__MAIN_TEXT__

Page 4

 Naar aanleiding van het verschijnen van een Belgische mierenatlas (Dekoninck et al., 2012) verschijnt in de Boomklever een artikelreeks over de mieren van het Dijleland. Lommelen (2014a) geeft een inleiding op de reeks met een beschrijving van de gebruikte methodiek en een bespreking van de globale resultaten voor het Dijleland, en Lommelen (2014b), Lommelen (2014c) en Lommelen (2015) behandelen de genera Formica, Lasius en Myrmica. In dit vijfde en voorlaatste artikel worden 5 van de overblijvende soorten besproken die omschreven kunnen worden als strooiselmieren. Gegevens zijn afkomstig van Brosens et al. (2013, www.formicidae-atlas.be).

Figuur 1 De behaarde slankmier (Leptothorax acervorum) met larven. Foto: Jeroen Mentens - Vilda

32

De boomklever I juni 2015 I Ongewervelden

Deel 5: strooiselmieren HOE VER STAAN WE? De vorige artikels over de mieren van het Dijleland behandelden de drie soortenrijke genera Formica, Lasius en Myrmica (Lommelen, 2014b, 2014c en 2015). Hierdoor is de subfamilie Formicinae volledig besproken (Formica sp. en Lasius sp.) en de subfamilie Myrmicinae gedeeltelijk (Myrmica sp.). Er resten nog 8 soorten van 7 genera om het overzicht te vervolledigen, behorend tot de subfamilies Myrmicinae (7 soorten) en Ponerinae (1 soort). Dit artikel behandelt 5 soorten, de overige 3 soorten zullen in het afsluitend artikel van de reeks besproken worden. Om een min of meer logische opsplitsing te maken, worden de soorten opgedeeld volgens hun ecologie. In dit artikel behandel ik de strooiselmieren, mieren die over het algemeen in de strooisellaag onder bomen leven, soms in dood hout. De drie thermofiele soorten zal ik in het laatste artikel bespreken. MYRMICINAE Soorten van de subfamilie Myrmicinae of knoopmieren worden gekenmerkt door twee segmenten (knopen) tussen hun borststuk en achterlijf en de aanwezigheid van een angel. De hier besproken soorten zijn 2 tot 4 mm groot en hebben 2 doornen achteraan hun borststuk. De genera zijn onderling te onderscheiden aan de hand van het aantal sprietleden, het al dan niet gesteeld zijn van de eerste knoop en het hoekig of afgerond zijn van de ‘schouders’ (Wegnez et al., 2012). De hier besproken ‘strooiselmieren’ leven in strooisel, in dood hout of ondergronds en ze

LEPTOTHORAX ACERVORUM (behaarde slankmier) De behaarde slankmier is een 3,1 tot 4 mm grote tweekleurige mier met een zwartachtige kop en achterlijf en een bruinrood borststuk (Fig. 1, Wegnez et al., 2012). Ze komt voornamelijk voor in struweel- en bosrijke omgeving, waar ze foerageert op de grond of op bomen en struiken (Dekoninck et al., 2012). Ze nest in dode takken op de grond, onder boomschors, in stronken, in kevergangen in omgevallen bomen, onder mos, onder stenen of in de grond (Boer, 2010; Dekoninck et al., 2012; Wegnez et al., 2012). Ze kan gevonden worden door strooisel te zeven, dode takken te breken, oude stronken te onderzoeken of onder mos te zoeken (Wegnez et al., 2012). De behaarde slankmier is een algemene soort in België (Dekoninck et al., 2012). In het Dijleland is ze tweemaal waargenomen: één werkster liep in een bodemval tijdens het onderzoek in het Rodebos (De Bakker & Dekoninck, 2001) en een tweede werkster werd toevallig gezien op een picknicktafel in Meerdaalwoud (Fig. 2a). Dit komt wat betreft het aantal waarnemingen per oppervlakte overeen met de rest van de leemstreek (Brosens et al., 2013, zie www.formicidae-atlas.be) en is hoogst waarschijnlijk een onderschatting van de werkelijke aanwezigheid. Gerichte zoekinspanningen in dood hout zou het aantal waarnemingen van deze soort in het Dijleland kunnen verhogen.

TEMNOTHORAX NYLANDERI (bosslankmier) De bosslankmier is een 2 tot 3,5 mm grote heldergele tot –bruine mier met een donkerdere kop en een grote bruinzwarte band over het achterlijf (Fig. 3, Wegnez et al., 2012). Ze is een van de algemeenste soorten in bossen (Dekoninck et al., 2012) en ze bereikt haar grootste nestdichtheden langs bosranden en oude boomsingels met lage en/of schaarse ondergroei en een strooisellaag waarin takjes voorkomen (Boer, 2010). De nestjes worden gemaakt in holle eikels, beukennootjes of andere noten, holle takjes, dood hout, schors en strooisel (Boer, 2010; Dekoninck et al., 2012; Wegnez et al., 2012). De aanwezigheid van deze soort kan gemakkelijk aangetoond worden door strooisel te zeven of dode takken op de grond te breken (Wegnez et al., 2012). De bosslankmier is een zeer algemene soort in België, met uitzondering van het westen (Dekoninck et al., 2012). In de omgeving van Leuven heb ik gericht naar deze soort gezocht door strooisel te zeven in bossen. Hierbij viel op dat ze in zowat alle bostypen voorkomt, met uitzondering van donkere beukenbossen zoals Moorselbos. Ik vond ze zelfs in kleine ‘rommelbosjes’ zoals voormalige weekendverblijven en onder solitaire bomen in een eerder open landschap. Door deze zoekinspanning is ze in de meeste hokken van het Dijleland waargenomen (Fig. 2b). Uitzondering is de omgeving van Hoeilaart en Overijse, waar waarschijnlijk niet gericht gezocht is. Stenamma debile (gewone drentelmier) De gewone drentelmier is een 3,3 tot 3,8 mm grote bruine mier met een gesteelde eerste knoop. Net als voorgaande soorten is het een soort van allerlei bossen en struwelen (Dekoninck et al., 2012). Ze komt onder andere voor in oude bossen en is in donkere bossen dikwijls de enige mierensoort (Boer, 2010). Wegnez et al. (2012) vermelden dat ze op eerder vochtige plekken voorkomt, waar pseudoschorpioenen talrijk zijn. Ze nesten in de molm van dood hout, vaak in met mos begroeide stronken, maar ook tegen de voet van oude bomen die met mos bedekt zijn. De boomklever I juni 2015 I Ongewervelden

ONGEWERVELDEN

De mieren van het Dijleland

hebben vaak kleine nestjes met maximum een honderdtal werksters (Boer, 2010; Dekoninck et al., 2012; Wegnez et al., 2012). Hun actieradius is gewoonlijk maximum enkele meters (Boer, 2010). Vanwege deze onopvallende levenswijze worden ze best gezocht door strooisel te zeven, takjes te breken of stenen om te draaien (Wegnez et al., 2012). Hierdoor worden ze waarschijnlijk ook vaak over het hoofd gezien en we kunnen aannemen dat de verspreidingskaarten van deze soorten een onderschatting zijn van de werkelijke aanwezigheid.

33

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever Juni 2015  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

De Boomklever Juni 2015  

Deze publicatie kadert binnen het digitalisatieproject van de Natuurstudiegroep Dijleland, waarbij zoveel mogelijk nummers van De Boomklever...

Profile for nsgd
Advertisement