__MAIN_TEXT__

Page 18

Rivierdonderpad ( Cottus gobio) Ecologie en habitat

-

De Rivierdonderpad

( Cottus gobio)

is een kleine vis uit snelstromende

beken. De vis heeft geen zwemblaas waardoor hij steeds op de bodem van de waterloop vertoeft. Hij schuilt er tussen stenig materiaal, waaronder eiafzet gebeurt. De Rivierdonderpad stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. Het is een soort kenmerkend voor de snelstromende delen van de rivieren, de zogenaamde forelzone. In Vlaanderen is het samen met de Bronforel, de Elrits en de Beekprik één van de kenmerkende soorten voor de forelzone. In Vlaanderen is het vermoedelijk de meest algemene vertegenwoordiger van dit biotoop (Vandelannootte et al., 1998; Crombaghs et al.,

2000).

Naast een snelstromend en doorgaans stenig karakter van de beek komt de vis enkel voor in beken met goede waterkwaliteit en goede beekstructuur. Vooral een goede zuurstofhuishouding is cruciaal (Vercoutere et al., Voorkomen in het Dijleland

-

2003).

In het Dijleland komt deze habitatvoorkeur erop neer dat

actueel vooral de bovenlopen bewoond zijn. Deze bevinden zich allen in het Waalse deel van het Dijlebekken. Het betreft twee typen beken: de grote beken in bronboscomplexen en de beken die zich ingesneden hebben in de rotsmassieven van de sokkel van Brabant. In totaal komen tien populaties voor (gedefinieerd als beken met volwassen exemplaren). Hiervan herbergt het deelbekken van de Train er vier (Vercoutere et al.,

2003).

Eén populatie situeert zich net op de taalgrens, in de Nethen (een voor de rest kwasi visloze waterloop) ter hoogte van de monding in de Dijle. Deze populatie wordt vermoedelijk in stand gehouden door zwervende exemplaren uit het stroomopwaartse deel van het bekken. De verschillende populaties/vindplaatsen in het Dijlebekken bevinden zich (volledig of ten dele) in Vlaamse en Waalse Habitatrichtlijngebieden. Geen van deze gebieden is echter aangemeld voor de Rivierdonderpad. In het verleden kwam de soort vermoedelijk algemener voor. Er zijn historische vermeldingen van de soort uit de IJse en uit de Molenbeek (Mollendaalbos). De soort kwam vermoedelijk voor op de zandstenen die actueel nog frequent in de IJse en de Nethen aangetroffen worden. In de Laan zijn deze tijdens een 'sanering' uit de rivierbodem gehaald. In andere gebieden in Vlaanderen is een stenig ondergrond cruciaal voor het in standhouden van de soort. Ironisch genoeg is in Kempische beken vastgesteld dat sluikstorten van puinafval geschikte vervangbiotopen vormden. Relatief belang van Dijleland in V laamse/Bel gische c ontext

-

Voor vissen vormen

hydrografische bekkens aparte eenheden. In België zijn er twee grote bekkens: de Maas (hoofdzakelijk Wallonië) en de Schelde (hoofdzakelijk Vlaanderen). De Rivierdonderpad is in het Maasbekken relatief algemeen, zo ook in de Berwijn en de Voer. In het Scheldebekken zijn er twee grote concentraties van deze vis: de beken in de Vlaamse Ardennen en de bovenlopen van de (vooral Kleine) Nete. In Vlaams-Brabant komt de soort nog voor in de Kapittelbeek en andere beken in het Hallerbos en de Dorpsbronbeek in het bekken van de Gete. Binnen het Scheldebekken (en met de populaties in Wallonië meegerekend) vormt de metapopulatie in het Dijleland de derde grootste populatie in het bekken. Behoud en bescherming

-

De 'taalgrens' populatie in de Nethen is uitermate kwestbaar en

zeker niet veilig gesteld. Zowel de waterkwaliteit van de Nethen zelf als de kwaliteit van de Dijle is verre van optimaal te noemen. Het is dan ook eerder een raadsel hoe het kan dat de vis zich hier standhoudt. Mogelijks worden vooral afwaarts migrerende vissen uit het bovenstroomse deel van het bekken verzameld in dit mondingsgebied. 144

Profile for Natuurstudiegroep Dijleland

De Boomklever December 2005  

De Boomklever December 2005  

Profile for nsgd
Advertisement