Issuu on Google+

historische banden

indiaamsterdam


Inhoud Voorwoord ....................................................

03

Jan Huygen van Linschoten in India .........

05

De Verenigde Oost-Indische Compagnie in India ...........................................................

06

Joint cultural heritage: erfgoed van de VOC in India .................................................

12

Overblijfselen van VOC-locaties ...............

14

Geschenken voor India ...............................

15

Schepen naar India ......................................

18

Joden in Cochin en Amsterdam ...............

20

Baldaeus en Mosopatam: een portret .....

20

Indiase miniaturen in Amsterdam .............

24

IndiĂŤrs in Amsterdam ..................................

30

Jacob Haafner: Amsterdammer in India ..

30

Tagore, Gandhi en Amsterdam .................

33

Diamanthandel .............................................

35

Brits-IndiĂŤ Olympisch kampioen in Amsterdam.....................................................

36

Tot besluit: wat statistische gegevens .....

37

Bijschriften ....................................................

39

01


Voorwoord De Amsterdammer Jacob Haafner, die in de late 18e eeuw meer dan twintig jaar in India doorbracht, vergeleek zijn landgenoten en andere Europeanen met de Indiërs. Die vergelijking pakte niet goed uit voor de westerlingen: “Wat een verschil tussen deze even ruwe als losbandige wellustelingen en de gematigde, zachtmoedige en menslievende Hindoe of Indiër: waar de eerste niets dan wijn en sterkedrank neemt en zijn tafel overlaadt met het vlees van allerlei verschillende dieren, daar heeft de tweede genoeg aan water, graan, melk en fruit. Waar de eerste het geluk en de vrijheid van duizenden van zijn medemensen opoffert om zijn driften, gouddorst en heerszucht te bevredigen, daar leidt de tweede een leven van huiselijk geluk, vrede en stilte, en plichtsbetrachting – geen dier, nog geen insect, laat staan een mens zal hij leed berokkenen. Dat zijn natuurlijk maar domme en onbeschaafde heidenen die niet beter weten, die onze loffelijke zeden en gewoontes niet kennen, en die daarom, volgens het algemene oordeel van de Europeanen, niet werkelijk van het leven kunnen genieten.”1 Haafners stem is uniek in de eeuwenlange geschiedenis van het contact tussen Amsterdam en India. Een geschiedenis die begon met de vestiging van de

1

handelsposten van de Verenigde OostIndische Compagnie waarin Amsterdam zo’n groot aandeel had. Een geschiedenis van kolonisatie en noties van westerse superioriteit, maar die – veel later – zou leiden tot grote bewondering voor Indiërs als Tagore en Gandhi. Op initiatief van burgemeester Van der Laan is er nu volop aandacht voor die gedeelde geschiedenis van Amsterdam en India – en andere landen waarmee wij handelsbetrekkingen onderhouden. Met een betere kennis van zulke historische relaties toont de stad haar belangstelling voor andere landen en voor het gezamenlijke verleden, “om zo goodwill te kweken voor een gemeenschappelijke toekomst,” aldus de burgemeester in zijn installatierede op 7 juli 2010. Dit boekje biedt voor het bezoek van de Amsterdamse delegatie aan India van maart 2012 een greep uit het gedeelde verleden. Geen uitputtend overzicht maar passages uit de algemene geschiedenis en bijvoorbeeld ook verrassende stukken uit het Stadsarchief Amsterdam en schilderijen uit het Rijksmuseum. Een compilatie van momenten waarop de geschiedenis van Amsterdam en die van India elkaar raken, en die bij het voorbereiden van deze missie soms net even een andere blik kunnen bieden. Marens Engelhard Directeur Stadsarchief Amsterdam

Jacob Haafner, Exotische liefde, vertaald door Thomas Rosenboom, Amsterdam 2011, p. 34.

03


*1

04


Jan Huygen van Linschoten in India Een van de eerste Nederlanders in India was Jan Huygen van Linschoten (ca. 15621611). Jan Huygen van Linschoten bezocht al op jonge leeftijd exotische landen en vreemde volkeren. In 1581 kreeg hij de kans om naar India te reizen. Weinig Nederlanders maakten in die tijd zulke verre reizen. In India verzamelde Huygen van Linschoten allerlei informatie over de handel in Aziatische producten. Toen hij in 1592 naar zijn geboortestad Enkhuizen terugkeerde, stelde hij twee boeken samen: één over de route die men moest volgen om in Oost-Indië te komen en één over

alle producten die er te krijgen waren. In 1596 verscheen in Amsterdam de eerste druk van zijn boek Itinerario. Voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naar Oost ofte Portugaels Indien. In dit boek beschreef hij zoals gezegd allerlei gebieden in Azië en de producten die er te krijgen waren. Het Itinerario werd een standaardwerk dat nog tientallen jaren gold als belangrijkste bron van informatie over de Aziatische handel. Het werd vele malen herdrukt en al rond 1600 vertaald in het Latijn, Engels, Frans en Duits2.

*2 2

http://www.linschoten-vereeniging.nl/jan_huygen.htm Linschotenvereniging

05


De Verenigde Oost-Indische Compagnie in India De stad Masulipatnam, die behoorde tot het rijk van de koning van Golconda, is een van de plaatsen die Jan Huygen

*3

van Linschoten beschreef. De stad is bezocht door Steven van der Hagen, de eerste admiraal van de Verenigde OostIndische Compagnie. De factorij in de gelijknamige stad was van 1605 tot 1756 het hoofdkantoor van de VOC en was belangrijk voor de inkoop van katoenen stoffen (lijwaden), die in de Indische Archipel of Europa werden verkocht. In 1617 reisde Pieter van den Broecke over land van Suratte naar de handelspost. Ook de Engelsen (sinds 1611), de Denen en de Fransen hadden hier een handelspost. De VOC had zich vanaf 1605 aan de lange zuidoostkust van India, de Coromandel, gevestigd vanwege de textielhandel. In het noorden werd Masulipatnam het belangrijkste kantoor en in het zuiden Paleacatte. Onder beide ressorteerden een aantal kleinere vestigingen. In 1610 werd Paleacatte de hoofdplaats van dit gewest. In 1613 kreeg men hier van de plaatse-

06

lijke vorst toestemming om een kasteel te bouwen: Geldria. Het was overigens geen overbodige luxe om vanachter vestingmuren handel te drijven, omdat er regelmatig oorlog werd gevoerd tussen de diverse inheemse koninkrijken, waarbij de VOC niet altijd buiten schot bleef. De VOC was overigens niet de enige Europese partij in het gebied. De Portugezen waren de Nederlanders al voorgegaan en tegelijkertijd met de VOC of enige tijd daarna verschenen ook de Engelsen, Fransen en Denen. Met de Portugezen verkeerde de VOC in een groot deel van de 17e eeuw in oorlog. In 1659 werd Negapatnam op de Portugezen veroverd, dat vanaf 1690 de residentie van de gouverneur van Coromandel werd. Op het einde van de 17e eeuw en in de eerste helft van de 18e ondervonden de Nederlanders in het zuiden van Coromandel in toenemende mate concurrentie van de Fransen, waarmee het bij tijd en wijle zelfs tot gewapende conflicten kwam. Ook de concurrentie van de Engelsen nam gestaag toe. Tijdens de Zevenjarige Oorlog, van 1756 tot 1763, behaalden de Engelsen in Coromandel en haar achterland een klinkende overwinning op de Fransen. De VOC raakte nu in de handel steeds meer achterop. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog, van 1780 tot 1784, werden de posten van de VOC door de Engelsen veroverd. Bij de vrede kreeg men alle vestigingen terug, behalve het goed gefortificeerde Negapatnam. Voor Indiase kleden was Coromandel het belangrijkste productiegebied.


Agra

Ramiahol

Patna Kazimbazar

BENGALEN Hougli

Gujarat Ahmedabad Pipely

Cambay Broach Suratte

Bimelepatnam

Dacheron

GOLCONDA

Palicol

Vengurla

Masulipatnam Petapuli

COROMANDEL KUST Paleacatte Sadrapatnam Cananoor Calicut

Tegenapatnam

MALABAR KUST

Negapatnam

Tierepopelier Porto Novo Jaffna

Cochin Tuticorin

Trincomalee

Trevancore Negombo CEYLON Colombo Galle

*4

Kaart van India. Rechthoek: kustplaatsen in de gewesten Malabar (zuidwestkust) en Coromandel (zuidoostkust). Cirkel: Bengalen met de belangrijkste VOC-vestiging in Hinsura aan de rivier de Hougli. Driehoek: het gewest Gujarat. Kaart India uit Femme S. Gaastra, De geschiedenis van de V.O.C., 2002, pagina 49

07


Er werden zowel effen en gestreepte kleden als prachtige gedecoreerde kleden gemaakt. Toen in de loop van de 17e en 18e eeuw de vraag naar stoffen van Coromandel toenam, was het zaak de jaarlijkse aanvoer van kleden zoveel mogelijk veilig te stellen. Soms wist de VOC daartoe van de lokale heersers gedurende enige tijd gehele dorpen met ambachtslieden te pachten. De meest gebruikelijke methode was evenwel vertrouwde Indiase tussenhandelaren in te zetten, die soms ook op het terrein van de Compagnie woonden. Deze kooplieden probeerden, onder meer door het verlenen van voorschotten, zoveel mogelijk wevers aan zich te verplichten.3

3

08

http://www.voc-kenniscentrum.nl/gewest-coromandel.html

MALABAR Voor de VOC was de voornaamste vesting aan de Malabaarse kust, aan de zuidwestkant van India, Cochin (16631795), het huidige Kochi. Hier was de zetel van de Commandeur; er werd gehandeld in peper en kaneel. De Malabaarse kust is door meerdere Europese koloniale mogendheden veroverd: in 1498 door de Portugezen. In 1524 vestigden zich joodse handelaren in Cochin, het centrum van de specerijenhandel; de wijk is nu een toeristische trekpleister. In 1686 kwamen er voor het eerst Amsterdamse joden naar Cochin. Steven van der Hagen, de eerste admiraal van de VOC, was de eerste


Nederlander die in 1604 aankwam voor Cochin en een verdrag sloot met de Samorijn (de keizer van Malabar) om samen de Portugezen te verdrijven. Toen de VOC in 1658 de Portugezen van Ceylon had verdreven, probeerde de VOC de Portugese delen van de Malabarkust te veroveren omdat die van daaruit Ceylon terug zouden kunnen veroveren. Op 1 december 1661 werd Quilon ingenomen nadat de Portugezen de stad hadden verlaten. Rijklof van Goens deed in 1662 twee pogingen het zuidelijk gelegen Cochin te veroveren maar trok zich in eerste instantie terug vanwege heftige moessonregens. Op 8 januari 1663 kwam Cochin in handen

van de VOC. Johan Nieuhof, Wouter Schouten, Nicolaas de Graaff en Philippus Baldaeus beschreven uitgebreid deze veroveringen, de Malabaarse cultuur of brachten de kust in kaart. Hendrik van Rheede inventariseerde in zijn Hortus Indicus Malabaricus nuttige inheemse planten, bomen en kruiden en gaf opdracht tot nieuwe forten en factorijen. Alle verdedigingswerken, wachtposten, kantoren en opslagplaatsen vielen onder het bestuur van de Commandeur. De Compagnie sloot met een aantal vorsten een verbond om aan geen andere natie peper te verkopen, maar een monopolie bleek niet mogelijk.

09 *5


BENGALEN In de regio Bengalen had de VOC tussen 1627 en 1795 een aantal handelsposten. Het handelsgebied lag voornamelijk langs de rivier de Ganges, en de handelsposten werden ook wel “kantoren” genoemd. Vanaf 1655 kreeg het gebied de status van directoraat met een eigen bestuur en directeur in Hougli.

*6

Sinds 1634 was de VOC permanent aanwezig in Bengalen, een gebied aan de benedenloop van de Ganges in het noordoosten van India (het huidige Bangladesh en de Indiase deelstaat WestBengalen). De eerste contacten waren al in 1607 gemaakt, maar Bengalen had aanvankelijk geen prioriteit. Vanaf 1633 ressorteerde Bengalen onder het kantoor Coromandel; vanaf 1655 was het een zelfstandig gewest. Bengalen was een deel van het rijk van de Mogols, de dynastie die in de 16e eeuw heel het noorden van India had veroverd. De vorst, de zogenaamde Grootmogol, verleende de Europese compagnieën in zijn rijk handelsrechten. Een belangrijk element hierin was de vrijstelling van de heffing van binnenlandse tollen. Dergelijke voorrechten waren te verkrijgen door betaling

10

en geschenken. Bij iedere troonswisseling maakten de compagnieën dan ook hofreizen om hun zaak te bepleiten. De Grootmogol resideerde meestal aan de bovenloop van de Ganges; het bestuur over Bengalen was overgelaten aan de Nabob. De belangrijkste vestiging van de VOC in het gewest Bengalen was Chinsura, meer dan honderd kilometer van zee gelegen aan de Hougli, één van de vele vertakkingen van de delta van de Ganges. De grotere schepen van de Compagnie konden vanwege de verzanding van de rivier echter maar tot halverwege de afstand tot Chinsura komen. Van hieruit exporteerde men in de loop van de tijd steeds meer textiel: van effen en gestreepte tot fijne gedecoreerde kleden. In de 17e eeuw werd tevens veel suiker verscheept. Verder stroomopwaarts op de Ganges bezat de Compagnie een vestiging in Kazimbazar, het centrum van de zijdeteelt. Ook dit product deed het in de 17e eeuw goed. Nog weer vele honderden kilometers stroomopwaarts, over de grens van Bengalen, in Bihar, had de VOC een kantoor in Patna, waar zich de productie van opium en salpeter concentreerden. Salpeter was een halffabricaat dat voor de productie van buskruit van groot belang was. In de 18e eeuw was Bengalen door de vele mogelijkheden tot handeldrijven voor particuliere rekening voor het personeel van de VOC één van de lucratiefste standplaatsen in Azië. De belangrijkste concurrenten van de VOC in Bengalen waren de Engelsen. In de 18e eeuw was hun hoofdkwartier in


Calcutta, zuidelijk van Chinsura aan de Hougli, uitgegroeid tot een ware stapelmarkt. Omstreeks deze tijd begon het Mogolrijk in verval te raken. De Nabob van Bengalen ging zich steeds meer als een onafhankelijke vorst gedragen. Toen hij, bevreesd voor de toenemende greep van de Engelsen, hen beval de zonder toestemming gebouwde forten af te breken, kwam het tot een oorlog. In 1757 versloegen de Engelsen de Nabob bij Plassey, mede dankzij het overlopen van diens legeraanvoerder. Daarmee namen de Engelsen feitelijk de macht in Bengalen over. Voor de VOC betekende dit een afbrokkeling van haar positie, omdat zij nu voor haar handel afhankelijk was van de luimen van de Engelsen.4

HOUGLI GESCHILDERD Hendrik van Schuylenburgh maakte een schilderij van een van de Indiase handelsposten van de VOC, dat nu in het

Rijksmuseum hangt. De schilder geeft in zijn schilderij een uitgewerkt verslag van het leven in het VOC-hoofdkantoor in West-Bengalen bij de stad Hougli, aan de Gangesdelta in India. Het schilderij is waarschijnlijk ter plaatse gemaakt. De opdrachtgever was Pieter Sterthemius, de eerste directeur van het hoofdkantoor. Van Schuylenburgh legde niet één moment vast, maar combineerde verschillende gebeurtenissen en situaties. Hij wilde zo veel mogelijk laten zien. Vaak wat onbeholpen (bijvoorbeeld de olifanten op de voorgrond), maar zeer nauwgezet gaf hij van alles weer. Omdat alles – de gebouwen, de kleding, de gebruiken – tot in detail klopt, moet Van Schuylenburgh het allemaal wel met eigen ogen gezien hebben. In het ommuurde gebouwencomplex, dat bekend stond als de fraaiste VOC-post in heel Azië, woonden en werkten de Nederlanders. Op de binnenplaats sjouwen Indiërs met spullen.

*7

4

http://www.voc-kenniscentrum.nl/gewest-bengalen.html

11


Een Nederlander kijkt toe. In de tuinen rechts wandelt een Nederlandse vrouw. Zij wordt vergezeld door een Nederlandse man en een bediende met een parasol. Links stroomt de Ganges met Nederlandse schepen erop. Rechts gaat een Nederlandse hoogwaardigheidsbekleder per draagstoel naar een Indiase vorst in diens kampement: daar moeten zaken gedaan worden. Maar niet alleen de Nederlanders en hun bezigheden zijn afgebeeld.

De schilder geeft evenzeer een blik op de Indiase cultuur. Behalve alledaagse gebeurtenissen toont hij ook twee religieuze rituelen. Aan de Ganges vindt een lijkverbranding plaats waarbij de weduwe van de overledene met het lichaam van haar overleden man wordt mee verbrand. Boven het Indiase kampement rechts hangt een man met een touw aan een paal. Het touw zit vast aan een haak die in zijn rug is geslagen. Ook dit is een religieus ritueel.5

Joint cultural heritage: erfgoed van de VOC in India In het onderstaande artikel uit februari 2011 blijkt dat er een toenemende interesse van India is voor het inventariseren en restaureren van Nederlandse monumenten uit het VOC-tijdperk. India is zich volgens de schrijfster nu bewust van haar ‘joint cultural heritage’. De Nederlandse begraafplaats in Ahmedabad in de deelstaat Gujarat is hier een voorbeeld van. Zowel 3D Blueprint – een in Amsterdam gevestigde architectenbureau – als Philips zijn bij de restauratie van deze begraafplaats betrokken.

VOC IN GUJARAT Eind jaren ’90 stuurde het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking, op initiatief van de Nederlandse ambassade in New Delhi, twee architecten naar India om een inventaris van Nederlandse monumenten te maken. In zijn rapport uit 1997, beschrijft de architect L.B. Webers het 16e eeuwse Gujarat als een welvarend handelscentrum, 5

12

voor textiel, kruiden, specerijen en indigo. Nederlandse handelaren arriveerden begin 17e eeuw, toen deze markt door de Portugezen werd gedomineerd. In 1618 verkregen de Nederlanders het handelsrecht van de lokale Mogolse heersers en zetten factorijen op in onder meer Ahmedabad en de nabijgelegen plaatsen Surat en Bharuch. Hier zijn ook nog oude begraafplaatsen. Het was echter direct een en al strijd met de Portugezen, die hier tien jaar eerder al hun handelsrecht kregen en steeds invloedrijker werden. De Vierde EngelsNederlandse oorlog, van 1780 tot 1784, bracht uiteindelijk een einde aan de handelspositie van de VOC in Gujarat. De Nederlandse aanwezigheid in Ahmedabad duurde 129 jaar, van 1615 tot 1744.

GRAFFITI OP 17E EEUWS NEDERLANDS MONUMENT IN INDIA Een groepje van 49 grafstenen en tombes op een heuveltje in Ahmedabad, de

http://www.rijksmuseum.nl/aria/aria_assets/SK-A-4282?lang=nl


hoofdstad van de West-Indiase deelstaat Gujarat. Meer is er niet over van een 17eeeuwse handelspost die de Nederlandse Verenigde Oost-Indische Compagnie ooit had op deze plek. De meeste graven zijn afgebrokkeld, vertonen barsten of zijn ondergekliederd met graffiti. Om te voorkomen dat dit monument verloren gaat, werkt het (in Amsterdam gevestigde) Nederlandse architectenbureau 3D Blueprint aan het opknappen van de omgeving en het renoveren van de graftombes.6 ‘Ze zullen wel Moslims zijn geweest’, concluderen enkele arbeiders, die hier aan een muurtje werken. De mooiere tombes zien er op het eerste gezicht uit als vele anderen in noord India, in de stijl van de Mogolese moslimdynastie uit die tijd. Slechts enkele details geven weg dat het om een Nederlandse VOC-begraafplaats gaat.

verlichting en nieuwe borden met informatie.’ Er moet verder een fulltime opzichter worden aangesteld, zodat de opgeknapte begraafplaats niet opnieuw het slachtoffer van vandalen wordt. Dit alles kost naar schatting 23.000 euro en wordt gedeeltelijk gefinancierd door de Nederlandse ambassade in New Delhi.

HIER LEYT… ‘De ronde bogen en zuilen van een van de tombes zijn typisch Europees,’ zegt Shital Shah, een lokale architect die voor 3D Blueprint aan de renovatie van de begraafplaats werkt. Naast de zuilen, wijst hij een aantal nog net leesbare grafschriften aan: ‘Oud Laren... 21 October 1669’ en ‘Hier leyt...’. De andere teksten zijn volledig afgebrokkeld of vervaagd. ‘Het heeft behoorlijk wat te kampen gehad van erosie’, zegt de Nederlander Paco de Mulder, hoofd van de Indiase projecten van 3D Blueprint. ‘Dat zijn ze nu aan het tegengaan door geotextiel tegen de grond aan te leggen. Er worden ook nieuwe trappartijen gemaakt, nieuwe 6

*8

NEDERLANDS HERENHUIS Voor de Nederlandse factorij in Ahmedabad, het hoofdkantoor van de handelspost, is het te laat. Op een foto uit 1997 is nog de originele toegangsboog te zien, ingeklemd tussen twee moderne gebouwen. Vandaag de dag is hier niets van over. Volgens een lokale winkelier moet dit gebeurd zijn in de aardbeving die Gujarat in 2001 trof, en die het buurtje erg heeft aangetast. Wel staat de buurt nog steeds bekend als Volanda Haveli – het Nederlandse herenhuis.

3D BluePrint Architects & Engineers is een innovatief architecten- en ingenieursbureau voor integrale benadering van bouwprojecten op het gebied van architectuur, adviestaken en technisch projectmanagement.

13


Ook de handelsgeest van de VOC leeft hier voort. In de buurt is een markt aan de gang. Het is een drukte van belang en er wordt actief onderhandeld over de prijs van goederen. ‘Daarom kunnen de Nederlanders en Gujarati’s het goed met elkaar vinden. Beide volken hebben een handelsgeest,’ zegt architect Shital Shah.

JOINT HERITAGE Het is dan misschien ook geen verrassing dat in de jaren ’90 een van de eerste Netherlands Business Support Offices ter wereld in Ahmedabad werd geopend. De NBSO is een lokaal kantoor van het India Handels-netwerk, dat samenwerkt met de Nederlandse ambassade in New Delhi. In Ahmedabad staat Gauri Wagenaar aan het hoofd en zij is al sinds de jaren ‘90 betrokken bij het inventariseren en be-

schermen van Nederlandse monumenten in Gujarat. ‘In India is men zich nu bewust van de ‘joint heritage’, de gemeenschappelijke erfenis. Zeker in Gujarat is men erg gesteld op de relatie tussen Nederland en Gujarat’, zegt Wagenaar.

BEHOUDEN Met de renovatie van deze begraafplaats wil zij laten zien dat die economische relatie tussen Gujarat en Nederland ook vandaag nog steeds bestaat. Zo zal Philips waarschijnlijk nieuwe solarlampen beschikbaar stellen. ‘We willen nieuwe innovatieve technologieën uit Nederland tentoonstellen. Wij hebben dat als kantoor altijd gepromoot – de Nederlanders zijn hier al zo lang en de handelsrelatie tussen die twee gebieden is een vrij oude relatie. Dat moet behouden worden.’7

Overblijfselen van VOC-locaties Tussen 1993 en 2002 maakten Marion Peters (historica) en Ferry André de la Porte (fotograaf) in totaal vier reizen naar India van ieder drie maanden. Ze spoorden begraafplaatsen op en legden grafstenen bloot die jarenlang onder het struikgewas verscholen lagen. Ferry André de la Porte: ‘We zijn gaan uitzoeken wat er in India nog over is aan stenen Nederlands erfgoed en hebben dat tot in detail gefotografeerd. Niemand is ons daarin voorgegaan. Er bestaat geen boek over dit onderwerp. Voor de meeste mensen is het zelfs totaal onbekend dat de Nederlanders in India zaten. Toch heeft 7 8

14

de VOC er bijna tweehonderd jaar lang op contractbasis handel gevoerd en hebben de Nederlanders er forten, factorijen en kerken gebouwd.’ 8 De meeste forten, met uitzondering van het Fort van Sadras (daterend uit het begin van de 17e eeuw) aan de Coromandelkust, zijn in 1781 tijdens de Vierde Engelse Oorlog door de Engelsen opgeblazen. Wat er nog over is aan Nederlands erfgoed, is vooral op de diverse begraafplaatsen te vinden. Maar daar kijkt volgens Marion Peters – althans in 2002 – niemand naar om. In Sadras is ook nog een olifantenopstapplaats

Internetkrant: De Pers door Aletta André (5 februari 2011) http://www.rnw.nl/nederlands/article/graffiti-op-17e-eeuws-nederlands-monument-india http://www.rijksmuseum.nl/attachments/kunstkranten/kunstkrant_2002_1.pdf; Marion Peters en Ferry André de la Porte, ‘Gastenboek in Steen’, Rijksmuseum Kunstkrant 28 (2002) 12-15.


bewaard gebleven alsmede de begraafplaats met veertien grafstenen. De plaats wordt nu beschermd door de Archaeological Survey of India die verder verval moet voorkomen.9 Het Nederlandse fort Sadras bevindt zich op ongeveer zeventig

kilometer van het huidige Chennai. Het is een groot complex met de overblijfselen van stallen (met een afvoersysteem dat direct in zee loost), een graanschuur, een kerk met een gevangenis en zelfs een galg, en een begraafplaats.10

*9

Geschenken voor India Om te kunnen onderhandelen met Aziatische vorsten boden de VOC-gezanten vaak bij een eerste ontmoeting cadeaus aan. Door de compagniesdienaren werden lijsten met geschenken opgesteld waarmee de plaatselijke vorst tevreden kon worden gesteld. In de ‘schenkagelijsten’ voor de gezantschappen naar de Grootmogol in India

stonden vaak luxe artikelen vermeld die de VOC in Japan aankocht. Japans porseleingoed was zeer geliefd bij de Indiase vorsten. Ook keldertjes met ‘oliteitflesjes’ waren als relatiegeschenk zeer populair. 11 Een voorbeeld van een dergelijk ‘flessenkeldertje’ bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum. Het houten kistje is verdeeld in 9 vakjes waar evenzoveel

9 http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/coromandel.html 10 http://ravishankarg.wordpress.com/2010/12/29/road-trip-to-alamparai-fort-and-sadras-fortress/dsc01848/ 11 http://www.rijksmuseum.nl/aria/aria_assets/NG-444?id=NG-444&page=2&lang=nl&context_space=&context_id=

15


*10

16


porseleinen flesjes in passen. Het kistje is aan het einde van de 17e eeuw gemaakt in Batavia (Jakarta) volgens de Europese mode. Het is voorzien van zilverbeslag met lotus. De lotus heeft in het hindoeïsme en het boeddhisme veel symbolische betekenissen. Doordat de bloem uit zijn eigen wortelstok lijkt te ontstaan symboliseert hij goddelijke geboorte en zuiverheid. De lotus is het attribuut van de bodhisattva Guanyin (Avalokiteshvara). Ook de hindoegod Vishnu wordt meestal afgebeeld met een lotusbloem. Godinnen voorgesteld als goedgunstige partner van een god houden vaak een lotus vast. Godheden, boeddha’s en bodhisattva’s staan of zitten meestal op een lotustroon: een voetstuk in de vorm van een open lotusbloem. De vakjes en de binnenkant van het deksel zijn bekleed met paars fluweel dat is afgezet met een wit gedraaid koordje. Een waardig plekje voor de flesjes, die gemaakt zijn van Japans porselein. Ze zijn gedecoreerd met planten-

en rankenmotieven. De flesjes hebben als sluiting een zilveren schroefdop. Deze werd in de eerste helft van de 19e eeuw in plaats van de oorspronkelijke doppen toegevoegd. Op de bodem van alle flesjes is het VOC-monogram aangebracht. Flesjes als deze werden oliteitflesjes genoemd. Ze konden worden gevuld met olie, die gedestilleerd werd uit specerijen als kruidnagel, nootmuskaat, foelie, kaneel en sandel. De oliën werden gebruikt bij de bereiding van voedsel, parfum en medicijnen. Omdat een grote hoeveelheid specerijen nodig was om de olie te kunnen maken, waren specerij-oliën zeer kostbaar. De waarde van de inhoud van de flesjes zal dan ook een veelvoud zijn geweest van de waarde van de toch zeer luxueus uitgevoerde verpakking.12 Hieronder een lijst met geschenken bestemd voor de Indiase “coninck Orang geeph” van Suratte. De Nederlandse ambassadeur Dirck van Adrichem zou de Grootmogol in 1662 met een bezoek vereren. 13

Proiect van de schenkagie voor den Indiaense coninck Orang geeph.

3 stx. van de schoonste Arabise paerden, costen pro rato van meerder 1513 gulden 1 verlackte mans palankijn, cost1A 1995 1 verlackte vrouwe palencquyn 2400 1 verlackte oliphants huysken 3300 25 stx. verlackte schilden 750 2 stx. verlackte sadels 360 3 stx. root schaerlake 1050 3 stx. fijn groen lake 900 2 stx. groote spiegels met ebbehoute lijste 668 3 stx. vaderlants fulp2 van diverse coleur 744 3 stx. goude ende gecouleurde morenB 900 1 vergult lontroer, gesisileertC 1 ditto snaphaen, gesisileert tsame getaxeert 1 paer pistoolen met sackedane houte ladeD gesisileertE op 400 gulden 6 cromme houwers, gesisileert Comt te samen 15000 gulden

15.000 gulden in 1662 heeft een koopkracht van fl. 267.793,84 – ofwel € 21.519,55 in 2012! 12 13

http://www.rijksmuseum.nl/aria/aria_assets/NG-444?lang=nl Journaal van Dircq van Adrichem’s hofreis naar den Grootmogol Aurangzeb, 1662. Uitg. door de Linschoten Vereniging 1941, p. 26-27.

A Indische draagstoel met verhemelte en gordijnen B fluweel C gouden en gekleurde stoffen

D ‘gesisileert’ ofwel geciseleerd: (fijn) bewerkt E lade: het uitgeholde stuk hout, waarin de loop rust; sakerdaan is een oude naam voor teakhout

17


Schepen naar India In het Amsterdamse notarieel archief, ondergebracht in het Stadsarchief, zijn vele verklaringen opgenomen die betrekking hebben op voorvallen aan boord van een VOC-schip op weg naar Oost- of West-Indië. Het onderstaande verslag van een reis die in 1702 plaatsvond, geeft een interessant beeld van de ontberingen die de VOC-bemanning maar ook menig passagier op een schip naar de Oost mee kon maken. Op 12 augustus 1705 werd de volgende verklaring voor notaris Noblet te Amsterdam opgemaakt:14 Jan Jansz Groenendijk, onlangs met het schip ‘Assendelft’, voor de kamer van Enkhuizen als onderzeilmaker, uit OostIndië teruggekeerd, wonende in het Gebed-zonder-End (Amsterdam), verklaart ten verzoeke van Jannetje Pemont, weduwe van Jan Jansz Haij, in leven onderstuurman in dienst van de Oost-Indische Maatschappij, dat hij als jongen in dienst van de Oost-Indische Maatschappij met het galjoot genaamd ‘de Zegen’ in mei 1702 uit Texel naar Suratte was vertrokken. Haij was ook aan boord. Ze kwamen in september bij de Kaap de Goede Hoop en vervolgden na 14 dagen hun reis. Daarna hebben ze circa 6 maanden gezeild wegens windstilte en ziekte. Wegens gebrek aan verversingen waren ze gedwongen voor een eiland genaamd Sandroe, gelegen circa 30 mijl van het eiland Bombay na Wingerla, voor anker te gaan. De derde waak (= onderluitenant bij de Oost-Indische Compagnie), de bootsman en 3 matrozen zijn met het bootje (van het galjoot) aan land gegaan. Ze kwamen terug met enige verversingen

en met nog een andere schuit, waarin 5 à 6 personen van het eiland Sandroe, één Hollander en de andere inboorlingen. Ze kwamen aan boord waar de Hollander die zich uitgaf voor een Portugees, beloofde nog meer verversingen te zullen brengen als hij de opperstuurman mee aan land mocht nemen om hem daar van zijn ziekte te genezen. Dit werd geweigerd. In plaats daarvan kreeg hij twee lege halve leggers mee om ze met water te vullen. De gewaande Portugees kwam ’s avonds terug met een bark en 30 ‘confraters’ als vrienden terug, gewapend met een houwer, schild en krits. Ze brachten de leggers, gevuld met water, bleven een half uur en doodden toen de bootsman, verwondden Haij, de chirurgijn, de timmerman, een matroos en de kajuitwachter, beroofden de gehele galjoot en brachten de getuige, Haij, en de rest van het scheepsvolk, 23 man, op het eiland Sandroe in het gevangenhuis. Ze zaten daar 21 dagen gevangen tot een Portugees met zijn bark voor Sandroe aankwam om te handelen, die op verzoek van de timmerman en Haij, die beiden Portugees konden spreken, aan het opperhoofd hun vrijlating verzocht heeft. Dit lukte. Hij voerde hen naar een plaats of stad genaamd Soele, circa 5 mijl van Bombay naar een ziekenhuis waar Haij na 5 of 6 dagen ijlhoofdig werd en kort daarna aan zijn verwondingen overleed. Hij is door de getuige en 3 anderen buiten Soele aan de zeekant begraven. Er zijn vele VOC-schepen op weg naar India en Oost-Indië veroverd en vergaan. Enkele voorbeelden hiervan zijn: het jachtschip de Coromandel in 1660, een VOC-jachtschip op weg naar Basra, Perzië, dat tijdens een

14 Stadsarchief Amsterdam, Notarieel Archief Toegangsnr. 5075 inv. 7372, Verklaring, folio 1092, 1705.

18


zware novemberstorm in 1702 bij de kust van Bombay met alle opvarenden ten onder ging en de in Amsterdam in 1701 gebouwde galjoot, die op 14 januari 1707 veroverd werd ter hoogte van Bombay aan de Malabaarse kust door zeerovers.15 Op weg van Maslupatnam (Masulipatnam), met eindbestemming Pegu (Birma), is het schip de Coromandel op 30 september 1660 op 13째 NB door harde travaten (hevige windstoten met stortregen) omgesla-

gen. Aan boord waren 42 Nederlanders en 200 Moren en slaven. Van hen zijn alle Moren en slaven en 14 Nederlanders verdronken. Schipper Jan Willemsz, alias Jan Horrel, de boekhouder, 2 stuurlieden en 24 andere Compagnies-dienaren werden gered. Reisgegevens: het schip, een jacht in gebruik bij de VOC, was vertrokken op 10 september 1660 naar Paleacatte en is vergaan op 30 september 1660.16

*11 15 16

http://www.vocsite.nl/schepen/ http://www.vocsite.nl/schepen/; oorspronkelijke bron: Dagh-Register Batavia 1661, 1889. Dagh-Register gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel Nederlandts-India Anno 1661 - Bataviaasch Genoot schap van Kunst en Wetenschappen, 1889. [nl]

19


Joden in Cochin en Amsterdam De Joodse gemeenschap in Cochin is de oudste van India en dateert uit de 4e eeuw. Aan het begin van de 16e eeuw telde Cochin circa 900 Joodse families, dus minstens 4500 personen. Tegenwoordig wonen hier minder dan 70 Joden. In totaal wonen er nu in India ongeveer 5.500 Joden waarvan 4.500 in Bombay.17 Onder het gezag van de VOC (16631795) nam de welvaart aan de Malabaarse kust respectievelijk Cochin enorm toe. Dit had positieve gevolgen voor de Joden die onder de Portugese overheersing op vele gebieden werden tegenwerkt. Ze kregen nu alle vrijheid om hun geloof te beleven, om synagogen te bouwen en hun culturele tradities openlijk voort te zetten. Ze werden niet meer belet in hun werkzaamheden en konden zich ontwikkelen tot machtige kooplieden. De Joden van Cochin werden zowel door de Europese handelscompagnieën

als door de inheemse vorsten met groot respect behandeld. In 1663 kwam er ook een eind aan hun culturele en religieuze isolement ten opzichte van de rest van de Joodse wereld. De Portugees-Joodse Gemeente in Amsterdam stelde namelijk groot belang in deze gemeenschap en stuurde in 1686 onder leiding van Mosseh Pereyra de Paiva een Amsterdamse delegatie naar Cochin. Na zijn terugkeer in Amsterdam publiceerde hij in 1687 een rapport waarin hij de geschiedenis van de Cochin Joden beschrijft, hun synagogen, het aantal families dat hun gemeente telde en hun economische en sociale omstandigheden. Dit rapport wordt gezien als een van de belangrijkste historische documenten dat ooit geschreven is over de Joodse gemeente van Cochin.18 Een origineel exemplaar van dit rapport uit 1687 bevindt zich in de Bibliotheca Rosenthalia (Bijzondere Collecties, UvA).

Baldaeus en Mosopatam: een portret In het Rijksmuseum bevindt zich een schilderij waarop waarschijnlijk Philippus Baldaeus is geportretteerd, samen met een Indiër. Baldaeus (1632 Delft-1672 Geervliet) was een Nederlandse predikant, die voornamelijk op Jaffna, Ceylon werkte. Als eerste Europeaan heeft hij de cultuur, de religie van de Singalezen en de taal (grammatica) van de Tamils, die in het noorden van het eiland wonen, beschreven. Het boek, Nauwkeurige beschrijving Malabar en 17

Choromandel, derzelver aangrenzend rijken, en het machtige eiland Ceylon, dat ook een uiteenzetting over de Hindoeïstische mythologie uit de Mahabharata, de Purana’s en de Ramayana en prachtige gravures bevat, opgedragen aan Cornelis de Witt, was een groot succes en werd onmiddellijk in het Duits vertaald. Twee mannen zijn geportretteerd tegen de achtergrond van een heuvelachtig landschap. Rechts zit een blonde man.

http://dutch.faithfreedom.org/forum/viewtopic.php?f=4&t=4748

18 Walter J. Fischel, Cochin in Jewish History. Prolegomena to a History of the Jews in India. (New York 1962). Het rapport heet Notisias dos Judeos de Cochim, Mandadas por Mosseh Pereyra de Paiva.

20


*12 21


Hij draagt een rode jas, een bontgestreepte broek en een geruite doek als tulband. Deze dracht doet denken aan de Mogolkleding, die in de tweede helft van de 17e eeuw in India werd gedragen. Iets meer naar achteren staat een man met ontbloot bovenlijf. Hij heeft een bruine huidskleur. Hij draagt een lang wit lendenkleed van glanzende stof met daaroverheen een tweede kleed van donkerblauwe stof. Op de voorgrond liggen jachtattributen: een geweer, een kruitzakje, een veldfles. Geheel rechts hangen twee dode hazen. Honden van verschillend Europees ras staan aan de voet van de zittende man. Waarschijnlijk is de blonde man Philippus Baldaeus. Baldaeus werd in 1658 door de VOC aangesteld om in Jaffna (Yalpanam) in Noord-Ceylon (het huidige Sri Lanka), de protestantse godsdienst te verspreiden. Na zeven jaar keerde hij terug in Nederland en publiceerde er zijn ervaringen. In Den Haag liet Baldaeus zich portretteren in een decor en met attributen die de herinnering aan zijn verblijf in ‘de Oost’ levend hielden. De donkere man behoort tot de inheemse kaste van landeigenaren en landbouwers, de vellalas. Hij zal met Baldaeus naar Europa zijn gekomen, nadat ze elkaar in Azië hadden leren kennen. Mogelijk heette hij Gerrit Mosopatam en was afkomstig uit Zuid-India. Deze naam is te vinden naast Baldaeus’ handtekening in een notariële akte die in 1667 opgemaakt werd in Den Haag.”19 Mieke Beumer schreef er een artikel 19 20

22

over in het Bulletin van het Rijksmuseum.20 Uit haar onderzoek naar de identiteiten van de personen op het dubbelportret van Johan de la Rocquette, blijkt dat de afgebeelde personen de predikant Philippus Baldaeus en diens ‘dienaar’ Gerrit Mosopatam zijn. Over de Aziatische man op het schilderij schrijft Beumer: dat het uitgesloten is dat hier een Singalees van hogere stand is afgebeeld. Dit baseert ze op zijn kledij en sieraden. Volgens haar moet het iemand zijn die afkomstig was van het schiereiland Jaffna of van Zuid-India. De kostbare zijden stof waarin de man is gekleed en de dubbele parel die hij in zijn oor draagt wijzen op welstand, de schrijfstift en het palmblad op geletterdheid. Gecombineerd met zijn handtekening vermeld in de notariële akte opgemaakt in Den Haag komt Beumer tot de conclusie dat het mogelijk een gedoopte christen was afkomstig uit Masulipatnam. Mosopatam is de gesproken vorm van de naam Masulipatnam, een plaats aan de monding van de Krishnarivier aan de oostkust van Zuid-India (het huidige Machilipatnam in Andhra Pradesh) en zoals gezegd een belangrijk textielen handelscentrum, waar de VOC sinds 1605 een factorij had. Beumer vermoedt dat deze man in 1665 in het gezelschap van Baldaeus op het schip de Venenburg mee terug is gereisd naar Holland. Het afbeelden van Europeanen in gezelschap van Aziaten of Afrikanen werd meestal in de rol van bediende of slaaf gedaan. Gerrit Mosopatam

Collectie Rijksmuseum Amsterdam http://www.rijksmuseum.nl/aria/aria_assets/SK-A-1299?page=0&lang=nl&context_ space=aria_catalogs&context_id=Term_00020564_nl Mieke Beumer, ‘Philippus Baldaeus en Gerrit Mosopatam: een buitengewoon portret’, Bulletin van het Rijksmuseum 47 (1999) 144-173.


beantwoordt echter niet aan dit stereotiepe beeld. Hoewel hij blijkens zijn vermelding in de notariële akte de dienaar van Philippus Baldaeus was, toont hij zich op het schilderij in het geheel niet als gewone bediende: weliswaar op het tweede plan, staat hij tevens in het midden van de compositie. Hoewel er over Gerrit niet meer bekend is dan dat hij in Den Haag tot het huishouden van Baldaeus behoorde, is het aan te nemen dat zijn werk voor een groot deel bestond uit het assisteren bij de voorbereiding van Baldaeus’ boek Nauwkeurige beschrijving Malabar en Choromandel, derzelver aangrenzend rijken, en het machtige eiland Ceylon. Vooral het deel over de Malabaarsche spraakkunst en de drie grote kopergravures met het Tamilalfabet en de vertalingen in het Tamil van het Onze Vader en de geloofsbelijdenis, zal zijn hulp onmisbaar zijn geweest. Kortom, volgens Beumer gaat het om een dubbelportret van een tolk-vertaler uit Zuid-India samen met zijn Nederlandse opdrachtgever. Hierdoor is het een uniek schilderij. Door hun professionele relatie straalt de predikant niets autoritairs uit en de bediende geen onderdanigheid. In tegendeel meent Beumer, door Mosopatams vertaalwerk is hij de intermediair tussen de Nederlandse predikant en de autochtone christenen in Jaffna. Baldaeus had, net als Jacob Haafner, grote achting voor de beschaving van de Tamils en andere Indiërs en stelde zelfs dat “zy in civiliteyt dikmaals veel Europeanen ten hoogsten beschamen”.

*13 23


Indiase miniaturen in Amsterdam Indiase voorwerpen kwamen met de VOC terug naar Amsterdam, waar ze een plek kregen in verschillende verzamelingen. Vooral Indiase miniaturen waren erg geliefd. In het najaar van 1671 bezocht de Franse arts en numismaat Charles Patin (16331693) vier bekende verzamelaars in

blijkt onder meer uit vermeldingen in boedelbeschrijvingen, in advertenties en catalogi van kunstverkopingen. In de onderstaande advertentie in de Amsterdamsche Courant van 6 december 1707 staat bijvoorbeeld dat Jan Pietersz Zomer, makelaar, op 13 december in de Kalverstraat in de Keyserskroon ’s avonds een

Amsterdam: Laurens van der Hem, Lucas Occo, Anthonie Grill en Jan Witsen. In zijn reisverslag schrijft Patin enthousiast over de grote gevarieerdheid aan rariteiten (zeldzaamheden) die hij bij deze heren aantrof. Met name de zeldzame Chinese en Indiase schilderingen die de geschiedenis, leefgewoonten en godsdienst van die landen uitbeelden, hadden grote indruk op hem gemaakt. Het is één van de vele aanwijzingen dat Nederlandse en vooral Amsterdamse verzamelingen rijk waren aan zeldzaamheden afkomstig uit Aziatische landen waaronder India. Onder die zeldzaamheden vielen onder meer de Indiase miniaturen. Aan het eind van de 17e en het begin van de 18e eeuw werden deze veelvuldig verzameld in Nederland. Dit

partij tekeningen, prenten en kunstboeken zou verkopen waaronder “2 Boeken met Mogolse, Suratse en Chinese Tekeningen”. De kunstboeken en tekeningen waren allen afkomstig uit de boedel van Petronella de la Court weduwe van Adam Oortmans, gewezen brouwer.21 Maar ook uit contemporaine tekeningen, schilderijen en prenten in boeken over Azië, die op Indiase miniaturen geïnspireerd waren, blijkt hun aanwezigheid in Nederland respectievelijk Amsterdam. De Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen (1641-1717), bijvoorbeeld, bezat ruim 450 Indiase portretten en Rembrandt had een kunstboek “vol curieuse minijateur teeckeninge”. Het is opmerkelijk dat er zoveel Indiase miniaturen in Amsterdam aanwezig

*14

*15 21

24

Petronella de la Court (1624-1707) is vooral beroemd vanwege haar Poppenhuis dat in het Centraal Museum te Utrecht staat.


25*16


waren, vooral omdat deze niet zomaar te koop waren. De miniaturen werden door schilders, verbonden aan vorstenhoven, geschilderd. De vorst was opdrachtgever en zorgde voor het levensonderhoud van de schilders. De miniaturen waren illustraties bij religieuze, historische en poëtische teksten en op zichzelf staande onderwerpen, waarvan portretten het belangrijkst waren. Ze werden in stapels losse bladen of ingebonden in een album bewaard in een bibliotheek en waren uitsluitend bedoeld voor gebruik in de kleine kring van de opdrachtgever, zijn familie, vrienden en kennissen. Het laten maken van miniaturen was een oude hindoeïstische traditie die door de komst van de islamitische dynastie van de Grootmogols in het begin van de 16e eeuw een sterke impuls heeft gekregen. De hoven waar naar hindoeïstisch of naar islamitisch gebruik miniaturen vervaardigd werden, bevonden zich verspreid over het gehele Indische subcontinent. Wanneer men niet tot de hofkringen behoorde of werd toegelaten, was het in India onmogelijk miniaturen te zien, laat staan ze te verwerven. Er moeten dus uitzonderlijke omstandigheden voor Nederlanders in India geweest zijn. Men neemt algemeen aan dat ze gemaakt werden door minder begaafde hofschilders van sultan Abul Hasan van Golconda (1672-

1687) en dat ze speciaal voor Europeanen op de markt aldaar werden vervaardigd.22

WITSENALBUM Dankzij het zogenaamde Witsenalbum dat bewaard wordt in het Rijksprentenkabinet is het mogelijk om originele Indiase miniaturen uit 17e eeuws Nederlands bezit te bestuderen. Dit album met 49 portretten is eigendom geweest van de hiervoor genoemde Amsterdamse burgemeester, wetenschapsman en verzamelaar Nicolaas Witsen. De 49 portretminiaturen zijn met dekkende waterverf geschilderd. Het papier meet thans 203 bij 140 mm. De portretten stellen de keizers van de Mughaldynastie, de sultans van de Qutb-Shahi dynastie van Golconda (Golconda thans Hyderabad, ligt tussen Masulipatnam en Bombay in; het was een belangrijke stapelplaats voor de VOC )23 en de sultans van de Adil-Shahi dynastie van Bijapur voor, steeds vanaf de stichter van de dynastie tot en met de heerser die in de jaren tachtig van de 17e eeuw aan de macht was.24 Ook zijn er portetten van een groot aantal generaals, gouverneurs, hoge functionarissen enzovoort in het album opgenomen. Uit de catalogus van de veiling van de kunstverzameling van Nicolaas Witsen die elf jaar na zijn dood plaatsvond op 30 maart 1728 in Amster-

*17 22 23

26

24

Pauline Lunsingh Schreurleer, ‘Het Witsenalbum: 17e eeuwse Indiase portretten op bestelling’, Bulletin van het Rijksmuseum 44 (1996) 167-231. http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/coromandel.html Bijapur ligt circa 550 km van Bombay vandaan.


*18

dam, blijkt dat hij een zeer groot aantal Indiase miniaturen bezat: meer dan 450 stuks. Witsen schreef onder meer het boek Noord en Oost Tartarije dat in 1692 in Amsterdam verscheen. In dit boek besteedt hij ook aandacht aan Timur, ook wel Tamerlan genoemd (1336-1405), de Aziatische veldheer die in 1398 ook Delhi veroverde, en voorvader van de Mogoldynastie. De keizers (Grootmogols) van de Mogoldynastie heersten van 1526 tot het midden van de 19e eeuw over grote delen van het Indisch subcontinent (India, Pakistan, Afghanistan, Bangladesh). De termen Mogol en Grootmogol zijn bedacht door Europeanen die zich in de 16e en 17e eeuw in India bevonden. Ze dachten dat deze dynastie uit Mongolië kwam (Centraal-Azië). De Grootmogols zelf noemden hun dynastie Timuride, naar Timur; zij noemden zichzelf niet Grootmogol maar Padishah. Eeuwen na zijn dood sprak de legendarische Timur nog steeds tot de verbeelding van een

*19

*20

groot publiek. In 17e eeuws Nederland kwam dit tot uitdrukking in een toneelstuk over hem dat in 1657 voor het eerst in de Amsterdamse schouwburg werd opgevoerd en tot in de 18e eeuw vele heropvoeringen beleefde. De schrijver van het toneelstuk was Johannes Serwouters (1623-1677) een Amsterdamse letterkundige, dichter en toneelschrijver. In 1657 maakte hij zijn debuut met het toneelstuk De grooten Tamerlan, met de doodt van Bayazet de I, Turks keiser. Op 1 februari van dat jaar ging het treurspel in première. Dat het stuk voor de 17een 18e eeuwse schouwburgbezoeker aantrekkelijk was, blijkt uit het feit dat het stuk 110 jaar stand hield: in de periode tot 1665 werd het 27 keer opgevoerd, tussen 1665-1699 nog eens 16 keer en in de periode 1700-1772 tellen we 30 opvoeringen. Op 23 september 1768 vond de laatste opvoering plaats.28 Ook Rembrandt werd zoals gezegd gefascineerd door de Indiase miniaturen. Hij liet zich door deze illustraties *21 inspireren en heeft vele

27


28 *22


tekeningen gemaakt met onder meer Indiase hoogwaardigheidsbekleders en groepjes Oosterlingen. Een klein reliëfportret van de Indiase Grootmogol Shah Jahan bevindt zich in de collectie van het Rijksmuseum. Shah Jahan was de zoon van de grootmogol Jahangir van wie Rembrandt – naar een voorbeeld van een Indiase miniatuur – een tekening heeft gemaakt. “De keizer staat voor een raam, getooid met tulband, parelsnoer en medaillon. Hij is en profil weergegeven, met zijn hand nonchalant op een tapijtje, dat over een balustrade hangt. Zo lieten Mogolkeizers zich vaak afbeelden. Die beeldtraditie is te verklaren: Mogolkeizers hadden de gewoonte zich op vaste tijden

vanuit een raam van hun paleis aan het volk te vertonen. Waarschijnlijk werd het portret van Shah Jahan door een NoordEuropeaan gemaakt, die rond 1630 aan het Indiase hof werkte. Het albasten portret was vroeger met kleuren en goud beschilderd.”29 Shah Jahan was overigens de vorst die de Taj Mahal liet bouwen ter nagedachtenis aan zijn favoriete vrouw Mumtaz Mahal. Ook in de 19e en in de 20ste eeuw bezochten Nederlandse kunstenaars India. Marius Bauer (Den Haag 1867 – Amsterdam 1932) heeft een fraai aquarel gemaakt van de Taj Mahal bij maanlicht. Deze tekening bevindt zich in de schilderijencollectie van het Rijksmuseum.

*23

29


Indiërs in Amsterdam Helaas heeft archiefonderzoek geen gegevens opgeleverd waaruit zou blijken dat Indiase kooplieden gedurende de VOC-tijd (circa 1605-1795) Amsterdam hebben bezocht. Wel zijn er vóór 1811 minstens 38 uit India afkomstige personen in Amsterdam getrouwd. Uit een steekproef blijkt dat het om in India geboren Nederlanders gaat. Dat er Indiërs in Amsterdam hebben gewoond, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende notariële akte. Op 4 november 1709 laat een zekere Catharina Vonck, weduwe van Jan ten Rhijne, haar testament opmaken. Zij legateert aan haar bediende (een gewezen slavin) genaamd ‘Eva van de kust van Cormandel’, die bij Catharina in huis woont, 600 gulden (thans circa 12.000 gulden) plus haar reis naar Batavia en onderhoud aldaar. Ook

erft het gewezen slavenkind Paris dat vermoedelijk ook bij haar in huis woont, 300 gulden. Ze vermaakt vervolgens diverse bedragen aan liefdadigheidsinstellingen in Batavia en aan familieleden in Nederland en in Batavia. Uit aanvullend onderzoek blijkt dat dit echtpaar geen kinderen had en een onbekend aantal jaren in Batavia heeft gewoond. Tussen maart 1706 en september 1708 verlaat het echtpaar Batavia en keert terug naar Amsterdam. Jan ten Rhijne bezat sinds 1706 een zeemtouwerij in de Elandstraat. Samen met zijn vrouw betrokken zij na aankomst een woning aan de zuidzijde van de Lauriergracht bij de Baangracht, dus vlakbij de zeemtouwerij. Jan overlijdt in 1708 in Amsterdam. Waar Catharina is gestorven, is niet bekend.25

Jacob Haafner: Amsterdammer in India Jacob Haafner (1754-1809) werd geboren in Duitsland, maar woonde als kind in Amsterdam. Als jongen van twaalf vertrok hij voor het eerst richting India. Hij zou er in totaal meer dan twintig jaar doorbrengen. Haafner was eerst boekhouder bij de VOC in Nagapattinam, in het zuidoosten van India. Daarna werkte hij onder meer in Sadras. Na een aanval van de Engelsen in 1781 zag hij zich gedwongen naar Madras (nu Chennai) te verhuizen, waar de blokkade door een Franse vloot voor een vreselijke hongersnood zorgde. Haafner ontkwam naar Ceylon 25

30

(Sri Lanka), zwierf langs de kust van Coromandel en kwam zelfs in Calcutta terecht. Hij ontwikkelde een grote liefde voor India: “hij spreekt diverse Indische talen […], hij heeft de Indische eetgewoontes overgenomen, eet geen rund- en varkensvlees (wel maakt hij elke avond een goede punch voor zichzelf klaar), hij heeft het bestek afgezworen en eet met zijn handen, en op het laatst is hij zo één geworden met Indië dat het hem genoegen doet wanneer hij voor een halfbloed wordt aangezien, wat wel eens gebeurt. Met intens genot maakt hij een religieus feest mee waar-

Stadsarchief Amsterdam, Notarieel Archief, Toegangsnr. 5075 inv. 4794, Testament, folio 982, 4 november 1709


voor tienduizenden Indiërs dagenlang bijeenzijn op een vlakte. Hij verwondert zich over de volkomen vredige gang van zaken aldaar, zonder ordedienst, en contrasteert die met een even grote massabijeenkomst in Nederland, die natuurlijk met veel geschreeuw, geduw en gedrang gepaard gaat, en dan eindigt met geweld.”26 Na de dood van zijn geliefde, de Indiase danseres Mamia, keerde Haafner in 1790 terug naar Amsterdam. Daar schreef hij in 1805, als antwoord op een prijsvraag van het Teylers Godgeleerd Genootschap over het nut van de zending, een compromisloze verhandeling tegen het kolonialisme en de zending, die uiteindelijk bij gebrek aan andere inzendingen bekroond werd. Daarna schreef Haafner een reeks reisverhalen over zijn belevenissen in India, waarin hij zijn afschuw van het westerse kolonialisme niet onder stoelen of banken stak. Hij prees Haidar Ali, de sultan van Mysore, die zich met hand en tand verzette tegen het gezag van de Engelsen in India. In zijn kritiek op het koloniale systeem was Haafner Multatuli een halve eeuw voor. Hij ging bovendien veel verder: het koloniale systeem moest niet herzien en verbeterd worden, het moest helemaal afgeschaft worden: “De vanzelfsprekendheid waarmee men in Nederland en de andere koloniale mogendheden spreekt over ‘onze Indische bezittingen’ maakt hem razend: hoezo bezittingen? Alles wat Nederland daar in handen heeft is toch geroofd, en door geweld en bedrog verkregen? 26 27 28

Als dat rechtmatige bezittingen zijn, schrijft hij, dan is de buit van een dief ook zijn wettige eigendom!”27 Haafners boek Reize in eenen Palanquin is in 2011 verschenen in een hertaling van Thomas Rosenboom, onder de titel Exotische liefde. Een andere Nederlandse literator die geïnteresseerd was in India – maar dan vanachter zijn bureau in Amsterdam – was Jacob van Lennep (1802-1868), die in een schrift, bewaard in het Stadsarchief, aantekeningen over de geschiedenis van het land maakte. “De Veda is de grondslag van het geloof der Indiërs,” tekende Van Lennep op. “Het leert een leevend, waar, eeuwig, onlichaamlijk, onaanraakbaar, almachtig, alwetend, algoed opperwezen, maker en instandhouder aller dingen. Deze god (Brahma) heeft aan mindere goden de zorg voor het ondermaansche overgelaten. Hij schiep Brahma (de maker), Vishnu (den instandhouder), Siva (den hervormer).” Van Lennep beschreef vervolgens het kastensysteem, en wat van de gebruiken van de Indiërs: “De Indiërs leefden matig midden in hun overvloed” en “Elk had zoovele vrouwen als hij voeden kon, zij verbrandden zich met hem na zijn dood.” Hij vermeldt ook Herodotus, die de eerste beschrijving van India gaf, en onder andere meende dat er mensen leefden die naakt in huizen gemaakt van walvisgeraamten woonden en rauwe vis aten, en mensetende nomaden, die hun ouderen en zieken opaten.28

Jacob Haafner, Exotische liefde, hertaald door Thomas Rosenboom, Amsterdam 2011, p. 20 Exotische liefde, p. 19. Stadsarchief Amterdam, archief 238 (familie Van Lennep), inventarisnummer 315.

31


32

*24


Tagore, Gandhi en Amsterdam De bekende Indiase dichter, filosoof en Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore bracht in september en oktober 1920 een bezoek aan Nederland. De Nederlandse afdeling van de Theosofische Vereniging en de Vrije Gemeente in Amsterdam hadden Tagore samen uitgenodigd om naar Nederland te komen. Frederik van Eeden had in de voorgaande jaren een aantal van Tagores werken – vanuit het Engels – naar het Nederlands vertaald. De dichtwerken werden veel gelezen, en door verschillende componisten op muziek gezet. Ook de architect Karel de Bazel, bouwmeester van het voormalig hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelmaatschappij aan de Vijzelstraat in Amsterdam (het huidige Stadsarchief), was in zijn ontwerpen en symboliek diepgaand beïnvloed door de theosofie. Tagore wachtte een groots welkom in Nederland, opgezet door een speciaal ontvangstcomité, en er waren zowel in Den Haag als in Amsterdam een villa en een auto voor hem geregeld, “dit laatste, daar dr. Rabindranath Tagore en diens gezin in Indisch gewaad gekleed zijn.”29 Tagores bezoek maakte diepe indruk. Hij gaf een reeks lezingen aan universiteiten, kerken en filosofische instellingen die druk bezocht werden, en een ware rage teweeg brachten. Zijn belangrijkste thema was de ontmoeting tussen Oost en West. Op 23 september sprak hij voor een volle zaal bij de Vrije Gemeente in Amsterdam (het huidige Paradiso). Het Vaderland bracht verslag uit: “Met zilveren stemgeluid leest dr. Tagore de rede, die hij te voren op papier heeft gebracht. Hij vertelt van de dorpsmystici ginds in Bengalen, van mannen en vrouwen 29 30 31

wier godsdienst het Hindoeïsme is en die in religieuze devotie het dagelijksche gebeuren rondom hen vertolken in liederen van zeldzame bekoring. Ongeletterden zijn zij, menschen, absoluut niet op de hoogte van eenige literatuur, en toch spreekt uit de liederen die zij componeeren en zingen diepe wijsheid en dikwijls zijn ze onberispelijk van vorm. Enkele dier liederen heeft dr. Tagore voorgedragen, zoo zangerig als de vertolking in de Engelsche taal het mogelijk maakte.” Verder sprak Tagore onder andere over devotie tot God en over liefde.30 Volgens sommigen grensde het Nederlandse enthousiasme voor Tagore aan hysterie. Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië berichtte: “Onder de auspiciën der Theosofische Vereeniging trad hier voor zoowat 99 procent vrouwen en één procent mannen de Hindoe-dichter dr. Rabindranath Tagore op, en deed in haast hemelsche zaligheid de hoorderessen genieten van zijn mystisch-stemmende voordracht. Als hij in zijn eigen taal het gedicht voorleest, dat hij kort voor den oorlog heeft gemaakt, staren de hoorderessen hem aan, alsof een openbaring haar wordt verkondigd.” 31 Tagores voordrachten ontketenden bovendien een religieus debat. Zoals het socialistische blad Voorwaarts schreef: “De vrome Hindoe-dichter Tagore houdt dezer dagen lezingen in verschillende steden van ons land en spreekt overal voor stampvolle zalen. Dit kan de “Standaard” niet verkroppen, want Tagore moge beweren dat hij denzelfden God aanbidt als de Westersche volken, hij is voor de “Standaard” maar ’n heiden. En zuchtend over het succes van

Het Vaderland, 31-7-1920. Het Vaderland, 24-9-1920. Het Nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 30-11-1920.

33


*25

Tagore, verklaart het antirevolutionaire orgaan: “Hier spreekt zich duidelijk het verlangen uit naar den anti-christ.” Het is zeker jammer, dat Tagore onze taal niet kent. Anders zou hij, na zijn terugkeer in Indië, zijn landgenooten kunnen verrassen met de mededeeling, dat hij in het beschaafde Europa een wilde volksstam had ontdekt, die hem voor den duivel of deszelfs afgezant heeft aangezien.”32 Tijdens Tagores bezoek maakte de Amsterdamse kunstenaar Martin Monnickendam verschillende schetsen voor een portret van de dichter, die nu bewaard worden in het Stadsarchief Amsterdam. Ruim twee decennia later werd de Amsterdamse kunstcriticus Herbert Frank gegrepen door de boodschap van Mahatma Gandhi, die als leider van de geweldloze opstand tegen het Engelse koloniale bewind zo’n grote bijdrage leverde aan India’s onafhankelijkheid. Zo vlak na de Tweede Wereldoorlog koesterde Frank het plan een wereldwijde vereniging voor de vrede 32 33

34

op te zetten. Hij stuurde daarom een brief aan Ghandi. Die brief is verloren gegaan, maar waarschijnlijk vroeg Frank daarin om steun voor zijn beweging, en misschien ook om advies. Gandhi beantwoordde de brief in april 1947 vanuit Patna, in het noordoosten van India. Die brief bevindt zich nu in de bibliotheek van het Stadsarchief. Er zijn twee pennen in te herkennen; misschien liet Gandhi de brief eerst door iemand anders schrijven en bracht hij er daarna correcties in aan. Gandhi merkt op dat Franks vredesboodschap zo oud is als de tijd zelf, en dat niemand te onbetekenend is om hem te verkondigen. Alleen voelt niet iedereen zich daartoe geroepen. In de brief raadt Gandhi Herbert Frank aan de laatste achttien verzen van het tweede hoofdstuk te lezen van de Bhagavad Gita, een deel van de Mahabharata en een van de belangrijkste geschriften in de hindoe traditie. In die verzen legt de godheid Krishna uit hoe een persoon met perfecte wijsheid te herkennen is. Zo’n wijze is gelijkmoedig en vrij van verlangens, gehecht33 *26 heid, angst en woede.

Voorwaarts, 4-1-1920. http://stadsarchief.amsterdam.nl/presentaties/amsterdamse_schatten/beroemd/gandhi/index.nl.html


Diamanthandel India was van de 4e tot de 17e eeuw dé plek waar diamanten geslepen en verhandeld werden. Juist toen Amsterdam zich in de 17e eeuw ontwikkelde tot centrum van de diamanthandel en –industrie, leek India’s rol grotendeels uitgespeeld. Vanaf de jaren ’50 van de vorige eeuw is de diamantindustrie in India echter weer in opkomst.34 Een artikel uit het Financiële Dagblad van 2010: “Diamant is Oud-Grieks voor onverslaanbaar. Toch moeten traditionele handelscentra als Antwerpen en Tel Aviv oppassen niet hard terrein te verliezen aan Aziatische ‘nieuwkomers’ in de diamantindustrie. Het is een ultieme poging Antwerpen, het epicentrum van de diamanthandel, naar de kroon te steken. Met ‘twee miljoen vierkante meter aan extravagantie’ zegt de Indiase Bharat-beurs ieders droom te overtreffen. Afgelopen zondag opende in Bombay de allergrootste diamantbeurs ter wereld. Antwerpen en Tel Aviv vrezen voor hun marktaandeel, Bijna 85% van alle verhandelde diamanten wordt volgens de wereldbeursorganisatie voor de diamanthandel (WFDB) inmiddels in India geslepen. Desondanks is India vooralsnog geen koploper als het om de omzet gaat. De grootste en duurste diamanten komen nog uit Antwerpen en Tel Aviv. Maar ook daar veroveren de ‘nieuwkomers’ terrein. Zo staat er sinds kort een Indiër aan het hoofd van het Antwerp World Diamond Centre.”

BEURS VAN BOMBAY De beurs van Bombay is pas vijftien jaar 34

lid van de WFDB. Het jongste lid is ZuidKorea, dat dit jaar als 29ste beurs tot de handelsorganisatie toetrad. Ter vergelijking: de handelsvloer in Amsterdam bestaat al sinds 1890. Daarmee is het de oudste ter wereld. Toch is het niet geheel juist India als nieuwkomer te bestempelen. Want tot de 18e eeuw werd diamant alleen in India gewonnen. Alle beroemde diamanten vinden hun herkomst in dit land. De totstandkoming van het beursgebouw in Bombay vertoont treffende gelijkenissen met de professionalisering van de Indiase diamantindustrie: beide vergden een bijzonder lange adem. Voor het negen gebouwen tellende handelscentrum werd twintig jaar geleden al de eerste steen gelegd. Tot nu toe vond de levendige edelstenenhandel plaats in kantoortjes achteraf. ‘Het is ontzettend moeilijk geweest al die mensen het moderne gebouw in te krijgen.’

AMSTERDAMSE DIAMANTBEURS Dat de professionele industrie jong is, geeft de Indiërs een kleine achterstand op de oudgedienden, denkt voorzitter Ed Blik van de Amsterdamse diamantbeurs. ‘Diamantairs uit de oude centra kunnen met elkaar lezen en schrijven. Die relaties gaan generaties terug.’ Maar ingewijden denken dat het niet lang duurt of India is in alle opzichten het diamantcentrum van de wereld. ‘De nieuwe generatie Indiërs profileert zich steeds beter’, zegt een anonieme diamantair. Bovendien spreken de cijfers voor zichzelf. ‘Van de $ 86 miljard aan juwelen die

http://www.knaw.nl/Content/Internet_KNAW/actueel/bestanden/Hofmeester.pdf

35


in de VS over de toonbank gaan, is al een kwart uit India afkomstig.’ Naast India gaan ook andere Aziatische landen als grootmacht China een steeds belangrijkere rol spelen.

JOODSE MEESTERSLIJPERS Amsterdam gold tot laat in de jaren vijftig als technisch slijpcentrum van de wereld. Blik: ‘Wij slepen de edelstenen hier zoals God het bedoeld had.’ Veel van de veelal Joodse meesterslijpers

overleefden de oorlog niet. De langdurige staking van de vakbond voor de Amsterdamse slijpers in de jaren vijftig betekende de genadeslag voor het vak. Vanaf dat moment moet Amsterdam Antwerpen voor zich dulden. Toch ziet Blik nog wel een rol voor de Amsterdamse diamantbeurs weggelegd. ‘Wij hebben als eerste beurs de regels geschreven. Anderen uit de industrie doen nog wel eens een beroep op ons bij internationale geschillen.’35

Brits-Indië Olympisch kampioen in Amsterdam Tijdens de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam was er een glansrol weggelegd voor India – of Brits-Indië, zoals het toen nog heette. Het land stuurde 21 deelnemers naar Amsterdam; 14 van hen waren hockeyers. Het olympische hockeytoernooi werd gespeeld van 17 tot en met 26 mei, nog voor de officiële opening van de Spelen op 28 juli, net als trouwens de voetbalwedstrijden. Het Indiase team kwam al in april naar Nederland. De hockeyers logeerden in hotel Zomerzorg in Bloemendaal. Voorafgaand aan het officiële toernooi speelden ze een reeks oefenwedstrijden, waarvan twee in Amsterdam, op 26 april en op 2 mei. De oefenwedstrijd van 26 april, tegen een Amsterdams gelegenheidsteam, vond plaats in het Olympisch Stadion. De Indiase hockeyers hadden daarmee een primeur: het was de allereerste keer dat het gloednieuwe Olympisch Stadion gebruikt werd, een maand voor de eerste officiële wed35 36

36

strijd. Er was trouwens nog geen publiek bij het duel aanwezig, alleen een paar officials en een journalist. De Indiërs wonnen de wedstrijd met 15-2. Ze speelden zo goed, dat al gauw duidelijk was dat het team dé grote kanshebber was voor de olympische titel.36 Tijdens het olympische hockeytoernooi won Brits-Indië dan ook alle wedstrijden. Op 26 mei stond het Indiase team in de finale tegen gastland Nederland. “Een uitverkocht stadion getuige van een opwindende strijd,” kopte Het Vaderland de volgende dag. “Zooals te verwachten was, is Nederland er niet in geslaagd om een nederlaag tegen de Britsch-Indiërs te voorkomen. Maar wel hebben de oranjemannen gelegenheid gehad om te toonen dat zij inderdaad het team vormden, dat recht had op den tweeden prijs. Want nog geen enkele maal hebben de Britsch-Indiërs zóó voor de overwinning moeten strijden als nu tegen Holland. Het was een spannende

http:/www.diamantbeurs.org/Opkomst_India.html VERENIGING BEURS VOOR DEN DIAMANTHANDEL Anno 1890; Copyright (c) 2010 Het Financieele Dagblad (Ester van der Geest). Het Vaderland, 27-4-1928.


ontmoeting van begin tot eind, waarin ten slotte het sterkste elftal heeft gezegevierd, maar waarin tevens de Hollanders een vaardigheid getoond hebben als nog nooit tevoren.” Het Indiase team versloeg de Nederlanders met 3-0 en won daarmee dus het goud. Het was de eerste olympische titel in de geschiedenis van het land. Daarmee was de eerste vlag die ooit in het Olympisch Stadion werd gehesen, die van Brits-Indië. De ceremonie maakte veel indruk: “De spelers, bij wie zich ook de Duitschers [die derde waren geworden] voegen, scharen zich op een rij tegenover het uitslagenbord, waarboven de Olympische mast met de beide kleine masten zijn aangebracht. Door de luidsprekers verkondigt een damesstem in het Fransch: “Cérémonie protocolaire Olympique”. De officieele Olympische ceremonie neemt een aanvang. Niet zoodra zijn de

uitslagen van het hockey-tournooi medegedeeld: 1. Britsch-Indië; 2. Nederland; 3. Duitschland, of langzaam worden de vlaggen geheschen. De groote Britsch-Indische in het midden; links de Nederlandsche driekleur; rechts de Duitsche Rijksvlag. Het is een grootsch, een schitterend moment. Men voelt zich heel even wellicht bewogen door den ernst van het oogenblik. Men staart als gefixeerd naar die vlaggen, waaronder ook de geliefde driekleur is, het symbool van Hollandschen moed en durf en Hollandsche wilskracht.”37 Ook in de jaren daarna leed het Nederlandse hockeyteam nog keer op keer een verpletterende nederlaag tegen het Indiase elftal. Zo wonnen de Indiërs in 1932, vlak nadat ze in Los Angeles opnieuw het olympisch goud hadden veroverd, in Amsterdam nog met 9-1.38

Tot besluit: wat statistische gegevens Opp./inw.

Amsterdam

stadsregio

Bombay

Bangalore

Amsterdam

Delhi

Agglomeratie

Het Nationaal

Bangalore

Hoofdstedelijk Territorium van Delhi

Oppervlakte

219,14 km²

437,77 km²

366 km²

2.190 km²

1.483 km²

11.914.398 (2001) ca. 13,7 milj. (2008)

5.438.065

6.562.408

13.850.507

(2010)

(2010)

(2001)

land: 166,29 km² water: 53,15 km² Inwoners

780.152

ca. 1.354.000

(2010)

37 38

Het Vaderland, 27-5-1928. Het Nieuwsblad van het Noorden, 5-9-1932.

37


38

*27


Bijschriften foto’s Coverfoto: Prent is afkomstig uit de Nauwkeurige beschrijving Malabar en Choromandel, derzelver aan-grenzend rijken, en het machtige eiland Ceylon, Philippus Baldaeus, Amsterdam 1672. Masulipatnam was het belangrijkste VOC-kantoor in Zuidoost-India. Masulipatnam, Machilipatnam of Bandar is een stad aan de Indiase Coromandel-kust, in de deelstaat Andhra Pradesh. Het was ver-moedelijk ook de plaats van herkomst van Gerrit Mosopatam. Scheepvaartmuseum Amsterdam Inhoudsopgave: zie afbeelding 7 *1 Titelpagina van Van Linschotens Itinerario. Het boek werd uitgegeven door de beroemde boekverkoper/uitgever Cornelis Claesz op ’t Water (het huidige Damrak) bij de Oude Brug in 1596. *2 ‘Die Conick van Cochin op een elephant geseeten verselschapt met syn edelen die men Nairos noemt.’ Gravure afkomstig uit de Itinerario van Jan Huygen van Linschoten *3 Fort Geldria in Paleacate. Vogelvlucht, Philippus Baldaeus. Uit: Malabar en Choromandel, Amsterdam 1672. *4 Kaart van India. Rechthoek: kustplaatsen in de gewesten Malabar (zuidwestkust) en Coromandel (zuidoostkust). Cirkel:Bengalen met de belangrijkste VOC-vestiging in Hinsura aan de rivier de Hougli. Driehoek: het gewest Gujarat. Uit: Femme S. Gaastra, De geschiedenis van de V.O.C., 2002, pagina 49 *5 Anoniem. Gezicht op de Stad Cochin, aan de kust van Malabar, 1663. Schilderijen-

collectie Rijksmuseum Amsterdam *6 Jan Brandes. ‘Mallebaarse’ officier en ruiter, kleurtekening, 1785. Twee cavaleristen in VOC-dienst en van Indiase afkomst. Ze dragen tulbanden en blauwe jassen met rode delen. De paarden dragen blauwe schabrakken met maansikkels. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. *7 Hendrick van Schuylenburgh. Factorij te Hougli, 1665. Schilderijencollectie Rijksmuseum Amsterdam ( zie ook p.1 + 2 ) *8 Grafstenen en tombes op een heuveltje in Ahmedabad *9 Fort van Sadras *10 Flessenkeldertje. Circa 1680-1690 (hout, zilver, fluweel en porselein) 26 x 25,5 x 16,5 cm. Collectie Rijksmuseum Amsterdam *11 Detail van de kaart India Orientalis van Gerard Mercator (1512-1594). De beroemde Amsterdamse boekverkoper en uitgever Jodocus Hondius heeft deze kaart omstreeks 1606 uitgegeven. Omcirkeld in het rood Cochin (zuidwestkust). De rode pijlen met de blauw omcirkelde plaatsen, was de route dat het schip de Coromandel had moeten afleggen. Paleacate-Masulipatnam (zuidoostkust India)-Pegu (Birma). Ergens tussen Masulipatnam en Pegu (op 13° NB) is het schip vergaan. *12 Johan de la Rocquette. Philipus Baldaeus en Zuid-Aziaat nabij de kerk van Paneteripou, 1668. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

39


*13 Johan de la Rocquette. Philipus Baldaeus en Zuid-Aziaat nabij de kerk van Paneteripou, 1668. Detail met Gerrit Mosopatam. Collectie Rijksmuseum Amsterdam *14/15 Advertentie uit de Amsterdamsche Courant, 6 december 1707 *16 Jacob Houbraken. Prent van Nicolaas Witsen, 1688. Burgemeester van Amsterdam 1682, 1685-1705. Collectie Tekeningen en Prenten, Stadsarchief Amsterdam *17 Een kunstboek ‘vol curieuse minijateur teeckeninge’ uit de boedelinventaris van Rembrandt van Rijn, 1656. Archief Desolate Boedelkamer 1656, Stadsarchief Amsterdam

Rijksmuseum Amsterdam *21 Anonieme vervaardiger. Reliëfportret van de grootmogol Shah Jahan (1592-1666), circa 1630-1640. Collectie Rijksmuseum Amsterdam *22 Rembrandt van Rijn. De Grootmogol Jahangir. Tekening op Oosters papier, 16561658. Collectie Rijksmuseum Amsterdam *23 Marius Bauer, De Taj Mahal bij maanlicht, 1919. Collectie Rijksmuseum Amsterdam *24 Aantekeningen van Jacob van Lennep, 1827. Stadsarchief Amsterdam, archief 238 (familie Van Lennep), inventarisnummer 315.

*18 Anonieme tekenaar. Portret van Muhammad Ibrahahim, Legeraanvoerder van Golkonda, India, 1686. Afkomstig uit het ‘Witsen-album’. Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam

*25 Martin Monnickendam, Portret van Rabindranath Tagore (1861-1941), beroemd Indiaas dichter, roman- en toneelschrijver, musicus en mysticus. Winnaar van de Nobelprijs voor literatuur in 1913. Voorstudie voor een geschilderd portret. Stadsarchief Amsterdam, collectie Martin Monnickendam

*19 Anonieme tekenaar. Portret van Timur, ook wel genoemd Tamerlan, Afkomstig uit het ‘Witsen-album’. Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam

*26 Brief van Mahatma Gandhi aan Herbert Frank, april 1947. Stadsarchief Amsterdam

*20 Anonieme tekenaar. Portret van Abul Hassan, koning van Golkonda, India, Golkonda, 1686. Afkomstig uit het ‘Witsen-album’. Rijksprentenkabinet,

Colofon

*27 Hockeyers van het Indiaas Nationaal Team arriveren in Amsterdam voor de Olympische Spelen van 1928. Fotograaf onbekend. Foto van www.hetgeheugenvanNederland.nl

Dit is een uitgave van het Stadsarchief Amsterdam in samenwerking met amsterdam inbusiness en amsterdam marketing. Samenstelling Monique A.F. Peeters. Maart 2012.

40



India-Amsterdam Historische Banden Boek