviseur.’

Spanningsveld tussen regels en de dagelijkse praktijk Voor deze en tal van andere vraagstukken biedt het RB Kwaliteitshandboek ondersteuning. Online toegang tot het handboek is exclusief voor leden van het RB. Gedetailleerd gaat het over de kantoororganisatie en het organiseren van kantoorprocessen en klantprocessen. Ook zijn er modellen die de RB-leden kunnen toepassen in de processen die horen bij een fiscale praktijk. Behalve een geoutilleerd kantoor zijn efficiënte processen nodig om kwaliteit te bieden en om een belastingadvieskantoor winstgevend te laten zijn.

Twijfel Daarnaast biedt het RB Kwaliteitshandboek ook houvast bij de twijfels en vragen die de praktijk soms oproept. Zo is bijvoorbeeld niet altijd duidelijk hoe belastingadviseurs moeten omgaan met (re)acties van de Belastingdienst in het kader van de uitstelregeling. Soms blijven beslissingen uit, soms zijn ze verwarrend. ‘Iedere belastingadviseur krijgt er wel eens mee te maken. Ze noodzaken je om extra handelingen te verrichten en verstoren daarmee het bedrijfsproces. Zulke onvoorziene zaken kun je niet doorberekenen aan klanten, dus is het van groot belang dat je er efficiënt mee omgaat.’

Houvast bij twijfels en vragen die de praktijk oproept Het RB Kwaliteitshandboek komt dan ook tegemoet aan de vele vragen die binnenkomen bij het RB. Die zijn vaak van technische aard, aldus De Vries, maar ze vormden voor het Bureau Vaktechniek ook een leidraad voor het samenstellen van het handboek. Mede hierdoor konden de auteurs nauw aansluiten op de praktijk. ‘Bovendien

24

Het Register | maart 2011 | nummer 3

kom ik zelf ook uit de praktijk, net als de andere medewerkers van het Bureau Vaktechniek. We weten dus uit ervaring met welke onderwerpen belastingadviseurs te maken krijgen.’ Daarnaast heeft het RB het concept van het handboek laten toetsen door leden.

Panklare modellen Waarmee De Vries niet gezegd wil hebben dat wat in het RB Kwaliteitshandboek staat een dictaat is. ‘Het RB Kwaliteitshandboek schrijft niets voor, dat is ook niet de bedoeling. Wij zeggen niet: “gij zult”, maar bieden attentiepunten en modellen als handvat. We laten volop ruimte aan belastingadviseurs om dit handboek toe te passen zoals zij dat willen. Dus geen voorschriften, maar wel een duidelijk omschrijving van de processen zoals wij denken dat ze het best aansluiten bij een goede kwaliteit van de praktijk van belastingadviseurs.’ Daarvoor reikt het RB Kwaliteitshandboek ook panklare modellen aan. Zo zijn er werkprogramma’s voor aangiften IB en VPB. Er zijn aandachtspunten voor het aanleggen van dossiers en checklists voor het uitvoeren van werkzaamheden voor klanten.

Reminder De Vries realiseert zich dat veel informatie in het RB Kwaliteitshandboek bekende kost is voor veel belastingadviseurs. ‘Veel van onze leden hebben de kennis over processen in het hoofd zitten, soms staat die opgeschreven in kantoorhandboeken. Voor hen is het RB Kwaliteitshandboek vooral een reminder, ongeacht het aantal jaren ervaring dat een belastingadviseur heeft. Als je de informatie ziet, kom je onherroepelijk uit bij zaken waar je niet altijd bewust bij stilstaat. Neem dus de tijd om de website te bezoeken en de inhoud van het RB Kwaliteitshandboek aandachtig door te nemen. Inderdaad, het gaat om omvangrijke informatie, maar door kennis te nemen van de beschreven processen en de aangeboden modellen kun je als belastingadviseur je eigen praktijk toetsen. Misschien inspireert dit tot het aanbrengen van verbeteringen. En anders kun je verdergaan op je eigen weg in de wetenschap dat je op een goede manier je kantoor hebt ingericht. Bovendien kan het helpen bij het inwerken van nieuwe medewerkers.’ Het is ook mogelijk, zo denkt De Vries, dat kantoren zelf betere modellen hanteren dan die nu in het RB Kwaliteitshandboek staan. Dat is alleen maar goed, meent ze, nog mooier als de kennis hierover gedeeld kan worden. Dat draagt bij aan de kwaliteit van de hele beroepsgroep.

Transparantie Het RB Kwaliteitshandboek komt op een moment dat transparantie en kwaliteit sterk in de belangstelling staan. Zeker sinds de financiële crisis zijn autoriteiten en toezichthouders alert. Maar de crisis was geen aanleiding voor het schrijven van het RB Kwaliteitshandboek. Het handboek is gebaseerd op de visie van het RB over dienstverlening. De Vries: ‘Een directe aanleiding om het RB


■ ■ ■

Kwaliteitshandboek te schrijven was er niet, maar als je kijkt naar de ontwikkelingen in ons vakgebied dan past een kwaliteitshandboek voor belastingadviseurs wel bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Steeds vaker worden er convenanten afgesloten voor horizontaal toezicht, de Wwft stelt strenge eisen aan de fiscale praktijk en een kantoororganisatie moet daarop zijn ingericht. Dan hebben we nog de eisen die banken stellen aan kredietrapportages. Als je als RB je leden hierin wilt ondersteunen, dan is het alleen maar logisch om een kwaliteitshandboek samen te stellen.’ Ook al verplicht het RB Kwaliteitshandboek tot niets, vrijblijvend is het gebruik ervan niet helemaal. Belastingadviseurs die zijn aangesloten bij het RB zijn via het kwaliteitssysteem verplicht om zich bij te scholen en zich op de hoogte te stellen van veranderingen en nieuwe regelgeving. ‘Dat is een voorwaarde voor het lidmaatschap van het RB’, zegt De Vries. ‘Het RB staat voor kwaliteit, dat laten we zien door kwaliteit ook in te vullen zodat onze leden de beoogde kwaliteit kunnen bieden.’

Actueel Tot echt nieuwe inzichten heeft het schrijven van het RB Kwaliteitshandboek niet geleid. Wel tot een hernieuwd besef van de complexiteit van de praktijk. ‘Lekker om al die kennis die we in huis hebben overzichtelijk te rangschikken en op te schrijven’, lacht De Vries. ‘Het dwong ons om expliciet te maken hoe en wanneer een belastingadviseur goed werk levert.’ Met het online plaatsen van het RB Kwaliteitshandboek is het werk van het RB niet afgerond. De uitdaging is om het handboek actueel te houden. ‘Binnenkort volgt bijvoorbeeld nog een nieuw onderdeel over de samenstelpraktijk. Ook passen we het RB Kwaliteitshandboek aan in verband met wijzigingen in wet- en regelgeving of wijzigingen in de procedures van de Belastingdienst. Belastingadviseurs moeten ieder jaar opnieuw zorgen dat ze die veranderingen bijhouden en ermee kunnen omgaan. Het RB Kwaliteitshandboek helpt hierbij, daarom bestaat er geen papieren versie. Online kunnen we sneller veranderingen doorvoeren, wat de toepasbaarheid ervan ten goede komt.’

De Vries hoopt dat belastingadviseurs daar actief aan bijdragen. Het actualiseren van het RB Kwaliteitshandboek draait niet alleen om het herschrijven van regels, maar ook om het weergeven van best practices. ‘Graag

Het RB Kwaliteitshandboek is vooral een reminder horen we van belastingadviseurs wat hun ervaringen zijn met processen en modellen. Wellicht hebben zij ideeën voor modellen of processen waar de hele beroepsgroep voordeel van heeft. Hoe beter we met het RB Kwaliteitshandboek aansluiten bij de praktijk, hoe beter het is.’ Met het RB Kwaliteitshandboek speelt het RB in op de maatschappelijke trend die vraagt om meer zekerheden over kwaliteit van dienstverlening. Vooral waar het gaat om financiële dienstverlening. ‘Ik heb nog geen handboeken gezien die zo expliciet zijn over de kwaliteit van de processen in de belastingadviespraktijk’, zegt De Vries. ‘Soms krijgen wij de vraag van een lid dat het RB Kwali-

Hernieuwd besef van de complexiteit van de praktijk teitshandboek wil gebruiken voor de hele kantoororganisatie. Dat noem ik een signaal dat de procesbeschrijvingen, de modellen en de checklists echt toegevoegde waarde bieden. Hiermee versterken wij onze leden en daar is het om begonnen. Ik verwacht niet dat belastingadviseurs opeens al hun werk anders gaan inrichten nu het RB Kwaliteitshandboek er is. Wel zou ik het mooi vinden als de bewustwording over het omgaan met kwaliteit toeneemt. Dat het besef er is dat kwaliteit niet onder dwang wordt opgelegd, maar dat je dit zelf kunt vormgeven en afstemmen op de manier waarop je je kantoor wilt inrichten.’ ■

Lid van het RB? Bekijk het RB Kwaliteitshandboek op www.rbkwaliteitshandboek.nl

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

25


■ ■ ■ ■ ■

Kroniek Formeel Belastingrecht

Fiscaal-strafrechtelijke

issues In dit artikel wordt een aantal strafrechtelijke issues uit de fiscaal-strafrechtelijke jurisprudentie van de afgelopen jaren besproken die in fiscale strafzaken aan de orde kunnen komen en die wellicht tot de verbeelding spreken.

V Jojanneke Sitsen Mr. J.M. Sitsen is werkzaam bij De Bont Advocaten in Amsterdam (www.debontadvocaten.nl).

eel adviseurs zullen er in hun loopbaan nimmer mee te maken krijgen, althans in elk geval de hoop koesteren er nooit en te nimmer mee te worden geconfronteerd, namelijk met een strafzaak. Voor een adviseur is het al vervelend als de FIOD bij een van zijn cliënten op de (vroege) koffie komt, laat staan als er bij de adviseur zelf wordt aangebeld met de volgende mededeling. ‘Wij zijn van de FIOD en zouden graag willen spreken met de heer Pieterse, belastingadviseur bij uw kantoor. Een cliënt van de heer Pieterse heeft immers zijn aangifte onjuist gedaan en wij willen graag de rol van de heer Pieterse daarbij tegen het licht houden.’ De heer Pieterse is zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust. Hij heeft de aangifte van zijn cliënt naar eer en geweten ingevuld en opgestuurd. Aan de kant van de Belastingdienst/FIOD kan daar wel eens heel anders over worden gedacht. Niet zelden ontpopt zich in dergelijke situatie niet alleen een fiscale discussie, maar ook een strafrechtelijke.

Beleid; ATV-richtlijnen Wanneer wordt een zaak nu eigenlijk ‘uitgeselecteerd’ voor het strafrecht? Het beleid daaromtrent is te vinden in de zogenoemde Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen (hierna: ATV-richtlijnen).1 Met ingang van 1 januari 2010 zijn er nieuwe ATV-richtlijnen van toepassing. Daarin zijn enkele wijzigingen aangebracht ten opzichte van de tot dan toe geldende ‘ATV-richtlijnen 2006’. Als uitgangspunt geldt dat bij een benadelingsbedrag onder € 125.000 de zaak niet doorgaat naar het tripartieoverleg en dus in beginsel bestuursrechtelijk wordt afgewikkeld. Boven dat bedrag is de hoofdregel echter een strafrechtelijke vervolging. Uiteraard zijn uitzonderingen mogelijk. Met name als de verdachte een voorbeeldfunctie heeft, dan zal eerder tot strafrechtelijk ingrijpen worden besloten. De oude richtlijnen blijven

26

Het Register | maart 2011 | nummer 3

overigens van toepassing als de betreffende zaak vóór 1 januari 2010 in het selectieoverleg is ingebracht. Op basis van deze richtlijnen geldt dus dat indien en voor zover er een belastingadviseur betrokken is bij een zaak die voor het strafrecht kwalificeert, daarmee sprake is van een verdachte met een voorbeeldfunctie zodat de strafrechtelijke weg eerder wordt gekozen.

Deelnemingsvarianten Indien en voor zover een adviseur in zijn functie te maken krijgt met het strafrecht, zal de vraag rijzen of er sprake is van medeplegen of medeplichtigheid aan zijn zijde. Voor medeplichtigheid is minder betrokkenheid bij het delict nodig dan bij medeplegen en de strafmaxima zijn lager. Na de invoering van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het medeplegen ook in het fiscale bestuursrecht relevant. Immers, als er sprake is van medeplegen kan aan deze medepleger een zelfstandige boete worden opgelegd. Het onderscheid in de gevolgen van een bewezenverklaring van medeplichtigheid enerzijds of medeplegen anderzijds is in het bestuursprocesrecht onmiskenbaar. Medeplichtigheid leidt immers tot een volledig verval van de boete, terwijl medeplegen aanleiding kan geven tot boeten van 300%. In dat licht is de jurisprudentie uit het strafrecht (nog) belangrijk(er) geworden. Van belang is dat het onjuist doen van aangifte een kwaliteitsdelict is. De belastingplichtige kan slechts de pleger zijn. Het ontbreken van opzet bij de pleger moet tot vrijspraak van de medepleger leiden. Het is dan ook vaste jurisprudentie dat de rechter die oordeelt in de zaak van de medepleger tevens de opzet van de pleger moet beoordelen en moet vaststellen. In het arrest van 22 juni 2010 vernietigde Hof ’s-Hertogenbosch een vrijspraak van Rechtbank Roermond in de


■ ■ ■ ■ ■

xxx

Verdachte regelde met een ongecodeerde buitenlandse ‘zwarte’ rekening dat de gelden geheel buiten het zicht van de fiscus bleven.

zaak van een verdachte tussenpersoon tussen beleggers en buitenlandse banken.2 Het hof stelde vast dat verdachte de belastingplichtige beleggers bezocht en in voorkomende gevallen vernam dat laatstgenoemden over zwart geld beschikten. Het hof overwoog dat verdachte in dergelijke situaties aangaf dat dit geen enkel probleem vormde en te kennen gaf dat hij het zo kon regelen dat de gelden geheel buiten het zicht van de fiscus bleven. Vervolgens zijn door zijn tussenkomst telkens verschillende, al dan niet gecodeerde, buitenlandse rekeningen geopend, namelijk een ‘witte’ rekening en een ‘zwarte’ rekening. Naar de ‘zwarte’ rekening werd geld overgeboekt dat buiten het zicht van de fiscus werd gehouden. Vervolgens bezocht verdachte eenmaal of meerdere malen per jaar de in de bewezenverklaring genoemde personen om met hen de resultaten te bespreken. Belangrijk element hierbij is dat deze verdachte tussenpersoon niet de aangiften verzorgde. In deze situatie oordeelde het hof dat verdachte door zijn handelen opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot en opzettelijk behulpzaam is geweest bij het buiten het zicht van de fiscus houden van banksaldi en ontvangen

rente, met het kennelijke doel die gegevens ook bij belastingaangiften voor de fiscus verborgen te kunnen houden. De betrokkenheid van de verdachte was voldoende om tot een veroordeling te komen voor medeplichtigheid

Het onjuist doen van aangifte is een kwaliteitsdelict aan het onjuist doen van aangiften. Het hof oordeelde niet dat sprake was van (het verdergaande) medeplegen. Wat te denken van de casuspositie waarin een cliënt van een belastingadvies/accountantskantoor een – geantedateerde – brief opstelde en bij het kantoor afgaf waarin een tijdstip werd vermeld waarop aan de vermogensbeheerder opdracht zou zijn gegeven om effectenportefeuilles over te dragen aan de bv. Er was sprake geweest van een beurskrach. Een dergelijke krach heeft zich ook in het jaar 2008 voorgedaan. In de bedoelde casus moes-

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

27


■ ■ ■ ■ ■

Kroniek Formeel Belastingrecht

ten de portefeuilles in het jaar 2002 aan de vennootschap zijn overgedragen (zo kwamen de verliezen in de bv), maar de cliënt bedacht zich dit pas in 2003. Op de dagvaarding die de accountant mocht ontvangen werd hem het medeplegen van het doen van onjuiste aangiften (op basis van het geantedateerde stuk) ten laste gelegd. De accountant was echter ‘slechts’ betrokken bij de jaarrekening en had de aangifte niet ingevuld. Desondanks oordeelde Rechtbank Breda3 dat de accountant de brief had

Invullen en indienen aangifte niet noodzakelijk voor medeplegen gezien en direct had kunnen en ook moeten constateren dat daarin zaken stonden die niet juist waren. Doordat de accountant aannam dat de aandelen in januari 2002 aan de bv waren verkocht, heeft hij de aanmerkelijke kans aanvaard dat die cliënt een vals stuk aan hem overlegde en daarmee tevens de aanmerkelijke kans aanvaard dat, door dat stuk de basis te laten vormen van de wijziging van de jaarstukken en daarmee van de aangifte, er opzettelijk een onjuiste aangifte zou worden gedaan. ‘Door geen nadere vragen te stellen heeft hij die kans aanvaard en op de koop toe genomen.’ De accountant zou blijkens het oordeel van de rechtbank de opzettelijk onjuist gedane aangifte vennootschapsbelasting hebben medegepleegd. In dit geval dus wél medeplegen.

Voorwaardelijke opzet is al voldoende. Een bewezenverklaring is dus al mogelijk bij de constatering dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een aangifte onjuist is. Een onderscheid moet wel worden gemaakt tussen voorwaardelijke opzet en bewuste schuld. Bij bewuste schuld zal immers geen veroordeling kunnen volgen van het opzettelijk onjuist doen van aangifte. De feitenrechter zal dan ook uitgebreid moeten motiveren dat er uitdrukkelijk geen sprake is van bewuste schuld. Bewuste schuld sluit opzet immers uit. Ondanks deze duidelijke motiveringsplicht blijkt het soms ingewikkeld de voorwaardelijke opzet te onderbouwen met feiten en omstandigheden uit het bewijs.

Naar aanleiding van de inhoud van de aangehaalde jurisprudentie rijst de vraag waar de grens nu eigenlijk ligt tussen medeplegen en medeplichtigheid. Bijkomende feiten en omstandigheden kunnen een en ander echter weer anders maken. Van belang is vast te stellen dat van medeplegen van een onjuiste aangifte eveneens sprake kan zijn als de adviseur niet daadwerkelijk de aangifte

Zo overwoog Hof Den Bosch in diverse arresten5 dat de betreffende verdachten minst genomen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de facturen valselijk werden opgemaakt ‘(...) nu verdachte[n] op geen enkele wijze onderzoek heeft [hebben] gedaan naar het bestaan van de personen die op de facturen als geadresseerden werden vermeld. (…) Door dat onderzoek na te laten heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verkoopfacturen op naam van personen werden gesteld die niet werkelijk de kopers van de horloges waren en heeft verdachte derhalve valsheid in geschrift gepleegd’. Niet alleen ten aanzien van valsheid in geschrifte maar ook ter zake van het delict van onjuist doen van aangifte (omzetbelasting) oordeelde dit hof dat de vennootschap en daarmee de verdachte door onder de genoemde omstandigheden niet een nader onderzoek in te stellen ‘ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat over de leveringen aan medeverdachte (door de omzetbelasting terug te boeken in de aangifte omzetbelasting) ten onrechte het 0% btw-tarief werd toegepast en aldus dat onjuiste aangiften voor de omzetbelasting werden gedaan’. Het hof heeft in deze zaak dus het nalaten onderzoek te doen redengevend geacht om tot een veroordeling te komen wegens voorwaardelijke opzet. Zou het niet voldoen aan een onderzoeksplicht niet meer passen in het straatje van de bewuste schuld? Dat geen nader onderzoek werd gedaan kan zijn gelegen in bewuste onverschilligheid,

Bewuste schuld sluit opzet uit heeft ingevuld en ingediend. Ook overige betrokkenheid, in de vorm van een advies of een jaarrekening die ten grondslag ligt aan een aangifte, kan leiden tot een verwijt van medeplegen.

Opzet, voorwaardelijk opzet en bewuste schuld Een waarschijnlijk herkenbare situatie is die waarin bij het opmaken van de jaarrekening wordt geconstateerd dat in de aangiften omzetbelasting te weinig omzet is aangegeven. De adviseur zal de ondernemer daarvan op de hoogte te stellen. De ondernemer weet dan vervolgens dus dat zijn eerdere aangiften onjuist waren. Voor een straf- of boeterechtelijke veroordeling is dat enkele feit onvoldoende. Opzet op het plegen van het delict

28

moet aanwezig zijn op het moment van het indienen van de aangifte. Daaromtrent oordeelde de Hoge Raad in zijn arrest van 14 september 2010.4 Er moet worden vastgesteld dat de belastingplichtige op het moment dat hij de aangiften daadwerkelijk deed, van de aanmerkelijke kans op de onjuistheid op de hoogte was en deze heeft aanvaard. Dat de betreffende ondernemer in dit geval geen suppletieaangifte heeft ingediend is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat hij ten tijde van het indienen van de aangiften de opzet had die aangiften onjuist of onvolledig te doen. In fiscaal-strafrechtelijke zaken gaat het meestal om deze verwijtbaarheid. Wie kan een verwijt worden gemaakt als er sprake is van verstrekte onjuiste informatie dan wel het doen van onjuiste aangiften?

Het Register | maart 2011 | nummer 3


■ ■ ■ ■ ■

slordigheid, ongeïnteresseerdheid, maar dit leidt niet tot voorwaardelijke opzet. Het gaat om de wil ter zake van de onjuistheid van de facturen of de aangiften en die ontbreekt.

in dit artikel verder te behandelen. Daarvoor verwijs ik naar een aantal op dit gebied recentelijk gewezen arresten van de Hoge Raad.9,10

Verhouding strafrecht–belastingrecht Andere delicten zoals oplichting Fiscale fraude ziet vaak op het zo min mogelijk afdragen van belastingen. Ook kan er sprake zijn van het zoveel mogelijk ‘innen’ van toeslagen. De Belastingdienst betaalt immers sinds geruime tijd ook toeslagen uit. De kinderopvangtoeslag zal voor velen geen onbekende toeslag zijn en daarmee kan worden gefraudeerd. Op de dagvaarding prijkt in een dergelijk geval het delict ‘oplichting van de Belastingdienst’. Ook zal vaak ten laste worden gelegd dat er sprake is van witwassen en valsheid in geschrifte. De oplichting vindt in dergelijke gevallen volgens het Openbaar Ministerie plaats doordat digitale aanvragen voor kinderopvangtoeslag gericht aan de Belastingdienst onjuist worden ingevuld op het punt van de uurtarieven en de hoeveelheden uren, waarbij de bedragen vervolgens worden uitbetaald/afgegeven op basis van deze – onjuiste – aanvragen. Een voorbeeld is te vinden in een vonnis van de Rechtbank Dordrecht.6

Andere delicten zoals valsheid in geschrift De strafrechter oordeelde over een verdachte die sinds 2007 een administratiekantoor exploiteerde en circa twaalfduizend verzoeken tot voorlopige teruggaaf en aangiften inkomstenbelasting invulde, met als enige doelstelling het verkrijgen van een betaling door de fiscus. Hypotheekrenten en allerlei kostenposten werden verzonnen tot bedragen die nodig waren om de gewenste teruggaaf te bemachtigen. Rechtbank Amsterdam heeft ter zake hiervan een veroordelend vonnis uitgesproken.7 De rechtbank heeft niet overwogen welke aangiften en/ of verzoeken onjuist waren, maar heeft geoordeeld dat ‘een bijzonder aanzienlijk deel van de verzoeken en aangiften onjuist was’. Alleen al op basis daarvan werd in deze zaak een veroordeling uitgesproken voor valsheid in geschrifte. (In deze zaak werd primair ten laste gelegd het opmaken van valse geschriften (de aangiften). Subsidiair werd het delict van artikel 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) ten laste gelegd.)

Elke fiscale strafzaak kent in beginsel een fiscaal-bestuursrechtelijke pendant. Zowel de strafrechter als de belastingrechter zal dus moeten beoordelen of de oorspronkelijke aangifte juist is geweest. Moet de strafrechter wachten op het oordeel daaromtrent van zijn gekwalificeerde collega belastingrechter? Dat lijkt logisch en kostenbesparend, maar een kanttekening is op zijn plaats. Het bewijsrecht is immers verschillend, want het strafrecht kent een bewijsrecht dat afwijkt van de vrije

Fiscale fraude door zoveel mogelijk innen van toeslagen bewijsleer in het fiscale recht. Dientengevolge kan het voorkomen dat de inspecteur slaagt in het bewijs dat de aangifte onjuist was (en de (navorderings- of naheffings) aanslag stand houdt), terwijl de officier van Justitie daarin met hetzelfde bewijs niet slaagt. Het oordeel van de belastingrechter is in dat licht dan ook van betrekkelijke waarde voor de strafzaak. Om de eventuele kennisachterstand weg te werken worden in de praktijk steeds vaker belastingrechters in de strafkamer geplaatst. Dit is natuurlijk toe te juichen zolang deze ‘ingehuurde’ fiscale rechter of raadsheer de zaak maar niet behandelt als ware het slechts een belastingprocedure. De vraag van het al dan niet een pas op de plaats maken door de strafrechter kwam aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 2010 waarin beoordeeld moest worden of de verdachte bepaalde inkomsten opzettelijk niet heeft aangegeven.11 In cassatie werd erover geklaagd

Strafrechter moet zelfstandig een oordeel vormen

Andere delicten zoals witwassen Witwassen is een soort overkoepelend delict of containerdelict en wordt door het Openbaar Ministerie veelvuldig uit de kast gehaald. Een witwasdelict deed zich voor in de volgende situatie. Een verdachte was aangehouden op Schiphol met € 100.000 in kleine coupures los in zijn zakken en hij had geen overtuigend verhaal omtrent de herkomst van dat bedrag. Het hof overwoog dat de hoogte van het bedrag, de coupures en de wijze van vervoer bewijzen waren voor de criminele herkomst. Het verweer van de verdachte overtuigde niet en de Hoge Raad liet de veroordeling in stand.8 In fiscalibus wordt een witwasdelict meestal ten laste gelegd naast belastingfraude. Het reikt te ver om de toepassing en criteria van dit delict

dat het hof aangiften heeft gekwalificeerd als feitelijk onjuiste aangiften, terwijl die aangifte nog onderwerp zijn van – kort gezegd – fiscale procedures. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de strafrechter niet hoeft te wachten op de fiscale rechter. De strafrechter moet zich een zelfstandig oordeel vormen over de vraag of er sprake is van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte. Dat de verdachte bezwaar heeft gemaakt tegen de betreffende aanslag waarop nog niet is beslist doet daaraan niet af. Een stuitende situatie kan zich voordoen als de strafrechter veroordeelt wegens het doen van onjuiste aangiften terwijl nadien de belastingrechter oordeelt dat de aangif-

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

29


■ ■ ■ ■ ■

Kroniek Formeel Belastingrecht

te correct was. Dat die situaties zich kunnen voordoen is opmerkelijk nu de bewijsregels in het strafrecht strikter mogen worden verondersteld, maar gevallen als deze komen voor.

Strafrecht ontlopen? Inkeerbepalingen Eind 2009 hebben veel belastingplichtigen aan de toenemende druk gevolg gegeven en besloten hun tot dan toe fiscaal niet-verantwoorde buitenlandse vermogen alsnog op te geven aan de Belastingdienst. Het overgrote deel (zo niet nagenoeg alle) van deze inkeerzaken zal niet leiden tot een procedure. Immers, door middel van het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst worden afspraken gemaakt over de hoogte van de alsnog te betalen bedragen aan belastingen alsook van de wijze waarop dit alsnog zal worden voldaan. Er zijn echter ook andere gevallen waarop de inkeerbepaling van toepassing is. Zo oordeelde de Hoge Raad op 6 juli 201012 over een geval waarin de fiscale consequenties van optierechten opzettelijk niet in de aangifte oktober 1998 werden verwerkt, maar werden ‘meegenomen’ in de aangifte december van dat jaar. De verdediging voerde aan dat er sprake was van een vrijwillige verbetering nu de misslagen van oktober in december waren gecorrigeerd. De verwerping van dit verweer door het hof hield in dat vrijwillige verbetering ‘reeds’ niet kon, omdat de aangifte in oktober opzettelijk onjuist werd gedaan. Of een eerdere onjuiste aangifte echter opzettelijk zo werd gedaan is voor de toepassing van de vrijwillige verbetering niet van belang. In geval per ongeluk een onjuiste aangifte wordt gedaan heeft men de faciliteit van de vrijwillige verbetering niet nodig, want er kan sowieso geen boete vanwege opzet worden opgelegd. De Hoge Raad casseerde dus met de overweging dat de opzet ten aanzien van de eerdere foute aangifte niet zonder meer in de weg staat aan toepassing van de inkeerbepaling. Dat lijkt ons wel te sporen met de bedoeling van de inkeerbepaling, namelijk – zoals Corstens het omschrijft – ‘wie tijdig zijn belastingaangifte verbetert, ontspringt de dans’.13

gifte bekend waren of bekend zouden worden. In dit geval heeft het hof terecht geoordeeld dat de objectieve vrees voor ontdekking aanwezig was. Het hof ging daarbij in op de inhoud van de brief waarin stond dat de ingediende aangifte omzetbelasting niet zonder meer werd geaccepteerd en een nadere onderbouwing van de elementen van de aangiften zou worden verlangd.

Conclusies Steeds meer en meer wordt het strafrecht van belang voor de ‘gewone’ fiscale praktijk. Niet alleen door de invoering van de Vierde tranche Awb, maar ook door het simpele feit dat het Openbaar Ministerie er steeds vaker de voorkeur aan geeft belastingadviseurs als voorbeeld te stellen. In dat kader kunnen vragen rijzen als wanneer er ook alweer sprake is van medeplegen en wanneer van medeplichtigheid, welke delicten nog meer aan de orde kunnen komen naast de ‘gewone’ fiscale delicten en op welke wijze het strafrechtelijk bewijsrecht werkt. Hoewel natuurlijk iedere belastingadviseur nastreeft om nooit en te nimmer met het strafrecht te maken te krijgen, kan een fiscaal-strafrechtelijke procedure zich soms ineens aandienen. Om die reden is het van belang ook (af en toe) de fiscaal-strafrechtelijke jurisprudentie in de gaten te houden. ■

Noten 1. Kennisgeving van 11 december 2009, nr. DGB2009/6253M, Staatscourant 2009, 20351. 2. Hof ’s-Hertogenbosch, 22 juni 2010, LJN: BM9142, FutD 2010/1605.

De Hoge Raad wees op 30 maart 2010 nog een arrest over de reikwijdte van de inkeerbepaling.14 Het hof verwierp het beroep op die faciliteit, omdat de belastingplichtige weliswaar aan de fiscus had laten weten dat een eerder ingediende aangifte onjuist was maar daartoe pas overging nadat hij een brief van de Belastingdienst had ontvangen. De Strafkamer van de Hoge Raad haalt in zijn oordeel een eerder arrest van de Belastingkamer van de Hoge Raad15 aan en stelt voorop dat, gezien de formulering van artikel 69, derde lid AWR, voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op die bepaling kan worden gedaan het niet beslissend is of de belastingplichtige – subjectief gezien – ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar of hij – objectief gezien – op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aan-

30

Het Register | maart 2011 | nummer 3

3. Rechtbank Breda 4 maart 2009, 02/993014-08, LJN: BH5435. 4. HR 14 september 2010, nr. 09/00690, LJN: BM8062, NJ 2010/503. 5. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 september 2010, o.a. LJN: BN8345 en LJN: BN8331. 6. Rechtbank Dordrecht, 20 juli 2010, LJN: BN5089, Nieuwsbrief Strafrecht 2010/10, nr. 292. 7. Rechtbank Amsterdam 14 januari 2010, 13/845851-09, LJN: BK9414. 8. HR 13 juli 2010, nr. 08/03004, LJN: BM2471, NJ 2010/460. 9. HR 26 oktober 2010, nr. 09/01423, LJN: BM4440. 10. HR 23 november 2010, nr. 2710.09, LJN: BN0578. 11. HR 11 mei 2010, nr. 08/03668, LJN: BL7699. 12. HR 6 juli 2010, 07/11294, LJN: BL8996. 13. Uit de Conclusie van advocaat-generaal mr. Hofstee, nr. 07/11294; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2008, 6e druk, p. 193. 14. HR 30 maart 2010, nr. 07/12138, LJN: BK6922, NJ 2010/199. 15. HR 2 mei 2001, LJN: AB1375, BNB 2001/319.


IN

Jurisprudentie en wetgeving

■ ■ ■ ■ ■

Inkomstenbelasting ■ ■

Bijzondere kennis vereist voor heffing bij uitponden pand Overdracht kort vóór bouwvergunning was winstuitdeling

31 31

Formeel belastingrecht

Vennootschapsbelasting Herinvesteringsreserve kan restwaarde niet verminderen ■ Rente voor contante waarde renteloze schuld bekend

32 32

Loonbelasting Tijdelijk minderheidsbelang dga leidt niet tot premieplicht ■ Interim-directeur en commissaris hadden dienstbetrekking ■

Trage inspecteur kreeg dwangsom opgelegd

33

Omzetbelasting Fiscus gaat coulancerente betalen bij late teruggaaf buitenlandse btw ■ Nultarief kan gelden bij intracommunautaire afhaaltransactie ■

34 34

32

Erf- en schenkbelasting 33

Uitstel van betaling bij vererving eigen woning

34

Inkomstenbelasting

2011/12 Bijzondere kennis vereist voor heffing bij uitponden pand Wie met bijzondere kennis winst behaalt bij de verkoop

strookte de uitspraak van het hof niet met de feiten van de zaak, omdat de desbetreffende appartementen in 2002 niet waren verkocht aan de voormalige huurders maar aan derden. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraak van het hof en verwees de zaak naar een ander hof.

van onroerende zaken moet in beginsel daarover inkomstenbelasting betalen. De fiscus kan dergelijke uitponding

Hoge Raad, 24 december 2010, LJN: BM9252

niet belasten als resultaat uit overige werkzaamheden als de bijzondere kennis ontbreekt. De Hoge Raad heeft onlangs aangegeven wanneer er wel en wanneer er geen sprake is van bijzondere kennis. In deze zaak had belanghebbende begin 2002 een gebouw gekocht dat bestond uit negen afzonderlijk verhuurde woningen. Later dat jaar verkocht hij de appartementsrechten van drie van de negen woningen. De inspecteur mocht van Hof Leeuwarden het behaalde voordeel belasten als resultaat uit overige werkzaamheden. Volgens het hof wist belanghebbende al toen hij het gebouw kocht dat een deel van de huurders hun appartement zou willen kopen. Door de verkoop van losse appartementen zou hij zo winst kunnen behalen, namelijk het verschil tussen de aankoopprijs en de WOZ-waarde van de onroerende zaak. Belanghebbende ging hierop in cassatie bij de Hoge Raad.

Bijzondere kennis niet getoond De Hoge Raad stelde voorop dat het uitponden van onroerende zaken alleen is belast als hiervoor werkzaamheden worden verricht die naar hun aard en omvang duidelijk zijn gericht op het behalen van redelijkerwijs te verwachten voordelen. Bovendien moeten de voordelen hoger zijn dan bij normaal actief vermogensbeheer. Uitponding van onroerende zaken kan ook belast zijn als bijzondere kennis in belangrijke mate heeft bijdragen aan het behalen van een voordeel. Het feit dat betrokkene wist dat sommige huurders hun appartement wilden kopen en dat er een verschil bestond tussen de aankoopprijs en de WOZ-waarde van de onroerende zaak, was volgens de Hoge Raad op zichzelf geen bijzondere kennis. Bovendien

2011/13 Overdracht kort vóór bouwvergunning was winstuitdeling Als een bv een vermogensbestanddeel (zoals een pand) verkoopt aan haar dga, is het belangrijk dat de overdracht tegen een zakelijke prijs gebeurt. Een te lage prijs kan immers leiden tot de kwalificatie van verkapte winstuitdeling. Uit een recente hofuitspraak blijkt dat de bv bij de prijsbepaling soms ook rekening moet houden met in de nabije toekomst te verkrijgen vergunningen.

Een dga kocht in november 1999 een perceel bosgrond van zijn bv voor de getaxeerde waarde van € 3970. Volgens de inspecteur bedroeg de werkelijke waarde in het economisch verkeer in november 1999 € 50.000, omdat de dga kon verwachten dat hij in de nabije toekomst een bouwvergunning voor het perceel zou krijgen. Op 24 februari 2000 verkreeg de dga inderdaad een bouwvergunning voor het perceel. De fiscus stelde dat de bv een verkapte winstuitdeling had gedaan en legde de dga en zijn bv een navorderingsaanslag inkomstenbelasting respectievelijk vennootschapsbelasting inclusief 50% boete op. Hof Arnhem concludeerde in de beroepsprocedure dat op de dag van de verkoop een grote kans bestond dat de dga binnen korte tijd een bouwvergunning zou krijgen. Het bleek echter dat de dga al twintig jaar vóór deze vergunning inspanningen had verricht.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

31


■ ■ ■ ■ ■

De vergunning was in november 1999 nog niet 100%. Het hof stelde zelf de waarde vast op € 13.066. Bovendien werd de boete voor de dga verlaagd naar ongeveer 14%, omdat ook al aan de bv een boete was opgelegd.

Jurisprudentie en wetgeving

2011/15 Rente voor contante waarde renteloze schuld bekend De staatssecretaris van Financiën heeft in een geactuali-

Hof Arnhem, 18 januari 2011, LJN: BP2291

seerd besluit de percentages van de marktrente gepubliceerd die ondernemers kunnen hanteren voor het bereke-

Vennootschapsbelasting

2011/14 Herinvesteringsreserve kan restwaarde niet verminderen Stel een onderneming behaalt een boekwinst met de verkoop van een bedrijfsmiddel en brengt deze winst onder in de herinvesteringsreserve (hir). De hir wordt in beginsel afgeboekt van de aanschafwaarde van een vervangend bedrijfsmiddel. Uit een onlangs gepubliceerde zaak blijkt dat de hir alleen de aanschafwaarde kan verlagen en niet de restwaarde. Het ging hier om een bv die vastgoed exploiteerde. Bij de aanschaf van vervangende bedrijfsmiddelen – in dit geval panden – splitste de bv de aanschafwaarde in een restwaarde en een afschrijvingsdeel. Vervolgens boekte de bv de hir pro rata af van de restwaarde en van het af te schrijven deel. Als de bv bijvoorbeeld een hir had van € 900.000 en een vervangend pand kocht voor € 2 miljoen met een restwaarde van € 500.000, berekende zij de fiscale afschrijvingsbasis van het nieuwe pand als volgt. De bv verminderde de restwaarde met € 500.000/€ 2 miljoen x € 900.000 = € 225.000 aan hir. De afschrijvingsbasis bedroeg dus € 2 miljoen (aankoopprijs) -/- € 900.000 (hir) -/- € 275.000 (restwaarde) = € 825.000. Volgens de inspecteur zou de afschrijvingsbasis gelijk zijn aan € 2 miljoen (aankoopprijs) -/€ 900.000 (hir) -/- € 500.000 (restwaarde) = € 600.000. De partijen legden hun geschil voor aan Hof Amsterdam.

Eerst aftrek van hir, dan restwaarde Volgens Hof Amsterdam bepaalt de wet dat de bv eerst de hir volledig in mindering moet brengen op de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel. Pas daarna moet de bv de restwaarde van dit bedrijfsmiddel vaststellen. De hir heeft geen invloed op de vast te stellen restwaarde, aldus het hof. Het bedrag van de fiscale afschrijvingen wordt dus berekend op basis van het verschil tussen de aanschafkosten na afboeking van de hir en de restwaarde. Overigens kunnen ondernemingen gebouwen sinds 1 januari 2007 slechts afschrijven tot de bodemwaarde (voor bedrijfspanden is dit 50% van de WOZ-waarde en voor beleggingspanden 100% van de WOZwaarde) in plaats van de in beginsel lagere restwaarde. ■

nen van de contante waarde van renteloze verplichtingen. Het besluit ziet alleen op renteloze verplichtingen waarin tariefafspraken geen rol spelen, bijvoorbeeld omdat in het verleden geen koopsom of premies zijn ontvangen. Op grond van rechtspraak moeten langlopende renteloze verplichtingen worden gewaardeerd met inachtneming van de marktrente voor langlopende leningen die op de balansdatum geldt. In de praktijk gelden veel verschillende voorwaarden en looptijden voor leningen, dus bestaat ‘de’ marktrente voor (al of niet langlopende) leningen niet. De staatssecretaris keurt daarom in het besluit goed dat men de marktrente in het besluit mag hanteren voor alle situaties waarin aan het einde van een boekjaar de contante waarde van renteloze verplichtingen moet worden bepaald. De percentages van de te hanteren marktrente worden jaarlijks bekendgemaakt en zijn van toepassing voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. De laatste vastgestelde marktrente (december 2010) bedraagt 2,2%.

Pensioenverplichting Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad worden pensioen- en soortgelijke verplichtingen (zoals backservice- en vut-verplichtingen) op de balans gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen op het tijdstip waarop de verplichting wordt aangegaan. Bij een latere daling of stijging van de rentestand mag de verplichting echter hoger respectievelijk lager worden gewaardeerd, maar niet lager dan naar de rente waartegen de verplichting oorspronkelijk is gewaardeerd. Het goedkeurende besluit van de staatssecretaris mag op basis van een ander besluit in beginsel ook voor dergelijke verplichtingen worden gebruikt, maar dan alleen als daarvoor geen premies of koopsommen zijn ontvangen. Overigens moeten pensioen-bv’s zich realiseren dat zij op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 pensioen- en soortgelijke verplichtingen moeten waarderen met inachtneming van een rekenrente van ten minste 4%, nu de marktrente in het besluit lager is dan 4%. ■

Ministerie van Financiën, 14 december 2010, nr. DGB2010/7052M

Loonbelasting

2011/16 Tijdelijk minderheidsbelang dga leidt niet tot premieplicht

Hof Amsterdam, 16 september 2010, LJN: BO9627 (gepubliceerd 5 januari 2011)

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) met een minderheidsbelang heeft in beginsel te maken met een gezagsverhouding en dus met een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat dit niet zo hoeft te zijn bij een tijdelijk minderheidsbelang.

32

Het Register | maart 2011 | nummer 3


■ ■ ■ ■ ■

Een bv had twee dga’s die via hun persoonlijke holdings aandelen hadden in de bv. De ene dga bezat 55% van de aandelen en de andere dga had de overige 45%. Na een wijziging in de aandelenverhouding in mei 2007 hadden de dga’s allebei 50% van de aandelen. De inspecteur legde over april 2007 een naheffingsaanslag op voor de premie werknemersverzekeringen. Hij stelde dat er door het minderheidsbelang van 45% sprake was van een gezagsverhouding tussen de bv en de dga. In dergelijke situaties kan een dga zijn schorsing of ontslag immers niet tegenhouden. Volgens Hof Den Bosch stond echter vast dat het minderheidsbelang in deze zaak tijdelijk was. Beide dga’s hadden duidelijk de bedoeling de bv op gelijkwaardige basis te leiden. Dit bleek ook uit het feit dat zij hun aandelenverhouding kort na het desbetreffende tijdvak – en voordat de inspecteur de naheffingsaanslag oplegde – hadden gewijzigd in een 50%/50%-verdeling. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een gezagsverhouding en dus evenmin van een verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen. ■

Hof Den Bosch, 27 augustus 2010, LJN: BP0737 (gepubliceerd 13 januari 2011)

2011/17 Interim-directeur en commissaris hadden dienstbetrekking

wordt namelijk op grond van de wet als dienstbetrekking beschouwd. Het deel van de naheffingsaanslag dat betrekking had op de vergoeding voor het werk als commissaris bleef dan ook gehandhaafd. Tot slot had de Belastingdienst ook een naheffingsaanslag opgelegd over een vergoeding die – zonder inhouding van loonbelasting – was uitbetaald aan de onderneming van de echtgenote van een teamleider. De rechtbank oordeelde dat ook deze naheffing terecht was, aangezien de teamleider dezelfde werkzaamheden uitvoerde als de teammanagers die in loondienst waren. Ook was er sprake van een gezagsverhouding, aangezien het niet aannemelijk was dat de teamleider geen aanwijzingen van het werkvoorzieningschap hoefde op te volgen. ■

Rechtbank Arnhem, 28 december 2010, LJN: BO9061

Formeel belastingrecht

2011/18 Trage inspecteur kreeg dwangsom opgelegd Belanghebbenden kunnen sinds 1 oktober 2009 een dwangsom vorderen van de Belastingdienst als deze te laat of hele-

Als een werkgever over uitbetaalde vergoedingen aan

maal niet beslist op bepaalde aanvragen. Rechtbank Arnhem

opdrachtnemers geen loonheffingen inhoudt, loopt hij

heeft de fiscus onlangs een dergelijke dwangsom opgelegd.

het risico dat de fiscus stelt dat er sprake is van een dienstbetrekking. Dit kan de werkgever een naheffingsaanslag

Het betrof een werkvoorzieningschap dat naheffingsaanslagen loonbelasting had ontvangen over de vergoedingen die waren uitbetaald aan een interim-directeur, een commissaris en een teamleider. In alle gevallen had het werkvoorzieningschap hierover geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden. De rechtbank oordeelde allereerst dat dit in het geval van de interim-directeur onterecht was, omdat aan alle voorwaarden voor een dienstbetrekking was voldaan. De directeur moest zijn werkzaamheden persoonlijk verrichten, hij ontving een vergoeding (die werd uitbetaald aan zijn management-bv) én er was sprake van een gezagsrelatie. Het bestuur van het werkvoorzieningschap kon namelijk besluiten de aanstelling van de directeur wel of niet te verlengen. Ook legde de directeur verantwoording af aan het bestuur. Over de vergoeding was daarom ten onrechte geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden, zodat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

Een bv had via haar maandaangiften omzetbelasting over 2008 en de eerste helft van 2009 achttien teruggaafverzoeken ingediend. De inspecteur wilde eerst de administratie over de jaren 2007 tot en met 2009 inzien. Op 26 maart 2010 begon de Belastingdienst met een boekenonderzoek. De bv tekende beroep aan tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Rechtbank Arnhem stelde dat de fiscus in beginsel binnen acht weken een beslissing moet nemen op een verzoek tot teruggaaf van btw. In dit geval verviel de termijn voor het nemen van een beslissing op 22 september 2009. De Belastingdienst was dus voor alle teruggaafverzoeken te laat geweest met de beslissing. De inspecteur hield de bv zelf verantwoordelijk voor de vertraging,maar de rechtbank stelde dat de inspecteur zelf de beslistermijn kon verlengen door de bv te vragen haar aanvragen met extra informatie aan te vullen. De Belastingdienst had echter tot 26 maart 2010 geen actie ondernomen. Dit vond de rechtbank te lang. De rechtbank gaf de fiscus de opdracht binnen drie maanden na de uitspraak alsnog op de teruggaafverzoeken te beslissen. Daarbij kreeg de inspecteur een dwangsom opgelegd. Voor elke dag dat hij te laat was moest hij € 100 betalen tot een maximum van € 15.000 per teruggaafverzoek.

Commissaris en teamleider

loonheffingen opleveren, zoals onlangs gebeurde in een zaak voor Rechtbank Arnhem.

Rechtbank Arnhem, 16 december 2010, LJN: BO8093

De inspecteur had ook een naheffingsaanslag opgelegd over de vergoeding die was uitbetaald aan een commissaris die eerst werkzaam was als adviseur van het dagelijks bestuur. Voor zijn werkzaamheden als adviseur was er geen sprake van een dienstbetrekking, omdat de vereiste gezagsverhouding ontbrak. Over de vergoeding die de man had ontvangen voor zijn werk als commissaris had het werkvoorzieningschap echter wel loonbelasting/premie volksverzekeringen moeten inhouden. De arbeidsverhouding van een commissaris

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

33


■ ■ ■ ■ ■

Omzetbelasting

2011/19 Fiscus gaat coulancerente betalen bij late teruggaaf buitenlandse btw Door imperfecties in het nieuwe systeem voor de teruggaaf van in het buitenland betaalde btw hebben duizenden ondernemers de buitenlandse omzetbelasting die zij in 2009 hebben betaald, heel laat of zelfs nog helemaal niet teruggekregen. De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat de Belastingdienst onder voorwaarden coulancerente zal uitbetalen.

Een ondernemer moet sinds 1 januari 2010 een verzoek om teruggaaf van buitenlandse btw indienen bij de Belastingdienst in zijn eigen lidstaat. Deze stuurt dit verzoek dan door naar de fiscus in het land waar de omzetbelasting is betaald. Vanwege technische problemen en door communicatieproblemen tussen de systemen in de verschillende landen is de afhandeling van een groot aantal verzoeken ernstig vertraagd. De staatssecretaris van Financiën heeft in antwoord op Kamervragen laten weten dat de Belastingdienst coulancerente gaat uitbetalen aan ondernemers die lang op de teruggaaf van de buitenlandse btw hebben moeten wachten. Hoeveel ondernemers de coulancerente gaan krijgen is afhankelijk van de termijn waarover de rente wordt uitbetaald. Deze termijn is nog niet bekend. De hoogte van de rente is evenmin bekend.

Jurisprudentie en wetgeving

Uitkomst afhankelijk van omstandigheden De vraag belandde voor het Europese Hof van Justitie. Het Hof van Justitie stelde voorop dat het nultarief voor intracommunautaire leveringen alleen van toepassing is als de macht om als eigenaar over een goed te beschikken is overgedragen aan de afnemer, de leverancier kan aantonen dat het goed is verzonden of vervoerd naar een andere EU-lidstaat en het goed het grondgebied van de lidstaat van levering hierna fysiek heeft verlaten. In deze zaak verkregen de Belgische vennootschappen de macht over de goederen op het moment dat zij deze afhaalden in het magazijn van de bv. Daarmee was echter niet automatisch sprake van een intracommunautaire levering. De Belgische vennootschappen konden de macht immers al op het grondgebied van de lidstaat van de bv (in dit geval Nederland) overdragen aan de andere Belgische onderneming. In dat geval zou er geen sprake zijn van een intracommunautaire levering door de bv, omdat alle leveringen dan zouden hebben plaatsgevonden in Nederland. Het Hof van Justitie gaf de Nederlandse rechter de opdracht dit te gaan beoordelen. De rechter moet diverse omstandigheden onderzoeken, zoals de waarde van de afhaalverklaringen. ■

Hof van Justitie EU, 16 december 2010, C-430/09

Schenk- en erfbelasting

2011/21 Uitstel van betaling bij vererving eigen woning Als erfgenamen de blote eigendom van een woning verkrij-

Ministerie van Financiën, 10 januari 2011, nr. DGB2011/105 U

gen, moeten zij in beginsel erfbelasting betalen. Vanaf 1 januari 2011 kunnen zij onder voorwaarden uitstel van betaling krijgen. De belangrijkste voorwaarde is dat de woning

2011/20 Nultarief kan gelden bij intracommunautaire afhaaltransactie Soms levert een ondernemer goederen aan een ondernemer in een andere EU-lidstaat die deze goederen al doorverkoopt aan een derde ondernemer voordat hij de goederen heeft afgehaald. Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie geoordeeld dat in dergelijke situaties onder de juiste omstandigheden de leverancier in de eerste transactie het btw-nultarief mag toepassen. In deze zaak had een Nederlandse bv autobanden verkocht aan twee Belgische vennootschappen. Deze vennootschappen haalden de banden op in het magazijn van de bv. Daarbij verstrekten de afnemers ondertekende afhaalverklaringen aan de bv. Voordat zij de goederen kwamen ophalen hadden zij deze echter al doorverkocht aan een andere Belgische onderneming. De Belgische vennootschappen transporteerden daarom de autobanden na het afhalen direct naar de Belgische ondernemer. De Nederlandse bv was op de hoogte hiervan en factureerde de autobanden met 0% Nederlandse btw. De vraag was of dit terecht was.

34

Het Register | maart 2011 | nummer 3

voor de vruchtgebruiker een eigen woning is. Als van een echtpaar met kinderen een van de partners overlijdt, gebeurt het vaak dat de kinderen de blote eigendom van de woning erven terwijl de overblijvende partner het vruchtgebruik verkrijgt. De kinderen zijn dan erfbelasting verschuldigd over de waarde van de blote eigendom van de woning. Erfgenamen kunnen hiervoor sinds 1 januari 2011 onder voorwaarden uitstel van betaling van erfbelasting krijgen. Deze regeling geldt ook voor onderbedelingsvorderingen, bijvoorbeeld van kinderen op hun overgebleven ouder. De eerste voorwaarde is dat de woning voor de vruchtgebruiker kwalificeert als een eigen woning. Daarnaast moet de erfgenaam over onvoldoende middelen beschikken om de erfbelasting over de blote eigendom van de woning te kunnen betalen. De Belastingdienst bestempelt de waarde van de blote eigendom als een te conserveren waarde, voor zover het bedrag van de verschuldigde erfbelasting hoger is dan de rest van de erfenis. Het uitstel eindigt als de woning voor de vruchtgebruiker geen eigen woning meer is, de erfgenaam failliet gaat of onder een schuldsaneringsregeling komt te vallen, de erfgenaam het blote eigendomsrecht verkoopt of als de langstlevende partner de overbedelingsschuld aflost.


■ ■ ■ ■ ■

verschuldigd wordt zoveel mogelijk het lage tarief toegepast. Stel dat iemand erft € 100.000 niet-vrijgesteld ondernemingsvermogen, de blote eigendom van een eigen woning ter waarde van € 100.000 en € 20.000 aan overig vermogen. De totale erfbelasting bedraagt dan (€ 118.708 x 10%) + [(€ 220.000 -/- € 118.708) x 20%] = € 32.128. Van deze belasting wordt € 20.000 x 10% = € 2000 toebedeeld aan het overige vermogen waarvoor de erfgenaam geen uitstel krijgt. De erfbelasting over de blote eigendom van de eigen woning bedraagt (€ 98.708 x 10%) + (€ 1292 x 20%) = € 10.128; hiervoor krijgt de erfgenaam uitstel van betaling. De erfbelasting over het niet vrijgestelde ondernemingsvermogen bedraagt € 100.000 x 20% = € 20.000; hiervoor geldt het uitstel op grond van de bof.

■ Staatsblad EK

■ Aangenomen EK

■ Eindverslag EK

■ Memorie van Antwoord EK

Ministerie van Financiën, 23 december 2010, nr. DB2010/281M

■ Voorlopig verslag EK

■ Aangenomen TK

■ Eindverslag TK

■ Nota n.a.v. verslag TK

■ Verslag TK

■ Wetsvoorstel +MvT TK

De stand van zaken

Wetgeving

Soms valt de vererving van de blote eigendom van een eigen woning samen met de vererving van een onderneming. In dat geval zullen de voortzetters van de onderneming vaak de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (bof) toepassen, zodat een groot deel van het ondernemingsvermogen is vrijgesteld van erfbelasting. Het niet vrijgestelde ondernemingsvermogen gaat in beginsel tot de te conserveren waarde behoren. De uitstelregeling van de bof heeft andere voorwaarden dan de uitstelregeling voor de eigen woning, dus moet een erfgenaam die beide vormen van uitstel geniet bijhouden welk deel van de erfbelasting ziet op niet-vrijgesteld ondernemingsvermogen en welk deel op de woning. Bij de toedeling van de erfbelasting over de woning wordt de waarde van het ondernemingsvermogen zoveel mogelijk belast tegen het hoge tarief. Voor het deel van de erfenis waarvan de erfbelasting direct is

■ Wetsvoorstel EK

Vererving blote eigendom en bedrijfsopvolging

Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (32 426) Wet uniformering loonbegrip (32 131) Btw-tarief levende dieren (30 922) Wijziging AOW, IB en LB i.v.m. de verhoging van de AOW-leeftijd (32 247) Wijziging AOW i.v.m. mogelijkheid om ouderdomspensioen op een later tijdstip te laten ingaan (31 774) Wijziging van de Wet OB i.v.m. aanpak constructies met (on)roerende zaken (30 061) Wet op milieugrondslag i.v.m. het beperken van de emissies kolencentrales (31362) Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (31 058) Invoeringswet titel 7.13 BW (31 065) Rechtsbescherming bij controlehandelingen (30 645)

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

35


■ ■ ■

Knelpunten bij toepassing innovatiebox in het mkb De innovatiebox is een fiscale stimulans voor innovatieve ondernemers maar kent stringente voorwaarden. Het gebruik ervan door het mkb blijft achter bij de verwachtingen van het ministerie van Financiën ondanks de maatregelen die 1 januari 2010 zijn genomen. De staatssecretaris ziet geen redenen de regels aan te passen, maar er zijn in de praktijk voor kleine ondernemers belangrijke knelpunten. Moeten de voorwaarden niet toch worden versoepeld?

V

anuit het midden- en kleinbedrijf (hierna: mkb) bestaat er grote belangstelling voor de innovatiebox. De staatssecretaris van Financiën heeft per brief op 12 januari 2011 de Tweede Kamer daarom laten weten geen aanleiding te zien de regeldruk bij de innovatiebox te verlagen. Elk regiokantoor van de Belastingdienst heeft sinds 1 januari 2010 een aanspreekpunt voor de innovatiebox. Het overleg tussen Belastingdienst, adviseur en mkb-ondernemer gaat daardoor sneller en beter.

Knelpunten bij afdrachtvermindering loonheffing

De innovatiebox in het kort

De S&O-verklaring geldt in beginsel niet als personeel wordt uitgeleend aan een derde. Een uitzondering hierop is van toepassing als: ■ het personeel zelf de S&O-werkzaamheden organiseert binnen de onderneming van de derde; of ■ het uitlenen van het personeel binnen de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting plaatsvindt.

De innovatiebox is 1 januari 2007 ingevoerd, destijds nog onder de naam octrooibox. Het doel hiervan was innovatieve ontwikkelingen in Nederland te stimuleren. Aanvankelijk gold deze regeling alleen voor octrooien. Per 1 januari 2008 zijn daar speur- en ontwikkelingsactiviteiten (hierna: S&O-activiteiten) aan toegevoegd. Deze wijziging was vooral voor het mkb van belang. Daarna is gebleken dat het budgettaire beslag van de innovatiebox op de overheidsfinanciën duidelijk is achtergebleven bij de verwachtingen. Er is daarom een aantal wetsaanpassingen ingevoerd. ■ Per 1 januari 2010 is de innovatiebox toegankelijker gemaakt door het afschaffen van de maximale boxruimte. Daarnaast is het effectieve vennootschapsbelastingtarief verlaagd van 10% naar 5%. ■ Per 1 januari 2011 is de innovatiebox verder verruimd voor octrooien. De voordelen uit octrooien vallen voortaan ook onder de box als het octrooi nog niet is verleend, maar wel is aangevraagd.

Voor de loonheffing kan de faciliteit van de afdrachtvermindering worden verkregen. Daartoe is een zogenoemde S&O-verklaring vereist. Deze kan er toe bijdragen dat de werkgever met betrekking tot S&O-werkzaamheden een forse vermindering mag toepassen op de afdracht van loonheffing. Daartegenover staan echter ook verplichtingen, waaronder het bijhouden van een nauwkeurige S&O-administratie.

De voorwaarden bij uitlenen van personeel voor S&Owerkzaamheden zijn ons inziens onnodig streng. Het innovatieve karakter van de werkzaamheden wordt al door Agentschap NL (vooraf) uitgebreid beoordeeld en vastgelegd in een S&O-verklaring. Het zou dan niet mogen uitmaken voor rekening van welke (Nederlandse) opdrachtgever de S&O-werkzaamheden worden uitgevoerd. Het stellen van aanvullende voorwaarden is hierbij wellicht wel op zijn plaats. Dat kan door bijvoorbeeld de opdrachtgever medeverantwoordelijk te stellen voor de S&O-administratie.

Henriëtte Ancuta Mr. H.A. AncutaKoning FB is werkzaam bij Holland Tax Consult in Amsterdam.

Michiel Opgenoort Mr. drs. M.E.H. Opgenoort FB is werkzaam bij Holland Tax Consult in Leiden.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

37


■ ■ ■

Innovatiebox

Deze versoepeling zou het gebruik van S&O-afdrachtvermindering en daarmee de innovatieve ontwikkeling binnen Nederland beter stimuleren. Dit geldt vooral voor kleine innovatieve en creatieve ondernemers die binnen een eigen concernstructuur opereren. Zij zullen meestal buiten concernverband moeten samenwerken om een S&O-project van de grond te krijgen. Binnen die samenwerking zouden deze ondernemers afspraken moeten kunnen maken over de vraag welke vennootschap een

Opdrachtgever medeverantwoordelijk stellen voor S&O-administratie bepaalde werknemer in dienst neemt en aan welke vennootschap de werknemer (deels) wordt uitgeleend. Belangrijk is dan dat de S&O-verklaring volledig geldig is en blijft voor al het personeel dat S&O-werk verricht. De huidige regeling beperkt de geldigheid van de S&O-verklaring en daarmee tevens de toegankelijkheid van de innovatiebox voor de op deze wijze opererende ondernemers.

Knelpunt bij toepassing innovatiebox netwerkondernemers Een belangrijke voorwaarde om de innovatiebox te kunnen toepassen is dat de belastingplichtige zelf een immaterieel activum voortbrengt. Aan dit immateriële activum moet dus een octrooi(aanvraag) of een S&O-verklaring op naam van dezelfde belastingplichtige ten grondslag liggen. Alleen dan kan het 5%-tarief worden toegepast. Dit is in de praktijk het grootste knelpunt voor netwerkondernemers. Zij kunnen heel vaak niet voldoen aan de wettelijke eis dat de belastingplichtige ook zelf het immaterieel activum moet hebben voortgebracht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor octrooien een versoepeling geldt als de uitbesteding van de werkzaamheden plaatsvindt met behulp van een ‘con-

Belgische octrooiregeling wellicht interessant voor Nederland tract research’. Het octrooi kan dan toch kwalificeren voor de innovatiebox als de opdrachtgever ook eigenaar van het octrooi wordt. Het is onbegrijpelijk waarom hetzelfde niet geldt voor S&O-activa. Hiervoor is een aparte versoepeling bedacht die helaas minder ver gaat. Bij S&O-activa moeten namelijk meer dan 50% van de werkzaamheden door eigen werknemers worden verricht. Later heeft de staatssecretaris van Financiën in het wetsoverleg bevestigd dat ook

38

Het Register | maart 2011 | nummer 3

meer dan 50% van het werk mag worden uitbesteed, mits de S&O-werkzaamheden van het eigen S&O-personeel coördinerende en regisserende elementen in zich draagt. De toegankelijkheid van de innovatiebox is dus een probleem als het eigendomsrecht van het immaterieel activum bij een ander komt te liggen dan degene die het heeft ontwikkeld. Voor de S&O-activiteiten is het daarbij ook van groot belang bij wie het S&O-personeel op de loonlijst staat en onder welke voorwaarden deze werknemers aan de andere partij wordt uitgeleend. De hiervóór genoemde versoepeling vergroot aan de ene kant de toegankelijkheid van de innovatiebox wat is toe te juichen. Aan de andere kant is de praktijk vaak weer net even anders waardoor niet direct duidelijk is of er recht bestaat op een S&O-verklaring. Deze regels beperken met name netwerkondernemers om met behoud van de innovatiebox samen te werken met andere partijen.

Voorstel tot wijziging innovatiebox Hiervóór is al voorgesteld de voorwaarden ten aanzien van het verstrekken van een S&O-verklaring en daarmee een S&O-afdrachtvermindering loonheffing te versoepelen. Die zou ons inziens ook moeten worden verstrekt als de betreffende werknemer wordt uitgeleend aan een (Nederlandse) opdrachtgever door wie S&O-werkzaamheden worden verricht. Daarmee worden de innovatieve ontwikkelingen binnen Nederland breed gesteund en wordt de regeling een stuk eenvoudiger. Tegelijkertijd zou de staatssecretaris de innovatiebox een stuk toegankelijker kunnen maken. Een belangrijk knelpunt voor netwerkondernemers is de eis dat de belastingplichtige het immaterieel activum zelf moet hebben voortgebracht. Netwerk ondernemers werken samen via contracten. Zij hebben een los vaste flexible manier van samenwerken die contractueel geregeld wordt. Daarmee miskent de regeling de realiteit dat kleine innovatieve en creatieve ondernemers tegenwoordig vaak in netwerkstructuren werken. Nu kunnen netwerkondernemers de regeling uitsluitend toepassen door ingewikkelde fiscale constructies op te zetten die geen recht doen aan de economische werkelijkheid. Dit kan worden opgelost door de eis dat de belastingplichtige het immaterieel activum zelf moet hebben voortgebracht te laten vervallen. Hierdoor zouden ook immateriële activa onder de innovatiebox komen te vallen die van derden zijn aangekocht. Misbruik van de innovatiebox moet dan wel worden voorkomen. Daarbij moet met name worden gedacht aan situaties waarbij immateriële activa vanuit het buitenland naar Nederland worden toegehaald, puur om van de innovatiebox gebruik te kunnen maken. Voor S&O-activa kan dit risico gemakkelijk worden ondervangen door toepassing van de innovatiebox afhankelijk te ma-


■ ■ ■

ken van de vraag of in het verleden voor de betreffende S&O-werkzaamheden afdrachtvermindering loonheffing is toegepast. Alleen dan zou het geen verschil mogen maken welke belastingplichtige die afdrachtvermindering heeft toegepast. Deze eis werkt niet discriminerend ten opzichte van buitenlandse ondernemers, want ook zij kunnen bijvoorbeeld met behulp van een vaste inrichting S&O-werkzaamheden in Nederland verrichten op grond waarvan zij recht krijgen op die afdrachtvermindering. Bij octrooien ligt dat anders. Voor toepassing van de innovatiebox is het immers niet vereist dat daar S&Owerkzaamheden aan ten grondslag liggen. Toch moet het dan ook mogelijk zijn om enerzijds aankoop van octrooien voor de innovatiebox te faciliëren en anderzijds misbruik daarvan te voorkomen. Ter vergelijking kan worden gewezen op een soortgelijke regeling in België. Sinds 2008 hebben ze daar een bijzondere bepaling in de vennootschapsbelasting die in hoofdlijnen lijkt op de innovatiebox in Nederland. In plaats van een bijzonder tarief van 5% is er een aftrekmogelijkheid voor inkomsten uit octrooien van 80%, waardoor een effectief belastingtarief ontstaat van 6% à 7%. Aangekochte octrooien komen daarvoor ook in aanmerking. Wel zijn daarbij aanvullende voorwaarden gesteld. ■ Zo moet de vennootschap zelf wel een verbetering aanbrengen die tot uitdrukking komt in een toename van de waarde van het octrooi. Er hoeft echter geen nieuw octrooi te ontstaan. ■ De werkzaamheden moeten in een Belgisch research & developmentcentrum plaatsvinden. Een dergelijke regeling zou ook voor Nederland een oplossing voor de geschetste problematieek kunnen bieden. De vraag is wel in hoeverre de Belgische regeling misbruikgevoelig is en ook niet op gespannen voet staat met Europese regelgeving. Het lijkt ons wenselijk dat het ministerie van Financiën nagaat of de Belgische regeling niet als voorbeeld kan dienen voor een aanpassing van de Nederlandse belastingwetgeving.

Conclusie In de praktijk is de innovatiebox voor netwerkondernemers niet goed toegankelijk. Vooral de voorwaarde dat het immaterieel activum zelf moet zijn voortgebracht werkt voor netwerkondernemers niet goed. Dit is op te lossen door toe te staan dat het activum niet zelf hoeft te zijn ontwikkeld. Misbruik ten aanzien van S&O-werkzaamheden is te voorkomen door aan te sluiten bij de afdrachtvermindering loonbelasting. Ten aanzien van octrooien is het aan te bevelen te bezien in hoeverre de Belgische regeling niet kan worden overgenomen. In België kunnen namelijk aangekochte octrooien onder bepaalde voorwaarden wel kwalificeren voor een bijzondere fiscale regeling die lijkt op de innovatiebox in Nederland. ■

Netwerkondernemers in de praktijk: een voorbeeld Ondernemer A drijft een succesvolle onderneming in bv-vorm. Hij heeft een innovatief idee om technisch nieuwe programmatuur te ontwikkelen ten behoeve van de opzet van een social-mediaplatvorm op het internet, de concurrent van facebook zeg maar. Voor de werkzaamheden heeft hij bij Agentschap NL een WBSO-aanvraag ingediend en op basis daarvan is een S&O-verklaring afgegeven. Samen met zijn personeel gaat hij met het idee aan de slag, doch al snel blijkt dat de ontwikkeling niet zo verloopt als in eerste instantie werd verwacht. Binnen zijn ondernemersnetwerk komt hij vervolgens in contact met creatieve ondernemer B, die zijn onderneming drijft in de vorm van een eenmanszaak en wiens ideeën briljant zijn. Zij besluiten samen te werken om zo wat vaart te zetten achter de ontwikkeling, opdat op korte termijn het social-mediaplatvorm in de markt kan worden gelanceerd. Afgesproken wordt dat bij een geslaagde ontwikkeling ondernemer A voor 70% eigenaar wordt van de programmatuur en ondernemer B voor 30%. Verder worden ook afspraken gemaakt ten aanzien van de verdeling van de omzet, kosten en ieders arbeidsinbreng. Voor ondernemer A hoeft de samenwerking met ondernemer B geen gevolgen te hebben voor de afgegeven S&O-verklaring. De S&O-werkzaamheden worden namelijk door ondernemer A voor meer dan 50% zelf verricht. De latere toegang tot de innovatiebox is dan ook geen probleem, maar alleen voor zover ondernemer A dan ook eigenaar wordt van de ontwikkelde programmatuur, in casu dus voor 70%. Anders ligt het voor ondernemer B. Hij verricht de werkzaamheden grotendeels voor een ander, zijnde voor ondernemer A. De vraag is of kan worden gezegd dat hij zelf de S&O-werkzaamheden binnen de onderneming van A organiseert. Veelal is dat feitelijk niet het geval, waardoor geen recht bestaat op een S&O-verklaring. Dan ontstaat ons inziens dus geen toegang tot de innovatiebox, indien de onderneming van B geruisloos in een bv zou worden gebracht. Dit is een belangrijk knelpunt. In de praktijk wordt een volledige toegang tot de innovatiebox meestal gewaarborgd doordat ondernemer B van aanvang af een aandelenparticipatie (van 30%) verkrijgt in een gezamenlijk met ondernemer A opgerichte bv waarin vervolgens de S&O-werkzaamheden worden ondergebracht. Helaas komt ondernemer B dan als werknemer/minderheidsaandeelhouder vaak in een minder gewenste rechtsvorm terecht. De ondernemersfaciliteiten voor de inkomstenbelasting zijn voor hem ook niet langer van toepassing, terwijl het nog maar zeer de vraag is of de geplande programmatuurontwikkeling een succes wordt. De oplossing ligt hier ons inziens in het laten vervallen van de eis dat de belastingplichtige – in casu ondernemer B – zelf het immaterieel activum – zijnde de nieuwe programmatuur –moet hebben ontwikkeld. Misbruik kan worden voorkomen door de toepassing van de innovatiebox wel afhankelijk te maken van de vraag of voor de betreffende werkzaamheden in het verleden door een belastingplichtige afdrachtvermindering loonheffing (dan wel S&O-aftrek in de inkomstenbelasting) is toegepast.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

39


HET

Verenigingsnieuws Bestuur

Het RB-bestuur 2011

Van links naar rechts: Wil Vennix, Annique van der Ha, Bernold Sterenborg, Jelte Zwerver, Sylvester Schenk, Ron van Brugge, Gerdien Vlot en Eli Hendriks. In de vorige uitgave van Het Register gaven wij aan dat het bestuur van het Register Belastingadviseurs vanaf 1 januari 2011 uit acht personen bestaat. Voor nieuwe leden en op verzoek van een aantal leden stellen de bestuursleden zich aan u voor.

deze doelgroep dat ik een belangrijke rol zie weggelegd voor onze nieuwe vereniging. Het is mijn ambitie om van het Register Belastingadviseurs de toonaangevende organisatie te maken voor het mkb, de agrosector en de (vermogende) particulier.

R.A.J. van Brugge AA CB (1956), vicevoorzitter Mr. S.F.J.J. Schenk FB (1962), voorzitter Mijn naam is Sylvester Schenk en ik ben woonachtig in Nijmegen. Ik ben gehuwd en heb twee kinderen. Ik studeerde Nederlands recht in Nijmegen en fiscaal recht in Tilburg. Ik begon mijn werkzaamheden als belastingadviseur – bij één van de rechtsvoorgangers van het huidige Ernst & Young – in Groningen. Daarna was ik verbonden aan het vaktechnisch bureau van deze organisatie in Rotterdam, in combinatie met een docentschap aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Na wat omzwervingen ben ik sinds 1999 als directeur Juridische en fiscale zaken verbonden aan de GIBO Groep in Arnhem. In het belastingrecht interesseert mij vooral de positie van de ondernemer in het midden- en kleinbedrijf (mkb). Het is juist voor

Mijn naam is Ron van Brugge. Na mijn studie Bedrijfseconomie aan de heao te Amsterdam, ben ik gaan studeren bij de NOvAA waar ik als gecertificeerd AA de studie heb afgerond. Nadat ik bij een register accountantskantoor heb gewerkt, besloot ik bij ons familiebedrijf aan de slag te gaan. Hier leerde ik alle facetten van het accountantsen belastingadviesvak kennen. De keuze voor een eigen AAkantoor was daarom niet zo moeilijk. Inmiddels ben ik als eigenaar verantwoordelijk voor een drietal kantoren in de Randstad met vijftien medewerkers, waaronder twee accountants en een belastingconsulent. Mijn functies als secretaris, penningmeester en later voorzitter van het CB en vicevoorzitter van het RB komen voort uit mijn betrokkenheid als bestuurslid van het Nederlands Genootschap van Belastingadviseurs (NGB). Het NGB is in 2001 opgegaan in het CB.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

41


HET

Verenigingsnieuws Bestuur B.J. Sterenborg FB (1970), eerste penningmeester Ik ben Bernold Sterenborg, sinds 1998 ben ik lid van de NFB. Mijn motto is altijd: als je lid bent van een vereniging dan doe je daar ook iets voor. Zo kwam het dat ik van 1999 tot en met 2004 voorzitter ben geweest van de FB Noordelijke Studiekring. Hiervoor organiseerde ik acht studieavonden per jaar voor de drie noordelijke provincies. In 2005 richtte ik me met mijn zus (ook FB) volledig op het eigen ondernemerschap in de vorm van belastingadvieskantoor Looden Sterenborg in Stadskanaal. Toen ik in februari 2006 vernam dat er bestuursleden werden gezocht voor een nieuw te vormen hoofdbestuur heb ik mij kandidaat gesteld. Tegenwoordig vervul ik niet alleen de rol van penningmeester van het RB, maar houd ik mij ook bezig met diverse andere zaken binnen de vereniging. Door de ontwikkelingen in de afgelopen periode worden deze werkzaamheden steeds uitdagender en naar mijn mening leuker.

Mr. E.E.J.C. Hendriks CB (1955), tweede penningmeester Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om mij voor te stellen. Mijn naam is Eli Hendriks. Ik ben getrouwd, heb een zoon en een dochter en woon in Lunteren. In het dagelijks leven ben ik werkzaam als fiscaal jurist en partner bij ATD Accountants en Belastingadviseurs N.V. te Breda en Bennekom. Vanaf mei 2003 ben ik bestuurslid van het CB. Daarnaast ben ik ook werkzaam als docent voor de opleiding CB-belastingconsulent. Als bestuurslid voor het RB hoop ik een goede bijdrage te kunnen leveren aan de belangenbehartiging van de RB-leden.

Mr. W.J.M. Vennix FB (1966) Ik ben Wil Vennix en woon in Diessen. Ik heb Fiscaal Recht gestudeerd aan de Universiteit van Tilburg en ben mijn

42

Het Register | maart 2011 | nummer 3

werkcarrière gestart als fiscaal journalistiek medewerker op het bureau van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB). Vanaf 1999 ben ik werkzaam bij De Beer Accountants en Belastingadviseurs in Tilburg waar ik sinds 2001 vennoot ben. Behalve bestuurslid (sinds maart 2006) ben ik binnen het RB actief als lid van de redactie van Het Register en als voorzitter van de Studiekring Eindhoven. Daarnaast ben ik redactielid van het Weekblad Fiscaal Recht en fiscaal columnist van de Wegenerdagbladen. Mijn vrije tijd besteed ik met name aan het lidmaatschap van de gemeenteraad van Hilvarenbeek en enkele bestuursfuncties. Het RB zie ik als de toonaangevende beroepsorganisatie van belastingadviseurs werkzaam in het mkb. Enerzijds moet het RB de leden direct voordeel en nut opleveren en anderzijds willen we de gezaghebbende spreekbuis zijn tegenover de politiek, Belastingdienst en andere partijen.

A.J.A.M. van der Ha AA CB (1965) Graag stel ik mij even voor, mijn naam is Annique van der Ha. Op de ALV van 31 mei 2006 ben ik gekozen tot bestuurslid van het CB. Na het behalen van mijn diploma heao Bedrijfseconomie en enkele jaren praktijkervaring besloot ik AA-Accountant te worden. Omdat ik altijd al erg geïnteresseerd was in fiscale zaken, ben ik een aantal jaar geleden de opleiding AA-Belastingaccountant gaan volgen en ben ik daaropvolgend geslaagd voor de opleiding AA CB-Belastingadviseur. Hierdoor ben ik in contact gekomen met het CB als beroepsvereniging. In september 2008 ben ik gestart met het schakeljaar voor de opleiding Master Fiscaal Recht in Groningen. Vele jaren ben ik werkzaam geweest bij regionale accountantsen belastingadviesbureaus en heb daardoor veel praktijkervaring en affiniteit met het mkb. In 2005 heb ik de stap naar een eigen zaak gezet, Haverbeek accountants- en belastingadviesbureau, gevestigd in Prinsenbeek. Ook ben ik actief binnen de NOvAA op diverse gebieden. Tijdens mijn bestuursperiode is de Permanente Educatie een bijzonder aandachtspunt.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Belangenbehartiging Mr. G.W. Vlot FB AA (1971) Mijn naam is Gerdien Vlot. Na mijn accountantsstudie ben ik de opleiding tot Federatie Belastingadviseur gaan volgen. Vervolgens heb ik door middel van de kopopleiding ook de meesterstitel behaald. Ik ben ruim negentien jaar werkzaam in de accountants- en belastingadvieswereld en heb na twaalf jaar een eigen kantoor te hebben gehad, vervolgens een periode van vier jaar gewerkt bij een landelijk accountants-advieskantoor; met ingang van 2011 ben ik wederom een eigen kantoor gestart. Sinds januari 2007 ben ik bestuurslid bij de NFB geweest, waar ik de portefeuille belangenbehartiging mede onder mijn hoede had. Als RB-bestuurslid neem ik onder meer deel aan het Beconoverleg en zit ik de Commissie Wetsvoorstellen voor. In deze commissie wordt een reactie gegeven op onder meer wetsvoorstellen of (concept)beleidsbesluiten, hierbij staat de praktische uitvoerbaarheid centraal, evenals bij het Beconoverleg. Het feit dat ik graag iets wil betekenen voor het RB en de leden vormt voor mij de uitdaging van het bestuurslid zijn; meedenken of bijsturen met betrekking tot de praktische gang van zaken in de uitvoering van fiscale wetgeving heeft daarbij mijn prioriteit.

J.L.H. Zwerver CB (1950) Mijn naam is Jelte Zwerver en ik ben woonachtig in Grootegast (Groningen). Ik ben getrouwd en wij hebben twee kinderen. Ik ben ruim veertig jaar werkzaam in het accountantsvak waarvan 27 jaar als eigenaar en vennoot van een middelgroot accountantskantoor. Vanaf 1 januari 2007 ben ik nog aan datzelfde kantoor verbonden als adviseur mkb/agrarisch. Verder ben ik estateplanner en bedrijfsadviseur. Als RB-lid ben ik natuurlijk veel bezig met fiscale adviezen en heb ik veel advieservaring en affiniteit met het mkb en agro. Ook ben ik Wwft-auditor. In mijn vrije tijd bekleed ik diverse maatschappelijke functies. Sinds juni 2007 ben ik lid van het bestuur van het CB.

BAPI voorlopig nog het aangiftekanaal De overheid werkt aan een nieuw communicatiesysteem, waarmee burgers en bedrijven met diverse overheidsinstanties digitaal kunnen communiceren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanvragen van vergunningen, het doen van fiscale aangiften en het opvragen van informatie. Ook kunnen burgers en bedrijven anderen machtigen om namens hen te communiceren. Burgers gebruiken daarvoor DigiD, bedrijven e-Herkenning. Op termijn vervangt dit systeem de huidige communicatie via het BAPI-kanaal met digitale certificaten. De naam van dit project is Gemeenschappelijk Ontwerp Authenticatie en Autorisatie (GOA). De ontwikkeling vindt plaats onder toezicht van de ministeries van Financiën, Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Binnenlandse Zaken.

Voorlopig geen vooringevulde aangiften en toeslagen in de professionele software Binnen de werkgroep Digitale Communicatie (onderdeel van het Beconoverleg) vormt dit project een vast agendapunt. Naar verwachting wordt vanaf medio 2011 een aantal testprojecten opgestart. Op z’n vroegst in 2013 treedt het nieuwe systeem in werking. Tot dat moment behoudt het huidige systeem via het BAPI-kanaal in elk geval zijn functionaliteit. Op z’n vroegst in 2013 kunnen fiscale dienstverleners digitaal gegevens van hun klanten uit de vooringevulde aangifte en voor toeslagen ontvangen.

Uitgangspunten nieuw systeem De Belastingdienst en de beconorganisaties onderkennen het belang van een goed werkend en betaalbaar systeem voor de fiscale aangiftepraktijk. Daarom hebben ze gezamenlijk de volgende uitgangspunten opgesteld voor de invoering van het nieuwe systeem: ■ het nieuwe systeem leidt niet tot kosten voor burgers; ■ het nieuwe systeem voorziet in een beperking van de administratieve lasten voor bedrijven (waaronder ook de fiscale dienstverlener); ■ eenvoudige wijze van authenticatie en autorisatie; ■ meerdere mogelijkheden tot authenticatie, te denken valt aan DigiD, e-Herkenning en bankpassen; ■ eenvoudige wijze van machtigen van fiscale dienstverleners en eenvoudig wijzigen van de machtiging; ■ de huidige machtigingen (bijvoorbeeld voor ontvangst van EKA’s) worden optimaal ingezet ter beperking van administratieve lasten bij invoering; ■ het nieuwe systeem kan overheidsbreed worden ingevoerd; ■ het systeem kan ook gebruikt worden tussen bedrijven onderling (bijvoorbeeld ten behoeve van kredietrapportages); ■ de privacy van belanghebbenden is voldoende gegarandeerd.

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

43


HET

Verenigingsnieuws Belangenbehartiging en vakinformatie

Ervaring met de innovatiebox? Dan zoeken wij u Drs. René Scharroo FB zoekt RB-leden om kennis en ervaring met de innovatiebox te delen. In de praktijk blijkt dat het bedrijfsleven de innovatiebox heeft ontdekt. Hierdoor moeten steeds meer belastingadviseurs zich een oordeel vormen over de toepassingsmogelijkheden. Hoewel elke Belastingdienstregio een vaste contactpersoon heeft voor vragen over de toepassing van de innovatiebox, komt de

Praktijkregiobijeenkomsten voorjaar 2011: zzp’ers en ondernemers Dit voorjaar staan de praktijkregiobijeenkomsten in het teken van de zzp’er en ondernemer en de ‘horizontalisering van de relatie tussen de Belastingdienst en fiscale dienstverleners’. Marco Moling gaat voor de pauze in op actualiteiten voor de zzp’er en de ondernemer. Na de pauze gaan de fiscalisten van Bureau Vaktechniek in op ontwikkelingen zoals accountteams voor fiscale dienstverleners, horizontaal toezicht en verenigings- en beconactualiteiten. Er zijn ongeveer 1,3 miljoen mkb-ondernemers bekend bij de Belastingdienst. Daarvan zijn er ongeveer 650.000 zzp’er. Tijdens de intermediairdagen van 2010 heeft de Belastingdienst de uitgangspunten van zijn ‘klantbehandeling van zzp’ers’ gepresenteerd. Een belangrijke schakel is de fiscale dienstverlener. Als specifieke risico’s binnen deze groep belastingplichtigen onderscheidt de Belastingdienst ‘fiscaal ondernemerschap, werkruimte in de woning, de auto, de zelfstandigenaftrek, de kleine ondernemersregeling en aftrekbare kosten/omzetverantwoording’.

individuele adviseur in het nauw omdat de Belastingdienst de regelingen die in de individuele gevallen zijn getroffen niet publiceert. Het nadeel van deze aanpak is dat het beleid inzake de toepassing van de innovatiebox alleen voor insiders toegankelijk is. Heeft u ervaring met de innovatiebox? Meld u dan aan bij rene.scharroo@abab.nl.

Brainstorm vereenvoudigen btw Het RB neemt deel aan een brainstormsessie met het ministerie van Financiën en enkele andere organisaties over vereenvoudigingen in de omzetbelasting. Achtergrond is de voorbereiding van de fiscale startnotitie die staatssecretaris Weekers heeft aangekondigd voor het einde van het eerste kwartaal van 2011. Namens het RB nemen leden uit de btw-specialistengroep deel. Daarnaast bespreken de btw-specialisten het Groenboek van de Europese Commissie over de toekomst van de btw ‘Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel’. Wilt u weten wie in de btw-specialistengroep zitten? Kijk dan op www.rb.nl. (vakinformatie > specialismen).

Aanmelden Deze bijeenkomsten zijn alleen toegankelijk voor leden. Aanmelden voor deze gratis bijeenkomsten kan via www.rb.nl (na inloggen: permanente educatie > praktijkregiobijeenkomsten).

Voor uw agenda ■

ALV / RB-dag 2011 Vrijdag 17 juni 2011

Modellen voor uw aangiftes

Op de RB-agenda

RB Kwaliteitshandboek

In het RB Kwaliteitshandboek vindt u diverse modelbrieven en werkprogramma’s gericht op de beroepsuitoefening van de belastingadviseur. Handig zijn bijvoorbeeld het model volgformulier aangiftepraktijk en het model werkprogramma aangifte inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. Kijk op www.RBKwaliteitshandboek.nl of log in op www.rb.nl (Vakinformatie > RB Kwaliteitshandboek).

44

Het Register | maart 2011 | nummer 3

T I P

Beconoverleg Vrijdag 18 maart 2011

Commissie Wetsvoorstellen Maandag 28 maart 2011


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Opleidingen

Nieuwe website VLB Opleidingen VLB Opleidingen, onderdeel van RB Opleidingen, heeft sinds 1 februari een nieuwe uitstraling en een nieuwe website. Op www.vlbopleidingen.nl vindt u nu nog eenvoudiger een passende agrofiscale of agrobedrijfskundige cursus. Ook kunt u zich nu online aanmelden voor de cursus van uw keuze.

Leden

Deelname aan gezamenlijke advertenties

Een partner die alles op een rijtje zet + kennis

+ ervaring

Als ondernemer zoekt u een belastingadviseur in wie u zich herkent. Een partner die met u meedenkt en uw belastingkansen optimaal benut. Een adviseur die continu een stap verder is op het gebied van fiscale kennis en die voor u alles op een rijtje zet. Met een gecertificeerd belastingadviseur van het Register Belastingadviseurs (RB) kiest u voor zekerheid. Het RB is met ruim 7.200 leden de grootste fiscale beroepsvereniging van Nederland.

+ vertrouwen

Het RB biedt leden* de mogelijkheid deel te nemen aan een gezamenlijke RB-advertentie in De Telefoongids & De Gouden Gids en/of in Eigen Bedrijf. Door deelname aan deze gezamenlijke advertenties onderscheidt u zich duidelijker van niet-leden.

Verder in fiscale kennis

= zekerheid

De Telefoongids & Gouden Gids De kosten voor deelname aan de gezamenlijke advertentie in De Telefoongids & De Gouden Gids bedragen € 219 exclusief btw. Meerdere opties zijn mogelijk tegen speciale tarieven. Zelfstandig gevestigden die eerder jaarlijks de www.rb.nl mailing ontvingen, ontvangen deze dit jaar voor het laatst. Andere geïnteresseerde leden kunnen contact opnemen met (076) 56 406 06 of mailen naar branches-accountsupport@detelefoongids.nl. Naast deelname aan de RB-advertentie is het mogelijk een individuele advertentie te plaatsen. Dit valt niet in het gezamenlijke advertentieaanbod van het RB.

Magazine Eigen Bedrijf Een andere mogelijkheid om de mkb-ondernemer te bereiken is deelname aan de gezamenlijke RB-advertentie in het magazine ‘Eigen Bedrijf’. Dit magazine van de Kamer van Koophandel volgde in 2010 de Kamerkrant op. ‘Eigen Bedrijf’ verschijnt zes keer per jaar. Hemels Publishers verzorgt met een aantal regionale advertentieacquisitiebureaus de nationale advertentie-exploitatie. In het nieuwe magazine gaat de Kamer van Koophandel dieper in op relevante onderwerpen die aansluiten op de dagelijkse praktijk van ondernemers. De kosten voor deelname aan de gezamenlijke advertentie variëren per regio en aantal plaatsingen. Voor vragen of reserveringen kunnen leden* contact opnemen met Erik van Leijenhorst, telefoonnummer: (035) 689 99 06 of e-mail: erik.van.leijenhorst@hemels.nl. Daarnaast vindt u uitgebreide informatie en een inschrijfformulier op het ledendeel van www.rb.nl (ledenvoordeel). Op de nieuwe website vindt u het actuele cursusprogramma voor het najaar van 2011, zie voor een overzicht ook pagina 50 van deze uitgave. Naast het reguliere programma zijn incompany cursussen en maatwerk mogelijk. Om op de actualiteit in te haken organiseert VLB Opleidingen gedurende het jaar flitscursussen. U wordt hiervan op de hoogte gehouden via de digitale nieuwsbrief ‘VLB-Flits’.

* alle leden uitgezonderd aspirant-leden en buitengewone leden

+ + + =

Een partner die alles op een rijtje zet maart 2011 | nummer 3 | Het Register

45


HET

Verenigingsnieuws Leden

Fiscaal Actueel; nieuws voor uw klanten Bent u al op de hoogte van de mogelijkheden van de klantennieuwsbrief Fiscaal Actueel? Het RB biedt u als zelfstandig gevestigd lid (met uitzondering van aspirant-leden in de opleiding belastingconsulent) een klantennieuwsbrief aan voor uw (potentiële) mkb-klanten. De nieuwsbrief wordt samengesteld door ervaren fiscalisten en bevat praktische artikelen op fiscaal, financieel en arbeidsrechtelijk gebied. Uw klant komt op deze wijze meer te weten over de laatste ontwikkelingen op verschillende belastingterreinen.

Fiscaal Actueel in het kort: ■ ■ ■ ■ ■

Actuele en praktische artikelen voor uw mkb-klanten Verschijnt vier keer per jaar Uw logo en adresgegevens op de voorzijde Acht pagina's A4-formaat in full colour Ook digitaal verkrijgbaar

Benieuwd naar de mogelijkheden? Meer informatie en de abonnementsvoorwaarden vindt u op het ledendeel van www.rb.nl (Ledenvoordeel > Nieuwsbrief Fiscaal Actueel). Heeft u vragen, neemt u dan contact op via communicatie@rb.nl of (0345) 54 70 00.

Korting op vaktijdschriften RB-leden kunnen met ingang van 1 januari 2011 een nieuw jaarabonnement nemen met een korting van 10% op de volgende vaktijdschriften van Sdu Uitgevers: ■ Belastingzaken ■ Loonzaken ■ NTFR en NTFR Beschouwingen ■ Vastgoed fiscaal & civiel ■ Formeel Belastingrecht ■ Maandblad Belasting Beschouwingen Deze korting geldt gedurende de looptijd van het abonnement. Als u al een abonnement op één van deze bladen heeft en voor de korting in aanmerking wilt komen, dan kan met ingang van de eerstvolgende vervaldatum uw huidige abonnement worden omgezet naar een abonnement met korting. U dient hiervoor zelf actie te ondernemen door contact op te nemen met Sdu Klantenservice via telefoonnummer (070) 378 98 90 of via www.sdu.nl/service. De bestaande korting op NTFR voor voormalig CB-leden vervalt. Leden die een abonnement op NTFR met korting hadden worden persoonlijk door Sdu Uitgevers benaderd.

46

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering RB-leden Het Register Belastingadviseurs heeft in samenwerking met Koning & de Keizer een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) ontwikkeld voor zelfstandig gevestigde leden. Deze AOV heeft specifieke instapeisen die echter niet gelden voor de RB-leden. Uw RB-lidmaatschap geeft exclusieve toegang tot deelname aan deze AOV. Relevante productkenmerken zijn: ■ leeftijdsafhankelijke premie; ■ beoordelingscriterium is beroepsarbeidsongeschiktheid (niet passend of gangbaar); ■ minimale wachttijd is drie maanden. U kunt ook kiezen voor zes, negen of twaalf maanden; ■ uitkering gelijkblijvend of jaarlijks 2 of 3% stijgend tot einddatum.

Eenmalige kosten De kosten in het AOV-product zijn bewust laag. U kunt de verzekering afsluiten op basis van ‘execution-only’ of met een advies en begeleiding op maat. RB-leden betalen voor een advies op maat eenmalig € 395 (btw-vrijgesteld) in plaats van € 590. Meer informatie? Log dan in op www.rb.nl en ga naar > Producten en diensten > Verzekeringen. U kunt gebruik maken van de rekenmodule en verschillende scenario’s berekenen. N.B. Hoewel deze verzekering voor veel leden een groot financieel voordeel kan opleveren blijven de contracten met de Amersfoortse en Reaal Unim (voorheen AXA) vooralsnog bestaan. Daarnaast kan het zijn dat er door specifieke omstandigheden een andere oplossing geboden moet worden. Hiervoor zijn tevens voordelen te behalen via Koning & de Keizer.

Waarom een AOV? Door het ontbreken van wettelijke voorzieningen bij arbeidsongeschiktheid is een AOV vaak noodzakelijk. Kortstondige arbeidsongeschiktheid is prima zelf op te vangen. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid ligt het anders. U kunt voor langere tijd of misschien zelfs permanent arbeidsongeschikt raken en dit kan grote financiële gevolgen hebben. Aspecten als financiële reserves, maandelijkse lasten, overbrugging tot pensioenleeftijd en opbouw pensioen, inflatie en gezinsomstandigheden zijn hierbij belangrijk.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Boeken

De eigen woning is een onderwerp dat iedere belastingadviseur in de vingers moet hebben. Een aangifte- en adviespraktijk die slechts bestaat uit belastingplichtigen met een huurwog ning kunnen wij ons simpelonin w n ige De e weg niet voorstellen. De meeste (zo niet alle) belastingadviseurs zijn dan ook goed ingevoerd in deze materie. Wat voegt het boek ‘De eigen woning’ g Ber n den E. va dan nog toe? Niet veel, Drs. J. als we eerlijk zijn. Goed, het is een overzichtelijke en complete opsomming van alle wet- en regelgeving over de eigen woning. Niet alleen de inkomstenbelasting, maar ook de WOZ komt aan de beurt. Daarnaast is er aandacht voor de positie van de ondernemer en de dga met betrekking tot de eigen woning. In het boek zijn verder veel voorbeelden opgenomen, die voor een groot deel zijn ontleend aan de parlementaire behandeling en diverse besluiten over de eigen woning. Maar bijvoorbeeld het in de fiscale praktijk veel besproken adviesonderwerp van de dga die leent bij zijn eigen bv komt niet aan de orde. En welke (on)mogelijkheden heeft de verkrijger van een eigen woning om in bezwaar te komen tegen een WOZ-beschikking opgelegd aan de erflater? Wat ons betreft had de auteur wat dieper mogen graven. Conclusie: handzaam samengevat, maar echt spannend wil het niet worden.

De huidige btw is gebaseerd op Europese regelgeving. Daarmee is de omzetbelasting een belasting die niet alleen kennis van de Nederlandse wetgeving vereist, maar ook van de Europese richtlijnen. De schrijvers van dit boek zijn er in geslaagd om de omzetbelasting op een overzichtelijke manier weer te geven en daarmee een uitgebreid studieboek neer te zetten waar zowel de adviseur als de student uitstekend mee uit de voeten kan. Bijzondere regelingen en een volledig overzicht van de jurisprudentie is niet opgenomen in het boek, maar dat doet niet af aan het feit dat het boek inzicht geeft in de wetgeving omtrent de omzetbelasting.

IB

2e dr

10 uk 20

Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor specialist

6 6 8 7 7 6

Eindoordeel: ■ ■ ■ Auteur: Uitgever: ISBN: Prijs:

Drs. J.E. van den Berg Kluwer 978 90 13 07764 3 € 54,95

Door Marco Dijkstra FB en Marcel van Galen FB

Omzetbelasting 6

Van Hilten/V an Kestere n Omzetbela sting

ing won gen De ei

Omzetbelasting

fe d l e fisca hures broc

Berg den Van

De eigen woning

6

Twaalfde dr uk

prof.mr. M. E. prof.dr. H.W van Hilten .M. van Ke steren

fed fiscal studieserie e

De indeling, de voorbeelden en verwijzingen in het boek maken dat het plezierig lezen is. De voorbeelden zijn helder, de verwijzingen staan onderaan de bladzijde vermeld, kortom, een uitstekend ‘leerboek’. De twaalfde druk heeft voor de adviseur nog steeds de vertrouwde groene kleur van de vroegere ‘Reugebrink’ en dat geeft de lezer een gedegen gevoel. Na het lezen van dit boek is duidelijk waar het om draait in de omzetbelasting; belastingheffing over toegevoegde waarde, een verbruiksbelasting. Een heffing op een zodanige wijze dat de belastingbetaler (veelal de particulier) daar relatief weinig van merkt. Maar de omzetbelasting kan ook zeker als last ervaren worden in het bedrijfsleven en voor de adviseur omdat er regelmatig vragen uit de (steeds meer internationale) praktijk opkomen.

In de boekenrubriek geven ervaren vakmensen op persoonlijke titel hun mening over recent verschenen (fiscale) boeken: ■ Twee beoordelaars recenseren een boek. ■ Zij kennen cijfers toe voor bijvoorbeeld leesbaarheid, actualiteit en niveau.

Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor generalist

8 7 8 8 8 8

Eindoordeel: ■ ■ ■ ■ ■ Auteurs: Prof. mr. M.E. van Hilten en

De recensenten geven een eindoordeel: Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

■ ■ ■ ■ ■

■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

prof. dr. H.W.M. van Kesteren Uitgever: Kluwer ISBN: Prijs:

9978 90 13 06620 3 € 68,95

Door Marja Nienhuis-Willems FB FFP en mr. Berrie van der Velden AA FB

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

47


HET

Verenigingsnieuws Permanente Educatie di

Wist u dat?

19 apr

di

10 mei

ma 16 mei

Er zijn steeds meer verenigingszaken die u ook digitaal kunt regelen. Zo kunt u om in te schrijven voor een cursus of het aanvragen van een PE-vrijstelling gebruikmaken van formulieren die online kunnen worden ingevuld. Ook nieuwe leden bieden wij de mogelijkheid om zich middels een online formulier aan te melden voor het lidmaatschap. Tevens bieden wij ook organisatoren van Permanente Educatie de gelegenheid om PE-punten voor hun cursussen online te kunnen aanvragen.

Nederbelgen Mr. drs. D.A. van Dorsselaer & mr. M. Snikkenburg Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB Casuscollege Haal meer winst uit het fiscale winstbegrip J.W. Kemper FB

Emmeloord ma 18 apr

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en tbs-regelingen J.W. Kemper FB

di

17 mei

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

Houten wo 27 apr

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

De volgende formulieren kunnen nu online ingevuld kunnen worden: ■ Contactformulier ■ Aanvraagformulier lidmaatschap ■ Aanvraagformulier PE-punten (voor organisatoren van PE) ■ Aanvraagformulier PE-punten leden ■ Aanvraagformulier PE-vrijstelling ■ Inschrijfformulier PE-cursussen

ma 30 mei

Besparen op arbeidsongeschiktheidslasten Mr. J.P.M. van Zijl

di

31 mei

De margeregeling in de btw Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

ma 6 jun

Privégebruik in de btw Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

wo 8 jun

Actualiteiten vennootschapsbelasting Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Nootdorp di

12 apr

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

di

10 mei

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

PE-programma voorjaar 2011

Vianen do 24 mrt

Hieronder het PE-programma voor 2011 tot en met juni 2011. Aanmelden voor deze en andere cursussen uit het PE-programma kan middels de formulieren uit de brochure Permanente Educatie voorjaar 2011. Deze zijn ook te downloaden en direct te verzenden via www.rb.nl. Het complete PE-programma vindt u ook op www.rb.nl. Akersloot ma 4 apr

di

29 mrt

di

5 apr

wo 6 apr wo 6 apr

Schenk- en erfbelasting 2011 Mr. J.F.H. van den Belt

do 7 apr

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA Alternatieven oudedagsvoorzieningen Mr. G.A.C. Aarts

wo 13 apr

Omgaan en onderhandelen met de fiscus

5 apr

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer

Mr. R.R. Kramer RA do 14 apr

en de dga Mr. J. Zwagemaker di

19 apr

De herinvesteringsreserve in al zijn facetten Mr. S.F.J.J. Schenk FB & mr. P.L.F. Seegers

di

19 apr

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

do 21 apr

di

26 apr

Nederbelgen Mr. drs. D.A. van Dorsselaer &

do 21 apr

Mr. M. Snikkenburg Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer

Start Leergang Loonbelasting Mr. M.T.W Aandewiel Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en tbs-regelingen J.W. Kemper FB

di

26 apr

en de dga Mr. J. Zwagemaker

Vervolgcursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

wo 27 apr

Sociaal en fiscaal bij grensoverschrijdende arbeid R. de Groot CB

Eindhoven Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer

do 28 apr

en de dga Mr. J. Zwagemaker Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en tbs-regelingen J.W. Kemper FB

48

Fiscale gevolgen van fusies, splitsingen en reorganisaties Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Breda

ma 11 apr

Start Inleiding estate planning Mr. E.R. Helder & mr. J.F.H. van den Belt

tbs-regelingen J.W. Kemper FB 12 apr

5 apr

Testament lezen en testament in de praktijk Prof. dr. B.M.E.M. Schols

ma 11 apr

di

di

Ondernemen in zwaar weer Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Casuscollege resultaat uit werkzaamheid en

di

ma 16 apr

Start Leergang Inkomstenbelasting (exclusief winst) Drs. R.S. Brander

Het Register | maart 2011 | nummer 3

Pensioen eigen beheer en, lijfrentesparen anders bekeken H.C.P. Schilder MFP FFp

di

10 mei

Opfriscursus fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting Mr. drs. S.A.W.J. Strik


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

di

10 mei

Start Vennootschapsbelasting: het advies (VLB cursus) Mr. R.J. Verbrugge

wo 11 mei

PE door Fiscaal Instituut Tilburg

De bijzondere fiscale positie van de dga Mr. J. Zwagemaker

do 12 mei

Het Fiscaal Instituut Tilburg organiseert in het kader van de Permanente Educatie exclusief voor leden van het Register Belastingadviseurs jaarlijks een programma van zes cursussen. Komende periode worden drie cursussen verzorgd op drie verschillende locaties. Hieronder vindt u een overzicht. Voor meer informatie en aanmelding kijkt u op www.tilburguniversity.edu/fit

Vervolgcursus estate planning I Prof. dr. B.M.E.M. Schols & prof. dr. F.W.J.M. Schols

ma 16 mei

Ontwikkelingen formeel belastingrecht Mr. H.J.J. Oostdam Bcs

di

17 mei

Opfriscursus deelnemingsvrijstelling Mr. drs. S.A.W.J. Strik

wo 18 mei wo 18 mei di

24 mei

wo 25 mei wo 25 mei

Belastinglatenties in de jaarrekening Drs. D. Marinus RA Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

Tilburg

Btw-actualiteiten 2010-2011 Mr. G.B. van Driel FB

do 31 mrt

Het ondernemerschap in de btw

di

Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

wo 18 mei

Werken met zzp-ers en loonheffingen dga Mr. L.K. Wouterse FB

ma 30 mei

De onzakelijke lening in de Vpb Fiscale aspecten van onroerend goed Actualiteiten fiscale eenheid

Omzetbelasting in de agrarische sector (VLB cursus) Mr. H.J. de Boer FB

do 26 mei

26 apr

Vianen do 7 apr

De onzakelijke lening in de Vpb

di

Fiscale aspecten van onroerend goed

Kringbijeenkomsten do 19 mei Actualiteiten fiscale eenheid

Civiele en fiscale aspecten van faillissement en

7 jun

schuldsanering Mr. J.A. Dullaart wo 1 jun di

7 jun

Beleggen voor de ondernemer, de onderneming

Zwolle

en de particulier Drs C. Brinkers RBA

wo 6 apr

De onzakelijke lening in de Vpb

Actualiteiten loonheffingen Mr. M.T.W Aandewiel

do 26 mei

Actualiteiten fiscale eenheid

& J.H.P.M. Raaijmakers

di

Fiscale aspecten van onroerend goed

do 9 jun

Nieuw bv- en firmarecht Mr. J.F.H. van den Belt

di

Wet personenvennootschappen Dr. M.L.M. van Kempen

14 jun

wo 15 jun

Casuscollege estate planning Mr. J.F.H. van den Belt

do 16 jun

Proactief belastingadvies Drs. H.J. Meijer FB

wo 22 jun

Btw in internationale verhoudingen Mr. A.F. Fruijtier FB

Zwolle di

19 apr

21 jun

Doorschuifregelingen voor de IB-ondernemer en de dga Mr. J. Zwagemaker

Jong RB

Kringbijeenkomsten RB kent elf regionale studiekringen. Elke kring organiseert meerdere bijeenkomsten per jaar. Dit voorjaar zijn de volgende kringbijeenkomsten bekend. Meer informatie en de laatste updates vindt u op het ledendeel van www.rb.nl (Permanente Educatie RB > Kringbijeenkomsten). Kring Amsterdam di

12 apr

Echtscheiding Eigen woning Mw. mr. N.C.G. Gubbels

Jong RB is een professioneel netwerk van jonge belastingadviseurs. Jaarlijks wordt een aantal bijeenkomsten georganiseerd waar uitgebreid aandacht wordt besteed aan de fiscale actualiteit, ontwikkeling van vaardigheden van de adviseur en wordt kennisgemaakt met collega adviseurs in het hele land.

di

10 mei

Horizontaal toezicht, beconoverleg, boetes e.d. Drs. J. Zweekhorst

Kring Arnhem ma 11 apr

Actuele informatie: www.rb.nl

Kring Eindhoven

Kijk voor meer informatie op het ledendeel van www.rb.nl (Permanente Educatie RB > Jong RB). Houd deze pagina in de gaten voor het programma van 2011.

di

12 apr

Actualiteiten tbs-regeling Mr. J.P. Boer

di

10 mei

Actualiteiten Agro-fiscaliteit Mr. D.F. Anholts

Kring Limburg do 14 apr

Sociale verzekeringen in internationaal verband Mr. dr. M.J.G.A.M. Weerepas

do 12 mei

Actualiteiten Europees belastingrecht Prof. mr. dr. R.H.C. Luja

maart 2011 | nummer 3 | Het Register

49


HET

Verenigingsnieuws Kring Gelderland/ Overijssel ma 18 apr

Actualiteiten Mr. J.P. Boer

ma 16 mei

Pensioenactualiteiten Mr. P.A. ter Beest MPLA

Kring Leiden ma 11 apr

Actuele informatie: www.rb.nl

ma 9 mei

Actuele informatie: www.rb.nl

Kring Noord Holland/ Alkmaar ma 18 apr

De tbs-regeling Mr. J. Zwagemaker

Kring Rotterdam di

12 apr

VLB Opleidingen VLB Opleidingen is onderdeel van RB Opleidingen en richt zich met name op agrofiscale en agrobedrijfskundige cursussen. Naast het reguliere programma zijn incompany cursussen en maatwerk mogelijk. Hieronder vindt u het voorlopige programma. Kijk voor de volledige cursusinformatie op de vernieuwde website www.vlbopleidingen.nl. U kunt zich op deze website nu online aanmelden voor de cursus van uw keuze.

Actualiteiten arbeidsrecht, sociale verzekeringen Mr. J.P.M. van Zijl

Vianen di

13 sep

di

12 apr

Formeel belastingrecht Actuele informatie: www.rb.nl

ma 3 okt

MKB belastingrecht I (dag I) Mr. drs. A.J. Meijer

ma 3 okt

Agrarisch belastingrecht I (dag I) groep I

di

Agrarisch belastingrecht I (dag II) groep I

Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

Kring Zeeland/West Brabant di

5 apr

Schenk- en erfbelasting in de agrarische sector Mr. H.J.L. Paantjens

Kring Utrecht

Dga fiscaliteiten Dr. R.P. van den Dool

4 okt

Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB wo 12 okt

Bedrijfsopvolging in de bv Mr. F.J. Kerkhof FB

ma 17 okt

MKB belastingrecht I (dag II) Mr. drs. A.J. Meijer

wo 19 okt

Agrarisch belastingrecht I (dag I) groep II Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

Landelijke studiebijeenkomsten

20 okt

Agrarisch belastingrecht I (dag II) groep II Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

20 okt

Inleiding estate planning voor agrariërs Mr. H.J.L. Paantjens

Jaarlijks worden Landelijke Studiebijeenkomsten (LSB) gehouden. Deze bijeenkomsten zijn gratis. Gerenommeerde sprekers lichten hier nieuwe ontwikkelingen toe. Het is noodzakelijk dat u zich aanmeldt voor een LSB en ook voor elke spreker afzonderlijk. Kijk voor meer informatie op het ledendeel van www.rb.nl (Permanente Educatie RB > Landelijke Studiebijeenkomsten). Houten do 14 apr

ma 24 okt

MKB belastingrecht II (dag I) Mr. drs. A.J. Meijer

di

Timemanagement, ontspannen druk zijn Drs. E. Spliethof

1 nov

ma 7 nov

MKB belastingrecht II (dag II) Mr. drs. A.J. Meijer

wo 9 nov

De bv in de agrarische praktijk Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

10 nov

Omzetbelasting in de agrarische sector Mr. H.J. de Boer FB

di

15 nov

do

17 nov

Toekomstvoorzieningen algemeen, DGA,

Schriftelijk zakelijk taalgebruik (dag I) Drs. H. Ottenhof Praktisch klantadvies - oren hebben naar uw klant! (dag I) J.A.M. Spaan

pensioenen Mr. P.A. ter Beest MPLA

di

Internationaal Belastingrecht Mr. M.C. de Graaf

wo 23 nov

22 nov

Schriftelijk zakelijk taalgebruik (dag II) Drs. H. Ottenhof Agrarisch belastingrecht II (dag I) groep I Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

Hoogeveen do 31 mrt

24 nov

Wwft, 4e tranche Awb, inkeer, boetes Prof. mr. G.M.J.E. de Bont

di

29 nov

Omzetbelasting (actualiteiten) Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen

Agrofiscale actualiteiten Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

wo 30 nov do

1 dec

Professioneel klantcontact J.A.M. Spaan Erfrecht en het huwelijksvermogensrecht in de agrarische sector Mr. H.J.L. Paantjens

Eindhoven do 28 apr

Agrarisch belastingrecht II (dag II) groep I Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

Wwft, 4e tranche Awb, inkeer, boetes

wo 7 dec

Prof. mr. G.M.J.E. de Bont Omzetbelasting (actualiteiten)

Agrarisch belastingrecht II (dag I) groep II Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

8 dec

Mr. drs. W.A.P. Nieuwenhuizen

Agrarisch belastingrecht II (dag II) groep II Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

do

15 dec

Praktisch klantadvies - oren hebben naar uw klant! (dag II) J.A.M. Spaan

50

Het Register | maart 2011 | nummer 3


Het Register 2011 nr. 3: Btw over privégebruik vakantiewoning