__MAIN_TEXT__

Page 4

Inrichtingswerken Zandgroeve Ganzemans februari 2016 De zandgroeve Ganzemans in Neerijse wordt al sinds 2003 beheerd door Natuurpunt omwille van het voorkomen van de Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans). Anno 2016 heeft deze soort een verspreiding in het Dijleland die nagenoeg beperkt is tot de vallei van de Vloedgroebe tussen de Tersaerthoeve en de Zandgroeve Ganzemans te Neerijse. In de andere locaties Overijse/Groeve Blaivie en Loonbeek/Ganspoel werden sinds resp. 2014 en 2013 geen roepende dieren meer gehoord. Ook in de zandgroeve en aan de Hoeve Tersaert gaan de aantallen roepers jaar na jaar achteruit. Geen enkele Dijlelandse populatie heeft zich de laatste jaren in een goede of zelfs voldoende lokale staat van instandhouding (Adriaens et al., 2008) bevonden (Lewylle, 2012).

104

De boomklever I december 2016 I natuurbeheer

Omwille van deze achteruitgang werden investeringssubsidies van de Vlaamse overheid bekomen voor een natuurinrichtingsproject. De werken, die een ruiming en een kapping omvatten, vonden plaats in februari 2016. Zulke ingrepen zijn blijvend nodig voor de Vroedmeesterpad. De laatste machinale ruiming van de poel dateert van januari 2012. INLEIDING Het landhabitat ligt vaak zeer dicht in de buurt van het voortplantingswater; de soort heeft een sterke binding met eenzelfde voortplantingswater en kent geen voorjaarstrek. Dispersie door jonge dieren komt wel voor en is essentieel om nieuwe gebieden te koloniseren. Voor Vroedmeesterpad is het belangrijk dat het landhabitat structureel divers is, met veel verstopplaatsen, en dat de bodem goed kan opwarmen, hetgeen best bereikt wordt met een afwezige of korte

den gespaard voor wilde bijen. Op langere termijn streven we hier naar een opener landschap met verspreide boomgroepjes in hakhout. De steilrand die door deze kapping zichtbaar werd zal in de toekomst door natuurbeheer geoptimaliseerd worden voor Vroedmeesterpad. Er werd daar een stalen drinkbak aangebracht, die in de winter 2017 verder zal ingewerkt worden. De poel werd met twee dammen in drie delen verdeeld. Een derde dam loopt tot het midden van de poel en is bedoeld om toekomstige ruimingen te vergemakkelijken. Het slib en de waterplanten werden ter plekke afgevoerd en het riet werd van een aantal oevers afgegraven. De werken werden minder intensief uitgevoerd in de zuidelijke poel, waar een stuk rietkraag werd overgelaten. De noordelijke oever werd geherprofileerd met een flauwe helling om deze in de toekomst makkelijker te maaien en om de toegang tot het water zo open mogelijk te houden. Roepende dieren worden het vaakst op het zuidwest geëxposeerde stuk van de steile zandwand gehoord (waarnemingen.be). Het is waarschijnlijk dat de meeste dieren hun eitjes afzetten op de dichtstbijzijnde oever. De vorming van een rietkraag aan de noordelijke oever van de poel zal vanaf nu tegengegaan worden door vrijwilligers. In de noordelijke poel zal ook jaarlijks de drijvende vegetatie geschoond worden.

NATUURBEHEER

Foto: Thomas Vandenberghe

kruidlaag. Schrale begroeiing verkleint ook de “landscape resistance” die dieren ondervinden in hun beweging (Uthleb et al., 2003). Deze open stukken hoeven niet groot te zijn en worden vaak als roepplaats gebruikt. Overdag verstoppen de dieren zich onder stenen of dood hout, in holen of door zich in te graven. Zulke plaatsen, indien vochtig genoeg, worden ook gebruikt om droge periodes te overbruggen en als overwinteringsplaats, waarbij het vorstvrij zijn ook van belang is. Hoewel bos als overwinteringsplaats gebruikt wordt (zoals misschien het geval is voor de populatie aan de Tersaerthoeve, zie Vervoort, 1994), is de nabijheid ervan geen vereiste voor het voorkomen van de soort (Uthleb, 2013). Larven kunnen worden aangetroffen in een brede range van natuurlijke of gegraven wateren, gaande van langlevende plassen en karrensporen, beekstuwen, betonbekkens, veedrinkbakken, bronbeken, opgestuwde bronnen en bronpoelen aan of in hellingbossen, vijvers, tuinvijvers, (droogvallende) poelen en allerlei wateren in groeven. Ze zijn afwezig in laaglandmoerassen en grote vijvers. Kortlevende plassen en kleine karrensporen spelen een beperktere rol. Ervaringen uit andere Belgische en Nederlandse populaties leren dat de soort veel minder aan te treffen is in wateren met een zware vegetatie en een dikke sliblaag (Lewylle, 2012) en dat predatie door vis en andere amfibieën belangrijke negatieve factoren zijn. Een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van Meerkikkers (Pelophylax ridibunda) en de achteruitgang van Vroedmeesterpadden is nog niet aangetroffen in de literatuur, maar waar deze samen voorkomen, zoals ook in de zandgroeve, vertoont de Vroedmeesterpad vaak een sterke achteruitgang (Felix, 2012; Lewylle, 2012; Loeffel, 2009).

Kaart van de vernieuwde poel.

UITGEVOERDE INGREPEN De verboste flank van de percelen, bestaande uit Katwilg (Salix viminalis) en Robinia (Robinia pseudoacacia), vooraan in de groeve, werd in februari 2016 gekapt. Individuele mannelijke wilgen wer105

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever December 2016  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

De Boomklever December 2016  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

Profile for nsgd
Advertisement