Page 1

Juridische Faculteitsvereniging Groningen

In Casu - jaargang 19, nummer 3, Maart 2012 - In Casu is een uitgave van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen - www.jfvgroningen.nl

J u r i d i s c h

M A g A z i n e

ongres C n e t is r u J r e g in n Gro

: it e t a e r C r o it e k Fa de grenzen vanendom de intellectuele e12ig 26 april 20 19 maart op: Inschrijven vanaf l/congres www.jfvgroningen.n

@ Het Promis vonnis @ De SE: koesteren of weg ermee? @ Internationaal handelsrecht: de Wereldhandelsorganisatie onder de loep Kantoorspecials @ Baker & McKenzie @ Trip Advocaten & Notarissen Juridisch Actueel @ Aandeelhoudersafspraken in de Flex-bv; eenvoudiger, flexibeler en beter?


Colofon en adverteerders

Juridisch Magazine ‘In Casu’ Jaargang 19, nummer 3, maart 2012 Hoofdredactie Leonie Verwilligen Eindredactie Indira de Wilde Femke Westra Redactie Rachelle Boneva Anne Dekker Daphne Dikkers Thomas Meenink Anne Meijer Cornelieke Moeke Tanja Schasfoort Laurens Vermeulen Arend Vosmaer Rogier Wennink Jim de Wolf Bram Zwagemakers ISSN 3388-8803 Copyright In Casu Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Oplage 2700 Uitgever Juridische Faculteitsvereniging Groningen Bezoekadres: Turftorenstraat 17 Postadres: Oude Kijk in ’t Jatstraat 26 9712 EK Groningen Tel: 050-363583 Fax: 050-3636947 E-mail: jfv@jfvgroningen.nl Websites: www.jfvgroningen.nl www.jfvcarriereboard.nl Vormgeving en druk OCC dehoog media partners, Oosterhout www.occ-dehoog.nl Foto omslag iStock Abonnementen Abonnementenprijs inclusief portokosten per jaar: €25,–. Mail voor meer informatie naar Lieke van Geelen: vicevoorzitter@jfvgroningen.nl. Adverteerdersindex AKD Baker & McKenzie BANNING Advocaten Boekel De Nerée De Brauw Blackstone Westbroek Dirkzwager advocaten & notarissen Gasunie JPR Advocaten Nysingh advocaten-notarissen Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn advocaten en notarissen PlasBossinade Rein Advocaten & Adviseurs Stibbe Studystore Trip Advocaten & Notarissen Advertenties Tarieven zijn schriftelijk en/of telefonisch aan te vragen bij Lieke van Geelen. Tel: 050-3635783 Fax: 050-3636947 E-mail: vicevoorzitter@jfvgroningen.nl Standpunten zoals weergegeven in juridisch magazine In Casu zijn uitingen van de auteurs, en daarbij niet eveneens standpunten van de Juridische Faculteitsvereniging Groningen.

JFV In Casu - maart 2012

VOORWOORD

3

Voorwoord

Spannende tijden

H

et Juridisch Magazine In Casu van de Juridische Faculteits­vere­ niging groeit en bloeit. Als Decaan van de Faculteit Rechts­ geleerdheid vind ik dat natuurlijk prachtig. Het is echt een hele prestatie periodiek een tijdschrift van hoge kwaliteit uit te brengen, voor en door studenten. Naar mijn indruk wordt In Casu door veel studenten goed gelezen. En dat aantal studenten groeit ook. Vandaag de dag telt onze faculteit meer dan 3700 studenten. Dat aantal neemt gestaag toe. Onze faculteit en onze opleidingen zijn in trek, bij studenten uit binnenen buitenland. Toch zijn het spannende tijden. De wereld om ons heen verandert snel en met name financieel heeft onze faculteit zware jaren voor de boeg. Bij onze faculteit zijn de financiële zorgen misschien iets kleiner dan bij sommige zusterfaculteiten in het land, maar zeker ook niet gering. De Groningse faculteit zal in 2015 structureel op een niveau moeten zitten van ca. € 1 miljoen minder uitgaven per jaar. Dat is een bezuiniging van ca. 7% op de facultaire begroting. Het overgrote deel daarvan zal moeten worden gevonden in uitgaven op wetenschappelijk personeel, met name vanaf 2013 en 2014. Een bezuiniging in deze orde van grootte kan niet helemaal ongemerkt worden gerealiseerd en zal uiteraard zowel het onderwijs als het onderzoek van de faculteit enigszins onder druk zetten. Het jaar 2012 en de twee, drie jaren daarna worden daarom voor de faculteit uitdagend maar naar ik hoop en verwacht ook boeiend. Wat zijn voor het facultaire onderwijs de trending topics? Laat ik hier twee ontwikkelingen noemen. Staatssecretaris Zijlstra en de vereniging van universiteiten (VSNU) hebben eind 2011 een akkoord gesloten, waarin in hoofdlijnen is vastgelegd welke prestaties de universiteiten in 2015 gerealiseerd zullen hebben. Dit hoofdlijnenakkoord moet op het terrein van onderwijs in ieder geval leiden tot verbetering van – ik citeer - het ‘studiesucces’. Dat is eufemistisch voor ‘gewoon sneller studeren’. Voor de komende zomer worden de afspraken verder uitgewerkt in prestatieafspraken voor elke individuele universiteit. ‘Wie zijn afspraken uit dit akkoord niet nakomt zal dit voelen in zijn portemonnee’, aldus de staatssecretaris. Wat in ieder geval deel zal uitmaken van de nadere uitwerking van het hoofdlijnenakkoord zijn afspraken over het studierendement en over de onderwijsprogrammering. Bij het laatste staat verbreding van de bachelorfase hoog op de agenda. Dus minder specialisatie in de bachelor, in ieder geval in het propedeuse jaar. Dit sluit aan bij de onderwijsideeën van onze Rector Magnificus, die verder pleit voor een selectiever

aanbod in de masterfase. Het faculteitsbestuur zal zich de komende maanden over de uitvoering van één en ander buigen, uitgaande van de onderwijsvisie die wij als faculteit zelf sinds jaar en dag hebben. Die visie is vrij simpel: ‘wij willen vakbekwame juristen opleiden op academisch niveau’, wat onder meer betekent dat de kernonderdelen van het recht (burgerlijk recht, strafrecht, bestuursrecht, Europees- en bedrijfsrecht) erg belangrijk zijn voor de inhoud van de meeste van onze opleidingen. Dit jaar zal wat het onderwijs betreft ook sterk in het teken staan van de kwaliteitszorg. Maatschappelijk was er in 2011 in Nederland af en toe onrust over de kwaliteit van onderwijs in het algemeen en over de waarde van diploma’s, ook van universiteiten, in het bijzonder. Zoiets kunnen we natuurlijk niet hebben. Nu staan in Groningen opgeleide juristen gelukkig zeer goed aangeschreven in de praktijk. Maar het is van groot belang te blijven investeren in het waarborgen van die kwaliteit. De dit studiejaar bij ons ingevoerde tweede beoordelaar van masterscripties is daar een mooi voorbeeld van. Ten slotte. Het faculteitsbestuur waakt over onderwijskwaliteit en over studievoortgang, maar heeft uiteraard ook oog voor – zoals dat geloof ik heet – ‘studenttevredenheid’. Ook dat is geen vanzelfsprekendheid. Wij vormen immers een grote facultaire gemeenschap van een paar duizend studenten, docenten en andere medewerkers. Het is dan steeds weer een uitdaging met elkaar aandacht te houden voor de menselijke maat. Hoe beter we daarin slagen, ook in tijden van financiële crisis, hoe krachtiger onze mooie faculteit wordt! Ik wens iedereen een mooi voorjaar toe! Jan Berend Wezeman Decaan


Maak kennis met je nieuwe carrière Dirkzwager is altijd op zoek naar ambitieuze professionals. Juristen die een stap verder willen gaan, die hun kennis willen verbreden en delen. Om dat laatste draait het bij ons. We delen onze juridische kennis met onze cliënten en elkaar, zodat we samen sterker staan. Kennis ontwikkelen staat daarom hoog in het vaandel. We bieden dan ook uitstekende opleidingsmogelijkheden binnen en buiten onze Dirkzwager Academy. Maar ook door te werken aan uitdagende (internationale) projecten voor mooie cliënten. Daarnaast heb je altijd toegang tot brede juridische kennis die jij en je collega’s delen via onder andere onze eigen kennispagina’s, juridische (digitale) bibliotheken en de Dirkzwager KennisApp. Dirkzwager is een veelzijdig, landelijk top-20 kantoor. We werken voor grote en middelgrote bedrijven, overheden, instellingen en particulieren, op de meest uiteenlopende rechtsgebieden. Ons kantoor heeft vestigingen in Arnhem en Nijmegen en telt ca. 260 medewerkers, waarvan 110 juristen die zich thuis voelen in een professionele en collegiale werkomgeving.

Kom kennis maken en kennis delen bij Dirkzwager. Kijk op www.dirkzwager.nl voor de actuele vacatures en studentenstages.


JFV In Casu - maart 2012

Van de redactie

5

Van de redactie

Beste lezer,

D

e voorspelde horrorwinter is uitgebleven en de lente is in aantocht! We bevinden ons alweer halverwege het tweede semester. De langstudeerboete die volgend studiejaar wordt ingevoerd, hijgt menig student in de nek. Ook de invoering van de ‘harde knip’ zorgt voor de nodige stress. De studiedruk is dit studiejaar dan ook behoorlijk toegenomen. Om dit alles even te vergeten, ligt hier voor je weer een nieuwe In Casu!

Vol enthousiasme heeft de redactie ook deze keer weer haar uiterste best gedaan om een leuke en interessante In Casu samen te stellen. In deze derde In Casu van jaargang negentien tref je dan ook weer een variëteit aan artikelen aan: naar aanleiding van kritiek op de rechterlijke macht moet de rechter sinds 2004 vonnis wijzen volgens de Promis werkwijze. Wat houdt deze werkwijze in en hoe heeft het zich ontwikkeld? In de rubriek ‘Uitgesproken’ wordt een relatief onbekend

arrest besproken. Dit arrest is echter een goede weergave van de illusie van het voorwaardelijk opzet bij met name opiumdelicten. Ben jij benieuwd wat promoveren precies inhoudt? Blader dan snel door naar de rubriek ‘Achter de deur van’. Daarnaast is er wederom een redactioneel stuk over het wetsvoorstel Flex-BV. Worden de aandeelhoudersafspraken in de Flex-BV eenvoudiger, flexibeler en beter? De rubriek ‘Student and the city’ overschrijdt haar grenzen en biedt je een kijkje in het

(studenten)leven van Nieuw-Zeeland. Dit is nog maar een kleine greep uit de vele artikelen die deze In Casu rijk is. Reden genoeg om buiten in het lentezonnetje er eens even goed voor te gaan zitten! Ik wens je veel leesplezier! Femke Westra Eindredacteur In Casu


JFV In Casu - maart 2012

INHOUDSOPGAVE

6

Inhoudsopgave Redactioneel

@8 Het Promis vonnis Naar aanleiding van kritiek op de rechterlijke macht moet de rechter sinds 2004 vonnis wijzen volgens de Promis werkwijze. De Promis werkwijze heeft zich ontwikkeld van Promis I naar Promis III. Wat Promis precies inhoudt, lees je in dit artikel.

Column

18

11

@ De SE: koesteren of weg ermee? De veelbelovende Europese vennootschap, is alweer een tijdje geleden in het leven geroepen. Maar in deze tijden van crisis, waarin alles wat ook maar met Europa te maken lijkt te hebben, weer op scherp staat, rijst de vraag of zij in de praktijk haar positie ook heeft waargemaakt.

Student and the city

20

@ Spitsuur op de universiteit

@ Student and the city of... Wellington

Iedereen die de afgelopen tijd tentamens heeft gemaakt en daarvoor in de Universiteitbibliotheek zat, moet het gemerkt hebben: Nog nooit was het zo druk! Dat het moeilijk is om een computer te krijgen is bekend, maar dat je überhaupt moet knokken voor een studieplek, is mij nog nooit overkomen.

Met ditmaal een kijkje in het (studenten) leven in Nieuw-Zeeland!

@14

Internationaal handelsrecht: de Wereld­ handels­organisatie onder de loep

Hoe en waarom is de Wereldhandelsorganisatie tot stand gekomen? Wat is het recht van deze internationale organisatie en hoe werkt het befaamde geschillen­ be­ slechtings­­ orgaan? In dit stuk krijg je antwoord op al deze vragen en meer...

Achter de deur van...

23

@ Arvin Kolder, promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen In ‘achter de deur van...’ blijven we ditmaal dichter bij huis. We nemen een kijkje in het leven van Arvin Kolder. Naast zijn werkzaamheden als letselschadeadvocaat is hij promovendus en docent aan de Rijksuniversiteit Groningen.


JFV In Casu - maart 2012

INHOUDSOPGAVE

7

Personae

Juridisch Actueel

Uitgelicht

@27

@30

@33

Eduard Meijers

Eén van de grondleggers van het huidige Nederlands civiel recht is Eduard Maurits Meijers. Wie was het brein achter het huidige Burgerlijk Wetboek en hoe zag zijn leven eruit?

Aandeelhoudersafspraken in de Flex-bv; eenvoudiger, flexibeler en beter? De concurrentie binnen Europa wordt steeds groter. Het is dus van groot belang dat Nederland een aantrekkelijk vestigingsland blijft. Om die reden heeft de politiek besloten de ‘vereenvoudigde bv’ in te voeren.

De illusie van het (voorwaardelijk) opzet Met de (her)bespreking van een relatief onbekend arrest wordt inzichtelijk gemaakt dat het (voorwaardelijk) opzet bij met name opiumdelicten, door gebruikmaking van een bewijsrechtelijke truc, een illusie is.

Opinie

JFV Carrière­ Board Katern

JFV Congresbijlage

@35

@45

@58 Eenmaal, andermaal,

De politieke strijd rond Mauro en Jossef Er is de afgelopen periode veel te doen geweest om de schrijnende situatie van Mauro en Jossef. Is het goed dat minister Leers in gevallen als deze voet bij stuk houdt en tot uitzetting overgaat?

Het nieuwe semester is alweer een tijdje bezig en de hoorcolleges en werkgroepen worden natuurlijk weer trouw gevolgd. JFV CarrièreBoard heeft niet stil gezeten en er zijn weer verschillende activiteiten georganiseerd voor derde- en vierdejaars studenten die zich willen oriënteren op de verschillende carrièremogelijkheden.

boete!

In 2011 heeft de Nederlandse Mededingings­autoriteit (‘NMa’) verschillende kartels be­­ boet: het wasserijkartel, inzamelaars van scheepafval en de glazenwassers. Ook heeft de NMa in de laatste week van dat jaar torenhoge boetes uitgedeeld aan huizenhandelaren die actief zijn op executieveilingen. Bij dit laatste onderzoek van de NMa zal ik in deze bijdrage uit­­ gebreid stil staan. Allereerst schets ik het juridisch speelveld waarbinnen de NMa opereert.


redactioneel

JFV In Casu - maart 2012

8

Redactioneel

Het Promis vonnis Door Anne Dekker

P

romis staat voor Project motiveringsverbetering in strafvonnissen en is in 2004 voor het eerst uitgevoerd. Het ontstaan van Promis komt door de maatschappelijke kritiek tegen en het onbegrip voor de strafrechtspraak. Het gezag van de strafrechter en de acceptatie van diens beslissingen was en is niet langer vanzelfsprekend. Men wil overtuigd worden van de inhoudelijke correctheid, juistheid en rechtvaardigheid van beslissingen. Voordat Promis werd uitgevoerd was er sprake van een gebrekkige onderbouwing en uitleg van de bewijsmiddelen en was het taalgebruik erg juridisch. Dit was niet leesbaar en dus ook niet overtuigend voor leken.1 Het doel van Promis is om bij gelijkblijvende inzet van mensen en middelen te komen tot een betere bewijs- en strafmotivering en een betere communicatie tussen de strafrechter, betrokkenen en de samenleving.

Ontwikkeling Het eerste project is door de strafsectoren van de rechtbanken Almelo, Arnhem, Utrecht, Zutphen, Zwolle en het gerechtshof te Arnhem gezamenlijk in 2004 en 2005 uitgevoerd. In Promis I is het bewijs- en strafmotiveringsmodel (B&S-model) ontwikkeld. Na evaluatie van dit project startten dezelfde rechtbanken, behalve Zwolle, de rechtbanken Maastricht, Roermond en Breda en het gerechtshof Den Bosch met Promis II. In dit project werd het B&S-model verder ontwikkeld. In 2008 werd Promis landelijk geïmplementeerd. Na gebleken problemen bij Promis II, is Promis III gestart.

Promis I De start van het eerste project had als doel te komen tot een verbeterde motivering

van strafrecht uitspraken. Hierdoor kregen betrokkenen en leken een beter inzicht in het denkproces van de rechter. Daarnaast werd onderzocht of dit gerealiseerd kon worden met gelijkblijvende inzet van mensen en middelen. Promis I hield in dat de strafrechter duidelijker en uitgebreider uitleg moest geven over zijn beslissingen. Dit moest zowel in geval van vrijspraak als in het geval van een bewezenverklaring. Daarnaast moest de rechter genuanceerder aangeven waarom hij een bepaald soort straf koos en hoe hij tot de hoogte van de straf kwam. Zo werd het B&Smodel ontwikkeld. De kerngedachte hierbij was de ‘motivering op maat’. Dit hield in: motiveer uitgebreid wat je uitgebreid moet motiveren en motiveer sober als dit mogelijk is. Daarbij gold dat een vraag die niet gesteld werd ook niet beantwoord

hoefde te worden. In 2005 is dit model geëvalueerd. Hieruit kwam voort dat door het werken volgens de Promis werkwijze een duidelijke verhoging van de kwaliteit van vonnissen en arresten ontstond. Dit kon alleen niet bewerkstelligd worden met dezelfde inzet van mensen en middelen.2

Promis II In 2006 is het vervolgproject van Promis I, Promis II, gestart. Het B&S-model is tijdens dit project overgenomen en deels aangepast. In dit tweede project werd beoordeeld wat de omvang van de werklastverzwaring was indien tot een uitgebreide motivering werd overgegaan. Het bleek dat Promis leidde tot een geheel andere manier van schrijven, die zorgde voor werklastverzwaring in de strafsectoren. Die verzwaring had invloed op het


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

9

“…motiveer uitgebreid wat je uitgebreid moet motiveren en motiveer sober als dit mogelijk is.” naleven van het B&S-model. Het model werd soms namelijk niet geheel nageleefd. Zo kwam het voor dat niet alle onderdelen van de bewezenverklaring door de bewijsmiddelen werden gedragen en dat er soms ten onrechte de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen niet in de vonnissen of arresten werd weergegeven, maar werd volstaan met het verwijzen naar de vindplaatsen. Om die naleving te verbeteren, werd de ‘motivering op maat’ aangepast. Als aanvulling op de verplichte motivering, indien afgeweken werd van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (artikel 359 lid 2 Wetboek van Strafvordering), moest de bewijsbeslissing daar bovenop gemotiveerd worden. Dit moest ook indien een beslissing niet afweek van het standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie (OM).3 Daarnaast moest de bewijsmotivering altijd worden opgenomen in het vonnis. Dit kon in de verteltrant of het bewijs kon zakelijk worden weergegeven met een verwijzing in een voetnoot naar het betreffende bewijsmiddel. De bewijsmiddelen mochten dus niet meer als bijlage aangehecht worden. Hierdoor werd bij de uitspraak meteen duidelijk op welke bewijsmiddelen de rechter zijn oordeel baseerde. Ook werden er oriëntatiepunten opgesteld die de strafmotivering inzichtelijker en overtuigender maakten. Deze punten gaven de richting ten opzichte waarvan het concrete geval moest worden afgewogen en afgezet weer. Daarnaast werd onderzocht of omvangrijke en technisch ingewikkelde zaken zich goed leenden voor de Promis wijze. In die gevallen is het namelijk moeilijk om de uitspraak binnen veertien dagen uit te werken. Daarom werden deze zaken gewezen als een verkort vonnis waarbij uitsluitend de gevoerde (bewijs)verweren volgens de Promis wijze werden besproken of de bewijsredenering werd weergegeven, waarna bij het instellen van een rechtsmiddel of als daarom werd verzocht (artikel

365c lid 1 Wetboek van Strafvordering) de bewijsmiddelen in de aanvulling zouden kunnen worden vermeld. Als laatste werd bepaald dat bij het wijzen van vonnissen onderscheid gemaakt kon worden tussen zaken die uitsluitend van belang zijn voor partijen en zaken die dit belang overstijgen, zoals publiciteitsgevoelige zaken. Bepaald werd dat in het eerste geval minder uitvoerig gemotiveerd kon worden, omdat de kans klein was dat een derde daarvan kennis wil of moet nemen.4

Best Practice In december 2009 is door het Programma Strafsector 2010 een Best Practice uitgebracht. Hierin wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop een Promis vonnis het beste kan worden opgebouwd. De opbouw is in bepaalde opzichten bijzonder te noemen. Bijzonder aan de Promis wijze is dat de tenlastelegging, waaronder een in ‘klare taal’ geschreven samenvatting daarvan, moet worden opgenomen in het vonnis. Voor de bewijsmotivering gelden ook bijzondere Promis eisen. Zo moet de motivering in de vorm van een lopend betoog worden geschreven met aandacht voor alternatieve scenario’s, onverklaarbare feiten en omstandigheden, extra motivering van niet vanzelfsprekende conclusies en oordelen en een beschrijving van en verwijzing naar de bewijsmiddelen. Ook moet het de vaststaande feiten, het standpunt van het OM, het standpunt van de verdediging, de beoordeling van de tenlastelegging, de behandeling van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten (en andere verplichte motiveringen) en de bewezenverklaring bevatten.

Opmerkelijk aan de strafoplegging is dat deze opgebouwd moet zijn door een korte leesbare beschrijving van de feiten, de verankering van de straf inclusief de eis van het OM, de wettelijke strafverzwaringsen verminderingsgronden, de feit gerelateerde factoren, de verdachte gerelateerde factoren en de straf en/of maatregel, waaronder strafdoelen en gemotiveerde keuzes voor strafsoorten. De laatste specifiekheid houdt in dat er een gemotiveerde reactie op de vordering van de benadeelde partijen opgenomen moet worden.5 De Best Practice geldt nog steeds, met inachtneming van Promis III.

Promis III Promis III is het resultaat van het onderzoek naar de werking van Promis en moet heden worden nageleefd. In Promis

“…waaronder een in ‘klare taal’ geschreven samenvatting daarvan…”

III wordt verder gebouwd op Promis II en wordt onderzocht of de conclusies getrokken bij Promis II kloppen. Dit in het licht van gebleken financiële beperkingen om onder andere de werklastverzwaring te


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

10

“…een mix van de klassieke wijze van motiveren (weergeven bewijsmiddelen) en Promis.”

bekostigen. Uit Promis III blijkt dat met de gebrekkige financiële middelen het vonnis wijzen via de Promis methode niet geheel nageleefd kan worden en biedt daarom alternatieven om tijdwinst te creëren. Zo wordt er aan het gemaakte onderscheid tussen zaken met een uitsluitend eigen belang en zaken die dat belang overstijgen toegevoegd dat de rechter zich in de bewijsmotivering kan concentreren op de discussie- en probleempunten, dat volstaan kan worden met een korte weergave van feiten die niet ter discussie staan en dat de vereiste onderbouwing met redengevende feiten en omstandigheden gerealiseerd kan worden door het opnemen van de redengevende passages uit de gebezigde bewijsmiddelen. Daarnaast wordt in Promis III vastgesteld dat omvangrijke en technisch ingewikkelde zaken zich juist lenen voor de Promis werkwijze en is het sindsdien mogelijk om vonnis te wijzen door een mix van de klassieke wijze van motiveren (weergeven bewijsmiddelen) en Promis. Het weergeven van de bewijsmiddelen in een lopend verhaal met verwijzing naar de vindplaatsen daarvan in voetnoten is namelijk niet altijd nodig.6

Conclusie Het B&S-model van 2004 is door de verschillende projecten wat aangepast. De bedoelde duidelijke en uitgebreide uitleg is nog steeds de insteek van Promis. Echter, wegens de beperkende financiële

middelen om de verzwaarde werklast te bekostigen die bij het wijzen van vonnissen op de Promis werkwijze komt kijken, is die insteek enigszins ingekapseld. Het is nu namelijk mogelijk om verkorte Promis vonnissen te wijzen. Dit is opmerkelijk, omdat die vonnissen juist niet bijdragen aan de bedoelde duidelijkheid en uitgebreidheid. Dit is dan ook misschien wel stof voor een Promis IV. Om het doel van Promis te realiseren, zal Promis waarschijnlijk nog een grote ontwikkeling door maken.

1 Project motiveringsverbetering in strafvonnissen, Promis-de Best Practicejanuari 2008, pag. 3. 2 <http://www.rechtspraak.nl/Organisatie/Raad-Voor-De-Rechtspraak/ Kwaliteit-van-de-Rechtspraak/Pages/ Project-Motiveringsverbetering-in-Strafvonnissen-(PROMIS).aspx> en Rapport Toetsingscommissie Promis III, Stand van zaken Promis in 2010, pag. 10. 3 Hoge Raad 11 april 2006, NJ 2006, 393. 4 Rapport Toetsingscommissie Promis III, Stand van zaken Promis in 2010, pag. 10,11 en Project motiveringsverbetering in strafvonnissen, Eindrapport Promis II. 5 Rapport Toetsingscommissie Promis III, Stand van zaken Promis in 2010, pag. 11,12 en Project motiveringsverbetering in strafvonnissen, Promis-de Best Practice-januari 2008. 6 Rapport Toetsingscommissie Promis III, Stand van zaken Promis in 2010, pag. 28.


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

11

Redactioneel

De SE: koesteren of weg ermee? Door Rachelle Carolien Boneva

I

n deze tijden van crisis staat de discussie rondom het fenomeen Europa, dankzij de euro- en de schuldencrisis, op zijn zachts gezegd weer op scherp. Ooit is mede dankzij dit Europese samenwerkingsverband de veelbelovende Societas Europaea (SE), oftewel de Europese naamloze vennootschap, opgericht. Maar wat is zij nu precies? En wat heeft zij in de praktijk teweeggebracht? Is er met het oog op het alsmaar groeiende wantrouwen binnen Europa en haar lidstaten, door onder andere het Griekse debacle, in de praktijk nog wel behoefte aan haar en is zij daadwerkelijk een nuttige bijdrage aan onze internationale ondernemingsrechtpraktijk? Of kan dit concept net zo goed definitief in de prullenbak belanden? Met andere woorden; De SE: koesteren of weg ermee?

Ontstaansgeschiedenis De SE, is alweer in 2001 door de Raad van de Europese Unie (EU) vastgesteld bij Verordening (SE-Vo.)1 en bij Richtlijn (SE-Rl.).2 Op 8 oktober 2004 is de SE-Vo. Inwerking getreden en is zij rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten van de EU.

In Nederland is dit geschiedt via de Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap (Uitvoeringswet Vo.) en de Wet rol werknemers bij de Europese vennootschap ter uitvoering van de SE-Rl. (Uitvoeringswet Rl.). De totstandkoming van de SE is gebaseerd op voltooiing van de harmonisatie

inzake een interne markt, waaronder een intern vennootschapsrecht behoort.3

Toepasselijk recht Gezien de aard van rechtstreekse werking van de SE-Vo., brengt dit met zich dat waar de SE-Vo. in een regeling voorziet, het


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

12

“Nationaal recht onmisbare aanvulling op het SE-recht.”

nationale recht buiten toepassing dient te worden gelaten. Ook statutaire bepalingen van de SE gelden boven nationaal recht, indien de SE-Vo. in die mogelijkheid voorziet.4 Volgens de statuten heeft de SE een algemene vergadering van aandeelhouders en hetzij een leidinggevend en een toezichthoudend orgaan (dualistisch systeem), hetzij een bestuursorgaan (monistitisch systeem). Met andere woorden, zowel de one-tier board, als de two-tier boardconstructie is mogelijk.5 Uiteraard mogen de statuten nooit in strijd komen met de SE-Vo. Voor gebieden waarin de SE-Vo. niet of slechts gedeeltelijk voorziet, kan verwezen worden naar de nationale wetgeving van de lidstaat waar de SE haar statutaire zetel heeft.6 In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan bijzondere nationale wetgeving.7 In Nederland is dit de Uitvoeringswet Vo. Voorziet ook bijzondere nationale wetgeving hierin niet, dan kan worden teruggegrepen op het nationale nv-recht.8 In de praktijk houdt dit in dat de SE wat betreft haar materiële recht vooral aangewezen is op het recht van de lidstaat waar de SE is opgericht. Dit heeft als consequentie dat een lidstaat haar bijzondere nationale wetgeving zo kan indelen, dat zij ‘haar’ SE flexibel kan inrichten en zo aantrekkelijk maakt voor haar ondernemers. Dit heeft weer tot gevolg dat het benutten van die nationale invullingsruimte, de ‘regulatory competition’ tussen lidstaten bevordert. Oprichters zijn vrij in hun keuze voor een land van oprichting, maar voor een SE geldt wel de leer van de werkelijke zetel. De SE wordt namelijk beschouwd als nv die beheerst wordt door het recht van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft, op straffe van ontbinding.9 De SE-Vo. Bepaalt dat de statutaire zetel in de EU gelegen moet zijn, in dezelfde lidstaat als waar het hoofdbestuur is gevestigd. 10 Bij verplaatsing van de werkelijke zetel heeft dit dus tot gevolg dat er ook automatisch sprake is van verandering van toepas-

selijk recht en de statuten zodoende dienen te worden aangepast (de zogenaamde ‘Statutenwechsel’).11

Wijze van oprichting

Een SE wordt opgericht naar het recht in de staat waar de SE haar statutaire zetel heeft.12 Een SE kan op vijf verschillende manieren ontstaan. Allereerst kan een SE worden opgericht via juridische fusie, waarbij een nieuwe vennootschap wordt opgericht.13 Het moet dan gaan om nv’s (opgenomen in bijlage I bij de SE-Vo.), die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht en hun statutaire zetel en hoofdbestuur in de EU hebben. Op minstens twee van de nv’s moet recht van verschillende lidstaten van toepassing zijn. Ook kan deze weg via een overname worden bewandeld, waarbij de vennootschap wordt voortgezet onder de reeds bestaand kopende vennootschap.14 Daarnaast kan een SE worden opgericht, door middel van oprichting van een holding-SE.15 De vennootschappen die de holding-SE oprichten, blijven zelf bestaan. Tevens kan een SE ontstaan, door oprichting van een dochter-SE.16 Dit is een van de meest eenvoudige vormen voor het oprichten van een SE. Alle vennootschappen in de zin van artikel 54 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (ex. artikel 48 EG-Verdrag), kunnen een dochter-SE oprichten door de aandelen ervan te verkrijgen indien tenminste twee van de vennootschappen onder het recht van verschillende lidstaten vallen, of zij elk minstens twee jaar een dochtervennootschap heeft waarop het recht van een andere lidstaat van toepassing is, dan wel een bijkantoor heeft in een andere lidstaat. Tenslotte kan omzetting van een bestaande nv in een SE plaatsvinden.17 Ook dit is een eenvoudige vorm voor het oprichten van een SE. Hiervoor dient slechts te worden voldaan aan de eis

dat de nv minstens twee jaar een dochtervennootschap heeft, die onder het recht van een andere lidstaat ressorteert.

De SE in essentie De kern van de SE is dat zij een vennootschap is die als rechtsvorm niet gebonden is aan de grenzen van een lidstaat.18 Zij is een vennootschap met een in aandelen verdeeld kapitaal. Het minimumkapitaal bedraagt 120.000 euro.19 Het doel van de SE is om het internationale ondernemingen gemakkelijker te maken haar internationale activiteiten te kunnen uitvoeren. Daaronder vallen onder andere het makkelijk kunnen verplaatsen van de statutaire zetel naar een andere EU-lidstaat. Ook wordt de mogelijkheid tot fusie en oprichten van een holding of dochtermaatschappij binnen de EU eenvoudiger gemaakt.20 Maar is dit in de praktijk ook tot uitdrukking gekomen? Het feit dat de SE vooral wordt beheerst door nationaal nv-recht is met de totstandkoming van de Europese vennootschap niet beoogd.21 Wat betreft het materiële recht van de SE is dus het tegengestelde waar. In feite wordt de SE nog steeds geleid door de verschillende nv-regels van de lidstaten. Zo wordt een fusie bijvoor-

“Vertrouwenscheppend imago van de SE, kan in crisistijden haar figuurlijke steentje bijdragen.”


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

13

“Business without borders.”

beeld nog steeds volgens het gebruikelijke nationale recht geregeld. De mogelijke voordelen van het eenvoudiger tot stand komen van bijvoorbeeld herstructurering of statutaire zetelverplaatsing wordt dus als het ware ‘slechts’ bepaald door het feit dat de SE als rechtsvorm zélf meer mogelijkheden biedt. Grensoverschrijdende zetelverplaatsing is met de komst van de SE direct mogelijk, zonder dat een vennootschap hoeft te worden ontbonden waarop een nieuwe rechtspersoon moet worden opgericht in het beoogde land. Dit is een aantrekkelijke eigenschap die de nationale nv zelf niet heeft. De statutaire zetelverplaatsing is voorbehouden aan de SE-rechtsvorm. Dat voor het bestaan van de SE niet ook al de constructie van internationale zetelverplaatsing zou kunnen worden toegepast, is echter een fabeltje. Ik schets een voorbeeld: een Nederlandse nv richt in Frankrijk een S.A. op, vervolgens fuseert zij met deze S.A., waarbij een nieuwe vennootschap wordt opgericht in bijvoorbeeld Duitsland. De facto komt ook dit neer op een grensoverschrijdende zetelverplaatsing. Met het ontstaan van de SE als rechtsvorm, kan nu echter direct een statutaire zetelverplaatsing binnen de EU-lidstaten plaatsvinden, zonder dat daarvoor eerst een vennootschap hoeft te worden ontbonden of een nieuwe rechtspersoon hoeft te worden opgericht.22

Conclusie Het nationale recht heeft een onmisbare aanvullende werking voor toepassing in de praktijk van de SE als rechtsvorm. Sterker nog, de SE wordt zelfs beschouwd als de nv die beheerst wordt door het recht van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft. Zij heeft in die zin dus zeker niet het beoogde effect van een gemeenschappelijk communautair vennootschapsrecht! Dat wil niet zeggen dat de SE in het geheel geen voordelen met zich heeft gebracht. Zij biedt onder andere de mogelijkheid het land van oprichting te kiezen en de keus tussen de one-tier of two-tier board. Dit bevordert – juist door de onontbeerlijke nationaalrechtelijke invulling – de ‘regulatory competition’ tussen EU-lidstaten. Echter de voordelen nemen niet weg dat veel van de mogelijkheden die door haar zijn ontstaan, niet ook al mogelijk waren onder nationaal recht (herstructurering, grensoverschrijdende zetelverplaatsing), maar het gebruik van de SE als rechtsvorm maakt dit nu een stuk gemakkelijker. Het verschil in recht wordt vooral gevormd door het feit dat de SE als rechtsvorm zélf meer mogelijkheden biedt en dus een aanvulling is op de internationale ondernemingsrechtpraktijk. In de praktijk is gebleken dat de SE voor internationale ondernemingen meer dan een goed alternatief biedt voor de nationale nv. Zoals de SE-Vo. het dus zelf niet voor niets mooi uitdrukt: ‘Alleen de SE mag de letters SE dragen!’.23 De SE zal daarnaast een beter perspectief voor een internationale onderneming kunnen bieden dan een nationale constructie. Tenslotte is misschien wel het belangrijkste profijt dat de SE met zich brengt, dat haar gebruik ten aanzien van internationale partners vertrouwend kan werken. Zij duidt immers aan dat de onderneming internationaal is georiënteerd en dus letterlijk over grenzen heen kijkt. Je zou dus kunnen zeggen dat dit positieve imago van de SE, juist nu – in crisistijden – meer dan ooit haar figuurlijke steentje kan bijdragen aan een goede samenwerking tussen de EU-lidstaten. En ook tegenover internationale handelspartijen buiten de EU-grenzen kan zij

niet alleen een statement vormen, maar kan zij ook een efficiëntere manier van zaken doen met zich brengen. Zij vormt dus zeker, juist nu, een maatschappelijk wenselijke en praktische bijdrage aan een internationale handelspraktijk. Dus op de vraag, de SE: koesteren of weg ermee?, is het antwoord koesteren. In deze tijden is zij juist een pre!

1 Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE), via http://eur-lex.europa. eu. 2 Richtlijn 2001/86/EG tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers, via http://eur-lex-europa. eu. 3 Artikel 352 VWEU (ex. art. 308 EGVerdrag) en punt 9 en 28 van de preambule van de SE-Vo. 4 Artikel 9 lid 1 aanhef en onder b SE-Vo. 5 Artikel 38 sub b SE-Vo. Nederland kent de one-tier board constructie. 6 Artikel 9 SE-Vo. Inmiddels wordt aan­vaard, dat de SE-Vo. niet als uitputtend kan worden beschouwd, dus nationaal recht vaak toepassing vindt. 7 Artikel 9 lid 1 aanhef en onder c punt i SE-Vo. 8 Artikel 9 lid 1 aanhef en onder c punt iii SE-Vo. 9 Artikel 3 en 64 SE-Vo. 10 Artikel 7 SE-Vo. Per lidstaat wordt (uiteraard) weer verschillend gedacht over wat onder de werkelijke zetel dient te worden verstaan. 11 Literatuur: De Europese Vennootschap (SE) H.J. de Kluijver, en De Europese vennootschap in de praktijk, mr. M.E.Koppenol-Laforce e.a. 12 Artikel 15 SE-Vo. 13 Artikel 2 lid 1 en art. 17 lid 1 SE-Vo. 14 Artikel 29 lid 2 SE-Vo. 15 Artikel 2 lid 2 en 32 lid 1 SE-Vo. 16 Artikel 2 lid 3 en 35 SE-Vo. 17 Artikel 2 lid 4 en 37 lid 1 SE-Vo. 18 Artikel 1 lid 1 SE-Vo. 19 Artikel 4 lid 2 SE-Vo. 20 Zie preambule SE-Vo. 21 Zie onder andere de artikelen 3, 9, en 10 SE-Vo. 22 Artikel 8 lid 1 SE-Vo. 23 Artikel 11 lid 2 SE-Vo.


reDaCtIOneel

JFV In Casu - Maart 2012

14

Redactioneel

Internationaal handelsrecht: de Wereldhandelsorganisatie onder de loep Door tanja schasfoort

G

lOBalIserInG Is een WOOrD Dat We VanDaaG De DaG Maar al te Vaak hOren. Met eCOnOMIsChe GlOBalIserInG BeDOelen We De GeleIDelIJke InteGratIe Van natIOnale eCOnOMIeën In één GrenzelOze GlOBale eCOnOMIe. DIt BeïnVlOeDt Mensen OVeral ter WerelD In hun DaGelIJkse leVen. OM erVOOr te zOrGen Dat De eCOnOMIsChe InteGratIe en De InternatIOnale hanDel zOVeel MOGelIJk Mensen VOOrDeel BrenGt, MOet De InternatIOnale hanDel GOeD BeheerD en GereGuleerD WOrDen. De WerelDhanDelsOrGanIsatIe (WtO) Is De enIGe InternatIOnale InterGOuVerneMentele OrGanIsatIe DIe zICh BezIGhOuDt Met De WerelDWIJDe hanDelsreGels tussen De VersChIllenDe staten. het DOel Van De WtO Is het BeVOrDeren Van De InternatIOnale hanDel DOOr De OpheFFInG Van hanDelsBarrIères en het aFsChaFFen Van DIsCrIMInatOIre hanDel tussen lanDen. De reGels OM DIt te BeWerkstellIGen Bepalen De WtO-lIDstaten In VersChIllenDe OVereenkOMsten. FeItelIJk Werkt De WtO als een perManent OnDerhanDelInGsFOruM VOOr De VersChIllenDe lIDstaten. MOMenteel zIJn er Maar lIeFst hOnDerDDrIeënVIJFtIG lIDstaten VerteGenWOOrDIGD In De WtO.

In dit artikel zal ik ingaan op de totstandkoming van de WTO en de verschillende overeenkomsten die de spelregels van het internationale handelsrecht vormen. Ook zal de plaats van Europa in de WTO en het vaak geprezen geschillensbeslechtingsorgaan van de WTO aan bod komen.

De voorloper van de WtO De WTO komt voort uit de Wereldovereenkomst voor Tarieven en Handel (General Agreement on Tariffs and Trade (GATT)), die in 1947 in Genève werd ondertekend door drieëntwintig landen.1 Kort na de Tweede Wereldoorlog was er de behoefte om de vrije handel tussen de landen te bevorderen. De GATT was samen met het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank één van de drie pijlers van de Bretton Woods overeenkomst.2 In de GATT werden de basisregels voor de internationale handel neergelegd. Aanvankelijk werd de GATT gezien als een tijdelijke overeenkomst. Het uiteindelijke doel was namelijk de oprichting van een internationale handelsorganisatie (Inter-

national Trade Organization (ITO)).3 Uiteindelijk weigerde de Verenigde Staten lid te worden en bleef het bij het – aanvankelijk als tijdelijk bedoelde – handelsrechtelijke GATT. De GATT had zo zijn tekortkomingen. Allereerst hadden onder de regels van de GATT 1947 alle aangesloten lidstaten een vetorecht. Als er panels werden opgericht die het GATT-recht moesten verduidelijken of handelsgeschillen moesten oplossen, kon een lidstaat gemakkelijk zijn vetorecht gebruiken. Als niet alle lidstaten het met de beslissing eens waren, was de beslissing niet bindend. De overtreder van de GATT kon dus gemakkelijk voorkomen dat de beslissing bindende kracht kreeg. Dit probleem werd ook wel ‘negative blocking’ genoemd. Op de tweede plaats was er het probleem van de ‘grandfather clauses’. Het GATT-recht was alleen van toepassing op nationale regels die ná de ondertekening van de GATT werden geïmplementeerd. Lidstaten hoefden dus al hun eigen recht van voor 1947 niet in lijn te brengen met het GATT-recht. Ook internationaal gewoonterecht van voor 1947 kon afwijken

van het GATT-recht. Deze tekortkomingen waren uiteraard te wijten aan het feit dat de GATT slechts was bedoeld als tijdelijke overeenkomst, in afwachting van de oprichting van een daadwerkelijke internationale handelsorganisatie.

De geboorte van de WtO Het duurde nog bijna vijftig jaar en maar liefst acht onderhandelingsrondes voordat er uiteindelijk een echte internationale handelsorganisatie werd opgericht. De WTO werd opgericht in 1995 met de Agreement Establishing the World Trade Organization (WTO-Overeenkomst). Dit is de meest ambitieuze en veelomvattende internationale overeenkomst op het gebied van internationale handel. De oprichting was het directe gevolg van de onderhandelingen tijdens de zogenaamde Uruguay Ronde, die duurde van 1986 tot 1994. De WTO-Overeenkomst hanteert een ‘single approach deal’. Dit betekent dat je ofwel tekent voor álle overeenkomsten, of voor geen enkele. Reden voor deze benadering is dat er naast de GATT 1947 door de jaren


JFV In Casu - maart 2012

redactioneel

15

“Dit is de meest ambitieuze en veelomvattende internationale overeenkomst op het gebied van internationale handel.” heen vele afzonderlijke handelsovereenkomsten tussen landen waren gesloten en de landen nu af wilden van dit zogenaamde ‘GATT à la carte’. Basis van de WTO-Overeenkomst is de oude GATT 1947.4 Verder zijn ook de algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (General Agreement on Trade in Servies and Annexes (GAT)) en de overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPS)) onderdeel van de WTO-Overeenkomst. Het bereik van de overeenkomst is dus uitgebreid met regels omtrent handel in services en intellectuele eigendommen. Twee andere belangrijke bijlagen van de WTO-Overeenkomst zijn de overeenkomst inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (Understanding on Rules and Procedures Governing the Settlement of Disputes (DSU)) en de regeling inzake de toetsing van het handelsbeleid van de WTO (Trade Policy Review Mechanism). De organisatiestructuur van de WTO bestaat uit drie niveaus. Als eerste is er de Ministeriële Conferentie. De Ministeriële Conferentie is het wetgevende orgaan van de WTO en moet minstens één keer per twee jaar bij elkaar komen. In de Ministeriële Conferentie zijn de ministers van alle lidstaten vertegenwoordigd. Het tweede niveau bestaat uit de Algemene Raad die bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten op diplomatiek niveau. De Algemene Raad heeft zijn zetel in Genève. De Algemene Raad komt tevens – maar onder een andere pet – als Geschillensbeslechtingsorgaan en als Trade Policy Review Body bijeen. De Algemene Raad kan zo vaak bijeen komen als zij wil en legt verantwoording af aan de Ministeriële Conferentie. Het derde niveau bestaat uit verschillende werkgroepen, zoals de Goederen Raad, de Diensten Raad en de Intellectuele Eigendom Raad. Deze werkgroepen zijn verantwoording schuldig aan de Algemene Raad. Ook zijn er nog de nodige comités die over specifieke

onderwerpen zoals bijvoorbeeld antidumpingregels of subsidies gaan. Voor de dagelijkse administratieve handelingen is er een secretariaat met aan het hoofd een directeur generaal. Alleen op het hoogste ministeriële niveau kunnen nieuwe regels worden voorgeschreven en wetten worden gemaakt die vervolgens bindend voor de lidstaten zijn. Besluitvorming gebeurt in principe op basis van consensus. Als er geen consensus is, wordt er gestemd. Elk deelnemend land heeft één stem.5 Echter, er wordt vrijwel nooit gestemd. Als een lidstaat zich niet duidelijk uitspreekt tegen een besluit wordt hij geacht voor te zijn. In de praktijk houden vooral ontwikkelingslanden zich vaak stil, ook al zijn de beslissingen voor hen lang niet altijd voordelig. Dit besluitvormingssysteem stuit op kritiek; sommige critici vinden het ondemocratisch en ondoorzichtig.

Belangrijke pricipes van het WTO-recht De vijf leidende principes van het WTOrecht zijn non-discriminatie, wederkerigheid (‘voor wat, hoort wat’), bindende en afdwingbare verbintenissen, transparantie en een element van flexibiliteit. Dit laatste houdt in dat er uitzonderingen op de algemene regels en speciale regelingen voor bijvoorbeeld ontwikkelingslanden zijn. Landen moeten zich houden aan twee belangrijke principes welke ook in de overeenkomsten verankerd zijn: het principe van meest begunstigde natie en het principe van nationale behandeling. Het principe van meest begunstigde natie houdt in dat elk voordeel dat een land aan een ander land toekent, direct en onvoorwaardelijk ook voor alle andere leden geldt. Het principe van nationale behandeling probeert protectionisme te bestrijden en verbiedt discriminatie van geïmporteerde producten. Verder moeten tarieven vast staan om zekerheid te creëren en zijn oneerlijke handelspraktijken zoals exportsubsidies en dumping (het verkopen van producten onder de kostprijs) niet toegestaan. Deze – en alle andere – WTO-regels

proberen de internationale handel zo vrij en eerlijk mogelijk te laten plaatsvinden. Echter, de regels zouden niet effectief zijn zonder een goed nalevingsmechanisme. En dat is waar het geschillensbeslechtingsorgaan van de WTO in zicht komt.

Het geschillens­beslechtings­ orgaan van de WTO Onder het oude systeem van de GATT 1947 waren er geen echte procedurele regels omtrent de geschillenbeslechting. De machtigste landen hadden vaak het meest te zeggen en beslissingen werden door de politiek beïnvloed. Nu zijn in bijlage twee van de WTO-Overeenkomst de regels en procedures van het geschillensbeslechtingsorgaan (Dispute Settlement Body (DSB)) neergelegd in de Geschillenbeslechtingsovereenkomst (Dispute Settlement Understanding, (DSU)). Zij is gebaseerd op de artikelen XXII en XXIII van de GATT. De efficiënte en zorgvuldige beslechting van geschillen is essentieel voor een effectieve WTO.6 Leidende principes van de DSU zijn verder: een goede toegankelijkheid, snelheid, redelijkheid en billijkheid. De geschillenbeslechting is te verdelen in twee fasen: de informele beraadslagingsfase en de formele fase waarin het geschil wordt voorgelegd aan een zogenaamd panel, bestaande uit een groep van deskundigen.7 Voordat leden een zaak onder het geschillenbeslechtingsorgaan van de WTO brengen, moeten ze proberen hun geschil onderling vreedzaam op te lossen.8 Als tijdens de informele fase na zestig dagen het conflict nog niet is opgelost, kunnen leden een beroep doen op het geschillenbeslechtingsorgaan van de WTO. Dit is het begin van de tweede fase van de geschillenbeslechting. Een zogenaamd panel van drie tot vijf deskundigen wordt opgericht dat meestal binnen zes maanden een rapport opstelt. Dit rapport wordt vervolgens naar het geschillenbeslechtingsorgaan gestuurd waar door middel van omgekeerde consensus wordt besloten.9 Deze besluitvorming door middel van omgekeerde consensus houdt


redactioneel

JFV In Casu - maart 2012

16

“De efficiënte en zorgvuldige beslechting van geschillen is essentieel voor een effectieve WTO.”

in dat het rapport aangenomen en bindend wordt, tenzij iedereen tegen stemt. Uiteraard werkt dit veel effectiever dan het oude veto-systeem onder de GATT 1947. Tegen het bindende besluit kan hoger beroep worden ingesteld.10 Artikel 21 DSU stelt dat directe navolging van de uitspraken van het geschillenbeslechtingsorgaan essentieel is. Er bestaat in het WTO-recht geen concept van een strafoplegging, maar de DSB geeft de ‘verliezende partij’ een redelijke tijdslimiet om zijn regelgeving in lijn te brengen met het WTO-recht. Alleen als de verliezende partij zijn regelgeving niet binnen de tijdslimiet in conformiteit met het WTO-recht brengt, moet de verliezende partij in gesprek met de aanklagende partij over de mogelijkheid tot wederzijds aanvaardbare compensatie.11 Over het algemeen is de heersende mening dat de DSB effectief werk verricht. Uiteraard zijn er wel punten die beter zouden kunnen; zo is er bijvoorbeeld kritiek op het feit dat de DSU niet voorziet in regels voor specifieke handelsconflicten, niet voldoende rekening houdt met de positie van ontwikkelingslanden en niet effectief genoeg op kan treden tegen landen die meerdere malen dezelfde overtreding maken.12

Europa in de WTO Er zijn wereldwijd honderden regionale handelsovereenkomsten. Bekende voorbeelden hiervan zijn de Europese Unie, de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst en de Associatie van Zuidoost-

Aziatische Naties. Het WTO-recht erkent de voordelen van regionale economische integratie, ook al zijn regionale vrijhandelszones en douane-unies in principe in strijd met het beginsel van de meest begunstigde natie. Artikel XXIV:4 GATT 1994 maakt regionale handelsovereenkomsten – onder bepaalde voorwaarden – toch mogelijk. Zo stelt dit artikel bijvoorbeeld dat een handelsovereenkomst er alleen op gericht mag zijn regionale handel te vergroten, niet om internationale handel te belemmeren. De Europese Unie treedt binnen de WTO op als één geheel. Artikel 3(2) van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unie stelt dat de vorming van een interne markt één van de doelstellingen van de Europese Unie is. De Europese Unie is exclusief bevoegd op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek.13 De Europese Commissaris voor handel is verantwoordelijk voor het voeren van de onderhandelingen en het afhandelen van handelsconflicten namens de lidstaten. Sinds de jaren negentig heeft een ware profileratie van regionale handelsorganisaties plaatsgevonden.14 Het is de vraag of de toename van regionale handelsorganisaties het multilaterale handelssysteem niet ondermijnt.15

De toekomst van de Dohaontwikkelingsronde Sinds oprichting van de WTO in 1995 zijn er een aantal bijeenkomsten van de Ministeriële Conferentie van de WTO geweest. Artikel vier, paragraaf één, van de WTOOvereenkomst stelt immers dat de Ministeriële Conferentie ten minste eens per twee jaar bijeen komt. Momenteel is de zogenaamde Doha-ontwikkelingsronde bezig. Deze ronde begon in november 2001 in de hoofdstad van Qatar: Doha. Het breekpunt van deze ronde is vooral het landbouwbeleid van de Verenigde Staten en de Europese Unie. Verder wordt er onderhandeld over liberalisering van het dienstenverkeer, de relatie tussen handel en milieu,

subsidies, intellectuele eigendomsrechten (vooral patenten op medicijnen) en de positie van ontwikkelingslanden. Eigenlijk had de ronde beëindigd moeten zijn in 2006, maar de ontwikkelingslanden en de ontwikkelde landen zijn het nog niet met elkaar eens over de openstelling van de agrarische en industriële markten. Een overeenkomst die de positie van de ontwikkelingslanden zou moeten verbeteren lijkt – na tien jaar onderhandelen – nog niet in zicht. Het is voor de geloofwaardigheid en de effectiviteit van een multilaterale handelsorganisatie ten zeerste te hopen dat er nu eindelijk op politiek niveau meer overeenstemming wordt gevonden en dat de Doha-ontwikkelingsronde met succes kan worden afgesloten.

1 Bossche, P., The law and policy of the World Trade Organization, Cambridge University Press, New York, 2008, p.78. 2 De Bretton Woods overeenkomst werd in 1944 in Bretton Woods, New Hampshire, tussen 44 landen gesloten. Het had als doel om de geruïneerde na-oorlogse economieën te herstellen. Zie ook Jackson, H.J., The World Trading System: Law and Policy of International Economic Relations, tweede editie, Massachusetts Institute of Technology, USA, 1997, p.32. 3 UN ECOSOC Res. 13, UN Doc. E/22 (1946). 4 Zie art. XVI:1 WTO-Overeenkomst. 5 Art. 9 WTO-Overeenkomst. 6 Art. 3(3) DSU. 7 Art. 4(2) DSU. 8 Art. 7 DSU. 9 Art. 6-16 DSU. 10 Art. 17 DSU. 11 Art. 22 DSU. 12 Ortino, F. en Petersmann, E., The WTO dispute settlement system, 1995-2003, Kluwer Law International, the Hague, 2004, p.51. 13 Art. 3(1)(3) Verdrag betreffende de Europese Unie. 14 Bossche, P., The law and policy of the World Trade Organization, Cambridge University Press, New York, 2008, p. 696. 15 Rapport van het raadgevend bestuur aan de directeur generaal Supachai Panitchpakdi, The future of the WTO: Addressing Institutional Challenges in the New Millennium (the ‘Sutherland Report’) (WTO, 2004), paras. 75-78.


Wat neem jij mee?

Wat je elke dag bij je hebt, zegt veel over wie je bent. Over wat je bezighoudt, de dingen die je meemaakt en wat je motiveert. Bij AKD zijn we benieuwd naar wat mensen â&#x20AC;&#x2DC;meenemenâ&#x20AC;&#x2122;. Naar hun interesses en ambitie. Wat deed jou besluiten rechten te gaan studeren? En wat wil je bereiken? AKD bestaat uit een hecht team van bevlogen advocaten en notarissen. Professionals met een eigen stijl. Vastbesloten alles eruit te halen wat erin zit. We investeren dan ook veel in de ontwikkeling van jong talent. Spreekt onze werkwijze jou aan? Laat het ons weten. We zijn benieuwd naar wat jij meeneemt. Kijk op watneemjijmee.nl.


JFV In Casu - maart 2012

column

18

Column

Spitsuur op de universiteit Door Jim de Wolf

A

l sinds jaar en dag staat de Universiteitsbibliotheek (UB) bekend als middelpunt van het studentenleven. Naast studeren staat vooral ook socializen centraal. Dit gaat echter wel ten koste van studieplekken. Vooral met betrekking tot computerplekken is dat nog wel eens hinderlijk, ondanks het nieuwe programma dat je computer na een halfuur automatisch uitlogt. Een volwaardige universiteit mag niet zoiets basaals als een fatsoenlijke hoeveelheid studieplekken ontberen. Zeker niet wanneer zij van de studenten een hoger rendement verwacht.

Niet alleen de UB kampt met een structureel tekort aan studieplekken en computers, ook de college- en werkgroepzalen zijn vaak niet toereikend om alle studenten plaats te bieden. Zo heb ik laatst nog in de vensterbank moeten zitten, omdat erg geen tafels meer waren. Dit slaat natuurlijk nergens op! Eenieder betaalt collegegeld, dit geeft recht op behoorlijke studiefaciliteiten. Hetzelfde geldt voor de colleges die worden gegeven in de Pathé, waarmee vooral eerstejaars veel te maken hebben. Het lijkt misschien prettig om hangend in een bioscoopstoel je college te volgen, maar de aantekeningen die op het collegeblok op je been worden geschreven, zijn uiteraard een stuk minder leesbaar. Om over een goede studiehouding en het actief volgen van het college nog maar te zwijgen.

Ook de omvang van de nieuwe tentamenhal blijkt nu al niet toereikend. Regelmatig komt het voor dat je met drie studies in één zaal zit. Studies die niet hetzelfde zijn en waarvoor andere tijden gelden. Vaak wordt er zo veel heen en weer gelopen dat het meer lijkt op een echte marathon in plaats van een tentamenmarathon. Daarnaast komt het tegenwoordig ook al voor dat tentamenlocaties worden opgedeeld! Zo kan het zijn dat je in eerste instantie denkt je tentamen in de tentamenhal te hebben, maar dat later ineens blijkt dat het tentamen voor een gedeelte op de harmonie wordt afgenomen. Onduidelijkheid en verwarring voeren de boventoon en van ontspannen je tentamen doornemen komt niets meer terecht. Er kan van de studenten wel een actievere houding worden verwacht vanwege de huidige economische situatie en de grotere maatschappelijke druk, maar daartegenover moet uiteraard wel staan dat de studenten hiervoor de faciliteiten krijgen aangereikt om aan deze verwachtingen te kunnen voldoen. Een grotere aanwezigheid van studenten bij colleges is geen garantie voor geestelijke en intellectuele verrijking van de Nederlandse samenleving nu dit een verschraling van het aantal nevenactiviteiten tot gevolg heeft.

Eenieder betaalt collegegeld, dit geeft recht op behoorlijke studiefaciliteiten.

Ik wens mijn betoog dan ook af te sluiten met een oproep aan de universiteit. Maak keuzes! Ga door met het huidige beleid van verschoolsing van de academische wereld en leid de grauwe massa op die misschien wel goed kan vertellen wat er in de boekjes staat, maar die geen enkele verrijking vormt voor de wereld. Maar zorg dan dat de capaciteit die voor zo’n leerfabriek vereist is, aanwezig is. Of leer een aspect van het studeren waarderen dat minstens zo belangrijk is als informatie herproduceren, analyseren en toepassen, te weten de nevenactiviteiten. Hier leer je praktisch denken, begin je met het opzetten van je netwerk en sluit je waardevolle vriendschappen. Nederland is groot geworden door handelen en de pragmatische aanpak van problemen, iets wat niet te leren is uit boeken. Geef studenten hun academische vrijheid terug en accepteer dat dit leidt tot een minder actieve deelname aan de colleges. De RUG hoeft dan niet voor miljoenen en miljoenen collegezalen bij te bouwen. Die besparing kan zij aanwenden om de langstudeerboete af te schaffen. Laat de Nederlandse student voortgaan zoals hij al decennia doet. Uiteindelijk komt hij er toch wel!


elke dag ontmoeten ze elkaar bij de koffie

onze bibliotheek is de perfecte plek om je scriptie te schrijven

Kennismaken met De Brauw “ Wat is de beste manier om De Brauw goed te leren kennen?”

“Een studentstage is volgens ons de ideale manier om kennis te maken. Jij leert ons beter kennen, en wij jou. Van uur tot uur maak je mee wat het werk in de praktijk precies inhoudt. Dat kan in Amsterdam, maar ook op één van onze kantoren in het buitenland. Ook kun je op kantoor je scriptie schrijven. Je kunt dan gebruik maken van al ons bronnenmateriaal. Daarnaast hebben we plek voor studerend medewerkers, bieden we oriënterende gesprekken aan en organiseren we interessante business courses.” werkenbijdebrauw.nl


JFV In Casu - Maart 2012

stuDent anD the CIty

20

Student and the city

of... Wellington Door arend Vosmaer

S

tuDent anD the CIty OVersChrIJDt haar Grenzen en rICht zICh Op het BuItenlanD. na een stukJe VlIeGen BeGaF uW reDaCteur zICh nIet lanGer In het lanD Van klOMpen en WInDMOlens. In plaats DaarVan stuDeerDe Ik een halF Jaar In het lanD Met Meer sChapen Dan InWOners, Van the lOrD OF the rInGs en Van De kIWI: nIeuW-zeelanD!

Dat ‘stukje vliegen’ is wellicht een understatement, want het kostte maar liefst 25 uur om dit bijzondere land te bereiken. Maar mijn geduld werd beloond. Ik zou gaan studeren in de hoofdstad Wellington. Pas later kwam ik erachter dat de bijnaam voor deze stad Windy Wellington is en dat was bij aankomst meteen te merken. Ik begon in ‘wintermaand’ juli, aangezien de seizoenen aan de andere kant van de wereld ‘verkeerd om’ zijn. Na de frisse aankomst bleek gelukkig dat ook in de wintermaanden juli en augustus af en toe een dagje zon te genieten valt. De laatste keer dat het gesneeuwd had in Wellington was meer dan veertig jaar geleden, maar ik had het geluk dit unicum mee te maken. Het was duidelijk dat de Wellingtonians hieraan

niet gewend waren, want dit beetje natte sneeuw leidde tot het opschorten van al het openbaar vervoer en ging gepaard met golven van blackouts door de stad. Sindsdien heb ik een nieuw hervonden respect voor de Nederlandse Spoorwegen. Wellington ligt aan een baai en is ingesloten tussen heuvels. Veel huizen zijn tegen de hellingen opgebouwd en het centrum bestaat uit wolkenkrabbers die variëren van imposant tot ronduit lelijk. Doordat niet overal op de heuvels gebouwd kan worden, is de stad omringd door groen. De universiteit ligt grotendeels op één van de heuvels. Als je probeert te studeren in de universiteitsbibliotheek is de uitdaging dan ook vooral om niet weg

te dromen bij het prachtige uitzicht over de stad en het water. Die heuvels zijn ook goed voor je conditie en vooral de eerste paar keer kom je hijgend en puffend op de campus aan. Mijn geluk was dat de rechtenfaculteit gesitueerd is in het in koloniale stijl gebouwde, volledig houten voormalige overheidsgebouw in het centrum naast het nieuwe parlement. Dat scheelde dus vermoeiende heuvelbeklimmingen én ik kon genieten van de sfeer die doet denken aan de hoogtijdagen van het Britse Gemenebest. De Nieuw-Zeelanders, of Kiwi’s, bevolken met een populatie van iets meer dan vier miljoen inwoners het uitgestrekte land. Meer dan de helft daarvan woont in één


JFV In Casu - maart 2012

student and the city

21

van de vier grote steden en de rest van het land bestaat uit grote stukken uitgestrekte wildernis. Het Engels dat de Kiwi’s spreken is niet hetzelfde als het Britse of Amerikaanse Engels dat je van de televisie kent. Ze hebben een sterke neiging tot mompelen, spreken klinkers raar uit en hebben eigenaardige uitdrukkingen. Als iets goed is, is het ‘good as gold’. ‘Thanks’ wordt uitgesproken als ‘thinks’. Alles is bovendien ‘sweet’, of beter nog ‘sweet as’ (zonder iets erachteraan en niet te verwarren met ‘sweet ass’). Als je met alleen Kiwi’s bent kan het dus ineens voelen alsof je de taal niet spreekt, zo moeilijk verstaanbaar kan het zijn. Gelukkig zijn Nieuw-Zeelanders ongelofelijk geduldig en vriendelijk, dus ook als je drie keer moet vragen om te herhalen wat ze tegen je zeggen. Hoe druk het ook is, de kassière van de supermarkt pakt rustig je tasjes met boodschappen in en de buschauffeur legt graag vijf minuten lang uit hoe een verdwaalde toerist de weg kan vinden. Voor een ongeduldige Hollander kan dat soms tot frustratie leiden, maar als je geen haast hebt is het een verademing. Rechten studeren in Wellington is een beetje vreemd als je Nederlands recht

gewend bent, maar dat wil niet zeggen dat het geen nut heeft en het is bovendien heel interessant. Er is een duidelijk verschil te merken met een gemiddeld hoorcollege in Groningen. De collegezalen zijn veel kleiner en de professors kennen een groot deel van de studenten bij naam. Beide partijen hebben hier profijt van: niet alleen toont de docent meer interesse in de student, studenten geven veel vaker ook echt antwoord op vragen aan de zaal. Hierdoor ontstaat een sfeer van samenwerken die in de Offerhauszaal doorgaans ver te zoeken is. Mijn colleges waren niet verplicht, maar hierin werd zoveel verteld dat niet terug te lezen viel, dat je wel móet opdagen. Als je maar een paar maanden tijd hebt in het buitenland wil je natuurlijk zoveel mogelijk leuke dingen doen in je vrije tijd. Clubs zijn laagdrempelig en het is geen probleem om actief te zijn bij een stuk of vijf clubs tegeljjk. Andere internationale studenten hebben dezelfde drang om alles van het land te zien in de beperkte tijd die ze hebben, dus als je niet hoeft te studeren is het geen probleem om je agenda te vullen met reisjes naar natuurparken buiten de stad of ‘reisjes’ naar pubs in het centrum.

Bij al die mogelijkheden kwam nog het geluk dat Nieuw-Zeeland, rugbyland bij uitstek, gastland was van de Rugby World Cup 2011. De sfeer na de winst van de Nieuw-Zeelandse All Blacks was onvergetelijk. Wat me wel opviel was dat de Kiwi’s niet zo uit hun dak gaan als Nederlanders dat doen tijdens het Wereld Kampioenschap voetbal. Het leek bijna of ze een beetje bang waren om te vieren dat ze gewonnen hadden, maar het was desalniettemin prachtig om mee te maken. Time flies when you’re having fun. Zo ook als je een half jaartje overzees studeert. Afscheid nemen van je nieuwe vrienden maakt het niet beter als je bedenkt dat het wel even kan duren voordat je ze terugziet, áls je ze al terugziet. Om na de laatste tentamens meer te zien van het ontzagwekkende landschap heb ik mijn studentenkamertje in Wellington ingeruild voor een psychedelisch blauwgestreepte bus, van waaruit ik dit schrijf. Het avontuur is dus nog niet afgelopen! Één conclusie kan ik al wel met jullie delen: ga ook studeren in het buitenland! Het is het hoe dan ook waard.


Als advocaat bij Pels Rijcken sta je regelmatig in de rechtszaal. Procederen, pleiten... het echte werk. Dat vraagt om passie, overtuiging en vooral vakmanschap. En als je ergens het juridische vak tot in je vingertoppen leert beheersen, dan is het bij Pels Rijcken. Dat zeggen wij, dat zegt de branche. Maar natuurlijk moet je dit zelf ervaren. Laten we snel kennis maken. Tijdens een zitting, masterclass of student-stage. Ga naar www.pelsrijcken.nl/jongemeesters of scan de QR-code. Tot zo. Pels Rijcken Bron van inzicht


JFV In Casu - Maart 2012

aChter De Deur Van...

23

Achter de deur van...

Arvin Kolder, promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen Door Cornelieke Moeke en Femke Westra

N

a het aFrOnDen Van De reChtenstuDIe MOet Je DOOrGaans een keuze Maken OF Je Gaat Werken In De praktIJk OF WetensChap. Dat OOk een COMBInatIe tussen BeIDe GOeD MOGelIJk Is, BeWIJst arVIn kOlDer. naast aDVOCaat BIJ hOukes C.s. letselsChaDe aDVOCaten Is hIJ teVens VerBOnDen aan De rIJksunIVersIteIt GrOnInGen als DOCent prIVaatreCht en als prOMOVenDus. De prOFessOren OlDenhuIs en WIssInk BeGeleIDen heM BIJ het sChrIJVen Van zIJn prOeFsChrIFt. In DIt InterVIeW zullen We uItGeBreID InGaan Op zIJn keuze VOOr De WetensChap én De praktIJk. OOk zIJn prOeFsChrIFt zal BesprOken WOrDen.

hoe bent u promovendus geworden? Tijdens mijn studie Rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen volgde ik het mastervak Letselschade en Beroepsziekten van professor Oldenhuis. Mijn interesse voor het aansprakelijkheidsrecht was hierdoor gewekt. Ik besloot om op dit vakgebied mijn scriptie te schrijven, eveneens bij professor Oldenhuis. Hij was zo tevreden over het eindresultaat, dat hij vroeg of ik ook bij hem wilde promoveren. Ik had daarbij toen echter zo mijn bedenkingen, omdat ik graag de praktijk in wilde. Tijdens mijn studie had ik namelijk een tweetal leuke stages gelopen: bij een kleiner kantoor in Groningen en bij een groot kantoor in Amsterdam. Door het lopen van deze stages wilde ik na mijn studie graag aan de slag als advocaat. Professor Oldenhuis stelde daarop voor

om dat dan te combineren met het promoveren. Samen zijn we op zoek gegaan naar een advocatenkantoor waar dit mogelijk was. We kwamen uit bij Houkes c.s. Letselschade Advocaten. Ik ben inmiddels drie dagen in de week werkzaam als letselschadeadvocaat, één dag in de week als promovendus en één dag per week als docent.

hoe bevalt de combinatie tussen de wetenschap en de praktijk? Ik vind de combinatie heel leuk doordat het een het ander versterkt. ‘Kruisbestuiving’ noem ik het. Door het promoveren en het wetenschappelijk bezig zijn, wordt mijn werk in de praktijk beter. En omdat ik als wetenschapper weet wat er in de praktijk speelt, kan ik relevant onderzoek doen en speel ik in mijn proefschrift in op vragen die nu in de praktijk spelen. Een actueel voorbeeld hiervan is de whiplashproblematiek

“Door het promoveren en het wetenschappelijk bezig zijn, wordt mijn werk in de praktijk beter.”

in letselschadezaken. Na een zogenoemde kop-staartbotsing hebben mensen soms langdurige nek- en schouderklachten, en kunnen ook concentratieproblemen ontstaan. Het lastige is dat whiplashletsel niet te zien is op foto’s en dus medisch niet goed vast te stellen (‘te objectiveren’) is. Als medici het al niet weten, hoe moet de jurist dit letsel dan beoordelen? Geloof je iemand wel, of geloof je iemand niet? Waar moet je het letsel concreet aan toetsen? Ik heb hier een aantal artikelen over geschreven, omdat ik weet hoe erg advocaten, verzekeraars en ook rechters met deze problematiek worstelen. Op deze manier probeer ik een bijdrage te leveren aan het wetenschappelijk debat. Ik had dat niet gekund als ik als wetenschapper niet met één been in de praktijk zou staan.

uw proefschrift gaat over de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (artikel 6:181 Burgerlijk Wetboek) van roerende zaken, opstallen en dieren. Waarom heeft u voor dit onderwerp gekozen? Het antwoord is simpel: professor Oldenhuis had dit onderwerp klaarliggen. Hij had dit goed gezien destijds, het was een vergeten onderwerp. Toen ik aan mijn proefschrift begon in 2006, was de hoofdregel dat de bezitter altijd aanspra-


JFV In Casu - maart 2012

achter de deur van...

24

Promoveren aan de Rijksuniversiteit Groningen Wie geïnteresseerd is in (juridisch) onderzoek kan na een masterstudie in het recht promoveren. De promovendus doet wetenschappelijk onderzoek dat na vier jaar moet resulteren in een proefschrift. Na het publiekelijk verdedigen van het proefschrift en beraadslaging door de promotiecommissie, verwerft de promovendus de academische graad van doctor. Het onderzoek wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de hoogleraar die als promotor optreedt. De promovendus maakt deel uit van één van de vakgroepen van de faculteit en voert vaak ook onderwijstaken uit. Daarnaast volgt de promovendus de promovendiopleiding aan de Groningen Graduate

kelijk gesteld kon worden. De mogelijkheid om de bedrijfsmatige gebruiker aan te spreken, was een vage uitzondering. Echter, uit recente rechtspraak en mijn onderzoeksresultaten blijkt het misschien juist wel andersom te zijn. De wetgever lijkt namelijk te hebben be­ doeld dat het aanspreken van de bedrijfsmatige ge­­brui­ker de hoofdregel is, de aansprakelijkheid van de bezitter de uitzondering c.q. het vangnet. Gaandeweg lijkt art. 6:181 BW zich te ontwikkelen van ‘ondergeschoven kindje’ tot een vooropstaande, centrale bepaling.

School of Law (GGSL) welke onderdeel is van de Rijksuniversiteit Groningen. De opleiding omvat diverse vakken, presentaties van onderzoek, deelname aan seminars en training van specifieke onderzoeksvaardigheden. De promovendus is personeelslid van de faculteit met een tijdelijke aanstelling voor de duur van vier jaar. De promovendusaanstelling wordt gecombineerd met een docentaanstelling of een aanstelling in de beroepspraktijk. Indien je je graag in de wetenschap wilt verdiepen is er ook een mogelijkheid om dit tijdens je studie te doen. Aan de GGSL kun je namelijk ook de tweejarige onderzoeksmaster ‘Functionaliteit van

295-307). Het was vervolgens leuk om te zien dat de Hoge Raad kennelijk in dezelfde richting denkt. Art. 6:181 BW zal zich de komende tijd niettemin nog verder

het recht’ volgen. Deze master biedt je de mogelijkheid om je wetenschappelijk te verdiepen in het recht en leert je de vaardigeden om als zelfstandig onderzoeker aan de slag te gaan. Kijk voor meer informatie op: http:// www.rug.nl/gradschoolggsl

artikel uit. Daarna ben ik op zoek gegaan naar het oude recht. Het huidige wetboek werd in 1992 ingevoerd. Daarvoor gold het wetboek van 1838. Hierin was geen voorganger van artikel 6:181 BW te vinden. Ook ben ik langs geweest bij professor Snijders, die destijds als regeringscommissaris heeft meegewerkt aan de totstandkoming van art. 6:181 BW. Hij heeft mij achtergrondinformatie kun­nen geven die niet terug te vinden is in de gepubliceerde parlementaire geschiedenis. Ook heb ik gekeken naar de huidige literatuur en rechtspraak. In de literatuur was weinig te vinden over dit onderwerp en in de rechtspraak nog minder. Vervolgens heb ik gekeken of er in het buitenland een soortgelijke regeling bestaat. Het artikel blijkt evenwel een Nederlandse uitvinding. te zijn. Het is in Europees perspectief een uniek artikel waarmee we ons eigenlijk niet goed raad wisten. Daarom heb ik in het NTBR een zogenoemde systematische plaatsbepaling gedaan: artikel 6:181 BW is te vergelijken met de artikelen 6:170 (aansprakelijkheid voor werknemers) en

“Het was leuk om te zien dat de Hoge Raad kennelijk in dezelfde richting denkt.”

Pas het afgelopen jaar zijn, sinds de invoering van art. 6:181 BW in 1992, de eerste twee arresten van de Hoge Raad verschenen over de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker: DB/Edco (HR 26 november 2010, NJ 2010, 636) en Paard Lorretta (HR 1 april 2011, NJ 2011, 405). Vlak voordat het eerste arrest gewezen werd, heb ik over deze materie een artikel geschreven in het Nederlands Tijdschrift voor Burgerlijk Recht (NTBR 2010-8, p.

in de rechtspraak en literatuur moeten ontwikkelen. Ikzelf hoop in ieder geval dit jaar mijn proefschrift af te ronden.

Over het onderwerp van uw proefschrift was weinig tot niets geschreven in de literatuur. Hoe bent u te werk gegaan met het schrijven van uw proefschrift? Ik ben begonnen bij de parlementaire geschiedenis van art. 6:181 BW. Hierin legt de wetgever de bedoeling van het


JFV In Casu - maart 2012

achter de deur van...

25

6:171 BW (aansprakelijkheid voor hulppersonen). Over deze bepalingen is in de literatuur en rechtspraak al wél veel bekend. Ik kwam tot de conclusie dat artikel 6:181 BW de meeste overeenkomsten heeft met

het ruim geformuleerde artikel 6:170 BW en juist niet met het restrictieve art. 6:171 BW. Zo heb ik het - eveneens ruime - uitgangspunt van artikel 6:181 BW bepaald.

Mr. A Kolder in zeven vragen • Promovendus of advocaat? Mijn voorkeur gaat uit naar de combinatie van wetenschap en praktijk. Full-time promoveren spreekt mij minder aan.. Ik vind het leuk om wetenschappelijk in te kunnen gaan op de problematiek waar de praktijk tegenaan loopt. • Teamspeler of solist? Als ik echt moet kiezen: solist. Zowel in letselschadezaken als tijdens het promoveren werk je – naast de gebruikelijke overleggen - toch voornamelijk alleen. In de advocatuur is het daarentegen wel belangrijk dat je een team vormt met je secretaresse en natuurlijk de cliënt. • Specialist of generalist? Specialist. Ik weet liever van een klein beetje heel veel dan van heel veel een klein beetje. Bovendien is het aansprakelijkheidsrecht een heel dynamisch en lastig vakgebied, waarbinnen continu ontwikkelingen plaatsvinden. Als je echt goed wilt zijn binnen dit vakgebied moet je je wel specialiseren; anders is het niet te doen. • Provincie of Randstad? Vooralsnog provincie, maar ik weet natuurlijk niet hoe mijn carrière uiteindelijk zal verlopen.

• Een hutje op de hei of een luxe hotel? Luxe hotel! Met een rugzakje door de jungle is niks voor mij. • Nederlands recht of Europees recht? Nederlands recht. Binnen het aansprakelijkheidsrecht is er nog geen concreet Europees Recht waarmee we in de praktijk werken. Ik vind daarentegen de rechtsvergelijkende aspecten en het volgen van de ontwikkelingen binnen het Europese recht wel heel interessant. • Rechtszekerheid of rechtvaardigheid? Rechtvaardigheid. Rechtszekerheid wijkt in individuele gevallen soms al voor de billijkheid. Anderzijds is de maatschappij als zodanig gebaat bij rechtszekerheid.


Gevonden: Tessa van den Ende ( /v)

Advocate Gezondheidsrecht. In hart en nieren. Soms vinden er mooie ontmoetingen plaats, gewoon omdat het zo moet zijn. “Want toeval bestaat niet”, volgens Tessa van den Ende. Toen ze haar grote liefde volgde naar het oosten van het land, kwam de liefde voor haar vak niet op de tweede plaats. De ambitieuze advocate ontdekte dat de Randstad geen monopolie heeft op topkantoren met mooi werk. Onze paden kruisten elkaar. “Nysingh staat bekend als kwalitatief en het tempo van de processen ligt hoog. Dat kan ook niet anders; de sectie gezondheidsrecht is de nummer één van Nederland. Vanuit Zwolle! Dat had ik vroeger nooit kunnen bedenken. En over gezondheid gesproken: Rotterdam en zijn betonjungle zijn me nog steeds lief, maar dat frisse bos in mijn achtertuin is een mooie bonus.” Nysingh is een bedrijf van karaktervolle specialisten. Alleen de wet is bij ons standaard. Voor de rest krijg je alle ruimte om buitengewoon te zijn. Klinkt dit goed en kennen wij elkaar nog niet? Laat je dan vinden via werkenbijnysingh.nl

Nysingh. De juiste jurist op de juiste plek.

Beste advieskantoor van Nederland, nr. 1 in Incompany


JFV In Casu - maart 2012

personae

27

Personae

Eduard Meijers Door: Rogier Wennink

E

én van de grondleggers van het huidige Nederlands civiel recht is Eduard Maurits Meijers. Wie was het brein achter het huidige Burgerlijk Wetboek en hoe zag zijn leven eruit?

raadslid van Amsterdam voor de Vrijzinnigdemocratische partij en was verbonden aan het Sociaal Bureau voor Sociale adviezen. In 1910 wordt hij benoemd tot Hoogleraar in het Nederlands privaatrecht en internationaal privaatrecht aan de Leidse Universiteit, een functie die hij ruim veertig jaar met verve zal bekleden.

Meijers werd op 10 januari 1880 geboren in Den Helder. Hij ging naar het Gymnasium in Amsterdam en haalde daar in 1897 zijn diploma. Vervolgens studeerde hij rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Meijers staat onder rechtsgeleerden nog altijd bekend om zijn proefschrift getiteld ‘Dogmatische rechtswetenschap’ waarmee hij toentertijd in 1903 promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Meijers legt hierin uit wat hij bedoelde met het juridische gebruik van het woord dogmatiek: ‘de wetenschappelijke bearbeiding van rechtsvoorschriften en/of beginselen uitsluitend met behulp van de wetten der logica’. Met andere woorden, Meijers ziet juridische dogmatiek als het opstellen van rechtsbegrippen waarvan men logisch meent te kunnen betogen dat zij bij uitsluiting bij gegeven voorschriften passen en vervolgens het logisch deduceren van antwoorden op rechtsvragen uit die begrippen, die in voorschriften zelf niet met zoveel woorden zijn gegeven (voor wie het nog niet begrijpt, zijn proefschrift is digitaal beschikbaar). Meijers gaat na zijn studie aan de slag als advocaat. Lang zal dat echter niet duren. Meijers had nevenfuncties als gemeente-

Tijdens zijn hoogleraarschap verschijnen er talloze publicaties op privaatrechtelijk gebied. Bekend zijn Meijers’ publicaties in het Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie. Meijers was voor dit blad redacteur en beantwoordde onder andere vragen uit de rechtspraktijk. Daarnaast was hij één van de eerste die annotaties schreef onder arresten van de Hoge Raad. Meijers verdiepte zich ook in het internationaal privaatrecht. Als zijn eerste publicaties niet alleen in het Nederlands waren verschenen, had Meijers ook op dit vakgebied al eerder grote naamsbekendheid gehad.

Oorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Meijers, op grond van zijn Joodse afkomst, uit zijn functie als hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden gezet door de Duitse

bezetters. In augustus 1942 werd hij vervolgens naar Westerbork overgebracht om in 1944 naar Theresienstadt te worden gedeporteerd. Hij overleefde de kampen en keerde in juni 1945 terug naar Leiden. Toch wist Meijers tijdens de oorlog wetenschappelijke activiteiten te ontplooien. Zonder dat hij de beschikking had over een rechtsgeleerd boek, schreef hij ‘Algemene begrippen van het burgerlijk recht’. Ook hierin gaf hij aan dat het enige criterium voor een begrijpelijke weergave van de inhoud van rechtsregels, de doelmatigheid van begrippen is. Een soort vervolg op zijn proefschrift uit 1903.  

Ontwerp van het nieuwe BW Als je tegenwoordig de naam Eduard Meijers oppert, zul je veel schouderophalende reacties krijgen. Een oplettende rechtenstudent zal echter Meijers’ naam in één adem noemen met het Burgerlijk Wetboek (BW) zoals wij het vandaag de dag kennen. Dat is niet voor niets. Op 25 april 1947 kreeg Meijers namelijk bij Koninklijk Besluit de opdracht om een nieuw BW te ontwerpen. Het toen fungerende wetboek stamde namelijk uit 1838 en was gebaseerd op de Code Civil. De opinie in de politiek en de maatschappij was na de oorlog

“Een oplettende rechtenstudent zal echter Meijers’ naam in één adem noemen met het Burgerlijk Wetboek.”


JFV In Casu - maart 2012

personae

28

veranderd en men kon zich niet vinden in een BW waarin het geldende recht niet terug te vinden was. In de kampen van Theresienstadt had Meijers zijn plannen tot herziening van het BW al uitgewerkt in een cahier. Hij kon dan ook snel aan de slag. Voor politiekgevoelige of controversiële kwesties hanteerde Meijers een zogenaamde vraagpuntenprocedure die in de Tweede Kamer werden besproken. Meijers nam deel aan deze vergaderingen als bijzonder regeringscommissaris. Op 6 april 1954 diende hij zijn ‘Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek, Tekst, Eerste gedeelte (boek 1-4)’ in met een toelichting waarin onder meer stond dat het totale ontwerp negen boeken zou beslaan. Er was echter ook commentaar op het ontwerp. Meijers zou een voorstander zijn van een puur legistisch, gesloten systeem. Anderen stelden juist een open systeem voor met meer ruimte voor de rechter. Het leek erop dat Meijers de strubbelingen bij het opstellen van een wet enigszins onderschat had.

Overlijden en voltooiing van het nieuwe BW Meijers overleed plotseling op 25 mei 1954. Hij was op dat moment nog altijd bezig met zijn ontwerp voor het nieuw BW. Enkele dagen na het overlijden van Meijers werd een indrukwekkend levensverhaal voorgedragen door professor meester R.P. Cleveringa, die zich overigens tijdens de oorlog als decaan van de faculteit Rechten ook fel had uitgesproken tegen het afzetten van Meijers als hoogleraar. Na Meijers’ overlijden werden de hervormingen van het BW voortgezet door een driemanschap bestaande uit Jan Drion, Frits de Jong en Jan Eggens. Pas 45 jaar nadat Meijers was begonnen aan zijn werk, zijn in 1992 de boeken 3, 5, 6 en een deel van boek 7 in werking getreden.

Meijers heeft op vele mensen een grote indruk achtergelaten. Hij werd geroemd door voor- en tegenstanders. Met vele eredoctoraten in onder andere Aberdeen, Parijs en Leuven werd zijn werk al tijdens zijn leven erkend. Dat Meijers door zijn werk een ongekende invloed heeft gehad op de huidige Nederlandse rechtsorde, staat buiten kijf.

Bronnen: http://www.dwc.knaw.nl/DL/ publications/PU00009937.pdf http://www.historici.nl/Onderzoek/ Projecten/BWN/lemmata/Index/bwn1/ meijers http://dspace.ou.nl/ bitstream/1820/2442/1/RWRoeline%20 Barkhuis24juli2008.pdf http://dbnl.nl/tekst/_jaa003195401_01/_ jaa003195401_01_0008.php http://www.dwc.knaw.nl/DL/ levensberichten/PE00001831.pdf http://www.auschwitz.nl/paviljoen/ vervolging/maatregelen/lichtbak

J w m D b d


Jouw Jouwstudievereniging studievereniging wil wilhet hetjejezo zovoordelig voordeligen en makkelijk makkelijkmogelijk mogelijkmaken. maken. Dus Dushebben hebbenze zeeen een boekenleverancier boekenleverancier die diedaarbij daarbijpast. past.

Jouw Jouw studievereniging studievereniging werkt werkt nauw nauw samen samen met met studystore. studystore. EnEn datdat heeft heeft zo zo zâ&#x20AC;&#x2122;nzâ&#x20AC;&#x2122;n voordelen. voordelen. Doordat Doordat wewe snugger snugger te te werk werk gaan, gaan, kunnen kunnen wewe jouw jouw complete complete boekenpakket boekenpakket snel snel aanbieden aanbieden tegen tegen een een scherpe scherpe prijs. prijs.


JFV In Casu - Maart 2012

JurIDIsCh aCtueel

30

Juridisch Actueel

Aandeelhoudersafspraken in de Flex-bv; eenvoudiger, flexibeler en beter? Door Indira de Wilde

O

pen Grenzen, VrIJheID Van VestIGInG en De IntrODuCtIe Van De eurOpese VennOOtsChap Maken Dat het Des te BelanGrIJker WOrDt OM het natIOnale OnDerneMInGsklIMaat zO aantrekkelIJk MOGelIJk te Maken; neDerlanD MOet een aantrekkelIJk VestInGslanD BlIJVen. DaarOM heeFt De pOlItIek BeslOten OM De ‘VereenVOuDIGDe BV’ In te VOeren. De Wet VereenVOuDIGInG en FlexIBIlIserInG BV-reCht (Flex-BV) treeDt naar VerWaChtInG In WerkInG Op 1 JulI 2012. het IDee Is OM een BV Meer VrIJheID te GeVen zIChzelF naar eIGen InzICht In te rIChten. een OnDerDeel hIerVan Is Dat aanDeelhOuDers OnDerlInGe aFspraken In De statuten kunnen OpneMen. hIerVOOr WOrDt artIkel 2:192 BurGerlIJk WetBOek (BW) aanzIenlIJk GeWIJzIGD. teVens WOrDt er een artIkel tOeGeVOeGD (2:192a). thans MOeten DerGelIJke aFspraken nOG VastGeleGD WOrDen In aanDeelhOuDersOVereenkOMsten. Wat zIJn De VersChIllen tussen reGelInG In statuten en In OVereenkOMst? WOrDt het OnDer het nIeuWe reCht InDerDaaD eenVOuDIGer, FlexIBeler en Beter?

huidige stand van zaken Ingevolge artikel 2:192 BW kan aan een aandeelhouder niet, zelfs niet door wijziging van de statuten, tegen zijn wil enige verplichting boven de storting tot het nominale bedrag van het aandeel worden opgelegd. De gedachte is dat het aandeelhouderschap een vorm van deelneming in een vennootschap is en niet meer dan dat. In beginsel is de deelname geldelijk, tenzij een aandeelhouder met verdergaande verplichtingen instemt. De vennootschap wordt als een instituut beschouwd, met een eigen vennootschapsrechtelijk belang en beheerst door een eigen set van regels. Het is een rechtsvorm die geenszins afhan-

kelijk is van een overeenkomst tussen kapitaalverschaffers. Er bestaat in de literatuur onduidelijkheid of onder artikel 2:192 BW ook verplichtingen tussen aandeelhouders kunnen worden begrepen. De heersende leer is dat het slechts kan gaan om verplichtingen van de aandeelhouders jegens de vennootschap en derhalve niet om verplichtingen tussen de aandeelhouders onderling.1 Het gevolg van deze uitleg is dat de vrijheid om een vennootschap naar eigen inzicht in te richten, wordt beperkt. Daarom sluiten aandeelhouders onderling vaak overeenkomsten, waarin al dan niet aanvullende of afwijkende bepalingen worden

opgenomen. Deze overeenkomst is van verbintenisrechtelijke aard, waarvoor het beginsel van contractsvrijheid geldt. Het gaat om een overeenkomst tussen partijen onderling, waarbij de vennootschap geen partij hoeft te zijn. Het belang van aandeelhoudersovereenkomsten is groot; rechten en plichten van aandeelhouders onderling worden vastgelegd. Het gaat om obligatoire overeenkomsten waarbij niet-naleving wanprestatie oplevert. Een dergelijke overeenkomst werkt slechts tussen partijen. Een voorbeeld geeft aan dat dit soms tot vervelende situaties kan leiden. Aandeelhouders kunnen onderling afspreken hoe ze zullen stemmen op de algemene verga-


JFV In Casu - maart 2012

juridisch actueel

31

dering van aandeelhouders (AvA), een zogenaamde stemovereenkomst. Wanneer één van hen de verplichting niet nakomt, is de stem die in afwijking van de overeenkomst is uitgebracht gewoon geldig. De aandeelhoudersovereenkomst kan niet tegen derden worden ingeroepen, maar slechts wanprestatie tussen partijen opleveren.

Veranderingen Met het toekomstige recht wordt beoogd bij de vennootschap betrokkenen meer vrijheid te geven. Eén van de verruimingen is dat in de statuten niet alleen verplichtingen jegens de vennootschap kunnen worden opgenomen, maar ook verplichtingen tussen aandeelhouders onderling.

BW des te ruimer, aangezien er meer vrijheid voor de inrichting van de vennootschap en de statuten ontstaat. Een voordeel van het opnemen van verbintenissen of eisen in de statuten, is dat op niet-naleving van de bepaling vennootschapsrechtelijke sancties kunnen worden gezet die door de vennootschap opgelegd kunnen worden (artikel 2:192 lid 1 sub c en lid 4 [nieuw] BW). De vennootschap heeft belang bij het opnemen van afspraken in statuten, want door duidelijkere en afdwingbare afspraken zal de AvA beter functioneren. Het grote voordeel van aandeelhoudersovereenkomsten daarentegen is dat de overeenkomst niet openbaar gemaakt hoeft te worden.

De aandeelhoudersovereenkomst kan niet tegen derden worden ingeroepen, maar slechts wanprestatie tussen partijen opleveren. Dat wordt expliciet genoemd in artikel 2:192 lid 1 sub a (nieuw) BW. In de Memorie van Toelichting wordt duidelijk gemaakt dat aandeelhouders de keuze hebben tussen regeling in de statuten, regeling in een overeenkomst of een combinatie van beide.2 Een belangrijk verschil is dat wanneer een en ander statutair is geregeld, de rechten en verplichtingen aan het aandeel zijn verbonden. Een verkrijger van een aandeel treedt door de enkele aanvaarding van dat aandeel toe tot de statutaire rechten en verplichtingen. Om partij te worden bij een aandeelhoudersovereenkomst is een separate toetreding vereist. In de wet wordt opgenomen dat de statuten kunnen bepalen dat verplichtingen van verbintenisrechtelijke aard, óók tussen aandeelhouders en jegens derden, aan het aandeelhouderschap zijn verbonden. Daarnaast worden in het wetsvoorstel Flex-bv veel dwingendrechtelijke bepalingen veranderd in bepalingen van regelend recht. Hierdoor worden de mogelijkheden betreffende artikel 2:192 (nieuw)

Ook is een overeenkomst eenvoudiger aan te passen en op te stellen. Een verschil tussen een aandeelhoudersovereenkomst en statuten is met name gelegen in de afdwingbaarheid van de afspraken. Bij een aandeelhoudersovereenkomst leidt niet-nakoming tot wanprestatie, een handeling of besluit in strijd met de statuten leidt echter tot nietigheid op grond van artikel 2:14 BW. Een aandeelhoudersovereenkomst werkt dus slechts tussen partijen, terwijl statuten ook derdenwerking hebben. Wanneer een afspraak in de statuten wordt opgenomen, zou dit in het voorbeeld hierboven dus betekenen dat de stem die in strijd met de afspraak is uitgebracht, nietig is. Onder het nieuwe recht blijft ‘incorporation by reference’ (het in de statuten verwijzen naar een aandeelhoudersovereenkomst) niet toegestaan.3 Het in de statuten opnemen van een kwaliteitseis die bepaalt dat alle aandeelhouders partij

dienen te zijn bij de overeenkomst, is wel toegestaan. ‘De materiële inhoud van de aandeelhoudersovereenkomst wordt daarmee nog geen onderdeel van het vennootschapsrechtelijke kader’, aldus de Minister.4 Ook blijft het onder toekomstig recht zo dat aan een aandeelhouder niet tegen zijn wil verplichtingen kunnen worden opgelegd. Een statutenwijziging kan dus niet leiden tot gebondenheid van een aandeelhouder die tegen de wijziging heeft gestemd. Ook een aandeelhouder die afwezig is of die blanco heeft gestemd, is niet gebonden aan de bij de statutenwijziging opgelegde verplichtingen.5 Dit lijkt redelijk, maar er kan met de toekomstige bepalingen veel onduidelijkheid ontstaan over de vraag of iemand nu wel of niet gebonden is. Die onduidelijkheid ligt in het feit dat niet bepaald is of instemmen expliciet moet gebeuren of dat de instemming ook kan blijken uit het handelen van de aandeelhouder. Kan een aandeelhouder die zich wel naar de afspraken of verplichtingen gedraagt, maar afwezig was op de vergadering wel of niet gebonden worden? Het probleem had ondervangen kunnen worden door een expliciete stem te eisen. Er had een bepaling geformuleerd kunnen worden waaruit volgt dat iemand die afwezig was bij de AvA, zich binnen een bepaalde termijn na het besluit alsnog dient uit te spreken of hij zich aan de afspraken wil binden. Blijft een duidelijke tegenstem uit, dan zal de aandeelhouder alsnog gebonden zijn. Maar zelfs met een duidelijke tegenstem kunnen zich problemen voordoen omtrent de vraag naar de gebondenheid aan de statuten. Dit speelt wanneer een vrijgestelde aandeelhouder nieuw uitgegeven aandelen neemt of aandelen overneemt van iemand die met de statutenwijziging heeft ingestemd (bezwaarde aandelen). Met een paar voorbeelden geeft Van Veen aan dat zowel het aanvaarden van de mogelijkheid van een impliciete instemming, als de afwijzing van die mogelijkheid, geen verbetering is ten opzichte van de huidige wetgeving.6 Het is een onoplosbaar probleem en daarom denk ik dat dergelijke statutaire bepalingen alleen dan opgenomen zullen worden wanneer alle aandeelhouders instemmen. Aangezien bij een eventuele aandelenover-


JFV In Casu - maart 2012

juridisch actueel

32

dracht de verkrijger wél gebonden is aan de statuten, kan het zo zijn dat de tegenstemmende aandeelhouder moeite heeft met het overdragen van zijn aandelen. Omdat dit bezwaarlijk wordt gevonden, wordt in artikel 2:192 lid 1 laatste volzin juncto artikel 2:192a (nieuw) BW de persoonsgebonden vrijstelling geregeld. Dit artikel bevat een regeling voor een van een statutaire verplichting vrijgestelde aandeelhouder die zijn aandelen wil vervreemden. Doordat bij een overdracht de nieuwe aandeelhouder de statuten accepteert, komt de verplichting wel op de verkrijger te liggen. Wanneer het door deze gebondenheid onmogelijk of uiterst bezwaarlijk is voor de aandeelhouder om de aandelen over te dragen, kan de verkrijger door een bepaalde procedure de aandelen toch onbezwaard overnemen (artikel 2:192a lid 1). Hoewel dit mooi klinkt, schiet de persoonsgebonden vrijstelling naar mijn idee tekort. Zo is niet geheel duidelijk wat de wetgever voor ogen staat met ‘onmogelijk of uiterst bezwaarlijk’. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat overdracht van aandelen onmogelijk wordt. In beginsel zal er namelijk wel een koper te vinden zijn voor de aandelen. Het bezwaren van aandelen zal eerder zijn uitwerking in de prijs hebben. Met het van toepassing verklaren van artikel 2:192 lid 3 (nieuw) BW kunnen deskundigen de waarde van de aandelen vaststellen. Er zal dan rekening gehouden worden met alle omstandigheden, waaronder de bijkomende verplichtingen die uit de statuten voortvloeien. Dit zou kunnen leiden tot een prijsdaling van de aandelen. Zodoende wordt de aandeel-

houder die tegen verplichtingen of eisen gestemd heeft – en hier dus niet aan is gebonden tijdens zijn aandeelhouderschap – bij het verhandelen van de aandelen wel benadeeld door de statutaire verplichtingen die op de aandelen rusten. Artikel 2:192a (nieuw) BW biedt hiervoor geen uitkomst.

Conclusie Gezien het voorgaande kunnen we concluderen dat de impact van het wetsvoorstel minder groot is dan men op het eerste gezicht zou verwachten. De toekomstige regelingen proberen veelal aan te sluiten op de wensen vanuit de praktijk en is deels slechts een bevestiging van dat wat in de praktijk al gebeurt. Ook regelingen die aandeelhouders onderling betreffen kunnen in het vervolg in de statuten opgenomen worden. ‘Incorporation by reference’ blijft niet toegestaan. En nog steeds kunnen aandeelhouders niet tegen hun wil gebonden worden. Wel is het zo dat bepaalde verplichtingen jegens de aandeelhouders door een statutenwijziging kunnen worden opgelegd. Een nieuwe aandeelhouder zal dan worden gebonden door het enkele aanvaarden van de aandelen; de verplichtingen worden meer aandeelgebonden in plaats van persoonsgebonden. De aandeelhouder die tegenstemt, kan door een dergelijke statutenwijziging echter niet gebonden worden. Om deze tegenstemmende (minderheids)aandeelhouder tegemoet te komen, is artikel 2:192a (nieuw) BW in het leven geroepen. Echter, het overdragen van aandelen zal er niet direct moeilijker op worden, maar de verplichting zal veelal een negatieve invloed hebben op de prijs. Nu hiervoor niets is geregeld, schiet de persoonsgebonden vrijstelling tekort. Een tegenstemmende aandeelhouder wordt zo weliswaar niet tegen zijn wil gebonden,

Hoewel het mooi klinkt, schiet de persoonsgebonden vrijstelling tekort.

maar wel tegen zijn wil benadeeld. Een groot voordeel van het opnemen van verplichtingen in de statuten in plaats van in een overeenkomst is dat statuten ook derdenwerking hebben. Hierdoor wordt het gemakkelijker om in te grijpen wanneer een aandeelhouder zijn afspraken niet nakomt. Hierbij kunnen vennootschapsrechtelijke sancties opgelegd worden. Bovendien is handelen in strijd met de statuten nietig, terwijl handelen in strijd met een aandeelhoudersovereenkomst slechts wanprestatie oplevert. Nietigheid is inroepbaar tegenover derden, wanprestatie werkt slechts tussen partijen. De gedachte dat een bv meer vrijheid moet krijgen om haar instituut naar eigen inzicht in te richten, is in theorie goed en begrijpelijk. Of de wettelijke regeling in artikel 2:192 en 2:192a (nieuw) BW eenvoudiger is, is te betwisten, maar flexibeler is zij zeker. De vraag is echter of flexibeler altijd beter is. In elk geval zijn er nog enkele problemen onopgelost gebleven en wellicht onmogelijk op te lossen. Door deze onduidelijkheid is het waarschijnlijk dat een statutenwijziging die verplichtingen tussen aandeelhouders creëert, slechts dan zal plaatsvinden wanneer iedereen zal instemmen. De aandeelhoudersovereenkomst zal dan ook zeker – eventueel naast statutaire bepalingen – blijven bestaan.

1 Deze enge heersende leer wordt echter door onder andere Dortmund afgewezen; P.J. Dortmond, Extra verplichtingen voor aandeelhouders, Tijdschrift Ondernemingsrecht 2003/9, p. 333 e.v. 2 Kamerstukken II, 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 16-17. 3 Kamerstukken II, 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 16. 4 Kamerstukken II, 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 1. 5 Kamerstukken II, 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 45. 6 W.J.M. Van Veen, Gewijzigde regeling eisen voor het aandeelhouderschap en bescherming stemrechtloze aandeelhouders in het ontwerp flex-BV, WPNR 20096801, p. 467 e.v.


JFV In Casu - maart 2012

Uitgelicht

33

Uitgelicht

De illusie van het (voorwaardelijk) opzet Door Laurens Vermeulen

d

e bedoeling van deze rubriek is dat een roemruchtig, maatschappelijk relevant arrest wordt herbesproken. En dat de veranderingen die het arrest teweeg heeft gebracht hier worden toegelicht. Bij hoge uitzondering zal in dit nummer hiervan worden afgeweken. De te bespreken zaak geniet niet veel bekendheid en het heeft zeker geen verandering teweeg gebracht. Toch verdient deze zaak het om te worden herbesproken omdat het een mooie illustratie is wat betreft de illusie van het (voorwaardelijk) opzet in opiumdelicten. Daarnaast is er veel kritiek geweest tegen deze uitspraak. Waarom dit strafrechtelijk begrip een illusie is zal hieronder duidelijk worden. Het heeft in ieder geval alles te maken met de gebezigde bewijsconstructie, hetgeen daarna zal worden besproken. Alvorens hiertoe over te gaan zal eerst de zaak worden geschetst.

De zaak In oktober 1984 is Suleyman (verdachte) met de auto afgereisd naar zijn vakantiebestemming Turkije. De auto, een Citroën, heeft hij voordat hij naar Turkije ging, gekocht en betaald bij een garagebedrijf in Nijmegen. In Istanbul aangekomen heeft Suleyman twee Pakistanen in een park ontmoet. Met hen is hij ´s avonds veel uitgegaan en overdag sliep hij zijn roes uit. Verdachte heeft één dag zijn auto aan hen uitgeleend. De twee Pakistanen wilden de auto van Suleyman kopen, deden een aanbetaling en kwamen overeen dat zij de auto in Nederland van hem zouden overnemen. Bij terugkomst in Nederland wordt Suleyman opgepakt en uiteindelijk veroordeeld in hoogste instantie tot een gevangenisstraf van drie jaar en een geldboete van zesduizend gulden. Waarvoor? Voor het opzettelijk overtreden van artikel 2 lid 1 onder A Opiumwet. Wat bleek: in de Citroën werd een (grote) hoeveelheid heroïne gevonden. Suleyman werd veroordeeld voor het opzettelijk binnenbrengen van een hoeveelheid heroïne binnen het grondgebied van Nederland. De verdachte verklaarde niet van de heroïne te hebben geweten. en gaf een mogelijke verkla-

ring voor de, in zijn auto aangetroffen, heroïne. Namelijk dat de twee Pakistanen het, zonder zijn medeweten, in zijn auto hebben verstopt op die ene dag dat zij de auto hadden geleend. Zij wilden immers de auto van Suleyman bij terugkomst in Nederland kopen.1

Het (voorwaardelijk) opzet Opzet (in het Latijn: dolus) in het Nederlandse strafrecht kent vier gradaties waarbij opzet als bedoeling de hoogste en opzet als mogelijkheidsbewustzijn de laagste gradatie is. Laatstgenoemde wordt ook wel voorwaardelijk opzet genoemd. Deze laagste gradatie van opzet is in veel gevallen voldoende om het opzet in een delictsomschrijving te bewijzen. Dit artikel zal zich dan ook enkel beperken tot het voorwaardelijk opzet. Het voorwaardelijk

opzet is als laagste gradatie ook het minst moeilijk te bewijzen. De criteria voor het bewijzen van voorwaardelijk opzet zijn in de rechtspraak tot ontwikkeling gekomen, hetgeen heeft geleid tot de volgende formule: het willens en wetens bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans.2 In beginsel moet opzet worden bewezen op alle bestanddelen in een delictsomschrijving die achter het woord opzet komen. Dit met uitzondering van de geobjectiveerde bestanddelen. Neemt men een delict als doodslag, artikel 287 Wetboek van Strafrecht: ‘Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt als schuldig aan doodslag (...)’. Bewezen moet dan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. In de te bespreken zaak werd de verdachte verweten het opzettelijk binnenbrengen van een hoeveelheid heroïne binnen het grondgebied van Nederland. Hoewel schuld ook voldoende zou zijn geweest voor een veroordeling heeft de openbaar aanklager hier voor de dolusvariant gekozen omdat daar een veel zwaardere straf op staat.3


JFV In Casu - maart 2012

uitgelicht

34

Bewijs Het grote twistpunt in dit arrest is het opzet. Het voorwaardelijk opzet kan worden bewezen door middel van de hierboven genoemde formule. Probleem is: hoe bewijs je het ‘willen’? Je kunt niet in het hoofd kijken van Suleyman en enkel daar wordt de wil gevormd. Hier ontstaat dus een groot bewijsrechtelijk probleem met het gebruik van opzet. Om nog maar te zwijgen over het ‘weten’. Om dit probleem het hoofd te bieden is het opzet in het strafrecht sterk normatief gekleurd waarbij kan worden geabstraheerd aan de werkelijkheid. Het ‘weten’ wordt bewezen door middel van algemene ervaringsregels. Voorbeeld: ‘het is algemeen bekend dat een vuistslag op een kwetsbaar lichaamsonderdeel als het hoofd, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.’4 Omdat dit een algemene ervaringsregel is weet ieder (normaal) mens dit, dus ook de verdachte. Dit geeft het bewijs voor het ‘weten’. Vervolgens kan het ‘willen’ onder andere worden afgeleid uit het ‘weten’. Dit door middel van de volgende (standaard) overweging: ‘de verdachte weet..., en toch doet hij het, dus heeft hij het ook gewild’. Middels dit (bewijsrechtelijk) trucje wordt het voorwaardelijk opzet geconstrueerd. Waarbij het zwaartepunt duidelijk ligt bij het ‘weten’. In veel gevallen levert dit geen problemen op, omdat het opzet duidelijk uit de feiten blijkt. Echter, het gevaar van deze truc is dat in de gevallen waarbij het niet duidelijk is of verdachte opzet heeft gehad dit toch gemakkelijk kan worden bewezen. Doch, de criteria voor opzet zouden die gevallen er nu juist moeten ‘uitzeven’. Met deze bewijstruc worden naar mijn mening de gaten van de zeef te groot. Opmerking verdient wel dat het vereiste van bewust aanvaarden hier buiten beschouwing wordt gelaten maar deze doet in de kern niks af aan de bewijstruc. In deze zaak werd door de verdachte cassatie ingesteld nadat het hof Arnhem opzet had aangenomen (hoewel de raadsman had aangevoerd dat opzet niet bewezen kon worden) met de volgende overweging,: ‘O., dat het hof dit verweer verwerpt, nu vaststaat dat verdachte met heroïne in zijn auto de grens over is gereden, en niet aannemelijk is geworden

dat buiten zijn voorkennis een ander de heroïne in zijn auto zou hebben verborgen;.’5 Dit terwijl Suleyman op diezelfde terechtzitting een alternatieve verklaring gaf voor de aanwezigheid van heroïne in zijn auto. Met andere woorden, het hof geloofde de verdachte gewoon niet. Wat betreft de motivering van het hof speelt nog een ander probleem mee. De lezing van verdachte tast namelijk wel de bewezenverklaring aan maar niet de bewijsmiddelen. Echter voert het hier te ver om de problematiek van dergelijke Meer en Vaart-verweren te bespreken. In cassatie werd onder meer als grief aangevoerd dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid. De Hoge Raad wilde van dit alles niks weten en oordeelde precies in overeenstemming met de hierboven uiteengezette doctrine: ‘Uitgaande van de algemene ervaringsregel dat de bestuurder, tevens enige inzittende, van een hem toebehorende personenauto, waarin zich een niet onaanzienlijke hoeveelheid heroïne bevindt, met de aanwezigheid van die heroïne in zijn auto bekend pleegt te zijn, heeft het hof het bewezen verklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden, met name ook dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld als in de bewezenverklaring omschreven.’6 Mijns inziens maakt de Hoge Raad zich hier wel erg gemakkelijk vanaf en gaat hier één stap te ver! Dat deze bewijsconstructie algemeen ge­accepteerd is in het strafrecht blijkt wel uit de conclusie onder dit arrest van Advocaat Generaal Mr. Remmelink. Hij stelt het volgende: ‘Het bewijs van opzet wordt immers voor een groot deel bepaald aan de hand van regels van de ervaring resp. van algemene bekendheid. ‘(…)’. Welnu het hof heeft hiervan uitgaande ‘(…)’ de door rekwirant opgeworpen exceptie niet geloofwaardig (aannemelijk) geacht. Ik geef toe, dat het hof dit iets uitvoeriger had kunnen stellen, maar de bedoeling is, dunkt mij, wel duidelijk. Iets bijzonders is hier, als men ‘s hofs betoog redelijk leest, niet aan de hand.’7

Afsluiting Dit arrest geeft een goede illustratie in hoeverre het voorwaardelijk opzet is afge-

dreven tot enkel een gekunstelde algemene ervaringsregel. Afgezien van het feit dat het bewust aanvaarden in dit stuk buiten beschouwing wordt gelaten, vond de Hoge Raad dit kennelijk bij Suleyman ook geen probleem aangezien dit niet expliciet wordt getoetst. Dit geeft temeer aan dat het voorwaardelijk opzet kan worden bewezen middels een zelf, door de rechter, uit de hoge hoed getoverde algemene ervaringsregel. Het is mijns inziens namelijk nog maar de vraag of deze ervaringsregel überhaupt wel bestaat dan wel, hoe deze vast te stellen.

Conclusie In de meeste opiumzaken is het bewijs voor het voorwaardelijk opzet geen probleem gezien de feiten. Dit wordt een ander verhaal in die zaken waar gerede twijfel kan bestaan omtrent het opzet, zoals in de behandelde zaak. Toch kan in deze zaken moeiteloos het voorwaardelijk opzet worden bewezen. Dit door gebruikmaking van de zojuist besproken bewijsrechtelijke truc: de algemene ervaringsregel. Middels dit foefje, dat ter beschikking staat aan het Openbaar Ministerie, staat de verdachte al vanaf het begin van de strafzaak met één nul achter. Omdat de verdachte geen kunstgreep ter beschikking staat kan het Openbaar Ministerie achterover leunen terwijl verdachte moet bewijzen dat hij geen opzet heeft gehad. Dit is niet alleen buitengewoon lastig, zo blijkt ook uit dit arrest, maar ook nog eens de omgekeerde wereld. 1 HR 25 november 1986, NJ 1987, 493. 2 HR 26 februari 2002, LJN AD8877 3 Vergl. art. 10 lid 1 sub a jo art. 10 lid 5 Opiumwet. 4 Hof ‘s-Gravenhage 17 maart 201, LJN BP7937. 5 HR 25 november 1986, NJ 1987, 493, r.o. 4.3. 6 HR 25 november 1986, NJ 1987, 493, r.o. 5.2. 7 Conclusie HR 25 november 1986, NJ 1987, 493.


JFV In Casu - maart 2012

OPINIE

35

Opinie

De politieke strijd rond Mauro en Jossef Door Anne Meijer

E

r is de afgelopen periode veel om te doen geweest: de achttienjarige Mauro uit Angola – volgens Sharon Gesthuizen van de SP ‘Limburgser dan de vlaai’ – kreeg van de minister voor immigratie en asiel geen verblijfsvergunning. Jossef moest hetzelfde lot ondergaan. De situatie van beide jongens is schrijnend, een aanzet geven tot willekeur door uitzonderingen te maken is voor velen echter ook geen oplossing. Is het goed dat minister Leers in gevallen als deze voet bij stuk houdt en tot uitzetting overgaat? Hieronder twee visies op de stelling. Heinrich Winter Professor Heinrich Winter is bijzonder hoogleraar toezicht en hoofddocent be­ stuurs­ recht en bestuurskunde aan de RuG. Behalve toezicht, handhaving en be­ stuurs­ recht behoort ook het asiel- en vreemdelingenrecht tot zijn expertise. De stelling is op verschillende manieren van commentaar te voorzien. In juridische zin lijkt er geen speld tussen te krijgen. Mauro en Jossef zijn uitgeprocedeerd. De aanvraag van Mauro is afgewezen en onderdeel van die afwijzing is dat aan het rechtmatig verblijf van Mauro in Nederland een einde komt. Voor Jossef geldt iets soortgelijks. De aanvraag van zijn Eritrese moeder is afgewezen en daarmee moet ook hij vertrekken. De minister heeft de bevoegdheid vervolgens tot uitzetting over te gaan als Mauro en Jossef niet zelfstandig het land verlaten. Het gaat om een bevoegdheid, niet om een verplichting. Maar, Mauro en Jossef in een juridisch schemergebied laten verblijven is ook geen aantrekkelijke optie. De vraag of ze terug kunnen is in feite al beantwoord op het moment dat de aanvraag is afgewezen. Voor Mauro is er kennelijk opvang aanwezig in Angola, het land waar hij vandaan komt. Of terugkeer – en uiteinde-

lijk dus wellicht uitzetting door de minister – ook kan worden gerealiseerd is nog maar de vraag. Mauro en Jossef moeten om te beginnen over identiteitspapieren beschikken. Hebben ze die, dan kunnen ze in beginsel gewoon terug. Hebben ze die niet, dan moeten de autoriteiten in het land van herkomst hen als onderdaan erkennen en meewerken aan hun terugkeer. In zaken van veel vreemdelingen die in de media aandacht krijgen, kennen we dergelijke details vaak niet. Aangenomen kan worden dat wanneer er identiteitspapieren zijn en de autoriteiten willen meewerken aan terugkeer, dat ook al zou zijn gebeurd. Vaak is er dus meer aan de hand. Dikwijls zijn er schrijnende humanitaire omstandigheden die een rol spelen. Voor zowel Mauro als Jossef geldt bijvoorbeeld dat ze al langer dan acht jaar in Nederland zijn. Mauro verblijft al geruime tijd bij zijn pleegouders in Limburg. Hij gaat naar school en is volledig ingeburgerd. Iets soortgelijks geldt voor Jossef. Dat zijn echter omstandigheden die niet meewegen in concrete beslissingen op een aanvraag voor de verlening van een verblijfsvergunning. De minister kan in individuele gevallen, zoals die van Mauro en Jossef, over zijn hart strijken en een uitzondering maken door zijn discretionaire bevoegdheid te

gebruiken. De huidige minister doet dat niet graag; de gedoogpartner kijkt over zijn schouder mee en zal hem zo’n handeling niet in dank afnemen. Daarmee zijn Mauro en Jossef speelbal van de politiek geworden en is de juridische vraag vertaald in een vraag naar politiek draagvlak. Er is echter ook nog een andere juridische bril waarmee naar dergelijke situaties kan worden gekeken en dat is het perspectief van het Kinderrechtenverdrag. Dat verdrag zegt in artikel 3 dat het belang van het kind ‘eerste overweging’ moet zijn. Dat wil zeggen, dat gekeken moet worden naar de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen bij terugkeer en bij gecontinueerd verblijf in ons land. Onderzoek toont aan dat bij kinderen die langer dan vijf jaar in onzekerheid hebben verkeerd over hun toekomst, blijvende schade kan ontstaan. Er is nog een manier om naar dergelijke situaties te kijken. De Tweede Kamer en de minister kunnen afspreken dat ze beleid maken


Opinie

JFV In Casu - maart 2012

36

voor gevallen als die van Mauro en Jossef. Verblijft een kind langer dan vijf of acht jaar in ons land zonder dat het daaraan zelf iets kan doen, dus door lange procedures, verkeerde besluiten, onzekerheid over de situatie in het land van herkomst, ontbrekende papieren en dergelijke, dan wordt op aanvraag een verblijfsvergunning verstrekt. Het Vreemdelingenbesluit kent een grondslag voor dergelijke regelingen, die een paar jaar geleden ook is gebruikt voor een regeling van de ‘erfenis’ van de oude Vreemdelingenwet, de pardonregeling. Ik zou voorstander zijn van zo’n beleid dat ervoor kiest kinderen niet in deze uitzichtloze situaties terecht te laten komen.

Maaike Graaff Maaike Graaf (MA) studeerde filosofie aan de RuG. Momenteel volgt ze de MSc in Refugee and Forced Migration Studies aan de University of Oxford. Wanneer is het goed om voet bij stuk te houden en niet af te wijken van bestaand beleid? Ik kan me tenminste twee situaties voorstellen. In elk geval, en dit ligt voor de hand, als het beleid een goed beleid is. Maar ook als het beleid op zichzelf misschien niet optimaal is, maar de gevolgen van afwijking nog kwalijker zijn dan de gevolgen van uitvoering. Naar mijn mening is in de kwesties rondom Mauro en Jossef echter aan geen van deze condities voldaan – alle kwalijke gevolgen die ik me kan voorstellen (bijvoorbeeld dat als Mauro mag blijven er honderden andere kinderen zijn die ook mogen blijven), zijn wat mij betreft niet erger dan het wegsturen van een kind dat hier is opgegroeid. Tegelijkertijd weet ik dat zulke afwegingen voor andere mensen anders zullen uitvallen en ik weet ook dat er altijd grensgevallen zullen zijn waarvan ik zelf niet zeker weet hoe ik er tegenover sta: het zijn nu eenmaal complexe vraag-

stukken. Dat betekent niet dat we met lege handen staan in het nadenken over dit soort kwesties. We kunnen er over redeneren en argumenteren. Ik kan voor mijn positie bijvoorbeeld morele argumenten aanvoeren (verwijzend naar noties als plicht of verantwoordelijkheid), maar ook juridische (verwijzend naar de belangen van het kind in artikel 3 van het Internationaal verdrag van de rechten van het kind). Ik zal dat hier niet doen. Waar het me om gaat, is dat het mogelijk is om dit soort kwesties systematisch te benaderen: we kunnen uiteenzetten welke opties er zijn, wat de gevolgen van de verschillende opties zijn, in hoeverre bepaalde gevolgen wenselijk of onwenselijk zijn, en waarom we denken dat de balans op een bepaalde manier moet uitvallen. Juist van een minister, die keuzes maakt voor een heel land, mogen we verwachten dat hij zijn beslissingen op zo’n heldere en systematische wijze verantwoordt. De discussies rondom Mauro en Jossef zijn juist in die zin echter weinig bevredigend. In de ‘zaak Mauro’ werden de verschillende opties nauwelijks uiteengezet. Bij het verantwoorden van zijn positie verwees minister Leers vooral naar zijn taak om ‘een integer asielbeleid’ te handhaven. De willekeur van het ‘discretionair gaan’ in zaken met veel media-aandacht, zou die integriteit in gevaar brengen. Maar daarmee wordt een vals dilemma gecreëerd. Het is immers goed mogelijk om Mauro te laten blijven zonder tot willekeur te vervallen: door in alle soortgelijke gevallen ook een vergunning te verlenen. Waarom zouden we ons beleid niet aanpassen? Op verschillende plekken is door het CDA verwezen naar het feit dat het huidige beleid ook door voorgaande kabinetten is gevoerd. Als dit als argument bedoeld was, houdt het geen stand. Een minister heeft de mogelijkheid om bestaand beleid te wijzigen en ik ga ervan uit dat de CDA-ministers niet van plan waren die bevoegdheden op te geven. De werkelijke vraag moet dus zijn of het belang van Mauro en andere kinderen om

te blijven opweegt tegen andere belangen, of dat de situatie van zulke kinderen niet ernstig genoeg is om ons beleid er op aan te passen. Er kunnen redenen zijn om het beleid te houden zoals het is: de zorgen over een aanzuigende werking van ruimhartiger beleid zijn daarbij genoemd, als ook de angst dat er vele andere Mauro’s staan te wachten. Bij mijn weten zijn die overwegingen echter nergens systematisch naast elkaar gezet en afgewogen tegen Mauro’s belangen om te blijven. Ze worden zonder vorm van onderscheid door elkaar gebruikt met verwijzingen naar integriteit en willekeur. Misschien hoort dat bij de wijze van debatteren in de politiek. In mijn ogen is het een gemiste kans om op genuanceerde wijze te verantwoorden waarom voet bij stuk is gehouden.


JFV In Casu - maart 2012

jfv katern

37

JFV Katern

Frisse lucht

D

Juridische Faculteitsvereniging Groningen

e lente is bijna aangebroken. De verwarming gaat uit en de ramen gaan weer open. Heerlijk, frisse lucht! Het einde van het collegejaar is zo langzamerhand in zicht. Deze maand alleen nog even wat tentamens binnenkoppen of een wintersport meepakken. Hopelijk nemen we daarna snel afscheid van de kou en krijgen we net als vorig jaar een tropische april en mei zodat het zomergevoel weer aanwezig is.

Ook de JFV pakt nog even een wintersport mee. Dit jaar zijn we afgereisd naar de Franse Alpen, naar Briançon. Daar wordt momenteel met volle teugen genoten van de sneeuw en een biertje in de alom bekende Gotcha! De komende periode heeft de JFV nog meer voor je in petto. Zo is er op 21 maart de Open Dag op het JFV Hok aan de Turftorenstraat. Heb jij zin om ervaring op te doen naast je studie en wil je dat combineren met gezelligheid? Kom dan langs op 21 maart naar het JFV Hok waar je je kunt laten informeren over een van de 12 commissies die de JFV rijk is. Aankomend jaar bestaat de JFV 105 jaar. Dat betekent dat het 21e lustrum gevierd gaat worden. Daarom wordt er dit jaar een extra commissie ingesteld, een lustrumcommissie, die allerlei feesten en activiteiten zal organiseren. Wil je meer weten? Kom dan langs op de Open Dag of kijk op www.jfvgroningen.nl! Solliciteren kan tot 7 april via de website! Na je tentamens zal je ongetwijfeld toe zijn aan een feestje. Kom daarom op 3 april naar het Voorjaarsfeest! De galacommissie zal dit feest organiseren en het belooft weer een mooie avond te worden. Verder organiseert de commissie studiefaciliteiten op 5 april Master your talent. Dit masterevent verschaft naast informatie over je master, ook informatie over je toekomstige baan of juridische bijbaan tijdens je master. De JFV reist met een groep van 30 studenten van 11 t/m 13 april af naar Brussel en Leuven. Daar worden allerlei interessante dingen bezocht, waaronder de faculteit Rechtsgeleerdheid van Leuven. Wil je hier

bij zijn? Houd dan de website in de gaten en schrijf je in voor een prikkie! Op 16 april vindt vervolgens de Juridische Pubquiz in Café de Keyzer plaats. Iedereen is welkom om mee te doen aan deze populaire quiz. Ook hiervoor geldt: schrijf je in via de website. Niet zo zin in een quiz maar wel in een biertje of wijntje? Kom dan naar de algemene ledenborrel vanaf 22.00 uur! Aan het einde van dezelfde maand, op 26 april, vindt het Groninger Juristen Congres plaats met als thema: ‘Fake it or Create it: de grenzen van de Intellectuele Eigendom’. De dag zal worden afgetrapt met lezingen van de heren Senftleben, Gielen, Ebbink en mevrouw Alkema. Dit alles onder leiding van de heer Tsoutsanis. Vervolgens vinden een heerlijke lunch in de businesslounge van FC Groningen en inhoudelijke workshops plaats. De dag zal worden afgesloten met een diner. Wil jij hier bij zijn? Schrijf je dan snel in via www.jfvgroningen. nl en zorg dat je de workshop van jouw eerste keuze hebt! Succes met studeren en graag tot ziens op één van onze activiteiten of onze Open Dag. Sluit jezelf niet te lang op in de UB en geniet van de frisse lucht. Met vriendelijke groet, Namens het 104e JFV Bestuur, Elza Lenferink Voorzitter


JFV In Casu - maart 2012

jfv katern collage

38

Buitengewone ALV

Buitengewone ALV

Docent van het Jaar-verkiezing

Docent van het Jaar-verkiezing

Eerstejaars Pubquiz

Halfjaarlijikse ALV

Docent van het Jaar-verkiezing

Eerstejaars Pubquiz

Halfjaarlijikse ALV

Halfjaarlijikse ALV


JFV In Casu - maart 2012

jfv katern collage

39

Kerstdiner

Sinterklaasborrel

Kerstdiner

Kerstdiner

Sinterklaasborrel

Sinterklaasborrel

Propedeuse uitreiking

Propedeuse uitreiking

Propedeuse uitreiking

Sollicitatietrainingendag

Sollicitatietrainingendag

ISP-bekendmaking

Sollicitatietrainingendag


JFV In Casu - maart 2012

jfv katern

40

Even voorstellen…

Interviews met de pubcommissie, commissie Internationaal Studieproject en de congrescommissie Door Daphne Dikkers

D

e JFV Groningen is veel commissies rijk. Zij organiseren gedurende het collegejaar uiteenlopende activiteiten voor de leden van de JFV. Maar wat doen de commissies precies? In onderstaand interview geven Olga en Jean-Luc van de pubcommissie, Doortje en Simon van de commissie Internationaal Studieproject (ISP) en Charlotte en Judith van de congrescommissie antwoord op deze vraag. De pubcommissie

Wat doet jullie commissie? Olga: onze commissie organiseert – zoals de naam al zegt – pubquizzen. Afgelopen september hebben we de eerste quiz ge­ houden voor eerstejaars rechtenstudenten. Jean-Luc: de eerste quiz was een succes, er zijn veel eerstejaars op afgekomen. Zij waren allemaal erg enthousiast en bleven daarna plakken in Café De Keyzer voor de maandelijkse JFV Borrel.

Welke activiteiten staan nog op het pro­gramma? Olga: het is nog niet precies duidelijk wat de pubcommissie nog gaat organiseren dit jaar, maar het staat wel vast dat we in het voorjaar in ieder geval nog een quiz gaan organiseren. Jean-Luc: deze quiz is niet alleen voor eerstejaars, maar voor iedereen die lid is van de JFV. Deze vindt plaats op 16 april, inschrijven kan via de JFV Website.

Vertel eens, wie zijn jullie? Olga: de pubcommissie is een commissie die bestaat uit eerstejaars rechtenstudenten. Dit jaar bestaat de commissie uit Wietske, Koen, Kimberley, Jean Luc en mijzelf.

Waar halen jullie de inspiratie voor vragen vandaan? Olga: we vergaderen eens per twee weken. Voor de eerste pubquiz moesten we nog bedenken hoe we het zouden aanpakken. We hebben toen bedacht de quiz in te delen in verschillende rondes. Jean-Luc: daarna zijn we gaan nadenken over de vragen. Omdat de quiz voor eerstejaars bedoeld was en wij dat zelf ook zijn, bestond maar een deel van de quiz uit juridische vragen. Daarnaast waren er vragen over funny facts en Groningen.

Hoe bevalt het jullie als commissie volledig bestaand uit eerstejaars bij de JFV? Olga: de commissie bevalt erg goed! Het is erg gezellig binnen de commissie. Jean-Luc: we kenden elkaar nog niet echt op het moment dat we een commissie werden. Het Schierweekend heeft daar wel verandering in gebracht.

Hoe is jullie commissie gevormd? Jean-Luc: na het kamp werden we gebeld door de JFV of we geïnteresseerd waren in de pubcommissie en langs wilden komen voor een gesprekje. Later werden we teruggebeld door Elza, de voorzitter van de JFV, en kregen we te horen dat wij uitgekozen waren.

“De eerste quiz was een succes, er zijn veel eerstejaars op afgekomen.”

Commissie Internationaal Studieproject (hierna ISP)

Vertel eens, wie zijn jullie? Doortje: de commissie ISP bestaat dit jaar


JFV In Casu - maart 2012

jfv katern

41

“Het energierecht is heel breed. Het gaat over ‘de wereld achter het stopcontact’, daar komt juridisch gezien veel bij kijken.” uit Anna, Simon, Hedwig, Rutger, Ylse en mijzelf. We zitten allemaal in de eindfase van de bachelor Rechtsgeleerdheid. Inmiddels is bekend geworden dat het ISP dit jaar in het teken staat van het energierecht. Hoe zijn jullie op het idee gekomen? En waarom juist energierecht? Simon: Anna en ikzelf zijn verantwoordelijk voor de keuze van het thema. We zijn op het idee gekomen door te kijken op websites van advocatenkantoren. Het thema energierecht is erg interessant omdat het vanuit verschillende rechtsgebieden kan worden bestudeerd. De advocatenkantoren waarmee we samenwerken, waren ook direct enthousiast over het thema. Doortje: toen we het thema vast hadden staan zijn we het thema verder gaan uitwerken. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de faculteit, omdat je uiteindelijk ook studiepunten krijgt voor deelname aan het ISP. Er worden dan ook eisen gesteld aan de studenten die graag mee willen. Zij moeten minimaal 120 studiepunten hebben en naderhand een essay schrijven over de reis. We worden met name ondersteund door mevrouw mr. Roggenkamp, zij is specialist op het gebied van energierecht. Waarom hebben jullie gekozen voor Moskou? Doortje: een belangrijk onderdeel van de reis is het bezoeken van advocatenkantoren. We zijn dus als commissie afhankelijk van vestigingsplaatsen van advocatenkantoren. Daarnaast worden de eerste contacten met kantoren gelegd vanuit de universiteit. Mevrouw Roggenkamp heeft connecties met kantoren in Moskou, zodat onze keuze al snel op Moskou viel. Simon: ook vanuit het oogpunt van het thema is Moskou een zeer goede keuze. Rusland is namelijk een van de grootste

Simon: het energierecht is heel breed. Het gaat over ‘de wereld achter het stopcontact’, daar komt juridisch gezien veel bij kijken. Bij de voorbereidende colleges komen onder andere onderwerpen als contractenrecht, staatssteun en emissierechten aan bod.

De congrescommissie

energieleveranciers van Europa. Sinds kort is er de Nord Stream, een pijpleiding die directe levering van gas uit Rusland naar West-Europa mogelijk maakt. Wie gaan er mee op reis? Doortje: er is maar een beperkt aantal plekken voor de reis. De deelnemers aan de reis hebben hiervoor gesolliciteerd. Wij hebben daarna als commissie de sollicitatiegesprekken gevoerd en een selectie gemaakt. Ik vond dat erg leuk om te doen. De deelnemers zijn geïnteresseerd in de reis om heel uiteenlopende redenen, waaruit we nu een leuke groep hebben gevormd. Ter voorbereiding op de reis gaan jullie op kantoorbezoek bij verschillende advocatenkantoren in Nederland. Hoe ziet het programma eruit in Moskou? Doortje: in Moskou gaan we op kantoorbezoek bij de Russische vestiging van advocatenkantoor Clifford Chance en een Russisch kantoor. Daarnaast gaan we onder andere naar de Nederlandse ambassade in Moskou en de universiteit van Moskou. Simon: Naast deze themagerelateerde activiteiten gaan we ook een bezoekje brengen aan de toeristische trekpleisters van de stad. Wat verwachten jullie te leren over het thema? Doortje: wat betreft het energierecht zijn we allemaal nog blanco. Het is leuk om een heel nieuw rechtsgebied te ‘ontdekken’. Ter voorbereiding op de reis zal Roggenkamp ons twee hoorcolleges geven over het thema. Deze zijn bedoeld als introductie. Daarnaast gaan we op bezoek bij kantoren. Daar krijgen we presentaties van advocaten die zich hebben gespecialiseerd in energierecht.

Vertel eens, wie zijn jullie? Charlotte: de congrescommissie bestaat dit jaar uit Judith, Frank, Myrthe, Roy, Fleur en mijzelf. We doen allemaal verschillende richtingen binnen rechten en bevinden ons ook in verschillende stadia van onze studie. Een leuke mix van mensen dus. Wat is er zo leuk aan de commissie? Charlotte: het is uitdagend om met zijn allen te streven naar een inhoudelijk goed congres. Judith: het leuke aan de congrescommissie is dat we vrij zijn in de keuze voor het thema. Wat is het thema van het Groninger Juristen Congres 2012? Hoe zijn jullie op dit thema gekomen? Judith: het thema van het congres is Fake it, or create it: grenzen van de Intellectuele Eigendom. We hadden afgesproken dat iedereen eerst voor zichzelf wat thema’s zou bedenken voor het congres. Tijdens een vergadering hebben we uiteindelijk een stemming gehouden over de definitieve keuze. Grappig was dat drie van ons intellectuele eigendom op het ideeënlijstje hadden staan. Charlotte: intellectuele eigendom is een groot rechtsgebied. Dit levert ons het voordeel op dat we een ruime keuze hebben uit juridisch specialisten die een inhoudelijke bijdrage kunnen leveren aan het congres. Judith: intellectueel eigendomsrecht is, door een aantal zaken die veel in de publiciteit zijn geweest, heel actueel. Denk bijvoorbeeld aan de zaak tussen Apple


JFV KATERN

JFV In Casu - maart 2012

42

en Samsung. De kern van deze en andere geschillen is de vraag of de grenzen van de intellectuele eigendom zijn overschreden.

NautaDutilh. Hij gaat spreken over de vrijheid van meningsuiting en de intellectuele eigendom.

Hoe staat het met de voorbereidingen van het congres? Charlotte: we hebben inmiddels een dagvoorzitter en drie sprekers voor het plenair gedeelte van de dag. Judith: met de acquisitie voor de workshops, die na het plenair gedeelte zullen plaatsvinden, gaat het ook heel goed. We hebben al voor negen van de veertien workshops kantoren gevonden die willen deelnemen. Zij zijn vrij in hun onderwerpskeuze. Eén van de onderwerpen is: ‘DJ Tiësto en de grenzen van het muziekrecht’. We hopen dat er tijdens de workshops interessante discussies ontstaan tussen de deelnemers en de advocaten die de workshops geven.

Zijn er dingen die jullie anders gaan doen dan voorgaande commissies? Judith: dit jaar hebben we gekozen voor een nieuwe locatie. De workshops zullen plaatsvinden in het Noorderpoortcollege en het plenair gedeelte in de Wolff Bioscoop. De locaties bevinden zich beide bij de Euroborg. Dit is anders dan voorgaande jaren waar deelnemers – na het plenair gedeelte – voor de workshops naar een locatie ergens anders in de stad moesten. Charlotte: aangezien het dezelfde locatie is hopen we dat we dit jaar alle deelnemers behouden tot aan de afsluitende borrel!

Wie is de dagvoorzitter? Waarom deze persoon? Charlotte: als dagvoorzitter hebben wij gekozen voor de heer mr. Tsoutsanis. Hij is hoogleraar Intellectuele Eigendomsrecht aan de universiteit Leiden en is daarnaast werkzaam als advocaat bij DLA Piper. Hij is nog jong, maar heeft zeer veel expertise op het gebied van de intellectuele eigendom.

Ben je na het lezen van de interviews enthousiast geworden over de commissies en de activiteiten die ze organiseren? Schrijf je dan in voor één van de activiteiten of solliciteer voor een commissie, dit kan tot zaterdag 7 april! Kijk op www.jfvgroningen.nl voor meer informatie.

Welke sprekers hebben jullie uitgenodigd? Charlotte: in overleg met de dagvoorzitter hebben we sprekers uitgekozen. Onze keuze is daarbij gevallen op onder andere de heer mr. Gielen, hij is verbonden aan onze faculteit en werkt als advocaat bij

“Het leuke aan de congrescommissie is dat, we vrij zijn in de keuze voor het thema.”


JFV In Casu - maart 2012

JFV kATERN

43

JFV Katern

Activiteitenoverzicht @Boekenmarkt Gedurende het hele jaar kun je bij de JFV je studieboeken met 10% korting aanschaffen in de JFV Studiewinkel. Daarnaast wordt er aan het begin van elk semester een boekenmarkt georganiseerd. Dit semester vond de boekenmarkt plaats op 2 en 3 februari. Ditmaal was er een mooie actie verbonden tijdens de boekenmarkt. Studenten die een korte enquête hadden ingevuld maakten kans op een iPad 2 of op één van de vijf dinerbonnen t.w.v. 50 euro.

@Bedrijven- en Instellingendag Op 17 februari vond de grootste juridische carrièredag van NoordNederland plaats: de Bedrijven- en Instellingendag! Het thema van de dag luidde: ‘Your roadmap to success’. De dag begon met een plenair gedeelte waar de heren Corstens, Houtzagers en Bartels een lezing hielden over hun carrière. Na verschillende workshops, individuele gesprekken en een borrel op de banenmarkt, werd de dag afgesloten met een diner in ’t Feithhuis én een drankje in de Tapperij.

@Almanakuitreiking Heb jij de almanak 2012 nog niet gezien? Kom dan snel een exemplaar ophalen op de JFV Studiewinkel! Op 21 februari is de almanak met als thema: ‘Hollandse Meesters’ bekend gemaakt. De commissie heeft een prachtig kunstwerk afgeleverd en we hopen dan ook dit jaar de almanak-award van de UK binnen te slepen!

@JFV CarrièreTour Dit jaar vond voor de tweede keer de JFV CarrièreTour plaats op donderdag 1 en vrijdag 2 maart. Gedurende deze twee dagen reisde een groep van 20 ambitieuze studenten af naar Utrecht en Amsterdam. Tijdens deze tour kregen de deelnemers de unieke kans om in korte tijd enkele kantoren beter te leren kennen en zichzelf te presenteren. Ook dit jaar was het weer een groot succes!


JFV In Casu - Maart 2012

JFV katern

44

@Eerstejaarssymposium ‘Met recht de wereld aan je voeten’. Zo luidde de slogan van het Eerstejaarssymposium op 5 maart dat door de eerstejaarscommissie in samenwerking met de Faculteit Rechtsgeleerdheid werd georganiseerd. De avond begon met lezingen van sprekers en vervolgens waren er informatierondes over de verschillende bachelor opleidingen. De studenten kregen voldoende informatie om na deze avond een keuze te maken. Welke keuze je ook maakt, met rechtligt de wereld aan je voeten!

@Open Dag Heb jij zin om naast je studie ervaring op te doen en wil je dat combineren met een hoop gezelligheid? Dan is een commissie bij de JFV de perfecte mogelijkheid. Laat je dan informeren op de Open Dag op 21 maart op het JFV Hok!

@Voorjaarsfeest Zin in een feestje? Houd 3 april alvast vrij in je agenda, want dan organiseert de JFV het Voorjaarsfeest. Elk jaar is dit feest weer een groot succes, dus zorg dat je erbij bent!

@Master your talent Op 5 april organiseert de commissie studiefaciliteiten in samenwerking met de Faculteit Rechtsgeleerdheid Master your talent. Hét masterevent om er achter te komen welke master, welk beroep of welke juridische bijbaan bij je past. Kijk op www.jfvgroningen.nl voor meer informatie!


JFV In Casu - maart 2012

JFV CARRIEREBOARD KATERN

45

JFV CarrièreBoard Katern

Beste lezer,

H

et nieuwe semester is alweer een tijdje bezig en de hoorcolleges en werkgroepen worden natuurlijk weer trouw gevolgd. JFV CarrièreBoard heeft niet stil gezeten en er zijn weer verschillende activiteiten georganiseerd voor derde- en vierdejaars studenten die zich willen oriënteren op de verschillende carrièremogelijkheden.

Vorige maand vond voor de 21e keer de Bedrijven- en Instellingendag plaats. Op 17 februari kwamen 33 werkgevers uit het hele land naar Martiniplaza om zich aan de Groningse rechtenstudent te presenteren. De dag begon met een plenair gedeelte alwaar drie sprekers iets vertelden over hun carrière. Hierna kregen de studenten workshops van verschillende kantoren, bedrijven en instellingen. Na een goede lunch was er ‘s middags een banenmarkt. Hier konden studenten onder het genot van een hapje en een drankje nader kennis hebben gemaakt met de advocaten van de verschillende kantoren op een laagdrempelige manier in contact konden komen met de vele verschillende deelnemende kantoren. ‘s Avonds hebben een aantal studenten deelgenomen aan het kennismakingsdiner in ‘t Feithhuis en hebben zij nader kennis gemaakt met de advocaten van verschillende advocatenkantoren waar­mee ze aan tafel zaten. De foto’s van deze dag staan vanzelfsprekend op de website! Begin deze maand vond voor de tweede keer de JFV CarrièreTour plaats. Op 1 en 2 maart zijn 30 eind bachelor- en masterstudenten bij vier middelgrote advocatenkantoren op bezoek geweest. De eerste dag werden twee Utrechtse kantoren bezocht en na een overnachting in Amsterdam, zijn de dag erna twee Amsterdamse advocatenkantoren bezocht. Bij de kantoren kregen de deelnemers een casus voorgelegd die typerend voor het kantoor is. Daarnaast kregen de deelnemers uiteraard een kantoorpresentatie en een rondleiding. Het bezoek werd afgesloten met een lunch of een borrel, aangeboden door het

kantoor. Zo hebben de deelnemers kennis kunnen maken met vier middelgrote advocatenkantoren uit het westen van het land. Heb je de Bedrijven- en Instellingendag en de JFV CarrièreTour gemist? Het hele jaar door organiseert JFV CarrièreBoard recruitmentactiviteiten in samenwerking met advocatenkantoren. Al aan het begin van het collegejaar was er een recruitmentdiner met Damsté advocaten - notarissen en in april zal er weer een recruitmentdiner georganiseerd worden. Ditmaal in samenwerking met Van der Feltz Advocaten, een nichekantoor uit Den Haag. Ben jij geïnteresseerd in dit kantoor en wil je met zijn mensen kennis maken? Kijk dan op www.jfvcarriereboard.nl en meld je aan voor het diner! Ben je meer geïnteresseerd in een carrière met een internationaal karakter? Voor deze mensen organiseert JFV CarrièreBoard in samenwerking met een internationaal advocatenkantoor de Legal English Course. Deze cursus is dé mogelijkheid om geheel kosteloos je juridisch Engels op peil te brengen. Drie middagen in de maanden april en mei zul je vier uur les krijgen van een professionele docent. Twee middagen zullen in Groningen plaatsvinden en de laatste middag zal de cursus op het advocatenkantoor gegeven worden. Houd voor meer informatie de JFV CarrièreBoard Website in de gaten. Kijk voor meer informatie op de JFV CarrièreBoard Website. Hier vind je naast informatie over de Legal English Course onder meer een overzicht van alle recruitmentactiviteiten die advocatenkantoren de

ko­­men­de tijd organiseren en kantoorprofielen van grote en kleine advocatenkantoren. Tenslotte wil ik je nog veel succes wensen met studeren en de aankomende tentamens. Met vriendelijke groet, Jesse Trommel Commissaris JFV CarrièreBoard


JFV In Casu - maart 2012

JFV CARRIEREBOARD KATERN

46

Semester 2 2011/2012

Recruitmentagenda Instantie/Activiteit Datum Deadline inschrijven

Meer Informatie

Maart AKD Lunch op kantoor Rotterdam 30 maart 2012 zie website www.werkenbijakd.nl April Allen & Overy Global Apollo Experience 2012 2 april - 29 juni 2012 12 februari 2012 www.werkenbijallenovery.nl Simmons & Simmons Around the World in 100 Days - Middle East 12 april 2012 2 april 2012 www.werkenbijsimmons.nl JFV CarrièreBoard Van der Feltz Advocaten recruitmentdiner

19 april 2012

12 april 2012

www.jfvcarriereboard.nl

NautaDutilh Masterclass NautaDutilh 19-21 april 2012 5 maart 2012 www.werkenbijnautadutilh.nl Holland Van Gijzen Advocaten en Notarissen Masterclass New York 19 - 23 april 2012 zie website www.werkenbijhvg.nl Freshfields Bruckhaus Deringer Corporate Law Course 26 - 27 april 2012 9 april 2012 www.werkenbijfreshfields.nl Mei De Brauw Blackstone Westbroek The Deal 2-4 mei 2012 9 april 2012 www.werkenbijdebrauw.nl AKD Lunch op kantoor Breda 4 mei 2012 zie website www.werkenbijakd.nl Stibbe STIBBE2NY 8-14 mei 2012 12 maart 2012 www.werkenbijstibbe.nl Clifford Chance Masterclass ‘Select Class’ 8-11 mei 2012 zie website www.ontdekcliffordchance.nl AKD Blue Days 10-11 mei 2012 zie website www.werkenbijakd.nl NautaDutilh Experience NautaDutilh: Verschil moet er zijn 24 mei 2012 18 mei 2012 recruitment@nautadutilh.nl Houthoff Buruma Experience The Game 25 mei 2012 15 mei 2012 www.werkenbijhouthoff.com JUNI AKD Lunch op kantoor Amsterdam 1 juni 2012 zie website www.werkenbijakd.nl Clifford Chance Legal Lunch Lounge 4 juni 2012 zie website www.ontdekcliffordchance.nl NautaDutilh Experience NautaDutilh: Banking & Finance 7 juni 2012 1 juni 2012 recruitment@nautadutilh.nl Loyens & Loeff Summercourse London 9-13 juni 2012 18 mei 2012 www.loyensloeffacademy.nl Freshfields Bruckhaus Deringer Freshfields Connect Internationale Stage Collegejaar 2012-2013 8 juni 2012 floor.milar@freshfields.com Lexence Lexence Lunch 22 juni 2012 zie website www.werkenbijlexence.nl


JFV In Casu - maart 2012

inhoudelijke bijdragen

47

Inhoudelijke bijdragen

Bedrijfsjurist in het energierecht in het bijzonder van een LNG import terminal Martijn Vermeer, bedrijfsjurist bij de N.V. Nederlandse Gasunie te Groningen

D

eze bijdrage verschaft de lezer enig inzicht in de activiteiten van een bedrijfsjurist werkzaam bij de N.V. Nederlandse Gasunie te Groningen. Meer in het bijzonder zullen deze activiteiten worden belicht door een beschrijving van een aantal van de juridisch relevante aspecten rondom een LNG import terminal.

LNG en de -internationale- LNG keten Liquified Natural Gas, LNG, is aardgas dat door afkoeling tot min 160 graden Celcius (bij atmosferische) druk vloeibaar is gemaakt. Het LNG staat dus niet onder druk, is geurloos, niet giftig en corrosief en LNG is uitsluitend brandbaar als het na verdamping gecombineerd met zuurstof in aanraking komt met een ontstekingsbron. In vloeibare vorm neemt LNG ongeveer 600 keer minder volume in dan aardgas waardoor het zich zeer efficiënt laat vervoeren en opslaan. Het vervoer, over lange afstanden en veelal door middel van zeeschepen, verbindt landen met een grote aardgasreserve met landen met een (grote) vraag naar aardgas. Ook Nederland, dat over een eigen gasvoorraad beschikt in de vorm van het Slochterenveld en een aantal ‘kleine’ velden, kent sinds enige tijd een LNG-import terminal ook wel een LNG regasification terminal (de Gate terminal op de Maasvlakte, Rotterdam waarvan de initiatiefnemers N.V. Nederlandse Gasunie en Koninklijke Vopak N.V. zijn). Het Nederlandse aardgasgebruik en de export daarvan is hierdoor niet enkel meer afhankelijk van nationale voorraden en van voorraden en landen die middels pijpleidingen met Nederland zijn verbonden. Nu het nut van LNG voornamelijk ligt in het

vervoer met behulp van zeeschepen van het vloeibare aardgas van het ene land naar het andere land, ziet een (bedrijfs)jurist actief bij een LNG (receiving) terminal zich van nature geconfronteerd met grensoverschrijdende en internationale juridische kwesties van uiteenlopende aard. De LNG keten is van nature grensoverschrijdend en internationaal van aard: het aardgas wordt gewonnen in land A en aldaar in een liquifaction terminal vloeibaar gemaakt, vervoerd over internationale wateren en in land B tijdelijk opgeslagen en weer gasvorming gemaakt in de regasfication terminal. Het gebruik, al of niet nadat het in een – ondergrondse- gasopslag opgeslagen is geweest, door de eindgebruiker kan in land B maar ook in land C plaatsvinden.

De start: de keuze van een rechtssysteem en de oprichting van een joint-venture Nu de verschillende overeenkomsten aangaande de LNG regasification terminal onderling met elkaar samenhangen is de keuze van het toepasselijk recht van het grootste belang. Het recht van het land van vestiging van de terminal, de fysieke locatie van de installatie, zal leidend zijn op het terrein van de vergunningen, de ontheffingen van diverse wettelijke regelingen (zoals bijvoorbeeld van de Gaswet),

de netwerkcodes van het gastransportnet waarmee de terminal is verbonden (zoals de TSC van GTS), de fiscale wet- en regelgeving en van het vennootschapsrecht. Bij veel andere juridische aspecten van de terminal is dat niet altijd zo voor de hand liggend, denk hierbij aan: de eventueel op te richten joint-venture, de bouw van de terminal (contracten inzake het ontwerp, de inkoop en de constructie van de terminal), de contracten met gebruikers/ klanten van de terminal, de financiering van de terminal en de inkoop (en het vervoer) van het LNG en de verkoop van het aardgas. Zoals bij elk joint-venture zijn er goede redenen om de bouw van een LNG receiving terminal middels een joint-venture te doen plaatsvinden en deze joint-venture een rechtsvorm (met rechtspersoonlijkheid) mee te geven. Het delen van risico’s en kosten verbonden aan een dergelijk project, al gauw bedragen de kosten enkele honderden miljoenen euro’s, het delen van kennis en ervaring en het delen en de inbreng van specifieke (markt)relevante bedrijfsactiviteiten (zoals de inbreng van LNG of de afname van gas) zijn beweegredenen om een dergelijk project niet alleen aan te vangen. Een separate rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid voor het ‘termi-


Inhoudelijke bijdragen

JFV In Casu - maart 2012

48

nal’bedrijf verdient de voorkeur uit het oogpunt van het aangaan van de diverse overeenkomsten: een aparte entiteit met andere woorden, separaat van haar initiatiefnemers en met een beperkte aansprakelijkheid voor die initiatiefnemers. De inhoud van de joint-venture overeenkomst als ook de statuten van de vennootschap (het ‘terminal’ bedrijf) kent enkele belangrijke juridisch relevante onderdelen. Indien het (gewenste) financiële belang van de joint-venture partners niet gelijk is dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de regelingen inzake die inbreng en de eventuele vrijwillige of verplichte bijstortingen in de toekomst – het is niet ongebruikelijk de bouw van een terminal in fases (uitbreidingen) te doen plaatsvinden. Wat gebeurt er als een der partners niet (geheel) bijdraagt in uitbreidingen: zijn financiële belang zal verwateren, verliest het stemrecht en zo ja op wat voor een manier (verwatert zijn zeggenschapsbelang, of verliest hij stemrecht ten aanzien van bijzondere – financieel gerelateerde – beslissingen)? Wat gebeurt er als een der partners zijn verplichte (bij) stortingen niet verricht: kan een boete worden opgelegd, verliest hij tijdelijk zijn stemrecht of volgt een verplichte uittreding. Net als bij elke andere joint-venture dient men na te denken over de eventuele toetreding van nieuwe partners, al of niet met een minderheidsbelang. Kan de joint-venture overeenkomst worden gewijzigd, en zo ja op welke wijze?

De bouw en de financiering van de terminal. Ruwweg kan men de bouw van de terminal, net zoals menig ander infrastructuurproject op twee wijzen juridisch vormgeven. De joint-venture, of een der deelnemende partijen, kan elke stap in het proces van de bouw van de terminal zelf voor zijn rekening nemen of op die onderdelen specifieke ‘contractors’ inhuren daar waar specifieke kennis (of mankracht) ontbreekt. Anderzijds kan men er voor een kiezen een zogenaamde EPC (EngineeringProcurement-Construction) overeenkomst aan te gaan, veelal met een consortium van ontwerpers, inkopers en aannemers, welke overeenkomst resulteert in een ‘turn-key’ oplevering van het project: de

terminal. Wat wordt er eigenlijk gebouwd? In grote lijnen gaat het om een steiger waar de schepen met LNG aan kunnen leggen en kunnen lossen, tanks waarin de LNG tijdelijk kan worden opgeslagen en verdampers die het vloeibare aardgas weer gasvormig maken. Deze onderdelen zijn door een ingenieus leidingnetwerk en meet- en regelapparatuur met elkaar verbonden. Ten slotte zal het aardgas na verdamping de terminal verlaten bij wijze van levering in het met de terminal verbonden gastransportnetwerk.

terminal naast de risico’s verbonden van de primaire bedrijfsactiviteit ook (volume-, prijs- en krediet-) risico lopen in de LNG en gas (handels)markten.

De commerciële contracten

De juridische relevante aspecten van de eerste verschijningsvorm zullen de belangrijkste operationele stappen gedurende de doorzet in de terminal bevatten: het aanmeren en lossen van de LNG schepen, de tijdelijke opslag van het LNG in de tanks en de verdamping van het LNG in aardgas (veelal gepaard met het op druk in de juiste kwaliteit brengen benodigd voor het relevante gastransportnetwerk). Meer in detail regelen de algemene voorwaarden voor het gebruik van de terminal (de General Terms and Conditions, GTCs) de specificaties waaraan de LNG schepen alsook de samenstelling van het LNG moeten voldoen. In welke volgorde komen de LNG schepen binnen: first-comefirst serve? Neen, veel terminals kennen zogenaamde scheduling-procedures. De klanten ‘schedulen’ aan de hand van een minitieuze procedure hun schepen voor het aankomende (gas)jaar; welke schepen brengen wanneer hoeveel LNG. Aan de andere kant van de terminal zullen de GTCs bepalingen kennen die –de planning van – het uitzenden van het aardgas behelzen. Klanten dienen hun send-out op uurbasis te nomineren en deze nominaties, hoeveelheden aardgas, zullen ook hun weg moeten kunnen vinden in het verbonden gastransportnetwerk.

De overeenkomst die de klanten (gebruikers) van de terminal met het ‘terminal’bedrijf in zijn hoedanigheid als operator zullen sluiten, kennen twee verschijningsvormen. Daar waar de operator niet zelf LNG zal leveren dan wel gas af zal nemen zullen de klanten rechthebbende van de LNG respectievelijk het gas zijn en blijven en zal de operator enkel ‘title to the gas’ hebben gedurende de periode dat het LNG/ aardgas zich in de terminal bevindt. De terminal heeft –louter- een doorzet karakter: lossen, tijdelijk opslaan en hervergassing en aflevering van het gas. Een ander denkbaar model is dat het ‘terminal’bedrijf zelf LNG verkrijgt op de LNG markt, weer gasvormig maakt en het aardgas verkoopt op de gasmarkt. Het hoeft geen betoog dat in dit tweede model de initiatiefnemers van de LNG receiving

Nog niet genoemd heb ik de minder met het primaire bedrijfsproces van de doorzetterminal verbonden voorschriften. De klanten zullen voldoende kredietwaardig moeten zijn en zullen veelal voor de –langjarige- betaling van de door hen aan de operator verschuldigde ‘fees’ (terminalkosten) zekerheid moeten verschaffen in de vorm bijvoorbeeld (bank)garanties. Hoe en in welke vorm dienen deze zekerheden te worden verschaft en wat zijn de rechten en plichten van partijen als de kredietwaardigheid van een klant gedurende de looptijd van het contract afneemt. In het geval banken betrokken zijn bij de financiering van de terminal zullen deze regels op instigatie van die banken zijn opgesteld. Natuurlijk vormen de bepalingen inzake de facturering en (niet-)betaling van

Natuurlijk kunnen de joint-venture partners de bouw van de terminal zelf bekostigen. Niet ongebruikelijk is dat (een consortium) van banken een dergelijk project financiert, wederom net zoals bij veel andere grote infrastructuurprojecten. Nu de overeenkomsten tussen de terminal (het ‘terminal’bedrijf) en de klanten van de terminal in het algemeen langjarige contracten betreffen weten de deelnemende banken zich verzekert van een zekere en meestal stabiele kasstroom. Nu de terminal als juridisch zelfstandig drager van rechten en plichten ook de rechten op het land heeft, de bouw (EPC) contracten aanging en zich langjarig verzekerd weet van de inkomsten van zijn klanten weten de financiers zich op hun beurt verzekerd van de benodigde (mogelijk te vestigen) zekerheden.


JFV In Casu - maart 2012

Inhoudelijke bijdragen

49

de terminalkosten, die inzake de aansprakelijkheid van de operator dan wel van de klant, die betreffende overmacht en verzekering belangrijke onderdelen in het werk van de betrokken (bedrijfs)jurist. Het behoeft geen betoog dat de regels inzake het toepasselijke recht en die betreffende de geschilbeslechting in de contracten van een LNG terminal met een internationale klantenkring niet eenvoudig overeengekomen zijn. Bijzondere aandacht vergt een bepaling in de GTCs die een eventuele uitbreiding van de terminal regelt. Wat is de positie van de op het moment van een uitbreiding bestaande klanten: hebben zij het recht (pro rata) deel te nemen in de expansie? Hebben zij recht op enige vergoeding als door de bouw van de uitbreiding de â&#x20AC;&#x2DC;origineleâ&#x20AC;&#x2122; terminal enige tijd niet of slechts beperkt operationeel is.

Overige aspecten Het hierboven uiteengezette overzicht heeft geenszins een compleet laat staan een uitputtend karakter. In het geheel geen aandacht is besteed van de regulatoire aspecten van een LNG receiving terminal, de complicaties die een multiple klantenbestand met zich brengen, de mededingingsrechtelijke regels, de invloed die de diverse contracten op elkaar hebben en moeten hebben (stel de bouw loopt vertraging op en de klanten kunnen daardoor later dan gepland hun schepen lossen, mag de klant dan ook later aan vangen met het betalen van zijn fees en mag de operator op zijn beurt de aflossing van zijn leningen uitstellen?) noch werd aandacht besteed aan het feit dat niet alle contracten onderworpen zullen zijn aan hetzelfde toepasselijke recht en de bijzondere aandacht die dat vergt.

Slot Ondanks het met de beperkte omvang van een bijdrage als de onderhavige samenhangende inhoudelijke beperking hoop ik met deze bijdrage de buitengewoon interessante juridische relevante aspecten van de bouw en operaties van een LNG receiving terminal te hebben geĂŻllustreerd.


Mijlpaal in je carriere Je komt ons overal tegen. De paaltjes in het landschap markeren de ligging van onze leidingen. Achter deze paaltjes staat een team van professionals dat er dag in dag uit voor zorgt dat iedereen altijd over aardgas kan beschikken, de schoonste fossiele brandstof van dit moment. Ze markeren eveneens interessante carrièremogelijkheden voor degenen die aan de slag willen in de dynamische wereld van energie.

Ons bedrijf Gasunie is een Europees gasinfrastructuurbedrijf met een van de grootste grensoverschrijdende gastransportnetwerken in Europa. Dat bestaat onder meer uit ruim 15.000 kilometer transportleiding in Nederland en Noord-Duitsland. Wij streven naar de hoogste standaarden op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid, efficiëntie en duurzaamheid en we opereren omgevingsbewust. Onze circa 1.800 medewerkers werken vanuit vestigingen in Nederland, Duitsland en Rusland.

Spil in de Europese gasrotonde We beschikken over een technisch hoogwaardige gasinfrastructuur waarmee we de markt optimaal bedienen.De kwaliteit van deze infrastructuur, de strategische ligging en de vele aansluitingen op internationale gasstromen zorgen ervoor dat ons netwerk het hart vormt van wat de ‘gasrotonde’ van Europa wordt genoemd. Deze gasrotonde breiden we steeds verder uit. Daardoor zijn we er ook in de toekomst van verzekerd dat er voldoende gas naar en in Europa stroomt.

Uitdagende projecten

duurzame energiebronnen zoals zon en wind is afhankelijk van het weer. Elektriciteitscentrales die op aardgas werken, zijn snel en gemakkelijk op en af te regelen en kunnen de schommelingen in het aanbod van zon en wind goed opvangen. Aardgas fungeert daarmee als facilitator van duurzame energiebronnen en vormt een stabiele en flexibele basis voor een duurzame energievoorziening. Bovendien wordt door toevoeging van groen gas, zoals biogas, het aardgas zelf ook steeds duurzamer.

Werken bij Gasunie We zoeken regelmatig ambitieuze nieuwe collega’s met verschillende achtergronden, zoals bijvoorbeeld Economie, Econometrie, Bedrijfskunde, ICT, Techniek en ook Rechten. Voor juristen is werken bij Gasunie een echte uitdaging: juridische zaken wordt in een vroeg stadium betrokken bij al onze bedrijfsactiviteiten en projecten (zoals Gate, Zuidwending en Nordstream). Vrijwel alle rechtsgebieden komen hier aan bod: contractenrecht, energierecht, ondernemingsrecht, bestuursrecht, omgevingsrecht en zakelijke rechten. Heb je belangstelling voor een carrière bij ons bedrijf, kijk dan regelmatig op www.gasunie.nl

We zijn continu bezig met economisch interessante en technisch uitdagende projecten. Zo hebben we een ondergrondse gasopslagfaciliteit bij Zuidwending gebouwd, nemen we deel in de eerste importterminal voor vloeibaar aardgas (LNG) op de Maasvlakte en participeren we in Nord Stream, een 1.200 kilometer lange leiding die loopt van Rusland naar Duitsland. Verder zijn we actief betrokken bij duurzame ontwikkelingen. Het aanbod van

www.werkenbijgasunie.nl


.nl

JFV In Casu - maart 2012

kantoorspecial

51

Kantoorspecial

Baker & McKenzie

B

aker & McKenzie is een groot en internationaal kantoor dat is gevestigd op de Zuidas. Het is het eerste kantoor in Nederland met een multinationaal netwerk en heeft zijn plek hier dan ook zeker veroverd. Hoog tijd om wat meer over dit kantoor te weten te komen. Daarom legden we mevrouw Tjepkema (recruiter bij Baker & McKenzie) enkele vragen voor...

Kunt u iets meer vertellen over de oorsprong van het kantoor en de verschillende vestigingen van Baker & McKenzie? De oorsprong van Baker & McKenzie ligt in 1949. Russell Baker voorzag dé trend van de toekomst: globalisering. De pionier Baker wilde als partner in business zijn cliënten ook buiten de Verenigde Staten juridische diensten verlenen. En zo ontstond het eerste internationale netwerk van toonaangevende advocaten. Vandaag de dag heeft Baker & McKenzie 70 vestigingen in 42 landen. Onze vestigingen bevinden zich in de zakelijke en financiële centra van Europa, het Midden-Oosten, Azië, de Pacific en Noord- en Zuid-Amerika. In 2011 werden er in de Verenigde Arabische Emiraten, Luxemburg en Istanbul nieuwe Baker & McKenzie kantoren geopend om onze cliënten optimaal te kunnen bedienen. Alle Baker & McKenzie-kantoren hebben een sterke nationale autonomie. En omdat we gebruik kunnen maken van onze internationale verbondenheid, zijn wij als geen ander in staat om grensoverschrijdende projecten uit te voeren. ‘Think global, act local’ is voor Baker & McKenzie een belangrijke realiteit.

Kunt u iets meer vertellen over de Nederlandse vestiging en de verschillende praktijkgroepen? Baker & McKenzie Amsterdam was het eerste advocatenkantoor in Nederland met een multinationaal netwerk (1957) en het eerste kantoor met een geïntegreerde civiele- fiscale en notariële praktijk. Baker & McKenzie Amsterdam maakt het verschil door de manier waarop wij denken, werken en handelen. Met onze innovatieve, praktijkgerichte en volledig geïntegreerde

werkwijze ondersteunen wij multinationals in binnen- en buitenland bij het benutten van kansen, minimaliseren van risico’s en het oplossen van juridische én fiscale vraagstukken. Praktijkgroepen: • Banking & Finance • Commercial, Regulatory & Trade • Corporate • Employment Law • Litigation • Tax

Zou u iets willen vertellen over de mensen die werken bij Baker & McKenzie? Hoeveel mensen zijn er werkzaam? Wat typeert de mensen op uw kantoor? Baker & McKenzie-medewerkers zijn verschillend, maar één ding hebben ze gemeen: ze zijn open-minded. En dat begint vaak bij onderling helder communiceren. Open deuren, gelijke kansen, een gezonde dosis humor, enthousiasme en informele omgangsvormen, dat kom je tegen bij Baker & McKenzie. Momenteel zijn er ongeveer 320 mensen werkzaam bij Baker & McKenzie Amsterdam, waarvan ongeveer 200 advocaten, fiscalisten, notarissen en economen. Het kantoor telt 42 partners.

Waarom zouden studenten voor werken op een internationaal kantoor – zoals Baker & McKenzie – moeten kiezen en niet voor werken op een Nederlands kantoor? Werken bij een groot internationaal kantoor heeft meerdere voordelen. Zo werk je binnen een groot internationaal netwerk. Juist door dat internationale

karakter van een kantoor - zoals Baker & McKenzie - kun je zowel lokale als internationale ervaring opdoen. Je werkt aan grensoverschrijdende projecten in nationale én internationale teams. Het werken in teams geeft je de mogelijkheid collega’s ook echt goed te leren kennen. Dit kan een collega op kantoor Amsterdam zijn, maar dus ook een collega in Noord-Amerika of Azië.

Wat maakt het werk bij Baker & McKenzie anders dan bij andere (internationale) kantoren in Nederland? We dagen je uit om je van je beste kant te laten zien. Veelbelovende advocaten, notarissen, fiscalisten en economen starten bij Baker & McKenzie in één van onze gespecialiseerde secties. Je maakt dus meteen kennis met de praktijk. Vanaf het begin van je carrière bij ons kantoor werk je aan belangrijke, internationale dossiers. De werkwijze van Baker & McKenzie is uniek, want onze advocaten, fiscalisten, notarissen en economen werken altijd in teamverband. En dat doen we grensoverschrijdend, nationaal én internationaal, in samenwerking met 70 kantoren in 42 landen. Zo leer je van elkaar en doe je ervaring op in de breedste zin van het woord.

Hoe gaat een sollicitatie­ procedure bij Baker & McKenzie in z’n werk? En wat zijn de mogelijkheden met betrekking tot studentstages? Wat zijn hierbij de selectiecriteria? De sollicitatieprocedure voor advocaatstagiaires, fiscalist-stagiaires, kandidaatnotaris-stagiaires en economen/analisten begint met het opsturen van je CV, motivatiebrief, cijferlijsten en eventuele stage-


kantoorspecial

JFV In Casu - maart 2012

52

beoordelingen. Dit kunnen sollicitanten via onze website (www.eenwereldbaanbijbaker.nl) doen. Hier zijn al onze vacatures te vinden en bieden we ook de mogelijkheid tot het doen van een open sollicitatie. Het kan namelijk zijn dat hoewel er geen vacature openstaat bij de sectie waar jij interesse in hebt, we je wel uitnodigen voor een gesprek en je (binnen korte tijd) toch kan starten! Daarom raden we iedereen altijd aan toch een open sollicitatie te sturen en vooral niet te denken dat kantoren deze niet serieus in behandeling nemen. Als selectiecriteria kijken we naar welke master je hebt gedaan, of je minimaal een 7,5 hebt behaald voor je master en of je (student)stages hebt gelopen en wat hiervan de beoordeling was. Ook kijken we naar je nevenactiviteiten en vinden we het interessant als je een actief studentenleven hebt gehad. Als je solliciteert naar een studentstage kijken we ook naar je cijfers en nevenactiviteiten, maar stellen we uiteraard minder hoge eisen. Vervolgens krijg je van ons bericht of je wordt uitgenodigd voor een gesprek met recruitment. Als je een uitnodiging krijgt zul je eerst een capaciteitentest maken bij ons op kantoor. Aansluitend heb je een gesprek met één of twee recruiters. De uitslag van de capaciteitentest krijg je direct na het gesprek, we streven er ook naar je dan meteen te laten weten of je doorgaat in de sollicitatieprocedure. Wanneer de sollicitant en de recruiter positief zijn over de eerste ronde, word je voorgesteld aan de sectie welke jouw voorkeur heeft. Overigens hebben wij geen sectiewissel, dus het is van belang dat je een (sterke) voorkeur hebt voor een bepaalde sectie.

Vervolgens heb je één of twee ge­sprek­ken met een partner en/of medewerker van deze sectie. Daarna heb je nog een gesprek met een ‘hiring’ partner. Dat is een partner van een andere sectie als waar jij voor ‘in de race’ bent, om zo een zo objectief mogelijk beeld van de kandidaat te vormen. Tenslotte vindt nog een assessment plaats bij een extern bureau, waarbij gekeken wordt naar de persoonlijkheid en competenties van de kandidaat en waar een (inhoudelijk) advies wordt geschreven. Indien positief, volgt na al deze rondes dan snel een aanbod! Het lijkt allemaal veel en dat is het ook zeker, maar deze stappen kunnen allemaal snel na elkaar plaatsvinden, waardoor jouw sollicitatie niet wekenlang hoeft te duren.

Baker & McKenzie. Zo organiseren we inhousedagen en kantoorbezoeken, gaan we naar bedrijvendagen, banenmarkten en carrièrebeurzen en doen we mee aan Best Graduates. Tenslotte hebben we jaarlijks onze tweedaagse Corporate én Tax Course, voor studenten in de eindfase van hun studie. Genoeg mogelijkheden om ons kantoor en onze mensen te leren kennen! Op onze site vermelden we welke events op de kalender staan én kun je je te zijner tijd aanmelden voor onze courses.

Wij zijn altijd op zoek naar enthousiaste en gedreven student-stagiaires die in hun derde of vierde jaar van hun studie Rechten of Fiscale Economie zitten. Wij bieden je de kans om 6-8 weken volledig mee te draaien in een van onze uitdagende praktijken. Je bent werkzaam binnen het gehele spectrum van de desbetreffende sectie waardoor je uitgedaagd wordt je kennis creatief in te zetten waardoor je brede ervaring opbouwt. Je collega’s binnen de sectie dragen zorg voor een intensieve begeleiding. Waar mogelijk ga je mee naar cliënt meetings. Gedurende jouw stage kun je ervaren hoe het is om te werken in een internationale omgeving en tegelijkertijd krijg je de kans de mensen binnen Baker & McKenzie te leren kennen en de sfeer te proeven. Uiteraard krijg je een ruime stagevergoeding en ben je welkom bij de vele borrels, sectie uitjes en andere sociale evenementen.

Heeft u nog opmerkingen of mededelingen?

Heeft u tips of adviezen voor de huidige rechtenstudenten? Wij raden studenten aan zeker één of meerdere stages te lopen tijdens hun studie. Zo kun je al ontdekken of de advocatuur bij je past en heb je ook een streepje voor tijdens je sollicitatie. Je hebt dan al enige kennis van de advocatuur en het werken op een kantoor en kun je je motivatie voor de advocatuur goed onderbouwen.

Houd goed onze website in de gaten voor als je mee zou willen doen met onze Corporate of Tax Course, welke op het programma staan voor dit voorjaar! Je kunt hier binnenkort alle informatie vinden over het programma en de inschrijvingsmogelijkheden.

Wil je meer weten over Baker & McKenzie? Ga dan naar www.eenwereldbaanbijbaker. nl of neem contact op met Denise Tjepkema (recruiter) of Florentine de Monchy (recruiter): Denise.Tjepkema@bakermckenzie.com of via 020-5517188, Florentine.deMonchy@bakermckenzie. com of via 020-5517187.

Welke kennismakings­mogelijk­ heden biedt Baker & McKenzie verder gedurende het jaar? Gedurende het hele jaar zijn er momenten waarop je kennis kunt maken met

104


Ben jij mens genoeg voor een wereldbaan bij Baker? Bij een van de meest internationale advocatenkantoren ter wereld werken bijzonder getalenteerde advocaten, fiscalisten en notarissen. Intelligent, gemotiveerd, ambitieus… én ook menselijk en met veel inlevingsvermogen. In onze praktijk draait ’t namelijk om mensen: zowel de mensen waarmee je

werkt in teamverband als de cliënten uit binnen- en buitenland met wie je intensief contact onderhoudt. Dat maakt je werk bij Baker & McKenzie Amsterdam tot meer dan zomaar een baan. Ben jij mens genoeg voor een wereldbaan bij Baker & McKenzie? Ga dan naar www.eenwereldbaanbijbaker.nl

EENWERELDBAANBIJBAKER.NL

1048.19.014 WT Advertentie A4-2.indd 1

11/6/09 6:10 PM


JFV In Casu - maart 2012

kantoorspecial

54

Kantoorspecial

Trip Advocaten & Notarissen Door Anne Meijer en Bram Zwagemakers

E

en lange reis was ons gespaard gebleven toen we werden ontvangen door manager bedrijfsvoering Michiel Hoek en advocaat-stagiair Constantijn de Lange op het kantoor in Groningen. In het recent verbouwde pand aan de Hereweg, net buiten de ring, kregen we de kans om onze vragen te stellen.

In het kort Trip is het grootste kantoor van NoordNederland en is verdeeld over Groningen, Assen en Leeuwarden. Men richt zich hoofdzakelijk op ‘grote’ zakelijke klanten en in mindere mate op particulieren. Trip bedient alle rechtsgebieden behalve het strafrecht. Ondernemingsrecht vormt de grootste praktijk. Er zijn rond de tachtig juristen en bedrijfsadviseurs werkzaam, waarvan circa dertig advocaten in Gro­ ningen. Trip haalt consequent een hoge score in de top 100 van het klanttevredenheidsonderzoek van zakenblad Incompany. Trip is een groot kantoor en ziet zaken waarin zij de belangen van hun klanten behartigen regelmatig terugkomen in het nieuws. Er gebeurt veel in het noorden van het land en vaak maakt Trip daar deel van uit.

Advocaat-stagiair bij Trip Constantijn de Lange vertelt ons over zijn ervaringen na zijn eerste maanden als advocaat-stagiair. Zo vertelt hij ons dat het bij Trip essentieel is hoe je in je werk opereert en met je collega’s omgaat. Dat is natuurlijk overal het geval, maar tijd nemen voor het beantwoorden van vragen van elkaar, met name als je nog niet zoveel ervaring hebt, is wat men hoog in het vaandel heeft staan. Kwaliteit is de

hoofdzaak, daarom krijg je de tijd en de ruimte om jezelf te ontwikkelen. Het is belangrijker dat wat je doet goed is dan dat de nadruk op een hoge productiviteit ligt. Constantijn vindt het erg prettig dat je vanaf het begin af aan je eigen verantwoordelijkheden hebt bij Trip. Zo heb je in korte tijd al een aardig pakket dossiers op je eigen naam staan. Binnen je stage word je in contact gebracht met ieder rechtsgebied, zodat je je breed kan oriënteren. Als advocaat-stagiair werk je voor cliënten van de begeleidende partner. Op wekelijkse basis is er een overleg met de partner en sta je uiteraard constant met hem in verbinding. Maar je hebt ook je ‘eigen’ cliënten, waar alle verantwoordelijkheden – zowel zakelijke en inhoudelijke, als het binden van die cliënten – voor rekening van de advocaat-stagiair komen. Er is veel contact met de kantoren in Leeuwarden en Assen. Men zoekt elkaar op. Als advocaat-stagiair wordt dan ook van je verwacht dat je jezelf introduceert bij de collega’s op de andere kantoren. Maar het gaat verder dan dat; er is onderling veel belangstelling ten aanzien van lopende zaken en het werk bij de andere kantoren. Nadat Constantijn zijn studie Economische Geografie had afgerond, besloot hij om rechten te gaan studeren. Met een interesse in vastgoedkunde is dat uiteraard

Constantijn de Lange

een interessante combinatie. Hij schreef echter zijn scriptie over intellectueel eigendomsrecht en bij Trip ligt zijn aandacht voornamelijk op arbeidsrecht en bestuursrecht. Buiten zijn studie was hij ook actief. Hij had interesse in politiek, deed commissiewerk bij de studievereniging van ruimtelijke wetenschappen (Ibn Battuta) en nam deel aan meerdere pleitwedstrijden van Diephuis. Bij Trip komen verschillende typen stu­­ den­ten binnen. Zo is er een deel dat jong


JFV In Casu - maart 2012

kantoorspecial

55

Michiel Hoek afstudeerde en alles snel heeft doorlopen, maar er zijn ook mensen als Constantijn die weliswaar wat ouder zijn als ze binnenkomen, maar eerst wat anders hebben gedaan en een bredere achtergrond dan slechts die van het recht hebben. Wat de mensen van Trip volgens Michiel Hoek gemeen hebben, is een grote passie voor het recht en dan vooral voor ingewikkelde zaken met grote belangen. Anderzijds is men zich er bij Trip erg van bewust dat het recht een middel is, en geen doel op zich. Soms is het beter te zoeken naar een praktische oplossing van een probleem en is een rechtsgang niet nodig. We vragen hoe Trip aankijkt tegen het feit dat de Randstad voor veel studenten een soort beloofde land is en de student liever het noorden links laat liggen na hun studie. Volgens Michiel Hoek doet Trip noch in de cliënten die ze bedienen, noch in de geboden kwaliteit onder voor de kantoren in het westen. Ook in het noorden zitten grote bedrijven en instellingen, denk bijvoorbeeld aan het Groningse havengebied. Natuurlijk is er vaak wel een verschil in de omvang van zaken of de belangen, maar daar staat volgens Hoek tegenover dat je bij Trip veel eerder je eigen zaken krijgt en je eigen praktijk opbouwt, in plaats van op de achtergrond mee te draaien in de praktijk van een partner. Trip richt zich volgens Hoek op kwaliteit van dienstverlening voor de klant. Op de website lezen we dat bij Trip grote gebaren, moeilijke woorden of juridische tovenarij

achterwege blijven, en gekozen wordt voor een pragmatische, zakelijke aanpak van problemen, altijd vanuit de gedachte dat voorkomen beter is dan genezen. Volgens Hoek koppelt Trip passie en gedrevenheid aan pragmatisme en typisch noordelijke nuchterheid. Na een bezoek aan het kantoor kan je niet anders dan concluderen dat Trip niet onderdoet voor de namen die we uit de Randstad kennen. Er worden hoge eisen gesteld aan haar medewerkers en kwaliteit is het hoofddoel. Wanneer je rondloopt op het kantoor oogt de sfeer open en loopt men gemakkelijk bij elkaar binnen.

Stagelopen bij Trip Trip biedt jaarlijks drie stageplekken voor studenten aan, waarvan twee in Groningen en één in Leeuwarden. Trip probeert stagiairs kennis te laten maken met alle

rechtsgebieden. Je bent niet slechts jurisprudentie aan het uitzoeken, maar ook wordt je mening gevraagd over lopende procedures. Ieder jaar in maart organiseert Trip de Talentendag. In deze business course wordt dan een casus aan de deelnemende studenten voorgelegd die in een team als adviseur van een cliënt optreden. Dit gebeurt op basis van een eigen zaak uit de praktijk van Trip. Verder organiseert Trip een aantal activiteiten voor studenten, waaronder sollicitatietrainingen en tentamentrainingen. Voor meer informatie kijk op www.triplaw.nl of www.kijkjeindekeukenbijtrip.nl.


”En masse naar de Zuidas? Of heb jij het kaliber voor de Noordas?”

De Zuidas, magisch centrum voor afgestudeerden in de rechten. Alle kantoren van naam bij elkaar. Daar wil je bij horen. Geen wonder dat elk jaar alle Groninger rechtenstudenten kudde-gewijs naar het westen trekken. Alle? Bijna alle. Gelukkig zijn er een paar die beter weten, die slimmer zijn, die beseffen waarom ze in het Noorden zijn gaan studeren. Zij kiezen voor de Noordas, die loopt van Leeuwarden via Drachten naar Assen en Groningen. Ook daar is het werk uitdagend. Ook daar krijg je gerenommeerde bedrijven als klant. Maar het grote verschil is dat jouw talent bij ons eerder opvalt en je sneller met beslissers aan tafel zit. Ben jij zo’n talent, dan ben je dus welkom bij Trip Advocaten & Notarissen.

www.triplaw.nl 18370039_TRIP_Adv NoordAs_210x297.indd 1

Groningen | Assen | Drachten | Leeuwarden

OVERTUIGEND 08-02-2008 14:37:21


:37:21

JFV In Casu - maart 2012

Kantoorbezoekverslag

57

Kantoorbezoekverslag

Boekel De Nerée Amsterdam, 16 december 2011 Geschreven door Wouter Heijbroek, Maartje de Rond en Marjon Schlimbach

O

p vrijdag 16 december was het grote moment daar... Het allereerste kantoorbezoek van de ISP-deelnemers! Nog enigszins slaperig, maar vol goede moed vertrokken we ’s ochtends vroeg naar de Zuidas in Amsterdam. Boekel De Nerée kreeg de eer toebedeeld het spits af te bijten. Het beloofde een leuke, interessante dag te worden. Boekel De Nerée is een Amsterdams kantoor van origine en telt 300 medewerkers, van wie 150 juristen. De advocaten en notarissen zijn thuis in alle commerciële rechtsgebieden met een accent op ondernemingsrecht, vastgoed en arbeidsrecht. Ze behoren tot de Nederlandse top op het gebied van zakelijke juridische dienstverlening en hebben sinds september 2010 ook een vestiging in Londen. De mentaliteit van het kantoor is open minded en to the point.

Na een vriendelijk onthaal van recruiter Charlotte de Mos, begon de dag met een inhoudelijk gedeelte onder leiding van notaris Aart van Velten. Centraal stond hierbij het thema energierecht, met in het bijzonder de problematiek omtrent eigendom van kabels en leidingen. Als notaris is hij betrokken bij de registratie en overdracht van kabels en leidingen. Na een korte introductie over hoe het vroeger geregeld werd, waagde hij een poging om uit te leggen hoe het nu zit met de eigendomsrechten van de kabels. Dankzij hem werd voor velen al een stuk duidelijker wat er allemaal onder het energierecht valt en hoe men dit tegenwoordig regelt ten aanzien van de overdracht van de ondergrondse kabels. Het imposante Viñoly-gebouw waarin Boekel De Nerée is gevestigd kreeg vervolgens de aandacht. In deze rondleiding kregen we onder andere de mooie vergaderzaal op de vijfde verdieping te zien en de uitgebreide bibliotheken van elke sectie. Gedurende de hierop volgende lunch hadden we de mogelijkheid om met enige medewerkers te praten. Jos Gielen, advocaat binnen de praktijk EU & Competition, stond na de lunch klaar om van alles te vertellen over zijn ervaringen en kennis die hij heeft opgedaan. Hij is enige jaren werkzaam geweest bij de Energiekamer van de NMa. De Energiekamer houdt toezicht op de, sinds kort geliberaliseerde, ener-

giemarkt. Door deze liberalisering zijn er veel meer aanbieders van stroom. De Energiekamer zorgt ervoor dat de energiemarkt goed werkt en ziet er op toe dat er geen misbruik van machtposities wordt gemaakt en verboden afspraken worden gemaakt. De kantoorpresentatie werd gegeven door Charlotte en Merel Hees. Zij waren erg benieuwd wat voor vragen wij specifiek hadden, zodat zij hier rekening mee konden houden en deze alvast konden beantwoorden. Boekel De Nerée verzorgt voor vele instellingen en groepen kantoorbezoeken. Charlotte en Merel zijn actief betrokken bij het presenteren van het kantoor en willen er voor zorgen dat de ‘open minded’ sfeer bij anderen goed overkomt. Dit laat namelijk goed zien hoe Boekel De Nerée werkt en hoe collega’s met elkaar omgaan. Ze benadrukken dan ook dat het kantoor vele activiteiten naast het werk organiseert en dat het voor iedereen mogelijk is om met andere collega’s te sporten. Het contact met je collega’s buiten je werk om, is volgens hen een belangrijk punt waarop Boekel De Nerée zich differentieert van andere kantoren. Boekel De Nerée biedt twee soorten stages aan. Zo richten ze zich op een voltijd student-stage en geven ze de mogelijkheid om als werkstudent aan de slag te gaan. Bij een stage word je goed begeleid en maak je kennis met je toekomstige werkzaamheden. Door de open en informele

werksfeer zal het een leuke tijd worden en bovendien neem je deel aan kantooractiviteiten, ga je mee naar besprekingen met cliënten en woon je zittingen bij. In eerste instantie duurt een stage twee maanden, maar andere periodes of combinaties zijn altijd bespreekbaar. Als werkstudent werk je meestal twee tot drie dagen per week. Ook is het mogelijk de andere dagen je scriptie te schrijven op kantoor. Daarbij kun je gebruik maken van de bibliotheek en de kennis van je collega’s. Het werd aangeraden eerst stage te lopen alvorens als werkstudent aan de slag te gaan. Speeddaten stond als laatste punt op de agenda. Elk groepje kreeg een kwartier de tijd om met een van de advocaat-stagiaires en medewerkers te ‘daten’. Ofwel een vragenkanon af te vuren over alles wat jij wilde weten over het juridische leven. Onder andere met Annemarie Roukema, zij heeft ook in Groningen gestudeerd en vertelde dan ook graag hoe zij bij Boekel De Nerée terecht is gekomen. Opvallend was dat de interesse in rechtsgebieden tijdens de studie niet altijd hetzelfde blijft in de praktijk. Annemarie heeft namelijk privaatrecht als Master gekozen, maar specialiseert zich nu in het bedrijfsrecht en arbeidsrecht. Het staat buiten kijf dat het eerste kantoorbezoek van het ISP een succes was! We willen Boekel De Nerée, in het bijzonder Charlotte de Mos, bedanken voor de interessante dag en goede zorgen.


JFV In Casu - maart 2012

Congresbijlage

58

Congresbijlage

Apple versus Samsung

D

e zaak Apple versus Samsung; het strijdtoneel van twee van de grootste spelers op de elektronicamarkt. In deze zaak, die door Apple is aangespannen, draait het om de vraag of er inbreuk op de rechten van Apple wordt gemaakt. Samsung claimt dat de ontwerpen van onder andere zijn nieuwste Tablet genoeg onderscheidend zijn van de concurrent, de iPad. De rechter oordeelt op dezelfde wijze en meent dat er geen inbreuk wordt gemaakt op de patenten van Apple.

Dit is maar een voorbeeld van de vele zaken met betrekking tot intellectuele eigendom die dagelijks het nieuws beheersen. De technologie staat voor niets, steeds innovatievere producten veroveren een plekje in onze maatschappij en ons menselijk brein staat nooit stil. Op elk moment van de dag worden nieuwe ideeën vorm gegeven en worden op verschillende wijzen nieuwe producten gecreëerd. Het creëren van deze nieuwe producten werpt veel vragen van bescherming op. Hoever mag een concurrerende producent gaan bij de ontwikkeling van een vergelijkbaar product? Hoe staat het met de bescherming als de producten de nationale grenzen over gaan? En hoe ver mag je zelf eigenlijk gaan totdat het gebruik van andermans ideeën en producten leidt tot misbruik?

Dekkers in haar spraakmakende zaak tegen Sapph. Na het plenair gedeelte zal er een lunch worden geserveerd terwijl je uitkijkt op één van de mooiste ‘producten’ van Groningen: het veld van FC Groningen. Gedurende twee workshoprondes nemen verschillende kantoren je nog verder mee de diepte in van de intellectuele eigendom en is er veel ruimte voor interactie. Als afsluiting van deze dag kan er op de borrel nog even worden nagepraat om vervolgens te genieten van een heerlijk diner in de stad. Wil jij ontdekken waar de grenzen van de intellectuele eigendom precies liggen? Twijfel niet en schrijf je in! Wij zien je graag op 26 april 2012 tijdens het Groninger Juristen Congres. Namens de congrescommissie 2011-2012,

Op donderdag 26 april 2012 wordt de vaak dunne scheidingslijn tussen illegale praktijken en wettelijke rechten aangegeven. Tijdens het 22ste Groninger Juristen Congres maak je kennis met alles wat de bruisende praktijk van de intellectuele eigendom te bieden heeft. Ons thema luidt: ‘Fake it or Create it: de grenzen van de intellectuele eigendom’. Het congres vangt dit jaar aan met een plenair gedeelte in de Wolffbioscoop Euroborg. Verschillende sprekers wijden je (verder) in over de grenzen van intellectuele eigendom. Zo zal onder andere prof. mr. Ch. Gielen komen spreken. Hij stond Samsung bij in de bovengenoemde zaak en was tevens advocaat van Marlies

Charlotte Rozendaal Voorzitter


JFV In Casu - maart 2012

Congresbijlage

59

Congresbijlage

Eenmaal, andermaal, boete! Door Mr. S.J.M. van Kuppeveld*

i

n 2011 heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (‘NMa’) verschillende kartels beboet: het wasserijkartel, inzamelaars van scheepafval en de glazenwassers. Ook heeft de NMa in de laatste week van dat jaar torenhoge boetes uitgedeeld aan huizenhandelaren die actief zijn op executieveilingen. Bij dit laatste onderzoek van de NMa zal ik in deze ­bijdrage uitgebreid stil staan. Allereerst schets ik het juridisch speelveld waarbinnen de NMa ­opereert. Vervolgens ga ik in op de werking van executieveilingen in Nederland. Ik sluit af met een korte beschrijving van het onderzoek van de NMa naar misstanden op executieveilingen.

Juridisch speelveld NMa Kartelverbod In artikel 6 van de Mededingingswet (‘Mw’) is het kartelverbod opgenomen. Lid 1 van dit artikel luidt als volgt: ‘Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.’ Artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (‘VWEU’) is een equivalent van dit artikel. Het verbod houdt in dat gedragingen tussen ondernemingen die de mededinging beperken niet zijn toegestaan. In het mededingingsrecht is een onderneming iedere entiteit die een economische activiteit verricht.

Het kartelverbod ziet zowel op horizontale overeenkomsten tussen ondernemingen als op verticale overeenkomsten. Van een horizontale overeenkomst is sprake wanneer ondernemingen actief zijn op hetzelfde niveau van het productie- of distributieproces (concurrenten). Soms beogen een aantal ondernemingen tezamen de con­currentie te beperken door bijvoorbeeld prijsafspraken te maken, de markt te verdelen of het nieuwkomers op de markt moeilijk te maken. De intentie van de ondernemingen is daarbij niet relevant. Een verticale overeenkomst heeft betrekking op ondernemingen die actief zijn in verschillende stadia van de productie- distributieketen. Denk hierbij aan de ­situatie dat een producent met zijn ­leverancier afspraken maakt over prijzen of de te beleveren markt.1 Onderzoek en handhaving In Nederland is de Nederlandse Mededingingsautoriteit (‘NMa’) bevoegd toezicht

te houden op naleving van de Mw. Om dit toezicht te kunnen uitoefenen heeft de NMa onderzoeksbevoegdheden toebedeeld gekregen.2 Wanneer sprake is van een vermoeden van een overtreding van de Mw dan heeft de NMa op grond van deze bevoegdheden de mogelijkheid bewijs­ materiaal te verzamelen. Zo zijn ambtenaren van de NMa bevoegd een inval te doen bij een onderneming. Bij een inval kan naast schriftelijk bewijs ook digitaal bewijsmateriaal meegenomen worden. Denk hierbij aan een kopie van een emailbox of harde schijf. Ook zijn zij bevoegd zonder toestemming van de bewoner privé-woningen te doorzoeken. Ten slotte kunnen zij mondelinge en schriftelijke verklaringen afnemen. In voorkomende gevallen komt het voor dat een lid van een kartel uit de school klapt richting de NMa. Wanneer de NMa een verklaring die in dat kader wordt afgelegd van grote waarde acht, dan krijgt deze ‘klikker’ clementie. In ruil voor zijn verhaal krijgt hij

* Suzan van Kuppeveld is advocaat bij BANNING N.V. te ’s-Hertogenbosch en is gespecialiseerd in Mededingingsrecht.


Congresbijlage

JFV In Casu - maart 2012

60

geen boete of een korting op zijn boete.3 Het zijn niet altijd ondernemingen die uit de school klappen. Dit kunnen ook medewerkers zijn. In december 2011 heeft de NMa een inval gedaan bij KPN. De NMa verdenkt een aantal telecomaanbieders van het maken van prijsafspraken. De NMa heeft de invallen verricht naar aanleiding van verklaringen van klokkenluiders. Deze klokkenluiders zijn naar verluid een directeur en een oud-directeur van één van de aanbieders. Als sprake is van een overtreding van de Mw is de NMa onder meer bevoegd boetes op te leggen aan ondernemingen.4 Deze boete kan maximaal EUR 450.000,bedragen of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming. De uit­ eindelijke boete wordt ­berekend aan de hand van de betrokken omzet en de duur van de overtreding.5 Naast het opleggen van een boete aan een onderneming heeft de NMa sinds 2007 de mogelijkheid persoonlijke boetes op te leggen aan feitelijk leidinggevenden en opdrachtgevers bij een overtreding. Hieronder vallen niet alleen directeuren, maar ook andere werknemers die persoonlijk betrokken zijn geweest bij de overtreding. De hoogte van de persoonlijke boete is maximaal EUR 450.000,- per werknemer. De NMa heeft inmiddels al persoonlijke boetes opgelegd die liggen tussen de EUR 50.000,- en EUR 350.000,-

De executieveiling Achtergrond Naar aanleiding van berichten in de media verrichtte de NMa reeds in 2005 onderzoek naar verboden afspraken bij ­

executieveilingen. Voor een goed begrip van de zaak is van belang de achtergrond en gang van zaken op een executieveiling te schetsen. Op een executieveiling worden panden geveild in opdracht van een schuldeiser, in de meeste gevallen is dit een hypotheek­houder. Een hypo­ theekhou­der is be­voegd tot executoriale verkoop over te gaan op het moment dat de schuldenaar zijn ver­plichtingen niet nakomt. Voor een bank is dit meestal het laatste redmiddel om de openstaande schuld te incasseren. In Nederland worden jaarlijks ongeveer 200.000 woningen verkocht. In 2008 werden daarvan 1779 woningen op exe­ cutieveilingen geveild.6 Sinds 2006 vinden in Nederland regioveilingen plaats. De veilingen worden bijgewoond door vele tientallen, soms wel honderden huizenhandelaren. Daarnaast zijn andere geïnteresseerden zoals banken, make­ laars en particulieren aanwezig. Tijdens een veiling worden tientallen panden geveild. De gang van zaken op de veiling is vast­gelegd in de Algemene Veiling Voorwaarden 2006 (‘AVVE’). De panden die op een veiling worden geveild staan op internet7, het is niet mogelijk de panden vooraf te bezichtigen.8 De afslager, veelal een notaris, heeft de leiding tijdens de veiling. Gang van zaken Grofweg verloopt een executieveiling in twee fasen: een inzetfase en de afslag. De afslager, veelal een notaris, heeft de leiding tijdens de veiling. Bij de inzetfase wordt de bodemprijs van een pand gelegd. Dit gebeurt door bieden bij opbod. De hoogste bieder bij opbod heeft recht op de inzetpremie. Deze bedraagt 1% van het inzetbedrag en dient als prikkel voor de aanwezigen om te bieden. Direct na de inzetfase vindt de afslag, oftewel de afmijnfase plaats. Tijdens deze fase start de afslager op een bedrag dat hoger ligt dan het bedrag dat is bepaald tijdens de i­nzetfase. Vervolgens roept hij een steeds lager wordend bedrag af. Degene die het eerste ‘mijn’ roept wordt in prin-

cipe ­eigenaar van het pand. De verkoper van het pand heeft namelijk het recht te bepalen of hij gunt of niet. Op het moment dat de verkoper de totstandgekomen prijs te laag vindt, kan hij beslissen niet te gunnen. Wanneer de verkoper gunt, komt een koopovereenkomst tot stand. Het kopen van een pand op een veiling is niet zonder risico’s of kosten. Uit de AVVE 2006 volgt dat de kosten die gepaard gaan met het aankopen van een pand op de worden gedragen door de koper.9 In ­voorkomende gevallen bedragen deze kosten meer dan 10% van het aankoopbedrag. Daarnaast is de koper vanaf het moment van gunning aansprakelijk voor vernielingen, beschadigingen en p ­ lunderingen.10 Een groot aantal risico’s wordt weggenomen door het ‘Wetsvoorstel ter verbetering van de executoriale verkoop van onroerende zaken’.11 Daarnaast komen de kosten van de veiling met inwerking­ treding van het wetsvoorstel voor rekening van de verkopende partij. Ook maakt dit wetsvoorstel het mogelijk dat de veiling (deels) plaatsvindt via internet.

Onderzoek NMa naar executieveilingen Aanleiding Na het onderzoek in 2005 constateert de NMa geen concrete overtreding van het kartelverbod. Destijds heeft de NMa geadviseerd om in het vervolg regionale veilingen te organiseren waardoor het concurrentieproces wordt versterkt en een eventueel risico op samenspanning wordt verkleind. Zoals hierboven omschreven worden sinds 2006 dergelijke veilingen georganiseerd. Het is dan ook opmerkelijk dat de NMa in 2009 wederom een onderzoek start naar mogelijke misstanden op executieveilingen in Nederland. De NMa heropende het onderzoek naar eigen zeggen nadat de Belastingdienst i­ nformatie aan de NMa had ­overgedragen. In oktober 2009 start de NMa haar o ­ nderzoek met een reeks invallen bij een tiental h ­ andelaren. Ook werden vele betrokken partijen gehoord (naast h ­ andelaren ook banken en makelaars). Boetes Het sluitstuk van een onderzoek van de NMa is het rapport. In het rapport schetst


JFV In Casu - maart 2012

Congresbijlage

61

de NMa haar bevindingen en stelt zij zich al dan niet op het standpunt dat de betrokken onderneming wordt verdacht van een overtreding van de Mw. Op 27 april 2011 ontvingen 15 handelaren een rapport van de NMa. In dit rapport is uiteengezet dat de handelaren worden verdacht van het maken van kartelafspraken in de periode juni 2000 tot december 2009. De kartel­ afspraken zouden zien op het afstemmen van het biedgedrag, het ­onderling ­coördineren van de veiling en het ­organiseren van ­zogenaamde heimelijke naveilingen. Na het uitbrengen van het rapport heeft een fase van hoor en wederhoor plaats­ gevonden. Op 23 december 2011 heeft de NMa een besluit genomen. De NMa stelt hierin vast dat de handelaren artikel 6 Mw hebben overtreden en legt per handelaar een boete van EUR 450.000,op. Vervolg Met het opleggen van voornoemde boetes lijkt de kous nog niet af te zijn. In oktober 2011 heeft de NMa een tweede groep handelaren een rapport toegestuurd. Daarnaast loopt het onderzoek naar ­ andere handelaren nog. De eerste groep handelaren heeft inmiddels bezwaar gemaakt tegen het besluit van de NMa. De vraag is of de tweede groep boetes krijgt opgelegd van dezelfde orde van grootte en of de boetes die aan de eerste groep zijn opgelegd in rechte stand houden.

1 In Verordening (EU) nr. 3310/2010 (groepsvrijstelling) en de Richtsnoeren inzake verticale beperkingen is opgenomen onder welke omstandigheden ondernemingen afspraken mogen maken. 2 Deze bevoegdheden zijn opgenomen in hoofdstuk 6 Mw. Daarnaast is titel 5.2 van de Algemene Wet Bestuursrecht (‘Awb’) van toepassing. 3 Zie beleidsregels Clementie van de NMa. 4 Zie artikel 56 e.v. Mw. 5 Zie artikel 57 Mw en de boetebeleidsregels van de NMa. 6 Zie het Consultatiedocument dat de NMa uitbracht in november 2009. 7 Bijvoorbeeld www.veilingnotaris.nl. 8 Zie artikel 3:267 BW. Een bezichtiging kan slechts plaatsvinden wanneer de bank het beheersbeding inroept. Het gevolg is dat de bank in dat geval ook verzekeringen dient af te sluiten en noodzakelijk onderhoud moet uitvoeren. Het inroepen van het beheersbeding slechts voor een bezichtiging gebeurt niet in de praktijk. 9 Artikel 9 AVVE. Denk aan overdrachtsbelasting, honorarium notaris, inzetpremie, kosten zaalhuur, afslagersloon, advertentiekosten. 10 Artikel 8 lid 1, artikel 18 lid 1 en artikel 19 lid 4 AVVE 2006. Bij onderhandse verkoop gaan de risico’s over bij het tekenen van de koopovereenkomst. Bij executoriale verkoop gaan de risico’s over na gunning. 11 Op 25 maart 2010 is het concept wetsvoorstel en de ontwerp toelichting gepubliceerd. De consultatiefase is inmiddels voorbij.


Ontmoet ons op het Groninger Juristen 2012, Congres op 26 april of meld je aan voor idonze Kennismakingsm ! dag op 27 april 2012


â&#x20AC;&#x153;Advocaat. Raadsman. Jurist.

Adviseur. Pleitbezorger. Verdediger. Pleiter. Meester. Raadsvrouwe. Rechtsgeleerde. Mentor. Patroon. Consulent. Procureur. Rechtskundige. Wetgeleerde. Raadsheer. Juridisch adviseur. Advocaat.â&#x20AC;?

Zullen we het dan nu weer over jou hebben? Komt je dit bekend voor? Juristen die graag vertellen waarom ze zo belangrijk zijn en waarom het zo noodzakelijk is dat je ze inschakelt? Rein is anders. Ik luister en ben nieuwsgierig naar jouw verhaal. Samen met jou kijk ik naar wat ik voor jou kan betekenen. Wil je weten hoe ik je verder kan helpen? Bel me dan op 0592-345 188 of kijk op www.rein.nl

Postbus 622 9400 AP Assen Zwedenlaan 20-22 9403 DE Assen. t +31 (0)592 345 188 f +31 (0)592 372 431 mail@rein.nl www.rein.nl


Congresbijlage

JFV In Casu - maart 2012

64

Congresbijlage

De klachtplicht: minder streng, maar nog altijd fataal Door mr. H.G. (Halbe) Pomper, Advocaat bij Rein Advocaten & Adviseurs te Assen

e

en koper die een gebrek ontdekt aan het gekochte is, als hij aan het gebrek rechten wil ontlenen, gehouden tijdig over het gebrek te klagen bij de verkoper. Het verweer dat een koper, vooral van onroerend goed, niet aan de klachtplicht heeft voldaan wordt regelmatig in stelling gebracht. Niet zonder reden. De jurisprudentie was streng tegenover kopers. Niet voldoen aan de klachtplicht doet allerhande rechtsvorderingen en verweren vervallen. Ook de bewijslastverdeling is in het voordeel van de verkoper. In een aantal arresten uit 2007 en 2011 wordt de harde lijn van de Hoge Raad echter genuanceerd, niet doordat de Hoge Raad op eerdere oordelen ter zake de gevolgen terugkomt, maar doordat een beroep op schending van de klachtplicht genuanceerder moet worden bezien.

Inleiding Menig teleurgestelde klant heeft in het afgelopen decennium de deksel van de klachtplicht op de neus gehad. De klachtplicht is voor koop in de wet geregeld in artikel 7:23 lid 1 BW en voor overige overeenkomsten in artikel 6:89 BW. In het navolgende wordt vooral ingegaan op art 7:23 lid 1. De klachtplicht houdt in dat een schuldeiser die constateert dat de aan hem geleverde prestatie gebrekkig is, binnen een bekwame tijd aan de schuldenaar van die prestatie moet aangeven dat hij meent dat sprake is van een gebrek.

Achtergrond van de klachtplicht De ratio van de bepalingen over de klachtplicht is gelegen in het beschermen van de schuldenaar. De schuldenaar heeft er belang bij dat hij van een mogelijk gebrek tijdig op de hoogte wordt gesteld. Dit zodat hij weet dat hij eventuele bewijsmiddelen moet bewaren en om hem in staat te stellen adequaat te reageren. De gegrondheid van een klacht zal in voorkomende gevallen na langere tijd moeilijker te verifiĂŤren zijn.

Gevolgen van schending van de klachtplicht De gevolgen van het niet voldoen aan de klachtplicht zijn groot. Indien niet tijdig aan de klachtplicht is voldaan, vervalt het recht om zich op het gebrek te beroepen. Het belang van de klachtplicht is in de jurisprudentie telkens toegenomen. Van groot belang daarbij is het arrest Inno/ Gemeente Sluis1. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat, indien het recht om een beroep te doen op een gebrek komt te vervallen, iedere rechtsvordering en ieder verweer dat feitelijk gegrond is op dat gebrek eveneens niet langer ingezet kan worden. In dit specifieke geval ging het om verjaring van het recht om op het gebrek een beroep te doen, nadat tijdig was geklaagd, maar dit oordeel van de Hoge Raad heeft hetzelfde gevolg indien niet aan de klachtplicht is voldaan. Ook een beroep op dwaling of een beroep op onrechtmatig handelen door de verkoper van een gebrekkig product komt dus te vervallen indien niet tijdig aan de klachtplicht is voldaan.

Het is dus van groot belang of tijdig geklaagd is. Omdat niet voldoen aan de klachtplicht verval van rechten meebrengt, is het verweer dat niet aan de klachtplicht is voldaan een sterk en verstrekkend verweer. Het inzetten van het verweer dat niet aan de klachtplicht is voldaan heeft dan ook een grote vlucht genomen.

Stelplicht en bewijslast De grote kracht van het klachtplichtverweer is erin gelegen dat de stelplicht en de bewijslast dat aan de klachtplicht is voldaan op de koper rust2. Zoals bekend is de bewijslastverdeling vaak doorslaggevend voor de uitkomst van een procedure en menig koper heeft zijn vordering dan ook zien stranden, omdat niet aangetoond kon worden dat tijdig was geklaagd. Van praktisch belang is overigens dat het voor de koper mogelijk interessant is om niet aan de stelplicht te voldoen. De rechter mag namelijk niet ambtshalve toetsen of wel aan de klachtplicht is voldaan, zo oordeelde de Hoge Raad in het arrest Robinson/Molenaar v.o.f 3. Indien de koper niet stelt dat aan de klachtplicht is voldaan


JFV In Casu - maart 2012

Congresbijlage

65

en de verkoper zich er niet op beroept dat niet aan de klachtplicht is voldaan, blijft een beoordeling door de rechter achterwege en vormt de klachtplicht in principe geen obstakel. Gezien de ‘populariteit’ van het klachtplichtverweer is de kans echter gering dat de verkoper zich daarop (ook in hoger beroep) niet zal beroepen.

Tijdigheid, aanvang klachttermijn Het zal dus in de meeste gevallen waarin men een beroep wil doen op een gebrek van groot belang zijn dat tijdig (en aantoonbaar tijdig) wordt geklaagd. De essentie zit hem dus in de tijdigheid van de klacht. Voor koop geldt een verschillend regime voor consumentenkoop en niet consumentenkoop. Dit verschil zit zowel in de aanvang van de klachttermijn als de lengte van de klachttermijn. Bij consumentenkoop begint de klachttermijn te lopen bij de ontdekking van het gebrek en is de klacht tijdig indien binnen twee maanden wordt geklaagd. Hoewel de wettekst doet vermoeden dat daarmee niet gezegd is dat een klacht na twee maanden niet tijdig is, is dat in principe wel het geval4. De lengte van de klachttermijn is daarmee bij consumentenkoop strenger afgebakend dan bij niet consumentenkoop. Bij niet consumentenkoop kan geen vaste termijn (van 2 maanden) worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt, aldus de Hoge Raad in het arrest Pouw/Visser5. Naast de duur van de klachttermijn is de aanvang van de klachttermijn van groot belang. De consument koper heeft daarbij het voordeel dat de klachttermijn pas gaat lopen vanaf het moment van ontdekking van het gebrek. Voor de niet consument begint de klachttermijn te lopen vanaf het moment dat de koper het gebrek heeft ontdekt, of had behoren te ontdekken. In dat laatste onderdeel ligt voor de niet consument koper een onderzoeksplicht besloten.

Voortvarendheid, klachttermijn na onderzoekstermijn In veel procedures is vooral de onderzoeksplicht onderwerp van discussie. Indien de koper het gebrek eerder had behoren te ontdekken is de klachttermijn reeds voor de feitelijke ontdekking gaan lopen en is

die dus ook eerder verstreken, mogelijk nog voor een uiteindelijke klacht. Voor de termijn waarbinnen de koper aan zijn onderzoeksplicht moet voldoen is geen vaste termijn gegeven. In het arrest Pouw/Visser6 zijn door de Hoge Raad wel enkele gezichtspunten gegeven die een rol kunnen spelen bij de beoordeling of tijdig aan de onderzoeksplicht is voldaan. De Hoge Raad oordeelde in dat arrest dat de lengte van de onderzoekstermijn afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. Het onderzoek naar de aanwezigheid van eventuele gebreken dient door de koper te worden uitgevoerd met de voortvarendheid die, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid van hem kunnen worden gevergd. Vanwege het belang van de verkoper dat art. 7:23 beoogt te beschermen mag dus enige voortvarendheid van de koper worden verwacht. Bij de beoordeling van de voortvarendheid van de koper zijn volgens het arrest van belang de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop het gebrek aan het licht treedt en de deskundigheid van de koper. Met betrekking tot de deskundigheid van de koper is in Pouw/Visser aangegeven dat de koper in sommige gevallen een deskundige in mag schakelen voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gebrek en dan de uitkomst van dit deskundigenonderzoek mag afwachten voordat wordt geklaagd. De Hoge Raad nuanceert dit echter vervolgens weer door aan te geven dat indien te verwachten is dat het deskundigenonderzoek lang zal duren, of feitelijk blijkt dat dit lang duurt, de koper het resultaat niet mag afwachten, maar de verkoper tussentijds op de hoogte moet stellen van het mogelijke gebrek en het ingestelde onderzoek en de verwachte duur daarvan. Van het uiteindelijke resultaat van het onderzoek zal tijdig melding moeten worden gemaakt. In veel jurisprudentie werd voor Pouw/ Visser voor de klachttermijn bij niet consumentenkoop aangehaakt bij het uitgangspunt dat melding binnen twee maanden na aanvang van de klachttermijn tijdig was en melding daarna niet7.

Het door de Hoge Raad in Pouw/Visser gegeven oordeel zal in veel gevallen voordelig zijn voor teleurgestelde kopers. Door het oordeel dat geen vaste termijn als uitgangspunt genomen kan worden, maar alle omstandigheden van het geval bepalend zijn ontstaat meer ruimte voor een concrete belangenafweging. In het licht van de zware gevolgen van het oordeel dat niet aan de klachtplicht is voldaan, biedt die maatstaf de rechter eerder de ruimte om te oordelen dat ondanks dat een lange termijn is verstreken nadat het gebrek is ontdekt, of had behoren te worden ontdekt, de klacht tijdig is gedaan. Hierdoor is eerder sprake van een redelijke belangenafweging dan indien van een vaste (beperkte) tijdslimiet wordt uitgegaan.

Het arrest Ploum/Smeets II In het arrest Ploum/Smeets II wordt door de Hoge Raad voortgebouwd op het arrest Ploum/Smeets I8 en op Pouw/Visser. Daarbij wordt de belangenafweging in het kader van de termijn voor het voldoen aan de onderzoeksplicht/klachtplicht door de Hoge Raad nader toegelicht. De te maken belangenafweging wordt in het arrest explicieter dan voorheen door de Hoge Raad belicht. De Hoge Raad noemt expliciet als meewegende factor: ‘het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn.’ Ook de eigen rol van de verkoper rondom de koop wordt nu door de Hoge Raad in het toetsingskader meegenomen. Naarmate de koper, op grond van de inhoud van de koopovereenkomst en de verdere omstandigheden van het geval, sterker erop mag vertrouwen dat de zaak aan de overeenkomst beantwoordt, wordt van de koper minder snel een (voortvarend) onderzoek verwacht naar de aan- of afwezigheid van gebreken. De koper mag in principe uitgaan van de juistheid van mededelingen van de verkoper over bepaalde eigenschappen van het gekochte, zeker als mededelingen van de verkoper als geruststellend kunnen worden opgevat. Ook de moeilijkheid van een eventueel onderzoek door de koper wordt door de Hoge Raad in de belangenafweging


JFV In Casu - Maart 2012

COnGresBIJlaGe

66

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de Hoge Raad, na jaren van strenge jurisprudentie ten aanzien van de gevolgen van de klachtplicht, nu de scherpe kantjes weer deels van het leerstuk afhaalt. De gevolgen zijn nog steeds groot, maar op basis van deze latere jurisprudentie is er meer ruimte om tot het oordeel te komen dat aan de klachtplicht is voldaan, althans te concluderen dat enige nalatigheid van de koper hem niet kan worden tegengeworpen. De bescherming van de belangen van koper en verkoper komen daarmee meer in balans. halbe pomper betrokken. Gebrekkige medewerking door derden aan dat onderzoek komt daarbij niet zonder meer voor rekening van de koper. Ook bij dit alles is volgens de Hoge Raad in belangrijke mate mede bepalend in hoeverre de belangen van de verkoper al dan niet zijn geschaad. De Hoge Raad trekt ĂŠĂŠn en ander zelfs zover door dat gesteld wordt dat er niet spoedig voldoende reden zal zijn om aan de koper een gebrek aan voortvarendheid te verwijten als de belangen van de verkoper niet zijn geschaad. Opvallend is dat de Hoge Raad in het arrest ook instemmend oordeelt over het door het hof kennelijk in haar oordeel betrokken constatering dat door de verkoper geen feiten en omstandigheden waren aangevoerd op grond waarvan moest worden aangenomen dat de verkoper in zijn belangen was geschaad. De ernst van het mogelijke gebrek is volgens de Hoge Raad eveneens van invloed op de belangenafweging. De ernst van de tekortkoming kan volgens de Hoge Raad meebrengen dat een nalatigheid van de koper niet aan de koper kan worden tegengeworpen. Dit laatste criterium wordt in het arrest niet verder uitgewerkt. De gevolgen van het opnemen van dit criterium kunnen echter groot zijn. Hoewel reeds voor dit arrest duidelijk werd dat sprake moet zijn van een belangenafweging, wordt de rechter in verregaande mate in staat gesteld om de belangen van de koper zwaarder te wegen naarmate sprake is van een ernstiger gebrek. Daarmee kan de verkoper ook worden afgerekend op de ernst van de tekortkoming aan zijn zijde.

1 2 3 4

5 6 7 8

HR 21 april 2006, NJ 2006, 272 Ploum/Smeets I, HR 23-11-2007 HR 20-1-2006, NJ 2006,80 Zie anders: E.F. Verstraaten, de garantierichtlijn geĂŻmplementeerd, Bedrijfsjuridische berichten 2003, p. 117 HR 29-6-2007, NJ 2008,606 HR 29-6-2007, NJ 2008,606 Zie noot Hijma onder HR 29-6-2007, NJ 2008,606 Zie onder noot 2


Als je net begint, is het de afwisseling die het leuk maakt en waar je het meest van leert. Wekenlang zwoegen op de leveringsvoorwaarden van een multinational, daar krijg ik geen kick van.

Advocaat in de dop? mr. Marijn Nuijens |advocaat|

PlasBossinade. Topkantoor in de hoofdstad van Noord-Nederland. Honderd medewerkers. Een berg aan ervaring, creativiteit en specialistische kennis. Paterswoldseweg 804

Een open cultuur waarin je snel kunt meedraaien

Postbus 1100, 9701 BC Groningen

en groeien. Ontdek zelf of het ook voor jou de

t e l ef o o n +3 1 ( 0 ) 5 0 5 2 1 4 3 3 3

ideale start is van een topcarrière in advocatuur

w w w. p l a s b o s s i n a d e . n l

of notariaat. Ga nu naar www.plasbossinade.nl.


Meteen Meteen

je je eigen eigen

dossiers, je je eigen eigen zaken zaken en en je je eigen eigen kansen Advocaatstagiaires en studentstagiaires vinden Advocaatstagiaires en studentstagiaires vinden hun ideale werkplek in Oost-Nederland. Kijk op hun ideale werkplek in Oost-Nederland. Kijk op www.jpr.nl www.jpr.nl

eigeNziNNig prOfessiONeel eigeNziNNig prOfessiONeel


In Casu  

Juridisch Magazine

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you