Page 1

KWINTESSENS Kwintessens Design DESIGN

Vlaams tijdschrift voor vormgeving en mode 4de trimester, jaargang XIX abonnement € 23,55 los nummer € 6,25


Colofon Colophon

4de trimester, jaargang XIX 4th trimester, volume XIX

Hoofdredacteur Editor in chief

Johan Valcke Redactie Editorial team

2 Elien Haentjens

9

Over het MetaDeSIGN van LAb[au] 3

About LAb[au]’s MetaDeSIGN

Sociaal design is riskant 9

Social design is risky

Steven Cleeren Christian Oosterlinck Lut Pil

Niels Hendriks & Liesbeth Huybrechts

Auteurs

Lut Pil

Authors

Corneel Cannaerts Christophe De Schauvre Elien Haentjens Niels Hendriks Tine Holvoet Liesbeth Huybrechts Roel Jacobus Kurt Vanbelleghem

13 21 26

Vormgeving Design

31

Portfolio

41

Het vormgeven van toekomstscenario’s: Pantopicon

Vertaling Translation

ElaN Translations DataTranslations Abonnementen kunnen schriftelijk of telefonisch worden aangevraagd op het adres van Design Vlaanderen of door overschrijving van € 23,55 op het rekeningnummer BE 16 0912 2120 3374. Subscriptions may be requested in writing or by telephone by contacting the Design Flanders editorial offices or by transferring EUR 23.55 to bank account number IBAN BE 16 0912 2120 3374. Adreswijzigingen worden gemeld op het redactieadres. Changes of address may be sent to our editorial offices. Niets uit deze uitgave mag worden gebruikt zonder toestemming van de uitgever. © Design Vlaanderen Nothing contained in this publication may be used, whether in part or in whole, without the publisher’s consent. © Design Flanders Alle adressen van designers, kunstenaars, galeries e.a. kunnen bij Design Vlaanderen verkregen worden. The addresses of designers, artists, galleries and other information are available upon request from Design Flanders.

42

Christophe De Schauvre

46

The design of future scenarios: Pantopicon

Parametrisch design en digitale fabricage: nieuwe vormen van digitaal design 47 Parametric Design and Digital Fabrication: New Modes of Digital Design

Druk Sint-Joris

Nieuwe vrienden Toegepast viert 15de verjaardag met Toegepast: Fit to boost!

Tine Holvoet, TeamTank

Jens Dawn Printing

Het alledaagse maar onzichtbare design van Human Interface Group en U-Sentric

26 New friends Toegepast celebrates 15th anniversary with Toegepast: Fit to boost!

Malou Swinnen

Design Vlaanderen/Kwintessens Koloniënstraat 56 (6de verdieping) 1000 Brussel T +32 (0)2 227 60 60 F +32 (0)2 227 60 69 E info@designvlaanderen.be W www.designvlaanderen.be

Synthetic biology and the future of design

Kurt Vanbelleghem

Photography portfolio

Editorial offices

14

21 The everyday yet invisible design of the Human Interface Group and U-Sentric

Fotografie portfolio

Redactieadres

Synthetische biologie en de toekomst van design

Corneel Cannaerts, MMLAB, Sint-Lucas Architectuur

52

Slow, of het alternatief voor snelle consumptie 53

Slow, or the alternative to rapid consumption

Christian Oosterlinck

56

Open source design: toekomstmodel met wortels in het verleden 57 Open source design: a future model with roots in the past

Tine Holvoet, TeamTank

62

Primeurs Interieur 2010

Christian Oosterlinck

69

Agenda en nieuws


voor Voorwoord woord Johan Valcke Het laatste nummer van deze jaargang breit verder op het thema van de 6de designtriënnale en brengt onderwerpen die we niet konden inbedden in dit grootse, driejaarlijkse project. Voor wie het nog niet weet: deze designtriënnale is tot eind februari te bezoeken in Grand Hornu Images te Hornu bij Bergen. In de inleiding van het prachtige boek dat bij deze manifestatie hoort, schreef ik: “Deze triënnale is zijn tijd vooruit. De idee was te onderzoeken in welke mate design in België en Vlaanderen gevoelig is aan de nieuwste tendensen die we kunnen benoemen als ‘service design’, ‘usercentered-design’, ‘human-centered-design’. Allemaal een beetje pleonasmen als je het mij vraagt, omdat design in mijn ogen nu eenmaal niet anders kan zijn dan een dienend, op de mens gericht, gebruiksvriendelijk instrument dat het leven zo aangenaam mogelijk maakt.” Nochtans wordt het meeste design nog geproduceerd vanuit heel andere motieven, zoals economische en esthetische, wat betekent dat er – enkele uitzonderingen daargelaten – weinig of niet naar de behoeftes van de klant of de maatschappij wordt geluisterd. Maar daar komt stilaan verandering in. Designers en bedrijven hebben vandaag namelijk te maken met een mondige, geïnformeerde consument. Ondernemingen moeten zich daarom anders profileren om te overleven. En dus wordt er nu meer en meer geluisterd naar de klant. Maar dat sluit niet uit dat er per dag nog tientallen onnodige, overbodige designprullen op de markt gebracht worden, die – bizar genoeg – ook nog gekocht worden. Toch merken we dat in onze westerse, geïndustrialiseerde wereld een maatschappelijke verandering of een bewustwordingsproces aan de gang is dat design terugvoert naar zijn oorsprong. In de 6de triënnale tonen we producten die we verzamelden in België en die bewijzen hoe het kan. Vele bekende en onbekende designers werden gecontacteerd. De resultaten van onze zoektocht zijn behoorlijk, maar het verwonderde mij bijvoorbeeld dat er weinig voorbeelden uit de zorgsector kwamen, toch een sector waarin dergelijk design een prioriteit zou moeten zijn. Er is dus nog werk aan de winkel. Een sociale, essentiële visie op design, die dan ook nog zijn neerslag vindt in praktische producten, heeft maar ingang gevonden bij een klein deel van onze vormgevers. Ik kan me ook bijzonder goed voorstellen waarom dit zo is. Vlaamse designers zijn heel competent, bijzonder goed opgeleid en in hoge mate creatief. Daar schort het dus niet aan. Ze leren op verschillende manieren problemen herkennen en oplossen. Alleen komen de probleemstellingen

meestal niet vanuit de gebruiker maar vanuit de wens om een nieuw product op de markt te brengen. Het gaat dan meestal om een product dat net iets beter of anders is dan vergelijkbare producten, maar eigenlijk niet voorziet in de behoeften van de klant, de consument, u en ik dus. Ik heb daar geen problemen mee, want als een dergelijk product verkoopt, verschaft het onze designers een inkomen en doet het de bedrijven draaien, samen met onze economie en ten slotte ook onze wereld. Voor dergelijke producten werd dus een markt gecreëerd, een groeiende markt die voortdurend gevoed moet worden. Ik wil daar toch een kanttekening bij maken, gebaseerd op mijn perspectief als archeoloog. Mochten over enkele eeuwen archeologen op onze vuilnisbelten opgravingen doen, dan zouden ze versteld staan van de rijkdom aan materialen, vormen en constructies in de producten die ze zouden vinden. Van de meeste objecten zouden ze echter niets snappen, of toch niet snappen met welk doel ze ooit gemaakt werden. En dat geeft te denken. Maar voor dat besef heb je geen toekomstreizen nodig. Vandaag de dag zijn er al een heleboel mensen die niet snappen waar bepaalde producten voor dienen, laat staan dat ze weten hoe ze gemaakt worden, wat hun ecologische voetafdruk is, enz. Toch iets om over na te denken …en daar kan de 6de triënnale aan bijdragen. Alvast veel leesplezier gewenst, en een prettig jaareinde!

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O

Preface preface The last issue of the year continues on the theme of the sixth design triennial and focuses on a series of subjects that we could not embed in this grand three-year project. For those who are not yet aware of it: this design triennial will run until the end of February in Grand Hornu Images in Hornu near Mons. In the introduction to the wonderful book for the triennial, I wrote: “This triennial is ahead of its time. The idea was to investigate to what extent design in Belgium and Flanders is susceptible to the latest trends, i.e., service design, user-centred design, and humancentred design. These are all pleonasms if you ask me, because design in my eyes simply cannot be anything else than a servant, a people-oriented, user-friendly tool which makes life as comfort-

able as possible. However, most design is still manufactured starting from very different motives, including economic and aesthetic ones, which means that – with some exceptions – manufacturers rarely or in some cases not at all listen to the needs of their customers or of society. But that is slowly changing. Designers and companies today have to deal with a mature, informed consumer. Companies thus need to position themselves in a different way to ensure their survival. And so now designers and companies tend to listen more and more to the customer. But this does not exclude that each day dozens of unnecessary, redundant design gadgets are marketed, which – strangely enough – are even bought. However, we now notice social change or even a process of awareness in our western, industrialised world, which is leading design back to its origin. In the sixth triennial we are showcasing products that we gathered in Belgium and which demonstrate a different approach. We contacted several known and unknown designers. The results of our search are satisfactorily but I was surprised how few examples emanated from the care industry, an industry in which such design should be a priority. So there is still a lot of work to be done! Only a small share of our designers have adopted a social, essential perspective on design, which is also reflected in practical products. I can very well imagine why this is the case. Flemish designers are very competent, extremely well trained and highly creative. So this cannot be the problem. They learn to recognise and solve problems in a variety of ways. But the problems usually are not user-based, but instead are created by the desire to market a new product. Usually the product is slightly better or different than similar products, but in fact it does not meet the needs of the customer, the consumer, or you and me. I have no problem with that, because if such a product sells, it provides an income for our designers and a turnover for companies; it contributes to our economy and ultimately our world. A market was thus created for such products, a growing market that needs to be constantly fed. Allow me to comment on this based on my perspective as an archaeologist. If, in a few centuries, archaeologists carry out excavations in our landfills, then they will be amazed at the wealth of materials, shapes and designs in the products they will find. They will, however, not understand the use of most of the objects or rather, for what purpose they were made. And that makes you wonder. But to realize this there is no need to travel to the future. Today there are already a lot of people who do not understand what certain products are for, let alone know how they are made, what their ecological footprint is, etc. Something to think about ... and the 6th triennial can contribute to this understanding. Enjoy your read and season’s greetings!

1


Over hetMetaDeSIGN Over het MetaDeSIGN Monografie MetaDeSIGN, LAb[au]

vanLAb[au] LAb au van Elien Haentjens

17h00m00s

17h00m10s

17h00m17s

17h00m46s

Niet alleen zijn hoogte, maar ook zijn uitgekiende verlichting maakt van de Dexia-toren aan het Brusselse Noordstation een van de bekendste wolkenkrabbers van onze hoofdstad. Aan die status van artistiek lichtbaken droeg het Brusselse LAb[au] in grote mate bij. Hoewel het collectief vooral buiten de landsgrenzen actief is, behoort het project in de Dexiatoren nog steeds tot hun bekendste realisaties. “Tijdens onze gesprekken met Dexia stelden we voor om de lichtarchitectuur een diepere betekenis te geven die het louter publicitaire zou overstijgen. Uiteindelijk is de bank meegegaan in ons verhaal, al komt er door de financiële crisis voorlopig geen vervolg op de drie gerealiseerde projecten”, vertelt Els Vermang van LAb[au]. Eén van die projecten was chrono.tower (2007), waarbij LAb[au] de 145 meter hoge

19h20m07s

19h20m17s

19h20m48s

21h40m02s

Dexia-toren via de primaire kleuren van het licht op het ritme van de tijd liet bewegen. Elke tijdssequentie stemde overeen met een karakteristieke kleur: seconden werden gevisualiseerd door blauw, minuten door groen en uren door rood. Voor die kleur en hun vermenging zorgden meer dan 300 000 leds, geïntegreerd in twee derde van de 6 000 ramen. Daardoor gedraagt elk raam zich als een pixel in de mediafaçade. Tussen zonsondergang en zonsopgang liet het programma achter chrono.tower de wolkenkrabber langzaam vollopen met de drie basiskleuren. Door de volledige vermenging van de tinten verrees de toren klokslag middernacht als een grote, witte lichtbaken boven de daken van de stad. Dit symbolisch aanbreken van een nieuwe dag vormde meteen het signaal voor het programma om tot zonsopgang de omgekeerde beweging te maken. Met een denkbeeldige, volledig zwarte landmark building om 12 uur ’s middags als resultaat. Het project chrono.tower kaderde binnen het


About AboutLAb[au]’s LAb au sMetaDeSIGN MetaDeSIGN The Dexia Tower near Brussels North Station is one of the most famous skyscrapers of our capital thanks to its height but also because of its sophisticated lighting scheme. Brussels-based collective LAb[au] greatly contributed to the building’s status as an artistic beacon. Although the collective mainly operates abroad, the Dexia project is still one of their best-known creations.

chrono.tower 21h40m42s

23h15m14s

23h15m30s

01h30m14s

grotere geheel Who’s Afraid of Red, Green and Blue?, een verwijzing naar de schilderijenreeks Who’s Afraid of Red,Yellow and Blue? van Barnett Newman. In zijn werk herleidde de Amerikaanse abstracte expressionist de schilderkunst tot de essentie: grote, felgekleurde vlakken, van elkaar gescheiden door dunne, verticale lijnen. Wat verf was voor Newman, is licht voor LAb[au]. “Zoals Newman zocht naar een symbolische uitdrukking in de abstracte kunst, zo wilden wij via het project de symbolische waarde van de toren als collectief stadssymbool onderzoeken. Net als hij gebruikten wij basiskleuren en -vormen om onze boodschap uit te drukken”, stelt Vermang. Daarnaast verwijst LAb[au] ook met de neerslag van het project in de chrono.prints (2009) – waarbij elke afdruk een uur van de dag representeert – zowel formeel als inhoudelijk naar de meer traditionele schilderkunst.

MetaDeSIGN Het hele project is alleszins een mooi voorbeeld van waar LAb[au] voor staat. Uitgangspunt van de in 1997 opgerichte studio,

“During our talks with Dexia, we proposed to imbue the light architecture with a deeper meaning, which would transcend the level of mere advertising. Ultimately, the bank liked our proposal although there will be no continuation of the three completed projects as a result of the financial crisis”, says Els Vermang of LAb[au]. One such project was chrono.tower (2007); LAb[au] had the 145-metre high Dexia tower move to the rhythm of time with the primary colours of light. Each time sequence corresponded to a characteristic colour: seconds were visualized with blue, minutes with green and hours with red. More than 300,000 LEDs, which were integrated in two thirds of the building’s 6,000 windows were used to achieve this colour and this mixture. Each window thus acted like a pixel in the media façade. Between sunset and sunrise the chrono.tower program slowly filled the skyscraper with these three primary colours. As a result of the complete mixing of the different hues the building, at the stroke of midnight, towered over the rooftops of the city like a large white beacon. This symbolic dawn of a new day also served as a signal for the program to reverse its movement until sunrise. Resulting in an imaginary, all-black landmark building at 12 noon. The chrono.tower project was part of a bigger scheme, called Who’s Afraid of Red, Green and Blue?, a reference to the painting series Who’s Afraid of Red,Yellow and Blue? by Barnett Newman. The American abstract expressionist reduced painting to its essence in his work: large, brightly coloured planes, separated from one another by thin vertical lines. Paint fulfilled the same function for Newman, as light for LAb[au]. “Like Newman was searching for a symbolic expression in abstract art, so we wanted to use the project to examine the building’s symbolic value as a collective urban symbol in this project. Like him we used primary colours and shapes to express our message”, says Vermang. Next to this LAb[au] also refers to more traditional painting both in form and substance with the chrono.prints (2009) – where each print represents one hour of the day.

MetaDeSIGN The whole project is quite a good example of what LAb[au] stands for. The starting point of this studio, which was founded in 1997 and consisting of Els Vermang, Manuel Abendroth and Jérôme Decock, is to shape and design space. They do this by expressing data variables using light and other media. “Designing a room is to organize certain features such as a kitchen, a living room or a bedroom. The trick is to then link this space according to a particular aesthetic, a specific design. With LAb[au], we go one step further: we no longer shape functions, but rather information. The disclosure of that information on the information itself has been coined the term MetaDeSIGN” , explains Vermang. The collective refers to the Bauhaus style with this term and with its name, LAb[au]. Thus the collective draws the parallel between the transition from the preindustrial to the industrial age at the time of Bauhaus and the shift towards today’s information society. In order to fit in with this new era artists and painters also started to refer to themselves as designers. Following technological and sociological changes Bauhaus thus gave rise to a new definition of the artistic. Which combined the visual arts with crafts and industry. It marked the beginning of our design concept. LAb[au] borrowed the term ‘meta’ from computer science. The trio thus combines information and space within MetaDeSIGN. In addition to this LAb[au] also continues the interdisciplinary line of Bauhaus. A project can thus have a spatial, visual, auditory and kinetic outcome. The fact that LAb[au] navigates between different disciplines is also

3


die bestaat uit Els Vermang, Manuel Abendroth en Jérôme Decock, is het vormgeven van de ruimte. Dat doen ze door het uitdrukken van datavariabelen via licht en andere media. “Het vormgeven van een ruimte bestaat uit het organiseren van bepaalde functies zoals van een keuken, een woonkamer of een slaapkamer. De kunst bestaat erin om die volgens een bepaalde esthetiek, volgens een bepaald design aan elkaar te koppelen. Met LAb[au] gaan we een stap verder: we geven niet langer functies, maar wel informatie vorm. Het vrijgeven van die informatie over de informatie zelf duiden we aan met de term MetaDeSIGN”, legt Vermang uit. Zowel met die term als met hun naam verwijst LAb[au] expliciet naar het Bauhaus. Zo trekt het collectief de parallel tussen de overgang van het pre-industriële naar het industriële tijdperk ten tijde van het Bauhaus en de verschuiving naar de informatiemaatschappij van vandaag. Om zich in dat nieuwe tijdperk in te schrijven noemden ook schilders en kunstenaars zichzelf designers. In het zog van de technologische en sociologische veranderingen stond het Bauhaus dus voor een nieuwe definitie van het artistieke. Die combineerde de plastische kunsten met de ambachtelijke technieken en de industrie. Het vormde het begin van ons begrip van design. De toevoeging ‘meta’ ontleende LAb[au] dan weer aan de computerwetenschappen. Binnen het MetaDeSIGN combineert het drietal dus informatie en ruimte. Daarnaast trekt LAb[au] de interdisciplinaire lijn van het Bauhaus door. Een project kan dus zowel een ruimtelijke, visuele, kinetische als auditieve uitkomst hebben. Dat LAb[au] tussen verschillende disciplines zweeft, blijkt ook uit hun naam: naast de referentie aan het Bauhaus is er de verwijzing naar het woord labo en naar ‘bau’, Duits voor ‘bouw’. LAb[au] is dus een transdisciplinaire experimenteertank of – zoals ze het zelf stellen – een laboratorium voor architectuur en urbanisme.

reflected in its name: next to the reference to Bauhaus, their name also carries a reference to the word lab and to Bau, which is German for ‘construction’. LAb[au] is thus a transdisciplinary experimental think tank or – as they themselves see it – a laboratory for architecture and urbanism.

Proces als kern Om dat MetaDeSIGN concreet vorm te geven, wendt de studio zes verschillende systemen aan. Samen met de keuze voor het medium bepaalt de keuze voor een methodologie dus de aard van het project. Dat komt mooi tot uiting in hun recent verschenen monografie, die ook de titel MetaDeSIGN meekreeg. De belangrijkste projecten van de afgelopen dertien jaar worden in het boek ingedeeld volgens het gebruikte systeem en medium. Een grafische voorstelling op de cover weerspiegelt dan ook de inhoud van het hele boek. Aan de basis van het chrono-project ligt bijvoorbeeld het analytische systeem. “Maar omdat we het contemplatieve aspect willen benadrukken, kiezen we tegenwoordig vooral voor de generatieve en reactieve systemen. Zo ligt er bijvoorbeeld een generatief systeem aan de basis van de computerwerkjes PixFlow

Process as a key element chrono.prints

The studio uses six different systems in order to shape its MetaDeSIGN concept. Together with the choice of medium the choice of methodology thus determines the nature of the project. This is beautifully reflected in their recently published monograph, which was also entitled MetaDeSIGN. The most important projects of the past thirteen years are subdivided in the book according to the system and medium used. A graphic design on the cover also reflects the contents of the book. The chrono project for example was founded on the analytical system. “But because we want to emphasize the contemplative aspect, we tend to opt in favour of generative and reactive systems nowadays. For example, a generative system underpins the computer works, PixFlow (2006/2007) and Swarm.Dots (2009). This fully autonomous system does not interact with its environment and is subject to the previously programmed rules. The result of the process is a unique design every time. The less final the program is, the more unique and surprising the result.”


PixFlow #1 (2006), which the studio created for the restaurant of the former Grand Casino in Brussels, consists of a frieze with eleven seamlessly-anchored plasma screens. Each screen is connected to a computer, which in turn is connected to ten other computers. The pixels which have been randomly placed at the onset move across the screen in real time based on previously established rules and commands. They thus form a kind of continuous, steady stream of pixels. It is no coincidence that LAb[au] draws parallels with the animal kingdom in coming up with the title Swarm.Dots. Just like bees behave themselves as individuals and as part of a social context in a swarm, the pixels also move across the screen. As in conceptual art, and more particularly in system art, writing the program is a key element. “A well-known example are Sol LeWitt’s so-called Wall Drawings. The process defines the work in this case. The core of the work thus consists of the instructions for the interaction of lines which were drawn up by LeWitt”, says Vermang. The often very labour-intensive work was therefore usually carried out by other artists or students. The reactive system is also based on defined rules. But in contrast with the generative system the reactive system continuously changes its appearance based on environmental factors. The 40 illuminated panels of the installation, Binary Waves (2008), which rotate on their own axis using infrared sensors and electromagnetic antennas thus reflect the rhythm of the city. On the black side of the panels red light lines reflect the communication flows, on the side white light lines represent the traffic flows. The flows (‘flux’) are thus converted into movement, sound and light (‘lux’).

chrono.prints

5


Homage Framework f5x5x5

Framework f5x5x5

In the installation, Framework f5x5x5 (2007-2009), which works based on an interactive system the environment plays an even more important role. The kinetic light sculpture consists of five modules of 4 sq. m. These modules each consist of a further 5 x 5 sections, meaning that the complete installation is made up of 125 elements. The white side reflects the light, while the black side absorbs it. The starting point is the information architecture that interprets binary signals. This framework, as it is called in computing, is the structure which the programmer uses to create an application. The rules determine the meta structure of the work. It was this work which led to LAb[au] being crowned one of the winners of the Award for Young Belgian Painting in 2009 and a winner of the Prix Ars Electronica in 2010. With Framework f5x5x5 LAb[au] has created an homage to Nicolas Schoffer, who is also considered to be the father of cybernetic art. The studio is in close contact with his widow, who has also contributed a text to the LAb[au] monograph. With Cysp1 (1956) on the roof of Le Corbusier’s Unite d’Habitation in Marseilles the Hungarian artist created the first interactive sculpture. The built-in image photoelectric cells and microphones took all the elements of colour, light and sound from the environment. These environment impulses were transmitted by a program into a reaction from the sculpture. This sculpture à spectacle was thus a milestone in the interactive and system based art. Other artists before Schöffer worked in an interdisciplinary way. For instance, Wassily Kandinsky and Piet Mondrian looked via their painting for ways of getting music into their art, playing with the principles of synesthesia. “Even though Le Poème Electronique remains our main reference in terms of artistic interdisciplinarity between space, sound and image,” says Els Vermang. Thus, within that project Iannis Xenakis has transformed his Metastasis-score into spatial data. All the multimedia spectacle that was present at the World Expo 1958 had to symbolize progress and technical innovation. LAb [au] registers quite consciously for all that art historical tradition. “We build with established technology upon contemporary elements. Within the electronic art our specialty is spatial concept,” concludes Vermang. These electronic arts are also central to their Brussels headquarters, established in 2003 as the MediaRuimte in the Rue de Laeken. By organizing exhibitions, concerts and performances LAb [au] tries to give electronic arts a niche within the Belgian art scene.

MetaDesign by Lab [au], € 38, published by Les Presses du Reel, ISBN 9782-84066-404-8.


Framework f5x5x5

(2006/2007) en Swarm.Dots (2009). Dat volledig op zichzelf draaiende systeem gaat geen interactie met de omgeving aan en is onderhevig aan op voorhand geprogrammeerde regels. Daardoor resulteert het proces telkens opnieuw in een uniek design. Hoe minder sluitend het programma geschreven is, hoe unieker en verrassender het resultaat.” PixFlow #1 (2006), dat de studio voor het restaurant van het toenmalige Brusselse Grand Casino creëerde, bestaat uit een fries met elf naadloos aan elkaar vastgehechte plasmaschermen. Elk scherm is verbonden met een computer, die op zijn beurt aangesloten is op tien andere computers. De bij aanvang willekeurig geplaatste pixels bewegen zich op basis van de op voorhand vastgelegde regels en commando’s in real time over het scherm. Zo vormen ze een soort continue, gestage pixelstroom. Het is dan ook geen toeval dat LAb[au] met de titel Swarm. Dots de parallel trekt met het dierenrijk. Net zoals bijen zich in een zwerm tegelijkertijd als individuen en als deel van een sociale context gedragen, zo bewegen de pixels over het scherm.

Zoals in de conceptuele kunst, en meer bepaald de systeemkunst, vormt het schrijven van het programma dus de kern. “Een bekend voorbeeld zijn de zogenaamde Wall Drawings van Sol LeWitt. Daarbij definieert het proces het werk. De kern van het werk bestaat dus uit de door LeWitt uitgetekende instructies voor het lijnenspel”, vertelt Vermang. Het vaak bijzonder arbeidsintensieve werk zelf werd dan ook meestal uitgevoerd door andere kunstenaars of studenten. Ook het reactieve systeem is gebaseerd op gedefinieerde regels. Maar in tegenstelling tot het generatieve systeem verandert het reactieve zijn verschijningsvorm voortdurend aan de hand van de omgevingsfactoren. Zo weerspiegelen de 40 verlichte, rond hun as roterende panelen van de installatie Binary Waves (2008) via infraroodsensoren en elektromagnetische antennes het ritme van de stad. Op de zwarte kant van de panelen geven rode lichtlijnen de communicatiestromen weer, op de zijkant representeren witte lichtlijnen de verkeersstromen. Zo worden die stromen (‘flux’) dus omgezet in beweging, geluid en licht (‘lux’).

Framework f5x5x5

Hommage In de installatie Framework f5x5x5 (20072009), die werkt op basis van een interactief systeem, speelt de omgeving een nog belangrijkere rol. De kinetische lichtsculptuur bestaat uit vijf modules van 4 m². Die modules bestaan telkens nog eens uit 5 x 5 delen, zodat we voor de totale installatie 125 elementen krijgen. De witte kant reflecteert het licht, terwijl de zwarte kant het licht net absorbeert. Startpunt is de informatiearchitectuur die binaire signalen interpreteert. Dat kader, dat men in de informatica het framework noemt, vormt de structuur voor de programmeur om een applicatie te creëren. De regels bepalen dan weer de metastructuur van het werk. Met dit werk behoorde LAb[au] in 2009 tot de laureaten van de Prijs Jonge Belgische Schilderkunst en in 2010 tot de laureaten van de Prix Ars Electronica. Met Framework f5x5x5 brengt LAb[au] een hommage aan Nicolas Schöffer, die ook wel de vader van de cybernetische kunst wordt genoemd. De studio staat in nauw contact met zijn weduwe, die ook een tekst geschreven heeft in de LAb[au]-monografie. Met zijn Cysp1

7


(1956) op het dak van de Unité d’habitation van Le Corbusier in Marseille creëerde de Hongaarse kunstenaar de eerste interactieve sculptuur. De in het beeld ingebouwde fotoelektrische cellen en microfoontjes namen alle elementen van kleur, licht en geluid uit de omgeving op. Die omgevingsimpulsen werden via een programma omgezet in een reactie vanwege de sculptuur. Deze sculpture à spectacle vormde dan ook een mijlpaal in de interactieve en systeemgebaseerde kunst. Voor Schöffer gingen ook andere kunstenaars al interdisciplinair te werk. Zo zochten bijvoorbeeld Wassily Kandinsky en Piet Mondriaan via hun schilderkunst manieren om muziek te integreren in hun kunst, spelend met de principes van de synesthesie. “Al blijft Le Poème Electronique voor ons de belangrijkste referentie op het vlak van de artistieke interdisciplinariteit tussen ruimte, geluid en beeld”, stelt Els Vermang. Zo heeft Iannis Xenakis binnen dat project zijn Metastasis-partituur omgezet in een ruimtelijk gegeven. Het hele multimediaspektakel moest op de Wereldexpo van 1958 vooruitgang en technische innovatie symboliseren. LAb[au] schrijft zich bewust in die hele kunsthistorische traditie in. “We bouwen met hedendaagse technologie verder op bestaande elementen. Binnen de elektronische kunst is het ruimtelijke concept onze specialisatie”, besluit Vermang. Die elektronische kunsten staan ook centraal in hun Brusselse hoofdkwartier, de in 2003 opgerichte MediaRuimte in de Lakensestraat. Via het organiseren van tentoonstellingen, concerten en performances tracht LAb[au] er de elektronische kunsten een plaatsje te geven binnen het Belgische kunstenlandschap. Binary Waves

MetaDeSIGN door LAb[au], € 38, uitgegeven door Les presses du réel, ISBN 978-2-84066404-8. www.lab-au.com www.lespressesdureel.com

Binary Waves


Sociaal Sociaal design design is riskant is riskant

Open Garments Presentation (still), Media & Design Academie & Boondoggle. Foto © Open Garments Consortium

Niels Hendriks & Liesbeth Huybrechts

Een eenvoudige zoektocht naar de term social design via Google levert enkele honderdduizenden resultaten op. De inhoudelijke invulling van die term is al even divers te noemen. De verschillende definities gaan nu eens sterker in op het sociale aspect (design als driver for change), het mediatechnologische aspect (een ontwerpmethode voor genetwerkte online omgevingen) of kiezen een ecologische insteek (waarbij duurzaamheid en ecologie centraal staan). In de onderzoeksgroep Social Spaces (Media & Design Academy en PHL) is sociaal design de methodologie waar het merendeel van onze onderzoeksprojecten op steunt. Social Spaces tracht het sociale karakter van media, kunst en design te verkennen. Ons begrip van sociaal design is gebaseerd op een technologische, sociale én culturele invalshoek, wordt gedragen door een multidisciplinair team en ziet een ontwerp niet als eindig, maar als iets dat open en uitdagend is, as a risky thing.

Social Social design design is is risky risky

by a multidisciplinary team and does not think of a design as finite, but as something open and challenging, as ‘a risky thing’.

A simple search for the term social design on Google offers several hundred thousand results. The actual content of the term is equally diverse. The different definitions sometimes highlight the social aspect (design as a driver for change), the media technology aspect (a design method for networked online environments) or choosing an ecological approach (with the emphasis on sustainability and ecology). In the Social Spaces research group (Media & Design Academy and PHL) social design is the methodology that we rely on for most of our research projects. Social Spaces tries to explore the social character of media, art and design. Our understanding of social design is based on a technological, social and cultural perspective, is supported

About Norwegian trade unions: participatory design as a source of social design Our interpretation of social design goes back to the participatory design that originated a few decades ago in Scandinavia. At the time, the computerisation of the workplace was on the rise, with management introducing systems without taking into account the real situation or the existing habits of employees. For them there were only two possible responses to the changes resulting from computerisation: you could reject it or simply accept it. Based on the belief in a democratic environment and the belief in empowerment the Norwegian steel and metal workers union searched for ways to improve the worker’s workspace and the instruments they used, together with the end user, or the employee. The aim of computerisation was not to make people feel that they could be replaced but instead to improve the tools or machines with which they worked. The researchers which the Norwegian unions contacted

9


Over Noorse vakbonden: participatief design als oorsprong van sociaal design Onze invulling van sociaal design gaat terug naar het participatief design dat enkele decennia geleden in Scandinavië ontstond. In die tijd nam de informatisering op de werkvloer toe, waarbij systemen door het management geïntroduceerd werden zonder rekening te houden met de feitelijke werksituatie of de bestaande gewoontes van de werknemers. Voor hen waren er maar twee mogelijke reacties op de verandering die de informatisering met zich meebracht: je kon het verwerpen of simpelweg aanvaarden. Vanuit het geloof in een democratische werkomgeving en het geloof in empowerment (het vermogen van de werknemer om een actieve rol te spelen) zocht de Noorse staal- en metaalwerkersvakbond naar manieren om de werkplek en de gebruikte instrumenten samen met de eindgebruiker, de werknemer, te verbeteren. Informatisering mocht mensen dus niet het gevoel geven hen te willen vervangen, maar de tools of machines waarmee ze werkten te

willen verbeteren. De onderzoekers waarmee de Noorse vakbond daarna contact zocht, ontwikkelden een set van language games. Deze taalspellen hielpen softwareontwikkelaars en werknemers elkaar te begrijpen en zorgden ervoor dat ze samen systemen ontwierpen die pasten bij de noden van de gebruikers. Later ging participatief design niet alleen de ontwerpers en de eindgebruikers betrekken, maar kwam er ook aandacht voor andere belanghebbenden in het ontwerpproces. Logischerwijs werd participatief design dan ook een veld dat inspiratie ging putten uit verschillende invalshoeken, gaande van sociologie, psychologie, antropologie, over user-centered design, grafische vormgeving, softwareontwerp en architectuur, tot politieke wetenschappen en communicatiewetenschappen. Deze benadering maakt dan ook dat participatief design nu niet als één theorie, paradigma of aanpak kan gezien worden, maar dat het eerder gaat om een koepelterm voor de diverse verschijningsvormen die alle aandacht voor de stem van de eindgebruiker hebben.

Enkele van de varianten van participatief design zijn ondermeer community architecture en co-design. Zo besteedde de Brit John FC Turner aandacht op het betrekken van achtergestelde groepen bij het bouwen van hun leefomgeving. Christopher Alexander verwierf dan weer wereldfaam met de ontwikkeling van zijn pattern language, een generatieve taal die een leiddraad vormt in het ontwerp van een gebouw, een wijk of een stad, en in die zin ook van de maatschappij waarin de architecturale constructie een plaats krijgt. De patronen die zijn taal uitmaken, hebben een sterke sociale insteek en zijn opgebouwd in nauwe samenwerking met degenen voor wie de architectuur bedoeld is. Co-design werkt dan weer rond het inschakelen van eindgebruikers in het ontwerpproces, als stakeholders die evenwaardig zijn aan de experts. Co-design duikt voornamelijk op binnen industrieel en architecturaal design, al dient hier opgemerkt te worden dat de term ‘co-design’ soms ook verwijst naar disciplineoverschrijvend ontwerpen, zonder dat de eindgebruiker in het ontwerpproces betrokken wordt.

Creating Spaces. Foto © Social Spaces Research Group


Cultureel oogpunt, multidisciplinariteit en risky things Net als co-design en gemeenschapsarchitectuur, deelt sociaal design een aantal gelijkenissen met participatief design. Participatief design werkt vanuit twee invalshoeken. Vanuit politiek oogpunt hecht participatief design een hoge waarde aan democratische principes: men streeft ernaar om zogenaamde disempowered groups (groepen die weinig macht tot beslissend handelen bezitten) in hun eigen context te versterken, vergelijkbaar met de manier waarop de eerder genoemde architect Turner dit deed. Het technische aandachtspunt focust dan weer op de idee dat een ontwerp steeds beter is wanneer de eindgebruikers medezeggenschap en verantwoordelijkheid hebben in het ontwerpproces. Sociaal design deelt met participatief design zowel het sociale als het technologische luik en voegt er nog een derde, culturele component aan toe. Sociaal design heeft aandacht voor de cultuur waarbinnen een ontwerp ontstaat: welke betekenissen geeft een gebruiker aan een ontwerp en op welke manier vindt een ontwerp zijn plaats in het dagelijks leven? Denk maar aan hoe een mobiele telefoon het sociale leven van een tiener versterkt en hoe de rol van die telefoon anders is bij een blinde. Deze culturele component komt bij de onderzoeksgroep Social Spaces naar voren in het disciplineoverschrijdende team waarin designers, kunstenaars, technology tinkerers (knutselaars), psychologen, communicatie- en cultuurwetenschappers e.a. in een evenwaardige rol samen onderzoek voeren en ontwerpen. developed a set of language games. These language games helped software developers and employees to understand each other and ensured that together they would design systems that suited users’ needs. Later participatory design did not just involve designers and end users but also started to focus on other stakeholders in the design process. As a result participatory design therefore became a field that started to draw inspiration from various angles, ranging from sociology, psychology, anthropology, over user-centred design, graphic design, software design and architecture to political science and communication studies. This approach means that participatory design cannot be considered as one theory, paradigm or approach but rather is an umbrella term for various forms of design which all pay attention to what the end user has to say. Some of the variants of participatory design include community architecture and co-design. Likewise the Briton John FC Turner paid attention to the involvement of underprivileged groups to build their habitat. Christopher Alexander became world-famous with the development of his pattern language, a generative language that serves as a guideline for the design of a building, a district or a city, and in that sense, of the society in which the architectural construction takes its place. The patterns that make up his language have a strong social perspective and were developed in close cooperation with those for whom the architecture was designed. Co-design, by contrast, involves the end users in the design process, as stakeholders who are equivalent to the experts. Co-design mainly is used in industrial and architectural design, though it must be noted here that the term ‘co-design’ sometimes also refers to cross-disciplinary design without the end user being involved in the design.

Social Spaces ziet sociaal design als een participatief proces dat niet alleen tussen de onderzoeker-ontwerper en de eindgebruiker of belanghebbende ontstaat, maar ook als een proces waarin het ontwerp en de gecreëerde objecten een centrale rol spelen. Deze zogenaamde risky things zijn ontwerpen of objecten die niet eindig zijn, maar juist zo gecreëerd worden dat ze blijven uitdagen om er verder op te bouwen. Risky things lenen zich goed tot het aanbrengen van wijzigingen, het remixen of het ontwerpen van afgeleiden, net omdat hun openheid zo uitnodigend en/of laagdrempelig is. Risky things zijn risicovol te noemen, omdat zij participatie aanmoedigen ook na het traditionele einde van het ontwerpproces, na het eigenlijke werk van de designer. Het is dus de ontwerper die een risico neemt, omdat hij of zij de controle over het ontwerp deels uit handen geeft.

Enkele onderzoeksprojecten toegelicht Het gebruik van risky things, de aandacht voor zowel het politieke, technologische en culturele aspect en het ontwerpen en onderzoeken met een multidisciplinair team zien we naar voren komen in de projecten waarrond Social Spaces werkt. Het Open Garments onderzoeksproject loopt in samenwerking met de Europese textielindustrie en tracht een online platform uit te bouwen waarop elk individu zelf kleding kan ontwerpen en kopen. De betekenis van kleding in het dagelijkse leven, het verdwijnen van het fysieke en de rol van het zintuiglijke in een online koopervaring vormen de kernvra-

Cultural perspective, multidisciplinarity and risky things Like co-design and community architecture social design shares some similarities with participatory design. Participatory design uses two perspectives. At political level participatory design attaches great importance to democratic principles: it strives to strengthen so-called disempowered groups (groups who have little power to act decisively) in their own context much like Turner did. At technical level it focuses on the idea that a design is always improved when the end users have a say and hold responsibility in the design process. Social design has in common with participatory design the social and the technological aspect and adds a third, cultural component to it. Social design pays attention to the culture in which a design is created: which meanings does a user infer to a design and how does a design find its place in daily life? Just think of how a mobile phone can underpin a teenager’s social life and how different this role is in the life of a blind person. This cultural component comes to the fore in the Social Spaces research group in the cross-disciplinary team in which designers, artists, technology tinkerers, psychologists, communication and cultural scientists and others conduct research and design together as equals. Social Spaces sees social design as a participatory process which takes place between the researcher-designer and the end user or stakeholder as well as a process in which the design and the created objects play a central role. These so-called ‘risky things’ are designs or objects that are not finite, but which instead are created in such a way that they continue to be a challenge on which one can continue to build. Risky things are eminently suited for change, remixing, or designing derivatives precisely because their openness is so inviting and the threshold is so low. Risky things are deemed risky as they encourage participation beyond the traditional end of the design process, after the designer’s actual work. It is thus the designer who takes a risk because he or she partly relinquishes control of the design.

11


gen in het onderzoek. Elk ‘afgewerkt’ ontwerp, zij het een kleedje, ring of manchetknoop, is ‘open’ ontworpen en nodigt uit om er verder op te bouwen of te herconfigureren. Ook de achterliggende technische structuur bestaat uit een open raamwerk dat toelaat om modulair het bestaande systeem verder uit te bouwen. Creating Spaces beoogt de ontwikkeling van een multi-touchinterface in een artistieke omgeving. De tafel is opgevat als een conversation starter. Het is een omgeving die tentoonstellingsbezoekers een inzicht geeft in het achterliggende ontwerpproces van kunstprojecten in de publieke ruimte. Dit maakt deze projecten, die toch vaak ter discussie staan, op een speelse manier bespreekbaar. De manier waarop de tafel wordt gecreëerd, is grondig maar aantrekkelijk gedocumenteerd zodat andere professionele ontwerpers, studenten of amateurs het ontwerp kunnen hergebruiken en aanpassen in andere contexten. Met het project Not Quite 100 werd er gewerkt vóór en mét mensen met schizofrene symptomen. De plaats van een ontwerp binnen een omgeving (in dit geval de zorginstelling), de rol en de affectieve betekenis van de gebruikte media vormden de centrale thema’s in dit project. Not Quite 100 leverde een viertal ontwerpen op met als doel de ervaringen van mensen met schizofrenie te vertalen in mediaontwerpen om zo een betere leefomgeving

te creëren of een genuanceerd beeld van hun leven te schetsen. Dit laatste werd bijvoorbeeld duidelijk in Schizoframed, een spel ontworpen als Facebook-applicatie. Schizoframed heeft als doel de drempel tussen het leven in de psychiatrie en ‘de wereld daarbuiten’ te verkleinen. Het spel leidt de deelnemers doorheen de verschillende aspecten van psychiatrische zorg en tracht de waarde van vriendschap tijdens een psychiatrische ziekte te waarderen.

Een beetje loslaten Social Spaces definieert sociaal design als een ontwerpaanpak die toelaat dat de bete-

Some research projects explained The use of risky things, attention to the political, technological and cultural aspect and the designs and research with a multidisciplinary team emerge in the projects of Social Spaces. The Open Garments research project is conducted together with the European textile industry and seeks to develop an online platform where any individual can design and buy their own clothes. The significance of clothing in daily life, the disappearance of the physical and the role of the senses in an online shopping experience are the key topics in this research. Each ‘finished’ design, whether a dress, ring or cufflink, is considered ‘open’ design and thus can be used as a stepping stone to something else or can be reconfigured. The underlying technical structure also consists of an open framework which allows for the further modular expansion of the existing system. Creating Spaces aims to develop a multi-touch interface in an artistic environment. The table is conceived as a conversation starter. It is an environment which gives exhibition visitors an insight into the underlying design process of art projects in public space. This contributes a playful element to the discussion of these projects. The manner in which the table is created, has been thoroughly documented – in an attractive manner – so that other professional designers, students or amateurs can customise the design and reuse it in other contexts. The Not Quite 100 project worked with and for people with schizophrenic symptoms. The place of a design within an environment (in this case the institution that provides care), the role and affective significance of the media used were central themes in this project. Not Quite 100 yielded four designs with the aim of translating the experiences of people with schizophrenia into media designs in order to create a better living environment or sketch a more

kenis van een ontwerp kan groeien na het eigenlijke afleveren van het ontwerp. Dit groeiproces wordt mogelijk gemaakt doordat ze als risky things vorm krijgen in een concrete politieke, technologische en culturele context, in multidisciplinaire en open verbanden. Deze ontwerpbenadering legt heel wat verantwoordelijkheid bij de eindgebruiker, zowel in het ontwerpen, het gebruik van het ontwerp en de rol die het ontwerp kán en zál spelen in de toekomst. De ontwerper zet dus eerder sociale processen in gang, stimuleert mensen om de dingen zelf in handen te nemen en neemt het risico om – niet onbelangrijk – zijn ontwerp een beetje los te laten.

Not Quite 100, Lea Haefliger voor Social Spaces Research Group. Foto © Social Spaces Research Group

nuanced picture of their lives. The latter for example was evident in Schizoframed, a game designed as a Facebook application. Schizoframed aims to reduce the threshold between life in psychiatry and ‘the world beyond’. The game leads participants through the different aspects of psychiatric care and seek to appreciate the value of friendship during a psychiatric illness.

Letting go Social Spaces defines social design as a design approach which enables the meaning of a design to grow after its actual delivery. This growth process is made possible because they take shape as risky things in a concrete political, technological and cultural context, in multidisciplinary and open relationships. This design approach places much responsibility on the end user, both in the design process, in the use of the design and in the role that design can and will play in the future. The designer thus sets in motion social processes, encourages people to take things into their own hands and takes the risk – which is also important – to let go of his design to some extent. www.socialspaces.be www.open-garments.eu www.creatingspaces.be www.notquite100.be


Synthetische biologieen en Synthetische biologie de vandesign design de toekomst toekomst van Lut Pil

Ontwerpen met DNA wordt wellicht sneller dan u zou vermoeden een alledaagse zaak voor de designer van de 21ste eeuw, ook in Vlaanderen. In het eerste nummer van deze jaargang verscheen reeds een portret van Tuur Van Balen, die tegenwoordig helemaal inzet op concepten uit de synthetische biologie. In het kader van het tentoonstellings- en onderzoeksproject Alter Nature dat Z33 vanaf november presenteert, werd er onlangs een speed dating georganiseerd tussen specialisten in synthetische biologie van de K.U.Leuven, studenten in communicatie- en multimediadesign van de Media & Design Academy in Genk en studenten glas, juweel en beeldhouwkunst van de Provinciale Hogeschool Limburg. Beide partijen – wetenschappers en ontwerpers – hopen interessante

partners te worden voor een toekomst die sowieso veel in petto heeft. Synthetische biologie wordt gepromoot als dé wetenschap van de toekomst. Haar onderzoeksactiviteiten zijn er immers op gericht om bestaande (micro-)organismen te wijzigen of zelfs nieuwe levensvormen te bouwen en deze in te zetten voor specifieke taken. Het is een wetenschap die Moeder Natuur te slim af wil zijn en die – sneller dan de natuurlijke evolutie – gericht de evolutie wil sturen. Hebben we bijvoorbeeld een nieuw materiaal nodig of willen we een bestaand materiaal goedkoop en op grote schaal produceren, dan modificeren we de bestaande code van een bacterie of maken we zelf een DNA-script en laten we vervolgens de bacterie op commando in een fermentor het nieuwe materiaal aanmaken uit banale voedingsstoffen. Waar vroeger de recombinante DNA-technologie [DNA wordt getransfereerd van de ene soort naar de andere] ad hoc gebeurde, met weinig voorspelbare resultaten, werkt de synthetische biologie met gestandaar-

Secret Garden, Hans Op de Beeck. Foto: Kristof Vrancken/Z33

diseerde onderdelen en voorspelbare resultaten. Synthetische biologie sluit nauw aan bij systeembiologie dat vanuit een holistische visie het gedrag van een heel systeem wil begrijpen: met DNA-bouwblokken worden nieuwe modules gemaakt die geïntegreerd worden in het biologische systeem. Het klinkt futuristisch en dat is het ook. Toch wordt die toekomst steeds reëler en bevattelijker. Het leven zal veranderen, maar tegelijkertijd lijkt dat kunstmatige (want synthetische) leven al bijna vertrouwd, juist omdat het tegemoetkomt aan heel concrete en herkenbare noden. Universiteiten en overheden hebben veel aandacht voor de ontwikkelingen binnen de synthetische biologie en spelen in op die vertrouwdheid en berichten dan ook over deze projecten in een toegankelijke taal. In een recent nummer van Het Ingenieursblad (4/2010) vertalen professoren en onderzoekers van de K.U.Leuven het onderwerp in begrijpelijke taal: “Biologische cellen als fabriekjes voor biobrandstoffen, geneesmiddelen en slimme materialen. Synthetische biologie combineert biologie en ingenieursprincipes om nieuwe en nuttige biologische systemen te maken.” Zulke systemen kunnen erg interessant zijn voor de designwereld. De inleiding op de bovengenoemde speed dating verwees niet enkel naar

13


Synthetic biology biology Synthetic and the future design and the future ofof design Designing with DNA will probably become an everyday affair for the twenty-first century designer, including in Flanders, and faster than one might expect. In the first issue of this year we already published a portrait of Tuur Van Balen, who is completely focused on concepts of synthetic biology. As part of the exhibition and research project Alter Nature which Z33 will be presenting from November onwards, a speed dating event was organised between specialists in synthetic biology from the University of Leuven, as well as students in communication and multimedia design of the Media & Design Academy in Genk and students studying glass techniques, jewellery and sculpture at Provinciale Hogeschool Limburg. Both sides – scientists and designers – hope to become interesting partners for a future that holds much in store anyway.

medische toepassingen zoals malariageneesmiddelen of microbiologische organismen die kankercellen kunnen binnendringen (door de wetenschappers omschreven als het ‘gouden ei’ van de synthetische biologie), maar ook naar kunstmatige spinnenzijde waarmee nieuwe weefsels kunnen worden gemaakt. Koreaanse biotechnologen hebben bacteriën genetisch gewijzigd zodat ze spinnenzijde produceren. Het is een project dat tot de verbeelding spreekt door de enorme sterkte van het natuurlijke materiaal. Spinnenzijde zou zo de basis kunnen vormen voor één van de krachtigste en lichtste bouwmaterialen, of voor supersterke liftkabels of voor ultralichte kogelvrije vesten.1 Het klinkt mooi, maar kunnen we de spinnen niet gewoon hun werk laten doen? “Waarom al dit gedoe met bacteriën, vraag je je misschien af? Waarom niet gewoon spinnen opsluiten en deze direct écht spinnendraad laten maken? Een legbatterij spinnen, als het ware. Het lot wil dat spinnen zich niet in hokjes laten drukken. Ze bijten elkaar dood, hebben een groot territorium nodig en willen niet seksen, waardoor je elke spin uit het wild moet plukken. Dat maakt het bijna onmogelijk”.2 Terwijl door recente evoluties in de synthetische biologie de manipulatie van levensvormen steeds gemakkelijker wordt. “Het

Shiki1 (detail), Makoto Azuma. Foto: Kristof Vrancken/Z33

Synthetic biology is being promoted as the science of the future. Its research activities are aimed at modifying existing (micro) organisms or even building new life forms and to use them for specific tasks. It is a science that wants to outsmart Mother Nature and which wants to direct evolution – faster than natural evolution can. If we need a new material for example or if we want to manufacture an existing material cheaply and on a large scale, then we simply modify the existing code of a bacteria or write our own DNA script. Then we have the bacteria generate the new material on command in a fermentor using banal nutrients. In the past recombinant DNA technology [DNA is transferred from one species to another] was carried out ad hoc, with results that were barely predictable results. These days synthetic biology works with standardised components and predictable results. Synthetic biology is closely related to systems biology which wants to understand the behaviour of a whole system based on a holistic point of view: new modules are created with DNA building blocks which are then integrated into the biological system. It sounds futuristic and it is. However, this future is becoming more real and easier to understand. Life will change, but at the same this artificial (because synthetic) life seems almost familiar, precisely because it meets several specific and identifiable needs. Universities and governments pay a lot of attention to the developments in synthetic biology and are capitalising on this familiarity. As a result they are also publishing on these projects in an accessible language. In a recent issue of Het Ingenieursblad (4/2010) professors and researchers of the K.U.Leuven have translated the subject into understandable language: “Biological cells as factories for biofuels, pharmaceuticals and smart materials. Synthetic biology combines biology and engineering principles to create new and useful biological systems.” Such systems can be very interesting for the design world. The introduction to the above speed dating event did not only refer to medical applications such as malaria drugs or microbiological organisms which can enter cancer cells (the scientists described them as the ‘golden egg’ of synthetic biology), but also to artificial spider silk with which new fabrics can be created. Korean biotechnologists have genetically modified bacteria to produce spider silk. This project fuels the imagination because of the amazing strength of this natural material. Spider silk could thus serve as a component of one of the most powerful and lightest materials, or for super strong elevator cables or for ultra-light body armour.1 It sounds good, but why not simply let the spiders go about their business and do their job? “Why all this fuss with bacteria, you may ask yourself? Why not just catch a few spiders and have them spin some real spider silk? A battery of spinning spiders, come to think of it. As it is spiders’ temperaments are not suited to living in small spaces. They bite each other to death, they need a large territory and they do not like sex, meaning you would have to go catch


Cellularity (reproduction), James King. Foto © James King

is niet toevallig dat synthetische biologie op dit moment furore maakt. Enkele recente evoluties, zowel technologisch als conceptueel, liggen aan de basis. Er is bijvoorbeeld de dalende kost van DNA-sequentiebepaling en -synthese [...]. Het toenemende aantal organismen waarvan de sequentie gekend is levert een schatkist aan eiwitten en enzymen interessant voor de industrie. En dankzij de DNA-synthese wordt het aanmaken van designer-DNA steeds goedkoper en sneller. Een tweede drijfveer voor de synthetische biologie is de systeembiologie. Een tiental jaar geleden deed de wiskunde zijn intrede in de biologie, en werd de stap gezet van een reductionistische – gen per gen – naar een holistische visie op biologische systemen.”3 Ook in Vlaanderen is de designwereld geïntrigeerd door de mogelijkheden van synthetische biologie. Voor Z33, initiatiefnemer van Alter Nature, is het project een voortzetting van tentoonstellingen zoals Feel (2004), Exces (2006) en Place@Space – (re)shaping everyday life (2008), tentoonstellingen waarin Z33 onderzocht hoe kunstenaars en ontwerpers reageren op evoluties in de wetenschap en de impact hiervan op de maatschappij. “Waar de nieuwe technologieën in Place@Space vooral die waren van de digitale (r)evolutie en de ICT-ervaring, focust Alter Nature onder meer op wat na de digitale revolutie komt, namelijk de biologische revolutie”, zo verduidelijkt curator Karen

every spider in the wild. An almost impossible endeavour.”2 Recent developments in synthetic biology however have facilitated the manipulation of life forms. “It is no coincidence that synthetic biology is currently causing quite a stir. Some recent developments, of a technological and conceptual nature, underpin this such as, for example, the declining cost of DNA sequencing and synthesis [...]. The increasing number of organisms whose sequence is known provides a treasure trove of proteins and enzymes that are interesting for the industry. And thanks to DNA synthesis, the creation of designer DNA is becoming cheaper and can be achieved faster. A second motive for synthetic biology is systems biology. Ten years ago maths was incorporated into biology and we moved from a reductionist – gene by gene – approach to biological systems to a more holistic approach.”3 In Flanders the design world is also intrigued by the possibilities of synthetic biology. For Z33, which is responsible for the Alter Nature initiative, the project is a continuation of such exhibitions as Feel (2004), Excess (2006) and Place@Space - (re)shaping everyday life (2008), exhibitions in which Z33 examined how artists and designers respond to developments in science and their impact on society. “Whereas the new technologies in Place@Space mainly related to the digital (r)evolution and to ICT experience, Alter Nature focuses on what comes after the digital revolution, namely the biological revolution”, explains curator Karen Verschooren. “Advances in life sciences and biotechnology hold the promise of a biological revolution which will thoroughly shake the foundations of our ‘being’. It will make the digital revolution look like child’s play. Art and design, moreover, also have a long history of interaction with or design of nature. Together with the fact that artists and designers have renewed attention for the physical aspect and that there is such a thing as bio-art, this makes for an interesting mix to use nature as a subject: living beings, life sciences and biotechnology.” This interest is partly determined by what is happening at the Royal College of Art (RCA) in London, where Anthony Dunne and Fiona Raby are responsible for Design Interactions. One of the assignments of the students focuses on design and synthetic biology. Karen Verschooren also refers to the work of Stephen Wilson. Wilson believes that the twenty-first century will see some key breakthroughs in understanding and controlling the organic world, including our own bodies. This new understanding will lead to important questions about the nature of our human existence and the implications of biological engineering.4 Given the importance of this revolution, Stephen Wilson therefore argues in favour of a committed cooperation between artists/designers and scientists, even though a research discipline such as biotechnology has always been less accessible for artists and the

15


general public. He thinks that our whole society should contribute to future research agendas, to research in general and to the analysis of its significance for us all. Artists have to be curious about what scientists do and think, while, on the other hand, researchers and technicians need to be open to artistic experimentation. The future will only be enriched if the extension of spheres of interest becomes a part of how we now see arts and sciences.5 Asked about the relationship with an exhibition such as Design and the Elastic Mind organised by Paola Antonelli in 2008 and with Antonelli’s belief that synthetic biology is the most significant domain for an encounter between design/art and science6, Karen Verschooren explains that Alter Nature is more specific and its scope is broader: “Design and the Elastic Mind was comprehensive and highlighted various technologies. Alter Nature is a thematic exhibition which focuses on nature and which approaches this topic in a variety of ways without restricting itself to new technologies. When elaborating on how man has changed nature, there is also room for a work such as Secret Garden (20032010) by Hans Op de Beeck, a quiet and poetic, but also slightly absurd representation of a city garden.” One of the scientific initiatives in the field of synthetic biology, which triggers ideas among designers and artists, is the international Genetically Engineered Machine competition (iGEM) which the Massachusetts Institute of Technology has been organising for a number of years. Using standard interchangeable functional DNA elements (BioBricks) that are supplied by MIT, students have to build and test new biological systems: an ‘empty’

Verschooren. “De vooruitgang in biowetenschap en biotechnologie houdt de belofte in van een biologische revolutie die ons ‘zijn’ grondig door elkaar zal schudden. It will make the digital revolution look like child’s play. Kunst en design hebben bovendien een lange geschiedenis van interactie mét of vormgeving ván de natuur. Samen met het feit dat kunstenaars en ontwerpers opnieuw aandacht hebben voor het fysieke en dat er zoiets als biokunst bestaat, vormt dit geheel een interessante mix om natuur als onderwerp te nemen: de levende wezens, biowetenschap en -technologie en life sciences.” Die interesse wordt mee bepaald door wat er gebeurt in het Royal College of Arts (RCA) in Londen, waar Anthony Dunne en Fiona Raby instaan voor Design Interactions. Een van de opdrachten van de studenten richt zich op design en synthetische biologie. Karen Verschooren verwijst ook naar het werk van Stephen Wilson. Wilson denkt dat de 21ste eeuw enkele cruciale doorbraken zal kennen in het begrijpen en beheersen van de organische wereld, inclusief onze eigen lichamen. Dat nieuwe begrip zal leiden tot belangrijke vragen omtrent de aard van het menselijke bestaan en de implicaties van biologische manipulatie.4 Gegeven het belang van deze revolutie, pleit Stephen Wilson dan ook voor een geëngageerde samenwerking tussen kunstenaars/ontwerpers en wetenschappers, ook al is een onderzoeksdiscipline als biotechnologie altijd minder toegankelijk geweest voor kunstenaars en het brede publiek. Hij vindt dat onze hele maatschappij moet bijdragen aan de toekomstige research agenda’s, aan de onderzoeksvoering en aan de analyse van hun betekenis voor ons allen. Kunstenaars moeten nieuwsgierig zijn naar wat wetenschappers doen en denken, en anderzijds moeten onderzoekers en technici openstaan voor het artistieke experimenteren. De toekomst zal alleen maar verrijkt worden wanneer deze uitbreiding

van de interessesferen een deel wordt van hoe we kunsten en wetenschappen voortaan zien.5 Gevraagd naar de verwantschap met een tentoonstelling als Design and the Elastic Mind die Paola Antonelli in 2008 in het MOMA organiseerde en met Antonelli’s overtuiging dat synthetische biologie het meest betekenisvolle domein is voor een ontmoeting tussen design/kunst en wetenschap6, verduidelijkt Karen Verschooren dat Alter Nature specifieker en tegelijkertijd ruimer is: “Design and the Elastic Mind was breed van opzet en belichtte allerlei technologieën. Alter Nature is een thematische tentoonstelling gericht op de natuur en benadert het gegeven niet enkel via de nieuwste technologieën. In de uitwerking van de vraag hoe de mens de natuur heeft veranderd is er bijvoorbeeld ook plaats voor een werk zoals Secret Garden (2003-2010) van Hans Op de Beeck, een stil en poëtisch, maar ook een licht absurde representatie van een stadstuintje.” Een van de wetenschappelijke initiatieven in het domein van de synthetische biologie die ideeën op gang brengt bij ontwerpers en kunstenaars is de internationale wedstrijd Genetically Engineered Machine (iGEM) die het Massachusetts Institute of Technology nu al een aantal jaren organiseert. Met behulp van standaard uitwisselbare functionele DNAonderdelen (BioBricks) die door het MIT worden aangeleverd, moeten studenten nieuwe biologische systemen bouwen en testen: een ‘lege’ bacteriecel wordt voorzien van door hen zelf samengebrachte BioBricks. “Zoals legoblokken zijn ook BioBricks in een standaardvorm gegoten zodat alle bouwstenen aan elkaar passen en verschillende combinaties mogelijk zijn.”7 De studenten bevinden zich ergens tussen de doorgewinterde wetenschappers en de designers: zij zijn thuis in de materie maar nog

Raketenbaum, Michael Sailstorfer. Foto © VG Bild-Kunst, Bonn

Mobile Wilderness Unit–Wolf, Mark Dion. Foto: Kristof Vrancken/Z33


vrij en jong genoeg om wilde ideeën te spuien. “iGem is ingericht om grenzen af te tasten. Je mag als deelnemer om het even wat bedenken”, zo verwoordde een van de jonge wetenschappers het op de speed dating. Vorig jaar stelden de deelnemende studenten van de K.U.Leuven het project Essencia coli voor, dat onder wetenschappelijke begeleiding van het Leuvense BioSCENTer werd uitgevoerd door een multidisciplinair team van bio-ingenieurs, wetenschappers, burgerlijk ingenieurs en biomedici. Essencia coli is “een kunstmatige bacterie die vanillegeur produceert onder de vorm van het molecule vanilline. Door bestraling met blauw licht van een bepaalde intensiteit kan de gewenste concentratie ingesteld worden. Tegelijkertijd detecteert de bacterie ook zelf vanilline en activeert een feedbackmechanisme die de synthese controleert.” Andere iGEM-projecten van teams van over heel de wereld waren onder meer de synthese van een bacterie die een mijnenveld wordt ingestuurd en kan signaleren waar zich een mijn bevindt omdat de bacterie reageert op het TNT dat uit de mijn lekt; of kits die de output van bacteriële biosensoren gebruiksvriendelijker maken door de output niet langer via fluorescerende microscopie te detecteren, maar ook voor het gewone oog zichtbaar maken omdat een spectrum van pigmenten tot expressie wordt gebracht (Cambridge University 2009).

Naarmate de wetenschappelijke bevindingen concreter worden, groeit ook de interesse van designers. Het recente project Pigeon d’Or (In Progress) van Tuur Van Balen is gebaseerd op technologie die de studenten van het Imperial College London hebben ontwikkeld voor de iGEM-wedstrijd van 2009. De Londense studenten stelden een methode voor om via bacteriën in de menselijke darmen geneesmiddelen aan te maken. Van Balens duivenproject vertrekt van de idee dat het metabolisme van duiven zodanig te beïnvloeden is dat door het voederen van specifieke gemanipuleerde darmbacteriën deze ‘vliegende ratten’ ontlasting met bio-zeep zouden kunnen produceren. Op stedelijke schaal zouden zij zo mee kunnen werken aan een propere stad. De vraag die iedereen zich stelt is welke rol designers en kunstenaars kunnen spelen in dit onderzoeksveld en of op haar beurt synthetische biologie voordeel kan halen uit de samenwerking. Beide denkwerelden liggen immers ver uit elkaar. Zelfs als beide partijen hun onderzoek aan elkaar voorstellen is duidelijk dat de afstand tussen de schematische voorstellingen van de wetenschappers en de korte videoclips van de studenten erg groot is. De videoclips waren het resultaat van een recente workshop onder leiding van James King, designadviseur van het iGEM-team 2009 van Cambridge University, en synthetisch

Frozen Pine, Makoto Azuma. Foto: Kristof Vrancken/Z33

bacterial cell is supplied with BioBricks gathered by the students. “Like Lego bricks BioBricks are moulded in a standard mould so that all the components fit together and different combinations are possible.”7 The students are somewhere in the middle between seasoned scientists and designers: they are familiar with the subject matter but they are still young enough to be free and to come up with some wild ideas. “iGem has been organised to explore boundaries. As a participant you can invent anything”, said one of the young scientists at the speed dating event. Last year the participating students of K.U.Leuven presented the Essencia coli project, which was carried out, under the scientific guidance of the Leuven BioSCENTer, by a multidisciplinary team of bio-engineers, scientists, civil and biomedical engineers. Essencia coli is “an artificial bacterium that produces a vanilla fragrance in the form of the molecule, vanillin. Thanks to irradiation with blue light of a certain intensity the desired concentration can be adjusted. At the same time the bacteria itself also detects vanillin activating a feedback mechanism that controls the synthesis.” Other iGEM projects by teams from all over the world included the synthesis of a bacterium which was sent into a mine field and which could detect the position of a mine because the bacteria reacted to the TNT leaking from the mine; or kits which make the output of bacterial biosensors more user-friendly by no longer detecting the output through fluorescent microscopy, but by also rendering it visible for the human eye because a spectrum of pigments is expressed (Cambridge University 2009). As scientific findings become more concrete, the interest of designers also grows. The recent project Pigeon d’Or (In Progress) by Tuur Van Balen is based on technology developed by the students of the Imperial College in London for the iGEM contest of 2009. The London students proposed a method to generate drugs using bacteria in the human intestine. Van Balen’s pigeon project starts from the idea that the metabolism of pigeons can be influenced in such a way that by feeding them specific manipulated intestinal bacteria these ‘flying rats’ will excrete faeces that are in fact detergent. At urban level they would thus contribute to maintaining a clean city.

17


bioloog James Brown.8 De wetenschappers en ontwerpers/kunstenaars staan echter open voor nieuwe ideeën. Het is daarbij niet nodig dat de ontwerpers en kunstenaars specialisten worden in synthetische biologie. Voor de scholen gaat het vooral om het leggen van contacten, het vinden van ‘buddies’, zodat de designers en kunstenaars concrete vragen kunnen stellen vanuit uitgangspunten die artistiek, filosofisch, maatschappijkritisch kunnen zijn of die geïnspireerd worden door verhalen rond my biological (r)evolution, het opgelegde thema voor de studenten communicatie en multimedia van MDA. Het is aan de ontwerpers om zelf accenten te leggen: zij bepalen of ze nieuwe producten willen maken, futuristische scenario’s willen verbeelden of eventueel op de angst voor het onbekende en het mogelijke gevaar willen inspelen. Stephen Wilson verwoordt het zo: kunstenaars/ ontwerpers moeten niet op afstand blijven staan omdat ze de wetenschappelijke ontwikkelingen niet volledig kunnen meester worden of kritische bedenkingen hebben bij de snelle ontwikkelingen. Los van een marktdenken kunnen kunstenaars op ongeziene en verrassende wijze bepaalde principes en technologieën onderzoeken en uitbreiden. Zij kunnen weinig winstgevende onderzoekslijnen uitzetten of onderzoek voeren dat buiten de wetenschappelijke prioriteiten ligt. Zij kunnen disciplines integreren en evenementen organiseren die de

culturele implicaties, kosten en mogelijkheden van de nieuw verworven technologie blootleggen. De kunsten worden zo een onafhankelijk centrum van technologische innovatie en ontwikkeling.9 Een gelijkaardige rol is weggelegd voor designers, die altijd al multidisciplinair en vernieuwend gewerkt hebben. Z33 is blij dat de kennis en de contacten die ontstaan ter voorbereiding van Alter Nature kunnen gedeeld worden met andere groepen. Synthetische biologie is een doos van Pandora, aldus Karen Verschooren. “Voor de generatie jongeren die nooit heeft moeten leren wat internet was omdat ze er mee is opgegroeid, zal alles mogelijk anders zijn binnen tien, twintig jaar. Ook zij zullen moeten leren omgaan met nieuwe technologieën, maar ook met nieuwe concepten, ideeën en nieuwe waarden en normen. En zoals virtual reality vragen oproept rond identiteit, zullen ook zij worstelen met nieuwe, nu nog onbekende ontwikkelingen. Maar interesse vanuit de design- of kunstenaarswereld voor de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen is niet te institutionaliseren. De relatie is niet te forceren, blijft individueel.” Ook de interesse vanuit het brede publiek kan niet zomaar worden opgelegd. Daarom is het kritische design van Anthony Dunne & Fiona Raby en anderen in die denkrichting voor Karen Verschooren zo belangrijk. “Politiek beleid verwacht dat mensen als burgers, als kritisch

The question everyone is asking is what role designers and artists can play in this research field and how synthetic biology in turn can benefit from the collaboration. Both worlds are quite far apart. Even if both parties present their research to one another it is clear that the distance between the diagrams of the scientists and the short video clips of the students is quite considerable. The video clips were the result of a recent workshop led by James King, a design consultant for the 2009 iGEM team of Cambridge University, and synthetic biologist, James Brown.8 Scientists and designers/artists are however open to new ideas. And nobody requires the designers and artists to become specialists in synthetic biology. The schools are mainly interested in establishing contacts, in finding buddies, so the designers and artists can ask specific questions based on principles that can be artistic, philosophical, social critical or even inspired by stories about ‘my biological (r)evolution’, the compulsory theme for the communication and multimedia students of MDA. The designers themselves have to place the emphasis: they decide whether they want to create new products, depict futuristic scenarios or possibly want to capitalise on the fear of the unknown and the potential danger. Stephen Wilson puts it like this: artists/designers should not maintain a distance because they are incapable of fully mastering the scientific developments or because they have critical reservations about the rapid developments. Apart from a market-based approach artists can examine and expand certain principles and technologies in an unheard of and surprising way. They can set out lines of research that are not immediately profitable or conduct research that lies outside the scientific priorities. They can incorporate disciplines and organise events that reveal the cultural implications, costs and capabilities of the newly acquired technology. The arts thus become an independent centre of technological innovation and development.9 A similar role is reserved for designers, who have always worked in a multidisciplinary and innovative way. Z33 is pleased that the knowledge and contacts in preparation for Alter Nature can be shared with other groups. Synthetic biology is a Pandora’s box, says Karen Verschooren. “For the younger generation who never had to learn what the Internet was because they grew up with it, everything may be

ingestelde individuen reageren. Maar mensen reageren vaker als consument. Ze reageren op producten. Als je als designer dan speculatieve producten maakt, zoals Dunne & Raby, dan impliceert de reactie op die designvoorstellen reeds een vorm van deelname aan het debat.” Naar aanleiding van de new love affair tussen design en wetenschap stelt Antonelli terecht dat designers in staat zijn om belangrijke veranderingen in technologie, wetenschap en sociale zeden te vatten en ze te vertalen in objecten en ideeën die we kunnen verstaan en gebruiken. De designer is voor haar dan niet langer iemand die vormen maakt, maar iemand die een uiterst dynamische realiteit interpreteert. Het resultaat van deze nieuwe invulling geeft de designer een grote maatschappelijke rol en verantwoordelijkheid.10 Een van de redenen van synthetische biologen om samen te werken met designers ligt in het feit dat ze niet meer dezelfde fout willen maken als ten tijde van de technologische revolutie die geleid heeft tot genetisch gewijzigde organismen. Nu wil men het publiek beter en tijdig informeren. De vertaling naar het brede publiek maakt het ook mogelijk dat de wetenschappers – die nu nog én onderzoeker én designer zijn – het ontwerpen mee laten leiden door de ideeën van designers. De onderzoeker-designer is een fenomeen dat zich duidelijk voordoet wanneer het onderzoek


gebeurt op nanoniveau. In die context wordt er vaak verwezen naar Peter Galison, Sensorium: Embodied Experience,Technology, and Contemporary Art (2006), waarin hij het concept ‘nanofacture’ introduceerde. Volgens Galison primeert voor de nanowetenschapper welke concrete instrumenten of toestelletjes hij kan fabriceren met behulp van de nanotechnologie. Een dergelijk pragmatisch uitgangspunt tegenover de werkelijkheid is nog relatief ongezien in het domein van de ‘zuivere’ wetenschap. Het komt zelfs neer op een fundamentele wijziging van de onderzoekspraktijk en van wat het betekent om wetenschapper te zijn.11 Een nauwere samenwerking met designers kan leiden tot onverwachte toepassingen van de wetenschappelijke concepten. Wat dit concreet betekent voor de deelnemers aan de speed dating, die alvast heel erg enthousiast waren over deze eerste ontmoeting, zal in Z33 te zien zijn op 28-30 januari 2011 in de kapittelzaal van Z33. Misschien mondt het zelfs uit in een verdere samenwerking voor een volgende iGem-deelname. Morphotheque #9, Driessens en Verstappen. Collection Anne Marie and Sören Mygind, Galerie für Landschaftskunst, Hamburg, Germany

different within ten or twenty years. They too will have to learn to work with new technologies, but also with new concepts, ideas and new values and standards. And in the same way that virtual reality raises questions about identity, they too will struggle with new, as yet unknown developments. But it is impossible to institutionalise interest from the design or art world for the latest scientific developments. The relationship cannot be forced, it continues to be individual.” The interest from the general public cannot simply be imposed either. That is why the critical design of Anthony Dunne & Fiona Raby and others who think along the same lines is so important for Karen Verschooren. “Political policy expects people to respond as citizens, as critical individuals. But people tend to respond more frequently as consumers. They react to products. If you make speculative products as a designer, like Dunne & Raby do, then the response to these design proposals always implies a form of participation in the debate.” Following the new love affair between design and science Antonelli rightly suggests that designers are able to understand significant changes in technology, science and social mores and to translate them into objects and ideas that we can understand and use. She thinks that the designer is no longer someone who creates shapes, but a very dynamic person who interprets reality. The result of this new approach means the designer has an important social role and responsibility.10 Zonder titel, Reinier Lagendijk. Courtesy: Reinier Lagendijk

19


Ronald Veldhuizen, ‘Een draad zonder spin spinnen’, Dit is Biotechnologie, 27 juli 2010, http://www.ditisbiotechnologie.nl/nieuws/article/671/ 2 Ibidem 3 Inge Thijs, Kathleen Marchal en Jos Vanderleyden, ‘Synthetische biologie. Katalysator voor de biotech industrie’, in Het Ingenieursblad, 4, 2010, p. 60. 4 Stephen Wilson, Information arts. Intersections of art, science, and technology, Cambridge: MIT Press, 2002, p. 55. 5 Stephen Wilson, Information arts. Intersections of art, science, and technology, Cambridge: MIT Press, 2002, p. 3, 24. 6 Paola Antonelli ziet een begrip als ‘good design’ niet verloren gaan maar wil dit reeds geruime tijd aanvullen met nieuwe criteria. Binnen die verruiming krijgt de samenwerking tussen designers/ kunstenaars en wetenschappers een grote rol, met synthetische biologie bovenaan haar lijst van interessante domeinen van interactie. Anni Puolakka en Jenna Sutela, ‘Marrying disciplines – Paola Antonelli talks about merging visual fields with science’, in OK Do, 24 juni 2010, http://www.ok-do.eu/articles/ marrying-disciplines. 6 Paola Antonelli does not think that the concept of ‘good design’ will be lost but she has been trying to complete it with new criteria for quite some time. Within this expansion the cooperation between designers/artists and scientists plays an important role, with synthetic biology at the top of her list of interesting areas of interaction. Anni Puolakka and Jenna Sutela, ‘Marrying disciplines – Paola Antonelli talks about merging visual fields with science’, in OK Do, 24 June 2010, http://www.ok-do.eu/articles/ marrying-disciplines 7 ‘Essencia coli besmet Boston’, persbericht K.U.Leuven, 22 oktober 2009. 7 ‘Essencia coli besmet Boston’, press release K.U.Leuven, 22 October 2009. 8 Voor meer info over de workshop en de videoclips zie http://cmdstud.khlim.be/~alternature/ 8 For more information about the workshop and the video clips see http://cmdstud.khlim. be/~alternature/ 1

WardianCase (Alustar-Sonatural), Tue Greenfort. Foto: Kristof Vrancken/Z33

One of the reasons why synthetic biologists should work with designers is due to the fact that they no longer want to make the same mistake as in the era of the technological revolution that led to genetically modified organisms. The aim is to provide better and timely information to the public. The translation to the general public also makes it possible for scientists – who are now both researchers and designers – to be guided by the ideas of designers in the design process. The researcher-designer is clearly a phenomenon that occurs when the research is carried out at the nano level. In this context people often refer to Peter Galison, Sensorium: Embodied Experience,Technology, and Contemporary Art (2006), in which he introduced the concept of ‘nanofacture’. According to Galison the nano scientist is primarily interested in which specific tools or contraptions he can manufacture using nanotechnology. Such a pragmatic approach to reality is still relatively new in the realm of ‘pure’ science. It even is tantamount to a fundamental change in research practice and of what it means to be a scientist.11 Closer collaboration with designers can lead to unexpected applications of scientific concepts. What this means for the participants in the speed dating event, who were very enthusiastic about this first encounter, will be shown at Z33 on 28-30 January 2011 in the chapter house of Z33. Who knows, this may even lead to a further cooperation in the frame of an iGem competition.

Stephen Wilson, Information arts. Intersections of art, science, and technology, Cambridge: MIT Press, 2002, p. 28. 10 Paola Antonelli, ‘Design and the Elastic Mind’, in Paola Antonelli (ed.), Design and the Elastic Mind, New York: MOMA, 2008, p. 15, 22. 11 Peter Galison, ‘Nanofacture’, in Caroline A. Jones (ed.) Sensorium: Embodied Experience,Technology, and Contemporary Art, Cambridge: MIT Press, 2006, p. 171-173. 9


Het alledaagsemaar maar Het alledaagse onzichtbare design van onzichtbare design van Human Group HumanInterface Interface Group en U Sentric en U-Sentric Je zal ze niet snel op Interieur of op om het even welke designbeurs tegenkomen. Human Interface Group en U-Sentric zijn twee Vlaamse designbedrijven die in de schaduw van de grote designscène actief zijn. Ze produceren of ontwerpen niet zozeer maar vertegenwoordigen eerder een ‘designfilosofie’. Ze maken producenten ervan bewust dat hun producten en diensten er in de eerste plaats zijn om gebruikt te worden en dat die gebruikers misschien ook wel iets te zeggen hebben over hoe zij met deze voorwerpen en toepassingen willen omgaan. Dus, vragen zij zich af, waarom zou je niet eerst je toekomstige klanten bevragen en op basis van dat onderzoek je producten ontwerpen? Een revolutionaire benadering? Nauwelijks, want met wat gezond verstand zorg je ervoor dat je producten aansluiten bij de wensen en gewoontes van de vooropgestelde eindgebruiker, waardoor die jouw product verkiest en waardoor je marktaandeel en uiteindelijke winst zal stijgen. Toch is dit een redenering die slechts recent begint door te sijpelen in de hoofden van bedrijfsleiders en (ook) designers. Ontwerpen vanuit de behoeftes en noden van je eindgebruiker wordt altijd omschreven met de Engelstalige term user-centered design. Het ganse vakgebied is trouwens doorspekt met een specifiek jargon dat volledig uit het Angelsaksische taalgebied is overgenomen. Toch ligt de oorsprong van deze designbenadering niet in Amerika of Engeland. De eerste experimenten in user-centered design kwamen onder meer tot stand in de jaren 50 onder druk van Scandinavische vakbonden. Zij voerden toen reeds onderzoek naar de menselijke factor in het productieproces. Hoe kon men de productie aanpassen aan de wensen en noden van de arbeiders en de machine-operatoren? Hoe konden bedieningspanelen, handleidingen en opleidingen op maat ontworpen en geschreven worden van hen die de nieuwe technische processen moesten begeleiden? Japanners hadden ook snel de voordelen van deze benadering door. Een bedrijf dat in de jaren 60 koffiezetmachines voor persoonlijk gebruik op de markt wilde brengen, stuurde

Kurt Vanbelleghem

The everydayyet yet invisible The everyday invisible design HumanInterface Inteface designof of the the Human Group andU-Sentric U Sentric Group and You will be hard pressed to find them at Interieur or at any other design fair for that matter. Human Interface Group and U-Sentric are two Flemish design companies that operate on the fringe of the big design scene. Rather than produce or design they represent a ‘design philosophy’. They make producers aware of the fact that their products and services are first and foremost conceived to be used and that users may also have something to say about how they wish to use these objects and applications. So, they wonder, why not first carry out a survey among your future customers and then design products based on this research? A revolutionary approach? Hardly, because with a little common sense you can ensure that your products match the needs and habits of the end-user meaning they will choose your product and as a result your market share and profit will increase. And yet this reasoning has only recently begun to seep into the minds of managers and (also) designers. Design that is based on the needs and requirements of the end user is known as user-centred design. Generally speaking, the design industry tends to use Anglo-Saxon terms. Nevertheless, the origin of this design approach does not lie in America or England. The first experiments in user-centred design among others came about in the 1950s under pressure from Scandinavian unions. At the time they already carried out research into the human factor in the production process. How could production be adapted according to the wishes and needs of workers and machine operators? How could control panels, manuals and training be designed and written in function of the people who had to oversee the new technical processes? The Japanese were also quick to take advantage of this approach. A company that wanted to launch coffee makers for personal use to the market in the 1960s first sent a small army of investigators to the homes of people to ask them a number of obvious questions and to observe their behaviour. Answers to such questions as ‘what annoys a Japanese housewife the most when pouring coffee (dripping pots, hot grips, etc.)?’, supplemented with observations about how pots and pans were used, washed and stored, provided the crucial information that this company needed to design its product. These two early examples also reveal the key idea that underpins usercentred design. The ultimate goal is to create products that are easier to use by adjusting the manufacturing process so the end user can indicate in advance what he wants and how and why he wants this. The result should be a customized product that sells quickly and continues to sell. A perfect win-win situation. Only a few companies have taken it upon themselves to disseminate this design philosophy in Flanders. Human Interface Group and U-Sentric both indicate that they still feel like pioneers even if they do notice an increasing receptivity to their services.

21


eerst een klein legertje van onderzoekers naar de huizen van mensen om hen een aantal voor de hand liggende vragen te stellen en om hun gedrag te observeren. Antwoorden op vragen in de trant van ‘wat ergert een Japanse huisvrouw het meest bij het uitschenken (druppende kannen, hete handvatten enz.)?’, aangevuld met observaties over hoe potten, pannen en kannen werden gebruikt, gewassen en opgeborgen, leverde de cruciale informatie op waarmee dit bedrijf aan de slag ging om zijn product te ontwerpen. Deze twee vroege voorbeelden tonen ook meteen aan waar het belang ligt van user-centered design. Het uiteindelijke doel is het creëren van een groter gebruiksgemak door het productieproces zo te sturen dat de eindgebruiker op voorhand te kennen kan geven wát hij wil en hóe en waaróm hij dat wil. Het resultaat zou dan een op maat gecreëerd product moeten zijn dat vlot verkoopt en blijft verkopen. Een perfecte win-winsituatie. De bedrijven die de taak op zich hebben genomen om deze designfilosofie te verkondigen, zijn nog dun gezaaid in Vlaanderen. Zowel Human Interface Group als U-Sentric geven beide aan dat ze nog steeds het gevoel hebben pionierswerk te verrichten, ook al merken ze een stijgende ontvankelijkheid voor hun diensten.

Human Interface Group In 1992 richten Christel Dehaes en Kris Vanstappen Human Interface Group op, met als basisdiensten het ontwerpen van gebruikersinterfaces en het schrijven van handleidingen. Centraal in hun werk staat de vraag hoe snel en eenvoudig iemand met een object (lees: website, boek, instrument, proces, machine etc.) aan de slag kan. Een handleiding wordt immers verondersteld bruikbaar te zijn, maar ik zal toch niet de enige zijn die zo een boekje al eens grondig heeft vervloekt om het daarna gefrustreerd in de hoek te gooien. Daarom proberen Christel Dehaes en Kris Vanstappen hun opdrachtgevers er tegelijk van te overtuigen dat ze misschien hun producten beter zo kunnen ontwerpen dat er helemaal geen handleiding meer nodig is. Dat betekent een totaalaanpak waarbij termen als usability en user experience centraal komen te staan en waarbij ze hun klanten van bij het begin van het traject begeleiden. Intussen is Human Interface Group uitgegroeid tot één van de belangrijke Europese spelers, wat des te meer bewijst dat hun filosofie is aangeslagen en dat hun aanpak heel efficiënt en doortastend is geweest. Alles vangt aan met een gebruikers- en taakanalyse of, met andere woorden, het meten van de gebruiksvriendelijkheid aan de hand van een analyse van een dagelijkse situatie: wie zijn de gebruikers, wat willen ze, waar bevinden ze zich als ze de toepassing of het object gebruiken, welke informatie heeft men

nodig om het product correct te gebruiken, wat zijn de reeds bestaande alternatieven, hoe functioneren die en welke tekortkomingen vertonen ze? Met al deze gegevens gaan ze aan de slag om een interface te ontwikkelen waardoor gebruikers met plezier het eindproduct (website, smartphonetoepassing, touchscreen, bedieningspaneel enz.) gaan gebruiken. Aan de hand van visuele presentaties, schetsen en eenvoudige prototypes worden concrete richtlijnen uitgewerkt waarmee een productof een webontwikkelaar het geheel verder kan uitwerken. Maar hier hoeft de bijdrage van Human Interface Group niet te eindigen. Ze hebben dan wel de meest geschikte gebruikersinterface uitgewerkt, maar dat betekent nog niet dat iedereen er zomaar mee aan de slag kan. De volgende fase laat zich omschrijven als een vorm van change management. Het doel is om de gebruiker te begeleiden wanneer hij het nieuwe product voor de eerste keer gebruikt. Documentatie, opleiding en ondersteuning zijn hierbij van cruciaal belang. Ten slotte volgt er nog een evaluatie en dit houdt onder meer in dat een prototype getest wordt bij een daarvoor speciaal samengestelde gebruikersgroep. Human Interface Group stelt zelf dat hun geïntegreerde dienstenpakket (van het ontwerpen en testen van de gebruikersinterface tot het ontwikkelen van gebruikersdocumentatie en het samenstellen van opleidingen) uniek is in de wereld. Om dit hele proces in goede banen te

Human Interface Group In 1992 Christel Dehaes and Kris Vanstappen established Human Interface Group; their basic services include the creation of user interfaces and the writing of manuals. At the heart of their work is the question how quickly and easily someone can set to work with an object (i.e., a website, book, instrument, process, machine, etc.). A manual is supposed to be useful, but I am sure that I am not alone in having cursed at one of these tomes after which I tossed it into a corner out of sheer frustration. That is why Christel Dehaes and Kris Vanstappen try to simultaneously convince their clients that maybe they can improve on the design of their products so manuals become superfluous. This means a comprehensive approach in which terms such as usability and user experience take centre stage and whereby they guide their clients from the start of the process. Since then Human Interface Group has grown into one of Europe’s major players, all the more proof that their philosophy has caught on and that their approach was very efficient and thorough. Everything starts with a user and task analysis, or in other words, the measurement of the application or product’s user-friendliness based on an analysis of an everyday situation: who are the users, what do they want, where are they located when they use the application or object, what information is needed to correctly use the product, what are the existing alternatives, how do they operate and what are their shortcomings? They then use all these data to develop an interface which will result in users using the final product (website, smartphone application, touchscreen, control panel, etc.) with pleasure. Practical guidelines are developed using visual presentations, sketches and simple prototypes which will allow a product designer or a web developer to further develop the components. But Human Interface Group’s contribution does not end here. They may have developed the best user interface, but that does not mean that everyone can just set to work with it. The next stage can be described as a form of change management. The aim is to guide the user when he or she uses the new product for the first time. Documentation, training and support are of vital importance in this frame. This is followed by


leiden, opteert Human Interface Group ervoor om hun medewerkers gedurende een periode van drie à vier maanden bij de klanten te laten meedraaien. Dit biedt volgens hen tal van voordelen: het contact verloopt informeler en de medewerker maakt integraal deel uit van het volledige proces. Toch behoudt die medewerker een blik van buitenaf en benadert hij de bestaande situatie vanuit een andere, frisse optiek. In totaal werkt Human Interface Groep met een 40-tal specialisten, maar op hun kantoor in Mechelen is er slechts plaats voor 6 à 7 medewerkers. De overige medewerkers werken ter plaatse, bij de klanten. We zouden kunnen zeggen dat het werk van Human Interface Group pas geslaagd is als het onzichtbaar is, als het gebruik van een product of toepassing vlekkeloos verloopt. Afgaande op hun klantenlijst zou het me echter verwonderen als u nog nooit met de resultaten van hun activiteiten in contact zou zijn gekomen. Als u bijvoorbeeld via het internet een Europees treinticket wil reserveren bij de NMBS, dan gebruikt u de interface die zij geoptimaliseerd hebben. Bent u een Telenet-klant, dan zorgde hun onderzoek ervoor dat u sinds kort via de tv-gids en de tv-theek op een snellere en eenvoudigere manier de juiste informatie vindt en de juiste acties kan uitvoeren. Ook klanten van Keytrade Bank kunnen nu via hun smartphone bank- en beursverrichtingen uitvoeren op een platform dat door de Human Interface Group ontwikkeld is. En zo zijn er nog tientallen toepassingen op te noemen die zij gerealiseerd hebben en die ertoe bijdragen dat de snel evoluerende wereld toegankelijk en beheersbaar blijft.

U-Sentric Binnen hetzelfde domein opererend, maar vanuit een andere achtergrond en met een andere methodiek, is het Leuvense bedrijf U-Sentric. Ongeveer drie jaar geleden werd deze organisatie geboren uit het Centre for User Experience Research van de faculteit sociale wetenschappen van de K.U.Leuven. Dit universitaire onderzoekscentrum houdt zich bezig met het ontwikkelen van technieken en methodes om de gebruiksvriendelijkheid van processen, diensten en objecten te meten. Hun actieterrein omhelst voornamelijk lange, strategische projecten. Voor kortere en meer commerciële opdrachten werd het bedrijf U-Sentric opgericht. De academische geboortegrond heeft ook het DNA van U-Sentric bepaald: geen nattevingerwerk, maar een doorgedreven streven naar een empirische verklaring. Net als bij Human Interface Group is het uitgangspunt van U-Sentric dat het ontwerp best vanuit de eindgebruiker gestuurd wordt. Die eindgebruiker kan zowel het grote publiek zijn als een specifieke groep van professionals. Een steeds terugkerende vaststelling is dat producenten vaak weinig of geen inzicht hebben in wat hun vooropgestelde doelgroep

My UZ-portaal, Human Interface Group

nu echt wil. Demografisch weten ze wel wat het doelpubliek is en daar bedenken ze dan de mooiste marketingtermen voor als empty nesters (50-plussers met uithuizige kinderen) of ‘postmoderne levensverrijkers’ (mensen tussen de 35 en 45 die openstaan voor verandering en vernieuwing), maar hoe die doelgroepen zich nu echt gedragen en wat hun drijfveren en verlangens zijn, daar hebben ze meestal het raden naar. Het zijn juist deze aspecten die door een bedrijf als U-Sentric onderzocht worden. Hoe? Wel, door hun gedragingen via observaties in kaart te brengen. En daar hangt veel van af. Zo kreeg U-Sentric onlangs de opdracht van een domoticabedrijf om het prototype van een nieuw product te testen. Wanneer de ideale doelgroep echter bestudeerd werd, dan bleek die in feite geen interesse te hebben voor een dergelijk product. Ze waren daarentegen wel geïnteresseerd in een vergelijkbaar product, dat op een andere manier functioneerde maar dat beter aansloot bij bestaande patronen in hun leefwereld. Het was dus tijdens de ideefase al misgelopen. De producent veronderstelde dat hij een goed product had, maar hij had zich nooit echt afgevraagd hoe zijn doelgroep daar inhoudelijk mee zou omspringen en welke waarde deze er aan zou geven. Op basis van de nieuwe informatie werd uiteindelijk een nieuw concept en een nieuw product ontwikkeld.

Keytrade, Human Interface Group

23


an evaluation which entails that a prototype is tested by a specially developed user group. Human Interface Group itself states that its integrated service package (from designing and testing the user interface to developing user documentation and putting together training courses) is unique in the world. Human Interface Group has opted to have its employees work in-house with its clients during a period of three to four months to ensure the process is satisfactory. The company feels that there are several advantages to this: the contact is more informal and the employee is an integral part of the entire process. And yet the employee maintains an external perspective, resulting in a different and fresh approach of the existing situation. In total, Human Interface Group has 40 specialists, but its office in Mechelen only has room for 6 to 7 employees. The other employees work in-house with customers. The work of Human Interface Group is only successful if it is invisible, if the use of a product or application goes without a hitch. Based on their references I would be surprised, however, if you have never encountered the fruit of their labour. When, for example, you wish to book a European rail ticket online from the NMBS, then you are using the interface that they have optimised. If you are a Telenet customer, then their research has resulted in the recent changes to the TV guide and the TV library meaning you can now find the right information and make the right choices faster and easier. Customers of Keytrade Bank can now use their smartphone to carry out their banking and trading operations on a platform developed by the Human Interface Group. And there are many other applications which they created and which contribute to preserving a rapidly evolving but accessible and manageable world.

U-Sentric The Leuven-based company U-Sentric operates within the same field, but from a different background and with a different method. About three years ago this organisation was born from the Centre for User Experience Research of the Faculty of Social Sciences of K.U.Leuven. This academic research centre focuses on developing techniques and methods for measuring the userfriendliness of processes, services and objects. It mainly prefers long, strategic projects. U-Sentric was established for shorter and more commercial orders. U-Sentric’s DNA is determined to a certain extent by its academic origins: no guesswork, but the pursuit of an empirical explanation. Like Human Interface Group the starting point of U-Sentric is that design should always centre on the end user. This end user can be the general public as well as a specific group of professionals. A recurrent observation is that manufacturers often have little or no understanding of what their target audience really wants. They understand their target audience at demographic level and they are happy to develop a series of interesting marketing terms for them such as ‘empty nesters’ (over 50s with children who no longer live at home) or ‘post-modern life enhancers’ (people between the ages of 35 and 45 who are open to change and innovation). But they have no idea how these target audiences really behave and what are their motives and desires. A company such as U-Sentric investigates these aspects. How? By mapping their behaviour based on observation. A lot depends on this. U-Sentric was recently commissioned by a home automation company to test the prototype of a new product. After they had studied the ideal target audience however, it became clear in fact that there was no interest for such a product in this group. The target group, however, was interested in a similar product, which functioned in a different way but which was better suited to the existing patterns in their environment. So things had already gone wrong at the idea stage. The manufacturer assumed that it had a good product, but it had never really wondered how the target audience would use it, and what value it would attribute to the product. Based on this new information a new concept and new product were finally developed.

De observatie van de manieren waarop klanten met een bepaald product omgaan, hoe ze het aanschaffen en welke plaats dat product inneemt in hun werk- of leefomgeving kan voor bepaalde bedrijven verstrekkende gevolgen hebben. Zo kwam er een vraag van een bedrijf dat allerlei rollende materialen maakt, zoals de schoonmaaktrolleys die je in hotels ziet. De internationale concurrentie was zeer groot en de winstcijfers zakten, maar toch was dit bedrijf ervan overtuigd dat hun product optimaal was en dat ze zeer sterk waren op het vlak van klantvriendelijkheid. Dit laatste aspect werd door de mensen van U-Sentric aangegrepen om de volledige werking van het bedrijf door te lichten. Een herdefiniëring van het begrip ‘klantvriendelijkheid’ was aan de orde. Klantvriendelijkheid houdt niet enkel in dat een goed product en een uitstekende service na verkoop gegarandeerd wordt. Men dient zich in de eerste plaats af te vragen wat een klant nodig heeft en in welke context hij het product zal gebruiken. Om hierop een antwoord te formuleren, gingen ze eerst in hotels observeren hoe de trolleys gebruikt werden. De resultaten waren ontnuchterend. Het organisatiesysteem met laden en kastjes dat in de trolleys was aangebracht, bleek helemaal niet handig te zijn. In de kleine ruimtes van hotelgangen en -kamers konden die vaak niet volledig geopend worden. Schoonmaaksters hadden dan maar hun eigen organisatie gecreëerd, met doosjes, potjes en vakjes bovenop de trolleys. Ook de lengte van de trolleys bleek een probleem te zijn, waardoor muren voortdurend beschadigd werden. De deksels van de vuilbakken gingen verkeerd open en de trolleys waren log en zwaar. Genoeg informatie dus om mee aan de slag te gaan bij het ontwikkelen van nieuwe trolleys. Een tweede fase in de analyse van de klantvriendelijkheid bestond uit de observatie van de manier waarop klanten de trolleys bestelden. Klanten konden kiezen uit de verschillende modellen die in de showroom opgesteld stonden, als in de gemiddelde cash-and-carryzaak. Maar onderzoek bracht aan het licht dat kopers het eigenlijk best moeilijk hadden om in de open ruimte van een showroom een trolley te selecteren die vervolgens gebruikt ging worden in de smalle gangen van hun hotels. De producent heeft daarom een gang en een kamer laten nabouwen in zijn showroom, zodat klanten hun keuze kunnen maken in een context waarin ze zich thuis voelen. De volledige analyse van de klantvriendelijkheid heeft dus geleid tot een totaal andere bedrijfscultuur. Niet enkel de producten werden aangepast aan de noden en verlangens van de klanten, maar ook de website, de showroom, de beursstands en de folders werden grondig onder handen genomen. De analyse die U-Sentric maakt bestaat uit een matrix van begrippen (usability, functionality, accessibility, sociability, playability en likeability) die eerst gedefinieerd worden binnen de beoogde doelgroep. Een product of dienst wordt daarna


The observation of how customers interact with a particular product, how they buy it and what place the product occupies in their work or living environment can have a significant impact for some firms. For example, U-Sentric was contacted by a company that makes all kinds of rolling equipment, such as the cleaning trolleys you see in hotels. The international competition was very strong and earnings fell, and yet the company was convinced that their product was the best and that its performance in terms of user-friendliness was excellent. The U-Sentric team seized this aspect as an opportunity to audit the company’s entire operations. The time had come to redefine the concept of ‘customer-friendliness’. Customer-friendliness does not merely entail that a company guarantees a good product and excellent after sales service. It is important to ask yourself first and foremost what a customer needs and in what context the customer will use the product. In order to formulate an answer to this question, the U-Sentric team first visited hotels to observe how the trolleys were used. The results were rather sobering. The organisational system with drawers and cabinets in the trolleys was not at all handy to use. Often staff were unable to fully open them in the narrow hotel corridors and/ or rooms. The cleaning staff had thus created its own organisation, with boxes, jars and compartments on top of the trolleys. The length of the trolleys also proved to be a problem, meaning walls were constantly damaged. The lids of the dustbins opened the wrong way and the trolleys were cumbersome and heavy. Enough information to incorporate in the development of new trolleys. A second step in the analysis of customer service consisted of the observation of how customers ordered the trolleys. Customers could choose from various models in the showroom, a little like in the average cash & carry shop. But research showed that buyers actually had quite a difficult time choosing a trolley in a wide-open space like a showroom which would then be used in the narrow hallways of their hotels. As a result the manufacturer built a corridor and room in its showroom, so that customers could make the right choice in a familiar environment. The comprehensive analysis of customer service thus has led to a totally different corporate culture. The products were tailored to the needs and desires of customers, but the website, showroom, exhibition stands and the leaflets were also thoroughly overhauled. U-Sentric’s analysis comprises a matrix of concepts (usability, functionality, accessibility, sociability, playability and likeability) which are first defined within the target group. A product or service is then tested against the specific interpretation of these concepts. The result is not only an insight into how a product works or should work, but also how the interface between product and client can be optimised. One of the main differences between U-Sentric and Human Interface Group is that U-Sentric does not second its employees to work in-house at their customers because that would threaten the necessary objectivity. They feel that the employees may then risk becoming absorbed in the business environment resulting in a loss of their critical faculties. That is why U-Sentric prefers an external position, coupled with a strong consultative culture. Based on their self-explanatory design philosophy and the results of both companies, I can only hope that more and more manufacturers will call on the services of companies such as Human Interface Group and U-Sentric. The technological complexity of our society will only increase as demand grows. Developments that are centred on the end user have the great advantage that consumers also benefit at the end of the day and that the product has added value for the consumer. User-centred design primarily gets rid of a lot of frustration and who can object to that?

DYMO LabelManager, Human Interface Group

afgetoetst aan de specifieke invulling van die begrippen. Het resultaat is niet enkel een inzicht in hoe een product functioneert of zou moeten functioneren, maar ook hoe de interface tussen product en klant geoptimaliseerd kan worden. Eén van de belangrijkste verschilpunten tussen U-Sentric en Human Interface Group is dat U-Sentric zijn medewerkers niet buitenshuis stuurt om bij hun klanten te laten werken, omwille van de nodige objectiviteit. Zij vinden dat het gevaar bestaat dat de medewerkers dan te snel opgaan in de bedrijfsomgeving en wel eens hun kritische geest kunnen verliezen. U-Sentric opteert daarom voor een externe positie, gekoppeld aan een sterke overlegcultuur. Op basis van hun voor de hand liggende designfilosofie en de resultaten die beide bedrijven kunnen voorleggen, kan ik alleen maar hopen dat steeds meer producenten beroep zullen doen op de diensten van bedrijven zoals Human Interface Group en U-Sentric. De technologische complexiteit van onze samenleving zal alleen maar toenemen naarmate het aanbod groeit. Ontwikkelingen die gestuurd worden vanuit de eindgebruiker hebben het grote voordeel dat die consument er ook mee gediend is en dat ze een meerwaarde kunnen betekenen in zijn leefwereld. User-centered design helpt vooral heel wat frustratie de wereld uit en wie kan daar iets op tegen hebben?

25


Nieuwevrienden Vrienden Nieuwe Fake Cake (campagnebeeld), Ti + Hann

Toegepast viert de verjaardag Toegepast viert 15de verjaardag met Toegepast: Toegepast Fit Fit to toboost! boost Tine Holvoet, TeamTank

New friends New friends Toegepast celebrates Toegepast celebrates th anniversary with Toege� 15th anniversary with past Fit toFit boost Toegepast: to boost! “At such an all-or-nothing time you need to put your ideas into words, shape them, in a team, supported and surrounded by people who know how to use a network.” That is how illustrator Meredith Eyckerman described her participation in Toegepast 9 (2004). For those who are not familiar with the concept: Toegpast is an annual competition with accompanying exhibition for young design talent. As they prepare their presentations, the young designers receive assistance for one year from a mentor. The organisation of Toegepast is in hands of Design Platform Limburg and arts centre Z33. The above quote was the pitch for the exhibition concept that Design Platform Limburg and Design Flanders commissioned and which TeamTank devised and developed for the 15th anniversary of Toegepast. The anniversary edition of course was an excellent opportunity for a retrospective and Design Platform Limburg decided to provide an overview of past participants in a bookazine. With an exhibition in Brussels, we could then all focus on the future. So not a retrospective exhibition, but a celebration, with some special guests from the past years. The Design Flanders Gallery became a dynamic thinking, doing and party area. Through outsiders, the so-called New Friends, the existing networks were completed with individuals and organisations which were perhaps absent during past competitions, but which, above all, can be a valuable addition in the future.

“Op zo’n alles-of-niets-moment je ideeën onder woorden brengen, je ideeën in een vorm gieten, in team, ondersteund en omgeven door mensen die weten hoe een netwerk te bespelen.” Zo omschreef illustratrice Merel Eyckerman haar deelname aan Toegepast 9 (2004). Voor wie het concept niet kent: Toegepast is een jaarlijkse wedstrijd met bijhorende tentoonstelling voor jong ontwerptalent. In de voorbereiding van hun presentatie worden de jonge designers een jaar lang bijgestaan door een rot in het vak. De organisatie van Toegepast is in handen van Design Platform Limburg en kunstencentrum Z33. Het bovenstaande citaat werd de pitch voor het tentoonstellingsconcept dat TeamTank in opdracht van Design Platform Limburg en Design Vlaanderen bedacht en uitwerkte voor de 15de verjaardag van Toegepast. De jubileumeditie nodigde uiteraard uit tot een terugblik en Design Platform Limburg bracht dan ook een overzicht van voorbije deelnemers samen in een bookazine. Met een expositie in Brussel konden we ons vervolgens naar de toekomst richten. Geen overzichtstentoonstelling dus, maar een feesteditie, met enkele eregasten uit de voorbije jaren. De Design Vlaanderen Galerie werd een dynamische denk-, doe- en feestruimte. Via buitenstaanders, de zogenaamde New Friends, werden de bestaande netwerken aangevuld


The objective of TeamTank is simple: we connect existing projects, individuals and organisations and carry out research, production and strategic advice in an undefined number of areas. We are a do and think tank working in a team and the team is never defined in advance. By establishing thematic links clusters of projects, domains and stakeholders are established, which focus on the qualitative development of each project as well as on the growing relevance of the clustered projects and areas. With this approach we seek to arrive at a ‘relevant production’ of new solutions, ideas, techniques, resources, objects and events. For Toegepast. Fit to boost! we did not gather the original objects from 1996 until the present but instead chose to examine what is typical of Toegepast, what brought together the cooperating network organisations Design Platform Limburg and Design Flanders and which potential could be presented. Toegepast was syncopated into the following words: ‘variation, network and prototype’. We linked projects, individuals and organizations around these three themes and focused on the ‘trying’. Through thematic clusters, clusters of objects, people and events came about. The objects in the exhibition reflect these encounters: ‘remix objects’ in this context have been defined as objects that are combined with one another, have been placed in a new context or which came about as a result of a collaboration. They are the result of different perspectives, interpretations and methods. For example, 2 Houses, the leather scale model of Michaël Verheyden (Toegepast 7 and mentor Toegepast 11 and 12) and Architects de vylder, vinck, taillieu was created “after an unexpectedly good discussion on a spring afternoon in the garden”, as the accompanying text explained. Michaël Verheyden, a designer of leather accessories, and Jan De Vylder, architect, found out that they not only live in a similar way in a similar ‘ordinary’ house, but also that they ‘do’ the same in fact: they bend, fold and close off space. Luc Douce (Toegepast 8) developed a folding bicycle in the context of Toegepast and now works as a graphic designer for Lazer Sport, the oldest manufacturer of bicycle helmets in the world. Toegepast: Fit to boost! linked his work with that of Pieterjan Ginckels, a visual artist and architect, who built a cycling track in Kunstencentrum Netwerk Aalst, concomitantly with the exhibition in Brussels, and which serves as a catalyst, much like a giant sculpture, for a series of objects and performances. The combination between movement and music in Ginckels Human Disco Ball and PISTE was also obvious in the graphic work of Geoffrey Brusatto (Toegepast 8 and one of the mentors of Toegepast 11) for Musica, the impulse centre for music. We created stories with the objects, which we, the curators, remixed, or that were created from new collaborations. So we chose to invite Merel Eyckerman and Jens De Schutter among others for an image dialogue. Merel Eyckerman is an illustrator of children’s books and also draws scientific illustrations for archaeological research. Jens De Schutter is an architect and artist working in the HAP collective. With a Takeaway Network they visualised the traces of cooperation, the concept of the exhibition and illustrated the encounters in the Gallery. Finally we also had the table and stackable chair which Bram Book designed for Z33 and Design Platform Limburg transferred to the new context

Remix (door Luc Doucé, Pieterjan Ginckels en Geoffrey Brusatto). Foto: Kristof Vrancken

met personen en organisaties die misschien ontbraken in vorige edities maar die vooral een waardevolle aanvulling kunnen betekenen in de toekomst. De opzet van TeamTank is eenvoudig: we verbinden steeds bestaande projecten, individuen en organisaties en leveren onderzoek, productie en strategisch advies in een ongedefinieerd aantal domeinen. We zijn een doe- en denktank in team en dat team ligt op voorhand nooit vast. Door thematische links te leggen ontstaan clusters van projecten, domeinen en actoren waarin er zowel aandacht is voor de kwalitatieve ontwikkeling van elk project als voor het groeiende relevantiekader van de verbonden projecten en domeinen. Met die aanpak streven we naar ‘relevant produceren’ van nieuwe oplossingen, ideeën, technieken, productiemiddelen, objecten en evenementen. Voor Toegepast: Fit to boost! verzamelden we dan ook niet de oorspronkelijke objecten van 1996 tot nu, maar onderzochten we wat Toegepast precies kenmerkt, wat de samenwerkende netwerkorganisaties Design Platform Limburg en Design Vlaanderen bij elkaar bracht, en welk potentieel gepresenteerd kon worden. Toegepast werd samengebald tot de woorden ‘variatie, netwerk en prototype’. We verbonden projecten, individuen en organisaties rond deze drie thema’s en vestigden de aandacht op het ‘uitproberen’. Via thematische links ontstonden clusters van objecten, personen en events. De objecten in de tentoonstelling verbeeldden die ontmoetingen: ‘remixobjecten’ hebben we in deze context gedefinieerd als ‘objecten die met elkaar gecombineerd worden, in een nieuwe context geplaatst worden of in samenwerking tot stand komen. Ze zijn het resultaat van verschillende perspectieven, interpretaties, en werkwijzen.’ Zo kwam 2 Houses, de lederen maquette van Michaël Verheyden (Toegepast 7 en begeleider Toegepast 11 en 12) en Architecten de vylder, vinck, taillieu tot stand “na een onverwacht goed gesprek op een lentenamiddag in de tuin”, zoals in de begeleidende tekst van Jan De Vylder in de tentoonstelling te lezen viel. Michaël Verheyden, ontwerper van lederen accessoires, en Jan De Vylder, architect, kwamen tot de ontdekking dat ze niet alleen op een gelijkaardige manier wonen in een gelijkaardig ‘gewoon’ huis, maar ook dat ze eigenlijk hetzelfde ‘doen’: plooien, vouwen en sluiten van ruimte, of: “Bergen en herbergen.” Luc Doucé (Toegepast 8) ontwikkelde een vouwfiets in het kader van Toegepast en werkt nu als grafisch vormgever bij Lazer Sport, oudste producent van fietshelmen ter wereld. Toegepast: Fit to boost! bracht zijn werk samen met dat van Pieterjan Ginckels, beeldend kunstenaar en architect, die gelijklopend met de tentoonstelling in Brussel een wielerpiste bouwde in Kunstencentrum Netwerk Aalst, die als reusachtige sculptuur de katalysator vormt voor een reeks objecten en performances.

27


De combinatie tussen beweging en muziek in Ginckels’ Human Disco Ball en PISTE vonden we ook terug in het grafische werk van Geoffrey Brusatto (Toegepast 8 en één van de begeleiders van Toegepast 11) voor Musica, impulscentrum voor muziek. We brachten de objecten in verhaal met elkaar, objecten die door ons, de curatoren, geremixt werden of objecten die ontstonden uit nieuwe samenwerkingen. Zo nodigden we onder meer Merel Eyckerman en Jens De Schutter uit voor een beelddialoog. Merel Eyckerman is illustrator van kinderboeken en tekent ook wetenschappelijke illustraties voor archeologische onderzoeksprojecten. Jens De Schutter is architect en kunstenaar bij het collectief HAP. Met een Takeaway Netwerk visualiseerden ze de sporen van samenwerking, het concept van de tentoonstelling en illustreerden ze de ontmoetingen in de Galerie. Tot slot lieten we ook de stapelbare tafel en stoel die Bram Boo ontwierp voor Z33 en Design Platform Limburg, overbrengen naar de nieuwe context van de Design Vlaanderen Galerie. Daar deden ze dienst in de Dream Team Diner, die middenin de tentoonstelling zorgvuldig geselecteerde gezelschappen samenbracht voor dream team dinners. De gasten ontmoetten elkaar, aten samen en gingen in discussie rond vooraf vastgelegde thema’s: digitalisering en design, designkritiek en -dialoog, design en onderwijs, DIY-initiatieven ... Een vooropgestelde uitkomst was er bewust niet, wel prijken de namen van deze New Friends nog steeds op Bram Boo’s stoelen die nu, na afloop van de tentoonstelling, terug in Hasselt staan, en daar getuigen van het uitgebreide netwerk. De vijf dream team dinners in de Galerie zorgden voor een tool om op nogal intuïtieve basis inspirerende ontmoetingen te ensceneren. De genodigden zijn letterlijk dream teams, zo geselecteerd dat ze erg diverse perspectieven vertegenwoordigen, maar ook een gelijkaardige nieuwsgierigheid en aanvullende kennis.

Dream Team Dinner. Foto: Kristof Vrancken

of the Design Flanders Gallery. There they were used in the Dream Team Dinner, which gathered carefully selected groups of people for ‘dream team dinners’ in the exhibition space. The guests met, ate together and discussed predetermined topics: digitisation and design, design criticism and dialogue, design and education, DIY initiatives... There was no pre-established outcome; but the names of these New Friends still adorn Bram Boo’s chairs, which, after the exhibition, have been returned to Hasselt where they bear testimony to the extended network. The five dream team dinners in the gallery provided a tool for staging inspiring encounters in a rather intuitive manner. The guests are literally ‘dream teams’, who have been selected in such a way to represent very different perspectives, but also a similar curiosity and complementary skills. “It does not mean that we need to become generalists who need to be capable of everything, but we do have to be specialists with an open mind to design and solutions, with a range of antennas that we can use to gather people around us who will think with us and who are capable of supporting a design, to challenge the concept and raise it to a higher level, enabling us to create more complete designs”. That is how Mieke Daniels of Namahn summarized her participation in the dream team dinner on digitization and design. The dinners were a start, the rest will have to be initiated by the parties involved, that is how the exhibition functions. “The time was too short to really get to know each other. There were openings, but I would have liked to go into some points, projects and visions more. All in all a pleasant afternoon, but it was just too open-ended for me, although this is not necessarily a bad thing”, said Claire Warnier of Unfold. Cook and choreographer Rasa Alksnyte Rasa (FoAM), who infused the discussions with a succession of strange but delectable snacks, puts it like this: “The most passionate discussions are held in the kitchen”. She sees food mostly as a medium. “In a gallery, the medium is usually the exhibited work and the discussions often centre exclusively on the work. When you create a makeshift kitchen in a ‘sterile’ environment such as a gallery, it results in a kind of familiarity, a homely atmosphere where discussions are free to thrive.” DE TAFEL, a digital table and mash-up of webcams and monitors designed by MMLAB Sint-Lucas Architectuur, introduced the first dream team dinner as a conversation starter. It was hosted by Liesbeth Huybrechts: “Some topics emerged rather quickly: the creation of a spatial experience, the experiment with the boundaries of memory, whereby the physical became digital or vice versa. Also, the importance of the technical aspect was emphasised. It is not used as a peripheral element but also as an integral and aesthetically challenging part in the creative process. What was striking about the emergence of e-culture in design, architecture and art, according to the participants also served as the impetus for a radical new interpretation of their own creative profession. This was reflected in the notion that the museum, the laboratory or the studio no longer are considered as the ideal context for their work, but that they prefer to go in search of open contexts, spaces between their professional ‘safe’ habitat and the enormous complex space of daily life. The ‘things’ that they produce in these intermediary spaces are auto-reflexive and that is why these spaces are never final and always open. They continue to be prototypes.”


“Het betekent niet dat we de generalisten moeten worden die alles kunnen, maar wel specialisten met een open geest voor ontwerpen en oplossingen, met een waaier aan antennes die we kunnen gebruiken om mensen rond ons te verzamelen die mee denken en mee een ontwerp dragen, het concept uitdagen en naar een hoger niveau tillen, waardoor we completere ontwerpen kunnen maken” vatte Mieke Daniels van Namahn samen na haar deelname aan het dream team dinner rond digitalisering en design. De etentjes geven een aanzet, de rest moet op initiatief van de betrokkenen gebeuren, precies zo werkt de tentoonstelling als geheel. “De tijd was te kort om elkaar echt te leren kennen. Er werden wel aanzetten gegeven, maar op sommige punten, projecten en visies had ik dieper in willen gaan. Al met al een aangename middag, maar het bleef net iets te vrijblijvend voor mij, alhoewel dat misschien niet erg is”, zegt Claire Warnier van Unfold. Kok en choreografe Rasa Alksnyte (FoAM), die met een opeenvolging van eigenaardige maar heerlijke hapjes de discussies ritmeerde, verwoordt het zo: “De vurigste discussies worden in de keuken gehouden”. Ze ziet eten vooral als een medium. “In een galerie is het medium meestal het tentoongestelde werk en de discussies gaan dan vaak alleen maar over dat werk. Wanneer je een geïmproviseerde keuken creëert in een ‘steriele’ omgeving als een galerie, dan brengt dat een soort familiariteit, een huiselijke sfeer met zich mee waar discussies vrij kunnen leven.”

DE TAFEL, een digitale tafel en mash-up van webcams en monitors ontworpen door MMLAB Sint-Lucas Architectuur, leidde als conversatiestarter het eerste dream team dinner in. Gastvrouw was Liesbeth Huybrechts: “Enkele gespreksonderwerpen doken al snel op: de creatie van ruimtelijke ervaring, het experiment met de grenzen van het geheugen, waarbij het fysieke digitaal wordt of omgekeerd. Ook werd het belang van het technische aspect beklemtoond, waarbij dat niet als perifeer element maar als een integraal en esthetisch uitdagend deel gebruikt wordt in het creatieve proces. Opvallend aan het opduiken van e-culture in design, architectuur en kunst was volgens de deelnemers ook de aanzet tot een radicaal nieuwe invulling van het eigen creatieve beroep. Dit reflecteerde zich ook in de opvatting dat zij het museum, het laboratorium of het atelier niet langer als de ideale context zien voor hun werk, maar dat ze liever op zoek gaan naar open contexten, ruimtes tussen hun professionele, ‘veilige’ habitat en de enorm complexe ruimte van het dagelijkse leven. De ‘dingen’ die ze in deze tussenruimtes produceren zijn autoreflexief en daarom ook nooit finaal en altijd open. Ze blijven prototypes.”

Toegepast: Fit to boost! Foto: Kristof Vrancken

29


DE TAFEL not only served as a conversation starter for the first dinner but also was part of a dialogue as a ‘remix object’ with the Cabinet of the (Material & Virtual) World by Jon Stam (Toegepast 15) and also served as the missing link for the By Design For Design workshop which Marc Godts organised for doctoral students of the Associated Faculty of Architecture and the Arts. This time the workshop did not take place in the academic context of Sint-Lucas Brussels, but in the gallery. Five designers, who were involved in Toegepast, completed the team of five doctoral students. Designers with an applied and academic practice were brought together and their work was presented to a broad audience in the Design Flanders Gallery: “In relation to my research as a designer I find the a priori of scholarship, of academic language and of protocol to be limitative. When I devised BDFD I wanted to question and break through this a priori. We are designers and artists and have different research dimensions than the scientific research. Research processes in our case become more particular design and artistic processes. Knowledge, reflection, embodiment of knowledge, understanding, searching and questioning, can also be carried beyond the mere word ...”, says Marc Godts. The importance of the prototype was explored in this workshop: “Not all ideas are translated into a feasible and reproducible object. However prototypes give an idea of what you are investigating as a designer. It is an imaginative way to determine the essence of what you do”, concludes Marc Godts. Likewise a number of combinations were tried out in the gallery, often without a predefined goal, but based on the expectation that these new combinations could generate new ideas and that we can come closer to the essence of what we are trying to do as a designer, organiser, curator, cook, journalist, docent, government, visitor or participant through these preconcepts.

Rasa Alksnyte (FoAM). Foto: Kristof Vrancken

DE TAFEL fungeerde niet enkel als conversatiestarter voor het eerste etentje, maar stond als ‘remixobject’ ook in dialoog met het Cabinet of the (Material & Virtual) World van Jon Stam (Toegepast 15) en vormde het aanknopingspunt met de By Design For Design-workshop (BDFD) die Marc Godts organiseerde voor doctoraatstudenten van de Geassocieerde Faculteit Architectuur en Kunsten. Deze keer vond de workshop niet plaats in de academische context van Sint-Lucas Brussel, maar in de Galerie. Vijf designers, betrokken bij Toegepast, vulden de ploeg van vijf doctoraatstudenten aan. Designers met een toegepaste en academische praktijk werden samengebracht. Bovendien presenteerde een vernissage het geleverde werk aan een breder publiek: “In mijn relatie tot onderzoek ervaar ik als ontwerper het a priori van wetenschappelijkheid, van academische taal en van protocol als beperkend. Toen ik BDFD bedacht was dat om dit a priori in vraag te stellen en te doorbreken. We zijn ontwerpers en kunstenaars en kennen andere onderzoeksdimensies dan de wetenschappelijke. Onderzoeksprocessen verbijzonderen zich in ons geval tot ontwerp- en artistieke processen. Kennisoverdracht, reflectie, belichaming van kennis, inzicht, zoeken of bevraging, kan voor ons ook buitenom het woord …”, aldus Marc Godts. Het belang van het prototype werd in deze workshop uitgediept: “Niet alle ideeën worden vertaald in een uitvoerbaar en reproduceerbaar object, wel bieden prototy-

pes een voorafbeelding van wat je als ontwerper aan het onderzoeken bent. Het is een verbeeldende manier om na te gaan wat de essentie is van wat je doet”, besluit Marc Godts. Net zo werden in de Galerie een aantal combinaties uitgeprobeerd, vaak zonder vooropgesteld einddoel, maar vanuit de verwachting dat uit deze nieuwe combinaties een nieuwe ideeën kunnen ontstaan en dat we via deze voorafbeeldingen dichter kunnen komen tot wat de essentie is van wat we proberen te doen als ontwerper, organisator, curator, kok, journalist, docent, overheid, bezoeker of deelnemer.

www.teamtank.be www.e-cultuur.be/weblog/?p=4721 bydesigning.architectuur.sintlucas.wenk.be/rts


PORTFOLIO Portfolio Van 21 november 2010 tot 27 februari 2011 kan u op de site van Grand-Hornu de 6de designtriënnale Belgium is Design. Design for Mankind bezoeken. De tentoonstelling is een initiatief van Design Vlaanderen en onderzoekt hoe design via zijn impact op de fundamentele behoeftes van de mens, de levenskwaliteit van die mens kan beïnvloeden. Begrippen als service design, social design en user-centered-design zijn aan de orde, evenals duurzaamheid en levenskwaliteit. Design Vlaanderen wilde het human-centered aspect van de tentoonstelling ook in een fotoreeks tot leven brengen, en koos voor fotografe Malou Swinnen, in wiens oeuvre mens en product, model en attribuut steeds weerkerende gegevens zijn. 16 objecten uit de tentoonstelling werden door haar geselecteerd en gefotografeerd. In de reeks, die de naam Perform the Corpus kreeg, komt Malou Swinnen tot een ware symbiose tussen het menselijke lichaam en het object. Malou

opteert voor professionele dansers, die tijdens de dans zelf hun sterk ontwikkelde lichaam ‘vorm geven’, om een samenspel aan te gaan met het object. Zij houdt – zeer uitzonderlijk – de blik van de danser afgewend of zelfs onzichtbaar, waardoor de objecten duidelijk en meestal zelfs wat ‘overdreven’ op de voorgrond treden. De volgende pagina’s tonen een selectie uit de oorspronkelijke reeks. De realisatie gebeurde in samenwerking met De Kunstbank vzw/ what>.

PORTFOLIO Portfolio From November 21 2010 to February 27 2011, you can visit the sixth design triennial Belgium is Design. Design for Mankind at the Grand-Hornu site. The exhibition is an initiative of Design Flanders and examines how the impact of design on mankind’s fundamental needs can influence the lifestyle of ordinary people. There is a focus on such concepts as ‘service design’, ‘social design’ and ‘user-centred design’ and also on sustainability and quality of life. Design Flanders wanted to highlight the human-centered aspect of the exhibition through a photo series, and chose to work with photographer Malou Swinnen in whose oeuvre man and product, model and attribute are recurring themes. 16 objects from the exhibition were selected and photographed by her. In the series, which was given the title Perform the Corpus, Malou Swinnen manages to create a true symbiosis between the human body and the object. Malou opts for professional dancers who ‘shape’ their own highly developed body during the dance, literally bringing the object into play. She keeps – very exceptionally – the gaze of the dancer averted or makes it invisible, bringing the objects explicitly and often even somewhat ‘exaggeratedly’ to the forefront. On the following pages you will find a selection of pictures out of the original series. The shoot was realized in cooperation with De Kunstbank vzw/what>.

31


Theo Collection, Hoet voor Theo


Collection, Roos Van de Velde voor Serax

33


Cosmolite, Erik Sijmons voor Samsonite


Wilnest, Eric Dumortier (GBO Design-Engineering)

35


Appetize, Nedda El-Asmar voor Gense


Tight Stool, Diane Steverlynck voor Trico International

37


Disk, Jean-François D’Or (Loudordesign studio) voor Toss B


Baobab, Xavier Lust voor MDF Italia

39


Malou Swinnen (°1944, Neerpelt) woont en werkt in Hasselt. Zij geniet reeds meerdere jaren grote bekendheid met haar fotografisch werk en stelde tentoon in binnen- en buitenland. Haar foto’s zijn onder meer opgenomen in de collecties van de fotomusea van Antwerpen en Charleroi, van de Bibliothèque Nationale van Parijs, het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en van verschillende privécollecties. De fascinatie voor het gelaat, de huid, de pose, de blik en het attribuut is vanaf het begin in haar werk aanwezig. In samenwerking met de kunstbank/what> onderzoekt ze deze aspecten. Dit vindt zijn neerslag in haar fotografische oeuvre en in de publicaties Personae, Young and Beautiful, De Pose, LaROCCA, Cet obscur objet…,Visages d’amour, meestal uitgegeven door uitgeverij P in Leuven. Ook met Jan Fabre werkt ze regelmatig samen. Zo portretteerde ze in de reeks Que la danse commence de dansers van Fabre naakt en levensgroot. Malou Swinnen Casterstraat 50 3500 Hasselt malou_swinnen@hotmail.com 0478 63 41 54

Uit de nieuwe reeks la voix de personae, 2010. Artistiek onderzoek i.s.m. de kunstbank/what>


Het vormgevenvan van Hetvormgev toekomstscenario’s: toekomstscenarios Pantopicon Pantopicon Christophe De Schauvre

Niet ‘wat zal’ maar ‘wat als’ is de basisvraag waarop de toekomstverkenners van Pantopicon zich beroepen. Wat als de toekomst er zus of zo uitziet? Wat als de beslissingen van je organisatie vandaag een bepaalde impact hebben op die toekomst en vooral: als je deze verschillende toekomstscenario’s eenmaal hebt gezien, wat doe je dan vandaag? Nik Baerten, future explorer van Pantopicon over het participatieve en toekomstgerichte onderzoeksmodel. Nik Baerten is geen trendwatcher. “Dat is een misvatting die telkens de kop opsteekt als ik mijn functie omschrijf ”, lacht de Limburger. Evenmin zijn hij en zijn collega’s consultants die zich bezighouden met data crunching, dikke rapporten of adviesverlening. Nee, Baerten en diens vennoten in Pantopicon runnen al zes jaar een studio voor toekomstverkenning, -research en -design. “Trendwatchers detecteren gelijkaardige signalen en trekken deze trendlijn vervolgens door naar de toekomst. Wij gebruiken wel trends en werken ook samen met trendwatchers, maar tegelijkertijd kijken we ook naar ‘zwakke’ signalen en vooral ook naar hoe ontwikkelingen elkaar beïnvloeden en samen tot iets leiden. Bovendien trekken we een trend niet in één richting door, maar geven we ruimte aan onzekerheden, waardoor verschillende, alternatieve beelden van de toekomst ontstaan.” Bij Pantopicon kijken ze vaak op heel lange termijn. Zo stellen ze zich vragen als: hoe zou tandheelkunde eruit zien in 2030? Hoe zouden we steden beleven in 2050 of in pakweg 2100, bij een gestegen zeespiegel? Wat voor impact zouden toenemende migratie en nieuwe

gezinssamenstellingen hebben op hoe onze woninginrichting er over 15 jaar uitziet? “We proberen dan een beeld te vormen van hoe die toekomstige context eruit zou kunnen zien en wat dat dan zou betekenen voor een organisatie, haar strategie, haar producten en diensten. De toekomst is niet in één beeld te vatten. Precies door de onzekerheid zijn er meerdere scenario’s mogelijk. En dus proberen we op basis van de verschillende mogelijkheden ook die verschillende beelden tastbaar en inzichtelijk te maken zodat organisaties hun visie, beleid, strategie, producten of diensten erdoor kunnen laten inspireren of net af tegen kunnen zetten.”

Lo-fi prototyping als onderdeel van de verkennende fase in conceptontwikkeling. Foto © Pantopicon

41


The design of future scenarios The design of future scenarios: Pantopicon Pantopicon Not ‘what will’ but ‘what if’ is the basic question on which the future explorers of Pantopicon rely. What if the future looks like this or like that? What if the decisions of your organisation today have a given impact on the future and especially: once you have seen these different scenarios what will you do today? Nik Baerten, future explorer of Pantopicon on the participatory and future-oriented research model. Nik Baerten is not a trend watcher. “That is a misconception that emerges every time when I describe my job”, the Limburger laughs. Nor are he and his colleagues consultants who are data crunching, drawing up thick reports or giving advice. No, Baerten and his associates in Pantopicon have been running a studio for future exploration, research, and design for the last six years. “Trend-watchers detect similar signals and then continue this trend into the future. We also work with trends and trend watchers, yet we also look at ‘weak’ signals and especially at how developments interact and lead to something. Moreover, we do not extend a trend in one given direction, but we allow for uncertainties resulting in various alternative images of the future.” At Pantopicon they often think in the very long term. And they ask themselves questions such as: what about dentistry in 2030? How will we experience cities in 2050 or even in 2100 if sea levels rise for example? What impact would increased migration and new family patterns have on how we decorate our homes in 15 years from now? “We try to get an idea of what this future context might look like and what that would mean for an organisation, its strategy, its products and services. It is impossible to capture the future with one image. Precisely because of the uncertainty, there are several possible scenarios. And so, based on the various options, we try to render these various images tangible and lend an insight into them so organisations can draw inspiration for their vision, policy, strategy, products or services or even decide to discard them.”

Wat als slimme materialen hun levensloop zouden vertellen (discussion teaser)? Foto © Pantopicon

From panopticon to pantopicon Pantopicon is quite similar to the term panopticon, coined by the British philosopher Jeremy Bentham in the eighteenth century to define the idea of the ideal prison, a prison in which guards would have an overview of all the convicts from a centrally located tower. This model was examined by the American architectural theorist Marcos Novak and he felt that the panopticon was typical of a given idea and era: being able to simultaneously look at several places from one central position. Today it is often the other way and we like to approach something from various perspectives. “Novak’s theoretical ideas led to the term Pantopicon, precisely to highlight the difference with Bentham’s panopticon”, says Baerten, who founded Pantopicon in 2004 together with environmental expert, Nicole Rijkens and engineer Michael van Lieshout. The term perfectly reflects their method and so Pantopicon was chosen as the name of their studio for future exploration. The intention is not to become a random oracle, but to develop a future vision and to subsequently translate it into strategies, innovative concepts for products, services and experiences. A studio where they explore the future in a creative, integrated and participatory manner.

Wat als je huid straks een interface wordt (discussion teaser)? Foto © Pantopicon

From dialogue to scenario Pantopicon does not direct movies of the future, but rather writes the scenarios for them. They are screenwriters who note down potential and relevant ideas about how the future may unfold. And as is the case with scenarios the quality depends on the tension and the dialogue. “Hence our participatory approach”, says the knowledge engineer, who initially became a researcher at the Maastricht McLuhan Institute after his studies and who was already well versed in multi-, inter-and transdisciplinary thinking at the time. “We differentiate ourselves because we map future scenarios in a participatory manner,

Wat als regeneratieve geneeskunde straks mainstream is (discussion teaser)? Foto © Pantopicon


Van panopticon naar pantopicon Pantopicon lijkt sterk op de term panopticon, waarmee de Britse filosoof Jeremy Bentham in de 18de eeuw de idee van de ideale gevangenis benoemde, een gevangenis waarbij bewakers vanuit een centrale toren alle veroordeelden zouden kunnen surveilleren. Dit model werd door de Amerikaanse architectuurtheoreticus Marcos Novak onder de loep genomen en hij vond het panopticon karakteriserend voor een bepaald denk- en tijdbeeld: vanuit één positie naar vele plekken tegelijkertijd kunnen kijken. Vandaag is het vaak andersom en willen we één iets vanuit tal van perspectieven benaderen. “Novaks theoretische denkbeelden leidden tot de term Pantopicon, net om het verschil met Benthams panopticon duidelijk te maken”, verklaart Baerten, die in 2004 Pantopicon oprichtte samen met milieudeskundige Nicole Rijkens en ingenieur Michael van Lieshout. De term drukte uitstekend hun werkwijze uit en dus werd Pantopicon de naam voor hun studio voor toekomstverkenning. De bedoeling is dus niet om in het wilde weg te orakelen, maar om een toekomstvisie uit te werken en die vervolgens te vertalen naar strategieën, vernieuwende concepten voor producten, diensten en ervaringen. Een studio dus waarbij ze op een creatieve, integrale en participatieve manier de toekomst verkennen.

Van dialoog naar scenario Pantopicon regisseert geen toekomstfilms, maar schrijft eerder de scenario’s. Het zijn scenarioschrijvers die mogelijke én relevante pistes optekenen van hoe de toekomst zich kan voltrekken. En zoals dat gaat met scenario’s hangt de kwaliteit af van de spankracht en de scherpte van de dialogen. “Vandaar onze participatieve benadering”, aldus de kennistechnoloog die na zijn studies eerst onderzoek verrichtte aan het Maastricht McLuhan Institute en daar al erg bedreven was in het multi-, inter- en transdisciplinaire denken. “We onderscheiden ons door op een participatieve manier de toekomstscenario’s in kaart te brengen, niet enkel voor maar vooral ook samen met onze klanten en hun stakeholders. Zij hebben immers heel wat kennis. Die basis vullen wij aan, vanuit ons eigen team en vanuit ons expertisenetwerk. Maar het is ten slotte ook hún toekomst en dus sterkt een participatieve het draagvlak voor de argumenten, inzichten en ideeën die we ter tafel brengen.” Dat is belangrijk voor hun klanten om niet alleen na te denken over ‘straks’, maar ook te kunnen bouwen aan een succesrijke toekomst. Bovendien trachten ze bij Pantopicon naast kwantitatieve, vooral ook kwalitatieve issues een plek te geven in de strategische beeldvorming omtrent de toekomst: “Dat betekent overigens niet dat voor een klant - of dat nu een publieke of private organisatie is - geen kwantificeerbaar materiaal gebruikt wordt, maar het is geen elementair uitgangspunt voor ons. Data zullen

ons helpen bij het creëren en onderbouwen van mogelijke wat-als-scenario’s, maar we proberen een beeld te vormen van de langere termijn en dus moet ook datgene waarover je nog geen cijfers hebt een plek kunnen krijgen. Het is ook veel moeilijker een maat te plakken op bijvoorbeeld evoluties in sociale cohesie of de ervaring met nieuwe technologieën, dan het boven tafel halen van demografische statistieken. Toch zijn ook deze elementen van belang wanneer we beelden schetsen over de toekomst.”

Designgeïnspireerd Nik Baerten wijst tevens op de rol die designgeïnspireerde methoden en -technieken spelen in de manier waarop Pantopicon processen ontwerpt en faciliteert, toekomstkaders schetst en deze inkleurt. “Van observatiemethoden, over mapping-technieken en empathie-tools, tot visualisatie en prototyping: ze spelen alle een rol in hoe wij werken. De samenwerking met designers kan overgangsfases binnen projecten ook vlotter laten verlopen.” Het inzicht krijgen in allerhande toekomstige evoluties, het richting geven aan innovatie binnen een bedrijf, het ontwerpen van nieuwe product- of dienstconcepten die inspelen op toekomstige noden, het toetsen van een langetermijnvisie of strategie; wat ook de aanleiding is voor de klant om Pantopicon in te schakelen, het analytische en creatieve DNA van het in kaart brengen van de verschillende scenario’s vertoont veel gelijkenissen met de mindset van een designer: inzicht krijgen in het systeem waarin je werkt, het faciliteren van de dialoog, het tastbaar maken van wat er nog niet is, het denken in termen van alternatieven, het analyseren en synthetiseren enz. Om het bevattelijk te maken voert Baerten voorbeelden aan die telkens voorafgegaan worden door een wat als ... . Neem nu de bloedprik of het urinestaal als beproefde medische techniek. “Wat als deze techniek zich over enkele jaren niet beperkt tot bloedwaarden, maar meteen een volledige genoom-scan maakt? Wat als je op die manier zicht krijgt op het hele DNA van een persoon en dus niet enkel zijn of haar huidige gezondheidstoestand, maar deels ook zijn of haar risicoprofiel? Hoe gaan we om met deze informatie als individu en als maatschappij? Of: wat als slimme steden straks bijvoorbeeld mobiliteits- en afvalstromen autonoom kunnen laten werken? Wat betekent dat voor de manier waarop we wonen en ons verplaatsen? En wat als sociale groepen straks beginnen afhaken bij de steeds sneller voortschrijdende technologische evoluties? Wat als nieuwe politieke systemen en bestuursvormen, van aandeelhoudersdemocratie tot neotechnocratie, aan interesse winnen? Wat als ... ?”

43


not only for but also with our clients and their stakeholders. They have a great deal of knowledge after all. We complement this basis, with our own team and our expertise network. But at the end of the day it is also their future and thus a participatory approach underpins support for the arguments, insights and ideas that we propose.” It is important for their customers so they do not only think about ‘later’, but also so they can build a successful future. Moreover, at Pantopicon they try to incorporate quantitative as well as qualitative issues in their strategic representation of the future: “That does not mean that we do not use quantifiable material for a customer – whether a public or private organisation – but we do not consider this material to be an elementary starting point. Data will help us to create and underpin potential what-if scenarios, but we also try to gain an insight into the longer term and so you need to be able to incorporate those things for which you do not have any figures yet as well. It is also much harder to measure developments in terms of social cohesion or the experience with new technologies than to simply present some demographic statistics. And yet even these elements are important when we are outlining the future.”

Inspired by design Nik Baerten also points to the role of design-based methods and techniques in the way Pantopicon designs and facilitates processes, and outlines scenarios for the future and interprets them. “From observation methods, mapping techniques and empathy tools to visualization and prototyping: they all play a part in how we work. The collaboration with designers can also contribute to smoother transitional phases within projects.” Gaining an insight into all kinds of future developments, directing innovation within a company, designing new product or service concepts that respond to future needs, testing a long-term vision or strategy; irrespective of the reason why a customer decides to rely on Pantopicon, mapping the analytic and creative DNA of the various scenarios is rather similar to a designer’s mindset: understanding the system in which you work, facilitating dialogue, making tangible what is not yet there, thinking in terms of alternatives, analysing and synthesising, etc. In order to make this concept easier to understand Baerten suggests a number of examples that are each preceded by a what if ... . Take a blood test or a urine sample as tested medical technology. “What if this technique is not limited to blood values in a few years, but results in a complete genome scan? What if this helps you gain an insight into the entire DNA of a person and not just his or her current health status, but also partly his or her risk profile? How do we deal with this information as an individual and as a society? Or: what if smart cities in the future will be able to let their mobility and waste flows operate autonomously in the future? What does this mean for the way we live and move around? And what if certain social groups will give up in line of the ever accelerating technological changes? What if new political systems and forms of governance, from shareholder democracy to neo-technocracy become more important? What if ... ?”

Workshops In a series of workshops, people from different levels of an organisation are gathered around the table, possibly supplemented by third parties. In this way they want to create, analyse and translate exciting and inspiring future scenarios at Pantopicon. Naturally the long-term prospects also provide valuable insights for the short and medium term, ideas that you can already start using today. And while this insight may be sufficient for some, others may require this to be translated to the level of vision or strategy or even specific concepts for new products and services. “We like to challenge people and to let them think about the future and also to expand their conceptual frameworks. This is evident, for example, in the material that we use in our session, such as fictional newspaper headlines or visual teasers that encourage discussion. Basic assumptions are repeatedly undermined to make room for the future. Remember for example the economic crisis which, a few years ago, was considered too absurd to even think about it and which has since become a painful reality. Exploring the future means taking into account uncertainties and several situations that you may find yourself in. It pays to acquire an insight into the future as a team within an organisation, to anticipate on it and to understand that certain actions

10 pond tijd. Storyboard van conceptontwikkeling voor gemeentelijke tijdbankdienst. Foto © Pantopicon

today can have an impact on this future. Understanding the dynamics of the changing context teaches us whether and how these actions can contribute to a problem or a solution.”

Diverging and converging phases All projects have to result in convergence after a ‘divergent’ exploratory stage; therein also lies the resemblance with the creative design process. Sometimes, that results in a vision document or the formulation of strategic options, other times it’s all about a design brief or a concept portfolio. Pantopicon will never write up a dry report however. Depending on the concept, the project and the customer, an appropriate form is chosen to make the future tangible, to encourage discussion, action or change. No means are excluded in advance. Nik Baerten pulls out his laptop and shows us some television news programs in the year 2020, some fictional product advertisements, scenario diagrams, films made with green-screen technology allowing for sets to be changed and many prototypes. The multidisciplinary and interdisciplinary model on which Pantopicon is based primarily helps to break through regular thinking patterns and at a higher level to arrive at specific insights and processes which can help organisation with their future strategy. “We do not have a standard product; we always provide tailor-made approaches because each organisation and its environment are different. You could see it as a learning process which you try to experience together with the customer”, he says. “Whether we are working for a municipality that requires inspiration for its policy agenda through future challenges, an NGO that wishes to test its vision, or a company that is looking for new product lines... we see them all. Our toolbox of methods and techniques continues to grow and continues to lead to new recipes and our network to new expertise. In this way we knead the content and process in line with the customer’s explicit and latent needs.” Baerten, Rijkens, van Lieshout and in-house designer Emiel Rijshouwer may already have their own specialties, the combination provides for a unique and complementary model. “During interviews with academics a while ago the concern was repeatedly raised that we need specialists as well as excellent new generalists who can link all this specialist knowledge again. People who see the bigger picture, who recognise its complexity but who can also make it easier to understand. This bigger picture, this bigger story, this framework in which connections can be established and which facilitates cross-pollination... that is what it is all about in future exploration.” www.pantopicon.be


Werkateliers In een reeks werkateliers worden mensen uit verschillende geledingen van een organisatie rond de tafel gebracht, eventueel aangevuld door derde partijen. Op die manier willen ze bij Pantopicon boeiende en inspirerende toekomstscenario’s vormgeven, analyseren en vertalen. De kijk op de lange termijn levert uiteraard ook inzichten op voor de korte en middellange termijn, ideeën waarmee je vandaag al kan starten. En terwijl dat inzicht voor de ene kan volstaan, heeft de andere behoefte aan een doorvertaling naar het niveau van visie of strategie of zelfs concrete concepten voor nieuwe producten en diensten. “We houden ervan om mensen uit te dagen en na te laten denken over de toekomst en tegelijkertijd hun denkkaders ‘op te rekken’. Dat merk je bijvoorbeeld al aan het materiaal dat we in onze sessie hanteren, zoals fictieve krantenkoppen of visuele teasers die de discussie aan zwengelen. Basisveronderstellingen worden telkens opnieuw onderuitgehaald om ruimte te maken voor de toekomst. Herinner je bijvoorbeeld de economische crisis die enkele jaren geleden zogezegd te absurd was om over na te denken en ondertussen een pijnlijke realiteit is geworden. De toekomst verkennen is rekening houden met onzekerheden en dus met tal van situaties waarin je terecht kan komen. Het loont om als team binnen een organisatie inzicht te verwerven in de toekomst, daarop te anticiperen en in te zien dat bepaalde handelingen van vandaag een impact kunnen hebben op die toekomst. Inzicht in de dynamiek van de veranderende context leert óf en hóe deze handelingen kunnen bijdragen tot een probleem of een oplossing.”

organisaties helpen in hun toekomststrategie. “We hebben geen standaardproduct, het gaat telkens over maatwerk want iedere organisatie en haar biotoop is anders. Je zou het kunnen zien als een leerproces dat je samen met de klant tracht te beleven”, klinkt het. “Of het nu een gemeente is die haar beleidsagenda door toekomstige uitdagingen wil laten inspireren, een ngo die haar visie wil toetsen of een bedrijf dat op zoek is naar nieuwe productlijnen ... we zien ze allemaal. Onze toolbox van methoden en technieken groeit en blijft tot nieuwe recepten leiden en ons netwerk tot nieuwe expertise. Op die manier kneden we inhoud en proces naar de expliciete en latente noden van de klant.” Baerten, Rijkens, van Lieshout en in-house designer Emiel Rijshouwer mogen dan al elk hun eigen specialismen hebben, de combinatie zorgt voor een uniek en complementair model. “Tijdens interviews met academici een poos geleden kwam herhaaldelijk de zorg naar boven dat we naast specialisten ook steengoede nieuwe generalisten nodig zullen hebben die alle specialistische kennis opnieuw in verband kunnen brengen. Mensen die het grotere geheel zien, de complexiteit ervan erkennen maar ook inzichtelijk kunnen maken. Die bigger picture, dat grotere verhaal, die context waarbinnen verbanden kunnen worden gelegd en waarbinnen kruisbestuiving kan plaatsvinden ... eigenlijk gaat het daar in toekomstverkenning over.” www.pantopicon.be

Divergerende en convergerende fases Alle projecten moeten na een ‘divergerende’ verkenningsfase ook tot ‘convergentie’ leiden; ook daarin schuilt een gelijkenis met het creatieve proces van design. De ene keer komt dat neer op een visiedocument of het formuleren van strategische opties, de andere keer draait het om een designbrief of een conceptportfolio. Pantopicon spuwt hoe dan ook geen gortdroge rapporten uit. Afhankelijk van het concept, het project en de klant, wordt een geschikte vorm gekozen om de toekomst tastbaar te maken, om tot discussie, actie of verandering aan te zetten. Geen enkel middel wordt daarbij op voorhand uitgesloten. Nik Baerten haalt er zijn laptop bij en toont ter illustratie enkele televisiejournaals anno 2020, enkele fictieve productreclames, scenariodiagrammen, filmpjes gemaakt met green screen-technologie waardoor decors gewisseld kunnen worden en allerlei prototypes. Het multi- en interdisciplinaire model waarop Pantopicon is geschoeid, helpt in eerste instantie om reguliere denkpatronen te doorprikken en op een hoger niveau ook tot concrete inzichten en processen te komen die

45


Parametrisch design en Parametrisch design en digitale digitale fabricage fabricage:nieuwe nieuwe vormen vandigitaal digitaaldesign design vormen van Corneel Cannaerts, MMLAB, Sint-Lucas Architectuur

Parameters en design Parameters spelen een belangrijke rol in om het even welk ontwerpproces: een opdrachtformulering, fysieke beperkingen en productiekosten worden allemaal vastgelegd in parametrische beschrijvingen. Een algemene definitie van parametrisch design – als om het even welk ontwerpproces met duidelijk omschreven parameters als uitgangspunt – is daarom niet erg nuttig wanneer je de nieuwe ontwerpmogelijkheden en -vormen wilt beschrijven waartoe dit groeiende vakgebied zich leent. De principes van parametrisch design kunnen worden toegepast op elk ontwerpmedium, en elke codificatie of systematische, abstracte beschrijving van een ontwerpproces waarin parameters een expliciete rol spelen, kun je parametrisch noemen. Maar pas in een digitale omgeving komt een parametrisch ontwerpproces tot volle bloei: dankzij hun rekensnelheid, omkeerbaarheid, soepelheid, flexibiliteit en interactiviteit zijn de digitale ontwerpmedia erg geschikt om de mogelijkheden van parametrisch design te onderzoeken. Hoewel CAD-software al van bij het begin werkte met parametrische vereisten, beperkte het nut van deze software zich vooral tot het oplossen van problemen of ging de werking ervan verscholen achter gebruikersinterfaces. Nog maar onlangs zijn de scripting en creatieve codering van parametrische modelleersoftware een populair middel geworden om ontwerpmogelijkheden te verkennen. Op die manier zijn berekeningen niet langer het exclusieve domein van de ingenieur of de softwarebouwer, en kunnen ontwerpers voortaan dankzij parametrische modellen rechtstreeks met gegevens aan de slag. De populariteit van deze hulpmiddelen en de almaar toenemende snelheid waarmee de ontwerpen worden verspreid via sociaalnetwerksites en designblogs, heeft een overvloed aan beeldmateriaal opgeleverd


Parametric Design Parametric Designand and Digital DigitalFabrication: Fabrication New NewModes Modes of ofDigital DigitalDesign Design Parameters and design Parameters play an important role in any design process: design briefs, material constraints and production costs are all framed in parametric descriptions. A broad definition of parametric design – as any design process that deals with well defined parameters – is therefore not very useful in describing new possibilities and modes of design that this emerging field offers. Parametric design principles can be implemented in any design medium, any codification, or systematic, abstract, description of a design process that explicitly deals with parameters can be labelled parametric. But it is in digital design environments that a parametric design process can be fully developed: the speed of computation, reversibility, fluidity, flexibility and interactivity make the digital design media appropriate for parametric design exploration.

Nervous system – CellCycle De ontwerpstudio Nervous system maakt juwelen en gebruikt rekensoftware om natuurlijke processen en patronen te simuleren. CellCycle is een ringen- en armbandencollectie geïnspireerd op stralendiertjes, minerale skeletten van plankton. Dankzij een speciaal ontwikkelde interactieve software (beschikbaar als applet op hun website) die een particle-springsimulatie gebruikt, kunnen de gebruikers zelf juwelen ontwerpen door zorgvuldig gekozen parameters aan te passen. De juwelen uit nylon, zilver of roestvrij staal worden met een 3Dprinter gemaakt. Hoewel alle ringen van elkaar verschillen, spreekt er duidelijk dezelfde ontwerptaal uit. De broncode van deze software, die in Processing – een opensourceprogrammeersysteem voor ontwerpers en artiesten – werd geschreven, wordt gedeeld op de website. Nervous system – CellCycle Nervous system is a jewellery design studio that explores computation to simulate processes and patterns found in nature. CellCycle is a series of rings and bracelets that are inspired on radiolarians, mineral skeletons of plankton. A custom written interactive software, available as an applet on their website, that uses particle-spring simulation allows users to design own jewellery through manipulation of well chosen parameters. The jewellery is produced using 3D printing in nylon, silver or stainless steel. Although the resulting rings are all different they clearly show the same design intent. The source code of this software written in processing - an open source programming environment aimed at designer and artists - is shared on the website.

While computer aided design software has dealt with parametric constraints from its inception, the use of it was mainly limited to problem solving or hidden behind user interfaces. It is only recently that parametric modelling software scripting and creative coding have become popular as a means of design exploration. This makes computation no longer the exclusive domain of the engineer or software developer, and enables designers to engage directly with data by using parametric models. The popularity of these tools, combined with an ever increasing speed at which design results are distributed through social networks and design blogs, has lead to an abundance of imagery that has been seen as a style, often labelled ‘parametricism’. The speed at which scripts, models, source codes and design outputs are shared makes this field of design sensitive to trends and fashions, and looking at the outcomes of these processes one can definitely trace stylistic outlines. But the focus on the formal aspects of parametric design as a style – as the next ism – is obscuring or even damaging the potential impact parametric design could have on the whole of a design process. This article wants to focus on parametric design as an exploratory, creative practice, and point at the potentially new modes of digital design it opens. It wants to look at the whole design process and not only the imagery it produces, therefore we will link parametric design with digital fabrication techniques. Interaction, web and graphic designers have been using code and parametric design methods for some time, producing work which output remains in the digital realm, entering the physical through screen or print. With the democratising of digital fabrication we see the use of these methods extending beyond the screen into making physical objects.

Digital fabrication As a production technique digital fabrication, the translation of a digital model into a physical object, is not new. Several techniques exist that shape an object by either removing (milling, cutting) or adding matter (3D printing). These techniques are applied in a wide range of disciplines – product design, architecture, medicine, automotive... The materials used in digital fabrication include metals, plastics, wood, textile, ceramics and the scale varies from nanometres to a few meters. The last decades these techniques have become democratised: manufacturers of high end fabrication machines are producing budget versions, service agencies are expanding their markets from industries to consumers1, and low-budget, open source alternatives2 are growing in performance and number of users. Fab labs3 have spread around the world and helped to spread these techniques to a larger audience.

47


die als een stijl wordt beschouwd: ‘parametricisme’. Door de snelheid waarmee scripts, modellen, broncodes en ontwerpen worden gedeeld, is deze ontwerptechniek gevoelig voor trends en hypes. Wanneer je de resultaten van deze processen onder de loep neemt, zie je dan ook duidelijke stilistische kenmerken. Wel overschaduwt of zelfs beschadigt de aandacht voor de formele aspecten van parametrisch design als een stijl – kortom: als het volgende ‘isme’ – de potentiële invloed van deze ontwerpvorm op het algemene ontwerpproces. In dit artikel bespreken we parametrisch design als een explorerende, creatieve techniek. Bovendien behandelen we de nieuwe vormen van digitaal design die eruit kunnen voortvloeien. We onderzoeken het hele ontwerpproces en niet alleen het beeldmateriaal dat het oplevert. Daarom koppelen we parametrisch design aan digitale fabricagetechnieken. Grafische, interactie- en webdesigners werken al een tijd met codes en parametrische ontwerptechnieken. De resultaten van hun inspanningen blijven hangen in de digitale dimensie en treden alleen via het scherm of op print de fysieke wereld binnen. We voorspellen dat deze methodes dankzij de democratisering van digitale fabricage het scherm achter zich zullen laten en zullen leiden tot de creatie van tastbare voorwerpen.

Digitale fabricage Digitale fabricage – de vertaling van een digitaal model in een tastbaar voorwerp – is geen nieuwe productietechniek. Er bestaan verschillende technieken om een object vorm te geven door materiaal te verwijderen (frezen, snijden) of toe te voegen (3D-printen). Deze technieken worden toegepast in een brede waaier van vakgebieden, zoals productontwerp, architectuur, geneeskunde en de autosector. Bij digitale fabricage worden onder meer metalen, plasticsoorten, hout, textiel en keramiek gebruikt. De omvang van de materialen gaat van nanometers tot enkele meters. De voorbije decennia bereikten deze technieken een breder publiek: fabrikanten van hoogwaardige fabricagemachines brachten ook budgetversies op de markt, dienstverlenende bedrijven richtten zich naast industriële spelers ook op de consument1, en goedkope opensourcealternatieven2 werden almaar beter en populairder. Fab labs3 schoten overal ter wereld uit de grond en maakten deze technieken toegankelijk voor een breder publiek. Vanuit een ontwerpperspectief biedt digitale fabricage nieuwe mogelijkheden. Deze technieken worden gebruikt om prototypes te maken en versnellen de ontwerpcycli drastisch doordat ze tastbare en fysieke feedback opleveren. Nu de technieken van digitale fabricage verbeteren en een productiekwaliteit halen, zetten ze de industriële productielogica op haar kop: in plaats van een gecentraliseerde massaproductie van voorwerpen op maat van de gemiddelde consu-

ment, maakt digitale fabricage het mogelijk om op grote schaal gelokaliseerde, gepersonaliseerde en gebruikersgerichte producten te maken. Binnen bepaalde oplages kun je even eenvoudig allemaal verschillende als allemaal gelijkaardige voorwerpen bouwen.

Van voorwerp naar systeem De belangrijkste invloed van parametrisch design is dat het de aandacht heeft verlegd van het voorwerp naar het systeem. In plaats van één object te ontwerpen dat min of meer aan de bedoelingen van de ontwerper beantwoordt, bouwt hij een ontwerpsysteem dat het mogelijk maakt om verschillende resultaten te verkennen. Het frequentatieve ontwerpproces met een lineaire evolutie – waarbij je een stap moet terugzetten telkens als je een variant wilt ontwerpen – maakt plaats voor de bouw van een systeem. Wijzigingen aan de inputparameters en aan het systeem zelf leiden dan vanzelf tot verschillende resultaten. Om zo’n systeem of parametrisch model te bouwen, moet je zowel op geometrisch als parametrisch vlak – op het niveau van het voorwerp én het systeem – inzicht hebben in het ontwerpprobleem. Bovendien moet je systeem- in plaats van objectgericht gaan denken. Zo verschuift de aandacht van de ontwerper van eindproduct naar proces. Hoewel deze ommezwaai in de digitale ontwerptechnieken niet noodzakelijk resulteert in nieuwe scenario’s of ontwerpvormen, stelt hij ontwerpers in staat om hun werkmethodes te herzien. Bij tal van aspecten van het ontwerp-

proces kunnen veranderingen optreden: de drijfveer of input, het ontwerpproces zelf of het resultaat ervan. We bespreken bepaalde trends die zich aftekenen bij deze ontwerpvormen. Hoewel de lijst niet volledig is, biedt ze een blik op het groeiende vakgebied van het parametrische design. Generatief—Bij generatief design neemt het rekensysteem of parametrische model bepaalde aspecten van het ontwerpproces over of voegt het er nieuwe elementen aan toe. Dat betekent dat niet alle ontwerpbeslissingen door de ontwerper worden genomen. Willekeur, ruis, automata en autonome agenten die voorgeprogrammeerd zijn met een bepaald gedrag, worden ingeschakeld om resultaten te creëren die een ontwerper niet kan voorspellen. Emergentie is een kernbegrip bij generatief design: door het onafhankelijke en relatief eenvoudige gedrag van agenten in een systeem wordt de orde zichtbaar op een hoger niveau. Collaboratief—Parametrische systemen kunnen worden ingesteld om een ‘conversatie’ tussen de ontwerper, het systeem en andere deelnemers aan het ontwerpproces mogelijk te maken of te vereenvoudigen. Een ontwerper kan een systeem zodanig instellen dat gebruikers bepaalde parameters kunnen aanpassen en het ontwerpresultaat zelf kunnen evalueren. Dat resultaat wordt niet langer alleen door de ontwerper bepaald, maar vereist de inbreng van anderen.


Karsten Schmidt – Toxiclibs/Reinventing the wheel Karsten Schmidt leidt Postspectacular, een ontwerpstudio die het spanningsveld verkent tussen codes schrijven en verschillende ontwerpdisciplines. De speciale software die voor elk afzonderlijk project wordt geschreven, wordt herbruikbaar doordat ze is opgebouwd uit modulaire codeblokken. Die worden gedeeld in Toxiclibs, een verzameling digitale opensourceontwerpbibliotheken. Zoals de jaarlijkse demoreeks aantoont, wordt Toxiclibs gebruikt door een actieve gemeenschap uit verschillende ontwerpdisciplines. Reinventing the wheel is een generatief ontwerpexperiment, waarbij met een lasersnijmachine wielen worden gemaakt. Met fysieke beperkingen en ontwerpkeuzes als parameters produceert de software een serie mogelijke ontwerpen. Vervolgens slaat ze die op in computerbestanden waarmee de lasersnijmachine aan de slag kan. Karsten Schmidt – Toxiclibs/Reinventing the wheel Karsten Schmidt runs Postspectacular, a design studio that explores the intersection between writing code and various design disciplines. Custom software, written for each project, is made reusable by building modular code blocks that are shared in toxiclibs, a series of open-source, computational design libraries. Toxiclibs is used by an active community from various design disciplines as is showcased in the demo reel released each year. Reinventing the wheel is a generative design experiment, aimed at producing a series of wheels using laser-cutting. Using material constraints and design decisions as parameters, the software iterates over a series of possible design outcomes and saves them as files ready for laser cutting.

49


Open source—Een bijverschijnsel van parametrisch design is dat ontwerpers kunnen kiezen om niet alleen de voorwerpen beschikbaar te stellen die het resultaat zijn van een parametrisch proces, maar ook de code, het systeem of het parametrische model erachter te delen met anderen. Op die manier kunnen andere ontwerpers voortbouwen op hun werk. Doordat je het systeem achter een voorwerp kunt raadplegen en aanpassen, verhoogt de snelheid waarmee kennis en ontwerpvaardigheden zich verspreiden enorm. Performatief—De prestaties van een voorwerp (op het vlak van fysieke eigenschappen, uitzicht, duurzaamheid), zij het gesimuleerd in een rekenprogramma of getest op een fysiek prototype, kunnen als input dienen voor een parametrisch systeem. Zo kunnen de prestatiecriteria semiautomatisch worden geoptimaliseerd. Eén voorbeeld hiervan is vormgeving via rekenprocessen, waarbij de uiteindelijke vorm van een voorwerp het resultaat is van een – vaak fysiek – simulatieproces. De rol van de ontwerper verschuift van het ontwerpen van vormen naar het instellen van een systeem van fysieke eigenschappen en beperkingen dat een ontwerpoplossing oplevert. Gepersonaliseerd op grote schaal—Parametrisch design biedt voldoende mogelijkheden om ontwerpvarianten te maken. Zoals we al vermeldden, kun je met een parametrisch model een brede waaier ontwerpoplossingen verkennen die aan bepaalde ontwerpcriteria en -beperkingen beantwoorden. De ontwerper kan bepalen wat onveranderlijk en wat variabel is, wat ontvankelijk is voor externe of voor procesgerichte parameters.

Besluit Dankzij de mogelijkheden van digitale fabricage maken parametrische modelleersoftware, scripting en creatieve codering de sprong van de digitale naar de fysieke dimensie. Deze methodes, technieken en hulpmiddelen hebben geleid tot een formele verkenningsronde, die in zekere zin kan worden beschouwd als ‘parametricisme’, als een stijl. Maar de werkelijke vernieuwing van parametrisch design is de conceptuele wijziging in het denkpatroon van de ontwerper die het mogelijk maakt. Als ontwerpmedium verlegt het de ideeëndimensie – de conceptuele ruimte waarin ontwerpideeën tot stand komen – van voorwerp naar systeem. www.introspector.be www.fabriek.org

Joris Laarman Lab – Bone Chair Bone Chair, an aluminium chair designed by Joris Laarman Lab, uses a process inspired by the growth of bones: starting from a rough geometric shape, subject to gravity and weight of a person, material is removed where possible and added where needed. The shape of the furniture is thus generated though a computational simulation of its material performance. The same process is used to sculpt the furniture from a massive block of material. The chair is part of a series of objects in different materials: aluminium, marble, resin and bronze.

Joris Laarman Lab – Bone Chair Bone Chair, een aluminium stoel van de hand van Joris Laarman Lab, is het resultaat van een proces geïnspireerd op de groei van botten. Het uitgangspunt is een ruwe geometrische vorm. Daarna verwijdert men materiaal of voegt men het toe waar nodig, naargelang van de zwaartekracht en het gewicht van een persoon. De vorm van het meubelstuk wordt op die manier bepaald via een computersimulatie van zijn fysieke prestaties. Hetzelfde proces wordt toegepast om het meubelstuk te ‘beeldhouwen’ uit een enorme blok materiaal. De stoel maakt deel uit van een collectie voorwerpen in verschillende materialen: aluminium, marmer, kunsthars en brons.


Seen from a design perspective digital fabrication offers new possibilities. In the first place these techniques are used as a prototyping tool, drastically increasing the speed of design cycles by providing haptic and material feedback. As digital fabrication techniques improve and reach production quality, they reverse the industrial logic of production: instead of centralised, massproduced objects, fabricated with a generalist consumer in mind, digital fabrication allows a localised, mass customised, user centred fabrication. Within certain quantity limits it is as easy to produce objects that are all different as objects that are all similar.

From object to system The most profound impact of parametric design can be found in a shift of attention from object to system: instead of designing one object that somewhat fits a designer’s intentions, a designer constructs a system which allows different design outcomes to be explored. Instead of an iterative design process that has a linear progression, where exploring variations requires taking steps back in this progress, the design process becomes building a system, where variations of the input parameters, and changes to the system itself will yield different design outcomes. Working on this system, or parametric model, requires understanding of a design problem at both geometric and parametric level – on object and system level – it requires a shift from object oriented to system oriented thinking. It shifts the attention of the designer from end product to process. While this shift in digital design media does not necessary lead to new scenarios or new modes of design, it allows designers to rethink their practice. Changes can be found on many aspects of a design process: the incentive or input, the process of the design itself and the output of a design process. We will outline certain trends in these modes of design, while this list is not complete it gives insight in the emerging field of parametric design. Generative—In generative design the computational system, or parametric model, takes over certain aspects of, or introduces new aspects into, a design process, e.g. not all design decisions are made by the designer. Randomness, noise, automata and autonomous agents programmed with certain behaviours are used to generate outcome that a designer could not predict. Emergence is a crucial notion in generative design: through the independent and relative simple behaviour of agents in a system, apparent order becomes visible at a higher level.

Collaborative—Parametric systems can be set up to facilitate or enable a design conversation between designer, system and other participants in a design process. A designer can set up a system in such a way that users can manipulate certain parameters and evaluate the design outcome themselves. The design outcome is no longer controlled by the designer alone, but requires actual involvement of other people. Open source—As an outcome of a parametric design, designers can choose to not only make the objects a parametric system generates available, but also share the code, system or parametric model behind it. This allows users or other designers to build on the work further. Being able to see and alter the system behind a certain design object dramatically increases the speed in which knowledge and skill in design are propagated. Performative—The performance of a design object – in material properties, appearance, endurance – either simulated in a computational process or tested as a physical prototype, can feedback as input in a parametric system. This allows optimisation of performance criteria as a semi automatic process. One example of this is computational form-finding where the final form of an object is the result of a – often physical – simulation process. The role of the designer changes from designing form to setting up a system of physical properties and constraints, within which a design solution is found. Mass Customised—Parametric design provides the necessary means to allow variants in design. As noted before a parametric model can be used to explore a variety of design solutions that fit certain design criteria and constraints. The designer can control what is invariant and what is variant, what is open for either process based or external parameters.

Conclusion Through the possibilities of digital fabrication the use of parametric modelling, scripting and creative coding is extending from digital into the physical. These methods, techniques and tools have led to a formal exploration, which to some extent can be seen as ‘parametricism’, as a style. But the true innovation of parametric design will come from a conceptual shift in design thinking it enables. As a design medium it extends the ideation space – the conceptual space in which design ideas are formed – from object to system thinking.

1. Companies like www.shapeways.com, www.ponoko.com, i.materialise.com,

1. Bij bedrijven zoals www.shapeways.com, www.ponoko.com, i.materialise.com

www.printo3d.com allow people to sell and fabricate physical models by uploading digital models. Sites like www.thingiverse.com house collections of 3D models that you can download for free under a creative common license. 2. Most renowned is the RepRap project, an open source 3D printer that can selfreplicate (reprap.org) and MakerBot, a low-cost 3D-printer (www.makerbot. com). For other fabrication techniques we see similar projects: the open-source 3-axis CNC by Lieven Standaert & Kurt Van Houtte (timelab.org/CNC) and lasersaur, an open-source laser cutter developed by nortd labs (labs.nortd.com/ lasersaur/). 3. A fablab or fabrication laboratory, an idea started at MIT, is a place open to the general public, where objects can be made for very low costs and skills in digital fabrication learned. In Belgium there is a fablab in Leuven, the timelab in Ghent and mmlab at the Sint-Lucas School of Architecture.

en www.printo3d.com kun je fysieke modellen verkopen en fabriceren nadat je een digitaal model hebt geüpload. De website www.thingiverse.com beschikt over reeksen 3D-modellen die je gratis kunt downloaden onder een creativecommonslicentie. 2. De meest gerenommeerde zijn het RepRap-project, een opensource-3D-printer die zichzelf kan nabouwen, en MakerBot, een goedkope 3D-printer (www. makerbot.com). Ook voor andere fabricagetechnieken lopen gelijkaardige projecten: de opensource-CNC met drie spillen van Lieven Standaert & Kurt Van Houtte (timelab.org/CNC) en lasersaur, een opensourcelasersnijmachine die werd ontwikkeld door nortd labs (labs.nortd.com/lasersaur/). 3. In een fablab of fabricagelaboratorium, een idee dat groeide op het MIT, kan het grote publiek digitale fabricagetechnieken onder de knie krijgen en tegen erg lage prijzen voorwerpen laten maken. In België is er een fablab in Leuven. Daarnaast zijn er ook het timelab in Gent en mmlab aan de architectuurschool Sint-Lucas.

51


Weefgetouw ten huize van Martine Gyselbrecht

Ausgebrannt, Kaspar Hamacher. Foto: Christiane Bongartz

Slow alternatief Slow,of ofhet het alternatief voor snelleconsumptie consumptie voor snelle Christian Oosterlinck Onthaasten is trendy. Waarom blindelings meelopen in een steeds versnellende maatschappij en de daaraan verbonden wegwerpcultuur? Sommigen propageren dat we weer ‘bewust’ moeten leven en consumeren. In sommige domeinen is slow een echte hype geworden. Slow fashion en slow food zijn al ingeburgerde termen, maar bestaat er ook zoiets als slow design? De term slow is er eerder gekomen als tegengif voor fast, dan als een gemeenschappelijke, inherente eigenschap van de producten die met dit slow verbonden worden. Op het eerste gezicht zullen leken het hele slow-gebeuren misschien associëren met een oud hippiegevoel, terwijl het in feite gaat om het trefpunt van ecologisch bewustzijn en vakmanschap. Milieuvervuiling, de opwarming van de aarde, waterschaarste en armoede zijn slechts enkele van de problemen waarvoor slow design een oplossing wil bieden. Het plattelandsleven, ver weg van de stad, is er een facet van, maar ook de keuze voor doe-het-zelven en recyclage. Slow fashion staat onder meer voor het gebruik van natuurlijke materialen zoals wol en linnen, het kleuren van de stoffen met natuurlijke producten zoals mosterd, olijfolie of curry, en het lokale, ambachtelijke naaien of breien. De geitenwollensok zou als typevoorbeeld kunnen

dienen. Maar ook een handtas van Delvaux kan omwille van zijn duurzaamheid en lokale productie als slow gecatalogeerd worden. Slow food gaat in tegen de voedingsmultinationals en de geïndustrialiseerde landbouw. Een goede smaak, een ecologische productie en fair trade zijn de voornaamste kenmerken. Om de theorie van slow design te kaderen, baseren we ons op Slow Theory van Alastair FuadLuke. In 2004 was deze Britse consultant, trainer, publicist en activist oprichter van www. slowdesign.org . Hij publiceerde boeken zoals The Eco-Design Handbook en Design Activism: Beautiful Strangeness for a Sustainable World. Dit jaar kreeg hij de 1ste prijs in de European Environmental Design Awards in de categorie Publishing. Zelf omschrijft hij zijn activiteiten als Co-design Services for a Sustainable Transition. Zelf ontwaren we een linkse inslag in zijn taalgebruik en doen zijn programmatische teksten ons wat denken aan het sociale engagement van bijvoorbeeld Renaat Braem. Niks nieuws onder de zon dus, wanneer hij bijvoorbeeld design wil bevrijden uit de klauwen van het kapitalisme: “Corporate ambition, encouraged by the capitalist political doctrine, continues to ensure that inbuilt obsolescence, the touchstone of industrial design, keeps producers producing, consumers consuming and designers de-

signing”. Gelukkig blijft hij niet bij zo’n versleten ideeëngoed steken en definieert hij slow design aan de hand van acht duidelijke criteria. Met ‘traditie’ wordt verwezen naar de oude ambachten en het vakmanschap dat daarmee gepaard gaat. Maar ook naar een vorm en een decoratie die losstaan van trends en die hun bestaansrecht ontlenen aan de sociaal-culturele context waarin ze ontstaan. Maker en gebruiker maken er deel van uit. De artefacten worden gemaakt uit lokale materialen en worden verspreid op een kleine markt. Hierbij nauw aansluitend is de aandacht voor het ‘ritueel’, dat niet in religieuze zin geïnterpreteerd moet worden, maar eerder betrekking heeft op dagelijkse gewoontes. Waar in het hedendaagse design producenten niet zomaar producten verkopen, maar eerder ‘ervaringen’, krijgt dat binnen slow design een andere betekenis: de gebruiker ervaart zelf de nieuwe mogelijkheden van het object. Hij herdefinieert het, en zet daardoor de taak van de ontwerper verder. Dat schept ook een emotionele en spirituele band met het gebruiksvoorwerp.


Slow the alternative Slow, or or the alternative to rapidconsumption consumption to rapid Atamé-collectie, Eva Pannecoucke. Foto: Efie De Grande

In onze consumptiemaatschappij volgen nieuwe modellen elkaar steeds sneller op. Denk maar aan de opeenvolgende versies en uitvoeringen van computers, gsm’s, televisies enz. Daartegenover staat wat evolved design wordt genoemd, dat objecten doet ontwikkelen volgens de snelheid van de natuur. Iets evolueert dan bijvoorbeeld naar een beter uitzicht doordat het vanzelf of door gebruik een mooi patina krijgt. Ook dit vergroot de band met de eigenaar, die steeds meer van zijn object begint te houden. Voor sommige sectoren is traagheid een evident gegeven. Wie wil er bijvoorbeeld niet dat zijn vakantie blijft duren? Maar omdat het object moet overleven in een voortjagende, commerciële wereld, zal de ontwerper bewust parameters inbouwen om een trage omgang met het voorwerp aan te moedigen. Of hij laat in ieder geval de gebruiker de kans om van die traagheid gebruik te maken. Stress wordt zo gereduceerd. Eco-efficiëntie is het equivalent van cradleto-cradle. Het duurzaam omgaan met natuurlijke grondstoffen of mikken op een laag energieverbruik zijn de belangrijkste factoren. Slow betekent in dit geval dat de grondstoffen tegen een lager ritme zullen opgebruikt worden. In het rijtje van kenmerken van slow design

Slowing down is the trend. Why should we blindly accept an ever accelerating society and the throw away culture that goes with it? There are those who advocate a return to conscious living and consumption. In certain sectors, ‘slow’ has become a hyped concept. Slow fashion and slow food are established terms but is there such a thing as slow design? The term slow is seen more as an antidote to fast than as a unifying, inherent property of products associated with slow. At first, it can seem that the whole slow movement is an artefact of the hippie era. In fact, it is a key element of ecological awareness and professionalism. Pollution, global warming, water shortages and poverty are just some of the issues that slow design would like to tackle. Rural life, far from the cities, is a facet of this ideology but the choice for self-sufficiency and recycling is also relevant. Slow fashion is about the use of natural materials such as wool and linen, the dyeing of fabrics with natural products such as mustard, olive oil and curry and local, traditional sewing and knitting. Open sandals with woolly socks can serve as an example of this ideology, but a Delvaux handbag, durable and produced locally, can also be labelled slow. Slow food takes on the food giants and factory farming. Real flavour, ecological production and fair trade are just some of its main characteristics. In our look at slow design, we are basing ourselves on Slow Theory by Alastair Fuad-Luke. In 2004, this British consultant, trainer, publicist and activist set up www.slowdesign.org. He published a number of books, including The Eco-Design Handbook and Design Activism: Beautiful Strangeness for a Sustainable World. He received first prize this year in the Publishing category from the European Environmental Design Awards. He describes his activities as Co-design Services for a Sustainable Transition. We note a leftist slant in the language he uses and his programmatic texts are reminiscent of the social engagement of, say, Renaat Braem. No surprise then that he would like, for example, to save design from the clutches of capitalism: “Corporate ambition, encouraged by the capitalist political doctrine, continues to ensure that inbuilt obsolescence, the touchstone of industrial design, keeps producers producing, consumers consuming and designers designing”. Happily, he doesn’t merely stick to tired doctrines but defines slow design using eight clear criteria. ‘Tradition’ refers to crafts and the skills that go with them. But also to forms and decorations independent of trends and that derive their existence from the socio-cultural context in which they arise. Maker and user are both involved in the process. The objects are made from local materials and distributed on a small market. Ritual, in the non religious sense of daily habits, is closely associated with tradition. While contemporary design manufacturers sell ‘experiences’ to the

53


Tapa, Chevalier-Masson. Foto: Lise Duclaux Baptized by Nature, Cathérine Op de Beeck. Foto: Henk Van Cauwenbergh

consumer rather than simply products, this has a different meaning in slow design: the user experiences for him or herself the new potentialities of an object. He/she redefines it and thus pushes forward the task of the designer. This creates a bond, an emotional and spiritual element, to the object. In our consumer society, new models follow each other at ever greater speed. Think of the successive versions of computers, cell phones, televisions and so forth that we see. In direct contrast, there is what is called evolved design, in which objects develop at a natural speed. An item will, for example, evolve a more beautiful patina through use or simply age. This also increases the bond with the owner, who grows to love his object more over time. Slowness is an obvious fact for some sectors. For example, who wants their holiday to end? But an object has to survive the hustle of a commercial world, so parameters have to be consciously built into it by the designer to encourage a slow relationship with the object. Or at least create the space for the user to understand it. This reduces stress. Eco-efficiency is the equivalent of cradle-to-cradle. Key factors are the sustainable use of natural resources and keeping energy use as low as possible. In this context, slow means that raw materials will not be exhausted so quickly. Further down the list of slow design principles, we come to open source. The way to open up solutions for the most critical issues in the world is also through the slow culture. This leads to a new design culture, where the individual designer works within a larger community in order to make his/her own ideas easier to achieve. A new design democracy, as it were. The eighth and final criterion is the special relationship with technology. We only need to consider how electronic technology has increased the speed with which we work and live. The rate at which data is entered, processed and retrieved determines to a large extent the daily tasks and schedules of many of us. The time it takes to download or send large files can be used for reflection or social contact. The Swedish Interactive Institute, which brought the Visual Voltage exhibition to the Design Flanders Gallery last year, has examined how these ‘lost moments’ could ideally be used. We’ve looked at the theory, now the practice. Unexpectedly – or perhaps tellingly – when a number of Flemish designers were asked if they practice slow design, they reacted with surprise. In the design world, the term is not really established and only a few aspects have been taken on board, such as eco-design, cradle-to-cradle and open source. It could be seen as typical of slow design that it seeks to provide a framework for these segments without insisting on a static concept. Although there are many organisations and forums addressing slow design worldwide, it may take some time before it is fully established here. Slow but sure...

Kaspar Hamacher, Ausgebrennt. As the son of a forester, Kaspar Hamacher is familiar enough with wood as a medium. His designs are based on his love for wood and other natural materials. He is also a craftsman and all the furniture is made by himself. One can hardly call his work fashionable but it does have a substance that will surely stand the test of time.

Eva Pannecoucke, Atamé collection. Eva Pannecoucke makes bags with a story to tell. The stories come about from the form that diverse materials mixed with recycled leather take on when they come together: the existing patterns, seams and folds shaping a new and unique identity. Pannecoucke has named this collection Atamé, which means ‘Hold me’.

Martine Gyselbrecht, loom in the house of. Martine designs and weaves fabrics specially for industry but they still stand testimony to their traditional origins and methods. There are two looms in her home and the walls are hung with yarn spools. At the start of her career, she spun the wool from her own sheep into yarn. A slow designer avant la lettre.

Cathérine Op de Beeck, Baptized by Nature. The Baptized by Nature collection by Cathérine Op de Beeck is composed of driftwood from the beaches of the Camargue. Weathered by sun and sea, the tree stumps have taken on a grey patina. Cathérine sets out four times per year to beach-comb for the wood herself. Since each piece of wood has its own shape and ageing process, every lamp, table and ottoman is unique. This furniture collection is completely managed by one person, from the selection of materials through to the sales.

Chevalier-Masson, Tapa. Anne Masson and Eric Chevalier recycle materials. For Chaises Pelotes, they went in search of old chairs that they could then reupholster. Field is woven with industrial yarn according to available stocks and thus with constantly changing colours. Tapa is a cushion woven with fabric leftovers from Vuitton and Kenzo scarves. A real statement piece.

Delvaux, Brillant. ‘Delvaux?’, you say. Indeed. By using sustainable materials, classic models and local production, Delvaux fulfils the protocols of slow design.


Brillant, Delvaux. Foto © Delvaux

komen we verder nog het open source-principe tegen. Het openstellen van oplossingen voor de meest cruciale problemen in de wereld behoort ook tot de slow-cultuur. Dat resulteert dan in een nieuwe ontwerpcultuur, waarbij de individuele designer samenwerkt met een grotere gemeenschap om zijn eigen ideeën gemakkelijker te realiseren. Een nieuwe designdemocratie, als het ware. Het achtste en laatste criterium is de bijzondere omgang met technologie. Denken we maar aan hoe de elektronische technologie de snelheid heeft verhoogd waaraan we werken en leven. De snelheid waarmee data ingegeven, verwerkt of opgehaald worden, bepaalt voor een groot deel de dagtaak en tijdsindeling van velen. De tijd die het kost om grote bestanden te downloaden of verzenden, kan dan gebruikt worden voor reflectie of sociaal contact. Het Zweedse Interactive Institute, dat vorig jaar in de Design Vlaanderen Galerie nog de tentoonstelling Visual Voltage bracht, heeft onderzoek gedaan hoe deze ‘verloren’ momenten ideaal ingevuld kunnen worden. Tot zover de theorie, nu de praktijk. Verrassend – of misschien wel tekenend – is dat de vraag bij enkele Vlaamse ontwerpers of zij ook slow design praktiseren, vreemde reacties oplevert. In de designwereld is de term niet echt ingeburgerd en worden slechts deelaspecten aangehaald, zoals ecodesign, cradle-to-cradle of open source. Maar misschien is het wel typerend voor slow design dat het een kader wil bieden voor deze deelaspecten, zonder zich als statisch begrip op te dringen. Ook al zijn er wereldwijd heel wat organisaties en fora die ermee bezig zijn, het zal misschien nog een tijdje duren

voor het bij ons volledig doorgedrongen is. Traag, maar zeker …

Kaspar Hamacher, Ausgebrennt. Kaspar Hammacher is als zoon van een boswachter voldoende vertrouwd met hout als materiaal. Zijn liefde voor hout en andere natuurlijke materialen ligt aan de basis van zijn ontwerpen. Hij is ook een man van het ambacht en dus worden alle meubelen door hemzelf vervaardigd. ‘Trendy’ kan men zijn werken nauwelijks noemen, maar wel van een degelijkheid waardoor ze de tand des tijds zeker zal doorstaan.

Eva Pannecoucke, Atamé-collectie. Eva Pannecoucke maakt tassen met een ‘verhaal’. Die verhalen komen tot stand nadat ze diverse materialen en gerecycleerd leder tot een nieuw geheel samenvoegt. De bestaande schakeringen, naden en plooien vallen samen tot de juiste vorm die als vanzelf zijn eigenheid prononceert. Deze collectie gaf ze de naam Atamé mee, wat zoveel betekent als ‘Hou me vast’.

Martine Gyselbrecht, weefgetouw ten huize van. De stoffen van Martine zijn speciaal ontworpen en geweven voor de industrie maar blijven getuigen van hun artisanale oorsprong en benadering. In haar woonst staan nog altijd twee weefgetouwen en de muren zijn bekleed met garenspoelen. In het begin van haar carrière spon ze zelfs de wol van haar eigen schapen tot garens. Een slow designer avant la lettre.

Cathérine Op de Beeck, Baptized by Nature. De collectie Baptized by Nature van Cathérine Op de Beeck werd samengesteld uit drijfhout van de stranden van de Camargue. Door zon en zee verweerd, hebben de boomstronken een grijs patina gekregen. Cathérine gaat vier keer per jaar zelf haar hout jutten. Doordat elk stuk hout zijn eigen vorm en verouderingsproces heeft, is elke lamp, tafeltje of poef uniek. De meubelcollectie wordt volledig beheerd door één persoon, van bij de selectie van materialen tot de verkoop.

Chevalier-Masson, Tapa. Anne Masson en Eric Chevalier recycleren materialen. Voor Chaises Pelotes gaan ze op zoek naar oude stoelen die ze van een nieuwe bekleding voorzien. Field wordt geweven met stocks van industriële garens, naargelang de voorraad met steeds wisselende kleuren. Tapa is een kussen geweven van stofresten van sjaals voor Vuitton en Kenzo. Als statement kan het tellen.

Delvaux, Brillant. ‘Delvaux?’, zegt u. Inderdaad. Door het gebruik van duurzame materialen, tijdloze modellen en een lokale productie voldoet Delvaux helemaal aan de definitie van slow design. Meer slow op: www.slowdesign.org www.tempodesign.net www.slowlab.net www.slowplanet.org www.slowfood.com www.slowcities.com

55


Open Open source source design design: toekomstmodel met toekomstmodel met wortels inhet het verleden wortels in verleden Roel Jacobus

Het fenomeen open source is hot. Maar gaat het wel om een nieuwe trend? In diverse creatieve domeinen is het fenomeen open source er altijd al geweest en zal ook altijd blijven. Maar de laatste jaren zorgden ontwikkelingen in de ICT en het globaliserende denken voor een stroomversnelling. Een van de belangrijkste epigonen van de open sourcefilosofie is het Drupal-platform. Dat oprichter Dries Buytaert uit Vlaanderen komt, vormt haast een onbelangrijk detail want de wereld is nu zijn speelveld. Het Drupalverhaal kan gelden als exemplarisch voor het belang van open source in design, architectuur, muziek … Op zijn Facebookpagina vermeldt Drupalgrondlegger Dries Buytaert als favoriete bands Pearl Jam, Bush, Anouk, Gorki en Coldplay. We kunnen niet nalaten om te bedenken dat het eindeloze rock- en bluesrepertoire van begin tot einde gestoeld is op het open source-principe, van het oeroude bluesschema in 12 maten, over de backbeat shuffle tot de futuristische elektronische bliepjes. Elke klank, elke tonaard, elk ritmisch element is al eens uitgevonden en nadien door duizenden, miljoenen muzikanten en samplers nagespeeld, versneden, geassembleerd, bewerkt. De next new thing op de radio refereert eigenlijk altijd naar bestaande elementen, telkens opnieuw. Dries Buytaert (32) past dit modulaire principe rigoureus toe op webdesigncode. De geboren Wilrijkenaar behaalde in 2008 een wetenschappelijke graad in de computerwetenschappen aan de Universiteit Gent, maar dat is niets, vergeleken met de celebritystatus die hij in de informaticawereld heeft verworven sinds de lancering van zijn Drupal in 2001. Drupal is een zogenaamd content management system of CMS, een softwarepakket waarmee je gemakkelijk websites kan creëren en beheren. Het pakket wordt gratis aangeboden en de broncode kan door iedereen geconsulteerd en aangepast worden, wat meteen ook het succes van Drupal verklaart.

Het Witte Huis is klant Drupal biedt een skelet en een bijhorende klerenkoffer voor wie zelf een website wil bouwen en beheren. De gebruiksvriendelijkste elementen maken het pakket geschikt voor particulieren, terwijl professionele gebruikers meerwaarde vinden in de meer geavanceerdere toepassingsmogelijkheden. De kern van Drupal omvat basisvoorzieningen als gebruikersregistratie, menubeheer, rss-feeds, lay-outmogelijkheden en systeemadministratie. Vandaag staan we zes versies verder en hebben derde partijen al 7 000 extra modules geschreven voor het aanvullen of verbeteren van de gebruiksmogelijkheden. Drupal fungeert intussen als ruggengraat voor minstens 1% van alle websites wereldwijd. Dat varieert van informatieve sites, blogs, internetfora of websites voor gemeenschappen, dit zowel van particulieren als voor bedrijven, organisaties en overheden. De meest in het oog springende referentie is de website van het Witte Huis. De presidentiële diensten werden hierbij in 2009 begeleid door Dries Buytaerts Amerikaanse firma Acquia. Dit bedrijf levert vanuit Boston producten, diensten en technische ondersteuning voor Drupal. Buytaert verhuisde overigens naar de VS, waar hij in 2008 ook de antispamdienst Mollom lanceerde. Zijn innoverende voortrekkersrol leverde hem niet alleen krediet op binnen de ICT-gemeenschap, maar evenzeer op het ruimere economische forum. In 2008 werd hij door het magazine BusinessWeek uitgeroepen tot een van de Young Entrepreneurs of Tech. Met de planeet als zijn speelveld, betreedt Dries Buytaert nog zelden Vlaamse bodem.


Open sourcedesign: design aafuture future model with Open source model with roots the past roots ininthe past The open source phenomenon is hot. But is it really a new trend? In many creative domains the open source concept has always existed and always will. But over the past few years, developments in ICT and global thinking have led to a notable acceleration. One of the most important epigones of the open source philosophy is the Drupal platform. That the founder Dries Buytaert is a native of Flanders is barely worth mentioning here, as the world has become his playing field. The Drupal story could be called exemplary of the importance of open source in design, architecture, music and so forth.

VW-motor, Yes! We’re open. Foto: Kristof Vrancken

Yes! We’re open. Foto: Kristof Vrancken

57


Open Modular Kitchen. Foto: Kristof Vrancken

On his Facebook page, Drupal pioneer Dries Buytaert lists as his favourite bands Pearl Jam, Bush, Anouk, Gorki and Coldplay. We cannot fail to note that rock and blues repertoires are always built, from beginning to end, on the open source principle, from the old blues progression in 12 bars through backbeat shuffle to futuristic electronic bleeps. Each sound, key, every rhythmic element was new once and then copied, chopped up, reassembled and modified by thousands, even millions of musicians and samplers. The ‘next new thing’ on the radio is actually constantly making reference to existing elements, over and over again. Dries Buytaert (32) rigorously applies this modular principle to web design codes. The Wilrijk born Buytaert obtained a BSc in computer sciences from Ghent University in 2008, but that is nothing compared with the celebrity status that he has acquired in the IT world since the launch of Drupal in 2001. Drupal is a content management system or CMS, a software package that allows you to create and manage websites easily. The package is freely available and the source code can be consulted and adapted by anyone, which immediately explains the success of Drupal.

The White House is a client Drupal offers a skeleton and a matching suitcase of clothes for anyone who wants to build and manage a website. The user-friendly features make the package suitable for private persons, while professionals find added value in the more advanced applications. The core of Drupal provides basic services such as user registration, menu management, RSS feeds, lay-outs and system administration. Today, we have reached version 6 and third parties have already written 7,000 additional modules to complement or enhance usability. Drupal now serves as the backbone for at least 1% of all websites worldwide. This varies from information sites, blogs and internet forums to community websites that can be personal or for companies, organisations and governments. The most notable has to be the White House website. Dries Buytaert’s U.S. firm Acquia provided back up for the presidential services in this endeavour. This company, based in Boston, delivers products, services and technical support to Drupal. Buytaert also moved to the U.S. where, in 2008, he launched the Mollom anti-spam service. His innovative, pioneering role has earned him accolades beyond the ICT community in the wider economic forum. The magazine BusinessWeek named him one of the Young Entrepreneurs of Tech in 2008. With the planet as his playing field, Dries Buytaert rarely sets foot on Flemish soil.

Belgian Users Group Buytaert’s ideas are expressed in user groups all around the globe. Meetings of these user groups are characterised by knowledge and experience sharing in an informal environment. Most user groups include someone who co-wrote a new source code.

Koffiemolen, Unfold & Jeroen Maes. Foto: Kristof Vrancken

Belgian followers organise their operations under the Belgian Users Group. What started as a loose association achieved a fixed identity this autumn. The mainly Flemish members come together from diverse locations to share knowledge free from the commercial protectionism that defines competitors. On a dark Monday evening, we witnessed some 50 people gather at Pure Sign, a Ghent web agency specialising in Drupal. The assembled company is almost exclusively male. The dress code is cyberhip or typically nonchalant. The language is civilised Ghent with unmistakably West Flemish intonations. “Most participants are web developers who earn their living custom configuring Drupal, creating own themes [a combination of smaller template elements] and building their own modules. In accordance with the philosophy of open source, we link our source code back to the community. Without a community, there is no Drupal”, explains our host Joachim De Schacht, of Pure Sign.

Do-ocracy and merito-cracy There are many open source systems, such as Joomla, Alfresco, WordPress, Movable Type, TYPO3 and all sorts of attribute extensions such as, for example, Magento for e-commerce. “Most systems have a paying element attached. Drupal is very open in that way: everything is free, based on community, and cooperation is fostered”, says Hans Rossel from Koba in Ghent. He has worked daily with Drupal since 2005. “This is a do-ocracy: whoever does the most has the most to say, regardless of background or experience. 960 people added a piece to the sixth version of Drupal. At a user group meeting, it was revealed that one of the contributions was written by a boy of only nine. It is just as much a meritocracy: authority based on merit. For web developers, participating in a respected open source system is a calling card.” One of the people who helped write the Drupal story is Maarten De Block from the company Websites for SMEs, from Oostkamp. His company builds websites that are exclusively based on Drupal. One of his specialities is style, based on themes. “Drupal provides themes for beginners, so you don’t always have to design from scratch. These are expanded and refined by members of the Drupal community with their own sub-themes and tooling. The advantage of a predefined style – called a skin module – is that you can work quickly and add content in a flexible way.” The Belgian Users Group organises the Drupal Developer Days on 4, 5 and 6 February 2011. The event takes place at the VUB Etterbeek Campus.

www.drupal.be bxl2011.drupaldays.org/


Belgian Users Group Wereldwijd wordt Buytaerts gedachtegoed uitgedragen in zogenaamde users groups. De Open Modular Kitchen. samenkomsten van deze gebruikersgroepen Foto: Kristof Vrancken kenmerken zich door het delen van kennis en ervaringen in een informele sfeer. In de meeste gebruikersgroepen zit wel iemand die meeschreef aan nieuwe broncodes. De Belgische volgelingen organiseren hun werking in de Belgian Users Group. Die startte als een los verband maar kreeg dit najaar een vaste vorm. De voornamelijk Vlaamse leden komen op wisselende plaatsen bijeen voor kennisdeling, wars van commercieel protectionisme tussen concurrenten. Op een duistere maandagavond zijn we in Gent getuige van hoe een 50-tal mensen verzamelt bij Pure Sign, een webbureau gespecialiseerd in Drupal. Het gezelschap is quasi volledig mannelijk. De dresscode is cyberhip of tijdloos onverschillig. De voertaal is beschaafd Gents met onmiskenbare WestVlaamse accenten. “De meeste deelnemers zijn webontwikkelaars die hun geld verdienen met het configureren van Drupal op maat, het plaatsen van eigen themes [een combinatie van kleinere sjabloonelementen] en het bouwen van eigen modules. Volgens de filosofie van open source koppelen we onze broncodes weer terug naar de community. Zonder community, geen Drupal”, vertelt gastheer Joachim De Schacht van Pure Sign.

Do-ocracy en merito-cracy Er bestaan heel wat open source-systemen, zoals Joomla, Alfresco, WordPress, Movable Type, TYPO3 en allerlei daarop toegeschreven uitbreidingen, zoals bijvoorbeeld Magento voor e-commerce. “Aan de meeste systemen hangt een betalend gedeelte. Drupal is op dat vlak heel open: alles is gratis, gebaseerd op community, samenwerking wordt gestimuleerd”, zegt Hans Rossel van Koba uit Gent. Hij werkt al sinds 2005 dagelijks met Drupal. “Dit is een do-ocracy: wie het meeste doet, heeft het meeste te zeggen, los van je achtergrond of ervaring.

Koffiemolen, Unfold & Jeroen Maes. Foto: Kristof Vrancken

Aan de zesde versie van Drupal voegden 960 mensen een stukje toe. Op de bijeenkomst van een users group kwam aan het licht dat een van de contributies geschreven werd door een jongetje van amper negen jaar. Dit is evenzeer een meritocratie: autoriteit gebaseerd op verdienste. Voor webontwikkelaars vormt medewerking aan een gerespecteerd open source-systeem een visitekaartje.” Een van de mensen die zijn stukje meeschreef aan het Drupalverhaal, is Maarten De Block van het bedrijf Websites voor KMO uit Oostkamp. Zijn bedrijfje bouwt websites die uitsluitend gebaseerd zijn op Drupal. Een van zijn specialiteiten is de stijl, gebaseerd op themes. “Drupal voorziet themes voor beginners, zodat je niet steeds vanaf nul moet beginnen ontwerpen. Die worden door de leden van de Drupalgemeenschap uitgebreid en verfijnd met eigen subthemes of bewerkingen. Het voordeel van een voorgedefinieerde stijl – een zogenaamde skin module – is dat je snel kunt werken en op een soepele wijze inhoud kunt toevoegen.” De Belgian Users Group organiseert op 4, 5 en 6 februari 2011 de Drupal Developer Days. Dit evenement vindt plaats op de Campus Etterbeek van de VUB. www.drupal.be bxl2011.drupaldays.org/

59


Doe-het-zelfhandleiding voor de open ontwerper

Do-it-yourself Manual for the Open Designer During the most recent Innovation Festival in Kortrijk, the Budascoop hosted a remarkable exhibition on open design for sustainable innovation: Yes! We’re open. Thomas Lommée of the Brussels design agency Intrastructures. net put together an exhibition of the tangible results of the common design language in networked society. “The evolution of the internet over the past 20 years created the beginning of a networked society. Producers and consumers now have access to a communications infrastructure geared to the sharing and exchanging of information. This shift occasions a profound change in our current creation, production and consumption models. Just as digital cameras democratised photography ten years ago, today the internet, CNC production techniques and free, user friendly 3D software open the door to active participation of the user in the design of new products and services. This means that the participating consumer is no longer judging an object for what it is but is imagining what it could be. So objects develop into dynamic puzzles, selfimproving product versions instead of rigid, prefabricated products. Producers and consumers alike continually enrich the resulting product ecosystem by means of new software and hardware plug-ins, updates and modifications.” Yes! We’re open presented products, services and systems that exist as a result of the common design language. The bicycle, for example, that mundane concept for which anyone in the world can conceive and create parts. Another nice illustration is the numerous applications of the VW Beetle engine: in the past it has been used in racing cars, aeroplanes, generators and even ski lifts. The Do-it-yourself Manual for the Open Designer, available in a poster format during the exhibition, offers an interesting exercise. A simple diagram sets out tips for sharing convictions, ideas, tools and workplaces, interests, experiences and materials. www.intrastructures.net

Tijdens het afgelopen Innovation Festival in Kortrijk liep in de Budascoop de opmerkelijke tentoonstelling Yes! We’re open, over open design voor duurzame innovatie. Thomas Lommée van het Brusselse ontwerpbureau Intrastructures.net stelde een expositie samen van de tastbare resultaten van de gemeenschappelijke ontwerptaal in de genetwerkte samenleving. “De afgelopen 20 jaar ontstond door de evolutie van het internet het begin van een genetwerkte samenleving. Zowel producenten als consumenten hebben nu toegang tot een communicatie-infrastructuur die afgestemd is op het delen en uitwisselen van informatie. Deze verschuiving brengt een grondige verandering van onze huidige creatie-, productie- en consumptiemodellen met zich mee. Net zoals de digitale camera’s tien jaar geleden de fotografie democratiseerden, zetten het internet, CNC-productietechnieken en gratis, gebruiksvriendelijke 3D-software vandaag de deur open naar een actieve deelname van de gebruiker in het ontwerpen van nieuwe producten en diensten. Dit betekent dat de participerende consument een voorwerp niet langer beoordeelt op wat het is, maar zich inbeeldt wat het kan worden. Voorwerpen groeien op die manier uit tot dynamische puzzels, zichzelf verbeterende productversies in plaats van starre, voorgekauwde producten. Zowel producenten als consumenten verrijken hierbij het resulterende product-ecosysteem voortdurend door middel van nieuwe soft- en hardware plug-ins, updates en aanpassingen.” Yes! We’re open presenteerde producten, diensten en systemen die ontstonden door de gemeenschappelijke designtaal. Zoals het eenvoudige, dagdagelijkse concept van de fiets, waarvoor iedereen die dat wil wereldwijd onderdelen bedenkt en maakt. Een leuk voorbeeld vormen de talloze toepassingen van de VW Kever-motor: in het verleden werden die al gebruikt in racewagens, vliegtuigen, stroomgeneratoren en zelfs skiliften. Een interessante oefening biedt de Doe-hetzelfhandleiding voor de open ontwerper, tijdens de expo verkrijgbaar op posterformaat. In een overzichtelijk schema biedt deze tips voor het delen van overtuigingen, ideeën, gereedschap en werkplekken, interesses, ervaringen en materialen. www.intrastructures.net

OS Exhibit (Openstructures) in Z33. Foto: Kristof Vrancken


Samen oplossingen voor architectuur bedenken Wat open source kan betekenen voor architectuur, wordt treffend beleden door Cameron Sinclair. De Amerikaan is medestichter van Architecture for Humanity, een non-profitorganisatie die architecten aanspoort om de gevolgen van humanitaire rampen te helpen aanpakken. Gestart met slechts 700 dollar en een simpele website in 1999, is AFH ondertussen gegroeid tot een internationale draaischijf voor humanitair design. De deelnemende architecten reiken innovatieve oplossingen aan voor huisvestingsproblemen. Dat gaat van de heropbouw van de Iraanse stad Bam na de aardbeving daar, tot New Orleans na de orkaan Katrina, en van de huisvesting van vluchtelingen langs de Afghaanse grens tot de bouw van een sportcentrum annex aidskliniek in Zuid-Afrika. Nadat Sinclair voor zijn baanbrekend werk in 2006 de TED Prize ontving, startte hij met het Open Architecture Network. Dit is een wereldwijd, open source netwerk waar architecten, regeringen en ngo’s ontwerpplannen voor huisvesting kunnen delen en toepassen.

Devising solutions for architecture together Cameron Sinclair aptly demonstrates what open source can mean for architecture. The American is co-founder of Architecture for Humanity, a non-profit organisation that incites architects to help alleviate the aftermath of humanitarian disasters. Set up with only 700 dollars and a basic website in 1999, AFH has since grown into an international hub for humanitarian design. Participating architects find innovative solutions for housing problems. This ranges from the rebuilding of the Iranian city of Bam after it suffered an earthquake to New Orleans following Hurricane Katrina and from housing refugees along the Afghan border to the construction of an AIDS clinic annexed to a sports centre in South Africa. After Sinclair was awarded the TED Prize in 2006 for his pioneering work, he started the Open Architecture Network. This is a global open source network where architects, governments and NGOs can share and apply designs for housing. www.openarchitecturenetwork.org

www.openarchitecturenetwork.org

Open Architecture. Case Study #1, Brussels Cooperation. Foto: Kristof Vrancken

61


Triple Lait, Hugo Meert voor Serax

OPrimeurs Interieur Primeurs Interieur ZOTO 2010

Bertus, Alain Monnens voor Durlet

Christian Oosterlink

Alexandre, Jean-Louis d’Or voor Magnitude


3D-tafel, Michael Bihain voor Feld. Foto: Xavier Delory

Crane, Alain Monnens voor TossB

Mysterious, Niko

Etude Géométrique, Ann Van Hoey voor Serax

63


Hopper, Dirk Wijnants voor Extremis Pivot, Luc Ramael voor Lampfabriek

Doutreligne 7, GBO (Eric Dumortier) voor Piano’s Maene. Foto: GBO

ServiceBin, Alain Monnens voor Wildspirit


MoonLounger, Gerd Couckhuyt voor Wilspirit

Railsysteem On Line, Bart Lens voor Eden Design. Foto: Philippe Van Gelooven

U-chair, Sylvain Willenz voor Feld. Foto: Julien Renault

65


Salsa, Bram Boo voor Vanerum

McDelta, Delta Light

Niva Soft (radiator), Wim Segers voor Vasco

Santiago, Xaveer Claerhour & Barbara Van Biervliet voor Kinetura Lighting – Tal


Desk Overdose, Bram Boo voor Bulo

O’Leaf, Modular

Kimono Club - Geisha (behangpapier), Hookedonwalls

67


Lis (in- & outdoor), Wim Segers voor B by Indera

Ingrid, Luc Vincent voor Z by De Zetel

Field Kitchen, Wim Segers & Roland MattelĂŠ voor Cassecroute


Tentoonstellingen België

O O O O O O O

Antwerpen

Brugge

Erpe

Jewels for the Ladies: Studenten KASKA ontwerpen voor Anita Evenepoel en Marjan Unger tot 23/12/2010 Designcenter De Winkelhaak Lange Winkelhaakstraat 26 03 727 10 30 www.winkelhaak.be

Lightest: Tine De Ruysser, Aline Vandeplas en 6 Estse juweelontwerpers tot 30/12/2010 Aline Vandeplas & Co Langestraat 51

Eindejaarstentoonstelling: Evelyn De Winter, Jeanne Opgenhaffen, Anima Roos, Jan Vander Elst e.a. tot 19/12/2010 Galerij Pi Kwadraat Dorpsstraat 75 053 80 14 12

AGENDA Agenda

Stephen Jones: Het accent op Mode tot 13/02/2011 Modemuseum Nationalestraat 28/1 03 470 27 70 www.momu.be Jan I Moretus en de strijd om de Plantijnse drukkerij tot 16/01/2011 Museum Plantin-Moretus Vrijdagmarkt 22 03 221 14 50 museum.antwerpen.be/plantin_Moretus Voor eer & glorie. Napoleon en de juwelen van het keizerrijk tot 31/12/2010 Provinciaal Diamantmuseum Kon. Astridplein 19-23 03 202 48 90 www.provant.be/diamant Op voorraad: concept by Ineke Heerkens, Jantje Fleischhut en Jeannette Jansen tot 23/12/2010 Silke & The Gallery Steenhouwersvest 49 0474 78 01 37 www.silkefleischer.com Opening Show: Bram Boo, Diane Steverlynck, Martino Gamper, Studio Simple, Scholten & Baijings tot 21/01/2011 Studio Simple 28/01/2011 – 30/04/2011 Valerie Traan Reyndersstraat 12 0475 75 94 59 www.valerietraan.be

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

Helios – Hera: Matei Negreanu en Sandra De Clerck tot 16/01/2011 Art-O-Nivo Wollestraat 25 050 33 50 61 www.artonivo.be

Brussel Wildsmuk tot 31/12/2010 Prijsbeesten 28/01/2011 – 13/03/2011 Design Vlaanderen Galerie Kanselarijstraat 19 02 227 60 68 www.designvlaanderen.be La Belgique des autres tot 02/01/2011 Espace Architecture Flageyplein 19 02 642 24 50 Sophie Heymans, Els Vansteelandt, Gerda De Ceukelaire tot 31/12/2010 Galerie Sophie Heymans Papenvest 15 02 218 80 01 www.sophieheymans.be Amalgame tot 18/12/2010 Iselp Waterloosesteenweg 31 02 504 80 70 www.iselp.be Haute Couture Materiaal Sixties! Bevrijdende kleuren tot 31/12/2010 Museum voor het Kostuum en de Kant Violetstraat 12 02 213 44 50

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

Geel Leo Aerts: 360° Interieur tot 19/12/2010 Cultureel Centrum De Werft www.dewerft.be

Genk Openhuisdagen tot 18/12/2010 StockmansBlauw C-mine 100 089 38 23 62 www.pietstockmans.com

Gent Art nouveau en art deco uit Nederland (Collectie Drents Museum Assen) Maarten Van Severen: De geschiedenis van een icoon tot 27/02/2011 Design Museum Gent Jan Breydelstraat 5 09 267 99 99 design.museum.gent.be Ingrid Arts: Glazen Rust tot 30/01/2011 Galerie Pont & Plas Hooiaard 6 (hoek Graslei) 09 225 07 69 www.pontenplas.be Belichte stad tot 01/05/2011 STAM Godshuizenlaan 2 09 225 11 06 stamgent.be

69


Brody Neuenschwander tot 19/12/2010 Universiteit Gent – Vakgroep Kunst, Muziek en Theaterwetenschappen Sint-Hubertusstraat 2 09 264 39 43 www.kunstbib.ugent.be Gradient: Verzameld werk, Gestalte, Nikolaas Demoen tot 19/12/2010 Verzameld Werk Onderstraat 23 a 09 224 27 12 www.verzameldwerk.be

Hasselt Devout/Devine. Fashion vs Religion 26/06/2010 – 09/01/2011 Modemuseum Hasselt Gasthuisstraat 11 011 23 96 21 www.modemuseumhasselt.be Alter Nature: We Can tot 13/03/2011 Alter Nature, The Unnatural Animal: Tuur Van Balen en Revital Cohen van 28/01/2011 tot 01/05/2011 Z33 Zuivelmarkt 33 011 29 59 60 www.z33.be

Heusden-Zolder Camera Obscura, perspectief en architectuur tot 16/01/2011 De Mijlpaal Brugstraat 45A 011 43 52 02 www.demijlpaal.com

Hornu Belgium is Design. Design for Mankind 6de designtriënnale tot 13/03/2011 Grand Hornu Images Rue Sainte-Louise 82 065 65 21 21 www.grand-hornu.be Giuseppe Penone: des veines, au ciel, ouvertes tot 13/02/2011 MAC’s Grand Hornu Rue Sainte-Louise 82 065 61 38 84 www.grand-hornu.be

Mons

Tentoonstellingen

Europese Triënnale voor Keramiek en Glas Matières Noires: Tjok Dessauvage, Hugo Meert, Frank Steyaert e.a. tot 23/01/2011 Les Etables, Site des anciens abattoirs Place de la Grande Pêcherie 065 40 53 18 www.mons.be

Deggendorf

Trésors Domestiques: la production céramiqie et verrière au pays de Mons tot 09/01/2011 Salle Saint-Georges Grand Place 065 40 53 08 www.bam.mons.be

Duitsland

Angewandte Kunst der GEDOK München tot 13/02/2011 Handwerksmuseum Maria-Ward-Platz 1 www.handwerksmuseum-deggendorf.de

Frankfurt Tradicion Argentina & Vision Argentina tot 30/01/2011 Museum für Angewandte Kunst Schaumainkai 17 +49 69 21 23 40 37 www.museumfuerangewandtekunst.frankfurt.de

Morlanwelz

Frechen

JC + 2010-2011: Cathy Coëz, Véronique Lequeu tot 09/01/2011 La Collection Boch. Le souffle de Promothée tot 13/02/2011 JC + 2010-2011: Antonino Spotto, Didier Toulemonde 22/01/2011 – 27/02/2011 Musée Royal de Mariemont Ch. de Mariemont 100 064 21 21 93 www.musee-mariemont.be

Doris Frohnapfel: Mengen & Teile tot 09/01/2011 Keramion Bonnstrasse 12 +49 22 34 22 891 www.keramion.de

Ronse Jong Bloed VII: Jan & Elisabeth Leenknegt, Roos Vandekerkchove e.a. tot 21/12/2010 Oude Zeepfabriek Fostierlaan 10

Seneffe L’Âme de Sissi, ou la transformation de corps et des objets tot 20/02/2011 Domaine du Château de Seneffe rue Lucien Plasman 6 064 55 89 92 www.chateaudeseneffe.be

Tielrode Galerie Sofie Lachaert is 20 jaar! tot 26/12/2010 Galerie Sofie Lachaert St. Jozefstraat 30 03 711 19 63 www.lachaert.com

Hamburg Ideen Sitzen. 50 Jahre Stuhldesign tot 13/03/2011 Museum für Kunst und Gewerbe Steintorplatz 1 www.mkg-hamburg.de

Hanau 16. Silbertriennale 2010 tot 02/01/2011 Das Antlitz der Taschenuhr 1500-1950 tot 29/05/2011 Deutschen Goldschmiedehaus Altstädter Markt 6 +49 61 81 25 65 56 www.gfg-hanau.de

Heidelberg Vincent Potier 11/21/2010 – 01/06/2011 Galerie Marianne Heller Friedrich-Ebert-Anlage 2 +49 6 22 16 19 090 www.galerie-heller.de

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O

O O O O O O O


Höhr-Grenzhausen

Solingen-Gräfrath

6. Förderpreis der Nassauischen Sparkasse: Mixed Media – Keramik plus tot 31/01/2011 Keramikmuseum Westerwald Lindenstrasse 13 +49 26 24 94 60 10 www.keramikmuseum.de

Brieföffner – Ein Beitrag zur Schreibkultur tot 10/04/2011 Deutsches Klingenmuseum Klosterhof 4 +49 2 12 58 36 10 www.klingenmuseum.de

Idar Oberstein New Traditional Jewellery 14/12/2010 – 15/01/2011 Villa Bengel Wilhelmstrasse 44 +49 67 81 27 030 www.jacob-bengel.de

Leipzig Ulla & Martin Kaufmann: Silber + Gold 5. Internationaler Porzellanworkshop Kahla Kreativ tot 16/01/2011 Grassi Museum Johannesplatz 5-11 www.grassimuseum.de

München Frozen-in Tension tot 27/01/2011 Alexander Tutsek Stiftung Karl-Theodor-Straße 27 +49 89 34 38 56 www.atutsek-stiftung.de Künstlerisches Spielzeug – Spielerische Kunst tot 30/12/2010 Galerie Handwerk Max-Joseph-strasse 4 +49 89 59 55 84 www.hwk-muenchen.de/galerie Herman Hermsen: Motionen tot 24/12/2010 Galerie Spektrum Theresienstrasse 46 +49 89 28 45 90 www.galerie-spektrum.de

Nürnberg Jeppe Hein: 1 x Museum, 10 x Rooms, 11 x Works tot 06/02/2011 Neues Museum +49 91 12 40 22 30 www.nmn.de

Würzburg Schmuckstücke – Neuschöpfungen tot 24/12/2010 Eva Maisch Schmuck Sterngasse 5 +49 93 11 67 03 www.eva-maisch-schmuck.de

Tentoonstellingen

Frankrijk

Meet My Project: Making Of 21/01/2011 – 25/01/2011 Le Lieu du design Rue du Faubourg Saint-Antoine 74 +33 1 40 41 51 05 www.lelieududesign.com Mobi Boom: l’Explosion du design en France 1945-1975 tot 02/01/2011 Circuits ceramiques. La scène française contemporaine tot 20/02/2011 Les Années 1990 & 2000. Histoire idéale de la mode contemporaine vol. 2 tot 26/06/2011 Les Arts Décoratifs Rue de Rivoli 107 www.lesartdecoratifs.fr

Beauvais

Roubaix

Anne Barres: les soufflées, les flêtries tot 18/12/2010 Espace culturel François Mitterrand Rue de Gesvres +33 3 44 15 67 06

Butz & Fouque: Titre tot 16/01/2011 1001 Bols tot 06/03/2011 La Piscine-Musée D’art et d’Industrie Rue de l’Espérance 23 +33 3 20 69 23 60 www.roubaix-lapiscine.com

Lyon Art pour tous. Promenade graphique au cœur des transports Brittaniques 1913-1970 tot 13/02/2011 Musée de l’Imprimerie Rue de la Poulaillerie 13 +33 4 78 37 65 98 www.imprimerie.lyon.fr

Marseille Guilielmus vs Le Corbusier tot 08/01/2011 3e Rue Galerie Cité Radieuse Le Corbusier Bd. Michelet 280 +33 612 49 56 60 www.3emeruegalerie.com

Paris Guilielmus vs Le Corbusier tot 08/01/2011 3e Rue Galerie Rue Saint Martin 164 +33 61 24 95 660 www.3emeruegalerie.com Pentawards 2010 03/01/2011 – 05/02/2011 DesignPack Gallery Rue de Richelieu 24 +33 1 44 85 86 00 www.designpackgallery.com

Tentoonstellingen

Groot-Brittannië

Leigh Lab Craft: Digital adventures in contemporary craft tot 18/12/2010 Turnpike Gallery Civic Square +44 19 42 40 44 69 www.wlct.org

Tentoonstellingen

Nederland

Amsterdam Anne-Marie van Sprang: Images of Yesterday and Before tot 24/12/2010 Galerie de Witte Voet Kerkstraat 135 +31 20 625 84 12 www.galeries.nl/dewittevoet

Breda UnCOVERing Women tot 31/12/2010 Graphic Design Museum Boschstraat 22 +31 76 529 99 07 www.graphicdesignmuseum.com

71


Delft

Tentoonstellingen

Vormgeving met een afscheidskus tot 29/01/2011 Galerie Lous Martin +31 15 213 26 97 www.galerielousmartin.nl

Gmunden Keramiksymposium Gmunden: Gerda Steegmans e.a. tot 15/01/2011 K-Hof, Kammerhof Museen Gmunden Kammerhofgasse 8 +43 76 12 79 44 06 www.museen.gmunden.at

Susanne Silvertant tot 31/12/2010 Galerie Terra Keramiek Nieuwstraat 7 +31 15 214 70 72 www.terra-delft.nl

Wien Hanns Frei und Ingrid Bartel: Körper im Blick tot 30/12/2010 Galerie V&V Bauernmarkt 19 +43 1 53 56 334 www.kunstnet.or.at/V+V

Enkhuizen Huis/Stijl: Kiki van Eijk, Joost van Bleiswijk, Scholten & Baijings tot 10/04/2011 Emmy + Gijs + Aldo: Emmy van Leersum, Gijs Bakker, Aldo Bakker 31/05/2011 Zuiderzee Museum Wierdijk 12-22 +31 228 35 11 11 www.zuiderzeemuseum.nl

100 Best Posters 09 Germany – Austria – Switserland Mihaly Biro: Pathos in red tot 09/01/2011 The Eligius Austrian Jewelry Design Award tot 27/02/2011 Crossover. Two Collections Private and Public tot 27/03/2011 Eva Schlegel tot 01/05/2011 Museum für Angewandte Kunst Stubenring 5 +43 1 71 13 62 33 www.mak.at

Leeuwarden Armando: Het ontembare vuur Kakiemon. Meester-porseleinmakers uit Japan tot 03/04/2011 Keramiekmuseum Princessehof Grote Kerkstraat 11 +31 58 2 94 89 58 www.princessehof.nl

Tentoonstellingen

Utrecht

Aigle

Aziz: Goud tot 06/01/2011 Catharijne Convent Nieuwegracht 63 +31 30 23 13 835 www.catharijneconvent.nl

Hans Rohner – Bijoux & Parures: Chmetz, Buttex, Lecerf, Scherer tot 24/12/2010 Galerie Farel Place du Marché 1 +41 24 466 53 07

Rietvelds Universum tot 30/01/2011 Centraal Museum Agnietenstraat 1 Postbus 2106 +31 30 36 23 62 www.centraalmuseum.nl

Lausanne

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

Oostenrijk

Zwitserland

Tom Dixon – Big-Game tot 24/12/2010 Jean Pierre Goumaz Rue Saint-Martin 11 www.jpgoumaz.ch

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

Face au mur. Papiers peints contemporains Les plus beaux livres suisses tot 13/02/2011 Mu.dac Place de la Cathédrale 6 +41 21 315 25 30 www.mudac.ch

BEURZEN Beurzen De Invasie van Kortrijk 19/03/2011 – 20/03/2011 Info: De Invasie vzw, Oudeburgse Sluis 9, 9185 Wachtebeke 09 330 53 28 www.deinvasie.be Sfeer 19/03/2011 – 27/03/2011 Info: Decofair, Terhulpsesteenweg 181, 1170 Brussel 02 663 14 24 www.sfeer.be Eunique 2011 27/05/2011 – 29/05/2011 Info: Karlsruher Messe- und Kongress-GmbH, Postfach 1208, 76002 Karlsruhe +49 721 37 20 51 26 www.eu-nique.eu DMY International Design Festival 01/06/2011 – 05/06/2011 Info: DMY Berlin GmbH & Co. KG, Am Flutgraben 3, 12435 Berlin +49 30 53 21 31 28 www.dmy-berlin.com Maison & Objet 21/01/2011 – 25/01/2011 Info: SAFI, 4, Passage Roux, 75850 Paris Cedex 17 +33 1 44 29 02 18 www.safisalons.fr Collect 06/05/2011 – 09/05/2011 Info: Crafts Council, 44a Pentonville Road, N1 9BY London Islington, UK +44 20 72 78 77 00 www.craftscouncil.org.uk

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O


O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O

WEDSTRIJDEN Wedstrijden

Roca International Design Contest Jump the Gap inschrijven tot 31/01/2011 Innovatieve producten voor de badkamer. Info: Barcelona Design Center, Av. Diagonal, 452-454, 5a pl., 08006 Barcelona +34 932 18 28 22 www.jumpthegap.net

Juwelen & zilversmeden Friedrich Becker Prize Düsseldorf 2011 inschrijven tot 14/03/2011 Info: Gesellschaft für Goldschmiedekunst, Altstädter Markt 6, D-63450 Hanau +49 61 81 25 65 56 www.gfg-hanau.de

Einfach Spitze 11/06/2011 – 07/09/2011 inschrijven tot 20/01/2011 Objecten geïnspireerd op kant, maar vervaardigd in niet-textiel materiaal Info: Handwerksform Hannover, Berliner Allee 17, D-30175 Hannover 1 +49 51 13 48 59 www.hwk-hannover.de 4. Internationaler Wettbewerb für Kleinformate inschrijven tot 18/01/2011 Thema: Freiheit Info: Quilts und Mehr, Gudrun Heinz, Westliche Karl-Friedrich-Straße 24, 75172 Pforzheim +49 72 31 35 60 08 www.quiltsundmehr.de

Keramiek Algemeen Commerce Design Brussels Award inschrijven tot 30/09/2010 Wedstrijd voor design van handelszaken (2007-2010) Info: Pro Materia, Onze-Lieve-Vrouw Van Vaakstraat 2, 1000 Brussel 02 768 25 10 www.promateria.be

9th International Ceramics Competition Mino inschrijven tot 10/01/2011 Info: International Ceramics Festival Mino, Japan Executive Committee, 4-2-5 Higashimachi, 507-0801 Tajimi City, Gifu-Pref. +81 572 25 41 11 www.icfmino.com

Textiel en papier

Index 2010 inschrijven tot 17/12/2010 Info: Index, Bredgade 66, DK-1260 Copenhagen +45 33 89 20 05 www.designtoimprovelife.dk

Kaunas Art Biennal Textile 11 inschrijven tot 15/02/2011 Info: Kaunas Art Biennal Textile, Rotuses sq. 27, LT 44279 Kaunas +370 61 25 61 71 www.biennal.lt

Einfach Spitze 11/06/2011 – 07/09/2011 inschrijven tot 20/01/2011 Objecten geïnspireerd op kant, maar vervaardigd in niet-textiel materiaal Info: Handwerksform Hannover, Berliner Allee 17, D-30175 Hannover 1 +49 51 13 48 59 www.hwk-hannover.de

Artapestry 3 inschrijven tot 31/03/2011 Info: European Tapestry Forum, Kastelvej 6 o.g., 2100 Kobenhavn +45 26 70 20 24 www.tapestry.dk

Glas International Strasburg Glass Prize 2011: Hors Limites inschrijven tot 31/12/2010 Info: European Studio Glass Art Association www.esgaa.org

Industriële vormgeving Red Dot Award: Product Design 2011 inschrijven tot 09/02/2011 Inschrijven kan nu in meerdere categorieën Info: Design Zentrum Nordrhein Westfalen, Gelsenkirchener Strasse 181, D-45309 Essen +49 201 30 10 40 www.red-dot.de

Stickstich 011: Embroidered Living Space Construction inschrijven tot 28/02/2011 Nieuwe toepassingen voor borduurwerk Info: Verein Vogtländische Textilgeschichte Plauen, Obstgartenweg 1, 08529 Plauen +49 37 41 44 31 87 www.stickstich-designpreis.com 7ème Triennale internationale des arts textiles contemporains de Tournai 10/06/2011 – 25/09/2001 inschrijven tot 01/02/2011 Info: Triennale de la Tapisserie et des Arts de Tissu, Boulevard des Frères Rimbaud 1, 7500 Tournai 069 84 61 05 www.triennaletournai.be

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O 73


O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O

I don’t know where I’m going but I want to be there 18/12/2010 Info: Graphic Design Museum, Boschstraat 22, NL-4811 GH Breda +31 76 529 99 07 www.graphicdesignmuseum.com

O O O O O O O O

Grafische Vormgeving

O O O O O O O O

IV International Glass Festival 2001 Luxembourg 26/08/2011 – 28/08/2011 inschrijven tot 01/02/2011 Info: Art-Glass Luxembourg, Maison 180, 9940 Asselborn www.art-glass-verre.com

O O O O O O O O

GAS Conference 2011 01/06/2011 – 04/06/2011 Info: Glass Art Society, 3131 Western Ave Ste 414, WA 98121 Seattle +1 20 63 82 13 05 www.glassart.org

O O O O O O O O

Glas

O O O O O O O O

Aart van Bezooyen (Material Stories) 21/12/2010 L’Escaut 01/02/2011 Marina Toeters 08/02/2011 Ted Noten 15/02/2011 Bulk Architecten 22/02/2011 Maurice Mentjens 01/03/2011 A-Z Lezingen Info: Design Platform Limburg, Zuivelmarkt 33, 3500 Hasselt 011 29 59 85 www.a-zlezingen.be

O O O O O O O O

Algemeen

O O O O O O O O

Cursussen, Cursussen workshops, workshops conferenties conferentes en lezingen en lezingen

NIEUWS Nieuws

Juwelen en zilversmeden

Prijzen

Open edelsmeed-atelier Sint Lucas Antwerpen Sint Lucas Antwerpen wil graag zijn ateliers openstellen, niet alleen om gebruik te maken van machines en gereedschappen, maar ook en vooral om ideeën zowel technisch als inhoudelijk samen te bespreken. Siegfried De Buck heeft de leiding over dit open edelsmeed-atelier. Hij initieert je – indien nodig – in het zilversmeden, en geeft daarnaast ook waardevolle feedback. Ook met de docenten Hilde Van der Heyden, Pia Clauwaert en Hilde De Decker kan een afspraak gemaakt worden voor een werkbespreking. Praktisch: het atelier zal twee woensdagen per maand van 16 u. tot 20 u. geopend zijn. Breng best het nodige materiaal en je voorbereidende schetsen mee. Info: Sint Lucas Antwerpen, Sint-Jozefstraat 35, 2018 Antwerpen, 03 223 69 70

Artistiek doctoraat voor David Huycke David Huycke is ontwerper en zilverkunstenaar. Hij behaalde een artistiek doctoraat, i.s.m. de K.U.Leuven en de UHasselt, rond het thema van de eeuwenoude granulatietechniek. Granulatie is een versieringstechniek waarbij soms wel tienduizenden kleine metalen bolletjes of granules, meestal in een ornamentele of figuratieve compositie, verbonden worden met een metalen ondergrond. Vanuit een eerste vraagstelling werd gezocht naar de constructieve mogelijkheden van granulatie in sculpturaal zilverwerk. Naast dit eerder technische uitgangspunt ontstond een tweede, meer conceptuele vraagstelling, naar de expressieve mogelijkheden van granulatie voor sculpturaal zilverwerk. De output van het project is tweeledig. Enerzijds ontwikkelde zich, in wisselwerking met de artistieke praktijk, een proefschrift waarbij de intellectuele en praktische processen die nodig waren om tot het artistieke werk te komen, onderbouwd werden. Anderzijds mondde het uit in de tentoonstelling in Z33 waar een 40-tal objecten als artistiek onderzoeksresultaat getoond werden.

Textiel en papier Int. Conference on Contemporary Textile Art 16/05/2011 – 20/05/2011 Info: World Textile Art, 4640 N.W. Doral Court, FL, 33178 Miami +1 78 65 46 80 17 www.wta-online.org

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O

Design for Europe – Interieur 2010 De Design Vlaanderen Prijs in deze competitie ging naar Raphaël Charles met Multiple en Ann Van Hoey met Etude Géométrique. Prijs Buggenhout, Kunstprijs Pieter Vanneste In deze editie kwamen keramische sculpturen aan bod. 49 kunstenaars lieten 87 werken beoordelen. Rudy Burm won deze prijs met zijn werk Grote vorm. De jury was gecharmeerd door het harmonische en poëtische geheel dat Burm creëerde. Pentawards 2010 De Pentawards zijn de belangrijkste prijzen in de verpakkingssector. Twee Belgische bedrijven vielen in de prijzen: bronzen Pentawards gingen naar Desgrippes & Laga Brussels voor de verpakking van V8-drankjes en naar Monalisa voor Tom&Co-dierenvoeding.


Fidias Awards Professionele interieurarchitecten konden voor deze prijs inschrijven in vier categorieën: privé, commerciële gebouwen, scenografie en meubelontwerp. In de categorie privé en meubelontwerp won Marc Supply met een verblijf voor een tweeling. In de categorie ecologie won Jaga met een beursstand ontworpen door Stefan Put. Silbertriennale Hanau Deze wedstrijd wordt sinds 1965 georganiseerd. De Robbe & Berking Prijs ging dit jaar naar Astrid Keller en Nilton Cunha. Nilton won deze prijs voor zijn groot vakmanschap in het werk The Four Winds. Het minimalistische design wordt gecombineerd met een fascinerend spel van licht en schaduw. Red Dot Award: Communication Design 2010 Kreon heeft recent deze prijs in ontvangst mogen nemen voor zijn beursstand op Light + Building 2010 in april. Het is een bekroning voor de consistente communicatie die Kreon altijd heeft gevoerd. Alle communicatiemiddelen hebben tot doel om Kreons visie op architecturale verlichting uit te drukken. The 9th Triennial Exhibition of Arts in Makurazaki, Japan Met haar inzending Thoughtless Freedom, een 2-delig batikwerk, wist de Aalsterse Hélène De Ridder de jury te bekoren en is ze hiermee de enige Europese inzending die mag deelnemen aan deze 9th Triennial Exhibition of Arts in Makurazaki te Japan.

Varia Diatomee Diatomee is een performance waarin muziek en zilveren objecten versmelten. Er wordt een confrontatie aangegaan tussen, enerzijds, een installatie met twaalf zilveren objecten van de hand van zilversmid Helena Schepens en, anderzijds, een nieuwe compositie voor hobo en twee sopraansaxen van Axelle Kennes. Deze performance is nog te zien op 17 en 18 december in Galerie Van Campen & Rochtus te Antwerpen, op 15 januari in De Mijlpaal te Heusden-Zolder, op 20 maart in het Design Museum te Gent en op 7, 21 en 22 mei in het Château de Seneffe.

Design Vlaanderen Nieuws Samen met Wesel Art Gallery brengt Design Vlaanderen de tentoonstelling Wildsmuk in de Design Vlaanderen Galerie, over juwelen waarin het ‘wilde’ aspect belangrijk is. ‘Wild’ als in: voorkomend in de natuur, onbeheerst, onstuimig, ongecultiveerd, niet meer onder controle zijnd. Deze tentoonstelling is nog tot 31 december te ontdekken.

Vlaamse producten en ontwerpers vallen niet alleen bij Design Vlaanderen in de prijzen. Het afgelopen jaar was bijzonder interessant en vele ontwerpers en bedrijven werden terecht gehonoreerd. De tentoonstelling Prijsbeesten geeft hen van 28 januari tot 13 maart 2011 de ereplaats die ze verdienen en biedt het publiek de kans ze na de tijdschriften nu ook in realiteit te zien. De tentoonstelling is ideaal combineerbaar met de tentoonstelling rond de Henry van de Velde Awards & Labels 2010 in het Vlaams Parlement. De 6de designtriënnale Belgium is Design. Design for Mankind, een initiatief van Design Vlaanderen, kadert in het tentoonstellingsprogramma ter gelegenheid van de tweehonderdste verjaardag van de site Grand-Hornu. Thema van deze 6de triënnale is het maatschappelijke belang van design. De tentoonstelling in Grand Hornu Images brengt geen inventaris en toont niet de nieuwste producten, maar onderzoekt hoe design via zijn impact op de fundamentele behoeftes van de mens, de levenskwaliteit kan verhogen. Begrippen als service design, social design en user-centered design zijn aan de orde, evenals duurzaamheid en levenskwaliteit. De tentoonstelling is nog te bezoeken tot 27 februari 2011. Ter gelegenheid van deze designtriënnale wordt ook een rijkelijk geïllustreerd boek uitgegeven door Stichting Kunstboek, met tal van essays en productbeschrijvingen. Design Vlaanderen reikt op 18 januari in het Vlaams Parlement voor de 17de maal de Henry van de Velde Awards & Labels uit. Deze internationaal gewaardeerde designprijs honoreert een Jong Talent, een Bedrijf, een Publieksprijs en een Loopbaan. Daarnaast worden de OVAM Ecodesign Award PRO en de Henry van de Velde Labels uitgereikt aan Vlaamse topproducten. De bijhorende tentoonstelling is te bezichtigen in De Loketten van het Vlaams Parlement van 19 januari tot 26 februari en wordt ondersteund door een gratis catalogus. De Awards blijven een geheim tot de uitreiking, maar de Labels zijn ondertussen wel al bekend: CLS, een mobiele harde schijf van Sylvain Willenz voor Freecom Technologies; Das Brett, een boekenplank van Kaspar David Hamacher; Diabolo, een kinderbordje van Koert Vanoverbeke/Pars Pro Toto voor Hoppop; Grand Prix, een tapijt van Bart Goderis voor B.I.C. Carpets; °On Line, verlichting van Bart Lens/Objetbart voor Eden Design; Sanaa, een modulaire vitrinekast van Pieter Lesage en Alexander Crolla (Concrete) voor Meyvaert Glass Engineering; Souffle, een kapstok van Miel Cardinael en Sven Goemaere.

Design Korea organiseert jaarlijks een groots evenement waarin design wordt neergezet als een belangrijke groeimotor voor de 21steeeuwse, kennisgedreven economie. In hun Design Business Festival gaan ze dieper in op de meest recente trends en informatie aan de hand van conferenties en tentoonstelling. Op de tentoonstelling G20 Best Design toonde Design Vlaanderen begin december de Henry van de Velde Awards & Labels 2009. Design Vlaanderen brengt nogmaals Je suis dada naar het buitenland. Je suis dada is een tentoonstelling rond surrealisme en design en bezocht eerder al Turijn, Wenen, Praag, Brussel, Milaan, Oslo en Luik. Van 17 december tot 30 januari is de eigenzinnige tentoonstelling te bezichtigen in Madrid, in de gebouwen van de Fundación Carlos de Amberes. Je suis dada toont objecten met een dubbele bodem, vol poëzie, ironie en relativering. Functionaliteit en schoonheid worden niet als enige of zelfs niet eens als voorwaarden meer vooropgesteld. Besturen en organisaties zien het als een uitdaging om hun dienstverlening te verbeteren. Dit komt immers zowel de burger als de werknemer ten goede. Daarom heeft Design Vlaanderen in samenwerking met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten een Service Design Toolkit ontworpen. De bedoeling van die toolkit bestaat erin om besturen en organisaties te helpen om hun dienstverlening te verbeteren. In enkele trainingssessies kunnen deelnemers kennismaken met de toolkit. Een eerste sessie vindt plaats op 24 februari in CC De Werft in Geel, een tweede op 22 maart in Het Achterhuis in Gent en een derde op 1 april bij Namahn in Brussel. Deze training richt zich op personen die de rol van procesbegeleider willen opnemen om besturen en organisaties bij te staan wanneer die hun dienstverlening vanuit mensgericht denken willen verbeteren. Deze procesbegeleider kan iemand zijn van het lokale bestuur zelf, of eventueel een externe persoon. Inschrijven kan binnenkort via www.vvsg.be

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O 75


{ O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

Jens Dawn grafisch ontwerp O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

www.jensdawn.be


KWINTESSENS Kwintessens Mode MODE

Vlaams tijdschrift voor vormgeving en mode 4de trimester, jaargang XIX abonnement € 23,55 los nummer € 6,25


Colofon Colophon

4de trimester, jaargang XIX 4th trimester, volume XIX

Hoofdredacteur Editor in chief

Veerle Windels Auteurs Authors

Mieke De Lombaerde Frank de Roover Stéphanie Duval Jolien Vanhoof Jasmijn Verlinden Veerle Windels Fotoshoot Photo shoot

Yves De Brabander Redactieadres Editorial offices

Flanders Fashion Institute Nationalestraat 28/2 2000 Antwerpen T +32 (0)3 226 14 47 F +32 (0)3 232 63 96 E ffi@modenatie.com W www.ffi.be Vormgeving

1

Druk Printing

Sint-Joris Vertaling Translation

ElaN Translations DataTranslations

Abonnementen kunnen schriftelijk of telefonisch worden aangevraagd op het adres van Design Vlaanderen of door overschrijving van € 23,55 op het rekeningnummer BE 16 0912 2120 3374. Subscriptions may be requested in writing or by telephone by contacting the Design Flanders editorial offices or by transferring EUR 23.55 to bank account number IBAN BE 16 0912 2120 3374. Adreswijzigingen worden gemeld op het redactieadres. Changes of address may be sent to our editorial offices. Niets uit deze uitgave mag worden gebruikt zonder toestemming van de uitgever. © Design Vlaanderen Nothing contained in this publication may be used, whether in part or in whole, without the publisher’s consent. © Design Flanders Alle adressen van designers, kunstenaars, galeries e.a. kunnen bij Design Vlaanderen verkregen worden. The addresses of designers, artists, galleries and other information are available upon request from Design Flanders

1

Stephan Schneider à la carte

Jolien Vanhoof

4

Raphaëlle H’Limi heeft lak aan platgetreden paden 5

Raphaëlle H’Limi doesn’t care for the well-worn path

Jasmijn Verlinden

6

Verloren in het breigoed: Lindsey Pauwels 7

Lost in knitwear: Lindsey Pauwels

Stéphanie Duval

7

Japanse dromen: Izumi Hongo 8

Japanese dreams: Izumi Hongo

Jolien Vanhoof

9

15

Fotoshoot Black+Eyed Spot on … America 15

Spot on … America

Stéphanie Duval

17

Design

Jens Dawn

Stephan Schneider à la carte

Devout/Divine. Fashion vs. Religion 18

Devout/Divine. Fashion vs. Religion

Frank de Roover & Mieke De Lombaerde

20

Les Belges breken door in Parijs 21

Les Belges make a breakthrough in Paris

Veerle Windels

23

Nieuws en telex 23

News and telex


Stephan Schneider Stephan Schneider carte àalalacarte

Jolien Vanhoof

In de modewereld wordt een nuchtere kijk altijd geapprecieerd. Plannen doet enfant non-terrible Stephan Schneider liever niet, maar terugblikken op zijn zestienjarige modecarrière doet hij met veel plezier. Hij opent de deur van zijn boetiek in de Antwerpse Reyndersstraat en praat met een relaxte flair over lekkere broodjes, lesgeven in Berlijn en vingerverf. Stephan Schneider (°1969) is een fervent vegetariër en heeft wat met eten. Hij vergelijkt een modeontwerper wel eens met een chef-kok die zijn klanten kan plezieren met een beperkte menukaart. “Als ik op restaurant een lekker gerecht kies, bestel ik dat graag opnieuw bij een volgend bezoek. Waarom voor iets anders gaan als dat ene bord je bevalt?”, aldus Stephan. “Dat geldt ook voor kleding. Als een klant hier twee jaar geleden de perfecte broek kocht, moet hij vandaag een gelijkaardig model in het aanbod terugvinden.” Fans van de ontwerper kunnen op beide oren slapen: vernieuwen is geen must voor Stephan Schneider. Hij vindt het belangrijker dat klanten zich herkennen in zijn collecties. “Bij een bakker die al 20 jaar dezelfde geliefde broodjes bakt, staat men toch ook in de rij aan te schuiven?”

Limousine vol Japanners Van bij het begin zweert Stephan Schneider bij een persoonlijke aanpak. Twee jaar na zijn studie aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten opende hij al een eigen winkel met een mannen- en vrouwenlijn. Het directe contact met klanten boeit hem mateloos, fikse eisen en tierlantijntjes inbegrepen. “Hier in de winkel pik ik op wat zij verwachten van een collectie. Voelt de stof comfortabel aan? Is de snit flatterend? Zit de kleur goed? Die wensen helpen mij om een draagbaar silhouet neer te zetten. Ik maak nu eenmaal dingen die verkopen. Dat is mijn imago.” Wonen en leven deed Stephan jarenlang op de bovenverdieping van het winkelpand. Dat die eerste periode uit zijn carrière een financiële uitdaging was, steekt de ontwerper niet onder stoelen of banken. Het beetje geld dat hij verdiende, investeerde hij meteen weer in de zaak. Maar er zijn ook hoogtepunten. Zoals

Stephan Schneider Schneider aà la carte Stephan la carte In the world of fashion, a sober outlook is always appreciated. Enfant non-terrible Stephan Schneider doesn’t particularly care for planning ahead, but he does very much enjoy looking back over his sixteen-year career in fashion. He opens the door to us at his boutique on the Reyndersstraat in Antwerp, and speaks with relaxed flair about tasty bread rolls, teaching in Berlin and finger paint. Stephan Schneider (°1969) is a fervent vegetarian who has a thing for food. He likes to compare a fashion designer with a head chef who succeeds in pleasing his customers with only a short menu. “If I choose a dish in a restaurant that turns out to be delicious, I am quite happy to order it the next time I come. Why go for something different if you enjoy that one dish?” Stephan asks. “The same is true for clothing. If a customer came in two years ago and bought the perfect pair of trousers, it should be possible for him to find a similar pair today.” Fans of the designer can sleep soundly: constant innovation is not a must for Stephan Schneider. He thinks it more important that customers identify with his collections. “Your favourite baker’s been making the same, tasty bread rolls for the last 20 years. But you still queue up for more, don’t you?”

Limousine full of Japanese businessmen Stephan Schneider has sworn by the personal approach from the very beginning. Just two years after graduating from the Antwerp Academy of Fine

79


die keer dat een limousine vol Japanners voor de deur van zijn boetiek stopte. Ze boden hem een licentiecontract aan en zetten hem op de modekaart. Vandaag hangt Stephan Schneider wereldwijd aan de kapstok. Van Duitsland, Italië, Frankrijk en Hongkong tot Canada en Los Angeles. “De voorbije jaren schommelt het aantal verkooppunten steeds rond de zeventig”, vertelt hij. “Het zijn stabiele contacten met wie ik een goede verstandhouding heb opgebouwd. Sommige winkeliers ken ik al sinds mijn jaren aan de academie. Dat is het mooie aan mode: je bereikt er wereldwijd zoveel mensen en culturen mee. Wel vreemd dat mijn collecties te koop liggen in landen waar ik zelf nog nooit voet aan grond heb gezet.”

Sympathieke kleding Of hij met zijn ontwerpen bepaalde gedachten en gevoelens wil oproepen? Stephan is blij dat de vraag hem een keer in het Nederlands wordt gesteld. Hij heeft er intussen immers het perfecte woord voor gevonden: sympathie. Kleding moet een glimlach ontlokken en mag volgens Schneider geen afstand ten opzichte van

anderen creëren. “Niet zoals de in zwart gehulde goths die je op straat in een boog voorbijloopt”, lacht hij. De ontwerper hanteert al jaren hetzelfde handschrift, een persoonlijke filosofie waaraan hij steeds trouw blijft: stoffen die hij graag oververft met andere kleuren, mooie jacquardmotieven, draagbare tops, broeken en jasjes in katoen met fijne details. En vooral collecties die continuïteit uitademen. Die typische stijl ontwikkelde Stephan tijdens zijn eerste jaar aan de academie, waar hij deel uitmaakte van de nieuwe generatie. Van hen werd iets tegendraads verwacht, weg van de avant-garde van de Antwerpse Zes. “Ik was mij destijds sterk bewust van die nood aan verandering”, zegt hij. “Dus speelde ik met dure en verfijnde stoffen, iets wat in het begin van de jaren 90 bijna taboe was. Kleding mocht niet chic zijn, wel rauw, afgewassen en gescheurd.”

Meester Schneider Nooit had hij gedacht met die ongecompliceerde ontwerpstijl voor een klas te staan. Maar het aanbod van de Berlijnse Universität der Künste om Vivienne Westwood in 2007 als hoofddocent te vervangen, deed zelfs de onverstoorbare Schneider zweven. Bovendien haalde hij het van zijn Duitse collega-ontwerpers Bernhard Willhelm, Dirk Schönberger en Lutz Hülle. Stephan was zo gecharmeerd dat hij de job meteen aanvaardde. Wekelijkse pendel-

tripjes tussen Berlijn en Antwerpen, eindeloze voorbereidingen en tijdsgebrek neemt hij er zonder morren bij. Intussen zit er toch zoveel routine in zijn werk als modeontwerper, dat zijn collecties toch nog op tijd de deur uitgaan. Waar hij soms wel over piekert, is zijn lesmethode. “Ik werk niet binnen afgebakende frames en praat weinig over eigen ervaringen. Misschien moet ik mijn studenten strikter begeleiden en hen behoeden voor valkuilen. Anderzijds wil ik hen een eigen stijl laten ontwikkelen en dus moeten ze voldoende ruimte krijgen om zelf fouten te maken.” Zestien jaar geleden begon ook Stephan Schneider met een blanco blad dat hij gaandeweg met een frisse en kinderlijke kijk heeft ingevuld. “Ik heb hierboven nog krijt en vingerverf uit mijn kleutertijd staan”, zegt hij lachend. “Bij elke nieuwe collectie word ik opnieuw een beetje kind. Dan haal ik mijn knutseldoos boven om een sfeerbeeld te scheppen en stoffen te testen.”

Anti-mode Op het einde van het gesprek wordt Stephans toon wat ‘droger’. Hij houdt van mode, maar ook van de vrijheid om er morgen afscheid van te kunnen nemen. Zonder boe of bah. Wisselende trends boeien de ontwerper niet. En de luxemode van grote huizen laat hem al helemaal koud. Om nog maar te zwijgen van wervelende

Arts, he opened his own boutique of men and women’s clothing. He derives immense satisfaction from dealing with customers directly, tough demands and fancy requests included. “Here in the boutique, I pick up on what they expect of a collection. Does the fabric feel comfortable? Is the cut flattering? Is the colour right? These wishes help me pen a wearable outline. At the end of the day, I make things that sell. That’s my image.” Stephan lived on the top floor of the shop building for a number of years. The designer makes no secret of the fact that the early period of his career was financially challenging. The little money that he did make went right back into the business. But, there were good times too. Like when a limousine full of Japanese businessmen pulled up outside the door of his boutique. The licencing contract they offered him put him on the fashion map. These days, Stephan Schneider is known around the world: from Germany, Italy, France and Hong Kong to Canada and Los Angeles. “The sales outlets have hovered around the 70-mark for the last few years,” he tells us. “They are all stable contacts with whom I have built up a good understanding. I’ve known some of the retailers since my time at the Academy. That’s the nice thing about fashion: you reach so many people and cultures around the world with it. One weird thing though is that my collections are for sale in countries in which I myself have actually never set foot.”

Affable clothing Does he want his designs to conjure up a particular set of thoughts or feelings? On this occasion Stephan is glad that the question comes in his native tongue, Dutch. This is because he has already found the perfect word for it: “sympathie” - perhaps best translated in English as affability. Clothing should elicit a smile and, according to Schneider, it shouldn’t create distance towards other people. “Not like those black-clad goths you have to take a wide berth around in the street,” he says with a smile. The designer has used the same signature for years now, a personal philosophy to which he has always adhered: fabrics which he likes to re-dye with other colours, beautiful jacquard motifs, wearable tops, finely detailed cotton trousers and jackets. And above all, collections that show real continuity. Stephan devel-


shows. “Wat een verouderd concept: het glaasje champagne, de goodie bag en de luxebehandeling van de front row.” Tijdens zijn laatste defilé in 2007 liet Schneider het publiek dan ook graag rechtstaan. Zijn thema? Het echte feestje vindt backstage plaats. De reacties waren niet mals: een kwartier zonder stoel? Ongehoord! “Ach, misschien ben ik gewoon te oud voor zulke shows”, bedenkt Stephan zich. Met catwalks is hij sindsdien gestopt. Klanten en pers staat hij nu te woord in zijn showroom. “Hier kunnen ze de kleren van dichtbij zien en voelen. Niets boven tastbare mode!” Het heeft even geduurd voordat hij er zich goed bij voelde, maar vandaag is Stephan apetrots op zijn kleine imperium. De druk om uit te breiden naar een grotere showroom, ontelbare winkels en een duizendkoppig team is er niet langer. “Ik ben oprecht tevreden dat we nog steeds in de Reyndersstraat zitten, in het pand waar ik mijn eerste modestappen zette. Die kleinschaligheid geeft me de nodige ademruimte. Omdat ik onafhankelijk ben, kan ik mijn innerlijke stem blijven volgen. Misschien stop ik ooit wel met ontwerpen. Als mijn buikgevoel dat ingeeft, waarom niet?”

oped this typical style in his first year at the Academy, where he was part of a new generation. They were expected to come up with something different, far away from the avant-garde designs of the Antwerp Six. “I was well aware of the need for change at that time,” he says. “So I played around with expensive and refined fabrics, something that was almost taboo in the early 1990s. Clothing couldn’t be chic back then, it had to be raw, faded and torn.”

Schneider the master Never did he imagine that this uncomplicated design style would place him in front of a class. But an offer from the Berlin University of the Arts, to replace Vivienne Westwood as senior lecturer in 2007, made even the normally unflappable Schneider flutter. What’s more, he was selected over some of Germany’s own designers: Bernhard Willhelm, Dirk Schönberger and Lutz Hülle. Stephan was so taken by the offer that he accepted the job immediately. He handles the weekly commutes between Berlin and Antwerp, the endless preparations and the time pressure without a grumble. In fact, these days there is so much routine in his work as a fashion designer that he still gets his collections out of the door on time. One thing that does worry him sometimes is his teaching method. “I don’t operate within predefined boundaries, and I say little about my own experience. Perhaps I should give my students stricter guidelines and warn them of the pitfalls. On the other hand, I want to get them to develop a style of their own, so I have to give them plenty of space to make their own mistakes.” Sixteen years ago, Stephan Schneider also started out with a blank sheet, which he gradually filled with a fresh and childlike outlook. “I still have chalk and finger paint up here, from when I was a kid,” he says with a laugh. “I’m still a bit of a kid when I start on a new collection. I get out my hobby box to create an atmospheric picture and test fabrics.”

Stephan’s tone gets a little “drier” at the end of the interview. He loves fashion, but he also loves the freedom to say goodbye to it tomorrow. Without so much as a word. The designer is not into changing trends. And the luxury fashion of the big brands leaves him cold. Not to mention the dazzling shows. “What an outmoded concept: the glass of champagne, the goodie bag and the VIP treatment for the front row.” Indeed, at his last fashion show in 2007, Schneider was happy to leave his audience standing. His theme? The real party is taking place backstage. The reactions were far from appreciative: Fifteen minutes without a chair? Outrageous! “Ah well, maybe I’m just too old for that sort of show,” says Stephan pensively. Since then, he has stopped doing runway work completely. He now talks to his customers and the press in his showroom. “Here, they can see the clothes close up and touch them. Nothing beats fashion you can touch!” It took a while before he began to feel good about it, but today Stephan is extremely proud of his little empire. He no longer feels the urge to expand into a bigger showroom, open countless boutiques or employ a thousandstrong team. “I am genuinely pleased that we are still here in Reyndersstraat, in the building in which I took my first steps into fashion. This small scale gives me the room I need to breathe. Because I’m independent, I can keep following my inner voice. One day I might even stop designing. If that is what my instincts were to tell me, why not?”

Anti-fashion

81


Over Mode Opleiding Geen enkele modeontwerper die anders zal beweren: met een goede opleiding kom je een heel eind. Tim Van Steenbergen dankt er zijn draperingstechniek aan, Dries Van Noten zijn etnische feel. Autodidacten als Raf Simons, Xavier Delcour en Nina Meert loop je ook weleens tegen het lijf, maar ze zijn eerder uitzondering dan regel. Nergens ter wereld is de band tussen mode en onderwijs trouwens zo duidelijk als in Vlaanderen; geen privéscholen die zich enkel focussen op winstgevende prestaties, wel een reeks artistieke opleidingsinstituten met een sterk uitgebouwde modeafdeling. Die departementen kwamen er niet zonder slag of stoot. Modeontwerp heeft zich altijd flink moeten bewijzen tegenover de traditionele kunsten.

Pioniers als Mary Prijot (Antwerpen), Ronny Martin (Gent) en Francine Pairon (La Cambre) streden ambitieus en onverstoord in the name of fashion. Ze wilden jonge ontwerpers de kennis en vaardigheden bijbrengen die nodig zijn om internationaal succes te proeven. En dat deden ze wonderwel. Zij en hun opvolgers leverden de voorbije decennia enkele topnamen af, zoals de Antwerpse Zes, Bruno Pieters, Olivier Theyskens, Veronique Branquinho en Kris Van Assche. De Belgen en hun avant-gardestijl doen op de buitenlandse catwalk zelfs zo veel belletjes rinkelen, dat jong talent van overal kiest voor een modeopleiding in Vlaanderen. Kwintessens voelde de Parisienne

No fashion designer would disagree: a good education stands you in good stead. Tim Van Steenbergen owes his draping technique to it, Dries Van Noten his ethnic feel. Of course, you will run into self-taught designers such as Raf Simons, Xavier Delcour and Nina Meert, but they are more the exception than the rule. Nowhere in the world, indeed, is the link between fashion and education as abundantly clear as in Flanders; no private schools dedicated to profit-spinning achievements, but a range of artistic institutes with strong fashion departments. These departments took some setting up. Fashion design has always had to prove its worth in the face of the traditional arts. In the name of fashion, pioneers such as Mary Prijot (Antwerp), Ronny Martin (Ghent) and Francine Pairon (La Cambre) carried the fight with ambition and without distraction. They sought to equip young designers with the knowledge and skills they would need for a taste of international success. And this they did remarkably well. In recent decades, they and their successors have delivered a number of top names, such as the Antwerp Six, Bruno Pieters, Olivier Theyskens, Veronique Branquinho and Kris Van Assche. Now, the Belgians and their avant-garde style are ringing so many bells on so many runways outside Belgium that talented youngsters from all over the world choose to pursue their fashion education in Flanders. Kwintessens spoke to Raphaelle H’Limi from Paris, Izumi Hongo from Japan and Lindsey Pauwels from Flanders. What did they think of those years at the academy? Were their expectations met? And what now? At first sight, there are a striking number of similarities between the visions of the newly-graduated designers. They are quirky, keen to discover the world of fashion and a little rebellious too. But in the previous article you could read how established name and out-and-out slow fashion devotee Stephan Schneider advises caution. While he is thankful for the surprises that have come his way, he swears by continuity and rages against rapidly-changing trends. Or how speed and haste are seldom experienced as good things...

Raphaelle H’Limi, de Japanse Izumi Hongo en de Vlaamse Lindsey Pauwels aan de tand. Hoe hebben zij die jaren aan de academie beleefd? Zijn hun verwachtingen ingelost? En wat nu? Op het eerste gezicht zijn er opvallend veel gelijkenissen tussen de visies van de pas afgestudeerde ontwerpers. Ze zijn eigenzinnig, willen gretig de modewereld ontdekken en ook een beetje revolteren. Gevestigde waarde en absolute liefhebber van slow fashion Stephan Schneider riep in het vorige artikel dan weer op tot voorzichtigheid. Hij bedankt vriendelijk voor verrassingen op zijn bord, zweert bij continuïteit en fulmineert tegen snel wisselende trends. Of hoe haast en spoed zelden als goed worden ervaren …

RaphaelleH’Limi Hilmi Raphaëlle heeftlak lak aan heeft aan platgetreden platgetreden paden

Jasmijn Verlinden

La Cambre alumnus Raphaëlle H’Limi legde een atypisch modeparcours af en dat weerspiegelde zich ook in haar gelaagde en eigenzinnige afstudeercollectie tijdens het defilé in juni 2010. Na een reeks korte stages en een voorbereidende modeopleiding aan l’Ecole Duperré, behaalde de Parisienne in 2005 een bachelordiploma Modeontwerp aan de Brusselse school La Cambre. In plaats van hier meteen een master aan te breien, besloot H’Limi terug te keren naar haar geboortestad om daar een aantal maanden stage te lopen bij ontwerpster Sharon Wauchob en een postgraduaat International Fashion Design te volgen aan het Institut Français de la Mode. Met haar indrukwekkende curriculum en allround ervaring schopte de ontwerpster het hierna tot junior accessory designer bij Emilio Pucci in Bologna, een functie die ze meer dan een jaar uitoefende. In deze periode besefte H’Limi dat ze haar carrière wilde heroriënteren richting prêt-à-porter en dus keerde de ontwerpster terug naar de schoolbanken om haar parcours te vervolledigen met een master in Modeontwerp. Gesterkt door haar omzwervingen en voor-


On Fashion Design Training

Raphaëlle H’Limi doesn’tcare carefor for the the well-worn path Raphaelle HLimi doesnt wellworn path

zien van een schat aan zowel technische als conceptuele bagage, begon H’Limi in 2008 aan de tweejarige master in Brussel. De ontwerpster besloot terug te keren naar La Cambre om verschillende redenen. Haar belangrijkste drijfveer was het onder begeleiding aftasten van de mogelijkheden van de modebeeldtaal, hetgeen binnen de opleiding in La Cambre centraal staat. H’Limi beschouwt het in extremis experimenteren met vorm, volume en kleur als een noodzakelijke voorloper van een eigen, karakteristieke stijl. Uit ervaring wist de ontwerpster echter dat dergelijke experimenten in een commerciële modeomgeving zoals die van haar stageplaatsen, niet stroken met de zakelijke doelen en daarom uit den boze zijn. De academische context van La Cambre bood haar wel het juiste milieu en kanaal om een beeldtaal te ontwikkelen en haar verhaal te vertellen. Tijdens het masterparcours, maakte H’Limi de ruimte tussen kleding en het lichaam tot haar studieobject. Hierbij vond ze inspiratie in de stijl van de veertienjarige Amerikaanse modeblogster Tavi Gavinson, die ongetwijfeld mede aan de basis ligt van de revival van de nerd-look die de voorbije seizoenen en vogue was. Tavi hult zich

La Cambre alumnus Raphaëlle H’Limi followed an atypical route to fashion and this was evident from her layered and quirky graduation collection at the fashion show in June 2010. After a series of short work placements and a foundation fashion course at l’Ecole Duperré, the Paris-born designer obtained a Bachelor’s degree in Fashion Design from the Brussels school La Cambre in 2005. Instead of staying on and getting her Master’s here, H’Limi decided to return to Paris and spend a few months on a work placement with designer Sharon Wauchob, and to do a postgraduate course in International Fashion Design at the Institut Français de la Mode. With her impressive CV and all-round experience the designer then made it to junior accessory designer with Emilio Pucci in Bologna, a job which she held for more than a year. In this period H’Limi realised that she wanted to redirect her career towards ready-to-wear, and so returned to the school desk to round off her training with a Master’s in Fashion Design. Strengthened by her roving and equipped with a treasure trove of technical and conceptual knowhow, H’Limi started her two-year Master’s course in Brussels in 2008. The designer decided to return to La Cambre for several reasons. Her main motivation was to explore, under supervision, the possibilities of fashion language, which is central to the course at La Cambre. H’Limi sees extreme experimentation with form, volume and colour as a necessary precursor to a characteristic style of one’s own. From experience, however, the designer knew that this type of experimentation in a commercial fashion environment, such as those where she did her work placements, do not square with the business objectives and are therefore out of the question. The academic context at La Cambre offered her the right environment and a channel through which to develop an image language and tell her own story. On her Master’s course, H’Limi took as her subject of study the space between clothing and the body. In this, she found inspiration in the style of the fourteen-year-old American fashion blogger, Tavi Gavinson, who is undoubtedly one of the movers behind the revival of the nerd look that has been en vogue in previous seasons. Tavi always swathes herself in outfits which look innocent – even on the verge of old-fashioned – and at the same time hypermodern, and illustrate the pleasure she takes in experimenting with fashion. For her graduation collection, H’Limi sent a battalion of ‘sexy frumps’ onto the catwalk, to the strains of the freak folk Coco Rosie sisters. The models showed a collection of colourful outfits with clashing prints and a well-balanced and geometric play on volumes. Their blown up hairdos were reminiscent of Sonia Rykiel and her cheerful and relaxed atmosphere on the catwalk. At the end of the day ... girls just wanna have fun, and this point hasn’t been lost on Raphaelle H’Limi!

steeds in outfits die tegelijk onschuldig – zelfs op het randje van ouderwets – en hypermodern ogen en die haar plezier in het experimenteren met mode illustreren. Voor haar afstudeercollectie stuurde H’Limi een bataljon sexy seuten de catwalk op, op de tonen van de freak folk zussen Coco Rosie. De modellen showden een collectie kleurrijke outfits met botsende prints en een sterk uitgebalanceerd en geometrisch volumespel. Hun ontplofte kapsels refereerden aan Sonia Rykiel en haar steeds vrolijke en ontspannen sfeer op de catwalk. Uiteindelijk ... girls just wanna have fun, en dat heeft Raphaelle H’Limi goed begrepen!

Meer info op www.raphaellehlimi.com

83


Over Mode Opleiding Verloreninin het brgoed Verloren het breigoed: Lindsey Pauwels Lindsey Pauwels Stéphanie Duval Lindsey Pauwels rondde dit jaar haar studies modeontwerp af aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Dat ze de mode in zou gaan, wist ze al op haar elfde. De keuze voor Gent heeft dan weer te maken met de ‘relaxte sfeer’ waarover Lindsey op voorhand veel goeds had gehoord. Was het KASK in Gent achteraf gezien een goede keuze voor jou? Ze laten je daar vooral zelf zoeken. Voor sommigen is dat lastig omdat ze voortdurend bevestiging nodig hebben, maar voor mij was dat wel een goede aanpak. Ze laten je los zodat je zelf moet zoeken wat voor jou werkt, wat jouw identiteit is. Begeleiding was er vooral voor degenen die erom vroegen: docenten hielpen je dan echt en stimuleerden je om een stapje verder te gaan. Wat heeft de grootste indruk op je gemaakt tijdens je studies? Ik had nooit gedacht dat je je zo kon laten opslorpen, dat het zo’n ongelofelijke passie kon worden, want zo ervoer ik het niet meteen toen ik aan de opleiding begon. Maar het is zo overweldigend geworden, dat het nog het enige is waaraan je denkt. Je verliest zelfs veel vrienden omdat je gewoon geen tijd voor ze hebt. Ik had nooit verwacht dat het zo extreem zou zijn. Je bent afgestudeerd in juni, hoe was je afstudeercollectie? Ik heb vooral met breigoed gewerkt. Ik ben daarvoor naar Knit-1 in Brighton geweest om er een speciale machinebreicursus te volgen, maar omdat ik nadien ook nog een stage heb gedaan in Amsterdam, heb ik mijn afstudeercollectie op betrekkelijk minder tijd gemaakt dan de twee jaren die er normaal voor uitgetrokken worden. Maar het was leuk omdat ik een collectie voor mannen gemaakt heb, wat ik nog niet gedaan had, en omdat ik goede commentaren gekregen heb. Dat gaf een supergevoel. Vanwaar die fascinatie met breigoed? Ik was eigenlijk nog op zoek naar iets dat eigen aan mij was en waar ik mij in kon specialiseren, iets waar ik mij goed bij voelde. En stikken, dat deed ik eigenlijk tegen mijn zin. Dus ben ik een theoretische cursus gaan volgen aan het IVOC, over industrieel breigoed. Dat was zo boeiend dat ik dacht: dat moet ik ook kunnen, daar moet ik meer over weten! En dan heb ik gespaard om naar Brighton te kunnen gaan. Die opleiding was echt intensief, en dat was zo’n openbaring voor mij! Ik heb echt mijn ding gevonden, iets waar ik volledig voor wil gaan.

En wat is nu je eerste plan? Ik ga eerst met een vriendin van mij, Han Mannaert, aan het Stylistenparcours van Modo Brussels deelnemen. Ik ga ook nog een cursus Illustrator volgen, want dat hebben we op school niet gehad en dat is echt onontbeerlijk, en ook nog een cursus in bedrijfsbeheer. Er zijn dus nog praktische vaardigheden die je in je modeopleiding niet verworven hebt? Ja, dat moet je allemaal zelf uitzoeken. Maar dat kan ook wel een sterkte zijn, denk ik ... dat het niet allemaal voorgekauwd is, dat je er zelf voor moet vechten. Ik ben nu vooral mijzelf dingen

aan het bijleren om nog beter te begrijpen hoe breiwerk in elkaar zit. Ik had heel graag gestudeerd in Nottingham, want daar kan je een master in knitwear volgen. Maar dat is zo ongelooflijk duur, dat kan ik gewoon niet aan. Misschien na een paar jaar werken. Het zou fantastisch zijn als ik dat ooit zou kunnen doen. Er zijn heel veel jonge ontwerpers die in die richting zijn afgestudeerd, en die maken echt geweldige dingen… Ik denk dan: ‘ik wil ook zoiets doen!’ Maar ik ben voorlopig al heel blij als ik in een bedrijf kan beginnen en de grenzen van het breigoed kan aftasten. Dan kan ik na een tijd voor mezelf zeggen: oké, nu ben ik er klaar voor, nu ga ik eraan beginnen en mijn wereldje maken. Dat lijkt me echt leuk. Ik ben nu sowieso al blij; ik kan met mijn breigoed bezig zijn en dat maakt mij al gelukkig. Maar het zou wel heel leuk zijn als ik met mijn breigoed geld zou kunnen verdienen. Hoe schat je je kansen in op de Belgische markt? Gelukkig wordt er tegenwoordig heel veel gevraagd naar breigoed. Het spijtige is alleen dat je al veel ervaring moet hebben. Dat is wel logisch natuurlijk, want dan kan je meteen aan de slag. Maar voor beginnelingen is er dus niet zo veel. De eerste jaren is gewoon even op je tanden bijten, denk ik.


On Fashion Design Training Lost in in knitwear: knitwear Lost Japanse dromen Japanse dromen: Lindsey Pauwels Lindsey Pauwels Izumi Hongo Hongo Izumi This year, Lindsey Pauwels finished her course in fashion design at the Royal Academy of Fine Arts in Ghent (KASK). She had known she would go into fashion from the age of eleven. Lindsey chose Ghent for the “relaxed atmosphere”, about which she had heard so many good things beforehand. Looking back on it, was the KASK in Ghent the right choice for you? The main thing is that they let you explore for yourself. Some people find that hard, because they need constant reassurance, but it was an approach that suited me. They leave you to it, because you have to find what works for you, find your identity. The support was mostly there for people who asked for it; and when you do, the teachers really help and encourage you to go that step further. What impressed you the most on your course? I had never imagined that you could become so absorbed in it, that it could become such an unbelievable passion, because it didn’t really strike me that way when I started the course. But it becomes so overpowering that it is still the only thing you think about. You even lose friends because you just don’t have the time for them anymore. I had never expected that it would be so extreme. You graduated in June. What was your graduation collection like? For the most part, I used knitwear. Prior to that I had been to Knit-1 in Brighton to do a special machine-knitting course, but, since I went on to do a work placement in Amsterdam, I made my graduation collection in much less time than the two years you normally get to make it. But it was fun, because I made a collection for men, which I hadn’t done before, and because people had good things to say about it. That gave me a fantastic feeling. Why the fascination with knitwear? I was actually still looking for something particular to me and in which I could specialise, something that made me feel good. And I didn’t enjoy sewing. So I went on a theoretical course at the IVOC, on industrial knitting. It was so fascinating that I thought: this is something I need to be able to do, I’ll have to find out more about it! So, I saved up to go to Brighton. That course really was intensive, and it was such a revelation to me! I really had found my thing, something to which I want to dedicate myself. And what are your immediate plans? First of all, I am going to take part in the ‘Stylistenparcours’ of Modo Brussels with a friend of mine, Han Mannaert. I am also going to take a course in Illustrator, because that is something we didn’t do at school, but it is actually essential, and then I’m going to do a course in retail management. So there are still a few practical skills that you didn’t learn on your fashion course? Yes, these are the things you have to find out for yourself. But it can also be a strength, I think... if you haven’t been through it all before, if you have to fight for it yourself. Most of what I’m doing now is learning new things myself, to get a better idea of how knitting works. I would have loved to study in Nottingham, because you can do a master’s in knitwear there. But it is so unbelievably expensive that I just can’t do it. Maybe after I’ve been working for a few years. It would be fantastic, if I could ever do it. Quite a few young designers have graduated in that area, and they are making truly fabulous things... so I’m thinking: “I would like to do something like that too!” But, for the time being, I would be really happy to start work for a company and test out the boundaries of knitting. Then, after a while, I could say: OK, now I’m ready, now I’m going to make a start and create my own little world. That seems like a lot of fun to me. I’m happy now in any case; I can get on with my knitwear and that in itself makes me happy. But it would be really good if I could earn money with it. What are your chances in the Belgian market, do you think? Fortunately, there is a big demand for knitwear at the moment. The only thing is that you need a lot of experience. Of course, that’s only logical, because that’s what enables you to get started. But there aren’t many opportunities for beginners. The first few years are just a case of grin and bear it, I think.

Jolien Vanhoof

Unaniem oordeel tijdens de afstudeershow van de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten: van Izumi Hongo gaan we nog horen. En ziehier. Vandaag reist de Japanse de wereld rond met haar Private Painting-collectie, en denkt ze aan nieuwe ontwerpen voor haar piepjonge label Van Hongo, zoals de tweede lijn, Salonnière, die ze in maart loslaat op de Tokyo Fashion Week. Izumi Hongo stelt voor het interview te houden in de Biologische Dynamische Bakkerij in Antwerpen. Ze verkiest zo vroeg mogelijk, al heeft ze zichzelf enkele dagen vrijaf gegund. Gelukkig ben ik ook een ochtendmens. Een biokoffietje later haalt Izumi een professioneel lookbook boven om met brede glimlach tekst en uitleg te geven bij haar afstudeercollectie. De naam Private Painting verwijst naar haar liefde voor expressionistische schilders en de intieme portretten van hun echtgenotes. “Ik hou van de manier waarop kunstenaars als Matisse en Kees van Dongen met lichtinval spelen en het vrouwelijke lichaam transformeren”, legt Izumi uit. “Aan mijn ontwerpen komt geen verf te pas, maar ik werk wel graag met verschillende tinten zijde. Door ze in elkaar te laten overvloeien, suggereer ik licht en schaduw.” De froufrou in één van Van Dongens werken inspireerde Izumi tot een ludieke imitatie, die van het bob-kapsel waarmee ze haar modellen de catwalk opstuurt. De schemerzone tussen gezond verstand en het absurde intrigeert haar. “Elke goede vrouw heeft een beetje van beide in zich”, lacht ze. Broeken boeien de jonge ontwerpster niet. Er zit dan ook maar één exemplaar in de collectie. Van schoenen houdt ze wel. Ze won de Sacha Shoe Competition met een trompe-l’oeil ontwerp. Niet zomaar een zoveelste zwarte pump. De uitsnede met subtiele ongelijkheden aan de tenen overtuigde de jury moeiteloos. Haar AW 2011/12 collectie komt ook behoorlijk verrassend uit de hoek, al blijft de kunstwereld Izumi’s grootste inspiratiebron. Salonnière grijpt gretig terug naar het neoclassicisme, de schilderijen van Mark Rothko en de marmeren muren in de bouwstijl van Mies van der Rohe. “Die strakke interieurelementen lijken op het eerste gezicht nogal banaal. Maar eigenlijk bezitten ze de hypnotiserende kracht om een volledige ruimte in een mum van tijd te domineren.” Met haar tweede lijn wil Izumi een iconische vrouw met eenzelfde energie creëren. Al worden even hoge eisen aan de garderobe gesteld. “Het is haar kleding die de

85


Over Mode Opleiding Japanese Japanesedreams: dreams Izumi Hongo Hongo Izumi

omgeving moet absorberen en net de vrouw tot accent moet maken.” Hongo’s fascinatie voor strakke en gebogen lijnen stamt uit haar eerste opleiding, architectuur aan de Waseda University in Tokio. Na drie jaar copywriting bij een Japans reclamebureau besloot ze haar kans in de mode te wagen. In 2006 reisde ze naar Antwerpen met nauwelijks een woord Engels in haar vocabularium. “Die periode was zwaar”, herinnert Izumi zich. “Ik was al vrij oud maar woonde wel nog bij mijn ouders. Opeens zat ik alleen in een vreemd land en moest ik alles zelf regelen. In het begin voelde ik mij ontzettend onzeker, want ook op de academie werd veel zelfstandigheid verwacht. En toch, enkel op die manier leer je keuzes maken en voor je ideeën opkomen. Tegen het vierde jaar durfde ik volop te experimenteren. Mode werd eindelijk iets om van te genieten.” Al tijdens dat masterjaar lanceerde Izumi haar eigen label Van Hongo. Niet geheel naar de zin van haar ouders, die hun kleine meid nu nog steeds voor gek verklaren. Maar die kleine meid weet wel uitstekend wat ze wil. En dat is een bescheiden bedrijf met enkele mooie verkooppunten en – als ze dan toch mag dromen – een eigen winkel waar ze gezellig met klanten kan keuvelen. “Ik wil Van Hongo niet uitbreiden in lengtes en breedtes die ik zelf niet aankan. Maar een eigen label was voor mij wel een must. Het verbaast me dat weinig van mijn vroegere medestudenten die droom najagen. Zij kloppen nu liever aan bij grote modehuizen. Dat staat bij mij pas later op de agenda, wanneer ik een eigen imago heb opgebouwd.” Of ze, ten slotte, vasthoudt aan een bepaalde filosofie voor Van Hongo? “Graag, maar zo ver ben ik nog niet”, zegt Izumi nuchter. “Ik verdrink momenteel nog in de details van een eigen zaak. Vraag het mij misschien binnen enkele jaren opnieuw. Al ben ik wel zeker van één ding: mijn ontwerpen zullen steeds weer ultrafeminien zijn, somewhere between elegant and cute.”

The opinion after the graduation show at the Antwerp Academy for Fine Arts was unanimous: this is not the last we’ve heard of the name Izumi Hongo. And hey presto! Today, the Japanese designer is travelling the world with her Private Painting collection, and contemplating new designs for her brand new Van Hongo label, such as the second line, Salonnière, which she is unleashing in March during Tokyo Fashion Week. Izumi Hongo suggests holding the interview in Antwerp’s Biologische Dynamische Bakkerij (Biodynamic Bakery). As early as possible is best for her, although she has given herself a few days off. Fortunately, I am a morning person too. One biocoffee later, with a broad smile, Izumi pulls out a professional look book to explain her graduation collection. The name Private Painting refers to her love of expressionist painters and the intimate portraits of their partners. “I love the way artists like Matisse and Kees van Dongen play with light and transform the female body,” Izumi explains. “There is no paint in my designs, but I like to work with different shades of silk. By allowing them to flow into each other, I suggest light and shadow.” The subject’s fringe in one of Van Dongen’s works was what inspired Izumi to create a fun imitation, the bob hairstyle in which she sends her models down the runway. The twilight zone between common sense and absurdity intrigues her. “Every good woman has a bit of both,” she laughs. Trousers do not captivate the young designer. There is only one example in the collection. But she does love shoes. She won the Sacha Shoe Competition with a trompe-l’oeil design. Not just another pair of black pumps. The cutout with subtle variations for the toes effortlessly won the jury over. Her AW 2011/12 collection is also fittingly surprising, although Izumi’s greatest source of inspiration is still the art world. Salonnière harks avidly back to neoclassicism, the paintings of Mark Rothko and marble walls in the architectural style of Mies van der Rohe. “At first sight those rigid interior elements appear fairly banal. But, in actual fact, they have the hypnotic power to dominate a whole space in a moment.” With her second line, Izumi is looking to create an iconic woman by capturing the same energy. Although this is making equally high demands on the wardrobe. “Her clothes will have to absorb the environment and so place the accent on the woman.” Hongo’s fascination with straight and curved lines stems from her initial training in architecture at the Waseda University in Tokyo. After three years of copywriting for a Japanese advertising agency, she decided to take her chance in fashion. In 2006, she travelled to Antwerp, speaking hardly a word of English. “That was a tough period,” Izumi remembers. “I was already fairly old but still living with my parents. All at once, I found myself alone in a foreign country and had to do everything myself. In the beginning, I was very unsure indeed, because even the Academy demanded a high degree of independence. Even so, this is the only way you learn to make choices and to have faith in your own ideas. By the fourth year I was prepared to be completely experimental. In the end, fashion became something to enjoy.” Already during that master year, Izumi launched her own Van Hongo label. This wasn’t entirely to the liking of her parents, who still think that their little girl is mad. But this little girl knows exactly what she wants. And that is a modest business with several, beautiful sales outlets – and, if even just a dream – a shop of her own in which she can relax and chat to the customers. “I don’t want to expand Van Hongo in ways that I am unable to sustain. But, for me, it was a must to have my own label. It surprises me that few of my fellow students are chasing that same dream. They would rather knock on the doors of the big fashion houses. That comes only later on the agenda for me, once I have developed my own image.” Does she, finally, tie Van Hongo to a particular philosophy? “Certainly, but I haven’t got that far yet,” says Izumi frankly. “At the moment I am drowning in the sheer detail of running my own business. Maybe you should ask me again in a few years’ time. I’m certain of one thing though: my designs will always be ultra-feminine, somewhere between elegant and cute.”


B L AC K BLACK + EYED EYED Photography: Yves De Brabander Styling: Cedric Jacquemyn Make-up artist: Vina De Bondt Production: David Flamée – Sketch Models: Sam + Max + Joachim @ Dominique Models Location: Hotel Julien, www.hotel-julien.com Thanks to: RA + Celine De Cock

Sam – Dior Homme by Kris Van Assche + boots by Ann Demeulemeester Joachim – Damir Doma + boots by Kris Van Assche Max – Raf Simons

87


Sam – Daniel Andresen Max – slip by Raf Simons + top by Ann Demeulemeester Collection Blanche Joachim – Heimweh


Joachim – Kris Van Assche + hat by Daniel Andresen + bag by Cedric Jacquemyn Sam – Ann Demeulemeester + bag by Damir Doma

89


Max – Heimweh Sam – slip by Raf Simons + socks & jacket by Daniel Andresen + silver necklace by Atelier11 Black Label Joachim – slip by Raf Simons

91


Max – Raf Simons


Spot on … America De globalisering maakt van de wereld een dorp. High-end fashion is een nicheproduct en onze binnenlandse markt is klein. Designers moeten wel de internationale competitie aangaan. De afgelopen vier jaar heeft Flanders Fashion Institute een aantal showrooms opgezet, onder meer in Parijs en New York, om startende designers en doorstarters een hand te reiken. Of dit collectieve showroominitiatief van FFI in de nabije toekomst voortgezet kan worden, hangt af van de bereidheid van de Vlaamse overheid tot verdere betoelaging. Gevestigde designers en modehuizen kunnen voor individuele exportsteun hoe dan ook terecht bij Flanders Investment and Trade (FIT), het verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse overheid dat internationaal ondernemerschap van Vlaamse bedrijven – in het bijzonder de kmo’s – wil stimuleren. Een nieuwe markt veroveren betekent eerst en vooral: research. Een gebied als de Verenigde Staten vormt daarin een bijzondere uitdaging. Het is immers verleidelijk je te laten meeslepen door de populaire cultuur of door korte bezoeken, maar het is een land vol tegenstellingen én met een heel specifieke manier van zakendoen. Wie als Belgische designer naar de VS wil trekken, doet er dus goed aan om zich eerst vertrouwd te maken met de verschillende lagen van de Amerikaanse modewereld.

Product boven verhaal “Wat vooral belangrijk is om te begrijpen, is dat Amerika heel sterke eigen producten heeft. Je hebt er veel concurrentie van merken die je niet kent”, stelt Stephan Schneider. Het is dus een vergissing om te denken dat labels onder de noemer ‘Belgisch design’ automatisch met open armen ontvangen zullen worden in de Verenigde Staten, nu deze markt zich de afgelopen jaren weer sterk op zichzelf concentreert. Maar dat wil niet zeggen dat er geen ruimte is voor nieuwe, spannende merken en designers. Zoals het rapport The Business of Fashion for New to Market Designers van Flanders Investment & Trade in New York ons vertelt: “Inkopers zoeken nu, meer dan

Stéphanie Duval ooit, naar nieuwe en frisse dingen om klanten aan te trekken.” Volgens Lenny Leleu ligt het verschil in de focus van de Amerikanen: “Er zijn zeker modekenners die meteen weten waar je het over hebt als je Antwerpen vermeldt, maar er zijn evenveel mensen die minder geïnteresseerd zijn in wie je bent of waar je vandaan komt, en eerder kijken naar wat je hen kan tonen.” Het product komt met andere woorden voor het verhaal. Het is een verschijnsel dat typisch is aan de meer zakelijke aanpak in Amerika, en dat meteen ook een eerste belangrijke vereiste aan het licht brengt: om voet aan wal te krijgen in de States, moet je je product er ook kunnen tonen. “Zelfs met al het gemak dat het internet met zich meebrengt, merk ik toch dat je je collectie moet kunnen tonen. Dat blijft toch anders dan op de foto”, zegt Lenny Leleu.

Wanneer je voor jezelf uitgemaakt hebt waar je je collectie wil zien liggen, dan is volgens Stephan Schneider vervolgens zaak om zelf nog op onderzoek te gaan. “Mijn advies? Ga zelf kijken hoe de winkels daar functioneren. Probeer aan te voelen of je kleding wel goed past in een bepaalde winkel. Anders heeft het geen nut om er binnen te willen geraken.” Hij wijst hierbij ook op het grote verschil tussen onafhankelijke multi-brand stores en de grote department stores. Lange tijd werd geloofd dat enkel een plek in de rekken van big shots als Saks, Bergdorf Goodman of Barneys de kans op succes in de VS bepaalde. Nog steeds zijn de inkopers van deze warenhuizen erg invloedrijk, maar het is belangrijk voor jezelf uit te maken of jouw label wel thuishoort in dat segment. “Als je geen luxegoederen produceert, is het ontzettend moeilijk om bij hen binnen te

SPOTon ON… Spot AMERICA America Globalisation has turned the world into a village. High-end fashion is a niche product and our domestic market is small, so designers do have to engage with the international competition. Last year, the Flanders Fashion Institute set up several showrooms, in the likes of Paris and New York, to lend a helping hand to designers, whether they are new to the market or already established. Whether or not the FFI’s collective showroom initiative continues in the near future will depend on the willingness of the Flemish government to provide further funding. In any case, for individual help with exports, established designers and fashion houses can turn to Flanders Investment and Trade (FIT), the Flemish government’s privatised agency which aims to encourage Flemish companies – in particular SMEs – to trade internationally. Above all, winning over a new market involves research, and a country like the United States is a particularly tough challenge. This is because it is tempting to get carried away by the popular culture, or short visits, but it is a country full of contradictions and one with a very particular way of doing business. Any Belgian designer who wants to go to the US is therefore best served by getting to know the various layers of the American fashion world first.

First look at the product, then at the story behind it “The most important thing to understand is that America has its own, very strong products. You will face stiff competition from brands you have never heard of ”, says Stephan Schneider. It is a mistake to imagine that labels under

93


geraken”, vertelt Stephan Schneider. “Voor ons Belgen gaat het eerder over creativiteit dan over statussymbolen, en onze stukken passen dus vaak minder goed in department stores. Ik raad aan om op zoek te gaan naar ‘anti-modewinkels’: kleinere zaken die minder rond geld draaien, en meer rond persoonlijke motivatie en prestige.” De ontwerper haalt hier enkele belangrijke verschillen aan tussen de chique warenhuizen en de multimerkenwinkels. Bij de eerste gaat het vooral over de cijfers, beaamt ook de studie van FIT. Om hier zelfs nog maar in aanmerking te komen, moet je over een degelijke supply chain beschikken en kunnen omgaan met de vele regels van elk specifiek warenhuis. De studie verwijst dan ook vooral de labels uit het hoge segment door naar de department stores, terwijl dat voor contemporary fashion vaak moeilijker ligt. Labels onder die laatste noemer richten zich liever naar gespecialiseerde multi-brands, die tegenwoordig haast niet meer hoeven onder te doen wat betreft hun invloed op het Amerikaanse modelandschap. “Ik was tien jaar lang niet aanwezig in Amerika, misschien omdat ik me eerst focuste op department stores, maar voor hen ben ik te goedkoop”, vertelt Stephan Schneider. “Nu word ik waanzinnig goed ondersteund door kleine, invloedrijke concept stores zoals Project No. 8 en Opening Ceremony, en dus ben ik heel tevreden.” Onthoud bovendien dat Amerika een ontzettend uitgestrekt gebied is, dat zich niet

beperkt tot toeristische trekpleisters als New York, San Francisco en Los Angeles. Anke Loh, ontwerpster en docente Fashion Design aan The School of the Art Institute of Chicago, verwijst bijvoorbeeld naar winkels als Ikram en Blake in Chicago, terwijl Stephan Schneider en Lenny Leleu ook Texas en Boston vermelden als interessante hotspots voor de mode.

De Amerikaanse babbel Het is niet voor iedereen weggelegd om zelf de VS rond te reizen op zoek naar de beste winkels, en daarom kan het goed zijn om beroep te doen op een tussenpersoon met verregaande kennis van de Amerikaanse mode-industrie. Een agent kan niet enkel helpen om de juiste contacten te bekomen, maar kan er ook voor zorgen dat die contacten vlot verlopen. Een Amerikaan communiceert nog steeds anders dan een Europeaan, zo zegt ook Anna Heylen: “Amerikanen zijn altijd overenthousiast. Soms weet je niet goed wat ze nu echt denken. Een Belg is puurder, droger en vaak ook eerlijker in zijn mening.” Anke Loh voegt daar aan toe: “Naar mijn ervaring zijn Amerikanen zeer professioneel: wat ze zeggen, doen ze ook. Maar ze zijn heel beleefd en dus moet je heel goed luisteren naar wat ze níet zeggen, om te begrijpen wat ze eigenlijk bedoelen. In België communiceren we veel directer.” Bovendien gelden – net zoals voor elke markt – ook in Amerika zekere conventies en een vorm van zakenetiquette, die onder meer voorschrijft dat je een winkel benadert zoals die het graag

the heading of ‘Belgian design’ will automatically be received with open arms in the United States, especially since this market has begun to concentrate on itself again in recent years. But that doesn’t mean that there is no room for new, exciting brands and designers. As The Business of Fashion for New to Market Designers report by Flanders Investment & Trade in New York tells us: “More than ever, buyers are looking for new and fresh things to attract customers.” Lenny Leleu believes that the difference lies in the focus of the Americans: “There are certainly fashion connoisseurs who know what you are talking about right away when you mention Antwerp, but there are just as many people with no real interest in who you are or where you are from, and who are more inclined to look at what you have to show them.” In other words, the product is looked at first, and then the story behind it. This is a phenomenon which is typical of the more business-like approach in America, and this brings us right away to the first important requirement: to get a foothold in the States, you have to be able to show your product there. “Even with all the convenience of the Internet, I still observe that you have to be able to show your collection. That is very different from showing the photo”, says Lenny Leleu. Once you have decided for yourself where you want to see your collection on display, the next thing, according to Stephan Schneider, is to do your own research. “My advice? Go and see for yourself how the shops operate over there. Try to get a sense of whether your clothes are right for a given store. If not, there is no point trying to get in.” Here, he is also referring to the huge difference between independent multi-brand stores and large department stores. For a long time it was believed that only a place on the shelves of the big shots like Saks, Bergdorf Goodman or Barneys would offer the chance of success in the US. The buyers at these stores are still highly influential, but it is important that you decide for yourself whether your label is at home in that segment. “If you are not producing luxury goods it is extremely difficult to get into these stores”, says Stephan Schneider. “For us Belgians it is more about creativity than status symbols, and our items are less likely to fit in with the

heeft. Dat kan zijn via een showroom of een vakbeurs, via de juiste contactpersoon, via een persoonlijk bezoek of misschien gewoon via een verzorgd dossier in de post. Belangrijker dan dat je wordt opgemerkt, is dat je wordt opgemerkt op de juiste manier. Stephan Schneider raadt zelfs af om bepaalde winkels zelf te benaderen: “Ze willen vaak niet uitgenodigd worden, maar zelf ontdekken. Zo heb ik er een klant in L.A. bij gekregen toen die een vriendin eens iets van mij zag dragen. Een winkel in New York ontdekte me dan weer in een winkel in Londen.” Wie geen agent heeft in Amerika, staat bovendien voor de zware taak inkopers te overhalen naar Parijs te komen en daar staat niet iedereen voor open. Dat en het gevoel dat haar label veel beter ligt op de Amerikaanse dan op de Europese markt, drijft Lenny Leleu ertoe om haar volgende show te plannen in New York. “Ik werk er samen met een vriend die een ontzettend uitgebreid sociaal netwerk heeft. We zijn op zoek naar een betaalbare ruimte, want we zouden een show willen organiseren tijdens de NY Fashion Week, zodat we zowel Amerikaanse als Europese klanten en pers kunnen trekken.” Want daarin verschilt de Amerikaanse markt niet zo hard van de Europese: ook hier hebben merken die door de juiste magazines worden opgepikt, een voetje voor bij zowel consumenten als inkopers. Het loont dus zeker de moeite om tegelijk met de zoektocht naar een klantenbestand, de te veroveren markt te

department stores. I advise that you go in search of ‘anti-fashion stores’, i.e. smaller businesses that revolve less around money and more around personal motivation and prestige.” The designer tells us a few important differences between the chic department stores and multi-brand stores. In the first case, it is mostly about the figures, as echoed in the FIT study. Even just to qualify, you need to have a reliable supply chain and be able to comply with the many different rules of each particular department store. The study also refers labels from the top segment to the department stores, whereas this is often more difficult for contemporary fashion. Labels under the latter heading tend to aim for specialised multibrands, which are currently every bit as influential on the American fashion landscape. “I was absent from America for a good ten years, possibly because I focused on the department stores first, but I am too cheap for them”, says Stephan Schneider. “Now I have incredible support from small, influential concept stores such as Project No. 8 and Opening Ceremony, so I am very happy.” Remember also that America is an extremely vast territory, and not confined to tourist attractions such as New York, San Francisco and Los Angeles. Anke Loh, designer and lecturer in Fashion Design at The School of the Art Institute of Chicago, refers to stores such as Ikram and Blake in Chicago, for example, whereas Stephan Schneider and Lenny Leleu also mention Texas and Boston as attractive hotspots for fashion.

American talk Not everyone is able to travel the US themselves in search of the best stores, so it can be a good idea to make use of an agent with a sound knowledge of the American fashion industry. Not only can an agent help you make the right contacts, but s/he can also ensure that these contacts run smoothly. Americans still communicate in a different way to Europeans, confirms Anna Heylen: “Americans are always over-enthusiastic. At times, you are not sure what they really think. Belgians are straighter, drier and also often more honest with their opinions.” Anke Loh adds: “In my experience Americans are very professional:


bestormen met een PR-charmeoffensief. Start spreading the news … Als je nog meer over de Amerikaanse markt wil vernemen, dan is de FIT-studie The Business of Fashion for New to Market Designers een aanrader. Te downloaden via de site www.flanderstrade.be na registratie.

Devout Divine Devout/Divine. Fashion vs. vs Religion Religion Fashion

Frank de Roover & Mieke De Lombaerde Als religieuze garderobe bij wijze van mode in het straatbeeld opduikt, dan ontlokt dat allerhande reacties. Toch is het ontlenen aan een religieuze vormtaal niet nieuw in de mode. Creaties zoals Le Cloître (1932) van Jeanne Lanvin tonen dat. Maar vandaag is religie misschien nog wel meer een hot issue. Denk maar aan de hetze rond boerka’s, hoofddoeken en de plaats van religieuze symbolen in openbare functies. Devout/Divine toont oogstrelende én omstreden creaties. De tentoonstelling roept op tot reflectie, doet vragen rijzen en pretendeert niet die vragen definitief te beantwoorden. Ze toont een werelds universum van goddelijke creaties, met de kiesheid en elegantie die een modemuseum past. De taal van textiel

they do what they say. But they are extremely polite, so you have to listen carefully to what they don’t say to understand what they actually mean. In Belgium we communicate much more directly.” Additionally – as in any market – there are certain conventions in America, and a form of business etiquette which dictates among other things that you approach a store in the way they would like you to. This can be through a showroom or a trade fair, through the right contact, through a personal visit or maybe just through a carefully edited dossier in the mail. More importantly than getting noticed, you should be noticed in the right way. Stephan Schneider even advises against approaching certain stores yourself: “Often, they don’t want to be invited, but to discover for themselves. I gained a client in LA in this way, when he once saw a friend wearing something of mine. Then again, a store in New York discovered me in a store in London.” Anyone who does not have an agent in America also faces the tough task of persuading buyers to come to Paris, and not everyone is open to this. That, along with the feeling that her label is much better suited to the American market than the European, has led Lenny Leleu to plan her next show in New York. “Over there I work with a friend who has an exceptionally wide social network. We are looking for an affordable space, because we would like to organise a show during the NY Fashion Week, to enable us to attract both American and European customers and press.” This is because the American market is not too different from the European in this respect: here too, brands that get picked up by the right magazines have an edge with both the consumers and buyers. Therefore, while looking for clientele, it is certainly worth storming the new market with a PR charm offensive. Start spreading the news, so to speak… If you would like to know more about the American market we recommend the FIT study The Business of Fashion for New to Market Designers, which can be downloaded from www.flanderstrade.be following registration.

De volledige tentoonstelling in één huis, een voormalig klooster dan nog wel, heeft alles mee om deining te veroorzaken, want de muze van Devout/Divine is afwisselend joods, islamitisch, christelijk, hindoeïstisch of boeddhistisch. De ‘grote vijf ’ zijn alle vertegenwoordigd. Op zich geen probleem, maar op de catwalk is dat nog een ander paar mouwen. Al dan niet bewust van de religieuze symboliek van kleuren, van de plaats van een tenue in de religieuze hiërarchie of van de zinnebeeldigheid der attributen, sturen de modeontwerpers mannequins in soutane, dalmatiek, rochet, nonnenhabijt, sari, dhoti, boerka, milfa, misfa of habaya de catwalk op. De drijfveer om religie met mode te confronteren, kan van allerlei aard zijn: het afrekenen met een religieuze opvoe-ding, de frustratie over voorgeschreven homofobie, maar ook de betoverende pracht die uitgaat van religieuze kunst. Dat het merendeel van de designers een katholieke opvoeding genoot, is merkbaar in de manier waarop zij die erfenis in hun creaties vertalen. Het vestimentaire vertoon en de ‘catwalk’ van de erediensten vonden al in hun kinderogen genade, of net niet natuurlijk. Cristobal Balenciaga (1895-1972) bijvoorbeeld was getroffen door de kwaliteiten van de traditionele priesterkledij. Op basis hiervan ontwierp hij avondensembles voor dames. Devout/Divine toont een frappant stuk van de meester uit 1967: een synthese van

95


Raf Simons. Foto © Willy Vanderperre

kazuifel en mantel. Men zegt trouwens ook dat zijn atelier een kloostersfeer ademde. Met arbeidsintensieve technieken en weelderige materialen wekte hij toch een religieuze soberheid op. Monnikenwerk dus.

Kleding in dialoog Op het moment dat de hoofddoekendiscussie haar kookpunt bereikt heeft, steelt Walter Van Beirendonk de show met zijn herfst-wintercollectie 2008-2009. Door een viertal gebreide, kleurige boerka’s in het seculiere terrein van de mode te lanceren, haal je dat kledingstuk weg uit zijn religieuze context en associaties, aldus zijn redenering. Spraakmakend is wel dat hij deze kledingstukken als mannenmode inzette. Ook andere ontwerpers laten hun sociaal engagement blijken. Terwijl de ene ontwerper een escalerend maatschappelijk probleem tracht te ontmijnen, zal de ander de kwestie willen verbloemen door de religieuze kleding modieuzer en aantrekkelijker te maken. De Antwerpse moslima Fatima Rafiy (van Noor D*Izar) ontwerpt bijvoorbeeld een lijn hoofddoeken voor alledag, tot en met sportieve uitvoeringen voor tijdens de skivakantie. Daarbij respecteert zij wel de kledingcode (zoals het bedekken van de haren) van haar geloof. In die geest realiseert ook Sabijn Peeters T-shirts die tot hoofddoek gemaakt kunnen worden wanneer het uitkomt. En Mada Van Gaans heeft een damestasje dat ze in een handomdraai tot gebedsmatje omtovert. Ook in bepaalde strekkingen van de joodse religie zijn kledingafspraken belangrijk. Mannen en vrouwen mogen in geen geval dezelfde kleren dragen. Dat de Spanjaard Miguel Adrover vrouwen kleedt in pakken geïnspireerd door de joodse herendracht, is vragen om moeilijkheden. Ook Jean Paul Gaultier lanceert in 1993 een lijn die controverse uitlokt: Rabbi Chic. Hierin dragen vrouwen een bekesher (zwartzijden mannenjas), een biber (breedgerande mannenhoed) of een shtreimel (bonthoed van de vrome man).

Stralend als een monstrans Het beeld van de Heilige Maagd is er een van lelieblanke reinheid. Daardoor heeft zij kunstenaars en creatievelingen altijd geïnspireerd. De Collectie 2007 Heilige Maagd van Gaultier is oogstrelend, maar hoe sexy mag Maria zijn alvorens de Kerk op haar paard zit? De gratie van Gaultiers silhouetten mag dan wel van een zalvende schoonheid zijn, het gebruik van de geborduurde versieringen (miskelk, Heilig Hart, doornkroon, bloedend hart, monstransen enz.) doet wel sommige wenkbrauwen fronsen. Toch de wenkbrauwen van de enkele katholiek die nog weet waar de symbolen voor staan.

De non Voor zijn lente-zomercollectie 2009 brengt Rick Owens een congregatie mannequins met nonnenkappen op de been. De modebladen

Devout Divine Fashion Fashion vs. vs Religion Religion Devout/Divine. When religious clothing pops up on the streets as fashion, it provokes all kinds of reactions. And yet borrowing designs from religion is nothing new in fashion. Creations such as Jeanne Lanvin’s Le Cloître (1932), for instance, demonstrate this. But today, religion may be even more of a hot issue. Consider, for example, the hoo-hah around the burka, the headscarf and the place of religious symbols in the exercise of public jobs. Devout/Divine exhibits both delightful and controversial creations. The exhibition is thought provoking, raises questions and does not pretend to offer definitive answers. It shows a secular universe of divine creations, with the discernment and elegance befitting a fashion museum. The language of textiles The entire exhibition under one roof, and a former convent at that, has everything needed to cause a commotion, because the inspiration behind Devout/Divine is at times Jewish, Islamic, Christian, Hindu or Buddhist. All of the ‘big five’ are represented. In itself, this is not a problem, but on the catwalk it is another kettle of fish. Whether they are aware or not of the religious symbolism of colour, of the place of a garment in the religious hierarchy or of the sensuality of the attributes, fashion designers send models onto the catwalk in cassocks, dalmatics, rochets, nuns’ habits, saris, dhotis, burkas or abayas. The motives for confronting religion with fashion can have all kinds of origins: saying goodbye to a religious upbringing, frustration over institutionalised homophobia, or even the enchanting majesty exuded by religious art. The fact that the majority of the designers had a Catholic upbringing can be seen in the way they incorporate


that heritage in their creations. As children they enjoyed the sartorial display and ‘catwalk’ of the church service, or not, of course. Cristobal Balenciaga (1895-1972), for example, was moved by the qualities of the traditional dress of the priest, that he used as his basis for designing eveningwear for women. Devout/Divine shows a striking piece by the master dating from 1967: a synthesis of chasuble and cloak. It has also been said that his workshop had the atmosphere of a monastery: with labour intensive techniques and opulent materials, he managed to create a religious austerity.

Clothing in dialogue Just when the debate on headscarves reached boiling point, Walter Van Beirendonk stole the show with his autumn-winter collection 2008-2009. By launching four knitted, richly coloured burkas in the secular world of fashion, you remove that item of clothing from its religious context and associations, and therefore its rationale. What got the tongues wagging was that he employed these items of clothing as men’s fashion. Other designers also show signs of social commitment. While one designer tries to appease an escalating social problem, another seeks to gloss the matter over by making religious clothing more fashionable and attractive. The Antwerp Fatima Rafiy (of Noor D*Izar), for example, designed a line of everyday headscarves, including sports versions to be worn on skiing holidays. In so doing, however, she did respect the dress code of her faith (such as covering the hair). In this spirit, Sabijn Peeters also creates T-shirts which can be turned into a headscarf when needed, and Mada Van Gaans has a ladies’ handbag which turns effortlessly into a prayer mat. Also, clothing rules are important in some areas of the Jewish religion. Under no circumstances may men and women wear the same clothes. When Spaniard Miguel Adrover dressed women in suits inspired by Jewish menswear, this was asking for trouble. And, in 1993, Jean Paul Gaultier launched a line that provoked controversy: Rabbi Chic, whereby women wore a bekesher (a black silk man’s jacket), a biber (broad-rimmed man’s hat) or a shtreimel (fur hat of the devout man).

Dries Van Noten. Foto © Patrice Stable

Rick Owens. Foto © Dan Lecca

Ludwig Bonnet pour_Maritha Foto © François Girbaud

Manish Arora. Foto © Yannis Vlamos

Ronald Stoops ‘Skin King’

Jean Paul Gaultier. Foto © Patrice Stable

Shining like a monstrance The image of the Blessed Virgin is one of lily-white purity, which is why she has always inspired artists and creative spirits. Gaultier’s 2007 Virgin Mary Collection is delightful to the eye, but how sexy can Mary be before the Church takes offence? Gaultier’s silhouettes may well have soothing beauty, but the use of embroidered decorations (a chalice, the Sacred Heart, the crown of thorns, a bleeding heart, monstrances, etc.) does knot a few brows. Or, at least, the brows of the only Catholic who still knows what the symbols stand for.

The nun For his 2009 spring/summer collection, Rick Owens recruits a congregation of models in nuns’ habits. The fashion magazines have a new concept: HauteCoutureNuns. Is this a trend for the exoticism of a religious world that has now become strange to us? Dressing as a harem woman or geisha can come across as snobbish or naive, but claiming a religious idiom can prove explosive. This is evident, for example, from Benetton’s photo The Kissing Nun (1992), which was banned in Italy and France. At this exhibition there is also an impressive photo collage by Kevin Ledo entitled The Burden of Saint Vuitton (2007). The model in the photo looks at you suggestively from the corner of her eye. She is no nun but has a golden halo nonetheless. Here, virtuousness is in a punchy but refined duel with seduction. Devout/Divine does not presume to send every visitor home with a profound insight or respect for religious diversity, but probably helps reduce the thorny social issues to their true size. The exhibition catalogue will at least carry this effect beyond the exhibition. The text by Eve Demoen, for instance, is compulsory reading for anyone who wishes to know more when they look the man in the yarmulka, or the girl in the burka next door, in the eye. Devout/Divine. Fashion vs. Religion, until 9 January 2011 in the Hasselt Fashion Museum, Gasthuisstraat 11.

97


Van Hongo. Foto © Mark Florquin

hanteren een nieuw begrip: HauteCoutureNuns. Een hang naar de exotiek van een religieuze wereld die ons intussen vreemd is geworden? Zich kleden als haremvrouw of geisha kan snobistisch of naïef overkomen, maar een religieus idioom toe-eigenen kan explosief zijn. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de foto Kussende non (1992) van Benetton, die in Italië en Frankrijk verboden werd. Er hangt op deze tentoonstelling ook nog een beklijvende fotocollage van Kevin Ledo met de titel The Burden of Saint Vuitton (2007). Het model op de foto kijkt je suggestief van opzij aan, geen non maar toch omringd door een gouden halo. Deugdzaamheid levert hier een pittig maar geraffineerd duel met aantrekking. Devout/Divine pretendeert niet iedere bezoeker met een pak inzicht of respect voor godsdienstige diversiteit naar huis te sturen, maar helpt allicht wel om heikele onderwerpen in het maatschappelijke discours tot hun ware omvang te herleiden. De tentoonstellingscatalogus blijft minstens in die zin nog na de tentoonstelling doorwerken. Zo is de tekst van Eve Demoen verplichte lectuur voor wie beter geïnformeerd de man met het keppeltje en het buurmeisje met de hoofddoek in de ogen wil kijken. Devout/Divine. Fashion vs. Religion, nog tot 9 januari 2011 in het Modemuseum Hasselt, Gasthuisstraat 11.

Les Belges Belges Les breken door door breken in Parijs Parijs in Voor het eerst werkten het Flanders Fashion Institute en WallonieBruxelles Design/Mode samen in het buitenland. Met het project Les Belges werden modeontwerpers uit Vlaanderen en Wallonië voorgesteld tijdens de modeweek van Parijs. Een uitgelezen moment voor nieuwkomers om zich internationaal op de kaart te zetten. Een verslag uit de Lichtstad. Wie het nooit heeft meegemaakt, kan het zich allicht niet voorstellen, maar zo’n modeweek in Parijs zit barstensvol defilés en presentaties naast de officiële catwalks. Heel veel ontwerpers opteren voor een showroommoment, maar dat betekent dan weer absolute versnippering. Daarom heeft het Flanders Fashion Institute de voorbije jaren aan diverse ontwerpers de kans geboden om hun werk samen te presenteren aan de modescène van Parijs. Dit seizoen was dat niet anders. Of toch een beetje: het Flanders Fashion Institute werkte voor het eerst samen met Wallonie-Bruxelles Design/Mode en zo konden een vijftiental designers uit Vlaanderen, Brussel en (vooral) de buurt van Luik hun collectie tonen via een project dat voor de gelegenheid Les Belges gedoopt werd. In een galerie in de Marais hadden ze hun werk geëtaleerd, met op de benedenverdieping één grote loftruimte en boven talloze kleinere kamertjes waarin de diversiteit van het aanbod gesmaakt werd.

Veerle Windels Beneden stonden onder meer de lente-zomercollecties voor 2011 gepresenteerd van Filles à Papa. Carol en Sarah Piron, de zusjes achter het label, houden van sexy kleren met hoog rock-’n-rollgehalte: T-shirts met kruisbeelden, asymmetrische tops met een accent van lovertjes enz. Hun lijn is nauwelijks anderhalf jaar op de markt maar de reacties – onderschat de invloed van het internet niet – zijn enorm. Ook de tassen van Eric Beauduin konden op veel bijval rekenen. De ontwerper realiseert zijn unica uit het gerecupereerde leder van oude, vaak tweedehandse jassen en geeft het materiaal op die manier een tweede leven. Zijn tassenlijn is uniek, met talloze multicolore tassen, maar ook een flessengroen exemplaar waarop vooraan een grote gesp is aangebracht. De Monsieur Bul-lijn van Julien Brennecke en Sébastien Denies uit Luik sprong eruit door het uitgelezen kleurgebruik (petrol, rozig rood en oudroze) en de zeer elegante, übervrouwelijke sfeer. Het jonge label komt na vijf seizoenen sterker dan ooit uit de hoek, met korte jurken, soms met asymmetrische snit, soms met accent op de taille. Céline Pinckers had een lingeriecollectie meegebracht (haar derde) waarin ze vooral met de kleuren zwart en geel gejongleerd had. Vroeger maakte ze prêt-à-porter, maar in lingerie voelt ze zich beter op haar plaats. De collecties worden in Frankrijk gemaakt. Ook de opstelling van Isabelle Azaïs kon boeien. Ze vervaardigt handgemaakte juwelen van leder. Isabelle is een Française die sinds 2000 in


Brussel leeft en werkt. Voor elke collectie start ze vanuit natuurbeelden (bloemen, vruchten, takken) die ze fotografeert en nadien vertaalt naar een leren object. Ze levert ook maatwerk. Naar de bovenverdieping dan, waar de collectie van Izumi Hongo opviel. Van Hongo is een geslaagde uitloper van haar afstudeerproject, waarmee Izumi nu internationaal wil doorbreken. Ze bouwde een collectie rond de vrouw van de kunstenaar. Het werd een kleerkast vol ongewone, vaak afgewassen tinten die ze onderling combineert. Een vrouwelijke collectie, waarmee Izumi vanaf volgend seizoen ook in Tokio wil uitpakken. Ze droomt van een show in haar geboorteland. Katrien Van Hecke (oudgediende van de modeafdeling van de Gentse academie) had duidelijk met textiel gespeeld. Ze had een vijftal jurkjes op buste geïnstalleerd, met vooraan een eyecatcher: een ontwerp in een soort badmatstofje. Een enkele jurk was gemaakt van sojawasprint (in een mix van groen en paars), een andere had smokwerk op de rug dat de ontwerpster zelf had gerealiseerd. “Dit is mijn demotape”, zei Marko Galovic met de glimlach. In een heuse spiegelkamer had hij een tiental hoogst vrouwelijke silhouetten gedrapeerd op pop. Marko is fan van de jaren dertig (denk aan Isadora Duncan), maar vermeldt ook de couturetechnieken van de jaren vijftig als blijvende inspiratiebron. “Ik

Les Les Belges Belges make Paris makeaa breakthrough breakthrough inin Paris The Flanders Fashion Institute and Wallonie-Bruxelles Design/Mode have worked together abroad for the first time. Under a project entitled Les Belges, fashion designers from Flanders and Wallonia were given a stage during Paris Fashion Week. An ideal opportunity for newcomers to earn themselves a place on the international map. A report from the City of Light. You might not be able to picture it if you haven’t already seen it for yourself, but Paris Fashion Week is just buzzing with fashion parades and presentations, over and above the official runway shows. Many designers opt for a showroom event, but that results in total fragmentation. In recent years, therefore, the Flanders Fashion Institute has given various designers the opportunity to come together to present their work to the Paris fashion scene. This season it is no different. Well, maybe just a little: the Flanders Fashion Institute and Wallonie-Bruxelles Design/Mode worked together for the first time, so that fifteen designers from Flanders, Brussels and (above all) the region in and around Liège were able to show their collections via a project christened Les Belges for the occasion. They set out their work in a gallery in the Marais, which had one huge warehouse space on the ground floor and, above it, many smaller rooms in which the diversity of the offer could be savoured. Among other things, the ground floor displayed the 2011 spring-summer collections of Filles à Papa. Carol and Sarah Piron, the two sisters behind the label, love sexy clothing with a high rock & roll content: T-shirts with crucifixes, asymmetrical tops with spangled accents, etc. Their line has been on the market for barely eighteen months, but the response - don’t underestimate the effect of the Internet - has been immense. The bags designed by Eric Beauduin also met with much approval. The designer makes his unique pieces from leather recycled from old, often secondhand jackets, and in this way gives the material a second life. His line of bags is unique, and includes countless multicoloured bags, one of which is bottle green with a big buckle at the front. The Monsieur Bul line by Julien Brennecke and Sébastien Denies of Liège stood out for its exceptional use of colour (petrol, rosy red and old rose) and extremely elegant, ultra-feminine feel. After five seasons this young label has come out stronger than ever, this time with short dresses, some with an asymmetrical cut, some with the accent on the waist. Céline Pinckers brought a collection of lingerie (her third), in which she had above all juggled with blacks and yellows. She used to make ready-to-wear clothing, but she feels more at home designing lingerie. The collections are made in France. The display set up by Isabelle Azaïs was also arresting. She makes handmade jewellery from leather. Isabelle is French but has lived and worked in Brussels since 2000. She bases every collection on natural images (flowers, fruit, twigs) which she photographs and then turns into a leather object. She also makes jewellery to order. And so to the top floor, where Izumi Hongo’s collection caught the eye. Van Hongo is a successful offshoot of her graduation project, with which Izumi now hopes to make an international breakthrough. She has based a collection around the wife or girlfriend of the artist. This is a wardrobe full of unusual, often faded colours which she brings together in combination. A feminine collection, which Izumi hopes to take to Tokyo next season. She dreams of holding a show in her homeland. Katrien Van Hecke (old campaigner from the fashion department at the Ghent Academy) had obviously been playing around with textiles. She had five dresses installed on dress forms, with the eye-catcher at the front: a design in a sort of bathmat material. One of the dresses was created by soya wax printing (in a mix of green and purple), another had smocking on the back which the designer made herself.

Schipper/Arques. Foto © Mark Florquin

99


ga resoluut voor het elegante van het kledingstuk.” Een sweatervolume in zachte zijde met opvallende manchetknopen, een ballonjurkje met hoge sluiting in de nek, een mannelijk aandoend jasje in blauwgroene tint … hij heeft duidelijk gespeeld met drapage, biais en zachte materialen. Marko kiest voor pasteltinten, van pepermuntgroen tot mauve en wat hij zelf omschrijft als pearly pink. “Het is een moment voor pasteltinten”, zegt de ontwerper, “en voor een realistische collectie. Ik wil me niet vergalopperen.” Bij Noor D*Izar is op de ingeslagen weg verdergegaan. Hier geen complete modelijn, maar sluiers en allerlei mogelijke varianten daarop. Ontwerpster Fatima Rafiy is er naar eigen zeggen “compleet voor gegaan”. Het probleem met sluiers is vaak dat ze van het hoofd afschuiven en dus gebruikt ze materialen die iets vaster op het hoofd zitten. Ze speelt ook met kleur en vorm, en durft zelfs uit te pakken met een niet te missen slangenleder en met een soort korsetje in de nek. Voor de feesten heeft ze gedacht aan sluiers met lovertjes, in opvallende tinten als turkoois en petrol. De knoopjes zijn handgemaakt. Stefanie d’Heygere liet Been zien, een minicollectie van leggings en koersbroeken die thuishoren in haar surreële, gekke wereld. De prints heeft ze zelf gecreëerd, van banaan tot ananas. “Ik baseer me op foto’s die ik zelf herwerk”, zegt Stefanie. “Niet alles past rond een been, het moet echt kloppen. Maar voel eens … de textuur is erg aangenaam.”

Bij de heren achter Schipper/Arques was het sfeertje eens te meer macaber: een korset met kuisheidsgordel beet de spits af, nadien werden de ontwerpen iets luchtiger (en dat mag u ook letterlijk nemen). De vormen evolueerden van uiterst beklemmend naar erg vrij. Boris en Tomas doen ontzettend veel met de hand en dat zie je aan deze erg geslaagde collectie, die ook op veel goeie commentaren kon rekenen uit internationale hoek.

Thrive. Foto © Mark Florquin

“This is my demo tape,” said Marko Galovic with a smile. In a veritable hall of mirrors he had draped ten ultra-feminine silhouettes on dress forms. Marko loves the 1930s (think Isadora Duncan), but also cites the couture techniques of the 1950s as an ever-present source of inspiration. “I go out and out to achieve elegance in an item of clothing.” A sweater volume in soft silk with striking cufflinks, a balloon dress with a high fastener at the neck, a blue-green little jacket with a masculine touch... he has obviously been experimenting with draping, biais and soft materials. Marko opts for pastel colours, from peppermint green to mauve, and what he himself describes as pearly pink. “It is a time for pastel colours,” says the designer, “and for a realistic collection. I don’t want to overreach myself.” Noor D*Izar is continuing on the same path. Not a complete fashion line, but veils, and every conceivable variation on the theme. Designer Fatima Rafiy “totally went for it,” as she readily admits. The problem with veils is that they often slip off the head, so they are made from materials that sit more firmly in place. She also plays with colour and shape, and is even bold enough to use an unmissable snake leather, and a sort of little corset in the neck. For parties she has come up with glittering veils, in eye-catching colours such as turquoise and petrol. The fasteners are handmade. Stefanie d’Heygere showed off Been, a mini collection of leggings and cycle shorts belonging to her mad, surreal world. From banana to pineapple, she created the prints herself. “I start from photographs, which I rework myself,” says Stefanie. “Not everything fits around a leg, it has to be just right. But just feel it... the texture is really nice.” The atmosphere was a little more macabre around the men behind Schipper/Arques: the icebreaker was a corset incorporating a chastity belt, and then the designs got a little lighter (by all means take that literally). The designs evolved from extremely restrictive to extremely free. Boris and Tomas do a huge amount of the work by hand, and you can tell just by looking at this extremely successful collection, which also attracted plenty of positive comments from the international quarter. BEEN, Stefanie d'Heygere. Foto © Mark Florquin


NIEUWS Nieuws Christophe Coppens onder de hamer Op 5 december 2010 organiseerde het Brusselse veilinghuis Pierre Bergé een veiling rond het werk van Christophe Coppens. Een 200-tal unieke couturestukken en talloze prototypes gingen onder de hamer, van unica gerealiseerd voor tentoonstellingen tot bijzondere creaties en zelfs Christophes allereerste dichtbundel. Bij die gelegenheid hoorde ook een prachtige catalogus. Coppens kwam onlangs nog in het nieuws, omdat hij hoeden gemaakt heeft voor de zomercollectie 2011 van Manish Arora. Fragile blaast 20 kaarsjes uit Het Antwerpse modehuis Fragile bestaat twintig jaar. Dat vroeg om taart én om een bijzondere feestjurk die gelanceerd wordt midden december 2010. Fragile pakt binnenkort ook uit met een gewone modelijn – niet specifiek zwangerschapsmode dus – omdat daar ontzettend veel vraag naar is. Op het label van die nieuwe collectie komt de naam Nathalie Vleeschouwer te staan. Nathalie tekent de collectie, maar runt die al sinds het begin met haar man, Jan. Nathalie mocht begin 2010 de Womed Award in ontvangst nemen, als bekroning van haar werk. Eerste shop voor Annelies Timmermans Ze had het eerder met een pop-up store uitgeprobeerd maar nu gaat Annelies Timmermans voor het echte werk. De van opleiding grafisch ontwerpster opende in het najaar van 2010 een eerste eigen winkel in Antwerpen, in de Aalmoezenierstraat. Ze hoopt er haar handtassencollecties en haar persoonlijke universum neer te zetten, maar wil ook haar klanten beter leren kennen en daarom zal ze geregeld zelf in de winkel te vinden zijn. Annelies is van plan bevriende ontwerpers uit te nodigen om in de ruimte een installatie te maken.

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

NEWS News Christophe Coppens under the hammer On 5 December 2010, Pierre Bergé, the Brussels auctioneer’s, held an auction of the work of Christophe Coppens. Some 200 unique fashion items and countless prototypes went under the hammer, from one-off pieces for exhibitions to special creations and even Christophe’s very first collection of poems. A fine catalogue was produced to mark the occasion. Christophe Coppens was most recently in the news for making hats for the Manish Arora 2011 summer collection. Fragile celebrates its 20th The Antwerp fashion house Fragile has been in business for twenty years. Reason enough for a cake and a special party dress, to be launched in midDecember 2010. Fragile is soon to unveil a regular fashion line – i.e. not one confined to maternity fashion – because demand for one has been huge. The label for the new collection will carry the name Nathalie Vleeschouwer. Nathalie designed the collection, but since the very start has run the business with her husband, Jan. In early 2010, Nathalie’s work was crowned with the Womed Award. First shop for Annelies Timmermans She had already given it a go with a pop-up store, but now Annelies Timmermans is after the real thing. This qualified graphic designer opened the first store of her own in autumn 2010, on the Aalmoezenierstraat in Antwerp. In it she hopes to display her handbag collections and create her personal universe, but she would also like to get to know her customers better, so she will be in the store in person on a regular basis. Annelies plans to invite designer friends to set up an installation in the store space.

101


TELEX Telex Het Antwerpse MoMu plant in 2011 een expo over Walter Van Beirendonck. Anna Heylen opent een tweede Maison aan de Lebeaustraat in Brussel, pal in het Zavelkwartier. Ze is er in goed gezelschap, want de straat telt ook winkels als die van Christa Reniers en Elvis Pompilio. Helena Lumelsky won in Barcelona de Mango Fashion Award, de belangrijkste modeprijs van het ogenblik, goed voor 300 000 euro én een collectie in de Mango-winkels. Bruno Pieters ziet het einde van zijn sabbatjaar naderen. Hij is in Parijs bezig aan de voorbereiding van een nieuwe dameslijn. A.F. Vandevorst heeft opnieuw een guerilla store geopend, dit keer in Gent, aan het Zuid. De tijdelijke shop komt er na gelijkaardige experimenten in Antwerpen en Knokke. Anne Poesen heeft deze winter een capsulecollectie voor de schoenenketen Avance gerealiseerd. De ontwerpster, die ook les geeft aan de academie van Sint-Niklaas, was heel erg tevreden over de samenwerking. Dries Van Noten opende een herenwinkel in Parijs, vlakbij zijn dameswinkel aan de Quai Malaquais. In de Dolce & Gabbana Due boetiek (Via Della Spiga 2 in Milaan) liggen niet alleen accessoires van voornoemde heren. Ook de collecties van Girls from Omsk en Marc-Philippe Coudeyre sieren daar de rekken. Eva Bos heeft een jurk ontworpen voor Zuid, de collectie van de Nederlandse ontwerpster Renée van Beurden. In januari 2011 opent trouwens de eerste winkel van Zuid in Antwerpen. De data voor de shows van de modeafdelingen zijn gekend: La Cambre Brussel op 3 en 4 juni 2011, Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Sint-Niklaas op 4 juni 2011, KASK Gent op 10 en 11 juni 2011, Artesis Antwerpen op 16, 17 en 18 juni 2011. Rechtzetting: het nieuwe winkelconcept van Princess in Antwerpen dat in september 2010 opende, heet Renaissance, en niet Noun, zoals in het vorige nummer gemeld werd. Excuses daarvoor.

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O O

O O O O O O O O O O O O O O O O O O

TELEX Telex

The MoMu in Antwerp is planning an exhibition on Walter Van Beirendonck in 2011. Anna Heylen is opening a second Maison on the rue Joseph Lebeaustraat in Brussels, right in the middle of the Zavel/Sablon district. She will be in good company, because the street has stores belonging to the likes of Christa Reniers and Elvis Pompilio. In Barcelona Helena Lumelsky has won the Mango Fashion Award, the most important fashion prize of the moment, worth EUR 300,000 and the opportunity to place a collection in Mango stores. Bruno Pieters sees the end of his sabbatical year approaching. He is in Paris, busy preparing a new line of women’s clothing. A.F. Vandevorst has opened another guerilla store, this time in south Ghent. The temporary store comes after similar experiments in Antwerp and Knokke. Anne Poesen has created a capsule collection for footwear chain Avance this winter. The designer, who also teaches at the Academy in Sint-Niklaas, was thrilled with the partnership. Dries Van Noten opened a menswear store in Paris, next to his ladies’ boutique on Quai Malaquais. The Dolce & Gabbana Due boutique (Via Della Spiga 2, Milan) contains more than accessories designed by the aforementioned gentlemen. Collections by Girls from Omsk and Marc-Philippe Coudeyre also grace the shelves there. Eva Bos has designed a dress for Zuid, the collection of Dutch designer Renée van Beurden. For that matter, the first Zuid store opens in January 2011 in Antwerp. The dates of the fashion departments’ shows are now known: La Cambre Brussels on 3 and 4 June 2011, Sint-Niklaas Academy of Fine Arts on 4 June 2011, KASK Ghent on 10 and 11 June 2011, Artesis Antwerp on 16, 17 and 18 June 2011. Correction: the new concept store by Princess in Antwerp, which opened in September 2010, is called Renaissance and not Noun, as reported in the previous edition. Our apologies.

Kwintessens 2010-4  

Het laatste nummer van 2010 gaat over nieuwe tendensen in design. Onder andere het MetaDeSIGN van LAb(au), synthetische biologie in design,...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you