DE CONSENSUSRIJKSWET IS EEN OPMERKELIJKE EN OMSTREDEN RECHTSFIGUUR Prof. mr. D.J. Elzinga
Oktober 2025
Consensusrijkswetten geven het Koninkrijk en het land Nederland comfort, terwijl deze wetsvorm in zeker opzicht onaantrekkelijk is geworden voor de Caribische landen. Oorspronkelijk was het doel van de consensusrijkswet precies het omgekeerde: meer zeggenschap en comfort voor de Caribische landen. ‘What happenend?’ Adviesvraag: Op verzoek van de MEP-fractie uit de staten van Aruba volgt hieronder een analyse van de staatsrechtelijke aspecten rond het financieel toezicht voor Aruba. Daarbij spelen het Statuut, de Arubaanse Staatsregeling, de voorliggende consensusrijkswet HOFA en de toepasselijke landsverordening het belangrijkste beoordelingskader. In afdeling A wordt eerst ingegaan op de consensusrijkswet in algemene zin. Afdeling B gaat in op de specifieke context van Aruba en de adviesvragen die zijn aangeleverd.
Afdeling A: De consensusrijkswet in algemene zin 1. De statutaire context Art. 38 lid 1 van het Statuut formuleert in heel algemene zin dat de vier landen van het Koninkrijk onderlinge regelingen kunnen treffen. Het begrip consensusrijkswet wordt daarbij niet genoemd. In lid 2 wordt geformuleerd dat in onderling overleg kan worden afgesproken dat de onderlinge regeling in een rijkswet of in een algemene maatregel van rijksbestuur wordt opgenomen. In de leden 3 en 4 is voor bepaalde aangelegenheden – privaatrechtelijke en strafrechtelijke onderwerpen en zetelverplaatsing van rechtspersonen – voorgeschreven dat overeenstemming tussen de regeringen van de landen is vereist en bij lid 3 is daar is alleen een rijkswet mogelijk en wel vanwege het legaliteitsbeginsel. In het vierde lid is niet een kan-bepaling opgenomen, er is geen keuze maar een verplichting tot een rijkswet. Dat laatste is wel aangeduid als een ‘verschanste Koninkrijks-bevoegdheid’. In art. 38a Statuut wordt vervolgens gemeld dat bij onderlinge regeling kan worden voorzien in een vorm van geschillenbeslechting. Met andere woorden: het eerste lid van art. 38 Statuut veronderstelt 1