Page 1

HET

Register Vakblad van het Register Belastingadviseurs september 2010 | eerste jaargang | nummer 9

Doorschuiaciliteiten bij aanmerkelijk belang bij huwelijk, echtscheiding, overlijden en schenking Gouden handdruk nu mogelijk in bankspaarvariant? De FIOD op bezoek De zittingszaal als mijnenveld?


DE

■ ■ ■

Inhoud

Colofon Het Register Vaktijdschrift van het Register Belastingadviseurs (RB); koepelorganisatie van het College Belastingadviseurs (CB) en de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB), uitgegeven door Reed Business bv.

Het Register Belastingadviseurs Brenkmanweg 6, 4105 DH CULEMBORG tel.: (0345) 54 70 00 www.rb.nl

Redactieadres Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM Coördinatie bureauredactie Ivonne Hartendorp tel.: (020) 515 93 19 e-mail: ivonne.hartendorp@reedbusiness.nl

Redactieraad Mr. D.J. (Dick) de Korte FB (hoofdredacteur) Mr. S.F.J.J. (Sylvester) Schenk FB CB Mr. E.E.J.C. (Eli) Hendriks CB FB Mr. W.J.M. (Wil) Vennix FB Prof. mr. dr. G.J.M.E. (Guido) de Bont

Uitgever Drs. H.E. (Heleen) Kooistra Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM

Verenigingsnieuws Register Belastingadviseurs Afdeling Communicatie Brenkmanweg 6 4105 DH CULEMBORG

Nieuwsrubriek en Jurisprudentie Deze rubrieken staan onder redactie van Licent Academy

8

Doorschuiffaciliteiten bij aanmerkelijk belang bij huwelijk, echtscheiding, overlijden en schenking Fiscaal

14

‘Wij gaan uit van vertrouwen’ Interview met drs. P.W.A. (Peter) Veld

De redactie

4

Nieuws - zaken - mensen

5

13

19

In de Praktijk – Mr. E. J.M. (Eugène) Rosier

24

Jurisprudentie en wetgeving

27

33

Fiscaal

36

Het Verenigingsnieuws

41

Advertenties Reed Business bv Postbus 152, 1000 AD AMSTERDAM

Advertentieverkoop Rolf Mul tel.: (020) 515 96 40 e-mail: rolf.mul@reedbusiness.nl Jeroen van Doleweerd tel.: (06) 10 55 51 99 e-mail: jeroen.van.doleweerd@reedbusiness.nl

Abonnementen en lezersservice Reed Business bv Afdeling Customer Contact Postbus 808, 7000 BA DOETINCHEM tel.: (0314) 35 83 58 e-mail: customercontact@reedbusiness.nl www.elsevierfiscaal.nl

Abonnementsprijzen Prijs jaarabonnement: € 157,20 ex btw (6%) Prijs los nummer: € 19,85 ex btw (6%) Leden NFB en CB ontvangen Het Register gratis uit hoofde van hun lidmaatschap.

Basisvormgeving VerheulCommunicatie.com, ALPHEN A/D RIJN © Register Belastingadviseurs Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd door middel van boekdruk, foto-offset, fotokopie, microfilm of welke andere methode dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Register Belastingadviseurs. Op alle aanbiedingen, offertes en overeenkomsten van Reed Business bv zijn van toepassing de voorwaarden welke zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam. ‘Het Register’ bevat informatie die met de meeste zorgvuldigheid is samengesteld. Het Register Belastingadviseurs/ Reed Business bv en de bij deze uitgave betrokken redactie en medewerkers aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijke gevolgen die zouden kunnen voortvloeien uit het gebruik van de in deze uitgave opgenomen informatie.

Fiscaal paradijs voor de FIFA? Column – Prof. dr. Han Kogels FB

Gouden handdruk nu mogelijk in bankspaarvariant? Fiscaal

De FIOD op bezoek

De zittingszaal als mijnenveld? Fiscaal

Waardering van pensioen na overdracht

Rectificatie in Het Register 2010 4 In het artikel De onzakelijke lening in de vennootschapsbelasting (deel 1 van het tweeluik Fiscale aspecten van lenen in gelieerde verhoudingen) van de heer A.J. Nieuwenhout MB FB is verwezen naar een onjuist arrestnummer: Arrest HR d.d. 9 mei 2008 nr. 42.489 moet zijn Arrest HR d.d. 9 mei 2008 nr. 43.849.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

3


DE

Redactie

Laat eens wat van je horen In de RB-Nieuwsflits nr. 23 van 9 juni 2010 is een bericht opgenomen met de kop ‘Belastingdienst gaat bellen bij bezwaar’. Deze mededeling informeert de lezer over de trend van de Belastingdienst om indieners van bezwaarschriften telefonisch te benaderen. Dit geldt niet alleen voor de belastingplichtigen zelf, maar ook voor hun gemachtigden. Wel zullen de telefonisch gemaakte afspraken schriftelijk worden vastgelegd. Deze actie wordt ingegeven door de wens de communicatie tussen contribuabelen, hun adviseurs en de Belastingdienst te verbeteren. Telefonisch contact leidt tot een beter begrip voor elkaar. Op zich is dit bericht vanuit verschillende gezichtspunten bezien opmerkelijk. Allereerst roept deze mededeling de klachten van enige tijd geleden in herinnering over de slechte telefonische bereikbaarheid van de Belastingdienst. Organisatorisch ingrijpen van bovenaf maakte de telefonische communicatie een stuk moeilijker. Daarnaast stelde de Belastingdienst zich nogal rigide op bij het gebruikmaken van andere moderne communicatiemiddelen, zoals het e-mailverkeer en de inmiddels achterhaalde fax. Na enige actie is dat verbeterd en men gaat nu kennelijk een stap verder. Het bericht is daarnaast merkwaardig in het licht van de mogelijkheid die de Belastingdienst een bezwaarmaker moet bieden om te worden gehoord. Er lag voor de afhandeling van bezwaarschriften al een wettelijke plicht te communiceren met de indiener van het bezwaarschrift, tenzij deze te kennen heeft gegeven daar geen prijs op te stellen. Sterker nog, uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat dit horen niet beperkt moet blijven tot enig telefonisch contact, maar dat de bezwaarmaker moet worden uitgenodigd in een gesprek zijn grieven nader toe te lichten. Daarbij kan de Belastingdienst zich niet schuldig maken aan een passieve houding; de dienst moet ook werkelijk inhoud geven aan het horen. Wordt nu in het vervolg telefonisch een afspraak gemaakt voor het hoorgesprek? In dit nummer van Het Register licht de directeur-generaal van de Belastingdienst deze gedragscode in het interview nader toe. Hieruit blijkt dat de Belastingdienst voorstander is van een meer informele afhandeling van bezwaarschriften en andere zaken. Als bepaalde onjuistheden kunnen worden rechtgezet met een eenvoudig telefoontje, moet dat kunnen. Hiermee wordt kennelijk vooruitgelopen op een mogelijke wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, waarbij mutaties in de fiscale verhoudingen op een makkelijkere manier moeten kunnen worden doorgevoerd. Met deze toelichting van de directeur-generaal kunnen we bijzonder tevreden zijn. Deze gang van zaken kan zeker bijdragen tot een verbetering van de verstandhouding. In deze sfeer mag van de belastingadviseurs ook een bijdrage worden verwacht. Dus laat eens wat van je horen! ■

Mr D.J. de Korte FB Mr. Ho Hoofdredacteur Het Register

4

Het Register | september 2010 | nummer 9


HET

Nieuws - zaken - mensen

■ ■ ■

Consultatie Wijzigingswet financiële markten De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) wordt op een aantal punten aangepast. Voorgesteld wordt een aantal definities aan te scherpen omdat in de praktijk onduidelijkheid is ontstaan over de reikwijdte. Daarnaast wordt een aantal artikelen, die in de praktijk hebben uitgewezen onvolledig of niet helder te zijn, aangepast. Meer beleidsmatig is de introductie van de zogenaamde bijzondere melder. In het wetsvoorstel worden alleen de vastgoedtaxateur en de faillissementscurator aangewezen. Bij Algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere beroepsgroepen worden aangewezen die als bijzondere melder onder de Wwft gaan vallen.

Belastingdienst coulant na stormschade

Wwft-toezicht op de advocatuur moeilijk

De Belastingdienst gaat boeren en tuinders helpen die gedupeerd zijn door het noodweer in juni. Ook veel andere ondernemers hebben stormschade. Dagblad de Limburger vermeldt dat de Belastingdienst zich coulant gaat opstellen. Dat kan door een voorlopige aanslag naar beneden bij te stellen als een bedrijf als gevolg van de stormschade een lagere omzet verwacht, of door bedrijven indien nodig later te laten betalen. Ook worden de aangiftes van de ondernemers versneld verwerkt, zodat ze sneller hun geld krijgen als ze recht hebben op een teruggave. De Belastingdienst gaat ondernemers die in aanmerking komen zelf benaderen.

Naar verwachting zal begin dit najaar de kabinetsreactie worden uitgebracht op het evaluatierapport met betrekking tot de tuchtrechtelijke handhaving van de Wwft, waaronder het Wwft-toezicht op de advocatuur en het notariaat, dat eerder aan de Tweede Kamer is toegezonden. Bij die gelegenheid zal nader worden ingegaan op mogelijke maatregelen die kunnen bijdragen aan de effectiviteit van het Wwft-toezicht op deze beroepsgroepen. Door de getrapte toepassing van de geheimhoudingsbepaling als verwoord in de Algemene wet bestuursrecht en de procesvrijstelling als verwoord in de Wwft, kan met name het toezicht op de advocatuur in de praktijk moeilijk geëffectueerd worden. Overwogen wordt dit probleem te adresseren door wettelijke maatregelen binnen of buiten de Wwft.

Ingrijpende reorganisatie Belastingdienst De Belastingdienst stapt af van de ideologie van de collectieve verantwoordelijkheid zoals deze is opgezet door directeur-generaal mevrouw mr. J. (Jenny) Thunnissen, aldus het NRC Handelsblad. Ambtenaren worden weer individueel verantwoordelijk voor de uitvoering van hun taak. Deze nieuwe lijn is uitgezet door drs. P.W.A. (Peter) Veld, de van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) afkomstige directeur-generaal van de Belastingdienst.

voor de hele uitvoering van de belastingheffing (exclusief Douane). Blokpoel werkte ook bij de IND, deels onder leiding van Veld. Volgens Blokpoel worstelt de Belastingdienst niet in de eerste plaats met de complexiteit van de processen in de organisatie, maar met de steeds veranderende heffingsregels. Hij zit hiermee op één lijn met plaatsvervangend directeur-generaal drs. T.W.M. (Theo) Poolen.

Onder leiding van Peter Veld wordt de aansturing van belastingregio’s strakker en moet een nieuwe automatiseringsslag voor meer uniformiteit zorgen. Nu bestaan er namelijk verschillen in de wijze waarop de 13 belastingregio’s bedrijven en particulieren benaderen. Als onderdeel van de reorganisatie is er een nieuwe functie gecreëerd, namelijk die van Algemeen Directeur Belastingdienst. Per 1 juli 2010 is hiervoor de heer H.R. (Hans) Blokpoel aangetrokken. Hij wordt verantwoordelijk

De Belastingdienst gaat ook snijden in het aantal ambtenaren. Met name in het aantal controleambtenaren en medewerkers die met het heffen, controleren en incasseren van belastingen bezig zijn. Het gaat in eerste instantie om ruim 400 mensen die nu al boven het budget uitkomen. Dit is nog pas het begin. In juli ontvingen 6.000 belastingambtenaren een brief met de suggestie om zich te oriënteren op werk buiten de Belastingdienst.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

5


■ ■ ■

Uitzendkrachten slechter af bij Belastingdienst Naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant met de titel ‘uitzendkrachten zijn slechter af bij de Belastingdienst’, hebben PvdA-kamerleden vragen gesteld aan de ministers van Financiën en Binnenlandse Zaken. Uitzendkrachten zouden beduidend minder verdienen dan vaste werknemers. In vrijwel geen enkel geval komen zij in aanmerking voor een vast dienstverband. De ministers wisten in hun antwoord de meeste ‘aantijgingen’ te weerleggen, maar gaven toe dat de vertraging bij het Toeslagensysteem in een aantal gevallen heeft geleid tot langere tijdelijke dienstverbanden. Op de vraag of de ministers de opvatting delen dat een periode van vijf jaar niet meer ‘tijdelijk’ is te noemen, maar dat er dan wel degelijk sprake is van een structurele behoefte aan personeel – die toch wordt ingevuld met uitzendkrachten – antwoordden de ministers dat een periode van vijf jaar inderdaad lastig te bestempelen is als tijdelijk, maar dat circa 76% van de uitzendkrachten korter dan 2 jaar bij de Belastingdienst Toeslagen werkt. De ministers benadrukten dat de werkzaamheden niet van structurele aard zijn en zullen verdwijnen zodra het Toeslagensysteem volledig is uitgerold.

Betaalde btw is een steeds groter wordende kostenpost voor financials Financiële instellingen zijn vrijgesteld van de plicht om btw in rekening te brengen over diensten aan hun klanten. Daardoor hebben deze instellingen, zoals banken en verzekeraars, relatief weinig mogelijkheden om de btw op hun gemaakte kosten terug te vragen van de Belastingdienst. De btw die financiële instellingen betalen aan hun leveranciers is een significante kostenpost. Het gaat hierbij om enkele tot honderden miljoenen euro’s. Toch is er nog veel onbekendheid met de mogelijkheden om btw terug te vorderen. Terwijl het met de juiste kennis relatief eenvoudig is om de btw-kosten flink te verlagen. Waar kostenbesparing voor elke onderneming aantrekkelijk is, geldt dat voor de financiële sector nu misschien wel meer dan ooit: de kredietcrisis leidt bij veel partijen in de financiële wereld tot noodzakelijke kostenbesparingsprogramma’s. Verlaging van de btw-kosten kan een flinke bijdrage leveren. Naast het verlagen van de btw-druk – wat vandaag al mogelijk is – zullen de Nederlandse financiële instellingen en die in de EU in de toekomst gebaat zijn bij aanpassingen van het btw-stelsel zoals die nu door de Europese Commissie zijn voorgesteld. Want doordat de btw-kosten nu doorberekend worden aan de consument, is de EU een stuk duurder dan concurrenten uit bijvoorbeeld Zwitserland of de Verenigde Staten.

6

Het Register | september 2010 | nummer 9

Bonden vóór eenvoudiger belastingstelsel Vakbond CNV en ouderenbond PCOB pleiten voor een eenvoudiger belastingstelsel in Nederland. Men vindt dat het huidige systeem de afgelopen tien jaar is ‘vervuild’ met allerhande heffingen, toeslagen en kortingen. Hierdoor is het stelsel voor de gemiddelde Nederlander nog onbegrijpelijker geworden dan het al was. Omdat het CNV ieder jaar leden helpt met het invullen van bijvoorbeeld belastingformulieren heeft men een goed beeld hoe de leden kijken naar de fiscale wetgeving; men snapt er weinig meer van en overziet de gevolgen ook niet meer. Met andere woorden, mensen zijn het overzicht kwijt. Hierdoor krijgen ze vaak niet de toeslagen waar ze recht op hebben of moeten ze juist onverwacht geld bijbetalen. ‘Burgers hebben het gevoel dat het systeem niet meer eerlijk is en dat ze er in inkomen op achteruit gaan’, aldus de bonden in een gezamenlijke verklaring. Hierin pleit men voor een aantal maatregelen, waaronder een betere dienstverlening van de belastingkantoren en vereenvoudiging van een aantal regels omtrent toeslagen, aftrekposten en kortingen. De verklaring is naar de Tweede Kamer gezonden.


■ ■ ■

Btw wereldwijd steeds belangrijker voor overheidsinkomsten

Grootste fusie mkb-accountants op komst

Wereldwijd vormt de btw een steeds belangrijker ingrediënt van de overheidsinkomsten. Dat stelt KPMG in een onderzoek. Overheden kijken volgens KPMG naar btw in een zoektocht om hun begrotingstekorten te dichten. Daarnaast vallen directe belastingen, zoals die op loon, door de recessie terug.

Twee accountants voor het midden- en kleinbedrijf, Gibo Groep en Flynth, kondigden onlangs fusieplannen aan. Samen worden ze nagenoeg de grootste accountantsfirma voor het mkb. In een fusiegolf onder middelgrote accountantskantoren, is dit veruit de grootste. De nieuwe accountant zal bijna 2400 werknemers tellen. De twee beoogde fusiepartners binden de strijd aan met de grootste spelers Deloitte, Ernst & Young, PwC en KPMG, ook wel de ‘Big Four’ genoemd.

In de ontwikkelde OESO-landen vormt btw nu al 19% van de totale belastinginkomsten. Van de ontwikkelde landen kent alleen de VS nog geen btw-stelsel, maar daar komt volgens KPMG onder invloed van de crisis waarschijnlijk snel een eind aan. China en India werken ondertussen aan een vernieuwd btw-systeem dat de komende jaren uitgerold zal worden. Volgens KPMG is btw de laatste twintig jaar aan een opmars bezig. Dat komt volgens de accountant omdat de belastinginkomsten op goederen en diensten stabieler zijn dan die op bedrijfswinsten of lonen. Daarnaast is btw makkelijker en sneller te innen. Ook zetten internationale organisaties als de Europese Unie nationale overheden aan tot meer belasten via btw, omdat dat het internationale belastingklimaat makkelijker vergelijkbaar maakt.

‘Wij willen straks nadrukkelijk het alternatief zijn voor de grote accountantskantoren’, zegt directievoorzitter Ruud Pondman van Flynth. Fried Frederix, algemeen directeur van Gibo Groep, zegt dat het nieuwe kantoor niet zal jagen op beursgenoteerde bedrijven, maar alleen op ‘echte ondernemers, directeurengrootaandeelhouders en familiebedrijven’.

Toch deblokkering spaarloon Demissionair minister De Jager heeft na eerdere terughoudendheid alsnog besloten het spaarloon vrij te geven. Hij komt hiermee tegemoet aan een breed gedragen wens van de Tweede Kamer. Het spaarloon wordt gedeblokkeerd op 15 september 2010. Deze datum is in overleg met de banken bepaald. Het gaat om alle spaarloontegoeden die in de periode van 2006 tot en met 2009 door

ongeveer 2 miljoen mensen zijn opgebouwd. Minister De Jager: ‘Door het spaarloon vrij te geven kunnen mensen eerder dan gepland over het opgebouwde saldo beschikken. Dit leidt tot een potentiële bestedingsimpuls van ruim 4 miljard euro.’ Het effect moet echter niet worden overschat, aldus De Jager: ‘Het is zeker een steuntje in de rug voor het

herstel van onze economie. Een positief signaal.’ Economen zijn sceptisch. De vorige keer dat het spaarloon voortijdig werd vrijgegeven, in 2005, werd maar 15% van de vrijkomende middelen daadwerkelijk besteed. Als dat nu weer gebeurt is het effect op de economie verwaarloosbaar klein: de economie groeit dan met 0,1% extra, zo is berekend.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

7


■ ■ ■ ■ ■

Aanmerkelijk belang

Doorschuiffaciliteiten bij aanmerkelijk belang bij huwelijk, echtscheiding, overlijden en schenking De Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) kent verschillende faciliteiten voor de belastingplichtige ondernemer of aanmerkelijkbelanghouder (hierna: ab-houder) die ertoe leiden dat een fiscale claim kan worden doorgeschoven naar de toekomst en er dus niet direct hoeft te worden afgerekend. De faciliteiten zijn met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd en meer afgestemd op de in de Successiewet 1956 opgenomen bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuiffaciliteiten voor de belastingplichtige ondernemer. In deze bijdrage worden de gewijzigde faciliteiten besproken.

D Bert Alink Mr. E. Alink is als docent belastingrecht verbonden aan het Fiscaal Instituut van de Universiteit van Tilburg en tevens werkzaam als fiscaal adviseur bij Extendum te Veldhoven.

8

e Wet IB 2001 kent met betrekking tot een aanmerkelijk belang verschillende mogelijkheden voor het doorschuiven van de fiscale claim op vervreemdingsvoordelen in geval van huwelijk, echtscheiding en overlijden. Tot 1 januari 2010 was deze faciliteit opgenomen in artikel 4.17 Wet IB 2001. Anders dan bij andere faciliteiten hoefde niet om toepassing van de regeling te worden verzocht, maar werd de regeling van rechtswege toegepast. Artikel 4.38, lid 1 Wet IB 2001 geeft de mogelijkheid om op verzoek toch af te rekenen. Deze faciliteiten zijn bij de Wet Overige Fiscale Maatregelen 2010 meer in overeenstemming gebracht met de bedrijfsopvolgingsregeling uit de Successiewet 1956 en de doorschuiffaciliteiten met betrekking tot een onderneming. Enerzijds heeft dat geleid tot een uitbreiding van de faciliteiten met gevallen waarin een aanmerkelijk belang wordt geschonken en anderzijds is er sprake van een beperking tot vervreemdingsvoordelen die kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen. Sinds 1 januari 2010 is doorschuiving met betrekking tot beleggingsvermogen nog slechts mogelijk bij verkrijging krachtens huwelijksvermogensrecht of ingevolge de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Om een en ander goed te regelen zijn de verschillende faciliteiten ondergebracht in afzonderlijke bepalingen.

Het Register | september 2010 | nummer 9

1

Artikel 4.17 Wet IB 2001 geeft een faciliteit bij verkrijging krachtens huwelijksvermogensrecht en verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. 2 Artikel 4.17a Wet IB 2001 geeft een faciliteit bij verkrijging krachtens erfrecht. 3 Artikel 4.17b Wet IB 2001 geeft een faciliteit bij verdeling van een nalatenschap. 4 Artikel 4.17c Wet IB 2001 geeft een faciliteit bij schenking. Hierna zal ik deze vanaf 1 januari 2010 bestaande mogelijkheden verder bespreken.

Ad 1. Verkrijging krachtens huwelijksvermogensrecht of verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap Ingeval een ab-houder in het huwelijk treedt zonder het maken van huwelijksvoorwaarden, valt het ab-pakket in de huwelijksgoederengemeenschap. Feitelijk heeft dit tot gevolg dat de partner van de belastingplichtige medeeigenaar wordt van het ab-pakket. Op grond van artikel 4.16, lid 1, onderdeel e Wet IB 2001 vervreemdt de abhouder bij het aangaan van het huwelijk de helft van zijn ab-pakket. Artikel 4.17 Wet IB 2001 voorkomt van rechtswege dat het huwelijk niet leidt tot feitelijke belastingbetaling. Als de ab-houder dat wenst, is afrekening


■ ■ ■ ■ ■

In een huwelijksgoederengemeenschap is de partner van de belastingplichtige mede-eigenaar van het ab-pakket. Bij ongelijke verdeling van dit pakket na scheiding, is er sprake van een vervreemding.

wel mogelijk. Belastingplichtige moet daarom verzoeken (artikel 4.38 Wet IB 2001).

ding is overigens met ingang van 1 januari 2010 inhoudelijk niet gewijzigd.

In het geval partners die in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd besluiten te gaan scheiden, zal de huwelijksgoederengemeenschap door de echtscheiding worden ontbonden. Beide partners blijven gezamenlijk houder van het ab-pakket. Doorgaans zal de echtscheiding ertoe leiden dat de onverdeeldheid wordt opgeheven door een verdeling. Als het ab-pakket niet gelijkelijk wordt verdeeld over de beide partners, is er sprake van een vervreemding van (een deel van) het ab-pakket. Zonder nadere regeling leidt dat tot afrekening over het vervreemdingsvoordeel. Deze afrekening kan echter worden voorkomen door de verdeling te laten plaatsvinden binnen twee jaar na ontbinding van het huwelijk. Voorwaarde voor toepassing van de faciliteit is wel dat de verkrijger van de aandelen binnenlands belastingplichtig is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor rekening van de belastingplichtige gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. De genoemde voorwaarden vinden hun oorzaak in het voorkomen van claimverlies.

Ad 2. Verkrijging krachtens erfrecht

Als artikel 4.17 Wet IB 2001 wordt toegepast, wordt de voor de vervreemder geldende verkrijgingsprijs op grond van artikel 4.39 Wet IB 2001 doorgeschoven naar de verkrijger. De doorschuiffaciliteit bij huwelijk en echtschei-

De eigendomsovergang krachtens erfrecht wordt op grond van artikel 4.16, lid 1, onderdeel e Wet IB 2001 aangemerkt als vervreemding. Het is hierbij niet van belang of er sprake is van een verkrijging als erfgenaam (verkrijging onder algemene titel) of als legataris (verkrijging onder bijzondere titel). De wetgever heeft ervoor gekozen de overgang krachtens erfrecht van een onderneming of een ab-pakket niet te belemmeren door het heffen van erfbelasting of inkomstenbelasting. Voor wat betreft de

Geen afrekening bij verdeling binnen twee jaar na ontbinden huwelijk inkomstenbelasting voorziet artikel 4.17a, lid 1 Wet IB 2001 in de mogelijkheid om de overgang krachtens erfrecht op verzoek niet aan te merken als vervreemding. Toepassing van de faciliteit is slechts mogelijk als aan de volgende voorwaarden is voldaan: ■ de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben drijft een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 of houdt een

september 2010 | nummer 9 | Het Register

9


■ ■ ■ ■ ■

Aanmerkelijk belang

medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 3.3, lid 1, onderdeel a Wet IB 2001 (ondernemingstoets); ■ de aandelen of winstbewijzen behoren bij de erflater niet tot een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 Wet IB 2001 (meetrekregeling); ■ de verkrijger is binnenlands belastingplichtig en de verkregen aandelen maken geen deel uit van een ondernemingsvermogen en behoren niet tot het resultaat uit een werkzaamheid; ■ bij verkrijging onder bijzondere titel vindt de verkrijging plaats binnen twee jaar na het overlijden. Als aan de hiervóór genoemde voorwaarden is voldaan, wordt op grond van artikel 4.17a, lid 2 Wet IB 2001 het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben niet als

Consolidatie alleen bij aanmerkelijk belang van erflater in werkmaatschappij vervreemding aangemerkt. Wat tot het ondernemingsvermogen kan worden gerekend is nader uitgewerkt in lid 6 van artikel 4.17a Wet IB 2001. Op grond van dat lid behoren tot het ondernemingsvermogen: ■ de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming of medegerechtigdheid als bedoeld in artikel 4.17a, lid 1 Wet IB 2001; ■ het beleggingsvermogen tot ten hoogste 5% van de waarde in het economisch verkeer van de hiervóór bedoelde bezittingen en schulden. Als afrekening op grond van het voorgaande achterwege blijft, wordt de voor de erflater geldende verkrijgingsprijs doorgeschoven naar de erfgenamen. Als afrekening slechts voor een gedeelte achterwege kan blijven omdat een deel van de waarde van het ab-pakket moet worden toegerekend aan beleggingen, wordt de voor de erflater geldende verkrijgingsprijs zoveel mogelijk toegerekend aan het deel waarover wel moet worden afgerekend (artikel 4.19, lid 2 Wet IB 2001). Het voorgaande licht ik toe met een voorbeeld ontleend aan de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2010. Voorbeeld Belastingplichtige A bezit alle aandelen in X-bv. De waarde van de aandelen in X-bv bedraagt 1000, waarvan 800 toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen en 200 aan het beleggingsvermogen van X-bv. Zijn verkrijgingsprijs bedraagt 300. A overlijdt en zijn twee kinderen B en C zijn de erfgenaam. B en C wonen beiden in Nederland. Een en ander werkt als volgt uit.

10

Het Register | september 2010 | nummer 9

Het overlijden van A vormt een fictieve vervreemding voor de ab-regeling aan B en C voor de waarde in het economisch verkeer, zijnde 1000. Voor het deel dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen wordt bij toepassing van de doorschuifregeling van artikel 4.17a Wet IB 2001 de vervreemding teruggenomen. Als ondernemingsvermogen kan in dit verband 840 (800 + 5% van 800) in aanmerking worden genomen. Voor het deel dat toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen (160) is er wel een vervreemding (er is dus een overdrachtsprijs van 160). Door het bepaalde in artikel 4.19 Wet IB 2001 kan A op deze overdrachtsprijs van 160 zijn verkrijgingsprijs van 300 tot een bedrag van 160 in mindering brengen, waardoor er per saldo bij A geen vervreemdingsvoordeel wordt geconstateerd. A heeft 160 van zijn verkrijgingsprijs ‘verbruikt’ zodat het restant van 140 wordt doorgeschoven naar zijn erfgenamen (70 voor B en 70 voor C) B en C verkrijgen ieder de helft. De verkrijgingsprijs voor B en C bedraagt in totaal 300, dus 150 voor ieder. Dat bedrag van 150 bestaat uit 80 voor het deel van de overdracht dat als vervreemding is aangemerkt plus 70 van de doorgeschoven verkrijgingsprijs van A. Zoals hiervóór is aangegeven moet wel worden afgerekend over de waarde van de verkregen aandelen voor zover die waarde kan worden toegerekend aan beleggingsvermogen. Het komt in de praktijk regelmatig voor dat de daarvoor benodigde middelen door middel van een dividenduitkering aan de vennootschap moeten worden onttrokken. Die uitkering zou dan als regulier voordeel bij de erfgenamen in de belastingheffing moeten worden betrokken. Laatstbedoelde heffing kan op verzoek van de belanghebbenden achterwege blijven. Een en ander is geregeld in artikel 4.12a Wet IB 2001. Voorwaarde voor het achterwege laten van de heffing is dat het bedrag dat buiten de heffing wordt gelaten wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de verkregen aandelen. Op grond van artikel 4.17a, lid 5 Wet IB 2001 kan ook de vererving van aandelen in een holdingvennootschap onder de doorschuiffaciliteiten vallen, ondanks het feit dat de holdingvennootschap geen materiële onderneming drijft. Of en in hoeverre de doorschuiffaciliteiten kunnen worden toegepast moet worden beoordeeld door de bezittingen en schulden van de werkmaatschappij toe te rekenen aan de holding. Consolidatie is slechts mogelijk als de erflater een indirect aanmerkelijk belang heeft in de werkmaatschappij. Ook ten aanzien van een indirect belang dat kleiner is dan 5% is doorschuiving onder omstandigheden mogelijk. Het betreft dan situaties waarin een het aanmerkelijk belang door verervingen is gedaald onder de 5%. Bij een indirect belang kleiner dan 0,5% is consolidatie overigens niet mogelijk. Een bijzondere situatie doet zich voor als een in gemeenschap van goederen gehuwde belastingplichtige komt te overlijden. Als gevolg van het overlijden van deze belastingplichtige wordt de huwelijksgoederenge-


■ ■ ■ ■ ■

meenschap ontbonden. In het geval de erflater geen testament heeft gemaakt en een echtgenoot en kinderen nalaat, worden alle goederen van de nalatenschap op grond van de in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen wettelijke verdeling toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot. Aan verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap komen we niet toe. De echtgenoot krijgt het aandeel van erflater in de aandelen krachtens erfrecht. Voor zover geen sprake is van ondernemingsvermogen kan als gevolg van de in artikel 4.17a Wet IB 2001 opgenomen ondernemingstoets niet worden doorgeschoven.

Ad 3. Verdeling van een nalatenschap

Als de erflater wel een testament heeft gemaakt en zijn echtgenoot en kinderen als erfgenamen heeft nagelaten, behoort het aandeel van de erflater in de huwelijksgoederengemeenschap tot de nalatenschap. In beginsel wordt dus een onverdeeld aandeel in het ab-pakket geërfd door de erfgenamen. In deze casus kan de ontstane onverdeeldheid op twee manieren worden verdeeld. ■ Het ab-pakket wordt toegedeeld aan de langstlevende echtgenoot. ■ Het ab-pakket wordt toegedeeld aan de kinderen.

Hiervóór heb ik aangegeven dat doorschuiven niet mogelijk is als de verkrijgende erfgenaam buitenlands belastingplichtig is. In de praktijk kan het voorkomen dat de desbetreffende aandelen bij de verdeling van de nalatenschap worden toegedeeld aan de overige erfgenamen die wel binnenlands belastingplichtig zijn. Lid 2 van artikel 4.17b Wet IB 2001 voorkomt (op verzoek) voor die gevallen dat er ter zake van het openvallen van de nalatenschap wordt afgerekend over het aandeel van de buitenlands belastingplichtige erfgenaam.

Als een nalatenschap wordt verdeeld en daardoor de gerechtigdheid tot het ab-pakket wijzigt, is er sprake van een vervreemding waarbij in beginsel moet worden afgerekend. De geconstateerde vervreemding wordt op verzoek van de belanghebbenden weer teruggenomen als de verdeling van de nalatenschap plaatsvindt binnen twee jaar na het overlijden van de erflater (artikel 4.17b Wet IB 2001). Ook nu wordt weer de eis gesteld dat de verkrijger binnenlands belastingplichtig is en deze de aandelen niet rekent tot het ondernemingsvermogen of resultaat uit een werkzaamheid.

Ad 4. Schenking van een ab-pakket In het eerste geval is er sprake van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en komen we op grond van artikel 4.17 Wet IB 2001 niet toe aan afrekening. Aan de verdeling gaat echter wel een erfrechtelijke verkrijging vooraf. Voor zover geen sprake is van ondernemingsvermogen dient dan op grond van artikel 4.17a Wet IB 2001 toch te worden afgerekend. In het tweede geval verkrijgen de kinderen niet alleen het bij het openvallen van de nalatenschap al verkregen onverdeelde aandeel in het ab-pakket, maar ook het aandeel van de langstlevende echtgenoot daarin. Voor zover het een aan de erflater toe te rekenen aandeel betreft is er sprake van verkrijging krachtens erfrecht onder algemene titel. Dit wordt op grond van artikel 4.16, lid 1, onderdeel e Wet IB 2001 als een vervreemding aangemerkt. Op grond van artikel 4.17a Wet IB 2001 is doorschuiving mogelijk voor zover er sprake is van ondernemingsvermogen. Voor wat betreft het deel dat afkomstig is van de langstlevende echtgenoot is er voor de kinderen eveneens sprake van een verkrijging krachtens erfrecht. Voor de toepassing van de Wet IB 2001 kan nu blijkens de memorie van toelichting worden gediscussieerd over het antwoord op de vraag of er ten aanzien van dat deel wel sprake is van een vervreemding. Om discussie hierover te voorkomen is lid 8 in artikel 4.17a Wet IB 2001 opgenomen. Ook het van de langstlevende echtgenoot afkomstige deel van het ab-pakket wordt geacht door de erflater te zijn vervreemd. Ook dit deel van het ab-pakket kan als gevolg daarvan onder de doorschuifregeling van artikel 4.17a Wet IB 2001 worden gebracht. Over de toepassing van genoemde bepaling kan overigens nog verschillend worden gedacht. Ik verwijs hiervoor naar de in V-N 2010/26.21 opgenomen vraag van E.H. te L en het daarop door de redactie gegeven antwoord.

Schenking van een ab-pakket is evenals de verkoop daarvan (eventueel tegen een te lage prijs) een vervreemding. In beginsel moet ter zake daarvan worden afgerekend over het verschil tussen de aan het ab-pakket toe te kennen waarde in het economisch verkeer (artikel 4.22 Wet IB 2001) en de voor de schenker/verkoper geldende verkrijgingsprijs. Met

Doorschuiven is niet mogelijjk als verkrijger buitenlands belastingplichtig is ingang van 1 januari 2010 wordt met betrekking tot de schenking, waaronder begrepen de overdracht tegen een lagere tegenprestatie dan de aan de aandelen toe te kennen waarde in het economisch verkeer, op verzoek geen vervreemding in aanmerking genomen (artikel 4.17c Wet IB 2001). Met de introductie van deze faciliteit worden de fiscale gevolgen bij schenking van een abpakket in overeenstemming gebracht met de in artikel 3.63 Wet IB 2001 opgenomen doorschuiffaciliteit bij overdracht van een onderneming. Opmerkelijk is dat de faciliteit ten aanzien van een ab-pakket beperkt blijft tot gevallen waarin er sprake is van een schenking. De faciliteit is op grond van artikel 4.17c, lid 1 Wet IB 2001 overigens slechts van toepassing als aan de volgende voorwaarden is voldaan. ■ De vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben drijft een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 Wet IB 2001 of houdt een medegerechtigdheid in als bedoeld in artikel 3.3 Wet IB 2001 (ondernemingstoets).

september 2010 | nummer 9 | Het Register

11


■ ■ ■ ■ ■

Aanmerkelijk belang

■ De aandelen of winstbewijzen behoren bij de vervreemder niet tot een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.10 Wet IB 2001 (meetrekregeling). ■ De verkrijger is binnenlands belastingplichtig en de verkregen aandelen of winstbewijzen maken geen deel uit van een voor zijn rekening gedreven onderneming en behoren niet tot het resultaat van een werkzaamheid. ■ De verkrijger is al gedurende de 36 maanden die voorafgaan aan het tijdstip van de vervreemding in dienstbetrekking van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben. Voor de toepassing van artikel 4.17c Wet IB 2001 geldt dezelfde omschrijving van het ondernemingsvermogen als bij artikel 4.17a Wet IB 2001. De werking van de doorschuifregeling bij schenking licht ik hierna toe met een tweetal voorbeelden ontleend aan de memorie van toelichting. Voorbeeld 1 Belastingplichtige A bezit alle aandelen in X-bv. De waarde van de aandelen in X-bv bedraagt 1000, waarvan 800 toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen en 200 aan het beleggingsvermogen van X-bv. Zijn verkrijgingsprijs bedraagt 300. A schenkt alle aandelen in X-bv aan zijn zoon B. De overdracht krachtens schenking vormt een vervreemding van de aandelen voor de waarde in het economisch verkeer, zijnde 1000. Voor het deel dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen ad 800 wordt bij toepassing van de doorschuifregeling geen vervreemding geconstateerd. Resteert een vervreemding voor het deel dat ziet op het beleggingsvermogen ad 200. A kan zijn verkrijgingsprijs met 200 verminderen waardoor er per saldo bij A geen vervreemdingsvoordeel wordt geconstateerd. Hierna heeft A nog 100 aan verkrijgingsprijs over. Dat gedeelte van de verkrijgingsprijs wordt doorgeschoven naar B. De verkrijgingsprijs voor B bedraagt 300, bestaande uit 200 voor het deel van de overdracht dat bij A een vervreemding vormt plus 100, zijnde het restant van de verkrijgingsprijs van A dat wordt doorgeschoven. Voorbeeld 2 Dezelfde uitgangpositie als in voorbeeld 1, maar nu verkoopt A alle aandelen in X-bv aan B voor 750. Ook deze overdracht vormt een vervreemding van de aandelen voor de waarde in het economisch verkeer, zijnde 1000. De ontvangen tegenprestatie ad 750 wordt zoveel mogelijk toegerekend aan de waarde van de aandelen in het economisch verkeer, voor zover toerekenbaar aan het beleggingsvermogen van X-bv. Het beleggingsdeel is 200, zodat van de tegenprestatie 200 hieraan wordt toegerekend. Het restant van de tegenprestatie is 550 en dat wordt aan het ondernemingsvermogendeel toegerekend. Voor het deel van de waarde van de aandelen in het economisch verkeer dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen (800) wordt bij toepassing van de door-

12

Het Register | september 2010 | nummer 9

schuifregeling geen vervreemding geconstateerd, voor zover voor dat deel geen tegenprestatie is ontvangen. Voor dit deel geldt 550 als tegenprestatie, zodat voor 250 (de gift) bij toepassing van de doorschuifregeling de vervreemding wordt teruggenomen. Bij A resteert een vervreemding voor 750. De schenker kan zijn volledige verkrijgingsprijs (300) hierop in mindering brengen waardoor er per saldo bij A een vervreemdingsvoordeel wordt geconstateerd van 450. De verkrijgingsprijs voor B bedraagt 750, zijnde het deel van de overdracht dat bij A een vervreemding vormt. A heeft zijn volledige verkrijgingsprijs in aanmerking genomen, dus wordt er geen verkrijgingsprijs van A doorgeschoven naar B. De voorgestelde doorschuifregeling werkt dus als volgt uit: ■ als er geen sprake is van een schenking of een andere gift, moet er worden afgerekend; ■ als er sprake is van een schenking, moet er over de waarde van de aandelen toerekenbaar aan het beleggingsvermogen worden afgerekend en kan de waarde van de aandelen toerekenbaar aan de materiële onderneming worden doorgeschoven; ■ als er sprake is van een andere gift, moet er over de waarde van de aandelen toerekenbaar aan het beleggingsvermogen worden afgerekend en over hetgeen meer wordt ontvangen dan die waarde.

Preferente aandelen Een belangrijk aspect van de wijzigingen in de doorschuiffaciliteiten is gelegen in het feit dat doorschuiving nog uitsluitend mogelijk is in gevallen van reële bedrijfsopvolging. Tegen die achtergrond zijn in lid 3 van artikel 4.17a Wet IB 2001 nadere voorwaarden opgenomen die zien op vererving van preferente aandelen. Kortgezegd komt het er op neer dat de doorschuiving nog slechts mogelijk is als de preferente aandelen door de erflater zijn verkregen in het kader van een bedrijfsopvolging.

Samenvatting en conclusie De doorschuiffaciliteiten met betrekking tot een aanmerkelijk belang zijn met ingang van 1 januari 2010 opgenomen in meerdere artikelen. Een en ander komt de leesbaarheid van de wettekst ten goede. Anders dan tot 1 januari 2010 is doorschuiving bij vererving niet langer een automatisme. De belanghebbende moet voor toepassing van die faciliteit een verzoek indienen. Om tegemoet te komen aan een al langer bij het bedrijfsleven bestaande wens is doorschuiving nu ook mogelijk bij schenking van aandelen. De faciliteiten zijn daardoor meer in evenwicht met faciliteiten in de Successiewet 1956 en de faciliteiten ten aanzien van ondernemingen. De aanpassing heeft wel een prijs. Doorschuiving is sinds 1 januari 2010 nog slechts mogelijk voor zover de waarde van de verkregen aandelen of winstbewijzen staat tegenover de waarde van een materiële onderneming. ■


COL UMN

Fiscaal paradijs voor de FIFA? Medio augustus is een delegatie van de FIFA op bezoek geweest bij demissionair premier Balkenende en demissionair minister Klink. Want Nederland wil, samen met de zuiderburen, graag gastheer zijn voor het WK voetbal in 2018 of 2022. Begrijpelijk, want Nederland speelt meer dan een leuk partijtje mee op het wereldvoetbalveld. Maar je kunt vraagtekens zetten bij de eisen die wereldvoetbalbond FIFA oplegt aan landen die een WK binnen hun grenzen willen halen. In een Bidbook moeten kandidaatlanden aangeven in hoeverre zij de FIFA-eisen inwilligen. Het meer dan 600 pagina’s tellende Bidbook van The HollandBelgium Bid, dat al in mei is ondertekend door de Nederlandse regering en door Cruijff en Gullit met gepaste eerbied aan FIFA-voorzitter Blatter is overhandigd, bevat onder andere vergaande belastingprivileges die Nederland op voorhand heeft toegezegd aan de FIFA en haar partners. Wie het totale Bidbook wil inzien zal zich moeten melden bij het kantoor van The HollandBelgium Bid in Eindhoven. Kopieën worden niet verstrekt. Wie de door onze regering toegezegde fiscale garanties (Government Guarantees 3 en 8) wil lezen kan terecht op www.overheid.nl onder Tweede Kamer 2009-2010, nr. 32371. De vrijstellingen van gemeentelijke belastingen zijn te vinden op www.tctubantia.nl waar de Host City Agreement tussen Enschede en de FIFA kan worden gedownload. Het is allemaal even zoeken, maar het is de moeite waard, want in deze stukken staan fiscale garanties waar een mkb’er bij gaat watertanden.

Prof. dr. Han Kogels FB Hoogleraar Europees belastingrecht Erasmus Universiteit Rotterdam

Kort samengevat gaat het om een algehele vrijstelling van alle huidige én toekomstige oor belastingen voor de FIFA en andere bij het WK betrokken organisaties, zoals de KNVB. En voor alle goederen en diensten die andere bedrijven aan de FIFA en haar partners leveren. Een vrijstelling van álle belastingen? Jawel! Inkomstenbelasting, loonheffing, m vennootschapsbelasting, accijnzen, milieubelastingen, gemeentelijke belasting, btw en noem maar op. En kan dat allemaal? Nou nee, dat niet. Want demissionair minister De Jager heeft e intussen op ‘twitter’ al laten weten dat de Europese btw-richtlijn hem verbiedt om zomaar d de Nederlandse btw-wetgeving te wijzigen. De kaartjes voor de in Nederland georganiseerde WK-wedstrijden en alle andere diensten die met het WK samenhangen zijn immers in e el. Nederland belast met btw. Maar al die andere belastingvrijstellingen kunnen volgens hem wel. Dus kennelijk ook vrijstelling van accijnzen, energiebelastingen en milieubelastingen. En zelfs als dat niet zo blijkt te zijn, dan heeft de FIFA zich ingedekt. Want alle toch geheven belastingen zullen, zo heeft Nederland toegezegd, gewoon aan de FIFA en haar partners worden terugbetaald. Als schadevergoeding, zoals het wordt genoemd. Je kunt je afvragen off dat door de Europese Commissie niet als staatssteun wordt aangemerkt. Peter Kavelaars, Dennis Weber en schrijver dezes hebben op http://weblogs.nrc.nl/geld vraagtekens gezet bij deze vergaande eisen die de FIFA stelt. Intussen hebben Kamerleden p vragen aan de regering gesteld. Met alle respect voor onze sportminister Klink, maar ik hoop e toch dat zijn ambtsgenoot De Jager de fiscale vragen zal beantwoorden. Dan zal blijken of de n FIFA in staat is haar eigen fiscale paradijs in Nederland te creëren. FIFA Hollandia, om even in de sfeer van Koning Voetbal te blijven. ■

september 2010 | nummer 9 | Het Register

13


HET

Interview Directeur-generaal Peter Veld van de Belastingdienst sttingd dienst

‘Wij gaan uit van vertrouwen’ Om vragen van belastingadviseurs snel te beantwoorden wordt vóór het einde van dit jaar de Helpdesk Intermediairs ‘uitgerold’, belooft directeur-generaal van de Belastingdienst Peter Veld. Ondertekenaars van het horizontaaltoezichtconvenant hebben al een vast aanspreekpunt. Zo’n convenant zegt de Belastingdienst niet op als adviseurs gaan procederen. ‘Er blijft altijd ruimte voor een zakelijke discussie.’ Door Lex van Almelo

P

eter Veld is sinds 1 juli 2009 directeur-generaal van de Belastingdienst. Daarvoor was hij onder meer hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst bij Justitie en plaatsvervangend secretaris-generaal op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. U bent dus meer een manager dan een fiscaal dier? ‘Hoofd van de Belastingdienst is één van de mooiste functies die je kan worden toevertrouwd. Het maatschappelijk belang van de dienst is groot en het is een groot, veelzijdig bedrijf. Ik ben voor zeven jaar benoemd. Ik ga kijken of ik de organisatie in die tijd weer een stap verder kan brengen.’ Maar er staan wel forse bezuinigingen voor de deur. Er is al gezegd dat er 5000 ambtenaren moeten verdwijnen. ‘We weten nog niet welke bezuinigingen op ons afkomen. Maar het is wel zo dat alle politieke partijen willen bezuinigen op het overheidsapparaat. Het zou niet merkwaardig zijn als ook de Belastingdienst moet bezuinigen. Er zijn al verschillende onderzoeken gedaan naar mogelijke veranderingen. Er liggen rapporten van een heroverwegingscommissie en een studiecommissie. Als we ervoor zorgen dat er minder ondernemers en belastingplichtigen aangifte hoeven te doen, vermindert de omvang van taken van de Belastingdienst. We moeten

14

Het Register | september 2010 | nummer 9

Foto: Roel Dijkstra

taken veranderen en slimmer werken. Maar die opgave e is van alle tijden.’ Het is dus niet zo’n punt? ‘Veranderen is altijd moeilijk. Mensen doen hun werk lmet enthousiasme, met hart en ziel. En dan doet het altijd pijn wanneer het werk verandert.’

Bereikbaarheid De bereikbaarheid van de Belastingdienst is niet optimaal.l. Hoe gaat u dat verbeteren? ‘De bereikbaarheid is niet 100%. Dat kan ook niet. het gaat met pieken en dalen. Wij krijgen 17 miljoen telefoontjes per jaar. Een derde daarvan tijdens de n aangifteperiode. Meer dan 80% van de telefoontjes van burgers wordt binnen 30 seconden aangenomen. Dat iss arnog vrij behoorlijk. Voor ondernemers ligt de bereikbaarets heid iets onder de 90%, voor belastingadviseurs zelfs iets n is erboven. Uit de fiscale monitor blijkt dat 81% tevreden over de kwaliteit van het antwoord. Daarvoor lag dat percentage op 74.’ nToch hoor je belastingadviseurs klagen dat zij moeilijk contact krijgen met de Belastingdienst. ‘We zijn nu bezig om een Helpdesk Intermediairs in te lt, richten. Wanneer je daar als belastingadviseur heen belt, krijg je direct iemand aan de lijn, zonder keuzemenu. In


HET H ET

■ ■ ■ ■

negen van de tien gevallen krijg je onmiddellijk antwoord. Eind 2010 wordt de helpdesk in het hele land uitgerold. Het gaat al goed, maar het kan nog beter. Ik vind de bereikbaarheid één van de belangrijkere onderwerpen. Een goede bereikbaarheid helpt ook mee aan compliance.’ Tegenwoordig belt de Belastingdienst bezwaarmakers op. Vervangen deze telefoontjes het horen van de reclamant? ‘De meeste burgers en bedrijven die een bezwaarschrift indienen, hebben er behoefte aan iets te regelen of te veranderen. Daarvoor moest je eerst een bezwaarschrift indienen. Maar dat is omslachtig. Daarom hebben we geregeld dat belastingplichtigen nu ook gewoon bellen als

‘Ik houd niet van papier’ zij bijvoorbeeld een mutatie willen doorgeven naar aanleiding van een voorlopige aanslag. En kan de Belastingdienst de burger bellen naar aanleiding van een bezwaarschrift. In zo’n telefoongesprek blijkt waar de schoen echt wringt. In een dialoog wordt het probleem heel duidelijk. Vaak kunnen we dat meteen oplossen en is het bezwaar verdwenen. En als het niet wordt opgelost, verloopt de vervolgprocedure sneller. Het gaat niet om het juridiseren, maar om het oplossen van het probleem. Met deze aanpak heb ik ook veel resultaten geboekt bij de IND.’ Toch gaat het afhandelen van bezwaarschriften nog niet snel genoeg, schrijft de dienst zelf in haar beheersverslag. ‘87% wordt op tijd afgerond. Ik vind dat een vrij behoorlijke prestatie. Maar ik denk wel dat het nog iets beter kan. Wij streven naar een percentage van boven de 90. Ik houd van tempo. Dat maakt een oplossing makkelijker. Als het lang duurt, bestaat de kans dat de standpunten verharden.’

Papierloos Hoe snel wordt het papier afgeschaft? ‘Ik houd niet van papier. Het zorgt vaak voor onduidelijkheid, die je met mondeling contact sneller kunt ophelderen. Maar in een formele procedure is papier soms nodig. Bij de aangiften van ondernemingen gaat bijna alles digitaal. Bij de IB-plichtigen gaat ongeveer 85% van de aangiften digitaal en daar zijn nog meer stappen mogelijk.

Drs. P.W.A. (Peter) Veld 1951 1971 1977 1978 - 1998 1999 - 2003 2003 - 2009 2009

Geboren te Ravenstein Gymnasium te Oosterhout (N-B) Politicologie en bestuurskunde Katholieke Universiteit Nijmegen Ministerie van VROM Plaatsvervangend secretaris-generaal Ministerie van SZW Hoofddirecteur IND Directeur-generaal Belastingdienst

september 2010 | nummer 9 | Het Register

15


■ ■ ■ ■

Interview

Het voordeel is dat je sneller communiceert over zaken die nú spelen. En de Belastingdienst bespaart tijd, terwijl de kans op fouten afneemt.’ Toch vrezen belastingadviseurs voor een bureaucratiseringsgolf. Verworden zij door XBRL en het sluiten van convenanten niet tot veredelde administrateurs? ‘Nee. Dat helpt juist enorm tegen bureaucratie. De onderneming moet nu bijvoorbeeld gegevens over de winst aanleveren aan de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel, het CBS en banken. Met XBRL heb je een standaard waardoor je die gegevens in één keer naar al die instanties kunt sturen. Dat maakt het juist gemakkelijker. Ook de convenanten leiden niet tot bureaucratie. Het betekent juist dat je als belastingadviseur vooraf ergens terecht kunt voor overleg, dat je direct gehoor vindt bij de dienst. In een vooroverleg kun je bijvoorbeeld eerder duidelijkheid krijgen of een bepaalde opzet voor investeringen mogelijk is. De belastingadviseur is geen veredelde administrateur maar heeft een zelfstandige positie als adviseur die er voor zorgt dat zijn cliënt fiscaal in control is.

Door horizontaal toezicht meer zekerheid vooraf Met een convenant vragen wij niet meer informatie, integendeel. Door horizontaal toezicht hebben beide partijen meer zekerheid vooraf. De Belastingdienst weet wat voor vlees zij in de kuip heeft. Daardoor is een verkorte winstaangifte mogelijk, waarbij veel minder gegevens hoeven worden verstrekt.’ De vooringevulde aangifte rukt op. Maar bespaart die de Belastingdienst nu echt werk? Je moet toch blijven controleren? ‘In 2009 hebben tweeënhalf miljoen mensen een vooringevulde aangifte gedaan. In september sluiten wij vermoedelijk een overeenkomst met de banken over het renseigneren van gegevens over tegoeden. In 2010 en 2011 doen wij een proef met medewerkers van de Belastingdienst en de banken. Als dat goed functioneert breiden wij de vooringevulde aangifte uit met deze gegevens. Later willen wij ook de gegevens over hypothecaire schulden opnemen. Voor de bulk van de mensen zal deze aangifte wel kloppen. Ook voor mijzelf als gewone ambtenaar. Verder zijn wij bezig een stelsel op te zetten met DigID en e-herkenning, zodat de computer van de Belastingdienst de belastingadviseur meteen herkent als deze inlogt namens een cliënt. De belastingplichtige blijft echter verantwoordelijk voor de juiste aangifte. Een vooringevulde aangifte wil niet zeggen dat wij niet méér weten van de belastingplichtige dan wij hebben ingevuld. Wij blijven toezicht uitoefenen en spitsen dat toe op risico’s. Alle IB-aangiften gaan door de interne black box. De computer controleert alles en zegt “hé” als bepaalde waarden worden overschreden. Dan gaan wij gericht controleren.’

16

Het Register | september 2010 | nummer 9

Horizontaal Toezicht Hoeveel partijen hebben inmiddels een convenant over horizontaal toezicht afgesloten? ‘Tussen de 250 en 300 grote bedrijven waarin heel veel geld omgaat. Verder met 41 intermediairs die tweederden van het mkb-segment dekken. En met negen branches, waaronder de bloemenhandel. Het convenant met de bloemenhandel heb ikzelf afgesloten. Het probleem van de honderden bloemisten was dat er in één boeket verschillende bloemen en andere zaken zitten met een hoog en een laag btw-tarief. Op grond van onderzoek hebben wij een passend berekeningstarief afgesproken, waardoor de boekhouding een stuk eenvoudiger wordt en het dispuut met de Belastingdienst is afgelopen. Het gaat bij convenanten dus niet alleen om hoogdravende, maar ook heel praktische dingen. Met de uitzendbranche hebben wij een andere afspraak gemaakt. Wij hebben gezegd: als jullie zorgen voor een ISO-gecertificeerde boekhouding, dan zorgen wij voor één punt waar malafide concurrenten kunnen worden gemeld, die we dan streng gaan controleren. Het grote voordeel van horizontaal toezicht is dat er veel meer in de ‘actualiteit’ wordt gewerkt. Intermediairs krijgen een ingang waar ze voor antwoorden of vooroverleg terecht kunnen. Hierdoor ontstaat rond fiscale vraagstukken meer duidelijkheid vóóraf en minder gedoe als de aanslag al vast staat. Je probeert problemen letterlijk vóór te zijn. De ondernemer weet veel sneller of er nog iets met de Belastingdienst moet worden afgerekend of niet. Daarvoor vragen wij terug dat de fiscaal intermediair een kwaliteitssysteem heeft, klantacceptatieprocedures, collegiale toetsing en review procedures.’ Zijn ondernemingen die geen convenant sluiten niet eerder de pineut? ‘Wij gaan minder controleren bij ondernemingen met een convenant en spitsen de controles meer toe op ondernemingen die geen convenant hebben.’ Ben je zonder convenant niet bij voorbaat verdacht? ‘Natuurlijk niet. In een rechtsstaat is niemand bij voorbaat verdacht. En in Nederland is de belastingmoraal vrij hoog. Bij ondernemingen zonder convenant kunnen de zaken ook perfect op orde zijn. Wij gaan op zoek naar de echte fiscale risico’s en zetten de duurdere vormen van controle – zoals boekencontrole – vooral in bij belastingplichtigen die dat verdienen.’ Belastingadviseurs vrezen dat horizontaal toezicht het praktisch onmogelijk maakt om naar de rechter te stappen. Is die vrees terecht? ‘Met horizontaal toezicht kun je nog wel degelijk naar de rechter. Wij gaan het convenant dan niet intrekken. Wij gaan uit van vertrouwen. Het gaat erom dat een bedrijf transparant is over de financiële risico’s en dat de fiscaal intermediair de risico’s op tafel brengt. Wanneer hij dat niet doet, bij voortduring de randen opzoekt en achteraf blijkt dat hij iets verzwijgt, dan kan dat aanleiding zijn


■ ■ ■ ■

om het convenant op te zeggen. Maar het blijft dus gewoon mogelijk om een pleitbaar standpunt in te nemen.’ Krijgt de inspecteur door horizontaal toe meer ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden? ‘De juridische ruimte blijft hetzelfde. De wet is de wet, er gelden geen andere normen. Maar in het kader van de samenwerking is er een grotere kans dat wij helpen oplossingen te vinden en openstaan voor nieuwe vondsten. Daar zijn andere bedrijven dan ook weer bij gebaat. Zo gaf de markt aan dat de fiscus een pda niet moet zien als een computer maar als een telefoon. Daarop heeft de staatssecretaris de wet aangepast en kunnen werkgevers hun werknemers gemakkelijker een pda verstrekken. Het is beter om op zo’n manier in te spelen op de markt dan na een heleboel jaren conclusies te trekken op grond van jurisprudentie.’

Niet Moralistisch Zijn Op de RB-dag in juni zei Leo Stevens: ‘Als er een route is, mag je de hele weg gebruiken. De hypotheekrente van het zwembad aftrekken is ethisch verwerpelijk. Maar dat de belastinginspecteur je dit euvel duidt, is onbehoorlijk. Dan moet je de wet maar wijzigen. Weg met de fair-sharebenadering.’ Bent u het met Stevens eens? ‘Het is ieders goed recht om een pleitbaar standpunt in te nemen. Maar het is even zo goed mogelijk dat de Be-

lastingdienst de eigen interpretatie blijft volhouden. En dan wordt het soms: “see you in court”. De Belastingdienst moet niet moralistisch zijn, maar een zakelijke discussie voeren. Je kunt ook niet alles dichtregelen zodat je geen meningsverschillen meer hebt. Er moet altijd ruimte blijven voor discussie en voor nieuwe ontwikkelingen. De rechter moet dan soms maar zorgen voor duidelijkheid.’ Hoe terughoudend gaat de Belastingdienst om met de bestuurlijke boete? ‘Wij gaan gewoon uit van vertrouwen in de belastingadviseur. In praktisch alle gevallen is dat terecht. Maar als de appel in de mand echt rot is, moet er iets gebeuren. Dat zal de beroepsgroep ook willen. Een inspecteur kan alleen een bestuurlijke boete opleggen met toestemming van het managementteam en één van mijn naaste medewerkers. Sinds het mogelijk is een bestuurlijke boete op te leggen, hebben wij nog geen gebruikgemaakt van die mogelijkheid.’ Is er beleid of overleg over de keuze voor een bestuurlijke boete, voor de strafrechtelijke aanpak of een tuchtklacht wanneer een belastingadviseur uitglijdt? ‘Nee. Wij bekijken van geval tot geval wat de beste aanpak is, want het komt zo weinig voor.’ ■

september 2010 | nummer 9 | Het Register

17


■ ■ ■ ■ ■

Gouden handdruk nu mogelijk in bankspaarvariant Als een werknemer bij ontslag een gouden handdruk meekrijgt, moet daarop in beginsel direct loonbelasting worden ingehouden. Geeft hij de voorkeur aan uitstel van belastingheffing, dan kan hij beter kiezen voor een gouden handdruk in de vorm van een stamrechtverzekering. Sinds 1 januari 2010 kan de ontslaguitkering – onder gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) – ook in de vorm van een stamrechtspaarrekening bij een bank worden ondergebracht.

M

et de Wet Banksparen werd per 1 januari 2008 de eerste mogelijkheid geboden om fiscaal gefacilieerd – via stortingen op een geblokkeerde bankrekening of beleggingsrecht – een kapitaal voor later op te bouwen. Dat kapitaal moet in de toekomst in termijnen worden uitgekeerd (lijfrente) of worden gebruikt voor de aflossing van de eigenwoningschuld. De afgelopen jaren heeft het kabinet onderzocht of het banksparen kan worden uitgebreid naar andere producten die tot op heden uitsluitend als verzekeringsproduct te verkrijgen zijn. De conclusie is dat producten waar verzekeringstechnische aspecten een wezenlijk onderdeel van uitmaken zich in het algemeen minder lenen voor een bankspaarvariant. Denk daarbij aan de lijfrente voor het invalide (klein)kind en de arbeidsongeschiktheidsrente. Hiervoor is (nog) geen bankspaarvariant geboden. Per 1 januari 2010 heeft de wetgever de vrijstelling in box 3 voor overlijdensverzekeringsproducten wel uitgebreid met een bankspaarvariant (artikel 5.10, lid 1, onderdelen a en b Wet inkomstenbelasting 2001; hierna: Wet IB 2001). Daarmee is de mogelijkheid gecreëerd om op een geblokkeerde spaarrekening bij een bank geld opzij zetten voor de uitvaart, waarbij de al bestaande waardevrijstelling in box 3 kan worden benut. Tot 2010 was het onder gebruikmaking van de (loon)stamrechtvrijstelling alleen mogelijk om met een ontslaguitkering een loonstamrecht(verzekering) bij een verzekeraar of een eigen bv onder te brengen. Vanaf 1 januari 2010 is in de loonbelastingsfeer een vergelijkbare fiscale faciliteit

gecreëerd voor een bancaire variant. In deze vakbijdrage komt voornamelijk die nieuwe spaarvariant aan de orde. Bij de behandeling wordt regelmatig een vergelijking met het verzekerde stamrecht gemaakt.

Beëindiging dienstverband en de gouden handdruk Bij ontslag wordt het bestaande dienstverband tussen een werkgever en zijn werknemer voortijdig verbroken. Enerzijds kan het ontslag zijn oorzaak vinden in bedrijfseconomische aangelegenheden aan de kant van de werkgever. Anderzijds wordt een beëindiging van het dienstverband vaak ingegeven door motieven van individuele aard van de kant van de werkgever óf de werknemer. De kans bestaat dat de werknemer bij het ontslag een ontslaguitkering, oftewel een gouden handdruk, krijgt toegekend. Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst van rechtswege kent de rechter meestal een vergoeding toe aan de hand van de kantonrechtersformule. De hoogte van de gouden handdruk wordt dan bepaald aan de hand van een aantal factoren. De duur van de arbeidsovereenkomst, de leeftijd van de werknemer en het (maand)salaris van de werknemer spelen dan een belangrijke rol. Vanaf begin 2009 is de kantonrechtersformule versoberd.

Erik van Toledo E. van Toledo is werkzaam bij de Belastingdienst, onder andere als lid van de Kennisgroep Verzekeringsproducten. Deze bijdrage is op persoonlijke titel geschreven.

Als de hoogte van de gouden handdruk bekend is, moet de werknemer gaan beslissen wat hij met deze vergoeding gaat doen. Op welke wijze kan de werknemer het bedrag zo goed mogelijk aanwenden? Gegeven de fiscale faciliteiten en consequenties kan de ontslagen werknemer de gouden handdruk op de volgende drie manieren aanwenden:

september 2010 | nummer 9 | Het Register

19


■ ■ ■ ■ ■

Gouden handdruk

■ directe uitbetaling en afrekening over de gouden handdruk; ■ aanwending van de gouden handdruk als koopsom voor een stamrecht; ■ aanwending van de gouden handdruk als koopsom voor een stamrecht bij een eigen stamrecht-bv. Als wordt gekozen voor een eenmalige ontslagvergoeding moet daarop direct loonbelasting tegen het progressieve tarief (maximaal 52%) worden ingehouden en afgedragen aan de Staat der Nederlanden overeenkomstig de

Over eenmalige ontslagvergoeding moet direct belasting worden betaald tabel bijzondere beloningen. In bepaalde situaties kan de bevoegde inspecteur van de Belastingdienst worden verzocht een lager heffingspercentage vast te stellen dan de tabel voor bijzondere beloningen aanwijst (zie besluit nr. CPP2007/283M).

Uitstel van belastingheffing; stamrechtvrijstelling Als directe afrekening niet is gewenst en de werknemer het ‘ontslaggeld’ bovendien niet gelijk nodig heeft, kan uitstel van belastingheffing worden overwogen. De werknemer kan de gouden handdruk in de vorm van een recht op periodieke uitkeringen (stamrecht) laten uitkeren. Er moet dan een stamrecht in plaats van een eenmalige ontslagvergoeding worden toegekend. De keuze daartoe moet tijdig kenbaar worden gemaakt. Onder voorwaarden kan in dat geval gebruik worden gemaakt van de stamrechtvrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel g Wet LB. Vereist is onder meer dat het stamrecht wordt toegekend als vergoeding voor het als gevolg van het ontslag gederfde of te derven loon. Als de werkgever in plaats van een stamrecht een bedrag toekent ter vervanging van de loonderving, kan ook gebruikt worden gemaakt van de stamrechtvrijstelling. Voorwaarde is dan dat de ontslagvergoeding rechtstreeks wordt gestort bij een toegelaten aanbieder als koopsom voor een dergelijk stamrecht. De stamrechttermijnen kunnen direct ingaan dan wel worden uitgesteld

De minimale uitkeringsduur bij verzekering of spaarrekening kan verschillen en vormen dan looninkomsten uit vroegere arbeid. Bij gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling is de ontslaguitkering zelf niet belast voor de loonbelasting, maar zijn de termijnen belast. De hoogte van de te betalen loonbelasting is onder meer afhankelijk van het belastingtarief dat

20

Het Register | september 2010 | nummer 9

geldt op het moment van uitkeren. Bij de belastingheffing over termijnen kan vaak een aardige belastingbesparing worden bereikt wegens progressievoordeel. Professionele verzekeraar of eigen stamrecht-bv Als de werknemer de gouden handdruk – onder gebruikmaking van genoemde stamrechtvrijstelling – onderbrengt in een loondervingsstamrecht, kan hij dat doen in de vorm van een verzekering bij een professionele verzekeraar of een eigen stamrecht-bv. Bij onderbrenging bij een professionele verzekeraar zijn de aanwendingsmogelijkheden beperkter dan bij onderbrenging bij de eigen bv. Zo kan het stamrechtkapitaal in het laatste geval bijvoorbeeld worden benut voor (de start van) een eigen onderneming. Aan de oprichting van een bv zijn wel weer kosten verbonden en het onderbrengen bij de eigen bv brengt vaak meer administratieve werkzaamheden met zich. Een kenmerk van een verzekerd stamrecht is dat de periodieke uitkeringen bij ingang voldoen aan het zogenoemde ‘onzekerheidscriterium’. Dat criterium wordt ingevuld door de bepaling van de sterftekans. Deze sterftekans moet ingevolge vaste jurisprudentie gedurende de gehele looptijd van de periodieke uitkeringen minimaal 1% zijn en is dus (mede)bepalend voor de minimale duur van de uitkeringen. Bancaire spaarvariant Sinds 1 januari 2010 kan de gouden handdruk onder met de loonstamrechtvrijstelling vergelijkbare voorwaarden ook worden ondergebracht in een geblokkeerd(e) stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht bij een financiële instelling. Als in het vervolg van deze bijdrage wordt gesproken over de stamrechtspaarrekening wordt daarmee ook het stamrechtbeleggingsrecht bedoeld. De voorwaarden van de geblokkeerde stamrechtspaarrekening zijn opgenomen in artikel 11a Wet LB. De belangrijkste worden hierna besproken. De minimale looptijd van termijnen uit een stamrechtspaarrekening wordt niet bepaald door het 1%-criterium, maar kan aan de hand van de leeftijd van de gerechtigde tot de uitkeringen worden afgelezen uit de tabel in artikel 12 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB). Met die tabel is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de verzekerde variant, maar toch is volledige aansluiting onmogelijk. Simpelweg omdat een verzekeringsproduct niet hetzelfde is als een spaarrekening. Genoemde tabel maakt geen onderscheid in geslacht, terwijl de sterftekans bij mannen nooit gelijk is aan die bij vrouwen. Kortom, de minimale uitkeringsduur bij een verzekering of bij een spaarrekening kan verschillen! Redelijke termijn bij onderbrenging kapitaal (bij toekenning) Ingeval een ontslagvergoeding is toegekend die is bestemd voor de aankoop van een stamrecht of voor de storting op een stamrechtspaarrekening, wordt de


■ ■ ■ ■ ■

werknemer een redelijke termijn gegund om zich te oriënteren en een besluit te nemen over het soort stamrecht of stamrechtspaarrekening en over de uitvoerder daarvan. Over de lengte en de voorwaarden voor die termijn bestond lange tijd onduidelijkheid. Eind april 2010 heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst met Vraag & Antwoord 10-002 duidelijkheid verschaft (zie www.belastingdienstpensioensite.nl, rubriek ‘V&A-Handreikingen pensioen LB’). In het antwoord is aangegeven dat een termijn van zes maanden als redelijk kan worden aangemerkt. De ontslagvergoeding moet dus binnen die zes maanden na de toekenning ervan zijn ingebracht in een stamrecht dat of een stamrechtspaarrekening die voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Als het niet mogelijk is de ontslagvergoeding binnen de gestelde termijn in te brengen in een stamrecht of een stamrechtspaarrekening, moet de (ex-) werknemer tegenover de inspecteur aannemelijk maken dat in zijn geval de redelijke termijn nog niet is verstreken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er nog onvoldoende instellingen zijn waar een stamrechtspaarrekening kan worden aangehouden. Het voorgaande geldt voor de gevallen waarin de (ex-)werkgever meewerkt aan de toekenning van een stamrecht(verzekering) of stamrechtspaarrekening. Als de (ex-)werkgever daaraan geen medewerking verleent en de ontslagvergoeding rechtstreeks én tegen de wil van de werknemer bij wijze van afkoopsom stort op een bankrekening van de (ex-)werknemer, geldt het volgende. De (ex-)werknemer kan dan onder de in paragraaf 7.2 van het besluit nr. CPP2008/1727M genoemde voorwaarden alsnog een stamrechtverzekering of stamrechtbankspaarproduct bedingen bij een toegelaten uitvoerder. In dat geval geldt een termijn van zes maanden na de ontvangst van de afkoopsom.

Krediet- of beleggingsinstelling voldoet niet aan voorwaarden Als men de schadeloosstelling onbelast wil onderbrengen bij een krediet- of beleggingsinstelling die niet aan deze voorwaarden voldoet, gelden er bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden waren nog niet uitgewerkt bij het ter perse gaan van dit artikel.

■ de beleggingsinstelling mag in Nederland als beleggingsinstelling fungeren. Wettelijke bestedingsdoelen en overige voorwaarden Bij gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling gelden onder meer strikte eisen aan het bestedingsdoel van het tegoed van de stamrechtspaarrekening. Het tegoed moet door de (ex-)werknemer worden gebruikt voor direct ingaande uitkeringen of voor een uitgestelde (niet direct uitkerende) aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Het spaartegoed moet (direct of in de toekomst) jaarlijks in termijnen worden uitgekeerd. De omvang van de termijnen is vergelijkbaar met die van de verzekerde variant. Bovendien moeten de met het bancaire

Stamrechtspaarrekening Vanaf 1 januari 2010 is met de introductie van de bancaire variant voor de stamrechtverzekering een einde gekomen aan de gedwongen winkelnering bij verzekeraars. De (ex-)werknemer kan voor wat betreft het fiscaal vriendelijk onderbrengen van zijn ontslaguitkering voortaan kiezen waar hij die uitkering onderbrengt, dus bij een verzekeraar óf een bancaire instelling. Financiële instellingen Vanaf 2010 is de groep aanbieders waarbij de ontslagvergoeding ‘belastingvrij’ kan worden ondergebracht uitgebreid. Tot de toegelaten aanbieders behoren nu ook een kredietinstelling (stamrechtspaarrekening) en een beleggingsinstelling (stamrechtbeleggingsrekening). Ten aanzien van de instellingen waar de ontslagvergoeding onbelast mag worden ondergebracht in de vorm van een bancair stamrecht geldt het volgende: ■ de kredietinstelling mag in Nederland het bankbedrijf uitoefenen en moet de verplichting uit de stamrechtspaarrekening voor de heffing van vennootschapsbelasting tot het binnenlands ondernemingsvermogen rekenen;

Als de hoogte van de gouden handdruk bekend is, moet de werknemer gaan beslissen wat hij met deze vergoeding gaat doen.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

21


■ ■ ■ ■ ■

Gouden handdruk

spaarproduct behaalde rendementen worden bijgeboekt op de stamrechtspaarrekening. Uitkering bij in leven zijn Bij in leven zijn van de (ex-)werknemer op het moment dat het stamrechtkapitaal expireert of de stamrechtspaarrekening wordt gedeblokkeerd gelden de volgende voorwaarden: ■ de uitkeringen moeten toekomen aan de (ex-)werknemer; ■ de uitkeringen moeten uiterlijk ingaan in het jaar dat hij 65 jaar wordt; ■ de periode tussen de eerste en de laatste uitkering moet minimaal een vastgesteld aantal jaren zijn. Het minimum aantal jaren voor de uitkeringen bij een stamrechtspaarrekening kan worden afgelezen uit de tabel in artikel 12 UR LB en is afhankelijk van de leeftijd van de (ex-)werknemer. Overgang tegoed bij overlijden Op de polis van een stamrechtverzekering is opgenomen wie de begunstigden zijn. Dit zijn (meestal) alleen de begunstigden die behoren tot de in de Wet LB genoemde beperkte kring van begunstigden. Is geen van de tot die beperkte kring behorende begunstigden meer in leven, dan vervalt het verzekerde kapitaal bij overlijden in beginsel aan de verzekeraar. Dit geldt als bij overlijden van de (ex-)werknemer nog niets is uitgekeerd, maar ook als er al wel uitkeringen zijn gedaan. Bij (voor)overlijden van de (ex-)werknemer/rekeninghouder vervalt het spaartegoed van een stamrechtspaarrekening niet aan de bancaire instelling, maar kan belastingvrij overgaan op bepaalde gerechtigden. Daartoe moet in de bankstamrechtovereenkomst dan wel worden

Met loonstamrechtvariant is eind gekomen aan gedwongen winkelnering beschreven aan welke nabestaanden het recht op een uitkering toekomt bij het overlijden van de (ex-)werknemer of van de genieter van de uitkeringen. Dit kan door middel van een begunstigingsclausule. Als de (ex-)werknemer is (voor)overleden én er nog geen uitkeringen zijn gedaan, moeten de uitkeringen direct ingaan en toekomen aan één of meer nabestaanden die in de begunstigingsclausule staan. Uit de hiervóór aangehaalde tabel kan dan worden afgelezen wat de minimale uitkeringsperiode moet zijn. Als de uitkeringen toekomen aan (pleeg)kinderen van de (ex-)werknemer, is het aantal jaren maximaal het aantal jaren dat het (pleeg)kind jonger is dan dertig jaar.

22

Het Register | september 2010 | nummer 9

De volgende personen mogen in de begunstigingsclausule als gerechtigden zijn opgenomen: ■ de (ex-)echtgenoot van de werknemer; ■ degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat; ■ de (pleeg)kinderen van de werknemer die jonger zijn dan dertig jaar.

Als vóór het overlijden van de (ex-)werknemer al termijnen zijn ingegaan (bij leven of overlijden) uit een bancair stamrecht en de genieter van de uitkeringen overlijdt vóór ontvangst van de laatste uitkering, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op de in genoemde begunstigingsclausule vermelde personen. De resterende uitkeringen gaan verder op de wijze die voor de werknemer was vastgesteld. Is bij overlijden van de uitkeringsgerechtigde geen van de volgens de begunstigingsclausule toegestane begunstigden meer in leven, dan vormt het tegoed van de stamrechtspaarrekening loon uit vroegere dienstbetrekking bij de overledene. In dit geval geniet de (overleden) gerechtigde/rekeninghouder in fiscale zin – bij wege van fictie – het loon onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden (artikel 11a, lid 5 Wet LB). In dat geval is geen revisierente verschuldigd! Redelijke termijn bij expiratie/deblokkering Bij expiratie/deblokkering bij ‘in leven zijn’ heeft de uitkeringsgerechtigde een redelijke termijn voor oriëntatie en voor de beoordeling van eventuele offertes. Als de eerste gerechtigde tot de stamrechtuitkeringen op de expiratie- of deblokkeringsdatum nog in leven is, geldt als redelijke termijn een termijn van zes maanden na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum. Bij expiratie of deblokkering als gevolg van het overlijden van de eerste gerechtigde tot de stamrechtuitkeringen geldt een redelijke termijn van twaalf maanden na de expiratie- of deblokkeringsdatum waarbinnen de uitkeringen moeten zijn ingegaan. Voorgaande termijnen gelden bij een overeengekomen stamrecht alleen wanneer de hoogte van de uitkeringen niet al van tevoren vaststaat. De termijnen gelden niet bij stamrechten waarbij de hoogte van de uitkeringen al in de stamrechtovereenkomst is overeengekomen. De termijnen gelden altijd bij bancaire stamrechten, ook als (uiteindelijk) geen stamrecht wordt aangekocht, maar gelden niet als artikel 11a, lid 5 Wet LB toepassing vindt.

Inhouding van loonbelasting De termijnen uit een bancair stamrecht vormen loon uit vroegere dienstbetrekking en worden belast overeenkomstig de groene loonbelastingtabel. In beginsel is de aanbieder van de producten inhoudingsplichtige


■ ■ ■ ■ ■

voor de loonbelasting over de termijnen en over het loon dat bij wege van genoemde fictie wordt genoten. Ingeval de stamrechtverzekering of de stamrechtspaarrekening niet of niet binnen de redelijke termijn tot stand komt of wordt gestort bij een toegelaten aanbieder, kan een ander inhoudingsplichtige zijn (zie Vraag & Antwoord 10-001 op www.belastingdienstpensioensite.nl of zie www.fiscaalleven.nl voor meer informatie).

Tot slot Met de invoering van een bankspaarvariant voor stamrechten zijn de keuzemogelijkheden voor de werknemer om iets te doen met een ontvangen ontslagvergoeding uitgebreid. Aan die bancaire spaarvariant bestond grote behoefte sinds de invoering van de Wet Banksparen in 2008. Aanvankelijk stonden de banken niet erg te springen bankspaarproducten aan te bieden en was het rijtje met producten povertjes. Bankspaarproducten werden ook nog niet direct standaard meegenomen in een advies. In de loop van 2008 is het aantal aangeboden bankspaarpro-

ducten fors toegenomen. Tegenwoordig behoort de bankspaarvariant standaard tot het keuze- en adviespalet. Na de introductie van de fiscale faciliteit voor de stamrechtspaarrekening werden al direct de eerste stamrechtspaarrekeningproducten op de markt aangeboden; een snelle reactie op de bestaande behoefte. Al met al is de praktijk goed bediend met de verdere uitbreiding van

Als rekeninghouder (voor)overlijdt vervalt het spaartegoed niet aan de bank de bankspaarfaciliteiten per 1 januari 2010. Gelet op de verschillen tussen verzekeren en sparen loont het zeker een vergelijkende berekening te maken. Een mooie uitdaging voor de belastingadviseur. De bankspaarvariant lijkt met name een waardevol alternatief voor lage ontslagvergoedingen. Hier zijn naar verwachting minder kosten aan verbonden dan aan de verzekerde variant. ■

september 2010 | nummer 9 | Het Register

23


IN

De praktijk In gesprek met mr. Eugène ne J.M. Rosier

De FIOD op bezoek Als u als belastingadviseur vanw vanwege wege één van uw klanten de FIOD op bezoek krijgt, moet u weten wat u te wachten staat. Want u kunt, omdat u er geen ervaring mee heeft, argeloos n een werkwijze die ergens intuinen. Bijvoorbeeld in eerst als prettig en ontspannen wordt ervaren, maar vervolgens menens wordt, somss ook hard en eurs direct. Sommige belastingadviseurs ervaren dit als ‘dolk in de rug’. Door Charles Muetstege

Mr. E. (Eugène) J.M. Rosier was van 1986 tot 1993 belastingadviseur, het laatste bij Buruma Maris in Rotterdam. Nadat hij was toegelaten tot de Rotterdamse balie trad hij vrij snel daarna ook als partner toe van Buruma. In 1999 werd hij partner bij De Brauw Blackstone Westbroek. De afgelopen vijf jaar was hij advocaat-belastingkundige bij Hertoghs Advocaten en sinds 1 april dit jaar is hij advocaat-belastingkundige bij Thuis & Partners advocaten in Heerlen en Maastricht. Hij is tevens raadsheerplaatsvervanger bij de Belastingkamer van het gerechtshof te Den Haag en arbiter bij het Nederlands Arbitrage Instituut. Hij is docent en mede-auteur van onder meer het boekje ‘De fiscale boete in de praktijk’ (2009). Ook schrijft hij voor diverse fiscale bladen.

A

dvocaat-belastingkundige en oud-belastingadviseur Eugène Rosier zegt dat het beroep van belastingadviseur ook een commerciële kant heeft. Dat is een heel andere insteek dan de FIOD heeft. ‘Commerciële mensen zijn in hun werk gewend om aardig te zijn, open en informatief. Dat werkt bij een bezoek van de FIOD tegen je!’ Het gaat in ongeveer de helft van de FIOD-zaken om zwarte inkomsten (verdiensten, commissies, zwarte lonen) en de andere helft bestaat uit fiscale constructies die als frauduleus worden aangemerkt, maar dat beslist niet altijd zijn. Rosier: ‘De meeste adviseurs denken dat ze het wel even zullen uitleggen allemaal, maar in een verhoor blijken ze de feiten en omstandigheden aangedragen door de FIOD, zich niet of onvoldoende te kunnen herinneren. De FIOD-opsporingsambtenaren staan echter op scherp. Ze hebben de gegevens goed op een rijtje. Daarnaast hebben zij een vooropgezet doel, namelijk de zaak rondkrijgen. Strafrechtelijke vervolging moet er komen!’

24

Het Register | september 2010 | nummer 9

Hoe verloopt nu zo’n verhoor, waar moet je op letten, wat doe je als je ineens als (mede)verdachte wordt aangemerkt? Dit artikel wil uitsluitend informeren, praktische tips geven. Niet beleren. Het wil iets meegeven aan adviseurs opdat zij niet ten prooi vallen aan de doorgewinterde verhoormethodieken van de FIOD.

Een risicovol beroep Rosier: ‘In de eerste jaren van mijn werk als belastingadviseur hoorde je weleens iets over een strafzaak. Inmiddels is het schering en inslag. Belastingadviseurs zijn, met makelaars en notarissen, voor de opsporingsautoriteiten en het OM target nummer één.’ Hoe is dit nu te rijmen met de toenadering door de Belastingdienst: wederzijds vertrouwen, convenanten...? ‘Ja dat is nu juist het punt’, zegt Rosier. ‘Die tegenstelling ligt gewoon op tafel. Zeker sinds de invoering van de Vierde tranche van de Awb. Het gaat er mij om dat


■ ■ ■

belastingadviseurs de notie ontwikkelen dat zij een risicovol beroep hebben; ze zijn behulpzaam en coachend bij het nakomen van wettelijke verplichtingen van hun klanten en als er iets fout gaat, liggen ze vóór ze het beseffen vol in de vuurline. Deze notie moet om te beginnen leiden tot maatregelen. Allereerst de administratieve organisatie op orde brengen én houden. Goede dossiervorming. Het aanleggen van elektronische dossiers en scheiding van e-mails per cliënt. Bij een opsporingsonderzoek vanwege bijvoorbeeld een vermoedelijk valse aangifte kunnen de opsporingsinstanties de mails opvragen die op de kwestie betrekking hebben, maar als er geen ordening is deinzen ze er niet voor terug het complete e-mailbestand te kopiëren. Dus kijken ze meteen ook naar mails van andere klanten. Dat kan leiden tot zogenaamde “bijvangst”. Het komt wel eens voor dat op deze manier gevonden informatie aan de basis ligt van een nieuw opsporingsonderzoek. In het kader van het vertrouwelijk omgaan met gegevens van klanten en het voorkomen van beroepsaansprakelijkheid is het dus een must om de mails per klant te ordenen.’

Land van klikkers Rosier benadrukt dat de kans op een bezoek toeneemt door onder meer extra activiteiten van de FIOD. ‘De FIOD doet veel onderzoek per branche en per item, zoals buitenlandse bankrekeningen, nalatenschappen, transacties tussen de bv en haar aandeelhouder en transacties met in het buitenland gevestigde vennootschappen zoals in Zwitserland. Nederland is bovendien een land van klikkers. Als er ergens ruzie is, bijvoorbeeld in een maatschap, bij een echtscheiding, ontslag van een werknemer of nalatenschap, wordt niet zelden de FIOD geïnformeerd. Anoniem, via een tiplijn. Ook wordt de FIOD door autoriteiten in het buitenland getipt. Nogmaals, zorg altijd dat u een goede administratieve organisatie heeft en uiteraard: informatie van een klant die mogelijk niet klopt of niet kan kloppen, eerst checken en nooit zomaar verwerken in een aangifte.’

Verklaar niets Stel dat blijkt dat je als getuige of zelfs als verdachte wordt aangemerkt, wat doe je dan? ‘De FIOD-opsporingsambtenaren zijn tot de tanden toe voorbereid en u moet zich nooit uit uw tent laten lokken’, antwoordt Rosier. ‘Want het enige dat de FIOD wil is dat u praat. Als getuige heeft de belastingadviseur niet de verplichting om mee te werken. Dus u zegt dat de gegevens van de klant vertrouwelijk zijn en dat u eerst met klant wilt overleggen. Wil de FIOD u toch horen, dan gaat dit via de rechtercommissaris. Dat is beter, want de rechter-commissaris is onafhankelijk. Bent u verdachte, dan hoeft u ook niet te verklaren. U kunt zich op uw zwijgrecht beroepen en dit moet u ook zeker doen. U kunt de gevraagde informatie namelijk onmogelijk paraat hebben. U heeft meer klanten en de kwestie gaat meestal over jaren terug. Verklaar dus niets, wacht tot u een overview heeft en kom dan in overleg met uw raadsman met een sluitende en goed doortimmerde schriftelijke verklaring.’

Methodieken gericht op strafrechtelijke vervolging De vraag blijft waarom de FIOD-methodiek zo moet zijn. Rosier denkt dat onder maatschappelijke en politieke druk het Openbaar Ministerie zich gedwongen voelt te scoren (“crime fighters”). ‘Er is al veel tijd en dus geld in een opsporingsonderzoek gestoken. Dat zou dan “weggegooid” zijn als er geen strafrechtelijke vervolging plaatsvindt... Dit betekent voor de belastingadviseur – als hij niet goed is voorbereid – een gerede kans dat hij of zij voor het hekje komt en dan is het gedaan met je carrière. Een groot risico dus! Er zijn overigens talloze belastingadvieskantoren die nooit een bezoekje krijgen’, stelt Rosier gerust, ‘maar áls het gebeurt, heb dan een scenario klaarliggen. Hoe ontvangen we de FIOD? Laat ze niet in het kantoor rondstruinen, maar laat de ambtenaren in een spreekkamer. Ga niet alleen met hen in gesprek. Je hebt het recht om een raadsman te spreken voordat je voor het eerst wordt verhoord en het is sowieso goed om in het kader van professionele beroepsuitoefening, een advocaat – liefst een gespecialiseerde – op de achtergrond paraat te hebben. In sommige gevallen komt de belastingadviseur namelijk ook nog voor een andere verrassing te staan en dat is de verklaring van de klant waaruit blijkt dat deze plotseling tegenpartij is. De klant gaat bijvoorbeeld zeggen: “ik heb het de adviseur gezegd, maar die zei dat het wel kon.” De FIOD vraagt dan of de adviseur dit kan uitleggen. Verklaar in dit soort gevallen dus ook niets. Niets is zo onbetrouwbaar als het geheugen. Plus dat de adviseur onder psychische druk staat tijdens een verhoor dat tegenwoordig vaak plaatsvindt tijdens voorlopige hechtenis.’

Een paar tips op een rijtje Inzake de FIOD: ■ zorg voor een goede administratieve organisatie; ■ goede dossiervorming (zowel op papier als elektronisch), scheiding van e-mailbestanden naar klant; ■ ontvang de FIOD in een spreekkamer, samen met een collega, vraag legitimatie en schrijf de gegevens op; ■ heb een raadsman op de achtergrond, liefst een gespecialiseerde; ■ wordt u gehoord als getuige of als verdachte: welke klant betreft het? Welke jaren? Welk belastingmiddel? ■ verklaar niets, wacht tot u overview heeft en kom dan in overleg met uw raadsman met een sluitende schriftelijke verklaring; ■ bij een beslagname van documenten: vraag een kopie van het bevel en teken verzet aan, doe een beroep op uw geheimhoudingsplicht; overleg met uw raadsman. Inzake uw klant: ■ maak een risicoanalyse van uw klanten; ■ bij een vermoeden dat er iets niet klopt, onderzoek het; ■ bij gebruik van onjuiste data in een aangifte, direct inkeren; ■ wil de klant niet meewerken, direct afscheid nemen; ■ blijf professioneel, houdt zakelijke distantie.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

25


■ ■ ■

In de praktijk

Inkeren Enkele praktijkvoorbeelden van mogelijke frauduleuze handelingen door de klant? Rosier: ‘Een klant blijkt bijvoorbeeld foute data te hebben doorgegeven van transacties die hebben plaatsgevonden en die de belastingadviseur in goed vertrouwen heeft gebruikt. Er is hier maar één oplossing: inkeren. Daarmee voorkom je strafrechtelijke vervolging en boetes. Wil de klant niet meewerken, direct afscheid nemen van deze klant! Eigenlijk moet de adviseur in inkeergevallen ook een melding maken in het kader van de Wwft. De staatssecretaris van Financiën hamert hierop, maar er is ook jurisprudentie die zegt dat het niet hoeft (zie het artikel van prof. mr. G.J.M.E. de Bont in Het Register nr. 1/2 van februari dit jaar). Het is wel zaak de mogelijk onbedoelde gevolgen van een inkeer goed in kaart te brengen. Inkeren kan risicovol zijn en dient zorgvuldig te worden toegepast.’

Bij de volgende uitgave van Het Register ontvangen alle CB- en NFB-leden de RB-uitgave ‘Bezoek van de FIOD. Wat nu?’.

Is zo abrupt afscheid nemen van een klant in bepaalde gevallen niet heel moeilijk, vooral als het een jarenlange relatie betreft met wie je soms lief en leed hebt gedeeld? ‘Van een Federatie -, College - en straks Register Belastingadviseur wordt een hoge kwaliteit van werken verondersteld. Je hebt ook een onderzoeksplicht en de inspecteur zal je daaraan houden. Dus als je maar iéts ziet of je vermoedt dat er iets niet klopt, onderzoek het en leg dit onderzoek ook vast. Nooit laten lopen omdat je een wat meer persoonlijke relatie met een klant hebt gekregen of

3

26

Het Register | september 2010 | nummer 9

in de gedachte van: ik weet het niet zeker dus ik doe maar niks.’

Know your customer Rosier stelt voor te werken met een risico-analyse per klant. ‘Know your customer. Kijk hoe hij (of zij) met zijn of haar fiscale verplichtingen omgaat, help, coach en controleer daarbij. Als u een klant heeft van wie u weet of vermoedt dat hij of zij het soms niet zo nauw neemt met regelgeving, kunt u in mijn optiek bijvoorbeeld niet de btw-aangifte doen zonder de facturen in te zien.’ Of men bij integere klanten wel mag afgaan op de informatie die zij aanreiken, antwoordt Rosier: ‘Uitsluitend als de ervaring is dat altijd alles klopt. Maar indien u een ondernemer hebt bij wie u plotseling te maken krijgt met afwijkingen, meteen de cijfers onderzoeken! Dat geldt voor alle aangiften dus ook btw en LB. Klanten moeten de belastingadviseur in staat stellen om aangiftes goed te doen. Dus als de klant een keer te laat is met de info, is dat risico voor de klant. Het is immers zijn verplichting. Ga omwille van de relatie zeker niet alvast maar een aangifte doen om toch op tijd te zijn. Want je wordt medepleger van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte. Blijf professioneel, houdt zakelijke distantie en zeg tegen de klant: “U vraagt me iets wat ik beroepsmatig niet kan doen en u heeft voor ons kantoor gekozen omdat u ervan uitging dat ik een professionele belastingadviseur ben. Die professionaliteit willen wij graag behouden”.’ ■


IN

Jurisprudentie en wetgeving

■ ■ ■ ■ ■

Inkomstenbelasting ■

Uitleg geruisloze inbreng pand Verkoop Ferrari aan dga geen uitdeling ■ Geen ondernemerschap voor deelname in vastgoed-cv ■

27 27 28

Vennootschapsbelasting ■

Onderzoek naar exitheffingen door Europees Hof Nieuwe beleidsstandpunten over deelnemingsvrijstelling ■ Fiscale eenheid na aandelencertificering ■

28 28 29

Loonbelasting ■

Geen stamrechtvrijstelling voor genoten vergoeding

Formeel belastingrecht Intrekking beroep kan voorwaardelijk zijn

29

Omzetbelasting ■ ■

Verstrekken waardebonnen belast met btw Ondernemer door activiteiten via bv i.o.

30 30

Erf- en schenkbelasting 29

Partnerloze ‘ex’ onder lager tarief

30

Inkomstenbelasting

2010/61 Uitleg geruisloze inbreng pand Als u een pand ter beschikking stelt aan uw bv, kunt u dat pand in 2010 onder voorwaarden geruisloos overdragen aan die bv. Onlangs heeft de demissionaire minister van Financiën extra toelichting op de voorwaarden gegeven. De geruisloze inbreng van een ter beschikking gesteld pand aan de bv moet vóór 1 januari 2011 plaatsvinden tegen uitreiking van aandelen in de bv en eventueel een creditering van maximaal € 2500. Ten slotte moet de inbrenger na de inbreng ten minste 90% van het kapitaal in de bv houden. Als een dga vóór de inbreng al enig aandeelhouder van de bv was, is uitreiking van aandelen niet verplicht en kan de inbreng op verzoek worden aangemerkt als informele kapitaalstorting. Als het pand geruisloos wordt ingebracht, moet de bv de boekwaarde van dat pand en eventueel de boekwaarde van rechtstreeks met het pand samenhangende schulden stellen op de boekwaarde die het pand als vermogen van een werkzaamheid had. Bovendien wordt de verkrijgingsprijs van de uitgereikte aandelen gesteld op de boekwaarde van het pand verminderd met de boekwaarde van de rechtstreeks met het pand samenhangende schulden en verminderd met de creditering. Als de inbreng is aangemerkt als een informele kapitaalstorting, moet de dga de verkrijgingsprijs van zijn aandelen verhogen met de boekwaarde van het pand verminderd met de boekwaarde van de rechtstreeks met het pand samenhangende schulden en verminderd met de creditering. Zowel de dga als de bv moet om geruisloze inbreng verzoeken.

Meer duidelijkheid In zijn recente besluit benadrukt de minister dat geruisloze inbreng van ter beschikking gestelde onroerende zaken die geen panden zijn (zoals grond) ook is toegestaan. Als de dga slechts een deel van een pand ter beschikking stelt aan zijn bv, zal hij toch het hele pand inclusief het niet ter beschikking gestelde deel in zijn bv moeten inbrengen. Verder benadrukt de minister dat geruisloze inbreng van een ter beschikking gesteld pand in een naar buitenlands recht opgerichte aandelenvennootschap in beginsel ook mogelijk is. In het besluit keurt de minister bovendien goed dat een dga die

meerdere onroerende zaken aan zijn bv ter beschikking stelt – wat telt als één werkzaamheid – niet al deze onroerende zaken hoeft in te brengen in de bv. Verder gaat de minister in op de situatie waarin een dga de mede-eigendom heeft van een pand dat hij ter beschikking stelt. Volgens de wet is geruisloze inbreng slechts mogelijk als alle mede-eigenaren inbrengen in een daartoe opgerichte bv. De minister keurt goed dat de inbreng ook in een bestaande bv mag plaatsvinden als de mede-eigendom voortvloeit uit een huwelijksgemeenschap van goederen, mits de echtgenoten samen zijn gerechtigd tot het pand en alle aandelen in de bestaande vennootschap hebben. ■

Bron: ministerie van Financiën, 12 juli 2010, DGB/2010/4141M

2010/62 Verkoop Ferrari aan dga geen uitdeling Stel een bv verkoopt een auto uit haar bedrijf aan haar directeur-grootaandeelhouder tegen een milde prijs. De inspecteur kan dan het verschil tussen de werkelijke waarde en de verkoopprijs aanmerken als een verkapte dividenduitkering, mits hij bewijst dat de bv echt onzakelijk heeft gehandeld. In een recente zaak voor Rechtbank Arnhem slaagde de Belastingdienst daarin niet. Het ging om een bv die begin augustus 2003 een Ferrari had gekocht van een Zwitser voor € 92.000. Ruim een maand later (eind september 2003) verkocht de bv de auto aan haar dga voor € 100.000. De inspecteur stelde dat deze prijs veel te laag was, omdat de auto € 1,5 miljoen waard zou zijn. Volgens de fiscus vormde het verschil van € 1,4 miljoen een verkapte dividenduitkering. Tijdens de beroepsprocedure bleek echter dat de inspecteur was uitgegaan van de verkoopprijzen van dezelfde Ferrari uit de periode 1988 tot 1991. De markt was toen op het hoogtepunt, dus was deze waarde niet meer bruikbaar in 2003. Bovendien stelde de rechtbank vast dat de bv en de Zwitser geen onderlinge banden handen, zodat zij in beginsel zakelijk hadden gehandeld. De bv had de auto voor dezelfde prijs – vermeerderd met (transport)kosten –

september 2010 | nummer 9 | Het Register

27


■ ■ ■ ■ ■

doorverkocht aan de dga, dus was dit een zakelijke transactie en geen verkapte winstuitdeling. ■

Bron: Rechtbank Arnhem, 8 juli 2010, LJN: BN0698

2010/63 Geen ondernemerschap voor deelname in vastgoed-cv Wie in een cv deelneemt zal fiscaal al snel kwalificeren als ondernemer (beherende vennoot) of als medegerechtigde (commanditaire vennoot). Als

Jurisprudentie en wetgeving

boekjaar. De Britse fiscus merkte de bv met ingang van 15 december 2000 aan als inwoner van het Verenigd Koninkrijk. Op het moment van emigratie had de bv een vordering op een groeps-bv in Britse ponden. Door een koersstijging van het Britse pond ten opzichte van de (toen nog) gulden was de vordering met ƒ 22 miljoen (€ 10 miljoen) in waarde gestegen. Ook was over de periode van 1 april tot en met 15 december 2000 bijna (omgerekend) € 3 miljoen rente verschuldigd. De inspecteur had bij de emigratie de niet-gerealiseerde koerswinst van de vordering tot de winst van de bv gerekend. Hij stelde namelijk dat de bv de voeging, zetelverplaatsing, boekjaarwijziging en ontvoeging had toegepast om de exitheffing te ontlopen. Als de fiscus de fiscale gevolgen van de boekjaarwijziging zou accepteren, zouden de rente en de valutawinst op de vordering behoren tot het belastbare resultaat in het Verenigd Koninkrijk.

de cv echter geen activiteiten verricht die normaal vermogensbeheer te boven gaan, zullen de vennoten toch

Vrijheid van vestiging

in box 3 worden belast.

De bv ging in beroep tegen de handeling van de fiscus. Hof Amsterdam vond ook dat er sprake was van een constructie om belastingheffing te ontlopen, maar vroeg zich tegelijkertijd af of de exitheffing in strijd was met de vrijheid van vestiging. Om hierover meer duidelijkheid te krijgen heeft het hof aan het Europese Hof gevraagd of een bv zich kan beroepen op de vrijheid van vestiging als een lidstaat bij emigratie een exitheffing toepast en zo ja, of een exitheffing zonder uitstel en zonder de mogelijkheid om latere waardeverliezen in aanmerking te nemen in strijd is met de vrijheid van vestiging.

Dit overkwam belanghebbende die begon als commanditaire vennoot van een vastgoed-cv waarvan een stichting de beherende vennoot was. In 2001 bleek dat het bestuur van de stichting onvoldoende functioneerde, zodat belanghebbende zich met het bestuur ging bezighouden. In september 2001 werd belanghebbende benoemd tot voorzitter van de stichting waarvoor hij een arbeidsbeloning ontving. Volgens belanghebbende kwalificeerde hij als ondernemer, omdat hij het voor commanditaire vennoten geldende beheerverbod had geschonden. Zowel de inspecteur als de rechtbank was het echter niet met hem eens. Een commanditaire vennoot die het beheerverbod overtreedt is namelijk pas ondernemer als de cv echt een onderneming drijft. In dit geval hield de cv slechts onroerende goederen aan op een passieve manier die niet verder ging dan normaal vermogensbeheer. De cv dreef geen onderneming, dus was belanghebbende geen ondernemer en zelfs geen medegerechtigde of resultaatgenieter. Zijn deelname in de cv viel in box 3. ■

Overigens heeft het Europese Hof al begin dit jaar Nederland verzocht de exitheffingen aan te passen, omdat de Europese Commissie van mening is dat deze heffingen niet EU-proof zijn. Nederland heeft hier echter nog steeds geen gehoor aan gegeven. Het valt te verwachten dat het EU-hof daarom zal oordelen dat de exitheffingen voor ondernemingen strijd opleveren met het recht van vestiging. ■

Bron: Hof Amsterdam, 15 juli 2010, LJN: BN 1231

Bron: Rechtbank Leeuwarden, 28 mei 2010, LJN: BN0876

Vennootschapsbelasting

2010/65 Nieuwe beleidsstandpunten over deelnemingsvrijstelling

2010/64 Onderzoek naar exitheffingen door Europees Hof

Sinds 1 januari 2010 is de wetgeving over de

Het Europese Hof van Justitie heeft onlangs van de

Onlangs heeft de demissionaire minister van Financiën

Nederlandse belastingrechter vragen gekregen over de

een nieuw besluit met aanvullende, gewijzigde en nieuwe

zogenoemde ‘exitheffing’ voor ondernemingen in de

beleidsstandpunten uitgebracht.

vennootschapsbelasting. Het hof moet gaan beoordelen of

Vanaf 2010 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing op deelnemingen die een vennootschap houdt als belegging (beleggingsdeelnemingen), tenzij deze deelneming voldoet aan de aangepaste onderworpenheidstoets of de aangepaste bezittingentoets. Dit is een versoepeling ten aanzien van het oude regime. Hierdoor zouden eerder gemaakte afspraken met de fiscus, de zogenoemde ‘advance tax rulings’ (ATR’s), over toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet meer gelden. De minister keurt echter goed dat rulings die zijn afgegeven onder het oude regime van toepassing blijven onder het nieuwe regime voor de resterende looptijd.

deze heffing conform het Europese recht is. Als een Nederlandse onderneming haar zetel naar het buitenland verplaatst, moet vennootschapsbelasting worden betaald over de op dat moment aanwezige stille en fiscale reserves en de goodwill van de onderneming. Dit wordt de exitheffing genoemd. Onlangs kreeg een Nederlandse bv daarmee te maken. Deze bv maakte deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De bv werd ontvoegd, emigreerde naar het Verenigd Koninkrijk en wijzigde het

28

Aanpassen

Het Register | september 2010 | nummer 9

deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting gewijzigd door de Wet Overige Fiscale Maatregelen 2010.


■ ■ ■ ■ ■

Nieuwe onderworpenheidstoets In zijn nieuwe besluit gaat de minister ook in op de nieuwe onderworpenheidstoets. Veel van de aangevulde beleidsstandpunten hebben hierop betrekking. De nieuwe onderworpenheidstoets houdt in dat een deelneming onderworpen moet zijn aan een naar Nederlandse begrippen reële winstbelasting (ten minste 10%). De minister stelt in zijn nieuwe besluit dat er ondanks verschillen in fiscale consolidatie en andere mogelijkheden voor winst- of verliesoverdracht, die afwijken van de Nederlandse fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, in beginsel sprake kan zijn van voldoende onderworpenheid. Andere aanvullingen op beleidsstandpunten betreffen de werking van de onderworpenheidstoets in enkele grensoverschrijdende situaties, zoals in geval van een vaste inrichting waarbij voorkoming van dubbele belasting wordt gegeven en bij verrekening van ingehouden buitenlandse bronbelasting. ■

Bron: ministerie van Financiën, 12 juli 2010, DGB/2010/2154M

2010/66 Fiscale eenheid na aandelencertificering Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is mogelijk als een moedermaatschappij ten minste 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij houdt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ook bij certificering van meer dan 5% van de aandelen aan dit bezitsvereiste kan worden voldaan. Bij certificering van aandelen houdt een stichting administratiekantoor (STAK) de aandelen in een vennootschap. Deze STAK is daarmee juridisch eigenaar geworden van de aandelen en bezit de daaraan verbonden zeggenschapsrechten. De voormalige aandeelhouder ontvangt in ruil daarvoor certificaten van aandelen. De certificaathouder bezit de economische eigendom van de aandelen, zoals het recht op dividenduitkeringen. Door certificering van aandelen kunnen economische eigendom en zeggenschap dus worden gescheiden. Als het gaat om certificering van meer dan 5% van de aandelen, zal niet zo snel worden voldaan aan het bezitsvereiste voor het vormen van een fiscale eenheid.

Loonbelasting

2010/67 Geen stamrechtvrijstelling voor genoten vergoeding Een werknemer kan zijn ontslagvergoeding laten omzetten in een aanspraak op periodieke uitkeringen (stamrecht). De werkgever hoeft dan geen loonheffing over de ontslagvergoeding in te houden. Hof Den Haag heeft in een uitspraak benadrukt dat deze stamrechtvrijstelling alleen geldt als de werknemer de vergoeding nog niet heeft ‘genoten’.

Het komt regelmatig voor dat een werknemer bij zijn ontslag een vergoeding ontvangt. Deze is in beginsel belast voor de loonbelasting, omdat het (meestal) een betaling is die voortvloeit uit de dienstbetrekking. Om directe heffing te voorkomen kan een dergelijke ontslagvergoeding worden omgezet in een aanspraak op periodieke uitkeringen (stamrecht). Hiervoor geldt een vrijstelling van loonbelasting. Voor de stamrechtvrijstelling gelden strenge voorwaarden, zo ondervond een man die in 2004 een ontslagvergoeding van € 55.000 ontving. Dit bedrag was overgeboekt naar de derdengeldenrekening van een notaris. Die stortte het bedrag op de bankrekening van de stamrecht-bv. Vervolgens boekte de bv het bedrag in twee delen over naar de bankrekening van de man. De inspecteur was van mening dat de man hierdoor kon beschikken over de vergoeding en legde een naheffingsaanslag loonheffingen op aan de stamrecht-bv. De bv begon een beroepsprocedure. Hof Den Haag stelde de inspecteur in het gelijk. De man had namelijk de beschikking gekregen over de gelden, zodat de stamrecht-bv niet direct kon beschikken over de gelden. Dit was voldoende om niet in aanmerking te komen voor de stamrechtvrijstelling. De stamrecht-bv moest daarom alsnog de loonheffing afdragen. ■

Bron: Hof Den Haag, 21 mei 2010, LJN: BM9538

Formeel belastingrecht

2010/68 Intrekking beroep kan voorwaardelijk zijn

Instructies opvolgen De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat certificering van aandelen geen belemmering hoeft te zijn voor het vormen van een fiscale eenheid. Volgens de Hoge Raad houdt het vereiste van de juridische eigendom in dat de moedermaatschappij de volledige zeggenschap heeft over minimaal 95% van de aandelen in de dochtermaatschappij. Aan het vereiste van volledige zeggenschap kan ook bij certificering van aandelen worden voldaan. Dit is volgens de Hoge Raad het geval als de zogenoemde fiduciaire eigenaar (de STAK) het stemrecht op de aandelen moet uitoefenen volgens de instructies van de certificaathouder (de moedermaatschappij) zonder dat ook nog de instemming van een derde nodig is. Het maakt daarbij niet uit dat de STAK de mogelijkheid heeft om af te wijken van de instructies van de moedermaatschappij. ■

Bron: Hoge Raad, 18 juni 2010, LJN: BK3803

Uit een recente uitspraak van Hof Den Haag blijkt dat het mogelijk is een beroep voorwaardelijk in te trekken. Als de voorwaarde niet wordt vervuld, kan de belanghebbende op zijn intrekking terugkomen. In deze zaak was belanghebbende op 9 december 2008 in hoger beroep gegaan, omdat hij het niet eens was met de door de inspecteur berekende WOZ-waarde van zijn woning. Op 21 april 2009 diende hij een brief in bij het hof waarin hij zijn hoger beroep introk. Daarnaast verzocht belanghebbende om restitutie van het griffierecht. Toen het hof hem berichtte dat geen restitutie zou plaatsvinden, stelde belanghebbende dat hij zijn beroep alleen had willen intrekken als hij restitutie van griffierecht zou ontvangen. De inspecteur stelde dat het hof het beroep niet-ontvankelijk moest verklaren,

september 2010 | nummer 9 | Het Register

29


■ ■ ■ ■ ■

omdat belanghebbende zijn hoger beroep had ingetrokken. Het hof oordeelde echter dat het beroepschrift niet ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk was ingetrokken, gezien de inhoud van de brief en de reactie van belanghebbende op de niet-terugbetaling van het griffierecht. Het hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende dan ook ontvankelijk. Belanghebbende werd echter niet in het gelijk gesteld, omdat hij niet aannemelijk maakte dat de inspecteur de WOZ-waarde op een te hoog bedrag had vastgesteld. ■

Bron: Hof Den Haag, 6 juli 2010, LJN: BN1184

Omzetbelasting

2010/69 Verstrekken waardebonnen belast met btw Het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat er sprake kan zijn van een met btw belaste dienst als een werkgever een deel van het loon van zijn werknemers in de vorm van waardebonnen verstrekt.

Jurisprudentie en wetgeving

2010/70 Ondernemer door activiteiten via bv i.o. Wie als directeur-grootaandeelhouder (dga) van een vennootschap ook betrokken is bij een andere bv in oprichting kan een ondernemer voor de btw zijn. Dit kan vergaande consequenties hebben, zoals blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag. In deze zaak was belanghebbende een dga van een bv die voor haar werkzaamheden gebruikmaakte van personeel dat ter beschikking werd gesteld door een andere bv in oprichting (i.o.). De inspecteur vond dat belanghebbende btw-ondernemer was. De rechtbank gaf de inspecteur op dit punt gelijk. Volgens de rechtbank was er sprake van actieve en rechtstreekse betrokkenheid van belanghebbende bij de oprichting en bedrijfsvoering van de bv i.o. Het was niet aannemelijk geworden dat een andere persoon, die als bevoegde functionaris van de bv i.o. stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, feitelijk en zelfstandig had gehandeld ten behoeve van de bv i.o.

Verbondenheid Dit oordeel zag op een zaak waarin een Britse Ltd aan haar werknemers een vaste jaarlijkse bezoldiging aanbood, het zogenoemde voordeelfonds. Dat voordeelfonds omvatte een bedrag in contanten en soms ook door de werknemer gekozen voordelen. Tot deze voordelen behoorden aankoopbonnen die de werknemers bij een aantal detailhandelaren konden inleveren tegen goederen. De Ltd kocht de bonnen van de detailhandelaren. De bonnen hadden een waarde van £ 10 per stuk, maar werden op het loon ingehouden tegen £ 9,25 tot £ 9,55 per stuk. In eerste instantie stelde de Ltd dat zij de btw op de gekochte bonnen niet kon aftrekken en dat zij geen btw hoefde af te dragen bij de verstrekking van de bonnen aan haar werknemers. De Ltd veranderde echter van gedachten en stelde dat de kosten van de aanschaf van de bonnen tot de overheadkosten behoorden, zodat de btw wel aftrekbaar was. De bonnen werden niet onder bezwarende titel verstrekt, dus hoefde de Ltd daarover geen btw te berekenen aldus de Ltd. De Britse fiscus zag dit anders, zodat een fiscaal geschil ontstond.

Verder stelde de inspecteur dat tussen belanghebbende en zijn eigen bv een fiscale eenheid voor de btw bestond. Natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen namelijk voor de btw als één ondernemer worden aangemerkt als zij financieel, organisatorisch en economisch met elkaar zijn verbonden. In dit geval moest dus worden beoordeeld of een dergelijke verbondenheid bestond tussen belanghebbende als ondernemer van de bv i.o. en de eigen bv van belanghebbende. De rechtbank concludeerde dat de onderneming van belanghebbende (zijn eigen bv) en de onderneming van de bv i.o. onder één leiding stonden (organisatorische verwevenheid), dat de bv i.o. uitsluitend werkzaamheden verrichtte voor de bv van belanghebbende (economische verwevenheid) en dat belanghebbende de enige aandeelhouder was van zijn eigen bv (financiële verwevenheid). De inspecteur had belanghebbende en zijn bv dus terecht aangemerkt als fiscale eenheid.

Belaste dienst

Tijdens het geschil besloot de belastingrechter de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie. Als werknemers op grond van hun arbeidscontract een deel van hun bezoldiging kunnen opnemen in de vorm van waardebonnen, is het verstrekken van de bonnen door de werkgever dan een (belaste) dienst onder bezwarende titel? Het Europese Hof van Justitie heeft hierop bevestigend geantwoord. Het verstrekken van de waardebon is een dienst, omdat de Ltd daarmee geen rechtstreeks recht op een goed verleende. Er bestaat wel een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de tegenprestatie (inhouding op het loon). Het Europese Hof wees er op dat de inhouding inclusief btw was, omdat de waarde van de bonnen inclusief btw was. Een werknemer kon immers door het inleveren van de waardebon een goed verkrijgen waarvoor hij anders een geldbedrag inclusief btw had moeten betalen. Al met al vormde het verstrekken van de waardebonnen dus een belaste dienst. ■

30

Bron: Hof van Justitie EU, 29 juli 2010, C-40/09

Het Register | september 2010 | nummer 9

Bron: Rechtbank Den Haag, 19 mei 2010, LJN: BM6959

Erf- en schenkbelasting

2010/71 Partnerloze ‘ex’ onder lager tarief Onlangs heeft de demissionaire minister van Financiën enkele nieuwe goedkeuringen gegeven zodat in bepaalde situaties een gunstiger tarief erfbelasting van toepassing is. De eerste nieuwe goedkeuring ziet op de situatie waarin twee echtgenoten van tafel en bed zijn gescheiden. Sinds 1 januari 2010 beschouwt de Belastingdienst dergelijke echtgenoten voor


■ ■ ■ ■ ■

Mantelzorg In hetzelfde besluit maakt de minister nog iets duidelijk. Deze uitleg ziet op de situatie waarin een kind aan een ouder of een ouder aan een gehandicapt kind mantelzorg verleent. In een dergelijke situatie kunnen ouder en kind voor de berekening van de erfbelasting als partners kwalificeren, mits de mantelzorgverlener een zogenoemd mantelzorgcompliment ontvangt. Een mantelzorgcompliment is een uitkering die de mantelzorgverlener ontvangt vanwege de door hem verleende zorg in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de zorgbehoevende is overleden.

■ Staatsblad EK

■ Aangenomen EK

■ Eindverslag EK

■ Memorie van Antwoord EK

Bron: ministerie van Financiën, 5 juli 2010, DGB/2010/872M

■ Voorlopig verslag EK

■ Wetsvoorstel EK

■ Aangenomen TK

■ Eindverslag TK

■ Nota n.a.v. verslag TK

■ Verslag TK

■ Wetsvoorstel +MvT TK

De stand van Zaken

Wetgeving

de berekening van de erfbelasting als ongehuwden. Als iemand erft van zijn van tafel en bed gescheiden echtgenoot is dus volgens de wet het tarief voor derden van toepassing. Dit derdentarief bedraagt 30% over de eerste schijf van € 118.000 en 40% over het meerdere. Voor gehuwden gelden tarieven van 10% over de eerste schijf en 20% over het meerdere. De minister vindt dit verschil ongewenst hoog. Daarom keurt hij goed dat verkrijgingen uit de nalatenschap van een van tafel en bed gescheiden echtgenoot onder het tarief voor partners vallen, mits beide echtgenoten op het moment van overlijden van een van hen geen partner hadden. Let op, de vrijstelling voor partners van € 600.000 is niet van toepassing!

Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (32 426) Fiscale verzamelwet 2010 (32 401) Wet kilometerprijs * (32 216) Indexeren eigenwoningforfait * (32 303) Rechtsbescherming bij controlehandelingen (30 645) Btw-tarief levende dieren * (30 922) Wet uniformering loonbegrip * (32 131) Wijziging AOW, IB en LB i.v.m. de verhoging van de AOW-leeftijd * (32 247) Wijziging AOW i.v.m. mogelijkheid om ouderdomspensioen op een later tijdstip te laten ingaan * (31 774) Wet introductie premiepensioeninstellingen (31 891) Wijziging van de Wet OB i.v.m. aanpak constructies met (on)roerende zaken * (30 061) Vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (31 058) Invoeringswet titel 7.13 BW (31 065) * Wetsvoorstellen op de lijst van controversiële onderwerpen Tweede Kamer.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

31


■ ■ ■

De zittingszaal als

mijnenveld? Het streven van iedere belastingadviseur zal zijn om procedures te voorkomen. De kwaliteit van zijn werkzaamheden kan immers worden bepaald door de mate van belastingbesparing af te zetten tegen de geboden rechtszekerheid. Uiteraard kan een procedure nooit geheel worden uitgesloten. In bepaalde situaties kan het profijtelijk zijn een (verdedigbaar) standpunt in te nemen, terwijl er een (substantieel) risico bestaat dat de inspecteur correcties zal aanbrengen. In die gevallen vormt een procedure immers een kans op belastingreductie. Een vraag die echter rijst is of het nog wel verantwoord is een procedure te voeren.

H

oewel procesvertegenwoordiging niet is vereist worden door de rechters juist aan gemachtigden hogere eisen gesteld. Van hen wordt verwacht dat zij bekend zijn met de toepasselijke procesregels en van enige nadeelcompensatie, die solo-opererende belastingplichtigen wordt geboden, is bij een belastingadviseur niet vaak sprake. Hoe zit het nu met de doctrine van interne compensatie, het leerstuk van de omvang van de rechtsstrijd, ambtshalve aangelegenheden, het verbod van reformatio in peius en de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep? De jurisprudentie is niet helder. Volgens mij weet niemand hoe het exact zit. Het blijft echter van belang deze processuele klippen te onderkennen en zo mogelijk te omzeilen. In dit artikel ga ik nader in op het incidenteel hoger beroep.

Reikwijdte van incidenteel hoger beroep In de praktijk komt het voor dat een uitspraak van de rechtbank tot gemengde gevoelens leidt. Het beroepschrift is dan vaak niet geheel toegewezen, want ook de inspecteur kreeg op bepaalde punten gelijk. Als de cliënt vervolgens geen garantie krijgt dat het gerechtshof een gunstigere uitspraak zal doen, kan hij de handdoek in de ring willen gooien. Wat nu echter als de inspecteur strijdvaardig door wil procederen en wel in hoger beroep gaat? Voor die situaties is de mogelijkheid van incidenteel beroep in het leven geroepen. Een belastingplichtige – en in de omgekeerde situatie ook de inspecteur – krijgt de mogelijkheid na verloop van de hogerberoepstermijn

alsnog een incidenteel hoger beroepschrift in te dienen op het moment dat bekend wordt dat de tegenpartij eerder al hoger beroep aantekende. Het incidenteel hoger beroepschrift kan worden ingediend met het verweerschrift naar aanleiding van het principaal hoger beroepschrift. Allereerst is van belang vast te stellen dat de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep een soort fiscaal experiment is in het bestuursrecht. De wettelijke regeling is opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (artikel 27m) en (dus) niet in de Algemene wet bestuursrecht. Uit parlementaire stukken kan wel worden opgemaakt dat de introductie in het reguliere bestuursprocesrecht werd overwogen. Het is echter maar zeer de vraag of dat uiteindelijk zal gebeuren. De Hoge Raad heeft in twee arresten duidelijk gemaakt dat een partij die geen incidenteel hoger beroep heeft aangetekend, in hoger beroep een grote vrijheid heeft feiten en juridische stellingen aan te voeren die hem goeddunken.

Guido de Bont Prof. mr. G.J.M.E. de Bont is advocaat bij De Bont advocaten en hoogleraar Formeel belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is tevens lid van de redactieraad van Het Register.

Het eerste arrest dateert van 4 december 2009 (BNB 2010/65) en ziet op een situatie waarin alleen de inspecteur hoger beroep aantekende. De Hoge Raad overwoog dat het belastingplichtige vrijstond zich in hoger beroep te verweren met alle gronden, ook die welke door de rechtbank waren verworpen. Dit zou slechts anders zijn voor zover het verweer ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel in hoger beroep zou zijn aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou

september 2010 | nummer 9 | Het Register

33


■ ■ ■

Procedures

leiden tot een inbreuk op een goede procesorde. Eerder (BNB 2006/250 en BNB 2010/19) had de Hoge Raad al eens beslist dat ter voorkoming van de mogelijkheid van misverstand of onberadenheid een grief slechts dan als ter zitting ingetrokken kan worden aangemerkt als uit het proces-verbaal of de uitspraak blijkt dat de belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft verklaard de grief in te trekken. Van belang is dat de casus van het arrest van 4 december 2009 één beschikking betrof, te weten de aanslag inkomstenbelasting 2001. Dat de Hoge Raad in dergelijke gevallen de ‘herkansingsfunctie’ van het hoger beroep vooropstelt valt te begrijpen. Als de inspecteur bepaalde argumenten of feiten in het kader van die aanslag nogmaals aan de orde wil stellen, moet ook de wederpartij alles uit de kast kunnen halen om zijn gelijk te bepleiten; nieuwe ronde, nieuwe kansen voor alle partijen. In het

Gelijkheid tussen principaal hoger beroep en incidentele variant staat voorop recente arrest van 4 juni 2010 (V-N 2010/26.8; NTFR 2010/1380) gaat de Hoge Raad nog (veel) verder. In die casus waren in de rechtbankfase twee beschikkingen in geding, namelijk een naheffingsaanslag loonbelasting/ premie volksverzekeringen over het tijdvak 2001–2002 en een boetebeschikking. Zoals gebruikelijk deed de rechtbank één uitspraak. Belanghebbende ging in hoger beroep en richtte zich tegen de beslissing van de rechtbank inzake de naheffingsaanslag. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beslissing omtrent de boete. Het hof verklaarde het incidenteel hoger beroep ongegrond, omdat het een ander onderdeel betrof dan waartegen het principaal hoger beroep was gericht. De Hoge Raad casseerde echter. In zijn redenering staat de gelijkheid tussen het principaal hoger beroep en de incidentele variant voorop. Een principaal hoger beroep kan zijn gericht tegen de beslissing van de rechtbank als geheel dan wel tegen de beslissing met betrekking tot één besluit of enkele van die besluiten. Als deze vrijheid bestaat ter zake van het principaal hoger beroep, bestaat deze eveneens bij het incidenteel hoger beroep. Dit kan naar het oordeel van de Hoge Raad ook uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid. De opstelling van de Hoge Raad is mijns inziens ruimhartig te noemen. De crux is de uitspraak van de rechtbank. Is een bepaald besluit van de inspecteur (heffingsrente, boete) niet aangevochten in het principaal hoger beroep maar maakt deze onderdeel uit van de uitspraak van de rechtbank, dan is incidenteel hoger beroep mogelijk. Daarmee rijst de vraag of incidenteel hoger beroep in het geheel wel nodig is.

34

Het Register | september 2010 | nummer 9

Zwarte gaten in het hogerberoepsrecht In de literatuur wordt in het kader van het nut en de noodzaak van incidenteel hoger beroep over twee situaties gediscussieerd die mijns inziens andere leerstukken betreffen, namelijk de omvang van de rechtsstrijd en het verbod van reformatio in peius. Wellicht dat de volgende casus de problematiek tastbaar kan maken. Stel dat de inspecteur de aangifte heeft gecorrigeerd op het punt van de aanmerkelijkbelangwinst en het box 3-vermogen. Verder is in een afzonderlijke beschikking een boete opgelegd van 25%. De rechtbank deed uitspraak over deze drie geschillen. De belanghebbende gaat in hoger beroep en richt zijn pijlen op de beslissing over de aanmerkelijkbelangwinst. De inspecteur stelt geen incidenteel beroep in. Op basis van voormeld arrest van 4 december 2009 (BNB 2010/65) kan hij mijns inziens in het verweerschrift ook de beslissing van de rechtbank over het box 3-vermogen aan de orde stellen. Den Ouden (NTFR 2010/1380) is van mening dat de boete niet meer aan de orde kan komen. Hij verwijst daarvoor naar de rechtsoverweging van de Hoge Raad in het arrest van 4 juni 2010 waarin wordt gesteld dat een procespartij bij het instellen van hoger beroep de keuze heeft het rechtsmiddel te richten tegen de uitspraak als geheel, dan wel tegen beslissing van de rechtbank met betrekking tot één besluit of enkele besluiten. De redenering is dan dat bij het instellen van het rechtsmiddel de reikwijdte van het geschil in hoger beroep wordt afgebakend. De opvatting dat de reikwijdte van een procedure zou worden bepaald bij het instellen van een rechtsmiddel verhoudt zich echter niet met de fundamentele overwegingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 januari 2003 (BNB 2003/172). ‘Een bezwaar tegen een aanslag moet derhalve worden beschouwd als een bezwaar tegen die aanslag in zijn totaliteit, ook al richten de argumenten van de belastingplichtige zich specifiek op één of enkele van de elementen van de aanslag. Evenals het de belastingplichtige vrijstaat om zijn bezwaar te doen steunen op argumenten die niet stroken met het door hem bij zijn aangifte ingenomen standpunt, heeft de inspecteur de vrijheid om in bezwaar de aanslag te handhaven op grond van argumenten die afwijken van het door hem bij het opleggen van die aanslag ingenomen standpunt. Het vorenstaande geldt, gelet op de tekst van artikel 8:69, lid 1, Awb, mutatis mutandis ook voor de beroepsfase.’ Een beroepschrift richt zich aldus tegen de aanslag in zijn totaliteit, maar ook tegen de uitspraak op bezwaar en – nu het meest belangrijk – tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn totaliteit. Daarbij is het niet van belang dat de argumenten zich slechts richten tot onderdelen. De gehele uitspraak is aan de orde. Daarmee is echter niet gezegd dat de rechter zich over al die elementen moet uitlaten. De omvang van de rechtsstrijd wordt immers wél bepaald door de aangevoerde feiten en stellingen. Het is echter vaste leer van de Hoge Raad (BNB 2003/79) dat het niet in strijd is met het leerstuk van de omvang van de rechtsstrijd als een procespartij geduren-


■ ■ ■

voor de cassatiefase. Door cassatieberoep in te stellen kon een procespartij daadwerkelijk slechter af zijn met het arrest van de Hoge Raad ten opzichte van de uitspraak van het hof. In het fiscale procesrecht wordt dus geen overdreven waarde gehecht aan de regel dat een procespartij niet slechter mag worden van het instellen van een rechtsmiddel. In dat kader is verder interessant dat de primaire doelstelling van het bestuursprocesrecht de rechtsbescherming is. Dat procedures ertoe dienen om de vaststelling van het objectieve recht na te streven ligt dus allang achter ons. Desalniettemin zijn er schrijvers die bijzondere waarde hechten aan het feit dat een aanslag niet meer is dan een juridische titel om de uit de wet, nog wel verankerd in artikel 104 van de Grondwet, verschuldigde belasting te heffen. Het belang van de objectieve belastingwet lijkt in het fiscale recht dus toch relatief zwaarder door te werken dan in het reguliere bestuursrecht. Het ligt mijns inziens in de rede dat de Hoge Raad ook hier redeneert langs de lijnen van genoemde jurisprudentie. Met een principaal hoger beroep zet een procespartij de gehele uitspraak van de rechtbank op losse schroeven. Hij kan trachten met zijn beroepschrift de omvang van de rechtsstrijd in te perken, maar de wederpartij kan naar de de procedure en zelfs nog ter zitting standpunten wijzigt of aanvult. Slechts de beginselen van goede procesorde (weer een ander leerstuk) kunnen zich tegen een dergelijke wijzing verzetten; de procesregels over omvang van de rechtsstrijd vormen geen belemmering. Voorgaande jurisprudentie in onderlinge samenhang beschouwd leidt mijns inziens tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank in totaliteit aan de orde is en dat ook de partij die geen incidenteel hoger beroep heeft aangetekend de omvang van de rechtsstrijd kan (mede)bepalen door bij verweer in te gaan op elementen die niet in concreto in het principaal hoger beroep aan de orde zijn gesteld.

Conclusie

Een voor de praktijk belangrijke vraag is in hoeverre een hoger beroep tot een uitspraak van het hof kan leiden die negatiever is dan de uitspraak van de rechtbank. Dat is uiteraard mogelijk als de inspecteur incidenteel appelleert. In dat geval kan hij ook weer ‘vol’ voor zijn standpunten gaan en de uitspraak op bezwaar verdedigen. Het antwoord wordt ingewikkelder als de inspecteur geen incidenteel appel aantekent. Den Ouden (NTFR 2010/1380) geeft een helder voorbeeld dat enigszins aangepast als volgt luidt. De aanslag was bij uitspraak op bezwaar op 100 gesteld. De rechtbank beslist dat het 80 moet zijn. Belanghebbende verdedigt in zijn principaal hoger beroep 60. De inspecteur stelt geen incidenteel hoger beroep in, maar bij verweerschrift beargumenteert hij een bedrag van 90. Kan het hof dan beslissen dat het 90 moet zijn of is 80 de bovengrens nu de inspecteur geen incidenteel beroep heeft aangetekend? In dat verband zijn verschillende aspecten van belang, onder meer dat het verbod op reformatio in peius niet absoluut is. Zo heeft het bijvoorbeeld nimmer gegolden

Er is een aantal valkuilen te vermijden. Allereerst is het van belang te realiseren dat een expliciet opgegeven grief ook nadien niet meer kan worden gerevitaliseerd. Bezint eer ge daaraan begint. Bij de vraag of hoger beroep moet worden ingesteld moet een zuivere afweging worden gemaakt van de proceskansen, maar zeker ook van de daaraan verbonden risico’s. Hoger beroep zou immers een incidenteel hoger beroep van de inspecteur kunnen uitlokken waardoor het spel weer opnieuw begint. Minder complex is echter de situatie waarin de cliënt de uitspraak aanvankelijk wilde accepteren, maar wordt geconfronteerd met een onvermoeid strijdlustige inspecteur. In dat geval verdient het aanbeveling incidenteel hoger beroep aan te tekenen. Dat kan vrij eenvoudig door het verweerschrift tevens aan te duiden als een incidenteel hoger beroepschrift. Vervolgens moet zorgvuldig aandacht worden besteed aan het bepalen van de omvang van het geschil. Op die wijze worden de (eventuele) belemmeringen in hoger beroep weggenomen en kan de hogerberoepsprocedure worden ingevuld op een wijze die de belangen van de belastingplichtige optimaal dient. ■

Primaire doelstelling van het bestuursprocesrecht is de rechtsbescherming eigen welbevinden de discussie en daarmee het geschil verruimen waardoor het hof ruimte krijgt te beslissen op een wijze die nadeliger is dan de uitspraak van de rechtbank.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

35


■ ■ ■ ■

Pensioen

Waardering

van pensioen

na overdracht In de literatuur en jurisprudentie is veel aandacht voor de fiscale aspecten van een overdracht van de pensioenverplichting naar een andere (eigen) bv. Zeer recentelijk nog op 7 juni 2010 heeft advocaatgeneraal (A-G) mr. P.J. Wattel een conclusie geschreven voor de Hoge Raad over een overdracht van een open geïndexeerd pensioen van een werkmaatschappij naar een persoonlijke holding. In deze bijdrage aandacht voor de conclusie van A-G Wattel en een toelichting hoe de waardering van pensioen moet plaatsvinden van de ontvangende bv na overdracht.

D Peter ter Beest Mr. P.A. ter Beest MPLA is directeur bij Akkermans & Partners Pensioen Netwerken in Tilburg.

e casus waarover Wattel zich heeft gebogen is als volgt. Twee directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) hebben hun pensioenverplichtingen die zijn opgebouwd in hun gezamenlijke werkmaatschappij overgedragen aan hun persoonlijke holdings. Aangezien er sprake was van pensioenverplichtingen met een open-index, is bij de vaststelling van de overdrachtsprijs rekening gehouden met een vaste na-indexatie van 2%. Het verschil tussen de overdrachtsprijs en de fiscale boekwaarde van de pensioenverplichtingen heeft de werkmaatschappij in mindering gebracht op de belastbare winst van 2004. De inspecteur heeft deze extra last in verband met de indexatie niet toegestaan op grond van het gestelde in artikel 3.26 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), het jaarwinstartikel. Op 21 juli 2009 heeft Rechtbank ’s-Gravenhage (NTFR 2009/2508) de inspecteur in het gelijk gesteld. Naar aanleiding van deze uitspraak is sprongcassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Als ons hoogste rechtscollege deze conclusie zou volgen, heeft dat grote gevolgen voor de praktijk. Zeker nu de markrente en het u-rendement historisch laag zijn, zal het niet-aftrekbare deel van de overdrachtprijs relatief groot zijn. Dit niet-aftrekbare deel zal moeten worden geactiveerd als ‘vooruitbetaalde bedragen’ bij de overdragende bv. Als het gaat om overdracht binnen eigen bv’s valt hier nog enigszins mee te leven (zij het met moeite!). Vindt de pensioenoverdracht plaats in het kader van een bedrijfsoverdracht van de werkmaatschappij aan een onafhankelijke derde, dan zijn de gevolgen zeer aanzienlijk. De nieuwe eigenaar van de werkmaatschappij zit dan in lengte van jaren (zolang de voormalige eigenaar leeft) vast aan een lastige boekhouding. Elk jaar na ingang van het pensioen mag een deel van het geactiveerde bedrag worden afgeboekt. In het kader van de toenemende vergrijzing en de daarbij in toenemende mate optredende pensioenoverdrachten zal het aantal fiscale knelpunten dientengevolge fiks toenemen.

Conclusie van A-G Wattel

Ik zet bij deze toch ernstige vraagtekens bij de juistheid van de conclusie van A-G Wattel. Mijns inziens blijkt nergens uit het systeem noch uit de tekst van de wet dat de hoofdregel van goed koopmansgebruik (het resultaat van een vermogensbestanddeel wordt uiterlijk genomen in het jaar waarin dat vermogensbestanddeel het ondernemingsvermogen definitief heeft verlaten) opzij wordt gezet door de artikelen 3.26 en 27 Wet IB 2001. Deze jaarwinstartikelen zijn mijns inziens geschreven voor ‘going-concerntransacties’ ter zake van een pensioenver-

Op 7 juni 2010 heeft A-G Wattel een conclusie geschreven die op 26 juni 2010 is gepubliceerd. Hierin geeft de A-G kort gezegd aan dat de hoofdregel van goed koopmansgebruik – dat het resultaat op een vermogensbestanddeel uiterlijk wordt genomen in het jaar waarin dat vermogensbestanddeel het ondernemingsvermogen definitief heeft verlaten (totaalwinst) – bij pensioen via artikel 3.26 Wet IB 2001 (kosten en na- indexatie) opzij wordt gezet. Dit zou volgens Wattel volgen uit het systeem en de tekst van de wet.

36

Het Register | september 2010 | nummer 9


■ ■ ■ ■

plichting en niet voor een overdracht tegen finale kwijting van een dergelijk vermogensbestanddeel.

Om de vraag te beantwoorden op welke wijze de pensioenverplichting na overdracht moet worden gewaardeerd is eerst inzicht vereist in de diverse actuariële aspecten van een pensioenverplichting. De volgende actuariële aspecten die ik puntsgewijs zal behandelen spelen hierbij een rol: 1. directe of uitgestelde dekking van het partnerpensioen vóór pensioendatum; 2. zonder kosten (netto) of met kosten (bruto); 3. zonder langlevenrisico (geen leeftijdsterugstellingen) of met langlevenrisico (wel leeftijdsterugstellingen); 4. de hoogte van de rekenrente; 5. met of zonder indexaties.

plichting geen rekening worden gehouden met een directe dekking van het partnerpensioen vóór de pensioendatum. De reden hiervan ligt in de uitleg van het begrip ‘goed koopmansgebruik’. In het algemeen is de overlijdenskans in enig boekjaar te laag om hiermee rekening te houden bij de vaststelling van de pensioenverplichting. Dit betekent dat een pensioenverplichting in het algemeen bestaat uit het ouderdoms- en partnerpensioen vanaf de pensioendatum. Deze hoofdregel zal slechts tot uitzondering leiden als aantoonbaar is dat de overlijdenskans aanzienlijk hoger is dan uit de overlevingstafels valt af te lijden, bijvoorbeeld als een medisch specialist verklaart dat de pensioengerechtigde nog een beperkte levensduur heeft. Deze uitleg van de Hoge Raad is geschreven voor de waardering van een pensioenverplichting bij zuiver eigen beheer. De vraag rijst of dit anders wordt als er sprake is van een waardering na overdracht. Het antwoord is mijns inziens bevestigend (zo ook door het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (hierna: CAP) van de Belastingdienst). Voor zover de overdragende bv daadwerkelijk heeft betaald voor het risico van vooroverlijden (risicopremie voor het partnerpensioen) mag de ontvangende bv bij de vaststelling van de pensioenverplichting hiermee rekening houden. De pensioenverplichting na overdracht is dus inclusief het risico van vooroverlijden, althans voor zover dat daadwerkelijk is meegenomen in de overdrachtsprijs. Is het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum volledig verzekerd bij een verzekeringsmaatschappij, dan mag hiermee uiteraard geen rekening worden gehouden bij de vaststelling van de pensioenverplichting. In dat geval zal uiteraard ook de overdrachtsprijs hierin niet hebben voorzien.

Ad 1. Risico van vooroverlijden Op grond van Hoge Raad 24 september 2004 (NJ 2006/201) mag bij de waardering van een pensioenver-

Ad 2. Kosten Bij zuiver eigen beheer mag bij de vaststelling van de pensioenverplichting in principe geen rekening worden

Waardering na pensioenoverdracht Een in de literatuur sterk onderbelicht aspect van een pensioenoverdracht is de waardering hiervan na de overdracht. Op welke wijze moet de ontvangende partij de pensioenverplichting waarderen? Ook als na overdracht de pensioenopbouw wordt voortgezet, rijst de vraag op welke wijze dat deel van de pensioenverplichting moet worden gewaardeerd. Bij deze laatste vraag moet overigens onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat de dienstbetrekking ook overgaat naar de ontvangende partij of bij de oude pensioenuitvoerder blijft. Allereerst zal ik ingaan op de situatie dat na overdracht geen verdere pensioenopbouw plaatsvindt. Daarna zal ik de situatie belichten dat na overdracht de pensioenopbouw wordt voortgezet.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

37


■ ■ ■ ■

Pensioen

gehouden met kosten. De pensioenverplichting is dus een nettoverplichting. Dit wordt pas anders als in de pensioenbrief de verplichting is opgenomen dat de opgebouwde pensioenrechten worden afgestort bij een professionele verzekeraar. In dat geval staat 100% vast dat de bv extra kosten heeft en mag de pensioenverplichting worden vastgesteld rekening houdend met deze kosten (bruto). Bij de waardering na overdracht is dit niet heel anders. Ziet de kostenload tevens op de uitvoeringskosten na overdracht, dan mag mijns inziens bij de berekening van de hoogte van de pensioenverplichting hiermee rekening worden gehouden. Ziet de kostenload louter op de kosten van de overdracht zelf, dan zal de pensioenverplichting na overdracht een nettoverplichting zijn. Ad 3. Langlevenrisico Bij de waardering van een pensioenverplichting in eigen beheer spelen artikel 3.29 Wet IB 2001 juncto artikel 8, lid 6 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) een grote rol. Gecombineerd stellen deze artikelen het volgende. Bij de vaststelling van de jaarwinst geldt voor de waardering van een pensioenverplichting dat deze moet worden vastgesteld op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen met een rekenrente van ten minste 4% (artikel 3.29 Wet IB 2001) en dat er bij de meest recente sterftetafel geen rekening mag worden gehouden met leeftijdsterugstellingen (artikel 8, lid 6 Wet Vpb). Dit verbod op het gebruik van leeftijdsterugstellingen is met ingang van 1 januari 2004 in de Wet Vpb opgenomen. Bij zuiver eigen beheer kan deze bepaling niet tot misverstanden leiden. De berekening van de pensioenverplichting moet plaatsvinden zonder leeftijdsterugstellingen, tenzij een oudere sterftetafel wordt gebruikt. Alsdan mag ter correctie op de oudere sterftetafel leeftijdsterugstellingen worden gehanteerd zodat deze beter aansluit bij de meest recente sterftetafel. De vraag is of deze bepaling ook onverkort van toepassing is bij de waardering na overdracht. Het CAP beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook na overdracht moet de ontvangende partij de pensioenverplichting vaststellen zonder leeftijdsterugstellingen. Bij dit oordeel zet ik de nodige vraagtekens. Als de ontvangende partij bij de overdrachtprijs een vergoeding heeft gekregen voor het langlevenrisico dan zou – als de ontvangende partij de pensioenverplichting inclusief dit langlevenrisico heeft vastgesteld – dit jaarwinst technisch neutraal zijn. Anders gezegd, tegenover dit deel van de pensioenverplichting staat een even hoog ontvangen bedrag ofwel bij de vaststelling van de jaarwinst van de ontvangende partij wordt het resultaat niet beïnvloed door het gebruik van leeftijdsterugstellingen. Volgt men de visie van het CAP, dan creëert men winst (tegenover het ontvangen bedrag staat geen verplichting ter zake). Naar mijn mening mag de ontvangende partij de pensioenverplichting waarderen inclusief leeftijdsterugstellingen, uiteraard voor zover het langlevenrisico daadwerkelijk is betaald in het kader van de overdracht. Wellicht ten overvloede merk ik op dat dit dus niet de zienswijze van het CAP is.

38

Het Register | september 2010 | nummer 9

Ad 4. De rekenrente Voor de vraag welke rekenrente moet worden gebruikt door de ontvangende partij bij de vaststelling van de pensioenverplichting speelt het gestelde in artikel 3.29 Wet IB 2001 een rol alsmede het bepaalde in het besluit van 3 juli 2008 (nr. CPP2008/447M, Stcrt nr. 133). Het besluit stelt als hoofdregel dat het ontvangende lichaam de pensioenverplichting moet waarderen tegen het tarief (rekenrente) waarmee ook de overdrachtsprijs is vastgesteld. Echter door de toepassing van artikel 3.29 Wet IB 2001 bedraagt de rekenrente in het tarief ten minste 4%. De overdrachtsprijs wordt vastgesteld met het u-rendement op het tijdstip van overdracht. Bedraagt het u-rendement 4% of hoger, dan moet de ontvangende bv waarderen tegen dat u-rendement (dus 4% of hoger). Bedraagt het u-rendement bij de vaststelling van de overdrachtsprijs minder dan 4%, dan is het gestelde in artikel 3.29 Wet IB 2001 van doorslaggevende betekenis. De ontvangende bv moet dan waarderen met een rekenrente van ten minste 4%. Dit betekent dat als de overdrachtsprijs is vastgesteld met een u-rendement lager dan 4% het verschil tussen 4% en het gehanteerde u-rendement direct tot winst leidt bij de ontvangende bv. Ad 5. De indexaties De hoofdregel bij zuiver eigen beheer is dat de pensioenvoorziening niet mag worden vastgesteld inclusief indexaties, tenzij de effectieve rekenrente (saldo u-rendement minus indexaties) 4% of hoger is. De wet bepaalt immers in artikel 3.28 Wet IB 2001 dat bij een rekenrente van ten minste 4% indexatie-elementen niet aanwezig worden geacht. Mocht het u-rendement op het moment van ontstaan van de pensioenverplichting bijvoorbeeld 6% zijn en er is een open geïndexeerd pensioen toegezegd, dan mag de pensioenverplichting worden vastgesteld met inachtneming van een rekenrente van 4%. Is daarentegen een nominaal pensioen toegezegd, dan zal de pensioenverplichting moeten worden vastgesteld tegen een rekenrente van 6%. Deze bepalingen gelden zoals gezegd bij het waarderen van een pensioenverplichting in zuiver eigen beheer. Voor het waarderen van de pensioenverplichting na overdracht geldt het volgende. Aangezien de ontvangende partij een vergoeding heeft ontvangen voor de indexaties (los van de vraag of het aftrekbaar is bij de betalende bv), mag de ontvangende bv bij de vaststelling van de pensioenverplichting rekening houden met de indexaties voor zover die daadwerkelijk zijn betaald. Tegenover de last van indexaties staat dan een even hoog ontvangen bate. Voor zover mij bekend is dit ook het standpunt van het CAP.

Voorbeeld Ter illustratie van het voorgaande geef ik graag het volgende voorbeeld. De overdrachtsprijs is vastgeld inclusief: ■ risicopremie voor het partnerpensioen vóór pensioendatum; ■ kosten ter zake de overdracht 3,5%; ■ leeftijdsterugstellingen -5 man, -6 vouw;


■ ■ ■ ■

■ rekenrente (u-rendement) 3%; ■ indexaties 2%. De ontvangende bv waardeert de pensioenverplichting dan: ■ met risicopremie voor het partnerpensioen vóór pensioendatum; ■ geen kosten; ■ geen leeftijdsterugstellingen (visie CAP; m.i. -5 en -6); ■ rekenrente 4%; ■ indexaties 2%. Uit het voorgaande voorbeeld vallen de kosten, het verschil in rekenrente (4% -/- 3% = 1%) en de leeftijdsterugstellingen (visie CAP) vrij in de winst. Het behoeft verder geen toelichting dat naarmate het u-rendement daalt de winst bij de ontvangende bv stijgt.

Waardering na overdracht en voortzetting opbouw Als de pensioenopbouw wordt voortgezet na overdracht, zal onderscheid gemaakt moeten worden tussen de situatie dat de dienstbetrekking bij de overdragende bv blijft of ook wordt verhangen naar de ontvangende bv. Als de dienstbetrekking ook overgaat naar de ontvangende bv, is er op grond van het arrest BNB 1992/204 geen sprake van een voortzetting van de dienstbetrekking. Alsdan zal allereerst een nieuwe pensioentoezegging moeten worden gedaan voor de nog door te maken diensttijd. Er ontstaan dan eigenlijk twee pensioenverplichtingen, namelijk de overgedragen pensioenverplichting en een nieuwe pensioenverplichting voor de toekomstige diensttijd. Voor de waardering hiervan geldt voor de overgedragen pensioenverplichting het hiervóór gestelde (zie ook het voorbeeld) en voor de nieuwe pensioenverplichting is er sprake van zuiver eigen beheer. Deze pensioenverplichting moet worden vastgesteld op basis van het volgende: ■ rekenrente: marktrente op datum pensioentoezegging maar ten minste 4%; ■ uitgestelde dekking voor het partnerpensioen vóór pensioendatum; ■ geen kosten; ■ geen leeftijdsterugstellingen; ■ geen indexaties, tenzij het saldo van de rekenrente en de indexatie 4% of hoger is (is thans niet het geval!). Het nadeel van de opbouw na overdracht en verhanging van het dienstverband is dat een backservice slechts wordt beperkt over de diensttijd doorgebracht bij de ontvangende bv. De backservice over de diensttijd doorgebracht bij de overdragende bv wordt hierin niet meegenomen. Is dat echter toch gewenst, dan zal het principe van waardeoverdracht moeten worden toegepast. De contante waarde van de pensioenrechten opgebouwd bij de overdragende bv wordt dan als het ware omgezet in diensttijd bij de ontvangende bv. Voordeel hiervan is dat dan wel backservice kan worden toegepast en dat er sprake is van één pensioenverplichting. Nadeel is dat de gehe-

le pensioenverplichting onder de regels valt van zuiver eigen beheer en dit kan grote gevolgen hebben voor de jaarwinst van de ontvangende bv. Blijft de dienstbetrekking achter bij de overdragende bv, dan valt de pensioenopbouw na overdracht onder de regels van extern eigen beheer en dus onder de regels van het besluit van 3 juli 2008. Voor elk jaar dat een pensioenaanspraak wordt opgebouwd zal de werkgever-bv een koopsom moeten betalen aan de pensioenuitvoerende bv, een en ander op grond van een schriftelijk afgesloten financieringsovereenkomst. Men kan in dit kader stellen dat er eigenlijk elk jaar van pensioenopbouw sprake is van een overdracht van het in dat jaar opgebouwde pensioenrecht. Het hiervóór gestelde met betrekking tot de overdracht van een pensioenverplichting zal dan jaarlijks moeten worden toegepast. Ik zou hier bijna zeggen bezint eer ge begint! De boekhouding wordt dan wel erg complex. Mocht in een voorkomend geval de dga al voldoende hoge pensioenrechten hebben opgebouwd, zou ik niet aarzelen te adviseren de pensioenopbouw na de overdracht te staken.

Fiscale eenheid Is er sprake van een fiscale eenheid, dan kan zowel voor de overdracht als voor de waardering na overdracht worden uitgegaan van zuiver eigen beheer. Fiscaal gezien is er immers sprake van één lichaam. Voor de overdracht kan dus ‘gewoon’ worden uitgegaan van de fiscale pensioenverplichting. Zo ook voor de waardering nadien. Er moet echter extra comptabel wel een boekhouding worden bijgehouden als ware de overdracht en de waardering nadien buiten fiscale eenheid hebben plaatsgevonden. Wordt namelijk de fiscale eenheid ontvoegd binnen zes jaar na overdracht (zie ook artikel 15ai Wet Vpb), dan ontstaat alsnog de situatie zoals hiervóór besproken. De overdragende bv zal dan alsnog een actief post op de balans moeten opnemen en de ontvangende bv zal de pensioenverplichting moeten waarderen conform het voorbeeld zoals hiervóór beschreven.

Conclusie De waardering van een pensioenverplichting na overdracht is zeer complex en leidt tot een zeer bewerkelijke boekhouding. Daarnaast is het fiscaal gezien ook niet altijd aantrekkelijk om een overdracht toe te passen. Zeker niet in het licht van de in dit artikel besproken conclusie van A-G Wattel, waarbij ik overigens vraagtekens zet. Met de toenemende vergrijzing zal het fenomeen van overdracht echter vaker worden geadviseerd. De combinatie van de fiscale verwerking voor de overdrager en de ontvanger zal tot grote fiscale knelpunten leiden, zeker als het nu al zo lage u-rendement blijft dalen. Dit wordt nog schrijnender als de overdracht plaatsvindt in het kader van een verkoop van het bedrijf (werkmaatschappij). De nieuwe eigenaar zit dan in lengte van jaren vast aan een complexe boekhouding ter zake van pensioen van de vorige eigenaar! Loopt u hier tegenaan vraag dan goed advies, want er zijn mogelijkheden om de in dit artikel beschreven complexiteit te omzeilen. ■

september 2010 | nummer 9 | Het Register

39


HET

Verenigingsnieuws Van het bestuur

De Uitdaging De zomer is bijna voorbij. Eenieder heeft de accu weer opgeladen om een nieuwe periode van hard doch hopelijk tevredenstellend werk te kunnen verrichten. Daarbij mag het thuisfront niet vergeten worden, iets wat er toch vaak bij inschiet als je met enige gedrevenheid bepaalde voornemens probeert te realiseren. Zoals mijn vader zaliger placht te zeggen: een mens zonder streven is geen mens. Bij de besturen van het CB en de NFB is het samenwerken binnen het Register Belastingadviseurs (RB) op weg naar een fusie een uitdaging gebleken waar iedereen binnen het bestuur en directie hard, maar met veel inspiratie aan werkt. Dat wil niet zeggen dat iedereen het altijd en overal voor de volle honderd procent met elkaar eens was. De onderlinge overtuigingskracht, onderbouwd met feiten en argumentatie, heeft het bestuur en directie echter op een lijn weten te houden. Positieve kritiek is nodig, vooral als er veel werk moet worden verricht. De uitdaging voor het bestuur is om een en ander tot volle tevredenheid van alle leden tot een goed resultaat te (bege)leiden. De afgelopen periode hebben wij u steeds zo goed mogelijk op de hoogte gehouden van alle voorbereidingen voor de fusie. Daarnaast informeerden wij u – zoals u van ons mag verwachten – over de vele veranderingen voor wat betreft de wetgeving op fiscaal gebied. Ook daarmee gaat het vaak snel. Dit biedt uitdaging aan de medewerkers van onze vereniging, maar zeker ook aan u. Het is een uitdaging om bij te blijven; opleidingen zijn belangrijker dan ooit. RB Opleidingen wordt dan n opleidinook terecht wel eens het hart van de vereniging genoemd. Als we zien wat we samen aan gen kunnen aanbieden in combinatie met ons PE-programma mag mijns inziens gesteld worden dat we uniek zijn in Nederland. Universiteiten die fiscale vakgroepen sluiten geven ons wellicht weer een nieuwe uitdaging voor de toekomst. den genoHet RB is een vereniging die meegroeit met de tijd. Een tijd waarin hobbels moeten worden men en waarin uitdagingen graag worden aangegaan. Een uitdaging is en was het, maar zeker ook zeer inspirerend. Gezamenlijk willen we graag een nieuwe krachtige vereniging zijn die staat voor belangenbehartiging, kwaliteit, onderwijs en ondersteuning. Mag ik u uitnodigen om allen te komen naar de ledenvergadering op 15 november? Gaat u met ons de uitdaging aan en groeit u met ons mee? ■

René Bisschoff CB Bestuurslid Register Belastingadviseurs

september 2010 | nummer 9 | Het Register

41


HET

Verenigingsnieuws Belangenbehartiging en vakinformatie

Btw-specialisten gezocht Het RB is bezig een netwerk van btw-specialisten op te zetten voor bijvoorbeeld periodiek vaktechnisch overleg en klankborden. Mogelijk kan het netwerk ook een bijdrage leveren aan verenigingszaken, zoals commentaren van de Commissie Wetsvoorstellen. Ook stelt het andere leden in staat om via dit netwerk een btw-specialist te vinden.

Meld u aan Beschikt u als NFB- of CB-lid over kennis van btw op specialistenniveau? Bent u (vrijwel) uitsluitend werkzaam in de btw-praktijk? Bent u bereid actief te participeren binnen het Btw-specialistennetwerk, bijvoorbeeld door bij te dragen aan de uitvoering van een vaktechnisch btw-overleg? Meld u zich dan aan voor het Btw-specialistennetwerk via vaktechniek@rb.nl.

RB reageert op consultatie cassatierechtspraak De Commissie Wetsvoorstellen heeft gereageerd op de internetconsultatie Versterking cassatierechtspraak. Het wetsvoorstel is erop gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. Het wetsvoorstel brengt geen wijzigingen in de procesvertegenwoordiging in de fiscale procedure bij de Hoge Raad. De Commissie Wetsvoorstellen heeft tot haar genoegen geconstateerd dat de laagdrempeligheid in het bestuursrecht gewaarborgd blijft door de onverplichte procesvertegenwoordiging. Het pleiten bij de Hoge Raad blijft voorbehouden aan de advocatuur. Hoewel de commissie inschat dat de dagelijkse procespraktijk van deze regel weinig hinder ondervindt, kan volgens haar voor het bestuursrecht overwogen worden om ook gekwalificeerde belastingadviseurs de bevoegdheid te verlenen om een zaak bij de Hoge Raad te bepleiten. Het conceptwetsvoorstel introduceert verder een ontvankelijkheidstoets. De commissie acht bij een niet-ontvankelijkverklaring een uitdrukkelijke motiveringsplicht wenselijk. De reactie is te vinden op het ledendeel van www.rb.nl > Vakinformatie > Commissie Wetsvoorstellen.

Maak handig gebruik van gratis nieuwsbrieven Op internet kunt u zich op veel (fiscale) nieuwsbrieven abonneren, vaak met een RSS-feed. Denk bijvoorbeeld aan de nieuwsberichtenservice van het ministerie van Financiën, de Belastingdienst, rechtspraak.nl en dergelijke. Een andere gratis bron is de nieuwsbrief Vakstudienieuws Vandaag die u dagelijks op de hoogte houdt van de belangrijkste fiscale gebeurtenissen. Deze nieuwsbrief is onderdeel van het complete Vakstudie Nieuws pakket van Kluwer en sinds kort kunt u deze nieuwsbrief gratis ontvangen via www.kluwer.nl. Voor de toegang tot de brondocumenten dient u wel een abonnement te hebben; dit kan met korting via het RB. Kijkt u op het ledendeel van www.rb.nl > Ledenvoordeel, daar vindt u tevens een aantal andere mogelijkheden voor vakinformatie met korting. Voor een uitgebreid overzicht van meer fiscale informatie op internet, kijk op www.rb.nl > Links.

42

Het Register | september 2010 | nummer 9

Reactie RB op concept-URLB 2011 Namens de Commissie Wetsvoorstellen van het RB heeft GIBO Groep Accountants en Adviseurs gereageerd op de internetconsultatie Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 (URLB 2011). In deze reactie plaatst de commissie kanttekeningen bij het ontbreken van een fundamentele discussie over het loonbegrip. Daarnaast gaat zij in op enkele praktische knelpunten in de concept-URLB 2011. Zo wijst zij er op dat werkgevers met relatief meer deeltijdwerknemers sneller tegen een eindheffing van 80% aanlopen, dan werkgevers met minder deeltijders. Andere punten zijn onder andere de koppeling tussen de salarisadministratie en de financiële administratie, de verstrekking van vakliteratuur, werkkleding, rentevoordeel op personeelsleningen, maaltijden op de werkplek, conditie- en krachttraining op de werkplek, de bedrijfsfietsenregeling, vaste kostenvergoedingen en producten uit eigen bedrijf. De commissie wil tevens duidelijkheid over de fiscale behandeling van contributies voor beroepsverenigingen. Het RB heeft dit punt in een brief van 25 juni 2010 aan de minister van Financiën al onder de aandacht gebracht. Het ministerie heeft inmiddels laten weten dit punt mee te nemen in de reactie op de internetconsultatie URLB 2011. Onze brief aan de minister en de RB-reactie op de internetconsultatie vindt u op de homepage van www.rb.nl > Dossier Werkkostenregeling en op het ledendeel van www.rb.nl > Vakinformatie > Commissie Wetsvoorstellen. Meer over de werkkostenregeling leest u ook in Het Register 7/8 in het artikel ‘De werkkostenregeling: loont deze?’

Memo Vrijstelling beroepsonderwijs gewijzigd Het memo ‘Vrijstelling beroepsonderwijs’ van Van Driel Fruijtier BTW-specialisten is aangepast na het Besluit van 22 juni 2010, nummer DGB/3875M. Ga naar het ledendeel en kijk bij www.rb.nl > Vakinformatie > Nieuwsbrieven > RBtw.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Leden

Terugvragen EU-btw: heeft uw klant u al gemachtigd?

Btw-informatie met ledenkorting

Vanaf 1 januari 2010 kunnen ondernemers btw die betaald is in andere EU-landen terugvragen via de speciale website https://eubtw.belastingdienst.nl. De uiterste inleverdatum voor een digitaal verzoek is 30 september 2010. Ondernemers hebben daarvoor inloggegevens nodig. Als belastingadviseur kunt u via deze website ook btw voor uw klanten terugvragen. U hoeft zelf maar één keer inloggegevens aan te vragen. Meer informatie en het formulier ‘Aanvraag inloggegevens intermediairs teruggaaf btw uit andere EU-landen’ kunt u downloaden van www.belastingdienst.nl. Let op: Uw klant moet zelf ook inloggegevens aanvragen en u vervolgens op de website van de Belastingdienst machtigen om de btw terug te vragen.

Elke belastingadviseur (en zijn/haar klanten) heeft met btw te maken. Naast de maandelijkse nieuwsbrief RBtw verzorgt Van Driel Fruijtier BTW-specialisten ook de website www.BTWvaktechniek.nl. Deze website koppelt nieuws, kennis en advies aan elkaar. Hierdoor bent u van het allerlaatste btw-nieuws snel op de hoogte, weet u wat deze actualiteit voor de praktijk betekent en heeft u een bron waarin u alles kunt vinden wat betreft modellen, schema’s en memo’s. De website bevat ook de meest recente rechtspraak, besluiten en standpunten die de Commissie Wetsvoorstellen op btwgebied inneemt.

Belastingdienst beantwoordt vragen over de EU-btw Op 6 juli 2010 heeft de Belastingdienst in een informatiebijeenkomst vragen beantwoord van vertegenwoordigers van Beconorganisaties over de teruggaafprocedure van btw uit andere EUlanden. Het verslag van deze bijeenkomst kunt u vinden op het ledendeel van www.rb.nl > Vakinformatie > Becon > Beconoverleg.

NFB- en CB-leden ontvangen voor € 595 in plaats van € 650 (exclusief btw) per jaar één licentie met een persoonlijke toegangscode voor de website www.BTWvaktechniek.nl. Bij dit abonnement ontvangt u 25% korting op adviesuren. Prijzen voor meerdere gebruikers op aanvraag. Geef altijd uw CB- of NFB-lidnummer door. Heeft u interesse? Kijk dan op www.BTWvaktechniek.nl of op www.rb.nl > Ledenvoordeel voor meer informatie.

Uitstel van betaling bij vertraagde terugbetaling buitenlandse btw mogelijk

Korting op Handboek Arbeidsrecht

De Belastingdienst meldt dat de verwerking en uitbetaling van verzoeken om teruggaaf van in andere EU-lidstaten betaalde btw mogelijk later plaatsvindt. De reden hiervoor is dat verschillende EU-lidstaten nog bezig zijn verbeteringen in hun automatiseringssystemen aan te brengen. Ondernemers kunnen uitstel van betaling aanvragen bij problemen met het voldoen aan betalingsverplichtingen voor Nederlandse belastingaanslagen die worden veroorzaakt doordat buitenlandse btw later wordt terugbetaald. In het Actueelbericht van 22 juli 2010 op www.belastingdienst.nl staat toegelicht aan welke voorwaarden het verzoek moet voldoen.

Wordt u als adviseur regelmatig met arbeidsrechtelijke vragen geconfronteerd? Het Handboek Arbeidsrecht biedt uitgebreide informatie over belangrijke juridische vraagstukken op arbeidsrechtelijk gebied. Dit handboek biedt u naast wet- en regelgeving diverse praktijkvoorbeelden en praktische tips. Onderwerpen die onder andere aan bod komen: arbeidsrelaties, loonheffingen, de arbeidsovereenkomst, ziekte/zwangerschap/WIA, collectief arbeidsrecht, beëindiging van de arbeidsovereenkomst en fusie/overname.

Uitstel van betaling zonder aanslag?

NFB- en CB-leden ontvangen 35% korting en betalen € 54,27 excl. btw en verzendkosten (in plaats van € 83,49). Bestellen kan via de website www.licentacademy.nl. Voor de korting dient u op het bestelformulier de actiecode 10RBHAR in te vullen.

Het RB heeft verzocht om duidelijkheid over de toepassing van het uitstelbeleid in het geval nog geen aanslag is opgelegd. Bij aangiftebelastingen zou de ondernemer eerst een naheffingsaanslag moeten uitlokken om te kunnen voldoen aan de eis voor uitstel van betaling. Omdat dan een verzuimboete wordt opgelegd, valt het uitlokken van naheffingsaanslagen af te raden. Wij houden u via de RB-Nieuwsflits op de hoogte.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

43


HET

Verenigingsnieuws Leden

Voor uw agenda

NFB-lidmaatschap

Startdata RB-opleidingen

Aanmeldingen

Inschrijvingen

CB-belastingadviseur maandag 4 oktober gezamenlijk startcollege, vervolgens naar keuze op ma, di of do

CB-belastingconsulent maandag 4 oktober – Zwolle, Eindhoven dinsdag 5 oktober – Utrecht, Amsterdam, Rotterdam

■ ■

Master Belastingadviseur vrijdag 17 september

Beroepsvaardighedenprogramma

vrijdag 24 september ■

Jong RB ■

Netwerkbijeenkomst bij Belastingdienst Haaglanden donderdag 30 september (vol) ■ Communicatieworkshop ‘Van klant naar superklant’ donderdag 4 november ■

ALV CB en ALV NFB maandag 15 november

Praktijkmiddag Actualiteiten fiscale advisering

Dhr. P.M.T. Boonen Nederweert Mw. mr. N.R.A.M. Arts Venray Dhr. drs. J.A. Pul MB Opheusden Mw. J.I.W. Swartjes Weurt Mw. mr. M.E. Wentinkvan Dongen Deventer Dhr. mr. E.J.W.M. Wijnen Escharen Dhr. mr. F.M.M.J.C.T. de Jong Breda Mw. K.E. de Jong Denekamp

■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

NB. De ballotagetermijn is één maand

Mw. J.W.J. te Dorsthorst Zevenaar Mw. mr. I.J. Veldhuizen-Maengkom Amstelveen Dhr. W.H. Hol BB Elst Dhr. J.C. van der Plas AA CB Haarlem Dhr. mr. M.C. Tervoort Eindhoven Dhr. mr. A.T.A.A. Teunissen CB Oosterhout Dhr. ir. M.J.M. Kluijtmans Denekamp Dhr. mr. H.J. van der Wals Swifterbant Dhr. mr. B. ten Kleij Vries Mw. D.J.J. van den Munckhof Venray

Geordend het nieuwe seizoen in

maandag 15 november

Op de RB-agenda Accountancynieuwsdag Meer informatie en ledenkorting op pagina 45. dinsdag 12 oktober

Beconoverleg

Het RB heeft exclusief voor leden drie dossiers ontwikkeld voor het beheren van de klantgegevens; een dossier voor de onderneming, de bv en de particulier. De dossiers zijn te bestellen in een CB- of RB-variant. CB-leden opgelet: Voor de (groene) CB-variant geldt op=op. In de RB-shop op www.rb.nl vindt u meer (bestel)informatie.

vrijdag 10 december

Fiscaal Actueel met eindejaarstips Speciale kennismakingsactie: Het is mogelijk Medio november verschijnt de vierde en laatste uitgave van dit jaar van de vernieuwde klantennieuwsbrief Fiscaal Actueel. In deze uitgave wordt speciale aandacht besteed aan ‘eindejaarstips’. Wilt u uw klanten ook op de hoogte houden van actuele fiscale ontwikkelingen op het gebied van het mkb en de vermogend particulier? Bekijk dan de abonnementsvoorwaarden op het ledendeel van www.rb.nl > Ledenvoordeel > Nieuwsbrief Fiscaal Actueel. Meldt u zich nog vóór 7 oktober aan, dan kunt u uw klanten al in november de nieuwsbrief toesturen.

44

Het Register | september 2010 | nummer 9

Fiscaal Actueel nummer 4 – 2010 eenmalig af te nemen! Deze actie geldt alleen voor deze uitgave en enkel voor de blanco gedrukte versie waarbij u eventueel middels een sticker of stempel zelf uw logo of adresgegevens op de voorzijde kunt aanbrengen. Kijk voor meer informatie en het speciale aanmeldingsformulier op www.rb.nl > Ledenvoordeel > Nieuwsbrief Fiscaal Actueel en vraag de klantennieuwsbrief aan vóór 7 oktober.


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Opleidingen

Studietijd Marijke Mingels (bijna 25) werkt als (junior) belastingadviseur bij Accon AVM Adviseurs en Accountants in Roermond. Onlangs slaagde zij voor de opleiding Master Belastingadviseur. Deze week ontvangt zij haar diploma in Slot Zeist.

Hoe ben je tot het vak belastingadviseur gekomen? Ik interesseerde me altijd al voor rechten, maar die studie werd mij vanwege mijn dyslexie door verschillende mensen afgeraden. Ik heb toen na het vwo gekozen voor heao Fiscaal recht en economie. Tijdens mijn studie liep ik stage bij Accon AVM en dat is zo goed bevallen dat ik er ben blijven werken. Daarna ben je meteen door gaan studeren? Bij Accon AVM vindt men groei uiteraard belangrijk. Een universitaire studie heeft hierbij de voorkeur. Zelf merkte ik dat je, met een heao-diploma op zak, uiteraard wel over theoretische kennis beschikt, maar weinig kennis van de praktijk hebt. Ik wilde dus het liefst een opleiding met oog voor de praktijk volgen. Dat werd, na eerst een jaar Schakelprogramma, de eenjarige opleiding Master Belastingadviseur.

Opleiding starten? Nu ook online aanmelden! Wilt u of uw collega nog dit najaar starten met een opleiding? Aanmelden is nu ook online mogelijk. Via de website kunt u zich gemakkelijk en snel aanmelden voor de opleiding van uw keuze. Het enige wat u nodig heeft is een bestand van uw ingescande diploma’s. De opleidingen starten vanaf 17 september, voor alle startdata verwijzen wij u naar de kalender op pagina 44. Meer informatie vindt u op www.rb.nl.

Hoe is de opleiding bevallen? Zeer goed. Vooral de praktische kant. Wat ik erg fijn vond, was dat je voor een aantal vakken geen tentamen kreeg, maar een casus moest uitwerken. Hierdoor moet je dus niet alleen goed op de hoogte zijn van de leerstof, maar deze ook direct kunnen vertalen naar de praktijk. Dit was voor mijn werk natuurlijk ook meteen een grote meerwaarde. Bij studeren voor een tentamen blijft het allemaal toch meer theoretisch. Jammer vond ik alleen dat je geen feedback kreeg op de casussen die je had gemaakt, behalve uiteraard je cijfer. Ik had graag gehoord waarom een bepaalde opdracht bijvoorbeeld een 7 waard was. Wat er dus blijkbaar niet helemaal goed aan was of wat erin miste. In de praktijk wil je de klant tenslotte ook een advies geven dat een ‘10’ waard is. Wat vind je van de docenten? Heel goed en behulpzaam. Je kon ze ook altijd goed bereiken. Aan mijn scriptiebegeleider, Jan IJzerman, heb ik ook erg veel gehad. Hij was altijd bereid om mijn scriptie mee te lezen en van commentaar te voorzien. Heb je nog tips voor aankomende studenten? Vantevoren was ik nogal onzeker of ik de opleiding wel aan zou kunnen. Maar inmiddels is mijn motto: Maak je niet te druk. Als je twijfelt, begin er gewoon aan. Met een goede voorbereiding en goede wil kom je een heel eind! Zelf ga ik weer door met studeren: in september begin ik aan de universitaire Master fiscaal recht!

Accountancynieuwsdag 2010 Wilt u de Accountancynieuwsdag op dinsdag 12 oktober in congrescentrum Papendal te Arnhem bijwonen? Enkele onderwerpen zijn: de werkkostenregeling, Successiewet 2010 en XBRL/SBR. Als CB- of NFB-lid kunt u gebruikmaken van een aanzienlijke korting. U betaalt € 125 (exclusief btw) in plaats van € 180. Aan deelname aan deze dag worden 4 algemene PE-punten toegekend. Ook het Register Belastingadviseurs is tijdens deze dag aanwezig met een stand. Voor meer informatie over het programma en de sprekers en om u aan te melden, kijkt u op http://andag.accountancynieuws.nl.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

45


HET

Verenigingsnieuws Boeken

Carrouselfraude r. R.A mr.d

. Wolf

Wolf

Tijdens economische crises is het meer dan ooit van belang om fraude streng te bestrijden. De laatste jaren is er dan ook veel aandacht voor btw-carrouselfraude. Bij deze vorm van belastingfraude wordt gefrauw. deerd met de afdracht en teruggave van btw. d Geschat wordt dat deze fraude in Nederland rd een bedrag behelst van circa een half miljard euro.

Pensioen in de winstsfeer w

e raud uself Carro

e raud nds perspectitiefe ; uself la den Carro robleem vagenulgitevNinedgeren jurispru ees p fiscale re urop Een E alyse van een an

rift De auteur is gepromoveerd op het proefschrift anuit ‘Carrouselfraude, een Europees probleem vanuit erNederlands perspectief’. Hij gaat in op de verschijningsvormen van btw-carrouselfraude en schilgeeft daarbij aan welke maatregelen de verschillende lidstaten hebben genomen en welke voorstellen er zijn om deze fraude te bestrijden. Hij sluit zijn proefschrift af met enkele aanbevelingen voor de bestrijding.

A AL F IS C IJ K E PPEL CHA S REEK

ENS

15

IB Pensioen

s

r

in de wins tsfee

Pensioen in de winstsfee r

fe d fiscale brochure

Stevens

Eén van deze bestrijdingsmaatregelen vormt de huidige aansprakelijkheidsstelling in de Invorderingswet. Fiscalisten die klanten hebben bij wie de fiscus deze aansprakelijkheidsstelling toepast, kunnen dit boek beter niet als naslagwerk gebruiken. De uitgave is sterk wetenschappelijk getint en biedt geen praktische handreikingen en informatie om dergelijke situaties het hoofd te kunnen bieden.

WET

5e druk 2010

IB

Prof. dr. L.G .M. Steven s

Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs/kwaliteitverhouding Bedoeld voor specialist Eindoordeel: ■ ■ ■ Auteur:

Prijs:

9789012383769 € 49,50

Door mr. Lucas Blom FB AA en mr. Johan Stip FB

46

In de boekenrubriek geven ervaren vakmensen op persoonlijke titel hun mening over recent verschenen (fiscale) boeken: ■ Twee beoordelaars recenseren een boek. ■ Zij kennen cijfers toe voor bijvoorbeeld leesbaarheid, actualiteit en niveau.

Mr. dr. R.A. Wolf

Uitgever: Sdu uitgevers ISBN:

4 9 8 8 8 7

Het Register | september 2010 | nummer 9

I Pensioen in de winstsfeer staan de voortvloeiIn e ende verplichtingen uit de pensioentoezegging ccentraal. Het boek gaat over de consequenties d die de toezegging heeft voor het fiscale totale w winstbegrip en de fiscale jaarwinstberekening. D Deze uitgave is onderdeel van de fed fiscale b brochures, beleeft een vijfde druk en is een alg gehele herziening van de vierde druk (2003). D De auteur gaat in op de waardering van de versschillende pensioenverplichtingen; de al dan n niet PW/PSW-gebonden verplichtingen, eigen b beheer, de egalisatie- en pensioenreserve en de cconsequenties voor de waardering van waardev vast en welvaartsvaste pensioenen. Daar waar n nodig worden de berekeningstechnieken toegellicht. Naast pensioenverplichtingen beschrijft hij o ook de VUT-regelingen, overbruggingspensioen nen en de fiscale positie van pensioenlichamen. W Wat het boek plezierig te lezen maakt, is de o overzichtelijke indeling. De vraagtekens en e eigen mening van de auteur die af en toe g gesteld worden bij beslissingen van de Hoge R Raad of bij beslissingen van de wetgever om w waarderingssystemen af te schaffen zetten de llezer bovendien aan tot nadenken. V Voor de adviseur die graag meer wil weten over d de waardering van pensioenverplichtingen en d de achtergrond van de diverse systemen is het e een uitstekend leesbaar boek. Praktisch nut Wetenschappelijk niveau Actualiteit Leesbaarheid Presentatie Prijs-kwaliteit-verhouding Bedoeld voor specialist Eindoordeel: ■ ■ ■ ■ ■ Auteur:

De recensenten geven een eindoordeel: Aanrader Goed Redelijk Matig Afrader

■ ■ ■ ■ ■

■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

8 8 9 8 7 8

Prof. dr. L.G.M. Stevens

Uitgever: Kluwer ISBN: Prijs:

978 90 13 06920 4 € 59,75

Door Marja Nienhuis-Willems FB-FFP en mr. Berrie van der Velden FB AA


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

Permanente Educatie

Hoeveel weet u van de Wwft?

PE-programma najaar 2010

Test uw kennis nu online! CB- en NFB-leden (uitgezonderd aspirant-leden en buitengewone leden) hebben sinds kort de mogelijkheid op www.wwfttoets.nl deel te nemen aan een online toets over de Wwft. Door middel van twintig meerkeuzevragen wordt de kennis rondom deze wet getest. Bij voldoende juiste antwoorden ontvangt u een certificaat van deelname. Inmiddels hebben al ruim 300 leden het certificaat behaald! Met het certificaat toont u aan, bijvoorbeeld in geval van een audit, over de wettelijk vereiste kennis van de Wwft te beschikken.

Het nieuwe PE-programma is gestart. Voor CB- en NFB-leden geldt een speciale prijs. Hieronder het programma tot en met november 2010. Aanmelden kan middels de formulieren uit de brochure Permanente Educatie najaar 2010, B-website. deze zijn ook te downloaden van de RB-website.

Het certificaat geeft recht op 2 fiscale PE-punten. De punten worden niet automatisch bijgeschreven. CB-leden dienen een kopie van het certificaat in te sturen. Voor NFB-leden geldt de voor hen gebruikelijke procedure. Voorafgaand aan de toets is serieuze zelfstudie aan te raden. Hiervoor bestudeert u het Handboek Wwft of bekijkt u het digitale dossier op het ledendeel van www.rb.nl > Vakinformatie > Dossiers. Deelname aan de toets is geheel kosteloos en niet verplicht. Wanneer u deelneemt bepaalt u zelf, er is (vooralsnog) geen einddatum aan de toets verbonden.

Permanente Ed ucatie

najaar 2010

Praktijkgericht

e fiscale cursu

ssen

Akersloot ma 20 september Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert ma 27 september Het nieuwe successierecht Mr. J.F.H. van den Belt di

5 oktober

Actualiteiten omzetbelasting Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

ma 11 oktober

Casuscollege eigen woning Mr. M.J. Hoogeveen

di

12 oktober

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

di

19 oktober

Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

2 november

Casuscollege formeel belastingrecht Prof. dr. G.J.M.E. de Bont/mr. P. de Haas/mr. J.M. Sitsen

ma 8 november

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB & mr. P.L.F. Seegers

di

23 november

Pro-actief belastingadvies (vernieuwd programma) Drs. H.J. Meijer FB

Praktijkregiobijeenkomsten najaar 2010 De gratis Praktijkregiobijeenkomsten zijn vooralsnog alleen toegankelijk voor CB-leden en worden in combinatie met de regiobijeenkomsten georganiseerd. De inschrijving sluit een week voorafgaand aan een bijeenkomst. Een bijeenkomst is van 16.00 tot ongeveer 21.00 uur (inclusief broodjesbuffet). In het eerste gedeelte spreken R. de Groot CB en R. Vink over de werkkostenregeling. Na de pauze gaan sprekers van Bureau Vaktechniek in op actuele jurisprudentie en Beconactualiteiten. Aanmelden kan via het ledendeel van www.rb.nl > Bijeenkomsten.

di

30 november

Aangifte omzetbelasting Mr. G.B. van Driel CB FB

Breda di

28 september

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

ma

4 oktober

Het nieuwe successierecht Mr. J.F.H. van den Belt

di

5 oktober

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

ma

25 oktober

Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

ma

1 november

Actualiteiten omzetbelasting Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet

ma

22 november

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB & mr. P.L.F. Seegers

ma

29 november

Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert

Eindhoven di

21 september Het nieuwe successierecht Mr. J.F.H. van den Belt

Datum

Locatie

ma 27 september Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert

Midden

maandag 27 september

Nijkerk

ma 4 oktober

Oost

woensdag 29 september

Deventer

Zuid-Oost

dinsdag 5 oktober

Eindhoven

di

12 oktober

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

Zuid-West

donderdag 7 oktober

Breda

di

26 oktober

Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Noord

woensdag 13 oktober

Emmeloord (i.p.v. Assen)

di

2 november

West-Noord

woensdag 20 oktober

Akersloot

Extra

dinsdag 26 oktober

Vianen

di

9 november

West-Zuid

donderdag 28 oktober

Nootdorp

di

16 november

Regio

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB & mr. P.L.F. Seegers

Actualiteiten omzetbelasting Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint Aangifte omzetbelasting Mr. G.B. van Driel CB FB

De contributie beroepsvereniging werknemers vanaf 2011 duurder voor werkgevers? Als het aan het RB ligt niet. Volg de actie Werkkostenregeling op www.rb.nl in het Dossier Werkkostenregeling te vinden op de homepage. Zo weet u welke stappen wij zetten en met wie.

september 2010 | nummer 9 | Het Register

47


HET

Verenigingsnieuws di

Emmeloord di

12 oktober

21 september Tweeluik echtscheiding en geld (dag I)

Actualiteiten vennootschapsbelasting Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Mr. M. de L. Monteiro wo 22 september Actualiteiten vennootschapsbelasting

di

9 november

Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

di

16 november

Pro-actief belastingadvies (vernieuwd programma)

do

23 september (Her)structureren in de praktijk Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Mr. drs. S.A.W.J. Strik 23 september Invorderen van belastingen J.H.P.M. Raaijmakers

Drs. H.J. Meijer FB

do

ma 22 november

Actualiteiten omzetbelasting

wo 29 september Btw en onroerende zaken, verdieping

di

Aangifte omzetbelasting Mr. G.B. van Driel CB FB

Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet 23 november

Mr. G.B. van Driel CB FB wo 29 september Dga 2010 Mr. drs. S.A.W.J. Strik do

30 september Btw-risico in de praktijk Mr. M.C. van den Oetelaar &

Het nieuwe successierecht Mr. J.F.H. van den Belt

do

30 september Kapitaalverzekeringen Mr. G.M.C.M. Staats

Renteaftrekproblemen en vorderingen toegespitst op

ma 4 oktober

mr. F.L.J. Vervaet

Houten ma 11 oktober do

14 oktober

de mkb-praktijk Mr. drs. S.A.W.J. Strik wo 3 november

Aangifte omzetbelasting Mr. G.B. van Driel CB FB

ma 4 oktober

do

Arbeidsrecht in de dagelijkse praktijk

di

4 november

5 oktober

Mr. J.P.M. van Zijl ma 8 november

Leergang Schenk-, erf- en overdrachtsbelasting

9 november

Vervolgcursus estate planning (dag I)

di

5 oktober

16 november

wo 6 oktober

Vervolgcursus estate planning (dag II)

wo 6 oktober

Prof. dr. B.M.E.M. Schols & prof. dr. F.W.J.M. Schols

wo 6 oktober

Leergang Schenk-, erf- en overdrachtsbelasting (dag II) Mr. D. van Laren

do

7 oktober

di

Het nieuwe toezicht van de Belastingdienst en

do

7 oktober

Mr. R.R. Kramer RA

25 november

ma 11 oktober

Tweeluik echtscheiding en geld (dag II) De bijleenregeling in de praktijk Mr. G.A.C. Aarts Het samenstellen van de jaarrekening in het mkb BTW-academie (dag IV) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

di

12 oktober

Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Toeslagen J.H.P.M. Raaijmakers

nieuwe stijl Drs. M. Moling AA RA CB

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB & mr. P.L.F. Seegers

do

Inleiding estate planning (dag I)

Mr. M.J. Hoogeveen

concrete gevolgen voor de mkb-praktijk wo 24 november

Leergang Vennootschapsbelasting/dividendbelasting

Mr. J.F.H. van den Belt

ma 22 november 23 november

Financiële planning, verdieping (dag II)

(dag I) Mr. dr. H. Vermeulen

Prof. dr. B.M.E.M. Schols & prof. dr. F.W.J.M. Schols di

In en uit de bv Mr. C.G. Dijkstra Baard Financiële Planning

(dag I) Mr. M.G. Eerenstein di

BTW-academie (dag III) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

Leergang Vennootschapsbelasting/dividendbelasting (dag II) Mr. dr. H. Vermeulen

wo 13 oktober do

14 oktober

Inleiding estate planning (dag II) Mr. E.R. Helder Casuscollege formeel belastingrecht Prof. dr. G.J.M.E. de Bont/mr. P. de Haas/mr. J.M. Sitsen

Hulshorst do

28 oktober

Start Mediation (dag I) Mr. K.C.N.M. Bakx

do

vr

29 oktober

Mediation (dag II) Mr. K.C.N.M. Bakx

ma 25 oktober

14 oktober

do

11 november

Mediation (dag III) Mr. K.C.N.M. Bakx

vr

12 november

Mediation (dag IV) Mr. K.C.N.M. Bakx

do

25 november

Mediation (dag V) Mr. K.C.N.M. Bakx

vr

26 november

Mediation (dag VI) Mr. K.C.N.M. Bakx

Rijksbegroting 2011 Prof. dr. L.G.M. Stevens BTW-academie (dag V) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

di

26 oktober

Leergang Vennootschapsbelasting/dividendbelasting (dag III) Mr. dr. H. Vermeulen

wo 27 oktober

Fiscale waarderingsgrondslagen in de commerciële jaarrekening Mr. J. Zwagemaker

ma 1 november

Nootdorp ma 20 september Het nieuwe successierecht Mr. J.F.H. van den Belt di

28 september 50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB

di

2 november

& mr. P.L.F. Seegers di

5 oktober

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

di

2 november

Casuscollege formeel belastingrecht Prof. dr. G.J.M.E. de Bont/mr. P. de Haas/mr. J.M. Sitsen

wo 3 november

di

Actualiteiten omzetbelasting Mr. M.C. van de Oetelaar

do

26 oktober

ma 8 november di

16 november

ma 22 november

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

4 november

do

4 november

ma 8 november

ma 8 november

16 september Casuscollege bedrijfspand Mr. A.J. van Lint

ma 20 september BTW-academie (dag II) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

48

Het Register | september 2010 | nummer 9

Testament lezen en testamentplanning BTW-academie (dag VII) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

ma 8 november do

Fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting

Prof. dr. B.M.E.M. Schols

Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert

Vianen

Praktische tips bezwaar en beroep Dr. E. Poelmann Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Casuscollege eigen woning Mr. M.J. Hoogeveen Casuscollege bedrijfsopvolging Mr. drs. S.A.W.J. Strik

Leergang Vennootschapsbelasting/dividendbelasting (dag IV) Mr. dr. H. Vermeulen

& mr. F.L.J. Vervaet di

Financiële planning, verdieping (dag III) Baard Financiële Planning

ma 11 oktober 12 oktober

BTW-academie (dag VI) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert Jaarafsluiting 2010: wat nu, wat straks? Mr. J. Zwagemaker

di

9 november

Actualiteiten omzetbelasting Mr. M.C. van den Oetelaar & mr. F.L.J. Vervaet


■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

di

9 november

wo 10 november

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA Aangifte en advies grensoverschrijdende situaties werknemers Mr. M. Snikkenburg

wo 10 november

Nieuw bv- en firmarecht Mr. J.F.H. van den Belt

do

11 november

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

do

11 november

Alternatieven voor oudedagsvoorzieningen Mr. G.A.C. Aarts

di

16 november

Financiële planning, verdieping (dag IV)

do

18 november

Financieren van ondernemingen (dag I)

Baard Financiële Planning Drs. L.J.A. Mennes & drs. H.O. Hofenk ma 22 november

Landelijke studiebijeenkomsten NFB organiseert regelmatig landelijke studiebijeenkomsten (LSB). Vooralsnog zijn deze alleen toegankelijk voor NFBleden. Gerenommeerde sprekers lichten hier nieuwe ontwikkelingen toe. Het is noodzakelijk dat u zich aanmeldt voor een LSB en ook voor elke spreker afzonderlijk. Kijk voor meer informatie op www.fb.nl > Permanente Educatie.

BTW-academie (dag VIII) Mr. G.B. van Driel CB FB & mr. A.F. Fruijtier CB FB

Let op: de centrale locatie is gewijzigd. De centrale LSB’s vinden komend seizoen plaats in Expo Houten te Houten.

ma 4 oktober

Casuscollege eigen woning Mr. M.J. Hoogeveen

Houten

ma 11 oktober

Casuscollege auto Mr. H.A. Elbert

do

di

Actualiteiten inkomstenbelasting Mr. A.J. van Lint

mr. M.R.M. Deden en mr. J.P. van ’t Hof,

Zwolle

19 oktober

ma 1 november di

2 november

ma 8 november

23 september

Loonbelasting/kostenvergoedingen

50 tips voor de zzp-er Mr. S.F.J.J. Schenk CB FB

Courdid

& mr. P.L.F. Seegers

16.00 – 17.45 uur

Basiscursus pensioenen Drs. D.M. Wildemans MPLA

Schenk- en erfbelasting

Casuscollege formeel belastingrecht Prof. mr. dr.

mr. S.A.M. de Wijkerslooth,

G.J.M.E. de Bont/mr. P. de Haas/mr. J.M. Sitsen

Ernst & Young 18.30 – 20.15 uur do

25 november

Personenvennootschappen mevr. dr. M.L.M. van Kempen, Universiteit van Tilburg

Kringbijeenkomsten

16.00 – 17.45 uur Belastingplan 2011 + belastingen 2020

De NFB kent tien regionale studiekringen. Elke kring organiseert meerdere bijeenkomsten per jaar voor NFB-leden die de kringbijdrage hebben voldaan. Voor september/oktober zijn de volgende NFB kringbijeenkomsten bekend. Meer informatie en de laatste updates vindt u op www.rb.nl > Permanente Educatie NFB.

prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis, Universiteit Utrecht 18.30 – 20.15 uur do

16 december

Vennootschapsbelasting, jurisprudentie wetgeving mr. drs. S.A.W.J. Strik, Ernst & Young 16.00 – 17.45 uur Horizontaal toezicht in de praktijk

Kring Amsterdam di

12 oktober

mr. R.R. Kramer RA, Neyenrode Center Pensioenberekeningen in de praktijk R. Korendijk

for Tax Assurance 18.30 – 20.15 uur

Kring Eindhoven di

12 oktober

Actualiteiten omzetbelasting mr. A.F. Fruijtier CB FB

Eindhoven do

4 november

Loonbelasting/kostenvergoedingen

Kring Gelderland/Overijssel

mr. M.R.M. Deden en mr. J.P. van ’t Hof,

ma 20 september Vpb mr. drs. S.A.W. Strik

Courdid

ma 18 oktober

16.00 – 17.45 uur

Capita Selecta LB mr. M.R.M Deden

Schenk- en erfbelasting Kring Noord Holland/Alkmaar

mr. S.A.M. de Wijkerslooth, Ernst & Young

ma 20 september Jaarvergadering & Huidige stand van zaken rond

18.30 – 20.15 uur

Horizontaal Toezicht mr. drs. O. Clous CB FB ma 18 oktober

Inleiding kostenvergoeding en loonbelasting dhr. P. Bos

12 oktober

do

11 november

Loonbelasting/kostenvergoedingen mr. M.R.M. Deden en mr. J.P. van ’t Hof,

Kring Rotterdam di

Hoogeveen

De TBS-regeling mr. J.P. Boer

Courdid 16.00 – 17.45 uur

Nieuw: RB Kring Limburg (toegankelijk voor CB- en NFB-leden) do

14 oktober

Actualiteiten omzetbelasting mr. A.F. Fruijtier CB FB

Schenk- en erfbelasting mr. S.A.M. de Wijkerslooth, Ernst & Young 18.30 – 20.15 uur

september 2010 | nummer 9 | Het Register

49


HET

Verenigingsnieuws ma

18 oktober

ma

18 oktober

ma

18 oktober

Mkb Belastingrecht I (dag 2) Mr. drs. A.J. Meijer

Het programma van VLB Opleidingen, onderdeel van het RB, is weer van start gegaan. CB-leden, NFB-leden en anderen kunnen weer deelnemen. Aanmelden kan via het gen. Deze vindt u formulier uit de brochure VLB Opleidingen. ook op www.vlbopleidingen.nl. Hieronder staat het programma t/m 17 november 2010.

di

19 oktober

Vennootschapsbelasting: het advies (dag I)

ma

19 oktober

Mkb Belastingrecht I (dag 2) Mr. drs. A.J. Meijer

wo

20 oktober

Agrarisch belastingrecht I (dag I)

do

21 oktober

do

21 oktober

Garderen

ma

25 oktober

Mkb Belastingrecht II (dag I) Mr. drs. A.J. Meijer

ma

25 oktober

Schriftelijk adviseren

di

26 oktober

di

26 oktober

wo

27 oktober

do

28 oktober

di

2 november

Terbeschikkingstellingsregeling Mr. J.A.G. van Es

OHHU

’10

Verdiepingstraining adviseren (dag I) Mr. M. Vencken

Curs usse n

VLB Opleidingen najaar 2010

Mr. R.J. Verbrugge

Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB Adviesvaardigheden voor loonspecialisten (dag I) Drs. J. Caanen Agrarisch belastingrecht I (dag II) Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

di

12 oktober

Natuurschoonwet en landgoederen Mr. drs. H.R. Bruggink

di

12 oktober

Schriftelijk zakelijk taalgebruik (dag I)

Drs. A.E. de Leeuw & drs. I. Schrijver

Dr. H. Ottenhof wo

13 oktober

Bedrijfsopvolging in de BV

Mr. R.J. Verbrugge

Mr. F.J. Kerkhof FB do

21 oktober

Inleiding estate planning

27 oktober

Renteaftrekbeperkingen in de Vpb

28 oktober

Constructief vergaderen

2 november

do

4 november

do

4 november

ma

8 november

ma

15 november

Drs. E. Spliethof wo

3 november

Basistraining leidinggeven (dag I) Drs. J. Caanen

ma

8 november

di

9 november

Mkb belastingrecht II (dag II) Mr. drs. A.J. Meijer

di

9 november

Vennootschapsbelasting: de aangifte (dag I) Mr. R.J. Verbrugge

Mkb belastingrecht II (dag II) Mr. drs. A.J. Meijer

Presenteren vanuit persoonlijke kracht Drs. A. de Leeuw & drs. I. Schrijver

Personenvennootschappen Drs. A.W. de Beer FB

Belastingcontrole Mr. drs. A.J. Meijer

Timemanagement voor managementassistenten en secretaresses

Schriftelijk zakelijk taalgebruik (dag II) Dr. H. Ottenhof

Vennootschapsbelasting: de aangifte (dag II) Mr. R.J. Verbrugge

Drs. J. Caanen di

Financieren in het mkb (dag II) Drs. A.C.L. Kroot en drs. J.M. Huurnink

Mr. F.J. Kerkhof FB & mr. M.H.C. Ruijschop do

Mkb Belastingrecht II (dag 1) Mr. drs. A.J. Meijer

Mr. H.J.L. Paantjens wo

Vennootschapsbelasting: het advies (dag II)

Voorbereiding van de jaarbespreking Drs. M. van den Bosch RA

wo

10 november

De bv in de agrarische praktijk Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB

wo

Hoevelaken wo

29 september

ma

4 oktober

Agrarisch milieurecht Mr. P. Bodden

ma

4 oktober

Mkb Belastingrecht I (dag I) Mr. drs. A.J. Meijer

di

5 oktober

Mkb Belastingrecht I (dag I) Mr. drs. A.J. Meijer

wo

6 oktober

Agrarisch belastingrecht I (dag I)

10 november

Eigen woning, hypotheekrente en kapitaalverzekeringen Drs. R.S. Brander

do

11 november

6 oktober

Financieren in het mkb (dag I)

do

11 november

7 oktober

Agrarisch belastingrecht I (dag II)

ma

15 november

7 oktober

Klantgericht handelen en denken (dag I)

do

16 december

di

16 november

11 oktober

Basiscursus externe verslaggeving

13 oktober

di

16 november

wo

17 november

Oosterbeek wo

Personenvennootschappen Drs. A.W. de Beer FB

do

14 oktober

Vennootschapsbelasting: de aangifte (dag I) Mr. R.J. Verbrugge

50

Het Register | september 2010 | nummer 9

Inbreng en herstructurering in de bv Mr. F.J. Kerkhof FB

Mr. drs. A.J. Meijer 14 oktober

Recht van de ruimtelijke ordening Mr. P. Bodden

Vierde tranche Awb, AWR en de inkeerregeling

do

Praktisch klantadvies (dag I) M. Martini

A.G.M. van den Bosch RA wo

Adviesvaardigheden voor loonspecialisten (dag II) Drs. J. Caanen

Drs. M.A. Damoiseaux ma

Actualiteiten Prinsjesdag 2010 – Lonen R.W. van Marrum

Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB do

Risicoanalyse en planning van controleopdrachten Drs. K. Borst RA

Drs. A.C.L. Kroot en drs. J.M. Huurnink do

Omzetbelasting in de agrarische sector H.J. de Boer FB

Drs. P.H.M. Ceelen FB & mr. E.H.E.F. Sloot FB wo

Klantgericht handelen en denken (dag II) Drs. M.A. Damoiseaux

3 november

Praktisch leidinggeven (dag I) J.A.M. Spaan

wo

17 november

Praktisch leidinggeven (dag II) J.A.M. Spaan

Het Register 2010 nr. 9: Doorschuiffaciliteiten bij aanmerkelijk belang bij huwelijk, ...  

Het Register 2010 - Nr. 9